diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 05:00:29 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 05:00:29 -0700 |
| commit | bea827a2cb9a2b4481d258eba508d9f88d81e92e (patch) | |
| tree | 3faf8fd2671e770c16e0d58761fd81fadd94c504 /old | |
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/20061020-19591-8.txt | 25689 | ||||
| -rw-r--r-- | old/20061020-19591-8.txt~ | 25689 | ||||
| -rw-r--r-- | old/20061020-19591-h.zip | bin | 0 -> 687765 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/20061020-19591-h.zip~ | bin | 0 -> 687765 bytes |
4 files changed, 51378 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/20061020-19591-8.txt b/old/20061020-19591-8.txt new file mode 100644 index 0000000..19cb532 --- /dev/null +++ b/old/20061020-19591-8.txt @@ -0,0 +1,25689 @@ +Project Gutenberg's De Decamerone van Boccaccio, by Giovanni Boccaccio + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Decamerone van Boccaccio + +Author: Giovanni Boccaccio + +Translator: J. K. Rensburg + +Release Date: October 20, 2006 [EBook #19591] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DECAMERONE VAN BOCCACCIO *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + De Decamerone + + van + + Boccaccio + + + + + Uit het italiaansch vertaald en bewerkt + + door + + J. K. Rensburg. + + + + + Complete, geïllustreerde uitgave. + + Amsterdam + + Vennootschap "Letteren en Kunst". + + + + + + + +Het Leven van Giovanni Boccaccio + +Florentijnsch Dichter. + + +Gelijk steeds uit de bestanddeelen van heet ijzer, door den smidshamer +geslagen, tal van brandende vonken schitteren als schijnsels in een +glansenden kring, zoo verwekte Dante, daarna Petrarca,--mannen van +de grootste begaafdheid, die de verouderde Poëzie bewerkten, zoodat +zij den roest van vele eeuwen er uit verwijderden,--als uit een +vuursteen de flikkerende vonken van dichterlijken geest, en wiesen +lichtende vlammen in grootschen gloed. Aldus ook Zanobio da Strada, +van wien wij elders melding hebben gemaakt, en die Giovanni, van welke +wij thans hebben te spreken. Zijn vader was Boccaccio van Certaldo, +een dorp in het Florentijnsche gebied, een man beroemd door de gratie +van zijn manieren. Hij bevond zich voor zijn handelszaken te Parijs en +was even vrij en aangenaam van geest als luchtig van karakter en licht +tot beminnen geneigd. Door die aantrekkelijkheid van zijn aard en van +zijn manieren werd hij verliefd op een Parijsch meisje van een rang, +het midden houdend tusschen adellijk en burgerlijk, voor wie hij in +de hevigste liefde ontbrandde en gelijk de kenners der werken van +Giovanni het willen, verbond deze zich met hem in den echt, waaruit +die Giovanni is voortgekomen, het kind, dat onder Maestro Giovanni, +den vader van den dichter Zanobio slechts gebrekkig de spraakkunst +had geleerd. De vader begeerde van hem en noopte hem om redenen van +winstbejag zich op de rekenkunde toe te leggen en om dezelfde redenen +te reizen; zoo zwierf hij langen tijd door vele en verschillende +streken, dan hier, dan daar. Reeds op zijn achtentwintigste jaar naar +vaderlijk gebod te Napels gekomen, vestigde hij zich te Pergola, waar +hij verblijf houdende, op een dag voor zijn genoegen wandelde en op de +plaats kwam, waar de asch van Virgilius Maron begraven is. Giovanni +beschouwde deze grafstede met bewondering en lang ook hem, dien +deze omsloot en in twijfel peinzend over de faam van dat gebeente, +begon hij opeens het noodlot verwijten te doen en zich hierover te +beklagen, waardoor hij met geweld gedwongen was zich toe te leggen +op de hem antipathieke handelszaken. Van toen af aangegrepen door +een plotselinge liefde voor de heilige Muzen, keerde hij huiswaarts, +verwaarloosde zijn koopmanschap en wijdde zich met den vurigsten ijver +aan de Dichtkunst, waarin hij in korten tijd nobele gedachten met +brandenden ijver verbond en groote vorderingen maakte. Zijn vader +bemerkte dit en meende, dat de hemelsche liefde meer op den zoon +vermocht dan het vaderlijk gezag. Hij stemde eindelijk in zijn studiën +toe en hielp hem met zijn gunst, voor zoover het mogelijk was, hoewel +hij hem eerst tot de studie van het kanonieke Recht aangespoord had. + +Toen Giovanni zich vrij voelde, begon hij met de grootste zorg +datgene na te vorschen, wat voor de Poëzie noodig was en ziende, +dat de beginselen en grondslagen der dichters, welke betreffende de +romans en de fabels bestaan, zoo goed als geheel waren verloren gegaan, +begaf hij zich, alsof hij door een voorbeschikking was bewogen, op weg +en schrikte niet terug voor de vermoeiendste zwerftochten. Daartoe +doorreisde hij vele en verschillende streken, waar hij met grooten +ijver bestudeerde, wat hij van de dichters kon bemachtigen en ook +legde hij zich op de Grieksche wetenschap met groote en volhardende +vlijt toe, zoodat hij alles kon nasporen, terwijl hij zich voor de +Grieksche dichtkunst wendde tot den zeer geleerden Meester Leontius, +den Graecus. Ten slotte bracht hij alles, wat hij met zijn langdurig +onderzoek kon vinden, samen in één boekdeel, dat hij "Over den +Geslachtsboom der Goden" betitelde, waarin de commentaren over +de antieke dichters met bewonderenswaardige orde en in sierlijken +stijl,--wat hij verbazend goed verstond--in allegorischen vorm zijn +verzameld, een ongetwijfeld aantrekkelijk en nuttig werk en zeer +noodig voor wie de werken der dichters wil kennen, zonder hetwelk het +moeilijk zou zijn ze te begrijpen en hun kunst te bestudeeren. Want +al de geheimenissen der dichters en de allegorische beteekenissen, +welke de historische romans of de fabel verbergen, maakt hij met +bewonderenswaardige scherpzinnigheid openbaar en als voor aller +hoofden bevattelijk. En aangezien de namen der rivieren, bergen, +wouden, meren, moerassen en zeeën, welke in de boeken der dichters en +historici beschreven worden, veranderd waren, hetzij door willekeur in +verschillende eeuwen of door verschillende gebeurtenissen en zij dus +met andere namen werden genoemd, welke hij las of veranderde of voor +twijfelachtig hield, stelde hij een boek samen over de rivieren, de +bergen en het andere bovengenoemde, waarin met opzettelijke aanduiding +elk met de namen naar den loop des tijds was opgeteekend, wat de lezers +van de studiën der Oudheid van vele dwalingen kan bevrijden. Hij +schreef ook een boek over de lotgevallen der groote mannen en een +ander over beroemde vrouwen, waarin hij door zooveel zeggingskracht +en sierlijkheid van stijl en statie schittert, dat men kan zeggen, +dat hij niet alleen de verhevenste geesten der Ouden in die studie +evenaart, maar misschien zelfs naar verdienste overtreft. + +Behalve die gezegde werken maakte hij zestien zeer schoone +herderszangen en vele brieven in verzen en in proza, welke door +geleerden niet weinig worden op prijs gesteld en zeker toonen de +boeken, welke hij schreef aan waardige en zeer begaafde mannen, hoe +groot zijn genie was. Petrarca zelfs prijst hem, die zóó zijn vriend +was, dat zij als één ziel in twee lichamen werden beschouwd, in hooge +mate naar waarheid en niet door de warmte van zijn vriendschap, +gelijk hij zegt en de dichter Zenobio, zooals die in zijn verzen +bewijst, laat aan hem de vrijheid de stof voor zijn geschriften uit +te zoeken. Er zijn nog verschillende werken door hem geschreven in +volkstaal, sommige in rijm gezongen, een ander in prozaisch verloop +opgezet, waar zijn geest behagen schept--een weinig te openlijk--in +wulpsche jeugd, wat hij later, ouder geworden, in het duister wilde +laten. Maar hij kon, gelijk hij begeerde, het vroeger uitgesproken +woord niet naar de borst terugroepen, noch het vuur, dat hij met den +blaasbalg had aangewakkerd, met den wil dooven. Naar verdienste ook +paste het den grooten man met den dichterlauwer te zijn bekroond, +maar de droeve ellende der tijden, welke de bezitters der tijdelijke +goederen tot laag winstbejag had gebracht en ook zijn armoede beletten +dit. Doch de boeken, door hem voortgebracht, waard om te worden +bekroond, eeren in plaats van mirte en klimop zijn doorluchtige slapen. + +De dichter was van eenigszins zwaarlijvig postuur en groot; zijn +gelaat was glad maar met de neus boven de neusvleugels een weinig +ingedrukt, met ietwat dikke lippen, niettemin fraai en wel belijnd; +de kin had een kuil en toonde, als hij lachte, een schoonen vorm. Hij +had een vroolijk en luchthartig uiterlijk, was aangenaam in al zijn +gesprekken en schiep tamelijk veel genoegen in het praten. Hij verwierf +zich door zijn voorkomendheid vele vrienden, echter geen een, die aan +zijn armoede dacht. Hij stierf in 1375 op den leeftijd van 62 jaar en +werd in het plaatsje Certaldo in het klooster van Santo Jacopo, ook wel +genoemd la Canonica, met eerbewijzen begraven onder het grafschrift, +dat hij voor zich zelf, nog in leven, maakte en dat aldus luidde: + + + Onder deze steen rust de asch en het gebeente van Giovanni, + Zijn geest zetelt bij God, geëerd naar de verdienste van + zijn werken: + Sterfelijk was die van bestaan, zijn vader was Boccaccio, + Zijn vaderstad was Certaldo, zijn lust was de liefelijke + Dichtkunst. + + +Er wordt in Florence geloof geslagen aan het gerucht, dat Boccaccio +tot de familie der Chellini's behoorde, en dat zijn vader van de +Florentijnsche Republiek als magistraat een inkomen genoot. + + + + + + + + + _Het Boek, de_ Decamerone [1] _getiteld, bijgenaamd_ Vorst + Galeotto [2] _vangt aan, waarin honderd novellen staan, + verhaald in tien dagen door zeven jonge dames en drie jonge + heeren._ + + +Het is menschelijk medelijden te hebben met hen, die bedroefd zijn +en hoewel dit iedereen goed staat, wordt dit het meest gevraagd +van hen, die zelf vroeger behoefte hadden aan troost en dien steeds +vonden. Onder dezen, hetzij het hem aangenaam is of dat hij eertijds +er behagen in kreeg, als iemand hem daarom vroeg, behoor ook ik. Want +ik was van af mijn eerste jeugd af tot dezen tijd toe fel ontbrand +door een verheven en edele liefde [3], misschien veel meer dan het +naar mijn lagen stand zou schijnen en passen er van te spreken. + +Hoewel ik bij hen, die bescheiden waren en tot wier kennis dit kwam, +er om geprezen zou zijn en nog veel meer bekend zou wezen, had ik er +niettemin veel last van, zeker niet door de wreedheid van de beminde +dame maar wel door het te overvloedige vuur, in den geest opgehoopt, +bij een slecht geregelde eetlust, welke, omdat die mij geen enkel +oogenblik verzadigd liet, mij verscheidene malen meer belemmering deed +gevoelen dan mij lief was. In dit soort lijden brachten de opwekkende +redeneeringen van zekeren vriend en zijn lofwaardige troostgronden +reeds zooveel verzachting, dat ik de onwrikbare meening in mij omdraag, +dat ik hieraan het leven te danken heb. Maar alnaar het Hem behaagde, +die--eeuwig zijnde--aan alle wereldsche zaken door onveranderlijke +wetten een einde stelde, verminderde mijn liefde, vuriger dan elke +andere na verloop van tijd van zelf, welke geen kracht van redeneering +of raad of in het oog loopende belachelijkheid of daaruit volgend, +mogelijk gevaar kon breken of buigen. Die liefde heeft aldus in mijn +ziel alleen die vreugde achter gelaten, welke de tijd gewoon is aan +hem te verschaffen, die niet te veel nadenkt, zoodat, waar het gevoel +gewoonlijk pijnlijk was, hij alle verdriet wegnam en het aangename +achter bleef. + +Maar zoo de smart ophield, is daardoor de herinnering niet weggevlucht +van vroeger ontvangen weldaden, mij bewezen door hen, voor wien bij de +welwillendheid mij toegedragen van hun kant, mijn nooden als ernstig +golden en die heugenis zal, geloof ik, ook nooit vergaan, tenzij door +den dood. En omdat de dankbaarheid, naar ik meen, onder de andere +deugden hoogelijk is aan te bevelen en het tegengestelde laakbaar, +heb ik, om niet ondankbaar te schijnen, mij zelf voorgenomen met het +weinige, dat in mijn vermogen is, in ruil voor wat ik ontving, nu ik +mij vrij kan noemen, verlichting te verschaffen en zoo niet aan hen, +die mij hielpen--voor wien het door hun verstand of hun fortuin niet +behoeft--dan ten minste aan diegenen, die het wèl noodig hebben. En +ofschoon de steun of troost, die ik wil geven, vrij gering kan zijn +en is, toch schijnt het mij, dat ik die des te eerder moet schenken, +waar de behoefte grooter schijnt, zoowel omdat die er meer nut zal +doen als omdat die er meer op prijs zal gesteld worden. + +En wie zal ontkennen, wie het ook zij, dat men die niet meer moet +schenken aan de schoone vrouwen dan aan de mannen? Zij houden in +hun teedere boezems vreesachtig en vol schroom de liefdevlammen +verborgen, welke zooveel meer kracht hebben dan de geopenbaarden, +naar zij weten, die dit hebben ervaren, en bovendien--gebonden door +de wilsuitingen, de luimen, de bevelen van vaders, moeders, broeders +en echtgenooten--blijven zij het grootste deel van den tijd in de +kleine ruimte van hun kamers opgesloten en schijnbaar rustig daar +zittend, willend en niet willend terzelfder ure, rollen ze in zich +zelf verschillende gedachten om, die zeker niet altijd vroolijk kunnen +zijn. En indien door dezen eenigerlei zwaarmoedigheid, ontstaan uit +de vurige begeerte, in hun hoofden opkomt, waarin deze zich gewoonlijk +nestelt met hevig verdriet, wordt die er niet uitgedreven door nieuwe +redeneeringen; buitendien zijn zij veel minder sterk dan de mannen +om dit te doorstaan. Dit gebeurt bij verliefde mannen niet, gelijk +wij duidelijk kunnen zien. Wanneer eenige melancholie of ernst van +gedachten hen bedroeft, hebben zij verschillende manieren om die te +verlichten of er zich over heen te zetten, omdat, als zij dit willen, +niets hen belet uit te gaan, veel te hooren en te zien, zich op de +vogelvangst te begeven, te jagen, te visschen, paard te rijden, te +spelen en handel te drijven. Op die wijze heeft elk de kracht hetzij +geheel, hetzij gedeeltelijk den geest tot zich zelf te roepen en hem +van trieste gedachten af te brengen, althans na eenig tijdsverloop, +waarna op de een of andere manier of troost verrast of de ontstane +smart vermindert. + +Derhalve wensch ik, opdat door mij het kwaad van het Noodlot verzwakt, +waar bij minder kracht--gelijk wij bij de teedere donna's zagen--ook +minder steun bestond, tot hulp en toevlucht van hen, die beminnen +(hoewel voor de andere vrouwen de naald en de spil en de haspel +van het spinnewiel voldoende zijn) honderd verhalen te doen of +fabels of parabels of histories, al naar we die noemen willen. In +tien dagen werden ze door een eerzaam gezelschap van zeven dames en +drie jongelieden verteld en verzonnen gedurende den voorbij geganen +sterftetijd van de pest en ook enkele liederen van gezegde dames, +toen voor hun vermaak gezongen. + +In deze novellen zullen zich komische en treffende liefdegevallen +voordoen en andere gelukkige gebeurtenissen, zoowel uit de oude +als uit de nieuwe tijden, waaruit de al genoemde vrouwen, die dezen +zullen lezen, evenzeer genoegen als nuttige raad kunnen halen door +de grappige feiten daarin verhaald en leeren wat daaruit dan ook +vermeden en nagevolgd moet worden, hetgeen ik niet geloof, dat kan +gebeuren zonder verdrijving van het verdriet. + +Laten wij, indien dit geschiedt, (wat God geve) Amor daarvoor danken, +welke mij uit zijn banden bevrijdend, mij gedwongen heeft die te +kunnen aanwenden tot hun genoegen. + + + + + + + + _De eerste dag van de_ Decamerone _begint: waar aangetoond + wordt, naar de verklaring van den auteur, waarom het gebeurde, + dat de personen, die bij elkaar komen, zich moesten vereenigen + om zich samen te onderhouden. Onder de leiding van Pampinea + verhaalt men van wat het meest aan elk behaagt._ + + +Zoo dikwijls als ik, zeer genadige donna's, bij mezelf denkend er op +let, hoe gij allen natuurlijk ernstig gestemd zijt, zoo vaak ben ik mij +bewust, dat het tegenwoordige werk, naar uw oordeel, een ernstigen en +droeven oorsprong moet hebben gelijk de smartelijke herinnering aan de +voorbijgegane, pest verbreidende sterfte in het algemeen hinderlijk +is voor ieder, die deze mocht zien of op andere wijze kennen. Het +boek bevat vooraan deze herinnering. Maar ik wil niet, dat dit u zal +afschrikken er meer van te lezen, alsof gij altijd onder tranen en +zuchten met de lectuur zoudt moeten voortgaan. Dat vreeselijke begin +zal u niet anders aandoen dan een ruwe en steile berg reizigers treft, +wanneer een zeer schoone, zachte en aangename rustplaats volgt, welke +hun des te behagelijker zal zijn, naarmate de moeite van het bestijgen +en afdalen daarvan grooter is geweest. En gelijk het uiterste van +vreugde smart inhoudt, zoo worden de verdrietelijkheden door daarop +volgende vreugde beëindigd. Op dit korte verdriet (ik zeg kort, omdat +dit in weinige woorden vervat is) volgt spoedig het genoegen en het +genot, dat ik u bij voorbaat had beloofd en dat misschien bij een +aldus gemaakt begin niet verwacht zou worden, indien ik het niet had +vermeld. Inderdaad, indien ik op fatsoenlijke manier op een andere +wijze had kunnen komen tot wat ik verlang dan langs het ruwe pad, +waarover ik dit doe, dan had ik het graag gedaan, maar daar ik de +oorzaak, door welke de dingen geschiedden, die later zullen gelezen +worden, niet kon verklaren zonder die herinnering, breng ik mijzelf, +als door noodzakelijkheid gedwongen, er toe om dit te beschrijven. + +Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods +Zoon al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig, +toen in de zeer goede stad Florence, schooner dan elke andere +Italiaansche, de moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den +invloed der hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods +gerechten toorn onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te +voren in het Oosten ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte +en zonder oponthoud van de eene plaats naar de andere voortgaande, +zich op allertreurigste wijze naar het Westen heeft verbreid. [4] +En hiertegen hielp geen enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid, +hoe de stad ook gezuiverd werd van veel onreinheid door de beambten, +behalve van die, waarvan het reeds voorgeschreven was en evenmin baatte +het, dat het aan elke zieke verboden was de stad binnen te gaan. De +vele raadgevingen geschonken voor het behoud van de gezondheid, en ook +de nederige smeekbeden, niet ééns maar vele keeren zoowel in geordende +processies als op andere wijze tot God gericht door vrome menschen, +hielpen niets. Omstreeks het begin van de lente van het voornoemde +jaar begon de pest op vreeselijke wijze en op wonderbaarlijke manier +haar treurigen invloed te toonen. Zij woedde niet, gelijk zij in het +Oosten had gedaan, waarbij ieder, dien het bloed uit den neus kwam, +dit een zeker teeken was van onvermijdelijken dood, maar bij het +begin der ziekte ontstonden of in de lies of onder de oksels--bij +mannen als vrouwen op gelijke wijze--zekere gezwellen, van welke +enkelen groeiden als tot een gewone appel, anderen als tot een ei, +bij eenigen meer en bij anderen minder, welke de menschen uit het volk +pestbuilen noemden. Van de twee genoemde lichaamsdeelen uit begon in +korten tijd de reeds gezegde doodelijke pestbuil, onverschillig waar, +in een deel er van te ontstaan en op te komen en daarna begon het +uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te veranderen in zwarte of +loodkleurige vlekken, welke onder de armen en op de heupen en op elk +ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot en weinig, en bij genen +klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het eerst was geweest en nog +was het zekere teeken van naderenden dood, zoo waren die vlekken het +ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden. Het scheen, dat tot genezing +van dit soort ziekte noch raad van een dokter, noch kracht van welk +medicijn ook waarde had of verlichting bracht, daar of de aard van +den ramp het niet toeliet, of daar de onwetendheid der geneeskundigen +(van welke buiten de wetenschappelijke het aantal zoowel van mannen +als vrouwen, die nooit de medicijnen hadden gestudeerd, enorm was +geworden) de oorzaak niet kon verklaren. Daar men bij gevolg het +noodige geneesmiddel er niet voor koos, herstelden er niet slechts +maar weinigen van, maar ongeveer allen binnen drie dagen sinds de +verschijning van genoemde teekens, die wat eerder, gene wat later, +en de meesten zonder koorts of er bij komende omstandigheden, stierven. + +En de kracht van die pest was nog grooter, omdat zij van de zieken +door gemeenschappelijk samenzijn zich op de gezonden wierp, op +dezelfde wijze als het vuur doet bij droge voorwerpen of gewrevenen, +als zij het dicht genoeg zijn genaderd. En er was een nog grooter +kwaad n.l. dat niet alleen het spreken en omgaan met de zieken aan +gezonden de ziekte bracht of de oorzaak van het gewone sterfgeval werd, +maar ook het aanraken van de lakens of welk ander voorwerp ook, dat +door deze zieken beroerd werd of gebruikt, scheen die ziekte op hem, +die ze betastte, over te brengen. + +Het is een wonderlijke zaak om te hooren, die ik vertellen moet en +die, indien hij niet door vele en door mijn eigen oogen gezien was, +ik ternauwernood zou durven gelooven en niet den moed zou hebben neer +te schrijven, zoo ik dit niet van betrouwbare menschen had gehoord. Ik +beweer, dat de aard van de vermelde pest van zoodanigen invloed was +bij aanraking van het eene wezen met het andere, dat niet alleen de +eene mensch den ander, maar wat erger is en duidelijk genoeg bleek, +dat het goed van iemand, die daardoor ziek was geweest of overleden, +beroerd door een ander schepsel dan van het menschelijk geslacht, het +niet alleen daarmee aanstak, maar het in zeer korten tijd doodde. Met +mijn eigen oogen heb ik waargenomen, (gelijk kort te voren gezegd is) +dat op een dag onder andere gevallen de lompen van een arm man door +de ziekte bezweken, op den openbaren weg waren geworpen, toen twee +zwijnen naderden en naar hun gewoonte die eerst met den snuit en de +tanden opnamen en om den kop schudden. Kort daarop, na een paar maal +te hebben rondgewenteld, alsof ze vergift hadden ingenomen, vielen +beide op de ongelukslompen dood ter aarde. + +Hierdoor en door heel wat meer andere gelijksoortige en erger gevallen +ontstonden verschillende angsten en inbeeldingen bij hen, die gespaard +bleven en allen kwamen tot een vrij wreede gevolgtrekking, namelijk +de zieken en hun omgeving te vermijden en te ontvluchten en aldus +handelend meende elkeen zich gelijkelijk redding te verschaffen. Er +waren er eenigen, die aanrieden, dat matig leven en zich te onthouden +van alle overdaad veel weerstand gaf tegen de zich voordoende ramp, +en na een gezelschap te hebben gevormd leefden zij afgescheiden van +ieder ander en zij vluchtten in hun huizen en sloten zich op daar, +waar geen enkele zieke was, en zij gebruikten om beter te leven +zeer matig de fijnste spijzen en de beste wijnen en vermeden elke +buitensporigheid zonder te spreken of iemand te laten spreken van +buiten over dood en zieken, of eenig nieuws te hooren en bleven +dáár bij muziek en bij alle genoegens, die zij zich verschaffen +konden. Anderen, van een tegengestelde meening overtuigd, beweerden +dat goed drinken en genieten en zingend naar buiten te gaan en zich +te vermaken en te voldoen aan iedere behoefte, waar het kon en te +lachen en te schertsen om al wat gebeurde, het zekerste middel was +tegen zulk een kwaad. Gelijk zij zeiden gingen zij dag en nacht naar +hun vermogen te werk, dan naar deze, dan naar die kroeg loopend, zonder +overleg en zonder maat drinkend. Zij deden veel meer dan in alle andere +omstandigheden alleen dat, wat zij meenden, dat voor hun aangenaam en +plezierig kon zijn. En zij konden dit gemakkelijk doen, omdat ieder +(alsof hij niet langer had te leven) zijn goederen in den steek had +gelaten of hij al dood wás, waardoor de meeste huizen gemeengoed waren +geworden. De vreemdeling gebruikte die, alsof hij er behoorde en gelijk +de eigen heer er gewoond zou hebben en met die hardvochtige gedachte +ontvluchtten zij, zooveel ze konden, steeds de zieken. In zulk een rouw +en ellende van onze stad was het eerbiedwaardig gezag van de wetten, +zoowel goddelijke als menschelijke, als het ware vervallen en geheel +losgelaten door de schepenen en de uitvoerders daarvan. Deze waren +gelijk andere menschen of dood of ziek of zoo van familie beroofd, +dat geen enkel ambt kon uitgeoefend worden; daardoor stond het aan +ieder vrij naar zijn welgevallen te handelen. + +Velen volgden tusschen de twee gezegde levenswijzen een gemiddelde, +zich niet onthoudend van spijzen als de eersten, nog zich te buiten +gaande aan drank en andere losbandigheden gelijk de tweeden, maar +zij gebruikten naar genoegen volgens hun begeerten de levensmiddelen +en gingen naar buiten zonder zich op te sluiten en droegen deze, +bloemen, gene, welriekende kruiden in de handen en andere verschillende +specerijen, die zij vaak aan den neus brachten, denkend, dat dit een +uitstekend middel was om met dit soort reuk de hersens te versterken; +want het was er zoo mee gesteld, dat de lucht geheel van den stank +der doode lichamen en van de ziekte en van de medicijnen doortrokken +en onrein was. + +Anderen waren van een nog wreeder gevoelen (alsof dat soms veiliger +zou zijn) en zeiden, dat er geen ander en beter middel tegen de pest +bestond dan er voor te vluchten en door deze redeneering aangezet, voor +niets zorgend dan voor zichzelf, verliet een groot aantal zoowel mannen +als vrouwen hun eigen stad, hun eigen huizen, hun positie en familie +en goederen en zochten de anderen steden op of althans hun omtrek, +alsof Gods toorn over de ongerechtigheid der menschen met die pest van +de plaats, waar zij waren, niet voort kon gaan, maar Hij die alleen +had verwekt om diegenen te tuchtigen, welke zich binnen de muren der +stad mochten bevinden; zij raadden niemand er te blijven en beweerden, +dat zijn laatste uur dan gekomen was. Daar zij, die een andere meening +hadden, niet allen stierven, vluchtte daardoor niet iedereen; van +beide partijen werden er echter velen ziek. Zij versmachtten verlaten +alom, alhoewel zij, toen zij zelf gezond waren, een voorbeeld van +levenswijze hadden gegeven, aan hen, die gezond bleven. Laten wij +verzekeren, dat de eene burger den ander vermeed, en daar zoo goed +als niemand voor een ander zorgde en bloedverwanten elkaar zelden of +nooit bezochten, was er van verre met den zoo veroorzaakten schrik +zulk een verbijstering gekomen in de gemoederen der mannen en vrouwen, +dat de eene broeder den ander verliet en de neef de nicht en de zuster +den broeder en dikwijls de vrouw haar echtgenoot; en (wat erger is +en haast ongeloofelijk) de vaders en moeders vermeden hun kinderen, +of het de hunnen niet waren, te bezoeken en te helpen. Hierdoor bleef +voor hen, wier aantal niet was te schatten, zoowel mannen als vrouwen, +die ziek werden, geen andere hulp dan de barmhartigheid van vrienden +(en van hen waren er maar weinig) of de hebzucht van oppassers, +die voor hoog salaris en schandelijke overeenkomsten dienden. Hun +aantal was door dit alles toch niet groot en de mannen zoowel als +de vrouwen waren dom en in vele gevallen nooit voor dergelijke werk +gebruikt, terwijl ze voor niets anders dienst deden dan eenige dingen +aan te reiken door de lijders gevraagd of om ze bij te staan, als zij +stierven. Wanneer zij die dienst verrichtten, gingen ze dikwijls met +winst en al dood. Daar de zieken verlaten waren door buren, verwanten +en vrienden en gebrek hadden aan oppassers, ontstond een gebruik, +vroeger ongehoord, dat een vrouw, hoe bekoorlijk en schoon en lief ze +ook was, wanneer zij ziek werd, zorg droeg een man tot haar dienst te +hebben, wie hij ook mocht zijn, jong of oud, waarvoor zij zonder eenige +schaamte elk lichaamsdeel ontblootte niet anders dan zij voor een vrouw +zou gedaan hebben. Want de nood van haar lijden eischte dit, wat bij +hen, die genazen, misschien de oorzaak was van minder kuischheid in +den tijd, die volgde. Bovendien overviel de dood velen van hen slechts +door tegenspoed, die gered zouden zijn, indien ze geholpen waren. + +Tengevolge daarvan, zoowel door het gebrek aan de noodige oppassing, +welke de zieken niet konden krijgen als door de hevigheid van de pest +was de massa van hen, die dag en nacht stierven zoo groot in de stad, +dat het schrikbarend was om het te hooren vertellen, als men er slechts +acht op gaf. Daardoor als van zelf ontstonden naast vroegere gewoonten +van de burgers zeden in strijd met die, welke in zwang waren gebleven. + +Het was gewoonte (gelijk we het nog in gebruik zien), dat de verwanten +en de buurvrouwen zich in het huis van den doode verzamelden, en +hier met hen, die hem meer vermaagschapt waren, treurden; en van den +anderen kant vereenigden zich vóór het huis van den doode de buren +en een aantal andere burgers met zijn mannelijke familieleden en naar +den rang van den overledene kwam de geestelijkheid en werd hij op de +schouders van zijn makkers met begrafenispraal van waskaarsen en zangen +gedragen naar de kerk, voor zijn overlijden door hem aangewezen. Die +gebruiken hielden, toen de felheid van de pest begon toe te nemen, +of geheel of grootendeels op en er kwamen geen andere nieuwen voor +in de plaats, zoodat niet alleen tal van lieden stierven zonder +klaagvrouwen, maar er waren er genoeg, die zonder getuige uit dit +leven scheidden en maar zeer weinigen, wien vrome klaagzangen en de +bittere tranen van zijn familieleden bleven voorbehouden. Liever in de +plaats daarvan sleten die hun leven door zooveel mogelijk te lachen en +te schertsen en gezellig feest te vieren, welke gewoonte de vrouwen, +die grootendeels de vrouwelijke vroomheid hadden afgelegd, voor hun +lijfsbehoud zeer goed hadden geleerd. Er waren er maar weinigen, +wier lichamen door meer dan tien of twaalf van de buren ter kerk +vergezeld werden, en voor welken de eerzame en achtbare burgers, +en niet een soort doodgravers, voortgekomen uit den laagsten stand, +die zich ook aldus lieten noemen en die deze diensten voor geld +verrichtten, onder de baar traden en haar met haastige passen niet +naar die kerk brachten, welke zij voor hun dood hadden aangewezen, +maar naar de meest naburige meestal achter vier of zes geestelijken +met weinig kaarslicht en menigmaal zonder één priester. Dezen met de +hulp van die doodgravers zonder zich met een te langen of plechtigen +lijkdienst te vermoeien, brachten die in de eerste de beste grafstede, +welke zij open vonden. Van den lageren stand en misschien voor een +groot deel van de middelklasse was de aanblik der alle ellende nog +veel erger, omdat die het meest door hoop of door armoe in hun huizen +werden teruggehouden of in hun buurt bleven en bij duizenden ziek +werden en noch bediend, noch geholpen met wat ook, zonder eenige +verzachting stierven. Er waren er genoeg, die op den openbaren weg +bij dag of nacht omkwamen en velen, die in hun huizen heengingen, +deden eerst door den stank van hun ontbonden lichamen dan aan de +buren bemerken, dat zij dood waren; zoowel hiervan als van anderen, +die overal bezweken, waren er een groot aantal. Er werd door de meeste +buren een middelweg gebruikt, daartoe niet minder bewogen door vrees, +opdat de besmetting van de dooden hun geen kwaad deed, als door de +barmhartigheid, die zij jegens de overledenen hadden. + +Zij, zoowel door eigen kracht als met behulp van de dragers, zooveel ze +er van konden krijgen, sleepten de lichamen der reeds gestorvenen uit +hun huizen en plaatsten die voor hun deuren, waar vooral 's morgens, +wie uit was gegaan, er talloos veel had kunnen zien. Zij lieten +vervolgens baren komen en er waren er, die bij gebrek daaraan, ze op +een plank legden. Er was geen baar, die niet twee of drie tegelijk +er van torste, en het kwam misschien maar één keer voor, dat van +deze niet vrij zeker kon gezegd worden, dat zij de echtgenoote en +den man, de twee of drie broeders of den vader en den zoon of op die +wijze de familie droeg. Het gebeurde zeer vaak, dat, wanneer twee +of drie priesters met een kruis voor één baar afzonderlijk liepen, +dat drie of vier baren geheven door dragers, zich daarachter voegden; +en waar de priesters geloofden, dat zij één doode begroeven, deden zij +er dit zes of acht of nog meer. Zij werden ook niet geëerbiedigd met +een enkelen traan of kaarslicht of begeleiding; ook werd de toestand +van dien aard, dat men geen andere zorg droeg voor de menschen, die +stierven, dan men voor geiten over had. Daardoor bleek het duidelijk +genoeg, dat, terwijl de natuurlijke loop der dingen bij weinige en +zeldzame verliezen niet aan wijzen kon leeren die te dragen met +geduld, de grootste van de rampen zelfs de eenvoudige zielen had +kunnen maken tot verstandige en ongevoelige lieden. Blijkbaar door +de groote menigte dooden, die naar elke kerk iederen dag en zoo goed +als ieder uur, al naar het viel, gedragen werd, maakte men, daar de +gewijdde aarde voor de begrafenissen niet voldoende was en daar men +vooral aan ieder volgens de oude gewoonte een eigen plaats wilde +geven, op de akkers van de kerken, omdat elke plek grond vol was, +zeer groote kuilen, waarin men de later aangebrachten bij honderd +neerliet en in deze opgehoopt--gelijk men koopwaren laag op laag +in schepen legde--bedekte men ze met weinig aarde zoover, dat die +tot den rand van de kuil kwam. Maar opdat ik niet later aan iedere +bijzonderheid van de voorbijgegane ellende, onze stad overkomen, nog +herinner, vermeld ik, dat, toen deze booze tijd die bezocht, zij bij +haar voortduur evenmin de omliggende streek spaarde, waar (ik laat de +dorpen ter zijde, die door hun kleinheid bij de stad begrepen waren) +in de verspreide hofsteden en de velden de ongelukkige boeren en armen +en hun families zonder eenige hulp van dokter of steun van een oppasser +op de wegen en op hun akkers en in hun huizen, onverschillig bij dag +en bij nacht, niet als menschen maar als beesten stierven. Daardoor +werden zij als de poorters in hun gewoonten bandeloos en zorgden +niet meer voor hun werk of hun zaken. Allen ook als op den dag, +wanneer de dood, dien zij verwachten, zou komen, deden hun best op +allerlei wijze niet hun toekomstige winsten van vee en land en van +hun gedanen arbeid te vermeerderen maar te verkwisten, wat ze er +van in voorraad hadden. Aldus gebeurde het, dat de koeien, de ezels, +de schapen, de geiten, de zwijnen, de kippen en zelfs de honden, het +trouwst aan de menschen, uit hun eigen verblijfplaatsen verjaagd door +de velden wegliepen naar willekeur, waar ook het graan verlaten en +niet binnengehaald maar wel gemaaid was. En velen, die over dag goed +gevoed waren, dronken zich zonder toezicht van den herder 's nachts in +hun stal zat, of ze verstand hadden. Hieraan valt nog toe te voegen +(wanneer ik het platteland ter zijde laat en tot de stad terug ga) +dat, indien het niet in die mate is en zoozeer was door de wreedheid +des hemels en misschien ten deele door die der menschen, zoowel door +de kracht van de pest als doordat vele zieken slecht waren geholpen +en hunne behoeften verwaarloosd, ook door de vrees, die vele gezonden +hadden, men het aantal menschen, die zeker binnen de muren van de stad +Florence stierven, boven de honderdduizend schat. Hoevelen zou men +misschien vóór den verderfelijken ramp niet gedacht hebben daarbij +te moeten tellen? O hoeveel groote paleizen, hoeveel fraaie huizen, +hoeveel trotsche woningen, vroeger vol families, vol heeren en dames, +bleven tot op den minsten bediende ledig! O hoeveel aanzienlijke +geslachten, hoeveel groote erfgoederen, hoeveel befaamde rijkdommen +zag men zonder den wettigen erfgenaam blijven! Hoeveel invloedrijke +mannen, hoeveel schoone vrouwen, hoeveel lieve kinderen, die door geen +minderen dan Galienus, Hippocrates of Esculaap gezond zouden geacht +wezen, ontbeten 's morgens met hun ouders, met gezellen en vrienden, +die op den invallenden avond in de andere wereld met hun afgestorven +verwanten het avondmaal hielden! + +Ik zelf voelde aandrang om tusschen zooveel ellende te gaan zwerven +en nu wil ik achterwege laten, wat ik gerust weglaten kan. Ik zeg dan, +dat, terwijl onze stad in dien toestand was, bijna leeg van bewoners, +(gelijk ik later van een betrouwbaar persoon vernam) toevallig in de +eerbiedwaardige kerk van Santa Maria Novella op een Dinsdagmorgen +zeven jonge dames bijeen kwamen, toen er haast niemand anders was +en nadat zij den heiligen dienst er gehoord hadden in rouwgewaad, +gelijk in die omstandigheden vereischt werd. Allen waren aan elkaar +verbonden door vriendschap, nabuurschap of verwantschap en geen een +was er ouder dan achtentwintig of jonger dan achttien; elk van hen +was ontwikkeld, van edel bloed, mooi gevormd, rijk van kleederdracht +en van fatsoenlijk uiterlijk. Het is mij niet veroorloofd hun ware +namen te melden, indien de reden althans gegrond is. Ik wil dit niet, +opdat zij over de dingen, die volgen en die door hen verhaald en +gehoord zijn, in de toekomst zich niet hoeven te schamen. Want de +wetten op de vermaken zijn thans wat streng, en waren toen door de +bovenvermelde oorzaken niet slechts voor hun leeftijd maar ook voor een +veel rijperen zeer zacht. Ook wil ik aan nijdigaards geen gelegenheid +geven, die gereed zijn ieder fatsoenlijk leven te bezoedelen, door +eenigerlei daad de eerbaarheid der waardige dames te verkleinen met +schadelijke praatjes. En opdat ieder later zonder verwarring kan +begrijpen, wat elk van hen hun vertelde, ben ik van plan door namen, +die met hun hoedanigheid of geheel of ten deele overeenkomen, ze aan +te duiden. Aldus zullen wij niet zonder reden de eerste en de oudste +Pampinea noemen, en de tweede Fiammetta, de derde Filomena, de vierde +Emilia, en wij zullen Lauretta als de vijfde aanduiden en de zesde +zullen wij Neifila en de laatste Elisa noemen. Dezen, die nog geen +besluit hadden genomen, maar toevallig in een deel der kerk bijeen +waren gekomen en als in een kring zich geplaatst hadden om te zitten, +begonnen na heel wat zuchten en nadat zij het prevelen van paternosters +hadden gestaakt, met elkaar te redeneeren over den aard der vele en +verschillende tijdsomstandigheden en na eenige oogenblikken, toen de +anderen zwegen, begon Pampinea aldus te spreken: + +Mijn lieve donna's, gij kunt als ik meermalen gehoord hebben, dat +niemand kwaad doet, die goed zijn verstand gebruikt. Het is natuurlijk +van iedereen, bij wat er op deze aarde gebeurt, zooveel mogelijk zijn +leven te sterken en te behouden en te verdedigen. Men geeft dit zelfs +zoover toe, dat het een enkele maal al is voorgekomen, dat zonder +eenige schuld menschen om dit te behouden elkaar hebben gedood. En +indien de wetten dit veroorloven, in wier betrachting het voor ieder +sterveling goed is te leven, hoeveel te meer zonder iemand te hinderen +is het voor ons en ieder ander niet zedelijk voor het behoud van +ons leven die middelen te kiezen, welke in ons vermogen zijn? Ieder +oogenblik, dat ik onze wijze van doen van dezen morgen beschouw en ook +die van vroeger en bedenk, hoedanige en welke onze redeneeringen zijn, +begrijp ik--en gij kunt het eveneens begrijpen,--dat ieder van ons aan +zich zelf moet twijfelen: en dit nog verwondert mij niet, maar sterk +verbaast mij (in aanmerking nemend, dat wij alle vrouwelijk gevoel +hebben), dat wij zelf niet bemerken eigenlijk ieder voorbehoedmiddel +te vreezen. Wij blijven hier, naar het mij schijnt niet anders dan +om er de geheel vrijwillige en noodzakelijke getuigen van te zijn +hoeveel dooden hier ten grave worden gedragen en om te hooren of +de broeders van hier binnen, van welke het aantal haast tot nul is +geworden, op de verplichte uren hun dienst afzingen, of om aan ieder, +die hier verschijnt, onzen rang en de grootte van onze ellende te doen +zien. Ook: indien wij van hier weggaan, of de lijken of de zieken van +buiten zien vervoerd worden of hen aanschouwen, die het gezag der +publieke wetten vroeger tot ballingschap dwong voor hun misdaden, +en die daar als 't ware mee spotten, dewijl zij gewaar worden, +dat de uitvoerders daarvan dood of ziek zijn en met weerzinwekkende +brutaliteit het grondgebied afloopen of het schuim der stad, dat op +ons bloed verhit is en zich doodgravers noemt en om ons te beleedigen +paard rijdt en overal rondgaande met gemeene liedjes onzen trots +kwetst. Wij hooren hier niets anders dan: _die zijn dood_ en _de +anderen zijn er om te sterven_, en, indien er iemand in staat zou zijn +om ze te hooren, zouden wij overal droevige klachten vernemen. Indien +wij naar onze huizen terugkeeren (ik weet niet of u gebeurt, wat mij +overkomt) ontstel ik bij de gedachte van een groot gezin er niemand +te vinden dan mijn knecht en ik voel al mijn haren te berge rijzen, +en het schijnt mij, dat, waar ik er ga of sta, ik er hun schimmen +zie en zij mij verschrikken en niet met de gewone herinnering, die +ik van hen pleeg te hebben, maar met een afschuwelijk uiterlijk, +niet begrijpend, wat hen zoo deed veranderen. Daarom schijnt het mij +niet goed zoowel hier als hier buiten of thuis te blijven, en het komt +mij nog meer zoo voor van ons dan van iemand, die geen toevluchtsoord +heeft en die daarheen niet gaan kàn als wij, die er wel een hebben, +en die tòch hier gebleven zijn. Ik heb meermaals gezien en gehoord, +(indien er toch enkelen zoo zijn) dat deze zonder eenig onderscheid +te maken tusschen fatsoenlijke en onfatsoenlijke dingen, dat doen, wat +de begeerte hen ingeeft, zoowel alleen als in gezelschap en bij dag +als bij nacht wat hun het best bevalt. En niet slechts de wereldsche +lieden maar ook de in kloosters afgezonderden, die zich zelf wijs +maken, dat goed is, wat hun bevalt en slechts aan de anderen mishaagt, +denken zich op die wijze te bevrijden, nadat zij de gehoorzaamheid aan +de regels verbroken hebben, zich aan de lusten des vleesches hebben +overgegeven; en ze zijn wulpsch geworden en wellustig. Indien (wat +duidelijk blijkt) dit zoo is, wat zullen wij hier dan doen? Waarop +wachten wij? Wat denken wij? Waarom zullen wij voor ons heil trager +en langzamer zijn dan het geheele overig deel van de burgers? Achten +wij ons minder goed dan al de anderen? Of gelooven wij, dat ons +leven met een sterker keten aan ons lichaam is gebonden dan dat bij +anderen zoo is en in die mate, dat wij er in 't geheel geen zorg +voor behoeven te dragen, die de macht schenkt het te verdedigen? Wij +dwalen, wij zijn bedrogen: hoe groot is onze overmoed, indien wij dit +onderstellen? Zooveel keeren als wij ons zouden herinneren hoedanige +en welke de jongelieden en de meisjes geweest zijn, die door deze +wreede pest bezweken, zouden wij daarin een zeer overtuigend argument +vinden. En opdat wij door domheid of traagheid daartoe niet vervallen, +waaruit wij gelukkig op eenigerlei wijze, als we het maar willen, +kunnen ontsnappen (ik weet niet of u dit zoo zal voor komen als aan +mij), zou ik het opperbest gedaan achten, dat wij uit dit gebied +vertrekken zóó als we hier bij elkaar zijn, gelijk wij vele malen al +hebben gedaan en plegen te doen. Laten wij als de dood de slechte +voorbeelden hier ontvluchten en met eere naar onze buitenplaatsen +in de provincie gaan, met welke ieder van ons rijkelijk bedeeld is, +om daar te blijven en opdat wij daar die feestelijkheid, die vreugde, +dat genoegen smaken, wat wij kunnen zonder met eenige daad de grens van +wat betaamt, te overschrijden. Daar hoort men de vogeltjes zingen; daar +zullen wij de heuvels en de velden zien groenen en de akkers van graan +zien golven gelijk de zee en van boomen op wel duizend manieren. En +de hemel ziet men er ruimer, die, hoewel hij vertoornd is, daarom er +niet zijn eeuwige schoonheden verbergt, welke daar veel heerlijker +zijn om te aanschouwen dan de verlaten muren van onze stad. Daar is de +lucht veel frisscher dan hier en de dingen, thans noodig om te leven +zijn er in grooter overvloed en het verdriet is er minder. En wel, +omdat, hoewel daar de boeren sterven als hier de burgers, de rouw er +minder is, waar de huizen en de bewoners zooveel meer verspreid zijn +dan in de stad. En anderzijds hier, zoo ik goed zie, verlaten wij +niemand, zoo, dat zelfs wij eerder kunnen zeggen in waarheid hier +verlaten te zijn, omdat de onzen hetzij stervend hetzij den dood +ontvluchtend, alsof wij de hunnen niet waren, ons in al dien rouw +hebben achtergelaten. Er kan dus geen enkel verwijt op ons vallen, +indien wij dien raad volgen en zoo niet, dan zou smart en verdriet +en misschien de dood ons kunnen verrassen. En daarom, wanneer het u +goed dunkt, geloof ik, dat wij door onze bedienden mee te nemen en +die met de benoodigdheden te laten volgen heden ginds, morgen elders +en door die vroolijkheid en feestelijkheid te genieten, die deze tijd +kan verschaffen, wel doen, wat goed is om gedaan te worden en door +zoo te blijven handelen, tot wij zien (indien wij niet van te voren +door den dood worden achterhaald), wat eindelijk de hemel na deze +omstandigheden voor ons bewaart. Ik herinner U er aan, dat hij ons +niet zoozeer verbiedt op eerzame wijze heen te gaan, als wel aan de +anderen om voor een groot deel op schandelijke wijze hier te blijven. + +Toen de andere donna's Pampinea gehoord hadden, prezen zij niet +alleen haar raad, maar verlangend dien te volgen waren zij al begonnen +onder elkaar afzonderlijk op die wijze te praten, zoodat zij hierop +van hun zetels zich verheffend als het ware hand in hand op weg +wilden gaan. Maar Filomena, die de voorzichtigste was, zei: Dames, +hoewel het betoog door Pampinea op uitstekende wijze is uiteengezet, +is het toch niet goed heen te gaan gelijk zij beweert, dat gij moet +doen. Ik herinner u er aan, dat wij alle vrouwen zijn en er is er +geen hier zulk een kind, dat zij wel kan weten, hoe de vrouwen te +samen verstandig zijn, en dat zij toch niet zonder het overleg van +een enkelen man kunnen handelen. Wij zijn bewegelijk, weerbarstig, +ergdenkend, kleingeestig en bangelijk; daarom betwijfel ik zeer of ons +gezelschap niet te spoedig, indien wij geen anderen gids dan den onze +nemen, uiteen gaat en met minder eer dan hier vereischte is. En daarom +is het goed zich hierbij te bezinnen, voor wij beginnen. Toen sprak +Elisa: Inderdaad zijn de mannen het hoofd der vrouwen en zonder hun +leiding komt slechts zelden een werk van ons tot een lofwaardig einde; +maar hoe kunnen wij ons die mannen verschaffen? Ieder onzer weet, +dat de meesten dood zijn en dat de anderen, die zijn blijven leven, +deze hier en gene daar in verschillende groepen--zonder dat wij weten +waarheen--dat ontvlieden, wat ook wij ontwijken en het uitnoodigen van +onbekenden zou niet eerbaar zijn. Daarom, als wij tot onze redding +ze willen volgen, is het noodig een middel te vinden, waardoor wij +zoo onze zaken regelen, dat ons, waar wij voor ons genoegen of onze +rust heengaan, geen verdriet of schandaal volgt. + +Terwijl de dames onder elkaar zoo redekavelden, kwamen drie jongelieden +in de kerk, waaronder er geen minder dan vijfentwintig jaar oud was +als de jongste en onder welken noch de boosheid des tijds, noch het +verlies van vrienden of ouders, noch vrees voor zich zelf, de liefde +had kunnen uitblusschen of afkoelen. Een van hen heette Pamfilo, de +tweede Filostrato en de laatste Dioneo, elk heel aardig en welgemanierd +en zij gingen tot hun besten troost in zooveel verwarring hun donna's +zoeken, die toevallig alle drie zich onder de genoemde zeven bevonden, +terwijl de anderen allen daaraan verwant waren. En dezen vielen de +anderen nog niet in het oog of genen waren ook door hen opgemerkt, +zoodat Pampinea toen glimlachend begon: Kijk, de fortuin is voor +ons begin gunstig en heeft hier bij voorbaat bescheiden en dappere +jongelieden gebracht, die gaarne zoowel gids als dienaar willen zijn, +als wij ze voor dien dienst niet zullen ontvluchten. Neifile, toen +van schaamte over het geheele gelaat vuurrood, omdat elk van hun door +een der jongelui bemind werd, zei: Pampinea, bij God, let op wat je +zegt; ik weet zeker, dat men niets dan het beste van elk van hen kan +zeggen en ik meen evenzeer, dat wij hun gezelschap en de eer daarvan +moeten hooghouden, die niet voor ons, maar voor veel schooner en hooger +geplaatste dames dan wij bestemd zijn. Maar omdat het duidelijk is, dat +zij enkelen van ons, die hier zijn, beminnen, vrees ik, dat schande en +verwijt hierop volgt buiten onze of hun schuld, indien wij ze meenemen. + +Daarop zei Filomena: Dat beduidt niets; daar waar ik eerbaar leef, zal +het geweten mij over niets kwellen, wie ook het tegendeel wil beweren; +God en de waarheid zullen dan voor mij de wapens opnemen. Mochten ze +nu maar gereed zijn om te komen, opdat wij, gelijk Pampinea beweerde, +waarlijk kunnen zeggen, dat de fortuin voor onzen tocht gunstig is. De +anderen, welke haar zoo hoorden spreken, zwegen niet slechts maar met +eenparige toestemming vonden zij goed, dat die zouden geroepen worden, +dat men hun het plan zou meededen en dat men hun zou vragen of het +hun mocht behagen bij den aldus voorgestelden tocht ze gezelschap +te houden. Hiertoe richtte zich zonder een woord meer Pampinea, +die opgestaan was en die hun allen door haar bloed verwant was, tot +deze heeren, die haar voortdurend stonden aan te kijken en na hen met +vriendelijk gelaat te hebben gegroet, maakte zij hun dit plan bekend +en verzocht hen elk afzonderlijk ze met reine en broederlijke geest +gezelschap te houden, indien zij zich verplicht voelden zich daartoe +gereed te maken. Eerst geloofden de jongelui, dat ze voor den mal +werden gehouden, maar toen zij merkten, dat de donna van plicht sprak, +antwoordden zij verheugd, dat zij bereid waren en zonder eenig uitstel +te maken bij het plan--daar zij ook vertrokken--gaven zij orders voor +wat ze bij hun uittocht te doen hadden. Nadat zij alles ordelijk in +gereedheid hadden gebracht en wisten, waar zij plan hadden heen te +gaan, begaven zich den volgenden morgen, namelijk Woensdag, bij het +krieken van den dag de dames met eenige van hun bedienden en de drie +jongelieden met drie van hun knechts, uit de stad trekkend, op weg. Zij +verwijderden zich van haar niet meer dan twee kleine mijlen, tot ze de +plaats bereikten door hen aangewezen. Die plek bevond zich boven een +kleinen berg van alle kanten ver van onze wegen, vol van verschillende +lage boomen en planten, allen met groen gebladerte, bekoorlijk +om te zien. Op den top daarvan was een paleis met een schoonen en +grooten hof in het midden en met terrassen en zalen en kamers, allen +afzonderlijk zoo fraai mogelijk en met aanlokkelijke, merkwaardige +schilderijen en getooid met weiden daarbuiten en wonderbare tuinen +en met zeer frissche waterputten en met gewelven vol kostbare wijnen, +meer geschikt voor belangstellende drinkers dan voor matige en eerbare +jonkvrouwen. Toen het was gereinigd en de bedden in de kamers waren +opgemaakt en alles met bloemen, welke men naar het seizoen kon krijgen, +en net was versierd, genoot de aanstaande club niet weinig. En toen +zij zich voor de eerste vergadering hadden neergezet, zeide Dioneo, +die meer dan elke andere jonkman bekoorlijk en welbespraakt was: Dames, +uw verstand meer dan onze voorzichtigheid heeft ons hierheen geleid; +ik weet niet welke van uw gedachten gij hier wilt toepassen; ik liet +de mijnen achter in de poort van de stad, toen ik voor kort met u naar +buiten ging. Daarom: of gij zijt bereid met mij te samen te schertsen +en te lachen en te zingen (zooveel, bedoel ik, als aan uwe waardigheid +past) of gij staat mij toe, dat ik tot mijn gedachten terugkeer en in +de geteisterde stad blijf. Daarop antwoordde Pampinea op geen andere +wijze dan de anderen insgelijks uit zich zelf gezegd zouden hebben, +vriendelijk: Dioneo, gij spreekt zeer goed, men wil vroolijk leven en +geen andere oorzaak dan verdriet heeft ons doen ontvluchten. Maar omdat +de dingen, die zonder eenig plan bestaan, niet lang kunnen duren, acht +ik, die de eerste was bij de gesprekken, waardoor dit goede gezelschap +is bijeengebracht, het noodig overeen te komen, dat er één hoofd zij, +dat wij zoowel eeren als gehoorzamen als meerdere en bij wien bovenal +de gedachte voorstaat, dat men hier er zich op toe moet leggen om +vroolijk te leven. Opdat ieder het gewicht van deze zorg begrijpt +naast het genoegen van de heerschappij en diensvolgens van de eene +zoowel als van de andere zijde beschouwd het niet mogelijk is, dat, +wie het ook zij, jaloersch wordt, stel ik voor, dat ieder voor één +dag de verantwoordelijkheid en de eer zelf aanvaardt. Ten eerste is +voor ons verplichtend: de verkiezing van een onzer uit hen, die nog +volgen, wanneer het avonduur zal naderen. Namelijk hij of zij, die +aan Hem of Haar daartoe behagen zal, welke dien dag de heerschappij +heeft gehad. Deze volgens zijn wil beveelt en bepaalt den tijd, dat +zijn heerschappij duurt en de plaats en de wijze, waarop wij hebben +te leven. + +Deze woorden bevielen uitermate en eenparig kozen zij haar den eersten +dag, en Filomena, haastig naar een laurierboom geloopen, maakte haar +een eervollen en in het oog loopenden krans, opdat, toen zij genoeg +had hooren spreken over zoodanige eer, die groen loof waard was, zij +die op haar beurt de éér waard was, naar verdienste daarmee bekroond +werd; welk sieraad op het hoofd verder in hun gezelschap het duidelijke +teeken was voor iedereen van koninklijke heerschappij en meerderheid. + +Pampinea, tot koningin gemaakt, beval dat elk man zou zwijgen, nadat +zij de knechts van de drie jongelui en hun bedienden, die vier in +aantal waren, had voor zich laten roepen en hun stilte gebiedend sprak +zij: Opdat ik aan u allen het voorbeeld geve, waardoor alles op zijn +best zal voortgaan en ons gezelschap ordelijk en met genoegen en zonder +eenige schande zal bestaan en dit zal duren, zoolang het ons behaagt, +stel ik vóór alles Parmeno, knecht van Dioneo, aan tot mijn hofmeester +en draag aan hem de zorg op en de verantwoordelijkheid voor ons geheele +huishouden en wat tot den zaaldienst behoort. Ik wil, dat Sirisco, +de knecht van Pamfilo, onze betaal- en penningmeester is en de bevelen +gehoorzaamt van Parmeno. Tindaro, in dienst van Filostrato en van de +andere twee, moet op hun kamers passen, wanneer de anderen, door hun +dienst op hun beurt belemmerd, dit niet zouden kunnen doen. Misia, +mijn bediende en Licisca van Filomena, zullen steeds in de keuken +bezig zijn en zullen voor u met zorg die spijzen gereed maken, welke +hun door Parmeno zullen worden opgegeven. Wij wenschen, dat Chimera +van Lauretta en Stratilia van Fiammetta voor het beheer der kamers +van de dames gereed zullen staan, en wij hechten aan de reinheid der +vertrekken en in het algemeen begeeren en bevelen wij, dat ieder, +die op onze gunst gesteld is, waar hij handelt, ga of sta, wat hij +hoort of ziet, geen ander dan vroolijk nieuws hier aanbrengt. En toen +deze bevelen uitdrukkelijk waren gegeven, welke namens allen waren +uitgevaardigd, zeide zij verheugd recht op staande: Hier zijn tuinen, +hier zijn velden, hier zijn andere plaatsen bekoorlijk genoeg, waar +ieder tot zijn genoegen zich ga vermaken en als het drie uur slaat, +zij ieder hier, opdat men voor het koel wordt, eten zal. + +Toen aldus de vroolijke bende door de nieuwe koningin was vrij +gelaten, gingen de jongelui pratend met de schoone dames over vroolijke +onderwerpen met langzamen tred door een tuin. Zij vlochten zich schoone +kransen van verschillend loof en zongen op verliefde wijze. Nadat zij +hier bleven, zoolang de tijdruimte duurde door de koningin toegestaan, +vonden zij huiswaarts gekeerd, dat Parmeno ijverig aan zijn personeel +order had gegeven, zoodat, toen zij in een gelijkvloersche zaal +traden, zij hier de tafels gedekt zagen met puurwitte lakens en met +bekers, die van zilver schenen en alles met bloemen van priemkruid +getooid. Daarna, toen het water voor de handen was uitgereikt, gelijk +het aan de koningin behaagde, en naar hetgeen Parmeno geschikt had, +gingen allen zitten. Spijzen, heerlijk toebereid, werden opgedragen +en de fijnste wijnen waren opgezet en de drie knechts bedienden +zwijgend. Toen de maaltijd was afgeloopen, beval de koningin (daar +het er zoo mee gesteld was, dat al de dames konden dansen en ook de +jongelui en een deel van hen zeer goed kon muziek maken en zingen) +dat de instrumenten zouden komen, en op haar order nam Dioneo een luit +en Fiammetta een viool en begonnen zacht een dans te spelen. Hierop +vormde de koningin met de andere dames te samen en twee jongelui een +balfiguur en begonnen met langzamen pas, nadat zij de knechts om te +eten hadden weggezonden, een rondedans. Toen dit geëindigd was, zongen +zij lieve en blijde liedjes. Dit duurde zoo voort, tot het tijd voor +de koningin werd om te gaan slapen: hierop, na aan allen de vrijheid +te hebben gegeven, begaven zich de drie jongelieden naar hun kamers, +van die der donna's gescheiden, waar zij de bedden opgemaakt en die +vol met bloemen vonden gelijk de zaal en insgelijks de dames hun +vertrekken: hierop gingen zij, na zich ontkleed te hebben, te bed. + +Het was niet ver van negen uur, toen de koningin ontwaakt, al de +anderen deed opstaan, ook de jongelui, daar zij beweerde, dat het +nadeelig was te veel overdag te slapen. Aldus begaven zij zich naar +een kleine weide, waar het gras groen en hoog was en men nergens de +zon zag, en toen, terwijl ze een luwe wind voelden komen, plaatsten +allen gelijk de koningin het verlangde, zich in een cirkel, tot wien +zij aldus sprak: + +Gelijk gij ziet, is de zon hoog en de warmte groot, en toch hoort +men niets dan den krekel onder de olijfboomen; hierom zou het zonder +twijfel dwaas zijn zich naar een andere plaats te begeven. Hier is het +mooi en frisch verblijven en hier gelijk gij ziet, zijn betaalmeesters +en schatkamers [5] en ieder kan, al naar het hem bevalt, zich genoegen +verschaffen. Maar als het mij schijnt, dat iets volgt, wat niet behaagt +en dat aan den geest van de eene partij bevalt wat met niet al te veel +genoegen den andere dus minder schikt of waarvan het twijfelachtig is, +zullen we (hoewel het zich kan voordoen, dat een verteller het geheele +gezelschap, dat toehoort, vermaakt) het verhalen gedurende dit heete +gedeelte van den dag uitstellen. Gij zult geen historie behoeven te +eindigen, voordat de zon gedaald is en de warmte verdwenen en wij +kunnen, wanneer het U aangenamer is, pret gaan maken en wanneer, +wat ik u zeg, u bevalt, (daar ik bereid ben uw zin te volgen) doet +dat dan, en wanneer het u mishaagt, zal ieder doen tot het avonduur +wat hem goeddunkt. De dames en de heeren vonden het alle even goed +te verhalen. Dan, zeide de koningin, als dat u aanstaat, dan wil ik, +dat ieder den eersten dag vrij zij om de stof te kiezen, die hem het +aangenaamst is. En naar Pamfilo gekeerd, die rechts van haar zat, +zeide zij vriendelijk, dat hij voor de anderen den aanvang maakte +met een van zijn vertellingen, waarop Pamfilo dadelijk, het bevel +vernomen hebbend, door allen aangehoord, aldus begon: + + + + +Eerste Dag. + + + +Eerste Vertelling. + + Sinjeur Ciappelletto [6] bedriegt een vromen monnik met + een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een + slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een + heilige bekend en San Ciappelletto genoemd. + + +Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna's, dat de mensch van elk +ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen +en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu +ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van +plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer +gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets +versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, +omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze +ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite +zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, +die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen +verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en +diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit +voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit +Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, +die--gelijk wij--stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden +volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan +hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met +onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat +wij zelf niet moedig genoeg zijn onze gebeden te brengen onder het +oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, +die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien +dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de +geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen +door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een +soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is +afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die +meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn +onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die +tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal +duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk +zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is. + +Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi [7] van een zeer rijk en +groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder +van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot +gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die +der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had +omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere +personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij +in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende +Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij +wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade +trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, +dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover +lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello +uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de +Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van +uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat +hij zich Chapelet noemde,--dat is krans in hun taal--gaven zij hem, +daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello +maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar +weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden. + +Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar +hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, +(waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou +geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als verlangd werd en hij +gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij +legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet +en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, +en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader +trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de +waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij +legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en +welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen +ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier +hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere +misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; +hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen +te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de +heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar +de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als +booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere +slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de +honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort +man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde +gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een +vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem +iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in +zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, +die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto +steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel +ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door +het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd. + +Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, +die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, +dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs +vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: +Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel +terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te +maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het +mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik +niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik +van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te +geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die +niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die +zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, +overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen +en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens +werden, sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van +den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar +Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn +natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen +en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te +verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis +van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit +vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, +dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en +oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid +goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, +die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, +van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke +en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, +dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen +zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den +ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste +gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand +zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden +zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam +hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat +hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek +zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo'n gemeene kerel +geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van +de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal +geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een +hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden +zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch +monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, +niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit +gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer +gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat +zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje +verheffen en schreeuwen: Die Lombardische [8] honden, die geen een kerk +wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze +huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed +rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, +zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk +wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor, +gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem +zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat +gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt +door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij +te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren +gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal +anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, +dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of +minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en +waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en +die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen +zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult +zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij +toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen +en wijzen man, die _een Lombardiër_ de biecht wilde afnemen, welke +in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een +heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, +voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij +begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag +en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te +troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht +had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: +Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, +hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, +dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo +groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen +zeide de broeder: "Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij +voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik +weinig zal te hooren en te vragen hebben." Ser Ciappelletto zeide: +"Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo +dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, +die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van +deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles +zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let +er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen +dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, +die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde." + +Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een +teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan +sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of +hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde +Ciappelletto zuchtend: "Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid +te zeggen, vreezend, dat ik zal zondigen door zelfverheffing." Toen +sprak de heilige broeder: "Zeg gerust wat waar is, want noch in +de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit." Waarop ser +Ciappelletto antwoordde: "Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik +het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam +van mijn moeder kwam." "Dat God U zegene!" sprak de broeder. "Dan +hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, +daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen +dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn." Hierop +vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou +mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van +ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve +bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, +minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood +en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer +hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht +had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had +hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer +zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, +dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk +hij deed. Daarop antwoordde de broeder: "Mijn zoon, deze zonden zijn +natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten +meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, +hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken." + +"O," hernam ser Ciappelletto, "mijn vader, zeg dat niet om mij te +troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten +gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder +eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt." De +broeder voegde er zeer tevreden bij: "Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel +U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, +zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan +geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?" Toen sprak ser +Ciappelletto: "Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, +omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te +maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en +te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat +ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient +te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat +ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen +om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, +heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen +en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn deel gebruikend +voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft +mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter +heb gedreven." "Gij hebt goed gehandeld," zei de broeder, "maar hebt +ge U niet dikwijls boos gemaakt?" "O," zeide de heer Ciappelletto, +"dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in +kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, +de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik +heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de +jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en +zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch +leven lijden dan een naar God gericht." Toen zeide de broeder: "Mijn +zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete +kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te +doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?" Waarop +sinjeur Ciappelletto antwoordde: "Wee mij, heer, gij schijnt mij een +man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de +geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, +gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat +zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik +ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd: 'Ga, opdat God U +verbetere.'" Toen zeide de broeder: "Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God +U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, +of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden +zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?" "Nooit, eerwaarde," +hernam ser Ciappelletto, "heb ik van anderen kwaad gesproken, al +had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld +niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak +tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die +ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, +dat God er wel over zal oordeelen." Dan sprak de broeder: "Goed zoo; +je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand +bedrogen gelijk kooplui dat doen?" "Bij God, ja, waarde heer, maar ik +weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij +schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in +een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, +dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem +niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze +hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes." De broeder sprak: +"Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan." En +behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop +hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde +overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: "Mijnheer, ik heb nog één zonde, +die ik U niet heb verteld." De broeder vroeg welke en hij zei: "Ik +herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet +vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde." "O," +sprak de broeder, "mijn zoon, dat beteekent niet veel." "Neen," +zei sinjeur Ciappelletto, "zeg dat niet, dat het goed is om den +Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot +het leven opstond." Toen vroeg de broeder: "Hebt gij ook iets anders +gedaan?" "Ja heer," antwoordde sinjeur Ciappelletto: "ik heb eenmaal +per ongeluk in Gods kerk gespuwd." De pater begon te glimlachen en +zeide: "Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die +vroom zijn, spuwen er den ganschen dag." Toen zeide ser Ciappelletto: +"Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan +de tempel, waarin men Gode offert." En in het kort vertelde hij nog +veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, +die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: +"Wat heb je, mijn zoon?" Ser Ciappelletto hernam: "Wee mij, heer, dat +mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte +voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag +ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit +zal vergeven, wat ik heb misdreven." Toen vroeg de heilige broeder: +"Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, +of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch +rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, +dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, +indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom +gerust." Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: "Wee +mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood +gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit +door God vergeven wordt." Hierop gaf de broeder tot bescheid: "Zeg +het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden." Ser Ciappelletto +klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem +aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; +hij slaakte een diepe zucht en zei: "Mijn vader, indien gij mij kunt +beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, +toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden." Toen hij dit +gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: "Mijn zoon, +schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den +ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben +beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, +wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die +Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij het +U vergeven." Toen zeide sinjeur Ciappelletto: "Wee mij, mijn vader, +wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in +het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te +veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote +zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven." Toen +de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, +gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, +alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het +niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen +na dit alles zeide hij tot hem: "Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp +zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, +dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het +U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven." Hierop +antwoordde deze: "Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, +daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit +speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, +zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van +Christus tot mij komt, wat gij 's ochtends op het altaar heiligt: +omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het +tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, +zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven." De +heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en +zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De +twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze +niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, +waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden +en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, +zij hadden elken keer zoo'n lust tot lachen, de dingen hoorend, die +hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: +"Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees +voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens +rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, +kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals +hij heeft geleefd." Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, +zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun +lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar +hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den +avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf +hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven +worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, +en dat zij zouden waken volgens gebruik, 's avonds en 's morgens, bij +zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige +broeder, die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, +onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat +hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat +ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij +hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen +zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten +eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, +goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij 's avonds allen daarheen +waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er +een groote en plechtige nachtwake en 's ochtends alle gekleed in hun +doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, +gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht +en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking +der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, +die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn +leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en +onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat +onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend +bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, +dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren +tot het luisterende volk zeide hij: "En gij, door God vervloekten, +bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en +de Madonna, en heel het hemelrijk." Bovendien verhaalde hij veel van +zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, +waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde +hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, +toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld +alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren +werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, +wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat +het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen +kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in +een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen +den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, +hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er +beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane +beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering +voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen +Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog +San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft +verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem +aanbeveelt. Zoo leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd +heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, +dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel +zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging +heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en +hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar +hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van +den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, +dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, +die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, +aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, +dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige +was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En +laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, +terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, +en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er +zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _De Jood Abraham [9] reist op aandrang van Jeannot de Sevigny + naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der + priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen._ + + +Voor een deel lachten de donna's om de vertelling van Pamfilo en +over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was +aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De +koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van +het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke +gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat +zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling +aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, +wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil +in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig +de gebreken verdraagt van hen, die en met daden en met woorden van +die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En +die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid +blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, +wat wij gelooven. + +Aldus, genadige donna's heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in +Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de +Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak +had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer +rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk +en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid +zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs +en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon +hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het +joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich +zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en +sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen +en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte +dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en +sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield +echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden +weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er +op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel +de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, +hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog +of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen +man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem +zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich +niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield +hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend +aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen +word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst +naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder +op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van +zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik +door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter +is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, +dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, +zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, +was hij zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, +die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem +zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en +het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich +niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd +was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, +vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van +hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als +gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je +niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig +wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár +dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen +verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, +dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden +zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog +beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis +zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, +doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: +Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar +om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij +zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets +van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: +Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen +zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er +nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te +paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, +door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder +te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op +de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten +en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond +als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten +tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich +aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan +tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, +zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of +andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed +was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, +drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot +verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, +hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar +geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus +en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de +offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor geld verkochten en +kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, +dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze +hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: +"zorg voor aanstelling" en voor hebzucht den naam: "ondersteuning" +gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) +niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de +menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar +die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, +den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het +hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te +keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen +was--en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer +hij daar vandaan terug keeren zou--maakten zij te samen een groot +feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie +van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De +Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan +kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, +daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige +levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het +kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger +dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun +glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt +van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder +met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen +er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en +uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van +moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar +dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, +schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van +deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, +als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en +hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, +zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te +worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de +verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht +het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen +hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging +met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij +Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden +dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en +noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen +in ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert +werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde. + + + + + +Derde Vertelling. + + _De Jood Melchisedek [10] onttrekt zich met een geschiedenis + van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin [11] + gelegd._ + + +Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop +zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te +spreken: + +De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het +gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds +genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet +men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering +achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij +misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden +gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de +dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in +de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige +uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust +voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende +stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet +meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen +gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal +ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen. + +Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van +een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele +overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, +had in verschillende oorlogen en door zijn kolossale praal al zijn +rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke +hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig +kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die +te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen +bedienen, wanneer hij wilde. + +Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben +gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood +hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood +zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van +overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem +bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: "Mijn waarde vriend, ik +heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en +in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, +welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: +de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?" De Jood, die +werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op +toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag +te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan +de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar +het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor +hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, +snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij: + +"Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, +wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, +die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele +malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man +leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, +een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en +zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn +nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, +bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, +zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd +en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, +volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk +zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door +vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam +van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun +vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, +die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde +der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn +beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, als hij +kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, +wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er +over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie +te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen +maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten +vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf +hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich +na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde +den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch +rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de +ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten +niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van +den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, +o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de +drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder +meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; +maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van +de drie ringen." Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan +den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had +gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen +en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat +hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo +verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, +dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en +bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend +en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf + staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn + geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid._ + + +Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig +bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus +begon te vertellen: + +Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb +begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En +opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder +vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, +dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede +betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe +Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de +valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen +door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder +dat ik van U afkeuring hoef te verwachten. + +Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, +heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar +leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de +nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al +de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, +welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al +mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den +omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij +had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke +lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar +te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best +met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl +niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, +minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, +toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen +maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur +van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij +was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen +hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn +kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De +monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje +bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, +dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij +loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in +zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem +zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er +niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te +vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te +hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, +zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat +iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar +buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en +bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, +als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: +Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet +hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het +laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik +had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht +aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en +gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij +na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle +monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan +geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of +hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: +het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever +de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij +nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil +ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het +meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor +schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, +dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, +niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en +zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in +de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad +als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld +weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet +ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand +het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal +misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is +van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit +zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, +en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht +haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar +zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, +leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde +en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar +hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking +nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar +door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, +maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart. + +De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in +de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, +en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen +de cel van binnen werd gesloten, was hij er absoluut zeker van. Hij +ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en +zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje +samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug +naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, +dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen +en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen +behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer +ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker +gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo +lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van +haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de +vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, +maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij +dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, +wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, +dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had +uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich +den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en +legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten +het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, +dat zij haar meermalen lieten terugkomen. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _De dwaze liefde van den koning van Frankrijk voor de markiezin + van Montferrat wordt door haar bekoeld met een gastmaal van + niets dan kippen en met eenige geestige woorden._ [12] + + +Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart +der luisterende donna's, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij +gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die op hun gelaat +verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood +van lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot +ervan gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee +zij wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld +mochten worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij +haar op het gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol +gratie en met een vriendelijk gelaat: + +Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te +bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is, +en omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna +te beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de +vrouwen een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen +behoeden tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam +ik er toe, schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen, +aan te toonen hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden +zich daartegen beschermde en er anderen van afhield. + +De markies van Montferrat [13], een man van grooten moed, een +banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen +over zee getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den +Eenoogigen, die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht +te maken, over zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd, +dat er onder de sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den +markies en zijn vrouw. Want even als de markies onder de ridders +om iedere deugd beroemd was, was de markiezin onder alle dames +der wereld de schoonste en de waardigste. Deze woorden troffen den +koning van Frankrijk zóó, dat hij zonder haar ooit te hebben gezien, +haar dadelijk hartstochtelijk begon te beminnen en hij nam zich voor +bij den kruistocht waar hij aan meedeed, nergens anders in zee te +steken dan te Genua, opdat hij, door over land te gaan, een eerlijk +voorwendsel had, om de markiezin noodzakelijk te zien. Hij overlegde +in stilte, dat, als de markies er niet was, hij aan zijn begeerte +kon voldoen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij ging na alle manschappen +vooruit gestuurd te hebben met weinig volk en edellieden op weg en +toen hij de landgoederen van den markies naderde, liet hij één dag te +voren aan de donna berichten, dat zij hem den volgenden morgen aan +het middagmaal moest verwachten. De edelvrouw, wijs en voorzichtig, +antwoordde vriendelijk, dat dit een gunst was hooger dan ieder andere +en dat hij welkom zou wezen. Zij dacht er over na, wat het beteekende, +dat een koning, van zoo'n karakter, terwijl haar echtgenoot er niet +was, haar kwam bezoeken. Het idee bedroog haar dan ook niet, dat haar +schoonheid hem aantrok. Niettemin als een waardige vrouw was zij bereid +hem te ontvangen. Zij had die goede mannen tot zich laten roepen, +die achter gebleven waren volgens wier raad zij bij iedere gelegenheid +orders liet geven, maar zij wilde de bevelen voor het gastmaal en de +spijzen zelf geven. Zonder verwijl liet zij zooveel kippen als er in +de streek maar te krijgen waren bijeen brengen en liet uitsluitend +daarvan door de koks de verschillende gerechten voor het koningsmaal +bereiden. De koning kwam dan ook op den bepaalden dag en werd met +groote feestelijkheid en eer door de donna ontvangen. Zij scheen +hem, terwijl hij haar aanschouwde schooner, waardiger en hoffelijker +dan hij uit de woorden van de ridders had opgemaakt. Hij bewonderde +haar uitermate en vleide haar zeer. Het wakkerde des te meer zijn +begeerte aan, omdat hij vond, dat zij zijn vroegere voorstelling +nog overtrof. Nadat hij eenige rust had genomen in de kamers, die +versierd waren gelijk dit behoort om zulk een koning te ontvangen, +zetten zich de vorst en de markiezin, toen het uur van het middagmaal +geslagen had, aan een disch en de andere werden naar hun rang aan +andere tafels onthaald. Daar de koning van vele spijzen bediend werd +en van zeer goede en kostbare wijnen en hij bovendien telkens de zeer +schoone markiezin aanzag, genoot hij buitengewoon. Maar toch toen het +eene gerecht na het andere kwam, begon de koning zich te verbazen, +toen hij gewaar werd, dat, hoe verscheiden die ook waren, zij toch +uit niets anders bestonden dan kip. + +Daar de koning de plaats kende, waar hij was en wist, dat er overvloed +van wildbraad moest zijn en hij van zijn komst van te voren de donna +had verwittigd, had hij haar tijd gegeven om te laten jagen. Hoewel +hij zich daar zeer over verwonderde, wilde hij haar over niets anders +laten spreken dan over haar kippen en zich met vriendelijk gezicht +tot haar wendend, zeide hij: "Worden er in dit land, mevrouw, alleen +kippen geboren zonder één haan?" + +De markiezin, die de vraag maar al te wel verstond, en daar het haar +scheen, dat God haar volgens haar verlangen nu de gunstige gelegenheid +had gegeven om haar opzet te doen blijken, antwoordde den koning en +keerde zich naar hem in trotsche houding: "Neen, Sire, maar de vrouwen, +hoewel zij als de kippen in tooi en rangorde verschillen, zijn hier +van nature evenals elders." Toen de koning die woorden begrepen had, +doorzag hij al te wel de reden van het gastmaal met kippen en de +beteekenis verborgen in dit antwoord. Hij werd er van overtuigd, dat +aan zulk een dame alle woorden verspild waren en dat geweld hier niet +gebruikt kon worden. Daarom vond hij het wijs zijn slecht ontvangen +hartstocht bij hem te kwader ure ontbrand, tot zijn eigen eer te +beteugelen. Zonder haar verder met opmerkingen te vervolgen, at hij +bevreesd voor haar antwoorden, zonder eenige hoop op succes. Toen +het afgeloopen was, bedankte hij haar voor de bewezen eer en wilde +met een spoedig vertrek zoo gauw mogelijk zijn trouweloos bedoelde +komst herstellen. Hij beval haar Gode aan en begaf zich naar Genua. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Een oprechte leek straft door een aardige zet de huichelarij + van de monniken._ + + +Toen allen de waardigheid van de markiezin en de aardige kastijding +van den Koning van Frankrijk geprezen hadden, begon Emilia, die +naast Fiametta zat, en naar het de koningin behaagde, vrijmoedig te +vertellen: Ik zal op mijn beurt spreken over een geestig en lofwaardig +woord door een leek gericht tot een gierigen monnik. + +Er leefde dan, o waarde jongelieden, nog niet lang geleden in onze +stad een Minderbroeder [14], Inquisiteur van kettersche misdaden, die +alles deed om heilig te schijnen en een hechte liefde te koesteren voor +het christelijk geloof. Maar hij onderzocht even goed wie een volle +beurs had als wien hij verdacht van ongeloof. Daarnaar strevende trof +hij toevallig een man aan, die rijker aan geld was dan aan verstand, +en die, niet door gebrek aan geloof, maar misschien door wijn en +overgroote vroolijkheid verhit, er toe kwam tot zijn dischgenooten +botweg te zeggen, dat hij zulk een goeden wijn had als zelfs Christus +nooit had gedronken. Dit gezegde werd den Inquisiteur overgebracht +en deze wist, dat het vermogen van den schuldige zeer groot was. Met +de grootste gestrengheid viel hij daarom op hem aan met het doel +hem een vreeselijk proces op den hals te schuiven, niet zoozeer +met het plan om zijn ongeloof bij het verhoor te verminderen als +wel om diens florijnen in handen te krijgen. Hij liet hem roepen, +en vroeg hem, of het waar was, wat hem ter ooren was gekomen. De +goede man bekende en verklaarde zijn bedoeling. Hierop antwoordde +de zeer heilige en vrome Inquisiteur van Sint Johannes Goudmond: +Je hebt dus Christus voor een drinker uitgemaakt en een liefhebber +van de heilige wijnen, alsof hij een Cinciglione [15] was, zoo'n +soort dronkelap en kroeglooper als jij. En nu wil je met ootmoedig +praten beweren, dat dit niets beteekent. Het is niet zoo min als het +jou schijnt, want je hebt er den brandstapel mee verdiend, indien we +handelden naar onze plicht. Met deze en andere woorden en het gezicht +van een strijder voor het geloof of die man Epicurus geweest was, +welke onsterfelijkheid der zielen ontkent, sprak hij hem toe. In +korten tijd joeg hij hem zulk een vrees aan, dat de brave man hem +met een goede hoeveelheid der genademiddelen van Johannes Goudmond +[16] de handen wou zalven. Dit hielp veel voor de ziekte der hebzucht +van de geestelijken en speciaal voor de Minderbroeders, die geen geld +mogen aanraken, opdat hij barmhartig jegens hem te werk zou gaan. Die +zalving, die zeer krachtig werkt, hoewel Galienus er nergens in zijn +medische werken van spreekt, had zooveel invloed, dat de brandstapel +door die genade verminderde tot het dragen van een kruisteeken. [17] +En alsof hij hem tot een kruistocht wilde noodzaken gaf hij hem om +er mooier uit te zien een geel kruis op zijn zwart goed. Buitendien +hield hij hem na het geld ontvangen te hebben, enkele dagen bij zich +gevangen, en legde hem als straf op, dat hij elken morgen een mis in +Santa Croce moest hooren en 's middags bij hem moest komen. De rest +van den dag kon hij doen, wat hij wou. Terwijl hij dit stipt deed, +lette hij op een goeden morgen, bij een mis op een evangeliumtekst, +waarin de volgende woorden werden gezongen: _U zal honderdvoudig +vergolden worden, en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden_. Dit +prentte hij stevig in het geheugen en naar het gegeven bevel op het +uur van het tweede ontbijt bij den Inquisiteur gekomen, vond hij hem +daar aan het middagmaal. Deze vroeg hem of hij dien morgen de mis +had gehoord. Hij antwoordde daarop: Ja. Toen hernam de Inquisiteur: +Hoorde je daarin niets, waaraan je zoudt twijfelen of waarover je iets +wilde vragen? Heelemaal niet, hernam de brave kerel, aan niets wat +ik hoorde, twijfel ik, en alles houd ik voor zeker en waar. Maar ik +heb één ding gehoord, dat mij zeer groot medelijden heeft gegeven en +zal geven met U en Uw andere broeders, toen ik dacht aan den slechten +toestand, waarin gij hiernamaals komen zult. Toen sprak de Inquisiteur: +Wat was het woord, dat Uw medelijden met ons opwekte? De goede man +antwoordde: Monseigneur, het was dat woord van het Evangelium, +dat zegt: _U zal honderdvoudig vergolden worden en gij zult het +eeuwige leven deelachtig worden_. De Inquisiteur zei: Dat is zoo, maar +waardoor heeft dat woord U geroerd? Monseigneur, hernam de goede man, +ik zal het U zeggen: sinds ik hier kom, heb ik elken dag buiten aan +arme lieden, dan een, dan twee groote ketels met soep zien geven, +welke men voor de broeders van dit klooster en voor U van te voren +toch als overtollig ter zijde zet. Daarom, indien men voor elkeen er +honderd hiernamaals U teruggeeft, dan zult gij er zooveel ontvangen, +dat gij allen zult moeten verdrinken. Terwijl de anderen, die aan de +tafel van den Inquisiteur zaten, allen moesten lachen, merkte deze, +dat de soep-huichelarij gehekeld werd en verschoot geheel van kleur +en als hij zich niet voor zichzelf geschaamd had, had hij hem een +ander proces op den hals geschoven. Met die grap waren hij en de +andere schelmen zóó geraakt, dat hij in zijn kwade bui hem beval weg +te gaan en niet meer terug te komen. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Bergamino straft op een bedekte manier met een verhaal + van Primasseau en den abt de Cligny een plotse aanval van + gierigheid van monseigneur Cane della Scala._ [18] + + +De bekoorlijkheid van Emilia en haar vertelling bewoog de koningin +en alle anderen om over het nieuwe bijbelsche inzicht van den man +met een kruis gebrandmerkt, te lachen en het te prijzen. Maar toen +de lachbui eindelijk bedaard was, begon Filostrato, aan wien de beurt +tot verhalen kwam, aldus te spreken: Het is een verdienstelijke zaak, +waarde dames, met een teeken dat te brandmerken, wat nooit verandert, +maar ook is het wonderlijk, wanneer iets ongewoons opeens zich +voordoet en dan dadelijk door een boogschutter wordt geraakt. Het +verdorven en liederlijke leven van de geestelijken, vaak een vast +bewijs van voortdurende slechtheid, geeft gemakkelijk genoeg stof +tot spreken. Die brave man deed goed, omdat hij den Inquisiteur en +de huichelachtige weldadigheid der broeders geeselde, wien het goed +dunkte die gift aan de armen te schenken, welke zij net zoo goed aan +een zwijn hadden kunnen geven of weg smijten. Maar ik acht den man +nog meer te prijzen, van welke ik moet spreken, wanneer ik hierbij +aan de voorgaande vertelling denk. Deze heer, Cane della Scala, een +best man, werd voor een plotseling opwellende gierigheid gestraft +met een verhaal, dat zoowel op hem als op anderen sloeg, namelijk dit: + +Gelijk de faam door de heele wereld het doet hooren, was die +heer Cane della Scala, die in vele dingen zeer fortuinlijk was, +een der meest geziene en vrijgevigste lieden, die men sinds Keizer +Frederik de Tweede in Italië kende. Hij had het plan opgevat voor +een merkwaardig en wonderbaar feest in Verona. Toen er vele lieden +uit alle streken waren bijeengekomen en zeer velen van het hof van +allerlei rang, zag hij (wat de reden er ook van zij) ineens van het +feest af; ten deele onthaalde hij nog, die gekomen waren en liet +ze weer heengaan. Slechts een, Bergamino genaamd, een man van wiens +sierlijkheid en vaardigheid in het spreken men zich geen denkbeeld +kon vormen zonder hem te hooren, bleef achter zonder iets te krijgen +of verlof tot heengaan te ontvangen, en hoopte dat het feest nog zou +plaats hebben en dat hij er nog bij zou noodig zijn. Maar monseigneur +Cane wist, dat al wat men Bergamino gaf, net zoo goed in het vuur +kon worden gegooid. Toch liet hij hem er niets van blijken door +woord of daad. Bergamino, die na eenige dagen bemerkte, dat hij noch +genoodigd noch gevraagd werd voor de zaak, waartoe hij gekomen was en +die bovendien in het logement met zijn paarden en zijn knechts zijn +geld verteerde, begon misnoegd te worden. Maar toch wachtte hij af, +daar het hem nog niet goed scheen te vertrekken. Hij had drie kostbare +kleedingstukken meegebracht, die hem door andere heeren gegeven waren +om met eere op dat feest te verschijnen. Toen zijn waard betaling +vroeg, gaf hij hem eerst één kleedingstuk, en toen besloot hij, +indien hij nog langer bij zijn waard zou logeeren, hem het tweede +te geven. Daarna begon hij op kosten van het derde geld te verteren, +bereid nòg zoo lang te blijven als dat toereikend was. + +Terwijl hij ten koste van het derde kleedingstuk bleef, stond +Bergamino, terwijl monseigneur Cane middagmaalde, met een vrij misnoegd +gezicht voor hem. Toen Cane dit zag, zei hij meer uit spotzucht +dan om het genoegen een geestig woord van hem te hooren: "Wat heb je +Bergamino? Je ziet er zoo kwaad uit; zeg mij het eens?" Daarop vertelde +Bergamino zonder een oogenblik zich te bedenken, alsof hij echter lang +had gepeinsd, naar aanleiding van zijn eigen geval, deze historie: +"Gij moet weten, mijnheer, dat Primasseau een man was zeer bedreven +in het Latijn en bovendien een zeer groot en vaardig dichter, wat +hem zoo geëerd en beroemd maakte, dat, waar nog niet iedereen hem op +het gezicht kende, door naam en faam elkeen toch wist wie Primasseau +was. Eens bevond hij zich te Parijs in armelijken toestand, waarin +hij meestentijds verkeerde, omdat zijn talent weinig gewaardeerd werd +door lieden, die het wel konden doen. Hij hoorde daar van den abt van +Cligny en men vertelde, dat hij meende na den Paus de rijkste prelaat +aan inkomsten te zijn, die Gods Kerk had. Hij hoorde van hem wonderbare +en zeer goede dingen vertellen, dat hij een hofhouding had en dat hij +nooit had geweigerd te laten eten en drinken wie er ook om vroeg, +mits het op zijn etensuur was. Toen Primasseau dat vernam, maakte +hij plan, daar hij een man was, die gaarne menschen en edellieden van +beteekenis zag, om de weelde van dien abt in oogenschouw te nemen en +vroeg hoe ver hij van Parijs woonde. Men antwoordde hem hierop een mijl +of zes vandaar op zijn landgoed. Primasseau meende er te kunnen zijn +op het etensuur, als hij 's ochtends vroeg wegging. Nadat hij zich +dus den weg had laten wijzen, en niemand vond, die hem vergezelde, +vreesde hij, te verdwalen en op een plaats te komen, waar hij niet zoo +makkelijk te eten zou krijgen. Daartoe nam hij, om van den honger geen +last te hebben, drie brooden mee en dacht, dat hij water, hoewel hij +er niet van hield, wel overal zou vinden. Toen hij de brooden in den +zak had gestopt, begaf hij zich op weg en de reis ging zoo goed, dat +hij voor het etensuur kwam dáár, waar de abt woonde. Hij ging binnen +en zag overal rond. Toen hij de groote menigte gedekte tafels had +gezien en de kolossale toebereiding in de keuken en de andere dingen +gereed voor het middagmaal, zei hij tot zichzelf: Dat is werkelijk +prachtig, zooals beweerd wordt. Terwijl hij op dat alles lette, +beval de hofmeester van den abt water aan te reiken voor de handen, +omdat het etenstijd was. Hierna ging iedereen aan tafel. Toevallig +werd Primasseau juist tegenover de deur geplaatst, waar de abt moest +doorgaan om in de eetzaal te komen. Het was in dat huis gewoonte, +dat men nooit aan tafel wijn of brood of iets anders te eten of te +drinken opdroeg, voor de abt zich aan den disch had neergezet. Toen de +hofmeester de tafel gedekt had, liet hij den abt zeggen, dat, wanneer +het hem behaagde, het middagmaal gereed stond. De abt liet zijn kamer +openen om in de zaal te gaan en zag toevallig onder het binnentreden +als de eerste, die hem in het oog viel, Primasseau, die er tamelijk +armelijk uitzag en dien hij van aanzien niet kende Toen de abt hem +had opgemerkt, kwam hem onverwachts een slechte gedachte in den geest, +die daarin nog nooit was opgerezen. Hij zei bij zich zelf: Kijk, wat +voor lui, wien ik geef van het mijne! Hij keerde weer terug, beval, +dat de kamer gesloten zou worden en vroeg aan hen, die bij hem waren of +iemand dien vagebond kende, welke tegenover den uitgang van de kamer +aan tafel zat. Iedereen antwoordde van neen. Primasseau had eetlust +als iemand, die geloopen heeft en die niet gewoon was te vasten. Hij +had al eenigen tijd gewacht en zag, dat de abt niet terug kwam. Toen +haalde hij een der drie brooden uit zijn zak, die hij meegenomen had +en begon te eten. Nadat de abt eenigen tijd weg was geweest, beval hij +een van zijn lieden te zien of Primasseau was vertrokken. De bediende +antwoordde: Neen, monseigneur, en hij eet brood, dat hij zeker mee +heeft gebracht. De abt hernam: Als hij zijn brood nu eet, zal hij van +het onze niets krijgen. De abt had gewild, dat Primasseau van zelf zou +zijn weggegaan, maar wilde hem er niet uit laten gooien, Primasseau +had al één brood gegeten, maar de abt kwam nog niet. Daarop begon +hij het tweede te eten; dat werd ook aan den abt verteld, die weer +had laten kijken of hij vertrokken was. Daar de abt maar niet kwam, +begon Primasseau het derde brood te eten, wat ook aan den priester +werd gemeld, die bij zich zelf begon te denken en te zeggen: Kijk, +wat voor nieuwen inval heb ik gekregen? Wat een gierigheid! Wat een +onwil! En om wien! Ik gaf het mijne te eten, reeds vele jaren, aan +ieder, die wilde zonder op te letten of die edelman was of dorper, +arm of rijk, koopman of afzetter en tal van bandieten heb ik voor mijn +oogen zien zwelgen zonder dat ooit in mijn ziel de gedachte opkwam, +die bij dezen man in mij rees. Die gierigheid zou mij zeker niet +hebben overvallen, als hij geen bijzonder mensch was. Hij lijkt mij een +bandiet, maar het moet een man van gewicht zijn, waar het mogelijk is, +dat mijn geest zich zóó verzet hem aldus te ontvangen. Na deze gedachte +wilde hij weten wie die man was en hoorde, dat hij Primasseau heette, +daar gekomen om zijn weelde te zien, waarvan hij had vernomen. De abt, +die hem al lang als een begaafd man had hooren noemen, schaamde zich +en verlangend alles goed te maken, deed zijn best hem op allerlei +wijze te onthalen. Na hem te laten eten, deed hij, gelijk het voor +Primasseau behoorde, hem voornaam kleeden en na hem geld en paarden +te hebben gegeven, kon hij gaan en staan, waar hij wilde. Primasseau +hierover tevreden, dankte hem zooveel hij kon en keerde te paard naar +Parijs terug, waaruit hij te voet was vertrokken." Monseigneur Cane, +die veel doorzicht had, begreep zonder verdere aanwijzing zeer goed, +wat Bergamino bedoelde en zeide glimlachend: "Bergamino, je hebt +mij genoeg je schade, je talent en mijn gierigheid doen kennen en, +ook wat je van mij begeert en heusch, het is de eerste maal, dat ik een +opwelling had van gierigheid, maar ik zal haar met den stok verjagen, +dien jij mij hebt gegeven." Na den waard van Bergamino betaald te +hebben en hem met een zeer voornaam gewaad te hebben bekleed en hem +geld en paarden te hebben gegeven, liet hij het aan hem over naar +welgevallen heen te gaan of te blijven. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid + van monseigneur Ermino de' Grimaldi._ + + +Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van +Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van +vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke +wijze begon te spreken: + +Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee +te willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder +vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling +lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet +U er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte +goeds uit voortkomt. + +Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de'Grimaldi +genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer +groote rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer +welgestelde burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk +hij elk overtrof met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in +gierigheid en karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op +de wereld bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen +hield hij de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf, +stelde hij zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot +tegen de gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo +deed hij met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam +der Grimaldi's vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino +Avarizia (Gierigheid) genoemd. + +Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam +er eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling, +Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige +ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend +willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk +leven. + +Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid +en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was +in die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede, +waar strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken, +familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en +aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen +te amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden +te onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe +hun tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te +zaaien, slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is +ze openlijk te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden, +waar of niet, elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen +de goede menschen tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En +hij wordt het meest gewaardeerd en het meest door die ellendige en +ontaarde heeren geëerd en met de grootste belooningen begiftigd, +die de laagste woorden zegt of de gemeenste daden doet, tot groote +schande en blaam voor de tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs, +dat de deugden al op dit ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche +en ellendelige stervelingen in een poel hebben achtergelaten. + +Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige +verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans, +dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd +en zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de +schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te +ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere +een voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch +een vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke +woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende +dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige +Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij +had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij +tot hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord, +kunt U mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis +te laten schilderen? + +Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik +geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien +behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen, +dat U zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien. + +En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino. + +Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo. + +Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door +zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te +veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo +laten schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen +verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien +dag af werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij +de vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden +en medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees. + + + + + +Negende Vertelling. + + _De Koning van Cyprus, door een Gasconsche dame bestraft, + wordt van een traag een werkzaam man._ + + +Het laatste bevel van de koningin had betrekking op Elisa, die zonder +dit af te wachten, zeer opgeruimd begon: + +Jonge dames. Het gebeurt dikwijls, dat, wanneer vele berispingen en +straffen bij iemand niet hielpen, een enkel woord per ongeluk--niet +eens met opzet--gezegd, baatte. Wat duidelijk bleek uit de vertelling +van Lauretta, zal ook ik U in het kort aantoonen. Want dit is iets, +hetwelk goede menschen altijd verheugt, wanneer het door hen aandachtig +wordt aangehoord, wie het ook vertelt. + +In den tijd van den eersten koning van Cyprus, na de verovering van +het Heilige Land door Godfried van Bouillon [19] toog een edelvrouw +uit Gascogne ter bedevaart naar het Heilige Graf. Toen zij bij +haar terugreis op Cyprus kwam, werd zij door eenige gemeene lui +schandelijk mishandeld. Haar smart daarover was grenzenloos en zij +wilde zich bij den koning gaan beklagen. Maar men vertelde haar, +dat zij moeite deed voor niets, want de koning was zulk een traag +en lui mensch, dat hij op de klachten van anderen niet inging, en +dat hij zelfs niet den smaad, hem vaak zeer onbeschaamd toegevoegd, +wilde vervolgen. Daarom liet iedereen, die hem al had beleedigd, zich +jegens hem met verachting en schimp uit. De dame, die dit hoorde en +alle hoop opgaf, om voldoening te krijgen, nam zich voor haar toorn +wat te bekoelen en daartoe den koning zijn laffe luiheid voor de +voeten te werpen. Met tranen in de oogen trad ze voor hem en zeide: +"Sire, ik kom niet tot u om wraak te eischen voor den smaad, dien +men mij heeft aangedaan, maar ik wil u slechts om de gunst bidden, +dat gij mij leert, hoe gij de vele beleedigingen verdraagt, die men +(naar ik hoor) u dagelijksch toevoegt, opdat ook ik zal leeren de +mijnen gelaten te verduren. Ik zou die bij God gaarne aan u overdoen, +daar gij die zoo goed kunt verdragen." + +De koning, die tot nu toe laksch en traag was geweest, leek uit een +droom te ontwaken. Hij wreekte zich voor de dame op de strengste +wijze over de haar aangedane beleediging en sinds dien tijd strafte +hij zoo zwaar mogelijk, ieder die het waagde, de eer van zijn kroon +aan te randen. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame + beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd + op haar is._ + + +Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met +vrouwelijke gratie zeide: + +Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad +des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo +zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename +gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan +aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is, +aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast +geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde, +indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een +algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die +deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben +de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft +zij, die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met +veel strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn +dan andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer +strepen zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren +en van achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een +ezel geëerd behoeft te worden. + +Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik +mij zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd, +zoo gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of +antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het +beter zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs, +dat het uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige +mannen niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij +den naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn, +die alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar +indien de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou +deze dit geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar, +dat hierbij als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden +de tijd en de plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het +gebeurt menigmaal, dat een dame of heer gelooft met een geestig woord +een ander te doen blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van +een ander heeft overschat en de blos, welken hij bij anderen meende +op te wekken, bij zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet +te behoeden en bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze +kan toepassen, die men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de +vrouwen in alles altijd het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze +laatste vertelling van dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt, +en opdat gij, die door zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de +voortreffelijkheid van uwe manieren boven anderen toont uit te steken. + +Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot +medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld +en die er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto [20], +was bijna zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit +het lichaam elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet +ontweek verliefd te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe, +volgens het zeggen van enkelen, mevrouw Malgherida de' Ghisolieri +genaamd. Zij behaagde hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke +de liefdevlammen in zich opneemt en die 's nachts niet goed scheen +te slapen, als hij den vorigen dag niet het schoone en teedere +gelaat van zijn donna had gezien. Dit hield hij vol soms te voet en +dan weer te paard, alnaar het hem het best leek langs het huis der +dame. Tengevolge daarvan bemerkten zij en vele andere donna's de reden +waarom hij telkens voorbij kwam. Meermalen spotten zij er samen over, +dat ze een man zoo oud en wijs verliefd zagen en dachten, dat die +hartstochtelijke liefde alleen in de dwaze zielen van jongelieden kon +post vatten en standvastig kon blijven. Daarom, toen maestro Alberto +steeds voorbij bleef komen, spraken zij op een zekeren feestdag met +elkaar, toen die dame met vele andere voor de deur van haar huis zat +en zij hem van verre zagen naderen af, hem te zamen te ontvangen, +hem beleefd te behandelen en hem daarna om zijn verliefdheid voor +den mal te houden. Zoo deden zij; zij stonden allen op en na hem +te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op een koele binnenplaats, +waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten komen. Eindelijk +vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of hij op die +schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele knappe, +aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De dokter, +die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk gezicht +en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen verstandig man +verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit waard zijt. Wanneer +aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen zijn, welke men +voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch niet de goede +wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te zijn, maar zij +zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer ondervinding hebben +dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude man, nog hoop heb, +ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt. + +Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen +wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar +alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen +door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het +loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me +niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien +gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden +weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames; +zij zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed +en hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een +verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met +inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De +dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend +en nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand +te bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij +wijs wilt zijn, moet daarvoor waken, dames! + +Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de +vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde +waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze: + +Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op +dezen dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren +moet volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak +regelt, zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt, +kan niet goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin +kan bedenken wat voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de +volgende regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van +Hem, waardoor alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden +dag de zeer bescheiden jonge dame Filomena als koningin het bewind +voeren. Na dit gezegd te hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans +af en overhandigde dien eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna +al de anderen begroetten deze als koningin en onderwierpen zich +welwillend aan haar heerschappij. Filomena een weinig blozend van +verlegenheid, toen ze zich gekroond zag voor het bestier en zich de +woorden herinnerend kort te voren door Pampinea gesproken, vatte moed, +opdat zij niet dom zou schijnen en nam het gansche bestuur over, haar +zooeven door Pampinea geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den +volgenden morgen en daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij +den volgenden dag zouden verblijven en begon aldus te spreken: + +Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid +dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd, +ben ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn +oordeel op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet +wat mij goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt +bijvoegen of afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden +uiteenzetten. Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar +Pampinea zich aan hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig +als aangenaam beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of +om een andere reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden. + +Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij, +nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon +zal ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na +eenige gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan +slapen. Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons +elders gaan vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben +gedaan, zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als +we weer opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor, +dat het grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook +van nut is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de +regeering was verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren +duur elk verhaal te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder +tijd hebbe om over een mooie vertelling naar een gegeven te denken, +namelijk, als 't U bevalt, dat het ook hierin gaat als bij het begin +der wereld, toen de menschen door verschillende lotgevallen bewogen +werden en het ook zullen zijn tot het einde toe en dat ook hier: +_Wat door verschillende oorzaken zich ook zal voordoen, boven alle +verwachting tot een goed einde zal voeren._ + +De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden +dien te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen +zwegen: Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik, +dat de regel door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is, +maar ik vraag u als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden +toegestaan, zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze: +dat ik niet aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op +aangegeven tijd, indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij +aanstaat er een te vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die +gunst wil, als iemand, die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader +order steeds de laatste te zijn. De koningin, die hem een aardig en +prettig man vond en die maar al te wel wist, dat hij dit niet vroeg +dan alleen om het gezelschap, wanneer het moe was van het spreken, +met een grappige vertelling op te vroolijken, schonk hem vriendelijk +met de toestemming der anderen dien gunst. Na te zijn opgestaan, +begaven zij zich met langzamen tred naar een beek, met rein helder +water, die van een bergje daalde in een vallei beschaduwd door vele +boomen tusschen bonte steenen en groene grassprieten. Daarna met +de schoenen uit en de bloote beenen door het water gaande begonnen +zij onder elkaar verschillende grappen te maken. Toen het uur van +het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis terug en aten +genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten komen, beval de +koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl Lauretta leidde, +zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde een dans en +regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied zong: + + + + Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man, + Dat ik nooit aan andere liefde + Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen. + Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel, + Het goede, dat mijn ziel bevredigt, + En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte + Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven. + Welk ander voorwerp van bekoring + Zou ik dan ook ooit kunnen zien, + Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart? + Dit heil, telkens als ik verlang + Het weer te zien tot mijn bevrediging, + Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor + Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden + Te zeggen is, noch ooit + Voor een sterveling te begrijpen, + Die niet van zulk een verlangen brandde. + En ik, die van uur tot uur meer ontvlam, + Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd, + Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over, + Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd; + En hooger vreugd voel ik al naderen + Bij een hartstocht zooals men + Nog nooit hier gevoelde. + + + +Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord, +hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin, +nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van +den korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval, +nadat ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen +begaf zich elk naar zijn kamer en deed aldus. + + + + + + +Tweede Dag. + + _De eerste dag van de_ Decamerone _eindigt; de tweede vangt + aan, waarop onder het bewind van_ Filomena _besproken wordt, + wie door verschillende oorzaken gekweld is en boven alle + verwachting met een heugelijk einde slaagt._ + + +Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd +en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er +aan de ooren getuigenis van, toen de donna's en de drie jongelieden +tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle +grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen +vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij +den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht +aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen +opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk +het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin +was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans +gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval +aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen +en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den + heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt + hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te + worden opgehangen, maar ontkomt dit._ [21] + + +Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft +gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die zaken te +bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met +schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin +gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, +u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn +verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam. + +Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, +die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij +een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, +toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van +zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, +de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen +daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep +naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het +als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, +lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook +getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam +gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er +in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de +ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven +der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere +menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en +daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle +menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden +vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat +zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij +zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er +komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en +andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat +er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier +sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen +kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: +Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het +heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino +antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een +lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant +ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je +me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan +niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel +aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan +en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, +de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het +vreeselijk was om te zien en ieder, die het zou aanschouwd hebben, +zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en +verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden +vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en +ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, +dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om +kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: +maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den +heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen +stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam +gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf. + +Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon +Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen +of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den +arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen +dit zagen, ontstond er zoo'n tumult ter eere van den heiligen Erich, +dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een +Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die +hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij +hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: +Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem +zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige +Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop +de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht +van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie +ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om +zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil. + +Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht +naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en +bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, +maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons +den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van +de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de +kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen +niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om +Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende +niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, +zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, +beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij +met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in +ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker +zou hebben gedood, indien er geen middel was geweest, dat Marchese +dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied +buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het +bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, +die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat +u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk +liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den +armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de +grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam +gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar +het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den +mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, +dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel +hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen +te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter +hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk +verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de +arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank +leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, +wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij +weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem +inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben +bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt +zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, +wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat +hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen +geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander +vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, +hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid +spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst +hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk +dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben +gekomen, als gij nu ziet. En dat--wat ik zeg--waar is, kan bewezen +worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en +door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, +zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden. + +Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, +die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem +al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en +hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in +allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden +zij hem het gebeurde. Hij lachte over die geschiedenis en bracht hen +bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer +in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren +verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval +van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging +naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; +dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in +zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets +tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat +tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen +en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe +gedwongen werd. + +Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht +hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij +niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de +galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen +over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, +keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, +gezond en wel terug naar huis. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Rinaldo d'Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, + wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos + te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis._ [22] + + +Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de +donna's uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, +omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou +vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een +verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets +anders dan nut stichten, als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder +onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, +bij hen, die het paternoster van San Giuliano [23] niet vele malen +hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden. + +Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een +koopman, Rinaldo d'Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna +was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te +paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden +schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht +leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen +dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken +onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden +berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden +en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale +zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en +welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk +ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden +te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat +bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, +die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot +Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis? + +Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een +practisch gewoon mensen, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op +ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, +maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en 's ochtends, +wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave +maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid +ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven. + +Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle +ontkomen ben en toch 's nachts op een goede plaats en goed beherbergd +geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik +bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, +dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden +nacht goed aankomen, als ik 's ochtends het paternoster niet had +opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij +het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna +zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: +Het komt je te pas, want indien er niets in den weg komt, zal je naar +mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb +insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik +het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij +nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult +gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, +die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, +dat ik in plaats daarvan het "Dirupisti" of de "intemerata" of het +"Deprofundis" toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te +zeggen, van zeer groote kracht zijn. + +En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, +wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten +vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame +en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden +hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze +heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg +geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats +weg den stroom over. + +De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een +lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, +waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo +[24] en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over +iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, +terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te +doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon +hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, +waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven +van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was +gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven +door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, +hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was +en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige +hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna +een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, +dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij +er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij +klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet +op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het +kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den +dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder +dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker voet hij wat +stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde +zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet +overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, +die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats. + +Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere +vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat +oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks +voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen +dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te +brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een +heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders +wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een +knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk +dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, +dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna +een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor +in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en +naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad. + +Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten +was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde +van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide +zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den +rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij +er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar +te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, +gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie +hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, +zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon +haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude +te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de +donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te +hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst +deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe +hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te +eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame +zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat +zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga +bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere +uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte +hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot het leven was +teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, +die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, +hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der +dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk +een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar +het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na +haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen +in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was. + +Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is +een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, +roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal +gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo +kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, +groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij +hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken +en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze +ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur +zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo +vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van +Rinaldo's knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, +wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van +zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen +kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het +wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, +te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, +van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van +middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem +zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om +te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij +daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, +of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, +dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de +fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, +raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij +naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon +hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in +gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een +paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op +je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, +dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik +je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of +hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat het je onaangenaam +zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde +en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, +zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan +denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, +als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij +een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, +wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen +en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden +waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, +wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen +verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij +op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten +volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten. + +Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand +er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn +beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den +weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet +zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, +toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de +poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen +hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard +van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de +drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een +ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel +gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het +geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, +waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, +dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en +den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg. + + + + + + +Derde Vertelling. + + _Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, + geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar + huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te + zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, + herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in + goeden doen._ [25] + + +De lotgevallen van Rinaldo d'Asti werden met bewondering door de dames +aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen +gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar +de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd +niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, +welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den +goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast +Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, +wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet +minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken: + +Waardige donna's. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der +fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, +over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men +bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen +noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen +oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een [26] +achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door +haar kunnen veranderd worden. Wanneer men het te goeder trouw in +alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige +vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, +dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn +voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds +verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen. + +Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar +enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti's stamde. Anderen houden +vol, dat hij aan de Agolanti's ontsproot, daar zij misschien hun +meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen +later uitoefenden en dat de Agolanti's steeds hadden uitgeoefend en +nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, +dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, +van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante +heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was +nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven +en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet. + +Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden +geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel +of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, +vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, +gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk +het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig +brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de +schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds +begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten +en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, +den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de +rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee +tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe +groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede +zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den +raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen +het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en +zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, +trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in +Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer +weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de +fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som +gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence +terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer +te koopen en kozen zich vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland +op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een +jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden +alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid +der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie +hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden +het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds +in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang +om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op +hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed +borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden +en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop +op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van +iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het +geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het +met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van +Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van +dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg +alles aan Alexander zou worden teruggegeven zoowel de rente als het +kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie +broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets +en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de +gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen +hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij +werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren +om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen +en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren +en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden. + +Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede +gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig +voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam +zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op +weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een +witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld +en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een +paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander +als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij +goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun +stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard +reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die +daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is +gekozen van een der rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens +de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met +hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem +wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die +waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken. + +Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet +reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam +hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van +figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed +en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste +gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem +tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te +vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem +legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan +zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn +mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en +toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd +werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd +hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn +ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed +moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou +plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht +hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, +daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor +dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem. + +Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen +door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een +dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt +er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die +hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken +in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de +hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had +hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak +gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed +deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg +Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: +ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt +mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de +kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen +en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als +het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe +zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo +klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken +kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen +werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en +mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is +nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De +abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras +toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, +dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en +zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar +daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, +dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander +zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: +God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; +indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd +niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij +zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een +zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, +die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die +hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren +dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich +zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen +werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die +twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte +en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat +hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij +op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte +en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de +hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, +stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had +en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een +verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, +haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je +zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik +heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat +die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, +toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man +een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot +te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier +uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet +kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel +en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder +al te lang na te denken antwoordde hij, dat, als het haar beviel, +het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop +zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in +de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen +van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat +zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, +stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de +kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar +hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en +diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, +sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee +ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden +eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken: + +Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, +die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, +wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk +wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin +gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten +van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, +den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een +jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid +mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer +de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door +de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem +getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de +eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit +geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder +behoeft,--ik geloof door zijn barmhartigheid--mij dezen toegevoerd, +die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge +man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden +en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de +adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van +mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik +een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu +is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar +het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en +eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is +als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het +huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk +zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle +andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij +behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat +wij hiermee als met meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, +wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven +en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn +vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van +wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich +nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den +Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke +poets hadden gebakken. + +Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van +de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men +er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht +hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer +met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen +de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid +van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, +die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn +bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna +komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij +naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig +uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, +die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken +bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw +plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, +liet hij ze gaan met zijn zegen. + +Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar +Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar +liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie +gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan +hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw +vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met +zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den +koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en +onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met +een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met +de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap +Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, +dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor +het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst +van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, +wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, +nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven. + +De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en volgens +het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en +met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot +koning gekroond. + + + + + +Vierde Vertelling. + + + _Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de + Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich + op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door + een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug._ + + +Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van +haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus +te spreken: Zeer genadige donna's. Geen daad kan naar mijn oordeel u +meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende +tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van +Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de +voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen +met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet +weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste +ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik +weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden +aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven. + +Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel +van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, +die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d'Amalfi noemen, +vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en +ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello +[27] genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een +zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan +zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar alles te +verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij +kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, +bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging +hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met +hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, +zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had +meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, +zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel +verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer +rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf +te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar +hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een +kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en +met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht +scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, +rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral +op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die +'t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en +nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen +had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan +verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was +en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer +in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot +naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn +geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, +waarmee hij het had gewonnen, in zee. + +Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich 's avonds een storm, +die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw +maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een +zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, +zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij +was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, +die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te +ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die +het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, +hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer +rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig +naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun +volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten +zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, +als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, +die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee, het +vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het +heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten +Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, +deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis. + +Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar +het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den +avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee +schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte +het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met +een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een +zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, +barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op +bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol +kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht +zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover +dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij +toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, +die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, +dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag +terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen +zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, +opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou +zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij +kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen +geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets +dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem +telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die +hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem +nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig +kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit +de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo'n +schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder +water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht +en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen +bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst +aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen +vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, +zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, +en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag +en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, +òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en +terwijl hij haast een spons was geworden, en de zijden van de kist +met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen +zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het +eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand +en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en +niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij +kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den +vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk +en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen +om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en +begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, +ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren +met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan +los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, +die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht +hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de +verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten. + +Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte +hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast +zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte +de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij +had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te +zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, +maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, +dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou +kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast +alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open +om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en +losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde +waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam +geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door +de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht +hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar +huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te +hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet +meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat +zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat +hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, +deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, +ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij +eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien +hij uit barmhartigheid ontvangen werd, daar zij al zijn ongelukken +al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij +hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, +waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, +dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje +en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij +bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen +schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou +wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn +steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid +geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit +de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem +hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te +drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te + koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij + echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis._ + + +De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt +van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, +niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in +zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, +gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond. + +Er was--naar hetgeen ik vroeger gehoord heb--in Perugia een jongeling, +die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij +gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, +honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog +nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen +hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den +waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de +markt, zag er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde +wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, +dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, +dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn +beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde +en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje +voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te +zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk +in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij +kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook +een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit +liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit +en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten. + +Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde +haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken +in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok +zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen +niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van +haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel +kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, +voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en +hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden +omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden +verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna +in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met +welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel +van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door +een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf +zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou +kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van +zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg +te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette +bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die +antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem +ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad +wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, +was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man +toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, +omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in +Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar +en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde: +Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam +zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik +zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die +in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt +uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist +noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt +ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, +het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds +haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag +haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij +was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, +voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij +hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond +zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige +teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd +en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt +welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde +verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna +leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze +zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was +van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig +bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en +andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, +dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen +op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te +spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel +over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij +mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar +gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, +namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel +genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders +heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur +tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, +zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, +dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid +en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, +zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was +mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het +meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees +voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat +ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds +er een reden kwam voor Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar +Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder +achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij +of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem +groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens +mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, +niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had +moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder +overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in +zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, +zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het +dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, +toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, +mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti's, een goed edelman, die +uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij +zeer guelfisch [28] gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met +onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat +het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik +verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland +was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, +die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, +die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar +vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele +onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en +huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, +een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als +gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde +zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd. + +Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar +gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde +en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo +geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der +jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen +zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit +meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, +het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, +die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, +òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen +en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij +echter des te aangenamer hier een zuster te hebben gevonden, omdat ik +hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man +van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo +goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, +bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier +was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend +weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij +mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer +het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt +dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen. + +Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten +te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog +meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en +de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en +gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het +het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of +ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te +wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je +met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, +als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te +avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn +man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed +weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, +zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik +niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal +onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier +wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het +zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te +laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als +gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken. + +Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond +niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik +dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat +men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel +aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend +werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en +nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan +wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, +omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral +geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, +dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee +verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, +dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun +gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen +de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio +in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar +believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook +met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu +was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, +dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed +en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed +lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig +gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar +het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der +kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging +Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank +zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met +het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar +God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, +hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal +vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats +was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er +nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en +kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele +planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het +andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat +dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond +zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene +ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, +ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, +zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat +hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar +netten uitgezet. Daartoe had zij--van Palermo afkomstig--geveinsd +een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich +verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit +was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de +jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, +maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden +en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, +die het uitzicht op de straat in de geul belette. + +Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat +naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en +stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend zijn ongeluk +gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik +honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere +woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij +deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden +verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden +van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster +kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, +sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw +juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga +dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen +Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga +hier dus in 's hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes +slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker +weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die +in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, +die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij +lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij +naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn +schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich +voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden +wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider +slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen. De buren, die van te +voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en +dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om +deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij +maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle +tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den +staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal +op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en +die dwaasheden toe te roepen, ga dus in 's hemelsnaam hier vandaan, +goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt +uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen +nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw +moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had +en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche +stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het +hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, +een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard +om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van +bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet +zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar +die hoorde zijn woorden niet tot het einde aan en sprak hem nog +veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik +weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met +een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt +verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel +en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen +en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien +man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In 's hemels naam, +vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, +ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, +ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door +den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, +ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig +weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje +gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug +te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, +en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij +verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat +opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij +toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de +hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht +zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, +dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden +op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den +schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei +dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: +Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn +leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en +zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie +is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het +licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde +Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij +vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, +en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, +dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot +Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld +hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven +neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, +want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je +in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn +kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder +de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit +hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra die kerel +hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een +poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben +medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te +doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van +te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat +je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij +daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels +begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een +robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, +welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven +dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, +begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en +Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel +kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet +zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een +put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons +daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden +zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om +hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen +en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem +dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten +zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, +eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel +omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en +dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op +de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, +die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven +om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun +mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een +emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening +van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op +den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, +dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, +weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien +hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem +van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den +dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens +vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden +heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst +niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk +en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan +te roeren. Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn +twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te +trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen +hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er +eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe +het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De +anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan +gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij +gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de +groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar +het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar +geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen +zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen +op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: +Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, +hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook +niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en +zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, +dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop +geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat +zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij +zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want +als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken +en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou +ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, +eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou +zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren +spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van +den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij +den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het +hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, +dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring +er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, +maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof +hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant +net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou +kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk +over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den +armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, +hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde +herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, +maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door +de grootste droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den +Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide +had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het +meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich +zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, +dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht +gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van +het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een +kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden +komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, +hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk +hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn +metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die +kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar +zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden +zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, +zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat +hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er +nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen +den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen +er in zakken om er in af te dalen. + +Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief +bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen +wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en +slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen +daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, +alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen +Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij +sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, +dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende +met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan +zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, +die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij +verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den +herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig +deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring +had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee + geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat + naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in + dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt + en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië + tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij + de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, + komen zij alle drie weer tot groot aanzien._ + + +De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen +van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat +de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: +Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar +welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, +die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren +nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen +voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En +daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik +u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze +een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, +dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de +vreugde, die volgde. + +Liefste donna's, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik +den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi +heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een +napolitaansch edelman Arrighetto Capece; [29] deze had tot echtgenoote +een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit +Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk +Sicilië. Toen hij vernomen had, dat Karel de Eerste den slag bij +Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, +dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op +de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan +des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de +vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met +verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over +aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland +in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering +met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds +bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees +voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich +scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht +jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, +naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den +Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar +twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren +naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij +had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd +gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo, [30] waar +zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis +voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, +waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde +om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij +dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper +of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, +die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk +wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, +keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te +komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, +verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn +en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet +ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte. + +Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar +man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige +hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon +jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht +op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met +eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, +zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de +verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam +terug keerden, begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die +zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, +dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en +niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom +het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was +te weenen en te treuren. + +Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de +dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond +niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde +zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei +gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, +die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit +kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar +zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, +die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief +en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij +die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden +die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, +zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen +haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele +vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, +en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij +aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij +bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd +zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand +werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam +daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar +enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado +(Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij +zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een +bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen +bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden +dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn +bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij +de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de +twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen +grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, +waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een +stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met +zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, +toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met +verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden. + +Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had +geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en +wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk +en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had +gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en +deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een +wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of +haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn +eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk +zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, +heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last +haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar +kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al +versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke +te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, +weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en +spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld +zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar +Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, +waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede +zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar +bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet +zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is +Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan +en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam +niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden +met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra [31]. Daar +zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de +echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een +van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield +altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden. + +De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede +Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet +hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij +hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den +buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen +van Madame Beritola met de twee zoontjes van deze ten deel gevallen +aan een zekeren Messire Guasparrino d'Oria. + +Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen +voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den +ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen +zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met +hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, +maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te +troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,--omdat +zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was--dat het licht +schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij +waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans +kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer +tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand +te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid +voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor +haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, +maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den +kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi +(Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam +had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij +herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar +zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte +zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide +broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig +in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter +geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter +Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan +met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige +knechtschap, ontvluchtte den dienst van Messire Guasparrino, ging +op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen +zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, +nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, +groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien +hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in +slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een +vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, +dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw +was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn +moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, +kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, +sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd. + +Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, +kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van +zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een +mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto +rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar +verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde +verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de +minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te +nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag +samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van +het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden +de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op +een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen +verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij +zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) +te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge +vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast. + +Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen +beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn +bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, +want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een +smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook +zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf +een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, +die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de +beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom +den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel +het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter +te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, +daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, +wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en +hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht +de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in +plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende +plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun +spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders +over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, +hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen +hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was. + +Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten +en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat Currado aan +hen dacht, zette koning Piero di Raona [32] door de medewerking van +den heer Gian di Procida [33] der Sicilianen tot opstand aan en gaf +aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn +groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn +cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: "O wee! Het duurt nu al +veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en +slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk +is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, +hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te +voorschijn te komen." + +Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen +twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen? + +Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, +wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, +dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, +ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten. + +Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester. + +Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het +gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer +ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, +zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, +maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer +ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar +tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, +ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen +die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich +niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar +vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi +heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste +van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar +oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die +het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, +dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens +schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw +te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich komen +en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier +genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece +was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in +de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed +en vriendschappelijk behandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed +dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken +en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om +hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, +maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan +gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, +wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de +gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die +mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, +is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en +haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; +gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; +van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet. + +Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op +oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, +dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft. + +De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto +verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die +niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor +zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood +en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins +wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: +Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon +mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader +bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar +steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik +niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone +menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en +men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen +de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren +wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen +wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen +als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als +vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik +had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik +het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat +de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, +die uit uw woorden doorstraalt, voedt mij dan niet met ijdele hoop, +laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, +daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader +zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult. + +Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor +een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er +des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder +de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in +'t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, +mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto +als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, +de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat +iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat +voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook +hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola +roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, +indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn +dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde +la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, +dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter +zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder +is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij +mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En +weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het +jou schijnen, als ik je zoo'n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: +Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, +zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: +Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij +vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden +teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet +aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier +uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat +de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, +als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, +dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in +Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen +komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen +zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, +die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto +daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden +van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime +aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke +trekken van het gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af +te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende +teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; +zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen +van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich +herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag +en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk +van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger +onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen +hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna +Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, +in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar +zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke +liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar +vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe. + +Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren +herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen +en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot +Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe +verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en +prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen +verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat +nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik +u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult +door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van +een dienaar in het huis van Guasparrin d'Oria verblijf houdt, welke +mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: +dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de +gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert +te weten te komen, wat er van mijn vader d'Arrighetto geworden is, +of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en +dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het +verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij +zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, +die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend +namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, +en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor +zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij +zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat +ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien +jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, +die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet +te veel aan de verzinsels hecht van dien Giannotto, die zich nu +Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na +die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in 't geheim de +voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de +opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij +de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens +en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van +doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van +de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en +kreeg er vertrouwen in. + +Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit +had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde +hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als +vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en +daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een +groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij +begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de +min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado +met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, +daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid. + +Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, +die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de +trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en +zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en +zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; +en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde +volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, +wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen +inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want +toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan +tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië +gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen +die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat +het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk +naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem +als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte +en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was +hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn +rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang +en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem +zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over +zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets +meer had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige +edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige +van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en +Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk +ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen +leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen +hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor +ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, +namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de +dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun +dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens +goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, +dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, +door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop +zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden. + +En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon +aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele +andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar +en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen +namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en +messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen +wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna's met +zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het +niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen +gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, +vrienden waren van Messire, den goeden God. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk + aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen + binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen + mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader + als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den + koning van Algarvië als bruid._ + + +Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden +van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben +doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde +het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; +daarom begon hij, die zeer volgzaam was: + +Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons +is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden +zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God +daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen +om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, +die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, +en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze +van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van +staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het +bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste +toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan +zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door +hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift +drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en +ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden +en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets +verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van +hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van +alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets +door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid +tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs +handelen, dan moeten wij ons houden aan wat Hij geeft en kan geven, +die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna's, het +meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende +dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, +in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur +geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, +staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een +Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar +daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde. + +Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon [34], die Beminedab +heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze +had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, +een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, +de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een +groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, +welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen +door den koning van Algarvië [35], had hij, toen de koning hem een +bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar +een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk +geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting +zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, +dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de +haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij +Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op +een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere +wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo +rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als +dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het +door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den +opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, +wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst +noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart +van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica [36] en voelden +het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar +ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in +zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, +wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, +die op het vaartuig waren, de een na den ander, hoewel wie het eerst er +in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen +er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij +allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door +de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, +verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, +hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet +op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven +was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm +op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was +zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand +zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den +ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het +helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die +halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, +dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, +want de geroepenen waren veel te ver weg. + +Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde +zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo +goed zij kon en zag de donna's die in haar gezelschap waren en al +de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, +maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen +dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees +van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst +uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, +niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, +en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de +mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen +en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het +was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan +wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur +van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar +een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele +van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep +wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er +op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel +de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de +adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die +zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip +verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen +zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet +verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met +gebaren hun ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed +hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen +er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging +met hen naar zijn kasteel. Toen de donna's met levensmiddelen en met +rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, +die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, +dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag +bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der +zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte +hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, +hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote +kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man +van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds +uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij +zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, +dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon +wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid +in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best +haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat +hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht +van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze +al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de +gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en +op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men +het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op +den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon's zin moest +volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te +trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie +over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve +als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun +bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid +te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand +ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen +prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen +opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij +zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij +zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, +hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van +geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, +dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te +drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee +als met een dienaar van Venus haar machtig te worden. + +Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan +de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze +van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op +dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken +vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende +gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die +er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte +meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, +alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij +eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de +Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, +nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen +het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk +de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de +donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, +alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich +in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon +stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had +uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn +armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van +haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd +berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk +wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen +van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten +nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met +woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij +dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet +tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een +kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had +een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, +die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, +scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat +hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, +hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam +hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl +de booze daad. + +Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen +met koopwaren voor Clarentza [37] in Romania, waarvan twee jonge +Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, +daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een +overeenkomst en beval, hoe door hen de donna den volgenden nacht +moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en +hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij +heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met +eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld +om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun +afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed +zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de +donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in +den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, +als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt +te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van +Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, +terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een +goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich +bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato +gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, +dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij +gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met +de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, +gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, +werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles +vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, +dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij +elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen +den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar +of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en +dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze +op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel +stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, +grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst +nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato +over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om +hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De +twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en +groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, +die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, +te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te +hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen +zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou +slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens +werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te +twisten en toen hun toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan +het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, +ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel +en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef +leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag +zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van +de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, +maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, +bevrijdden haar van het doodsgevaar. + +Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een +herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad +en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza +bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij +hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op +haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord +had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen +bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den +gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den +prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit +een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende +hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, +en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een +edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer +toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde +haar als zijn eigen vrouw. + +Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij +daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd +en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over +niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van +Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, +de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te +komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en +aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een +groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden +van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was +als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat +niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op +het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; +zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, +zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, +kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of +niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon +voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood kon gelooven, +dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, +dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn +genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig +onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den +prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, +dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele +en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op +zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen +berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was +zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde +liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen. + +Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met +een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt +hij zeer in 't geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen +vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel +gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins +gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte +geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op +te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had +gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar +het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de +anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het +paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins +toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had +vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk +de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door +niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog +zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en +wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van +strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam +er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals +de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, +noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand +en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast +sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar +reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor +van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad +pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast +haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, +dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste +genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en +eenige van zijn dienaren te hebben laten komen, de donna oppakken, +zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor +hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard +zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar +Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar +naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee +bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen +hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De +hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van +den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, +trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan +waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim +was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame +alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar +terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de +ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok +Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem +achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, +die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij +dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de +heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen +en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de +hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, +dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna +met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door +een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak +aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en +verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, +verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den +hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte +hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen +kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer +van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello +met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden +ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was. + +Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een +geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en +veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken +van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den +hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene +te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de +eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, +wat door hen het best kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles +had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de +hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze +van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij +de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, +verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar +vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd +door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in +een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig +middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met +weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, +begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, +dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te +vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, +verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens +aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als +den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den +oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon +ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl +hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den +prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken +de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan +uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat +de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en +had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, +nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen +voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed +of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, +na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, +naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over +de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat +deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen +voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook +bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn +dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, +dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo +deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, +waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, +dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een +lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van +den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, +te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de +anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield. + +Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen +en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en +zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij +de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met +haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een +van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken +teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip +zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren +of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van +plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit +te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te +antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, +naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water +werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen +zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan +land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich +over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens +weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees +voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet +zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige +plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen +haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het +den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de +fortuin haar van te voren had bereid. + +Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning +der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien +tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te +Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven +leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een +nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk +met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden +bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen +gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland +te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben +gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, +die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna +en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed +slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, +maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich +verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste. + +De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan +met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen Osbech met zijn +krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien +met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, +omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder +voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, +zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië +verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te +werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan. + +Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee +machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië +tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een +trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop +ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger +verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna +en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van +Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking +was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, +omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer +te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, +daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als +doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie +ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, +zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, +niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden +werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk +genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen +en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen +het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der +kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven +zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of +Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een +koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste +vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem +zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den +dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen: + +Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij +nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, +dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, +mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan +eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de +uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf +heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde. Het is waar, dat het +zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en +zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger +zijn, indien ik u niet hier zag, die--geloof ik--voor haar dezelfde +vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid +ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en +haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor +de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, +liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, +opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind +ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was +voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, +zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de +donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen +hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord +dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet +lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven. + +Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, +wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een +schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat +zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde +hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, +dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou +behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar +aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die +kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde +hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd +hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de +woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein +bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide +van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de +warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl +ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), +zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, +zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden +aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den +koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, +op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, +omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van +den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden +dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de +Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij +bij toeval door die dame daar aan een venster opgemerkt. Omdat zij zeer +schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, +dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet +bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin +geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde +moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat +zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien +had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn +raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar +koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen +die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk +zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, +ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren +vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in +het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was +en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg +na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit +in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende +hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in +zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen. + +Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te +gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe +en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den +ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele +jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: +Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat +ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, +indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter +te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor +het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe +uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, +dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone +donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij +bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet +toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u +doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig +te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben +aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig +leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien +gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen +terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, +verzoek ik u aan niemand ooit te zeggen mij te hebben gezien of +ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij +voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij +op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag +deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig +nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie +gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven +en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg +hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en +opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk +naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het +u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen +en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De +koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge +dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, +dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote +ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug +te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, +zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik +geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst +door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het +hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, +waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde +en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de +koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens +de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles. + +Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een +schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van +Antigono naar den Sultan, die haar--wat niemand hoeft te vragen--met +vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat +had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar +zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten +vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had +onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken: + +Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd +ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht +op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes +genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal +ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het +dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds +door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen +om het te plunderen. Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen +en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de +andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen +geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door +twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te +bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid +schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden +om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard +aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die +zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, +die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, +naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde +veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na +lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar +een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar--al weet ik niet, +wat ze ook zeiden--werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding +opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den +Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit +land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, +reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was +en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik +de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun +Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus +was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, +waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden. + +Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg +mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus +wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar +zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, +die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun +vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van +de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het +Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, +werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij +mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te +geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij +met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te +vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa +en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet +wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden +terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, +liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de kade Antigono +voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal +stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden +noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn +dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote +vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het +hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den +koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij +zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u +nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van +mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot +den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene +malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, +mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik +meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het +u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, +waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome +nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen +en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters +haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles +zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende +nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, +dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op +kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste +dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen. + +De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad +Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure +diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral +aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding +was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had +laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug +te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten +dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, +omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, +dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit +alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem +behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië +deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten +overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien +door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een +maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde +zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: +Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel +als de maan. + + + + + + + +Achtste Vertelling. + + _De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht + in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland + achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, + vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het + leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te + zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld._ + + +De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone +donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er +onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde +bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen +we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van +Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de +vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, +dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met +een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij +ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien +tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van +vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit +oneindig aantal, zeg ik dan: + +Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan +van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, +ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer +groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor +zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de +ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen +met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, +die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen +de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om +hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d'Angers in hun plaats +tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven +zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een +getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van +oorlogvoeren, scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan +voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard +had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en +haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie +[38] waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters +en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien +veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander +edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest +kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan +zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den +oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, +die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong +naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof +van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, +de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon +en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde. + +Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw +was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar +niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde +te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en +het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere +zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame +was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk +zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de +graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en +zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood +van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete +vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de +zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter +bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig +rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers +niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel +meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid +hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld +en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan +wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof +bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden +tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan +aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet +het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, +indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze oorzaken, schijnt +het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij +tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn +echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn +vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben +als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik +u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot +ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht +der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen +en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen +en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, +waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der +liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien +dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het +niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want +toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen +de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, +maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij +waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind +te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, +beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het +fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man +te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid +ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij +mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, +die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert. + +Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, +die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, +maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het +hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal +ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde +te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde +vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld +worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij +door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de +donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus +zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen +versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, +dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met +de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en +zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider +stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld +aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van +de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer +geloof zou worden geschonken aan de kwaadwilligheid van die vrouw +dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het +vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder +anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf +op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf. + +Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar +zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen +aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het +knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem +waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de +huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij +hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak +ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als +men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, +die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een +eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend +of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door +te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder +herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te +Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar +Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine +kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, +dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de +fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste +voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, +waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven +liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, +die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd +overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden +dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun +namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en +het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk +wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen. + +Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam +daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken +van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, +die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of +het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië +kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, +met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend +was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, +omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, +als gij er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat +zij zoo'n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en +indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het +gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel +den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan +haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst +had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; +bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet +zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te +gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat +met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en +zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van +den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen +uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te +vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen +de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van +den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij +de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, +waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets +anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van +hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen +zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon +ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan +een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een +bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd +zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten. + +Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven +was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in +de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in +het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om +te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren +lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig +was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, +zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van +hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar +den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te +huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, +kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor +de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, +dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen +man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, +bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, +dien deze en zij ten zeerste lief hadden, zoowel omdat het een +jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden +verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, +dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan +Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij +zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En +daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij +het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, +maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als +een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij +kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer +hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart +ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden +en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die +kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de +moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, +dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen +smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden +was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde +verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem +en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen +Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, +om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de +jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een +gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor +zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus +dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, +hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, +hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een +deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, +alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den +arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog +niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug +en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende +zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder +ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw +zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van +Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, +den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar +ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u +lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, +dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, +dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan +hun zoon tot vrouw moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was +vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, +ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben +verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, +omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot +uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, +van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger +voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, +heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders +is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, +wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, +omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou +ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw +hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en +de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat +moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, +wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan +mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik +voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet +om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de +wreedste moeder, die ooit een zoon baarde. + +Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij +eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, +verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft +mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste +lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen +herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen +bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik +verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg +uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De +donna--te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, +waarnaar zij zich het voorstelde--antwoordde gulweg, dat hij gerust +elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem +zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en +de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar +mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis +aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den +toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt +beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, +dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor +bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, +woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij +eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in den +kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover +de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd. + +Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar +schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar +had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje +en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen +verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te +verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen +wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer +behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een +meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop +antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn +vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik +alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed +mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien +trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner +voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te +bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig +aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, +hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en +zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong +man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij +hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij +geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen +dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden +verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij +haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem +in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn +genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor +haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De +jongeling was hierover in 't geheel niet tevreden en werd opeens veel +erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan +Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde +aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel +het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden +haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend +zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder +eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken. + +Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, +dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit +anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde +gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar. + +Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales +was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een +knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch +bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere +wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder +den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk +God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te +denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de +helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van +de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele +land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn +heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders +als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds +huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een +weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot +echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, +die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, +wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning +van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht +van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den +overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd +met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem +als verloren achtergelaten. + +Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend +Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij +ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, +kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen +geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij +zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets +uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm +en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot +had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer +en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij +wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette +geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor +hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben +gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette +als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn +vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden +staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als +arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet +Lamiens--zoo heette de echtgenoot van Jeannette--hem daar eens zag, +arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van zijn bedienden, +dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid +te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van +Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan +acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter +wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan +en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht +bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn +kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor +wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met +het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer +uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, +als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te +schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, +dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten +daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar +als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en +voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde. + +Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was +verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en +een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander +man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet +van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, +zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet +blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en +hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: +Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij +keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder +af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne +met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer +bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging +gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had +gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den +graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, +dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede +man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij +antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon +dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men +vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit +verzorgd had, met de kinderen te spelen. + +Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van +Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele +wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn zoon +gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten +wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw +een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen +de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel +van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den +anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging +en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef +als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door +raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende +den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij +haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, +vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer +heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde +zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was +gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar +zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen +alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, +dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en +zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit +leven verscheiden, begraven. + +Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na +eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het +gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te +doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf +van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond +zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor +hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de +koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen +te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht +dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar +Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde +aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, +zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: +Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit +een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat +blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de +koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van +Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf +de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak +aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn +voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende +wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en +blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar toch sloeg hij +geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende +woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, +viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging +vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, +hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen +hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, +wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar +hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had +de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, +hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om +hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en +Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen +voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest +beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning +brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem +die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen +bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na +den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide +hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is +en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit +hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat +hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben +aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, +op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat +de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting +voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig +gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en +wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de +hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen +had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van +Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat +uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van +een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn +vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook +mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de +koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij +ooit was geweest. Toen ging elk met 's konings verlof huiswaarts en +de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Bernabo van Genua wordt door Ambrogiuolo bedrogen, verliest + zijn geld en beveelt daarom zijn onschuldige vrouw te + laten dooden. Zij ontvlucht en in mansgewaad dient zij den + Sultan, vindt den bedrieger en laat haar man naar Alexandrië + komen, waar deze gestraft wordt. Zij doet daarop weer haar + vrouwenkleeren aan en keert met haar man, rijk geworden, + naar Genua terug._ + + +Nadat Elisa met haar aandoenlijke geschiedenis haar plicht had +vervuld, zeide koningin Philomena, die schoon en groot was van +gestalte en meer dan een andere een innemend en lachend gelaat had: +Men moet zich houden aan de overeenkomst aangegaan met Dioneo en daar +er geen anderen overblijven dan hij en ik om te verhalen, zal ik het +eerst mijn historie vertellen en hij, die dit als een gunst verkreeg, +zal als laatste spreken. Na die woorden begon zij aldus: + +Men pleegt onder het volk dikwijls het spreekwoord te gebruiken dat +de bedrieger de slaaf wordt van den bedrogene, waarvan men op geen +enkelen grond de waarheid zou kunnen aantoonen, indien de feiten +het niet bewezen. Om ons voornemen te volgen en omdat dit alles, +lieve donna's, waar is, gelijk men beweert, heb ik lust gekregen +het u aan te toonen. Het zal u niet onaangenaam zijn dit te hooren, +opdat gij u voor bedriegers kunt in acht nemen. + +Er waren in een herberg in Parijs eenige zeer groote Italiaansche +kooplieden, volgens hun gewoonte de een voor deze, de ander voor +gene zaak. Nadat zij op een avond onder elkaar allen gezellig hadden +gegeten, begonnen zij over verschillende dingen te spreken en van het +eene onderwerp op het andere komend, begonnen zij te praten over hun +vrouwen, die ze thuis hadden gelaten en schertsend begon er een te +zeggen: Ik weet niet, hoe de mijne doet, maar dit weet ik wel, dat, +wanneer een meisje mij in handen komt dat mij bevalt, ik de liefde +ter zijde laat, die ik voor mijn vrouw voel en hiervan profiteer +zooveel ik kan. De ander antwoordde: En ik handel zoo insgelijks, +want als ik geloof, dat mijn vrouw er haar plezier van neemt, dan doet +zij het, en als ik het niet geloof, doet ze het ook en dus doen we +wederkeerig hetzelfde, leer om leer. De derde kwam, het woord nemend, +tot dezelfde meening en om kort te gaan scheen het allen, dat ze het +hierover eens werden, dat zij door het achterlaten van hun vrouwen +hun tijd niet verloren. Slechts een, die den naam droeg van Bernabo +Leomellin van Genua, beweerde het tegendeel en hield vol, dat hij +door bijzondere genade van God een vrouw tot echtgenoote had, die +meer begaafd was met alle deugden dan in het algemeen een edelvrouw, +een ridder of een page, die er misschien in Italië zijn. Want zij +was schoon van vorm en nog zeer jong, handig en sterk en er was +niets van vrouwelijke bedrevenheid, als het borduren van zijden +handwerken en dergelijke dingen meer, wat zij niet beter deed dan wie +ook. Behalve dat, zeide hij, was er geen schildknaap of bediende, die +beter en vlugger aan de tafel van een heer diende en die hoffelijker, +wijzer en meer bescheiden was. Daarna prees hij haar nog meer, omdat +ze paard kon rijden, een valk dragen, lezen, schrijven en rekenen +alsof ze een koopman was en toen na vele loftuitingen kwam hij, die +daarover sprak, er toe plechtig te beweren, dat er geen eerbaarder +en kuischer vrouw was te vinden dan zij. Daarom geloofde hij zeker, +dat, indien hij tien jaar of zelfs altijd buitenshuis bleef, zij zich +nooit zou afgeven met een anderen man. Bij die kooplieden, die zoo +spraken was een jonge man, Ambrogiuolo genaamd van Piacenza, die met +de laatste loftuiting, welke Bernabo gegeven had aan zijn vrouw, den +grootsten spot der wereld begon te drijven en schertsend vroeg hij +of de keizer hem dit voorrecht boven alle andere mannen geschonken +had. Bernabo zeide een weinig onthutst, dat niet de keizer maar God, +die wat meer vermocht dan de keizer, hem die genade had verleend. Toen +zeide Ambrogiuolo: Bernabo, ik twijfel er niet aan, dat gij in deze +zaken gelooft de waarheid te zeggen, maar naar het mij schijnt, +hebt gij op hun aard weinig acht gegeven; want indien gij dit had +gedaan zou ik niet denken, dat gij in deze bekende dingen zoo dom +waart en gij hierover niet kalmer zoudt spreken. En omdat gij niet +gelooft, dat wij, die zeer vrij over onze vrouwen gesproken hebben, +ons verbeelden andere vrouwen te hebben of anders gemaakt dan de uwe, +maar dat wij aldus gesproken hebben gelijk wij meenen, wil ik met u +een weinig over die zaak praten. Ik heb altijd gehoord, dat de man +het edelste dier is onder de andere schepsels door God geschapen +en daarna de vrouw, maar de man gelijk men algemeen gelooft en ziet +door zijn werken is de volmaaktste en daar hij volmaakter is, heeft +hij zonder twijfel meer vastberadenheid en standvastigheid, daar de +vrouwen in het algemeen veel bewegelijker zijn en waarom, dat zou +men om vele natuurlijke redenen kunnen aantoonen, welke ik nu wil ter +zijde laten. Indien de man dus van grooter vastberadenheid is en zich +niet kan weerhouden, laat staan tegenover een, die het hem vraagt, +zelfs tegenover het ontberen van een vrouw, die hem bevalt en bij die +begeerte nog alles wil doen om zich met haar te verstaan en dit niet +eens in de maand maar duizend keer per dag, wat kunt gij dan hopen, +dat een veranderlijke vrouw doen kan tegen de beden, de listen, de +geschenken en de duizend andere middelen, die een slim man heeft, +welke haar bemint? Denkt gij, dat zij weerstand kan bieden? Zeker, +hoezeer gij het ook zoudt volhouden, ik zou niet gelooven, dat gij +het zelf denkt. En gij zegt, dat u echtgenoote een vrouw is en dat +zij van vleesch en been is als de anderen. Als dit zoo is, moeten +haar begeerten ook dezelfden zijn en haar krachten geen anderen om +die natuurlijke lusten te weerstaan. Daarom is het mogelijk, hoe +eerbaar zij ook mag wezen, dat zij als een andere handelt en geen +enkele mogelijkheid kan zoo sterk ontkend worden gelijk gij doet als +het tegengestelde bevestigd kan worden. Hierop antwoordde Bernabo: +Ik ben koopman en geen wijsgeer en zal dus als koopman antwoorden. Ik +zeg u, dat wat ik weet, kan gebeuren aan gekkinnen, die geen eergevoel +hebben, maar zij, die verstandig zijn waken zoo voor hun eer, dat +zij veel sterker daarin worden dan de mannen, die er zich niet om +bekommeren. En zoo is het met de mijne gesteld. Ambrogiuolo zeide: +Waarlijk, indien elken keer, dat zij zich tot zulke histories laten +overhalen hun een hoorn op het voorhoofd groeide, die getuigenis gaf +van wat zij hadden gedaan, dan zou ik gelooven, dat weinigen er toe +zouden overgaan, maar in plaats, dat er een hoorn groeit, blijft er bij +hen, die wijs zijn spoor noch indruk achter en de schande en de blaam +bestaan slechts bij bekend geworden zaken; daarom, als zij het kunnen, +doen zij het, of wel ze laten het uit domheid. En houdt dit voor zeker, +dat die alleen kuisch is, die nooit gevraagd is door iemand of zoo +zij het zelf vroeg, niet werd verhoord. En hoewel ik weet, dat dit om +natuurlijke en ware redenen zoo moet zijn, zou ik er niet van spreken +zoo overtuigd als ik het doe, indien ik niet herhaalde malen en met +vele gevallen het bewijs had gehad. Ik zeg u dit namelijk, dat ik, +indien ik bij uw heilige donna was, ik geloof haar in korten tijd over +te halen tot wat ik bij anderen gedaan heb gekregen. Bernabo antwoordde +verlegen: Ons twistgesprek zou met woorden te lang kunnen duren; gij +zoudt dit zeggen en ik dat en eindelijk zou er niets uit volgen. Maar +omdat gij zegt, dat allen zoo buigzaam zijn en gij zoo zijt aangelegd, +ben ik bereid, opdat gij u van de eerbaarheid van mijn donna verzekert, +mij het hoofd te laten afslaan, indien gij haar ooit kunt voeren tot +wat u behaagt. Indien gij het niet kunt, wil ik, dat gij mij minstens +duizend goudguldens betaalt. Ambrogiuolo, al door dit gesprek verhit, +zeide: Bernabo, ik weet niet, wat ik met uw bloed zou doen, indien ik +zou overwinnen, maar indien gij er lust in hebt het bewijs te zien van +wat ik al gezegd heb, zet gij er dan vijfduizend goudguldens tegen, +die u minder dierbaar moeten zijn dan uw hoofd. En daar gij nog geen +enkelen termijn hebt vastgesteld, wil ik mij verplichten naar Genua te +gaan en binnen drie maanden van af den dag, dat ik van hier vertrek, +zal ik uw vrouw naar mijn wil hebben geleid en tot bewijs er van een +van haar dierbaarste zaken met mij terug brengen om u zoodanige en zoo +groote bewijzen te geven, dat gij zelf zult bekennen, dat het waar +is, op voorwaarde, dat gij mij belooft op uw woord niet binnen dien +bepaalden termijn naar Genua te gaan, noch haar iets over die zaak +te schrijven. Bernabo zeide, dat het hem zeer aanstond en hoewel de +andere kooplieden, die tegenwoordig waren, hun best deden hem hiervan +af te brengen, wetend dat er groot kwaad uit kon geboren worden, +waren toch de geesten der twee kooplieden er zoo door verhit, dat +ondanks den wil van de anderen door mooie contracten zij tegenover +elkaar wat dat betreft verplichtingen aangingen. + +Toen die geteekend waren, bleef Bernabo achter en Ambrogiuolo kwam +zoo gauw mogelijk te Genua. Na er eenige dagen gebleven te zijn en met +veel voorzorg zich te hebben op de hoogte gesteld van de straatnaam, +waaronder de donna woonde en van haar manier van leven, had hij er +weer van gehoord, wat hij al van Bernabo vernomen had. Daarom scheen +het hem, dat hij een dollen streek had gedaan. Maar toch na een arme +vrouw te hebben gesproken, die veel in haar huis kwam en aan wien de +donna welgezind was kocht hij, daar hij geen ander middel wist, haar +met geld om en liet zich door haar in een opzettelijk gemaakte kist +er heen dragen, en niet alleen in huis, maar zelfs in de kamer der +donna en daar, alsof de goede vrouw wilde weggaan voor eenige dagen, +verzocht zij volgens de les, die Ambrogiuolo haar had gegeven, dat men +de kist er gedurende eenige dagen bewaarde. Toen de kist daar bleef +en de nacht inviel, maakte Ambrogiuolo op het uur, dat hij dacht, +dat de dame sliep, de kist open, en kwam stil in de kamer, waar een +licht brandde. Hij begon de ligging van de kamer te onderzoeken, +de schilderijen en alle andere merkwaardige zaken, die er in waren, +om ze in het geheugen te prenten. Daarop naderde hij het bed en zag, +dat de donna en een klein kind bij haar vast sliepen. Hij deed haar +geheel naakt liggen en zag, dat zij even schoon was als gekleed, maar +dat hij geen enkel teeken kon medenemen behalve een, dat zij op de +linkerborst had en dat bestond uit een kleine uitwas, waarom eenige +goudblonde haren groeiden. Dit ziende, dekte hij haar weer stil toe, +hoewel hij, terwijl hij haar zoo schoon zag, begeerde zijn leven te +wagen om bij haar te liggen. Maar daar hij gehoord had, dat zij zoo +onverzettelijk was in die dingen, durfde hij het niet. Hij bleef het +grootste deel van den nacht op zijn gemak in de kamer, trok een beurs +en een vest zonder mouwen uit een van haar koffers, een ring en een +gordel en deed alles in zijn kist. Hij ging er ook in en sloot die als +te voren en zoo bracht hij twee nachten door zonder dat de donna er +iets van merkte. Op den derden dag volgens het afgesproken plan kwam +de goede vrouw haar kist halen en bracht die terug, vanwaar ze haar +gehaald had. Ambrogiuolo kwam er uit en nadat hij de vrouw volgens +de gedane belofte had tevredengesteld, keerde hij zoo gauw hij kon, +vóór den bepaalden termijn met die zaken naar Parijs terug. + +Toen hij daar de kooplieden had bijeen geroepen, die tegenwoordig +waren geweest bij het gesprek en het doen van de weddenschap, zeide +hij in tegenwoordigheid van Bernabo, dat hij de weddenschap tusschen +hen aangegaan, had gewonnen, omdat hij volvoerd had, waar hij zich +op had beroemd. En om te bewijzen, dat dit waar was, beschreef hij +eerst den vorm van de kamer en de schilderijen, toonde daarna de +voorwerpen, die hij mee had gebracht en beweerde die van haar te +hebben gekregen. Bernabo gaf toe, dat de kamer was zooals hij die +beschreef en bovendien erkende hij ook, dat die voorwerpen aan zijn +donna hadden behoord. Maar hij beweerde, dat hij van een der bedienden +des huizes het voorkomen van de kamer kon weten en op gelijke wijze +die voorwerpen kon hebben gekregen. Daarom, indien hij daartegen niets +had in te brengen, scheen dit hem niet voldoende om zich overwonnen +te verklaren. Daarom zeide Ambrogiuolo: Dit moet wel degelijk +voldoende zijn, maar, daar gij wilt, dat ik nog meer zeg, zal ik dan +ook meer zeggen. Ik weet, dat mevrouw Ginevra onder de linkerborst +een tamelijk groote vlek heeft met misschien zes goudblonde haren +er om heen. Toen Bernabo dit hoorde, leek het hem of hij een smart +voelde als van een messteek in het hart, en daar hij geheel van kleur +veranderde, hoewel hij geen woord had gesproken, gaf hij duidelijk +genoeg blijk, dat het waar was, wat Ambrogiuolo vertelde en zeide: +Heeren, wat Ambrogiuolo zegt, is waar, en omdat hij gewonnen heeft, +mag hij om het geld komen, wanneer hij wil. Aldus werd Ambrogiuolo +den volgenden dag volkomen bevredigd. Bernabo, van Parijs vertrokken, +ging met zeer verbitterden geest naar de donna te Genua. Toen hij het +naderde, wilde hij er niet binnen gaan maar bleef er wel twintig mijlen +vandaan op een van zijn landgoederen en hij zond een knecht, waarin +hij veel vertrouwen stelde, met twee paarden en met zijn brieven naar +Genua, schreef aan de donna, dat hij was teruggekeerd en dat zij met +den bediende tot hem zou komen. Hij gaf bovendien in het geheim aan +den knecht last, dat die op een plaats, waar deze het het geschikst +achtte zonder genade de donna moest vermoorden en dat hij dan naar +hem moest terugkeeren. Toen de knecht te Genua aankwam en de brieven +waren overhandigd en de boodschap was overgebracht, werd hij door de +vrouw met groote vreugde ontvangen, welke den volgenden morgen met den +knecht te paard steeg en den weg naar zijn landgoed insloeg. Terwijl +zij samen voortreden en over allerlei dingen spraken, kwamen zij in een +zeer diepe en eenzame vallei, afgesloten door hooge rotsen en boomen, +die aan den knecht de plaats leek om veilig het bevel van zijn meester +te volvoeren. Hij trok het mes, nam de donna bij den arm en zeide: +Mevrouw, beveel uw ziel eerst aan God, daar gij zonder verder voort te +reizen moet sterven. De donna zag het mes, hoorde de woorden en zeide +geheel ontsteld: Bij God genade! Voor gij mij doodt, zeg mij, waarmee +ik u kwaad heb gedaan, dat gij mij moet dooden? Mevrouw, zei de knecht, +gij hebt mij met niets kwaad gedaan en waarmee ge het uw echtgenoot +deed, weet ik niet, alleen dat hij mij beval zonder medelijden met +u te hebben, u op dezen weg te dooden en als ik het niet zou doen, +dreigde hij mij te laten ophangen. Gij weet wel, hoe ik gebonden ben +en hoe ik, wat hij mij gelast, niet kan weigeren. God weet, hoe ik met +u begaan ben, maar ik kan niet anders. Daarop hernam de donna weenend: +In Gods naam wordt niet om anderen te dienen de moordenaar van iemand, +die u nooit iets kwaads toevoegde. Aan God, die alles weet, is bekend, +dat ik nooit iets deed waardoor ik van mijn man zulk een loon moest +ontvangen. Maar laat ons dit nu ter zijde stellen: gij kunt wanneer +gij wilt, tegelijkertijd aan God, aan mijn man en aan mij een dienst +doen, doordat gij mijn kleederen aantrekt en gij mij alleen uw wambuis +en een overrok geeft. Keer hiermee naar mijn en uw heer terug en zeg +hem, dat gij mij hebt gedood en ik zweer u bij het leven, dat ik u +schuldig ben, dat ik mij zal verwijderen en dat noch hij, noch gij, +noch iemand in deze streken iets van mij zal hooren. De knecht, +die haar ongaarne doodde, kreeg spoedig medelijden. Hij nam haar +kleeren en na haar zijn wambuis en overrok te hebben gegeven en haar +het weinige geld achter gelaten te hebben, dat zij bij zich had, +verzocht hij haar, dat zij uit die streek wegging, liet haar in de +vallei met een paard alleen en begaf zich naar haar heer, tot wien +hij zeide, dat zijn bevel niet slechts was volvoerd, maar dat haar +lichaam door de wolven was verslonden. + +Bernabo ging na eenigen tijd naar Genua terug, waar hij, toen het +feit bekend werd, zeer werd geminacht. De donna, alleen en troosteloos +achter gelaten, ging, zoodra de nacht gekomen was en zoo goed mogelijk +vermomd, naar een dorp daar in de buurt en hier kocht zij van een oude +vrouw al wat ze noodig had, bracht het wambuis naar haar lichaamsmaat +in orde door het te verkorten en maakte zich uit haar overrok een +paar broeken. Zij knipte zich de haren en geheel vervormd in de +gedaante van een zeeman ging zij naar de zeekant. Daar vond zij bij +toeval een Catalonisch edelman, segnor Encararch genaamd, die van +zijn schip, dat niet ver vandaar lag, te Alba was afgestapt om zich +aan een fontein te verfrisschen. Zij trad met hem in onderhandeling, +bood zich hem als dienaar aan, ging er scheep en liet zich Sicurano +van Finale noemen. Hier trok hij betere kleeding aan in de liverei van +den edelman en begon dien zoo goed en met zooveel toewijding te dienen, +dat hij zeer in zijn gunst kwam. Niet lang daarna voer die Catalonieër +met een lading naar Alexandrië, bracht eenige pelgrimsvalken aan den +Sultan en bood hem die aan. De Sultan onthaalde hem een paar maal +en nadat hij de manieren van Sicurano gezien had, die hem steeds +bediende en welke hem behaagden, vroeg hij dien van den Catalonieër +over te nemen. Hoewel het dien verdroot, stond hij hem dezen toch af. + +Sicurano verwierf in korten tijd niet minder de genade en de liefde +van den Sultan door zijn goede wijze van werken als hij het bij +den Cataloniër had gedaan. Na verloop van tijd gebeurde het, dat +er op zekeren datum van het jaar, bij wijze van kermis, een groote +verzameling moest bijeenkomen van kooplieden zoowel Christenen +als Mahomedanen te Acre, dat onder de heerschappij van den Sultan +stond. Opdat de kooplieden er veilig waren, was de Sultan gewoon er +behalve andere beambten, een van zijn grootwaardigheids-bekleeders heen +te zenden met lieden, die als wacht dienst deden. Toen dat tijdstip +naderde, had hij plan om er Sicurano heen te sturen, die uitstekend +de taal kende en zoo deed hij. Toen Sicurano in Acre kwam als heer en +kapitein van de garde der kooplieden en van den handel en daar goed +en ijverig deed, wat tot den dienst behoorde en allen om zich heen +beschouwde, zag hij er veel Siciliaansche, Pisaansche, Genueesche, +Venetiaansche en andere Italiaansche kooplieden en onderhield zich +met hen gaarne tot herinnering aan zijn land. Toen hij eens onder +andere keeren was gekomen in een winkel van Venetiaansche kooplieden, +zag hij onder meer kostbaarheden een beurs en een gordel, welke hij +wel als de zijnen herkende en was daarover verwonderd, maar zonder +een ander gezicht te trekken, vroeg hij vriendelijk van wie ze waren +en of ze hem die wilden verkoopen. Nu was Ambrogiuolo van Piacenza +hierheen gekomen met veel koopwaar op een Venetiaansch schip, +dat hem behoorde. Hij vernam, dat de kapitein van de garde vroeg +van wie ze waren, kwam naar voren en zei lachend: Heer, het zijn +voorwerpen van mij en ik verkoop ze niet, maar als zij u bevallen, +zal ik ze u gaarne schenken. Sicurano, die hem zag lachen, vermoedde, +dat de koopman door een of ander gebaar hem had herkend, maar toch +hield hij zich goed en zeide: Gij lacht misschien, omdat gij mij als +krijgsman ziet vragen naar zulke vrouwenzaken. Ambrogiuolo zeide: +Neen, daar lach ik niet om, maar ik lach om de manier, waarop ik ze +verkreeg. Sicurano antwoordde hem: Kijk, als God U goed geluk geeft, +en dit geen geheim is, zeg mij dan, hoe gij ze hebt gekregen. Neen, +hernam Ambrogiuolo, dezen werden mij met iets anders geschonken door +een edelvrouw van Genua, mevrouw Ginevra genaamd, echtgenoote van +Bernabo Leomellin, een nacht, dat ik met haar sliep en zij mij vroeg, +of ik ze van haar liefde wilde behouden. Nu lach ik, omdat ik mij de +dwaasheid van Bernabo herinner, die gek genoeg was om vijfduizend +goudguldens tegen duizend te verwedden, dat ik zijn vrouw niet zou +kunnen verleiden naar mijn wil, wat ik deed, zoodat ik de weddenschap +won. Hij, om haar zoo gauw mogelijk te straffen voor het misdrijf, +dat alle vrouwen begaan, keerde van Parijs naar Genua terug, en liet +haar, naar wat ik sinds gehoord heb, dooden. Toen Sicurano dit hoorde, +begreep hij snel wat de reden was van den toorn van Bernabo jegens hem +en begreep volkomen, dat dit de oorzaak was van zijn lijden en hij +besloot in stilte ze hem niet ongestraft te laten houden. Sicurano +deed dus of de geschiedenis hem zeer ter harte ging en verbond zich +listig met hem tot een nauwe vriendschap, zoo, dat toen de jaarmarkt +afgeloopen was, Ambrogiuolo door zijn aanmoediging met hem en met +al wat hij had, zich naar Alexandrië begaf, waar Sicurano voor +hem een winkel liet inrichten en hem daarvoor geld genoeg ter hand +stelde. Deze ziende, dat er groot voordeel voor hem was te behalen, +bleef er gaarne. Sicurano begeerig zijn onschuld te bewijzen aan +Bernabo, rustte niet, eer hij door middel van eenige groote Genueesche +kooplieden, die in Alexandrië waren, nieuwe listen vond om hem te +doen overkomen. Bernabo kwam in armzalige omstandigheden aan en hij +werd heimelijk door een van Sicurano's vrienden ontvangen, tot het +hem tijd scheen zijn plan uit te voeren. + +Reeds had Sicurano de historie door Ambrogiuolo aan den Sultan doen +vertellen, die er behagen in schepte. Maar toen hij Bernabo daar zag, +dacht hij, dat uitstel niet goed was, koos het geschikte oogenblik, +en verzocht den Sultan, dat die Ambrogiuolo en Bernabo voor zich +deed verschijnen. Hij zou in tegenwoordigheid van Bernabo, indien +het niet met zachtheid bij Ambrogiuolo kon gebeuren, met gestrengheid +aan den dag brengen, hoe de zaak naar waarheid geschied was, waarop +hij zich betreffende de vrouw van Bernabo beroemde. De Sultan beval, +toen Ambrogiuolo en Bernabo verschenen waren in tegenwoordigheid +van velen, met strengen blik, dat de eerste naar waarheid vertelde, +hoe hij van Bernabo vijfduizend goudguldens had gewonnen. En hier +was Sicurano bij, in welken Ambrogiuolo meer vertrouwen had en die +met een nog boosaardiger gelaat hem met de vreeselijkste folteringen +bedreigde, als hij het niet bekende. Ambrogiuolo dubbel verschrikt +en zeer gedwongen verklaarde, daar hij geen andere straf er voor +verwachtte dan de teruggaaf van de vijfduizend goudguldens en van +de voorwerpen, in tegenwoordigheid van Bernabo en van vele anderen, +duidelijk hoe het feit was gebeurd en verhaalde alles. Toen Ambrogiuolo +gesproken had, zeide Sicurano als uitvoerder van des Sultans bevelen +tot Bernabo gekeerd: En wat deedt gij uw vrouw naar aanleiding van dat +bedrog? Hierop antwoordde Bernabo: Ik, overmand door den toorn over +het verlies van mijn geld en over de blaam en de schande, die ik om +mijn vrouw op mij scheen te hebben geworpen, deed haar door een van +mijn knechts dooden en naar wat die mededeelde, is zij spoedig door +de wolven verslonden. + +Toen dat alles in tegenwoordigheid van den Sultan gezegd was en door +hem gehoord en begrepen, zonder dat hij nog inzag, wat Sicurano, +die zelf de vragen gesteld had, er mee voorhad, zeide deze: Heer, +gij kunt wel begrijpen, hoezeer die goede dame zich kan beroemen op +haar minnaar en haar echtgenoot, want de minnaar ontrooft haar de eer +en tegelijk vernietigt hij haar goede naam met bedrog en maakt haar +echtgenoot ongelukkig en de echtgenoot eerder geloovend aan de leugens +van anderen dan aan de waarheid, die een langdurige ervaring hem had +doen kennen, laat haar dooden en verslinden door de wolven. En behalve +dit gaat de liefde zoowel van den minnaar als van den echtgenoot voor +haar zoover, dat, terwijl beide lang met haar leven, geen van beide +haar leert kennen. Maar opdat gij volkomen zult inzien, wat elk van +hen heeft verdiend, waar gij mij de bijzondere gunst wilt toestaan +den bedrieger te straffen en den bedrogene te vergeven, zal ik haar +hier zoowel in Uw tegenwoordigheid als in de hunne doen verschijnen. + +De Sultan geneigd om in deze zaak in alles Sicurano ter wille te +zijn, zeide, dat hij het goed vond en dat hij de donna zou doen +komen. Bernabo verwonderde zich hierover zeer, daar hij vast geloofde, +dat zij dood was en Ambrogiuolo, die zijn ongeluk al vermoedde, had +nu vrees voor erger dan alleen zijn geld terug te betalen en wist +niet of hij meer te hopen dan te vreezen had, omdat de donna daar +kwam en verwachtte met groote verwondering haar komst. + +Toen de Sultan aan Sicurano dit had toegestaan, wierp die zich weenend +aan de voeten van den vorst, liet tegelijk haar mannenstem varen en +haar mannelijk voorkomen en zeide: Heer, ik ben de ongelukkige Ginevra; +ik heb zes jaar in mansvermomming door de wereld gezworven door dien +verrader van een Ambrogiuolo valsch en oneerlijk beschuldigd en door +dezen wreeden en onrechtvaardigen man aan een knecht overgeleverd om +te worden gedood en om verslonden te worden door de wolven. Zij rukte +haar kleeren vaneen en toonde door haar boezem een vrouw te wezen +en maakte dit aan den Sultan en ieder ander duidelijk en zich toen +tot Ambrogiuolo wendend vroeg zij hem honend of hij ooit, gelijk hij +blufte, met haar had geslapen. Deze herkende haar reeds en als door +schaamte verstomd, zeide hij niets. De Sultan, die haar altijd voor +een man had gehouden was, toen hij dit zag en hoorde, zoo verwonderd, +dat, hoe meer hij er van vernam, hij des te meer geloofde, dat het +eer een droom was dan werkelijkheid. + +Maar toch, toen de verbazing ophield en hij de waarheid kende, +prees hij met den grootsten lof het leven, de standvastigheid, het +gedrag en de deugdzaamheid van Ginevra, die tot nu toe Sicurano was +genoemd. Hij liet eerbare vrouwenkleederen voor haar komen en vrouwen, +die haar gezelschap zouden houden op haar verzoek en schold Bernabo de +verdiende doodstraf kwijt. Toen deze haar herkend had wierp hij zich +schreiend aan haar voeten, en vroeg vergiffenis, die zij, hoe weinig +hij het ook waard was, hem welwillend schonk, hief hem op en omhelsde +hem innig als echtgenoot. Daarna beval de Sultan, dat Ambrogiuolo op +een of andere plaats van de stad aan een paal zou worden gebonden en +met honig zou worden ingewreven en er niet van zou worden losgemaakt, +eer hij er van zelf afviel. Dit geschiedde. Daarna gaf hij last, dat, +wat aan Ambrogiuolo behoord had, aan de donna zou worden gegeven, +wat niet zoo weinig was, want het was een geldswaarde van meer dan +tienduizend pistolen. Daarna gaf hij een prachtig feest, waarbij +hij Bernabo als echtgenoot van mevrouw Ginevra en mevrouw Ginevra +als zeer waardige vrouw eerde en schonk ze aan juweelen en gouden +en zilveren vaatwerk en geld nogmaals voor een waarde van meer dan +tienduizend pistolen. Na hem een schip te hebben geleend, gaf hij +hun na het feest verlof, wanneer het hun aanstond, naar Genua terug +te keeren, waar zij zeer rijk en met groote vreugde aankwamen en met +groote eer werden ontvangen vooral mevrouw Ginevra, die door allen +dood gewaand werd en die steeds bekend was geweest om haar groote +eerbaarheid en hare vele deugden. Ambrogiuolo werd denzelfden dag +aan den paal gebonden en met honing ingewreven en tot vreeselijke +straf door muggen, wespen en horzels, waarvan dit land vol is, niet +alleen gedood maar eindelijk tot op het gebeente verslonden. Zijn +gebleekte beenderen, nog slechts samenhangend door pezen, gaven nog +lang, zonder te worden weggenomen, aan iedereen getuigenis van zijn +boosheid. Zoo bleef de bedrieger de slaaf van den bedrogene. + + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Paganino van Monaco rooft de vrouw van signor Ricciardo van + Chinzica. Deze, wetend, waar zij zich bevindt, reist weg, + wordt de vriend van Paganino en eischt haar weer op. Hij + staat haar, als zij het wenscht, aan hem af, maar zij wil + niet met hem terugkeeren en als de heer Ricciardo sterft, + wordt zij de echtgenoote van Paganino_. + + +Ieder in het eerzaam gezelschap vond de geschiedenis door hun koningin +verhaald schoon, en vooral Dioneo, die alleen nog dien dag moest +vertellen. Hij zeide, nadat er vele loftuitingen waren uitgesproken: +Schoone donna's. Een deel der geschiedenis van de koningin heeft mij +van besluit doen veranderen om in plaats van de geschiedenis, die ik in +het hoofd had, U een andere te vertellen, dan die over de stompheid van +Bernabo,--wat voor goeds er ook voor hem uit voortkwam--en van allen, +die zich wijs maken, wat zij voor anderen veinzen te gelooven namelijk, +dat, terwijl ze de wereld doortrekken en zich verheugen zoowel met +deze als gene vrouw, op dit uur met die en op dat uur met een andere, +zij zich verbeelden, dat de thuis gebleven echtgenooten de handen +aan den gordel houden, alsof wij niet weten, die met hen geboren en +getogen zijn, wat die begeeren. Wanneer ik U die historie vertel, +zal ik U meteen bewijzen hoedanig de dwaasheid is van degenen, die zoo +denken en hoe die nog grooter is van hen, die zich machtiger geloovend +dan de Natuur, meenen door fabelachtige proefnemingen te vermogen wat +dezen niet kunnen en zich inspannen daartoe aan anderen hun aard te +ontnemen, terwijl het karakter van dezen er niet naar is aangelegd. + +Er leefde dan eens te Pisa een rechter, meer geestelijk dan lichamelijk +begaafd, die messire Ricciardo di Chinzica heette [39], welke geloofde +met dezelfde middelen de vrouwen te kunnen voldoen, die hij gebruikte +voor zijn studie en die als zeer rijk man, daarom niet minder zich +beijverde een schoone en jonge vrouw tot echtgenoote te verkrijgen, +hoewel hij het een als het ander had moeten vermijden, indien hij +zich zelf raad had kunnen geven gelijk hij het anderen deed. De heer +Lotto Gualandi [40] gaf hem een zijner dochters tot vrouw, Bartolomea +genaamd, een der mooiste en begeerenswaardigste meisjes van Pisa, +waar er maar heel weinig leven, die niet slimmer als de geschakeerde +hagedissen zijn. Toen de rechter haar met zeer groote vreugde naar zijn +woning had geleid en een schoone en schitterende bruiloft had gevierd, +waagde hij het toch maar een keer gedurende den eersten nacht haar +geheel te bezitten om het huwelijksteest te besluiten en het scheelde +maar weinig of hij had de partij niet kunnen uitspelen. Daarom als +een mager, droog en zwak man moest hij den volgenden morgen goeden +wijn, versterkend voedsel en andere middelen gebruiken om in het +leven terug te keeren. Nu begon die mijnheer de rechter, beter kenner +van zijn krachten dan te voren, aan haar een kalender te verklaren +goed voor kinderen om te leeren lezen en die misschien eertijds +te Ravenna [41] was gemaakt, zoodat, naar wat hij haar aantoonde, +er geen dag was, die niet één of zelfs méér dan een feestdag was, +ter eere van welke hij aantoonde, dat man en vrouw zich moesten +onthouden om verschillende redenen van echtelijke verbindingen, +waarbij nog kwamen de vasten, de quatertempers, en de vigiliën der +apostelen en van duizend andere heiligen, en dan zoowel de Vrijdag +als de Zaterdag en de Zondag, de geheele vasten, zekere maanstanden +en nog vele andere uitzonderingen. Hij dacht misschien, dat hij met de +vrouwen kon doen wat hij dikwijls deed bij het bepleiten van een zaak. + +Hij hield zich lang aan die gewoonte (niet zonder groote droefheid van +de donna, van wie hij ternauwernood eens in de maand genoot), terwijl +hij wel oppaste, dat een ander haar de werkdagen niet leerde gelijk +hij haar de rustdagen had onderwezen. Toen het eens zeer warm was, +kreeg messire Ricciardo lust om zich te gaan verpoozen op een mooie +villa van hem, dicht bij Monte Nero, en daar eenigen tijd te blijven +om met zijn schoone donna de buitenlucht te genieten. Terwijl hij daar +verblijf hield, wilde hij, om haar eenig genoegen te verschaffen, +haar eens laten visschen en in twee booten, waarvan hij in een was +met de visschers en zij in een andere met andere donna's, gingen +zij toekijken. Het genoegen sleepte ze voort, zoodat ze zonder het +te merken, verscheidene mijlen ver in zee dreven. Ze bleven daar +aandachtiger toezien, tot opeens een galei opdaagde van Paganino Da +Mare [42], een beroemd zeeroover uit dien tijd, welke, toen deze de +booten had bespeurd, zich daarheen richtte. Dezen konden zoo spoedig +niet vluchten als Paganino die bereikte, waarin de vrouwen waren. Toen +hij daarin de schoone donna zag, begeerde hij niets anders meer en +bracht haar op zijn schip over onder de oogen van messire Ricciardo, +die al op het land was en ging weer heen. + +Messire de rechter, die jaloersch was en bang als een haas, was--wat +men niet behoeft te vragen--treurig. Zonder gevolg beklaagde hij +zich zoowel te Pisa als elders over de boosheid der zeeroovers. En +hij wist niet, wie hem zijn vrouw had ontroofd of waar zij heen was +gevoerd. Paganino vond haar zeer mooi; zij stond hem aan en daar hij +geen vrouw had, wilde hij die altijd bij zich houden en zij, die eerst +zeer schreide, begon zoetjes aan te bedaren. Toen de nacht aanbrak, +viel de kalender uit haar gordel; al de feest- en rustdagen gingen +haar uit het geheugen en hij begon haar met daden te troosten, omdat +woorden hem dien dag weinig schenen te hebben geholpen. En hij verdreef +haar smart zoo, dat zij, zoodra zij te Monaco waren aangekomen, den +rechter en zijn wetten vergat en zij op de aangenaamste manier ter +wereld met Paganino leefde. Nadat deze haar naar Monaco gebracht had, +leefde hij, behalve dat hij haar dag en nacht troostte, met haar eervol +als zijn echtgenoote. Toen het op zekeren dag messire Ricciardo ter +ooren gekomen was, waar zijn vrouw zich bevond, overlegde, dat hij +nooit beter doen kon dan naar haar toe gaan en met brandend verlangen +besloot hij daartoe over te gaan, bereid elke som gelds te geven om +haar terug te krijgen. Hij ging scheep, begaf zich naar Monaco en zag +daar haar en zij ook hem. Zij vertelde het 's avonds aan Paganino en +onderrichtte dien van zijn plan. Den volgenden morgen zag messire +Ricciardo Paganino, sprak hem aan en toonde hem in korten tijd een +groote welwillendheid en vriendschap, terwijl Paganino veinsde hem +niet te kennen en afwachtte, wat hij zou willen doen. Toen het messire +Ricciardo den tijd scheen naar zijn beste weten en het meest geschikt, +bekende hij hem de reden, waarom hij was gekomen en verzocht hem, +dat hij zou eischen wat hem beviel, maar dat hij de donna terug +gaf. Hierop antwoordde Paganino met een leuk gezicht: Messire, gij +zijt welkom en om U in het kort te antwoorden, zal ik U dit zeggen: +het is waar, dat ik een jonge vrouw in huis heb, waarvan ik niet weet +of ze van U of van een ander is, omdat ik noch U ken noch haar dan voor +zoover zij korten tijd bij mij heeft gewoond. Indien gij haar man zijt, +gelijk gij zegt, zal ik, omdat gij mij een beminnelijk edelman schijnt, +U bij haar brengen en ik ben er zeker van, dat zij, indien zij U goed +kent en hetgeen gij zegt, waar is, met U wil meegaan, terwille van +Uw beminnelijkheid, en dat gij mij als schadevergoeding wilt geven, +wat gij zelf wilt. Mocht het niet zoo zijn, dan zoudt gij mij een +schurkenstreek leveren door haar mij te ontnemen, daar ik een jonge +man ben, die als ieder ander een vrouw kan bezitten en vooral deze, +die de liefste is, welke ik ooit heb gezien. Daarop hernam messire +Ricciardo: Zij is wel degelijk mijn vrouw en als gij mij brengt, waar +zij is, zult gij het zien; zij zal mij dadelijk om den hals vallen +en daarom vraag ik niet anders dan dat dit gebeurt, gelijk gij het +zelf hebt voorgesteld. Laat ons dan gaan, zeide Paganino. Zij gingen +dus naar het huis van Paganino en wachtend in een zijner zalen, liet +Paganino haar roepen en zij gekleed en getooid kwam uit haar kamer +en ging daarheen, waar messire Ricciardo met Paganino zich bevond, +maar sprak dien niet anders toe dan zij een anderen vreemde zou hebben +gedaan, die in Paganino's huis zou zijn gekomen. Toen de rechter dit +zag, die verwacht had, dat hij door haar met de grootste vreugde zou +zijn ontvangen, verwonderde hij zich zeer en begon tot zich zelf te +zeggen: Misschien hebben de neerslachtigheid en de langdurige smart, +die ik heb doorstaan sinds ik haar verloor, mij zoo verouderd, dat zij +mij niet herkent. Daarom zeide hij: Vrouw, het heeft mij duur gekost U +ter vischvangst te hebben geleid, omdat ik nooit een smart heb gevoeld +gelijk aan die ik heb verduurd, sinds ik U verloor en het schijnt, +dat gij mij niet herkent, zoo koel ontvangt gij mij. Ziet gij niet, +dat ik uw messire Ricciardo ben, hier gekomen om te betalen, wat deze +edele heer wil en in wiens huis wij zijn, om U terug te hebben en U van +hier te voeren; hij wil zoo goed wel zijn, omdat ik het wil, U aan mij +terug te geven! De dame keerde zich tot hem en zeide met een lichte +glimlach: Messire, spreekt U tot mij! Pas op, dat gij mij niet voor +een ander houdt, daar ik, wat mij betreft, mij niet herinner U ooit +te hebben gezien. Messire Ricciardo antwoordde: Let op wat gij zegt; +zie mij goed aan, indien gij 't U wel zult willen herinneren, zult +gij wel zien, dat ik Uw Ricciardo van Chinzica ben. De donna zeide: +Mijnheer, gij zult mij vergeven, misschien omdat het niet eerbaar +voor mij is, gelijk gij denkt, om U lang aan te zien, maar ik heb U +niettemin zoo goed beschouwd, dat ik wel weet U nooit te hebben gezien. + +Messire Ricciardo verbeeldde zich, dat zij zoo deed uit vrees voor +Paganino om niet in diens tegenwoordigheid te bekennen, dat zij hem +kende, daarom vroeg hij na eenige oogenblikken als gunst van Paganino, +dat hij haar alleen een oogenblik in de kamer mocht spreken. Paganino +zeide, dat het hem beviel, op voorwaarde, dat hij haar niet tegen +haar wil zou kussen en hij beval aan de donna, dat zij met hem in een +kamer zou gaan aanhooren, wat hij haar wilde zeggen en antwoorden, +wat zij verkoos. De donna en messire Ricciardo gingen dus alleen in +een kamer en toen zij gezeten waren, zeide Ricciardo: Kijk, hart van +mijn lichaam, mijn zoete ziel, mijn hoop, herkent gij uw Ricciardo +niet, die u meer bemint dan zichzelf? Hoe kan dat zoo zijn? Ben ik +zoo veranderd? Kijk, mijn mooi-oogje, beschouw mij nog een weinig. De +donna begon te lachen en zonder hem te laten uitspreken, zeide zij: +Gij weet wel, dat ik niet zoo kort van geheugen ben. Ik weet wel, dat +gij messire Ricciardo van Chinzica zijt, mijn echtgenoot, maar gij, +terwijl ik met u was, hebt getoond mij al zeer slecht te kennen, want +als gij wijs waart geweest of zijt, waarvoor gij wilt gehouden worden, +hadt gij wel zooveel besef gehad, dat gij hadt moeten begrijpen, +dat ik jong en frisch en ondeugend was en bijgevolg moeten weten, +wat voor jonge vrouwen behalve gekleed worden en eten, al schamen zij +zich het te zeggen, vereischt wordt; hoe gij dat deed, weet gij. En +als de studie der wetten u liever is dan de vrouw, hadt gij haar niet +moeten nemen, hoewel het aan mij nooit scheen, dat gij een rechter +waart, maar veeleer een stadsomroeper van heilige dagen en feesten, +zoo goed kende gij die evenals de vastendagen en de vigiliëen. En +ik zeg u, dat, indien gij zooveel feestdagen hadt laten vieren door +de boeren, die uw velden bearbeiden, als gij aan hem hebt laten doen, +die mijn klein veld had te bewerken, gij geen korrel graan zoudt hebben +geoogst. Ik heb hem getroffen, welken God, die welwillend mijn jeugd +behoedde, heeft uitgekozen en met wien ik deze kamer bewoon, waarin +geen sprake is van zulke feestdagen (ik meen van zulke feesten als +gij, meer devoot voor God dan voor vrouwenvereering, zoo dikwijls hebt +gevierd,) en nooit komt door dezen uitgang de Zaterdag of de Vrijdag +of de vigiliëen of de quatertempers of de vastentijd, die zoo lang is, +maar dag en nacht wordt hier gewerkt en het linnen geslagen en van af, +dat dien nacht de vroegmetten klonken, weet ik wel, hoe het bovendien +van af den eersten keer gaat. En daarom wil ik bij hem blijven en +werken zoolang ik jong ben. En de feesten, de boetedagen en de vasten +zullen wij dienen, wanneer ik oud zal zijn. En maakt jij op goed geluk, +zoo gauw je kunt, dat je weg komt en doe zonder mij, wat je bevalt. + +Toen messire Ricciardo die woorden hoorde, ondervond hij een onduldbare +smart en zeide, toen hij haar zag zwijgen: Kijk, mijn zoete ziel, +wat spreekt gij daar voor taal! Let gij dan niet op de eer van uw +ouders en de uwe? Wilt gij liever hier blijven als bijzit van deze +en in doodzonde dan te Pisa als mijn vrouw? Hij zal u, zoodra gij hem +zult vervelen, met groote schande door uw eigen schuld wegjagen; ik zal +u altijd liefhebben en altijd zelfs als ik het niet zou willen, zult +gij mijn huisvrouw zijn. Moet gij voor die bandelooze en schandelijke +begeerte uw eer achter stellen en die van mij, die u meer bemin dan +mijn leven? Kom, mijn schat, spreek zoo niet meer, maar ga met mij +mee; van af heden, nu ik uw verlangen ken, zal ik mijn best doen dit +te bevredigen en daarom, mijn zoetelief, verander Uw besluit en ga +met mij mee, want ik heb mij nooit wel gevoeld, sinds gij mij zijt +ontnomen. Hierop antwoordde de donna: Wat mijn eer betreft wil ik, +dat, nu er niets aan te doen is, niemand anders dan ik er zorg voor +draagt; jammer, dat mijn ouders er zich niet om bekommerd hebben, +toen zij mij aan U afstonden. Maar daar ze op de mijne niet gelet +hebben, ben ik nu niet van plan op de hunne acht te slaan. En als ik +nu zondig met een vijzel, zal ik hier nog liever blijven, wanneer +ik er zondig met een stamper er bij; geeft gij daarom niet meer om +mij. Dit zeg ik U: hier--schijnt het mij--ben ik de vrouw van Paganino, +terwijl het mij scheen, dat ik te Pisa Uw bijzit was, daar ik dacht, +dat slechts door de standen van de maan en meetkundige berekeningen +de planeten tusschen U en mij samen kwamen, terwijl hier Paganino mij +den ganschen nacht in de armen sluit en mij omhelst en innig kust en +hoe hij met mij omgaat, mag God U in mijn plaats zeggen. Gij belooft +ook, dat gij Uw best zult doen. Met wat dan? Door het in drieën te +doen en door je zelf er met stokslagen toe te drijven? Ik zie, dat +gij een dappere held zijt geworden, sinds ik van U af ben. Ga heen en +tracht te leven, hoewel het mij eerder schijnt, dat gij op deze wereld +slechts als huurder van je leven en niet als eigenaar er van bestaat, +zoo aamborstig en uitgemergeld ziet gij er uit. En dit zeg ik U nog +bovendien: dat, als hij mij in den steek zou laten--wat hij mij niet +van zins schijnt, zoolang ik bij hem wil blijven--, ik niet van plan +ben bij U terug te keeren, want als men je heelemaal zou uitpersen +als de druiven, zou je nog geen schoteltje vocht opleveren. Daar +ik tot mijn groote schade en teleurstelling eens bij U geweest ben, +zal ik mijn voordeel dan elders zoeken. En hierom zeg ik U nogmaals, +dat er hier geen feesten zijn noch vigilieën; daarom wil ik hier ook +blijven en gaat gij dus maar heen met God, anders zal ik schreeuwen, +dat gij mij geweld wilt aandoen. + +De heer Ricciardo zag zich in een kwaad parket en erkende nu de +dwaasheid, een jonge vrouw te hebben genomen, ging treurig en +neergeslagen de kamer uit en zei nog veel tot Paganino, wat hem +voor niets hielp. Ten slotte zonder iets te hebben uitgericht, en de +donna te hebben achtergelaten, ging hij naar Pisa terug en verviel +door smart tot zulk een stompzinnigheid, dat hij, wanneer hij door +die stad liep, aan ieder, die hem groette of hem iets vroeg, niets +anders antwoordde dan: de gemeene dief verlangt geen rustdag en +kort daarop stierf hij. Daar Paganino de liefde wist en kende, die +de donna hem toedroeg, nam hij haar tot echtgenoote en zonder ooit +feesten of vigilieën of vasten te houden, hielden zij elkaar bezig zoo +veel ze konden en besteedden goed hun tijd. Daarom schijnt het mij, +lieve donna's, dat de heer Bernabo in twist met Ambrogiuolo de zaken +averechts behandeld heeft. + +Die geschiedenis liet het heele gezelschap zoo lachen, dat er geen een +was, wien er de kaken niet pijn van deden en eenstemmig wisten al de +donna's, dat Dioneo de waarheid had gezegd en dat Bernabo een domoor +was geweest. Maar toen de historie uit was en het lachen ophield, +zag de koningin, dat het al laat was. Daar allen gesproken hadden en +het einde van haar heerschappij was gekomen volgens den ingestelden +regel, nam zij den krans van het hoofd, plaatste dien op het kopje +van Neifile met blij gelaat en sprak: Voortaan, waarde gezellin, +zal aan u de regeering zijn over dit kleine volk en zij ging zitten +om te rusten. Neifile bloosde door de ontvangen hulde een weinig +en op haar gelaat verscheen de rozige gloed van April of Mei, die +zich toont bij den dageraad en de schoone oogen schitterend als de +morgenster hield ze een weinig neergeslagen. Maar toen het jolige +rumoer van de aanwezigen, waarmee zij vroolijk hun gezindheid jegens +de koningin betuigden, ophield, kreeg zij weer moed, zette zich wat +hooger dan gewoonlijk, en zeide: + +Daar ik uw koningin ben en niet wil afwijken van de orde gevolgd +door hen, die voor mij geweest zijn en waarvan gij door uwe +gehoorzaamheid het gezag hebt goedgekeurd, zal ik u in weinig woorden +mijn meening doen kennen en als die met u raad is goedgevonden, +zullen wij die nakomen. Gelijk gij weet, is het morgen Vrijdag +en overmorgen Zaterdag, vervelende dagen voor de meeste menschen, +wegens de spijzen, die men dan pleegt te eten, zonder te rekenen, +dat de Vrijdag onze eerbied waard is, omdat het de dag is, waarop Hij +stierf, die voor ons leed. Daarom denk ik is het juist en geschikt tot +Gods eere, dat wij ons dien dag eer met gebeden dan met vertellingen +bezighouden. Bovendien hebben de dames op Zaterdag de gewoonte zich het +hoofd te wasschen en zich van het stof te ontdoen en van de onreinheid, +die zij hebben opgedaan door hun bezigheden in de afgeloopen week. Zij +hebben insgelijks de gewoonte te vasten ter eere van de Moedermaagd +van Gods Zoon en den geheelen volgenden Zondag geenerlei arbeid te +verrichten. Daar wij dien dag onzen leefregel niet geheel kunnen +volgen, acht ik het voegzamer ons dien dag van het verhalen van +histories te onthouden. Daarna, omdat wij hier vier dagen gebleven +zijn, geloof ik, indien wij willen vermijden, dat nieuwe gasten +komen, dat het goed zal zijn van plaats te veranderen en elders heen +te gaan en ik heb al bedacht en voorzien, waarheen wij ons zullen +begeven. Wanneer wij ons dus op die nieuwe plaats zullen vereenigd +hebben op Zondag na de siësta--daar wij heden genoeg gelegenheid +gehad hebben om te spreken en van gedachten te wisselen--vermeen +ik, zoowel omdat gij meer tijd zult hebben om na te denken als +omdat het nog mooier zal zijn een weinig de ongebondenheid van de +geschiedenissen te beperken, dat men zal moeten spreken _van hen, die +door hun ijver gekregen hebben, wat zij lang hadden begeerd, of die +hebben weergevonden, wat zij hadden verloren_. Dat hierover elkeen +nadenke om iets te zeggen wat nuttig of althans aangenaam kan zijn +voor het gezelschap, terwijl het voorrecht van Dioneo behouden blijft. + +Ieder prees de taal der koningin en de door haar voorgestelde orde +en zij beslisten, dat het zoo zou wezen. Nadat de koningin haar +hofmeester had laten komen, wees zij hem nauwkeurig aan, waar hij 's +avonds de tafels moest zetten en wat hij daarna moest doen gedurende +den geheelen tijd van haar bewind. Toen dit gedaan was, stond zij met +het gansche gezelschap op en gaf aan ieder verlof te doen, wat hem het +meest beviel. De dames en heeren begaven zich dientengevolge naar een +kleinen tuin, en daar, nadat zij een weinig hadden gewandeld, hielden +zij op het aangewezen uur het avondmaal met vreugd en genoegen. Nadat +zij hiervan waren opgestaan, leidde, naar het de koningin behaagde, +Emilia den dans en werd het volgende lied gezongen, waarop de ander +antwoordde: + + + + Welke donna zal zingen, als ik het niet doe, + Die voldaan ben in al mijn begeerten! + + + + Kom dan, Amor, oorzaak van al mijn vreugde + Van al mijn hoop, van al mijn blij geluk; + Laat ons samen wat zingen + Niet van zuchten, noch van bittere pijnen, + Die mij thans Uw vreugde zoeter maken + Maar alleen van het heldere vuur, + Waarvan ik brandend in blijdschap leef en mij verheug + U aanbiddend als mijn god. + + + + Gij hebt mij voor de oogen gesteld, o Amor, + Den eersten dag, dat Uw vuur in mij gloeide + Zulk een jongeling, + Dat er aan schoonheid, aan hartstocht noch moed + Ooit een betere zal zijn te vinden + Noch aan hem gelijk. + Ik ben zoo voor hem ontvlamd, dat ik + Blij met U zing, o mijn heer. + + + + + En wat mij hierin het meest verheugt, + Is, dat ik hem evenveel behaag als hij mij, + Dank zij U, Amor. + Ik hoop in deze wereld mijn verlangen + Te bevredigen en in de andere vrede te vinden + Door het volkomen vertrouwen, + Dat ik hem toedroeg. God, die dit ziet, + Zal er zich in zijn hemelrijk nog over erbarmen. + + +Hierna zong men er nog vele anderen, deed men nog verscheidene dansen +en bespeelde men verschillende instrumenten. Maar toen de koningin het +tijd achtte om te gaan rusten, ging elk, voorafgegaan door toortsen, +naar zijn kamer en de twee volgende dagen vrij van de taak, waarvan +de koningin had gesproken, verwachtten zij met verlangen den Zondag. + + + + + + + +Derde Dag. + + _De tweede dag van de Decamerone_ eindigt; de derde vangt aan, + waarop men spreekt onder het bewind van Neifile van degenen, + die een zaak, door hen zeer verlangd, weten te verkrijgen of + een verlorene weten te herwinnen. + + +Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje + te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele + gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote + hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, + waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten + gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op + weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men + het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog + gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna's en de + heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd + door haar donna's en de drie jongelingen en begeleid door + den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, + ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene + kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen + begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, + schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan + tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, + voor de zon anderhalf uur op was, [43] naar een zeer schoon en + rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een + heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal + rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal + had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat + in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter + als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime + en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven + vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er + in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens + verlangend een weinig te rusten, gingen zij op een galerij + zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld + was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen + kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen + met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna + lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom + ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de + eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, + begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De + tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen + recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, + welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor + dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een + sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die + in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe + scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, + die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren + allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, + zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon + hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze + gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren + om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe + men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, + welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed + was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer + prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide + met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, + geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten + van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe + vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet + alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk + streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het + blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen + wierp die--ik weet niet of het door een kunstmatige of een + natuurlijke ader was--door een beeld heen, dat op een zuil + in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo + hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den + helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou + zijn om een molen mee te bewegen. Dit water--dat de fontein + deed overstroomen, als die vol was--verdween langs geheimen + weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte + kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, + omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door + elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk + op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar + stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het + daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig + nut voor den heer twee molens deed draaien. Het gezicht van + dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met + de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan + elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te + beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij + geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin + geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen + een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er + zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren + zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten + op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, + en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, +verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk +den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar +aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de +anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds +jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke +beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun +na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het +een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden +gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en +nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen +hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en +werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door +de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en +gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin +bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te +gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van +dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een +bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met +dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij +was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op +de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich +aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik +af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de +koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien +last opdroeg was Filostrato, die aldus begon: + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme + doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen + eindigen met met hem te slapen._ [44] + + +Zeer schoone donna's. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas +genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het +hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij +dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, +alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En +als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, +dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur +is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, +dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid +hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van +de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, +dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen +geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en +hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al +diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het +mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, +u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was +en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid +(wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), +waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren +met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun +zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening +vereffende met den beheerder der donna's en naar Lamporecchio, waar hij +woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, +was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een +knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was +geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto vroeg +hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte +den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch +om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; +maar de donna's gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood +mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het +schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze +niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer +in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng +dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat +is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij +neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als +het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De +beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, +die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, +maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik +stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van +Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, +dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, +dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, +dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, +daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij +vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de +zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun +gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te +verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel +de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang +voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden +ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na +vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats +is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal +doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn. + +En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek +zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als +een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den +beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme +en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en +dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder +gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto +niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd +geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, +nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen, nadat hij +den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar +zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter +hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, +hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg +aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, +stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat +ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die +noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof +ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig +is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en +bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal +spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt +juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; +geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, +verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het +zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon +veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: +Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, +zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, +dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of +hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, +wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te +onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem +toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de +nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen +dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden +toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die +misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, +bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, +dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, +die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, +die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, +die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het +geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die +u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar +gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen +begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, +hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden +dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb +dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat +alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke +de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, +omdat ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, +of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou +hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij +ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; +ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, +wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God +hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, +dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de +een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: +En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander +er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het +u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er +zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits +wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust +had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, +hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het +uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve +wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan +hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem +in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar +zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo +dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen. + +Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte +hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen +goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden +worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem +op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met +vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en +zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten +uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf +als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd +den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er +uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme +kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk +een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen +er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme +zich te verheugen. + +Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had +door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie +hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, +maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens +en werden deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende +toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden +gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt +had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto +(die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, +vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en +slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, +lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, +verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na +Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar +zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, +die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar +zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij +anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar +kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer +voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht +hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij +langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij +op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik +heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien +mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er +geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, +kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een +toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, +en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel +op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, +was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom +was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, +slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht +voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs +zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die +negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde +haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non +was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder +Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over +die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden +geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de +nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij +gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de +omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank +zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, +die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem +opzichter te maken. En zij verdeelden zijn taak zoo, dat hij die +kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef +de zaak in 't geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van +merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en +verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel +dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader +zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden +en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, +waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, +dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, + wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een + lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en + ontkomt daardoor aan een boos lot._ [45] + + +Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de +dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, +behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze +begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet +bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en +wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de +fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen +te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat +dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen +door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, +die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto. + +Agilulf, koning der Longobarden [46] gelijk zijn voorgangers plaatste +te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn regeering +na Teudelinga [47] tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was +achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, +die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in +de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de +wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, +tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst +betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn +laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos +op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had +belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende +hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn +blikken aan de koningin te doen bemerken. + +Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, +beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben +verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed +hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen +kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien +palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het +gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij +de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen +kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het +verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde +het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk +was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen +enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar +hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij +dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats +hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, +die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor +het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel +of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen +woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar +hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, +maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er +was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon +des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, +om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, +opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, +als hij zich tot haar begaf, verborg hij zich meermalen 's nachts in +een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de +kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij +op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten +mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een +ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder +een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en +dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen +hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, +dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel +had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had +gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm +bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien +de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, +verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En +toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan +zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen +naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, +die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in +en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en +klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige +kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, +waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den +mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot +haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat +hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord +sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en +leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, +maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat +het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na +zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige +reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon +er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der +koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het +bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn +opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht +voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw +gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let +op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij +dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon +bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk +het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van gemerkt +had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden +dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet +hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit +verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de +koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou +hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over +zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, +zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan +ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, +schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort +daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; +maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak +de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder +U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van +ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer +op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat +misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie +het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein +lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal +in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele +personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat +gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de +verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een +der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, +om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet +het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den +koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij +evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, +zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende +beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou +doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen +van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had +hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou +aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien +hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, +dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar +omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, +deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, +aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, +opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen +dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug. + +Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat +hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond +toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, +ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen +boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, +ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning 's morgens +opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, +al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen +blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door +hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op +dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: +Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand +te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon +vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak +een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met +een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, +dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, +die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander +zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, +en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht +zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al +zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben +verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, +die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang +onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand +begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, +sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer +zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot. + + + + + + +Derde Vertelling. + + _Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn + van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen + monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid + te geven haar begeerte geheel te bevredigen._ [48] + + +Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den +stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand +van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, +haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: +Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald +door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer +aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas +zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles +van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, +terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, +die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich +te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken +maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o +bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u +te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht +geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden +kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, +maar ook door een of andere vrouw uit ons midden. + +In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, +leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde +door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een +hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik +niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling +voorkomt, daar ik weet, dat er nog menschen leven, die zich daarover +zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten +over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was +met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, +dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig +was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders +kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen +van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, +nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, +zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, +iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij +werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, +als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon +brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er +zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar +noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief +bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, +dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij +ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, +door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, +dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen. + +Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, +begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, +liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde +biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een +edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na +de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad +vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het +U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn +echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook +ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb +het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat +ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar +zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter +vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien +ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, +als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, +zeer fatsoenlijk in 't bruin gekleed, en die misschien niet denkt, +dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik +kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten +of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij +thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, +vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke +vrouwen. Ik heb mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, +maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, +zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden +en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen +schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever +aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt +te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden +over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, +dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder +niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig +daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd +te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar +ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, +deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd. + +De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en +nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij +vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij +zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar +hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden +van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop +antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, +zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb +en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete +had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder +geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de +hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en +van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort +daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, +met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en +hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het +hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem +had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar +nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en +begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, +maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen +woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat +niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld +en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo +zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, +dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, +houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de +heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, +veinsde zich te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig +te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het +huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om +hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde +zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat +hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag +placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot +welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een +andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna +bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij +aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de +liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, +begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn +voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder +zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna +antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan +van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger +heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag +voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit +meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal +kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog +meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; +nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een +hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over +uitte, tegen vroeger een, thans--geloof ik--wel zeven keer voorbij +gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij +beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd +geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij +bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen +beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, +wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet +vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor +den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden +en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik +het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug +gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf +en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor +zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, +gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze +die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, +opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken +niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen +en gordels heb, dat ik er in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik +U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, +ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van +komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan +dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden +en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke +beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den +schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig +vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, +verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, +maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik +nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij +mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw +heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, +dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen +niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit +slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat +er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en +alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid. + +De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit +onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der +andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij +verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij +in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in +het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, +dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd +wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en +daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den +heiligen Gregorius [49] leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze +voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn +in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte +met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet +haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, +maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood +zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij +dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, +wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak +hem opnieuw scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem +de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, +die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij +zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den +broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken +had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, +booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; +zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, +zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan +en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er +nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten +slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel +en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat +hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, +liet hij hem gaan. + +De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende +te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, +ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij +voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het +andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en +nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter +slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan +dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest +kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, +dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen +broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: +Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan +uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder +het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen +en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, +deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij +vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed +hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, +vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom +hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den +tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, +toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou +geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods +wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, +toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren +werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat +hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, +als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens; +ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer +terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, +was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; +alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen +ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, +moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier +is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid +en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te +sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, +dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal +nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te +beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken +duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik +zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal +het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk +met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U +zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar--zei de donna,--ditmaal wil +ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, +dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik +verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder +een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was. + +De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en +werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben +gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was +toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De +ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien +monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette +hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde +heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een +schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij +spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren +verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid +vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen +gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen +vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar +ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, +zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, +nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open +armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij +is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht +gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, +omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters klimt? Er is +niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft +gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in +vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn +vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet +om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, +wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb +haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, +te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan +haar broeders zegt? + +De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, +deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken +was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom +op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon +in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste +verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel +dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees +om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, +spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, +versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden +zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder +den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk +genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn +heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, +die het begeeren. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Don Felice leert aan broeder Puccio [50], hoe die gelukzalig + kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder + Puccio [51] dit doet, maakt don Felice met diens vrouw van + de gelegenheid gebruik._ + + +Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo +met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen had en vooral +het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin +zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of +ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, +dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, +die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het +te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet +lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen. + +Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio +[52] een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel +opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde +van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit +geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw +en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te +oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was +en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de +preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, +die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en +trompette, daar hij tot de flagellanten [53] behoorde. De ega, die +vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, +frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de +heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer +genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen +of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het +leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht +van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, +sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en +knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder +Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel +ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer +heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls +thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij +er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor +broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan. + +Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij +zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij +het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij kon om broeder +Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar +meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest +hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak +hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar +hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, +wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld +zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar +kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de +monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel +om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder +Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb +al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is +een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken +langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de +Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik +van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van +aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze +niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn +vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, +dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt +volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, +begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem +dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, +nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon +volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, +zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders +volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te +doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij +na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij +hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt +worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later +zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, +maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men +moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, +wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, +wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere +vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet +gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij 's nachts den hemel +kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan +en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, +als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten +uitstrekkend naar de aarde de armen kunt uitbreiden in de gedaante +van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, +kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren +en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij +geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden +zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, +past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave +maria's ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel +ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van +hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij +aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, +gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna +moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, +vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave's. Daarna kunt gij in +eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen +en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige +gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het +anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij +zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het +einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige +zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan. + +Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg +langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag +beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof +alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, +wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te +verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar +zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren +zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou +maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus +eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de +heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon +gezien worden, gebruikte meestentijds 's avonds met haar het maal, +zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan +met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en +broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor +zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was +hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik +bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te +heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer +van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van +zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder +zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk +geluimd was en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van +San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo +hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil +dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, +daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, +hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend +keer van u gehoord: Wie 's avonds niet eet, woelt den ganschen nacht. + +Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon +slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd, +_niet vasten_; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan +niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het +bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet +ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel +goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer +met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer +de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, +zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste +genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde +de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio +van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en +de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen +schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor +wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te +bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht +van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was +gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, +zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte +er in stilte nog veel gebruik van. + +Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, +meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht +den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn +vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de +monnik haar barmhartig voorzag. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard + voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij + echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles + geschiedt volgens zijn woorden._ [54] + + +Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van +broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie +Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk--niet +uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,--begon aldus te spreken: + +Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat +zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, +zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote +dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te +stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, +heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, +terwijl ik den vastgestelden regel nakom. + +Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire +Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, +maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan +gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis +te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen +machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen +in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst +maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk +door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang +hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij +een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van +om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire +Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, +hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg. + +Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij zich +roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten +geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde +den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij +hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, +maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, +onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden +en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, +maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar +verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte +hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer +hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had +gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, +dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima +aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, +wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit +zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te +volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de +zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder +de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, +ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en +begon aldus te spreken: + +Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij +reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde +mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van +ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de +lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, +en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en +daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde +de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En +zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze +ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft +als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, +dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als +het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als +op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker +bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, +als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen +doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld +mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben +als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn +beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, +al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En +wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed +en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin +hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en +de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, +dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, +waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, +als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal +verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd +worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof +ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet +hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: +Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had +met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor +u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, +nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor +ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt +mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die +er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te +zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood +als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol +gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert +bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten +eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna +hem zou antwoorden. + +De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, +en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden +kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen +minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had +gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den +echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat +verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond +had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord +volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den +cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij +hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten +slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar +borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp +daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, +en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden: + +Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde +jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter +door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, +zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij +gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat ik met het gelaat +heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij +mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen +zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid +te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, +dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, +die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en +blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan +moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij +hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, +beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede +liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn +en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat +ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige +dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke +zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij +oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur +komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en +wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, +gelijk wij verlangen. + +Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer +voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige +vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in +beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om +de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik +wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen +zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor +laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel +ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat +ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien +meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan +zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk +is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom +mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, +dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan. + +De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op +en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet +kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet +goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt +mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten +praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, +die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere +kreeg en zeide: Nu behoort toch het sierpaard wel aan mij, dat het +uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die +gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, +had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar +behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik +het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en +voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis +en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij +achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, +dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar +huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom +verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen +zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen +inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk +een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst +voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen +gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk +nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, +is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen +berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met +zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee +mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen +deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd +heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond +dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, +waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond +voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde +en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder +verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der +liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl +de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van +de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello + Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij + haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in + een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te + gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, + ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is._ + + +Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, +nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, +dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: +Gaarne, Madonna, en begon: + +Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten +overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en +gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een +ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij +verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen +van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar +minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar +bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die +kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is. + +In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet +meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, +bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, +die Ricciardo Minutolo heette. [55] Deze, hoewel hij tot vrouw een +zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een +ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid +alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, +de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi +genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles. + +Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk +stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden +en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna +wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, +wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand werd hem door +dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat +hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, +want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij +zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door +de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de +jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn +begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn +genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon +hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, +welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of +zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet +meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo +vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts +maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem +toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon +hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het +anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en +heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf +houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, +dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het +zijne heen en werd in dat der donna's van Catella ontvangen na zich +eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was +er in te verblijven. Hier begonnen de donna's en met hen Catella met +hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer +ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op +den langen duur de donna's, deze hier en gene daarheen waren gegaan, +gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter +gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een +woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij +plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon +te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te +hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, +dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een +genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze +zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te +weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, +mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met +hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik +zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, +hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan +en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het +nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat +zij niet door anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus +te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger +lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet +zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden +u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit +zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij +heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij +of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den +tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in +zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat +hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er +van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar +sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke +ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, +gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik +in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik +dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en +haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van +Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij +op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, +wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, +dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom +bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, +ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik +mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat +hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, +dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het +U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen +kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet +gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer +de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, +heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord +laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den +noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok +van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, +dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou +ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te +zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, +zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem +dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij +zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil +aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij +zonder eenigzins acht te geven wie het was, die het haar vertelde +of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, +dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien +tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn +ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet +zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, +hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, +dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, +het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, +hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het +haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand +te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar +geloof in God toezegde. + +Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het +badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, +wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij +kon ter wille te zijn. + +De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit +gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of +te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer +donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht +gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo +in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo +gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af +te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij +meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap 's avonds naar huis, +waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis +kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon +was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had +en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met +welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat +zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, +hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef +zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het +begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder +haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo +haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, +vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde +daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen +spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, +hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had +willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam +met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo +zag haar komen, stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben +gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed +te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste +hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, +als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, +waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te +blijven kregen de oogen er meer macht. + +Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote +vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot +groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan +Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, +begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het +geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door +hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer +dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, +gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde +voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met +wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij +al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde +voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella +en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor +of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel +duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het +verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, +die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor +dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te +hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in +dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, +dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, +wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos +placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat +van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er +niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders +te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den +veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water +toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, +trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij +te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, +dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, +dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een +weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je +beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde. + +Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets +te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij +haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht +je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende +kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt +gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over +geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en +vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi +als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom +antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, +raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik +weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, +wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de +begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, +dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft +lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar +één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het +te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij +haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, +als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten. + +Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch +besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, +er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar +uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn +armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon +wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te +beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik +ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde +zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij +schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: +Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft +plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En +indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor +iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene +zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede +naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier +tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u +hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, +waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, +kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, +dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven +en daarom zal men mij eerder gelooven dan u. Daaruit zal tusschen Uw +man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, +dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn +lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij +in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die +bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, +maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid +ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En +daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik +kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik +van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu +zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, +dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl +Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer +sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid +van Ricciardo's woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat +Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God +de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, +die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn +onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; +maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, +eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen +gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer +vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen +gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U. + +Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich +voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had +verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen +en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, +goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen +tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, +hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, +verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij +beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk +gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons +van de onze genieten. + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij + komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met + de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar + echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben + vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich + daarna listig met diens vrouw._ + + +Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen +tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: +Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee +voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers +zijn verloren donna herwon. + +Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo +degli Elisei [56] heette en die vreeselijk verliefd was op een dame +Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en +die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te +bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der +gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd +lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in 't geheel niet +meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen +maar hem in 't geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig +en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand +geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij +op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te +heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij +alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te +trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, +die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, +dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te +spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, +die alles wist en kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio +liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, +trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar +Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij +hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn +compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in +handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij +in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, +hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door +de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij +zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef. + +Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde +zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van +de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door +haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had +vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, +dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar +Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, +kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage +was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn +Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, +die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence +aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, +die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar +haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de +deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood +was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich +naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in +het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, +dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, +toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij +flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het +zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart +gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, +die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik +begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere +Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, +omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen +om met haar te zijn. + +Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men +dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen +hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht +werd, keerde hij vol verschillende gedachten naar de herberg terug +en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij +naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar +zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid +van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft +van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het +scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak +van het huis daarin hoorde afdalen [57] en daarna zag hij door de +spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen +een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij +zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen +naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij +elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: +Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker +weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders +ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het +doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, +omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, +wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino +nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover +zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen. + +Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig +de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, +ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend +en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche +verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden +gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en +der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers +naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die +zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de +helpers zijn van het onrecht en van den duivel. [58] Daarna keerde +hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, +wat hij te doen had. Toen hij 's ochtends opstond, liet hij zijn +knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het +huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en +zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, +dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden +schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede +is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei weenend: +Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij +van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, +ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door +God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den +dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel +zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot +en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele +geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij +was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer +goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, +hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, +als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, +daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man +te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U +zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: +Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans +ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke +God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, +dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter +leed zult vervallen. + +Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar +ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene +dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij +dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, +zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u +niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door +het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons +tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar +gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe +zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve +hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, +tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig +geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: +Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom +ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn +jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man +wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet +deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb +voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige +dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: +De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, +maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij +boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd? Hierop antwoordde de +donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de +woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, +toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de +vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, +dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, +ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht +komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor +werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met +hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik +boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij +meer had doorgezet--maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg--ik, +daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen +had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem. + +Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans +kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben +aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit +eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, +kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met +woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien +hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed +verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke +reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt +gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten +hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk +hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven +naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem +te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, +daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik +ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel +er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het +bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan +gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken +zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen +en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets +anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der +orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en +van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij +het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel +en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en +priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in +de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden +doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het +net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in +hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, +vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat +meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid +is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der +monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der +menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en +zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel +en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te +geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, +opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en +om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander +zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat +de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die +de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, +zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere +zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, +zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun +geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun +eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, +opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen +en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en +de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, +hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en +andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee +zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten. + +Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij +bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar: _Doe, +wat wij zeggen en niet wat wij doen_ en meenen, dat dit een waardige +verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de +schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun +zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord +geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, +dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, +dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met +geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid +bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt +kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar +waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, +zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid +niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan +hen uw geld te verkwisten, kan de broeder in de orde niet meer +luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de +broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en +beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen +om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles +ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid +van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven +zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen +zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet +dit andere heilige woord van het Evangelium: _Christus begon te doen, +daarna te spreken?_ Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen +les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, +minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook +van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op +hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, +doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, +dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, +namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw +te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het +niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de +wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van +de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, +maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit +laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te +onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, +heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het +van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die +steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van +kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, +dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat +gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende +zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij +een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen +dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo +dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat +ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, +zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna +door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en +zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al +zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was +hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn +andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de +jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs +gesteld? Werd hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop +toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een +mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen +hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, +die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat +zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den +man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten +beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven +alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, +opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, +bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat +is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij +verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best +doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke +gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, +niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo +hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door +Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd +wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat +gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, +hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft +en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, +dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde. + +Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die +zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar +schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, +bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij +zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring +wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen +heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is +geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, +zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan +dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het +dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop +antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar +hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe +gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem +dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield +hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, +welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als +men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: +Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als +gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb, hoop ik, +dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne +en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken +dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen +het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop +omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U +betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij +moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden. + +Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het +grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen +te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard +had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen +geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: +Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en +antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich +de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak +hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en +begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als +voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij +ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo +teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak +tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en +ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het +gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn +stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij +Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: +Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde +en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een +inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond +en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij +voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien +ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, +zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen +vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, +kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid +van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en +dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op +toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, +kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich +naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God +tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden +met U had. Daarom, indien gij uit eerbied voor Hem mij een kleine +gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel +voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van +Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar +gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U +ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En +werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld +moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die +mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, +indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad +doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: +vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik +er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, +is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, +die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens +dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, +als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand +weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve +hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat +God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik +hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin +te handelen, dat het U aangenaam zal zijn. + +Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij +hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende +dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn +bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en +sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, +elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen +bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die +gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet +hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat +dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit +heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen +Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn +bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij +zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, +daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen +man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino +verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim +en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, +liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders +herbergiers en hun knecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij +hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, +lieten zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te +zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo +Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de +reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl +zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had +willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben +vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich +naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar +ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend +goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met +haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met +een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar +gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug +hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, +wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, +namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had +beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen +als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit +was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed +waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename +rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond +Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen +wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, +ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, +zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden. + +De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen +gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een +paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het +hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde +van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij +zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden +zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden +zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, +die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen +hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, +en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst +waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de +belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, +dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai +gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en +hun vrouwen, de vier broeders en hun donna's zou ontvangen en voegde +er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal +zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat +den pelgrim behaagde, tevreden was, ging deze dadelijk naar de vier +broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met +betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte +met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen +de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te +vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen +met hun donna's tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw +verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het +etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het +zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino +ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren +om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en +stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, +voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend +met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak +met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane +beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het +bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door +de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de +dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, +wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de +pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten +van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den +pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, +toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en +zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken +om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem +voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp +de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok +van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing +beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het +waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij +veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking +hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen +vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo +ook de donna's, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw +Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, +Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere +donna's? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: +Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, +die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, +dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij +gesproken op den dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, +dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: +Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar +mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, +zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De +donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen +van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden +gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen. + +Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van +Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had +kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, +werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de +zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters +en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet +komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen +en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil +begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, +naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En +meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest +door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder +opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders +bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, +en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien +nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het +hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen +voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, +gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop +antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij +voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, +vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen +metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit +op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen +of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem +geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, +dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder +van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo +gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest +gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, +werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en +niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen +verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn +liefde en zonder dat de donna zich weer vertoornde, ging hij stil te +werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van +de onze. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood + begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, + wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar + men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna + weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn + vrouw beviel, als den zijne aan._ + + +Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn +lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn +verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid +der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door +een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, +haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna's. Ik geloof, +dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, +op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat +iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U +dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna +hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was +opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer +verdiende als schuldige te worden veroordeeld. + +Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er +velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin +een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve +in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, +dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat +hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu +was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een +zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding (wiens sympathie om geen +andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte +hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij +bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote +had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan +niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo--hoezeer +in andere opzichten onnoozel en dwaas--in het beminnen en bewaken van +zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel +Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een +luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak +hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van +de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat +bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en +verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt +kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten +had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, +als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou +het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, +waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; +maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe +noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, +geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is +zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor +niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, +de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, +dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, +als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens +weinig zal helpen. + +Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, +dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard +had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart +is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een +gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche +te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, +wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad +noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver +geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten +te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal +zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik +liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt +voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt +antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat +hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend +in kunnen gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in +gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van +zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God +smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, +zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, +gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen +niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en +als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en +hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van +die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd +als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: +Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien +dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik +het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, +dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor +mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, +wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat +tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: +Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw +liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig +verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel +verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij +een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die +tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: +Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid +niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een +zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid +heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te +handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna's op uw schoonheid +u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die +gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben +ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat +moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel +verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, +die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u +moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van +mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger +de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, +die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij +wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en +kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren +dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne +doe. De donna hield het gelaat omlaag en wist niet hoe hem te weigeren +en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen +de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, +dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na +de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, +dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij +tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo +in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: +Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, +dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken. + +Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te +hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk +en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om +bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt +en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de +abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het +vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, +dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den +Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg [59] het gewoon was te +gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of +hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, +zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het +nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen +voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, +aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde +hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen +van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het +duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door +zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande +insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust +werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in +zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het +leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door +een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de +abt en de monniken zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, +men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als +zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn +bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen +en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, +werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd. + +De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein +kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven +begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo +behoord hadden. + +Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien +hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, +heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een +gewelf, waarin men in 't geheel geen licht zag en dat tot gevangenis +was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij +hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en +lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen +begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij +te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, +tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van +zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke +hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost +te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en +zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan +den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid +was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo +ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo +en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met +het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, +welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij +het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, +dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen +en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel +der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende. + +Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij +was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en +met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak +slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben +ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei +Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon +Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon +en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de +monnik hem te eten en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de +dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw +vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en +God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: +Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor +ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en +niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, +omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken +en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar +straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen +den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet +en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot +hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik +sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per +dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat +jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in +jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, +gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan +suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch +te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij +had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten +zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in +gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer +jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, +die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde +Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter +wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, +behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook +omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister +heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden +bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, +indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar +zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: +Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer +prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde +straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot +God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen +anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, +maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: +hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel +wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo +en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo'n +afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, +met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, +in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht +en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had. + +Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij +het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het +beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou +worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, +dat ze van hem zwanger was. + +De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem +Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, +want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen +zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven +van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van +uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen +Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: +Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden +God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn +goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem +stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier +uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik +samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, +'s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, +en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien +maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, +begon hij te roepen: _Doe mij open! doe mij open!_ en hij begon +zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, +zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna +weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen +zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de +kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en +gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich +verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en +het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods +macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een +man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te +voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en +zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die +van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van +het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik +God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het +geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, +mijn zoon, nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, +die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, +en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, +dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal +vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met +zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een +groote verbazing en liet er vroom het _Miserere_ om zingen. + +Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, +gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij +riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was +opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men +wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men +hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, +antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun +verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld +over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid +van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello [60], +voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in +het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij +meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens +de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen +maanden dragen--de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd +genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, +dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt +zonder einde toenemen. + +Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo +van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna +gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor +tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer +zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar +goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van + een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, + die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit + baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder + wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling + krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar + tot vrouw._ + + +Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, +bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis +van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat +de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus: + +Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te +hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij +niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig +hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, +welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, +wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen. + +Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, +graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, +altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne +genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram [61] +genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen +van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, +dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze +liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval +is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, +moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar +bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij +maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen +om Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk +en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar +zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, +had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, +geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit +van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een +zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de +koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat +slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn +en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel +velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, +maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover +wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de +jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde +reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, +welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram +tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar +vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame +kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, +te paard steeg en naar Parijs ging. + +Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en +daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn +kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong +meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij +die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen +genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u +zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben +verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: +Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, +zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar +goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den +raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht +mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat +ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis +van meester Gerard de Narbonnees, die mijn vader was en een zeer +beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: +Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat +zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En +na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet +geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, +wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, +laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan +verbranden; maar als ik u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning +krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij +dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje +zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, +maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw +zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning +beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar +kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor +zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt +uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de +Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon te beminnen +en die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig +ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en +zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide +tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, +dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge +dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven. + +Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: +Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft +terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel +zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, +die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt +gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo'n +vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet +nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame +gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, +gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan +aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit +huwelijk tevreden zal wezen. Toch--sprak de koning--zult gij het zijn, +omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen +wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met +een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet +groote toebereidselen maken voor het bruiloftsfeest. Toen de hiervoor +bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, +de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die +reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, +dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk +wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard +en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij +wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos +voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen +en tot kapitein gemaakt van een zeker aantal manschappen. Toen hij +van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in +hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte +door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen +en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd +ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den +graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige +vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover +zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe +en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen +de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den +graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, +dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat +zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde +deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij +haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon +van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat +hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, +dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde +gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun +woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar +de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, +overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, +omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg. + +En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel +der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun +geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor +den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide +zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in +eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van +haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van +barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de +bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf +zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er +zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren. + +Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen +geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen +van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, +na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en +een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure +edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield +geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, +trok zij zich terug in eene kleine herberg, welke een goede weduwe +hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets +van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag +Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij +vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster +antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die +graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de +verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar +arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft +bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die +haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben +behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na +alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben +gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en +de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging +zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en +haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, +wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw +was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen +zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de +gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig +is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, +tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders +verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: +Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt +mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de +edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij +bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar +eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag +van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook +omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden +met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt +bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb +om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan +verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, +mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint. + +De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, +weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat +kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, +ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik +wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, +dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar +wat ik vernomen heb en meen te begrijpen, is het gebrek aan geld om +haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot +loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld +spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg +zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die +het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, +zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat +mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna +handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij +door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat +zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij +er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en +dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, +dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij +daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij +schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij +gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in 't geheim hier laten +komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen +liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden +en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op +den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een +vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak +zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, +dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar +zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar +man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om +dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid +en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen +met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij +dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in +plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na +de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, +werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk +de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet +slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar +vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord +van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was +geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij 's +ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de +gravin alle met zorg bewaarde. + +Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen +met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, +heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat ik doe wat u +aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, +dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar +dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat +het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin +ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet +van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij +plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, +vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te +doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden +vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure +juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer +dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid +van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan +Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder +in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land +naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging +naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn +vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De +gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was +teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het +oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun +vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, +begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te +Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den +graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij +wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest +geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, +gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in +het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder +van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen +naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, +wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige +echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, +langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u +aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u +toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee +en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word +als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel +buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo +op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin +tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde +achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat +zij de waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid +bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de +belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen +genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen +hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen +en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, +herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij +liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote +blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, +die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen +een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als +zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar + den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt + zij de vrouw van Neerbal._ [62] + + +Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, +zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om +te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige +donna's. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug +jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, +waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt +gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, +hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige +salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de +dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht +doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht +onderworpen is. + +Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa [63] +in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige +zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was +geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, +het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg +zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het +gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God +het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk +zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda +hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en +misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door +een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, +den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda [64] geheel alleen +in 't geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte +zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, +ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd +haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat +zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat +hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige +man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij +haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede +gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en +wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn +dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, +welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij +begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden +vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, +een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, +wat zij ook de anderen gevraagd had. + +Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde +haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen +de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen +vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij +de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij +weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf +zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de +oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd +en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat +te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, +opdat zij niet bemerkte, hij als een besluiteloos man wilde bereiken, +wat hij van haar verlangde. + +Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij +spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig +was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het +voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te +halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer +de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te +verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel +naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje +vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult +het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult +zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, +die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij +deed haar op de knieën liggen, alsof zij wilde bidden en plaatste +haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan +ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam +de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: +Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat +ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan +ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, +zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: +O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel +niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets +anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: +Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, +dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van +mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, +gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in +die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult +schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, +indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje +antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit +gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, +wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, +opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje +op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden +om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog +nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig +pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet +een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de +hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging +voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te +zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, +voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat zij +hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar +daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, +jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te +behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen +in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename +zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders +deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel +naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets +anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij +dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier +gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer +den duivel in de hel doen. Bij zoo'n gelegenheid zeide zij eens: +Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als +hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, +zou hij er nooit uit komen. + +Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des +Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat +hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom +begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd +en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het +hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den +hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het +zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den +duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel +geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen +rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de +razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn +hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen +en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide +haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren +te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar +enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te +werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer +ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde. + +Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door +te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa +een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn +kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van +al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in +bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog +leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had +gelegd op de goederen van haar vader als van een man gestorven zonder +erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar +bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met +haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen +haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, +met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij +Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een +groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De +vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde +het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, +dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, +neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook +goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad +verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen +meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel +te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, +jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel +sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen +en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen. + +Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna's doen +lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten +einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was +verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer +lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig +zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het +de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als +ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben +den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed +en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt +geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij +opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, +Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid +kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo +dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd +hadden te toeteren. [65] + +Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, +hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des +rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de +zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar hetgeen hij meende, +dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor +zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de +donna's en zeide: Verliefde donna's. Sinds mijn ongeluk, weet ik +wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer +ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn +gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp +bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een +ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en +zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat +men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen +overeenstemt, namelijk _van hem, wier liefde een ongelukkig einde +had_, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig +zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, +vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen +[66]. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal +vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er +uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, +daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door +de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar +bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de +aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen +zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire +Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen +zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om +en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen +de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het +grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die +de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden +weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij +zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb +er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo +blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, +zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U +komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het +gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een +ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden: + + + + Geen troostelooze + Heeft zich zoo te beklagen als ik, + Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde. + + + + Hij, die den hemel beweegt en elke ster + Maakte mij naar zijn welbehagen + Lief, bekoorlijk, gracieus en schoon + Om hier omlaag aan elk hoog verstand + Eenig teeken te geven + Van de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat, + En de menschelijke onvolmaaktheid, + Die mij slecht heeft gekend, + Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht. + + + + Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarne + Als jong meisje mij nam + In zijn armen en daarna in al zijn gedachten + En voor mijn oogen geheel ontvlamde. + En de tijd, die licht voorbij vliegt + Verkwiste hij geheel met mij te beminnen, + En ik, die hoffelijk ben, + Maakte hem mijner waardig, + Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem. + + + + Toen kwam tot mij een trotsche + En fiere jonkman, + Die zich edel roemde en dapper + En mij nam en hield en met valsche gedachte + Jaloersch is geworden. + Daarover, helaas, ben ik wanhopig, + In waarheid wetend + Dat ik, voor het heil van velen ter wereld + Gekomen, door één geheel ben vermeesterd. + + + + Ik verfoei mijn ongeluk, + Toen ik om vrouw te worden + Het ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijde + Zag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nu + Een hard leven leid, + Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben. + O smartbrengende vreugde! + Waarom ben ik niet gestorven, + Voor ik dit en zoo heb beleefd! + + + + O dierbare minnaar, waarover ik eerst + Meer dan over ieder ander blijmoedig was, + En die thans in den hemel is bij Hem, + Die ons schiep, zie heb medelijden + Met mij, die voor anderen + U niet kan vergeten: doe mij gevoelen, + Dat de vlam niet is uitgebluscht, + Die voor mij U verteerde, + En erlang daar voor mij het wederzien. + + + +Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op +verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn +Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is +dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en +waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna +liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels +had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke +ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het +hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn +kamer terugkeerde. + + + + + + + +Vierde Dag. + + _De derde Dag van de _Decamerone_ eindigt; de vierde vangt aan, + waarop onder het bewind van Filostrato gesproken wordt van hen, + wier liefde een ongelukkig einde had._ + + +Zeer geliefde donna's. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik +hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, +meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de +hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar +ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn +best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er +steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste +valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier +gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn +geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel, +[67] maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als +maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik +geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld +en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best +begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen +de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is. + +Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze +novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en +dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u +te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger +genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, +bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd [68] +niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden, namelijk met de +donna's te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend +aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus +te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn +er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die +gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar +ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te +happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen +anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel +van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, +is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door +zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, +welke dingen ik met kalm gemoed--God weet het--hoor en verneem. En voor +zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan +mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als +noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden +en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde +deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel +wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich +kunnen vermenigvuldigen, dat--zij in het begin niet beantwoord--mij +met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe +groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen. + +Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen +gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, +dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil +vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, +opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en +nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik: [69] + +In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci +heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd +en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, +die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven +en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu +gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en +aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter +wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den +dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een +geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder +de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer +van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en +hetzelfde te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan +de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo +[70] en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, +waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich +ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak +te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van +dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige +leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de +heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de +hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht +soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, +keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was +en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo +zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt +slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer +naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God +en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, +voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u +bevalt? En gij kunt dan hier blijven. + +De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo +gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem +moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: +Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem +mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al +de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem +nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen +en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De +vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg +nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, +ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge +meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg +hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla +de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De +zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken +geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, +wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen. + +Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien +had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard noch +ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei +onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een +gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn +een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, +noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog +nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn +schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen +aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die +ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik +wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte +dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er +berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd. + +Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik +wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn +verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er +te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken +ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te +bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij +niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en +de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, +allerzoetste donna's, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te +letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren +en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve +dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, +opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen +de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, +zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, +niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, +mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel +geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid +u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, +de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand +door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn +best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een +kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild +beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door +u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht +der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; +daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, +toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, +een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord +ik, dat ik tot de uiterste grens van mijn leven mij niet zal schamen +daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri +al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, +en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan +was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen +ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn +met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste +jaren hun best hebben gedaan aan de donna's te behagen. En als die +het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren. + +Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, +dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de +Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt +en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt +dat niet te laken. De Muzen zijn donna's en hoewel de donna's niet +verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht +overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij +het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de +dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen +nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die +duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze +geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen +tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en +ter eere van de gelijkenis, die de donna's met hen hebben. En daarom +als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, +noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen. + +Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn +honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, +ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; +als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: +Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben +de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken +onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden +hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer +brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij +mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het +nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens +den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat +niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander. + +Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd +zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag +haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik +zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen +ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen +komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen +en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, +dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met +Gods hulp en de uwe, liefste donna's, waarop ik hoop, gewapend en +met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien +wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij +iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, +dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als +het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden +der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op +de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, +als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd +is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, +zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men +met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, +die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te +gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls +tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik +die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze +had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten +daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, +doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun +verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, +de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij +zeer zijn afgeweken, o schoone donna's, laten wij daarvan weer uitgaan +en de ingestelde orde volgen. + +De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen +nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele +gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden +begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, +ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En +na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, +verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de +schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met +de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er +gelast werd, vol gratie aldus begon: + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter + en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje + neemt vergift in en sterft._ + + +Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te +behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te +vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men +niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van +hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig +het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, +maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan +mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval +vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard. + +Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend +heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met +het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een +dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet +bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit +een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel +zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat +hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij +haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, +bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar +vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals +ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige +omstandigheden van een donna geeischt wordt. Zij leefde met haar vader +teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, +maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar +toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen +eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte +een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof +van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan +hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen +had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van +haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, +maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd +zij in stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer +zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, +had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij +aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar +in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met +hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, +dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een +brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na +dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan +Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, +opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en +denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen +en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, +dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze +en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, +die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw +te gaan door het middel, hem door haar aangewezen. + +Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg +uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld +daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten +en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot +komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het +paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige +deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen +gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna +niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens +oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna +doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele +dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen +dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, +waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, +had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd +was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen +en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer +opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, +ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar +het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te +hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet +hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze +deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg +en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de +deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich +samen zeer verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er +een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles +zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, +keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot +haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van +den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was +gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, +keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, +afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de +vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht. + +Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter +te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan +heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de +donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al +haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt +en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van +de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij +zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op +het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich +daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde +kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar +vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer +en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, +maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij +naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en +grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en +zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, +maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, +om voorzichtiger te doen--en met minder schande voor hem zelf--wat +hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, +gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd +scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en +zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was +door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, +keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel +werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in +zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen +en in 't geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, +zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de +beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, +gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo +niet anders dan dit: Amor vermag dikwijls meer dan wij. Tancredi beval +toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en +zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van +wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe +dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte +in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin +met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, +het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik +zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien +ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren +aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige +van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, +als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot +zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen +van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt +gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons +hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor +hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe +ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb +laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis +liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met +u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik +u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan +den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving +wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik +tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat +te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij +het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind. + +Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen +haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen +genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt +met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, +maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar +gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever +dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar +Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of +een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met +strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, +ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een +mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve +dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde +te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen +mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van +mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin +en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, +maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht +als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet +u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een +dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer +en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig +en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel +gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet +gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag +bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch +geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door +het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk +bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit +verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik +geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik +werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, +te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan +u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de +barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die +aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen +kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik +heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp +beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij +mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem +heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, +behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid +verwijt,--daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid--dat ik +(alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen +boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt +niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, +die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet +zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen +der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is +uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft +met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde +ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze +bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en +de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft +verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur +of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van +adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die +genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder +al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren +en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder +vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die +edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik +niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden +en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem +hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig +man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn +oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, +welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het +konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, +dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man +van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, +maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande +kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden +stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, +maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren +vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, +waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, +dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, +verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd +zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed +te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben +eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding +vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, +wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met +mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als +de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood +hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben. + +De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, +maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, +wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar +weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou +lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van +anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, +dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem +zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden +dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag +een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van +Guiscardo doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter +en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van +dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest +bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had. + +Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar +vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij +afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, +wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding +als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak +gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en +hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het +aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder +waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin +heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den +beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn +leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar +thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een +zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik +hem ooit vergelden kan. + +Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, +en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al +mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u +met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die +des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt +gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en +de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf +het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen +begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven +zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het +mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u +wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een +door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, +zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, +welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide +dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de +onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en +dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, +waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het +meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder +kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over +den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het +vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart. + +Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat +dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door +medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs +met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en +trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij +genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte +haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb +ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel +te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, +waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, +wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was +gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk +het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te +bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte +zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van +den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den +dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, +maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, +lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, +daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist +kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven +om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand +zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: +Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht +dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit +iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, +indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen +nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet +naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, +dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, +openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den +vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, +drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, +want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde +zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt +gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi +hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, +liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide +eervol in een zelfde tombe begraven. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel + Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel + doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit + vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt + zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het + plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend + door haar zwagers en naar den kerker gevoerd._ + + +De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds +meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd +was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van +weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, +dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over +verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij +steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien +tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor +het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, +wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn +avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk +Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling +voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, +begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het +verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve +meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel +des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling +te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te +wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus: + +De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht +is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het +gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij +is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot +en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange +gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en +zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen +hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren zij, dat zij door te +nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet +als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als +bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de +hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en +trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens +anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als +het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou +ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder +hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat +aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder +geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de +beste casuisten [71] werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag +vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den +dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren. + +Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en +verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte +daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo +brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet +aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, +geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er +niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak +van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn +boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof +hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door +hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien +beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich +broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den +schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten +te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er +geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van +een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot +prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben +verbeterd, die hij als hij kon, in 't geheim bot vierde. Bovendien, +daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, +wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het +lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, +als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist +hij op zoo'n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde +en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd +en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van +vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn +roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus +van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna +Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, +die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames +bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij +hem als Venetiaansche--en die zijn allen dwaas--een deel van haar +zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg +haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij +met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen +oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der +anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen +zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen +ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, +die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij +zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te +hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar +dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer +op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter +oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij +haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele +roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij +een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te +onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, +liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen. + +Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar +het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in +een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp +hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat +gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, +gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd +ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen +vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: +Dat zal ik u vertellen. Toen ik 's nachts bezig was te bidden gelijk +ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans +en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, +zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de +hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, +dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te +werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt +de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke +ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is +u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, +zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik +zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en +u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier +terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele +leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij +mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij +niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig +was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en +geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, +broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij +helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, +vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel +u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt +vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg +ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, +wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij +hem zoo bekoorde, dat hij meermalen 's nachts bij u zou zijn gekomen, +als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij +u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen +tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de +gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om +u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe +vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de +gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt +gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna +de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de +engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit +faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, +die niet minstens een mattapan [72] waard was en dat hij op welk uur +hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou +vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in +den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer +welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar +zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond +het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar +niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, +gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde +brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, +die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in +mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, +hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs +voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en +ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: +Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u +om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak +broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open +vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk +gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan +gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto +ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik +meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen +te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, +dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met +meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht +van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, +begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis +van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, +wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem +gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en +toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, +die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de +kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij +voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een +teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, +deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna +liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij +stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, +die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf +dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij +zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche +glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging +hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, +welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de +huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna +had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en +vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van +de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er +nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: +Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, +dat van nacht, toen hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had +gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen +voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij +de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat +er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet +sprak de donna.--Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen +met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de +linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor +er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto +voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: +ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na +veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen +sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een +engel zonder op eenige hindernis te stuiten. + +Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was +en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar +zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds +in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, +zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig +om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt +de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden +anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die +zeer onnoozel was:--Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn +minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft +als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of +aan de zeekust. [73] De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield +zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, +als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet +dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen +deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus' wonden, +hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit +hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook +in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel +dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu? + +Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar +duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon +vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van +donna's, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames +vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna's en dezen +aan weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er +vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar +schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen +dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en +zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder +Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een +nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar +schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de +kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de +hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat +op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte +was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads +gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen +trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen +was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat +waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot +medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn +bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven +en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid. + +De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, +dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was +weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, +lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug +met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was +geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de +engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de +schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen +en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, +dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was +en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met +hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders +overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en +dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, +zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet +wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt +als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en +zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat +gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij +geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten +wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik +zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, +hoe gij hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de +zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek +verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen. + +Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken +bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de +donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en +dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem +heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren +en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat +en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee +groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand +naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien +wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche +betrouwbaarheid! [74] Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, +hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer +van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en +leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren +en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, +een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen +op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, +en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen +en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten +last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed +of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het +masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt +en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt +gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die 's nachts van den hemel +ter aarde daalt om de Venetiaansche donna's te troosten. Zoodra het +masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, +tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de +grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die +men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, +gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een +heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was +doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug +gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis +voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een +ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden +en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël +spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk +hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven +zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten + met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, + de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met + den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de + oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden + beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen + genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den + bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende + sterven. [75]_ + + +Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, +bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was +wel wat goeds--en dat beviel mij--in het slot van uw verhaal, maar +er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet +had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u +nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: +Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor +hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er +een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig +pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij: + +Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in +het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en +dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse +teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, +welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, +ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en +onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige +woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en +bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog +grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met +helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar +is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, +van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan +harde en zwaardere. Toch--en de mannen nemen het niet als een kwaad +op--zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom +in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als +we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan +de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten +leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar +zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met +mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden +en even zooveel donna's gelijk ik hierboven zeide, door den toorn +van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden. + +Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der +zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van +rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was +er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van +goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en +geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes +waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van +vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets +anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren +naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens +de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta +was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig +verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, +dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich +verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, +toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander +Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, +de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon +bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen +geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich +met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om +hun donna's en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend +en bevriend was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: +Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot +de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, +wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, +wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult +gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal +schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit +uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote +liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, +hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart +mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij +zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen +tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen +er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen +gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij +zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met +een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, +waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie +broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn +te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee +te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer +ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, +vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men +dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit +antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen +later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en +nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar +wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele +redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel +haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan +te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en +dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, +en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, +moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem +sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den +kant van hun donna's het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden +onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die +zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, +maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit +heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds +zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, +met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij +zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen +de nacht aanbrak, waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden +de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, +daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee +alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie +minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, +staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te +houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden +voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat +zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg +en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder +hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en +zij vrij dicht bij Candia [76] zeer fraaie en aangename woningen deden +bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en +paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna's als de +tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus +gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, +wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die +veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben +kon _en zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgen_ en bijgevolg +zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had +een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone +en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon +haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer +jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het +en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed +der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten +het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de +vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd--hetzij +Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet--verviel Ninette, +die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een +droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat +de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd +door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, +die zij meende, dat haar was aangedaan. + +Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen +van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een +doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een +avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op +lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen +gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden +zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem +bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige +dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht +had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij +haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, +waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er +iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder +eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd +genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord--en hun +donna's weer van hen--waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun +zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel +te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, +als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, +omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een +mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit +iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, +dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en +gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel +van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, +dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat +dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel +hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe +en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde +hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep +met toestemming van Madeleine in 't geheim met haar. Nadat hij eerst +deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in +zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede +naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, +dat zij 's morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van +hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte +hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou +schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den +volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden +hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en +zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over +de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed +haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er +was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar +hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, +hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een +lang verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij +slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat +zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen +en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade +vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van +den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, +waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten +wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij +ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt. + +Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te +vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van +haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques +de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en +nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen +Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en +haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, +die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het +huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak +nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te +bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van +Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, +kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door +hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor +mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters +zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen +zij een bark en vluchtten 's nachts naar Rhodes, waar zij in armoede +en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze +liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde. + + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, + zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis + om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door + hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op + zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen._ + + +Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het +gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over +het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en +de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe +gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, +dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna's. Er +zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, +nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen +staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat +dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, +welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de +faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, +maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen +dood heeft gevoerd. + +Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië [77], gelijk de Sicilianen +willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter +Gostanza. Deze Ruggieri [78] stierf voor zijn vader en liet een zoon na +Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een +schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En +zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar +klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in +Barbarije, dat in dien tijd aan den koning van Sicilië schatplichtig +was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de +hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning +van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste +schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote +en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, +ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino +verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf +zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en +liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen +kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke +wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs +Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op +hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg +tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van +hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote +liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van +haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder +voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te +laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en +bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een +blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, +dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste +juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, +als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens +bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met +haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, +te zien en met haar te spreken. + +Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig +was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, +huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada. [79] +Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door +den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem +geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet +zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino +zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, +zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om +haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot +zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had en +van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn +kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan +koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij +van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino +noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die +een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd +en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, +stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van +Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij +een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en +het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het +wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij +wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles +wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en +gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, +dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan +nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij +haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven. + +Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en +keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning +Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den +koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door +liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet +laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte +galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, +begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, +dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg +van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het +schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte +verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: +Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, +dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder +welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds +in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, +zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb +lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie +ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, +hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, +die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te +vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders +als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de +wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en met goed +geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, +houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe +Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem +vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te +doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij +het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en +de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het +water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien +van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich +gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, +beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien +zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat +zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven +door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij +den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, +tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun +schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het +schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had +gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van +den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen +noodig was [80] en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed +te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij +begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te +gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten +slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, +dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde +met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden +dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de +koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die +naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, +terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in +zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw +trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te +sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen +en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij +vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven +gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke +de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het +met een degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het +vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten +afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde +met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald. + +Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen +en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië +terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als +tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook +terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij +zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde +zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe +alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en +daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van +hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat +de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde +hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid +afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden +worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige +dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben +genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt + haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij + begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit + in een pot van basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag + langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij + sterft kort daarop van smart._ + + +Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd +geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden +met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: +Gracieuse donna's, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo +hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij +zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat +Messina mij voor kort in 't geheugen riep, waar het voorval plaats had. + +Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij +rijk gebleven na den dood van hun vader, die van San Grimignano [82] +was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede +manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden +uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van +hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken +leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had +meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te +behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze +liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar +haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk +beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, +zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen +en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij +het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen +ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, +zonder dat zij het gewaar werd. + +De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem +ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, +overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen +en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken +vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van +Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, +kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster +er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te +veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd +kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor +dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij +schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij +eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, +namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, +zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in 't geheel +niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In +Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens +heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren +hem dikwijls naar buiten te zenden. Toen Lorenzo niet terug keerde en +Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, +wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het +zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met +Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet +meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam +is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en +niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en +bad zij 's nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich +met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik +zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen +zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten +slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, +bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het +scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen +en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed +met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, +omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders +mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, +zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en +hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en +weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders +zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, +of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij +verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, +ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was +en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen. + +Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder +hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of +zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel +opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat +haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere +vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en +had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om +het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, +sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na +dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam +de aarde te hebben geworpen, stopte zij 't in het schort van de +dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen +en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de +kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen +en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone +pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed +dit er in, gewikkeld in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde +en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide +die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar +eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd +te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar +Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij +zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt +was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende +zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd +voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen +het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door +de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat +haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, +zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet. + +De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit +eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot +in 't geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem +met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien +haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en +vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden +verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, +wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken +en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het +gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer +sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden +begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit +Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, +togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd +om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige +liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend +werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men +nog zingt: + + + + Wie was de slechte Christen, + Die mij mijn bloempot heeft afgenomen, + Waarin mijn basiliek was van Salerno! + Hij was met kracht gegroeid. + Ik plantte hem met eigen hand + Den dag zelf van mijn geboorte, + Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid. + + + + Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid + En de zonde is zeer groot. + O ongelukkige, die mij + Een pot met bloemen had gezaaid. + Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep, + Benijd door de menschen. + Hij is mij ontroofd en voor mijn deur. + + + + Hij is mij ontroofd en voor mijn deur. + Ik was daarover zeer bedroefd. + Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven, + Ik, die er zoozeer aan was gehecht! + Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte + Voor den heer, die ik zoo beminde. + Ik had hem gansch omringd van majoleine. + + + + Ik had hem gansch omringd van majoleine + Gedurende de schoone maand van Mei; + Ik besproeide hem elke week drie malen; + Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte. + Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd. + + + + Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd. + Ik kan hem niet meer verbergen, + Maar als ik van te voren had geweten, + Dat dit mij zou gebeuren, + Zou ik voor de deur hebben geslapen + Om mijn bloempot te bewaren: + De groote God moge mij helpen. + + + + De groote God moge mij helpen, + Indien het Hem behaagt + Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is, + Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht, + Die mijn basiliek heeft gestolen, + Welke vol was van zooveel geur, + Zijn balsem streelde mij zoo zeer. + + + + Zijn balsem streelde mij zoo zeer, + Zoo frisch geurde hij + En 's ochtends, als ik hem besproeide + Bij het rijzen van de zon, + Was iedereen verwonderd: + Waar komt zooveel geur vandaan? + En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet. + + + + En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet. + uit liefde voor mijn pot met bloemen. + Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is, + Zou ik die graag terugkoopen; + Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud + Die ik hem gaarne zal geven, + En een kus, als hij het zou verlangen. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht + en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; + terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden + zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd + is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar + vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, + wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de + wereld te leven en wordt non. [83]_ + + +Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij +dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit +kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom +dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, +beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: +De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te +vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, +wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die +droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide +kwam. En toch, verliefde donna's, moet gij weten, dat het een algemeene +neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom +te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, +wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk +voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch +bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan +elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, +die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij +volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, +die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde +gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat +droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet +altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben +waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds +in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, +gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat +men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven +en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; +wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van +gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige +uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het +tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken. + +In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro +genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola +heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een +buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, +maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en +met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, +dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, +maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van +beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood +hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in 't geheim man +en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, +scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat +zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar +armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, +dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn +kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto +beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen +nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit +meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop +ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij +het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen +Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel +zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet kwam. Maar daar zij +toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, +hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en +roode rozen geplukt te hebben, omdat 't het seizoen er voor was, +met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin +ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden +bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den +vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien +zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had +aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het +een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat +die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en +dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien +ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, +die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, +waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik +op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En +het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo +eigen met mij werd, dat zij mij in 't geheel niet meer verliet. Van +mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat +ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud +om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand +hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de +kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool--ik weet +niet van waar--voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en +dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het +was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, +dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik +voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht +ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, +maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht +had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er +genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder +overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam +maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en +dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen +te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij +zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door +zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, +staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij +niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, +slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, +mijn ziel, help mij, ik sterf!--en bij die woorden viel hij op het +gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem +op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat +voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt +met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en +treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde +zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat +hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en +hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging +zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die +liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen +zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat +van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze +heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant +maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn +eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat +het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt. + +Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen +dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in +de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, +waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een +goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te +denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; +indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een +middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand +zal weten, omdat niemand bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij +dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar +laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en +begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis +was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; +en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het +tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, +zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden +of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad +en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het +schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen. + +Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in +haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde +uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op +een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen +en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt +te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: +Van hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom +zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen +en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het +dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal +wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in +wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met +overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk +sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, +trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, +van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: +Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige +kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, +ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo +beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te +zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, +waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn +huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt +door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar +juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden. + +Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten +van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat +het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters +te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand +van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch +dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder +te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto +naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar +in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat +hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door +vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, +maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen +stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan +had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, +wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde +bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, +dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola +door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde +zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug. + +Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging +deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis +en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, +vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout, +die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de +jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, +begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij +gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het +zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat +en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, +zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne +huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, +wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, +dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en +mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt +en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn +misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, +die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven +zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin +te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten. + +Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken +aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig +op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er +een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er +een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben +gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, +dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar +toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te +bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, +hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn +verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto +in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de +mannelijke en vrouwelijke familie-leden van het meisje toegeloopen, +die het nieuws hadden vernomen en alle donna's en mannen, die er in +de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst +was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen +door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen +van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze +van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats +met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het +graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat +hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, +wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin +gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend +was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden. + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, + waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en + sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter + te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft + op haar beurt._ [84] + + +Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet +het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar +vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien +zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel +begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft +mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van +Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor +en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht +en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters. + +En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen +der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, +maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de +machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel +dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het +mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over +zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te +doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd. + +Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong +meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een +armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen +haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen +van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om +Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename +woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was +door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een +grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben +ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde +en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet +verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij +om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, +en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den +anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester +goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen +andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte +en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en +de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden +zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen +hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander +werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te +vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen +voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino +tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin +te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun +gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het +haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te +verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo +te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, +naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem +met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba +(de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was +gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in +het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander +deel hun gang gaan. + +Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden +begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich +aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en +veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin +rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, +plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het +tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van +alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij +zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot +het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang +mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na +dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak +verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien +en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig +aanloopen en daar zij Pasquino niet alleen dood zagen, maar geheel +gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep +Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte +veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, +werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij +hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona +hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, +door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar +had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd +door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom +gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis +van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l'Atticciato +(de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die +er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te +geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij +bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij +in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, +door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed +genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, +waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat +hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, +vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik +en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het +gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan +door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen +werd dit door Stramba en l'Atticciato en door de andere vrienden en +metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig +en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd +en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor +zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den +verloren minnaar en door vrees voor de straf, geeischt door Stramba, +ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel +zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote +verbazing van de aanwezigen, neer. + +O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige +liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, +indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien +gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar +gelukkig boven allen de ziel van Simona--naar ons oordeel,--waarvan +de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van +Stramba en l'Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog +minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om +met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij +te onttrekken en de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te +volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, +wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen +tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie +vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar +opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die +tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den +tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had +men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den +dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie +een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het +venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde +naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout +en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het +proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij +met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en 1'Atticciato +en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, +waarvan zij parochianen waren. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn + moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar + gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar + zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn + zijde sterft._ + + +Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, +Neifile aldus begon: Waardige donna's. Naar mijn meening zijn er +lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en +daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen +maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit +welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl +men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, +natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken +duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf +verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, +is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, +die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die +de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft +de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de +sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd +de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven. + +Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer +groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri [85] luidde, die +van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij +zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden +van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn +zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met +meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van +zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, +veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich +niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem +niet minder lief dan hij haar. + +De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene +malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, +beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij +geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom +een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van +ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter +van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij +haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een +goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal +daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met +een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te +ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te +dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan +en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna +tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en +dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den +winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken +toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw +zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; +als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, +hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, +dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, +wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen +en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, +kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en +antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even +goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde +heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem +geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder. + +Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan +maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten +met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, +of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te +bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat +gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met +uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan +ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, +tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen +ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te +verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens +de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, +dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam +een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit +had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het +tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder +zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in +zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot +hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman +ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij +er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in +'t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, +die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en +te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, +waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand +op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, +die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij +God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, +zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is +voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; +ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op +een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij +den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, +kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, +er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem +zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in rust met hem leef. De +jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan +den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand +verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, +bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, +bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou +toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig +kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij +beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken +en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was. + +Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die +voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder +haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige +liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de +verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest +in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar +zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn +standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon +te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem +niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom +de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten +en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich +zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, +dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, +dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote +verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, +wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na +hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het +met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar +gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, +dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem +daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, +welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: +Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den +dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht +aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn +eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner +vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van +diens huis, legde het neer en liet het daar achter. + +Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, +ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal +gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de +doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij +daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de +moeder met vele andere verwante donna's en buurvrouwen en zij begonnen +over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer +groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot +Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar +Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, +naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat +wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge +vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde +hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen +had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, +hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk +opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen +doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden +dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat +zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna's +geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij +een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en +had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood +had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam +de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, +zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij +zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk +vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was +en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de +vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De +tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte +ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren +naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij +de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en +zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die +elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd +gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op +dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, +werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet +als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te + eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en + dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich + uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar + minnaar begraven._ [86] + + +Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele +gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, +die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander +te spreken had: Medelijdende donna's. Ik heb thans een vertelling +gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, +u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat +dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid +geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen +verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, +er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en +vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en +de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren +bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de +gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of +naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel +elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl +verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer +schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume +Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen +hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de +donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, +beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij +niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets +anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of +dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar +zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit +gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, +die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken +haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden +hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien +toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, +berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, +of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij +overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde +verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen +avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om +hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een +van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in +een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een +geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden +bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen +hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk +en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na: _jij +bent des doods!_ Dit te zeggen en hem die lans door de borst te +stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder +zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, +viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, +zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der +paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer. + +Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne +en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen +(lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die +het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den +moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard +en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De +donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen +en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, +dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, +dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, +ik heb van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover +de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen +liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een +wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om +te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, +zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel. + +De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, +hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden +ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn +vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in +gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke +hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd +en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en +die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder +gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe +is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, +hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u--zei de ridder--en +het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer +dan iets anders u aanstond. + +De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: +Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij +gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume +Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, +dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst +heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de +donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was +en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk +en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er +toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee +had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat +het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel +volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, +gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder +verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog +boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd +verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft +en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was +voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden +zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele +streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van +het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van +de donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald +en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst +en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in +begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood. + + + + +Tiende Vertellingen. + + _De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, + bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met + hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij + wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna + verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den + koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt + en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot + geldboete veroordeeld._ + + +Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn +taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, +begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet +slechts aan u, donna's, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, +waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God +zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar +een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want +zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets +vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing +geef tot wat morgen moet verteld worden. + +Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet +lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, +die maestro Mazzeo delle Montagna [87] heette, die tot den hoogsten +ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw +had genomen in het bezit van voorname en rijke gewaden en van andere +kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige +anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed +had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk +messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne +de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met +een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen +en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; +evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor +het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te +genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen +had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij +met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele +vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde +ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, +van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, +zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem +zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen +en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een +andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat +zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, +begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem +te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de +gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan +met een andere som geld te steunen. + +Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den +dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De +medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend +gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij +zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar +hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te +beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem +met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder +bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, +moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem +'s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang +zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de +bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien +neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat +dit was. + +Het uur van den vesper brak aan en de maestro moest tot hem gaan. Toen +kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi +[88], welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten +bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen +gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been +tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich +naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis +zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem +in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis +zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de +donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd +of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een +vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter +voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij +dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of +een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw +ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te +betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar +het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig +vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, +slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier +komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, +ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al +ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, +hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles +ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden [89]. Daarom begon de +donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig +in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, +maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was +als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet +te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar +zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en +te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar +schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel +moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen +raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval +en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog +trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, +dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest +gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem +heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier +heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging +voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien +timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas +hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, +omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen +geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij +van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, +omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets +kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd. + +De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven +en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit +gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij +had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en +sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders +en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, +liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar +staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge +mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel +te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en +den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, +als die er 's nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het +middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder +te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar +binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, +zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na +haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen. + +Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd +en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen +wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn +zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de +hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna +verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende +en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist +bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te +zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij +toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik +in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis +gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, +die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker +zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij +iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, +die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan +de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere draaien, maar +deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten +van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, +en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij +een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, +wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri +wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar +door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders +gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en +dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast +af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, +waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem +hoorden stommelen, begonnen zij te roepen: _Wie is daar?_ Ruggieri, +die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen +de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, +vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden +de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en +begonnen te schreeuwen: _Houdt den dief! Houdt den dief!_ Toen liepen +van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene +van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het +huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden +op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar +geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de +wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren +toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor +een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank +gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te +stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het +nieuwtje werd 's ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri +gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en +de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, +dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan +hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar +bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, +zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort +na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, +waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en +toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, +dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door +erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, +meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo'n omgevallen flesch +met drank al zoo'n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen +op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw, gij dacht, dat het +klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En +hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had +gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom +dood had geschenen en zeide: Maestro, dat wisten wij niet en maakt +u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van +mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, +terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte +kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is +opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, +dat de Stadico [90] hem morgen laat ophangen. + +En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik +meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is +geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de +kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die +beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, +want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij +de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen. + +Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel +verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, +toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen +werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht +hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar +hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der +woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, +dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, +maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen +best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den +dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp +te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen +ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht +mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had +en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, +stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter +en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor +een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe +zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, +gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien +ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar +heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong +hij zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om +te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of +wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, +herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien +had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch +weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, +dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik +kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat +ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, +dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik +u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik +Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan. + +Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest +was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij +geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw +zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor +de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te +brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, +dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, +ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond +en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, +na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, +indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den +rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij +flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze +meid van Onzen Lieven Heer [91] en zij om gehoord te worden, had er +niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: +Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar +dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de +geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in +het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken +gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had +gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman +en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe +Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, +dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst +aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den +timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars +en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden +gestolen en in huis hadden gevoerd. + +Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd, waar +hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, +dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn +logies zou gaan zoeken bij de meid van maestro Mazzeo, in wiens kamer +hij den drank had gedronken, omdat hij zoo'n dorst had, maar dat hij +niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was +gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van +had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars +meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri +onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden +gestolen tot een geldboete van tien oncen [92] en liet Ruggieri +vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de +donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem +en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde +er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot +beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, +dat ik in de kist wordt gestopt. + +Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna's zeer +hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral +toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij +zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen +de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van +zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige +woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof +te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en +toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd +en terwijl de donna's afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien +bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik +draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren +dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, +wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke +en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, +had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met +roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en +met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren +en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat +gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van +nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van _wat aan +een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, +gelukkig ten deel werd._ Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na +den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, +met hem te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn +zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan +ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, +welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar +den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar +hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen +tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen +bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met +zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij +zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl +Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet +afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, +dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, +dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen +andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij +er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat +hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen: + + + Weenend toon ik, + Hoe een hart zich met recht beklaagt, + Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen. + + Amor, die eerst + In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht, + Zonder op heil te hopen, + Gij hebt haar zoo vol deugd getoond. + Dat ik elke marteling licht achtte, + Die in mijn geest, + Droef gebleven, + Mij was overkomen; maar mijn dwaling + Ken ik thans en niet zonder smart. + + Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen, + Is mij van haar verlaten te zien, + In wien ik alleen hoopte; + Want toen dacht ik het meest te zijn + In haar gratie en haar dienaar. + Zonder de schade vooruit te zien + Van mijn toekomstig leed + Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde + Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd. + + Toen ik mij daaruit verjaagd zag, + Ontstond er in het hart een droeve klacht. + Die er nog in klinkt. + En dikwijls vervloek ik den dag en het uur, + Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen + Door hooge schoonheid gesierd + En meer dan ooit ontvlamd, + Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed, + Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit. + + Hoezeer mijn smart zonder troost is, + Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep + Met trieste stemme, + En ik zeg u, dat ik zóó brand, + Dat ik om minder foltering den dood verlang. + Kom dan en maak + Aan mijn wreed en ongelukkig leven + Met één slag een einde en aan mijn razernij; + Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen. + + Geen ander leven, geen andere troost + Redt mij meer dan de dood van mijn smart, + Dat men mij dien voortaan schenke. + Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen + En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft. + Ach, doe dit, omdat ten onrechte. + Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is, + Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer, + Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar. + + O mijn lied, indien niemand u leert, + Kan het mij niet schelen, omdat niemand + Dan ik u kan zingen, + En moeite alleen wil ik u geven, + Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen + Toont ten volle, hoe onverschillig + Het trieste, bittere leven, + Mij is, hem biddend, dat hij in beter + Haven mij brengt door zijn waarde. + + Weenend toon ik, enz. + + +De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand +was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter +het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de +schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden +hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er +verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: +daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug. + + + + + + +Vijfde Dag. + + _De vierde dag van de_ Decamerone _eindigt: de vijfde vangt + aan. Onder het bewind van Fiammetta spreekt men van wat + met een of anderen minnaar na eenige wreede en noodlottige + voorvallen gelukkig gebeurt._ + + +Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid +verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de +zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag +vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna's en +de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de +velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was +gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende +dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, +richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen +en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste +wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan +het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den +zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een +of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, +naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en +blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te +dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de +zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der +siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot +hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur +van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, +volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, +alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend +beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou +beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus: + + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee + zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis + gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem + Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten + met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten + zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug._ [93] + + +Lieve donna's. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, +staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er +een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, +niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar +ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde +zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte +veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg--daar +ik geloof, dat gij verliefd zijt--U zeer aan 't hart moet gaan. + +Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen +der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, +die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk +aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak +treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En +dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle +andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, +maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar +daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de +kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de +minste welgemanierdheid hadden geleerd en hij daarentegen sterk en +grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een +dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon +genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot +Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en +reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart +voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er +bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat +hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan +die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en +daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, +terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op +den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, +daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen +en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, +omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer +schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene +veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat +het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den +gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar +voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren. + +Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had +aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, +begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn +ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk +had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een +aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat +dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling +was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle +deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die +hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en +de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens +schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen +te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te +staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem +schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, +twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel +gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te +worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot +zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot +scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na +een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór +dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en +zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich +zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit +bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid +zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen +in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, +maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren +en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die +hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje +zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn +boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, +daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus. + +Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor +hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem +bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging +hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar +het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, +hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem +van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin +geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van +Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door +van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn +vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij +zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, +wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge +mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en +vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in +zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de +geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij +Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal +af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang +en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als +te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke +bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog +niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de +aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan +eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, +dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin +de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, +gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met +de sterkste banden, welke Amor--machtiger dan deze alle--losmaakte en +brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht +de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden +in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan +hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt. + +Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde +jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden +beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem +van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het +volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd +te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia +genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en +wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem +haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar +toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij +niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft +van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, +zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, +hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien +ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan +eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep +hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren +en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig +was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het +vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden +vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van +haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den +steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna +met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip +tot hen, die op Ephigenia's vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen +dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De +tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en +maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een +ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, +die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip +trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, +sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord +door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de +vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, +sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen +zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over. + +Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, +die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle +zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets +te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk +genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door +mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als +vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en +gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos +voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De +jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden +klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele +donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige +liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door +gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat +hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders +van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer +dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat +hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, +overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom +met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip +naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe +verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia +veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering +van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde +opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in +treurige en bittere klacht. + +Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had +achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder +dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig +weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende +winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen +moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst +te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het +scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer +teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was +gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden +zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar +geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en +beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, +dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot +echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten +maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou +omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden +niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of +beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland +Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, +zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun +daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, +waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had +verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen +waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij +zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip +den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, +vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij +beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en +dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want +het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich +zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in +tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden +komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast. + +Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, +die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van +hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen +waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun +schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen +zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee +en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in +een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen +genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van +de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der +Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, +Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, +wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen +had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia +pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen +dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes +ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking +als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij +hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn +gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen +den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met +al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange +gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, +in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben. + +Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De +fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof, +bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een +broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die +lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit +de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief +had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen +belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met +een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten +en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda +en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen +met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders +besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop +Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem +in 't geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke +hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar +als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken +hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen +weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, +dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post +niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de +eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht +gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij +daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, +herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield +en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen +hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in +zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken: + +Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn +voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, +die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij +ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van +Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws +vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst +hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos +dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij +door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien +of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor +korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is +als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans +bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint +en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met +aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren +van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met +den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen +opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, +indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag +maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon +aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad +en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen +weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, +waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan +moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van +onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt--ik wil niet zeggen de +vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft--dat gij +Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming +willen helpen, dit in Uw handen gesteld. + +Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en +zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, +gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien +er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, +wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een +bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: +Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner +mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de +mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen +binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een +schip zullen brengen, dat ik in 't geheim heb laten gereed maken, +terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand +te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den +bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, +was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol +van het vroolijke feest. + +Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en +zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het +oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder +hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te +hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven +gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, +wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het +huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, +opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren +en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal +gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten +met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten +de tafels omver en nadat elk van hun zijn vrouw genomen had en in +handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk +naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge +vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en +de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon +en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun +weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, +tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand +op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde +hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen +de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens +door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, +werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos +en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen +en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun +prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf +op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat +tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het +water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen +werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden +de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op +Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun +daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het +ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, +zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig +naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes +en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij + dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die + door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend + terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer + bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, + huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari._ + + +Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was, +gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan +met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich +terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid +ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde +verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof +te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande +deed aan den koning. + +Teedere donna's. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië +een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer +mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie +vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, +zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd +eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, +als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet +hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en +haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich +haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden +en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok +vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk +bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij +zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen +stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden +in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, +werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging +gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de +Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar +Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari +kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, +verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos +bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, +klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In 't geheim +verliet zij 's nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag +zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, +die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien +vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met +de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als +al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen +in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan +voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading +en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en +verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon +maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel +en legde zich klagend op den bodem van de bark. Maar het gebeurde +heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, +tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag +bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij +die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen +boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa. [94] + +Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, +want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te +heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, +toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten +der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de +bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust +had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, +begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat +sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk +te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en +zij Latijn [95] sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in +die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, +twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar +Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar +zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze +antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen +het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten +wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, +dat haar schande zou overkomen en begon te schreien. + +Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar +aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar +behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, +wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter +was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad +haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, +wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa +heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke +visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, +hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een +goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te +weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en +zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw +om Gods wil medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar +eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa +hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar +hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar +halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld +te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: +Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, +aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik +zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, +dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; +wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar +blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer +geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord. + +De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat +en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde +haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige +vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen +maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die +binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en +het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en +van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat +zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus +in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven. + +Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van +hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer +groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij +over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den +troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, +die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning +van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, +zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: +Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad +te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter +bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den +koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht +werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: +Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw +strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder +met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men +een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen +en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg +zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, +zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien +gij het wilt, kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de +bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze +gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, +waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo +in 't geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want +anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik +zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen +hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de +pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den +vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat +de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het +tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, +zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en +zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw +tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen. [96] + +De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was +en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg +Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht +van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van +Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had +gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer +was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde. + +Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar +lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met +de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten +haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof +zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen +naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis +werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte +zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen +zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het +haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, +die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen +was gekomen. + +Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, +zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van +Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet +aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, +zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en +ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast +van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met +open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over +de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder +een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje +aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, +hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij +dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden +schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem +al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de +edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio +afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem +alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er +bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen. + +De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat +hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, +zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote +en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel +aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk +het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij +Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar +dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te +pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder +veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen +zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder +voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men +het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte +een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te +samen door hun liefde in vreugde en rust. + + + + + + +Derde Vertelling. + + _Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; + het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro + wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige + avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt + haar en keert naar Rome terug._ + + +Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees +en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar +Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, +begon: Genadige donna's. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee +onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele +blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, +behaagt het mij U dit te vertellen. + +Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97] +er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een +aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd +op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, +de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar +zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo +te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden +dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt +door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten +dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij +doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat +hij geen acht zou slaan op Pietro's woorden, omdat, zoo hij het deed, +hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich +den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte +te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en +indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken +bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch +nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, +dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend +persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen +dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met +haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar +Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te +paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, +omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen +te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg +niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome +verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij +waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de +nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, +dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht +bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: +Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra +hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en +de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam +vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend +door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, +had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog +keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door +hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te +stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, +begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort +tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem +de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini's aan +een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en +bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij +zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een +troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen: +_Dood aan hen, dood aan hen!_ Dezen door de anderen verrast, lieten +Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen +veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te +vluchten en de anderen hen te vervolgen. + +Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard +en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij +het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch +straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna +veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen +genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te +zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan +eenig ander man te schreien en links en rechts door het woud gaande +haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug +keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen. + +Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die +gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al +verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro +liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen +en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts +te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en +het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts +kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad +wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat +hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende +den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de +maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had +in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn +gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen +rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot. + +Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar +heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te +dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet +meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde +zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer +voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door +het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds +avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee +mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw +zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn +vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, +wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende +meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en +vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: +Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer +dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier +woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, +het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar +wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken +bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke +U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij +ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien +mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij +zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien +dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het +al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, +zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; +als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te +worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden +verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut +van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes +en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield +dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en +dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de +morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, +hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine +hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg +om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden. + +Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep +bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten +zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat +zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het +meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van +wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen +komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd +van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer +heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging +een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun +houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend +wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het +jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had +zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, +dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had +gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, +waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil. + +De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en +dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen +het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, +vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond +hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede +vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het +meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het +hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat +hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag +werd, zeide hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U +vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij +op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, +omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede +heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem +bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en +kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan +een der Orsini's, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig +hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij +het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en +wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die +ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer +treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, +meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij +niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, +totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden. + +Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op +het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, +welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het +paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde +vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde +het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door +hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk +de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets +anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in +het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was +heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl +het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en +steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot +vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien +eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom +dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd +uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd +had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, +vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen +kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand +een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn +donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat +een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van +gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden +was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de +donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij +Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij +verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij +had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij +blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw +berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij +hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders +zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders +gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom +zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk +is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik +geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt +is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds +en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: +Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,--en ook mij +staat dit aan--doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden +op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U +en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden +toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw +het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner +allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen +samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, +waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, +maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote +rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met + zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met + haar vader._ + + +Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen +over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een +zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt +door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en +u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet +wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal +doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij kleine historie een liefde +vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere +smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd +met schaamte. + +Waarde donna's. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en +welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, +toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, +een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei +schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij +door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg +behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu +kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch +jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi +van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw +vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, +dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds +huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de +grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting +te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer +blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, +had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en +moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor +u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge +aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit +antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: +Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, +maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te +redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word +en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij +een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik +zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, +zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij +slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is +van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er 's nachts zijt, +komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij +den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan +slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten +zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden +dag,--het liep reeds tegen het einde van Mei--begon het meisje zich bij +haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had +kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke +groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina +ging voort: Moeder, gij moet zeggen: _Naar het mij scheen_ en dan +zult gij misschien de waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel +warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de +donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude +maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet +het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal +het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage +het--zei Catharina--maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men +naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil +je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden +goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die +naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang +van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar +veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, +wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, +wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, +omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: +Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel +doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, +kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden +nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde +maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam 's ochtends bij +messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat +hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen +nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, +dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij +een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen +gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed +maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat +ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil. + +Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar +zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot +zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, +waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, +dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn +kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, +dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en +één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur +en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, +op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het +meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en +genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene +malen den nachtegaal zingen. + +De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag al +nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door +het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap +vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen +van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen +zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond. + +Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte +hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal +Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het +serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar +naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven +beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg +naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta +op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, +dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: +Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk +zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch +messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en +daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter +den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had +te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen +zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide +haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn +liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, +zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; +wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij +goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, +zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en +niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij +zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat +de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal +had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en +toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, +riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de +dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam +messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed +te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart +hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, +zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik +als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met +mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt +en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, +de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen, dat ik in u had, +zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu +eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, +opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige +vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo +kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt +doen, beveel uw ziel dan aan God. + +Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal +vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar +vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den +anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, +opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden +hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van +den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen +dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de +begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde +en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij +deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan +messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw +Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in +hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen +messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij +hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan. + +Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw +en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden +zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun +huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer +Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, +gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en +verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en +maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en +rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, +zooveel hij begeerde. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een + dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol + di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten + met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van + Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven._ [99] + + +De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den +nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had +opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij +genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons +gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, +dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot +Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze +begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna +is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan +met mijn verhaal. + +Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de +een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, +beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens +en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch +een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, +liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks +tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang +over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam +de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren +toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; +daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf +er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, +dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter +beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer +dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was, +was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen +haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar +beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd +vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de +andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden +beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan +zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, +zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen. + +Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, +een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en +aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn +liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind +zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde +Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: +Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het +jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, +zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U +het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed +is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het +eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid +en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had +weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was +ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, +wanneer Giacomino om een of andere reden 's avonds van huis zou +gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van +Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole +had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een +bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid +van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, +dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het +huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er +heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide +minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,--kwam +gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om +binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, +hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje +en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello +en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den +ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu +niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei +tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, +omdat hij reeds heeft geavondmaald? En zoo kon de een den ander niet +weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met +Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet +stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken +gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn +twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar +beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en +erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, +liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de +deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah +"verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor +geweld!" Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen +kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met +licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na +een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht +haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet +geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich +er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden +zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis. + +Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover +zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, +dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer +gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, +haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de +ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de +waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat +er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, +wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, +dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door +het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, +welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en +boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de +jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino +die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde +kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd +ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak +geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer +Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit +meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van +Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch +diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter +was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, +wat ik kan. Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, +waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor +zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn +handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino +antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en +toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door +Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn +metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, +die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was +en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit +medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar +Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet +en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en +dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij +op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te +geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, +dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt. + +Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die +met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer +goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd +en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: +Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: +Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat +ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien +Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, +omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, +dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is +geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te +kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het +Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, +dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor +had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis +had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij +Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar +huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne +mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, +scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, +die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, +verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren +te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was. + +Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand +de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het +zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel +zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat +is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd +en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door +mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij +verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen +het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen +schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn +omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio +liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers +en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving +haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino +zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad +kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen +had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het +jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met +goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover +met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole +en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote +vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa +was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, +die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone +en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde +hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint + en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal + gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri + d'Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man._ + + +Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna's had +behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een +te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke +donna's. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen +van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en +onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger +verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een +te vertellen van een verliefden jonkman. + +Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen +een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een +edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van +een eiland bij Ischia: Procida, Gianni [100] genaamd, had dit meisje +meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts +de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar +reeds menigmaal was hij 's nachts, als hij geen bark had gevonden, +van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, +slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde +voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar +den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de +hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een +plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw +als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal +Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels +gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, +dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden +ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging +volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, +brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, +twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en +ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het +onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou +worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten +haar Frederik, koning van Sicilië, [101] te geven, die toen nog jong +was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De +koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij +een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar +in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, +welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde. + +Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat +dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die +haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed +deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist +in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, +besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva +tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In +Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was +weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen +voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was +geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle +hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te +zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug +en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls +ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een +venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, +dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe +en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden +om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de +gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht +af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na +zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs +niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een +kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje +aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen. + +Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten +aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem +waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, +had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster +open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad +heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, +neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar +verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg +te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde +en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, +alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, +haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het +grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde +geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden +herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, +in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had +behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot +hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven +en ging heimelijk met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen +hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen +van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij +binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar +naakt en in de armen van Gianni slapen. + +Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat +zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met +een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, +dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte +menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in +het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot +een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van +dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna +vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn +huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door +hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te +hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de +twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen +en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en +op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde +uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, +gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn +kamer zeer verstoord terug. + +Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide +minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen +gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden +zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat +men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar +Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun +oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het +uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier +de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; +de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar +prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna's den jonkman +kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar +de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen +hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den +dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden +en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en +dit Ruggier dell'Oria [102] ter ooren kwam, een man van onschatbare +waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij +stonden vastgebonden. + +Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi +en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, +naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief +het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, +ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet +meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht +had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed +hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles +gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, +mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen +van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg: _Welke?_ Hierop +zeide Gianni: Ik zie, dat ik--en spoedig--moet sterven. Ik vraag +als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, +dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, +dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan +heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat +gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval +hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat +zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden +en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst. + +Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn +meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee +jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te +laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri +voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en +zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning +zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die +gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide +Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe +licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De +jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van +messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van +dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bolgaro, wiens +macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op +Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en +daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, +hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat +jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, +terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De +koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij +had er niet alleen berouw van, dat men met de straf zou voortgaan, +maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat +de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem +gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had +leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen +smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat +hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het +meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, +zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap +ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire + Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg + veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, + wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en + neemt Violante tot vrouw._ + + +De donna's, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee +gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en +verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord +had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij +gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna's. Toen de goede koning +Guiglielmo [103] Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, +messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen +wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had +en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren +gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op +de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit +Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, +was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij +het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, +werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar +hij zich meer liet leiden door de natuur dan door het noodlot, begon +hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate +aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte +en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en +Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel +vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, +gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong +meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, +verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte +om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit +aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, +die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op +haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet +zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem +niet wenschelijk scheen. + +Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid +te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze +ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te +zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde +liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat +dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en +het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl +afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn +dochter met andere vrouwen en donna's dikwijls heen placht te gaan +om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, +dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, +werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt +met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, +opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug +naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong +was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen +een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan +door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al +zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens +na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, +welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een +boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, +traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde +en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de +weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking +was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun +liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht +geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En het +jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden +kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken +en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd +hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer +werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend +hadden en hun maatregelen genomen hadden om in 't geheim van elkaar +te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, +die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met +haar terug naar huis. + +Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in +stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje +zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele +kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar +kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor +zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, +zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop +antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, +dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal +men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor +Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: +Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat +men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen +sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er +aan Uw belofte te houden. + +Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen +gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet +veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele +tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten +zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd +was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou +geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna +geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond +zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling +gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke +omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer +Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, +verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de +kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, +wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, +stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was +gebeurd. Maar hij--minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men +hem vertelde dan de donna--zeide, dat het niet waar kon zijn, dat +zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles +wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid +kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest +denken zonder genade te sterven. + +De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te +stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede +ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, +welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van +een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt +gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst +de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar +was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, +weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij +gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani +en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was +benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te +hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles +bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door +de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een +zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, +goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van +Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een +van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: +Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, +dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo +niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden +gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door +haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, +zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige +vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, +ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg. + +Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de +beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van +hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie +edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar +Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige +zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en +die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen +te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van +Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen +zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om +te kijken. Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den +rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, +Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een +groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze +op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen +te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van +zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers +op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets +had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, +die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij +dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij +begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En +hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en +dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij +in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde +die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het +Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die +Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, +zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, +die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat +voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij +de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn +metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den +hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, +dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, +te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden +ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de +reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar +het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn +gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: +Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een +vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van +wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve +moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, +dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, +niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de +zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, +die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hij +_werkelijk, die het zeide_, Fineo was, liet hij hem snel naar huis +terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles. + +Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood +waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, +met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds uit kon +voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, +opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, +Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, +die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet +zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te +kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij +haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak +stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, +klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen +er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn +dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem +te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: +Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan +voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer +Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst +verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen +zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, +mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel +hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de +hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men +vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, +wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij +bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang +praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, +dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar +kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk +geval zou doen, wat haar vader gelasten zou. + +Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het +feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het +meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, +werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te +zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en +eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie +schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen +bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat +eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren +gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven +in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen. + + + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie + Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde + te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar + ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en + door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de + donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde + jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke + behandeling stemt zij toe Nastagio [104] tot man te nemen._ + + +Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: +Beminnelijke donna's. Indien het medelijden een deugd is, die in ons +wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig +maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en +om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder +roerend dan aangenaam. + +Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot +aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, +dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk +had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat +hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo +Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij +hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, +hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen +geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard +en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere +schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend +geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was +voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na +zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich +bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, +indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij +zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer +groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben +en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van +zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne +te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen +uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te +vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden. + +Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen +aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een +groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje +of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en +vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar +een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd +en daar--nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan--zeide +hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en +dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt +maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, +dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- +of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was +en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan +zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen +aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend +door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den +dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan +en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens +een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een +donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om +te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in +het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer +dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij +was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren +en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende +en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee +zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, +waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op +een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en +een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden +met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd +en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, +waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en +van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn +toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging +hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, +schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de +honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En +bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, +deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard. + +Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, +dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van +een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de +honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo +goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was +van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, +die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die +vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid +en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden +degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik +ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, +dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de +zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij +geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich +verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de +straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan +haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en +aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand +niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik +haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst +en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden +binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het +lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang +of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, +alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige +vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur +bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En +geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar +op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en +daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus +haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest +is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U +niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden. + +Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en +had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging +achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten +wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als +een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield +en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak +dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel +doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, +of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend +en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het +hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als +uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik +of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en +begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds +haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer +ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, +dat Nastagio ze niet meer kon zien. + +Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en +beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, +omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de +plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en +vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten +en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord +mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn +verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst +toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, +dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun +verwante vrouwen en alle andere donna's, die gij verkiest, bij mij +zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het +scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd +noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en +hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, +ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig +maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak +bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien +en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit +zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd +tegenover de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het +laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van +de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd +en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden +zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij +het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar +een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel +van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, +liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio +had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze +allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had +gedaan en zooveel donna's, als er waren (want er waren er genoeg, die +verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en +die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen +jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen. [107] Toen +dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, +die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, +maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de +wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had +gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders +op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, +door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, +of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden +aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij +haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd +niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat +in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te +sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want +zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio +antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar +zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om +haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld +was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, +dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit +alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was +de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en +den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde +lang gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van +dit geluk, maar alle Ravenneesche donna's werden er bang van, zoodat +zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen +dan zij eerst geweest waren. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar + hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een + valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn + donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij + ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, + neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk._ + + +Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien +had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn +voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij +de beurt om te vertellen, en--zeer geliefde donna's--ik zal het gaarne +doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij +weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar +ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet +wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, +welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt. + +Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad +woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag +en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den +adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er +behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het +verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen +en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij +was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger +in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire +Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid +boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met +de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna +Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend +werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, +worstelde, schermde hij, hield hij feesten en schonk en verkwistte +zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar +dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze +deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, +begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij +werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, +van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een +der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, +dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, +ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, +zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, +geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de +uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en +toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar +hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon +achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte +hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig +nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en +gelijk het de gewoonte is van onze donna's, ging zij het zomerseizoen +met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat +van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te +sluiten en zich met vogels en honden te vermaken. + +Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die +hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar +durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel +gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover +de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel +zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem +te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend +het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem +dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: +Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik +spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik +in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij +wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit +een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om +hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, +die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En +hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien +geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, +hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, +wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem +niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de +overhand, dat zij besloot hem tevreden te stellen en wat er ook +mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten +doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te +herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, +is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover +verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap. + +De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging +den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van +Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien +dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig +werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, +was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem +zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en +nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, +Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, +die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig +was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend +vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde +nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U +geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben +ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken +is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En +zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven +zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel +gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving +hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin +en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: +Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote +van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken. + +Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe +hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar +die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon +bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen +genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, +zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep +hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het +werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de +edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman +hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in +zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn +toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze +een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder +nadenken draaide hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, +geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de +tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog +eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin +en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, +gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen +aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals +Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen. + +Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in +aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om +dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk +tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger +leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze +voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, +dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, +waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt +of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der +liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij +ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; +ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat +het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn +goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk +vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, +waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, +geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar +mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, +dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal +verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, +die gij mij toedraagt--waardoor gij tot niets verplicht zijt--maar +bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond +hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, +opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben +gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen +Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet +van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in +haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna +geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van +den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, +dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na +het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, +sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, +is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er +over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking +tot wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal +hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen +zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en +van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft +besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U +in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst +met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in +aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U +met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in +'t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk +dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die +waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden +op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar +nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot +leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf +nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, +de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen. + +De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een +vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna +in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had +kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en +misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel +terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij +door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat +de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige +dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol +tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls +door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het +niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van +Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk +gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: +Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, +maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander +huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en +zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op +de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, +dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan +rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar +gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, +hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al +haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had +bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer +geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde. + + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn + vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, + verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, + dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden + werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de + vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de + vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, + Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, + waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven._ + + +De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen +geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die +nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, +dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte +gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de +slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer +die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb +en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van +neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, +en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten +deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen +te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, +gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw +kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo +zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken +zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen +om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend +voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is. + +Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo +genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene +achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, +een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de +echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar +en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, +daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor +iets anders dan om haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd +en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk +voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar +man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna +ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren +dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot +zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op +sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander +in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en +ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het +een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen +beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik +hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, +mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan +ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou +ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat +wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, +indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik +oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over +klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij +aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee +genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen +mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal +alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur +verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, +sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met +een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs +de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in +de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over +de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door +allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de +jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn +dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als +gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede +jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, +voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben +verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, +dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten +en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is +het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet +voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet +alles verloren heb--want ik zou niet willen, dat gij mij voor een +gekkin zoudt houden--heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen +doen. Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als +ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod [108] vuur zou +geven,--God weet het--voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; +zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor +en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen +alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom +bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij +het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te +hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit +spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen +een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, +zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een +kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen +verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit +leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor +het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, +wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, +echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel +naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en +de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij +ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en +aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar +opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, +die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, +omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te +zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein +krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt +en laat mij gaan. Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor +oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn +aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht +zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij. + +Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij +een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar +alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond +en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij +haar Gode aan. De oude zond haar na eenige dagen dien jongen, waarvan +zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de +donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit +kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een +avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano +heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen +toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze +volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om +te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend +moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch +wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht +zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein +kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder +een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van +een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij +haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: +Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben +het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: +Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw +en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den +eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen +hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en +nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, +die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd +aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat +beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, +ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was +van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in +de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, +dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en +hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker +dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te +zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb +ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om +den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt. + +Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek +hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar +de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de +zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik +langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag +hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang +aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit +meer in iets genoegen hebben, als ik je dit niet betaald zet. Toen +de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder +een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet +waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep +meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet +meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem +bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, +maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, +dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik +hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half +dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin +waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen +niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide. + +Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, +hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de +vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van +anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is +wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van +een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom +als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft +zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal +wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die +verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen +van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven +weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting +der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die +haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en +zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen +medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het +vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, +dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan +te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar +Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er +niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker +is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte 's avonds te eten, +als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, +waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen! + +Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp +en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal +geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten +dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook +alles om te zien of hij water vond en kwam ook zoo in het midden van de +kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op +vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand +gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger +zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet +uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, +dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde +opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers +had gelicht, maar met klem vroeg hij: _Wie is daar?_ en liep naar de +mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de +trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor +Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend +had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had +vervolgd, vroeg hem: _Wat doet gij?_ waarop hij niets antwoordde maar +hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: +Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, +hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet +minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, +nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem +met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover +haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw +van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor +U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij +het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat +gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U +er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen +Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U +allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, +dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan +dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat +hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: +Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou +vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is +naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw +verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje +met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het +mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude +schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze +wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij +niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, +weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, +dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug +gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden dan alles verder +in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, +Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen +zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, +men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer +door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels. + +Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, +zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; +ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, +zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij +evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, +want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu +dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo +schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat +haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en +het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te +samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is +mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle +drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op +straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht +meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna's, +dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het +niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, +opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt. + +Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna's zich +weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er +weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn +verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, +plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: +Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had +aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester +eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van +haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van +het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone +woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de +noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een +dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig +kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking +spreekt, namelijk _van hen, die aangezet door een of andere scherts, +zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden +blik verlies, gevaar of schande ontkwamen._ Dit werd door allen zeer +geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal +vrij. Het heele eerzame gezelschap rees op, toen het de koningin +zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het +meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden +en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, +dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat +reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd +er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig: +_Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng._ +Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval +hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, +als ik cymbalen had, zou ik zingen: _Licht de slippen van je hemd op, +monna Lapa;_ of _Onder den olijfboom en het groene gras_ of zoudt gij +willen, dat ik zing: _Het water van de zee doet mij groot kwaad_? Maar +ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou +U bevallen: _Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in +het veld?_ De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, +zal ik zingen: _Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October._ +De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi +vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: +Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch +wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij: _O deze, mijn schelp, +zoo ik haar niet prik_ of _Zeg, zachtjes aan, mijn man_, of wel: _Ik +zal een haan koopen van honderd lire._ De koningin, een weinig boos, +hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen +en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen +hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de +grappen en begon spoedig aldus te zingen: + + + Amor, het levendige licht + Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt, + Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare. + + De glans, die uit haar schoone oogen vloeit, + Ontstak mij voor Uw vlam het hart, + Terwijl gij mij doorboorde, + En hoe groot uw macht is, + Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard + En het mij verbeeldend, + Voelde ik al mijn deugden van mij gaan + En legde die aan haar voeten, + Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten. + + Zoo werd ik een der Uwen. + Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik + Genade van Uw macht. + Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent, + Die zij mij in het hart heeft gebracht, + Noch mijn geheele trouw, + Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde, + Dat ik geen vrede zou hebben + Noch buiten haar willen zou. + + Daarom bid ik U, mijn zoete Heer, + Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen + Een weinig van Uw vuur + Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik + Van liefde verteer en door mijn marteling + Langzaam sterf + En dan, als het tijd zal zijn, + Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet, + Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen. + + +Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan +was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het +vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels +verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen +was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden +dag voor zijn genoegen zou gaan slapen. + + + + + + +Zesde Dag. + + _De vijfde dag van de Decamerone_ eindigt, de zesde vangt + aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, + aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of + met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, + gevaar of schande. + + +De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren +en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde +verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en +zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, +zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, +van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van +verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende +gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon +warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij +hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de +tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone +bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der +koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets +anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, +gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta +begonnen samen Troïlus en Crescida [109] te zingen. En reeds was het +uur om consistorium [110] te houden weergekeerd, toen de koningin +alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen +zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, +toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door +de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en +knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en +vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij +antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar +de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te +doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De +koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; +nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult +was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van +een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door +haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, +die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór +mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, +ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren +kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat +in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire +Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam. [111] En +ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging +en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar +al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd +te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van +de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten +om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo +lang wachtten. Bij het geloof in Christus--en ik moet toch weten wat +ik zeg, als ik zweer--ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar +man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat +voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen +doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten +de donna's zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken. + +De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het +hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar +uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot +Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen +verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel +uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel +is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik +zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt +en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen +en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg +met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, +die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, +Goddank, niet voor niets geleefd. + +Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen +had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe +te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met +Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den +gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan +Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Een ridder vraagt aan madonna Oretta [112] met hem te paard + te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter + slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen._ + + +Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden +des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de +struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige +woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En +omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna's dan de heeren +te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen +misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door +de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, +die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna's of geen +zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men +er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in 't +algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al +genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar +om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op +het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen +van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het +stilzwijgen wist op te leggen. + +Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog +niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende +donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen +wil--zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger +Spina--welke toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene +plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna's en cavalieri, +welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was +van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden +heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, +wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, +dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van +de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik +U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn. + +Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond +dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij +zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde +woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: _Ik +heb het niet goed gezegd_, en vaak de namen verwarde en den een met +den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder +er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen +en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta +herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om +het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het +eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de +war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: +Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten +afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, +begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon +over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, +de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte. + + + + + +Tweede Vertelling. + + + _De bakker Cisti [113] doet met een woord messer Geri Spina + inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet._ + + +Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna's en der +heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou +volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna's. Ik zou door mij zelf +niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele +ziel aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon +beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als +bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen +zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur +bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk +verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is +en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind +voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, +onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in +veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de +minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid +uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst +doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls +de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het +duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, +als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder +verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de +bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, +dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna +Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius [114], +bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn +edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige +belangrijke zaken [115], die in het huis van messer Geri Spina waren +afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de +reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den +Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had +en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer +nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, +dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een +ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede +dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence +of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van +den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, +dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, +maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem +niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, +dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij +een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem +eer het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij +zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest +voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en +een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn +en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna +ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te +hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, +dat een doode er trek in zou krijgen. + +Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den +derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, +messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van +proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone +arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, +dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, +het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden +man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, +en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie +bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en +zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: +Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik +kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee +er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en +nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn +wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen +te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang +gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer +Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken. + +Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf +messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van +de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei +voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn +knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er +bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De +knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn +had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, +zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De +knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander +antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop +antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als +hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend? + +De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri +mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet +waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam: Naar +de Arno. [116] De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk +gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat +mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, +zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet +hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en +zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar +met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen +en liet dit zachtjes [117] naar het huis van messer Geri dragen, +ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde +niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had +verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik +mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk +met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend +willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u +dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri +was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel +dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Monna Nonna de'Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder + eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde._ + + +Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord +als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, +behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, +die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna's. Eerst +heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons +gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het +dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van +antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze +verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, +want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer +maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van +mevrouw Oretta als het antwoord van Cisti. Het is waar, dat, als men +tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, +diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is +gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op +letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een +onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, +dan hij gaf, wat ik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer +Antonio d'Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, +kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego [118] della Ratta, +maarschalk van koning Ruberto [119]. Daar die edelman zeer schoon +van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde +onder de andere florentijnsche donna's hem er een, die zeer schoon +was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had +bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig +was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te +geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom +liet hij zilveren popolijnen [120], die toen koers hadden, vergulden +en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen +haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade +bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist. + +Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij +op Sint Johannes [121] naast elkaar rijdend de donna's loopen langs +den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een +jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en +dat monna Nonna de'Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci +en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een +mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur. + +Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San +Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij +haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe +bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen +aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien +aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,--en dat +waren er vele--die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting +af te wisschen maar stoot om stoot te geven, antwoordde zij snel: +Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch +geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk +aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens +de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de +beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar +aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen +woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet +verboden anderen met scherts terug te bijten. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn + redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen + overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door + Currado werd bedreigd._ + + +Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, +toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: +Verliefde donna's. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en +nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar +de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden +te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein +door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn +novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het +heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel +burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven +van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu +niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag +met een van zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en +daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, +die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden +voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo +nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel +klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die +zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een +vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd +was, in de keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en +den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te +geven. Chichibio antwoordde haar zingend: _Gij zult haar niet van mij +hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben._ Hierover +kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar +niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En +in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, +na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar +niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en +een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado +daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat +daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, +de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde +woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen +andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, +zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden +laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, +wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij +zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb +gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan +tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, +als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij +u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven. + +Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, +zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had +kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden +werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten +klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker +oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we +spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, +die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn +domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed +in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als +hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek +hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij +zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar +ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij +zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, +gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings +aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik +u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij +en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado +zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, +dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: _Ho, +ho,_ door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na +eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio +gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee +op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, +hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet _Ho, ho,_ geroepen +tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, +had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals +dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in +goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt +gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug +en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Messer Forese van Rabatta [123] en meester Giotto, de + schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over + hun leelijk voorkomen._ + + +Zoodra Neifile zweeg en de donna's veel genoegen hadden gehad in +het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: +Zeer geliefde donna's. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin +onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat +Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten +van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt +zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in 't kort hoop +te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was +klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat +hij bij wien ook der Baronci [124] vergeleken nog leelijk zou geweest +zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele +bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd +gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden +geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller +dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met +het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet +slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het +zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed +houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in +het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de +dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden +te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht +hem een der stralen van Florence's glorie noemen. En dit des te meer, +omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel +meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd +te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, +naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij +kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn +kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik +mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan: + +Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen +messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer +als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen +ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen +bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door +zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en +als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk +wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, +die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, +met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na +eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te +Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels +van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, +omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij +eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en +smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte +opwierpen--wat ze er juist niet beter deed uitzien--en het weer +wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, +te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, +welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven +en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk +en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn +persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een +vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, +dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor +zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde snel: Messire, +ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, +dat u het a, b, c kent. [125] Toen messer Forese dit hoorde, erkende +hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij +zijn koren verkocht had. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci + de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en + wint er een avondmaal mee._ + + +De donna's lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de +koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: +Jonge dames. Pamfilo, [126] door aan de Baronci te herinneren, +die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het +geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, +u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij +u dit te vertellen. + +Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele +Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld +was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden +de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te +hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont' Ughi +was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden +van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti's +waren, en anderen de Lamberti's en deze die en gene weer anderen, +naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, +simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste +en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van +de Maremma [127] zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die +ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat +ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci +bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore. Toen de jongelieden, die +van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met +hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de +Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige +Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder +u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan +hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij +gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen +aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini +sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er +over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, +in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen +om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, +wat door hem gezegd was. + +Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van +Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe +kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal +het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, +zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het +geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt +en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn +ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik +bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak +hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn +door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, +maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat +ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere +menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten +en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met +een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed +gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en +genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke +die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het +andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten +plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen +te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God +de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder +zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen +zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal +had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van +Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, +dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat +voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts +van Florence, maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, +dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese +wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen +naast een der Baronci. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar + gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich + met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen._ [128] + + +Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze +door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, +toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te +zeggen: Waardige donna's. Het is een schoone zaak in alle opzichten +goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te +kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond +een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders +tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een +smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren. + +In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder +schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, +dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een +minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een +ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, +schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa +heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de' +Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de' Guazzagliotri, +een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan +zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer +verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien +hij niet aan zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van +zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, +kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, +wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk +den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te +bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, +zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, +haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk +gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, +was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed +te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met +sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in +ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, +in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht. + +Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna's en mannen, en +door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat +met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De +magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en +van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, +van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, +dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, +terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon +onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide +hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en +hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander +man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens +een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik +kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op +wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U +beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde +met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn +echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen +vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, +die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, +maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk +zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking +hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen +dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden +zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, +er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er +bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien +gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en +ziel, ben ik tot Uw beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige +zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, +namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer +als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel +overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat +de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel +aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, +vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd +van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest +ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de +honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, +die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan +of het te laten bederven? + +Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van +Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem +schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, +veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op +die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen +het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te + kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde._ + + +De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna's met +eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op +hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen +onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin +zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, +alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, +jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan +heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, +misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier +aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een +meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, +zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen. + +Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca +genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo +engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, +dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op +te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere +donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen +van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo +sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan +haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien +had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis +teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets +dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het +heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde +geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de +wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; +er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik +geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker +is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben +ik naar huis gegaan. + +Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: +Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch +blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van +ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond +de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: +Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen +en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere + florentijnsche ridders, die hem hadden verrast._ + + +Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en +dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, +zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna's. Hoewel gij +mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er +mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, +dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is. + +Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone +en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is +overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom +is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die +gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in +Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, +die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij +den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden +en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op +dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen +en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht +van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze +gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi [129], messer +Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, +den zoon van Cavalcante de'Cavalcanti te halen, omdat hij behalve +een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof +(het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, +zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman +ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar +messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen +en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in +zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat +hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de +groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had +dan om te bevinden, dat er geen God was. + +Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de +renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San +Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in +Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen +was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was +kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en +toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens +plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een +aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden +hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden +zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop +antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u +kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op +een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht +over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen. + +Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd +verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat +het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden +dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer +Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, +als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de +grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven +zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, +welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere +menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere +wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, +zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen +zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik +messer Betto voor een slim en verstandig ridder. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer + te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de + plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint + Laurentius geroosterd is._ [131] + + +Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt +was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte +op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke +donna's. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest +behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen +zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een +voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan +een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen. + +Certaldo is een burcht in den Val d'Elsa in ons graafschap gelegen, +dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd +bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der +broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen +tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, +in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door +vroomheid, daar die plaats de best bekende uien [132] voortbrengt van +geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een +vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets +wist, was hij zoo'n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, +hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar +voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van +allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar +hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus +gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de +hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het +is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio +van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, +opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen +onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, +die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men +eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, +gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij +de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten +de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik +ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U +door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, +dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een +der veeren van den engel Gabriel, die in de kamer van de Maagd Maria +achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, +toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden +in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een +weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden +zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer +een poets te bakken. + +Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet +met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt +hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na +overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla +aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den +broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had +een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio +Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn +gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met +zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit +negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, +Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun +verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft +er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na +houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, +die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, +slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen +en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover +het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een +vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en +glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat +alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet +gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het +is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, +hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet +er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, +dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, +al naar hij 't het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg +achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken +zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio +Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een +nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, +had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt +en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, +dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; +daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder +Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur +zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij +volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan +duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen +schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder +te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den +soepketel van Altopascio [133] mee had kunnen klaar maken, en op haar +verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet +en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden +vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat +hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen +te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere +dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging +het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van +zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco +[134] met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden +zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, +was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij +een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit +een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij +beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen +gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een +klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit +van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te +hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in +een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, +ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, +vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden +zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw +aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het +kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer +te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen +en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij +met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken +zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en +ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, +ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon +met kracht de klokken te luiden. + +Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage +veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele +woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid +het _Confiteor_ op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het +taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje +te voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van +den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag +het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd +had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even +uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem +dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij +het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als +slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder +van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en +sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje +en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen +ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel +der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik +zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, +welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut +zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs +den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van +Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, +kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, +die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, +den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia [135] en Ruffia [136], +zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna +[137], waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, +die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig +bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel +geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen [138], +waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens +met hun eigen darmen aankleeden [139] en dicht daarbij vond ik lieden, +die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik +bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in +korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, +waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen [140] zag +vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio +niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten +kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden +kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar +in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche +voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, +messer Nonmiblasmete Sevoipiace [141], den allereerwaardigsten +patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van +baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken +zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze +allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch +om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst +toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, +als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint +Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der +ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, +kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, +die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet +van den heiligen Michael, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als +doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift +schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige +hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij +deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van +het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank +der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, +waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da +Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, +die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, +waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze +dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij. + +Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te +vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu +het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen +van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, +bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij +mij. Ik draag de veer van den engel Gabriel, opdat die niet bederft, +in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een +ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor +het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje +met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de +kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is +maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo +binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U +de kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het +vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen +bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen. + +Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te +aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt +met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat +het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden +zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde +de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade +geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter +offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de +hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen +de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, +dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden +vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan +tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, +deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen +blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de +preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, +door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij +dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken +was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden +uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar +niet minder opbracht dan dien dag de kolen. + +Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak +en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en +over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag +haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste +dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, +dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna's te regeeren en +te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit +is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon +aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen +van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien +gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan +doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik +zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den +hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, +zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna: + +Waardige donna's. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke +bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat, +als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te +geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, +of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen +vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen +buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij +voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de +getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste +daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te +spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca +er mij aanleiding toe gaf, _over de streken, die of uit liefde of tot +hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die +het al of niet merkten_. Het behandelen van deze stof scheen aan elk +der donna's slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde +te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna's. Ik ken het onderwerp, +dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij +wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de +tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk +verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van +dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten +zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid +aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw +eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat +niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en +anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen +om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van +af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest +bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het +door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden +zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit +door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood +kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, +dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou +men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom +niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer +aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot +uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet +spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, +die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder +met goed geluk een mooi verhaal doen. + +Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren +gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan +het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond +nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen +derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, +zeide Elisa, die de andere donna's geroepen had. Daar wij hier zijn, +heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik +meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt +en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve +nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen +te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er +zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De +donna's antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun +dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de +jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een +mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door +een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere +beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder +op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen +beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij +later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden +zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij +een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek +meer dan een halve mijl, omringd door zes kleine bergen niet al te +hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een +schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht +naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top +van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds +meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar +het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, +amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere +vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de +vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met +eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De +vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames +waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen +en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de +beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, +drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene +weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, +wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een +der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen +viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer +aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver +scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in +de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het +vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje +gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, +als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de +borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde +in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te +doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En +niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar +zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het +meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer +schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van +ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, +waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten. + +Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben +rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en +zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar +zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te +blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij +zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun +lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode +roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder +dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij +hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet +konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na +eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen +was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis +aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea +sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, +vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden +aanvangt! [142] Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen +en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, +die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, +liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen +de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen +deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij +er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, +keerden zij huiswaarts, waar zij de donna's dansende vonden, op een +wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over +de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan, dat de +koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden +morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien +men er wilde slapen of s'esta houden. Hierna liet hij lichten komen, +wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te +maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, +keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, +jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu +wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, +dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij +dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus: + + + Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen, + Kan ik nauwelijks gelooven, + Dat niet een andere klauw mij grijpt. + + Ik ging heel jong in uw oorlog + Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was, + En ik legde al mijn wapens neder + Als hij die vertrouwen heeft: + Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek, + Gij waart mij op de hielen + Met uw wapens en uw wreede nagels. + + Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens + Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven, + Vol bittere tranen en smarten, + Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld; + En zijn heerschappij is zoo wreed, + Dat nooit zuchten hem bewogen + Noch klachten, die mij dooden. + + Al mijn gebeden vervaagt de wind. + Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren + Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur + En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven. + Heer, heb medelijden met mijn smarten + En doe, wat ik niet vermag + Lever mij hem over in uw ketenen. + + Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans + De banden geknoopt door de hoop. + Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt, + Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen + Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen, + En als de smart verdwijnen zal, + Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen. + + +Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd +en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand +raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, +liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den +dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar +reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, +dat elk zou gaan rusten. + + + + + +Zevende Dag. + + _De zesde dag van de_ Decamerone _eindigt, de zevende vangt + aan. Onder het bewind van Dioneo wordt gesproken over de + streken, welke de vrouwen, gedreven door liefde of tot hun + redding tegenover hun echtgenooten hebben uitgehaald, die + het al of niet merken._ + + +Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij +Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen +de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf +om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, +dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt +en hij liet al de donna's en de jongelieden volgen. Ternauwernood +schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit +was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo +lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid +gingen zij tot aan de Vallei der Donna's, waar, omdat zij door nog +meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over +hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen +hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur +meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn +en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet +werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong +steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet +overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het +dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige +laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, +zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke +scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot +kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, +begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, +toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die +allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten +met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien +dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen +van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen was, +dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden +niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij +zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia +zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij + wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook + is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken + houdt op._ + + +Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u +had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, +maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, +doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna's. Ik zal u iets verhalen, wat +u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en +het meest voor een spook, waarmee ik--God weet het--niet bekend ben, +en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen +evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis +onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren. + +Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een +fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak +dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot +koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor +hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld +man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de +een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel +mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater +noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van +Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke +gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote +zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde. + +Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter +van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, +die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di +Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij +regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer +mooie plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen +zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en 's ochtens naar +zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer +verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende +den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij +geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en +slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den +nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, +dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, +stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem +moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van +zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij +zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer +hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht +bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie +keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar +Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch +eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee +groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was +de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten +vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de +twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche +eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men +in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was +soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest +neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van +een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid +te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni +er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, +toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde +het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, +welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde +en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of +ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten +tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de +elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat +men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, +deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, +dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt +men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, +waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, +zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er +niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: +Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het _Te Lucis_ +en de _Intemerata_ en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar +bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises +in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij +niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen. + + + +De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, +stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot +den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou +mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er +bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik +weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te +Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, +voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, +een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg +beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den +moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, +dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen +samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen +zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, +zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat +'s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den +tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene +tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je +mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch +aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, +en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, +en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, +dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: +Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, +ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had +met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging +den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, +droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak. + +Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, +dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd +had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag +gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en +dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en +dat de donna het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, +want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God +hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop +heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner +buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar +was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met +Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello +heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan +Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna's, staat het aan U +van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee +bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, +gelijk gij--hoop ik--gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar + man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, + zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er + in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze + springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, + terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich + thuis brengen._ + + +De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het +gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd +was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: +Zeer geliefde donna's. De bedriegerijen, die de mannen jegens U +uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer +soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn +en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, +maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, +dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, +wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, +dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen +bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de +mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal +zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En +aldus wil ik U vertellen wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook +in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde. + +Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en +begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar +en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een +aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich +zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, +namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest +opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om +hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en +die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, +in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello +Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en +bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij +gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur +van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, +wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij +mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij +spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou +hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze +van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, +want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd +en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij +U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in +dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello +kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide +stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg +naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie +U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, +waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn +rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht +niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat +voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich +niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, +zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende +handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon +zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op +wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden +jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, +die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er +is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan +hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik +goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als +de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik +er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij +groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, +maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en +gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: +Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb +ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, +dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, +maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand +brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij +zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis +heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor. + +Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man +zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf +goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de +deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb +verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het +heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en +hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met +God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, +terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging +heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze +zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook +voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij +niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: +Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben +ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het +aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel +gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat +schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in +hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat +voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik +neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom +zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon +maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn +hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een +schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En +Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door +den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met +den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, +daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot +onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog +niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die +de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde +velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk +gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was +liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, +manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die +er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies +waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot + vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, + dat hij de wormen van het zoontje bezwoer._ + + +Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden +te spreken, of de ondeugende donna's lachten er om en deden of het om +iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd +was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: +Bekoorlijke donna's. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij +een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, +die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, +maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt. + +Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van +voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone +buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te +vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat +hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger +was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben +gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde. + +Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar +te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling +te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen +had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij +had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er +ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar +verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, +die hij zijn petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het +kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er +behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en +sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen +meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen +zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet +te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en +in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met +opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is--laat staan, +dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten +vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met +reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en +andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen +maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk--zij +schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men +niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober +leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij +ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men +als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen +behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, +dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, +het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten +maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op +na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles +van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven +en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is +voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate +Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken +en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan +eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag +door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate +Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, +wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: +Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde +frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben--en +ik zal dit vlug doen,--zal ik U een man schijnen als de rest en +geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, +die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat +dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik +doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, +als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw +over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, +die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De +donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de +broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, +zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, +bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig +geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, +dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze +opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap +stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen. + +Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de +argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo +bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, +zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar +het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de +deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit +geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, +klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, +die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, +wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, +dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, +toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, +zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo +vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk +overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en +luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de +mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, +of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed +gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo +onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, +zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas [143] +dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat? + +O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat +ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem +op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die +het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want +ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij +hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet +wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel +op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van +het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en +opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat +hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd +hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas +geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij +slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: +Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik +zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak +aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor +ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide +frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij +behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem +tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was +tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens +bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, +betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in +zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het +en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet +één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en +haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had +geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader +naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant +er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen +hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden +en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, +die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop +hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, +toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer +heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen +en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer +in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen +samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet +hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden +opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan. + + + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet + bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij + zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er + heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem + met luid geschreeuw._ + + +Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde +hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij +zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, +hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw +oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, +dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw +sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de +Uwe. Verliefde donna's, ik zal U een list vertellen aangewend door +een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren. + +In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone +vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten +waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer +verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen +daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, +waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman +haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne +verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij +kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon +hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe +aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf +zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door +zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis +te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het +zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige +echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij +het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de +donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, +terwijl hij sliep. Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, +zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen. + +De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem +aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat +van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den nacht. Tofano +stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, +totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat +hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij +het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde +met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, +gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, +keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier +terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren +die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de +liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, +omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een +harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht +sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, +dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, +die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en +zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man +maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den +geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor +ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, +zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal +iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten +en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in +ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, +wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel +van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, +ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, +gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En +bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den +ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een +grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw van +_God vergeve het mij_ er in vallen. De steen op het water ploffend +maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er +in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put +om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had +verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in +huis, sloot het van binnen, ging naar de vensters en zeide: Men moet +bijtijds water in zijn wijn doen. + +Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar +hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem +stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem +toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij +komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, +het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je bent en op welk +uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te +beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, +opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was. + +De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die +me 's avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en +daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar +nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem +buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van +den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had +plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: +Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan +en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, +dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand +kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, +dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich +in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich +werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig +water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren +gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij +de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de +ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van +de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij +hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij +tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning +en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie +in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw +voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna +in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit +meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar +haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus +als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En +leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de + biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, + die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man + bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over + het dak binnen komen en blijft met hem._ + + +Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen +had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, +om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar +op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele +donna's. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een +ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral +wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En +als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf +voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die +een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen +zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun +dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en +de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen +eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, +de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk +God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de +burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk +welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde +van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; +integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen +meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe +groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen +zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte +aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen +maar prijzen. + +Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, +die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar +en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield +en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te +behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen +schoon moest voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te +behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door +zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, +dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders +met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar +geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en +durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven +zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, +naarmate zij zich minder schuldig voelde. + +Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot +haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar +dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd +te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor +haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in +het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in +de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, +als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, +indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar +treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was +gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, +zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, +dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, +wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide +tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn +wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar +welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk +heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe +en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine +steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om +te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En +hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid +had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer +blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij +keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij +niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen +echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar +man, dat, als het hem beviel, zij 's ochtends naar de kerk wilde gaan +biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen +doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij +wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig +ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega +als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij +zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden, +die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij +vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan +naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten +bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen +en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, +maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen +de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van +den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, +ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al +met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een +gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, +welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in +het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen +hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij +haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond +tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel +mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver +over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij +door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij +tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester +is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij +hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche +had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een +weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins +ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij +gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht +met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een +messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte +hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en +zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe +zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, +zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam +de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen +deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij +tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die +opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en +zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak +de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet +zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, +omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen +absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, +want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven +zou het te kunnen, zou ik het U zeggen. + +De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, +want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen +om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien +zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee +voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, +want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, +dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders +dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen +doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, +want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over +zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er +in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De +nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den +priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken +om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna +zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad +feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, +wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had +in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, +tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond +elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten +en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar +bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, +ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit +vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen +gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den +loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij +vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: +Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard +heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had +alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, +opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig +scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij +naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het +aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, +treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen +nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester +kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de +gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op +en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders +kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen +jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien +naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, +die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen +was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De +nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de +deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans +waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met +een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde +het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: +Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten +wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn +tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten +bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, +sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, +die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over +verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn. + +De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte +en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat +leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens +naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het +oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en +daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn +list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen +in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester +herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in +het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, +gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te +weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij +er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in +geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester +liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot +priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis +voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik +zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer +waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, +dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet +bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht +hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur +gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan +avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; +en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik +U horens wilde doen dragen en gij honderd oogen hadt gelijk thans twee, +ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden. + +De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te +hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor +goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor +had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de +sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak +te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte +zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, + ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis + komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand + tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto._ + + +De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, +dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen +echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon +te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de +menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit +schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories +en ik heb plan het nog meer te bewijzen. + +In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van +een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van +spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd +op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd +goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of +zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze +donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij +haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar +met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, +daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang +was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna Isabella, +was 's zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen +gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard +was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan +Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer +Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel +alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De +meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar +roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, +die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar +zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar +zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot +messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor +hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij +messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; +na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De +donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, +ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen. + +De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er +niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij +de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel +buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de +meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de +kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, +dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er +twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen +houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor +verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, +nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij +mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij +doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, +woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik +hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets +wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard +gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio +zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en +met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel +als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, +deed hij, gelijk de donna hem bevolen had. + +Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het +sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio +toornig de trap afkomen en verwonderde zich en zeide: Wat is dat, +messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette +en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal +hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, +vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: +Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die +de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, +ik heb nog nooit zoo'n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman +binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de +hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: +Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik +stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er +aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de +woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij +binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, +daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na +veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, +gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, +als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer +onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht +zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: +Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: +Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had +gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De +ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De +jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik +bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, +omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan +het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en +kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, +heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, +wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, +liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar +de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer +Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later +over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou +komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken. + + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar + toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats + en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen + en ranselt Egano in den tuin af._ + + +De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar +gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, +sprak: Verliefde donna's. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U +een niet minder mooi verhaal te kunnen doen. + +In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was +geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van +zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij +op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond +hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar +hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, +mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, +met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen +een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en +Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat +hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit +een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de' Galluzi [144] +van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, +die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen +Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde +hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij +niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te +blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, +alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin +gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar +de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en +ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer +vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, +voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht +van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij +misschien kon gedaan krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn +paarden, regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij +hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, +dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard +sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit +gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien +als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had +hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn. + +Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende +zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, +dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij +hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was +en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog +niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer +geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die +haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer +blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen +alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek +hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik +U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was +de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de +genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd +bij dit: _door de genegenheid, die gij voor mij gevoelt_ door haar, +die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet +dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde +zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: +Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat +vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De +donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er +op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn +oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, +hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en +daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem +in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in +de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, +zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd +te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar +tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden +en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te +prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had! + +De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden +schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat zij begon +te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; +noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, +noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit +mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe +woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde +verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee +zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op +mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken +kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U +troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal +ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste +hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid +ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de +vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij +vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op +het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich +en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar +borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, +nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde +zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond +niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, +wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het +meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: +Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, +dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die +merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, +had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, +dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, +dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, +dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de +vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon +zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen +wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, +dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou +gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor +mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht +wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw +hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen +Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, +zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed +een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den +voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij was opgestaan en de kamer +uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten +angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon +om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, +die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel +zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld. + +Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij +genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, +dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich +weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok +nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen +om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden +en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen +en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een +grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, +die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem +toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, +dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor +duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, +die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino +zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal +het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen +beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna +vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet +geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een +stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw +ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben +afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U +zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef +stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen +met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, +dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen +dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs +stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, +dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over +dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende +gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, +wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij +Egano in Bologna te blijven. + + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich + 's nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar + tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den + minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw + op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien + hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn + vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen._ + + +Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest +was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de +angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich +tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: +Schoone donna's. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan +die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik +mij er wel door te slaan. + +In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio +Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door +een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw +trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, +daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig +bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar +lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en +alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio +er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter +wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep +nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor +gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan +Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus +te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij +gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk +sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis +laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te +weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van +haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan +het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend +onder de dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van +haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, +als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, +als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, +zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet +behoefde te wachten. + +Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij +soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat +op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed +stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, +dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich +zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het +venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, +bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet +lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio +werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto +sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, +nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu +was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur +opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio +moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen +ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds +naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde +zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend +had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, +dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto +was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles +wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats +op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen +kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou +aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou +hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de +kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, +wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht +tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, +waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan +zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn +thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, +boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, +maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de +vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen +en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, +dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar +de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden +toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te +meer, omdat zij soms riep: _Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!_ +En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo +verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere +vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, +sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, +maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen +en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou +eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis +blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten +en ging weg. + +Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte +zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel +verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar +kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van +Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in +orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand +had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij +een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon +zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, +naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, +dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, +zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten +hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij +op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat +hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, +stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter +hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij +haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren +zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken +en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio +op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet +dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden +boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook +zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar +had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen +waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie +is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, +slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God +helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; +wat zoekt gij alle drie op dit uur? + +Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, +terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren +bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom +Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij +niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet +zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio +keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had +en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de +broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, +wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw +groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt +gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, +zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na +Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren +uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar +dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en +laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en +allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam +heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U +op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of +misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van +haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken +waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, +Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten +niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een +droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets +zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, +dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken +en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, +gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader +uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben +en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan +een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in +de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls +tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, +dat hij, als hij goed dronken is, met zoo'n treurig schepsel gaat +slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al +die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de +haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen +geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is +hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, +ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden +van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen. + +Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis +van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, +want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, +het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij +mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet +worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van +het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, +met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, +als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen +hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: +Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of +dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden +zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi +met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde +van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van +Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, +dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het +geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem +zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich +naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, +hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van +vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, +voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik +mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, +die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio +de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was +en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er +je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, +want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het +U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een +dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder +er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam +niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich +den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen +zonder eenige vrees voor haar echtgenoot. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar + te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, + en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid + van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, + wat hij gezien heeft._ + + +De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna's zich niet +konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning +meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne +te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige +donna's, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, +dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in +tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer +te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin +gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik +U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, +omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op +de wereld even dwaas zijn. + +In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere +koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus +aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw +schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, +honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder +de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en +buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven +anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op +hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in +gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of +niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna +ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, +riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen +stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, +moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand +ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben +een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw +kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze +is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd +bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de +jonge donna's het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit als +de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht +gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij +zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en +mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, +dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen +vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed +gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig +een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn +leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen +en hem vragen bij mij te komen. + +De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats +haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, +daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op +de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze +woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder +trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester +mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging +aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: +Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo +dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of +verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de +woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend +verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier +er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder +den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in +mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al +mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als +het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den +mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat +volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te +hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, +ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit +thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, +wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, +dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in +uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, +u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk +een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet +gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, +dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd +en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, +die voor zijn genot beter af is dan gij? Wie zult gij beter voorzien +vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan +haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, +dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht +toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen +en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar +niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars +en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten +de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen +behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of +dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de +trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je +bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en +smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, +geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst +der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien +gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker +op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als +gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over +hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander +antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij +er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde +daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar +ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al +zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit +doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, +die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij +niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat +zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, +ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, +en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen +schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar +Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, +hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig +ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat +hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij +zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen +en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was. + +Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot +middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren +weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid +uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op +den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus op zoo hoogen +prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in +de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij +hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee +mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend +tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen +wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer +zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, +de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, +Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open +vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter. + +Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid +van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat +gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor +Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden +zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft +wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij +bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap +van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin +gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een +paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en +terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar +hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid +te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig +trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit +geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide +zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo'n gezicht! Omdat ik u +misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, +wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo +voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van +den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde +zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor +het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest +zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, +opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als +Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen +en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer +zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts +te houden en dit nooit aan iemand te zeggen. + +De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd +had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de +jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus zeide: Wel zeker, +ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde +de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik +gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het +bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; +ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was +en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen +antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken +tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een +venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, +riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt +er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar +geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom +zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo +voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging +verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; +zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn +zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand +te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, +zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo'n tandarts niet. Zij liet daarom +de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield +zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich +uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, +trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat +die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, +die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van +pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al +zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en +er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en +getroost ging hij de kamer uit. + +De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar +liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die +hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend +uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij +deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten +was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, +vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden +helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en +Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den +voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, +die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, +ik heb grooten lust in een paar van die peren--klim er daarom in en +gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep hij uit den +boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij +u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer +ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch +die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, +wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot +gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Phyrrus sprak: Ik ben +niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer +verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus +antwoordde: Mijnheer, ik droom in 't geheel niet en gij evenmin; +gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer +aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, +wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als +te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke +dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den +perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom +er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus +zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U +op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan +zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, +want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals +gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er +over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen +erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: +Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, +die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, +begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, +schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, +dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den +perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; +en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals +hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij +had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: +Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, +verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, +dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij +nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste +van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen +te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken +zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien +boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij +U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben verschaft, als ik het +U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed. + +Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: +Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij +zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen +gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in +een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor +U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien +het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets +lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over +het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus' +meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, +noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, +haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel +het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die +zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; +want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw +geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl +en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij +tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn +toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend +en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die +hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met +haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften +Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer +gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een + hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte + zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in + de andere wereld._ + + +Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna's +zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen +kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de +eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt en als hij +anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig +om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend +voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht +gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij +allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had +willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook +zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit +verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen +mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De +geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de +dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna's, +dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten +uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, +die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is. + +Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de +een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden +bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij +gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord +van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel +hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden +zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, +zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en +dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio +peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van +zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht +eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke +donna was. Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd +en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door +Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor +den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor +die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante +lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had +geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, +dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, +zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, +zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans +hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het +gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te +werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En +hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn +begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had +zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets bespeurde en zoo +beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio +vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien +zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij +(daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens de +_gedane belofte in de kamer van Meuccio_ en riep hem, die stevig +sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik +ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U +nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, +toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, +mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio +antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden +en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, +zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de +verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde +Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn +en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf +zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg +hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, +door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen +te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, +dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht +Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, +zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge +daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, +geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar +aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten +en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn +schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf +als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met +de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, +en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen +degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer +gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, +mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, +die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: +Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak +gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, +wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen +ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak +hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; +en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met +peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten, +omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als +frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te +verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde. + +Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang +naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den +krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: +Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin +van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen +en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging +zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, +aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat +vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak +naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot +haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou +spreken over de poetsen door donna's gebakken aan hun echtgenooten +en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den +bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U +zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens +hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan +moet denken er van te verhalen, _welke bedriegerijen, gewoonlijk of +de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens +den ander pleegt_ en ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam +zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf +het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna's +en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid +door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone +en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo +en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en +aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met +het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en +zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij +het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een +zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last +van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een +kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen +zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, +zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in +met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen +zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, +bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen +zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van +den kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, +dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij +die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, +dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon: + + + Zie, hoe ongelukkig is mijn leven! + Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren, + In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde? + + Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen, + Dat ik in de borst draag, + Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was. + O mijn geliefde, o mijn eenige rust, + Die mij het hart benauwt: + Ach, zeg het mij, want anderen vragen + Durf ik het niet, en ik weet niet aan wien. + Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen, + Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal. + + Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was, + Dat mij zoo heeft ontvlamd, + Want dag noch nacht vond ik rust, + Omdat het gehoor, het gevoel, het gezicht + Met ongewone kracht + Elk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide, + Waar ik geheel in verzeng; + En geen ander dan gij kunt mij sterken + Of mij de verdwenen moed hergeven. + + Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt, + Dat ik U ooit vinden zal, + Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen. + Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel, + Wanneer gij hier zult komen, + En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen. + Het verbeiden dure kort, + Totdat gij komen zult, en het blijven lang, + Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond. + + Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten, + Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn, + Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan; + Ik zal U houden, wat er ook van kome. + En aan Uw zoeten mond + Zal ik mijn verlangen voldoen. + + Ik wil er thans niets meer van zeggen. + Kom dan spoedig, kom mij omhelzen + Daar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft. + + +Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en +bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden +scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar +minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap +jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de +koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide +zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna's en gij jongelieden, +dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij +dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin +was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen +wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van +Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij +morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er +van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren +tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome +taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, +begaven zich allen ter ruste. + + + + + + +Achtste Dag. + + _De zevende dag van de Decamerone_ eindigt; de achtste vangt + aan. Onder het bewind van Lauretta spreekt men van de streken, + welke de vrouw met den man of de man met de vrouw of de eene + man met den anderen uithaalt. + + +Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen +de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en +herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap +opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden +van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij +den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij +een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met +verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon +den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, +gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen +zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit + aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In + haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar + terugbetaalde._ + + +Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling +aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna's, daar er tot nu +toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben +uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling +den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed +was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, +dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, +evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het +zou goed zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap +te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar +moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden +heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal +toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard +is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde +hiertoe komt--ik ken de zeer groote krachten daarvan--van een niet al +te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden +Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato. + +Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo +(Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de +Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk +terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen +interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan +verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna +Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo +Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte +beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag +te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde +te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, +wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat +Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, +dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, +haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig +had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, +die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn +liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij +peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een +en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, +wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en +zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop +hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna +was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor +zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit +nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar +Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, +welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij +dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld. + +Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij +berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd +goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar +had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd +goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel er bij was +en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, +als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, +waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om +zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen +gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, +hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, +dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde +ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben +geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen +Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij +te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot +Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, +had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug +en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo +vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er +bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; +ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, +het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo +vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den +gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar +zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar + zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft + dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand + liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken._ + + +De heeren zoowel als de donna's prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de +gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo +keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: +Schoone donna's. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen +gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen +kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een heiligen oorlog +[145] tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat +zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer +zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, +dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon +[146] zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun +niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun +moeders, hun zusters, hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, +waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een +dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, +waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters +niet alles gelooven moet. + +Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een +vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, +daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige +bewoordingen 's Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden +vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen +elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij +hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf +hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen +het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna +del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin +was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan +iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan +en zingen: _Het water loopt naar het ravijn_ en beter een rondedans +of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen +met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester +zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar +Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij een _Kyrie_ of een +_Sanctus_ op en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te +schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar +niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist +hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, +noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna +Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein +geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van +welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een +mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen +hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte +hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, +deed of zij het niet merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de +pastoor zijn doel niet kon bereiken. + +Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, +ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem +aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: +Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar +mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet +weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping +mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je +doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en +als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de +riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het +zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, +dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En +nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was +binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, +die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt +welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: +Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad +gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te +zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend +laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat +doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u +niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, +ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: +Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En +weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk +het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: +Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig +zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een +paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt +ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar +waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, +wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal +het gaarne doen. + +Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te +brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen +en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den +woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de +feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee +ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, +wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; +ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat +gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore zoo doet gij allen groote beloften +en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, +die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want +zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze +halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de +kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien +iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en +als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet +bereid was te doen, wat hij wilde zonder een _salvum me fac_ [147], +terwijl hij het wenschte _sine custodia_, [148] zeide: gij gelooft +dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand +dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en +zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat +hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, +die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, +dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en +ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij +weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, +zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar +geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen +had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben +onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt +nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, +terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid +van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij +van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug. + +Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de +aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, +meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw +over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug +zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over +na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden +dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar +Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken +en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore +zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de +pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, +zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij +Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed +terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar +het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij +zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore +hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, +maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand +aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust +heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw +als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets +anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, +ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf +het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer +pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit +meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen +groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan +den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, +wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, +ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw +die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer +over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den +wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, +haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang +en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met +hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de +vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een +schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Calandrino, Bruno en Buffalmacco [149] dalen in de vallei der + Mugnone [150] af om den Heliotroop [151] te zoeken. Calandrino + meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar + huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, + slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter + weten dan hij._ + + +Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna's, +evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa op, dat die +zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna's. Ik zal mijn +best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig +en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne. + +In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge +lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, +Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee +andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke +lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij +van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde +er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch +en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van +Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te +bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig +in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de +schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven +het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst +werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel +te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die +alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te +spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo +stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan +deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het +geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze +zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige +steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in +Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, +waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor +geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar +was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen +staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken +in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van +nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van +den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een +druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, +maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso +antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: +Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan +duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen +is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als +een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet +dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder. + +De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een +uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit +en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, +zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te +zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat +God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van +groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten +steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci +[152], door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het +meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de +genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er +daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de +smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te +middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten +polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, +en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde. + +De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, +van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand +gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar +waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in +de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke +kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte +en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, +deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die +steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, +zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel +hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel +van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij +was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van +Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, +ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, +kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een +betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke +dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed +lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven +om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij +dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien +in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten te gaan, +welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er +van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons +verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk +de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen +zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den +raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen +had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom +antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht +er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, +hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, +maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die +zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno +tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is +nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en +het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor +de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, +daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden +raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen +en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter +morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is +het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van +Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij +den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino +verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden +dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van +Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze +verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen. + +Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den +dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de +San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen +zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig +overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en +bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af +en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de +borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan +het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over +zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel +een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno +zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, +zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem +dichtbij zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: +Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: +het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om +te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den +Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, +zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo +dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn +geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt +gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de +steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet +zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder +iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco +dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno +antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons +niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen +morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, +dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en +raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik. + +Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te +zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de +keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een +mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem +te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op +die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San +Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden +weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze +ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier +van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich +naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de +grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door +de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus +beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, +monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap +en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen +en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer +thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino +merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte +vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: +ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van +de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren +aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen kon, +gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd +te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets +met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen +Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam +achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak +ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, +riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde +zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden +zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol +steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, +doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een +anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een +afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden +zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel +steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar +hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door +het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, +en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, +kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: +Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch +niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met +U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of +den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten +en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker +zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden +deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet +boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en +wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste +maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en +daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de +stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde +hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde +hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik +de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, +hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op +straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken +en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof +zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, +vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp +hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van +Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel +geslagen, als ik maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik +haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar +zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, +wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno +deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino +zeide en hadden zoo'n grooten lachlust, dat zij haast stikten, +maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde +slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna +er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van +de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, +op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat +geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen +of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En +na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en +vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet + bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar + dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen + door den bisschop._ + + +Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot +genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar +Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; +deze begon: Waardige donna's. Hoe de priesters, de broeders en alle +geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen +aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er +blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, +die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, +doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende. + +Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien +kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, +heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde +een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te +groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar +twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van +de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer +jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich +niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij +haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem +ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen +temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en +manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en +hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel +aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet +mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de +slimme vrouw: + +Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal +u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars +voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den +ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben +geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, +hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet +kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit +vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, +toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, +maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met +brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk +zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en +zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor +zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, +wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te +doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij +een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen +dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar +te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij +een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat +hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna +na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen +kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, +eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo +om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn +voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, +de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en +om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo +terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel +heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden +zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer +weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer +kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; +ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar +zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna +antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht +en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; +daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme +en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit +wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, +maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje +kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed +voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons +gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één +ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: +Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij +vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te +hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen. + +Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het +misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven +mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en +had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat +zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole [153] +maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef +aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd +gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza [154] genoemd. Hoewel +zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot +haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik +u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, +antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen +en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn +bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet +wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u +slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van +een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee +jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging +de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed +en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de +donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn armen en begon +haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij +begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte. + +Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de +rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit +de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun +gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte +groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met +hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met +hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te +zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot +genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden +de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, +dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, +dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De +bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, +ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar +de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich +gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor +vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen +de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de +provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost +richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, +werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde +hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, +met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, +werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op +bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden +om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de +bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De +jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, +prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het +bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals +hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf +op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen +beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder +door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met +Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek +van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden +provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, + terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit._ + + +Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen +geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u +is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat +hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna's. De jongeling, waarvan +Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert +mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel +er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin +zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen. + +Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls +Marcezaansche schouten [155], die gewoonlijk menschen met weinig +gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, +dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en +hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, +die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een +touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als +baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van +San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en +die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar +er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken +hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en +keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde +vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl +hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen +in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, +aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat +was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn +beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid +open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, +ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi +en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: +Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het gerechtshof, +waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging +met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek. + +Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter +bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, +zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat +de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat +men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot +zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want +dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk +was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof +vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de +bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten +zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem +bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, +deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid +u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, +weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij +van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen +maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen +kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een +bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op +te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en +praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En +als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, +die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, +die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen +hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet +uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de +rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, +stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig +het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel +de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde +iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer +bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi +aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt +mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke +kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente. + +En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, +dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek +afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben +vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder +te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, +zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, +die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug +komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als +zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken +in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker +werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd +hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, +zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te +Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer +zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, +maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, +dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners +wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon +krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter +te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Bruno en Buffalmacco stelen van Calandrino een zwijn. Zij + geven hem hoop het weer te vinden met gemberpillen en witten + wijn en geven hem er twee van, als die voor de honden in + aloë gekonfijt en het schijnt hem, dat hij het zelf heeft + geroofd. Zij laten hem er voor betalen, indien hij niet wil, + dat zij het aan zijn vrouw zeggen._ + + +De novelle van Filostrato, waarover zeer werd gelachen, was nog niet +uit of de koningin beval aan Filomene, dat zij zou volgen, die aldus +begon: Genadige donna's. Daar Filostrato door den naam Maso er toe +werd aangetrokken de geschiedenis te vertellen, die gij hebt gehoord, +zoo ben ik er toe geneigd door die van Calandrino en zijn metgezellen +U een andere van hen te vertellen, die, naar ik geloof, U zal behagen. + +Het is niet noodig, dat ik U zeg, wie Calandrino, Bruno en Buffalmacco +waren, omdat gij daarvan genoeg hebt gehoord en daarom zeg ik alleen, +dat Calandrino een klein buiten had niet ver van Florence, dat hij +van zijn vrouw als bruidschat ontvangen had. Onder de inkomsten, +die hij daaruit trok, kreeg hij elk jaar een varken. Het was zijn +gewoonte in December met zijn vrouw daar heen te gaan en het varken +te slachten en in te zouten. + +Calandrino ging eens, toen zijn vrouw alleen was, alleen het zwijn +slachten. Toen Bruno en Buffalmacco wisten, dat zijn vrouw niet mee +ging, begaven zij zich naar een priester, een zeer goed vriend van +hem, een buurman van Calandrino om een dag of wat bij hem door te +brengen. Calandrino had den morgen, toen zij aankwamen, het varken +gedood. Toen hij ze bij den pastoor zag, riep hij ze en sprak: Wees +welkom en ziet, hoe goed ik het huishouden kan waarnemen. Na ze in +huis te hebben geleid, toonde hij hun het varken. Zij zagen, dat het +zeer mooi was en hoorden van hem, dat hij het voor zijn huishouden +wilde inzouten. Bruno sprak: Wel, wat zijt gij dom! Verkoop het +en laat ons van het geld plezier hebben en zeg aan Uw vrouw, dat +men het gestolen heeft. Calandrino antwoordde: Neen, dat gelooft ze +niet en ze zou mij het huis uitjagen; dat doe ik nooit. Zij praatten +genoeg, maar het hielp niets. Calandrino noodigde hen gulweg tot het +avondmaal uit; zij gingen evenwel weg. Bruno zeide tot Buffalmacco: +Willen wij vannacht dat varken van hem stelen? Buffalmacco antwoordde: +Och, hoe zullen wij dat kunnen? Bruno sprak: Hoe, dat weet ik wel, +als hij hier maar niet weggaat. Buffalmacco zeide: Laten wij het dan +doen? En later zullen we er met den pastoor plezier van hebben. De +pastoor zeide, dat het hem zeer beviel. Toen sprak Bruno: Men moet +hier een weinig listig te werk gaan; gij weet, Buffalmacco, hoe gierig +Calandrino is en hoe hij gaarne drinkt, als een ander betaalt. Laat hem +naar een taveerne brengen en daar zal de pastoor doen, of hij alles +betaalt om ons en hem eer te bewijzen. Hij zal zich dronken drinken +en dan zullen wij onze kans waarnemen, omdat hij alleen thuis is. Zoo +gezegd, zoo gedaan. Calandrino, die zag, dat de priester betaalde, +begon duchtig te drinken en hoewel hij er niet veel van noodig had, +nam hij er toch een goede lading van in en daar het al laat was, toen +hij de taveerne verliet, trad hij binnen zonder te eten, geloofde de +deur gesloten te hebben, liet die open en ging naar bed. + +Buffalmacco en Bruno gingen met den priester avondmalen en daarna +namen zij zekere gereedschappen mede om heimelijk in het huis van +Calandrino binnen te dringen, waar Bruno het had aangewezen. Toen zij +de deur open vonden, haakten zij het varken af, droegen dit naar het +huis van den pastoor, en gingen slapen. Calandrino, dien de wijn uit +het hoofd was gegaan, stond 's ochtends op en toen hij beneden was, +keek hij, zag het varken niet en de deur open. Daarom vroeg hij aan +iedereen of ze het varken gezien hadden en toen hij het niet vond, +schreeuwde hij: Wee mij, ongelukkige! Bruno en Buffalmacco stonden +op en gingen naar Calandrino om te hooren, wat hij van het varken zou +zeggen. Zoodra hij hen zag, zeide hij klagend: Wee mij, mijn vrienden, +het varken is mij ontroofd. Bruno sprak zachtjes: Het is een wonder, +dat gij één keer wijs zijt geweest. Wee mij, riep Calandrino, want +wat ik zeg, is waar. Vertel dit maar, sprak Bruno, en schreeuw het +zoo hard, dat het schijnt, dat het zoo is gebeurd. Calandrino klaagde +toen nog harder en zeide: Bij het Lichaam van God, ik zeg de waarheid, +en Bruno hernam: Zeg dat maar en indien gij het zoo wilt vertellen, +schreeuw dan hard en doe denken, dat het waar is. Calandrino sprak: +Gij zult mij aan den duivel overleveren. Gij gelooft mij toch niet; ik +zal opgeknoopt worden, als het niet geroofd is. Toen sprak Bruno; Kijk, +hoe is dat mogelijk! Ik zag het nog gisteren. Meent gij mij te kunnen +wijs maken, dat het gestolen is? Calandrino sprak: Het is, zooals ik +u zeg. Hè, hernam Bruno, hoe kan dat zijn! Zeker, zeide Calandrino, +zoo is het, en ik weet niet, hoe ik naar huis zal komen. Mijn vrouw +zal mij niet gelooven en als zij het toch doet, zal ik het heele jaar +geen vrede meer met haar hebben. Toen sprak Bruno: God beware mij, +het is leelijk genoeg, maar gij weet, Calandrino: ik raadde u gisteren +aan aldus te spreken en ik zou niet willen, dat gij tegelijkertijd uw +vrouw en ons voor den mal houdt. Calandrino begon te schreeuwen: Wel, +waarom maakt gij mij wanhopig en doet mij God en de heiligen en al, wat +er is, lasteren. Ik zeg u, dat het varken vannacht van mij gestolen is. + +Toen sprak Buffalmacco: Als het toch zoo is, moeten wij een middel zien +te vinden om het terug te hebben. En welk middel, sprak Calandrino, +is er dan? Buffalmacco hernam: Er is zeker niemand uit Indië gekomen +om het varken van u te stelen; het moet dus een van uw buren geweest +zijn en als gij die bijeenroept, zal ik de brood- en kaas-proef nemen +en wij zullen dadelijk zien, wie het gestolen heeft. Ja, sprak Bruno, +gij zult wel de proef kunnen doen, want een uit den omtrek moet +het gestolen hebben, maar men zal het gewaar worden en niet hier +komen. Hoe moeten wij dan doen? sprak Buffalmacco. Bruno antwoordde: +We moeten ze uitnoodigen en goeden, witten wijn met gemberpillen +te drinken geven. Ze zullen er dan niet aan denken en aldus zullen +wij de gemberpillen kunnnen zegenen zoo goed als het brood en de +kaas. Buffalmacco zeide: Dat is goed en gij, Calandrino, wat zegt gij +er van? Wat zullen wij doen? Calandrino sprak: Ik bid U er om bij de +liefde tot God. Want als ik wist, wie het gestolen heeft, zou ik al +half getroost zijn. Goed, hernam Bruno, ik ben bereid daarvoor naar +Florence te gaan, indien gij mij geld geeft. Calandrino had misschien +veertig stuivers, welke hij hem gaf. Bruno, die naar een intiemen +vriend te Florence ging, kocht een pond flinke gemberpillen en liet +er twee van het soort voor honden maken, die hij in deeg van aloë liet +doen. Hij liet ze vervolgens in suiker rollen evenals de anderen en om +ze niet te verwarren gaf hij ze een merk. Hij kocht een flesch goeden +witten wijn, keerde in het dorp naar Calandrino terug en zeide: Gij +moet morgen degenen bij U te drinken vragen, tegen wien gij argwaan +hebt; het lijkt dan een feest; iedereen zal gaarne komen en ik zal +vannacht met Buffalmacco de bezwering over de pillen uitspreken en uit +vriendschap voor U zal ik zelf alles uitvoeren. Calandrino deed dit. + +Toen hij een heel gezelschap van florentijnsche jongelieden en van +boerenarbeiders had verzameld, ging hij den volgenden morgen voor +de kerk bij den olm staan, en kwamen Bruno en Buffalmacco daar met +een schotel pillen en met den wijn en na ze in een kring geplaatst +te hebben, zeide Brano: Heeren, ik moet U de reden zeggen, waarom +gij hier zijt, opdat, als er iets onaangenaams voorvalt, gij U niet +zult beklagen. Aan Calandrino werd gisteren een mooi varken ontstolen +en men weet niet, wie het heeft gedaan en daar een van ons het moet +hebben weggenomen, geeft hij om dien te ontdekken U deze pillen en +dezen wijn. Wie het varken stal, zal de pil niet opeten, maar die zal +hem bitterder smaken dan venijn. Hij zal haar uitspuwen en opdat die +schande hem in tegenwoordigheid van zoovelen zal aangedaan worden, +is het daarom misschien beter, dat diegene het boetvaardig aan den +pastoor zegt. Elk van hen zeide, dat hij gaarne de pil wou slikken; +daarom, nadat Bruno Calandrino tusschen hen geplaatst had en hij bij +een der uiteinden van den kring aanving, gaf hij er ieder een. Toen +hij tegenover Calandrino stond, nam hij een der hondenpillen en gaf +hem die. Calandrino deed die snel in zijn mond en begon te kauwen, +maar zoodra zijn tong de aloë proefde, die de bitterheid niet kon +verdragen, spuwde hij die uit. Zij keken elkaar aan om te zien, wie de +zijne zou uitspuwen en daar Bruno nog niet klaar was met het uitdeelen +en deed of hij er niet op lette, hoorde hij achter zich zeggen: He, +Calandrino wat is dat? Hij keerde zich snel om, zag, dat Calandrino de +zijne had uitgespuwd en zeide: Wacht, misschien deed een andere reden +hem die uitspuwen; neem een andere en nadat hij de tweede genomen had, +stopte hij hem die in den mond en gaf de tweede rond, die hij nog had. + +Zoo de eerste aan Calandrino bitter leek, scheen de tweede nog +bitterder, maar toch schaamde hij zich die uit te spuwen. Hij hield +haar kauwend in den mond hoewel met tranen in de oogen, daar het hem +zeer pijnlijk scheen. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden, en +spuwde die ook uit. Buffalmacco liet het aan het gezelschap en Bruno +drinken; dezen, die dit met de anderen te samen merkten, zeiden, dat +Calandrino het zeker zelf had gestolen en er waren er onder, die hem +dit hevig verweten. Maar toen Bruno en Buffalmacco met Calandrino waren +achter gebleven, zeiden zij tot hem: Wij waren er wel zeker van, dat +gij het zelf hebt gedaan en dat gij ons hebt willen wijs maken, dat het +u ontstolen was om geen rondje te geven van het geld, dat gij daaruit +geslagen hebt. Calandrino, die de bitterheid van de aloë nog niet had +uitgespuwd, begon te zweren, dat hij het niet had gedaan. Buffalmacco +zeide: Maar wat hebt gij er voor gehad, grappenmaker, te goeder +trouw? Hebt gij er zes florijnen aan verdiend? Calandrino, die dit +hoorde, begon te wanhopen. Hierop sprak Bruno: Hoor, Calandrino, +in het gezelschap was er iemand, die zeide, dat gij hier een jonge +vrouw tot uw beschikking hield en haar alles geeft en dat hij vast +geloofde, dat gij dien het varken gestuurd hebt; gij kunt anderen +goed misleiden. Gij hebt ons eens naar de Mugnone gebracht om zwarte +steenen te verzamelen en toen gij ons op de galei hebt gezet zonder +scheepsbeschuit, zijt gij er vandaan gegaan. Met uwe eeden gelooft +gij op een andere manier ons wijs te maken, dat het varken, hetwelk +gij hebt weggeschonken of verkocht hebt, u is ontstolen. Wij kennen +nu uw grappen en gij zult ze ons niet meer leveren en daarom, om u +de waarheid te zeggen, hebben wij die proefneming gedaan, daar wij +wenschen, dat gij ons twee paar kippen geeft of wij vertellen alles +aan monna Tessa. Calandrino, die zag, dat het niet werd geloofd en +genoeg leed had, wilde niet den naijver van zijn vrouw op den koop +toe hebben en gaf hun twee paar kippen. Toen zij het varken hadden +gezouten, droegen zij het naar Florence en lieten Calandrino met de +schade en misleid achter. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Een student bemint een weduwe, welke op een ander verliefd, + hem een geheelen winternacht in de sneeuw laat wachten. Hij + laat haar door zijn toeleg daarna in het midden van Juli + naakt op een toren blijven, blootgesteld aan de muggen en de + paardenvliegen en aan de zon._ [156] + + +De donna's moesten erg lachen om dat ongeluk van Calandrino en zij +zouden dit nog meer hebben gedaan, als het hen niet gespeten had, +dat hem bovendien nog de kapoenen werden afgenomen. Bij het einde +gelastte de koningin Pampinea te vertellen en zij begon aldus: Zeer +geliefde donna's. Het gebeurt heel dikwijls, dat list met list wordt +overwonnen en daarom is het niet verstandig zich er in te verheugen +anderen te misleiden. Wij hebben bij vele geschiedenissen over de +uitgehaalde streken gelachen, maar nooit werd daarin gesproken van +wraakoefening. Nu ben ik van plan met medelijden te spreken over +een rechtvaardige boete, waarin een onzer burgeressen een grap haast +met den dood moest betalen, daar deze zelf misleid werd en de list +zich tegen haar keerde. Dat te hooren zal voor u van groot nut zijn, +omdat gij u wel zult hoeden anderen te misleiden en voorzichtigheid +te betrachten. + +Kort geleden leefde er in Florence een jonge vrouw, schoon van lichaam +en trotsch van ziel, van zeer edele geboorte, bekoorlijk en begiftigd +met de goederen der fortuin, Elena genaamd. Zij bleef als weduwe achter +en wilde niet hertrouwen, daar zij op een schoonen en naar haar keus +aardigen jonkman verliefd was. Van elke zorg bevrijd verheugde zij +zich met behulp van haar meid, waarin zij veel vertrouwen stelde, +verscheidene malen met hem. Intusschen keerde een edele jonkman, +Rinieri, uit onze stad, die lang te Parijs had gestudeerd, vandaar +terug, niet om zijn wetenschap voor geld weer te verkoopen, gelijk +velen doen, maar om de reden en de oorzaak der dingen te doorgronden, +wat een edelman ten zeerste past. Hij leefde als burger en zeer geëerd +om zijn adel en om zijn geleerdheid. Maar zooals dikwijls plaats heeft, +dat zij, die de meeste kennis hebben, zich het lichtst door de liefde +laten verdwazen, geschiedde dit met Rinieri. Toen hij tot ontspanning +naar een feest was gegaan, verscheen daar Elena voor zijn oogen, in +het zwart gekleed, gelijk onze weduwen loopen, naar zijn oordeel zoo +schoon en bekoorlijk, als hij er nog nooit een scheen gezien te hebben +en hij meende, dat hij zich gelukkig mocht noemen, aan wien God de +gunst schonk haar naakt in de armen te sluiten. Hij zag haar dikwijls +aan en daar hij wist, dat groote en dure dingen niet zonder moeite te +verkrijgen zijn, besloot hij alles aan te wenden om haar te behagen, +opdat hij daardoor haar liefde zou veroveren en ten volle genieten. De +jeugdige donna, die de oogen niet steeds naar de hel hield gericht +[157] maar die, zich hooger achtend dan zij was, ze gekunsteld deed +rondstaren, merkte spoedig genoeg op, wie in haar behagen schepte. Toen +zij Rinieri gewaar werd, sprak zij lachend in zichzelf: + +Ik ben hier heden niet vergeefs gekomen, want als ik mij niet vergis, +zal ik een haantje bij den snavel hebben genomen. Zij begon hem te +begluren en deed haar best hem te toonen, dat zij op hem gesteld +was. Want zij dacht, dat hoe meer zij hem inpakte en behagen in hem +toonde, hoe meer haar schoonheid op prijs zou worden gesteld. De +geleerde student, die de wijsgeerige gedachten terzijde had gesteld, +richtte zijn gansche ziel tot haar meenend, dat hij haar bekoorde. Hij +wist er verschillende redenen voor te vinden haar huis voorbij te +gaan. De donna door de al genoemde oorzaak was er zoodoende zeer +trotsch op en liet blijken, dat zij hem gaarne zag. De student vond +aldus een middel zich met haar dienstmeid te verstaan, openbaarde +haar zijn liefde en bad haar, dat zij zoo zou te werk gaan, dat hij +de gunst der donna zou verwerven. De meid beloofde dit, vertelde +het haar donna, die haar met het grootste gelach aanhoorde en zeide: +Ziet, waar die zijn verstand ging verliezen, dat hij van Parijs heeft +meegebracht! Laten wij hem geven, wat hij zoekt en gij moet hem zeggen, +dat ik hem veel meer bemin dan hij mij, maar dat het mij past mijn +eerbaarheid te bewaren, zoodat ik niet als de andere donna's met +ontbloot gelaat kan loopen en hij zal, als hij zoo wijs is, als hij +zegt, mij zeer op prijs stellen. O die ongelukkige! Zij wist niet +goed, mijn donna's, hoe gevaarlijk het is zich met de studenten in +verbinding te stellen. + +De meid vond hem, en zeide, wat de donna haar had gelast. De student +richtte verheugd warmer smeekbeden tot haar en schreef brieven, +zond geschenken en dat alles werd goed ontvangen, maar hij kreeg +slechts een vaag antwoord en zoo hield zij hem langen tijd aan het +lijntje. Toen zij ten slotte alles aan haar minnaar had bekend, die +er een weinig boos en jaloersch over was, zond de donna om te toonen, +dat zijn wantrouwen ongegrond was, haar meid naar den student, die +het haar zeer lastig maakte en berichtte uit haar naam, dat zij nooit +gelegenheid had gehad zijn verlangen te bevredigen, sinds hij haar van +zijn liefde had verzekerd, maar dat hij den volgenden avond--het was +Kerstfeest--als het donker was, op haar binnenplaats zou komen en dat +zij dan, zoo gauw zij kon, naar hem toe zou komen. De student meer dan +welgemoed ging op den vastgestelden tijd naar het huis van de donna +en werd door de meid op de binnenplaats gelaten; zij sloot die en hij +wachtte de donna af. De donna had dien avond haar minnaar laten komen +om aangenaam met hem te vertoeven, vertelde hem, wat zij van plan was +te doen en voegde er bij: Nu kunt gij zien, hoe groot de liefde is, +die ik hem toedraag, op wien gij dwaas jaloersch zijt geworden. De +minnaar hoorde die woorden met groot genoegen aan verlangend te zien +door daden, wat de donna hem met woorden te verstaan gaf. Het had +juist dien dag sterk gesneeuwd en alles was blank, zoodat de student +nog pas kort op de binnenplaats zich kouder begon te gevoelen dan hem +lief was maar in afwachting, dat hij zich zou herstellen, hield hij +dit geduldig uit. De donna sprak na eenigen tijd tot haar minnaar: +Laat ons in de kamer gaan om uit een venster te zien, wat hij doet +op wien gij zoo jaloersch geworden zijt en wat hij aan de dienstmeid +zal antwoorden. Beide gingen dus naar een klein venster en toeziende +zonder zelf gezien te worden, hoorden zij de meid uit een ander tot +den student spreken en zeggen: Rinieri, mevrouw is de bedroefdste donna +van de wereld; vanavond is een van haar broeders gekomen en heeft druk +met haar gesproken; daarna wilde hij met haar avondmalen en is nog +niet weggegaan. Maar ik geloof, dat hij spoedig zal heengaan. Zij kan +natuurlijk niet komen; zij zal het zoo vlug zij kan doen en zij bidt, +dat het U niet hindert te blijven wachten. De student, die geloofde, +dat dit waar was, antwoordde: Gij moet aan mijn donna zeggen, dat zij +zich over mij niet bezorgd maakt, voordat zij op haar gemak bij mij +kan komen, maar dat zij dit zoo spoedig doet, als zij kan. De meid +begaf zich naar binnen en ging slapen. + +Toen sprak de donna tot haar minnaar: Welnu, wat zegt ge? Gelooft gij, +dat, ik als ik wilde, wat gij vreest, zou dulden, dat hij daar beneden +bleef om te bevriezen? Na die woorden ging zij met haar minnaar, +die al ten deele tevreden was, naar bed. Zij vierden samen feest, +smaakten genoegen, lachten om den ongelukkigen student en maakten +er grappen op. De student, die door den binnenhof op en neer ging, +maakte bewegingen om zich te verwarmen, maar had niets om te gaan +zitten of om zich te beveiligen tegen den ijzel en vervloekte het +lang vertoeven van den broeder en bij elk geluid, dat hij hoorde, +geloofde hij, dat het de donna was, die hem zou opendoen; maar hij +hoopte tevergeefs. Zij, die zich tot op de helft van den nacht met +haar minnaar had verheugd, zeide tot hem: Hoe lijkt het je, mijn +ziel, met onzen student? Wat schijnt U grooter zijn verstand of de +liefde, die ik U toedraag? Zal de koude, die ik hem heb doen lijden, +U dat uit het hart doen gaan, wat er door mijn woorden eergisteren +in is gekomen! De minnaar antwoordde: Hartedief, ja, ik erken nu, +hoe gij mijn schat zijt, mijn rust, mijn vreugde en al mijn hoop, +gelijk ik de Uwe ben. En de donna sprak: Kus mij duizendmaal om +te zien of gij de waarheid zegt. De minnaar omhelsde haar daarna +innig en kuste haar geen duizend, maar wel honderdduizend keer. En +toen zij zoo eenigen tijd gesproken hadden, zeide de donna: Kom, +laat ons een weinig opstaan en laat ons gaan kijken of het vuur al +wat gebluscht is, waarvan mijn nieuwe minnaar schreef, dat hij den +ganschen dag brandde. En opgestaan gingen zij naar het venster en +keken op de binnenplaats, waar zij den student met korte passen, +terwijl zijn tanden klapperden, door de sneeuw zagen loopen, wat +bij hem door te veel koude veroorzaakt werd, en zoo voortdurend en +snel, dat zij nog nooit iets dergelijks gezien hadden. Toen sprak +de donna: Wat zegt gij nu, mijn zoete hoop? Schijnt het U, dat ik +de mannen kan laten dansen zonder trompet of doedelzak. De minnaar +sprak hierop lachend: Ja, mijn heerlijk genoegen. De donna hernam: +Ik wil, dat wij beneden naar de deur gaan, gij zult U stil houden, +ik zal met hem spreken en wij zullen hooren, wat hij zeggen zal en +wij zullen misschien niet minder pleizier hebben dan straks door hem +te zien. Zij maakte de kamer zachtjes open, daalde af tot de deur en +daar zonder die te openen riep de donna hem met gedempte stem door +een gat, dat zij er was. De student, die roepen hoorde, prees God en +geloofde al te licht binnen te mogen komen en deur genaderd sprak hij: +Hier ben ik, madonna; bij God, doe open, want ik sterf van koude. De +donna sprak: O ja, ik weet, dat gij een koukleum zijt en de koude is +ook zeer groot, omdat er wat sneeuw is gevallen. Ik weet ook, dat dit +veel erger gebeurt te Parijs. Ik kan U nog niet open doen, omdat die +verwenschte broeder van mij, die gisteravond hier bij mij kwam, nog +niet vertrekt, maar hij zal spoedig gaan en dan zal ik U dadelijk open +doen. Ik ben pas met groote moeite hem ontvlucht om U te bemoedigen, +dat het wachten U niet zal hinderen. De student sprak: Och madonna, ik +bid U bij God, dat gij mij open zult doen, opdat ik gedekt kan staan; +er is sinds kort hier de dichtste sneeuw van de wereld gevallen en ik +zal op U wachten, tot het U aangenaam zal zijn. De donna zeide: Wee +mij, mijn zoetelief, ik kan niet, want die deur maakt zoo'n leven, als +zij opengaat, dat gij allicht bemerkt zult worden door mijn broeder, +als ik U open doe. Maar ik zal hem zeggen, dat hij weg gaat, opdat ik +daarna kan terugkeeren om U te openen. De student hernam: Ga dan vlug, +en ik smeek U een goed vuur aan te leggen, opdat ik, als ik binnen +zal komen, mij kan verwarmen, daar ik zoo koud ben geworden, dat ik +mij zelf ternauwernood gevoel. De donna sprak: Dat kan niet zoo wezen; +als het waar is, wat gij mij meermalen hebt geschreven, dat gij geheel +van liefde brandt. Maar ik ga nu weg, wacht en houdt goeden moed. De +minnaar, die dit alles hoorde en het grootste genoegen had, ging met +haar weer naar bed, maar zij sliepen weinig dien nacht; daarentegen +brachten zij dien geheel door met hun genoegen en in het bespotten +van den student. De ongelukkige student (die wel een ooievaar geleek, +zoo klapperde hij met de tanden) bemerkte, dat hij voor den gek was +gehouden en beproefde verschillende malen of hij de deur kon openen, +maar toen hij geen middel zag en als een leeuw in de kooi rondliep, +vervloekte hij de ruwheid van het weer, de boosaardigheid van de donna, +de lengte van den nacht en zijn onnoozelheid er bij en zeer verwoed +op haar veranderde de langdurige en vurige liefde, die hij haar had +toegedragen in wreeden en bitteren haat en bedacht hij zich te kunnen +wreken, wat hij nu evenveel meer verlangde, als hij de donna eerst +had begeerd. + +De nacht na een zoodanig en lang verblijf spoedde ten einde en +de dageraad begon op te komen. Daarom ging de dienstmeid op bevel +van de donna naar beneden, opende die half en medelijden met hem +voorgevend, sprak zij: Dat hij, die gisteravond gekomen is, een ongeluk +krijgt. Hij heeft ons den geheelen nacht in wanorde gebracht en U doen +bevriezen. Maar weet gij wat? Draag het in vrede, want wat deze nacht +niet heeft kunnen wezen, zal een andere keer gebeuren, daar het niet +kon geschieden, wat zoo aangenaam is voor mevrouw. De verwoede student, +die als verstandig man wist, dat bedreigingen slechts wapenen voor +den bedreigde zouden zijn, verkropte, wat de onbeteugelde wil wenschte +uit te storten en met zachte stem zonder zich kwaad te toonen, zeide +hij: Ik heb werkelijk den ergsten nacht van mijn leven doorgebracht, +maar ik heb wel gezien, dat de donna er geen schuld aan heeft, omdat +zij uit medelijden naar beneden kwam om zich te verontschuldigen en +mij te troosten en gelijk gij zegt, wat deze nacht niet gebeurd is, +komt een andere keer; beveel mij haar aan en ga met God. + +Zoo goed als geheel verstijfd, ging hij, zoo gauw hij kon, naar huis; +daar, vermoeid en stervend van slaap, wierp hij zich te bed om te +rusten, en hij stond op of hij zijn armen en zijn beenen verloren +had. Daarom zond hij om een dokter, vertelde hem van de koude, die hij +doorleden had en liet hem voor zijn gezondheid zorgen. De dokter, die +sterke en snel werkende middelen gebruikt had, kon hem ternauwernood na +korten tijd de spieren genezen en maken, dat die zich zouden ontspannen +en als hij geen jongeling geweest was en er geen warmte gevolgd was, +zou hij veel te lijden gehad hebben. Maar toen hij weer sterk en flink +was, verborg hij zijn haat en toonde zich meer dan ooit op zijn weduwe +verliefd. Nu gaf de fortuin na een zeker verloop van tijd den student +een gelegenheid om zijn verlangen te voldoen, omdat de jongeling, die +door de weduwe bemind werd, (en die niet meer lette op de liefde, die +zij hem toedroeg) op een andere donna verliefd werd en daar hij noch +veel noch weinig wilde zeggen, noch in iets haar aangenaam wilde zijn, +verging zij in tranen en in bitterheid. Maar haar meid, die zeer veel +medelijden met haar had en geen middel vond om haar donna te troosten +over de smart, die zij wegens den verloren minnaar voelde, zag den +student op zijn gewone wijze door de straat gaan, kwam op een dwaze +gedachte namelijk, dat de minnaar van haar donna door zwarte kunst +haar opnieuw als vroeger zou liefhebben en dat de student hierin een +groot meester was en zij vertelde haar dit. De donna dom, zonder te +denken, dat, als de student de zwarte kunst had gekend, hij die voor +zich gebruikt zou hebben, richtte haar geest naar die woorden en zeide +haar meid, dat zij van hem zou te weten komen of hij dat wilde doen en +beloofde stellig, dat zij om de verdienste daarvan voor haar zou doen, +wat haar mocht behagen. De meid deed de boodschap goed en met ijver, +en toen de student dit hoorde, zeide hij verheugd in zich zelf: God, +wees geloofd; de tijd is gekomen, dat ik met Uw hulp de booze vrouw +zal doen boeten voor de beleediging mij aangedaan. En tot de meid +zeide hij: Zeg, aan mijn donna, dat, zoo haar minnaar in Indië was, +ik die spoedig zou doen komen en genade laten vragen voor wat hij +tegen haar mocht gedaan hebben, maar wat het middel betreft, dat zal +ik haar zeggen, wanneer en waar het haar zal behagen. + +De meid bracht het antwoord over en regelde het zoo, dat zij samen +kwamen in Santa Lucia del Prato. Toen de donna met de student alleen +was en zij samen spraken, herinnerde zij zich niet, dat zij hem haast +vermoord had, vertelde hem alles, wat zij verlangde en smeekte hem +om haar geluk. De student sprak tot haar: Madonna, het is waar, dat +onder de dingen, die ik te Parijs leerde, de zwarte kunst behoort, +die ik grondig ken, maar omdat die Gode zeer ongevallig is, heb ik +gezworen die nooit voor mij noch voor anderen aan te wenden. Het is +waar, dat mijn liefde voor u zoo sterk is, dat ik u niets kan weigeren +en als ik naar het huis van den duivel moet gaan, ben ik om u bereid +dit te doen. Maar ik herinner u er aan, dat dit een gevaarlijker zaak +is dan gij denkt, wanneer een vrouw een man of een man een vrouw, +haar of hem er weer toe brengt hem of haar lief te hebben zonder +wederliefde en dat de ander zeker van zich zelf moet zijn, daar het +bij nacht moet gebeuren en op eenzame plaatsen, waartoe ik niet weet +of gij wel bereid zijt. Hierop antwoordde de donna meer verliefd dan +verstandig: Amor prikkelt mij zoo, dat ik alles zou doen om hem terug +te hebben, die mij ten onrechte verliet, maar in ieder geval zeg mij, +welken moed ik moet hebben. + +De student, die kwaad gezind was, sprak: Madonna, ik moet een beeld van +tin van hem hebben om hem te heroveren; wanneer ik u dit terugzend, +moet gij, als de maan zeer afneemt, naakt in een beek van stroomend +water gaan in den tijd van den eersten slaap en geheel alleen en zeven +maal moet gij dit met u baden en daarna naakt moet gij op een boom +klimmen of op een onbewoond huis en naar het noorden gewend moet gij +zekere woorden uitspreken, die ik u geschreven zal geven. Zoodra gij +die gezegd hebt, zullen twee der schoonste jonge dames tot u komen. Zij +zullen u groeten en bekoorlijk vragen, wat gij wilt. Aan hen zult gij +al uw wenschen mededeelen en pas er voor op, dat gij niet den eenen +in plaats van den anderen naam noemt. Zoodra gij die gezegd hebt, +zullen zij heengaan en gij zult neerdalen naar de plaats, waar gij +uw kleeren hebt gelaten, u aankleeden en naar huis terug keeren. En +voorzeker, het zal niet de helft van den volgenden nacht worden of +uw minnaar zal klagend hier komen om genade en dan zal hij u nooit om +een andere vrouw verlaten. De donna, die hem vertrouwde, scheen haar +minnaar al opnieuw in de armen te hebben en zei al half gelukkig: +Ik twijfel er niet aan, of ik zal alles goed volbrengen en ik ben +er geheel toe bereid, want ik heb een buiten boven den Val d'Arno, +dat dicht genoeg bij den oever van de rivier is en het is juist Juli, +wat voor het baden aangenaam zal zijn. En ik herinner mij, dat daar +niet ver vandaan een eenzame toren is, waar soms de herders langs de +treden van kastanjehout op een terras komen om naar hun verdwaalde +beesten uit te zien, een zeer eenzame plek; daar zal ik opklimmen en +hoop te doen, wat gij mij hebt bevolen. + +De student, die het buiten en den toren kende en blij was zeker van +haar voornemen te zijn, sprak: Madonna, ik was nooit in dien omtrek, +en ik ken daarom noch het buiten noch den toren, maar als dat is, +gelijk gij zegt, kan het niet beter. Als het tijd is zal ik u het +beeld en de tooverspreuk zenden en ik zal u goed hebben gediend, +zoodat gij aan mij zult denken en uw belofte aan mij zult houden. De +donna zeide, dat zij dit zonder twijfel zou doen en nadat zij van hem +afscheid had genomen, ging zij naar huis terug. De student verheugd, +dat, wat hij overlegd had, zou slagen, maakte een beeld en schreef een +verzinsel van tooverwoorden als bezwering, zond die aan de donna en +liet haar berichten, dat zij den volgenden nacht zonder verwijl zou +doen, wat hij gezegd had. Daarna ging hij met een van zijn bedienden +naar het huis van een zijner vrienden, dat dicht bij den toren was +om zijn plan ten uitvoer te brengen. Ook de donna begaf zich met +haar meid naar haar buiten en toen de nacht was gekomen en zij deed +of ze naar bed ging, zond zij de meid ter ruste en in het uur van +den eersten slaap, stil uit het huis gegaan, begaf zij zich in de +buurt van den toren naar den oever van de Arno. Nadat zij goed had +rond gekeken, niemand zag of hoorde, ontkleedde zij zich, legde haar +goed onder een struik, baadde zich zevenmaal met het beeld en daarop +naakt, met het beeld in de hand, ging zij naar den toren. De student, +die bij het aanbreken van den nacht met zijn knecht tusschen wilgen +en andere boomen bij den toren verborgen was en alles zag, had toch +medelijden, toen zij geheel naakt voorbij ging en haar aanschouwde, +die met de blankheid van haar lichaam de duisternis van den nacht +overwon en toen hij naderbij de borst en de onderdeelen van haar +gestalte gewaar werd en zoo schoon vond en bedacht, wat daar mee zou +gebeuren. Van den anderen kant overviel hem opeens de prikkeling van +het vleesch, die hem deed oprijzen en hem dreef uit zijn schuilhoek +te gaan, haar te nemen, zijn begeerte te bevredigen en hij was bijna +door zijn gevoelens overwonnen. Maar toen hij zich herinnerde wie hij +was en de ontvangen beleediging en waarvoor en door wie, ontvlamde zijn +toorn weer, verjoeg hij het medelijden en de vleeschelijke begeerte en +liet haar gaan. De donna, die op den toren was geklommen en zich naar +het noorden had gekeerd, sprak de opgegeven woorden uit. De student +klom kort daarop heimelijk in den toren, nam zachtjes den ladder weg, +waarmee de donna op het terras was gekomen en wachtte. De donna begon +nu de twee jonge meisjes af te wachten en bleef zoo lang, (zonder +dat de koelte van den nacht haar langer scheen) tot ze de dageraad +zag aanbreken. Bedroefd, omdat niet gebeurd was, wat de student haar +had gezegd, sprak zij tot zich zelf: Ik vrees, dat die mij een nacht +heeft willen bezorgen als ik aan hem, maar als hij dit heeft gewild, +heeft hij zich slecht weten te wreken, want die duurt slechts het derde +van den zijne, terwijl de koelte van een ander soort was. En opdat +de dag haar daar niet zou vinden, wilde zij van den toren afdalen, +maar vond er den ladder niet. Toen, alsof de wereld haar onder de +voeten was weggerukt, viel zij bewusteloos op het terras van den +toren neer. Nadat haar krachten terugkeerden, begon zij ellendig +te weenen en te klagen en nu zij begreep, dat dit de toeleg van den +student was geweest, herinnerde zij zich een ander beleedigd te hebben +en hem daarna te veel te hebben vertrouwd, dien zij zeker als haar +vijand had moeten beschouwen en zoo bleef zij daar langen tijd. Toen +rondziende of er een weg was om af te dalen, dien zij niet vond, +begon zij opnieuw te klagen en zeide tot zichzelf: O ongelukkige, wat +zullen Uw broeders, en familie en buren en alle Florentijnen zeggen, +wanneer men weet, dat gij hier naakt gevonden zijt? Uw eerbaarheid, +tot hiertoe standvastig, zal men kennen als valsch en als gij hiervoor +leugenachtige verontschuldigingen wilt zoeken, die er toch niet zijn, +zal de vervloekte student U niet laten liegen. Ach ongelukkige, die +gij zijt, die op hetzelfde oogenblik den vergeefs beminden jonkman +en Uw eer hebt verloren. Zij werd zoo bedroefd, dat zij zich van +den toren wou werpen. Maar daar de zon al op was, naderde zij dicht +een der randen van den muur van den toren en keek of daar niet een +herdersknaap met zijn kudde naderde, dien zij naar haar meid kon +sturen. Maar de student, die aan den voet van een struik wat had +geslapen, stond op, zag haar en zij hem. De student sprak tot haar: +Goeden dag, mevrouw. Zijn de jonge dames nog gekomen? De donna begon +opnieuw zeer te klagen en smeekte hem, dat hij in den toren kwam, +opdat zij hem kon spreken. De student was daartoe beleefd genoeg. De +donna, die zich plat op den buik had gelegd, stak alleen het hoofd +over den rand van den uitgang en sprak weenend: Rinieri, indien ik +U een slechten nacht heb bezorgd, hebt gij U wel op mij gewroken, +omdat ik, hoewel het Juli is, dezen nacht, daar ik geheel naakt was, +meende te bevriezen. Buitendien heb ik zoo gehuild over Uw bedrog en +mijn dwaasheid, dat het een wonder is, hoe mijn oogen mij nog in het +hoofd zijn gebleven. En daarom bid ik U niet om mij, die gij niet +kunt liefhebben, maar om U zelve als edelman, dat dit U voldoende is +als wraak over de beleediging, die ik U heb aangedaan. Laat mij mijn +kleeren brengen, opdat ik hier afkom en ontneem mij niet, wat gij mij +later niet kunt teruggeven, namelijk mijn eer. En als ik U er van heb +beroofd dien nacht met mij samen te zijn, zal ik, wanneer gij wilt, +U er velen voor dien eenen teruggeven. Laat het U als een waardig man +genoeg wezen U te hebben gewroken en het mij te hebben doen gevoelen; +oefen Uw kracht niet uit jegens een vrouw, want het is geen eer voor +een adelaar een duif te hebben overwonnen; daarom bij de liefde van +God en bij Uw eer, heb medelijden met mij. + +De student, die met wreede ziel zich de ontvangen beleediging +herinnerde en haar zag schreien en smeeken, had tegelijk vreugde en +verdriet; vreugde over de wraak, die hij meer dan iets anders had +verlangd en verdriet, daar de barmhartigheid hem bewoog medelijden +met haar te hebben. Maar toch, daar deze niet de wreedheid van zijn +begeerte kon overwinnen, antwoordde hij: Madonna Elena, indien mijn +smeekbeden (welke ik weliswaar niet kon baden in tranen noch honingzoet +kon maken als gij thans de Uwen) mij hadden doen bereiken in den +nacht, dat ik in Uw hof vol sneeuw stierf van koude, dat ik alleen +een weinig onder dak kwam, zou het mij nu licht vallen de Uwen in te +willigen. Maar indien gij thans meer om Uw eer geeft dan vroeger en +als het U zoo pijnlijk is daarboven naakt te blijven, richt dan die +beden tot hem, in wiens armen gij geen vrees hadt gedurende den nacht, +welke gij U herinnert, naakt te zijn gebleven, terwijl gij wist, +dat ik klappertandend op Uw binnenplaats heen en en weer liep en in +de sneeuw stampvoette en laat u door hem helpen, laat door hem uw +kleeren halen, laat door hem den ladder aanbrengen om af te dalen, +tracht hem barmhartigheid in te boezemen met uw eer, dien gij niet +geaarzeld hebt zoowel thans als duizend andere keeren in gevaar te +stellen. Waarom roept gij hem niet om u te hulp te komen? Gij zijt +de zijne en wie zal hij beschermen of helpen, als hij u niet behoedt +of van dienst is? Roep hem, gekkin, die gij zijt, en bewijs, dat de +liefde, die gij hem toedraagt, en dat uw slimheid en de zijne u van +mijn onnoozelheid kunnen bevrijden naar aanleiding van welke, toen gij +u met hem verheugde, gij gevraagd hebt, wat hem grooter scheen: mijn +dwaasheid of de liefde, die gij hem hebt toegedragen. Gij kunt thans +niet welwillend zijn voor wat ik niet verlang, noch het weigeren, als +ik het verlangen zou. Behoudt de nachten voor uw minnaar, als gij hier +levend vandaan mocht komen. Uw nachten behooren aan hem: ik heb van +één te veel en het is mij voldoende ééns te zijn bespot. En bovendien, +gij gebruikt al uw slimheid met praten om mijn welwillendheid te +verkrijgen door te vleien en gij noemt mij een ridder en heimelijk +poogt gij mij te leiden, opdat ik als edelmoedig man zal ophouden u +te straffen voor uw boosheid. Maar uw vleierijen zullen thans mijn +geestesoogen niet verduisteren gelijk uw oneerlijke beloften vroeger +het deden. Ik ken mijzelf; ik heb nooit zooveel daarvan geleerd, +toen ik in Parijs was als gij mij in één enkelen nacht er van hebt +doen ervaren. Maar ondersteld, dat ik toch edelmoedig zou zijn, zijt +gij niet van degenen op wie edelmoedigheid invloed kan hebben. Het +einde van de straf bij wilde dieren gelijk gij er een zijt en evenzoo +van de wraak moet de dood zijn, waar bij menschen genoeg is, wat gij +wilt. Daarom, hoewel ik geen adelaar ben, en gij geen duif, daar ik +u ken als een vergiftige slang, wil ik als een zeer oude vijand u +vervolgen met al mijn haat en al mijn kracht, met al datgene, wat ik u +doe en wat men niet zoozeer wraak kan noemen, maar veeleer kastijding, +in zooverre, dat de wraak de beleediging zou moeten overtreffen, +wat hier niet zal gebeuren. Daarom als ik mij zou willen wreken, +wanneer ik er aan denk, aan welk uiterste gij mij hebt blootgesteld, +zou uw leven mij niet voldoende zijn, indien ik het u zou ontnemen noch +honderd anderen aan het uwe gelijk, omdat ik een gemeen en verdorven +en slecht vrouwspersoon zou dooden. En wat duivel--indien het beetje +schoonheid van uw gelaat binnen weinig jaren door rimpels verdwenen +zal zijn, zijt gij meer dan een of andere jammerlijke dienstmeid, +die haast een edelman had doen sterven, wiens leven op één dag van +meer nut kan zijn dan honderdduizend van uw soort het kunnen wezen, +zoolang als de wereld zal bestaan. Ik zal u leeren door de smart, die +gij hebt te verduren, wat het is mannen te bespotten, die een gevoel +in hun hart hebben, en om studenten voor den gek te houden en ik zal +u de gelegenheid geven niet meer tot zulk een dwaasheid te vervallen, +indien gij er nu aan ontkomt. + +Maar als gij zulk een groot verlangen hebt om af te dalen, waarom +werpt gij u dan niet op de aarde? Dan zult gij tegelijk met Gods hulp +uw hals brekend uit de kwelling raken, waarin gij zijt en mij tevreden +stellen. Thans wil ik u niets meer zeggen; ik heb u naar boven laten +klimmen, ziet gij thans maar naar beneden te komen, gelijk gij het +spotten verstond. Terwijl de student dit zeide, schreide de ongelukkige +donna voortdurend en de tijd verstreek met het stijgen van de zon. Maar +toen hij zweeg, zeide zij: Zie, man zonder hart, als die vervloekte +nacht zoo smartelijk voor je was en mijn misstap u zoo groot schijnt, +dat noch mijn jeugdige schoonheid, noch mijn bittere tranen, noch +mijn nederige smeekbeden uw medelijden opwekken, laat u dan tenminste +bewegen en uw strenge hardheid verminderen daardoor alleen, dat ik mij +u opnieuw heb toevertrouwd en u elk geheim heb geopenbaard, waarmee +ik u de gelegenheid heb gegeven mij mijn zonde te doen beseffen, want +had ik dat niet gedaan, dan hadt gij geen middel kunnen vinden u te +wreken. Ach, laat die toorn varen en vergeef mij voortaan, ik ben, +wanneer gij mij wilt vergeven, bereid den oneerlijke jonkman geheel +te verlaten en u alleen tot minnaar te hebben en tot heer, hoewel +gij mijn schoonheid hebt gelaakt en zeide, dat die van korten duur +was en niet veel waard. Hoedanig mijn schoonheid ook is, ik weet, +dat, als die van andere vrouwen, indien zij voor u om niets anders +waarde heeft, deze toch een verlangen is en een tijdverdrijf en een +genot voor de jeugd en gij zijt niet oud. En hoewel ik door u wreed +ben behandeld, geloof ik niet, dat gij zulk een smadelijken dood wilt +zien mij als een wanhopige hier af te werpen voor uw oogen, dien ik, +als gij geen leugenaar zijt geworden, vroeger zoo heb bekoord. Ach, +heb medelijden met mij om Gods wil. De zon begint al te heet te worden +en gelijk de koelte van den nacht mij hinderde, begint mij de warmte +zeer te kwellen. + +Hierop antwoordde de student, die er genoegen in had dit gesprek te +verlengen: Madonna, uw vertrouwen bleef niet in mijn handen om de +liefde, die gij mij hebt toegedragen, maar om dien te herkrijgen, +die gij hadt verloren en daarom verdient het nog grooter straf. En +gij denkt dwaas, dat dit de eenige weg was, die voor mijn wraak open +was. Ik had er duizend anderen en duizend strikken had ik om uw voeten +gespannen, terwijl ik veinsde u lief te hebben, en het kon slechts +kort duren, dat gij er niet in hadt moeten geraken. En gij zoudt +door allen in grooter kwelling en schande zijn dan die u thans te +beurt vielen. En ik heb deze gekozen niet om u te verlichten maar om +eerder tevreden te zijn. En als alle deze mij hadden ontbroken, had +mij de veder nog niet in den steek gelaten, waarmee ik op zoodanige +wijze Uw daden zou beschreven hebben, dat gij ze u herinnert zóó, +dat gij duizendmaal per dag zoudt wenschen niet geboren te zijn. De +krachten van de pen zijn veel grooter dan zij meenen, die het niet +uit ervaring weten. Ik zweer God (en Hij moge begeeren, dat deze +wraak, die ik op mij neem, bij het eind er van verheugen zal en +evenzoo als het begin), dat ik zoo over u zal schrijven, dat gij u +niet alleen zult schamen voor anderen, maar ook voor u zelve en om u +zelf niet te zien u de oogen zult willen uitsteken en verwijt daarom +de zee niet aangegroeid te zijn uit een kleine beek. Dat gij de mijne +wordt, daarom bekommer ik mij niet; behoor slechts aan hem, van wien +gij geweest zijt, als gij kunt. Gelijk ik hem vroeger heb gehaat, +ben ik hem nu welgezind om hetgeen hij u thans heeft gedaan. Gij +wordt verliefd op jongelieden, omdat zij wat meer kleur hebben, wat +donkerder baard, omdat zij meer rechtop loopen, dansen en wapenspelen +uitvoeren; maar het is ook hun eigen, die wat ouder zijn en die weten, +wat zij nog hebben te leeren. En bovendien acht gij hen beter ruiters, +omdat zij meer mijlen per dag afleggen dan rijpere mannen, en ik weet +wel, dat zij met meer kracht de rokken uitschudden, hoewel de ouderen +beter de plaatsen weten, waar de vlooien zitten en het is veel beter +het weinige en smakelijke te kiezen dan het vele en smakelooze en het +harddraven breekt en vermoeit, hoe jong men ook is, terwijl het zacht +gaan, hoewel wat later, rustig naar de herberg voert. Gij bemerkt +niet evenals de dieren, hoeveel kwaad er onder zoo weinig uiterlijke +schoonheid verborgen is. De jongelieden zijn met een niet tevreden, +maar verlangen er zooveel zij zien als hunner waardig; daarom kan +hun liefde niet standvastig zijn en gij kunt er thans een zeer ware +getuigenis van geven. Het schijnt hun, dat zij waard zijn door de +donna's ontzien en geliefkoosd te worden en kennen geen grooter +glorie dan zich te beroemen op degenen, die zij gehad hebben, welk +gebrek er velen beneden de monniken stelt, die het tenminste niet +weer over vertellen. Hoewel gij zegt, dat Uw liefde niet bekend is +dan aan Uw meid en aan mij, weet gij dit slecht en gelooft het zelf +ook niet. In haar straat en in de Uwe spreekt men van niets anders, +maar de meeste keeren is de laatste, wiens ooren dit bereikt, degene, +met wien dit plaats had. De jongelieden berooven U bovendien, terwijl +de anderen U geschenken geven. Gij hebt dus slecht gekozen; behoor aan +hem, aan wien gij U hebt gegeven en laat mij, dien gij bespot hebt, +aan anderen over, want ik heb een veel beter donna dan gij gevonden, +die mij beter kent. En opdat gij naar de andere wereld een grooter +zekerheid van het verlangen van mijn oogen kunt meenemen dan gij in +deze toont te bezitten uit mijn woorden, werp U daarvoor dadelijk naar +beneden en Uw ziel, reeds opgevangen in de armen van den duivel, zal +kunnen gewaar worden of mijn oogen vochtig zullen worden, indien ik +U zie neerstorten. Maar daar gij mij dit genoegen niet zult aandoen, +raad ik U, als de zon U begint te verhitten U te herinneren, welk +een koude ge mij hebt doen lijden; dan zult gij de zon zonder twijfel +matiger gevoelen. + +De troostelooze donna ziende, dat de woorden van den student tot een +hard einde voerden, begon opnieuw te weeklagen en zeide: Zoo gij geen +medelijden hebt, laat dan de liefde U roeren, welke gij draagt voor +een donna verstandiger dan ik, die gij hebt gevonden en door welke +gij bemint wordt en vergeef mij om de liefde tot haar. Geef mij mijn +kleeren terug, opdat ik mij kan aankleeden en laat mij gaan. Toen +begon de student te lachen en ziende, dat het derde uur al voorbij was, +antwoordde hij: Kijk, ik kan nu niet weigeren, omdat gij mij dit om die +donna gevraagd hebt. Wijs mij die en ik zal er heen gaan en U hiervan +doen afklimmen. De donna, die dit geloofde, kreeg een weinig moed en +wees hem de plaats, waar zij de kleeren gelegd had. De student uit den +toren gegaan, gelastte aan zijn knecht, dat hij daar niet vandaan zou +gaan, en dat niemand daar in zou gaan, eer hij was terug gekeerd en bij +die woorden keerde hij naar het huis van zijn vriend terug en ontbeet +daar op zijn gemak en toen ging hij slapen. De donna op den toren, +hoewel door dwaze hoop een weinig bemoedigd, ging heel treurig zitten +en aan dien kant van den muur, waar een weinig schaduw was. Hopend en +wanhopend aan den student en de kleeren en van de eene gedachte op de +andere overspringend, sliep zij in, alsof zij door smart overwonnen was +en of zij in den afgeloopen nacht niet had gerust. De zon, die brandend +was en al tot de middaghoogte gestegen, trof recht haar naakt, teeder, +fijn lichaam en haar hoofd door niets bedekt met zooveel kracht, +dat niet alleen het vel verbrandde maar het langzaam open ging en +de hitte was zoo, dat zij, die in diepen slaap was, gedwongen werd +op te staan. Terwijl zij zich voelde blakeren en zich wat bewoog, +scheen het haar daarbij, dat de geheele verschroeide huid openging +en barstte, gelijk wij dat zien gebeuren met brandend perkament, als +men het daarna wil uitrekken en haar hoofd deed vreeselijk pijn. Het +terras van den toren was zoo gloeiend, dat zij er met de voeten noch +met een ander lichaamsdeel plaats kon vinden, zoodat zij zonder stil +te kunnen staan dan hier dan daar huilend rond liep. En bovendien, +daar er in 't geheel geen wind was, waren er tal van muggen en vliegen, +die zich op de open huid neerzetten en haar zoo pijnlijk staken, dat +elk haar een prik met een naald scheen te geven, zoodat zij met de +handen geen oogenblik rust had en zich zelf, haar leven, haar minnaar +en den student vervloekte. Door duizend kwellende gedachten beangst en +geprikkeld en gekwetst ging zij op de teenen staan om te zien of zij +in den omtrek iemand gewaar werd, bereid, wat er ook van zou komen, +hulp te vragen. Maar ook dit had het vijandige noodlot haar ontroofd. + +De boeren waren allen door de hitte van de velden vertrokken, en er +kwam bij, dat dien dag niemand daar in de buurt was gaan werken, +omdat allen in hun huis aan het dorschen waren. Daarom hoorde zij +niets anders dan den krekel en zag de Arno, die haar het verlangen +schenkend naar zijn water, haar dorst niet leschte maar verergerde +en op verschillende plaatsen zag zij bosschen, schaduwen en huizen, +waar zij verlangde te wezen en die haar allen angst inboezemden. Wat +zullen wij nog meer van de arme donna zeggen? De zon boven haar en de +hitte van den bodem onder haar en de steken van de muggen en de vliegen +rondom hadden haar van alle kanten in zulk een toestand gebracht, dat +zij, die den vorigen nacht met haar blankheid de duisternis scheen te +overwinnen, toen zoo rood was geworden als meekrap en nu bestreept +met bloed, voor wie haar gezien zou hebben, de leelijkste vrouw ter +wereld scheen en aldus niets anders dan den dood verwachtte. Toen +de halve noen al voorbij was, stond de student uit zijn siësta op, +dacht aan de donna en ging naar den toren terug om te kijken, hoe +het met haar gesteld was en zond zijn knecht, die nog nuchter was, +weg om te gaan eten. Toen de donna hem bespeurd had, zwak en angstig +van de hevige kwelling, kwam zij op den rand van den ingang boven, +ging zitten en begon schreiend te zeggen: Rinieri, gij hebt U wel +verschrikkelijk gewroken, want indien ik U op mijn binnenplaats +bij nacht deed bevriezen, hebt gij mij vandaag op dezen toren doen +roosteren, zelfs verbranden en doen sterven van honger en dorst. Daarom +bid ik U bij den eenigen God, dat gij naar boven komt en daar ik den +moed niet heb mij zelf te dooden, schenk mij dien, want ik verlang +dien meer dan iets anders, zoo groot en zoodanig is de marteling, +die ik voel. En als gij mij die gunst niet wilt schenken, geef mij +dan tenminste een beker water, dat ik mij den mond kan verkoelen, +waartoe mijn tranen niet voldoen, zoo is de droogheid en de brand, +die mij kwelt. De student herkende wel haar zwakheid aan haar stem +en zag ook ten deele haar lichaam geheel geroosterd door de zon, +zoodat hij door haar nederige gebeden wat medelijden met haar kreeg, +maar toch antwoordde hij: Slechte vrouw, gij zult door mijn hand niet +sterven, maar toch door de Uwe, als dit Uw wil is en gij zult zooveel +water krijgen van mij voor de verlichting van Uw hitte als gij mij +vuur hebt gegeven voor de verlichting van mijn koude. Een ding doet +mij verdriet, dat de ziekte van mijn koude moest genezen met de hitte +van vieze mest, terwijl Uw verhitting genezen zal met de koude van +welriekend rozenwater en terwijl ik de spieren moest verliezen en +het geheele lichaam, zult gij, verschroeid door die hitte zoo mooi +blijven als de slang, die een oude huid heeft afgelegd. + +O ongelukkige, die ik ben! zei de donna, mijn schoonheden gaf God nu +aan hen, die mij kwaad willen doen, maar gij wreeder dan ieder wild +dier, hoe hebt gij kunnen volhouden mij zoo te mishandelen? Ik zou +niet anders te wachten hebben, als ik Uw familie onder de wreedste +martelingen had vermoord. Welke ergere wreedheid zou men hebben +aangewend jegens een verrader, die een heele stad aan een slachting +had overgeleverd? Gij hebt mij in de zon laten roosteren en laten +opeten door de muggen en bovendien hebt gij mij zelfs geen beker +water willen geven; de moordenaars, die ter dood gebracht worden, +geeft men dikwijls wijn te drinken, zoo zij er om vragen. Zie, +daar ik merk, dat gij verhard blijft in Uw bittere wreedheid en +mijn lijden U geenszins kan bewegen, bereid ik mij geduldig voor den +dood te ontvangen, opdat God medelijden hebbe met mijn ziel, dien ik +bid, dat Hij met rechtvaardige oogen Uw werk aanschouwe. En bij die +woorden sleepte zij zich met groote moeite naar het midden van het +terras, wanhopend de zoo brandende hitte te ontkomen en niet eens, +maar duizend maal behalve van haar andere kwellingen, meende zij van +dorst te sterven, schreide onophoudelijk weer en jammerde over haar +ongeluk. Maar daar het al vesper was en de student meende genoeg te +hebben gedaan, liet hij haar kleeren halen en in den mantel van den +knecht wikkelen en ging naar het huis van de rampzalige donna, vond +daar de meid mistroostig, treurig en radeloos aan de deur zitten, +en sprak tot haar: Vrouw, wat is er met Uw donna? De meid antwoordde: +Messire, ik weet het niet; ik geloofde haar vanmorgen in bed te vinden, +waar zij gisteravond mij in scheen te zijn gegaan, maar ik vond haar +noch hier, noch elders en ik weet ook niet, wat er van haar geworden +is. Maar gij, messer, weet gij mij er niets van te zeggen? De student +antwoordde daarop: Ik wou, dat ik U had, waar ik haar heb gehad, +opdat gij voor Uw schuld zoo gestraft zoudt wezen, als ik het haar +deed voor de hare. Maar gij zult zeker niet aan mijn handen ontsnappen, +opdat ik U voor Uw werk betaal, zoodat gij nooit meer met een man zult +spotten of gij zult aan mij denken. En toen zei hij tot den knecht: +Geef haar die kleeren en zeg haar, dat zij naar haar toegaat, als zij +wil. De knecht deed gelijk hem bevolen was; daarom vreesde de meid +zeer, die ze had opgenomen en herkend en hoorde, wat haar gezegd +was, dat zij haar hadden gedood en weerhield zich ternauwernood te +schreeuwen. Dadelijk liep zij huilend, daar de student al vertrokken +was, hiermee naar den toren. Bij toeval had dien dag een pachter van +die donna twee varkens verloren en liep ze te zoeken. Kort na het +vertrek van den student kwam hij bij den toren en overal rondstarend +om zijn twee varkens te zien, vernam hij de jammerklacht, welke de +ongelukkige donna uitte. Hij klom naar boven, en zoo hard hij kon +schreeuwde hij: Wie huilt daar? De donna herkende de stem van haar +pachter en na hem bij den naam geroepen te hebben, sprak zij: Zeg, +ga naar mijn dienstmeid en doe wat mogelijk is om haar hier te laten +komen. De boer, die haar kende, antwoordde: Wee mij, mevrouw, maar +wie bracht U daarop? De meid zocht den heelen dag naar U, maar wie zou +hebben gedacht, dat gij hier waart? En na de twee armen van den ladder +te hebben gegrepen begon hij dien op te richten gelijk die staan moest +en die te binden met koorden en dwarsstokken. Intusschen kwam de meid, +die, in den toren gekomen, haar stem niet kon inhouden en met de hand +voor het hoofd begon zij te schreeuwen: Wee mij, mijn goede mevrouw, +waar is U? De donna hoorde haar en zeide zoo luid zij kon: O zusjelief, +ik ben hierboven; huil niet, maar breng mij spoedig mijn kleeren. Toen +de meid haar hoorde spreken, klom zij geheel bemoedigd op den ladder, +dien de boer bijna geheel in orde had gemaakt en door hem geholpen, +kwam zij op het terras en toen zij haar donna zag niet meer met +een menschelijk lichaam maar eer als een verschrompeld blad van den +wijnrank, geheel gebroken, geheel bleek en naakt op den grond liggend, +begon zij met de nagels in het gezicht over haar te schreien of zij +gestorven was. Maar de donna verzocht haar bij God te zwijgen en haar +te helpen bij het aankleeden. En daar zij wist, dat niemand bekend was, +waar zij zich bevond, behalve wie haar de kleeren hadden gebracht +en de boer, die daar tegenwoordig was, bad zij bij God, dat zij er +nooit iemand iets van zouden zeggen. De boer na veel praten, nam de +donna, die niet loopen kon, op zijn nek en bracht haar veilig buiten +den toren. De ongelukkige meid, die achter was gebleven en er minder +voorspoedig af klom, gleed uit, viel van den ladder en brak zich de +dij en door de pijn begon zij te brullen ais een leeuwin. De boer, +die de donna had neergezet op op een weide, ging zien, wat de meid +had en vond haar met gebroken dijbeen, legde haar ook op de weide +en plaatste haar naast de donna. Toen zij zag, dat bij haar andere +kwalen dit haar nog overkwam, dat die het dijbeen had gebroken, door +welke zij hoopte geholpen te worden meer dan door anderen, begon zij +bedroefd opnieuw zoo jammerlijk te weenen, dat niet alleen de boer haar +niet kon troosten maar zelf van zijn kant begon te huilen. Daar de zon +al laag stond, ging hij, opdat de nacht ze daar niet zou overvallen, +gelijk het aan de mistroostige donna behaagde, naar zijn huis en na +daar zijn twee broeders en zijn vrouw te hebben geroepen en met een +plank te zijn teruggekeerd, legden zij de meid daarop en droegen haar +naar huis en na de donna met frisch water te hebben versterkt en met +goede woorden, nam de boer haar op zijn nek en droeg haar in haar +kamer. De vrouw van den boer gaf haar gedrenkt brood te eten en na +haar te hebben ontkleed, bracht zij haar te bed en zij spraken af, +dat zij en de meid 's nachts naar Florence zouden gebracht worden +en zoo geschiedde het. Daar deed de donna, die een grooten voorraad +leugens bij de hand had, haar broeders en zusters en iedereen gelooven, +dat hun dit door duivelsstreken overkomen was. De doktoren werden +geroepen en niet zonder zeer grooten angst en gevaar voor de donna, +wier huid meermalen kleven bleef aan de lakens, genazen zij haar van +een hevige koorts en van de andere ongelukken en evenzoo het dijbeen +van de meid. Hierdoor behoedde zich de donna, die haar minnaar vergat, +voortaan wijselijk zoowel voor misleiding als voor liefde. De student +vernam, dat de meid het dijbeen gebroken had, wat hem een genoegzame +wraak scheen. Dat geschiedde met de dwaze, jonge dame door haar +grappen, die gedacht had met een geleerde te kunnen spelen als met +ieder ander, niet beseffend dat zij--ik zeg niet allen--maar het +meerendeel weten, waar Abraham de mosterd haalt. En daarom, donna's, +neemt u in acht, om in het bijzonder geen geleerden te misleiden. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van + den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn + vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die + daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt._ + + +De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest +voor de donna's om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die +haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer +getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs +wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de +koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen +zeide: Bekoorlijke donna's. Daar het mij schijnt, dat de strengheid +van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de +bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van +een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een +gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat +wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen +beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, +niet boven het passende van de wraak te gaan. + +Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen +waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena +en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia [158]. Zij +gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo +gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone +echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die +er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij +er mee ging slapen en aldus deden zij langen tijd zonder dat iemand +iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, +kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop +Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond +en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, +hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn +vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, +waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te +maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij +zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel +tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg +zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was +weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed +met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen +en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet +gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, +wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij +met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen +bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen +kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: +Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, +dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: +Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza +reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer +hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, +zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, +wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in 't +geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, +dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio +in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet +vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten +en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te +ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te +spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, +maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in +de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De +donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna +de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij +al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak +Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft +zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons +te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar +bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht te +zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij +daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en +beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar +zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: +Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten +komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, +die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig +vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd +en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, +dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, +dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben +ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; +hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, +zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die +beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij +noch hij ooit weer vroolijk zult zijn. + +De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij +moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw +laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar +wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen +en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij +er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, +legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop +verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die +in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn +vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die +boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij +dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had +hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch +herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden +had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als +vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit +de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang +was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna +hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn +vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij +een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open +dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar +Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee +zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, +dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder +veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, +gelijk gij zooeven tot mijn vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en +daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, +moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen +in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee +vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een + plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, + dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in + een kuil met vuil geworpen en achtergelaten._ + + +Toen de donna's wat hadden geschertst over de gemeenschap van de +vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, +die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: +Verliefde donna's. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van +Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, +gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, +die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil +u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de +daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, +was een dokter, die geheel bedekt met bont [159] van Bologna naar +Florence ging en toch een ezel was. + +Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna +terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken +gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen +dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro +Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, +gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in +de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero +(Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn +opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam +te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de +houding der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij +op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, +waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, +Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder +en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar +hun beroep. + +Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende +hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk +konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die +op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met +beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met +Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon +zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had +in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had +uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en +zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij +verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele +dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming +met zijn domheid: Maestro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit +doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet +aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo +goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige +rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, +dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en +zoo krijgen wij alles. + +De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij +het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en +met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, +dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat +vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van +mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in +den muil van den Lucifer van San Gallo [160] brengen, als anderen het +weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige +ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, +dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op +voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij +het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit. + +Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich +in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto +heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, +van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen +hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte +leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor +die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij +zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de +stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en +nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun +gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen +vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, +die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats +ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met +spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij +zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de +tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, +het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, +de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander +vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve +dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te +sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze +instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel +was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten +worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet +niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in +dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer. + +Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk +van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse +der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, +de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante +van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze +u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot +zelfsde Schinchimurra van den priester Johannes [161], die, naar ik +weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat +men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, +gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen +een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw +winkel [162], wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, +die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe +de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen +aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn +naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdat Buffalmacco er +meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij +die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn +en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken +dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere +menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde +bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of +tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet. [163] +En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als +zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat +zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu +hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan +noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, +wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het +genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de +woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook +zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen +wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong +hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem +nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen +kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem +'s avonds en 's morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone +vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno +kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij +in des dokters salon de _Vasten_ en een _Lam Gods_ aan den ingang en +boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad +noodig hadden, hem van zijn collega's konden onderscheiden en in een +kleine galerij had hij voor hem den _Veldslag der Ratten en Katten_ +geschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls +tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht +op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van +Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De +dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, +dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren +zeggen, dat Porco grasso [164] en Vannacena er nooit van spreken. De +dokter hernam: Gij meent Hippocras en Avicenna. Bruno ging voort: +Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de +mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in +de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou +u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo +sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een +avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan +den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn +gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik +voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola [165] te +gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u +vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden +hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, +waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders +meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de +mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, +welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli [166] aanschouwde? Ik +heb haar bij Christus' Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, +als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom +bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te +komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, +die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en +hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos +en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, +in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie +liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna +stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: +Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren +[167], hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De +dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet +hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken +er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, +hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van +Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de +schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; +ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire +in bagattini [168] kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik +u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij +mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje +rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet +ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal +ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij +hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen +voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte +van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, +voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als +dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, +dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als +zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe +wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet +zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt +naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet +zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, +wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het +geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en +het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken +hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik +zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik +kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van +den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, +die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik +de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, +dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, +als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: +Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met +twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de +volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie +kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak +u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, +die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem +met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, +kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al +over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo +hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: +Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag +met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal +ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel +verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer +wijs zou blijven. Toen dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan +Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar +zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa [169] wilde. + +De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, +had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht +gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven +en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren [170], +welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan +hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het +tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, +gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover +zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den +verheven God van Pasignano [171], dat weinig mij weerhoudt, je niet +zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, +die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter +verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij +het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed +hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde +maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt +medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt +geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen +[172], die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een +Zondag gedoopt [173]. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de +medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de +menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door +uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, +zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou +zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze +waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als +hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde, +dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, +dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter +tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te +Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, +die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn +redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat +ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik +hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen +wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij +alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, +maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer +groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde. + +Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het +niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen +dokter, die zoo'n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult +gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van +Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno +zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme +lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren +hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het +veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men +spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best +zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De +gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op +de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de +gravin van Civillari [174] te geven, die het schoonste ding was, wat +men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De +medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn +zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig +huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen +dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg +u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, +maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur +gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en +een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak +gaan daarom wachters van haar rond en allen als bewijs van haar macht +dragen een riet en een lood [175]. Men ziet vele van haar baronnen +als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en +anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die +niet. In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, +als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen +[176] was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden. + +Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou +ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten +hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon +komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, +want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade +doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij +moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een +der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom +Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de +eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat--naar wat ons gezegd is +... maar toen waren wij er niet--gij edelman zijt en de gravin van +plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten [177]. Daar zult +gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij +van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u +komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met +groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, +wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes +naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen +en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de +heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen +zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, +indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw +ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou +stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want +gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons. + +Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt misschien +bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij +wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer +ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u +er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee +wou gaan--het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de +elleboog--gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar +met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en +toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik +niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na het _Ave Maria_ +ging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden +dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt +daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u +eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik +tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij +is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal +worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, +want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, +dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap +mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch +wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, +maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er +niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het +koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet +aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik +'s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets +anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen +zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een +uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te +hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een +steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die +groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan +men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer +plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat +hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest +was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van +Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, +begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, +te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter +dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en +hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange +vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er +eenmaal heen was gegaan, spande hij zich in zich rustig te houden, +zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar +terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die +bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst +sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, +dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met +den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak +zachtjes: _Dat God mij helpe_, sprong er op en na er zich goed op +te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht +op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar +Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het +klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, +waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun +akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij +een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na +hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd +voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en +langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, +waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het +lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat +de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat +voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te +heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, +werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd +en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben +kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde +zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op +wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open +deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, +of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door +zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste +manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: +Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en +wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet +genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet +alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, +dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en 's nachts naar +anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter +zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht. + +Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid +beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen +die achterlaten, in het huis van den dokter en vonden hem op, en toen +zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze +zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en +Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet +aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, +dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, +die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best +deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn +vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, +dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren +wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te +worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op +een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij +hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De +medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar +hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat +gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God +en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter +antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, +riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u +niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een +riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer +doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg +vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met +de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij +zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer +eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan +wie het niet opdeed te Bologna. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman + geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of + hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en + na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en + henneppluis tot pand._ + + +Hoe het verhaal van de koningin de donna's had doen lachen, behoeft +men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van het uitgelaten +lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het +uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna's. Het +is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij +door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij +allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te +verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald +zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was +in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen. + +Het was gewoonte--en het is het misschien nog--in alle handelssteden +met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze +te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen +tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En +daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke +opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt +aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen +plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op +rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht +betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek +vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en +de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, +waarmede zij onderhandelen. + +Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn +maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname +en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te +plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook +uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna +beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden +die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt +door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er +geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben +achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te +hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn +patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, +hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de +jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon +zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, +deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den +verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank +en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde +zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore [178] noemde, iets +van zijn doen en laten. Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een +groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel +en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten +en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen +en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of +zij door hem verteerd werd en zond hem in 't geheim een harer vrouwen, +die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen +in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en +bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust +had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem +in een badhuis in 't geheim te vinden en na een ring uit haar beurs +gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was +de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan +de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den +vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore +hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer +dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar +aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat +antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij +den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over +te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat +een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er +twee slaven [179] kwamen, de een beladen met een mooi en groot matras +van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die +matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, +waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna +een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte +oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, +waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna +kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, +betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem +verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij +had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen +gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen +beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander +te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en +daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit +gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, +waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen +schenen en met het eene omwikkelden zij Salabaetto en met het andere +de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide +te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, +werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt +liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, +de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze +met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden +hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met +meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich. + +Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer +aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, +voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen +die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer +[180] te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer +groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot +hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen +het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na +nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen +met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de +donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een +groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, +die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, +geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: +Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom +zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De +donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met +kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo +verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, +en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen +zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur +van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes +op de zuilen [181] en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die +dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, +en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het +voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op +die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, +dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien nacht met haar met het +grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, +gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie +beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn +persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst +kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis +uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden. + +Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en +daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant +te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen +Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te +stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of +zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie +zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij +had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en +zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij +hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de +kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, +wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, +als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar +in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, +wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna +zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik +ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin +mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en +verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens +stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat +moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen +tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik +zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever +dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, +wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, +geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: +Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, +als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, +dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver +kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek +gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend +florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd +schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, +dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, +zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als +ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd hebben. O mijn Salabaetto, +sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, +nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan +mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar +ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van +mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld +aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun +geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het +u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en +als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp +zij zich bij die woorden aan Salabaetto's borst. Hij troostte haar +en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar +te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd +goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam +en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums +verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij +wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een +keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee +maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, +ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, +die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn +dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij +er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand +te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd +voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van +zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld +te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, +opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging +scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels. + +Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro +dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin +van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van +Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde +zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te +kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te +keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd +en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld +in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij +bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot +Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had +en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden +en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen +en keerde terug naar Palermo. Hij gaf de factuur aan de tolbeambten +en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit +in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere +waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, +wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en +hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat +ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug +te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet +hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets +wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde +en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter +rechtertijd heb teruggegeven ... Salabaetto begon te lachen en zeide: +Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij +het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad +ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat +ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel +koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens +waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard +zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd +bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken +dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, +wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief +heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik +hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog +verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw +vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, +omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen +zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand +is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de +aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een +vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den +ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er +kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw +vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, +waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een +beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of +er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en +na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich +en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed +gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat +gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen +geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben +hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken en haar alle +mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke +liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde +straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en +deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg +hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben +verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, +door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend +goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver +van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar +Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, +kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft +van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand +te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet +spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en +ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, +want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend +aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar +Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat +helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u +dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, +maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig +procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid +al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om +u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en +bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, +dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem +dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die +dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel +der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen +als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De +donna was het daarmee eens. + +Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot +vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan +Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat +Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto +ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, +keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, +wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij +Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen +met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet +langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, +die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na twee +maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen +ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, +vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis +vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt +vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles +was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich +misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens +en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft +met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade +en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen. + +Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat +haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro +Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief +zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide +met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve +koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met +uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging +zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven +zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om +wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge +rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar +blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende +plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken: + +Beminnelijke donna's. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de +ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, +zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze +in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met +verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de +wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen +onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig +en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten +herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal +vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de +afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam +is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan +onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het +uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na +opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen +zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, +de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den +tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met +genoegen en na het maal vermaakten zij zich op de gewone wijze met +zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van +haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig +door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon +vrijmoedig aldus: + + + Zoo groot, o Amor, is het goede, + Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde, + Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden. + + De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart, + Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt, + Waartoe gij mij hebt gebracht, + En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraan + En op mijn verhelderd gezicht + Toont het mijn gelukkigen toestand; + Want, daar ik verliefd ben, + Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaats + Zoet, dat ik in vuur sta. + + Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen, + Noch met de hand schrijven + O Amor, het heil, dat ik gevoel. + En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen: + Want indien het bespeurd werd, + Zou het in een marteling veranderen. + Maar ik ben zoo voldaan, + Dat alle taal weinig en zwak zou zijn, + Voor ik er iets van zou hebben onthuld. + + Wie zou kunnen denken, dat mijn armen + Haar ooit zouden bereiken, + Waar ik haar omhelsd heb, + En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen, + Waar ik tot haar kwam, + Door gratie en door geluk? + Men zou nooit geloofd hebben + Aan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur. + Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt. + + +Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening +over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de +woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen +verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand +tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo +geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, +dat ieder zou gaan slapen. + + + + + + +Negende Dag. + + _De achtste dag der_ Decamerone _eindigt; de negende vangt + aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem + bevalt._ + + +De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den +licht-azuren tint van den achtsten [182] hemel in donkerblauw +veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen +Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met +langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een +boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, +zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen +jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, +alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, +of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen +en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij +waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of +bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen +dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal +in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend +en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden +feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet +aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, +waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt +en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven +zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, +wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden +allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin +naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de +verhalen, welke glimlachend aldus begon: + + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een + zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt + zich handig van hen door den een als doode in een graftombe + te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, + zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken._ + + +Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat +ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe +Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen +en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die +later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o +genadige donna's, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht +der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, +dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over +spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende +doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden +voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij +niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige +donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van +den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden. + +In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke +twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten +zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi +genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo +voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze +edelvrouw, die madonna Francesca de' Lazzari heette, zeer dikwijls +met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en +onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk +aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun +vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij +dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, +opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had +hun verzoeken niet meer aan te hooren. + +In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen +ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die +daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een +ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, +bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de graftombe bij de kerk +der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom +zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die +ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio +en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te +zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te +stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen +doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, +dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette +die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar +als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in 't +geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca +laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt +verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later +zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij +haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen +is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u +bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio's tombe te gaan, +dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, +totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren +zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij +zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, +kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien +hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, +zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik +ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of +boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en +gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid +is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, +en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen +Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk +uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit +wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, +dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden. + +De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was +opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een +graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De +meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg +zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den +eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging +het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, +maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon +tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga +ik heen? Hoe weet ik, dat de verwanten van die donna, die misschien +bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in +dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de +schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit +heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna +zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is +en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, +dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te +nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen +maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze +beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik +gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, +mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar +zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien +ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen +kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de +donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden +en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij +haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort +met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het +graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed +had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan +liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, +die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden +maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, +dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar +versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en +bleef liggen, of hij dood was en wachtte af. + +Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door +zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op +verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat +hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar +zou verbrand worden of kwaad met Scannadio's verwanten en meer wat hem +weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen +op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, +wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou +ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het +zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij +zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan +was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro +bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar +het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls +tegen een of andere plank langs den weg. De nacht was zoo donker, +dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio +aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters +met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich +er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten +van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte +op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het +gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een +licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen +met opgeheven schilden en lansen: _Wie is daar?_ Daar Rinuccio wist, +wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro +vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, +die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere +richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten +omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in +het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed +van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro +ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij +God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was +het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten +liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, +maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, +keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te +vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar +moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, +in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over +dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de +tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, +omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel +Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij +door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, +die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo +verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar +gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, +maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen +te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd. + + + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een + harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met + een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te + hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als + de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt + zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar._ + + +Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl +daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars +niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin +vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna's. Madonna Francesca +wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, +maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit +een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg +menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de +kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden +die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde +met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken. + +In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn +vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel +bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en +die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde +om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd +werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen +haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet +zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen +tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij +een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer +gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van +beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna's hem van +Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen +over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, +welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens +de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden +zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge +meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim +de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet +merkte, liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop +loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in +tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella +en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en +zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij +hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis +was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer +liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien +door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, +stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den +donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, +welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam +haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, +dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om +het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te +hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met +de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om +Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de +abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp +die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen +waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars +armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, +hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen +beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De +jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij +wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad +spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen +en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den +hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die +allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, +daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het +klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij +de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje +beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, +maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in. + +Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en +zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts +afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als +God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De +abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt +gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier +nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid +u, dat gij uw kap los knoopt en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop +richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar +zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide. + +Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam +tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen +van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, +gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat +het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed +en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die +jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar +waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil. + + + + + +Derde Vertelling. + + + _Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en + Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno + geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen._ [183] + + +Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor +de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige +gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder +verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna's. De ruwe, +marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een +novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, +de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen +al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van +plan was. + +Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, +van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino +stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een +landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence +onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, +maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed +gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem +meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken +inplaats grond te koopen, alsof hij kogels [184] moest fabriceeren, +maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen +hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden +en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een +schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te +doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, +beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis +ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet +en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God +hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello +hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: +Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij +schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: +Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, +maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn +en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet +het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet +te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde. + +Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello +zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn +dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen +mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de +koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, +wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo +hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg +hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat +u goed toedekken en uw water naar onzen vriend, maestro Simone, +brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er +iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich +bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen +hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en +dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, +zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, +die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de +Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; +ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, +hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie +hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat ik gevoel. Bruno, die +naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water +droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid +binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg +aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem +kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter +en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde +hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, +om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij +zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te +schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat +gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De +eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met +gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit. + +Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe +zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit +komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar +zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond +was, zou ik zeker opstaan en haar zoo'n pak slaag geven, dat ik haar +heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op +mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen +daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat +zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione [185] +echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar +toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad +en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil +niet, dat gij u kwelt, want--God zij geloofd--hebben wij het feit +zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig +dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te +geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier +tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig +zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe +ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, +als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, +dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan +te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, +lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal +doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar +wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor +dien drank drie goede en vette kippen noodig en gij geeft aan elk van +uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn +winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van +dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten +beker per keer van drinken. + +Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf +lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, +verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De +dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea +[186] klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht +had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen +op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met +de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, +zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer +naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn +werk en prees overal de prachtige kuur, die maestro Simone hem had +laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met +list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw +Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al + zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn + meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, + dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, + doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij + er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter._ + + +De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap +met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar +het de koningin behaagde: Waardige donna's. Indien het niet moeilijker +was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan +hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen +hunne woorden te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino +voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de +kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek +de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij +een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, +hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand +van den ander overtrof. + +Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen +leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri +en de ander van messer Fortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen +en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, +daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was +knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena +van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er +een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap +Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te +gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn +vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat +die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, +paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem +van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem +zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig +loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem +niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo +antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde +dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, +dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had. + +Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het +middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm +was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed +geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem +om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in +de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden +te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, +die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar +Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, +uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als +het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, +die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere +hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht +hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een +valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen +bediende te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld +niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij +dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt +Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij +het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, +zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, +wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis +achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het +voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam +er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld +had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor +zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet +voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk +hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit +Siena te doen verbannen en steeg te paard. + +Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander +had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een +beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan +denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben +door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, +het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en +doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, +waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri +hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij +zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te +gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, +maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: +Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, +die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien +mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo +hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, +waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, +dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog +wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo'n haast? Wij zullen van avond +nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, +dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij +zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht +en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, +zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, +dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder +hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, +die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na +hem wel twee mijlen gevolgd te hebben en steeds om het wambuis vragend, +ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te +houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den +straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: +Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met +zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die +in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het +hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar +aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je +niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: +Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na +eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik +door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar +voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar +geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op +den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en +te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets +achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de +kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den +kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn +hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk +naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op +den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, +waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de +boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl +hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt + voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, + als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw + wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist._ + + +Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het +gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde +de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke +zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus begon: +Allerliefste donna's. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, +die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den +tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, +wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij +hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te +hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak +kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel +er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets +anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden +van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort +Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog +wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken +wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het +genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den +echten vorm verhalen. + +Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder +anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en +fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco +het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen +Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was +voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid +bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een +zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, +bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een +of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, +die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in +een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed +gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in +den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in +een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put +op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, +kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek +hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander +verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht +hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; +maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, +die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden +en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk +en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de +kamer werd geroepen. + +Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem +dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in diens doen +en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets +dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die +mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino +hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje +schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een +bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging +halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van +Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en +zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen +Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid +zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: +Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van +Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij +met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco +het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij +is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat +ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en +zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel +goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, +toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was +gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij +regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij +terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino +antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik +wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan +maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar +en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, +wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben. + +En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten +dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water +van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar +van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: +Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal +zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar +gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden +neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa +daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino +Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, +dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat +zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, +die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, +terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten +en er niets van merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen +tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence +begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt +als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw +guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, +zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou +je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop +sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: +Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat +ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd +hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, +die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen +dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, +dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult +mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; +zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer +ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal +haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide +Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, +dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes +[187] en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten. + +Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn +en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel +leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong +hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene +liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij +bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, +de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig +volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls +aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor +haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, +wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote +hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders +was, waar hij haar toen niet kon vinden. + +Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier +en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens +een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke +snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, +waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij +hem goede gastmalen en andere voordeelen uit, daar zij op zijn +belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden +bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino +zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot +een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was +afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot +Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met +Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, +vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, +wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat +zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of +zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij +dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een +schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino +ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen +uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie +korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan. + +Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen +om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht +hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in +een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden +van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, +gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en +doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen +gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, +die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, +dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij +te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te +hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor +welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en +ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno +hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino +en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder +reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam +en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, +zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is +daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, +dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden +hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem +betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar +dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij +dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren. + +Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, +ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van verre zag +aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar +de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, +ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de +kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou +doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, +daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond +en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap +dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier +en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem +volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp +hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard +op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar +gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: +O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, +mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring +smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart +gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, +die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat +mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij +mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat. + +Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen +en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen +daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een +belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur +gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en +binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, +zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, +waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar +Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem +bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, +zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude +gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het +je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen +verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan +niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je +je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om +er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, +die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want +zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een +fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond +verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, +maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, +stond op en begon zijn vrouw nederig te smeeken, dat zij niet zou +schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou +worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van +het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig +jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over +die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel +afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, +gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer +terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, +hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal +geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen +terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten +van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat +hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de + dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den + ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna + naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening + dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen + kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij + haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles + weer goed._ + + +Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het +ook ditmaal weer. Toen daarna de donna's over zijn daden zwegen, +gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige +donna's. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de +geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke +ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge +inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam. + +In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die +voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij +arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit grooten nood +niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van +wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje +van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een +kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het +jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze +stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar +vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een +jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende +vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen +zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, +als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje +en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van +dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch +met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel +te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij +den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe +kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij +bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, +Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en +plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen 's avonds uit +Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht +was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna +terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden +man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak +tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence +te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn +gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe +moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is +elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten. + +De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden +hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard +had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, +de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, +daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon +men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het +minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en +liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, +liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging +zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, +waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat +zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het +door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door +haar hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, +zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een +kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, +merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker +op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest +toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg +en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op +en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had +aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de +wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat +er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, +maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje +terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man +sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: +Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van +mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar +die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog +niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder +verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna. + +Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, +dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn +bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het +bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich +naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, +die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, +dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste +genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, +dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De +waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst +tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan +voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan +en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van +God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn +dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: +Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van +den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben +die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een +slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het +scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was +en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond +zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, +droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging +naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, +wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, +dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De +donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa +geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik +niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt +'s avonds zooveel, dat gij 's nachts droomend hier of daar heengaat, +en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij +den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet +in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna +slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb +het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek +van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, +zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u +een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht +te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder +vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga +terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, +begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, +waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe +meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, +zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom +hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en +ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging +de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen +hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard +te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, +Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het +gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio +weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij +bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van +Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt. + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat + van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet + passen, zij doet het niet waarop het gebeurt._ + + +Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de +donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij +de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna's. Vroeger +is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover +velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u +een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een +mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, +niet wilde gelooven. + +Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar +man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen +tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo +kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, +en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, +omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op +een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een +zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam +aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar +naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp +en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, +was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen +opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter +mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, +zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien +gij naar mijn raad wilt luisteren, ga heden niet uit huis. Toen zij +hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd +schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u +zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal +ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander +onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, +want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar +ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, +dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan. + +De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich zelf: +Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik +vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw +ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden +kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar +hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er +den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten. + +Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den +anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste +gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten. + +Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo'n +groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon +ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel +was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, +of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, +zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die +haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten +hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door +de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door +de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo +verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde +zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde +zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets +zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, + waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk + pak slaag te geven._ + + +Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien +had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó +was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, +dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna's. Gelijk zij, +die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een +reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door +Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, +die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U +het volgende vertellen. + +Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, +de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen +niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd +was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in 't +geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, +die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- +en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig +leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, +zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn +kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet +langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) +uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had +begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien +kocht voor messer Vieri de' Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij +naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde +hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier +dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet +voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee +anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, +dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich +naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die +nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem +vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap +middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons +beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en +gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog +van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het +hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over +den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en +vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, +waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij +het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te +stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den +prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde +hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin +een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, +trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij +zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: +Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn +die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich +wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet +bij de kladden neemt, want hij zou U een kwaden dag bezorgen en gij +zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog +iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit +zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik +zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap +aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, +dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak +met ontvlamd gelaat: _Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden +zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!_ Hij stond op +en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam +de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had +gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde +tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, +tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der +Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt +gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik +weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken. + +Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, +hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen +krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van +den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van +wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam +Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem +een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, +wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van +hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te +hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat: +_geeft U hem robijnkleur_ en die _vrienden_ zijn, die gij zendt om +dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op +het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd +en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn +kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord +kon spreken. Hij had wel iets gehoord van _geeft U hem robijnkleur_ +en van _vrienden_, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte +nadat messer Filippo hem leelijk had geslagen en er veel menschen +om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en +verbijsterd uit zijn handen. + +Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem +om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was +om mee te spotten. + +Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer +Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld +was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk +was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn +gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, +die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer +Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U +maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, +wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef. + +Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon +opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan +op hem niet meer voor den mal te houden. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij + bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw + kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, + aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan._ + + +Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij +wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de +donna's genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk +aldus: Beminnelijke donna's. Als men met een goeden geest de orde +der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid +der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen +is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun +besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij +nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de +hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, +die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de +gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, +zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne +en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze +lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen +bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten +worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig +zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers +dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie +van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping waard en +een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea +van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die +kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik +allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, +welwillend en onderworpen te zijn. + +Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed +middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen +goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel +de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard +heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie +in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat +ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze +moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam +en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel +buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de +goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik +zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen. + +Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke +wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder +de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van +verschillende deelen der aarde kwamen bij hem _voor hun moeilijkste +en neteligste zaken om raad_ en onder anderen vertrok daartoe een +zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl +hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef +Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers +is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn +toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij +heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om +hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere +vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch +met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna +vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, +waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo'n ongeluk heb +ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn +medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling +te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen +en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden +zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen +[188] van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn +toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, +werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij +gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de +Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de +tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, +welk antwoord hij kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er +van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat +zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, +waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van +muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen +haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het +wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar +de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet +vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, +maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: +Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij +Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan +eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij +kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En +hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, +dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de +jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den +ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: +Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde +hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, +kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, +omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze +muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige +dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen +tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de +vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, +gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef +beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar +gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel +tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet +gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich +trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets +als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel +mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, +laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna +en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, +maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak +hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat +het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; +denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben +in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden +stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, +waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, +wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde +en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken +om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, +dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, +maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op +de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen +been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd. + +Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk +gevolg de raad van het _Ga naar den Ganzenbrug_ gehad heeft. Na +eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, +avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De +boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; +'s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij +zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit +op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en +in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten +zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij +aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: +Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand +lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt +gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk +Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige +vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de + vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij + er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat + hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering._ + + +De novelle door de koningin verhaald, deed de donna's een weinig +mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden begon +Dioneo aldus te spreken: Lieve donna's. Tusschen witte duiven schijnt +een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert +te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de +schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, +daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, +ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren +door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben +om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden +aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal +U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, +hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan +krijgen en hoe een kleine fout alles bederft. + +Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van +Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op +een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus +reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, +die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid +noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in +Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar +bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, +die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot +genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving +donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit +erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar +peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij +met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, +maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, +waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna +wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, +wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, +Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot +in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij +tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het +mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap +daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik +er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, +vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend +is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij +van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij +zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, +kunt gij mij dan niet weer de vrouw maken, die ik ben? Peet Pietro, +die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht +donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem +die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, +zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, +voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de +staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen 's +nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden +kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd +in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor +wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal +zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten. + +Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, +wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op +gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort +of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed +wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles +zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo +naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den +grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij +al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, +het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone +kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: +Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen +aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de +merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en +rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: +En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de +ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen. + +Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide +hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de +mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij +alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, +sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart +bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, +was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij +gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij +ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel +meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er +niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd: _doet gij dit_? en +bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: +Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als +ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder +trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de +mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als +God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet +nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van +de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig +weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk +hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni +te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk +een dienst. + +Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna's begrepen +dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar +toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, +stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen +zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij +dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en +glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, +die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade +verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die met +blijdschap de hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner +andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na +volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de +noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende +donna's en zeide: Verliefde donna's. De bescheidenheid van Emilia, +die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze +te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust +zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren +en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zal _van hen, die +door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of +om andere dingen_. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot +welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in +ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich +door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik +dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema +beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen +koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn +verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd +weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, +stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend +liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren. + +Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen. + +Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus: + + + Ik ben heel jong en gaarne + Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen. + Dank zij de liefde en de zoete gedachten. + + Ik ga door de groene weiden en aanschouw + De witte en gele en roode bloemen, + De rozen op de struiken en de blanke leliën, + En allen ga ik vergelijken + Met het gelaat van hem, die mij beminde, + En mij nam en mij altijd zal houden als haar, + Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens. + + Wanneer ik er van dezen een vind, + Die, naar 't mij schijnt, hem wel gelijkt + Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze + En, gelijk ik weet, openbaar ik die + Geheel mijn ziel en al wat zij begeert; + Dan met de anderen maak ik daarvan een krans + Gewonden door mijn blonde en lichte haren. + + En hetzelfde genot, dat de bloem van nature + Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij, + Alsof ik de persoon zelf zag, + Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd; + Dat wat zijn zoete geur mij geeft, + Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken, + Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van. + + Zij verlaten nooit mijn gemoed + Als van de andere donna's, bitter noch zwaar, + Maar zij ontsnappen dit warm en zacht + En gaan tot mijn liefde's aanschijn, + Die, als hij ze voelt, om mij te behagen + Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt, + Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop! + + +Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna's +zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning +toen, dat elk zou gaan rusten. + + + + + + +Tiende Dag. + + _De negende dag der Decamerone_ eindigt. De tiende vangt + aan. Onder het bewind van Panfilo spreekt men over hen, + die door mildheid, of grootmoedigheid iets doen om liefde of + andere dingen. + + +Nog waren enkele wolkjes in het westen rood en glansden die in het +oosten reeds aan hun rand als het schitterendste goud, getroffen +door de zonnestralen, welke naderden, toen Panfilo de donna's en zijn +metgezellen deed roepen. Toen hij met hen vastgesteld had, waar zij +tot hun genoegen heen konden gaan, begaf hij zich met langzamen tred, +vergezeld door Filomena sprekend over hun toekomstig leven vooruit +op weg. + +Na een grooten tocht keerden zij, toen de zon warmer werd, naar het +verblijf terug en nadat zij de bekers om de fontein hadden gezet om +zich te laven, gingen zij in verfrisschende schaduwen van den tuin +zich vermaken tot aan het etensuur. En toen zij gegeten en geslapen +hadden, verzamelden zij zich, waar het den koning behaagde en daar +beval hij aan Neifile de eerste vertelling voor te dragen, welke +blijmoedig aldus begon: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Een ridder dient den koning van Spanje. Hij meent daar + slecht voor beloond te zijn. De koning bewijst met zekerheid, + dat het zijn schuld niet is, maar van zijn ongelukkig lot en + geeft hem prachtige geschenken._ + + +Eerbare donna's. Ik moet het als een groote gunst beschouwen, dat onze +koning mij gekozen heeft om het eerst te spreken over zulk een schoone +zaak als de grootmoedigheid, welke evenals de zon de schoonheid en het +sieraad van den ganschen hemel de klaarheid en het licht is van elke +andere deugd. Hierover zal ik U een kleine geschiedenis vertellen, +mijns inziens zeer aardig, en het zal zeker nuttig zijn zich die +te herinneren. Onder de dappere ridders, die sinds lang in onze +stad waren, was er een, misschien de de beste, messer Ruggieri dè' +Figiovanni, rijk en grootmoedig. De levenswijze en de gewoonten van +Toscane beschouwend en ziende, dat, indien hij er bleef, hij weinig +van zijn moed zou kunnen toonen, verkoos hij daarom eenigen tijd te +vertoeven bij Alphonse, koning van Spanje, daar de faam van diens +dapperheid die van elk ander heer in die tijden overtrof. Voornaam +uitgerust met wapens, paarden en dienaren begaf hij zich naar Spanje +en werd door den koning genadig ontvangen. Messer Ruggierri, die +daar luisterrijk leefde en wonderbaarlijke wapenfeiten verrichtte, +deed zich spoedig als een dapper man kennen. Toen hij er een heelen +tijd vertoefd had en op de handelwijzen des konings lette, meende hij +te bemerken, dat die dan aan deze dan aan gene zoo maar een kasteel, +een stad of een baronie schonk, die het niet waard was. En omdat aan +hem, die wist, wat hij beteekende, niets werd gegeven, meende hij, dat +zijn roem er zeer door verminderde en daarom besloot hij te vertrekken +en vroeg aan den koning verlof. De koning stond hem dit toe en gaf +hem een der beste en schoonste muildieren, wat voor de lange reis, +die hij te maken, had zeer door messer Ruggieri werd op prijs gesteld. + +Vervolgens gelastte de koning aan een bescheiden bediende op handige +wijze met messer Ruggieri mede te reizen, zoodat hem dit niet zou +schijnen door den koning te zijn bewerkstelligd. Alles, wat hij zou +zeggen, zou hij goed opvangen en het weten te herhalen en den volgenden +morgen zou hij hem bevelen naar den koning terug te keeren. De bediende +loerde er op, wanneer messer Ruggieri het grondgebied verlaten zou, +kwam op slimme manier in zijn gezelschap en deed hem gelooven, dat +hij naar Italië ging. Terwijl messer Ruggieri den muilezel bereed en +hij over dit en dat sprak, zeide hij, toen het haast drie uur was: +Ik geloof, dat het tijd is onze dieren te laten wateren en nadat zij +in een stal waren gegaan, waterden zij allen behalve de muilezel. Zij +gingen weer voorwaarts; terwijl de stalknecht lette op de woorden +van den ridder, kwamen zij aan een rivier en toen daar hun beesten +gedronken hadden, waterde het muildier daarin. Toen messer Ruggieri +dit zag, zeide hij: Kijk, God make je bedroefd, want jij lijkt, +leelijk beest, op den heer, die jou aan mij gaf. + +De bediende onthield die woorden en hoewel hij er veel opving, daar +hij den ganschen dag met hem reisde, hoorde hij hem verder alles +zeggen tot den hoogsten lof des konings. Toen hij den volgenden dag +naar Toscane wilde rijden, meldde de bediende hem het vorstelijk +bevel. De koning hoorde, wat hij van den muilezel gezegd had, +liet hem roepen, ontving hem met blij gelaat en vroeg hem, waarom +hij hem met zijn muilezel had vergeleken of liever den muilezel met +hem. Messer Ruggieri zei ronduit: Mijn heer, omdat gij op hem gelijkt, +want gij geeft, wanneer het niet moet en niet, wanneer het wel moet, +evenals het dier waterde, toen het niet behoorde en niet, toen het +wel behoorde. Toen sprak de koning: Messer Ruggieri, dat ik U niets +heb geschonken, terwijl ik het velen deed, die bij U vergeleken niets +zijn, komt niet daarvan, dat ik U niet erken als dapper en een groot +geschenk waardig, maar het is Uw noodlot, dat hierin gezondigd heeft, +daar dit mij niet in de gelegenheid liet en dat ik U de waarheid zeg, +zal ik U duidelijk toonen. Hierop antwoordde messer Ruggieri: Mijn +heer, ik ben niet verstoord, omdat ik geen geschenk ontvangen heb, +maar omdat ik van U in geen enkel opzicht een getuigenis ontving van +mijn waarde. Niettemin houd ik Uw verontschuldiging voor eerlijk en ben +bereid te zien, wat gij mij wilt toonen, hoewel ik U zonder bewijzen +geloof. De koning leidde hem toen in een groote zaal, waar, gelijk hij +het van te voren besloten had, twee groote, gesloten koffers waren en +in veler tegenwoordigheid zeide hij: Messer Ruggieri in een van die +koffers is mijn kroon, de koninklijke schepter en de rijksappel en +vele van mijn schoone gordels, ketens, ringen en verdere juweelen; +de andere is vol aarde. Neem er een van en welke gij ook kiest, zal +de Uwe zijn en gij zult kunnen zien, wie ondankbaar is geweest jegens +Uw dapperheid: ik of het lot. Messer Ruggierri koos er een, welken +de koning beval te openen en men vond, dat die vol aarde was. Hierop +sprak de koning lachend: Gij kunt wel zien, messer Ruggieri, dat het +waar is, wat ik U zeg van het lot, maar zeker verdient Uw dapperheid, +dat ik mij tegen zijn krachten verzet. Ik weet, dat gij geen lust hebt +Spanjaard te worden en daarom wil ik U hier noch kasteel noch stad +geven, maar dien koffer, welken de fortuin U ontnam, wil ik U ondanks +haar schenken, en gij kunt dien naar Uw land medenemen en U als bewijs +van Uw moed bij Uw makkers beroemen op mijn geschenken. Messer Ruggieri +nam dien aan en na die dankbetuigingen te hebben geschonken, bij zulk +een gift passend, keerde hij met dezen verheugd naar Florence terug. + + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Ghino di Tacco neemt den abt van Cligny gevangen, geneest + hem van maagziekte en laat hem daarna vrij. Deze, naar het + Hof van Rome teruggekeerd, verzoent hem met Paus Bonifacius + en doet hem tot Prior der Hospitaal-Ridders benoemen._ + + +Reeds was de grootmoedigheid van koning Alphonso jegens den +Florentijnschen ridder geprezen, toen de koning, aan wien de +geschiedenis zeer had behaagd, Elisa beval te volgen, die haastig +aldus begon: Teedere donna's. Het kan slechts als een lofwaardige en +grootsche zaak beschouwd worden, dat een koning zich grootmoedig toont +en die gulheid gebruikt jegens iemand, die hem gediend heeft. Maar wat +zullen wij het noemen, als men ons verhaalt, dat een geestelijke een +bewonderenswaardig mildheid heeft toegepast jegens iemand, waar geen +mensch het gelaakt had dien als vijand te behandelen? Zeker niet anders +dan bij den koning een deugd, maar bij den geestelijke een wonder, +daar zij allen gieriger zijn dan de vrouwen en geslagen vijanden van +alle vrijgevigheid. Hoewel iedereen wraak verlangt voor ontvangen +beleedigingen, zoeken de geestelijken, hoezeer zij lijdzaamheid +prediken en ten zeerste de vergiffenis voor beleedigingen, die met +veel meer vuur dan de andere menschen. Dat een priester grootmoedig +was, zult gij duidelijk uit mijn volgende geschiedenis begrijpen. + +Ghino di Tacco, een man berucht om zijn wreedheid en zijn rooftochten, +die uit Siena was weggejaagd en een vijand der graven van Santa Fiore, +deed Radicofani opstaan tegen de Roomsche Kerk en terwijl hij daar +woonde, liet hij door zijn volgelingen ieder, die in de omstreken +voorbijging, uitplunderen. Toen nu Bonifacius VIII Paus was, kwam de +abt van Cligny aan zijn Hof, dien men geloofde een der rijkste prelaten +van de wereld te wezen. Daar hij er zijn maag had bedorven, werd hem +door de doktoren aangeraden zich naar de baden van Siena te begeven. + +Nadat de Paus hem dit had toegestaan, ging hij zonder zich om de faam +van Ghino te bekommeren met praal van lastdieren, paarden en bedienden +op reis. Ghino di Tacco, die zijn aankomst gewaar werd, spande zijn +valstrikken en zonder zelfs een schildknaap te verliezen sloot hij +den abt met zijn heele personeel op een enge plaats in. Hierop zond +hij naar den abt een der zijnen, den best bespraakten, die hem uit +zijn naam op zeer beminnelijke wijze, vroeg of het hem zou behagen +met hem naar het kasteel van Ghino te gaan. Toen de abt dit hoorde, +antwoordde hij verwoed, dat hij het niet wilde, omdat hij niets met +Ghino te maken had, maar dat hij voortging en zou zien, wie het hem +zou beletten. Hierop sprak de bode op nederigen toon: + +Messire, gij zijt op een plaats gekomen, waar wij buiten Gods toorn +niets vreezen en waar de excommunicaties en de banvloeken allen zelf +in den ban zijn gedaan en daarom zou het het best zijn hiermee Ghino +een genoegen te doen. Reeds was bij dit gesprek de gansche plaats +door snorrebaarden omringd, zoodat de abt, die zich gevangen zag met +de zijnen, zeer verontwaardigd met den bode den weg insloeg naar het +kasteel en zijn heele gevolg. Hij werd in een kleine kamer van een zeer +donker en ongeriefelijke verblijf gebracht maar ieder ander werd naar +zijn rang vrij goed in de sterkte gehuisvest en de paarden en de heele +bagage veilig geborgen. Toen begaf Ghino zich naar den abt en zeide: +Messire, Ghino, wiens gast gij zijt, verzoekt U, dat het U behage hem +te zeggen, waar gij heen gaat en waarom. De abt, die verstandig zijn +trots had afgelegd, beduidde hem, waar hij heen ging en waartoe. Ghino +ging daarop weg, en besloot hem zonder bad te genezen en nadat hij +steeds in het kamertje een groot vuur liet branden en het goed liet +onderhouden, kwam hij eerst den volgenden morgen terug en bracht hem +in een blanke doek twee sneden geroosterd brood en een grooten beker +witten wijn van Cornaglia, van denzelfden, dien de abt had en sprak +aldus tot deze: Messer, toen Ghino jonger was, studeerde hij in de +medicijnen en hij beweert, dat er geen beter genezing tegen maagpijn +is dan hij U zal klaar maken, waarvan dit het begin is; neem dit dus +en versterk U. De abt, die meer honger had dan lust om te schertsen, +at, hoewel hij verontwaardiging voorgaf, het brood en dronk den wijn +en sprak uit de hoogte, praatte veel, gaf veel raad en vroeg in het +bijzonder om Ghino te zien. Ghino liet een deel daarvan ijdel maar +waaien, maar op een en ander antwoordde hij zeer beleefd en beweerde, +dat die hem zoo gauw mogelijk zou bezoeken. Toen ging hij heen en +kwam pas den volgenden dag terug met een ander geroosterd brood en +anderen, witten wijn en zoo onderhield hij hem verscheidene dagen, +tot hij merkte, dat de abt droge boonen had gegeten, die hij in +'t geheim mee had gebracht. Daarom liet hij hem zijnentwege vragen, +hoe het met zijn maag was. De abt antwoordde: Die zou mij in orde +schijnen, als ik uit zijn handen was en verder heb ik in niets trek +dan te eten, zoo goed hebben zijn medicijnen mij genezen. + +Ghino, die vervolgens voor hem met zijn eigen bagage en zijn eigen +bedienden een mooie kamer had laten inrichten en een groot gastmaal had +laten maken, waar met vele mannen van het slot het heele personeel van +den abt aanzat, ging den volgenden morgen naar hem toe en sprak tot +hem: Messer, daar gij U zoo wel voelt, is het tijd uit het gasthuis +te vertrekken. Hij leidde hem bij de hand naar zijn gereed gemaakte +kamer, bracht hem bij zijn gevolg en liet een prachtig gastmaal +aanrichten. De abt vermaakte zich met de zijnen en vertelde hun, hoe +zijn leven geweest was, terwijl zij integendeel allen mededeelden, +dat zij wondergoed door Ghino waren ontvangen. Maar op het etensuur +werden de abt en al de anderen behoorlijk van goede spijzen en wijnen +voorzien, zonder dat Ghino zich nog aan den abt deed kennen. Toen +de abt eenige dagen zoo had doorgebracht, liet Ghino in een zaal +zijn heele bagage brengen en op een binnenplaats daaronder al zijn +paarden tot den ellendigsten knol toe, ging naar den abt en vroeg +hem, hoe hij het maakte en of hij zich sterk genoeg geloofde om op te +stijgen. Hierop antwoordde de abt, dat hij flink genoeg was en zijn +maag goed genezen en gaarne uit de handen van Ghino zou raken. Toen +leidde Ghino hem in de zaal, waar zijn bagage was en zijn geheele +personeel en naar een venster, waar hij al zijn paarden kon zien en +sprak: Heer abt, gij moet weten, dat het geen boosheid van ziel geweest +is, die Ghino di Tacco er toe bracht--en die ben ik--straatroover te +worden en een vijand van Rome's Hof, maar dat hij edelman is en arm +uit zijn huis verjaagd en vele en machtige vijanden heeft en zoo zijn +leven en zijn adel moet verdedigen. + +Maar omdat gij mij een waardig heer schijnt en ik U hier de maag +heb genezen, ben ik niet van plan U anders te behandelen dan ik het +een ander zou doen van wien ik, als hij in mijn handen was, dat deel +van het zijne tot het mijne zou maken, dat mij zou behagen, maar ik +wensch, dat gij dit deel van het Uwe tot het mijne maakt, wat gij zelf +verkiest. Hier ligt alles en Uw paarden kunt gij uit dat venster op +de binnenplaats zien. Neem daarom of een deel of alles en blijf of ga +van nu af, gelijk het U bevalt. De abt verbaasd, dat de woorden van +een straatroover zoo edelmoedig waren, onderdrukte dadelijk zijn toorn +en verontwaardiging, en veranderde die daarentegen in welwillendheid, +werd van harte met Ghino bevriend, wilde hem omarmen en zeide: Ik zweer +bij God, dat om de vriendschap te winnen van zulk een man als gij, ik +een veel grooter beleediging zou dulden. Vervloekt zij het noodlot, +dat U tot zulk een afkeurenswaardig beroep dwingt! Daarna liet hij +van zijn vele zaken er zeer weinig en slechts de noodige meenemen en +eveneens van de paarden. Na hem al de anderen te hebben gegeven keerde +hij terug naar Rome. Daar de Paus de gevangenneming van den abt had +vernomen en dit hem zeer verdroot, vroeg hij hem, toen hij hem zag, +of de baden hem goed hadden gedaan. De abt antwoordde lachend: Heilige +Vader, ik heb dichterbij een beter dokter gevonden en hij vertelde +hem het middel, waarover de Paus lachte. Hierop vroeg de abt volgens +zijn belofte uit edelmoedigheid een gunst. De Paus denkend, dat hij +wat anders zou verzoeken, stond hem dit gul toe. Toen sprak de abt: +Heilige Vader, wat ik U wil vragen, is, dat gij genade schenkt aan +Ghino di Tacco, mijn dokter, omdat hij van de waardige mannen, waarvan +ik er velen ontmoette, zeker een van de beste is en welk kwaad hij +ook doet, dit is, meen ik, veel meer een zonde van zijn lot dan van +hem zelf. Verander dus zijn lot en maak dat hij naar zijn rang kan +leven en ik twijfel er dan niet aan, dat het binnen kort U zoo zal +voorkomen als aan mij. De Paus, die groot van ziel was en veel van +waardige mannen hield, wilde dit gaarne doen, mits het was, gelijk +de abt meldde. Ghino kwam zoo onder vrijgeleide ten hove en spoedig +hield de Paus hem voor een waardig man en na zich met hem verzoend te +hebben gaf hij hem een groot prioraat van de Hospitaal-Orde, van welke +hij hem Tempelridder maakte. Dit ambt behield hij, zoolang hij leefde, +als vriend en dienaar der heilige Kerk en van den abt van Cligny. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Mithridanes jaloersch op de edelmoedigheid van Nathan wil + hem dooden en zonder deze te kennen, ontmoet hij dien zelf; + onderricht door dezen over het middel daartoe, ontdekt hij hem + in een boschje, dat die er voor had aangewezen, schaamt zich, + als hij hem erkent en wordt zijn vriend._ + + +Het scheen allen een wonder, dat een geestelijke een zaak grootmoedig +behandelde, maar toen de de donna's al met praten ophielden, beval +de koning aan Filostrato voort te gaan, die haastig begon: Edele +donna's. Groot was de mildheid van den koning van Spanje en ook die +van den abt van Cligny, maar het zal U nog wonderlijker voorkomen, +dat een grootmoedig man jegens een ander, die zijn bloed en zijn +leven begeerde, wijs besloot het hem te geven. En hij zou het +geschonken hebben, als de ander het had willen aannemen, hetgeen ik +U zal vertellen. + +Het is zeer zeker, (als men geloof kan hechten aan de woorden van +eenige Genueezen en eenige anderen, die in die streken geweest zijn) +dat er vroeger in zekere gedeelten van Cattajo [189] een man leefde +van edel geslacht en onvergelijkelijk rijk, Nathan, die een bezitting +had bij een straatweg, waar noodzakelijk haast iedereen passeerde, +die van het Westen naar den Levant of van het Oosten naar het Westen +wilde gaan en daar hij grootmoedig en mild was en dit wilde toonen, +liet hij er, daar hij over vele kunstenaars kon beschikken, in korten +tijd het schoonste en rijkste paleis bouwen, dat ooit was aanschouwd en +liet dit voorzien van al wat noodig was om edellieden te onthalen. Hij +had een groot en schoon dienstpersoneel, en liet er met welwillendheid +en eer elk, die kwam onthalen. Hij hield die lofwaardige gewoonte +zóó vol, dat niet alleen het Oosten, maar ook heel het Westen hen +door de faam kende. Toen hij al oud was, zonder dat zijn gulheid +was verzwakt, bereikte zijn roem een jongeling Mithridanes uit een +land niet ver van het zijne, die wetend, dat hij niet armer was +dan Nathan, zoo jaloersch was geworden op zijn roem en zijn deugd, +dat hij zich voornam die met grooter vrijgevigheid of te vernietigen +of te overschaduwen. Na een paleis te hebben laten bouwen gelijk aan +dat van Nathan begon hij de buitensporigste mildheid te betuigen aan +ieder, die daar kwam en hij werd in korten tijd beroemd. Terwijl hij +eens geheel alleen in den hof van zijn paleis was, vroeg een vrouwtje +door een der poorten binnengetreden hem een aalmoes en ontving die en +door een tweede poort weer bij hem gekomen, kreeg zij er nog een en +zoo vervolgens twaalf maal maar de dertiende maal sprak Mithridanes; +Vrouwtjelief, gij zijt niet vlug tevreden, maar niettemin gaf hij +haar de aalmoes. Het oudje zeide: O milddadigheid van Nathan, wat zijt +gij wonderbaar! Want ik werd nooit na door de twee en dertig poorten +van zijn paleis te zijn binnengetreden en hem een aalmoes te hebben +gevraagd door hem herkend, zóó dat hij het toonde, en kreeg die altijd +en hier ben ik er nog geen dertien door gegaan of ik word herkend +en berispt. Zonder terug te keeren ging zij heen. Mithridanes, die +hoorde, dat de roem van Nathan den zijne verminderde, zei in woedende +gramschap ontbrand: O ongeluk over mij! Wanneer zal ik de mildheid +van Nathan in groote dingen bereiken, als ik hem zelfs nog niet in de +kleinsten kan nabij komen? Waarlijk, ik vermoei mij tevergeefs, als +ik hem niet van de wereld stuur, wat ik, daar de ouderdom hem niet +weg voert, zonder twijfel met eigen handen zal moeten doen. Zonder +zijn plan aan iemand mede te deelen en met weinig geleide te paard +gestegen, kwam hij na drie dagen, waar Nathan woonde en na aan zijn +metgezellen bevolen te hebben te doen of zij hem niet kenden, zeide +hij hun een herberg te zoeken tot nader order. Hij trof tegen den +avond alleen gebleven niet ver weg Nathan voor het schoone paleis, +die zonder pronkkleed eenzaam wandelde. Daar hij hem niet kende, vroeg +hij hem te zeggen, waar Nathan woonde. Nathan antwoordde blijmoedig: +Mijn zoon, niemand in deze streek weet het U beter te zeggen dan ik en +daarom zal ik U, als het U behaagt, er heen leiden. De jongeling zeide, +dat dit hem zeer aangenaam zou zijn, maar dat hij zoo mogelijk door +Nathan noch gezien noch gekend wilde worden. Nathan sprak toen: Dit +zal ik doen, omdat U dat wilt. Toen Mithridanes was afgestegen, ging +hij met Nathan in aangenaam gesprek naar diens prachtig paleis. Hier +liet Nathan door een van zijn bedienden het paard van den jonkman +vasthouden en fluisterde hem in, dat hij haastig aan allen in het +paleis zou mededeelen, dat niemand aan den jongeling zou zeggen, +dat hij zelf Nathan was. Hij liet Mithridanes in een zeer schoone +kamer, waar niemand hem zag uitgezonderd zij, wien zijn bediening +was opgedragen, liet hem prachtig onthalen, en hield hem zelf +gezelschap. Terwijl Mithridanes bij hem bleef, vroeg hij hem toch, +hoewel hij hem vaderlijk eerbiedigde, wie hij was. Nathan antwoordde: +Ik ben een geringe dienaar van Nathan: ik ben van af mijn jeugd met +hem oud geworden en hij gebruikte mij nooit voor iets anders dan +voor wat gij ziet, zoodat, hoewel ieder ander hem zeer prijst, ik het +slechts weinig kan doen. Deze woorden gaven aan Mithridanes hoop met +meer overleg en sluwheid zijn verraderlijk plan uit te voeren. Nathan +vroeg hem zeer beleefd, wie hij was en wat hem daarheen voerde en +bood hem zijn raad en zijn hulp aan, waarin hij dit kon. + +Mithridanes wachtte een oogenblik en besluitend zich hem toe te +vertrouwen, vroeg hij met een lange omhaal zijn woord en daarna raad +en hulp, zei, wie hij was en waarom hij kwam. Nathan was waarlijk +hierbij geheel onthutst maar zonder te lang te dralen antwoordde hij +met een gerust hart en een onbewogen gelaat: Mithridanes, Uw vader +was een edel mensch, van welken gij niet moogt ontaarden, nu gij +zulk een trotsch besluit genomen hebt jegens allen grootmoedig te +zijn en ik prijs U zeer om Uw afgunst op de deugd van Nathan. Als er +meer zoo waren, zou de wereld die nu zeer ellendig is, spoedig goed +worden. Uw voorstel zal geheim blijven, maar ik kan er eer nuttigen +raad dan groote hulp voor verleenen, en wel deze: Gij kunt van hier +misschien op een halve mijl afstand een boschje zien, waarin Nathan +elken morgen geheel alleen voor ontspanning een lange wandeling +doet; daar is hij gemakkelijk te treffen. Ga, indien gij hem doodt, +opdat gij zonder hindernis naar huis terugkeert, niet denzelfden weg +terug, maar dien gij links uit het bosch ziet komen, omdat deze een +weinig meer ongebaand dichter bij Uw huis is en veiliger. Daarna liet +Mithridanes in 't geheim aan zijn metgezellen weten, waar zij hem den +volgenden dag moesten wachten. Nathan ging onveranderlijk in zijn +gevoelens volgens den raad, dien hij had gegeven, naar het boschje +om te sterven. Mithridanes nam zijn boog en zijn degen,--want andere +wapens had hij niet,--ging er te paard heen en zag Nathan van verre +alleen wandelen. Voor hij hem aanviel, wilde hij hem zien en spreken, +liep op hem toe, greep hem bij den doek op het hoofd en zeide: +Grijsaard, gij zijt des doods! Nathan antwoordde er niets op als: +Dan heb ik dien verdiend. Mithridanes, die hem aan stem en gelaat +herkende, als degene, die hem welwillend had ontvangen en trouw had +geraden, liet opeens zijn woede varen en zijn toorn veranderde in +schaamte. Daarop steeg hij af na den degen te hebben weggeworpen, +viel klagend Nathan te voet en zeide: Nu ken ik Uw gastvrijheid, +dierbare vader, nu ik zie hoe, gij hier gekomen zijt om mij Uw leven +te geven, wat ik zonder rede toonde te begeeren. Maar God, die meer +nauwgezet is op mijn plicht dan ik, heeft op het ware oogenblik mijn +oogen geopend, die gesloten waren door ellendigen nijd. En ik verdien +te meer straf voor mijn dwaling, naarmate gij meer bereid waart, mij +te dienen. Neem die wraak, welke gij voor mijn zonde eischt. Nathan +hief hem op, omhelsde en kuste hem teeder en sprak: Mijn zoon, voor +uw plan of gij het misdaad of hoe ook noemen wilt, behoeft gij geen +vergeving te vragen, omdat gij het niet uit haat hebt gevolgd maar om +voor braver door te gaan. Leef ongestoord voort en wees er zeker van, +dat er niemand is, die zooveel van U houd als ik, want ik begrijp den +trots van Uw ziel, die er zich aan wijdde niet slechts te verzamelen, +gelijk de ellendigen doen, maar het verzamelde te besteden. Evenmin +behoeft gij U te schamen mij uit roemzucht te dooden noch te denken, +dat ik mij er over verwonder. De beroemdste keizers en de grootste +koningen hebben niet anders dan door moorden niet één man, zooals gij +het wilde, maar oneindig veel menschen gedood, de landen plat gebrand +en de steden vernield om hun rijken te vergrooten en bijgevolg hun +roem. Als gij om U meer beroemd te maken mij hebt willen dooden, +hebt gij niets wonderlijks of nieuws gedaan, maar iets zeer gewoons. + +Mithridanes, die zijn boos plan niet verontschuldigde, maar die de +vereerende verontschuldiging van Nathan zeer prees, zeide, dat hij +zich zeer verwonderde over den raad, dien bij hem gaf. Hierop zei +Nathan: Mithridanes, verwonder U niet, omdat ik, sinds ik mijn eigen +wil had en besloot hetzelfde te doen als gij, niemand ooit in mijn +huis ontving, dien ik niet voldeed, wat hij ook vergde. Gij zijt +hier gekomen begeerig naar mijn leven, daarom, opdat gij ook niet +onbevredigd zoudt weggaan, besloot ik het U te schenken. Ik gaf U den +raad, dien ik, geschikt achtte; U mijn leven te geven en U het Uwe +niet te doen verliezen. Gij kunt het nog nemen, daar ik het niet beter +weet te besteden. Ik heb het al tachtig jaar voor mijn genoegens en +voor mijn weldadigheid gebruikt en ik volg den loop der natuur, die +mij nog maar weinig tijd overlaat. Daarom acht ik het veel beter dat +te offeren, gelijk ik steeds mijn schatten gegeven en verteerd heb, +dan dit te bewaren tot het tegen mijn wil mij door de natuur wordt +ontnomen. Het is een klein geschenk honderd jaar te geven; hoeveel +minder is het dan niet de zes of acht te schenken, die ik nog heb te +leven? Neem het dus, als dit U bevalt, bid ik U, omdat ik, terwijl +ik hier geleefd heb, niemand vond, die het heeft begeerd, en ik ook +niemand zal vinden, die het wenscht. En mocht ik nog iemand vinden, +dan weet ik, dat hoe langer ik het houd, hoe minder het waard zal zijn; +en omdat het minder waard wordt, bid ik U het te nemen. Mithridanes +zeide beschaamd: God verhoede, dat ik uw zoo kostbaar leven neem of dat +ik er de begeerte toe krijg als voor kort, wat ik niet met zijn jaren +wil verminderen maar gaarne met de mijne verlengen. Nathan sprak snel: +Wel, gij kunt het verlengen en schenk mij uw leven, die nooit iets van +anderen nam. Goed, zeide Mithridanes. Dan, sprak Nathan, handel, gelijk +ik zeg. Blijf als jongeling in mijn huis en noem U Nathan en ik zal +naar het Uwe gaan en Mithridanes heeten. Toen antwoordde Mithridanes: +Indien ik nu wist te handelen als gij, zou ik het aannemen, maar omdat +mijn handelwijzen den roem van Nathan zouden verminderen en ik niet bij +anderen wil bederven, wat ik bij mezelf niet wist te verkrijgen, zal ik +dit niet aannemen. Bij deze geestige woorden gingen zij naar het paleis +terug, waar Nathan Mithridanes prachtig onthaalde en hem met al zijn +vernuft en wetenschap in zijn grootsch plan versterkte. Mithridanes +ging met zijn gezelschap huiswaarts, nadat Nathan hem wel had doen +ondervinden, dat hij hem nooit in mildheid zou kunnen overtreffen. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Messer Gentil de' Carisendi haalt teruggekeerd van Modena een + donna door hem bemind, die voor dood is begraven, uit het graf, + welke hersteld een zoon baart en messer Gentile geeft haar en + den zoon terug aan Niccoluccio Caccianimico, haar echtgenoot._ + + +Het scheen allen een wonder, dat iemand zoo vrijgevig was met zijn +eigen bloed en zij erkenden, dat Nathan werkelijk den koning van +Spanje en den abt van Cligny overtrof. Toen er over een en ander +genoeg gezegd was, beduidde de koning Lauretta, dat zij zou spreken, +die opgewekt begon: + +Jonge donna's. De verhalen waren prachtig en het schijnt mij, +dat er niets voor ons overblijft te vertellen, zoo grootsch waren +die. Alleen liefdesgeschiedenissen geven nog voor elk onderwerp +de overvloedigste stof tot spreken. En zoowel hierdoor en omdat +onze leeftijd ons daartoe hoofdzakelijk leidt, behaagt het mij U de +grootmoedigheid van een minnaar vertellen, welke wel beschouwd U niet +minder zal schijnen dan een der verhaalde feiten, indien het waar is, +dat men de schatten geeft, dat men de vijandigheden vergeet en dat men +het leven, de eer en den roem, die veel meer waard zijn in duizende +gevaren brengt om het beminde voorwerp te bezitten. + +Er leefde dan in Bologna, die zeer edele stad van Lombardije, een +ridder zeer gezien om zijn deugd en den adel van zijn bloed, Gentil +Carisendo, een jonkman, die verliefd werd op een edelvrouw, madonna +Catalina (Catharina), de echtgenoote van een zekeren Niccoluccio +Caccianimico. Omdat zijn liefde door haar slecht werd beantwoord, +vertrok hij, tot baljuw van Modena benoemd, wanhopig. In dien tijd, +terwijl Niccoluccio te Bologna was en de donna op een harer bezittingen +misschien drie mijlen van de stad, waar zij voor haar zwangerschap +heenging, werd zij door zulk een ernstige ongesteldheid getroffen, +dat zij door elken dokter voor dood werd gehouden. Daar haar naaste +verwanten uit haar eigen mond hadden vernomen dat het kind nog niet +rijp kon zijn, begroeven zij haar met veel geklaag in een tombe van +een kerk daar in de buurt zonder zich verder ongerust te maken. Dit +werd dadelijk door een vriend bericht aan messer Gentil, die, hoewel +hij zeer weinig van haar welwillendheid had genoten, er zeer bedroefd +over was en dacht: Zie, mevrouw Catalina, gij zijt dood; zoolang gij +leefde, heb ik nooit één blik van U gehad, daarom nu gij U niet meer +kunt verzetten, moet ik een kus van U hebben. 's Nachts gaf hij zijn +bevelen, opdat zijn vertrek geheim bleef, steeg met een bediende te +paard en zonder oponthoud bereikte hij de tombe, opende die, waarin hij +binnenging, legde zich naast haar zijn gelaat bij het hare en kuste +het meermalen met vele tranen. Daar wij de wenschen der mannen nooit +bevredigd zien, maar die steeds vermeerderen en in het bijzonder die +der minnaars en hij besloten had er niet langer te blijven, zeide hij: +Wel, waarom zou ik haar niet even de borst aanraken? Ik mag die nooit +meer beroeren en raakte die nooit aan. Door dit verlangen overwonnen +legde hij de hand op haar boezem en toen hij die daar eenigen tijd +gehouden had, scheen het hem, dat haar hart nog sloeg. Toen hij alle +vrees van zich verjaagd had, bevond hij, dat zij zeker niet dood was, +hoe gering en zwak hij haar leven ook achtte; daarom trok hij haar zoo +zacht hij kon met behulp van zijn bediende uit de tombe en na haar +voor zich op het paard te hebben gelegd, bracht hij haar heimelijk +in zijn huis in Bologna. Daar was zijn moeder, een waardige en wijze +vrouw, die, nadat zij van haar zoon alles vernam, door medelijden +bewogen langzaam met groote hitte en een bad het verzwakte leven terug +riep. Toen zij tot zich zelf kwam, stiet zij een grooten zucht uit en +zeide: Wee mij! Waar ben ik? Waarop de waardige donna antwoordde: Houdt +U goed, je bent op een goede plaats. Tot bezinning gekomen en niet goed +wetend, waar zij was en messer Gentile voor zich ziende, vroeg zij vol +verbazing zijn moeder haar te zeggen, hoe zij daar kwam, waarop messer +Gentil alles vertelde. Zij, hierover bedroefd, bedankte hem, zooveel +zij kon en bad hem bij de liefde, die hij haar vroeger toedroeg en +uit beleefdheid, dat er niets zou gebeuren, wat tegen haar eer en die +van haar man ging en haar, als het dag werd, naar haar eigen huis te +laten terugkeeren. Messer Gentile antwoordde: Madonna. Hoedanig mijn +verlangen ook eertijds was, ik ben thans niet van plan noch voortaan +(daar God mij die genade schonk U uit den dood aan het leven terug te +geven dank zij de liefde, die ik U vroeger toedroeg) U noch hier noch +elders anders dan als geliefde zuster te behandelen maar de dienst, +dien ik U vannacht bewees, verdient een belooning en daarom wil ik, +dat gij mij die schenkt. De donna verklaarde zich hiertoe bereid, +mits die gunst eerbaar was. Messer Gentil sprak toen: Madonna, al Uw +verwanten en alle Bologneezen gelooven stellig, dat gij gestorven +zijt. Ik verlang van U, dat gij hier zult blijven met mijn moeder, +tot ik spoedig van Modena terugkeer. De reden hiervan is, dat ik U +in tegenwoordigheid der beste burgers een duur en feestelijk geschenk +wil geven. De donna, die zich verplicht gevoelde, stemde toe, hoezeer +zij ook verlangde haar familie te verheugen en beloofde het hem op +haar woord. Kort daarna meende zij te moeten bevallen en met zorg +geholpen door de moeder van messer Gentile beviel zij weldra van een +schoonen knaap, wat de vreugde van messer Gentil en van haar zeer +verhoogde. Messer Gentile beval, dat zij van alles werd voorzien, +behandeld als zijn eigen vrouw en keerde in 't geheim naar Modena +terug. Toen daar de tijd voor zijn baljuwschap om was, keerde hij +naar Bologna terug. Den ochtend, dat hij zou binnen komen, beval hij +voor vele edele lieden van Bologna een groot gastmaal te bereiden, +waarbij Niccoluccio Caccianimico tegenwoordig zou zijn. Toen hij +zich bij hen bevond, zag hij de donna schooner en gezonder terug dan +ooit en het zoontje welvarend, zette met opgeruimdheid zijn gasten +aan tafel en liet ze van allerlei spijzen bedienen. Toen het maal +haast geëindigd was, begon hij, die met de donna alles geregeld had, +aldus te spreken: Heeren, ik herinner mij eens te hebben gehoord, +dat er in Perzië een aardig gebruik bestond namelijk, wanneer iemand +zijn vriend ten hoogste wilde onthalen, hem bij zich uit te noodigen +en hem vrouw, vriendin of dochter te toonen of wat hem het dierbaarst +was met het verzoek, dat ook deze zou zeggen, wat hem het liefst was +en ik doe dit nu hier in Bologna. Gij hebt mijn gastmaal eer aangedaan +en wil u op zijn perzisch ontvangen door u het dierbaarste te toonen, +wat ik op de wereld heb. Maar eer ik dit doe, bid ik u mij te zeggen, +wat gij denkt van den twijfel, dien ik in mij omdraag. Iemand heeft +een goed en trouw dienaar, die ernstig ziek wordt; zonder het einde +van den zieke af te wachten, laat hij hem midden op straat dragen +en zorgt niet meer voor hem; er komt een vreemde en bewogen door +medelijden verzorgt hij hem en met groote kosten wordt hij weer +gezond. Nu zou ik willen weten of, als hij dien in zijn dienst houdt, +zijn eerste meester zich terecht kan beklagen over den tweede, indien +die, als hij den dienaar terugvraagt, dezen niet afstaat. De edellieden +kwamen tot één besluit en droegen Niccoluccio Caccianimico op, omdat +hij een goed spreker was, te antwoorden. Deze prees het perzisch +gebruik en meende als de anderen, dat de eerste meester geen recht +meer op zijn dienaar had, omdat hij hem in dit geval niet alleen had +verlaten maar zelfs verstooten en dat het, voor de diensten door den +tweeden bewezen, rechtvaardig was, dat hij diens knecht werd, en hij, +door hem te houden, den eerste geweld noch beleediging aandeed. Alle +aanwezigen zeiden hetzelfde. De ridder hierover tevreden beweerde, +dat hij van een andere meening was en zeide daarentegen: Het is +tijd, dat ik u volgens mijn belofte eer bewijs. Hij liet door twee +knechts de donna halen, die hij rijk had getooid, en verzocht haar +om de edellieden met haar tegenwoordigheid te vereeren. Met haar mooi +knaapje op den arm kwam zij in de zaal en ging naast een waardig man +zitten. Hij sprak: Heeren, dit is het dierbaarste, wat ik heb. Ben ik +in mijn recht? De edellieden vierden haar zeer en zeiden den ridder, +dat hij haar moest liefhebben. Er waren er verscheidene, die hem gezegd +zouden hebben, wie zij was, als zij haar niet dood hadden gewaand. Maar +vooral Niccoluccio keek haar aan, die, toen de ridder even heen ging, +daar hij brandde om te weten of ze het was, zich niet houden kon, en +haar vroeg of zij uit Bologna was of een vreemde. De donna, door haar +echtgenoot ondervraagd, zweeg om de afspraak te houden. Een ander vroeg +of dit haar zoontje was en gene of zij de vrouw was van messer Gentile +of met hem verwant; hierop antwoordde zij niets. Maar toen messer +Gentile terug kwam, zeide een der gasten: Messire, zij is schoon, +maar zij schijnt mij stom. Is zij dit? Heeren, sprak messer Gentile, +dat zij tot nu toe niet gesproken heeft, is geen klein bewijs van haar +deugdzaamheid. Zeg dan, wie zij is. De ridder sprak: Dat zal ik gaarne +doen, mits gij mij belooft, dat niemand van zijn plaats zal bewegen, +voor ik geëindigd heb en hierna, toen de tafel al was opgeheven, sprak +messer Gentile, die naast de donna ging zitten: Heeren, deze donna is +die eerlijke dienaar, waarover ik U sprak, deze werd geminacht en als +gemeen en nutteloos op de straat geworpen, en door mij opgenomen. Door +mijn zorg heb ik haar uit den dood opgehaald en God, die lette op +mijn barmhartigheid, heeft haar van een afschrikwekkend lichaam weer +schoon doen worden. Maar ik zal U in het kort verklaren, wat mij is +overkomen, Hij vertelde van zijn verliefdheid af alles uitvoerig tot +aller groote verbazing en voegde er nog aan toe: Als gij dus niet +sinds zooeven van gevoelen zijt veranderd en vooral Niccoluccio, is +die donna met recht de mijne en kan niemand haar met reden van mij +weer opeischen. Niemand antwoordde, maar alle wachtten af. Men weende +van ontroering; messer Gentile stond op, nam den kleinen jongen in +zijn armen en de donna bij de hand en sprak tot Niccoluccio: Sta op, +peetvader, ik geef U deze niet als Uw vrouw terug door Uw familie +en haar verwanten verstooten maar als mijn petemoei en dit knaapje, +waarvan ik zeker ben, dat het van u is, dat ik ten doop hield en +Gentile heb genoemd. Ik bid u, dat zij, daar zij drie maanden in mijn +huis is geweest, u niet minder dierbaar zal zijn. Want ik zweer u bij +dien God, die mij op haar verliefd maakte, misschien om haar te redden, +dat zij nooit eerbaarder bij haar ouders of u heeft geleefd dan bij +mijn moeder in mijn huis. Hierbij wendde hij zich naar de donna en +sprak: Madonna, ik ontsla u van elke belofte mij ooit gedaan en geef +u over aan Niccoluccio en hij sloot de donna en het kind in diens +armen. Niccoluccio ontving verlangend zijn donna en haar zoontje +en des te meer verblijd, naarmate hij meer wanhopend was geweest en +zoo goed hij kon, bedankte hij den ridder. Al de anderen weenden van +ontroering en prezen hem zeer en ieder, die het later hoorde. De donna +werd met groote vreugde tehuis ontvangen en zij werd met verbazing +langen tijd door de Bologneezen beschouwd. Messer Gentile leefde +steeds als vriend van Niccoluccio en zijn verwanten en die der donna. + +Wat zult gij hier zeggen, welwillende donna's? Zoudt gij denken, +dat een koning, die zijn schepter en kroon geeft en een abt, die +zonder schade een misdadiger met den Paus verzoende of een oude, die +zijn keel biedt aan het mes van een vijand, vergeleken kunnen worden +met de daad van messer Gentile, die jong en vurig, te recht meenend +te bezitten, wat de dwaasheid van anderen had weggeworpen en wat hij +door goed geluk had gevonden, niet alleen zijn liefde matigde maar ook +terug gaf, wat hij langen tijd begeerd had en zocht te rooven. Zeker +schijnt niets van het verhaalde mij hieraan gelijk. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Madonna Dianora eischt van messer Ansaldo een tuin in + Januari even schoon als in Mei. Messer Ansaldo geholpen door + een toovenaar, geeft haar dien. De echtgenoot staat toe, + dat zij messire Ansaldo ter wille is, die dit hoorend haar + van haar belofte ontslaat en de toovenaar, zonder iets van + hem te verlangen, beschouwt hem als vrij van schuld._ + + +Ieder van het vroolijk gezelschap verhief messer Gentile tot in de +wolken, toen de koning beval Emilia te volgen, welke onbeschroomd +verlangend te spreken, aldus begon: Teedere donna's, Niemand kan +ontkennen, dat messer Gentile ridderlijk gehandeld heeft, maar als +men wilde beweren, dat men het niet noch schooner kan, zou het niet +moeilijk zijn dit te weerleggen. Dit wil ik u in mijn verhaal toonen. + +In Frioli, een koud land, maar vroolijk door schoone bergen, +vele rivieren en heldere bronnen, leefde in een stad Udine, een +mooie edelvrouw madonna Dianora, de gade van een voornaam, rijk man +Gilberto, aardig en van knap uiterlijk. De donna won de liefde van +een edelen en grooten baron, messire Ansaldo Gradense, een man van +ondernemingsgeest en door zijn wapenfeiten en hoffelijkheid bij allen +bekend. Hij deed alles, wat hij kon, om door haar bemind te worden +en zond haar daartoe vaak boodschappen maar vergeefs. En daar de +verzoeken van den ridder de donna hinderden en zij zag, dat hij niet +ophield door haar weigeren noch haar te beminnen noch haar te bidden, +bedacht zij door een naar haar meening onmogelijken eisch zich van +hem te ontdoen en sprak tot een vrouw, die dikwijls zijnentwege tot +haar kwam, aldus: Goede vrouw, gij hebt dikwijls beweerd, dat messer +Ansaldo mij boven alles liefheeft en gij hebt wonderbare geschenken +uit zijn naam aangeboden, die ik niet aannam, maar indien ik er +zeker van ben, dat hij mij zóó liefheeft, als gij zegt, zou ik zeker +trachten hem lief te hebben; indien hij wil beloven, wat ik hem zal +vragen, zal ik tot zijn beschikking zijn. De goede vrouw zeide: Wat +verlangt gij van hem? Zij antwoordde dit: Ik wil in de komende maand +Januari bij deze stad een tuin vol groen gras, bloemen en boomen met +bladeren evenals in Mei; als hij dit niet geeft, laat hij u dan niet +meer sturen, omdat, als hij mij weer zal hinderen, ik mij bij mijn +man en familie zal beklagen, wien ik tot nu toe alles verborg. + +De ridder, die het voorstel van de donna hoorde, nam zich toch voor, +hoe moeilijk en onmogelijk het hem scheen, het te beproeven en +ging in vele deelen der wereld iemand zoeken om hulp en raad. Hij +ontmoette iemand, die aanbood voor veel geld het te bewerkstelligen +door tooverij. Toen messer Ansaldo voor een zeer groote som het met +hem eens werd, wachtte hij verheugd den hem gestelden tijd af. Het +was toen zeer koud en alles vol sneeuw en ijs en de waardige man +handelde in een zeer schoone weide vlak bij de stad in den nacht +voor één Januari zóó, dat op den morgen volgens ooggetuigen, een der +schoonste tuinen verscheen met gras en boomen en vruchten van allerlei +soort. Toen messire Ansaldo dit gezien had, liet hij zeer verheugd er +de schoonste vruchten en bloemen plukken, liet die in 't geheim zijn +donna aanbieden en haar uitnoodigen den tuin, door haar geëischt, +te zien, en dat zij zich de belofte zou herinneren en die zou houden. + +De donna hoorde door velen over den wonderbaren tuin spreken, en kreeg +berouw. Maar daar zij begeerig was wonderen te zien, ging zij er met +vele andere donna's van de stad heen, prees die niet zonder verbazing, +en ging, bedroefder dan eenige vrouw, naar huis denkend aan wat zij +verplicht was. Zij kon haar smart niet verbergen; de echtgenoot merkte +dit en wilde de reden weten. De donna zweeg uit schaamte; ten laatste +vertelde zij hem alles. Gilberto werd eerst heel kwaad. Toen de reine +bedoeling van de donna in aanmerking nemend, gaf hij zijn besten raad +na zijn toorn te hebben verdreven: Dianora, het is geen daad van een +wijze of eerbare donna zulk een boodschap aan te hooren noch op eenige +voorwaarden haar eerbaarheid aan een verdrag te wagen. Woorden in het +hart opgenomen, hebben grooter kracht dan velen denken en bijna alles +wordt voor minnaars mogelijk; gij hebt dus slecht gehandeld. Maar omdat +ik de reinheid van uw ziel ken, zal ik om u van uw belofte te ontslaan, +u dat toestaan, wat wellicht geen ander zou veroorloven ook, omdat +ik bang ben voor den toovenaar, waardoor misschien messer Ansaldo, +als gij met hem spot, ons schade zou doen. Ik wil, dat gij naar hem +toe gaat en u best doet, zooveel gij kunt, dat gij met het oog op uw +eerbaarheid van die belofte bevrijd wordt. Zoo het niet anders kan, +geef hem dan ditmaal uw lichaam maar niet uw ziel. De donna weende en +weigerde hem zulk een gunst toe te staan. Gilberto, hoezeer de donna +zich ook verzette, wilde, dat het geschiedde. De donna ging, toen +het daagde, zonder veel opschik met twee dienaren en een kamervrouw +naar messere Ansaldo. Toen deze dit hoorde, verbaasde hij zich zeer, +liet den toovenaar roepen en sprak: Zie, hoeveel goeds uw kunst mij +verschafte! Hij ontving haar met eerbied, beteugelde zijn begeerte, +en nadat hij haar en de anderen in een fraaie kamer met een groot +vuur had laten plaats nemen, zeide hij: Madonna, ik smeek u, indien +de langdurige liefde, die ik u heb toegedragen, eenig loon verdient, +dat het u niet zal hinderen mij de ware reden mede te deelen van uw +vroege komst met dit geleide. + +De donna beschaamd en met de tranen in de oogen, antwoordde: Messere, +geen liefde, noch de gegeven belofte leidden mij hier, maar het bevel +van mijn echtgenoot, die meer lettend op de smarten van uw onbeteugelde +liefde dan op zijn en mijn eer, mij hierheen stuurde en daarom ben ik +voor deze keer tot uw beschikking. Messer Ansaldo, die eerst over de +donna verwonderd was, verbaasde zich nu nog meer en door de gezindheid +van Gilberto bewogen veranderde zijn hartstocht in medelijden en +hij zeide: Madonna, God verhoede, dat ik de eer schend van hem, +die zich over mijn liefde ontfermt en daarom zult gij hier zijn als +mijn zuster en als het u aangenaam is, kunt gij vrij vertrekken op +voorwaarde, dat gij aan uw man voor zooveel beleefdheid die gunsten +schenkt, die gij goed zult achten en gij mij altijd in de toekomst +tot broeder en dienaar wilt hebben. De donna blijder dan ooit sprak: +Als ik op uw gewoonten let, had ik niets anders van u verwacht, +waarvoor ik u altijd verplicht zal zijn. En na afscheid te hebben +genomen, ging zij eervol begeleid terug naar Gilberto en vertelde +hem het gebeurde. Daaruit kwam tusschen hem en messer Ansaldo een +innige en trouwe vriendschap voort. De toovenaar, voor wien messer +Ansaldo zich gereed maakte de beloofde som te geven, zeide, toen hij +de mildheid van Gilberto jegens Ansaldo en die van messer Ansaldo +jegens de donna zag: God beware mij, dat ik, die de edelmoedigheid van +Gilberto jegens u bemerkte, niet even mild zou zijn en daarom wil ik, +dat het uwe blijft, wat ik weet, dat u te pas kan komen. De ridder +schaamde zich en deed zijn best hem alles of een deel te betalen, +maar tevergeefs. Na drie dagen deed de toovenaar zijn tuin verdwijnen +en beval hem Gode aan. Ansaldo na zijn overspelige liefde te hebben +overwonnen bleef ontgloeid in een eerlijke vriendschap voor haar. + +Wat zullen wij zeggen, verliefde donna's! Zullen wij de dood gewaande +donna en de liefde reeds verkoeld door de verloren hoop tegenover +die edelmoedigheid van messer Ansaldo kunnen stellen, die meer dan +ooit liefheeft en door meer hoop ontbrand is en in zijn handen de +zoo lang gevolgde prooi houdt? Het schijnt mij dwaas te gelooven, +dat die edelmoedigheid daarmee is te vergelijken. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong + meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij + haar en haar zuster eervol uit._ + + +Wie zou de verschillende redeneeringen der donna's kunnen navertellen +over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de +toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de +koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten +zou maken en zij begon zonder verwijl aldus: + +Schitterende donna's. Altijd was ik van meening, dat men in een +gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er +geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit +past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt +zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die +misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door +het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, +niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, +die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord +van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen +tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, +waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen +er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti +[190], met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens +anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op +een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging +hij naar Castello da Mare di Distabia. + +Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven +en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een +landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en +daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar +ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die +met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi +mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om +wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen +tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar +de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een +vriendelijker manier moest behandelen en liet hem melden, dat hij met +vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin +wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde +alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen. + +Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en +geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den +vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan +graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te +nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren +gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen +uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening +was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde +over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, +waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond +als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm +gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt +met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het +nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de +voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar +vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter +een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en +onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de +andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning +verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat +beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten +voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op +den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide +traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een +der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op +den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten +begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen. + +De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich +verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van +den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd +vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven +legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel +den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op +tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er +op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en +zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken +had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, +gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, +die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt hadden, kwamen uit den +vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat +niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat +zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs +den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden +die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, +maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig +elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, +dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds +meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte +groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich +niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest +beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie +de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn +dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, +de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze +zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit +niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op +te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf +met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende +vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij +wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving: + + + Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht, + Lang kan men daar niet van verhalen .... + + +met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met +genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar +waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof +aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch +schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn +metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een +en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de +vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook +voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet +vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en +hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets +anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer +Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den +tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was +hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet +één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als +zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, +hem zeide: Mijn heer, ik verwonder mij er zeer over, wat gij mij zegt +en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van +af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij +in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, +nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, +dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er +over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking +neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een +onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt +met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om +te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde. + +Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig +jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd +de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn +huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren +ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel +vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet +en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de +geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit +rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou +meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn +hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, +dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een +ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die +bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik +herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te +hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint +gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust +en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd. + +Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem +te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na +eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, +hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een +goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het +verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo +aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden +zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort +daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich +zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen +voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor +hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest +voor zich zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als +de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van +dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan +messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo +della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te +hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië +en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, +zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, +voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef. + +Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor +een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar +ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een +verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar +liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de +grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, +eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die + de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar + daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en + noemt zich sedert voor altijd haar ridder._ + + +Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de +mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel +een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon +Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna's. Er is geen +verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve +wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt +misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens +een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen. + +Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en +leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo +Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al +verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van Aragon, heer +van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar +feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: +Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna's zat, en +hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het +feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, +kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge +liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar +nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar +toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer +verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, +wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat +haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd +zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden +hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, +maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar +in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar +voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom +verzocht zij haar vader Minuccio d'Arezzo bij haar te brengen. Minuccio +werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en +was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat +wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij +haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden +gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en +zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, +terwijl hij haar geloofde te troosten. + +Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: +Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt +mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik +zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem +bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in +den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht +mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel +verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder +smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het +niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan +mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het +niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, +opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend +gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar +trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, +hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn +woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij +uw liefde gericht hebt op zulk een groot koning en bied u mijn hulp +aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan--wat u moet sterken--dat, +voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u +zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk +beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed +te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren +Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde +hem op haar verzoek het volgende lied te maken: + + + Liefde, ga en ijl tot mijn Heer, + Spreek hem van de pijnen die ik draag: + En zeg hem, dat ik sterven zal, + Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen. + + Amor, ik smeek u met gevouwen handen, + Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft, + Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin, + Zoo zoet verliefd is mijn harte: + En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt, + Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur, + Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart, + Die ik verduur in verlangen naar hem + In vrees en in schaamte. + Ach! Om Gods wil, doe het hem weten. + + Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd, + Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven, + Zoodat ik geen enkele maal + Hem mijn hartewensch kon openbaren, + Die mij zoo in spanning houdt. + Het is wreed zoo te sterven. + Misschien dat het hem zou behagen, + Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel + En als gij mij den moed hadt gegeven + Om mij het hem te doen weten. + + Daar dit, Amor, u niet behaagde, + Mij die beslistheid te geven, + Dat mijn Heer mijn hart kent, + Hetzij door een boodschap of door een teeken, + Vraag ik u de genade, mijn zoete heer, + Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren, + Den dag, toen ik hem zag met schild en lans + Met andere ridders in strijd, + Toen ik hem bleef aanschouwen. + Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat. + + +Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende +wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar +het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken +liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de +koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend +en gespannen te luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen +Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat +hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de +woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen +de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven +openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, +toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem +alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje +zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde +ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen +zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken. + +Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, +ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles +en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover +zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met +verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, +die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht +en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij +nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, +deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van +den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, +waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter +het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is +nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, +dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, +wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, +als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; +wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo +begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop +het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar +bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest +anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, +dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen +het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles +lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, +of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van +die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde +doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult +zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en +hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, +dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij +eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost, ging hij +weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als +een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door +de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner +dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had +behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij +eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis +van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn +dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna's en zij ontvingen +het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken +had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt +toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, +dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, +dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te +verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te +verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel +rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte +stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik +verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, +maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, +dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, +dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo +en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van +mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar +verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; +tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, +beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, +dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil +steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man +nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer +en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel +moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u +die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek +ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, +zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor +zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God +u genade en loon, want ik kan het niet. + +Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even +verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, +een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst +te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning +en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en +Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee +zeer goede en vruchtbare landgoederen en hij sprak: Dezen geven wij +u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later +zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht +van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het +voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, +maakten een blijde bruiloft. + +Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het +meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde +en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem +door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der +onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen +en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den +boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek +zijn geworden. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die + van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar + Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te + worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om + dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, + dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige + zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in + vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot + vrouw en deelt met hem al zijn goederen._ + + +Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen +had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings +aldus: Grootmoedige donna's. Wie weet niet, dat de koningen allerlei +groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen +in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, +wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder +verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van +wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En +als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel +ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, +wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom +wil ik u de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee +medeburgers en vrienden. + +In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, +het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in +Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus +Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie +te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn +oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon +Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en +Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar +de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, +dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, +die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen +had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de +studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen +naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met +wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste +genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op +het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij +met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten +van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten. + +Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, +spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een +meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres +van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van +de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen +zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij +tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw +van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, +werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit +een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd +samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier +dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe +meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: +Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en +uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes +en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en +Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen +als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met +uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des +geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel +de begeerte tot bijslaap, matig de ongezonde verlangens en richt uw +gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin +u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet +eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt +(wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de +ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de +onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen +aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij +al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht +dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar +zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter +bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die +dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den +ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een +jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie +dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere +mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient +door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, +wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, +omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al +behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, +die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, +en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) +moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar +lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het +tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet +alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- +en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen. + +Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde +daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, +deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang +de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem +meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, +voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en +zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het +mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat +het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd +moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar +zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij +liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, +omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder +groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij +wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en +geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, +bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door +de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch +dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder +moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: +Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik +mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden +hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen +te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin +als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen +schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te +houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik +wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, +verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel +ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het +voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij +Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte +over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft +afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, +als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt +als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, +opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, +zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben +lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles +heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, +dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet +zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook +doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar +niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar +zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij +gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt +dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als +uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, +roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw +verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen. + +Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de +bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden +hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid +van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te +maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid +en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus +verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en +zoo hij gezien had, dat zij mij paste, zou niemand moeten gelooven, +dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze +gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij--zooveel +goeds onwaardig--bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen +en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik +uit mijn lijden. + +Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel +vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu +ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, +zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, +Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, +dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie +u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te +overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra +volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt +dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou +behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en +moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet +verliezen,--wat ik haar aan u schenkend niet doe,--dan u verliezen. + +Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te +bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met +goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het +beminde voorwerp verlangt. + +Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn +vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van +Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet +niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat +gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn +schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het +niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna +te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer +en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij +barmhartiger handelt dan ik zelf. + +Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk +gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn +verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot +vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar +daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, +als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een +ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren +hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, +wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de +bruiloft vieren. Daarna zult gij in 't geheim met haar als uw vrouw +slapen. Dan zullen wij op het goede oogenblik de zaak bekend maken, +wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch +gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus +en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in +het bed van haar man achter. + +De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene +in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar +Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen +Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar +Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, +bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, +nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk +of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, +zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den +vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het +huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder +dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit +huwelijk stond, stierf Publius, Titus' vader, waardoor hem geschreven +werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen +en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij +kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld +was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en +Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd +den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog +van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar +haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit +was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van +grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de +families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een +zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben +verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten +zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist +alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van +de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun +te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, +dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar +hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder +een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een +tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot +de aanwezigen: + +Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt +de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en +daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, +hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen, +voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige +aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een +zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer +te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat +zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken +beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze +en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en +welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid +laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, +wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl +gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat +in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne +moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de +geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk +te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet +bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af +te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen +mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een +weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als +in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige +aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door +woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel +en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij +die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, +waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten +eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat +hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat +de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u +te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des +bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het +toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft +dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt +niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik +u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan +gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt +te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, +dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan +Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan +een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van +Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van +Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet +alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos +aan een jonkman, die boven alle geluk en zijn eigen leven haar lief +had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat +gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en +wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijn studies, zonder langer +te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden +en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij +Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou +twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een +schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse +der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal +zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, +zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen +kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig +leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; +mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden +van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche +Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De +glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert +er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, +als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote +erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door +het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien +niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, +dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, +maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als +ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer +zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in +openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte +ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen +dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd +met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en +vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet +gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn +er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, +dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, +waarop zij het geworden is, in 't geheim, steels, zonder dat een vriend +of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws. + +Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen +hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst +vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk +hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna +door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet +gebeurd met Sophronia, maar zij is vrijwillig, verstandig en eerlijk +door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat +het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en +vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het +dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt +en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat +heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met +zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in +'t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker +niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane +zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen +over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien +gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer +zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet +zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op +de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al +heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een +dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een +vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig +ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, +dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, +die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had +geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik +heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar +vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, +omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar +met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, +waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, +ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit +is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als +vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van +Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt +gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een +landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke +kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: +mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat +ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien +u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met +blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of +beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, +dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia +is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke +wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist +de mijne, wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de +andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt. + +De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht +hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand +behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet +uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, +dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt +teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en +leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, +indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou +onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, +die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een +Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u--hoop +ik--doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met +verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem +weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het +hoofd schuddend tot bedreiging er uit. Zij, die daar binnen bleven +ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, +dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het +niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en +Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug +en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben +en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, +namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig +van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig +naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd +ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd +niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en +ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap +veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te +zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in +den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, +waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij +zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed +zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar +toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien +had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, +vertrok hij verontwaardigd en wanhopig. + +Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, +waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer +eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te +slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, +overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen 's morgens twee +mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en +de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin +een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, +die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend +meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom +werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou +sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het +praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het +vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en +zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets +anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: +Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, +want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd +door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze +nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde +zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had +en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet +hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas +zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit +hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier +en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en +begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor +den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: +Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus +komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, +gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode +aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft +te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend +heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en +vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot +vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een +bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, +dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, +dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij +er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan +om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig +is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man +doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den +gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, +dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en +ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen. + +Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich +komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil +vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn +verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en +leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem +als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en +terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde +hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een +jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt +naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar +Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door +de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, +besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia +en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden +zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer +heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige +lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, +als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin +van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen +goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet +men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot +schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar +buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben +gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze +zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan +Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem +beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, +vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere +plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen +van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen +deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos +er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van +Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke +praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om +den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: +wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of +hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te +doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, +dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen +beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en +in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een +menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met +hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk +van dezen bij het minste eigen gevaar meer vrees hebben dan ijver +bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, +terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Saladin vermomd als koopman wordt ontvangen door messer + Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt + voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt + gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De + Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer + goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst + in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke + men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en + keert met haar naar huis terug._ + + +Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door +allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling +bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige +donna's. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met +recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de +stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken +der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer +gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, +viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, +een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult +hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze +ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst +te bewijzen, hopend, dat--hoe ook--daaruit een belooning volgen zal. + +Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen +kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer +waardig heerscher en toen Sultan van Babylon [191], die daar al van +te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van +te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in +Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van +zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman +vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door +Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg +van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d'Istria van Pavia, +die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf +aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden +en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een +van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds +kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf +sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg +Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, +omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; +ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te +sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, +waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van +zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij +ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken +en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de +deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en +voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, +zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te +voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, +die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, +dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan +had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn +huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door +te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men +zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij +het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg +te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid +voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze +en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, +zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, +een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij +het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij +wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben. + +Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen +waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden +naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet uittrekken en verfrisschen +met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het +maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, +zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, +dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan +wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel +meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, +dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon +onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na +een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij +hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, +bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in +den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij +zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello +ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden +voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over +meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze +uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello +spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen. + +De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met +vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal +vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch +gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste +burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen en +eekhoren-vellen en daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden +de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken +komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze +vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar +de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen +moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en +toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, +dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van +Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders +te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin +en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: +Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen +nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: +Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan +het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten +moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en +met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het +u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten. + +Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden door +de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor +hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich +wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig +gereed was gemaakt. + +Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel +had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, +als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen +bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren +en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en +het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een +burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat +gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, +naar Torello's wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en +trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen +gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en +schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, +die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden +op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te +hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met +hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik +was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en +heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de +donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig +kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst +deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik +die liet komen, maar omdat de donna's naar hun kleinen geest kleine +geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid +dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het +een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend +voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en +linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn +heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt +en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken +moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, +zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben. + +De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen +enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en +zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw +zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: +Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te +nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer +Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun +bedienden ook van dergelijke gewaden voorzien. Torello verzocht hen +met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na +te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat +door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, +aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd +was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in +plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden +en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde +zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat +ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb +als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze +ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, +dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen +om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat +hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor +zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een +heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, +zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort +te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook +viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, +maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer +van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij +geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u +Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid +had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, +dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen +bevestigen en ga met God. + +Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat +als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet +zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello +dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw +en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote +inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met +zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht +tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en +in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet +achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote +toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden +en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om +op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, +gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon +en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en +daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich +kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat +gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen +tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één +dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De +donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, +hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo +mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, +leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en +van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: +Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat +gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon +en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom +twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van +mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen +hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door +geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien +termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal +kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker +gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De +donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, +gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, +denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg +te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te +Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig +te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, +waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, +of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der +Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele +steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië +in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich +te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te +fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht +trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn +valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van +Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, +had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, +maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten +bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en +vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij +leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij +hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, +dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San +Pietro di Ciel d'oro, die zijn oom was. Eens sprak Saladin hem over +zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, +die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor +keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte +dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen +zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad +Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, +haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd +in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, +hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij +al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: +Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt +gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, +maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, +ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, +waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed +heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig +en sprak: Gij zijt messer Torel d'Istria en ik ben een van de drie +kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het +tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij +mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en +schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, +omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, +omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer +ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed +hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te +hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat +elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als +hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen +de twee heeren, die Saladin's metgezellen in zijn huis waren geweest. + +De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, +deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat +hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het +kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin +gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van +weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar +Torello d'Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde +ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello +d'Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien +waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat +ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden +zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit +wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, +niet alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw +en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in +tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door +vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar +broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot +geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van +haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello +beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te +Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had +zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, +hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij +sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte +reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, +die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende +ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde +deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen +zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, +achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor +van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin +hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, +en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter +te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden +termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak +had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken +en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een +toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een +bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, +maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging +Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den +bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, +sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij +er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, +dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna's, die ik ooit +zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, +daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij +het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou +mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij +zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd +zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te +sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde +ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat +uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij +niet gegund, maar daar gij verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er +toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden +hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet +in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar +omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is +morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, +dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in +een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, +allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een +pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels +en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat +worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt. + +Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen +op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door +iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste +tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn +baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak +bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik +u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet +toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah +aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en +indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, +als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij +komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik +thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen +en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen +zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door +dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en +zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, +mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig +en zeide met vele tranen: _Ga met God_ en ging de kamer uit; al de +andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in +die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik +van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een +drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij +in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, +waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat +men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van +Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello +een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van +haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, +waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien +een halsketen om hangen van nooit geziene parels met andere kostbare +juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol +dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere +zaken, wat lang zou zijn om te vertellen. + +Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te +haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed +met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met +zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van +San Piero in Ciel d'oro van Pavia neergedaald met al de genoemde +juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de +koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed +zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt +en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden +daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen +kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; +laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt +en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk +dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend +en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen +beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, +messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem +zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij: +_God helpe ons!_ Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, +dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met +aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van +Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder +zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te +zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, +daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd +werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem +toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank +en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen +baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en +geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt +behouden teruggekeerd; verbaas u niet over onze vrees, omdat er hier +niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna +Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en +tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal +gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer +goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat +hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in +veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze +was verheugd over zijn fortuin, en zij dankten samen God. Torel sprak: +Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien +en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal +gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond +dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot +verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas +gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door +ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en +de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan +naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd +dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, +hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone +gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen +Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den +ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, +liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg +namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, +wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een +jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker +geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, +zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest +drinkt. De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd +en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat +zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker +schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar +ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, +dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem +aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien +aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem +even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende +hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit +is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, +waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp +zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, +wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij +tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen. + +Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en +men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, +bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles +en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest +mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, +hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig en als vriend, dat hij met +zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en +den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den +beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van +daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello +en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers +als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello +maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn +dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele +berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, +bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele +jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken +van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun +beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de +middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid +voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen +loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen + gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter + van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar + laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te + hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter + terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in + haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles + toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder + dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet + haar eeren als markgravin._ + + +Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo +lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen +van het spook [192] zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al +de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen nog had +te spreken, begon hij: Mijn lieve donna's. Naar het mij schijnt, +is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien +rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: +geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel +er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand +hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde. + +Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van +hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht +met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom +hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit +niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder +erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een +van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop +mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: +Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had +nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in +mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard +het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past. En uw geloof, dat +gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, +waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, +omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of +de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, +zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat +gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er +mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort +komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet +als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, +hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige +mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw +koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn +kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi +scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en +vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit +den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde +u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, +dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De +tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet +nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als +vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het +bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over +u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden +verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in alles als gebiedster +zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor +een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden +en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene +rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk +van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, +een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt. + +Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te +paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: +Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar +het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt +hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast +terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar +naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: +Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen +te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar +vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, +maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of +zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen +te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, +hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand +naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar +naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, +liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een +krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, +dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde +en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn +heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde +hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid +voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en +het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van +Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren +ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en +gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet +als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel +heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo +gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den +best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn +onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en +eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, +dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste +man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen +onder haar arme kleeren en haar dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom +zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo +te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel +deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar +trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek +en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar +kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid +aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig +en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst +en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden +dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat +te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe +met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met +alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat +ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid +gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat +zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, +dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan +een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer +treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, +wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en +dat ik ... meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen +was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, +hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken +legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, +wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren +en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht +nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar +standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna +naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, +het met zorg grootbracht. + +Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri +zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan +had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide +hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het +niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat +een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, +indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De +donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om +mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri +op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, +doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De donna zweeg weer, +waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, +dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, +dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij +om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te +handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten +ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel +medelijden met haar. Zij zeide tot de donna's niets meer dan, dat haar +alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij +gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd +scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, +dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en +lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van +den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele +goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem +aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug +te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met +een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij +in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen +van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren. + +Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan +zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te +nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, +mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat +mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren +en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer +naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik +een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote +spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen +en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst +volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, +erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt +u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw +trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor +hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet +vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar +oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door +allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij +in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, +mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet +kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets +anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen +baden hem, dat hij haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat +zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn +kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, +keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader +terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die +nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als +vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, +die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij +ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de +kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden +aanval van het vijandige lot. + +Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had +genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen +maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng +deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af +aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de +kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt +wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie +u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na +de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was +in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht +had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, +ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken +van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit +was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en +tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich +met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan +Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den +omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag +aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met +een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri +had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, +die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter +was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en +zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de +kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap +mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als +zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, +die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam +kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en +met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit +den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen +zij door de donna's ontvangen was en in de zaal gekomen, waar de +tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: +Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, +Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven +of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo +niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet +en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, +dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees +Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, +dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw +begeerde en dat zij in 't geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen +veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond +het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat +zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus +had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt +u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed +voor en als zij zoo wijs is als mooi--want dat geloof ik--twijfel ik +niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld +zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten +veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij +die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, +als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere +van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat +zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, +zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij +de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij +vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik +dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en +hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust +veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, +zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren +geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad +nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van +u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, +wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de +veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, +die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer +aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik +ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles +bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, +die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste +hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij +gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen +zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en de vele +andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna's, zeer verheugd van +de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar +onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw +en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, +naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, +daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en +de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri +zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al +te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer +verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug +en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem +als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op +zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, +leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel +hij kon. + +Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke +harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die +eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen +over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen +strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd +van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, +als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit +het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden +om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen. + +Het verhaal van Dioneo was uit en de donna's, zeer verschillend +van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten +hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper +zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: +Schoone donna's. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der +stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het +geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide +de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd +waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen +om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot +de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze +stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, +als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien +tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het +spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke +dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze +zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke +welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en nut en mij +zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen +verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist +leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, +dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het +goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, +zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, +zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als +gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, +wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik +al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen. + +De redeneeringen tusschen de donna's en de jongelieden waren velen, +maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig +en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den +hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden +morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het +uur van het avondmaal, stond men op. De donna's en de anderen gaven +zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur +van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna +begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta +een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, +dat zij zeer bekoorlijk begon: + + + Indien Amor zonder ijverzucht zou komen + Weet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezen + Meer verheugd dan ik. + + Indien blijde jeugd + Met een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moet + Of waarde van deugd + Of moed of dapperheid, + Verstand, fraaie manieren of sierlijke taal + Of volmaakte bekoorlijkheden + Ben ik die, zeker want tot mijn heil + Verliefd zag ik + Die allen in hem, die mijn hoop is. + + Maar omdat ik bemerk, + Dat andere donna's even wijs zijn als ik, + Beef ik van angst + En vrees ik voor erger. + Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte, + Die mij de ziel ontneemt; + En wat mij het hoogste geluk is, + Maakt mij troosteloos, + Doet mij diep zuchten en ellendig leven. + + Als ik zoo vertrouwde + In mijn heer als ik zijn waarde besef, + Zou ik niet jaloersch zijn; + Maar men ziet er zooveel, + Wie het ook zij--die den minnaar verlokken, + Dat ik ze allen voor schuldig houd. + Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven, + En van elk, die hij aanziet, + Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept. + + Bij God, dat elke donna + Gewaarschuwd zij, dat zij niet overlegt + Mij hiermee te grieven + Want als er een zou wezen, + Die met woorden of teekens of liefkoozingen + Mij hierin zou schaden, + Of die veroorzaken en ik het zou weten + Zou ik misvormd willen worden, + Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen. + + +Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar +zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan +al de donna's te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn +bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens +zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen +allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag +verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, +stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning +op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna's +in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit +zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, +gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna's betreft, +die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis. + + + + + + + +Besluit van den Schrijver. + + +Zeer edele donna's, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen +arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke +Genade--verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door +mijn verdiensten--geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin +van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben +bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun +die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien +eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden +kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer +voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond +te hebben bij het begin van den Vierden Dag. + +Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik +bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan +de donna's dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare +dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars +in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar +laten wij voorop stellen, dat het zoo is--ik wil dit niet met u +bespreken, want gij zoudt mij verslaan--dan zeg ik om te verklaren, +waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten +eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort +der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit +beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, +zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje +in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, +die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten +te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen +ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen: _gat_ +en _pen_, _stamper_ en _vijzel_, _saucijs_ en _metworst_ en al zulke +dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden +toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig +verwijt en terecht--daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet +treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem +bevalt--Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens +met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, +waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan +men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal +en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn +werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar +de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook +onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng +onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus +voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd +was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden. + +Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen +al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer +goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo [193] +en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, +omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het +vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, +omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De +wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te +leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, +maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een +woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen +zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, +zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de +schoonheden des hemels. + +Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, +eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er +genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen +ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets +en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit +zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte +daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als +zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen +en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen +zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en +eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen +gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet +zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze +liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die +maken zelf soms genoeg van die histories! + +Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen +van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest +anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, +die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten +schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de +schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar +niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles +goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der +Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele +dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo +goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd +met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen +eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn +te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en +met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, +kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om +niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij +inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang +zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, +dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel +het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het +einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik +mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet +aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, +zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor +de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig +te besteden zich inspannen dan aan u, donna's, die zooveel tijd +overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve +dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging +studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in +de studie scherpten. + +Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te +vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een +ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, +omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit +wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn +en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, +die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, +dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de +monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig +vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die +zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de +zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te +veel om lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van +den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie +zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige +tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, +die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven +is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de +monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde +tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet +een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer +zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in 't geheel +niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn +tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel +hecht,--dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan--toch onlangs een +mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld +had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven +over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat +dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk +het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde +te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn +hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke +donna's, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en +als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen. + + +_Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, +bijgenaamd Prins Galeotto._ + + + + + + + +Inhoud + + + + Het Leven en de Werken van Boccaccio. + Inleiding tot de Decamerone. + + Eerste Dag. + + Inleiding. 9. + De valsche Biecht. 28 + De bekeerde Jood. 38 + De drie Godsdiensten. 42 + De Waardigheid van den Abt. 44 + De Kippen van de Markiezin. 47 + De beschaamde Inquisiteur. 50 + De drie Brooden van Primasseau. 52 + Guglielmo Borsiere. 56 + De Koning van Cyprus. 58 + De Kop van de Prei. 59 + + + Tweede Dag. + + Inleiding. 65. + De valsche Lamme. 65 + Het Gebed van Sint Julianus. 69 + De dochter van den Koning van Engeland. 75 + Het Juweelen-Kistje. 82 + De Ring van den Aarts-Bisschop. 86 + De Avonturen van Beritola. 97 + De Verloofde van den Koning van Algarvië. 109 + De Graaf van Angers. 126 + Madonna Ginevra. 138 + De Kalender der Grijsaards. 148 + + + Derde Dag. + + Inleiding. 157. + De Tuinman van het Nonnen-Klooster. 160 + De Stalknecht des Konings. 165 + De gefopte Monnik. 170 + Broeder Puccio. 177 + De Fat. 182 + Ricciardo Minutolo. 187 + De Pelgrim. 194 + Het Vagevuur. 207 + Giletta van Narbonne. 215 + De Duivel in de Hel. 222 + + + Vierde Dag. + + Inleiding. 230. + De Minnenden van Salerno. 236 + De Engel Gabriël. 244 + De Minnenijd. 252 + Gerbino. 258 + De Pot van den Basiliek. 262 + De twee Droomen. 267 + Simona. 273 + De Krachten der Liefde. 276 + Het vreeselijk Gerecht. 281 + De Slaapdrank. 284 + + + Vijfde Dag. + + Inleiding. 295. + Cimon. 296 + De beloonde Trouw. 304 + Pietro Boccamazza. 310 + De Nachtegaal. 315 + De twee Medeminnaars. 320 + Gianni van Procida. 324 + Violanta. 329 + De Spook-Jacht. 335 + De Valk. 340 + De schandelijke Verzoening. 345 + + + Zesde Dag. + + Inleiding. 354. + De mislukte Vertelling. 356 + Bakker Cristi. 357 + Monna Nonna. 360 + De Kraanvogels. 362 + Messer Giotto. 364 + De Adel der Baronci. 306 + Madonna Filippa. 368 + Fresco van Celatico. 370 + Guido Cavalcanti. 371 + De Relieken. 373 + + + Zevende Dag. + + Inleiding. 385. + Het Spook. 386 + Het Vat. 389 + Broeder Rinaldo. 392 + De Put. 396 + De Echtgenoot-Biechtvader. 399 + Madonna Isabetta. 404 + De misleide Echtgenoot. 407 + De jaloersche Man. 411 + De betooverde Perenboom. 416 + De twee Peetvaders. 422 + + + Achtste Dag. + + Inleiding. 428. + De gierige Vrouw. 428 + De Pastoor van Varlungo. 430 + De Toover-Steen. 434 + De Provoost van Fiesole. 440 + De Broek van den Rechter. 444 + Het Varken van Calandrino. 446 + De Wraak van den Student. 450 + De Wraak van den Echtgenoot. 467 + Dokter Simon. 470 + De bestolen Dievegge. 481 + + + Negende Dag. + + Inleiding. 491. + Madonna Francesca. 492 + Het Psalmboek van de Abdis. 496 + De zwangere Man. 498 + Cecco Fortarrigo. 501 + De gelukkige Calandrino. 504 + De Wieg. 510 + De Wolf. 514 + Ciacco, de Gulzigaard. 515 + Het Oordeel van Salomo. 518 + De Merrie van Peet Pietro. 521 + + + Tiende Dag. + + Inleiding. 526. + De Muilezel des Konings. 526 + De Abt van Cligny. 529 + De Edelmoedigheid van Nathan. 532 + Ridder Gentile. 536 + De betooverde Tuin. 541 + Karel de Zegevierende. 544 + Het Lied van Minuccio. 548 + Sophronia. 553 + Messer Torello. 565 + Griselda. 576 + + + Besluit van den Schrijver. 586 + + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Decamerone, woord van griekschen oorsprong, dat _tien dagen_ +beteekent. + +[2] Vorst Galeotto. Deze titel werd aan het boek door Boccaccio +gegeven (zoo hij het althans was, die het dezen schonk misschien ter +herinnering aan den bekenden versregel van Dante uit het fragment +over Francesco da Rimini. (Inferno V). "Galeotto was het boek en die +het maakte.") + +[3] Zinspeelt op zijn liefde voor Fiametta of Maria, natuurlijk kind +van Roberto, koning van Napels. + +[4] De vreeselijke ziekte overgebracht in het vorige jaar uit den +Levant door Genueesche galeischepen na vele verwoestingen in Italië +te hebben aangericht, verminderde een weinig in November maar woedde +nog erger in dat jaar 1348, in heel Italië moordend, ging door Milaan +en Piemont en vandaar naar Frankrijk, Duitschland, Engeland en andere +landen, waar zij overal een ongehoorde wanhoop veroorzaakte. Mattheus +Villani getuigt, dat in Florence en in zijn stadsdistrict van de vijf +personen van elke sekse en leeftijd er drie stierven, in Bologna +overleden twee derden van de bevolking en Agnolo di Susa schrijft, +dat in zijn stad Siena alleen tachtigduizend menschen stierven, +wat overdreven schijnt. + +[5] Dit heeft betrekking op de jongelieden en het genoegen. + +[6] Men kan niet zeggen, dat die signor Ciappelletto of Cepparello +werkelijk heeft bestaan, maar als feit staat vast, dat de familie +der Cepparelli bloeide tot aan het einde van de vorige eeuw in Prato, +waarvan Boccaccio juist onze man afkomstig laat zijn. + +[7] Dino Compagni verhaalt van Musciatto Franzesi, dat hij een ridder +was van groote sluwheid, klein van persoon maar groot van ziel en +dat hij zeer rijk geworden en tot ridder geslagen, den handel opgaf +en Charles van Valois volgde op zijn tocht naar Italië. + +[8] Alle Italianen heetten destijds in Frankrijk, Vlaanderen en +Engeland Lombardiërs. + +[9] Boccaccio trok de strekking van deze vertelling uit de Avventuroso +Ciciliano van Bosone van Gubbio, waar Saladin na Rome bezocht te +hebben in gezelschap van graaf Artese, met hem dezelfde gesprekken +houdt, welke Boccaccio den Jood Abraham in den mond legt. + +[10] Boccaccio trok de stof voor deze vertelling uit de +drie-en-zevenstigste van Novellino, die tot titel heeft: "Hoe de +Sultan, die behoefte aan geld had, verstand wou krijgen van een Jood." + +[11] Jussuf, koning van Marokko, later Salâh-ed-dîn genaamd, en door +taalbederf Saladin, vervulde van zijn naam geheel Europa en als de +andere groote mannen van de Midden-Eeuwen had hij zijn legende. Maar +de schrijvers van dien tijd gebruiken den naam Saladin om onverschillig +welken khalief of arabischen en barbarijschen emir aan te duiden. + +[12] Manni beweert, dat naar de meening van Aldo Manuzio junior +die geschiedenis van de markiezin van Montferrat door Boccaccio is +gecopieerd naar het bekende feit van koning Manfred met zijn zuster +Siligaita, gravin van Caserta, maar op niet aanstootelijke wijze is +veranderd, omdat, waar die met bloedschande eindigt, dit verhaal +van Boccaccio slechts besluit met de berisping van den koning van +Frankrijk. + +[13] De Paleologo's, markiezen van Montferrat waren een van de +beroemdste en machtigste vorstenfamilies, die in de middeleeuwen +Italië beroemd hebben gemaakt. Hun stamburchten lagen te Montferrat in +Piemont; hun paleis stond te Casale; maar terzelfdertijd heerschten +ze ook in Thessalië en te Jeruzalem. Het Huis der Paleologi stierf +uit in 1533 en het markiesaat ging over op de Gonzago's. + +[14] Giovanni Villani verhaalt in zijn Geschiedenissen, dat dit +broeder Pietro Dall' Aquila was, wien de florentijners om zijn groote +gierigheid zeer vijandig gezind waren en die in 1348 benoemd werd +tot Bisschop van Sant' Angelo in het koninkrijk Napels. + +[15] Cinciglione, naam van een bekenden drinker uit dien tijd, wat +later de naam werd voor elken dronkaard. + +[16] De genade van Sint Johannes Goudmond, een woordspeling, die +betrekking heeft op de florijnen van Florence, welke het beeld van +den heiligen Johannes dragen. + +[17] De Inquisitie schreef dikwijls voor onbeteekenende ketterij het +dragen voor van een groot laken kruis op de kleeren. + +[18] De held van die vertelling is Cane Grande della Scala, van welke +Dante in Zang XVII van zijn Paradiso schreef: + + + Als eerst verblijf zal--om u te beveiligen-- + U des grooten Lombardiërs hoofschheid wachten, + Wiens schild een Trap en Adelaar voert, den heiligen; + + Die voor U van zóó goeden wil is te' achten, + Dat van voldoen en vragen bij u beide + Het eerst gebeurt, wat and're' eer 't laatste dachten. + + +Men meent juist thans met eenig recht, dat Primasseau, waarvan +Boccaccio spreekt, een dergelijke Primas of Primasso of Primate was, +kanunnik van Colonia, een licht te begrijpen en beroemd dichter uit de +XIIIe eeuw, waaraan ook door Salimbene in zijn Cronaca wordt herinnerd +en die voor den auteur wordt gehouden van eenige gedichten. + +[19] Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, leider van den +Eersten Kruistocht en eerste christelijke Stedehouder van Jeruzalem. + +[20] Manni gelooft, dat die maëstro Alberto, een beroemd arts, geen +ander was dan de Bolognees Alberto Zancari, die toch ook lid was van +de gemeenteraad en openbare lezingen hield in de Universiteit van +Bologna vanaf 1326 tot aan het jaar van zijn dood. + +[21] Het feit in deze geschiedenis verhaald is historisch en ook +Giovanni Bonifacio verhaalt het in Boek VIII van zijn Istoria +Trivigiana. + +[22] Manni op het gezag van Sansovino meent, dat de historie door +Boccaccio in deze vertelling verhaald, plaats had omstreeks 1306 of +eenige jaren vroeger en leidt dit daaruit af, dat toen de markies +Azzo van Ferrara leefde, van wien hier melding wordt gemaakt. + +[23] San Giuliano was de heilige beschermer der reizigers en de +gewoonte hem ter eere, voor men op reis ging, een gebed te doen, +terecht het Paternoster van San Giuliano genoemd, is overoud. + +[24] Castel Guiglielmo, een dorp, dat nog bestaat in het district +Lendinara op den rechteroever van het Bianco-Kanaal. + +[25] Over de historische waarheid van het feit in deze vertelling +verhaald, kan men alleen zeggen, dat de Lamberti's en de Agolanti's +zeer oude Florentijnsche families waren en dat men in de Cronologia +van Girolamo Bardi vindt, dat koning Alexander I van Schotland in 1109 +den troon beklom. Maar alle Alexanders, die deze bestegen, waren uit de +familie van koning Malcolm. En men vindt alleen, dat omstreeks den tijd +aangeduid door Bardi onder koning Malcolm, als eerste van dien naam een +zekere Alexander stierf, Carrone genoemd. Na zich door een wapenfeit +te hebben onderscheiden, werd aan hem en ook aan zijn nakomelingen +toegestaan in den oorlog den koninklijken standaard te dragen. + +[26] Woorden letterlijk overgenomen uit Dante's Hel. VII, vers 80-85. + +[27] Ravello was een kolonie van de republiek Amalfi, waar ze niet +ver vandaan ligt. Victor III verhief haar tot een bisdom, maar thans +is het een gewone gemeente. + +[28] Het was toen het tijdvak van de noodlottige twisten tusschen de +Guelfen en de Ghibellijnen; die laatsten trokken partij voor keizer +Frederik II, genen voor den Paus, die Karel van Anjou naar Italië riep. + +[29] Een historisch persoon, werkelijk onderkoning van Sicilië van +koning Manfred. + +[30] Ponzo, onbewoond eiland bij de westkust van het koninkrijk Napels. + +[31] Magra, tak van de Lunigiana, van welke Dante schreef: + + + ... Die langs korten weg + Het Genueesch land scheidt van het Toscaansche. + + +[32] Pietro III van Arragon, bijgenaamd de Groote, geboren in 1239, +overleden in 1285. + +[33] Gian di Procida, een dokter en napolitaansch edelman, uit een +edel, napolitaansch geslacht en beroemd in de geschiedenis door zijn +aandeel in het oproer van de Siciliaansche Vesper in 1282. + +[34] Men noemde Cairo van Babylon, de stad Cairo van Egypte en de +muzelmaansche vorsten van Egypte Soldani van Babylon. + +[35] Garbo of Algarvië, de gansche kust van Afrika tegenover Andalusië +en het koninkrijk van Granada, dus het tegenwoordige Marokko. + +[36] Majolica, het eiland Majorca, het grootste der Balearen. + +[37] Chiarenza of Clarentza was vroeger een der belangrijkste steden +van Morea thans is het er slechts een ellendig vlek. + +[38] Jurisdictie: rechtspraak. + +[39] Chinzica is nog de naam van een straat in de stad Pisa. + +[40] Gualandi, een zeer oude Pisaansche familie. Dante herinnert er +aan in den Zang XXXIII van zijn Hel: + + + Gualandi met Sismondi en met Lanfranchi. + + +[41] Te Ravenna, zegt Martinelli, zijn evenveel kerken als dagen in +het jaar, van daar dat elke dag er aan een heilige gewijd is. + +[42] Paganin da Mare is de titel in plaats van Paganin van Monaco, +afgeleid van de plaats, waar hij met vele andere Genueezen zich een +standplaats had gekozen, die op de Middellandsche Zee rooftochten +deden. De familie Da Mare of Da Mari is een zeer oud en edel geslacht +uit Genua. + +[43] De dag van 12 uur was verdeeld in vier deelen: terza, sesta, +nona en vespro; vandaar dat mezza terza, (half terza) beteekent +anderhalf uur na zonsopgang. + +[44] Lamporecchio is een bekoorlijk dorp bij Pistoia. Er gaat een oude +traditie in dit graafschap, dat daar in de buurt een nonnenklooster +was, hetwelk werd afgebroken, en dat de nonnen voor een of andere +overtreding naar elders werden overgebracht. Of dit waar is of niet, +het schijnt aan Boccaccio voldoende stof te hebben gegeven er deze +geschiedenis uit te putten. + +[45] Het verhaal schijnt historisch te zijn, en op bekende personen +betrekking te hebben, maar heeft te veel aanrakingspunten met andere +overleveringen, om geheel waar te wezen. + +[46] Agilulf, hertog van Turijn, daarna koning der Longobarden. Hij +beklom den troon door zijn huwelijk met Teodelinda en regeerde lang +en roemrijk (590-616.) + +[47] Teudelinga of Teodelinda, dochter van Garibaldo, hertog van +Beijeren, huwde eerst Autarius en daarna Agilulf. Zij stierf in +625 beweend door al haar onderdanen om de vroomheid en wijsheid, +die haar sierden. + +[48] Men gelooft naar oude geschiedvorschers, dat het feit, in deze +historie verhaald, werkelijk in Florence gebeurd is, waar zeer rijke +wevers woonden, te meer daar Boccaccio stellig verzekert den naam te +weten van de dame, die deze klucht uithaalde. + +[49] De oorsprong van de veertig missen van Sint Gregorius, schrijft +Manni, ontleenen wij aan de Geschiedenis van Paus Sint Gregorius, +waarin men leest, dat veertig missen dienden tot de verlossing +van de ziel van broeder Giusto, een rijk man. De heilige Antonino, +aartsbisschop, herinnert er ook in zijn Somma aan, dat die daarvan +afkomstig zijn. + +[50] Puccio behoorde tot de orde van Sint Franciscus van Assisi, +die behalve monniken ook leeken als zij, tertiartiïe daar in opnam. + +[51] Boccaccio zeide, dat hij van dien broeder Puccio had hooren +spreken en in de hospitaalherinneringen van de heilige Maria Nuova +van Florence leest men, dat in 1300 op den 30en Januari zij van hem +een zoon verloste Rinieri genaamd en dat hij te San Pancrazio woonde. + +[52] Brancazio of Pancrazio. + +[53] Men zegt, dat hij tot zulk een groep behoorde, daar deze +dit gewoon waren te doen. Het is echter onzeker, omdat men bij die +vergadering kwam met de kap over het hoofd en de leden elkaar slechts +zelden kenden. + +[54] Over de historische waarheid van deze vertelling weet men niets +anders, dan dat ridder Francesco Vergelli of Vergiolesi als gezant +naar Parijs werd gezonden in 1313 gelijk Michelangelo Salvi in zijn +geschiedenis van Pistoja verhaalt. + +[55] Men wil, dat die Ricciardo Minutolo een historische +persoonlijkheid is. + +[56] Het geslacht der Elisei was een der oudste families van Florence, +waaraan door verschillende schrijvers herinnerd wordt voornamelijk +door Giovanni Villani en door Malespini. + +[57] Men moet zich dit huis voorstellen gebouwd tegen een berg. + +[58] Men zie, hoe Boccaccio lang de tijden vooruit was door af te +geven op de wreede en valsche wijze van onderzoek, die hem toch nog +zooveel eeuwen zou overleven! + +[59] De Oude van den Berg, een legendair persoon uit de Middel-Eeuwen, +hoofd van een godsdienstige sekte, welke zich tegen het einde van de +XIe Eeuw in de gebergten van Perzië vestigde. Marco Polo spreekt er +uitvoerig over in zijn Milione. Het poeder, dat de Oude van den Berg +aan zijn volgelingen gaf om hun in bedwelming een voorproef te schenken +van de vreugden, die hen wachtten, indien zij in zijn dienst stierven, +was, naar wat men zegt, indische hennep, door de Arabieren hasheisch +genoemd, waarvan de naam _assassijnen_ van het begin af aan gegeven +aan de leden van die sekte stamt en sinds dien in het spraakgebruik +algemeen is geworden. + +[60] Ragnolo Braghiello, boersche verminking van Agnolo Gabriello, +de engel Gabriël. + +[61] Giovanni Villani in Boek VII van zijn Istoria noemt een zekeren +Beltram, graaf de Roussillon, die kapitein was der Florentijnen en +misschien van hem zelf hoorde. + +[62] Volgens Manni gelooft men, dat dit feit door Boccaccio om +eenige reden is gewijzigd en dat het werkelijk plaats had niet in +de woestijn van Thebaïda maar in de buurt van Todi. Inderdaad wordt +een gelijksoortige gebeurtenis verhaald door Franco Sacchetti in de +novelle _CI_ en toegeschreven aan zekere Giovanni Dell' Innamorato, +Apostolo genoemd, die van Todi afkomstig was. + +[63] Capsa (thans Gafsa), stad in Tunis, waar de schat was van koning +Jugurtha. + +[64] Thebaïda was de zuidelijkste der drie voornaamste deelen van +Egypte en kreeg den naam Thebe, dat er de hoofdstad van was. De +woestijnen omgeven het, welke er gedurende de eerste vijf eeuwen van +het Christendom bevolkt waren met monniken en kluizenaars. + +[65] Omdat hij dan zoo mager zou zijn geworden (drie mannen met zeven +vrouwen!), dat de beenderen hem uit de huid hadden gestoken door de +magerheid en ontdaan van spieren geklonken zouden hebben als die van +een skelet. + +[66] Filostrato is een naam van griekschen oorsprong en beteekent: +vriend van oorlog en wapenoefeningen. + +[67] Deze plaats wordt op verschillende wijze uitgelegd. De een +schreef, dat Boccaccio bedoelde te zeggen, dat zijn boek voorop niet +den naam droeg van den auteur; anderen zeiden, dat hij wilde zeggen +zonder titel n.l. zonder aan iemand te zijn opgedragen (wat aan Filippo +Villani het waarschijnlijkst voorkomt); weer anderen, omdat de naam +Decameron eerder dan een ware titel de indeeling er van aanduidt. + +[68] Boccaccio begon aan dit boek op zijn 35ste jaar en voltooide +het vijf jaar later. + +[69] Deze geschiedenis is geput uit een episode van den Roman van +Barlaam en Josaphat. + +[70] De berg Asinajo of meer algemeen gezegd Senario, tusschen la Sieve +en il Mugnone, tien mijlen van Florence, waarop sinds onheugelijke +tijden een klooster stond. + +[71] Casuisten zijn de bedriegelijke verdedigers van de grootste +misdaden. + +[72] De mattapan was een Venetiaansche munt van zilver ter waarde +van vier stuivers. + +[73] De maremma (zeekust) is het moerassig gedeelte van het land bij +Venetië aan zee. Op de wereld of aan de maremma is een schertsende +uitdrukking gelijk in het hollandsch: alles en nog wat. + +[74] Boccaccio had blijkbaar een hekel aan de Venetianen. Eerst heeft +hij ze leeghoofden genoemd en hier oneerlijk. + +[75] Deze novelle wordt door Landau gehouden van +grieksch-byzantijnschen oorsprong te zijn. + +[76] Candia, moderne naam voor het eiland Creta, die Boccaccio schijnt +te gebruiken voor de hoofdstad daarvan. + +[77] Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië, maar door anderen +de vierde genoemd; vandaar dat Pandolfo Collenuccio schrijft: +Guiglielmo de tweede in de regeering, maar de vierde in de volgorde +der Guiglielmo's. Hij regeerde van 1149 tot 1164. + +[78] Inderdaad beklom Ruggiero IV, nadat de Sicilianen den vader +in 1161 hadden afgezet, den troon in diens plaats, maar hij werd na +enkele dagen vermoord. + +[79] De Moorsche heerschappij van Granada in het zuiden van Spanje werd +eerst gegrondvest in 1238; dit is dus een anachronisme van Boccaccio. + +[80] Wie in de Middeneeuwen op de valkenjacht ging, droeg dien +vogel op de vuist en opdat de sterke klauwen van het dier de hand +niet kwetsten, hield men die bedekt met een handschoen van zeer dik +leer. Dat verklaart het spottend antwoord van Gerbino. + +[81] Een soort sierplant. + +[82] San Grimignano, een groot gebied in Toscane, waar de linnenweverij +bloeide. + +[83] Deze novelle van onzen Boccaccio, zegt Manni, wordt bewaarheid +in de getuigenis door mij met veel zorg ontleend aan een geschiedenis +van uit Brescia bevestigd, welke Elia Cavriuolo Giureconsulto heet, +waar zij omstreeks 1378 als historisch in omloop was. + +[84] De beroemde florentijnsche dokter Targioni dacht van deze novelle, +dat die eer verzonnen zou zijn dan waar, hoewel eenige artsen die als +waar hebben opgevat en voornamelijk Antonio Mizaldo Monluciano. Zoo +beschouwde haar ook Manni, die onderstelde, dat het geval hierin +verhaald plaats had in 1325 of niet veel later. + +[85] Er was werkelijk in Florence een familie dei Sighieri en Manni +zag het testament van een zekeren Giovanni Sighieri met den datum +van 1363, waarin goederen genoemd zijn, die deze familie bezat, +in het gebied van Carpentras in Provence. + +[86] Men kan een authentiek bewijs lezen van dit voorval tusschen +Roussillon en Gardestagne in het leven, dat van den laatste uit +het Provençaalsch is vertaald door Crescimbeni, waar men het bijna +woord voor woord vertaald vindt. Die Gardestagne was een beroemd +dichter uit Provence en deze noemt hem Capestani, gene Cabestain, +en een ander Casteign, terwijl Crescimbeni hem op zijn italiaansch +Cabestano noemt. Zijn schoone verzen verliefden de vrouw van Roussillon +en veroorzaakten haar dood, waarvan Petrarca ter verklaring zeide: + + + en die Guglielmo, + Die door gezang zijn bloei van dagen kortte. + + +Aldus Martinelli. Het kasteel van Roussillon verrees, naar men gelooft, +bij de stad Apt, waar nog steeds een dorp bestaat, dat Castel Roussillon +heet. + +[87] Mazzeo of Matteo della Montagna, naar hetgeen Scipio Mazzella, +een napolitaansch historicus schrijft, leefde in Salerno en tusschen +1309 en 1342, schreef hij op aandringen van koning Roberto de Pandecten +der Medicijnen, welke in verschillende talen werden overgezet. + +[88] Malfi of Amalfi, een stad op vijftien mijlen gelegen van Salerno. + +[89] Een italiaansche uitdrukking. + +[90] De Stadico was bij de Napolitanen de rechter. + +[91] Een eigenaardige Italiaansche uitdrukking. + +[92] Een once, een grooten munt, die iets meer waard was dan een +secchino of sequin. + +[93] Beroaldo, die in 1499, die novelle in het Latijn vertaalde, +gelooft, dat Boccaccio zijn verhaal ontleende aan de antieke annalen +van Cyprioten en Manni voegt er eenige redenen aan toe, die het voor +mogelijk doen houden, dat Boccaccio dit zou hebben gedaan. Maar er is +geen enkel bewijs van en het is niet onmogelijk, dat deze geschiedenis +meer dan eenige andere een navolging is van Theocritus, die in zijn +idylle getiteld _Il bifolchetto_ (de kleine Koeherder) meer dan een +bijzonderheid, die men bij onzen verteller ziet, heeft opgenomen. + +[94] Susa, de tweede stad van Tunis in dat gebied door haar +bevolkings-cijfer en haar toestand. + +[95] Latijn beteekent Italiaansch. De christelijke volken noemden +zich in tegenstelling met de Saracenen Latijnen. + +[96] Sansovino zegt, dat de raad door Martuccio gegeven aan den +koning van Tunis door Villani ontleend is aan het achtste boek, +waar hij spreekt over de onderneming, die Cassano, de koning der +Tartaren tegen den Sultan ondernam, die door hem werd verslagen, +daar hij het middel had gebruikt dunne koorden op de bogen te spannen. + +[97] Ten tijde van Boccaccio was het pauselijk Hof te Avignon en Rome +in den ban. + +[98] Alagna of Anagni, een kleine stad in Latium, beroemd wegens den +smaad Bonifacius VIII in 1303 aangedaan. + +[99] Het feit verhaald door Boccaccio vindt men terug in de _Storia +di Faënza_ van Tonduzzi, die de inneming van zijn stad, waarvan +Giacomino in de vertelling spreekt, stelt in het jaar 740 ten tijde +van koning Luitprando. In de plaats daarvan zegt Boccaccio, dat zij +is overgegeven in den strijd met keizer Frederik en het schijnt, +dat hij zinspeelt op Frederik II, die Faënza innam in 1240. + +[100] Deze Gianni van Procida, gelijk elders gezegd is, was de neef +van den beroemden naamgenoot, die zulk een aandeel had in den opstand +van de Siciliaansche Vesper. + +[101] Frederik van Sicilië was de zoon van Peter van Aragon. + +[102] Ruggier dell' Oria of Ruggierso di Lauria, een zeer beroemd +Italiaansch admiraal. Hij stierf in 1305. + +[103] De goede koning Guiglielmo, namelijk Guglielmo il Buono, de +derde koning van Sicilië, overleden in 1184. + +[104] De bevoegden voor de correctie van de Decameron doen ons weten, +dat deze novelle ontleend is aan Elinando, een schrijver in zijn tijd +zeer geacht, namelijk omstreeks 1200. Boccaccio verwisselde de namen +der personen en van de plaats, waar het feit gebeurde, maar herinnert +toch aan de individuen, die tot werkelijk bestaande families behoorden. + +[105] De Traversari waren werkelijk een zeer edel geslacht in Ravenna; +er wordt van een zekeren Paolo Traversari gesproken in de XXXVe +novelle der _Novellino_. + +[106] Chiassi of Classe heette een kleine landstreek niet ver van +Ravenna en ook de haven van die stad; thans is die geheel verwoest +en is er geen spoor meer van over. + +[107] Deze geschiedenis zelf van Elinando wordt verhaald van den Graaf +van Niversa en van een kolenbrander en Passavanti herhaalde haar in +zijn "Spiegel van de ware Boete". Overigens zijn die legenden van +duivels-jachten in de Midden-Eeuwen zeer algemeen verbreid en ook in +latere tijdperken. + +[108] Ammirato zegt, dat in het graafschap Florence, daar het eene +huis ver van het andere was, men vuur ging halen met een vod om +het niet te doen met kolen of brandhout en ook omdat een vod langer +(?) brandt en gemakkelijker te dragen valt. Dit is een kleine dienst +en toch zegt zij, dat niemand dit voor haar wilde doen, zoo oud en +leelijk was ze geworden. (Fanfani). + +[109] Troilus en Crescida zijn de figuren van Filostrato, een gedicht +in octaafrijm, geschreven door Boccaccio zelf, die--naar men wil--hier +onder den naam van Dioneo zijn eigen persoon laat optreden. + +[110] Consistorium, hier schertsend gebruikt. Naam voor de vergadering +van den Paus met de kardinalen. + +[111] Wat Messire Mazza en de Zwarte Berg beteekenen, hoeft niet +nader verklaard te worden. Een goed verstaander.... + +[112] Deze Oretta of Lauretta was de dochter van Obizzo Malaspina +en de vrouw van Ruggeri of Geri di Manetto Spini. Reeds in 1332 was +zij weduwe. + +[113] Deze bakker Cisti is werkelijk een historisch persoon. Van zijn +bakkerswinkel spreekt ook Ferdinando Leopoldo Del Migliore in zijn +Firenze illustrata. Cisti is misschien een afkorting van Bencivenisti. + +[114] Het is Bonifacius VIII, die Paus was van 1294 tot 1303. + +[115] Dit gezantschap kwam in Florence in Juni 1300, toen Dante +Alighieri tot de Priors der Republiek behoorde. De Paus zond het +speciaal om de twee fracties der Cerchi en der Donati te verzoenen, +maar dit droeg weinig vruchten. Het hoofd er van was de kardinaal +Matteo d' Acquasparta. + +[116] Het zal wel haast onnoodig zijn te melden, dat de Arno de rivier +is, die Florence doorstroomt. + +[117] Zachtjes om den wijn niet troebel te maken. + +[118] Dego: Diego. + +[119] Dit gebeurde in het jaar 1314, in welken tijd messer Diego +della Ratta kapitein van wapenen was in Florence en vicaris van +koning Roberto. + +[120] Popolini waren muntstukken van twee stuivers of soldi van +denzelfden vorm als de beroemde goudguldens van Florence, namelijk met +aan den eenen kant het beeld van San Giovanni Battista, schutspatroon +der stad en aan den anderen kant de florentijnsche lelie. + +[121] Sint Johannes, den 24en Juni. + +[122] Peretola, een dorp, drie mijlen van Florence. + +[123] De familie van Rabatta, afkomstig uit Mugello, behoorde vroeger +tot de oudsten en edelsten van Florence, maar door de ongelukkige +twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen moest zij naar Udine +trekken en kwam vandaar in het graafschap Gorizia. + +[124] De Baronci waren in Florence bekend om hun leelijk gezicht. + +[125] Niet ten onrechte schreef Vasari van Giotto: Hij was vernuftig +en zeer aardig en heel geestig in zijn uitingen, waarvan er nog velen +in de herinnering te Florence voortleven; behalve die van Boccaccio +heeft Franco Sacchetti er in zijn driehonderd novellen velen en zeer +schoonen van verhaald. + +[126] Dit is een lichte spot met Pamfilo. Vergelijk dit met den noot +over de Baronci in de voorgaande vertelling. + +[127] Een dubbele uitdrukking met een schertsende bedoeling, aldus +gebruikt door Scalza. De Maremma is een moerassige streek. + +[128] Monseigneur Della Casa toont in zijn _Galateo_ te gelooven, +dat het feit van die madonna Filippa waar is. Manni gelooft, dat die +wijziging van de wet van Prato waar is en laat ook nog als mogelijkheid +aannemen, dat tusschen de familie der Pugliesi en die der Guazzagliotri +wegens die liefdes-intrige deze doodelijke vijandschap geboren werd, +die zeer lang duurde. Aldus Martinelli in zijn _Osservazio storiche._ + +[129] Deze Betto-Brunelleschi leefde werkelijk in Florence ten tijde +van Guido Cavalcanti en stierf in 1311 of omstreeks dien tijd. + +[130] Deze zuilen van porfier, die nog bestaan bij de kerk van San +Giovanni werden door de Pisanen aan de Florentijnen gegeven. + +[131] Het verhaal van dien broeder Cipolla gaf velen heel wat te +zeggen door een verkeerde meening, die zij opvatten over de bedoeling +van den verteller, alsof hij van plan was den draak te steken met de +heilige dingen. Tegen deze blaam begon een prelaat van de grootste +reinheid van zeden en gelijksoortige geleerdheid hem te verdedigen +met verschillende van zijn grondige lezingen door hem gehouden in de +Academia della Crusca en door Manni aangehaald in zijn toelichtingen +tot die historie. Zij bevat de aardigste en de teekenendste satire, +die ooit door een bedrieger is gemaakt. Het karakter van Frate Cipolla +niet minder dan dat van zijn metgezel kan niet beter beschreven worden +dan de domheid der goede Certaldesers. De namen der personen er in +aangehaald zijn echt, volgens de documenten door Manni aangehaald (en +zij leefden omstreeks 1300). Het feit kan aan niemand minder dan aan +onzen auteur zelf overkomen zijn volgens een overlevering in Certaldo, +waar hij vaak kwam, daar hij er een deel van zijn bezittingen had +en waaraan door hem later die gratie verleend is, die het zoo aardig +hebben gemaakt (Mannelli). + +[132] Deze woordspeling is aldus bedoeld: Cipolla is de naam van den +monnik en beteekent tegelijkertijd: ui, wat in het Hollandsch niet +letterlijk schertsenderwijze te vertalen is. + +[133] Te Altopascia in Lucchese was een abdij; twee maal in de week was +er groote soepuitdeeling. Vandaar werd de buitengewoon groote ketel, +waarin zij die kookten, spreekwoordelijk. + +[134] Porco: het zwijn. + +[135] Beteekent vermoedelijk Leugenland. + +[136] Beduidt vermoedelijk Kletsland. + +[137] Leugenrijk. + +[138] De heele redevoering van Fra Cipolla is volgens Fanfani de +bizarste en de aardigste ter wereld. Al de opgesomde plaatsen en rijken +zijn straten en plaatsen in Florence, die denzelfden naam dragen. + +[139] Namelijk als zij er saucijzen van maken. + +[140] Snoeimessen: pennati, een woordspeling met de uitdrukking: +pennati, ook pennuti: met vleugels uitgerust. + +[141] "Scheld-me-niet-uit Alsjeblieft". + +[142] Deze vraag slaat schertsend op de bedriegerijen, die in verhalen +het onderwerp zullen zijn van den volgenden dag in de Decameron. + +[143] De uitdrukking "bescio sanctio" in den oorspronkelijken tekst +is volgens verschillende commentators niet geheel helder. + +[144] De naam Egano vindt men veelvuldig onder de Bologneezen en de +familie Galluzi is in Bologna zeer oud. + +[145] Heilige oorlog: Kruistocht. + +[146] Avignon was toen de zetel van den Paus. + +[147] Behoedt mij. + +[148] Zonder wacht. + +[149] Dit drietal waren schilders, die ten tijde van Boccaccio leefden. + +[150] De Mugnone is een stroom, die zich bij Florence in den Arno +stort. + +[151] De Heliotroop is een kostbare steen evenals de smaragd rood +gevlekt, waaraan de Ouden de eigenschap toeschreven onzichtbaar te +maken wie hem droeg. + +[152] Settignano en Montisci of Montici, twee streken van den Valdarno, +de eene op drie, de ander op twee en een halve mijl van Florence. + +[153] Fiesole ligt op een heuvel in gezonde lucht, Sinigaglia in een +ongezond moeras vooral gedurende den zomer. + +[154] De uitgang "azza" heeft door den klank in het Italiaansch iets +verachtelijks. + +[155] Te Florence evenals in alle andere, middeneeuwsche republieken +noopte de staatkundige naijver der stads-partijen altijd vreemde +magistraten te kiezen. + +[156] Vele commentators beweren, dat dit geval voor de helft werkelijk +is gebeurd en dat Boccaccio in den leerling zich zelf schildert, +aan wien de poets wordt gebakken door de weduwe, die hij beminde. + +[157] Middeneeuwsche uitdrukking voor: naar den grond, daar de hel +onder de aarde was. + +[158] Camollia, een straat in Siena. + +[159] Daar de doktoren over de toga van scharlaken een mantel droegen +van bont en op het hoofd een bonten baret. + +[160] Lucifer van San Gallo, een dwaasheid in scherts gezegd, evenals +mellonaggine da Legnaja. Maar hier is het noodig er bij te voegen, +dat werkelijk uit Legnaja, een dorp niet ver van Florence de beste +en grootste meloenen komen en ook komkommers. Mellonaggine beteekent +ezelachtigheid. + +[161] Priester Johannes was een legendaire figuur uit de Middeneeuwen, +die een zeer machtig christelijk rijk beheerschte van het Oosten in +Aethiopië of in Indië. + +[162] Dit bewijst, dat de doktoren toen ook nog drogisten waren en +geneesmiddelen bereidden en verkochten. + +[163] Het schijnt dat men hier het tegenovergestelde moet lezen, +maar niet voor niets steekt Bruno den draak met de onnoozelheid van +den dokter. + +[164] Vet varken. + +[165] Peretola ligt misschien vier mijlen van Florence, maar aan dien +dokter schijnt dit een heel ding. + +[166] Een slechte buurt in Florence. + +[167] Gewoonlijk spreekt hij van groote dwaasheden om dien zot te +verbluffen. De guitaren van turksch koren, zouden volgens Martinelli, +guitaren uit riet van Turksch koren of zwart graan zijn, die de +kinderen der landbouwers vervaardigen. + +[168] Bagattini, kleine venetiaansche munt. + +[169] Maëstro Scipa, een spotnaam. Scipa is ongetwijfeld afgeleid +van scipito, leeghoofd, dwaas. + +[170] Hoewel de commentatoren hier: "comeque' signori" niet begrijpen, +komt mij voor, dat hiermee slechts ironisch geen andere heeren bedoeld +zijn dan Bruno en Buffalmacco zelf. + (De Vertaler.) + +[171] In den gevel van de kerk van Pasignano, een dorp van het +florentijnsche graafschap, was God de Vader geschilderd. Maar de +goede dokter verbeeldde zich, dat Buffalmacco werkelijk bij deze +vreeselijke Godheid een belofte deed. + +[172] Woordspeling van meloen met mellonaggine, de onnoozelheid van +den dokter. Sommige, vroegere navorschers hebben echter beweerd, dat +imparar sulla mela en sul mellone een dubbelzinnige en verachtelijke +beteekenis had en misschien bedoelde Buffalmacco het ook zoo. + +[173] Namelijk wanneer de winkels gesloten zijn en er geen zout te +koop is, wat gelijk staat met hem voor dwaas uit te schelden. + +[174] Civillari was in Florence een plaats, waar zekere kuilen waren +om de uitwerpselen te bewaren en er de omliggende tuinen van te +voorzien. Die naam en allen, die volgen, als Laterina (wat een streek +is in het gebied van Arezzo maar hier latrine beteekent), Tamagnino, +Meta enz., zijn van Florentijnschen tongval en zinspelen weinig +geschaafd op faecaliën, uitwerpselen en ander vuil van dit soort. + +[175] Werktuigen van het edele gilde der putscheppers. + +[176] Hier spreekt Boccaccio zich tegen, want in den aanvang der +historie heeft hij gezegd, dat de dokter in Florence was geboren. + +[177] Er bestond werkelijk destijds een orde van gedoopte (eigenlijk +gebaadde) ridders, die zeer gezien en beroemd was en die de gewoonte +had de nieuwelingen openlijk in de kerk in een bad te dompelen. De +plechtigheid had met zeer groote praal plaats en daarom waren de +kosten zeer hoog. Derhalve om hem niet wegens zijn gierigheid te +verschrikken, verzekeren de schelmen, dat de gravin de kosten zal +betalen, maar zij maken een woordspeling met dubbele beteekenis, want +het bad, wat zij van plan zijn hem te geven, is er geen in water, +maar in een ... welriekende stof! + +[178] Jancofiore, Biancofiore, Witte Bloem. + +[179] In geheel Italië gedurende de Middeneeuwen en ook twee eeuwen +nog daarna waren er blanke en oostersche slaven, wat wet en kerk +toestonden. + +[180] De kamers in de badhuizen waren zonder eenig raam om er de +warmte in te bewaren en daardoor geheel donker. + +[181] Het was toen gewoonte aan de zuilen van het bed eenige kleine +instrumenten toe te voegen in den vorm van vogels, die door middel van +zekere toestellen gemoduleerde klanken voortbrachten als het gezang +van werkelijke vogels. In het oude gedicht _Fabusso en Breusso_, +is in bijzonderheden zulk een bed beschreven. (Fanfani.) + +[182] Volgens het systeem van Ptolemeus, in de Oudheid en de +Middeneeuwen algemeen aangenomen, was de hemelsfeer met de vaste +sterren, die zich bevond onder de zeven hemelronden der planeten, +de achtste en gaf aan het uitspansel de kleur van azuur. + +[183] Deze streek, uitgehaald met den onnoozelen Calandrino wordt op +goede gronden door Manni voor zeer waar gehouden, zoodat hij er toe +komt er den datum van te berekenen, n.l. omstreeks 1320. + +[184] Kogels om te werpen met den voetboog, wat men deed door te +steunen op de aarde. + +[185] Maestro Scimmione is een schertsnaam voor meester Simone en +beteekent groote aap. + +[186] Chiarea is een drank, waarvan men tot nu toe de samenstelling +niet te weten kwam, waarschijnlijk was het een purgeermiddel of +eenvoudig: helder water afgeleid van chiaro, chiara? [De Vertaler.] + +[187] Hiermee zijn bedoeld de kamhoutjes, waarop de snaren worden +gespannen; er is dus mee uitgedrukt, dat Calandrino lange tanden heeft. + +[188] De titel baron staat in den oorspronkelijksten tekst. Juist +om de naïveteit van dien middeneeuwschen term is dit geheel in den +stijl van dien tijd. (De Vertaler.) + +[189] Cattajo of Cathay. Zoo pleegde men in de Midden-Eeuwen de landen +te noemen van het Uiterste Oosten en in het bijzonder China. + +[190] Deze Neri was evenwel toch Ghibellijn. + +[191] Zoo heette in de Midden-Eeuwen Caïro. + +[192] Vierde Dag. Eerste Vertelling van Gianni Lotteringhi. + +[193] Twee beruchte drinkebroers. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Decamerone van Boccaccio, by Giovanni Boccaccio + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DECAMERONE VAN BOCCACCIO *** + +***** This file should be named 19591-8.txt or 19591-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/5/9/19591/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/20061020-19591-8.txt~ b/old/20061020-19591-8.txt~ new file mode 100644 index 0000000..19cb532 --- /dev/null +++ b/old/20061020-19591-8.txt~ @@ -0,0 +1,25689 @@ +Project Gutenberg's De Decamerone van Boccaccio, by Giovanni Boccaccio + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Decamerone van Boccaccio + +Author: Giovanni Boccaccio + +Translator: J. K. Rensburg + +Release Date: October 20, 2006 [EBook #19591] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DECAMERONE VAN BOCCACCIO *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + De Decamerone + + van + + Boccaccio + + + + + Uit het italiaansch vertaald en bewerkt + + door + + J. K. Rensburg. + + + + + Complete, geïllustreerde uitgave. + + Amsterdam + + Vennootschap "Letteren en Kunst". + + + + + + + +Het Leven van Giovanni Boccaccio + +Florentijnsch Dichter. + + +Gelijk steeds uit de bestanddeelen van heet ijzer, door den smidshamer +geslagen, tal van brandende vonken schitteren als schijnsels in een +glansenden kring, zoo verwekte Dante, daarna Petrarca,--mannen van +de grootste begaafdheid, die de verouderde Poëzie bewerkten, zoodat +zij den roest van vele eeuwen er uit verwijderden,--als uit een +vuursteen de flikkerende vonken van dichterlijken geest, en wiesen +lichtende vlammen in grootschen gloed. Aldus ook Zanobio da Strada, +van wien wij elders melding hebben gemaakt, en die Giovanni, van welke +wij thans hebben te spreken. Zijn vader was Boccaccio van Certaldo, +een dorp in het Florentijnsche gebied, een man beroemd door de gratie +van zijn manieren. Hij bevond zich voor zijn handelszaken te Parijs en +was even vrij en aangenaam van geest als luchtig van karakter en licht +tot beminnen geneigd. Door die aantrekkelijkheid van zijn aard en van +zijn manieren werd hij verliefd op een Parijsch meisje van een rang, +het midden houdend tusschen adellijk en burgerlijk, voor wie hij in +de hevigste liefde ontbrandde en gelijk de kenners der werken van +Giovanni het willen, verbond deze zich met hem in den echt, waaruit +die Giovanni is voortgekomen, het kind, dat onder Maestro Giovanni, +den vader van den dichter Zanobio slechts gebrekkig de spraakkunst +had geleerd. De vader begeerde van hem en noopte hem om redenen van +winstbejag zich op de rekenkunde toe te leggen en om dezelfde redenen +te reizen; zoo zwierf hij langen tijd door vele en verschillende +streken, dan hier, dan daar. Reeds op zijn achtentwintigste jaar naar +vaderlijk gebod te Napels gekomen, vestigde hij zich te Pergola, waar +hij verblijf houdende, op een dag voor zijn genoegen wandelde en op de +plaats kwam, waar de asch van Virgilius Maron begraven is. Giovanni +beschouwde deze grafstede met bewondering en lang ook hem, dien +deze omsloot en in twijfel peinzend over de faam van dat gebeente, +begon hij opeens het noodlot verwijten te doen en zich hierover te +beklagen, waardoor hij met geweld gedwongen was zich toe te leggen +op de hem antipathieke handelszaken. Van toen af aangegrepen door +een plotselinge liefde voor de heilige Muzen, keerde hij huiswaarts, +verwaarloosde zijn koopmanschap en wijdde zich met den vurigsten ijver +aan de Dichtkunst, waarin hij in korten tijd nobele gedachten met +brandenden ijver verbond en groote vorderingen maakte. Zijn vader +bemerkte dit en meende, dat de hemelsche liefde meer op den zoon +vermocht dan het vaderlijk gezag. Hij stemde eindelijk in zijn studiën +toe en hielp hem met zijn gunst, voor zoover het mogelijk was, hoewel +hij hem eerst tot de studie van het kanonieke Recht aangespoord had. + +Toen Giovanni zich vrij voelde, begon hij met de grootste zorg +datgene na te vorschen, wat voor de Poëzie noodig was en ziende, +dat de beginselen en grondslagen der dichters, welke betreffende de +romans en de fabels bestaan, zoo goed als geheel waren verloren gegaan, +begaf hij zich, alsof hij door een voorbeschikking was bewogen, op weg +en schrikte niet terug voor de vermoeiendste zwerftochten. Daartoe +doorreisde hij vele en verschillende streken, waar hij met grooten +ijver bestudeerde, wat hij van de dichters kon bemachtigen en ook +legde hij zich op de Grieksche wetenschap met groote en volhardende +vlijt toe, zoodat hij alles kon nasporen, terwijl hij zich voor de +Grieksche dichtkunst wendde tot den zeer geleerden Meester Leontius, +den Graecus. Ten slotte bracht hij alles, wat hij met zijn langdurig +onderzoek kon vinden, samen in één boekdeel, dat hij "Over den +Geslachtsboom der Goden" betitelde, waarin de commentaren over +de antieke dichters met bewonderenswaardige orde en in sierlijken +stijl,--wat hij verbazend goed verstond--in allegorischen vorm zijn +verzameld, een ongetwijfeld aantrekkelijk en nuttig werk en zeer +noodig voor wie de werken der dichters wil kennen, zonder hetwelk het +moeilijk zou zijn ze te begrijpen en hun kunst te bestudeeren. Want +al de geheimenissen der dichters en de allegorische beteekenissen, +welke de historische romans of de fabel verbergen, maakt hij met +bewonderenswaardige scherpzinnigheid openbaar en als voor aller +hoofden bevattelijk. En aangezien de namen der rivieren, bergen, +wouden, meren, moerassen en zeeën, welke in de boeken der dichters en +historici beschreven worden, veranderd waren, hetzij door willekeur in +verschillende eeuwen of door verschillende gebeurtenissen en zij dus +met andere namen werden genoemd, welke hij las of veranderde of voor +twijfelachtig hield, stelde hij een boek samen over de rivieren, de +bergen en het andere bovengenoemde, waarin met opzettelijke aanduiding +elk met de namen naar den loop des tijds was opgeteekend, wat de lezers +van de studiën der Oudheid van vele dwalingen kan bevrijden. Hij +schreef ook een boek over de lotgevallen der groote mannen en een +ander over beroemde vrouwen, waarin hij door zooveel zeggingskracht +en sierlijkheid van stijl en statie schittert, dat men kan zeggen, +dat hij niet alleen de verhevenste geesten der Ouden in die studie +evenaart, maar misschien zelfs naar verdienste overtreft. + +Behalve die gezegde werken maakte hij zestien zeer schoone +herderszangen en vele brieven in verzen en in proza, welke door +geleerden niet weinig worden op prijs gesteld en zeker toonen de +boeken, welke hij schreef aan waardige en zeer begaafde mannen, hoe +groot zijn genie was. Petrarca zelfs prijst hem, die zóó zijn vriend +was, dat zij als één ziel in twee lichamen werden beschouwd, in hooge +mate naar waarheid en niet door de warmte van zijn vriendschap, +gelijk hij zegt en de dichter Zenobio, zooals die in zijn verzen +bewijst, laat aan hem de vrijheid de stof voor zijn geschriften uit +te zoeken. Er zijn nog verschillende werken door hem geschreven in +volkstaal, sommige in rijm gezongen, een ander in prozaisch verloop +opgezet, waar zijn geest behagen schept--een weinig te openlijk--in +wulpsche jeugd, wat hij later, ouder geworden, in het duister wilde +laten. Maar hij kon, gelijk hij begeerde, het vroeger uitgesproken +woord niet naar de borst terugroepen, noch het vuur, dat hij met den +blaasbalg had aangewakkerd, met den wil dooven. Naar verdienste ook +paste het den grooten man met den dichterlauwer te zijn bekroond, +maar de droeve ellende der tijden, welke de bezitters der tijdelijke +goederen tot laag winstbejag had gebracht en ook zijn armoede beletten +dit. Doch de boeken, door hem voortgebracht, waard om te worden +bekroond, eeren in plaats van mirte en klimop zijn doorluchtige slapen. + +De dichter was van eenigszins zwaarlijvig postuur en groot; zijn +gelaat was glad maar met de neus boven de neusvleugels een weinig +ingedrukt, met ietwat dikke lippen, niettemin fraai en wel belijnd; +de kin had een kuil en toonde, als hij lachte, een schoonen vorm. Hij +had een vroolijk en luchthartig uiterlijk, was aangenaam in al zijn +gesprekken en schiep tamelijk veel genoegen in het praten. Hij verwierf +zich door zijn voorkomendheid vele vrienden, echter geen een, die aan +zijn armoede dacht. Hij stierf in 1375 op den leeftijd van 62 jaar en +werd in het plaatsje Certaldo in het klooster van Santo Jacopo, ook wel +genoemd la Canonica, met eerbewijzen begraven onder het grafschrift, +dat hij voor zich zelf, nog in leven, maakte en dat aldus luidde: + + + Onder deze steen rust de asch en het gebeente van Giovanni, + Zijn geest zetelt bij God, geëerd naar de verdienste van + zijn werken: + Sterfelijk was die van bestaan, zijn vader was Boccaccio, + Zijn vaderstad was Certaldo, zijn lust was de liefelijke + Dichtkunst. + + +Er wordt in Florence geloof geslagen aan het gerucht, dat Boccaccio +tot de familie der Chellini's behoorde, en dat zijn vader van de +Florentijnsche Republiek als magistraat een inkomen genoot. + + + + + + + + + _Het Boek, de_ Decamerone [1] _getiteld, bijgenaamd_ Vorst + Galeotto [2] _vangt aan, waarin honderd novellen staan, + verhaald in tien dagen door zeven jonge dames en drie jonge + heeren._ + + +Het is menschelijk medelijden te hebben met hen, die bedroefd zijn +en hoewel dit iedereen goed staat, wordt dit het meest gevraagd +van hen, die zelf vroeger behoefte hadden aan troost en dien steeds +vonden. Onder dezen, hetzij het hem aangenaam is of dat hij eertijds +er behagen in kreeg, als iemand hem daarom vroeg, behoor ook ik. Want +ik was van af mijn eerste jeugd af tot dezen tijd toe fel ontbrand +door een verheven en edele liefde [3], misschien veel meer dan het +naar mijn lagen stand zou schijnen en passen er van te spreken. + +Hoewel ik bij hen, die bescheiden waren en tot wier kennis dit kwam, +er om geprezen zou zijn en nog veel meer bekend zou wezen, had ik er +niettemin veel last van, zeker niet door de wreedheid van de beminde +dame maar wel door het te overvloedige vuur, in den geest opgehoopt, +bij een slecht geregelde eetlust, welke, omdat die mij geen enkel +oogenblik verzadigd liet, mij verscheidene malen meer belemmering deed +gevoelen dan mij lief was. In dit soort lijden brachten de opwekkende +redeneeringen van zekeren vriend en zijn lofwaardige troostgronden +reeds zooveel verzachting, dat ik de onwrikbare meening in mij omdraag, +dat ik hieraan het leven te danken heb. Maar alnaar het Hem behaagde, +die--eeuwig zijnde--aan alle wereldsche zaken door onveranderlijke +wetten een einde stelde, verminderde mijn liefde, vuriger dan elke +andere na verloop van tijd van zelf, welke geen kracht van redeneering +of raad of in het oog loopende belachelijkheid of daaruit volgend, +mogelijk gevaar kon breken of buigen. Die liefde heeft aldus in mijn +ziel alleen die vreugde achter gelaten, welke de tijd gewoon is aan +hem te verschaffen, die niet te veel nadenkt, zoodat, waar het gevoel +gewoonlijk pijnlijk was, hij alle verdriet wegnam en het aangename +achter bleef. + +Maar zoo de smart ophield, is daardoor de herinnering niet weggevlucht +van vroeger ontvangen weldaden, mij bewezen door hen, voor wien bij de +welwillendheid mij toegedragen van hun kant, mijn nooden als ernstig +golden en die heugenis zal, geloof ik, ook nooit vergaan, tenzij door +den dood. En omdat de dankbaarheid, naar ik meen, onder de andere +deugden hoogelijk is aan te bevelen en het tegengestelde laakbaar, +heb ik, om niet ondankbaar te schijnen, mij zelf voorgenomen met het +weinige, dat in mijn vermogen is, in ruil voor wat ik ontving, nu ik +mij vrij kan noemen, verlichting te verschaffen en zoo niet aan hen, +die mij hielpen--voor wien het door hun verstand of hun fortuin niet +behoeft--dan ten minste aan diegenen, die het wèl noodig hebben. En +ofschoon de steun of troost, die ik wil geven, vrij gering kan zijn +en is, toch schijnt het mij, dat ik die des te eerder moet schenken, +waar de behoefte grooter schijnt, zoowel omdat die er meer nut zal +doen als omdat die er meer op prijs zal gesteld worden. + +En wie zal ontkennen, wie het ook zij, dat men die niet meer moet +schenken aan de schoone vrouwen dan aan de mannen? Zij houden in +hun teedere boezems vreesachtig en vol schroom de liefdevlammen +verborgen, welke zooveel meer kracht hebben dan de geopenbaarden, +naar zij weten, die dit hebben ervaren, en bovendien--gebonden door +de wilsuitingen, de luimen, de bevelen van vaders, moeders, broeders +en echtgenooten--blijven zij het grootste deel van den tijd in de +kleine ruimte van hun kamers opgesloten en schijnbaar rustig daar +zittend, willend en niet willend terzelfder ure, rollen ze in zich +zelf verschillende gedachten om, die zeker niet altijd vroolijk kunnen +zijn. En indien door dezen eenigerlei zwaarmoedigheid, ontstaan uit +de vurige begeerte, in hun hoofden opkomt, waarin deze zich gewoonlijk +nestelt met hevig verdriet, wordt die er niet uitgedreven door nieuwe +redeneeringen; buitendien zijn zij veel minder sterk dan de mannen +om dit te doorstaan. Dit gebeurt bij verliefde mannen niet, gelijk +wij duidelijk kunnen zien. Wanneer eenige melancholie of ernst van +gedachten hen bedroeft, hebben zij verschillende manieren om die te +verlichten of er zich over heen te zetten, omdat, als zij dit willen, +niets hen belet uit te gaan, veel te hooren en te zien, zich op de +vogelvangst te begeven, te jagen, te visschen, paard te rijden, te +spelen en handel te drijven. Op die wijze heeft elk de kracht hetzij +geheel, hetzij gedeeltelijk den geest tot zich zelf te roepen en hem +van trieste gedachten af te brengen, althans na eenig tijdsverloop, +waarna op de een of andere manier of troost verrast of de ontstane +smart vermindert. + +Derhalve wensch ik, opdat door mij het kwaad van het Noodlot verzwakt, +waar bij minder kracht--gelijk wij bij de teedere donna's zagen--ook +minder steun bestond, tot hulp en toevlucht van hen, die beminnen +(hoewel voor de andere vrouwen de naald en de spil en de haspel +van het spinnewiel voldoende zijn) honderd verhalen te doen of +fabels of parabels of histories, al naar we die noemen willen. In +tien dagen werden ze door een eerzaam gezelschap van zeven dames en +drie jongelieden verteld en verzonnen gedurende den voorbij geganen +sterftetijd van de pest en ook enkele liederen van gezegde dames, +toen voor hun vermaak gezongen. + +In deze novellen zullen zich komische en treffende liefdegevallen +voordoen en andere gelukkige gebeurtenissen, zoowel uit de oude +als uit de nieuwe tijden, waaruit de al genoemde vrouwen, die dezen +zullen lezen, evenzeer genoegen als nuttige raad kunnen halen door +de grappige feiten daarin verhaald en leeren wat daaruit dan ook +vermeden en nagevolgd moet worden, hetgeen ik niet geloof, dat kan +gebeuren zonder verdrijving van het verdriet. + +Laten wij, indien dit geschiedt, (wat God geve) Amor daarvoor danken, +welke mij uit zijn banden bevrijdend, mij gedwongen heeft die te +kunnen aanwenden tot hun genoegen. + + + + + + + + _De eerste dag van de_ Decamerone _begint: waar aangetoond + wordt, naar de verklaring van den auteur, waarom het gebeurde, + dat de personen, die bij elkaar komen, zich moesten vereenigen + om zich samen te onderhouden. Onder de leiding van Pampinea + verhaalt men van wat het meest aan elk behaagt._ + + +Zoo dikwijls als ik, zeer genadige donna's, bij mezelf denkend er op +let, hoe gij allen natuurlijk ernstig gestemd zijt, zoo vaak ben ik mij +bewust, dat het tegenwoordige werk, naar uw oordeel, een ernstigen en +droeven oorsprong moet hebben gelijk de smartelijke herinnering aan de +voorbijgegane, pest verbreidende sterfte in het algemeen hinderlijk +is voor ieder, die deze mocht zien of op andere wijze kennen. Het +boek bevat vooraan deze herinnering. Maar ik wil niet, dat dit u zal +afschrikken er meer van te lezen, alsof gij altijd onder tranen en +zuchten met de lectuur zoudt moeten voortgaan. Dat vreeselijke begin +zal u niet anders aandoen dan een ruwe en steile berg reizigers treft, +wanneer een zeer schoone, zachte en aangename rustplaats volgt, welke +hun des te behagelijker zal zijn, naarmate de moeite van het bestijgen +en afdalen daarvan grooter is geweest. En gelijk het uiterste van +vreugde smart inhoudt, zoo worden de verdrietelijkheden door daarop +volgende vreugde beëindigd. Op dit korte verdriet (ik zeg kort, omdat +dit in weinige woorden vervat is) volgt spoedig het genoegen en het +genot, dat ik u bij voorbaat had beloofd en dat misschien bij een +aldus gemaakt begin niet verwacht zou worden, indien ik het niet had +vermeld. Inderdaad, indien ik op fatsoenlijke manier op een andere +wijze had kunnen komen tot wat ik verlang dan langs het ruwe pad, +waarover ik dit doe, dan had ik het graag gedaan, maar daar ik de +oorzaak, door welke de dingen geschiedden, die later zullen gelezen +worden, niet kon verklaren zonder die herinnering, breng ik mijzelf, +als door noodzakelijkheid gedwongen, er toe om dit te beschrijven. + +Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods +Zoon al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig, +toen in de zeer goede stad Florence, schooner dan elke andere +Italiaansche, de moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den +invloed der hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods +gerechten toorn onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te +voren in het Oosten ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte +en zonder oponthoud van de eene plaats naar de andere voortgaande, +zich op allertreurigste wijze naar het Westen heeft verbreid. [4] +En hiertegen hielp geen enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid, +hoe de stad ook gezuiverd werd van veel onreinheid door de beambten, +behalve van die, waarvan het reeds voorgeschreven was en evenmin baatte +het, dat het aan elke zieke verboden was de stad binnen te gaan. De +vele raadgevingen geschonken voor het behoud van de gezondheid, en ook +de nederige smeekbeden, niet ééns maar vele keeren zoowel in geordende +processies als op andere wijze tot God gericht door vrome menschen, +hielpen niets. Omstreeks het begin van de lente van het voornoemde +jaar begon de pest op vreeselijke wijze en op wonderbaarlijke manier +haar treurigen invloed te toonen. Zij woedde niet, gelijk zij in het +Oosten had gedaan, waarbij ieder, dien het bloed uit den neus kwam, +dit een zeker teeken was van onvermijdelijken dood, maar bij het +begin der ziekte ontstonden of in de lies of onder de oksels--bij +mannen als vrouwen op gelijke wijze--zekere gezwellen, van welke +enkelen groeiden als tot een gewone appel, anderen als tot een ei, +bij eenigen meer en bij anderen minder, welke de menschen uit het volk +pestbuilen noemden. Van de twee genoemde lichaamsdeelen uit begon in +korten tijd de reeds gezegde doodelijke pestbuil, onverschillig waar, +in een deel er van te ontstaan en op te komen en daarna begon het +uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te veranderen in zwarte of +loodkleurige vlekken, welke onder de armen en op de heupen en op elk +ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot en weinig, en bij genen +klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het eerst was geweest en nog +was het zekere teeken van naderenden dood, zoo waren die vlekken het +ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden. Het scheen, dat tot genezing +van dit soort ziekte noch raad van een dokter, noch kracht van welk +medicijn ook waarde had of verlichting bracht, daar of de aard van +den ramp het niet toeliet, of daar de onwetendheid der geneeskundigen +(van welke buiten de wetenschappelijke het aantal zoowel van mannen +als vrouwen, die nooit de medicijnen hadden gestudeerd, enorm was +geworden) de oorzaak niet kon verklaren. Daar men bij gevolg het +noodige geneesmiddel er niet voor koos, herstelden er niet slechts +maar weinigen van, maar ongeveer allen binnen drie dagen sinds de +verschijning van genoemde teekens, die wat eerder, gene wat later, +en de meesten zonder koorts of er bij komende omstandigheden, stierven. + +En de kracht van die pest was nog grooter, omdat zij van de zieken +door gemeenschappelijk samenzijn zich op de gezonden wierp, op +dezelfde wijze als het vuur doet bij droge voorwerpen of gewrevenen, +als zij het dicht genoeg zijn genaderd. En er was een nog grooter +kwaad n.l. dat niet alleen het spreken en omgaan met de zieken aan +gezonden de ziekte bracht of de oorzaak van het gewone sterfgeval werd, +maar ook het aanraken van de lakens of welk ander voorwerp ook, dat +door deze zieken beroerd werd of gebruikt, scheen die ziekte op hem, +die ze betastte, over te brengen. + +Het is een wonderlijke zaak om te hooren, die ik vertellen moet en +die, indien hij niet door vele en door mijn eigen oogen gezien was, +ik ternauwernood zou durven gelooven en niet den moed zou hebben neer +te schrijven, zoo ik dit niet van betrouwbare menschen had gehoord. Ik +beweer, dat de aard van de vermelde pest van zoodanigen invloed was +bij aanraking van het eene wezen met het andere, dat niet alleen de +eene mensch den ander, maar wat erger is en duidelijk genoeg bleek, +dat het goed van iemand, die daardoor ziek was geweest of overleden, +beroerd door een ander schepsel dan van het menschelijk geslacht, het +niet alleen daarmee aanstak, maar het in zeer korten tijd doodde. Met +mijn eigen oogen heb ik waargenomen, (gelijk kort te voren gezegd is) +dat op een dag onder andere gevallen de lompen van een arm man door +de ziekte bezweken, op den openbaren weg waren geworpen, toen twee +zwijnen naderden en naar hun gewoonte die eerst met den snuit en de +tanden opnamen en om den kop schudden. Kort daarop, na een paar maal +te hebben rondgewenteld, alsof ze vergift hadden ingenomen, vielen +beide op de ongelukslompen dood ter aarde. + +Hierdoor en door heel wat meer andere gelijksoortige en erger gevallen +ontstonden verschillende angsten en inbeeldingen bij hen, die gespaard +bleven en allen kwamen tot een vrij wreede gevolgtrekking, namelijk +de zieken en hun omgeving te vermijden en te ontvluchten en aldus +handelend meende elkeen zich gelijkelijk redding te verschaffen. Er +waren er eenigen, die aanrieden, dat matig leven en zich te onthouden +van alle overdaad veel weerstand gaf tegen de zich voordoende ramp, +en na een gezelschap te hebben gevormd leefden zij afgescheiden van +ieder ander en zij vluchtten in hun huizen en sloten zich op daar, +waar geen enkele zieke was, en zij gebruikten om beter te leven +zeer matig de fijnste spijzen en de beste wijnen en vermeden elke +buitensporigheid zonder te spreken of iemand te laten spreken van +buiten over dood en zieken, of eenig nieuws te hooren en bleven +dáár bij muziek en bij alle genoegens, die zij zich verschaffen +konden. Anderen, van een tegengestelde meening overtuigd, beweerden +dat goed drinken en genieten en zingend naar buiten te gaan en zich +te vermaken en te voldoen aan iedere behoefte, waar het kon en te +lachen en te schertsen om al wat gebeurde, het zekerste middel was +tegen zulk een kwaad. Gelijk zij zeiden gingen zij dag en nacht naar +hun vermogen te werk, dan naar deze, dan naar die kroeg loopend, zonder +overleg en zonder maat drinkend. Zij deden veel meer dan in alle andere +omstandigheden alleen dat, wat zij meenden, dat voor hun aangenaam en +plezierig kon zijn. En zij konden dit gemakkelijk doen, omdat ieder +(alsof hij niet langer had te leven) zijn goederen in den steek had +gelaten of hij al dood wás, waardoor de meeste huizen gemeengoed waren +geworden. De vreemdeling gebruikte die, alsof hij er behoorde en gelijk +de eigen heer er gewoond zou hebben en met die hardvochtige gedachte +ontvluchtten zij, zooveel ze konden, steeds de zieken. In zulk een rouw +en ellende van onze stad was het eerbiedwaardig gezag van de wetten, +zoowel goddelijke als menschelijke, als het ware vervallen en geheel +losgelaten door de schepenen en de uitvoerders daarvan. Deze waren +gelijk andere menschen of dood of ziek of zoo van familie beroofd, +dat geen enkel ambt kon uitgeoefend worden; daardoor stond het aan +ieder vrij naar zijn welgevallen te handelen. + +Velen volgden tusschen de twee gezegde levenswijzen een gemiddelde, +zich niet onthoudend van spijzen als de eersten, nog zich te buiten +gaande aan drank en andere losbandigheden gelijk de tweeden, maar +zij gebruikten naar genoegen volgens hun begeerten de levensmiddelen +en gingen naar buiten zonder zich op te sluiten en droegen deze, +bloemen, gene, welriekende kruiden in de handen en andere verschillende +specerijen, die zij vaak aan den neus brachten, denkend, dat dit een +uitstekend middel was om met dit soort reuk de hersens te versterken; +want het was er zoo mee gesteld, dat de lucht geheel van den stank +der doode lichamen en van de ziekte en van de medicijnen doortrokken +en onrein was. + +Anderen waren van een nog wreeder gevoelen (alsof dat soms veiliger +zou zijn) en zeiden, dat er geen ander en beter middel tegen de pest +bestond dan er voor te vluchten en door deze redeneering aangezet, voor +niets zorgend dan voor zichzelf, verliet een groot aantal zoowel mannen +als vrouwen hun eigen stad, hun eigen huizen, hun positie en familie +en goederen en zochten de anderen steden op of althans hun omtrek, +alsof Gods toorn over de ongerechtigheid der menschen met die pest van +de plaats, waar zij waren, niet voort kon gaan, maar Hij die alleen +had verwekt om diegenen te tuchtigen, welke zich binnen de muren der +stad mochten bevinden; zij raadden niemand er te blijven en beweerden, +dat zijn laatste uur dan gekomen was. Daar zij, die een andere meening +hadden, niet allen stierven, vluchtte daardoor niet iedereen; van +beide partijen werden er echter velen ziek. Zij versmachtten verlaten +alom, alhoewel zij, toen zij zelf gezond waren, een voorbeeld van +levenswijze hadden gegeven, aan hen, die gezond bleven. Laten wij +verzekeren, dat de eene burger den ander vermeed, en daar zoo goed +als niemand voor een ander zorgde en bloedverwanten elkaar zelden of +nooit bezochten, was er van verre met den zoo veroorzaakten schrik +zulk een verbijstering gekomen in de gemoederen der mannen en vrouwen, +dat de eene broeder den ander verliet en de neef de nicht en de zuster +den broeder en dikwijls de vrouw haar echtgenoot; en (wat erger is +en haast ongeloofelijk) de vaders en moeders vermeden hun kinderen, +of het de hunnen niet waren, te bezoeken en te helpen. Hierdoor bleef +voor hen, wier aantal niet was te schatten, zoowel mannen als vrouwen, +die ziek werden, geen andere hulp dan de barmhartigheid van vrienden +(en van hen waren er maar weinig) of de hebzucht van oppassers, +die voor hoog salaris en schandelijke overeenkomsten dienden. Hun +aantal was door dit alles toch niet groot en de mannen zoowel als +de vrouwen waren dom en in vele gevallen nooit voor dergelijke werk +gebruikt, terwijl ze voor niets anders dienst deden dan eenige dingen +aan te reiken door de lijders gevraagd of om ze bij te staan, als zij +stierven. Wanneer zij die dienst verrichtten, gingen ze dikwijls met +winst en al dood. Daar de zieken verlaten waren door buren, verwanten +en vrienden en gebrek hadden aan oppassers, ontstond een gebruik, +vroeger ongehoord, dat een vrouw, hoe bekoorlijk en schoon en lief ze +ook was, wanneer zij ziek werd, zorg droeg een man tot haar dienst te +hebben, wie hij ook mocht zijn, jong of oud, waarvoor zij zonder eenige +schaamte elk lichaamsdeel ontblootte niet anders dan zij voor een vrouw +zou gedaan hebben. Want de nood van haar lijden eischte dit, wat bij +hen, die genazen, misschien de oorzaak was van minder kuischheid in +den tijd, die volgde. Bovendien overviel de dood velen van hen slechts +door tegenspoed, die gered zouden zijn, indien ze geholpen waren. + +Tengevolge daarvan, zoowel door het gebrek aan de noodige oppassing, +welke de zieken niet konden krijgen als door de hevigheid van de pest +was de massa van hen, die dag en nacht stierven zoo groot in de stad, +dat het schrikbarend was om het te hooren vertellen, als men er slechts +acht op gaf. Daardoor als van zelf ontstonden naast vroegere gewoonten +van de burgers zeden in strijd met die, welke in zwang waren gebleven. + +Het was gewoonte (gelijk we het nog in gebruik zien), dat de verwanten +en de buurvrouwen zich in het huis van den doode verzamelden, en +hier met hen, die hem meer vermaagschapt waren, treurden; en van den +anderen kant vereenigden zich vóór het huis van den doode de buren +en een aantal andere burgers met zijn mannelijke familieleden en naar +den rang van den overledene kwam de geestelijkheid en werd hij op de +schouders van zijn makkers met begrafenispraal van waskaarsen en zangen +gedragen naar de kerk, voor zijn overlijden door hem aangewezen. Die +gebruiken hielden, toen de felheid van de pest begon toe te nemen, +of geheel of grootendeels op en er kwamen geen andere nieuwen voor +in de plaats, zoodat niet alleen tal van lieden stierven zonder +klaagvrouwen, maar er waren er genoeg, die zonder getuige uit dit +leven scheidden en maar zeer weinigen, wien vrome klaagzangen en de +bittere tranen van zijn familieleden bleven voorbehouden. Liever in de +plaats daarvan sleten die hun leven door zooveel mogelijk te lachen en +te schertsen en gezellig feest te vieren, welke gewoonte de vrouwen, +die grootendeels de vrouwelijke vroomheid hadden afgelegd, voor hun +lijfsbehoud zeer goed hadden geleerd. Er waren er maar weinigen, +wier lichamen door meer dan tien of twaalf van de buren ter kerk +vergezeld werden, en voor welken de eerzame en achtbare burgers, +en niet een soort doodgravers, voortgekomen uit den laagsten stand, +die zich ook aldus lieten noemen en die deze diensten voor geld +verrichtten, onder de baar traden en haar met haastige passen niet +naar die kerk brachten, welke zij voor hun dood hadden aangewezen, +maar naar de meest naburige meestal achter vier of zes geestelijken +met weinig kaarslicht en menigmaal zonder één priester. Dezen met de +hulp van die doodgravers zonder zich met een te langen of plechtigen +lijkdienst te vermoeien, brachten die in de eerste de beste grafstede, +welke zij open vonden. Van den lageren stand en misschien voor een +groot deel van de middelklasse was de aanblik der alle ellende nog +veel erger, omdat die het meest door hoop of door armoe in hun huizen +werden teruggehouden of in hun buurt bleven en bij duizenden ziek +werden en noch bediend, noch geholpen met wat ook, zonder eenige +verzachting stierven. Er waren er genoeg, die op den openbaren weg +bij dag of nacht omkwamen en velen, die in hun huizen heengingen, +deden eerst door den stank van hun ontbonden lichamen dan aan de +buren bemerken, dat zij dood waren; zoowel hiervan als van anderen, +die overal bezweken, waren er een groot aantal. Er werd door de meeste +buren een middelweg gebruikt, daartoe niet minder bewogen door vrees, +opdat de besmetting van de dooden hun geen kwaad deed, als door de +barmhartigheid, die zij jegens de overledenen hadden. + +Zij, zoowel door eigen kracht als met behulp van de dragers, zooveel ze +er van konden krijgen, sleepten de lichamen der reeds gestorvenen uit +hun huizen en plaatsten die voor hun deuren, waar vooral 's morgens, +wie uit was gegaan, er talloos veel had kunnen zien. Zij lieten +vervolgens baren komen en er waren er, die bij gebrek daaraan, ze op +een plank legden. Er was geen baar, die niet twee of drie tegelijk +er van torste, en het kwam misschien maar één keer voor, dat van +deze niet vrij zeker kon gezegd worden, dat zij de echtgenoote en +den man, de twee of drie broeders of den vader en den zoon of op die +wijze de familie droeg. Het gebeurde zeer vaak, dat, wanneer twee +of drie priesters met een kruis voor één baar afzonderlijk liepen, +dat drie of vier baren geheven door dragers, zich daarachter voegden; +en waar de priesters geloofden, dat zij één doode begroeven, deden zij +er dit zes of acht of nog meer. Zij werden ook niet geëerbiedigd met +een enkelen traan of kaarslicht of begeleiding; ook werd de toestand +van dien aard, dat men geen andere zorg droeg voor de menschen, die +stierven, dan men voor geiten over had. Daardoor bleek het duidelijk +genoeg, dat, terwijl de natuurlijke loop der dingen bij weinige en +zeldzame verliezen niet aan wijzen kon leeren die te dragen met +geduld, de grootste van de rampen zelfs de eenvoudige zielen had +kunnen maken tot verstandige en ongevoelige lieden. Blijkbaar door +de groote menigte dooden, die naar elke kerk iederen dag en zoo goed +als ieder uur, al naar het viel, gedragen werd, maakte men, daar de +gewijdde aarde voor de begrafenissen niet voldoende was en daar men +vooral aan ieder volgens de oude gewoonte een eigen plaats wilde +geven, op de akkers van de kerken, omdat elke plek grond vol was, +zeer groote kuilen, waarin men de later aangebrachten bij honderd +neerliet en in deze opgehoopt--gelijk men koopwaren laag op laag +in schepen legde--bedekte men ze met weinig aarde zoover, dat die +tot den rand van de kuil kwam. Maar opdat ik niet later aan iedere +bijzonderheid van de voorbijgegane ellende, onze stad overkomen, nog +herinner, vermeld ik, dat, toen deze booze tijd die bezocht, zij bij +haar voortduur evenmin de omliggende streek spaarde, waar (ik laat de +dorpen ter zijde, die door hun kleinheid bij de stad begrepen waren) +in de verspreide hofsteden en de velden de ongelukkige boeren en armen +en hun families zonder eenige hulp van dokter of steun van een oppasser +op de wegen en op hun akkers en in hun huizen, onverschillig bij dag +en bij nacht, niet als menschen maar als beesten stierven. Daardoor +werden zij als de poorters in hun gewoonten bandeloos en zorgden +niet meer voor hun werk of hun zaken. Allen ook als op den dag, +wanneer de dood, dien zij verwachten, zou komen, deden hun best op +allerlei wijze niet hun toekomstige winsten van vee en land en van +hun gedanen arbeid te vermeerderen maar te verkwisten, wat ze er +van in voorraad hadden. Aldus gebeurde het, dat de koeien, de ezels, +de schapen, de geiten, de zwijnen, de kippen en zelfs de honden, het +trouwst aan de menschen, uit hun eigen verblijfplaatsen verjaagd door +de velden wegliepen naar willekeur, waar ook het graan verlaten en +niet binnengehaald maar wel gemaaid was. En velen, die over dag goed +gevoed waren, dronken zich zonder toezicht van den herder 's nachts in +hun stal zat, of ze verstand hadden. Hieraan valt nog toe te voegen +(wanneer ik het platteland ter zijde laat en tot de stad terug ga) +dat, indien het niet in die mate is en zoozeer was door de wreedheid +des hemels en misschien ten deele door die der menschen, zoowel door +de kracht van de pest als doordat vele zieken slecht waren geholpen +en hunne behoeften verwaarloosd, ook door de vrees, die vele gezonden +hadden, men het aantal menschen, die zeker binnen de muren van de stad +Florence stierven, boven de honderdduizend schat. Hoevelen zou men +misschien vóór den verderfelijken ramp niet gedacht hebben daarbij +te moeten tellen? O hoeveel groote paleizen, hoeveel fraaie huizen, +hoeveel trotsche woningen, vroeger vol families, vol heeren en dames, +bleven tot op den minsten bediende ledig! O hoeveel aanzienlijke +geslachten, hoeveel groote erfgoederen, hoeveel befaamde rijkdommen +zag men zonder den wettigen erfgenaam blijven! Hoeveel invloedrijke +mannen, hoeveel schoone vrouwen, hoeveel lieve kinderen, die door geen +minderen dan Galienus, Hippocrates of Esculaap gezond zouden geacht +wezen, ontbeten 's morgens met hun ouders, met gezellen en vrienden, +die op den invallenden avond in de andere wereld met hun afgestorven +verwanten het avondmaal hielden! + +Ik zelf voelde aandrang om tusschen zooveel ellende te gaan zwerven +en nu wil ik achterwege laten, wat ik gerust weglaten kan. Ik zeg dan, +dat, terwijl onze stad in dien toestand was, bijna leeg van bewoners, +(gelijk ik later van een betrouwbaar persoon vernam) toevallig in de +eerbiedwaardige kerk van Santa Maria Novella op een Dinsdagmorgen +zeven jonge dames bijeen kwamen, toen er haast niemand anders was +en nadat zij den heiligen dienst er gehoord hadden in rouwgewaad, +gelijk in die omstandigheden vereischt werd. Allen waren aan elkaar +verbonden door vriendschap, nabuurschap of verwantschap en geen een +was er ouder dan achtentwintig of jonger dan achttien; elk van hen +was ontwikkeld, van edel bloed, mooi gevormd, rijk van kleederdracht +en van fatsoenlijk uiterlijk. Het is mij niet veroorloofd hun ware +namen te melden, indien de reden althans gegrond is. Ik wil dit niet, +opdat zij over de dingen, die volgen en die door hen verhaald en +gehoord zijn, in de toekomst zich niet hoeven te schamen. Want de +wetten op de vermaken zijn thans wat streng, en waren toen door de +bovenvermelde oorzaken niet slechts voor hun leeftijd maar ook voor een +veel rijperen zeer zacht. Ook wil ik aan nijdigaards geen gelegenheid +geven, die gereed zijn ieder fatsoenlijk leven te bezoedelen, door +eenigerlei daad de eerbaarheid der waardige dames te verkleinen met +schadelijke praatjes. En opdat ieder later zonder verwarring kan +begrijpen, wat elk van hen hun vertelde, ben ik van plan door namen, +die met hun hoedanigheid of geheel of ten deele overeenkomen, ze aan +te duiden. Aldus zullen wij niet zonder reden de eerste en de oudste +Pampinea noemen, en de tweede Fiammetta, de derde Filomena, de vierde +Emilia, en wij zullen Lauretta als de vijfde aanduiden en de zesde +zullen wij Neifila en de laatste Elisa noemen. Dezen, die nog geen +besluit hadden genomen, maar toevallig in een deel der kerk bijeen +waren gekomen en als in een kring zich geplaatst hadden om te zitten, +begonnen na heel wat zuchten en nadat zij het prevelen van paternosters +hadden gestaakt, met elkaar te redeneeren over den aard der vele en +verschillende tijdsomstandigheden en na eenige oogenblikken, toen de +anderen zwegen, begon Pampinea aldus te spreken: + +Mijn lieve donna's, gij kunt als ik meermalen gehoord hebben, dat +niemand kwaad doet, die goed zijn verstand gebruikt. Het is natuurlijk +van iedereen, bij wat er op deze aarde gebeurt, zooveel mogelijk zijn +leven te sterken en te behouden en te verdedigen. Men geeft dit zelfs +zoover toe, dat het een enkele maal al is voorgekomen, dat zonder +eenige schuld menschen om dit te behouden elkaar hebben gedood. En +indien de wetten dit veroorloven, in wier betrachting het voor ieder +sterveling goed is te leven, hoeveel te meer zonder iemand te hinderen +is het voor ons en ieder ander niet zedelijk voor het behoud van +ons leven die middelen te kiezen, welke in ons vermogen zijn? Ieder +oogenblik, dat ik onze wijze van doen van dezen morgen beschouw en ook +die van vroeger en bedenk, hoedanige en welke onze redeneeringen zijn, +begrijp ik--en gij kunt het eveneens begrijpen,--dat ieder van ons aan +zich zelf moet twijfelen: en dit nog verwondert mij niet, maar sterk +verbaast mij (in aanmerking nemend, dat wij alle vrouwelijk gevoel +hebben), dat wij zelf niet bemerken eigenlijk ieder voorbehoedmiddel +te vreezen. Wij blijven hier, naar het mij schijnt niet anders dan +om er de geheel vrijwillige en noodzakelijke getuigen van te zijn +hoeveel dooden hier ten grave worden gedragen en om te hooren of +de broeders van hier binnen, van welke het aantal haast tot nul is +geworden, op de verplichte uren hun dienst afzingen, of om aan ieder, +die hier verschijnt, onzen rang en de grootte van onze ellende te doen +zien. Ook: indien wij van hier weggaan, of de lijken of de zieken van +buiten zien vervoerd worden of hen aanschouwen, die het gezag der +publieke wetten vroeger tot ballingschap dwong voor hun misdaden, +en die daar als 't ware mee spotten, dewijl zij gewaar worden, +dat de uitvoerders daarvan dood of ziek zijn en met weerzinwekkende +brutaliteit het grondgebied afloopen of het schuim der stad, dat op +ons bloed verhit is en zich doodgravers noemt en om ons te beleedigen +paard rijdt en overal rondgaande met gemeene liedjes onzen trots +kwetst. Wij hooren hier niets anders dan: _die zijn dood_ en _de +anderen zijn er om te sterven_, en, indien er iemand in staat zou zijn +om ze te hooren, zouden wij overal droevige klachten vernemen. Indien +wij naar onze huizen terugkeeren (ik weet niet of u gebeurt, wat mij +overkomt) ontstel ik bij de gedachte van een groot gezin er niemand +te vinden dan mijn knecht en ik voel al mijn haren te berge rijzen, +en het schijnt mij, dat, waar ik er ga of sta, ik er hun schimmen +zie en zij mij verschrikken en niet met de gewone herinnering, die +ik van hen pleeg te hebben, maar met een afschuwelijk uiterlijk, +niet begrijpend, wat hen zoo deed veranderen. Daarom schijnt het mij +niet goed zoowel hier als hier buiten of thuis te blijven, en het komt +mij nog meer zoo voor van ons dan van iemand, die geen toevluchtsoord +heeft en die daarheen niet gaan kàn als wij, die er wel een hebben, +en die tòch hier gebleven zijn. Ik heb meermaals gezien en gehoord, +(indien er toch enkelen zoo zijn) dat deze zonder eenig onderscheid +te maken tusschen fatsoenlijke en onfatsoenlijke dingen, dat doen, wat +de begeerte hen ingeeft, zoowel alleen als in gezelschap en bij dag +als bij nacht wat hun het best bevalt. En niet slechts de wereldsche +lieden maar ook de in kloosters afgezonderden, die zich zelf wijs +maken, dat goed is, wat hun bevalt en slechts aan de anderen mishaagt, +denken zich op die wijze te bevrijden, nadat zij de gehoorzaamheid aan +de regels verbroken hebben, zich aan de lusten des vleesches hebben +overgegeven; en ze zijn wulpsch geworden en wellustig. Indien (wat +duidelijk blijkt) dit zoo is, wat zullen wij hier dan doen? Waarop +wachten wij? Wat denken wij? Waarom zullen wij voor ons heil trager +en langzamer zijn dan het geheele overig deel van de burgers? Achten +wij ons minder goed dan al de anderen? Of gelooven wij, dat ons +leven met een sterker keten aan ons lichaam is gebonden dan dat bij +anderen zoo is en in die mate, dat wij er in 't geheel geen zorg +voor behoeven te dragen, die de macht schenkt het te verdedigen? Wij +dwalen, wij zijn bedrogen: hoe groot is onze overmoed, indien wij dit +onderstellen? Zooveel keeren als wij ons zouden herinneren hoedanige +en welke de jongelieden en de meisjes geweest zijn, die door deze +wreede pest bezweken, zouden wij daarin een zeer overtuigend argument +vinden. En opdat wij door domheid of traagheid daartoe niet vervallen, +waaruit wij gelukkig op eenigerlei wijze, als we het maar willen, +kunnen ontsnappen (ik weet niet of u dit zoo zal voor komen als aan +mij), zou ik het opperbest gedaan achten, dat wij uit dit gebied +vertrekken zóó als we hier bij elkaar zijn, gelijk wij vele malen al +hebben gedaan en plegen te doen. Laten wij als de dood de slechte +voorbeelden hier ontvluchten en met eere naar onze buitenplaatsen +in de provincie gaan, met welke ieder van ons rijkelijk bedeeld is, +om daar te blijven en opdat wij daar die feestelijkheid, die vreugde, +dat genoegen smaken, wat wij kunnen zonder met eenige daad de grens van +wat betaamt, te overschrijden. Daar hoort men de vogeltjes zingen; daar +zullen wij de heuvels en de velden zien groenen en de akkers van graan +zien golven gelijk de zee en van boomen op wel duizend manieren. En +de hemel ziet men er ruimer, die, hoewel hij vertoornd is, daarom er +niet zijn eeuwige schoonheden verbergt, welke daar veel heerlijker +zijn om te aanschouwen dan de verlaten muren van onze stad. Daar is de +lucht veel frisscher dan hier en de dingen, thans noodig om te leven +zijn er in grooter overvloed en het verdriet is er minder. En wel, +omdat, hoewel daar de boeren sterven als hier de burgers, de rouw er +minder is, waar de huizen en de bewoners zooveel meer verspreid zijn +dan in de stad. En anderzijds hier, zoo ik goed zie, verlaten wij +niemand, zoo, dat zelfs wij eerder kunnen zeggen in waarheid hier +verlaten te zijn, omdat de onzen hetzij stervend hetzij den dood +ontvluchtend, alsof wij de hunnen niet waren, ons in al dien rouw +hebben achtergelaten. Er kan dus geen enkel verwijt op ons vallen, +indien wij dien raad volgen en zoo niet, dan zou smart en verdriet +en misschien de dood ons kunnen verrassen. En daarom, wanneer het u +goed dunkt, geloof ik, dat wij door onze bedienden mee te nemen en +die met de benoodigdheden te laten volgen heden ginds, morgen elders +en door die vroolijkheid en feestelijkheid te genieten, die deze tijd +kan verschaffen, wel doen, wat goed is om gedaan te worden en door +zoo te blijven handelen, tot wij zien (indien wij niet van te voren +door den dood worden achterhaald), wat eindelijk de hemel na deze +omstandigheden voor ons bewaart. Ik herinner U er aan, dat hij ons +niet zoozeer verbiedt op eerzame wijze heen te gaan, als wel aan de +anderen om voor een groot deel op schandelijke wijze hier te blijven. + +Toen de andere donna's Pampinea gehoord hadden, prezen zij niet +alleen haar raad, maar verlangend dien te volgen waren zij al begonnen +onder elkaar afzonderlijk op die wijze te praten, zoodat zij hierop +van hun zetels zich verheffend als het ware hand in hand op weg +wilden gaan. Maar Filomena, die de voorzichtigste was, zei: Dames, +hoewel het betoog door Pampinea op uitstekende wijze is uiteengezet, +is het toch niet goed heen te gaan gelijk zij beweert, dat gij moet +doen. Ik herinner u er aan, dat wij alle vrouwen zijn en er is er +geen hier zulk een kind, dat zij wel kan weten, hoe de vrouwen te +samen verstandig zijn, en dat zij toch niet zonder het overleg van +een enkelen man kunnen handelen. Wij zijn bewegelijk, weerbarstig, +ergdenkend, kleingeestig en bangelijk; daarom betwijfel ik zeer of ons +gezelschap niet te spoedig, indien wij geen anderen gids dan den onze +nemen, uiteen gaat en met minder eer dan hier vereischte is. En daarom +is het goed zich hierbij te bezinnen, voor wij beginnen. Toen sprak +Elisa: Inderdaad zijn de mannen het hoofd der vrouwen en zonder hun +leiding komt slechts zelden een werk van ons tot een lofwaardig einde; +maar hoe kunnen wij ons die mannen verschaffen? Ieder onzer weet, +dat de meesten dood zijn en dat de anderen, die zijn blijven leven, +deze hier en gene daar in verschillende groepen--zonder dat wij weten +waarheen--dat ontvlieden, wat ook wij ontwijken en het uitnoodigen van +onbekenden zou niet eerbaar zijn. Daarom, als wij tot onze redding +ze willen volgen, is het noodig een middel te vinden, waardoor wij +zoo onze zaken regelen, dat ons, waar wij voor ons genoegen of onze +rust heengaan, geen verdriet of schandaal volgt. + +Terwijl de dames onder elkaar zoo redekavelden, kwamen drie jongelieden +in de kerk, waaronder er geen minder dan vijfentwintig jaar oud was +als de jongste en onder welken noch de boosheid des tijds, noch het +verlies van vrienden of ouders, noch vrees voor zich zelf, de liefde +had kunnen uitblusschen of afkoelen. Een van hen heette Pamfilo, de +tweede Filostrato en de laatste Dioneo, elk heel aardig en welgemanierd +en zij gingen tot hun besten troost in zooveel verwarring hun donna's +zoeken, die toevallig alle drie zich onder de genoemde zeven bevonden, +terwijl de anderen allen daaraan verwant waren. En dezen vielen de +anderen nog niet in het oog of genen waren ook door hen opgemerkt, +zoodat Pampinea toen glimlachend begon: Kijk, de fortuin is voor +ons begin gunstig en heeft hier bij voorbaat bescheiden en dappere +jongelieden gebracht, die gaarne zoowel gids als dienaar willen zijn, +als wij ze voor dien dienst niet zullen ontvluchten. Neifile, toen +van schaamte over het geheele gelaat vuurrood, omdat elk van hun door +een der jongelui bemind werd, zei: Pampinea, bij God, let op wat je +zegt; ik weet zeker, dat men niets dan het beste van elk van hen kan +zeggen en ik meen evenzeer, dat wij hun gezelschap en de eer daarvan +moeten hooghouden, die niet voor ons, maar voor veel schooner en hooger +geplaatste dames dan wij bestemd zijn. Maar omdat het duidelijk is, dat +zij enkelen van ons, die hier zijn, beminnen, vrees ik, dat schande en +verwijt hierop volgt buiten onze of hun schuld, indien wij ze meenemen. + +Daarop zei Filomena: Dat beduidt niets; daar waar ik eerbaar leef, zal +het geweten mij over niets kwellen, wie ook het tegendeel wil beweren; +God en de waarheid zullen dan voor mij de wapens opnemen. Mochten ze +nu maar gereed zijn om te komen, opdat wij, gelijk Pampinea beweerde, +waarlijk kunnen zeggen, dat de fortuin voor onzen tocht gunstig is. De +anderen, welke haar zoo hoorden spreken, zwegen niet slechts maar met +eenparige toestemming vonden zij goed, dat die zouden geroepen worden, +dat men hun het plan zou meededen en dat men hun zou vragen of het +hun mocht behagen bij den aldus voorgestelden tocht ze gezelschap +te houden. Hiertoe richtte zich zonder een woord meer Pampinea, +die opgestaan was en die hun allen door haar bloed verwant was, tot +deze heeren, die haar voortdurend stonden aan te kijken en na hen met +vriendelijk gelaat te hebben gegroet, maakte zij hun dit plan bekend +en verzocht hen elk afzonderlijk ze met reine en broederlijke geest +gezelschap te houden, indien zij zich verplicht voelden zich daartoe +gereed te maken. Eerst geloofden de jongelui, dat ze voor den mal +werden gehouden, maar toen zij merkten, dat de donna van plicht sprak, +antwoordden zij verheugd, dat zij bereid waren en zonder eenig uitstel +te maken bij het plan--daar zij ook vertrokken--gaven zij orders voor +wat ze bij hun uittocht te doen hadden. Nadat zij alles ordelijk in +gereedheid hadden gebracht en wisten, waar zij plan hadden heen te +gaan, begaven zich den volgenden morgen, namelijk Woensdag, bij het +krieken van den dag de dames met eenige van hun bedienden en de drie +jongelieden met drie van hun knechts, uit de stad trekkend, op weg. Zij +verwijderden zich van haar niet meer dan twee kleine mijlen, tot ze de +plaats bereikten door hen aangewezen. Die plek bevond zich boven een +kleinen berg van alle kanten ver van onze wegen, vol van verschillende +lage boomen en planten, allen met groen gebladerte, bekoorlijk +om te zien. Op den top daarvan was een paleis met een schoonen en +grooten hof in het midden en met terrassen en zalen en kamers, allen +afzonderlijk zoo fraai mogelijk en met aanlokkelijke, merkwaardige +schilderijen en getooid met weiden daarbuiten en wonderbare tuinen +en met zeer frissche waterputten en met gewelven vol kostbare wijnen, +meer geschikt voor belangstellende drinkers dan voor matige en eerbare +jonkvrouwen. Toen het was gereinigd en de bedden in de kamers waren +opgemaakt en alles met bloemen, welke men naar het seizoen kon krijgen, +en net was versierd, genoot de aanstaande club niet weinig. En toen +zij zich voor de eerste vergadering hadden neergezet, zeide Dioneo, +die meer dan elke andere jonkman bekoorlijk en welbespraakt was: Dames, +uw verstand meer dan onze voorzichtigheid heeft ons hierheen geleid; +ik weet niet welke van uw gedachten gij hier wilt toepassen; ik liet +de mijnen achter in de poort van de stad, toen ik voor kort met u naar +buiten ging. Daarom: of gij zijt bereid met mij te samen te schertsen +en te lachen en te zingen (zooveel, bedoel ik, als aan uwe waardigheid +past) of gij staat mij toe, dat ik tot mijn gedachten terugkeer en in +de geteisterde stad blijf. Daarop antwoordde Pampinea op geen andere +wijze dan de anderen insgelijks uit zich zelf gezegd zouden hebben, +vriendelijk: Dioneo, gij spreekt zeer goed, men wil vroolijk leven en +geen andere oorzaak dan verdriet heeft ons doen ontvluchten. Maar omdat +de dingen, die zonder eenig plan bestaan, niet lang kunnen duren, acht +ik, die de eerste was bij de gesprekken, waardoor dit goede gezelschap +is bijeengebracht, het noodig overeen te komen, dat er één hoofd zij, +dat wij zoowel eeren als gehoorzamen als meerdere en bij wien bovenal +de gedachte voorstaat, dat men hier er zich op toe moet leggen om +vroolijk te leven. Opdat ieder het gewicht van deze zorg begrijpt +naast het genoegen van de heerschappij en diensvolgens van de eene +zoowel als van de andere zijde beschouwd het niet mogelijk is, dat, +wie het ook zij, jaloersch wordt, stel ik voor, dat ieder voor één +dag de verantwoordelijkheid en de eer zelf aanvaardt. Ten eerste is +voor ons verplichtend: de verkiezing van een onzer uit hen, die nog +volgen, wanneer het avonduur zal naderen. Namelijk hij of zij, die +aan Hem of Haar daartoe behagen zal, welke dien dag de heerschappij +heeft gehad. Deze volgens zijn wil beveelt en bepaalt den tijd, dat +zijn heerschappij duurt en de plaats en de wijze, waarop wij hebben +te leven. + +Deze woorden bevielen uitermate en eenparig kozen zij haar den eersten +dag, en Filomena, haastig naar een laurierboom geloopen, maakte haar +een eervollen en in het oog loopenden krans, opdat, toen zij genoeg +had hooren spreken over zoodanige eer, die groen loof waard was, zij +die op haar beurt de éér waard was, naar verdienste daarmee bekroond +werd; welk sieraad op het hoofd verder in hun gezelschap het duidelijke +teeken was voor iedereen van koninklijke heerschappij en meerderheid. + +Pampinea, tot koningin gemaakt, beval dat elk man zou zwijgen, nadat +zij de knechts van de drie jongelui en hun bedienden, die vier in +aantal waren, had voor zich laten roepen en hun stilte gebiedend sprak +zij: Opdat ik aan u allen het voorbeeld geve, waardoor alles op zijn +best zal voortgaan en ons gezelschap ordelijk en met genoegen en zonder +eenige schande zal bestaan en dit zal duren, zoolang het ons behaagt, +stel ik vóór alles Parmeno, knecht van Dioneo, aan tot mijn hofmeester +en draag aan hem de zorg op en de verantwoordelijkheid voor ons geheele +huishouden en wat tot den zaaldienst behoort. Ik wil, dat Sirisco, +de knecht van Pamfilo, onze betaal- en penningmeester is en de bevelen +gehoorzaamt van Parmeno. Tindaro, in dienst van Filostrato en van de +andere twee, moet op hun kamers passen, wanneer de anderen, door hun +dienst op hun beurt belemmerd, dit niet zouden kunnen doen. Misia, +mijn bediende en Licisca van Filomena, zullen steeds in de keuken +bezig zijn en zullen voor u met zorg die spijzen gereed maken, welke +hun door Parmeno zullen worden opgegeven. Wij wenschen, dat Chimera +van Lauretta en Stratilia van Fiammetta voor het beheer der kamers +van de dames gereed zullen staan, en wij hechten aan de reinheid der +vertrekken en in het algemeen begeeren en bevelen wij, dat ieder, +die op onze gunst gesteld is, waar hij handelt, ga of sta, wat hij +hoort of ziet, geen ander dan vroolijk nieuws hier aanbrengt. En toen +deze bevelen uitdrukkelijk waren gegeven, welke namens allen waren +uitgevaardigd, zeide zij verheugd recht op staande: Hier zijn tuinen, +hier zijn velden, hier zijn andere plaatsen bekoorlijk genoeg, waar +ieder tot zijn genoegen zich ga vermaken en als het drie uur slaat, +zij ieder hier, opdat men voor het koel wordt, eten zal. + +Toen aldus de vroolijke bende door de nieuwe koningin was vrij +gelaten, gingen de jongelui pratend met de schoone dames over vroolijke +onderwerpen met langzamen tred door een tuin. Zij vlochten zich schoone +kransen van verschillend loof en zongen op verliefde wijze. Nadat zij +hier bleven, zoolang de tijdruimte duurde door de koningin toegestaan, +vonden zij huiswaarts gekeerd, dat Parmeno ijverig aan zijn personeel +order had gegeven, zoodat, toen zij in een gelijkvloersche zaal +traden, zij hier de tafels gedekt zagen met puurwitte lakens en met +bekers, die van zilver schenen en alles met bloemen van priemkruid +getooid. Daarna, toen het water voor de handen was uitgereikt, gelijk +het aan de koningin behaagde, en naar hetgeen Parmeno geschikt had, +gingen allen zitten. Spijzen, heerlijk toebereid, werden opgedragen +en de fijnste wijnen waren opgezet en de drie knechts bedienden +zwijgend. Toen de maaltijd was afgeloopen, beval de koningin (daar +het er zoo mee gesteld was, dat al de dames konden dansen en ook de +jongelui en een deel van hen zeer goed kon muziek maken en zingen) +dat de instrumenten zouden komen, en op haar order nam Dioneo een luit +en Fiammetta een viool en begonnen zacht een dans te spelen. Hierop +vormde de koningin met de andere dames te samen en twee jongelui een +balfiguur en begonnen met langzamen pas, nadat zij de knechts om te +eten hadden weggezonden, een rondedans. Toen dit geëindigd was, zongen +zij lieve en blijde liedjes. Dit duurde zoo voort, tot het tijd voor +de koningin werd om te gaan slapen: hierop, na aan allen de vrijheid +te hebben gegeven, begaven zich de drie jongelieden naar hun kamers, +van die der donna's gescheiden, waar zij de bedden opgemaakt en die +vol met bloemen vonden gelijk de zaal en insgelijks de dames hun +vertrekken: hierop gingen zij, na zich ontkleed te hebben, te bed. + +Het was niet ver van negen uur, toen de koningin ontwaakt, al de +anderen deed opstaan, ook de jongelui, daar zij beweerde, dat het +nadeelig was te veel overdag te slapen. Aldus begaven zij zich naar +een kleine weide, waar het gras groen en hoog was en men nergens de +zon zag, en toen, terwijl ze een luwe wind voelden komen, plaatsten +allen gelijk de koningin het verlangde, zich in een cirkel, tot wien +zij aldus sprak: + +Gelijk gij ziet, is de zon hoog en de warmte groot, en toch hoort +men niets dan den krekel onder de olijfboomen; hierom zou het zonder +twijfel dwaas zijn zich naar een andere plaats te begeven. Hier is het +mooi en frisch verblijven en hier gelijk gij ziet, zijn betaalmeesters +en schatkamers [5] en ieder kan, al naar het hem bevalt, zich genoegen +verschaffen. Maar als het mij schijnt, dat iets volgt, wat niet behaagt +en dat aan den geest van de eene partij bevalt wat met niet al te veel +genoegen den andere dus minder schikt of waarvan het twijfelachtig is, +zullen we (hoewel het zich kan voordoen, dat een verteller het geheele +gezelschap, dat toehoort, vermaakt) het verhalen gedurende dit heete +gedeelte van den dag uitstellen. Gij zult geen historie behoeven te +eindigen, voordat de zon gedaald is en de warmte verdwenen en wij +kunnen, wanneer het U aangenamer is, pret gaan maken en wanneer, +wat ik u zeg, u bevalt, (daar ik bereid ben uw zin te volgen) doet +dat dan, en wanneer het u mishaagt, zal ieder doen tot het avonduur +wat hem goeddunkt. De dames en de heeren vonden het alle even goed +te verhalen. Dan, zeide de koningin, als dat u aanstaat, dan wil ik, +dat ieder den eersten dag vrij zij om de stof te kiezen, die hem het +aangenaamst is. En naar Pamfilo gekeerd, die rechts van haar zat, +zeide zij vriendelijk, dat hij voor de anderen den aanvang maakte +met een van zijn vertellingen, waarop Pamfilo dadelijk, het bevel +vernomen hebbend, door allen aangehoord, aldus begon: + + + + +Eerste Dag. + + + +Eerste Vertelling. + + Sinjeur Ciappelletto [6] bedriegt een vromen monnik met + een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een + slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een + heilige bekend en San Ciappelletto genoemd. + + +Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna's, dat de mensch van elk +ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen +en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu +ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van +plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer +gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets +versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, +omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze +ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite +zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, +die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen +verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en +diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit +voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit +Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, +die--gelijk wij--stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden +volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan +hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met +onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat +wij zelf niet moedig genoeg zijn onze gebeden te brengen onder het +oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, +die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien +dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de +geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen +door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een +soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is +afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die +meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn +onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die +tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal +duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk +zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is. + +Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi [7] van een zeer rijk en +groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder +van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot +gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die +der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had +omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere +personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij +in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende +Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij +wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade +trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, +dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover +lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello +uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de +Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van +uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat +hij zich Chapelet noemde,--dat is krans in hun taal--gaven zij hem, +daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello +maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar +weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden. + +Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar +hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, +(waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou +geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als verlangd werd en hij +gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij +legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet +en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, +en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader +trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de +waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij +legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en +welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen +ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier +hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere +misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; +hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen +te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de +heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar +de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als +booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere +slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de +honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort +man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde +gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een +vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem +iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in +zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, +die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto +steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel +ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door +het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd. + +Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, +die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, +dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs +vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: +Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel +terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te +maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het +mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik +niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik +van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te +geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die +niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die +zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, +overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen +en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens +werden, sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van +den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar +Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn +natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen +en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te +verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis +van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit +vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, +dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en +oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid +goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, +die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, +van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke +en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, +dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen +zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den +ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste +gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand +zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden +zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam +hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat +hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek +zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo'n gemeene kerel +geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van +de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal +geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een +hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden +zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch +monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, +niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit +gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer +gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat +zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje +verheffen en schreeuwen: Die Lombardische [8] honden, die geen een kerk +wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze +huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed +rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, +zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk +wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor, +gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem +zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat +gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt +door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij +te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren +gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal +anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, +dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of +minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en +waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en +die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen +zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult +zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij +toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen +en wijzen man, die _een Lombardiër_ de biecht wilde afnemen, welke +in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een +heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, +voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij +begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag +en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te +troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht +had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: +Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, +hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, +dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo +groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen +zeide de broeder: "Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij +voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik +weinig zal te hooren en te vragen hebben." Ser Ciappelletto zeide: +"Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo +dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, +die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van +deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles +zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let +er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen +dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, +die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde." + +Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een +teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan +sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of +hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde +Ciappelletto zuchtend: "Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid +te zeggen, vreezend, dat ik zal zondigen door zelfverheffing." Toen +sprak de heilige broeder: "Zeg gerust wat waar is, want noch in +de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit." Waarop ser +Ciappelletto antwoordde: "Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik +het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam +van mijn moeder kwam." "Dat God U zegene!" sprak de broeder. "Dan +hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, +daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen +dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn." Hierop +vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou +mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van +ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve +bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, +minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood +en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer +hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht +had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had +hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer +zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, +dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk +hij deed. Daarop antwoordde de broeder: "Mijn zoon, deze zonden zijn +natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten +meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, +hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken." + +"O," hernam ser Ciappelletto, "mijn vader, zeg dat niet om mij te +troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten +gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder +eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt." De +broeder voegde er zeer tevreden bij: "Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel +U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, +zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan +geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?" Toen sprak ser +Ciappelletto: "Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, +omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te +maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en +te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat +ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient +te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat +ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen +om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, +heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen +en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn deel gebruikend +voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft +mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter +heb gedreven." "Gij hebt goed gehandeld," zei de broeder, "maar hebt +ge U niet dikwijls boos gemaakt?" "O," zeide de heer Ciappelletto, +"dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in +kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, +de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik +heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de +jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en +zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch +leven lijden dan een naar God gericht." Toen zeide de broeder: "Mijn +zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete +kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te +doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?" Waarop +sinjeur Ciappelletto antwoordde: "Wee mij, heer, gij schijnt mij een +man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de +geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, +gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat +zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik +ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd: 'Ga, opdat God U +verbetere.'" Toen zeide de broeder: "Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God +U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, +of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden +zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?" "Nooit, eerwaarde," +hernam ser Ciappelletto, "heb ik van anderen kwaad gesproken, al +had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld +niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak +tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die +ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, +dat God er wel over zal oordeelen." Dan sprak de broeder: "Goed zoo; +je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand +bedrogen gelijk kooplui dat doen?" "Bij God, ja, waarde heer, maar ik +weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij +schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in +een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, +dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem +niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze +hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes." De broeder sprak: +"Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan." En +behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop +hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde +overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: "Mijnheer, ik heb nog één zonde, +die ik U niet heb verteld." De broeder vroeg welke en hij zei: "Ik +herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet +vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde." "O," +sprak de broeder, "mijn zoon, dat beteekent niet veel." "Neen," +zei sinjeur Ciappelletto, "zeg dat niet, dat het goed is om den +Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot +het leven opstond." Toen vroeg de broeder: "Hebt gij ook iets anders +gedaan?" "Ja heer," antwoordde sinjeur Ciappelletto: "ik heb eenmaal +per ongeluk in Gods kerk gespuwd." De pater begon te glimlachen en +zeide: "Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die +vroom zijn, spuwen er den ganschen dag." Toen zeide ser Ciappelletto: +"Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan +de tempel, waarin men Gode offert." En in het kort vertelde hij nog +veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, +die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: +"Wat heb je, mijn zoon?" Ser Ciappelletto hernam: "Wee mij, heer, dat +mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte +voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag +ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit +zal vergeven, wat ik heb misdreven." Toen vroeg de heilige broeder: +"Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, +of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch +rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, +dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, +indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom +gerust." Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: "Wee +mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood +gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit +door God vergeven wordt." Hierop gaf de broeder tot bescheid: "Zeg +het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden." Ser Ciappelletto +klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem +aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; +hij slaakte een diepe zucht en zei: "Mijn vader, indien gij mij kunt +beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, +toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden." Toen hij dit +gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: "Mijn zoon, +schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den +ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben +beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, +wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die +Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij het +U vergeven." Toen zeide sinjeur Ciappelletto: "Wee mij, mijn vader, +wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in +het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te +veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote +zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven." Toen +de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, +gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, +alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het +niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen +na dit alles zeide hij tot hem: "Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp +zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, +dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het +U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven." Hierop +antwoordde deze: "Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, +daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit +speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, +zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van +Christus tot mij komt, wat gij 's ochtends op het altaar heiligt: +omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het +tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, +zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven." De +heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en +zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De +twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze +niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, +waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden +en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, +zij hadden elken keer zoo'n lust tot lachen, de dingen hoorend, die +hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: +"Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees +voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens +rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, +kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals +hij heeft geleefd." Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, +zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun +lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar +hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den +avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf +hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven +worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, +en dat zij zouden waken volgens gebruik, 's avonds en 's morgens, bij +zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige +broeder, die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, +onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat +hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat +ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij +hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen +zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten +eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, +goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij 's avonds allen daarheen +waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er +een groote en plechtige nachtwake en 's ochtends alle gekleed in hun +doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, +gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht +en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking +der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, +die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn +leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en +onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat +onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend +bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, +dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren +tot het luisterende volk zeide hij: "En gij, door God vervloekten, +bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en +de Madonna, en heel het hemelrijk." Bovendien verhaalde hij veel van +zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, +waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde +hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, +toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld +alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren +werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, +wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat +het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen +kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in +een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen +den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, +hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er +beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane +beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering +voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen +Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog +San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft +verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem +aanbeveelt. Zoo leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd +heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, +dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel +zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging +heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en +hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar +hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van +den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, +dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, +die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, +aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, +dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige +was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En +laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, +terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, +en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er +zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _De Jood Abraham [9] reist op aandrang van Jeannot de Sevigny + naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der + priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen._ + + +Voor een deel lachten de donna's om de vertelling van Pamfilo en +over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was +aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De +koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van +het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke +gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat +zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling +aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, +wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil +in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig +de gebreken verdraagt van hen, die en met daden en met woorden van +die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En +die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid +blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, +wat wij gelooven. + +Aldus, genadige donna's heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in +Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de +Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak +had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer +rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk +en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid +zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs +en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon +hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het +joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich +zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en +sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen +en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte +dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en +sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield +echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden +weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er +op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel +de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, +hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog +of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen +man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem +zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich +niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield +hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend +aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen +word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst +naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder +op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van +zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik +door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter +is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, +dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, +zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, +was hij zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, +die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem +zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en +het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich +niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd +was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, +vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van +hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als +gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je +niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig +wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár +dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen +verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, +dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden +zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog +beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis +zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, +doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: +Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar +om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij +zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets +van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: +Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen +zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er +nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te +paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, +door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder +te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op +de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten +en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond +als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten +tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich +aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan +tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, +zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of +andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed +was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, +drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot +verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, +hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar +geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus +en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de +offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor geld verkochten en +kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, +dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze +hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: +"zorg voor aanstelling" en voor hebzucht den naam: "ondersteuning" +gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) +niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de +menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar +die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, +den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het +hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te +keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen +was--en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer +hij daar vandaan terug keeren zou--maakten zij te samen een groot +feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie +van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De +Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan +kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, +daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige +levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het +kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger +dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun +glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt +van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder +met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen +er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en +uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van +moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar +dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, +schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van +deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, +als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en +hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, +zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te +worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de +verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht +het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen +hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging +met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij +Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden +dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en +noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen +in ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert +werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde. + + + + + +Derde Vertelling. + + _De Jood Melchisedek [10] onttrekt zich met een geschiedenis + van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin [11] + gelegd._ + + +Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop +zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te +spreken: + +De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het +gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds +genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet +men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering +achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij +misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden +gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de +dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in +de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige +uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust +voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende +stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet +meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen +gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal +ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen. + +Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van +een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele +overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, +had in verschillende oorlogen en door zijn kolossale praal al zijn +rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke +hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig +kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die +te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen +bedienen, wanneer hij wilde. + +Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben +gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood +hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood +zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van +overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem +bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: "Mijn waarde vriend, ik +heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en +in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, +welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: +de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?" De Jood, die +werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op +toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag +te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan +de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar +het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor +hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, +snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij: + +"Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, +wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, +die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele +malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man +leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, +een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en +zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn +nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, +bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, +zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd +en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, +volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk +zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door +vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam +van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun +vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, +die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde +der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn +beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, als hij +kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, +wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er +over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie +te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen +maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten +vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf +hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich +na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde +den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch +rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de +ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten +niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van +den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, +o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de +drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder +meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; +maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van +de drie ringen." Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan +den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had +gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen +en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat +hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo +verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, +dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en +bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend +en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf + staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn + geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid._ + + +Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig +bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus +begon te vertellen: + +Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb +begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En +opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder +vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, +dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede +betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe +Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de +valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen +door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder +dat ik van U afkeuring hoef te verwachten. + +Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, +heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar +leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de +nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al +de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, +welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al +mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den +omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij +had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke +lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar +te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best +met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl +niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, +minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, +toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen +maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur +van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij +was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen +hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn +kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De +monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje +bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, +dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij +loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in +zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem +zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er +niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te +vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te +hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, +zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat +iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar +buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en +bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, +als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: +Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet +hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het +laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik +had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht +aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en +gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij +na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle +monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan +geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of +hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: +het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever +de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij +nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil +ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het +meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor +schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, +dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, +niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en +zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in +de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad +als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld +weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet +ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand +het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal +misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is +van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit +zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, +en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht +haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar +zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, +leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde +en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar +hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking +nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar +door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, +maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart. + +De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in +de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, +en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen +de cel van binnen werd gesloten, was hij er absoluut zeker van. Hij +ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en +zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje +samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug +naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, +dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen +en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen +behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer +ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker +gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo +lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van +haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de +vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, +maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij +dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, +wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, +dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had +uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich +den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en +legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten +het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, +dat zij haar meermalen lieten terugkomen. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _De dwaze liefde van den koning van Frankrijk voor de markiezin + van Montferrat wordt door haar bekoeld met een gastmaal van + niets dan kippen en met eenige geestige woorden._ [12] + + +Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart +der luisterende donna's, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij +gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die op hun gelaat +verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood +van lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot +ervan gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee +zij wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld +mochten worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij +haar op het gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol +gratie en met een vriendelijk gelaat: + +Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te +bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is, +en omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna +te beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de +vrouwen een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen +behoeden tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam +ik er toe, schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen, +aan te toonen hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden +zich daartegen beschermde en er anderen van afhield. + +De markies van Montferrat [13], een man van grooten moed, een +banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen +over zee getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den +Eenoogigen, die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht +te maken, over zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd, +dat er onder de sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den +markies en zijn vrouw. Want even als de markies onder de ridders +om iedere deugd beroemd was, was de markiezin onder alle dames +der wereld de schoonste en de waardigste. Deze woorden troffen den +koning van Frankrijk zóó, dat hij zonder haar ooit te hebben gezien, +haar dadelijk hartstochtelijk begon te beminnen en hij nam zich voor +bij den kruistocht waar hij aan meedeed, nergens anders in zee te +steken dan te Genua, opdat hij, door over land te gaan, een eerlijk +voorwendsel had, om de markiezin noodzakelijk te zien. Hij overlegde +in stilte, dat, als de markies er niet was, hij aan zijn begeerte +kon voldoen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij ging na alle manschappen +vooruit gestuurd te hebben met weinig volk en edellieden op weg en +toen hij de landgoederen van den markies naderde, liet hij één dag te +voren aan de donna berichten, dat zij hem den volgenden morgen aan +het middagmaal moest verwachten. De edelvrouw, wijs en voorzichtig, +antwoordde vriendelijk, dat dit een gunst was hooger dan ieder andere +en dat hij welkom zou wezen. Zij dacht er over na, wat het beteekende, +dat een koning, van zoo'n karakter, terwijl haar echtgenoot er niet +was, haar kwam bezoeken. Het idee bedroog haar dan ook niet, dat haar +schoonheid hem aantrok. Niettemin als een waardige vrouw was zij bereid +hem te ontvangen. Zij had die goede mannen tot zich laten roepen, +die achter gebleven waren volgens wier raad zij bij iedere gelegenheid +orders liet geven, maar zij wilde de bevelen voor het gastmaal en de +spijzen zelf geven. Zonder verwijl liet zij zooveel kippen als er in +de streek maar te krijgen waren bijeen brengen en liet uitsluitend +daarvan door de koks de verschillende gerechten voor het koningsmaal +bereiden. De koning kwam dan ook op den bepaalden dag en werd met +groote feestelijkheid en eer door de donna ontvangen. Zij scheen +hem, terwijl hij haar aanschouwde schooner, waardiger en hoffelijker +dan hij uit de woorden van de ridders had opgemaakt. Hij bewonderde +haar uitermate en vleide haar zeer. Het wakkerde des te meer zijn +begeerte aan, omdat hij vond, dat zij zijn vroegere voorstelling +nog overtrof. Nadat hij eenige rust had genomen in de kamers, die +versierd waren gelijk dit behoort om zulk een koning te ontvangen, +zetten zich de vorst en de markiezin, toen het uur van het middagmaal +geslagen had, aan een disch en de andere werden naar hun rang aan +andere tafels onthaald. Daar de koning van vele spijzen bediend werd +en van zeer goede en kostbare wijnen en hij bovendien telkens de zeer +schoone markiezin aanzag, genoot hij buitengewoon. Maar toch toen het +eene gerecht na het andere kwam, begon de koning zich te verbazen, +toen hij gewaar werd, dat, hoe verscheiden die ook waren, zij toch +uit niets anders bestonden dan kip. + +Daar de koning de plaats kende, waar hij was en wist, dat er overvloed +van wildbraad moest zijn en hij van zijn komst van te voren de donna +had verwittigd, had hij haar tijd gegeven om te laten jagen. Hoewel +hij zich daar zeer over verwonderde, wilde hij haar over niets anders +laten spreken dan over haar kippen en zich met vriendelijk gezicht +tot haar wendend, zeide hij: "Worden er in dit land, mevrouw, alleen +kippen geboren zonder één haan?" + +De markiezin, die de vraag maar al te wel verstond, en daar het haar +scheen, dat God haar volgens haar verlangen nu de gunstige gelegenheid +had gegeven om haar opzet te doen blijken, antwoordde den koning en +keerde zich naar hem in trotsche houding: "Neen, Sire, maar de vrouwen, +hoewel zij als de kippen in tooi en rangorde verschillen, zijn hier +van nature evenals elders." Toen de koning die woorden begrepen had, +doorzag hij al te wel de reden van het gastmaal met kippen en de +beteekenis verborgen in dit antwoord. Hij werd er van overtuigd, dat +aan zulk een dame alle woorden verspild waren en dat geweld hier niet +gebruikt kon worden. Daarom vond hij het wijs zijn slecht ontvangen +hartstocht bij hem te kwader ure ontbrand, tot zijn eigen eer te +beteugelen. Zonder haar verder met opmerkingen te vervolgen, at hij +bevreesd voor haar antwoorden, zonder eenige hoop op succes. Toen +het afgeloopen was, bedankte hij haar voor de bewezen eer en wilde +met een spoedig vertrek zoo gauw mogelijk zijn trouweloos bedoelde +komst herstellen. Hij beval haar Gode aan en begaf zich naar Genua. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Een oprechte leek straft door een aardige zet de huichelarij + van de monniken._ + + +Toen allen de waardigheid van de markiezin en de aardige kastijding +van den Koning van Frankrijk geprezen hadden, begon Emilia, die +naast Fiametta zat, en naar het de koningin behaagde, vrijmoedig te +vertellen: Ik zal op mijn beurt spreken over een geestig en lofwaardig +woord door een leek gericht tot een gierigen monnik. + +Er leefde dan, o waarde jongelieden, nog niet lang geleden in onze +stad een Minderbroeder [14], Inquisiteur van kettersche misdaden, die +alles deed om heilig te schijnen en een hechte liefde te koesteren voor +het christelijk geloof. Maar hij onderzocht even goed wie een volle +beurs had als wien hij verdacht van ongeloof. Daarnaar strevende trof +hij toevallig een man aan, die rijker aan geld was dan aan verstand, +en die, niet door gebrek aan geloof, maar misschien door wijn en +overgroote vroolijkheid verhit, er toe kwam tot zijn dischgenooten +botweg te zeggen, dat hij zulk een goeden wijn had als zelfs Christus +nooit had gedronken. Dit gezegde werd den Inquisiteur overgebracht +en deze wist, dat het vermogen van den schuldige zeer groot was. Met +de grootste gestrengheid viel hij daarom op hem aan met het doel +hem een vreeselijk proces op den hals te schuiven, niet zoozeer +met het plan om zijn ongeloof bij het verhoor te verminderen als +wel om diens florijnen in handen te krijgen. Hij liet hem roepen, +en vroeg hem, of het waar was, wat hem ter ooren was gekomen. De +goede man bekende en verklaarde zijn bedoeling. Hierop antwoordde +de zeer heilige en vrome Inquisiteur van Sint Johannes Goudmond: +Je hebt dus Christus voor een drinker uitgemaakt en een liefhebber +van de heilige wijnen, alsof hij een Cinciglione [15] was, zoo'n +soort dronkelap en kroeglooper als jij. En nu wil je met ootmoedig +praten beweren, dat dit niets beteekent. Het is niet zoo min als het +jou schijnt, want je hebt er den brandstapel mee verdiend, indien we +handelden naar onze plicht. Met deze en andere woorden en het gezicht +van een strijder voor het geloof of die man Epicurus geweest was, +welke onsterfelijkheid der zielen ontkent, sprak hij hem toe. In +korten tijd joeg hij hem zulk een vrees aan, dat de brave man hem +met een goede hoeveelheid der genademiddelen van Johannes Goudmond +[16] de handen wou zalven. Dit hielp veel voor de ziekte der hebzucht +van de geestelijken en speciaal voor de Minderbroeders, die geen geld +mogen aanraken, opdat hij barmhartig jegens hem te werk zou gaan. Die +zalving, die zeer krachtig werkt, hoewel Galienus er nergens in zijn +medische werken van spreekt, had zooveel invloed, dat de brandstapel +door die genade verminderde tot het dragen van een kruisteeken. [17] +En alsof hij hem tot een kruistocht wilde noodzaken gaf hij hem om +er mooier uit te zien een geel kruis op zijn zwart goed. Buitendien +hield hij hem na het geld ontvangen te hebben, enkele dagen bij zich +gevangen, en legde hem als straf op, dat hij elken morgen een mis in +Santa Croce moest hooren en 's middags bij hem moest komen. De rest +van den dag kon hij doen, wat hij wou. Terwijl hij dit stipt deed, +lette hij op een goeden morgen, bij een mis op een evangeliumtekst, +waarin de volgende woorden werden gezongen: _U zal honderdvoudig +vergolden worden, en gij zult het eeuwige leven deelachtig worden_. Dit +prentte hij stevig in het geheugen en naar het gegeven bevel op het +uur van het tweede ontbijt bij den Inquisiteur gekomen, vond hij hem +daar aan het middagmaal. Deze vroeg hem of hij dien morgen de mis +had gehoord. Hij antwoordde daarop: Ja. Toen hernam de Inquisiteur: +Hoorde je daarin niets, waaraan je zoudt twijfelen of waarover je iets +wilde vragen? Heelemaal niet, hernam de brave kerel, aan niets wat +ik hoorde, twijfel ik, en alles houd ik voor zeker en waar. Maar ik +heb één ding gehoord, dat mij zeer groot medelijden heeft gegeven en +zal geven met U en Uw andere broeders, toen ik dacht aan den slechten +toestand, waarin gij hiernamaals komen zult. Toen sprak de Inquisiteur: +Wat was het woord, dat Uw medelijden met ons opwekte? De goede man +antwoordde: Monseigneur, het was dat woord van het Evangelium, +dat zegt: _U zal honderdvoudig vergolden worden en gij zult het +eeuwige leven deelachtig worden_. De Inquisiteur zei: Dat is zoo, maar +waardoor heeft dat woord U geroerd? Monseigneur, hernam de goede man, +ik zal het U zeggen: sinds ik hier kom, heb ik elken dag buiten aan +arme lieden, dan een, dan twee groote ketels met soep zien geven, +welke men voor de broeders van dit klooster en voor U van te voren +toch als overtollig ter zijde zet. Daarom, indien men voor elkeen er +honderd hiernamaals U teruggeeft, dan zult gij er zooveel ontvangen, +dat gij allen zult moeten verdrinken. Terwijl de anderen, die aan de +tafel van den Inquisiteur zaten, allen moesten lachen, merkte deze, +dat de soep-huichelarij gehekeld werd en verschoot geheel van kleur +en als hij zich niet voor zichzelf geschaamd had, had hij hem een +ander proces op den hals geschoven. Met die grap waren hij en de +andere schelmen zóó geraakt, dat hij in zijn kwade bui hem beval weg +te gaan en niet meer terug te komen. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Bergamino straft op een bedekte manier met een verhaal + van Primasseau en den abt de Cligny een plotse aanval van + gierigheid van monseigneur Cane della Scala._ [18] + + +De bekoorlijkheid van Emilia en haar vertelling bewoog de koningin +en alle anderen om over het nieuwe bijbelsche inzicht van den man +met een kruis gebrandmerkt, te lachen en het te prijzen. Maar toen +de lachbui eindelijk bedaard was, begon Filostrato, aan wien de beurt +tot verhalen kwam, aldus te spreken: Het is een verdienstelijke zaak, +waarde dames, met een teeken dat te brandmerken, wat nooit verandert, +maar ook is het wonderlijk, wanneer iets ongewoons opeens zich +voordoet en dan dadelijk door een boogschutter wordt geraakt. Het +verdorven en liederlijke leven van de geestelijken, vaak een vast +bewijs van voortdurende slechtheid, geeft gemakkelijk genoeg stof +tot spreken. Die brave man deed goed, omdat hij den Inquisiteur en +de huichelachtige weldadigheid der broeders geeselde, wien het goed +dunkte die gift aan de armen te schenken, welke zij net zoo goed aan +een zwijn hadden kunnen geven of weg smijten. Maar ik acht den man +nog meer te prijzen, van welke ik moet spreken, wanneer ik hierbij +aan de voorgaande vertelling denk. Deze heer, Cane della Scala, een +best man, werd voor een plotseling opwellende gierigheid gestraft +met een verhaal, dat zoowel op hem als op anderen sloeg, namelijk dit: + +Gelijk de faam door de heele wereld het doet hooren, was die +heer Cane della Scala, die in vele dingen zeer fortuinlijk was, +een der meest geziene en vrijgevigste lieden, die men sinds Keizer +Frederik de Tweede in Italië kende. Hij had het plan opgevat voor +een merkwaardig en wonderbaar feest in Verona. Toen er vele lieden +uit alle streken waren bijeengekomen en zeer velen van het hof van +allerlei rang, zag hij (wat de reden er ook van zij) ineens van het +feest af; ten deele onthaalde hij nog, die gekomen waren en liet +ze weer heengaan. Slechts een, Bergamino genaamd, een man van wiens +sierlijkheid en vaardigheid in het spreken men zich geen denkbeeld +kon vormen zonder hem te hooren, bleef achter zonder iets te krijgen +of verlof tot heengaan te ontvangen, en hoopte dat het feest nog zou +plaats hebben en dat hij er nog bij zou noodig zijn. Maar monseigneur +Cane wist, dat al wat men Bergamino gaf, net zoo goed in het vuur +kon worden gegooid. Toch liet hij hem er niets van blijken door +woord of daad. Bergamino, die na eenige dagen bemerkte, dat hij noch +genoodigd noch gevraagd werd voor de zaak, waartoe hij gekomen was en +die bovendien in het logement met zijn paarden en zijn knechts zijn +geld verteerde, begon misnoegd te worden. Maar toch wachtte hij af, +daar het hem nog niet goed scheen te vertrekken. Hij had drie kostbare +kleedingstukken meegebracht, die hem door andere heeren gegeven waren +om met eere op dat feest te verschijnen. Toen zijn waard betaling +vroeg, gaf hij hem eerst één kleedingstuk, en toen besloot hij, +indien hij nog langer bij zijn waard zou logeeren, hem het tweede +te geven. Daarna begon hij op kosten van het derde geld te verteren, +bereid nòg zoo lang te blijven als dat toereikend was. + +Terwijl hij ten koste van het derde kleedingstuk bleef, stond +Bergamino, terwijl monseigneur Cane middagmaalde, met een vrij misnoegd +gezicht voor hem. Toen Cane dit zag, zei hij meer uit spotzucht +dan om het genoegen een geestig woord van hem te hooren: "Wat heb je +Bergamino? Je ziet er zoo kwaad uit; zeg mij het eens?" Daarop vertelde +Bergamino zonder een oogenblik zich te bedenken, alsof hij echter lang +had gepeinsd, naar aanleiding van zijn eigen geval, deze historie: +"Gij moet weten, mijnheer, dat Primasseau een man was zeer bedreven +in het Latijn en bovendien een zeer groot en vaardig dichter, wat +hem zoo geëerd en beroemd maakte, dat, waar nog niet iedereen hem op +het gezicht kende, door naam en faam elkeen toch wist wie Primasseau +was. Eens bevond hij zich te Parijs in armelijken toestand, waarin +hij meestentijds verkeerde, omdat zijn talent weinig gewaardeerd werd +door lieden, die het wel konden doen. Hij hoorde daar van den abt van +Cligny en men vertelde, dat hij meende na den Paus de rijkste prelaat +aan inkomsten te zijn, die Gods Kerk had. Hij hoorde van hem wonderbare +en zeer goede dingen vertellen, dat hij een hofhouding had en dat hij +nooit had geweigerd te laten eten en drinken wie er ook om vroeg, +mits het op zijn etensuur was. Toen Primasseau dat vernam, maakte +hij plan, daar hij een man was, die gaarne menschen en edellieden van +beteekenis zag, om de weelde van dien abt in oogenschouw te nemen en +vroeg hoe ver hij van Parijs woonde. Men antwoordde hem hierop een mijl +of zes vandaar op zijn landgoed. Primasseau meende er te kunnen zijn +op het etensuur, als hij 's ochtends vroeg wegging. Nadat hij zich +dus den weg had laten wijzen, en niemand vond, die hem vergezelde, +vreesde hij, te verdwalen en op een plaats te komen, waar hij niet zoo +makkelijk te eten zou krijgen. Daartoe nam hij, om van den honger geen +last te hebben, drie brooden mee en dacht, dat hij water, hoewel hij +er niet van hield, wel overal zou vinden. Toen hij de brooden in den +zak had gestopt, begaf hij zich op weg en de reis ging zoo goed, dat +hij voor het etensuur kwam dáár, waar de abt woonde. Hij ging binnen +en zag overal rond. Toen hij de groote menigte gedekte tafels had +gezien en de kolossale toebereiding in de keuken en de andere dingen +gereed voor het middagmaal, zei hij tot zichzelf: Dat is werkelijk +prachtig, zooals beweerd wordt. Terwijl hij op dat alles lette, +beval de hofmeester van den abt water aan te reiken voor de handen, +omdat het etenstijd was. Hierna ging iedereen aan tafel. Toevallig +werd Primasseau juist tegenover de deur geplaatst, waar de abt moest +doorgaan om in de eetzaal te komen. Het was in dat huis gewoonte, +dat men nooit aan tafel wijn of brood of iets anders te eten of te +drinken opdroeg, voor de abt zich aan den disch had neergezet. Toen de +hofmeester de tafel gedekt had, liet hij den abt zeggen, dat, wanneer +het hem behaagde, het middagmaal gereed stond. De abt liet zijn kamer +openen om in de zaal te gaan en zag toevallig onder het binnentreden +als de eerste, die hem in het oog viel, Primasseau, die er tamelijk +armelijk uitzag en dien hij van aanzien niet kende Toen de abt hem +had opgemerkt, kwam hem onverwachts een slechte gedachte in den geest, +die daarin nog nooit was opgerezen. Hij zei bij zich zelf: Kijk, wat +voor lui, wien ik geef van het mijne! Hij keerde weer terug, beval, +dat de kamer gesloten zou worden en vroeg aan hen, die bij hem waren of +iemand dien vagebond kende, welke tegenover den uitgang van de kamer +aan tafel zat. Iedereen antwoordde van neen. Primasseau had eetlust +als iemand, die geloopen heeft en die niet gewoon was te vasten. Hij +had al eenigen tijd gewacht en zag, dat de abt niet terug kwam. Toen +haalde hij een der drie brooden uit zijn zak, die hij meegenomen had +en begon te eten. Nadat de abt eenigen tijd weg was geweest, beval hij +een van zijn lieden te zien of Primasseau was vertrokken. De bediende +antwoordde: Neen, monseigneur, en hij eet brood, dat hij zeker mee +heeft gebracht. De abt hernam: Als hij zijn brood nu eet, zal hij van +het onze niets krijgen. De abt had gewild, dat Primasseau van zelf zou +zijn weggegaan, maar wilde hem er niet uit laten gooien, Primasseau +had al één brood gegeten, maar de abt kwam nog niet. Daarop begon +hij het tweede te eten; dat werd ook aan den abt verteld, die weer +had laten kijken of hij vertrokken was. Daar de abt maar niet kwam, +begon Primasseau het derde brood te eten, wat ook aan den priester +werd gemeld, die bij zich zelf begon te denken en te zeggen: Kijk, +wat voor nieuwen inval heb ik gekregen? Wat een gierigheid! Wat een +onwil! En om wien! Ik gaf het mijne te eten, reeds vele jaren, aan +ieder, die wilde zonder op te letten of die edelman was of dorper, +arm of rijk, koopman of afzetter en tal van bandieten heb ik voor mijn +oogen zien zwelgen zonder dat ooit in mijn ziel de gedachte opkwam, +die bij dezen man in mij rees. Die gierigheid zou mij zeker niet +hebben overvallen, als hij geen bijzonder mensch was. Hij lijkt mij een +bandiet, maar het moet een man van gewicht zijn, waar het mogelijk is, +dat mijn geest zich zóó verzet hem aldus te ontvangen. Na deze gedachte +wilde hij weten wie die man was en hoorde, dat hij Primasseau heette, +daar gekomen om zijn weelde te zien, waarvan hij had vernomen. De abt, +die hem al lang als een begaafd man had hooren noemen, schaamde zich +en verlangend alles goed te maken, deed zijn best hem op allerlei +wijze te onthalen. Na hem te laten eten, deed hij, gelijk het voor +Primasseau behoorde, hem voornaam kleeden en na hem geld en paarden +te hebben gegeven, kon hij gaan en staan, waar hij wilde. Primasseau +hierover tevreden, dankte hem zooveel hij kon en keerde te paard naar +Parijs terug, waaruit hij te voet was vertrokken." Monseigneur Cane, +die veel doorzicht had, begreep zonder verdere aanwijzing zeer goed, +wat Bergamino bedoelde en zeide glimlachend: "Bergamino, je hebt +mij genoeg je schade, je talent en mijn gierigheid doen kennen en, +ook wat je van mij begeert en heusch, het is de eerste maal, dat ik een +opwelling had van gierigheid, maar ik zal haar met den stok verjagen, +dien jij mij hebt gegeven." Na den waard van Bergamino betaald te +hebben en hem met een zeer voornaam gewaad te hebben bekleed en hem +geld en paarden te hebben gegeven, liet hij het aan hem over naar +welgevallen heen te gaan of te blijven. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Guiglielmo Borstere straft met een grappig woord de gierigheid + van monseigneur Ermino de' Grimaldi._ + + +Naast Filostrato zat Lauretta, die, nadat zij de handigheid van +Bergamino had hooren prijzen en merkend, dat aan haar de beurt van +vertellen was, zonder eenig bevel af te wachten, aldus op bekoorlijke +wijze begon te spreken: + +Waarde metgezellen. De vorige vertelling drijft mij er toe U er mee +te willen bekend maken hoe een waardig hoveling eveneens niet zonder +vrucht de hebzucht van een zeer rijk koopman strafte. Mijn vertelling +lijkt, wat de strekking betreft, op de voorgaande historie. Zij moet +U er echter niet minder om wezen, als gij bedenkt, dat er ten slotte +goeds uit voortkomt. + +Er leefde dan in Genua lang geleden een ridder, Ermino de'Grimaldi +genaamd, welke (naar hetgeen door allen geloofd werd) door zeer +groote rijkdommen en gelden ver de rijkdom van alle andere zeer +welgestelde burgers overtrof, die men toen in Italië kende. Gelijk +hij elk overtrof met schatten, die Italiaan was, zoo was hij ook in +gierigheid en karigheid iederen anderen schraper en vrek, die er op +de wereld bestond, de baas. Niet alleen voor het onthalen van anderen +hield hij de beurs gesloten maar bij zaken voordeelig voor hem zelf, +stelde hij zich, om niets te verteren, aan groote ontberingen bloot +tegen de gewoonte der Genueezen, die zich voornaam kleedden. Evenzoo +deed hij met eten en drinken. Hierdoor en terecht was de eigennaam +der Grimaldi's vervallen en werd hij door ieder monseigneur Ermino +Avarizia (Gierigheid) genoemd. + +Terwijl hij door niets te verteren, het zijne vermenigvuldigde, kwam +er eens te Genua een waardig, welgemanierd en welsprekend hoveling, +Guiglielmo Borsiere genaamd, in niets gelijk aan de tegenwoordige +ridders, die edellieden genoemd willen worden en als zoodanig bekend +willen zijn zonder groote schaamte over hun verdorven en schandelijk +leven. + +Ze moesten liever ezels genoemd worden, omdat ze veeleer in de laagheid +en slechtheid der gemeenste lui zijn opgevoed dan aan hoven. Het was +in die tijden hun streven moeite te doen tot het sluiten van vrede, +waar strijd of twisten tusschen edellieden waren ontstaan, huwelijken, +familieverbindingen en vriendschap te doen sluiten, met schoone en +aardige woorden de zielen der bedroefden te troosten, de hofkringen +te amuseeren en met ernstige vermaningen vaderlijk de slechte lieden +te onderhouden en dit belangeloos. Thans leggen zij er zich op toe +hun tijd zoek te brengen met kwaad van elkaar te spreken, twist te +zaaien, slechte en treurige dingen te vertellen en wat nog erger is +ze openlijk te bedrijven en hun booze daden, schandalen en laagheden, +waar of niet, elkaar voor de voeten te gooien en met drogredenen +de goede menschen tot gemeene en schelmsche dingen te verleiden. En +hij wordt het meest gewaardeerd en het meest door die ellendige en +ontaarde heeren geëerd en met de grootste belooningen begiftigd, +die de laagste woorden zegt of de gemeenste daden doet, tot groote +schande en blaam voor de tegenwoordige wereld en als duidelijk bewijs, +dat de deugden al op dit ondermaansche verdwenen zijn en de schelmsche +en ellendelige stervelingen in een poel hebben achtergelaten. + +Maar opdat ik den draad weer opvat, van welke ik door rechtmatige +verontwaardiging verder ben afgeweken dan ik wilde, vertel ik U thans, +dat voornoemde Guiglielmo door alle edellieden in Genua geëerd werd +en zeer gezien was. Hij was daar eenigen tijd en hoorde veel van de +schraperigheid en gierigheid van Ermino en was nieuwsgierig om hem te +ontmoeten. Monseigneur Ermino had al gehoord, dat de heer Borsiere +een voortreffelijk man was en daar hij bij al zijn gierigheid toch +een vonkje wellevendheid bezat, ontving hij hem met zeer vriendelijke +woorden en met een opgeruimd gezicht, liet zich over verschillende +dingen met hem in en leidde gedurende het gesprek hem en eenige +Genueezen, die mede waren gekomen, in een fraai, nieuw huis, dat hij +had laten bouwen en toen hij hem dit alles vertoond had, sprak hij +tot hem: Monseigneur Guiglielmo, U hebt toch veel gezien en gehoord, +kunt U mij één ding toonen, dat men nog nooit zag om het in mijn huis +te laten schilderen? + +Guiglielmo antwoordde hem op zijn wonderlijke vraag: Mijnheer, ik +geloof niet U iets te kunnen noemen, wat men nog nooit heeft gezien +behalve het niesen of zoo iets; maar ik zou U wat willen noemen, +dat U zelf (naar ik geloof) nog nooit hebt gezien. + +En wat zou dat dan zijn? vroeg Ermino. + +Laat de Hoffelijkheid uitschilderen, antwoordde Guiglielmo. + +Bij die woorden voelde de heer Ermino zich plotseling bevangen door +zulk een schaamte, dat die hem bewoog zijn geheele gezindheid te +veranderen en hij antwoordde: Mijnheer Guiglielmo, ik zal die zoo +laten schilderen, dat noch U, noch wie ook mij ooit weer zal kunnen +verwijten, dat ik haar noch gezien, noch gekend heb. En van dien +dag af werkten de woorden van Guiglielmo zoo sterk op hem, dat hij +de vrijgevigste en joviaalste edelman werd van de wereld en vreemden +en medeburgers met meer gastvrijheid ontving dan ieder ander Genuees. + + + + + +Negende Vertelling. + + _De Koning van Cyprus, door een Gasconsche dame bestraft, + wordt van een traag een werkzaam man._ + + +Het laatste bevel van de koningin had betrekking op Elisa, die zonder +dit af te wachten, zeer opgeruimd begon: + +Jonge dames. Het gebeurt dikwijls, dat, wanneer vele berispingen en +straffen bij iemand niet hielpen, een enkel woord per ongeluk--niet +eens met opzet--gezegd, baatte. Wat duidelijk bleek uit de vertelling +van Lauretta, zal ook ik U in het kort aantoonen. Want dit is iets, +hetwelk goede menschen altijd verheugt, wanneer het door hen aandachtig +wordt aangehoord, wie het ook vertelt. + +In den tijd van den eersten koning van Cyprus, na de verovering van +het Heilige Land door Godfried van Bouillon [19] toog een edelvrouw +uit Gascogne ter bedevaart naar het Heilige Graf. Toen zij bij +haar terugreis op Cyprus kwam, werd zij door eenige gemeene lui +schandelijk mishandeld. Haar smart daarover was grenzenloos en zij +wilde zich bij den koning gaan beklagen. Maar men vertelde haar, +dat zij moeite deed voor niets, want de koning was zulk een traag +en lui mensch, dat hij op de klachten van anderen niet inging, en +dat hij zelfs niet den smaad, hem vaak zeer onbeschaamd toegevoegd, +wilde vervolgen. Daarom liet iedereen, die hem al had beleedigd, zich +jegens hem met verachting en schimp uit. De dame, die dit hoorde en +alle hoop opgaf, om voldoening te krijgen, nam zich voor haar toorn +wat te bekoelen en daartoe den koning zijn laffe luiheid voor de +voeten te werpen. Met tranen in de oogen trad ze voor hem en zeide: +"Sire, ik kom niet tot u om wraak te eischen voor den smaad, dien +men mij heeft aangedaan, maar ik wil u slechts om de gunst bidden, +dat gij mij leert, hoe gij de vele beleedigingen verdraagt, die men +(naar ik hoor) u dagelijksch toevoegt, opdat ook ik zal leeren de +mijnen gelaten te verduren. Ik zou die bij God gaarne aan u overdoen, +daar gij die zoo goed kunt verdragen." + +De koning, die tot nu toe laksch en traag was geweest, leek uit een +droom te ontwaken. Hij wreekte zich voor de dame op de strengste +wijze over de haar aangedane beleediging en sinds dien tijd strafte +hij zoo zwaar mogelijk, ieder die het waagde, de eer van zijn kroon +aan te randen. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Dokter Alberto van Bologna maakt op bedekte wijze een dame + beschaamd, die hem voor den gek wil houden, omdat hij verliefd + op haar is._ + + +Nu Elisa zweeg, moest alleen de koningin nog vertellen, die met +vrouwelijke gratie zeide: + +Waarde jongelui: Gelijk in de lichtende avonden de sterren het sieraad +des hemels zijn en in de lente de bloemen dit in de groene velden, zoo +zijn de geestige woorden het bij lofwaardige manieren en in aangename +gesprekken. Dezen passen, zoo zij kort zijn, beter aan de vrouwen dan +aan de mannen, daar veel en lang spreken, indien dit niet noodig is, +aan de dames meer dan aan de heeren misstaat, ofschoon er thans haast +geen donna voorkomt, die een aardig woord kent of op een gezegde, +indien ze het althans begrepen heeft, weet te antwoorden: Het is een +algemeen gebrek van ons en van alle vrouwen, die thans leven. Die +deugd, welke vroeger aanwezig was in den geest der voorvaderen hebben +de nakomelingen op uiterlijken tooi overgebracht; zoo ook gelooft +zij, die op haar lichaam meer gekleurd en geschakeerd laken en met +veel strepen heeft, daardoor meer in aanzien en meer geëerd te zijn +dan andere vrouwen. En zij denkt niet, dat een ezel nog veel meer +strepen zou dragen, indien er maar iemand was, die ze hem van voren +en van achteren aan deed, noch dat zij daarom ook niet meer dan een +ezel geëerd behoeft te worden. + +Ik schaam mij dat te zeggen, daar ik niet aan anderen beken, wat ik +mij zelf verzwijg; die vrouwen zoo bont gekleed, zoo geschakeerd, +zoo gestreept, staan of als marmeren beelden stom en ongevoelig of +antwoorden niettemin, indien ze iets gevraagd wordt, zóó, dat het +beter zou geweest zijn, dat ze hadden gezwegen. Zij maken zich wijs, +dat het uit de reinheid der ziel voortkomt, wanneer dames en waardige +mannen niet met elkaar weten te praten, en aan hun stompheid hebben zij +den naam fatsoen gegeven, alsof slechts een dame fatsoenlijk zou zijn, +die alleen met haar knecht of werkvrouw of bakkersvrouw praat. Maar +indien de natuur dat gewild had, gelijk zij zich wijs maken, zou +deze dit geestig praten wel op andere wijze beletten. Het is waar, +dat hierbij als bij andere zaken in aanmerking genomen moet worden +de tijd en de plaats en de persoon met wien men spreekt. Want het +gebeurt menigmaal, dat een dame of heer gelooft met een geestig woord +een ander te doen blozen, maar zijn of haar krachten tegenover die van +een ander heeft overschat en de blos, welken hij bij anderen meende +op te wekken, bij zich zelf voelde opkomen. Opdat gij u daarvoor weet +te behoeden en bovendien, opdat men op u niet de volgende zegswijze +kan toepassen, die men gewoonlijk overal gebruikt, namelijk dat de +vrouwen in alles altijd het slechtst wegkomen, wil ik, dat gij deze +laatste vertelling van dezen dag, welke ik moet verhalen, onthoudt, +en opdat gij, die door zielenadel boven anderen uitmunt, ook door de +voortreffelijkheid van uwe manieren boven anderen toont uit te steken. + +Nog niet vele jaren geleden leefde er in Bologna een zeer groot +medicus, door een schitterenden naam bekend over de heele wereld +en die er misschien nog leeft. Hij heette Maëstro Alberto [20], +was bijna zestig jaar oud en was zoo nobel van geest, dat zoo uit +het lichaam elke natuurlijke passie al verdwenen was, hij het niet +ontweek verliefd te worden bij een feest op een zeer schoone weduwe, +volgens het zeggen van enkelen, mevrouw Malgherida de' Ghisolieri +genaamd. Zij behaagde hem zeer, alsof hij een jongeling was, welke +de liefdevlammen in zich opneemt en die 's nachts niet goed scheen +te slapen, als hij den vorigen dag niet het schoone en teedere +gelaat van zijn donna had gezien. Dit hield hij vol soms te voet en +dan weer te paard, alnaar het hem het best leek langs het huis der +dame. Tengevolge daarvan bemerkten zij en vele andere donna's de reden +waarom hij telkens voorbij kwam. Meermalen spotten zij er samen over, +dat ze een man zoo oud en wijs verliefd zagen en dachten, dat die +hartstochtelijke liefde alleen in de dwaze zielen van jongelieden kon +post vatten en standvastig kon blijven. Daarom, toen maestro Alberto +steeds voorbij bleef komen, spraken zij op een zekeren feestdag met +elkaar, toen die dame met vele andere voor de deur van haar huis zat +en zij hem van verre zagen naderen af, hem te zamen te ontvangen, +hem beleefd te behandelen en hem daarna om zijn verliefdheid voor +den mal te houden. Zoo deden zij; zij stonden allen op en na hem +te hebben uitgenoodigd, leidden zij hem op een koele binnenplaats, +waar zij de fijnste wijnen en confituren lieten komen. Eindelijk +vroegen zij hem met vele schoone en lieve woorden, of hij op die +schoone dame verliefd was, terwijl hij toch wist, dat vele knappe, +aardige en geestige jongelui ook op haar verliefd waren. De dokter, +die zich op bedekte manier zag bespotten, trok een vriendelijk gezicht +en antwoordde: Dat ik verliefd ben, mevrouw, zal geen verstandig man +verwonderen en vooral niet, dat ik u bemin, die dit waard zijt. Wanneer +aan oude heeren door de Natuur de krachten ontnomen zijn, welke men +voor de liefde noodig heeft, ontbreekt hun daarom toch niet de goede +wil, noch het besef van wat het zeggen wil verliefd te zijn, maar zij +zijn zooveel beter kenners, omdat ze zooveel meer ondervinding hebben +dan jongelui. Nu wil ik u zeggen, waarom ik, oude man, nog hoop heb, +ofschoon gij door vele jongelieden bemind wordt. + +Ik ben dikwijls bij het avondmaal geweest, waar ik de vrouwen +wolfsboonen en prei zag eten. Hoewel de prei geen goed eten is, maar +alleen de kop goed en lekker in den mond, houdt gij in het algemeen +door een verkeerden smaak geleid den kop in de hand en eet gij het +loof, dat niet alleen niet deugt, maar ook slecht smaakt. Zoo ik me +niet vergis, doet gij bij het kiezen van Uw minnaars hetzelfde. Indien +gij het niet doet, zal ik gekozen worden en de anderen zullen worden +weggeworpen. De edelvrouw schaamde zich en ook de andere dames; +zij zeide: Maëstro, gij hekelt onze bevooroordeelde denkwijze goed +en hoffelijk; Uwe liefde is mij zeer dierbaar gelijk die van een +verstandig en waardig man dit behoort te zijn en daarom kunt gij met +inachtneming van mijn eer, U elk genoegen gunnen, dat u behaagt. De +dokter stond met zijn geleide op, bedankte de dames, vertrok lachend +en nam vergenoegd afscheid. Zoo werd de vrouw, die niet vermeed iemand +te bespotten en geloofde te overwinnen, overwonnen. Gij, indien gij +wijs wilt zijn, moet daarvoor waken, dames! + +Reeds was de zon ter kim gedaald en werd het zoeler, toen de +vertellingen van de jonge dames en de drie jonge heeren ten einde +waren. Daarom zeide de koningin op innemend wijze: + +Thans, waarde gezellinnen, is er voor mij niets anders te doen op +dezen dag dan u een nieuwe koningin te geven, die wat er gebeuren +moet volgens uw oordeel, haar leven en het onze tot eerbaar vermaak +regelt, zoolang de dag nog duurt. Want wie niet te voren overlegt, +kan niet goed voor de toekomst zorgen. Opdat de nieuwe koningin +kan bedenken wat voor morgen goed is, meen ik, dat op dit uur de +volgende regeeringsdagen telkens moeten beginnen. En ter eere van +Hem, waardoor alles leeft en tot ons vermaak zal den volgenden +dag de zeer bescheiden jonge dame Filomena als koningin het bewind +voeren. Na dit gezegd te hebben, stond zij op, zette den lauwerkrans +af en overhandigde dien eerbiedig aan Filomena; zij eerst en daarna +al de anderen begroetten deze als koningin en onderwierpen zich +welwillend aan haar heerschappij. Filomena een weinig blozend van +verlegenheid, toen ze zich gekroond zag voor het bestier en zich de +woorden herinnerend kort te voren door Pampinea gesproken, vatte moed, +opdat zij niet dom zou schijnen en nam het gansche bestuur over, haar +zooeven door Pampinea geschonken. Zij stelde vast welk maal voor den +volgenden morgen en daarna moest worden gereed gemaakt en waar zij +den volgenden dag zouden verblijven en begon aldus te spreken: + +Zeer waarde gezellinnen, hoewel Pampinea meer door haar hoffelijkheid +dan door mijn verdienste mij tot uw aller koningin heeft benoemd, +ben ik daarom toch niet geneigd in de manier van ons leven u mijn +oordeel op te dringen, maar samen te rade te gaan, en opdat gij weet +wat mij goed dunkt, en gij bijgevolg naar uw welgevallen er kunt +bijvoegen of afnemen, zal ik u mijn voornemen met weinig woorden +uiteenzetten. Indien ik nu wel heb acht gegeven op de regels, waar +Pampinea zich aan hield, schijnt het mij, dat gij die even lofwaardig +als aangenaam beschouwt. Voor zoover die regels door den langen duur of +om een andere reden niet vervelend worden, wil ik ze in stand houden. + +Aangenomen dus de orde, waarmee we reeds zijn begonnen, zullen wij, +nadat we hier opstaan, ons een weinig gaan vermaken. Daar de zon +zal ondergaan, zullen wij, terwijl het frisch is, avondmalen en na +eenige gezangen en andere genoegens, zal het goed zijn om te gaan +slapen. Morgen, als we gedurende de koelte ontwaken, zullen wij ons +elders gaan vermaken. Naar elk dit verkiest en gelijk wij heden hebben +gedaan, zullen wij op het afgesproken uur gaan eten en dansen. Als +we weer opstaan, zullen we weer gaan vertellen. Het komt mij voor, +dat het grootste deel van het genoegen daarin bestaat en dat het ook +van nut is. Wat Pampinea niet kon doen, omdat zij te laat voor de +regeering was verkozen, wil ik vast stellen, namelijk binnen zekeren +duur elk verhaal te beperken en u dien aan te geven, opdat ieder +tijd hebbe om over een mooie vertelling naar een gegeven te denken, +namelijk, als 't U bevalt, dat het ook hierin gaat als bij het begin +der wereld, toen de menschen door verschillende lotgevallen bewogen +werden en het ook zullen zijn tot het einde toe en dat ook hier: +_Wat door verschillende oorzaken zich ook zal voordoen, boven alle +verwachting tot een goed einde zal voeren._ + +De dames en heeren prezen allen gelijkelijk dien regel en zeiden +dien te zullen volgen. Alleen Dioneo zeide, terwijl al de anderen +zwegen: Mevrouw, gelijk al die anderen hebben gezegd, vind ook ik, +dat de regel door u gesteld ten hoogste aangenaam en lofwaardig is, +maar ik vraag u als bijzondere genade een gunst, die mij moet worden +toegestaan, zoolang ons gezelschap bijeen zal wezen, en dat is deze: +dat ik niet aan die wet onderworpen word om een verhaal te doen op +aangegeven tijd, indien ik het niet wil, maar alleen wanneer het mij +aanstaat er een te vertellen. En opdat niemand geloove, dat ik die +gunst wil, als iemand, die geen verhalen kent, verzoek ik tot nader +order steeds de laatste te zijn. De koningin, die hem een aardig en +prettig man vond en die maar al te wel wist, dat hij dit niet vroeg +dan alleen om het gezelschap, wanneer het moe was van het spreken, +met een grappige vertelling op te vroolijken, schonk hem vriendelijk +met de toestemming der anderen dien gunst. Na te zijn opgestaan, +begaven zij zich met langzamen tred naar een beek, met rein helder +water, die van een bergje daalde in een vallei beschaduwd door vele +boomen tusschen bonte steenen en groene grassprieten. Daarna met +de schoenen uit en de bloote beenen door het water gaande begonnen +zij onder elkaar verschillende grappen te maken. Toen het uur van +het avondmaal naderde, keerden zij naar het paleis terug en aten +genoegelijk. Nadat zij de instrumenten hadden laten komen, beval de +koningin, dat een dans werd uitgevoerd en terwijl Lauretta leidde, +zong Emilia een lied met de mandoline. Lauretta vormde een dans en +regelde die, terwijl Emilia op verliefde wijze dit lied zong: + + + + Ik ben zoo verlangend naar mijn schoonen man, + Dat ik nooit aan andere liefde + Denken zal, noch ooit er hartstocht voor zal gevoelen. + Ik zie in deze, elk uur, dat ik mij spiegel, + Het goede, dat mijn ziel bevredigt, + En dat noch een nieuwe gebeurtenis, noch een oude gedachte + Mij zoo dierbaar genoegen kan ontrooven. + Welk ander voorwerp van bekoring + Zou ik dan ook ooit kunnen zien, + Dat mij nieuw verlangen stortte in het hart? + Dit heil, telkens als ik verlang + Het weer te zien tot mijn bevrediging, + Vlucht niet, maar zweeft mij dan voor + Zoo zoet om te gevoelen, dat het met geen woorden + Te zeggen is, noch ooit + Voor een sterveling te begrijpen, + Die niet van zulk een verlangen brandde. + En ik, die van uur tot uur meer ontvlam, + Hoe meer ik de oogen op hem houd gevestigd, + Des te meer geef ik mij over, gansch lever ik mij hem over, + Reeds proevend van wat hij mij heeft beloofd; + En hooger vreugd voel ik al naderen + Bij een hartstocht zooals men + Nog nooit hier gevoelde. + + + +Toen dit danslied uit was, waarop alle vroolijk hadden geantwoord, +hoewel de woorden ieder toch te denken gaven, behaagde het de koningin, +nadat eenige andere rondedansen waren gedaan en reeds een deel van +den korten nacht voorbij was, den eersten dag te eindigen. Zij beval, +nadat ze toortsen had laten aansteken, dat iedereen ging slapen. Toen +begaf zich elk naar zijn kamer en deed aldus. + + + + + + +Tweede Dag. + + _De eerste dag van de_ Decamerone _eindigt; de tweede vangt + aan, waarop onder het bewind van_ Filomena _besproken wordt, + wie door verschillende oorzaken gekweld is en boven alle + verwachting met een heugelijk einde slaagt._ + + +Reeds had de zon met zijn licht overal den nieuwen dag aangekondigd +en zongen de vogels op de groene takken lieve liederen en gaven er +aan de ooren getuigenis van, toen de donna's en de drie jongelieden +tegelijk opstonden, in de tuinen traden, waar zij de van dauw volle +grassprieten met de voeten doorwoelden, voor elkaar schoone kransen +vlochten en gedurende een lange wandeling zich vermaakten. Gelijk zij +den vorigen dag hadden gedaan, deden zij ook dezen; gedurende den tocht +aten zij en gingen zij na een kort bal rusten. Toen zij na den noen +opgestaan waren, kwamen zij aan een groene weide en zetten zich, gelijk +het de koningin behaagde, rondom haar in een kring neer. De koningin +was schoon en van zeer aangenaam uiterlijk. Zij bleef met haar krans +gekroond een oogenblik staan, zag het gansche gezelschap aan, en beval +aan Neifile, dat die een begin maken zou met de volgende vertellingen +en deze, zonder eenigen omhaal begon opgeruimd aldus te spreken: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Martellino doet of hij kreupel geworden is en of hij door den + heiligen Erich geneest. Als men zijn bedrog ontdekt, wordt + hij geslagen en gevangen genomen. Hij loopt zelfs gevaar te + worden opgehangen, maar ontkomt dit._ [21] + + +Liefste dames, het gebeurt menigmaal, dat wie er zich op toe heeft +gelegd anderen voor den mal te houden en het meest die zaken te +bespotten, die heilig zijn, zich zelf hiermee bespot ziet en dan met +schade terugkomt. Hiertoe wil ik, opdat ik aan het bevel der koningin +gehoorzaam en een begin maak met een vertelling, die van pas is, +u die verhalen van hetgeen eerst bij ongeluk en daarna boven al zijn +verwachting toch nog gelukkig, een onzer medeburgers overkwam. + +Niet lang geleden was er te Treviso een Duitscher Erich genaamd, +die arm was en lastdrager van beroep. Men dacht algemeen, dat hij +een zeer heilig en goed leven leidde. Of dit nu waar was of niet, +toen hij stierf, beweerden de Trevisanen, begonnen op het uur van +zijn dood van de hoofdkerk van Treviso, hoewel door niemand geluid, +de klokken te bommen. Dit leek ieder een wonder en zij hielden allen +daarom Erich voor een heilige. De gansche bevolking van de stad liep +naar het huis, waar zijn stoffelijk overschot lag. Ze droegen het +als het lijk van een heilige naar de hoofdkerk en namen kreupelen, +lammen en blinden en anderen, door welk soort ziekte of gebrek ook +getroffen mede, alsof die alle door het aanraken van zijn lichaam +gezond konden worden. Gedurende dit tumult en dien toeloop, kwamen er +in Treviso drie van onze medeburgers, van welke de een Stecchi, de +ander Martellino en de derde Marchese heetten, mannen, die de hoven +der groote heeren bezochten en die met het nadoen van alle andere +menschen met gelijksoortige gebaren de toeschouwers vermaakten en +daarvan leefden. Zij waren daar nog nooit geweest en toen zij alle +menschen zagen toeloopen, verwonderden zij zich er over en de reden +vernemend waarom dit gebeurde, wenschten zij dit ook te zien. Nadat +zij hun bagage in een herberg hadden neergezet, zei Marchese: Wij +zullen dien heilige gaan kijken, maar ik begrijp nog niet, hoe wij er +komen kunnen, want ik heb gehoord, dat het plein vol Duitschers en +andere soldaten is, welke de heer van dit gebied er opstelde, opdat +er geen woeling plaats heeft en bovendien is de kerk, waarvan hier +sprake is, zoo vol menschen, dat om zoo te zeggen niemand er binnen +kan komen. Daarop zeide Martellino, die verlangend was dit te zien: +Daarvoor blijf ik niet; ik zal toch wel een middel vinden om tot het +heilige lichaam door te dringen. Marchese vroeg: Hoe? Martellino +antwoordde: Dat zal ik je vertellen. Ik zal mij voordoen als een +lamme en gij zult mij aan den eenen en Stecchi aan den anderen kant +ondersteunen, alsof ik niet loopen kan en jullie zult doen of je +me daarheen wilt voeren, opdat die heilige mij geneest; er is dan +niemand, die dit ziende geen plaats maakt en ons doorlaat. Dit beviel +aan Marchese en Stecchi en zonder verwijl werd uit de herberg gegaan +en op een eenzame plaats gekomen, verwrong Martellino zoo de handen, +de vingers, de armen, de beenen en ook het geheele gelaat, dat het +vreeselijk was om te zien en ieder, die het zou aanschouwd hebben, +zou gezegd hebben, dat hij werkelijk een geheel en al verloren man en +verlamd was. Nadat Marchese en Stecchi den zoo misvormden man hadden +vastgegrepen, begaven zij zich naar de kerk, met een heel vroom en +ootmoedig gezicht en vroegen om Gods wil aan ieder, die voor hen stond, +dat hij voor hen plaats zou maken, wat ze ook licht gedaan kregen. Om +kort te gaan, iedereen was welwillend, en terwijl ze overal riepen: +maak plaats! maak plaats! kwamen zij daar, waar het lichaam van den +heiligen Erich neergezet was. Door eenige edellieden die er omheen +stonden, werd Martellino vlug opgeheven en boven het het lichaam +gehouden, opdat hij aldus de zegen van de gezondheid verwierf. + +Daar ieder nieuwsgierig was om te zien wat hem zou gebeuren, begon +Martellino na eenigen tijd in die houding gebleven te zijn, te doen +of hij een van de vingers uitstrekte en toen de hand en daarna den +arm en eindelijk rekte hij zich zoo geheel uit. Toen de menschen +dit zagen, ontstond er zoo'n tumult ter eere van den heiligen Erich, +dat men er den donder niet had kunnen hooren. Toevallig was er een +Florentijner in de buurt, die Martellino zeer goed kende, maar die +hem, daar hij zoo veranderd was, niet had herkend, en die, toen hij +hem weer normaal zag en ontdekte, begon te lachen en opeens zeide: +Heere, wat een treurig geval; wie zou niet geloofd hebben, die hem +zag komen, dat hij werkelijk verlamd was! Deze woorden hoorden eenige +Trevisanen, die terstond vroegen: Wat! Is die kerel niet lam? Waarop +de Florentijn antwoordde: Neen, God beware hem; hij is altijd recht +van lijf en leden geweest net als wij, maar hij weet beter dan wie +ook, zooals jullie hebt kunnen zien, de aardigheid te verkoopen om +zich in iedere gedaante voor te doen waarin hij dit wil. + +Toen zij dit gehoord hadden, was er niets meer noodig om hen met kracht +naar voren te doen dringen. Zij begonnen te schreeuwen: Die verrader en +bespotter van God en de heiligen moet gevat worden, die niet lam is, +maar die zich zoo voordoet en hier kwam om met onzen heilige en ons +den draak te steken! Bij deze woorden grepen zij hem, trokken hem van +de plaats waar hij was, namen hem bij de haren, scheurden hem al de +kleeren stuk en begonnen hem vuistslagen en stompen te geven; er scheen +niemand te zijn, die daar niet aan meedeed. Martellino schreeuwde: Om +Godswil genade! en verweerde zich zoo goed hij kon. Maar dit beteekende +niets, de menigte werd steeds grooter. Stecchi en Marchese zagen dit, +zeiden elkaar, dat de zaak mis liep en twijfelend aan hun eigen kracht, +beijverden zij zich niet om hem te helpen; liever schreeuwden zij +met de anderen mede, dat hij dood was, maar hadden toch plan hem in +ieder geval uit de handen van het gepeupel te halen, dat hem zeker +zou hebben gedood, indien er geen middel was geweest, dat Marchese +dadelijk aangreep. Daar de geheele gewapende macht van het gebied +buiten stond, ging Marchese zoo snel hij kon naar hem toe, die er het +bevel voerde, en zeide: Help om Gods wil! Hier is een gemeene kerel, +die mijn beurs heeft gerold met wel honderd florijnen; ik bid u, dat +u hem gevangen neemt, opdat ik het mijne terug krijg. Onmiddellijk +liepen, toen zij dit hoorden, twaalf manschappen daarheen, waar den +armen Martellino zonder kam toilet werd gemaakt en toen zij met de +grootste moeite de menigte hadden uiteengedrongen, trokken zij hem lam +gebeukt en heelemaal plat getrapt uit haar handen en voerden hem naar +het stadhuis, waarheen velen hem volgden, die zich door hem voor den +mal gehouden achtten, en dien het dus scheen, toen zij gehoord hadden, +dat hij gearresteerd was als zakkenroller, dat zij geen beter middel +hadden hem een ongeluk aan te doen en daarom allen tegelijk begonnen +te vertellen, dat hij hen allen de beurs had ontroofd. De rechter +hoorde dit. Hij was een zeer streng man en nam hen snel in afzonderlijk +verhoor. Maar Martellino antwoordde schertsend, alsof hij niets om de +arrestatie gaf. De rechter werd hierover boos, liet hem op de pijnbank +leggen en verscheidene flinke slagen geven om hem te doen bekennen, +wat die lieden beweerden en hem dan te laten ophangen. Maar toen hij +weer opstond, vroeg de rechter hem of het waar was, wat zij tegen hem +inbrachten en dat het ontkennen niets hielp. Hij zeide: Neen, ik ben +bereid de waarheid te bekennen, maar laat ieder, die mij beschuldigt +zeggen, wanneer en waar ik hem de beurs stal en ik zal u zeggen, +wat ik gedaan heb en wat niet. De rechter sprak: Mij goed, en nadat +hij er enkelen had laten roepen, zeide de een, dat het acht dagen +geleden was, dat hij hem dien had ontstolen, de ander zes, de ander +vier en enkelen zeiden op dien dag zelf. Toen Martellino dat hoorde, +hernam hij: Neen, zij liegen, dat ze zwart zien en dat ik de waarheid +spreek, daarvan kan ik u het bewijs geven, omdat ik voor het eerst +hier ben gekomen. Toen ik hier pas aankwam, ging ik tot mijn ongeluk +dit heilige lichaam bezoeken, waar ik zoo afgeranseld vandaan ben +gekomen, als gij nu ziet. En dat--wat ik zeg--waar is, kan bewezen +worden door den beambte, die de paspoorten nakijkt, door zijn boek en +door mijn waard. Daarom, indien gij bevindt, dat wat ik beweer, zoo is, +zult gij mij niet dadelijk door die schelmen laten martelen en dooden. + +Terwijl de zaken zoo stonden, zeiden Marchese en Stecchi tegen elkaar, +die gehoord hadden, dat de rechter tegen hem streng te werk ging en hem +al gepijnigd had, zeer bevreesd: Wij hebben heel verkeerd gehandeld en +hebben hem van den wal in de sloot geholpen. Derhalve gingen zij in +allerijl naar huis en toen zij hun waard gevonden hadden, vertelden +zij hem het gebeurde. Hij lachte over die geschiedenis en bracht hen +bij een zekeren Sandro Agolante, die in Treviso woonde en die zeer +in den gunst van den landsheer stond. Toen hem alles naar behooren +verteld was, verzochten de waard en zij, dat hij zich met het geval +van Martellino zou bemoeien. Sandro, na erg te hebben gelachen, ging +naar den landsheer en kreeg gedaan, dat Martellino werd ontboden; +dit gebeurde. De lieden, die naar hem toe gingen, vonden hem nog in +zijn hemd als voor den rechter en heel bang, omdat de rechter niets +tot zijn verontschuldiging wilde hooren. Daar die bovendien nogal haat +tegen de Florentijnen had, was hij geneigd om hem te laten opknoopen +en wilde hem volstrekt niet loslaten, voor hij zijns ondanks er toe +gedwongen werd. + +Toen hij voor den heer stond en alles geregeld verteld had, verzocht +hij hem als hoogste genade hem te laten weggaan, omdat, zoolang hij +niet in Florence was, het hem zou schijnen, dat hij het touw van de +galg om zijn hals had. De landsheer barstte het uit van het lachen +over het gebeurde en na aan elk der drie een kleed te hebben gegeven, +keerden zij boven hun verwachting en aan een groot gevaar ontsnapt, +gezond en wel terug naar huis. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Rinaldo d'Asti wordt beroofd, komt te Castel Guiglielmo, + wordt daar opgenomen door een weduwe en keert na schadeloos + te zijn gesteld, gezond en wel weer terug naar huis._ [22] + + +Over de lotgevallen van Martellino verteld door Neifile lachtten de +donna's uitermate en het meest onder de jongelui Filostrato, aan wien, +omdat hij bij Neifile zat, de koningin beval, dat hij het vertellen zou +vervolgen. Deze begon zonder verwijl: Schoone dames, ik heb lust u een +verhaal te doen van kerkschelmerij en liefde door elkaar. Het kan niets +anders dan nut stichten, als gij dit hebt gehoord, in het bijzonder +onder degenen, die door de onveilige landen der liefde zwerven, +bij hen, die het paternoster van San Giuliano [23] niet vele malen +hebben opgezegd, en die een goed bed, maar een slechte herberg vinden. + +Er was dan in den tijd van den markies Azzo van Ferrara, een +koopman, Rinaldo d'Asti genaamd, die voor zijn zaken naar Bologna +was gegaan. Toen hij klaar was, naar huis ging, Ferrara verliet en te +paard naar Verona reed, ontmoette hij eenige lieden, welke kooplieden +schenen, maar straatroovers waren, gemeene kerels, die een slecht +leven leidden, met welke hij zich onvoorzichtig inliet. Zij, die zagen +dat hij koopman was en meenden, dat hij geld bij zich droeg, spraken +onder elkaar af, dat zij hem bij de eerste gelegenheid de beste zouden +berooven. Opdat hij geen argwaan zou krijgen, liepen zij als bescheiden +en welopgevoede menschen en spraken met hem over eerlijke en loyale +zaken en gedroegen zich, zooveel ze maar konden en wisten, aardig en +welwillend jegens hem. Zoo rekende hij het zich tot een groot geluk +ze te hebben getroffen, daar hij slechts met een van zijn bedienden +te paard zat. Aldus pratend over het eene na het ander, gelijk dat +bij het spreken gebeurt, kwamen ze ook onder meer op de gebeden, +die de menschen tot God richten en een van de drie bandieten zei tot +Rinaldo: En gij, edelheer, wat zijt gij gewoon te bidden op reis? + +Rinaldo antwoordde hierop: Werkelijk, ik ben in die dingen een +practisch gewoon mensen, en heb weinig gebeden bij de hand; ik die op +ouderwetsche wijze zoo leef, ik laat Gods water over Gods akker loopen, +maar niettemin heb ik altijd de gewoonte gehad op reis en 's ochtends, +wanneer ik de herberg verlaat een paternoster op te zeggen en een ave +maria voor de ziel van de vader en moeder van San Giuliano en dan bid +ik God en hem, dat zij mij den volgenden dag een goede herberg geven. + +Ik ben dikwijls genoeg in groote gevaren geweest, waaraan ik alle +ontkomen ben en toch 's nachts op een goede plaats en goed beherbergd +geweest; daarom geloof ik vast, dat San Giuliano, tot wiens eere ik +bid, voor mij die genade heeft afgebeden van God. Het komt mij voor, +dat ik overdag niet goed zou kunnen voortgaan, noch bij den komenden +nacht goed aankomen, als ik 's ochtends het paternoster niet had +opgezegd. Hierop zeide degene, die hem dit had gevraagd: En hebt gij +het ook vanmorgen opgezegd? Rinaldo antwoordde: Welzeker. Daarna +zeide de bandiet tot zich zelf, die al wist wat er gebeuren zou: +Het komt je te pas, want indien er niets in den weg komt, zal je naar +mijn plan toch leelijk gelogeerd zijn en toen hernam hij: Ook ik heb +insgelijks veel gereisd en heb het toch nooit opgezegd, hoewel ik +het van velen al meermalen heb hooren aanprijzen. Toch is het mij +nog nooit gebeurd, dat ik slecht gehuisvest was en hedenavond zult +gij toevallig kunnen zien, wie een betere herberg zal hebben, gij, +die het hebt opgezegd, of ik, die het niet deed. Het is echter goed, +dat ik in plaats daarvan het "Dirupisti" of de "intemerata" of het +"Deprofundis" toepas, welke, naar een mijner grootmoeders placht te +zeggen, van zeer groote kracht zijn. + +En zoo over velerlei zaken sprekende en op hun reis voortgaande, +wachtten zij plaats en tijd voor hun boos plan af. De drie bandieten +vielen hem aan, bij Castel Guiglielmo bij de doorwaadbare, eenzame +en afgesloten plek van een stroom, toen het donker was en beroofden +hem. Zij lieten hem te voet en in zijn hemd staan en zeiden, toen ze +heengingen: Ga en zie, dat San Giuliano je vannacht een goede herberg +geeft gelijk onze heilige aan ons zal geven. Zij gingen van die plaats +weg den stroom over. + +De knecht van Rinaldo, toen hij hem zag aanvallen, deed als een +lafbek niets om hem te helpen, maar het paard gekeerd hebbende, +waarop hij zat, ging die zoo hard hij kon naar het dorp Guiglielmo +[24] en daar overnachtte hij, toen het al laat was, zonder zich over +iets te bekommeren. Rinaldo bleef in zijn hemd en barrevoets staan, +terwijl het zeer koud was en sterk sneeuwde niet wetende wat te +doen. Hij zag, dat het al nacht was. Bevend en klappertandend begon +hij rond te kijken of er ergens in de buurt een schuilplaats was, +waar hij gedurende den nacht kon blijven, opdat hij niet zou sterven +van koude. Maar hij zag niets, omdat er kort te voren oorlog was +gevoerd in de streek, waar alles was platgebrand, en voortgedreven +door de koude, richtte hij zich haastig naar Castel Guiglielmo, +hoewel hij niet wist of zijn knecht daar of elders heen gevlucht was +en dacht, als hij er maar binnen kon komen, dat God hem wel eenige +hulp zou verschaffen. Maar de donkere nacht verrastte hem op bijna +een mijl afstand van de vesting, waardoor hij er zoo laat aankwam, +dat de poorten al gesloten en de bruggen al opgehaald waren en hij +er niet binnen kon komen. Daarom dwalend en troosteloos keek hij +klagend rond, waar hij binnen kon gaan, zoodat het tenminste niet +op hem sneeuwde en gelukkig zag hij een huis op de wallen van het +kasteel, dat ietwat naar voren sprong, waaronder hij besloot tot den +dageraad te blijven. Toen hij daarheen was gegaan, vond hij onder +dien voorsprong een deur, die gesloten was, aan welker voet hij wat +stroo ontdekte. Treurig en klagend legde hij zich er op neer, keerde +zich herhaaldelijk bedroefd tot San Giuliano en zeide, dat dit niet +overeenkwam met het geloof, dat hij in hem had. Maar San Giuliano, +die op hem lette, bereidde hem zonder dralen een goede schuilplaats. + +Er was in dat slot een zeer jonge weduwe, schooner dan eenige andere +vrouw, die de markies Azzo lief had als zijn leven en die haar op dat +oogenblik onderhield. Gezegde donna woonde in dat huis onder welks +voorsprong zich Rinaldo had begeven om te overnachten. Den vorigen +dag was juist de markies daar gekomen om den nacht bij haar door te +brengen en had in haar huis stil een bed laten gereed maken en een +heerlijk avondmaal. Maar toen alles klaar was en zij niets anders +wachtte dan de komst van den markies aan het avondmaal, kwam er een +knecht aan de deur, die berichten bracht aan hem, welke hem dadelijk +dwongen te paard te stijgen. Hierdoor na te laten zeggen aan de donna, +dat zij niet zou wachten, ging hij haastig weg. Daardoor was de donna +een weinig mistroostig en niet wetende wat te doen, nam zij zich voor +in het bad te gaan gemaakt voor den markies, en dan te avondmalen en +naar bed te gaan. Ze ging dan ook in het bad. + +Nu was dit bad dicht bij den uitgang, waar de armzalige Rinaldo buiten +was, zoodat zij daarin staande het klagen en het klappertanden hoorde +van Rinaldo, dat het geklepper van een ooievaar scheen. Daarom zeide +zij na haar meid te hebben geroepen: Ga naar boven en zie over den +rand van den muur, wie er aan de voet van de deur ligt, en wat hij +er doet. De meid ging heen en daar de klaarheid van de lucht haar +te hulp kwam, zag zij hem in zijn hemd en blootsvoets daar zitten, +gelijk verteld is, en vreeselijk beven. Toen vroeg zij hem, wie +hij was. Rinaldo was zoo koud, dat hij ternauwernood kon spreken, +zeide haar hoe en waarom hij daar kwam, zoo kort hij kon en begon +haar nederig te smeeken, om indien het kon, hem daar niet van koude +te laten sterven. De meid, die medelijden met hem had, ging naar de +donna en vertelde haar alles. Ook die was barmhartig en na zich te +hebben herinnerd, waar de sleutel was van de deur, die telkens dienst +deed bij de geheime binnenkomst van den markies, zeide zij: Ga en doe +hem zachtjes open; hier is het avondmaal. Er is niemand om het op te +eten en er is plaats genoeg om hem te logeeren. De meid prees de dame +zeer om haar menschlievendheid, ging heen en opende de deur en nadat +zij hem binnen had gelaten, zei de donna hem haast bevroren ziende: Ga +bijtijds, goede man, in het bad, dat nog warm is. Hij, zonder verdere +uitnoodiging af te wachten, deed het van zelf. Toen hij door die warmte +hersteld was, scheen het hem, dat hij van den dood tot het leven was +teruggekeerd. De donna leende hem daarna kleeren van haar echtgenoot, +die kort te voren was overleden en die, toen hij ze had aangetrokken, +hem naar het lijf gemaakt schenen. Terwijl hij de verdere bevelen der +dame afwachtte, begon hij God en San Giuliano te danken, die uit zulk +een boozen nacht, gelijk hij verwachtte, hem hadden verlost en naar +het hem voorkwam, naar die goede herberg geleid. Toen de donna na +haar bad een weinig gerust had en een groot vuur had laten aanleggen +in de kamer, waarin zij kwam, vroeg zij hoe het met den goeden man was. + +Hierop antwoordde de meid: Mevrouw, hij heeft zich opnieuw gekleed, is +een knap man en schijnt zeer welgemanierd. Ga dan heen, zei de donna, +roep hem en zeg hem, dat hij hier bij het vuur komt en het avondmaal +gebruikt, want ik weet, dat hij dit nog niet heeft gedaan. Rinaldo +kwam binnen, zag de donna en daar zij hem van hoogen stand scheen, +groette hij haar eerbiedig en dankte haar voor de gunsten, die zij +hem bewees, zoo goed hij kon. Toen de donna hem goed had aangekeken +en aangehoord, scheen hij haar, wat de meid van hem gezegd had. Ze +ontving hem vriendelijk, liet hem familiaar naast haar bij het vuur +zitten en vroeg hem welk ongeluk hem daarheen had gevoerd. Rinaldo +vertelde alles geregeld achter elkaar. Zij had bij de komst van +Rinaldo's knecht in het kasteel al iets er van gehoord, zoodat zij, +wat hij vertelde, volkomen geloofde. Zij zeide hem ook, wat zij van +zijn knecht al wist en hoe hij dien allicht den volgenden morgen +kon aantreffen. Toen de tafel gedekt was begon, gelijk de donna het +wilde, Rinaldo na met haar te samen de handen te hebben gewasschen, +te eten. Hij was groot van figuur, schoon en aangenaam van gelaat, +van zeer lofwaardige en sierlijke manieren en een jonge man van +middelbaren leeftijd. De dame had er meermalen op gelet en hem +zeer geprezen en reeds, omdat de markies die daar moest komen om +te slapen, de begeerte tot bijslaap in haar had opgewekt, had zij +daar zin in. Nadat zij van tafel was opgestaan, vroeg ze haar meid, +of het die goed scheen nu de markies haar voor den mal had gehouden, +dat zij gebruik zou maken van de goede gelegenheid, haar door de +fortuin aangeboden. Daar de meid de begeerte van haar donna kende, +raadde zij haar ten sterkste aan om dit te doen. Hierop keerde zij +naar het vuur terug, waar zij Rinaldo alleen had achtergelaten, begon +hem verliefd aan te zien en zei: Zeg Rinaldo, waarom zit je zoo in +gedachten! Geloof je niet je te kunnen schadeloos stellen voor een +paard en een paar kleeren, die je hebt verloren? Troost je en wees op +je gemak, alsof je thuis waart; ik had je al eerder willen zeggen, +dat ik je al honderd maal had willen omhelzen en kussen, toen ik +je in de kleeren van mijn overleden man zag en het mij scheen, of +hij het was. Als ik niet bang was geweest, dat het je onaangenaam +zou zijn, had ik het zeker gedaan. Rinaldo, die deze woorden hoorde +en den gloed in de oogen van de donna zag, daar hij niet gek was, +zeide met geopende armen tegenover haar: Mevrouw, wanneer ik er aan +denk, dat ik altijd zal moeten zeggen, dat ik aan u het leven dank, +als ik er acht op geef, hoe gij mij hebt geholpen, zou het van mij +een schelmenstreek zijn, als ik niet geneigd was alles te doen, +wat u aangenaam is. Voldoe dus aan uw begeerte door mij te omhelzen +en te kussen, want ik zal het u meer dan gaarne doen. Meer woorden +waren hierbij niet noodig. De donna, die van liefdeverlangen brandde, +wierp zich spoedig in zijn armen en nadat zij hem wel duizend malen +verlangend had omhelsd en gekust en van hem gekust was, stonden zij +op, gingen in de slaapkamer en begaven zich dadelijk ter ruste en ten +volle en meermalen, tot het dag werd, bevredigden zij hun begeerten. + +Toen de dageraad aanbrak en zij opstonden, gaf de donna, opdat niemand +er erg in zou hebben, hem eenige vrij armelijke kleeren en vulde zijn +beurs met geld. Zij verzocht hem stilzwijgendheid en na hem eerst den +weg te hebben gewezen om in het kasteel zijn knecht te vinden, liet +zij hem door het deurtje, waar hij binnen kwam, weer uit. Hij deed, +toen het helder dag werd, of hij van verre aankwam, ging, toen de +poorten geopend waren, in het slot en vond zijn knecht. Daar, toen +hij zijn eigen kleeren uit het valies had aangedaan en op het paard +van zijn knecht wilde stijgen, werden als door een hemelsch wonder de +drie bandieten, die hem den vorigen avond beroofd hadden, wegens een +ander misdrijf, waarvoor zij kort daarop gevat waren, in het kasteel +gebracht en hij kreeg na hun bekentenis, het paard, de kleeren en het +geld terug, zoodat hij er niets bij verloor dan een paar kousebanden, +waarvan de roovers zelf niets meer wisten. Rinaldo steeg te paard, +dankte God en San Giuliano, keerde gezond en wel naar huis terug en +den volgenden dag spartelden de drie bandieten aan de galg. + + + + + + +Derde Vertelling. + + _Drie jongelieden, die hun geld op dwaze wijze hebben verkwist, + geraken in armoede. Een neef van hen, die wanhopig naar + huis terugkeert, ontmoet een abt, die de dochter blijkt te + zijn van den koning van Engeland. Na hem te hebben getrouwd, + herstelt zij voor haar ooms alle schade en brengt ze weer in + goeden doen._ [25] + + +De lotgevallen van Rinaldo d'Asti werden met bewondering door de dames +aangehoord en zijn vroomheid geprezen en God en San Giuliano door hen +gedankt, dat zij bij zijn hoogsten nood hem hulp hadden verleend. Maar +de donna (wat men ook zei van dat middel om het te verbergen) werd +niet dwaas genoemd, die de goede gelegenheid had weten te gebruiken, +welke God haar had gegeven. Terwijl men glimlachend sprak over den +goeden nacht, dien zij had doorgebracht, begon Pampinea, die naast +Filostrato zat en bedacht, dat aan haar de beurt kwam, te peinzen, +wat zij zou vertellen. Na het bevel van de koningin ving zij niet +minder flink dan blijmoedig, spoedig aldus aan te spreken: + +Waardige donna's. Hoe meer men spreekt van de lotswisselingen der +fortuin, des te meer blijft er voor wie de zaken wel wil beschouwen, +over om te bespreken en dit is niet te verwonderen, indien men +bescheiden bedenkt, dat alle dingen, die wij hoovaardig de onzen +noemen, in haar handen zijn en bijgevolg door haar naar haar verborgen +oordeel van het eene in het andere en van het andere in het een [26] +achtereenvolgens, zonder eenigen bij ons bekenden stelregel door +haar kunnen veranderd worden. Wanneer men het te goeder trouw in +alle en dezen ganschen dag aantoont en het bovendien nog in eenige +vertellingen is uiteengezet, zal het toch aan onze koningin behagen, +dat men hierover spreekt. En het zal misschien niet zonder nut zijn +voor de toehoorders, waarvoor ik een vertelling van mij aan de reeds +verhaalden zal toevoegen, welks strekking u wel zal behagen. + +Er was vroeger in onze stad een ridder, Tedaldo genaamd, die, naar +enkelen beweren, uit het geslacht der Lamberti's stamde. Anderen houden +vol, dat hij aan de Agolanti's ontsproot, daar zij misschien hun +meening meer dan op iets anders grondden op het vak, dat zijn zonen +later uitoefenden en dat de Agolanti's steeds hadden uitgeoefend en +nog uitoefenen. Maar daar latend wat hiervan waar zij, vertel ik u, +dat hij destijds een zeer rijk ridder was en dat hij drie zoons had, +van welke de eerste Lamberti, de tweede Tedaldo en de derde Agolante +heette, alle drie knappe en beminnelijke jongelieden. De oudste was +nog geen achttien jaar, toen de rijke messire Tedaldo kwam te sterven +en hun, zijn wettigen erven, al zijn roerend en onroerend goed naliet. + +Zij voelden zich zeer rijk en aan gelden en aan goederen; zij kenden +geen perken voor hun eigen welbehagen en begonnen zonder eenigen teugel +of tucht hun bezittingen te verkwisten, hielden een groot personeel, +vele en goede paarden, honden, pluimvee, ontvingen voortdurend gasten, +gaven geschenken, hielden steekspelen en leefden niet slechts gelijk +het aan edellieden betaamt, maar bovendien al naar het in hun jeugdig +brein opkwam. Het duurde dan ook niet lang of op die wijze werd de +schat hun door hun vader nagelaten minder en toen voor hun reeds +begonnen uitgaven hun inkomsten niet voldoende meer waren, verkochten +en verpandden ze hun bezittingen. Zij verkochten den eenen dag dit, +den volgenden wat anders en de armoede opende hun de oogen, welke de +rijkdom hun gesloten had gehouden. Lamberti, riep daarom de andere twee +tot zich en zeide hen hoe groot de naam van hun vader was geweest, hoe +groot de hunne en hoe groot hun rijkdom was en tot welk een armoede +zij door hun wanordelijke verkwisting gekomen waren. Hij gaf hun den +raad, voor hun ellende nog meer aan den dag kwam, met hem te samen +het weinige wat hun nog gebleven was te verkoopen, en weg te gaan en +zoo deden ze. Zonder afscheid te nemen en zonder opzien te baren, +trokken zij uit Florence en hielden zich nergens op, totdat zij in +Engeland waren. Toen huurden zij in Londen een huisje, maakten zeer +weinig vertering en leenden op woeker zonder genade. Hierbij was de +fortuin hun zoo gunstig, dat zij binnen enkele jaren een groote som +gelds overhielden. Aldus keerde de een na den ander naar Florence +terug, ze kochten hun bezittingen weer op, wisten bovendien nog meer +te koopen en kozen zich vrouwen. Daar zij nog altijd in Engeland +op woeker leenden, zonden zij tot het waarnemen van hun zaken een +jonkman, een neef van hen daarheen, die Alexander heette. Ze hadden +alle drie te Florence vergeten in welk een toestand de dwaasheid +der verkwisting hen had gebracht en begonnen, hoewel zij een familie +hadden gevormd, meer dan ooit overmatig geld te verteren. Zij hadden +het grootste crediet bij ieder koopman en van elk een groote som gelds +in handen. Het geld door Alexander gezonden hielp hen eenige jaren lang +om hun verkwistingen vol te houden. Alexander leende aan baronnen op +hun kasteel en op andere inkomsten, die er met groote winst hem goed +borg voor stonden. Terwijl de drie gebroeders rijkelijk verteerden +en het geld hun ontbrak en zij leenden, daar zij altijd vaste hoop +op Engeland hadden, brak er daar toevallig tegen de verwachting van +iedereen een oorlog uit tusschen den koning en een van zijn zoons. Het +geheele eiland raakte verdeeld, zoodat deze met den een en eene het +met den ander streed. Hierdoor waren al de kasteelen der baronnen van +Alexander verpand en alle andere inkomsten geheel onzeker. Daar men van +dag tot dag nog hoopte op vrede tusschen vader en zoon en dat bijgevolg +alles aan Alexander zou worden teruggegeven zoowel de rente als het +kapitaal en Alexander niet van het eiland vertrok, beperkten de drie +broeders, die te Florence waren hun zeer groote verteringen in niets +en borgden elken dag meer. Maar toen men na enkele jaren niets van de +gekoesterde hoop zag komen, verloren de drie gebroeders niet alleen +hun crediet, maar hun schuldeischers drongen op betaling aan en zij +werden gevangen genomen. Daar hun bezittingen niet toereikend waren +om te betalen, bleven zij voor goed in de gevangenis en hun vrouwen +en kleine kinderen zwierven van dorp tot dorp rond in schamele kleeren +en zij wisten niet beter dan dat zij eeuwige armoede te wachten hadden. + +Alexander, die in Engeland verscheidene jaren vergeefs op den vrede +gewacht had, zag dat hij niet kwam. Het scheen hem daar twijfelachtig +voor zijn levensbehoud en voor verdiensten te blijven. Hij nam +zich voor naar Italië terug te keeren en ging geheel alleen op +weg. Toen hij Brugge verliet, zag hij, dat toevallig eveneens een +witte benedictijner-abt de stad uitreed door vele monniken vergezeld +en met veel dienstpersoneel en bagage vooruit. Daarop volgden een +paar oude ridders, verwant met den koning, met welke Alexander +als met bekenden een gesprek begon en in hun gezelschap werd hij +goed ontvangen. Terwijl hij aldus met hen voorttoog, vroeg hij hun +stilletjes wie de monniken waren, die met zooveel bedienden te paard +reisden en waar zij heengingen. Hierop antwoordde een der ridders: Die +daar vooruit rijdt, is een ons verwant jonkman, die onlangs tot abt is +gekozen van een der rijkste abdijen van Engeland. En omdat hij volgens +de wetten te jong is om zulk een waardigheid te erlangen, gaan wij met +hem naar Rome om van den Heiligen Vader gedaan te krijgen, dat hij hem +wegens den jeugdigen leeftijd dispensatie verleent en hem dan in die +waardigheid bevestigt. Maar u moet daarover niet met anderen spreken. + +Daar nu de jonge abt dan eens voorop, dan weer achteraan in den stoet +reed, gelijk wij allen dit van voorname heeren elken dag zien, kwam +hij op dien tocht dicht bij Alexander, die een zeer knap man was van +figuur en gelaat en die meer dan iemand het wezen kon, welopgevoed +en aangenaam en van goede manieren was. Deze beviel hem op het eerste +gezicht buitengewoon, zooveel als ooit iemand hem behaagd had en hem +tot zich roepende, begon hij heel gezellig met hem te praten en te +vragen wie hij was, vanwaar hij kwam en waar hij heenging. Aan hem +legde Alexander vrijelijk zijn geheelen toestand bloot, voldeed aan +zijn vragen en bood zich tot elken dienst, hoe weinig het ook zijn +mocht, aan. De abt hoorde naar zijn aangenaam en geregeld gesprek en +toen hij aandachtiger zijn manieren beschouwde en er van overtuigd +werd, dat hij ondanks zijn nederig beroep, edelman moest zijn, werd +hij met hem nog meer ingenomen. Hij was vol medelijden over zijn +ongelukken, troostte hem vriendelijk en zeide hem, dat hij goeden moed +moest houden, omdat, als hij een flink man was, God hem opnieuw zou +plaatsen, vanwaar hij hem verworpen had en hooger zelfs. Hij verzocht +hem, omdat hij ook naar Toscane ging, hem gezelschap te houden, +daar de ander er insgelijks heentoog. Alexander bedankte hem voor +dien troost en zeide, dat hij gereed was tot elk verzoek van hem. + +Terwijl de abt aldus voortging en bij hem nieuwe gedachten opkwamen +door den geest van Alexander, bereikten zij na eenigen tijd een +dorp, dat niet al te rijk van herbergen was voorzien. Daar de abt +er wilde logeeren, liet Alexander hem bij een waard afstijgen, die +hem nogal toegedaan was, en liet voor hem een kamer in orde maken +in het geriefelijkste vertrek van het huis. Nu hij als het ware de +hofmeester van den abt was geworden en hij zeer practisch was, had +hij het personeel van den abt, deze hier en gene daar, onder dak +gebracht. Toen de abt het avondmaal had genuttigd en al een goed +deel van den nacht voorbij was en iedereen was gaan slapen, vroeg +Alexander, waar hij kon ter ruste gaan. Hierop antwoordde de waard: +ik weet het werkelijk niet; gij ziet, dat alles vol is en gij kunt +mij en mijn huishouden zien slapen op banken; evenwel zijn er in de +kamer van den abt een soort graankisten, waar ik u heen kan brengen +en u wat beddegoed kan geven en waarop gij op de beste manier als +het u belieft, dezen nacht kunt liggen. Hierop sprak Alexander: Hoe +zal ik in de kamer van den abt kunnen komen; gij weet, dat die zoo +klein is, dat er door haar nauwheid zelfs niet een van zijn monniken +kon liggen? Had ik dat geweten, toen de gordijnen er opgehangen +werden, dan had ik op de graankisten zijn monniken laten slapen en +mij bevonden, waar de monniken nu liggen. De waard hernam: Het is +nu eenmaal zoo en gij kunt als gij wilt, daar het best logeeren. De +abt slaapt, de voorhangen zijn dicht, ik zal u er zacht een matras +toeschuiven en gij legt u er dan ter ruste. Alexander, die zag, +dat dit kon gebeuren zonder den abt te storen, stemde er in toe en +zoo stil hij kon, ging hij er liggen. De abt, die niet sliep, maar +daarentegen hartstochtelijk aan zijn jeugdige begeerten dacht, hoorde, +dat de waard en Alexander spraken en had ook gemerkt, waar Alexander +zich had neergelegd. Hierdoor zeide hij in zichzelf zeer welgemoed: +God heeft mij het geschikte oogenblik voor mijn wenschen gezonden; +indien ik het niet aangrijp, zal het zoo per toeval in langen tijd +niet terugkeeren. Nadat de abt over alles had nagedacht om hem bij +zich te hebben en alles stil scheen in de herberg, riep hij met een +zeer zachte stem Alexander en verzocht hem zich naast hem te leggen, +die na vele weigeringen zich ontkleedde en dit deed. De abt, die +hem de hand op de borst legde, begon die niet anders te beroeren +dan de mooie meisjes het hun minnaars doen, waarover Alexander zich +zeer verwonderde en er zeer aan twijfelde of de abt niet bewogen +werd door ongeoorloofden hartstocht. De abt begreep dadelijk die +twijfel òf door argwaan, òf door een beweging, die Alexander maakte +en glimlachte en nadat hij haastig van zijn lichaam het hemd, dat +hij aanhad, had neergetrokken, nam hij de hand van Alexander die hij +op zijn borst legde en zei: Alexander, verban die dwaze gedachte +en eer zoekend kennen, wat ik je hier verberg. Toen Alexander de +hand op het lichaam van den abt had gelegd, vond hij twee gladde, +stevige en zachte borsten als van ivoor. Toen hij die gevonden had +en begrepen, dat dit een vrouw moest wezen, wilde hij zonder een +verdere uitnoodiging af te wachten en haar snel te hebben omarmd, +haar kussen en zij zeide: Hoor, voor dat gij mij nadert, wat ik je +zeggen wil. Gelijk je kunt weten ben ik een vrouw en geen man. Ik +heb als jonkvrouw mijn huis verlaten en ging naar den Paus, opdat +die mij zou uithuwelijken. Het is uw geluk of mijn ongeluk, dat, +toen ik u gisteren zag, mij de liefde ontbrandde als nooit een man +een vrouw deed. Hierom had ik besloten u boven allen tot echtgenoot +te verlangen. Zoo gij mij niet tot vrouw wilt, ga dan dadelijk hier +uit en keer op uw plaats terug. Alexander, hoewel die haar nog niet +kende, maar op het gezelschap lette, dat zij had, meende, dat zij edel +en rijk moest zijn, en zag, dat zij zeer schoon was; daarom zonder +al te lang na te denken antwoordde hij, dat, als het haar beviel, +het hem zeer aangenaam zou zijn. Zij ging daarop in het bed rechtop +zitten voor een plaat, waarop God was afgebeeld, gaf hem een ring in +de hand en huwde hem en na elkaar te hebben omhelsd met groot genoegen +van weerskanten, waren zij gelukkig zoolang de nacht duurde. Nadat +zij maatregelen hadden beraamd en orde op hun zaken hadden gesteld, +stond Alexander bij het krieken van den dag op en ging vervolgens de +kamer uit, waar hij binnen was gekomen zonder dat iemand wist, waar +hij had geslapen. Hij was bovenmatig verheugd, ging met den abt en +diens gezelschap op reis en na vele dagen kwamen zij te Rome. Daarna, +sinds zij er eenigen tijd hadden vertoefd, kwamen de abt met de twee +ridders en Alexander bij den Paus en nadat zij hem den verschuldigden +eerbied hadden betuigd, begon, de abt aldus te spreken: + +Heilige Vader, gelijk gij het beter dan iemand kunt weten, moet ieder, +die goed en fatsoenlijk wil leven zooveel mogelijk alles vermijden, +wat hem tot iets slechts zou kunnen leiden. Opdat ik, die fatsoenlijk +wil blijven, dit naar welgevallen kan doen, ben ik in het kleed, waarin +gij mij ziet, heimelijk gevlucht met het grootste deel der schatten +van den koning van Engeland, mijn vader (die mij met een oud man, +den koning van Schotland, wilde laten trouwen, terwijl ik nog een +jong meisje ben gelijk gij ziet.) Ik kwam hier, opdat Uw Heiligheid +mij zou uithuwelijken en mij daarbij hielp. Nu deed mij niet zoozeer +de leeftijd van den koning van Schotland vluchten als de vrees door +de zwakheid van mijn jeugd iets te doen, wanneer ik eenmaal met hem +getrouwd zou zijn, wat tegen de goddelijke wetten was en tegen de +eer van het koninklijk bloed van mijn vader. En terwijl ik met dit +geloof hier kwam, heeft God, die alleen het best weet, wat ieder +behoeft,--ik geloof door zijn barmhartigheid--mij dezen toegevoerd, +die het Hem behaagde, dat mijn echtgenoot zou worden. Dat is deze jonge +man, die Alexander heet en dien gij thans voor u ziet en wiens zeden +en moed een of andere groote dame waardig zijn, hoewel misschien de +adel van zijn bloed niet zoo doorluchtig is als het koninklijke van +mij. Hem heb ik genomen en hem wil ik dan ook hebben. Nooit wil ik +een ander bezitten, wat ook mijn vader of anderen er van zeggen. Nu +is de voornaamste reden, waarom ik op reis ging, vervallen, maar +het behaagt mij mijn tocht voort te zetten, zoowel om de heilige en +eerbiedwaardige plaatsen op te zoeken, van welken deze stad vol is +als om Uwe Heiligheid in persoon te aanschouwen en ook opdat het +huwelijk door Alexander en mij alleen gesloten voor God, openlijk +zal worden voltrokken in Uw tegenwoordigheid en zoodoende van alle +andere menschen. Daarom bid ik U nederig, dat, wat aan God en mij +behaagde, ook U welgevallig zal zijn en gij Uw zegen geeft, opdat +wij hiermee als met meer zekerheid omtrent de goedkeuring van hem, +wiens Stedehouder gij zijt, ter eere van God en van u kunnen leven +en eindelijk sterven. Alexander verwonderde zich er over, dat zijn +vrouw de dochter was van den koning van Engeland en was vervuld van +wonderbaarlijke, geheime vreugde maar de twee ridders verbaasden zich +nog meer en waren zoo verstoord, dat zij, als ze elders dan bij den +Paus waren geweest, Alexander en misschien ook de donna een leelijke +poets hadden gebakken. + +Anderzijds verwonderde de Paus zich zeer, zoowel over de vermomming van +de dame als over haar verkiezing tot abt, maar daar hij zag, dat men +er niets aan kon veranderen, voldeed hij aan haar bede. Eerst bracht +hij de ridders, die hij verstoord zag, tot kalmte, verzoende hen weer +met de donna en Alexander en gaf order tot wat er te doen bleef. Toen +de dag, door hem bepaald, gekomen was, liet hij in tegenwoordigheid +van alle kardinalen en van een groot aantal hooggeplaatste personen, +die waren uitgenoodigd en die waren verschenen om aanwezig te zijn +bij het prachtige feest, dat hij had laten voorbereiden, de donna +komen koninklijk getooid, die zoo schoon en bekoorlijk leek, dat zij +naar waarheid door allen werd geprezen en evenzoo Alexander prachtig +uitgedost, in uiterlijk en manieren heelemaal niet een jongeling, +die op woeker had geleend, maar veeleer een prins van koninklijken +bloede en door de twee ridders zeer geëerd. Daarop liet de Paus opnieuw +plechtig het huwelijk vieren en na een schoone en weelderige bruiloft, +liet hij ze gaan met zijn zegen. + +Het stond Alexander en ook de donna aan van Rome vertrekkend naar +Florence te reizen, waar reeds de faam het nieuws had verbreid. Daar +liet de donna, door de burgers met de hoogste eer ontvangen, de drie +gebroeders bevrijden, nadat ze eerst iedereen had laten betalen en aan +hen en hunne vrouwen hun bezittingen teruggaf. Alexander en zijn vrouw +vertrokken onder de toejuichingen van allen en voerden Agolante met +zich mede en te Parijs gekomen, werden zij met eerbewijzen door den +koning verwelkomd. Vervolgens gingen de twee ridders naar Engeland en +onderhandelden zoo met den koning, dat hij hun genade schonk en met +een zeer groot feest haar en zijn schoonzoon ontving, dien hij met +de grootste plechtigheid tot ridder sloeg en wien hij het graafschap +Cornwales schonk. Alexander was zoo bekwaam en wist zoo te handelen, +dat hij den zoon met den vader verzoende, waaruit veel goeds voor +het eiland volgde en waardoor hij de liefde verwierf en de gunst +van alle bewoners. En Agolante moet ook weer alles ontvangen hebben, +wat men hem schuldig was en kwam weer buitengewoon rijk te Florence, +nadat graaf Alexander hem eerst tot ridder had verheven. + +De graaf leefde sinds dien tijd roemrijk met zijn vrouw en volgens +het zeggen van enkelen veroverde hij door zijn verstand en moed en +met de hulp van zijn schoonvader daarna Schotland en werd daar tot +koning gekroond. + + + + + +Vierde Vertelling. + + + _Landolfo Ruffolo wordt arm, en daarna zeeroover. Door de + Genueesen gevangen genomen lijdt hij schipbreuk en redt zich + op een kist vol kostbare juweelen. Hij wordt op Corfoe door + een vrouw opgenomen en keert rijk naar huis terug._ + + +Laurette zat naast Pampinea en toen zij die tot het roemvol einde van +haar vertelling gekomen zag, begon zij zonder langer te wachten aldus +te spreken: Zeer genadige donna's. Geen daad kan naar mijn oordeel u +meer er een van de fortuin blijken dan iemand van de diepste ellende +tot koninklijken rang zich te zien verheffen gelijk de vertelling van +Pampinea aantoonde, dat Alexander overkomen is. En opdat, wat van de +voorgestelde stof ook in het vervolg gezegd wordt, zal overeenstemmen +met hetgeen ik nu van dezelfde strekking verhaal, zal ik mij niet +weerhouden u een historie te vertellen, die, hoewel zij de grootste +ellende inhoudt, echter niet zulk een schitterenden uitslag heeft. Ik +weet wel, als ik daar op let, dat die met minder aandacht zal worden +aangehoord, maar omdat ik niet anders kan, zal het mij worden vergeven. + +Men houdt den zeekant van Reggio tot Gaeta voor het liefelijkste deel +van Italië. Hier bevindt zich in de nabijheid van Salerno een kust, +die op de zee uitziet, welke de bewoners la Costa d'Amalfi noemen, +vol kleine steden, tuinen en beken, bewoond door de rijkste en +ondernemendste kooplieden. Onder gezegde steden is er een Ravello +[27] genaamd, waar, zoo er heden al rijke lieden wonen, destijds een +zeer rijke leefde, Landolfo Ruffolo. Daar hij niet genoeg had aan +zijn geld en verlangde dit te verdubbelen, liep hij gevaar alles te +verliezen met zijn leven er bij. Hij dan, gelijk dat gewoonte is bij +kooplieden, na een plan te hebben gemaakt, kocht een zeer groot schip, +bevrachtte het voor zijn rekening met verschillende koopwaren en ging +hiermee naar Cyprus. Na hier te zijn aangekomen, vond hij hier met +hetzelfde soort koopwaren, die hij had aangebracht, andere schepen, +zoodat hij niet alleen heel goedkoop moest verkoopen wat hij had +meegebracht, maar als hij ze kwijt wou raken, ze moest wegsmijten, +zoodat hij hierover de wanhoop nabij was. Hij had hiervan zeer veel +verdriet, niet wetend wat te doen, nu hij zag, dat hij van een zeer +rijk man in korten tijd arm was geworden en hij dacht er over òf +te sterven òf door roof zijn schade te herstellen, opdat hij, waar +hij rijk vandaan was gekomen, niet arm zou terugkeeren. Toen hij een +kooper voor zijn groot schip gevonden had, kocht hij met dit geld en +met het andere, wat hij voor zijn koopwaar had ontvangen, een licht +scheepje om te kapen en voorzag dit met al wat hiertoe noodig was, +rustte het uitstekend uit en begon op alles jacht te maken, vooral +op de Turken. Bij de kaapvaart was de fortuin hem zeer gunstig, die +'t hem niet was geweest in den handel. Misschien in één jaar roofde en +nam hij zooveel schepen van de Turken, dat hij niet alleen herkregen +had, wat hij in den handel had verloren, maar hij had het meer dan +verdubbeld. Toen hij van de eerste smart van het verlies hersteld was +en wist, dat hij genoeg had, nam hij zich voor er geen tweede keer +in te loopen en dat, wat hij nu had, hem genoeg zou zijn. Hij besloot +naar huis terug te keeren en beangst voor den handel, wilde hij zijn +geld niet meer in koopwaar omzetten, maar stak met het scheepje, +waarmee hij het had gewonnen, in zee. + +Toen hij reeds in den Archipel was, verhief zich 's avonds een storm, +die niet slechts tegen zijn koers in ging, maar die de zee zeer ruw +maakte, wat zijn scheepje niet goed kon verduren, zoodat hij in een +zeeboezem, welken een klein eiland gevormd had, voor dien wind beschut, +zijn toevlucht nam en zich voornam beter weer af te wachten. Hij +was hier pas kort, toen er twee galjoenen van Genueezen ankerden, +die van Constantinopel kwamen om hetzelfde weer als Landolfo te +ontvluchten en met moeite er in slaagden. De manschappen hiervan, die +het scheepje zagen en hem den weg hadden afgesloten om te vertrekken, +hoorden, wie hij was en daar zij al bij gerucht wisten, dat hij zeer +rijk was, besloten zij, gelijk natuurlijk is bij menschen begeerig +naar geld en roofziek, het te bemachtigen. Toen zij een deel van hun +volk met den voetboog en wel gewapend hadden aan land gezet, lieten +zij een gedeelte er van naderen, zoodat niemand van het scheepje, +als hij niet wilde doorboord worden, er uit kon komen. De anderen, +die booten hadden laten zakken, naderden, begunstigd door de zee, het +vaartuig van Landolfo en met weinig moeite hadden ze in korten tijd het +heele scheepsvolk zonder een man te verliezen in handen. Zij brachten +Landolfo op een van hun galjoenen, namen alles van zijn scheepje weg, +deden dat zinken en lieten hem slechts een armzalig wambuis. + +Toen den volgenden dag de wind gekeerd was, zeilden de galjoenen naar +het westen en dien geheelen dag was hun reis gunstig, maar tegen den +avond stak er een storm op, die hooge zeeën voortjoeg en de twee +schepen van elkaar scheidde. Door de kracht van den wind stootte +het schip, waarop de ellendige en arme Landolfo zich bevond, met +een vreeselijken schok op de hoogte van het eiland Cefalonia op een +zandbank en op dezelfde wijze als een glas tegen een muur geslagen, +barstte het geheel uiteen. De arme schipbreukelingen, die er zich op +bevonden, begonnen, terwijl de zee vol drijvende koopwaren was en vol +kisten en planken, gelijk dat gewoonlijk geschiedt en terwijl de nacht +zeer donker was en de zee dreigend en hol, te zwemmen, voor zoover +dat mogelijk was en zich vast te klampen aan de voorwerpen, die bij +toeval vóór hen dreven. Onder hen was ook de ellendige Landolfo, +die nog den vorigen dag herhaaldelijk den dood had aangeroepen, +dien hij verkozen had, liever dan dat men hem arm naar huis zag +terugkeeren. Maar hij was toch bevreesd, nu hij dien onder de oogen +zag. Toen hem ook een plank in handen kwam, ging hij daaraan hangen, +opdat misschien God hem het verdrinken zou besparen en hem hulp zou +zenden tot zijn redding. Schrijlings hield hij zich, zoo goed hij +kon, hieraan vast door de zee en de wind dan hier en dan daarheen +geslingerd, tot het dag werd. Toen rondziende, ontwaarde hij niets +dan lucht en water en een kist, die op de golven dreef, welke hem +telkens tot zijn grooten schrik naderde, daar hij vreesde, dat die +hem zou stooten, zoodat hij zou verdrinken. Iederen keer als die hem +nabij kwam, verwijderde hij die, zooveel hij kon, hoewel hij weinig +kracht over had, met de hand. Maar terwijl dat gebeurde, kwam er uit +de lucht opeens een windstoot los en gaf de zee aan de kist zoo'n +schok en aan de plank, waarop Landolfo zat, dat hij omgesmeten onder +water raakte en zwemmend boven kwam meer door vrees dan door kracht +en zich ver van de plank verwijderd zag. In angst die niet te kunnen +bereiken, naderde hij de kist, die vrij dichtbij was en met de borst +aan het deksel geleund, stuurde hij haar zoo goed hij kon met de armen +vooruit. Op die manier door de zee dan hier, dan daarheen geslingerd, +zonder te eten, omdat hij niets had, en meer drinkend dan hem lief was, +en zonder iets anders dan water te zien, bleef hij den geheelen dag +en bij den invallenden nacht in dien toestand. Den volgenden dag, +òf naar Gods wil, òf doordat de kracht van den wind het deed, en +terwijl hij haast een spons was geworden, en de zijden van de kist +met de beide handen stevig vasthield (gelijk we het drenkelingen +zien doen, als ze iets beet pakken), kwam hij aan de kust van het +eiland Corfoe, waar een arm vrouwtje toevallig haar potten met zand +en zeewater waschte en schoon maakte. Toen zij hem zag naderen en +niet wist, wat het was, twijfelde zij en liep schreeuwend weg. Hij +kon niet spreken en niets zien, maar daar de zee hem toch naar den +vasten wal voerde, werd de vorm van de kist voor de vrouw duidelijk +en daarna scherper oplettend en kijkend, ontwaarde zij eerst de armen +om de kist uitgestrekt. Vervolgens ontdekte zij het menschengezicht en +begreep wel, wat dat had te beduiden. Daarom bewogen door medelijden, +ging zij een eind het water in, dat al stil was, trok hem bij de haren +met de heele kist aan land en maakte met moeite zijn handen daarvan +los. Terwijl zij de kist op het hoofd van een harer dochters laadde, +die bij haar was, droeg zij hem als een klein kind op het land, bracht +hem in een badkamer en wreef en waschte hem zoo met warm water, dat de +verloren warmte in hem terugkeerde en een deel der verdwenen krachten. + +Toen het tijd scheen, liet zij hem uit de badkamer gaan en versterkte +hem met goeden wijn en beschuit en op een goeden dag had hij welhaast +zijn krachten herwonnen en wist, waar hij zich bevond. Derhalve achtte +de goede vrouw zich verplicht hem de kist terug te geven, die zij +had gered en hem te zeggen, dat hij voortaan zijn geluk verder te +zoeken had en zoo deed zij. Hij herinnerde zich niets van een kist, +maar nam die toch aan gelijk de brave vrouw hem die gaf, denkend, +dat die zoo weinig waard was, dat hij er geen dag vertering van zou +kunnen betalen. Daar hij die zeer licht vond, ontbrak hem haast +alle hoop. Niettemin, toen zij niet thuis was, brak hij die open +om te zien, wat zich daarin bevond en werd daarin vele gezette en +losse, kostbare steenen gewaar. Hij zag, dat ze van groote waarde +waren en dankte God, dat die hem niet geheel had verlaten en kwam +geheel op streek. Maar daar hij in korten tijd tweemaal wreed door +de fortuin was bedrogen en hij voor den derden keer bang was, dacht +hij er over na zeer voorzichtig te werk te gaan om die zaken naar +huis te krijgen. Na ze daarom zoo goed hij kon in oude lompen te +hebben gewikkeld, zeide hij tot de brave vrouw, dat hij de kist niet +meer noodig had, maar dat zij hem daarvoor een zak zou geven, en dat +zij die mocht behouden. De goede vrouw deed dit volgaarne en nadat +hij haar zooveel mogelijk bedankt had voor de hem bewezen weldaad, +deed hij zijn zak om den hals, vertrok vandaar en besteeg een bark, +ging naar Brindisi en vervolgens langs de kust tot Trani, waar hij +eenige lakenhandelaars vond, die zijn medeburgers waren en bij wien +hij uit barmhartigheid ontvangen werd, daar zij al zijn ongelukken +al hadden hooren verhalen behalve van de kist. Bovendien leenden zij +hem een paard en gaven hem geleide om hem naar Ravello te vergezellen, +waarheen hij wilde terugkeeren. Toen hij daarna in veiligheid scheen, +dankte hij God, dat die hem hierheen had gevoerd, opende zijn bundeltje +en onderzocht nauwkeuriger alles, wat hij eerst niet had gedaan. Hij +bevond, dat hij zoovele en dure steenen bezat, dat, als hij ze tegen +schappelijken prijs verkocht en nog minder, hij dubbel zoo rijk zou +wezen als toen hij vertrok. Nadat hij den weg gevonden had om zijn +steenen te verkoopen, zond hij naar Corfoe een flinke hoeveelheid +geld als loon voor de bewezen dienst aan de brave vrouw, die hem uit +de zee had gesleept en zoo ook behandelde hij te Trani hen, die hem +hadden geholpen. Het overige behield hij zonder opnieuw handel te +drijven en leefde er braaf van tot aan zijn stervensuur. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Andreuccio van Perugia gaat naar Napels om paarden te + koopen. In een nacht heeft hij drie ongelukken, waaraan hij + echter weer ontkomt. Hij gaat met een robijn weer naar huis._ + + +De steenen gevonden door Landolfo, begon Fiametta, aan welke de beurt +van verhalen kwam, hebben mij een vertelling in de gedachte geroepen, +niet minder vol gevaren dan die door Lauretta medegedeeld, maar in +zoover daarvan verschillend, dat gene in meerdere jaren, maar deze, +gelijk gij hier hooren zult, in één nacht plaats vond. + +Er was--naar hetgeen ik vroeger gehoord heb--in Perugia een jongeling, +die Andreuccio di Pietro heette, een paardenkoopman, die, nadat hij +gehoord had, dat er te Napels goedkoope beesten te krijgen waren, +honderdvijftig goudguldens in zijn beurs stak. Hij was vroeger nog +nooit van huis geweest en ging daar nu met andere kooplieden heen. Toen +hij er op een Zondagavond bij den vesper was binnen gekomen en bij den +waard inlichtingen had gewonnen, was hij den volgenden morgen op de +markt, zag er zeer vele paarden die hem bevielen en hij onderhandelde +wel daarover maar kon over geen enkel tot een accoord komen. Als blijk, +dat hij er kwam om te koopen, was hij zoo onnoozel en onvoorzichtig, +dat hij meermalen ten aanschouwe van ieder, die er kwam en ging, zijn +beurs met florijnen te voorschijn haalde. Terwijl hij zoo onderhandelde +en zijn beurs had vertoond, ging een zeer schoon Siciliaansch meisje +voorbij, maar gereed voor een geringen prijs aan elk man ter wille te +zijn, zonder dat hij haar opmerkte. Zij zag zijn beurs en zei dadelijk +in zich zelf: Wat zou mij beter te pas komen dan dat dit geld aan mij +kwam? en ging verder. Bij het meisje bevond zich een oude vrouw, ook +een Siciliaansche, die, toen zij Andreuccio zag, het meisje vooruit +liet gaan en hartelijk toeliep om hem te omhelzen. Het meisje zag dit +en zonder iets te laten blijken, bleef zij op een hoek op haar wachten. + +Andreuccio keerde zich naar de oude, herkende haar, en betuigde +haar hierover zijn genoegen. Zij beloofde hem te komen opzoeken +in zijn herberg en zonder veel woorden meer te verspillen vertrok +zij. Andreuccio keerde zich om tot onderhandelen maar kocht dien morgen +niets. Het meisje, dat eerst zijn beurs en daarna de familiariteit van +haar oude met hem had gezien, begon om te beproeven of er een middel +kon gevonden worden dit geld geheel of ten deele te bemachtigen, +voorzichtig te vragen wie hij was en vanwaar, wat hij daar deed en +hoe hij haar kende. Hierop vertelde zij haar al de bijzonderheden +omtrent Andreuccio, gelijk hij zelf haar die met weinige woorden +verhaald had, want zij had lang met zijn vader op Sicilië en daarna +in Perugia geleefd en zij meldde haar ook, waar hij logeerde en met +welk doel hij gekomen was. Het meisje, geheel op de hoogte zoowel +van zijn familie als van hun namen, maakte hierop het plan door +een sluw bedrog aan haar begeerte te voldoen. Tehuis gekomen, gaf +zij de oude den geheelen dag werk, zoodat zij Andreuccio niet zou +kunnen ontmoeten en koos een meisje uit, dat tot het verrichten van +zulke diensten goed was uitgestudeerd om dien avond naar de herberg +te gaan, waar Andreuccio verblijf hield. Zij kwam daar en ontmoette +bij toeval hem aan de deur en vroeg hem naar zijn naam, waarop die +antwoordde, dat hij zelf de bedoelde persoon was. Zij sprak, na hem +ter zijde te hebben gevoerd: Signor, een voorname donna van deze stad +wil u, wanneer u dit behaagt, gaarne spreken. Toen hij dit hoorde, +was hij daar geheel van vervuld en daar hij zichzelf een knap man +toescheen, meende hij, dat die dame op hem verliefd moest wezen, +omdat hij dacht, dat er geen ander schoon jonkman dan hij toen in +Napels was, en antwoordde haastig, dat hij zou komen. Hij vroeg, waar +en wanneer die dame hem wilde spreken. Het dienstmeisje antwoordde: +Heer, wanneer het u bevalt; zij wacht u tehuis. Andreuccio hernam +zonder zich in de herberg bekend te maken: Ga dan nu vooruit, ik +zal na je komen. Toen leidde het meisje hem tot haar woning, die +in een straat stond Malpertugio (kwaad hol) genaamd, waar al blijkt +uit den naam zelf, hoe netjes het er was. Maar hij, die niets wist +noch vermoedde, verbeeldde zich, dat hij naar een fatsoenlijke buurt +ging en naar een lieve dame en trad onbezorgd met het meisje voorop, +het huis binnen. Hij vloog de trappen op, terwijl het meisje reeds +haar meesteres geroepen had en die zeide: Hier is Andreuccio! Hij zag +haar op den hoek boven aan de trap staan, waar ze hem afwachtte. Zij +was nog zeer jong, groot van persoon en met een zeer schoon gelaat, +voornaam gekleed en getooid. Toen Andreuccio haar naderde, ging zij +hem met geopende armen drie treden tegemoet, omhelsde hem, en stond +zoo eenigen tijd zonder een woord te spreken als door overvloedige +teederheid belemmerd. Daarop kustte zij hem weenend het voorhoofd +en zeide met haast gebroken stem: O, mijn Andreuccio, gij zijt +welkom. Hij, verwonderd over die zoo teere liefkozingen, antwoordde +verbaasd: Mevrouw, het doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Daarna +leidde zij hem bij de hand naar boven naar de zaal en trad van deze +zonder een woord te spreken in haar kamer, welke geheel doorgeurd was +van rozen, oranjebloesems en andere bloemen. Daar zag hij een prachtig +bed met gordijnen en vele gewaden op rekken naar de gewoonte aldaar en +andere fraaie en rijke sieraden. Als jonge man geloofde hij hierdoor, +dat zij zeker een groote dame moest zijn. Zij zetten zich te samen +op een kist aan den voet van haar bed en zij begon aldus tot hem te +spreken: Andreuccio, ik ben er zeker van, dat gij u verwondert zoowel +over de liefkozingen, die ik u schenk als over mijn tranen, daar gij +mij niet kent en bij toeval nooit over mij hebt hooren spreken; maar +gij zult spoedig iets vernemen, wat u misschien nog meer zal verbazen, +namelijk, dat ik uw zuster ben. En ik zeg u, dat nu God mij zooveel +genade heeft geschonken, dat ik voor mijn dood één van mijn broeders +heb aanschouwd (hoewel ik verlangde ze allen te zien), ik op dit uur +tevreden zal sterven. Indien gij dit wellicht nooit hebt gehoord, +zal ik het u verklaren. Pietro, mijn vader en de uwe, naar ik geloof, +dat gij hebt kunnen weten, woonde lang in Palermo en door zijn goedheid +en vriendelijkheid was hij er en is er nog door hen, die hem kenden, +zeer bemind. Maar onder de anderen, die veel van hem hielden, was +mijn moeder, die edelvrouw was en destijds weduwe, degene, die het +meest van hem hield, zoodat zij ter zijde gesteld hebbend de vrees +voor haar vader en broeder en haar eer, zoo met hem samen leefde, dat +ik er uit geboren werd en daardoor ben ik, die gij hier ziet. Sinds +er een reden kwam voor Pietro om uit Palermo te vertrekken en naar +Perugia terug te keeren, liet hij mij als klein kind met mijn moeder +achter, en nooit, voor zoover ik gewaar werd, dacht hij meer aan mij +of haar. Hierover zou ik, als het mijn vader niet was geweest, hem +groote verwijten doen, wanneer ik let op zijn ondankbaarheid jegens +mijn moeder (ik laat daar de liefde, die hij mij als zijn dochter, +niet afkomstig van een dienstmaagd of een vrouw uit het volk, had +moeten toedragen) welke gelijkelijk het hare en zich zelf, zonder +overigens te weten wie hij was, door de trouwste liefde bewogen, in +zijn handen stelde. Maar wat! De slechte dingen, die lang geleden zijn, +zijn gemakkelijker af te keuren dan te herstellen. Maar zoo stond het +dan toch er mee. Hij liet mij als klein kind in Palermo achter, waar, +toen ik opgroeide tot wat ik nu ben, mijn moeder als rijke donna, +mij ten huwelijk gaf aan een der Gergenti's, een goed edelman, die +uit liefde voor mijn moeder en mij in Palermo bleef wonen. Daar hij +zeer guelfisch [28] gezind was, liet hij zich in tot onderhandelen met +onzen koning Karel, die, toen koning Frederik dat bespeurde, voordat +het gevolg kon hebben, daarom de vlucht nam naar Sicilië, waar ik +verwachtte de eerste edelvrouw te worden, die er ooit op dat eiland +was. Vandaar vluchtten zij naar dit land, de weinige zaken medenemend, +die wij medenemen konden (ik zeg weinigen met betrekking tot de velen, +die wij hadden) en lieten de landgoederen en de paleizen achter. Daar +vonden wij koning Karel, die zoo goed voor ons was, dat hij ten deele +onze schade, voor hem geleden, herstelde en er ons bezittingen en +huizen gaf. En nog geeft hij altijd aan mijn man, die uw zwager is, +een goed inkomen, gelijk gij nog kunt zien. En zoo ben ik hier als +gij mij vindt, dank zij God en niet u, lieve broeder. Hierna omhelsde +zij hem opnieuw en kuste hem nog teeder weenend op het voorhoofd. + +Toen Andreuccio haar dat fabeltje, zoo netjes en goed in elkaar +gezet, hoorde vertellen, die nooit bleef haperen, nooit stotterde +en toen hij zich herinnerde, dat zijn vader werkelijk in Palermo +geweest was en daar hij zelf als jongeling de neigingen kende der +jongelieden, die de jeugd lief hebben en toen hij de teedere tranen +zag en de omhelzingen en de eerzame kussen, geloofde hij, dat dit +meer dan waar was. Nadat zij zweeg, antwoordde hij haar: Mevrouw, +het zal u niet verrassen, dat ik mij verwonder, omdat òf mijn vader, +die wel wist waarom hij het deed, nooit van uw moeder en van u sprak, +òf indien hij er wel van sprak, dit niet ter mijner kennis is gekomen +en ik niets van u wist, alsof gij niet op de wereld bestond. Het is mij +echter des te aangenamer hier een zuster te hebben gevonden, omdat ik +hier alleen ben en dit niet had gehoopt en inderdaad ken ik geen man +van hoe hoogen rang ook, aan wien gij niet dierbaar zoudt zijn zoo +goed als aan mij, die maar een klein koopman ben. Maar met een zaak, +bid ik u, doet gij mij een groot genoegen: Hoe wist gij, dat ik hier +was? Hierop antwoordde zij: Een arme vrouw liet het mij van ochtend +weten, die dikwijls hier komt, omdat zij met onzen vader (naar wat zij +mij vertelt) lang zoowel in Palermo als in Perugia leefde en wanneer +het mij niet fatsoenlijker had geschenen, dat gij in mijn huis kwaamt +dan ik bij u in dat van anderen, was ik al lang bij u gekomen. + +Daarna begon zij hem nauwkeurig en met name naar al zijn verwanten +te vragen, waarop Andreuccio antwoord gaf en geloofde daardoor nog +meer, wat hij moest wantrouwen. Daar het praten lang had geduurd en +de hitte groot was, liet zij grieksche wijn komen en confituren en +gaf aan Andreuccio te drinken, die hierop wilde vertrekken, omdat het +het uur was voor het avondmaal. Zij liet dit niet toe, maar deed of +ze heel kwaad werd en zeide hem omhelzend: O wee mij! Ik zie al te +wel, hoe weinig ik je waard ben! Wat moet men er van denken, dat je +met één zuster bent, die je nog nooit zaagt en in haar huis, waar je, +als je daar komt, wilt weggaan en naar de herberg vertrekken om daar te +avondmalen! Werkelijk, ge moet bij mij blijven soupeeren en hoewel mijn +man er niet is, wat mij zeer spijt, zal ik u toch als vrouw wel goed +weten te ontvangen. Andreuccio, niet wetend wat er op te antwoorden, +zeide: Ik houd van u als zuster zooveel als het moet, maar als ik +niet ga, zal ik den geheelen avond ten eten worden verwacht en ik zal +onbeleefd zijn. Daarop zeide zij: God zij geloofd, dat ik nog hier +wel iemand heb om te berichten, dat men u niet moet afwachten. Het +zou nog hoffelijker van u zijn en uw plicht, om aan uw metgezellen te +laten weten, dat zij hier zouden komen om te avondmalen, en dan, als +gij toch wilt weggaan, zoudt gij allen met elkaar kunnen vertrekken. + +Wat mijn metgezellen betreft, sprak Andreuccio, die verlang ik vanavond +niet hier, maar als je bepaald wilt, dat ik hier blijf eten, dan zal ik +dit gaarne doen. Zij deed, alsof ze in zijn herberg liet berichten, dat +men op hem met het eten niet zou wachten. Toen zij na nog veel gebabbel +aan tafel waren gezeten en zij met een overvloed van gerechten bediend +werden, rekte zij slim het maal zoolang, dat het al duister werd en +nadat zij opgestaan waren van de tafel en Andreuccio van haar vandaan +wilde gaan, sprak de juffrouw, dat zij dit volstrekt niet veroorloofde, +omdat Napels geen stad was, waar men bij nacht kan loopen en vooral +geen vreemdeling. Zij gaf voor evenzoo in de herberg te doen weten, +dat hij bleef slapen. Andreuccio, die dit al geloofde en zich daarmee +verblijdde, hoewel hij door lichtvaardig vertrouwen bedrogen was, +dat hij bij zijn zuster vertoefde, bleef daar ook. Hun gesprek, hun +gekeuvel duurde zeer lang na den eten en niet zonder reden en toen +de nacht al voor een groot deel verstreken was, liet zij Andreuccio +in zijn kamer om te gaan slapen met een klein jongske om hem naar +believen te helpen, als hij iets begeerde: aldus begaf zij zich ook +met de andere vrouwen, die zij bij haar had, naar een ander vertrek. Nu +was het in dien tijd van het jaar zeer heet, zoodat Andreuccio ziende, +dat hij daar alleen gebleven was, zich haastig van zijn wambuis ontdeed +en ook zijn broek uittrok, die hij aan het hoofdeinde van zijn bed +lei. Daar gevoelde hij den nooddrang der natuur om het overvloedig +gewicht van zijn buik te verminderen en vroeg daarom den jongen naar +het geheime gemak, die hem een deur wees in een van de hoeken der +kamer, zeggende, dat hij daar binnen zou treden. Zonder argwaan ging +Andreuccio daar binnen, waar hij per ongeluk zijn voet op een plank +zette, die los op een balk lag aan het eene einde, zoodat de plank met +het andere einde omhoog wipte en hij daarmee van boven neerviel. Maar +God bewaarde hem, dat hij zich bij het vallen niet meteen kwetste, +hoewel hij van een tamelijke hoogte neerkwam. Toch werd hij overal +vuil van de uitwerpselen, waar die plek vol van was. Hoe die plaats +was, zal ik beschrijven, opdat gij hetgeen ik verteld heb en wat er +nog te zeggen valt, goed zult begrijpen. Daar waren in een smalle en +kleine ruimte, zooals men dikwijls tusschen de huizen ziet, enkele +planken geplaatst op twee balken, die van het eene huis naar het +andere gelegd waren en die tot zitplaats boven die geul als privaat +dienden. Andreuccio was met een dier planken neergetuimeld. Hij bevond +zich plotseling in de straatgeul en was verstoord door dit onvoorziene +ongeval en riep den jongen toe. Zoodra de knaap hem had hooren vallen, +ging die het zeggen aan zijn meesteres. Zij liep naar zijn kamer, +zocht of zijn kleeren er waren, vond die daar en ook het geld, dat +hij wantrouwend, altijd dwaas bij zich droeg. Daartoe had zij haar +netten uitgezet. Daartoe had zij--van Palermo afkomstig--geveinsd +een der dochteren van Perugia te zijn. Derhalve bekommerde zij zich +verder niet over Andreuccio, maar sloot vlug de deur, waar hij uit +was gegaan, toen hij van boven neerviel. Andreuccio merkend, dat de +jongen hem geen antwoord gaf, ging door met nog veel harder te roepen, +maar het was voor een doovemansdeur. Toen begon hij kwaad te vermoeden +en al te laat het bedrog te bemerken en klom op een kleinen muur, +die het uitzicht op de straat in de geul belette. + +Toen hij daaruit naar buiten was gesprongen, zocht hij op de straat +naar de deur van het huis en riep daarvoor langen tijd vergeefs en +stommelde en stootte er tegen. Toen hij hierover klagend zijn ongeluk +gewaar werd, begon hij te roepen: O wee, in hoe weinig tijd heb ik +honderdvijftig florijnen en een zusje verloren! En na vele andere +woorden begon hij opnieuw op de deur te slaan en te schreeuwen en hij +deed dit zoo hard, dat de omwonende buren, die dit rumoer niet konden +verdragen, van hun bed opstonden. Daar was ook een der dienstmaagden +van de juffrouw, die met nogal slaperig voorkomen naar het venster +kwam en kwaad tot hem zei: Wie ben jij, die daar beneden klopt? Och, +sprak Andreuccio, kent u mij niet, ik ben Andreuccio, de broer van uw +juffrouw Fiordaliso. Hebt gij, vriendlief, wat te veel gedronken? Ga +dan maar goed slapen en kom morgen weer terug; ik weet van geen +Andreuccio en weet ook niet wat voor dwaasheden gij vertelt. Ga +hier dus in 's hemels naam weg en laat ons asjeblieft stilletjes +slapen. Wat? sprak Andreuccio, weet u dan niet, wat of ik zeg? Zeker +weet je dat! Is de familie van Sicilië van zulk een soort, dat men die +in zoo korten tijd vergeet, geef me dan tenminste mijn kleeren terug, +die ik hier heb gelaten en ik zal met God weggaan. Daarop zeide zij +lachend: Me dunkt, vriendje, je droomt. Met dit antwoord ging zij +naar binnen en sloot het venster. Andreuccio reeds zeker van zijn +schade werd tegelijk door verdriet en toorn haast razend en nam zich +voor met geweld te bemachtigen, hetgeen hij niet door goede woorden +wist te verkrijgen. Daarom nam hij een steen en begon met veel luider +slagen dan te voren weer aan de deur te kloppen. De buren, die van te +voren ontwaakt en van hun bed opgestaan waren, hoorden dit gedaver en +dachten, dat hij een of andere rustverstoorder was, die zoo sprak om +deze goede dame te kwellen; boos door het groote spektakel, dat hij +maakte, staken zij daarom hun hoofden uit de ramen en begonnen alle +tegelijk te schreeuwen net als de honden op straat blaffen achter den +staart van een vreemde hond, die daar loopt: het is een schandaal +op dit uur zoo aan de deur te komen van fatsoenlijke vrouwen en +die dwaasheden toe te roepen, ga dus in 's hemelsnaam hier vandaan, +goeie man en laat ons slapen asjeblieft. Als u met haar iets hebt +uit te staan, kom dan morgen terug en hinder ons zoo niet den heelen +nacht. Door die woorden vatte wellicht een knecht van de juffrouw +moed, dien Andreuccio daar binnenshuis noch gezien noch gehoord had +en die uit het venster kwam en met een ruwe, vreeselijke en barsche +stem zeide: Wie is daar beneden? Door die klank hief Andreuccio het +hoofd op en zag daar een man, welke, naar Andreuccio kon merken, +een groote vechtersbaas scheen te zijn, met een ruigen, zwaren baard +om zijn mond en die geeuwend en gapend zijn oogen wreef of hij van +bed was gekomen uit een zwaren slaap. Hem antwoordde Andreuccio niet +zonder angst: Ik ben de broeder van de juffrouw van dit huis. Maar +die hoorde zijn woorden niet tot het einde aan en sprak hem nog +veel barscher toe dan hij de eerste maal had gedaan, zeggende: Ik +weet niet waarom ik mij laat weerhouden beneden te komen en je met +een eind hout zoo te laten rondspringen, dat je je niet meer kunt +verroeren, daar je hier vannacht niemand laat slapen, stomme ezel +en dronkelap, die je bent. Hierbij trok hij het hoofd naar binnen +en sloot het venster. Sommige van de buren, die den aard van dien +man wel kenden, spraken goedig tot Andreuccio: In 's hemels naam, +vriend, maak bijtijds, dat je weg komt en laat je niet doorsteken, +ga veilig weg zooals men je zegt; dat is het beste. Andreuccio, +ontsteld van de stem van dien man en van zijn gezicht en bewogen door +den raad der buren, die (gelijk hij meende) te goeder trouw spraken, +ging als de treurigste man ter wereld en om zijn verlies wanhopig +weg. Hij begaf zich naar die wijk, waar hij daags te voren het meisje +gevolgd was en zonder goed den weg te weten, om naar de herberg terug +te keeren. Bovendien was hij nog boos, omdat hij zoo leelijk rook, +en begeerde hij aan den zeekant te geraken om zich te wasschen. Hij +verdwaalde aan den linkerkant en liep door de Catalonische straat +opwaarts. Zoo het hoogste deel der stad bereikend, ontmoette hij +toevallig twee mannen, die hem tegen kwamen met een lantaarn in de +hand. Daar hij vreesde, dat het de wacht of anders kwaad volk mocht +zijn, verborg hij zich om ze te ontwijken in een oud vervallen huis, +dat hij daar in de nabijheid vond. Maar daar gingen ook deze lieden +op af als met opzet, waar de een, die ijzeren gereedschappen op den +schouder droeg, met den ander begon rond te kijken en over allerlei +dingen daartusschen door spraken zij. Hierbij zeide een van hen: +Wat beteekent dat? Ik ruik de leelijkste lucht, die ik ooit van mijn +leven bespeurd heb. Bij die woorden hief hij den lantaarn omhoog en +zag den ongelukkigen Andreuccio, zoodat zij verwonderd vroegen: Wie +is daar? Andreuccio sprak geen woord. Maar zij naderden hem met het +licht en vroegen hem, wat hij, zoo smerig, daar deed. Toen vertelde +Andreuccio hun van het begin af aan, wat er met hem gebeurd was. Zij +vermoedden op den gis af, waar hem dit ongeluk gebeurd kon wezen, +en zeiden met nadruk: Dat kan zeker nergens anders geweest zijn, +dan bij Scarabon, den brandstichter. Daarom keerden zij zich tot +Andreuccio en zeiden hem: Als dat zoo is, vriend, dat jij je geld +hebt verloren, dan mag je God nog danken voor het geluk van boven +neer te zijn gevallen en dat je niet meer in dat huis mocht komen, +want je kunt er van op aan, dat ze je daar vermoord hadden, zoodra je +in slaap zoudt zijn gevallen en je zoudt dan je leven met je geld zijn +kwijt geraakt. Maar wat helpt je al dat schreeuwen! Je zoudt eerder +de sterren van den hemel kunnen halen dan een cent van je geld uit +hun handen. Ja, je zoudt nog doodgestoken worden, zoodra die kerel +hoorde, dat je er nog altijd over sprak. Hierna fluisterden zij een +poosje te samen en spraken hem daarop weer toe. Hoor vriend, we hebben +medelijden met je en als je in ons gezelschap wilt wezen om iets te +doen, wat wij ons hebben voorgenomen, meenen wij er haast zeker van +te zijn, dat jou veel meer ten deel zal vallen dan de waarde van wat +je verloren hebt. Andreuccio in volslagen wanhoop, antwoordde, dat hij +daartoe bereid was. Nu was dienzelfden dag de aartsbisschop van Napels +begraven, Monseigneur Philippus Minutolo, in een rijk gewaad en met een +robijn aan zijn vinger, die meer dan vijfhonderd goudguldens waard was, +welken die twee zich hadden voorgenomen te gaan berooven. Zij gaven +dit aan Andreuccio te kennen. Deze, meer begeerig dan bedachtzaam, +begaf zich met hen op weg. Toen zij nu naar de groote kerk gingen en +Andreuccio vreeselijk rook, sprak een van hen: Zouden wij geen middel +kunnen vinden, opdat deze man zich ergens kan wasschen en dat hij niet +zoo gruwelijk ruikt? Best, zei de ander, we zijn hier dicht bij een +put. Daar is gewoonlijk een strik in met een grooten emmer. Laat ons +daarheen gaan, wij zullen hem flink afspoelen. Daar gekomen vonden +zij wel het touw, maar de emmer was er afgenomen. Zij overlegden om +hem in den put te laten zinken, opdat hij zich zelf daar zou wasschen +en als hij schoon was, zou hij aan het touw schudden, opdat zij hem +dan terstond weer zouden optrekken. Zij hebben hem zoo daarin laten +zakken. Maar het toeval wilde, dat, zoodra hij beneden in de put was, +eenige mannen van de wacht naar de put liepen om te drinken, zoowel +omdat het zeer warm was als omdat zij iemand nagezeten hadden en +dorstig werden. Zoodra dit tweetal de wacht zag, gingen zij haastig op +de vlucht. De mannen van de wacht bemerkten hen niet, maar Andreuccio, +die beneden in de put gereinigd was, begon het touw te schudden. Boven +om den put stonden de wachters, die hun schilden, hun wapens en hun +mantels afgelegd hadden en het touw optrokken. Zij meenden, dat er een +emmer vol water aan hing. Toen Andreuccio merkte, dat hij de opening +van de put naderde, liet hij het touw los en sloeg zijn handen op +den kant; de anderen, die dit zagen, schrikten er zoo geweldig van, +dat zij uit angst het touw lieten schieten en zoo hard als ze konden, +weg liepen. Hierover verbaasde Andreuccio zich zeer, welke, indien +hij zich niet stevig had vastgehouden, weer ruggelings op den bodem +van den put was gevallen en dat niet zonder groote verwonding of den +dood. Maar toen hij desondanks er uit gekomen was en er de wapens +vond liggen, die hij wel wist, dat zijn metgezellen daar niet hadden +heengebracht, begon hij zich nog meer te verwonderen. In dien angst +niet wetend wat dat beteekende, beklaagde hij zich over zijn ongeluk +en besloot daar vandaan te gaan zonder een van die voorwerpen aan +te roeren. Zoo liep hij er weg zonder te weten waarheen en kwam zijn +twee kameraden tegemoet, die zich terug begaven om hem uit den put te +trekken. Toen zij hem zagen, waren ze toch zeer verwonderd en vroegen +hem wie of hem daaruit had getrokken. Andreuccio antwoordde, dat hij er +eigenlijk niets van af wist en verhaalde geregeld achter elkaar, hoe +het in zijn werk ging en ook wat hij rondom den put had gevonden. De +anderen hoorden toe en vertelden hem lachend, waarom zij daar vandaan +gevlucht waren en wat voor lui hem daaruit hadden getrokken. Zij +gingen, toen het middernacht was, zonder verdere afspraak naar de +groote kerk. Zij kwamen daar zonder moeite binnen en gingen naar +het graf, een marmeren, buitengewoon groote tombe. Ondanks haar +geweldige zwaarte werd zij door hen met hun ijzers en gereedschappen +zoo hoog geheven, dat een man er in kon komen en stutten zij den steen +op die wijze van onderen. Toen dit gebeurd was, sprak een van hen: +Wie zal er nu in gaan? De ander zei daarop: Ik niet. En ik evenmin, +hernam de eerste, maar laat Andreuccio er in afdalen. Ik zal het ook +niet doen, sprak Andreuccio. Toen keerden zij zich beide tot deze en +zeiden: Hoe dat? Ga je er niet in? Daal je er niet in af, bij God, +dan zullen wij jou met deze ijzeren bouten zooveel slagen op je kop +geven, dat we je er in laten doodvallen. Andreuccio was bang, dat +zij doen zouden, waarmee zij dreigden en dacht onder het afdalen bij +zich zelf: die twee laten mij hier in gaan om mij te bedriegen. Want +als ik hun alles gegeven zal hebben, zullen zij er mee gaan strijken +en hun kans waarnemen, terwijl ik bezig ben er uit te komen. Zoo zou +ik hier blijven zonder iets te behouden. Daarom nam hij zich voor, +eerst voor zich zelf te zorgen, voordat hij er uit geholpen zou +zijn en denkend aan den prachtigen ring, waarvan hij hen had hooren +spreken, heeft hij die, zoodra hij daar beneden was, van de hand van +den Aartsbisschop getrokken en aan de zijne gestoken. Daarna nam hij +den staf, den mijter, en de handschoenen en toen hij hem tot op het +hemd beroofd had, reikte hij alles aan zijn metgezellen toe en zei, +dat er niets meer te vinden was. Die beweerden toen, dat de ring +er bepaald moest wezen en zeiden, dat hij overal goed moest zoeken, +maar hij antwoordde, dat hij dien niet vond, deed zich voor, alsof +hij zocht en liet hen een beetje wachten. Maar zij, die van hun kant +net zoo sluw waren als hij, hielden nog altijd vol, dat hij goed zou +kijken en namen, toen het hun goed dacht, de stutten weg, die de zerk +over de tombe omhoog hielden. Zij vluchtten daarop heen en lieten den +armen Andreuccio daaronder opgesloten. Iedereen kan licht begrijpen, +hoe het Andreuccio te moede werd, toen hij dit zag. Hij beproefde +herhaaldelijk met het hoofd en de schouders om de zerk op te beuren, +maar zijn moeite was tevergeefs. Tengevolge daarvan werd hij door +de grootste droefheid overmand en viel op het doode lichaam van den +Aartsbisschop in zwijm, zoodat, indien op dat oogenblik iemand beide +had gezien, deze zeer moeilijk had kunnen weten wie van hun tweeën het +meest dood was, de Aartsbisschop of Andreuccio. Toen hij weer tot zich +zelf was gekomen, begon hij hierbij bitter te schreien, daar hij zag, +dat hij zeker moest sterven, wat er bij twee mogelijkheden ook mocht +gebeuren: omkomen van honger en van den stank onder de wormen van +het lijk, zoo niemand hem daaruit verloste, of ongetwijfeld als een +kerkroover opgehangen worden, indien er al enkele menschen zouden +komen, die hem daar vonden. Met zulke gedachten en zeer treurig, +hoorde hij lieden langs de kerk gaan en spreken, die daar, gelijk +hij dacht, heen kwamen om hetzelfde te doen, wat hij nu al met zijn +metgezellen had verricht, waardoor zijn angst nog vermeerderde. Die +kwamen naar de tombe, openden deze en zetten die op stutten, maar +zij begonnen het er over oneens te worden wie van hen naar beneden +zou gaan, wat niemand doen wilde. Ten slotte, na een langen twist, +zeide een hunner, een pater: Waarom zijn jullie bang? Vrees je, dat +hij je op zal eten? De dooden eten nooit menschen, daarom zal ik er +nu in afdalen. Toen hij dit gezegd had, hield hij zijn borst tegen +den kant van het graf, stak zijn hoofd naar buiten en liet de beenen +er in zakken om er in af te dalen. + +Andreuccio, die zich al opgericht had, zag dit, en greep den dief +bij een van zijn beenen en deed net, alsof hij hem naar onderen +wou trekken. De ander werd dit gewaar, gaf een vreeselijken gil en +slingerde zich zelf snel op den kant van het graf omhoog. De anderen +daardoor hevig ontzet, lieten het graf open staan en vluchtten, +alsof hun honderdduizend duivels tegelijk op de hielen zaten. Toen +Andreuccio dit merkte, werd hij boven verwachting verheugd; hij +sprong op den rand van het graf en liep de kerk uit den weg langs, +dien hij gekomen was. Toen de dageraad nu al rees, is hij al dolende +met den ring aan de hand toevallig aan de haven gekomen en daarna aan +zijn herberg. Daar ontwaarde hij zijn gezelschap en den kastelein, +die allen dien nacht zeer bezorgd over hem geweest waren. Nadat hij +verteld had, wat hem overkomen was, scheen het hem op raad van den +herbergier het best meteen uit Napels te vertrekken, wat hij haastig +deed. Hij kwam weer te Perugia, nadat hij dus zijn geld met een ring +had verwisseld, waar hij was heengegaan om paarden te koopen. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Madonna Beritola wordt op een eiland gevonden met twee + geitjes, nadat zij haar twee zoons heeft verloren. Zij gaat + naar Lunigiana, waar een van haar zoons bij haar huisheer in + dienst trad en met de dochter van hem samen gevonden wordt + en in de gevangenis wordt gezet. Bij den opstand van Sicilië + tegen koning Karel, als de moeder haar zoon herkent, huwt hij + de dochter van zijn heer en nadat zijn broeder is weergevonden, + komen zij alle drie weer tot groot aanzien._ + + +De dames en ook de jongelieden hadden erg gelachen om de lotgevallen +van Andreuccio, door Fiammetta verhaald, toen Emilia bemerkend, dat +de geschiedenis ten einde was, op bevel der koningin aldus begon: +Ernstig en droevig zijn de verschillende wisselingen der Fortuin, naar +welke, omdat telkens als men er over spreekt, onze hoofden ontwaken, +die lichtelijk door zijn listen inslapen, ik meen, dat het luisteren +nooit nadeel kan doen noch aan de gelukkigen, noch aan de ongelukkigen +voor zoover het de eersten verstandig maakt en de tweeden troost. En +daarom, hoewel er al belangrijke dingen hiervoor verteld zijn, wil ik +u een niet minder ware dan treurige historie verhalen, die, hoewel ze +een blijmoedig einde had, zoo groot en lang was van smartelijkheid, +dat ik nauwelijk geloof, dat deze ooit zal worden verzacht door de +vreugde, die volgde. + +Liefste donna's, gij weet, dat na den dood van Keizer Frederik +den Tweeden er in Sicilië een Koning was gekroond, die Manfredi +heette. Bij deze bevond zich in groot aanzien en hooge waardigheid een +napolitaansch edelman Arrighetto Capece; [29] deze had tot echtgenoote +een schoone en edele vrouw, Beritola Caracciola, ook afkomstig uit +Napels. Deze Arrighetto had het bewind over het gemelde Koninkrijk +Sicilië. Toen hij vernomen had, dat Karel de Eerste den slag bij +Beneventum gewonnen en Koning Manfredi verslagen had, zag hij, +dat het Rijk oproerig was en hij durfde niet vast vertrouwen op +de ongewisse wankelmoedigheid der Sicilianen. Om niet de onderdaan +des vijands van zijn Heer te worden, maakte hij zich gereed tot de +vlucht. Maar de Sicilianen vernamen dit en leverden hem terstond met +verscheidene andere vrienden en dienaren van Koning Manfredi over +aan Koning Karel, wien zij ook dadelijk het bezit van het eiland +in handen stelden. Madame Beritola wist bij deze groote omkeering +met dat al niet, waar haar man heen was gegaan en bleef steeds +bezorgd om hetgeen er gebeurd was. Daarom verliet zij uit vrees +voor geweld en schennis harer eer al hare goederen en begaf zich +scheep op een kleine bark met haar zoontje Giusfredi, ongeveer acht +jaar oud en vluchtte zoo arm en nog van een ander zoontje zwanger, +naar Lipari, waar zij het knaapje baarde, dat zij Scacciato, (den +Verjaagden) noemde. Daar nam zij een voedster aan en ging met haar +twee kinderen en de voedster in een klein scheepje om terug te keeren +naar Napels bij haar verwanten. Maar het ging haar anders dan zij +had verwacht. Want het scheepje, dat naar Napels zou zeilen, werd +gedreven door een sterken tegenwind naar het eiland Ponzo, [30] waar +zij in een kleinen zeeboezem landden en moesten wachten om hun reis +voort te zetten. Madame Beritola betrad evenals de anderen het eiland, +waar zij een eenzame plaats vond ver uit den weg, en zij alleen zijnde +om haar man begon te treuren en zijn ongeluk te beklagen Terwijl zij +dit dagelijks deed, kwam in haar droefheid, zonder dat de schipper +of iemand anders het bemerkte, er toevallig een galei met zeeroovers, +die het andere zeevolk zonder slag of stoot gevangen namen en dadelijk +wegvoeren. Toen Madame Beritola haar dagelijksche klachten eindigde, +keerde zij weer naar het zeestrand terug om bij haar kinderen te +komen, gelijk zij dat gewoon was. Maar toen zij daar niemand vond, +verwonderde zij zich sterk. Zij vreesde voor wat er gebeurd kon zijn +en richtte haar blikken in zee, waar zij de galei zag, die nog niet +ver van land was en het kleine scheepje voortsleepte. + +Klaar besefte zij, dat zij nu haar kinderen verloren had gelijk haar +man en dat zij zich daar arm, alleen en verlaten bevond zonder eenige +hoop te hebben ooit weer een van hen te zullen terug zien. Zij begon +jammerlijk om haar man en haar kinderen te roepen en viel in onmacht +op het strand neer. Er was niemand, die haar met koud water of met +eenig ander middel bijstond om haar weer tot zich zelf te brengen, +zoodat haar geesteskrachten konden gaan, waar ze wilden. Maar toen de +verdwenen krachten weer met tranen en klachten in haar ellendig lichaam +terug keerden, begon zij langen tijd om haar kinderen te roepen, die +zij lang in alle holen liep te zoeken. Ten laatste echter ziende, +dat alle moeite tevergeefs was, dat de nacht daalde en hopende en +niet wetend waarom, ging zij op zich zelf letten. Zij verliet daarom +het strand en keerde terug naar hetzelfde hol, waar zij gewoon was +te weenen en te treuren. + +Toen nu de nacht met ondenkbare angst en droefheid was doorgeleden, de +dag gekomen en het al negen uur was, is zij daar ze den vorigen avond +niet gegeten had van honger kruiden gaan nemen; daarmede verzadigde +zij haar maag zoo goed ze kon en vroeg zich weenend met allerlei +gedachten hoe het toch met haar gaan zou. Nu zag zij een reegeit komen, +die daar in de buurt in een hol ging, een poosje daarna er weer uit +kwam en het bosch in liep. Zij stond op en begaf zich daarheen, waar +zij het beest uit had zien komen en vond daar twee jonge geitjes, +die misschien dienzelfden dag geworpen waren. Die schenen zeer lief +en aardig in haar oogen. En daar haar zog nog niet op was, heeft zij +die zachtjes opgenomen en aan haar borsten gelegd. Deze weigerden +die weldaad niet en zogen bij haar, alsof het hun moeder geweest was, +zoodat zij van af dat oogenblik geen onderscheid meer kenden tusschen +haar geitenmoeder en Madame Beritola. Daardoor scheen het deze edele +vrouw, dat zij een soort gezelschap in de eenzaamheid had gevonden, +en zij leefde op kruiden, dronk water en weende zoo dikwijls zij +aan haar man, haar kinderen en haar vroeger leven dacht. Zoo was zij +bereid aldaar te moeten leven en sterven, en door dit verblijf werd +zij gemeenzaam met de moeder en met de jonge geitjes. In dien toestand +werd de edele vrouw geheel verwilderd. Een paar maanden later kwam +daar toevallig een ander scheepje met eenige Pisaners aan, dat daar +enkele dagen bleef liggen. Daarop bevond zich ook een edelman Currado +(Coenraad) genaamd, Markgraaf van Malespina, die zijn echtgenoote bij +zich had, een deugdzame, heilige vrouw. Zij kwamen te samen van een +bedevaart uit de provincie Pulia, waar zij al de heilige plaatsen +bezocht hadden, eer zij huiswaarts togen. Deze ging op een goeden +dag om zich te ontspannen met zijn huisvrouw, een deel van zijn +bedienden en met zijn honden langs dit eiland wandelen en kwam nabij +de plaats, waar Madame Beritola zich bevond. De honden begonnen de +twee geiten te volgen, die nu al wat grooter geworden, daar gingen +grazen. Deze opgejaagd door die dieren vluchtten maar naar het hol, +waar Madame Beritola was. Zij zag dat en sprong dadelijk op, greep een +stok en joeg de honden weg. Zoo kwamen daar ook Messire Currado met +zijn huisvrouw, die hun honden volgden. Zij verwonderden zich zeer, +toen zij die dame zagen, die nu al bruin en mager was geworden met +verwilderde haren en zij was niet minder verbaasd over deze lieden. + +Maar toen de edelman naar haar verlangen zijn honden tot zich had +geroepen, gaf zij na lang vragen toe met te zeggen wie zij was en +wat zij daar deed en verklaarde hun toen haar toestand, haar ongeluk +en haar beslist voornemen. De edelman, die haar man zeer goed had +gekend, hoorde dit alles aan en begon uit medelijden te schreien en +deed zijn best met zachte woorden haar af te brengen van zulk een +wreed plan. Hij beloofde haar weer in haar eigen huis te brengen of +haar bij zich thuis te onderhouden in zulk een aanzien, alsof zij zijn +eigen zuster was. Daar zou zij mogen blijven tot God haar meer geluk +zou schenken. Toen zij deze schoone aanbieding niet wilde aannemen, +heeft Messire Currado zijn huisvrouw tot haar laten gaan met den last +haar aldaar eten te doen brengen en ook haar met eenige van haar +kleeren uit het schip te voorzien, daar die van Madame Beritola al +versleten waren, maar bovenal beval hij zijn ega aan al het mogelijke +te doen haar mee te brengen. Die goede vrouw bleef daar bij haar, +weende met haar bitter over haar ongeluk en liet haar kleeren en +spijzen brengen en bracht haar met de grootste moeite van de wereld +zoover, dat zij ten laatste nog in het eten daarvan bewilligde. Daar +Madame Beritola beslist zeide nooit te willen komen op de plaats, +waar zij bekend was, haalde zij na veel bidden die over, dat zij mede +zou reizen tot Lunigiana met de twee geitjes en de moeder, die daar +bij gekomen groote vriendschap bewees aan Madame Beritola en dat niet +zonder groote verbazing van de edelvrouw. Toen het goed weer werd, is +Madame Beritola met Messire Currado en zijn echtgenoote scheep gegaan +en nam de geit met de twee jongen mede. Daar de anderen haar naam +niet kenden, werd zij de Cavriuola (geitenmoeder) genoemd. Zij zeilden +met den wind voor snel tot in den mond van de rivier Magra [31]. Daar +zijn zij aan land gegaan in hun kasteel, waar Madame Beritola bij de +echtgenoote van Messire Currado bleef wonen in weduw-kleeren als een +van haar juffrouwen eerbaar, ootmoedig en gehoorzaam. Zij behield +altijd groote liefde voor haar geitjes, die zij daar deed opvoeden. + +De zeeroovers, die het scheepje bemachtigd hadden te Ponzo, waarmede +Madame Beritola daar was aangekomen en die haar, omdat ze haar niet +hadden opgemerkt, daar achterlieten, kwamen met de anderen, die zij +hadden weggevoerd te Genua. Daar deelden de hoofden van de galei den +buit onderling en is onder meer bij loting de voedster der kinderen +van Madame Beritola met de twee zoontjes van deze ten deel gevallen +aan een zekeren Messire Guasparrino d'Oria. + +Deze nam de zoogster en de kinderen in zijn huis om ze als lijfeigenen +voor allerlei diensten te gebruiken. De minne was ontroostbaar over den +ongelukkigen toestand, waarin zij en de kinderen zich bevonden. Toen +zij echter bedacht, dat zij met tranen niets uitrichtte en dat zij met +hen in een en dezelfde dienstbaarheid leefde, nam zij als een wel arme, +maar verstandige en voorzichtige vrouw ten eerste het besluit zich te +troosten, zoo goed zij kon en voor het tweede overlegde zij,--omdat +zij onderzocht, wat er van de kinderen geworden was--dat het licht +schadelijk voor hen kon worden, wanneer men mocht weten, wie zij +waren. En daar zij bovendien hoopte, dat wellicht eenmaal de kans +kon keeren en de kinderen, als zij lang genoeg leefden, zich weer +tot hun vroegeren staat konden verheffen, was zij van plan niemand +te vertellen wie zij waren, eer er zich zulk een gunstige gelegenheid +voordeed. Zij gaf ze derhalve tegenover iedereen, die het vroeg, voor +haar eigen kinderen uit en noemde den oudsten knaap niet Giusfredi, +maar Gianotto di Procida. Zij achtte het niet noodig den naam van den +kleinste te veranderen; daarentegen spaarde zij geen moeite Giusfredi +(Godfried) begrijpelijk te maken, waarom zij hem een anderen naam +had gegeven en hoe gevaarlijk het voor hem kon worden, wanneer hij +herkend zou worden; zij herinnerde hem daaraan niet slechts eens maar +zeer dikwijls. De knaap, wien het niet aan doorzicht ontbrak, richtte +zich ook ijverig naar de aanwijzingen van zijn wijze voedster. Beide +broeders leefden diensvolgens met hun zoogster menig jaar geduldig +in het huis van Messire Guasparrino, slecht gekleed en nog slechter +geschoeid en voor allerlei nederige diensten gebruikt. Zoodra echter +Giannotto zestien was geworden en daar hij meer trots bezat dan +met zijn dienstbaren staat overeenkwam, versmaadde hij de nederige +knechtschap, ontvluchtte den dienst van Messire Guasparrino, ging +op een galei, die naar Alexandrië zeilde en reisde door vele landen +zonder echter ergens vooruit te komen. Eindelijk ongeveer vier jaar, +nadat hij van Messire Guasparrino ontvluchtte en welhaast een knappe, +groote jongeling was, hoorde hij, dat zijn vader nog leefde, dien +hij steeds dood had gewaand, maar dat Koning Karel hem gevangen en in +slavernij hield. Daar hij lang haast wanhopig aan zijn fortuin als een +vagebond had rondgezworven, kwam hij naar Lunigiana. Het toeval wilde, +dat hij bij Currado Malespina in dienst trad, dien hij zeer trouw +was en wiens sympathie hij daardoor verwierf. Ofschoon hij vaak zijn +moeder, die zich bij de echtgenoote van Currado bevond, te zien kreeg, +kende hij haar toch niet en zij ook hem niet, daar de jaren hun beide, +sedert zij elkaar het laatst hadden aanschouwd, sterk hadden veranderd. + +Gedurende den tijd, dat Giannotto bij Messire Currado in dienst was, +kwam bij toeval, een dochter van hem, Spina genaamd, de weduwe van +zekere Niccolo van Grignano weer naar haars vaders huis en liet als een +mooi, jong en vroolijk wijfje van zestien jaar hare oogen op Giannotto +rusten en hij de zijnen op haar, zoodat zij beide smoorlijk op elkaar +verliefd werden. Deze liefde bleef niet lang zonder gevolg en duurde +verscheidene maanden, voor men het merkte. Daardoor werden echter de +minnenden te zeker en begonnen hun maatregelen minder voorzichtig te +nemen dan bij zulke gelegenheden noodig was. Toen zij dan ook een dag +samen in een schoon en dicht bosch wandelden, scheidden zij zich van +het overige gezelschap en liepen er ijlings in en toen zij geloofden +de anderen ver genoeg achter gelaten te hebben, lieten zij zich op +een aanlokkelijk grasperk neer met bloemen bedekt en door boomen +verborgen en gaven zich aan de genoegens der liefde over. Daar zij +zich echter langen tijd (die hun voor hun genoegen te kort scheen) +te samen ophielden, werden zij eerst door de moeder van de jonge +vrouw en dadelijk daarop door Currado zelf verrast. + +Zeer toornig over het niet vermoedde schouwspel liet deze hen +beide (zonder te laten blijken met welk doel) door drie van zijn +bedienden binden en geboeid naar een van zijn kasteelen brengen, +want tandenknarsend van toorn en woede was hij van plan ze beide een +smadelijken dood te doen sterven. De moeder der jonge dame, die ook +zeer vertoornd op haar dochter was en geloofde, dat haar misdrijf +een zware tuchtiging verdiende, had intusschen uit eenige woorden, +die haar gemaal ontvallen waren, zijn bloeddorstige voornemens met de +beide schuldigen vermoed en kon dit niet verdragen; zij ijlde daarom +den vertoornden man na en bad hem smeekend haar ter wille niet zoo snel +het besluit te nemen op zijn leeftijd den moordenaar van zijn dochter +te worden en zijn handen te bezoedelen met het bloed van zijn knecht, +daar hij toch andere middelen kon vinden om zijn wraak uit te voeren, +wanneer hij ze in de gevangenis liet zetten en hen daar liet lijden en +hun misdaad betreuren. Met dergelijke en andere redeneeringen bracht +de brave vrouw hem er toe, dat hij zijn beslissing veranderde en in +plaats ze te laten ombrengen, beval hij ze beide op verschillende +plaatsen in te kerkeren, ze onder streng toezicht te houden, hun +spaarzaam voedsel te geven en zeer te kort te doen, tot hij anders +over hen zou vonnissen. Dit gebeurde en men kan zich voorstellen, +hoe het hun in de gevangenis te moede werd, waar voortdurend weenen +hun lot was en zij meer vasten moesten dan hun lief was. + +Terwijl nu Giannotto en donna Spina onder deze bekommeringen wachtten +en reeds een paar jaar hadden doorgebracht zonder dat Currado aan +hen dacht, zette koning Piero di Raona [32] door de medewerking van +den heer Gian di Procida [33] der Sicilianen tot opstand aan en gaf +aan koning Karel het eiland, hetwelk Currado als een echte Ghibellijn +groote vreugde veroorzaakte. Zoodra dit Giannotto door een van zijn +cipiers werd bericht, riep hij met een zucht: "O wee! Het duurt nu al +veertien jaar, dat ik mij door de wereld in ellende heb rondgesleept en +slechts op zulk een omstandigheid heb gewacht en nu, nu die werkelijk +is ingetreden, moet ik, opdat mij geen hoopvol uitzicht over blijft, +hier in de gevangenis zitten, waaruit ik nooit durf hopen levend te +voorschijn te komen." + +Hoe zoo? sprak de kerkermeester. Wat gaat het jou aan wat er tusschen +twee groote koningen gebeurt en wat hadt je dan in Sicilië te doen? + +Giannotto antwoordde: Het verscheurt mij het hart, wanneer ik bedenk, +wat eens mijn vader daar te doen had, van wien ik mij nog wel herinner, +dat hij ten tijde van koning Manfredi een aanzienlijk man was, +ofschoon ik nog een kleine knaap was, toen ik moest ontvluchten. + +Wie was dan je vader? vroeg de kerkermeester. + +Ik mag u gerust zijn naam noemen, antwoordde Giannotto, daar het +gevaar nu toch voorbij is, wat ik anders had te vreezen, wanneer +ik dien had bekend gemaakt. Hij noemde zich (en noemt zich nog, +zoo hij nog leeft) Arrighetto Capece en ik heet niet Giannotto, +maar mijn naam is Giusfredi en ik ben er zeker van, dat, wanneer +ik van hier ontvluchten en mij in Sicilië vertoonen kon, ik daar +tot groot aanzien zou komen. De goede man zonder verder te vragen, +ging, zoodra hij gelegenheid had, dit vertellen aan Currado. Toen +die dit hoorde, deed hij wel tegen den kerkermeester of hij er zich +niet aan stoorde, maar hij ging naar mevrouw Beritola en vroeg haar +vriendelijk of zij een zoon had gehad bij Arrighetto, die Giusfredi +heette. Weenend gaf de donna hem ten antwoord, dat, als de oudste +van de twee nog in leven was, die zoo heette en twee-en-twintig jaar +oud moest zijn. Na dit te hebben vernomen, meende Currado, dat die +het moest wezen en het viel hem in, zoo het aldus er mee gesteld was, +dat hij tegelijk een daad van groote barmhartigheid kon doen en diens +schande en die van zijn dochter uitwisschen door hem die tot vrouw +te geven. Hij liet daarom Giannotto in het geheim bij zich komen +en vroeg in bijzonderheden naar zijn vroeger leven. Hij vond hier +genoegzaam bewijzen, dat hij werkelijk de zoon van Arrighetto Capece +was en zeide: Giannotto gij weet, welk een beleediging gij mij in +de persoon van mijn eigen dochter hebt aangedaan, terwijl ik u goed +en vriendschappelijk behandeld heb, waarom gij, gelijk het een goed +dienaar betaamt, mijn eer en mijn voordeel altijd had moeten zoeken +en bevorderen. Velen, die in mijn plaats geweest waren, hadden om +hetgeen gij mij hebt gedaan, u een smadelijken dood laten sterven, +maar mijn lankmoedigheid duldde dit niet. Nu echter de zaken staan +gelijk gij zegt, dat gij de zoon zijt van een edelman en edelvrouw, +wil ik aan uw lijden een einde maken en u uit de ellende en de +gevangenschap verlossen, waarin gij verkeert en meteen uw eer en die +mijner dochter tot dezelfde hoogte weer verheffen. Gelijk gij weet, +is donna la Spina, die gij tot liefde bewogen hebt op een voor u en +haar onbetamelijke wijze weduwe en haar bruidschat is groot en goed; +gij weet ook hoe haar zeden zijn en wie haar vader en haar moeder; +van uw tegenwoordigen toestand spreek ik niet. + +Daarom, wanneer gij wilt, ben ik er toe bereid, dat zij, die op +oneerbare wijze uw vriendin was, uw eerbare echtgenoote wordt en zoo, +dat gij als mijn zoon bij mij en haar, wanneer u dat behaagt, blijft. + +De lange gevangenschap had wel de lichaamskrachten van Giannotto +verminderd maar de edelmoedige geest door afkomst geërfd, had die +niet in het minst verzwakt en ook niet de innige liefde, die hij voor +zijn donna had. Hoe vurig hij ook verlangde, wat Currado hem aanbood +en hoezeer hij het in zijn bereik zag, onderdrukte hij toch geenszins +wat de grootheid van zijn ziel hem gebood te zeggen en hij antwoordde: +Currado, noch eerzucht, noch hebzucht, noch eenige andere reden kon +mij bewegen tegen uw bloed of wat ook aan u behoort, als een verrader +bedrog te plegen. Ik beminde uw dochter, bemin haar nog en zal haar +steeds beminnen, omdat ik haar mijn liefde waard acht en indien ik +niet eerlijk genoeg heb gehandeld en volgens de meening van gewone +menschen een zonde deed, is dit altijd een gevolg van de jeugd en +men zou bevinden, dat, indien men die wilde vernietigen, men meteen +de jeugd zelf zou verdelgen, welke, zoo de ouderen zich herinneren +wilden jong te zijn geweest en de fouten van anderen met de hunnen +wilden vergelijken en omgekeerd, ook niet zoo ernstig zou schijnen +als u en anderen dit voorkomt. Ik heb dan ook als vriend en niet als +vijand gefaald. Wat gij aanbiedt, heb ik altijd verlangd en als ik +had geloofd, dat mij zou worden toegestaan, wat gebeurd is, had ik +het al lang gevraagd en het zal mij nu dus te aangenamer zijn, omdat +de hoop zooveel te geringer was. Indien gij niet de gezindheid hebt, +die uit uw woorden doorstraalt, voedt mij dan niet met ijdele hoop, +laat mij naar de gevangenis terugkeeren en laat mij, als het u bevalt, +daar treuren, hoewel ik, zoolang ik la Spina bemin, u als haar vader +zal liefhebben en eeren, hoe gij ook jegens mij handelen zult. + +Toen Currado dit gehoord had, verwonderde hij zich en hield hem voor +een man van een groot karakter, prees zijn liefde en achtte hem er +des te meer om. Daarom stond hij op, omhelsde en kuste hem en zonder +de zaak langer te vertragen, beval hij, dat la Spina insgelijks in +'t geheim tot hem gebracht werd. Zij was in de gevangenis bleek, +mager en zwak geworden en bijna geheel veranderd gelijk Giannotto +als man. Zij bedongen met wederzijdsch goedvinden, volgens gewoonte, +de huwelijksvoorwaarden. Nadat Currado eenige dagen lang zonder dat +iemand wist, wat er geschiedde, hun beiden alles verschaft had, wat +voor hen noodig en aangenaam was, scheen het hem tijd te zijn, ook +hun moeder te verheugen; daarom liet hij zijn vrouw en de Cavriuola +roepen en zeide tot de laatste: Wat zoudt gij wel zeggen, mevrouw, +indien ik u uw zoon weer bracht en hem u beide als de man van mijn +dochter zou voorstellen? Ik zou niet anders kunnen zeggen, antwoordde +la Cavriuola, dan dat, indien ik u nog meer verplicht kon worden, +dan ik het u reeds ben, mijn verplichting jegens u des te grooter +zou wezen als gij mij datgene zoudt teruggeven, wat mij dierbaarder +is dan mezelve. Wanneer gij mij die zoudt terugschenken, zooals gij +mij zegt, zoudt gij in mij de verloren hoop weer doen herleven. En +weenend zweeg zij. Toen zei Currado tot zijn vrouw: En hoe zou het +jou schijnen, als ik je zoo'n schoonzoon gaf? Hierop antwoordde die: +Zelfs als het geen edelman was van hun slag maar een mindere man, +zou het mij ook aanstaan, wanneer het u behaagde. Currado hernam: +Binnen kort hoop ik aldus twee vrouwen gelukkig te maken. Hij +vroeg aan de twee jongelieden, die al hun vroeger uiterlijk hadden +teruggekregen en naar hun stand gekleed waren: Hoe zou het u niet +aangenaam zijn behalve de vreugde, die gij geniet, bovendien hier +uwe moeder terug te zien? Giusfredi antwoordde: Ik geloof niet, dat +de smart over haar ongelukken haar nog in leven heeft gelaten, maar, +als dat zoo was, dan zou dit mij groote blijdschap schenken als ook, +dat ik door uw goeden raad weer een groot deel van mijn goederen in +Sicilië zou terug krijgen. Toen liet Currado daar beide dames binnen +komen. Zij ontvingen de jonge bruid zeer vriendelijk en vroegen +zich niet weinig verbaasd af, welke gedachte het geweest kon zijn, +die Currado tot zulk een welwillendheid had gevoerd, dat Giannotto +daardoor met haar was verloofd. Mevrouw Beritola, die de woorden +van Currado gehoord had, begon oplettend te kijken en een geheime +aandrift verhelderde in haar een vage herinnering aan de kinderlijke +trekken van het gelaat van haar zoon en zonder eenig verder bewijs af +te wachten vloog ze hem met open armen om den hals. De overvloeiende +teederheid en de moedervreugde beletten haar een woord te spreken; +zelfs alle bewustzijn verliet haar, zoodat ze voor dood in de armen +van haar zoon lag. Deze verwonderde er zich zeer over, nu hij zich +herinnerde, dat hij haar vele keeren te voren in hetzelfde kasteel zag +en haar echter nooit had herkend. Toch herkende hij nu het uiterlijk +van zijn moeder terstond, deed zich zelf verwijten over zijn vroeger +onoplettendheid en kuste haar teeder, terwijl hij haar in zijn armen +hield. Maar toen mevrouw Beritola, vriendelijk geholpen door donna +Currado en door la Spina zoowel met koud water als met andere middelen, +in zich zelf de verloren krachten had teruggeroepen, omhelsde zij haar +zoon onder vele tranen en met veel zoete woorden. En vol moederlijke +liefde kuste zij hem duizend maal en misschien meer en hij zag haar +vele malen eerbiedig aan en sprak haar lief toe. + +Doch nadat de eerbare en blijde omhelzingen drie of vier keer waren +herhaald niet zonder groote vreugde en welgevallen van de aanwezigen +en zij elkaar hun geschiedenis hadden verteld, zeide Giusfredi tot +Currado, die al aan zijn vrienden tot ieders genoegen de nieuwe +verbintenis door hem bekend gemaakt en het plan tot een schoon en +prachtig feest had opgevat: Currado, gij hebt mij met vele dingen +verheugd en gij hebt mijn moeder langen tijd goed ontvangen, opdat +nu in geenen deele door u wordt nagelaten wat gij kunt doen, bid ik +u, dat gij mijn moeder, mijn feestgezelschap en mij verheugen zult +door de tegenwoordigheid van mijn broeder, die in de gedaante van +een dienaar in het huis van Guasparrin d'Oria verblijf houdt, welke +mij en hem, gelijk ik u al vertelde, op reis gevangen nam. En dan: +dat ge iemand naar Sicilië zendt, die grondig navraag doet naar de +gesteldheid en den toestand van het land en er zich voor beijvert +te weten te komen, wat er van mijn vader d'Arrighetto geworden is, +of die dood is of levend en indien hij leeft in welk een toestand en +dat die bode van alles goed op de hoogte tot ons terug keert. Het +verzoek van Giusfredi stond Currado aan en zonder verwijl zond hij +zeer vertrouwde personen zoowel naar Genua als naar Sicilië. Degeen, +die naar Genua ging en messire Guasparrino vond, verzocht hem dringend +namens Currado, dat hij dien Scacciato en zijn voedster moest zenden, +en vertelde hem geregeld wat door Currado voor Giusfredi en voor +zijn moeder gedaan was. Toen de heer Guasparrino dit hoorde, was hij +zeer verwonderd en zeide: Zeker zou ik voor Currado alles doen wat +ik kon om hem genoegen te verschaffen, ik heb werkelijk al veertien +jaar den jongen man naar wien gij vraagt in huis en zijn moeder, +die ik hem gaarne wil sturen; maar zeg hem namens mij, dat hij niet +te veel aan de verzinsels hecht van dien Giannotto, die zich nu +Giusfredi laat noemen, omdat die sluwer is dan deze wel denkt. Na +die woorden liet hij den braven man onthalen, liet in 't geheim de +voedster roepen en onderzocht met haar dit feit. Toen zij van de +opstand van Sicilië had gehoord en dat Arrighetto leefde, verjoeg zij +de vrees, die zij had gekoesterd, vertelde alles achtereenvolgens +en vertrouwde hem de redenen toe, waarom zij aldus die wijze van +doen had volgehouden. Messire Guasparrino zag, dat de woorden van +de zoogster met die van den bode van Currado goed overeenstemden en +kreeg er vertrouwen in. + +Toen hij als een uitgeslapen heerschap nog op verschillende wijzen dit +had onderzocht en hij telkens meer de zaak moest gelooven, schaamde +hij zich over de vernederende behandeling van den jongen en als +vergoeding hiervoor, wetend, dat hij een Arrighetto was en bleef en +daar hij een mooi meisje had van elf jaar, gaf hij hem die met een +groote bruidschat tot vrouw. Er werd een groot feest gemaakt en hij +begaf zich met den jongen, het meisje, den bode van Currado en de +min op een welgewapende galei naar Lerici. Hij werd er door Currado +met zijn geheele geslacht ontvangen en ging naar een slot van deze, +daar niet ver vandaan, waar een groot feest was voorbereid. + +Hoe groot de vreugd der moeder was bij het terugzien van haar zoon, +die van de twee broeders en van alle drie en van de drie jegens de +trouwe voedster, hoe groot ook die van allen om messire Guasparrino en +zijn dochter en van hem om allen en van allen te samen met Currado en +zijn vrouw en zijn zoons en vrienden, kan niet uit woorden blijken; +en daarom, dames, moet ge u dit maar verbeelden. Opdat de vreugde +volledig werd, behaagde het God den Heer, den overvloedigsten gever, +wanneer Hij eenmaal begint te schenken, blijde berichten te doen +inkomen van het leven en den toestand van Arrighetto Capece. Want +toen de vreugde groot was en de gasten (dames en heeren) nog aan +tafel bij het eerste gerecht, kwam de bode terug, die naar Sicilië +gegaan was en die onder anderen van Arrighetto vertelde, dat, toen +die gevangen werd gehouden door koning Karel, op het oogenblik, dat +het oproer tegen den koning op dat eiland begon, het woedende volk +naar de gevangenis liep, de wachters doodde, hem er uit haalde en hem +als de voornaamste vijand van koning Karel tot hun kapitein maakte +en hem volgde om de Franschen te verjagen en te dooden. Hierdoor was +hij in de hoogste gunst gekomen van koning Pietro, die hem in al zijn +rijkdom en aanzien had hersteld. Vandaar dat hij weer tot hoogen rang +en grooten rijkdom was gekomen. Hij voegde er bij, dat Arrighetto hem +zeer eervol had ontvangen en onbeschrijfelijk verheugd was geweest over +zijn vrouw en zijn zoon, waarvan hij nooit voor zijn gevangenschap iets +meer had vernomen. Bovendien zond hij naar hen een jacht met eenige +edellieden, die den bode op den voet volgden. Currado met eenige +van zijn vrienden gingen de edellieden, die voor vrouwe Beritola en +Giusfredi kwamen, haastig tegemoet en hij ontving hen vriendelijk +ook aan zijn gastmaal, dat nog op het midden was, toen hij ze binnen +leidde. Daar aanschouwden de donna Giusfredi en bovendien alle anderen +hem met zulk een vreugde als nooit nog was voorgekomen. Dezen, voor +ze zich ten maaltijd zetten, groetten, bedankten, zoo goed ze konden, +namens Arrighetto Currado en zijn vrouw voor de bewezen eer en ook de +dochter en den zoon. Arrighetto bood zich met al wat hij kon tot hun +dienst aan. Toen keerden zij zich tot Messire Guasparrino, op wiens +goedheid niet gerekend was, en zeiden hem, dat zij er zeker van waren, +dat al wat hij voor Scacciato gedaan had, als Arrighetto het zou weten, +door deze met gelijke en meerdere gunsten zou worden beloond. Hierop +zetten zij zich zeer verheugd aan den disch van de twee jonggehuwden. + +En niet alleen dien dag gaf Currado een feest voor zijn schoonzoon +aan zijn andere familielieden, verwanten en vrienden, maar nog vele +andere dagen. Nadat vrouwe Beritola had uitgerust, scheen het haar +en Giusfredi en de anderen, tijd om te vertrekken en met vele tranen +namen zij, op het jacht gestegen, afscheid van Currado en zijn vrouw en +messire Guasparrino, en namen la Spina mede. Ze hadden voorspoedigen +wind, kwamen weldra in Sicilië, waar en de zoons en de donna's met +zooveel vreugde door Arrighetto werden ontvangen in Palermo, dat het +niet te beschrijven is. Men gelooft, dat zij daar langen tijd volkomen +gelukkig leefden en dat zij erkentelijk voor de ontvangen weldaad, +vrienden waren van Messire, den goeden God. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk + aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen + binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen + mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader + als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den + koning van Algarvië als bruid._ + + +Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden +van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben +doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde +het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; +daarom begon hij, die zeer volgzaam was: + +Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons +is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden +zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God +daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen +om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, +die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, +en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze +van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van +staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het +bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste +toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan +zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door +hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift +drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en +ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden +en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets +verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van +hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van +alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets +door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid +tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs +handelen, dan moeten wij ons houden aan wat Hij geeft en kan geven, +die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna's, het +meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende +dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, +in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur +geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, +staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een +Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar +daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde. + +Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon [34], die Beminedab +heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze +had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, +een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, +de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een +groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, +welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen +door den koning van Algarvië [35], had hij, toen de koning hem een +bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar +een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk +geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting +zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, +dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de +haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij +Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op +een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere +wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo +rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als +dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het +door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den +opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, +wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst +noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart +van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica [36] en voelden +het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar +ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in +zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, +wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, +die op het vaartuig waren, de een na den ander, hoewel wie het eerst er +in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen +er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij +allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door +de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, +verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, +hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet +op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven +was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm +op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was +zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand +zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den +ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het +helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die +halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, +dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, +want de geroepenen waren veel te ver weg. + +Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde +zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo +goed zij kon en zag de donna's die in haar gezelschap waren en al +de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, +maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen +dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees +van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst +uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, +niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, +en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de +mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen +en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het +was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan +wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur +van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar +een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele +van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep +wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er +op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel +de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de +adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die +zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip +verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen +zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet +verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met +gebaren hun ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed +hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen +er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging +met hen naar zijn kasteel. Toen de donna's met levensmiddelen en met +rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, +die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, +dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag +bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der +zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte +hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, +hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote +kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man +van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds +uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij +zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, +dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon +wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid +in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best +haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat +hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht +van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze +al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de +gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en +op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men +het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op +den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon's zin moest +volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te +trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie +over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve +als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun +bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid +te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand +ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen +prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen +opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij +zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij +zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, +hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van +geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, +dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te +drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee +als met een dienaar van Venus haar machtig te worden. + +Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan +de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze +van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op +dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken +vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende +gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die +er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte +meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, +alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij +eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de +Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, +nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen +het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk +de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de +donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, +alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich +in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon +stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had +uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn +armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van +haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd +berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk +wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen +van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten +nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met +woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij +dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet +tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een +kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had +een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, +die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, +scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat +hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, +hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam +hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl +de booze daad. + +Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen +met koopwaren voor Clarentza [37] in Romania, waarvan twee jonge +Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, +daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een +overeenkomst en beval, hoe door hen de donna den volgenden nacht +moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en +hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij +heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met +eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld +om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun +afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed +zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de +donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in +den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, +als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt +te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van +Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, +terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een +goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich +bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato +gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, +dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij +gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met +de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, +gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, +werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles +vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, +dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij +elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen +den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar +of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en +dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze +op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel +stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, +grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst +nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato +over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om +hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De +twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en +groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, +die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, +te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te +hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen +zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou +slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens +werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te +twisten en toen hun toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan +het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, +ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel +en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef +leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag +zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van +de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, +maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, +bevrijdden haar van het doodsgevaar. + +Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een +herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad +en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza +bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij +hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op +haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord +had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen +bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den +gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den +prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit +een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende +hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, +en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een +edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer +toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde +haar als zijn eigen vrouw. + +Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij +daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd +en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over +niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van +Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, +de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te +komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en +aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een +groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden +van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was +als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat +niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op +het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; +zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, +zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, +kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of +niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon +voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood kon gelooven, +dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, +dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn +genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig +onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den +prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, +dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele +en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op +zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen +berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was +zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde +liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen. + +Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met +een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt +hij zeer in 't geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen +vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel +gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins +gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte +geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op +te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had +gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar +het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de +anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het +paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins +toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had +vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk +de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door +niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog +zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en +wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van +strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam +er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals +de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, +noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand +en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast +sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar +reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor +van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad +pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast +haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, +dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste +genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en +eenige van zijn dienaren te hebben laten komen, de donna oppakken, +zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor +hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard +zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar +Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar +naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee +bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen +hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De +hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van +den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, +trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan +waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim +was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame +alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar +terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de +ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok +Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem +achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, +die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij +dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de +heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen +en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de +hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, +dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna +met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door +een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak +aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en +verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, +verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den +hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte +hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen +kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer +van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello +met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden +ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was. + +Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een +geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en +veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken +van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den +hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene +te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de +eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, +wat door hen het best kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles +had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de +hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze +van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij +de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, +verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar +vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd +door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in +een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig +middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met +weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, +begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, +dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te +vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, +verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens +aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als +den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den +oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon +ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl +hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den +prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken +de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan +uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat +de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en +had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, +nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen +voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed +of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, +na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, +naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over +de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat +deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen +voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook +bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn +dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, +dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo +deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, +waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, +dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een +lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van +den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, +te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de +anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield. + +Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen +en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en +zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij +de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met +haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een +van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken +teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip +zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren +of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van +plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit +te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te +antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, +naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water +werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen +zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan +land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich +over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens +weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees +voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet +zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige +plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen +haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het +den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de +fortuin haar van te voren had bereid. + +Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning +der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien +tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te +Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven +leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een +nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk +met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden +bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen +gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland +te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben +gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, +die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna +en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed +slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, +maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich +verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste. + +De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan +met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen Osbech met zijn +krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien +met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, +omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder +voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, +zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië +verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te +werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan. + +Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee +machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië +tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een +trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop +ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger +verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna +en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van +Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking +was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, +omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer +te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, +daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als +doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie +ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, +zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, +niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden +werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk +genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen +en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen +het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der +kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven +zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of +Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een +koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste +vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem +zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den +dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen: + +Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij +nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, +dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, +mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan +eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de +uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf +heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde. Het is waar, dat het +zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en +zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger +zijn, indien ik u niet hier zag, die--geloof ik--voor haar dezelfde +vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid +ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en +haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor +de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, +liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, +opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind +ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was +voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, +zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de +donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen +hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord +dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet +lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven. + +Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, +wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een +schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat +zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde +hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, +dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou +behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar +aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die +kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde +hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd +hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de +woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein +bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide +van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de +warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl +ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), +zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, +zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden +aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den +koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, +op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, +omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van +den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden +dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de +Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij +bij toeval door die dame daar aan een venster opgemerkt. Omdat zij zeer +schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, +dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet +bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin +geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde +moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat +zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien +had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn +raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar +koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen +die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk +zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, +ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren +vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in +het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was +en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg +na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit +in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende +hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in +zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen. + +Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te +gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe +en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den +ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele +jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: +Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat +ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, +indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter +te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor +het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe +uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, +dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone +donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij +bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet +toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u +doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig +te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben +aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig +leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien +gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen +terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, +verzoek ik u aan niemand ooit te zeggen mij te hebben gezien of +ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij +voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij +op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag +deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig +nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie +gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven +en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg +hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en +opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk +naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het +u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen +en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De +koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge +dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, +dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote +ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug +te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, +zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik +geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst +door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het +hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, +waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde +en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de +koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens +de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles. + +Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een +schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van +Antigono naar den Sultan, die haar--wat niemand hoeft te vragen--met +vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat +had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar +zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten +vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had +onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken: + +Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd +ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht +op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes +genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal +ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het +dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds +door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen +om het te plunderen. Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen +en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de +andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen +geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door +twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te +bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid +schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden +om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard +aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die +zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, +die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, +naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde +veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na +lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar +een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar--al weet ik niet, +wat ze ook zeiden--werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding +opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den +Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit +land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, +reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was +en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik +de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun +Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus +was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, +waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden. + +Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg +mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus +wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar +zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, +die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun +vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van +de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het +Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, +werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij +mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te +geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij +met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te +vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa +en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet +wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden +terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, +liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de kade Antigono +voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal +stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden +noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn +dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote +vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het +hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den +koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij +zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u +nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van +mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot +den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene +malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, +mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik +meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het +u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, +waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome +nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen +en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters +haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles +zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende +nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, +dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op +kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste +dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen. + +De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad +Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure +diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral +aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding +was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had +laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug +te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten +dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, +omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, +dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit +alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem +behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië +deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten +overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien +door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een +maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde +zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: +Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel +als de maan. + + + + + + + +Achtste Vertelling. + + _De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht + in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland + achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, + vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het + leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te + zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld._ + + +De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone +donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er +onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde +bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen +we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van +Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de +vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, +dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met +een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij +ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien +tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van +vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit +oneindig aantal, zeg ik dan: + +Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan +van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, +ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer +groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor +zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de +ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen +met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, +die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen +de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om +hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d'Angers in hun plaats +tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven +zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een +getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van +oorlogvoeren, scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan +voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard +had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en +haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie +[38] waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters +en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien +veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander +edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest +kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan +zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den +oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, +die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong +naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof +van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, +de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon +en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde. + +Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw +was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar +niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde +te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en +het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere +zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame +was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk +zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de +graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en +zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood +van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete +vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de +zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter +bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig +rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers +niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel +meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid +hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld +en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan +wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof +bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden +tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan +aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet +het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, +indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze oorzaken, schijnt +het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij +tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn +echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn +vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben +als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik +u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot +ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht +der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen +en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen +en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, +waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der +liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien +dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het +niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want +toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen +de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, +maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij +waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind +te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, +beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het +fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man +te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid +ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij +mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, +die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert. + +Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, +die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, +maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het +hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal +ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde +te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde +vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld +worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij +door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de +donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus +zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen +versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, +dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met +de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en +zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider +stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld +aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van +de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer +geloof zou worden geschonken aan de kwaadwilligheid van die vrouw +dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het +vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder +anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf +op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf. + +Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar +zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen +aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het +knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem +waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de +huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij +hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak +ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als +men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, +die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een +eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend +of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door +te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder +herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te +Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar +Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine +kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, +dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de +fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste +voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, +waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven +liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, +die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd +overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden +dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun +namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en +het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk +wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen. + +Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam +daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken +van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, +die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of +het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië +kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, +met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend +was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, +omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, +als gij er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat +zij zoo'n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en +indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het +gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel +den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan +haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst +had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; +bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet +zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te +gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat +met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en +zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van +den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen +uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te +vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen +de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van +den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij +de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, +waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets +anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van +hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen +zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon +ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan +een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een +bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd +zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten. + +Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven +was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in +de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in +het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om +te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren +lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig +was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, +zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van +hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar +den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te +huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, +kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor +de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, +dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen +man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, +bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, +dien deze en zij ten zeerste lief hadden, zoowel omdat het een +jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden +verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, +dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan +Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij +zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En +daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij +het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, +maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als +een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij +kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer +hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart +ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden +en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die +kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de +moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, +dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen +smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden +was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde +verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem +en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen +Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, +om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de +jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een +gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor +zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus +dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, +hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, +hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een +deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, +alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den +arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog +niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug +en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende +zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder +ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw +zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van +Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, +den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar +ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u +lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, +dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, +dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan +hun zoon tot vrouw moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was +vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, +ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben +verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, +omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot +uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, +van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger +voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, +heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders +is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, +wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, +omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou +ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw +hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en +de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat +moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, +wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan +mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik +voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet +om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de +wreedste moeder, die ooit een zoon baarde. + +Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij +eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, +verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft +mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste +lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen +herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen +bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik +verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg +uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De +donna--te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, +waarnaar zij zich het voorstelde--antwoordde gulweg, dat hij gerust +elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem +zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en +de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar +mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis +aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den +toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt +beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, +dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor +bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, +woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij +eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in den +kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover +de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd. + +Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar +schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar +had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje +en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen +verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te +verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen +wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer +behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een +meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop +antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn +vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik +alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed +mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien +trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner +voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te +bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig +aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, +hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en +zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong +man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij +hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij +geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen +dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden +verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij +haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem +in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn +genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor +haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De +jongeling was hierover in 't geheel niet tevreden en werd opeens veel +erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan +Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde +aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel +het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden +haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend +zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder +eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken. + +Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, +dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit +anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde +gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar. + +Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales +was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een +knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch +bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere +wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder +den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk +God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te +denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de +helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van +de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele +land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn +heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders +als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds +huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een +weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot +echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, +die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, +wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning +van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht +van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den +overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd +met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem +als verloren achtergelaten. + +Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend +Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij +ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, +kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen +geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij +zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets +uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm +en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot +had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer +en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij +wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette +geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor +hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben +gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette +als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn +vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden +staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als +arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet +Lamiens--zoo heette de echtgenoot van Jeannette--hem daar eens zag, +arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van zijn bedienden, +dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid +te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van +Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan +acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter +wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan +en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht +bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn +kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor +wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met +het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer +uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, +als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te +schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, +dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten +daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar +als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en +voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde. + +Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was +verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en +een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander +man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet +van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, +zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet +blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en +hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: +Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij +keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder +af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne +met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer +bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging +gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had +gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den +graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, +dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede +man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij +antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon +dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men +vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit +verzorgd had, met de kinderen te spelen. + +Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van +Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele +wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn zoon +gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten +wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw +een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen +de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel +van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den +anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging +en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef +als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door +raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende +den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij +haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, +vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer +heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde +zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was +gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar +zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen +alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, +dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en +zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit +leven verscheiden, begraven. + +Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na +eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het +gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te +doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf +van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond +zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor +hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de +koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen +te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht +dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar +Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde +aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, +zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: +Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit +een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat +blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de +koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van +Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf +de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak +aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn +voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende +wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en +blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar toch sloeg hij +geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende +woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, +viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging +vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, +hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen +hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, +wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar +hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had +de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, +hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om +hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en +Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen +voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest +beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning +brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem +die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen +bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na +den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide +hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is +en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit +hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat +hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben +aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, +op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat +de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting +voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig +gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en +wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de +hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen +had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van +Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat +uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van +een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn +vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook +mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de +koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij +ooit was geweest. Toen ging elk met 's konings verlof huiswaarts en +de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Bernabo van Genua wordt door Ambrogiuolo bedrogen, verliest + zijn geld en beveelt daarom zijn onschuldige vrouw te + laten dooden. Zij ontvlucht en in mansgewaad dient zij den + Sultan, vindt den bedrieger en laat haar man naar Alexandrië + komen, waar deze gestraft wordt. Zij doet daarop weer haar + vrouwenkleeren aan en keert met haar man, rijk geworden, + naar Genua terug._ + + +Nadat Elisa met haar aandoenlijke geschiedenis haar plicht had +vervuld, zeide koningin Philomena, die schoon en groot was van +gestalte en meer dan een andere een innemend en lachend gelaat had: +Men moet zich houden aan de overeenkomst aangegaan met Dioneo en daar +er geen anderen overblijven dan hij en ik om te verhalen, zal ik het +eerst mijn historie vertellen en hij, die dit als een gunst verkreeg, +zal als laatste spreken. Na die woorden begon zij aldus: + +Men pleegt onder het volk dikwijls het spreekwoord te gebruiken dat +de bedrieger de slaaf wordt van den bedrogene, waarvan men op geen +enkelen grond de waarheid zou kunnen aantoonen, indien de feiten +het niet bewezen. Om ons voornemen te volgen en omdat dit alles, +lieve donna's, waar is, gelijk men beweert, heb ik lust gekregen +het u aan te toonen. Het zal u niet onaangenaam zijn dit te hooren, +opdat gij u voor bedriegers kunt in acht nemen. + +Er waren in een herberg in Parijs eenige zeer groote Italiaansche +kooplieden, volgens hun gewoonte de een voor deze, de ander voor +gene zaak. Nadat zij op een avond onder elkaar allen gezellig hadden +gegeten, begonnen zij over verschillende dingen te spreken en van het +eene onderwerp op het andere komend, begonnen zij te praten over hun +vrouwen, die ze thuis hadden gelaten en schertsend begon er een te +zeggen: Ik weet niet, hoe de mijne doet, maar dit weet ik wel, dat, +wanneer een meisje mij in handen komt dat mij bevalt, ik de liefde +ter zijde laat, die ik voor mijn vrouw voel en hiervan profiteer +zooveel ik kan. De ander antwoordde: En ik handel zoo insgelijks, +want als ik geloof, dat mijn vrouw er haar plezier van neemt, dan doet +zij het, en als ik het niet geloof, doet ze het ook en dus doen we +wederkeerig hetzelfde, leer om leer. De derde kwam, het woord nemend, +tot dezelfde meening en om kort te gaan scheen het allen, dat ze het +hierover eens werden, dat zij door het achterlaten van hun vrouwen +hun tijd niet verloren. Slechts een, die den naam droeg van Bernabo +Leomellin van Genua, beweerde het tegendeel en hield vol, dat hij +door bijzondere genade van God een vrouw tot echtgenoote had, die +meer begaafd was met alle deugden dan in het algemeen een edelvrouw, +een ridder of een page, die er misschien in Italië zijn. Want zij +was schoon van vorm en nog zeer jong, handig en sterk en er was +niets van vrouwelijke bedrevenheid, als het borduren van zijden +handwerken en dergelijke dingen meer, wat zij niet beter deed dan wie +ook. Behalve dat, zeide hij, was er geen schildknaap of bediende, die +beter en vlugger aan de tafel van een heer diende en die hoffelijker, +wijzer en meer bescheiden was. Daarna prees hij haar nog meer, omdat +ze paard kon rijden, een valk dragen, lezen, schrijven en rekenen +alsof ze een koopman was en toen na vele loftuitingen kwam hij, die +daarover sprak, er toe plechtig te beweren, dat er geen eerbaarder +en kuischer vrouw was te vinden dan zij. Daarom geloofde hij zeker, +dat, indien hij tien jaar of zelfs altijd buitenshuis bleef, zij zich +nooit zou afgeven met een anderen man. Bij die kooplieden, die zoo +spraken was een jonge man, Ambrogiuolo genaamd van Piacenza, die met +de laatste loftuiting, welke Bernabo gegeven had aan zijn vrouw, den +grootsten spot der wereld begon te drijven en schertsend vroeg hij +of de keizer hem dit voorrecht boven alle andere mannen geschonken +had. Bernabo zeide een weinig onthutst, dat niet de keizer maar God, +die wat meer vermocht dan de keizer, hem die genade had verleend. Toen +zeide Ambrogiuolo: Bernabo, ik twijfel er niet aan, dat gij in deze +zaken gelooft de waarheid te zeggen, maar naar het mij schijnt, +hebt gij op hun aard weinig acht gegeven; want indien gij dit had +gedaan zou ik niet denken, dat gij in deze bekende dingen zoo dom +waart en gij hierover niet kalmer zoudt spreken. En omdat gij niet +gelooft, dat wij, die zeer vrij over onze vrouwen gesproken hebben, +ons verbeelden andere vrouwen te hebben of anders gemaakt dan de uwe, +maar dat wij aldus gesproken hebben gelijk wij meenen, wil ik met u +een weinig over die zaak praten. Ik heb altijd gehoord, dat de man +het edelste dier is onder de andere schepsels door God geschapen +en daarna de vrouw, maar de man gelijk men algemeen gelooft en ziet +door zijn werken is de volmaaktste en daar hij volmaakter is, heeft +hij zonder twijfel meer vastberadenheid en standvastigheid, daar de +vrouwen in het algemeen veel bewegelijker zijn en waarom, dat zou +men om vele natuurlijke redenen kunnen aantoonen, welke ik nu wil ter +zijde laten. Indien de man dus van grooter vastberadenheid is en zich +niet kan weerhouden, laat staan tegenover een, die het hem vraagt, +zelfs tegenover het ontberen van een vrouw, die hem bevalt en bij die +begeerte nog alles wil doen om zich met haar te verstaan en dit niet +eens in de maand maar duizend keer per dag, wat kunt gij dan hopen, +dat een veranderlijke vrouw doen kan tegen de beden, de listen, de +geschenken en de duizend andere middelen, die een slim man heeft, +welke haar bemint? Denkt gij, dat zij weerstand kan bieden? Zeker, +hoezeer gij het ook zoudt volhouden, ik zou niet gelooven, dat gij +het zelf denkt. En gij zegt, dat u echtgenoote een vrouw is en dat +zij van vleesch en been is als de anderen. Als dit zoo is, moeten +haar begeerten ook dezelfden zijn en haar krachten geen anderen om +die natuurlijke lusten te weerstaan. Daarom is het mogelijk, hoe +eerbaar zij ook mag wezen, dat zij als een andere handelt en geen +enkele mogelijkheid kan zoo sterk ontkend worden gelijk gij doet als +het tegengestelde bevestigd kan worden. Hierop antwoordde Bernabo: +Ik ben koopman en geen wijsgeer en zal dus als koopman antwoorden. Ik +zeg u, dat wat ik weet, kan gebeuren aan gekkinnen, die geen eergevoel +hebben, maar zij, die verstandig zijn waken zoo voor hun eer, dat +zij veel sterker daarin worden dan de mannen, die er zich niet om +bekommeren. En zoo is het met de mijne gesteld. Ambrogiuolo zeide: +Waarlijk, indien elken keer, dat zij zich tot zulke histories laten +overhalen hun een hoorn op het voorhoofd groeide, die getuigenis gaf +van wat zij hadden gedaan, dan zou ik gelooven, dat weinigen er toe +zouden overgaan, maar in plaats, dat er een hoorn groeit, blijft er bij +hen, die wijs zijn spoor noch indruk achter en de schande en de blaam +bestaan slechts bij bekend geworden zaken; daarom, als zij het kunnen, +doen zij het, of wel ze laten het uit domheid. En houdt dit voor zeker, +dat die alleen kuisch is, die nooit gevraagd is door iemand of zoo +zij het zelf vroeg, niet werd verhoord. En hoewel ik weet, dat dit om +natuurlijke en ware redenen zoo moet zijn, zou ik er niet van spreken +zoo overtuigd als ik het doe, indien ik niet herhaalde malen en met +vele gevallen het bewijs had gehad. Ik zeg u dit namelijk, dat ik, +indien ik bij uw heilige donna was, ik geloof haar in korten tijd over +te halen tot wat ik bij anderen gedaan heb gekregen. Bernabo antwoordde +verlegen: Ons twistgesprek zou met woorden te lang kunnen duren; gij +zoudt dit zeggen en ik dat en eindelijk zou er niets uit volgen. Maar +omdat gij zegt, dat allen zoo buigzaam zijn en gij zoo zijt aangelegd, +ben ik bereid, opdat gij u van de eerbaarheid van mijn donna verzekert, +mij het hoofd te laten afslaan, indien gij haar ooit kunt voeren tot +wat u behaagt. Indien gij het niet kunt, wil ik, dat gij mij minstens +duizend goudguldens betaalt. Ambrogiuolo, al door dit gesprek verhit, +zeide: Bernabo, ik weet niet, wat ik met uw bloed zou doen, indien ik +zou overwinnen, maar indien gij er lust in hebt het bewijs te zien van +wat ik al gezegd heb, zet gij er dan vijfduizend goudguldens tegen, +die u minder dierbaar moeten zijn dan uw hoofd. En daar gij nog geen +enkelen termijn hebt vastgesteld, wil ik mij verplichten naar Genua te +gaan en binnen drie maanden van af den dag, dat ik van hier vertrek, +zal ik uw vrouw naar mijn wil hebben geleid en tot bewijs er van een +van haar dierbaarste zaken met mij terug brengen om u zoodanige en zoo +groote bewijzen te geven, dat gij zelf zult bekennen, dat het waar +is, op voorwaarde, dat gij mij belooft op uw woord niet binnen dien +bepaalden termijn naar Genua te gaan, noch haar iets over die zaak +te schrijven. Bernabo zeide, dat het hem zeer aanstond en hoewel de +andere kooplieden, die tegenwoordig waren, hun best deden hem hiervan +af te brengen, wetend dat er groot kwaad uit kon geboren worden, +waren toch de geesten der twee kooplieden er zoo door verhit, dat +ondanks den wil van de anderen door mooie contracten zij tegenover +elkaar wat dat betreft verplichtingen aangingen. + +Toen die geteekend waren, bleef Bernabo achter en Ambrogiuolo kwam +zoo gauw mogelijk te Genua. Na er eenige dagen gebleven te zijn en met +veel voorzorg zich te hebben op de hoogte gesteld van de straatnaam, +waaronder de donna woonde en van haar manier van leven, had hij er +weer van gehoord, wat hij al van Bernabo vernomen had. Daarom scheen +het hem, dat hij een dollen streek had gedaan. Maar toch na een arme +vrouw te hebben gesproken, die veel in haar huis kwam en aan wien de +donna welgezind was kocht hij, daar hij geen ander middel wist, haar +met geld om en liet zich door haar in een opzettelijk gemaakte kist +er heen dragen, en niet alleen in huis, maar zelfs in de kamer der +donna en daar, alsof de goede vrouw wilde weggaan voor eenige dagen, +verzocht zij volgens de les, die Ambrogiuolo haar had gegeven, dat men +de kist er gedurende eenige dagen bewaarde. Toen de kist daar bleef +en de nacht inviel, maakte Ambrogiuolo op het uur, dat hij dacht, +dat de dame sliep, de kist open, en kwam stil in de kamer, waar een +licht brandde. Hij begon de ligging van de kamer te onderzoeken, +de schilderijen en alle andere merkwaardige zaken, die er in waren, +om ze in het geheugen te prenten. Daarop naderde hij het bed en zag, +dat de donna en een klein kind bij haar vast sliepen. Hij deed haar +geheel naakt liggen en zag, dat zij even schoon was als gekleed, maar +dat hij geen enkel teeken kon medenemen behalve een, dat zij op de +linkerborst had en dat bestond uit een kleine uitwas, waarom eenige +goudblonde haren groeiden. Dit ziende, dekte hij haar weer stil toe, +hoewel hij, terwijl hij haar zoo schoon zag, begeerde zijn leven te +wagen om bij haar te liggen. Maar daar hij gehoord had, dat zij zoo +onverzettelijk was in die dingen, durfde hij het niet. Hij bleef het +grootste deel van den nacht op zijn gemak in de kamer, trok een beurs +en een vest zonder mouwen uit een van haar koffers, een ring en een +gordel en deed alles in zijn kist. Hij ging er ook in en sloot die als +te voren en zoo bracht hij twee nachten door zonder dat de donna er +iets van merkte. Op den derden dag volgens het afgesproken plan kwam +de goede vrouw haar kist halen en bracht die terug, vanwaar ze haar +gehaald had. Ambrogiuolo kwam er uit en nadat hij de vrouw volgens +de gedane belofte had tevredengesteld, keerde hij zoo gauw hij kon, +vóór den bepaalden termijn met die zaken naar Parijs terug. + +Toen hij daar de kooplieden had bijeen geroepen, die tegenwoordig +waren geweest bij het gesprek en het doen van de weddenschap, zeide +hij in tegenwoordigheid van Bernabo, dat hij de weddenschap tusschen +hen aangegaan, had gewonnen, omdat hij volvoerd had, waar hij zich +op had beroemd. En om te bewijzen, dat dit waar was, beschreef hij +eerst den vorm van de kamer en de schilderijen, toonde daarna de +voorwerpen, die hij mee had gebracht en beweerde die van haar te +hebben gekregen. Bernabo gaf toe, dat de kamer was zooals hij die +beschreef en bovendien erkende hij ook, dat die voorwerpen aan zijn +donna hadden behoord. Maar hij beweerde, dat hij van een der bedienden +des huizes het voorkomen van de kamer kon weten en op gelijke wijze +die voorwerpen kon hebben gekregen. Daarom, indien hij daartegen niets +had in te brengen, scheen dit hem niet voldoende om zich overwonnen +te verklaren. Daarom zeide Ambrogiuolo: Dit moet wel degelijk +voldoende zijn, maar, daar gij wilt, dat ik nog meer zeg, zal ik dan +ook meer zeggen. Ik weet, dat mevrouw Ginevra onder de linkerborst +een tamelijk groote vlek heeft met misschien zes goudblonde haren +er om heen. Toen Bernabo dit hoorde, leek het hem of hij een smart +voelde als van een messteek in het hart, en daar hij geheel van kleur +veranderde, hoewel hij geen woord had gesproken, gaf hij duidelijk +genoeg blijk, dat het waar was, wat Ambrogiuolo vertelde en zeide: +Heeren, wat Ambrogiuolo zegt, is waar, en omdat hij gewonnen heeft, +mag hij om het geld komen, wanneer hij wil. Aldus werd Ambrogiuolo +den volgenden dag volkomen bevredigd. Bernabo, van Parijs vertrokken, +ging met zeer verbitterden geest naar de donna te Genua. Toen hij het +naderde, wilde hij er niet binnen gaan maar bleef er wel twintig mijlen +vandaan op een van zijn landgoederen en hij zond een knecht, waarin +hij veel vertrouwen stelde, met twee paarden en met zijn brieven naar +Genua, schreef aan de donna, dat hij was teruggekeerd en dat zij met +den bediende tot hem zou komen. Hij gaf bovendien in het geheim aan +den knecht last, dat die op een plaats, waar deze het het geschikst +achtte zonder genade de donna moest vermoorden en dat hij dan naar +hem moest terugkeeren. Toen de knecht te Genua aankwam en de brieven +waren overhandigd en de boodschap was overgebracht, werd hij door de +vrouw met groote vreugde ontvangen, welke den volgenden morgen met den +knecht te paard steeg en den weg naar zijn landgoed insloeg. Terwijl +zij samen voortreden en over allerlei dingen spraken, kwamen zij in een +zeer diepe en eenzame vallei, afgesloten door hooge rotsen en boomen, +die aan den knecht de plaats leek om veilig het bevel van zijn meester +te volvoeren. Hij trok het mes, nam de donna bij den arm en zeide: +Mevrouw, beveel uw ziel eerst aan God, daar gij zonder verder voort te +reizen moet sterven. De donna zag het mes, hoorde de woorden en zeide +geheel ontsteld: Bij God genade! Voor gij mij doodt, zeg mij, waarmee +ik u kwaad heb gedaan, dat gij mij moet dooden? Mevrouw, zei de knecht, +gij hebt mij met niets kwaad gedaan en waarmee ge het uw echtgenoot +deed, weet ik niet, alleen dat hij mij beval zonder medelijden met +u te hebben, u op dezen weg te dooden en als ik het niet zou doen, +dreigde hij mij te laten ophangen. Gij weet wel, hoe ik gebonden ben +en hoe ik, wat hij mij gelast, niet kan weigeren. God weet, hoe ik met +u begaan ben, maar ik kan niet anders. Daarop hernam de donna weenend: +In Gods naam wordt niet om anderen te dienen de moordenaar van iemand, +die u nooit iets kwaads toevoegde. Aan God, die alles weet, is bekend, +dat ik nooit iets deed waardoor ik van mijn man zulk een loon moest +ontvangen. Maar laat ons dit nu ter zijde stellen: gij kunt wanneer +gij wilt, tegelijkertijd aan God, aan mijn man en aan mij een dienst +doen, doordat gij mijn kleederen aantrekt en gij mij alleen uw wambuis +en een overrok geeft. Keer hiermee naar mijn en uw heer terug en zeg +hem, dat gij mij hebt gedood en ik zweer u bij het leven, dat ik u +schuldig ben, dat ik mij zal verwijderen en dat noch hij, noch gij, +noch iemand in deze streken iets van mij zal hooren. De knecht, +die haar ongaarne doodde, kreeg spoedig medelijden. Hij nam haar +kleeren en na haar zijn wambuis en overrok te hebben gegeven en haar +het weinige geld achter gelaten te hebben, dat zij bij zich had, +verzocht hij haar, dat zij uit die streek wegging, liet haar in de +vallei met een paard alleen en begaf zich naar haar heer, tot wien +hij zeide, dat zijn bevel niet slechts was volvoerd, maar dat haar +lichaam door de wolven was verslonden. + +Bernabo ging na eenigen tijd naar Genua terug, waar hij, toen het +feit bekend werd, zeer werd geminacht. De donna, alleen en troosteloos +achter gelaten, ging, zoodra de nacht gekomen was en zoo goed mogelijk +vermomd, naar een dorp daar in de buurt en hier kocht zij van een oude +vrouw al wat ze noodig had, bracht het wambuis naar haar lichaamsmaat +in orde door het te verkorten en maakte zich uit haar overrok een +paar broeken. Zij knipte zich de haren en geheel vervormd in de +gedaante van een zeeman ging zij naar de zeekant. Daar vond zij bij +toeval een Catalonisch edelman, segnor Encararch genaamd, die van +zijn schip, dat niet ver vandaar lag, te Alba was afgestapt om zich +aan een fontein te verfrisschen. Zij trad met hem in onderhandeling, +bood zich hem als dienaar aan, ging er scheep en liet zich Sicurano +van Finale noemen. Hier trok hij betere kleeding aan in de liverei van +den edelman en begon dien zoo goed en met zooveel toewijding te dienen, +dat hij zeer in zijn gunst kwam. Niet lang daarna voer die Catalonieër +met een lading naar Alexandrië, bracht eenige pelgrimsvalken aan den +Sultan en bood hem die aan. De Sultan onthaalde hem een paar maal +en nadat hij de manieren van Sicurano gezien had, die hem steeds +bediende en welke hem behaagden, vroeg hij dien van den Catalonieër +over te nemen. Hoewel het dien verdroot, stond hij hem dezen toch af. + +Sicurano verwierf in korten tijd niet minder de genade en de liefde +van den Sultan door zijn goede wijze van werken als hij het bij +den Cataloniër had gedaan. Na verloop van tijd gebeurde het, dat +er op zekeren datum van het jaar, bij wijze van kermis, een groote +verzameling moest bijeenkomen van kooplieden zoowel Christenen +als Mahomedanen te Acre, dat onder de heerschappij van den Sultan +stond. Opdat de kooplieden er veilig waren, was de Sultan gewoon er +behalve andere beambten, een van zijn grootwaardigheids-bekleeders heen +te zenden met lieden, die als wacht dienst deden. Toen dat tijdstip +naderde, had hij plan om er Sicurano heen te sturen, die uitstekend +de taal kende en zoo deed hij. Toen Sicurano in Acre kwam als heer en +kapitein van de garde der kooplieden en van den handel en daar goed +en ijverig deed, wat tot den dienst behoorde en allen om zich heen +beschouwde, zag hij er veel Siciliaansche, Pisaansche, Genueesche, +Venetiaansche en andere Italiaansche kooplieden en onderhield zich +met hen gaarne tot herinnering aan zijn land. Toen hij eens onder +andere keeren was gekomen in een winkel van Venetiaansche kooplieden, +zag hij onder meer kostbaarheden een beurs en een gordel, welke hij +wel als de zijnen herkende en was daarover verwonderd, maar zonder +een ander gezicht te trekken, vroeg hij vriendelijk van wie ze waren +en of ze hem die wilden verkoopen. Nu was Ambrogiuolo van Piacenza +hierheen gekomen met veel koopwaar op een Venetiaansch schip, +dat hem behoorde. Hij vernam, dat de kapitein van de garde vroeg +van wie ze waren, kwam naar voren en zei lachend: Heer, het zijn +voorwerpen van mij en ik verkoop ze niet, maar als zij u bevallen, +zal ik ze u gaarne schenken. Sicurano, die hem zag lachen, vermoedde, +dat de koopman door een of ander gebaar hem had herkend, maar toch +hield hij zich goed en zeide: Gij lacht misschien, omdat gij mij als +krijgsman ziet vragen naar zulke vrouwenzaken. Ambrogiuolo zeide: +Neen, daar lach ik niet om, maar ik lach om de manier, waarop ik ze +verkreeg. Sicurano antwoordde hem: Kijk, als God U goed geluk geeft, +en dit geen geheim is, zeg mij dan, hoe gij ze hebt gekregen. Neen, +hernam Ambrogiuolo, dezen werden mij met iets anders geschonken door +een edelvrouw van Genua, mevrouw Ginevra genaamd, echtgenoote van +Bernabo Leomellin, een nacht, dat ik met haar sliep en zij mij vroeg, +of ik ze van haar liefde wilde behouden. Nu lach ik, omdat ik mij de +dwaasheid van Bernabo herinner, die gek genoeg was om vijfduizend +goudguldens tegen duizend te verwedden, dat ik zijn vrouw niet zou +kunnen verleiden naar mijn wil, wat ik deed, zoodat ik de weddenschap +won. Hij, om haar zoo gauw mogelijk te straffen voor het misdrijf, +dat alle vrouwen begaan, keerde van Parijs naar Genua terug, en liet +haar, naar wat ik sinds gehoord heb, dooden. Toen Sicurano dit hoorde, +begreep hij snel wat de reden was van den toorn van Bernabo jegens hem +en begreep volkomen, dat dit de oorzaak was van zijn lijden en hij +besloot in stilte ze hem niet ongestraft te laten houden. Sicurano +deed dus of de geschiedenis hem zeer ter harte ging en verbond zich +listig met hem tot een nauwe vriendschap, zoo, dat toen de jaarmarkt +afgeloopen was, Ambrogiuolo door zijn aanmoediging met hem en met +al wat hij had, zich naar Alexandrië begaf, waar Sicurano voor +hem een winkel liet inrichten en hem daarvoor geld genoeg ter hand +stelde. Deze ziende, dat er groot voordeel voor hem was te behalen, +bleef er gaarne. Sicurano begeerig zijn onschuld te bewijzen aan +Bernabo, rustte niet, eer hij door middel van eenige groote Genueesche +kooplieden, die in Alexandrië waren, nieuwe listen vond om hem te +doen overkomen. Bernabo kwam in armzalige omstandigheden aan en hij +werd heimelijk door een van Sicurano's vrienden ontvangen, tot het +hem tijd scheen zijn plan uit te voeren. + +Reeds had Sicurano de historie door Ambrogiuolo aan den Sultan doen +vertellen, die er behagen in schepte. Maar toen hij Bernabo daar zag, +dacht hij, dat uitstel niet goed was, koos het geschikte oogenblik, +en verzocht den Sultan, dat die Ambrogiuolo en Bernabo voor zich +deed verschijnen. Hij zou in tegenwoordigheid van Bernabo, indien +het niet met zachtheid bij Ambrogiuolo kon gebeuren, met gestrengheid +aan den dag brengen, hoe de zaak naar waarheid geschied was, waarop +hij zich betreffende de vrouw van Bernabo beroemde. De Sultan beval, +toen Ambrogiuolo en Bernabo verschenen waren in tegenwoordigheid +van velen, met strengen blik, dat de eerste naar waarheid vertelde, +hoe hij van Bernabo vijfduizend goudguldens had gewonnen. En hier +was Sicurano bij, in welken Ambrogiuolo meer vertrouwen had en die +met een nog boosaardiger gelaat hem met de vreeselijkste folteringen +bedreigde, als hij het niet bekende. Ambrogiuolo dubbel verschrikt +en zeer gedwongen verklaarde, daar hij geen andere straf er voor +verwachtte dan de teruggaaf van de vijfduizend goudguldens en van +de voorwerpen, in tegenwoordigheid van Bernabo en van vele anderen, +duidelijk hoe het feit was gebeurd en verhaalde alles. Toen Ambrogiuolo +gesproken had, zeide Sicurano als uitvoerder van des Sultans bevelen +tot Bernabo gekeerd: En wat deedt gij uw vrouw naar aanleiding van dat +bedrog? Hierop antwoordde Bernabo: Ik, overmand door den toorn over +het verlies van mijn geld en over de blaam en de schande, die ik om +mijn vrouw op mij scheen te hebben geworpen, deed haar door een van +mijn knechts dooden en naar wat die mededeelde, is zij spoedig door +de wolven verslonden. + +Toen dat alles in tegenwoordigheid van den Sultan gezegd was en door +hem gehoord en begrepen, zonder dat hij nog inzag, wat Sicurano, +die zelf de vragen gesteld had, er mee voorhad, zeide deze: Heer, +gij kunt wel begrijpen, hoezeer die goede dame zich kan beroemen op +haar minnaar en haar echtgenoot, want de minnaar ontrooft haar de eer +en tegelijk vernietigt hij haar goede naam met bedrog en maakt haar +echtgenoot ongelukkig en de echtgenoot eerder geloovend aan de leugens +van anderen dan aan de waarheid, die een langdurige ervaring hem had +doen kennen, laat haar dooden en verslinden door de wolven. En behalve +dit gaat de liefde zoowel van den minnaar als van den echtgenoot voor +haar zoover, dat, terwijl beide lang met haar leven, geen van beide +haar leert kennen. Maar opdat gij volkomen zult inzien, wat elk van +hen heeft verdiend, waar gij mij de bijzondere gunst wilt toestaan +den bedrieger te straffen en den bedrogene te vergeven, zal ik haar +hier zoowel in Uw tegenwoordigheid als in de hunne doen verschijnen. + +De Sultan geneigd om in deze zaak in alles Sicurano ter wille te +zijn, zeide, dat hij het goed vond en dat hij de donna zou doen +komen. Bernabo verwonderde zich hierover zeer, daar hij vast geloofde, +dat zij dood was en Ambrogiuolo, die zijn ongeluk al vermoedde, had +nu vrees voor erger dan alleen zijn geld terug te betalen en wist +niet of hij meer te hopen dan te vreezen had, omdat de donna daar +kwam en verwachtte met groote verwondering haar komst. + +Toen de Sultan aan Sicurano dit had toegestaan, wierp die zich weenend +aan de voeten van den vorst, liet tegelijk haar mannenstem varen en +haar mannelijk voorkomen en zeide: Heer, ik ben de ongelukkige Ginevra; +ik heb zes jaar in mansvermomming door de wereld gezworven door dien +verrader van een Ambrogiuolo valsch en oneerlijk beschuldigd en door +dezen wreeden en onrechtvaardigen man aan een knecht overgeleverd om +te worden gedood en om verslonden te worden door de wolven. Zij rukte +haar kleeren vaneen en toonde door haar boezem een vrouw te wezen +en maakte dit aan den Sultan en ieder ander duidelijk en zich toen +tot Ambrogiuolo wendend vroeg zij hem honend of hij ooit, gelijk hij +blufte, met haar had geslapen. Deze herkende haar reeds en als door +schaamte verstomd, zeide hij niets. De Sultan, die haar altijd voor +een man had gehouden was, toen hij dit zag en hoorde, zoo verwonderd, +dat, hoe meer hij er van vernam, hij des te meer geloofde, dat het +eer een droom was dan werkelijkheid. + +Maar toch, toen de verbazing ophield en hij de waarheid kende, +prees hij met den grootsten lof het leven, de standvastigheid, het +gedrag en de deugdzaamheid van Ginevra, die tot nu toe Sicurano was +genoemd. Hij liet eerbare vrouwenkleederen voor haar komen en vrouwen, +die haar gezelschap zouden houden op haar verzoek en schold Bernabo de +verdiende doodstraf kwijt. Toen deze haar herkend had wierp hij zich +schreiend aan haar voeten, en vroeg vergiffenis, die zij, hoe weinig +hij het ook waard was, hem welwillend schonk, hief hem op en omhelsde +hem innig als echtgenoot. Daarna beval de Sultan, dat Ambrogiuolo op +een of andere plaats van de stad aan een paal zou worden gebonden en +met honig zou worden ingewreven en er niet van zou worden losgemaakt, +eer hij er van zelf afviel. Dit geschiedde. Daarna gaf hij last, dat, +wat aan Ambrogiuolo behoord had, aan de donna zou worden gegeven, +wat niet zoo weinig was, want het was een geldswaarde van meer dan +tienduizend pistolen. Daarna gaf hij een prachtig feest, waarbij +hij Bernabo als echtgenoot van mevrouw Ginevra en mevrouw Ginevra +als zeer waardige vrouw eerde en schonk ze aan juweelen en gouden +en zilveren vaatwerk en geld nogmaals voor een waarde van meer dan +tienduizend pistolen. Na hem een schip te hebben geleend, gaf hij +hun na het feest verlof, wanneer het hun aanstond, naar Genua terug +te keeren, waar zij zeer rijk en met groote vreugde aankwamen en met +groote eer werden ontvangen vooral mevrouw Ginevra, die door allen +dood gewaand werd en die steeds bekend was geweest om haar groote +eerbaarheid en hare vele deugden. Ambrogiuolo werd denzelfden dag +aan den paal gebonden en met honing ingewreven en tot vreeselijke +straf door muggen, wespen en horzels, waarvan dit land vol is, niet +alleen gedood maar eindelijk tot op het gebeente verslonden. Zijn +gebleekte beenderen, nog slechts samenhangend door pezen, gaven nog +lang, zonder te worden weggenomen, aan iedereen getuigenis van zijn +boosheid. Zoo bleef de bedrieger de slaaf van den bedrogene. + + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Paganino van Monaco rooft de vrouw van signor Ricciardo van + Chinzica. Deze, wetend, waar zij zich bevindt, reist weg, + wordt de vriend van Paganino en eischt haar weer op. Hij + staat haar, als zij het wenscht, aan hem af, maar zij wil + niet met hem terugkeeren en als de heer Ricciardo sterft, + wordt zij de echtgenoote van Paganino_. + + +Ieder in het eerzaam gezelschap vond de geschiedenis door hun koningin +verhaald schoon, en vooral Dioneo, die alleen nog dien dag moest +vertellen. Hij zeide, nadat er vele loftuitingen waren uitgesproken: +Schoone donna's. Een deel der geschiedenis van de koningin heeft mij +van besluit doen veranderen om in plaats van de geschiedenis, die ik in +het hoofd had, U een andere te vertellen, dan die over de stompheid van +Bernabo,--wat voor goeds er ook voor hem uit voortkwam--en van allen, +die zich wijs maken, wat zij voor anderen veinzen te gelooven namelijk, +dat, terwijl ze de wereld doortrekken en zich verheugen zoowel met +deze als gene vrouw, op dit uur met die en op dat uur met een andere, +zij zich verbeelden, dat de thuis gebleven echtgenooten de handen +aan den gordel houden, alsof wij niet weten, die met hen geboren en +getogen zijn, wat die begeeren. Wanneer ik U die historie vertel, +zal ik U meteen bewijzen hoedanig de dwaasheid is van degenen, die zoo +denken en hoe die nog grooter is van hen, die zich machtiger geloovend +dan de Natuur, meenen door fabelachtige proefnemingen te vermogen wat +dezen niet kunnen en zich inspannen daartoe aan anderen hun aard te +ontnemen, terwijl het karakter van dezen er niet naar is aangelegd. + +Er leefde dan eens te Pisa een rechter, meer geestelijk dan lichamelijk +begaafd, die messire Ricciardo di Chinzica heette [39], welke geloofde +met dezelfde middelen de vrouwen te kunnen voldoen, die hij gebruikte +voor zijn studie en die als zeer rijk man, daarom niet minder zich +beijverde een schoone en jonge vrouw tot echtgenoote te verkrijgen, +hoewel hij het een als het ander had moeten vermijden, indien hij +zich zelf raad had kunnen geven gelijk hij het anderen deed. De heer +Lotto Gualandi [40] gaf hem een zijner dochters tot vrouw, Bartolomea +genaamd, een der mooiste en begeerenswaardigste meisjes van Pisa, +waar er maar heel weinig leven, die niet slimmer als de geschakeerde +hagedissen zijn. Toen de rechter haar met zeer groote vreugde naar zijn +woning had geleid en een schoone en schitterende bruiloft had gevierd, +waagde hij het toch maar een keer gedurende den eersten nacht haar +geheel te bezitten om het huwelijksteest te besluiten en het scheelde +maar weinig of hij had de partij niet kunnen uitspelen. Daarom als +een mager, droog en zwak man moest hij den volgenden morgen goeden +wijn, versterkend voedsel en andere middelen gebruiken om in het +leven terug te keeren. Nu begon die mijnheer de rechter, beter kenner +van zijn krachten dan te voren, aan haar een kalender te verklaren +goed voor kinderen om te leeren lezen en die misschien eertijds +te Ravenna [41] was gemaakt, zoodat, naar wat hij haar aantoonde, +er geen dag was, die niet één of zelfs méér dan een feestdag was, +ter eere van welke hij aantoonde, dat man en vrouw zich moesten +onthouden om verschillende redenen van echtelijke verbindingen, +waarbij nog kwamen de vasten, de quatertempers, en de vigiliën der +apostelen en van duizend andere heiligen, en dan zoowel de Vrijdag +als de Zaterdag en de Zondag, de geheele vasten, zekere maanstanden +en nog vele andere uitzonderingen. Hij dacht misschien, dat hij met de +vrouwen kon doen wat hij dikwijls deed bij het bepleiten van een zaak. + +Hij hield zich lang aan die gewoonte (niet zonder groote droefheid van +de donna, van wie hij ternauwernood eens in de maand genoot), terwijl +hij wel oppaste, dat een ander haar de werkdagen niet leerde gelijk +hij haar de rustdagen had onderwezen. Toen het eens zeer warm was, +kreeg messire Ricciardo lust om zich te gaan verpoozen op een mooie +villa van hem, dicht bij Monte Nero, en daar eenigen tijd te blijven +om met zijn schoone donna de buitenlucht te genieten. Terwijl hij daar +verblijf hield, wilde hij, om haar eenig genoegen te verschaffen, +haar eens laten visschen en in twee booten, waarvan hij in een was +met de visschers en zij in een andere met andere donna's, gingen +zij toekijken. Het genoegen sleepte ze voort, zoodat ze zonder het +te merken, verscheidene mijlen ver in zee dreven. Ze bleven daar +aandachtiger toezien, tot opeens een galei opdaagde van Paganino Da +Mare [42], een beroemd zeeroover uit dien tijd, welke, toen deze de +booten had bespeurd, zich daarheen richtte. Dezen konden zoo spoedig +niet vluchten als Paganino die bereikte, waarin de vrouwen waren. Toen +hij daarin de schoone donna zag, begeerde hij niets anders meer en +bracht haar op zijn schip over onder de oogen van messire Ricciardo, +die al op het land was en ging weer heen. + +Messire de rechter, die jaloersch was en bang als een haas, was--wat +men niet behoeft te vragen--treurig. Zonder gevolg beklaagde hij +zich zoowel te Pisa als elders over de boosheid der zeeroovers. En +hij wist niet, wie hem zijn vrouw had ontroofd of waar zij heen was +gevoerd. Paganino vond haar zeer mooi; zij stond hem aan en daar hij +geen vrouw had, wilde hij die altijd bij zich houden en zij, die eerst +zeer schreide, begon zoetjes aan te bedaren. Toen de nacht aanbrak, +viel de kalender uit haar gordel; al de feest- en rustdagen gingen +haar uit het geheugen en hij begon haar met daden te troosten, omdat +woorden hem dien dag weinig schenen te hebben geholpen. En hij verdreef +haar smart zoo, dat zij, zoodra zij te Monaco waren aangekomen, den +rechter en zijn wetten vergat en zij op de aangenaamste manier ter +wereld met Paganino leefde. Nadat deze haar naar Monaco gebracht had, +leefde hij, behalve dat hij haar dag en nacht troostte, met haar eervol +als zijn echtgenoote. Toen het op zekeren dag messire Ricciardo ter +ooren gekomen was, waar zijn vrouw zich bevond, overlegde, dat hij +nooit beter doen kon dan naar haar toe gaan en met brandend verlangen +besloot hij daartoe over te gaan, bereid elke som gelds te geven om +haar terug te krijgen. Hij ging scheep, begaf zich naar Monaco en zag +daar haar en zij ook hem. Zij vertelde het 's avonds aan Paganino en +onderrichtte dien van zijn plan. Den volgenden morgen zag messire +Ricciardo Paganino, sprak hem aan en toonde hem in korten tijd een +groote welwillendheid en vriendschap, terwijl Paganino veinsde hem +niet te kennen en afwachtte, wat hij zou willen doen. Toen het messire +Ricciardo den tijd scheen naar zijn beste weten en het meest geschikt, +bekende hij hem de reden, waarom hij was gekomen en verzocht hem, +dat hij zou eischen wat hem beviel, maar dat hij de donna terug +gaf. Hierop antwoordde Paganino met een leuk gezicht: Messire, gij +zijt welkom en om U in het kort te antwoorden, zal ik U dit zeggen: +het is waar, dat ik een jonge vrouw in huis heb, waarvan ik niet weet +of ze van U of van een ander is, omdat ik noch U ken noch haar dan voor +zoover zij korten tijd bij mij heeft gewoond. Indien gij haar man zijt, +gelijk gij zegt, zal ik, omdat gij mij een beminnelijk edelman schijnt, +U bij haar brengen en ik ben er zeker van, dat zij, indien zij U goed +kent en hetgeen gij zegt, waar is, met U wil meegaan, terwille van +Uw beminnelijkheid, en dat gij mij als schadevergoeding wilt geven, +wat gij zelf wilt. Mocht het niet zoo zijn, dan zoudt gij mij een +schurkenstreek leveren door haar mij te ontnemen, daar ik een jonge +man ben, die als ieder ander een vrouw kan bezitten en vooral deze, +die de liefste is, welke ik ooit heb gezien. Daarop hernam messire +Ricciardo: Zij is wel degelijk mijn vrouw en als gij mij brengt, waar +zij is, zult gij het zien; zij zal mij dadelijk om den hals vallen +en daarom vraag ik niet anders dan dat dit gebeurt, gelijk gij het +zelf hebt voorgesteld. Laat ons dan gaan, zeide Paganino. Zij gingen +dus naar het huis van Paganino en wachtend in een zijner zalen, liet +Paganino haar roepen en zij gekleed en getooid kwam uit haar kamer +en ging daarheen, waar messire Ricciardo met Paganino zich bevond, +maar sprak dien niet anders toe dan zij een anderen vreemde zou hebben +gedaan, die in Paganino's huis zou zijn gekomen. Toen de rechter dit +zag, die verwacht had, dat hij door haar met de grootste vreugde zou +zijn ontvangen, verwonderde hij zich zeer en begon tot zich zelf te +zeggen: Misschien hebben de neerslachtigheid en de langdurige smart, +die ik heb doorstaan sinds ik haar verloor, mij zoo verouderd, dat zij +mij niet herkent. Daarom zeide hij: Vrouw, het heeft mij duur gekost U +ter vischvangst te hebben geleid, omdat ik nooit een smart heb gevoeld +gelijk aan die ik heb verduurd, sinds ik U verloor en het schijnt, +dat gij mij niet herkent, zoo koel ontvangt gij mij. Ziet gij niet, +dat ik uw messire Ricciardo ben, hier gekomen om te betalen, wat deze +edele heer wil en in wiens huis wij zijn, om U terug te hebben en U van +hier te voeren; hij wil zoo goed wel zijn, omdat ik het wil, U aan mij +terug te geven! De dame keerde zich tot hem en zeide met een lichte +glimlach: Messire, spreekt U tot mij! Pas op, dat gij mij niet voor +een ander houdt, daar ik, wat mij betreft, mij niet herinner U ooit +te hebben gezien. Messire Ricciardo antwoordde: Let op wat gij zegt; +zie mij goed aan, indien gij 't U wel zult willen herinneren, zult +gij wel zien, dat ik Uw Ricciardo van Chinzica ben. De donna zeide: +Mijnheer, gij zult mij vergeven, misschien omdat het niet eerbaar +voor mij is, gelijk gij denkt, om U lang aan te zien, maar ik heb U +niettemin zoo goed beschouwd, dat ik wel weet U nooit te hebben gezien. + +Messire Ricciardo verbeeldde zich, dat zij zoo deed uit vrees voor +Paganino om niet in diens tegenwoordigheid te bekennen, dat zij hem +kende, daarom vroeg hij na eenige oogenblikken als gunst van Paganino, +dat hij haar alleen een oogenblik in de kamer mocht spreken. Paganino +zeide, dat het hem beviel, op voorwaarde, dat hij haar niet tegen +haar wil zou kussen en hij beval aan de donna, dat zij met hem in een +kamer zou gaan aanhooren, wat hij haar wilde zeggen en antwoorden, +wat zij verkoos. De donna en messire Ricciardo gingen dus alleen in +een kamer en toen zij gezeten waren, zeide Ricciardo: Kijk, hart van +mijn lichaam, mijn zoete ziel, mijn hoop, herkent gij uw Ricciardo +niet, die u meer bemint dan zichzelf? Hoe kan dat zoo zijn? Ben ik +zoo veranderd? Kijk, mijn mooi-oogje, beschouw mij nog een weinig. De +donna begon te lachen en zonder hem te laten uitspreken, zeide zij: +Gij weet wel, dat ik niet zoo kort van geheugen ben. Ik weet wel, dat +gij messire Ricciardo van Chinzica zijt, mijn echtgenoot, maar gij, +terwijl ik met u was, hebt getoond mij al zeer slecht te kennen, want +als gij wijs waart geweest of zijt, waarvoor gij wilt gehouden worden, +hadt gij wel zooveel besef gehad, dat gij hadt moeten begrijpen, +dat ik jong en frisch en ondeugend was en bijgevolg moeten weten, +wat voor jonge vrouwen behalve gekleed worden en eten, al schamen zij +zich het te zeggen, vereischt wordt; hoe gij dat deed, weet gij. En +als de studie der wetten u liever is dan de vrouw, hadt gij haar niet +moeten nemen, hoewel het aan mij nooit scheen, dat gij een rechter +waart, maar veeleer een stadsomroeper van heilige dagen en feesten, +zoo goed kende gij die evenals de vastendagen en de vigiliëen. En +ik zeg u, dat, indien gij zooveel feestdagen hadt laten vieren door +de boeren, die uw velden bearbeiden, als gij aan hem hebt laten doen, +die mijn klein veld had te bewerken, gij geen korrel graan zoudt hebben +geoogst. Ik heb hem getroffen, welken God, die welwillend mijn jeugd +behoedde, heeft uitgekozen en met wien ik deze kamer bewoon, waarin +geen sprake is van zulke feestdagen (ik meen van zulke feesten als +gij, meer devoot voor God dan voor vrouwenvereering, zoo dikwijls hebt +gevierd,) en nooit komt door dezen uitgang de Zaterdag of de Vrijdag +of de vigiliëen of de quatertempers of de vastentijd, die zoo lang is, +maar dag en nacht wordt hier gewerkt en het linnen geslagen en van af, +dat dien nacht de vroegmetten klonken, weet ik wel, hoe het bovendien +van af den eersten keer gaat. En daarom wil ik bij hem blijven en +werken zoolang ik jong ben. En de feesten, de boetedagen en de vasten +zullen wij dienen, wanneer ik oud zal zijn. En maakt jij op goed geluk, +zoo gauw je kunt, dat je weg komt en doe zonder mij, wat je bevalt. + +Toen messire Ricciardo die woorden hoorde, ondervond hij een onduldbare +smart en zeide, toen hij haar zag zwijgen: Kijk, mijn zoete ziel, +wat spreekt gij daar voor taal! Let gij dan niet op de eer van uw +ouders en de uwe? Wilt gij liever hier blijven als bijzit van deze +en in doodzonde dan te Pisa als mijn vrouw? Hij zal u, zoodra gij hem +zult vervelen, met groote schande door uw eigen schuld wegjagen; ik zal +u altijd liefhebben en altijd zelfs als ik het niet zou willen, zult +gij mijn huisvrouw zijn. Moet gij voor die bandelooze en schandelijke +begeerte uw eer achter stellen en die van mij, die u meer bemin dan +mijn leven? Kom, mijn schat, spreek zoo niet meer, maar ga met mij +mee; van af heden, nu ik uw verlangen ken, zal ik mijn best doen dit +te bevredigen en daarom, mijn zoetelief, verander Uw besluit en ga +met mij mee, want ik heb mij nooit wel gevoeld, sinds gij mij zijt +ontnomen. Hierop antwoordde de donna: Wat mijn eer betreft wil ik, +dat, nu er niets aan te doen is, niemand anders dan ik er zorg voor +draagt; jammer, dat mijn ouders er zich niet om bekommerd hebben, +toen zij mij aan U afstonden. Maar daar ze op de mijne niet gelet +hebben, ben ik nu niet van plan op de hunne acht te slaan. En als ik +nu zondig met een vijzel, zal ik hier nog liever blijven, wanneer +ik er zondig met een stamper er bij; geeft gij daarom niet meer om +mij. Dit zeg ik U: hier--schijnt het mij--ben ik de vrouw van Paganino, +terwijl het mij scheen, dat ik te Pisa Uw bijzit was, daar ik dacht, +dat slechts door de standen van de maan en meetkundige berekeningen +de planeten tusschen U en mij samen kwamen, terwijl hier Paganino mij +den ganschen nacht in de armen sluit en mij omhelst en innig kust en +hoe hij met mij omgaat, mag God U in mijn plaats zeggen. Gij belooft +ook, dat gij Uw best zult doen. Met wat dan? Door het in drieën te +doen en door je zelf er met stokslagen toe te drijven? Ik zie, dat +gij een dappere held zijt geworden, sinds ik van U af ben. Ga heen en +tracht te leven, hoewel het mij eerder schijnt, dat gij op deze wereld +slechts als huurder van je leven en niet als eigenaar er van bestaat, +zoo aamborstig en uitgemergeld ziet gij er uit. En dit zeg ik U nog +bovendien: dat, als hij mij in den steek zou laten--wat hij mij niet +van zins schijnt, zoolang ik bij hem wil blijven--, ik niet van plan +ben bij U terug te keeren, want als men je heelemaal zou uitpersen +als de druiven, zou je nog geen schoteltje vocht opleveren. Daar +ik tot mijn groote schade en teleurstelling eens bij U geweest ben, +zal ik mijn voordeel dan elders zoeken. En hierom zeg ik U nogmaals, +dat er hier geen feesten zijn noch vigilieën; daarom wil ik hier ook +blijven en gaat gij dus maar heen met God, anders zal ik schreeuwen, +dat gij mij geweld wilt aandoen. + +De heer Ricciardo zag zich in een kwaad parket en erkende nu de +dwaasheid, een jonge vrouw te hebben genomen, ging treurig en +neergeslagen de kamer uit en zei nog veel tot Paganino, wat hem +voor niets hielp. Ten slotte zonder iets te hebben uitgericht, en de +donna te hebben achtergelaten, ging hij naar Pisa terug en verviel +door smart tot zulk een stompzinnigheid, dat hij, wanneer hij door +die stad liep, aan ieder, die hem groette of hem iets vroeg, niets +anders antwoordde dan: de gemeene dief verlangt geen rustdag en +kort daarop stierf hij. Daar Paganino de liefde wist en kende, die +de donna hem toedroeg, nam hij haar tot echtgenoote en zonder ooit +feesten of vigilieën of vasten te houden, hielden zij elkaar bezig zoo +veel ze konden en besteedden goed hun tijd. Daarom schijnt het mij, +lieve donna's, dat de heer Bernabo in twist met Ambrogiuolo de zaken +averechts behandeld heeft. + +Die geschiedenis liet het heele gezelschap zoo lachen, dat er geen een +was, wien er de kaken niet pijn van deden en eenstemmig wisten al de +donna's, dat Dioneo de waarheid had gezegd en dat Bernabo een domoor +was geweest. Maar toen de historie uit was en het lachen ophield, +zag de koningin, dat het al laat was. Daar allen gesproken hadden en +het einde van haar heerschappij was gekomen volgens den ingestelden +regel, nam zij den krans van het hoofd, plaatste dien op het kopje +van Neifile met blij gelaat en sprak: Voortaan, waarde gezellin, +zal aan u de regeering zijn over dit kleine volk en zij ging zitten +om te rusten. Neifile bloosde door de ontvangen hulde een weinig +en op haar gelaat verscheen de rozige gloed van April of Mei, die +zich toont bij den dageraad en de schoone oogen schitterend als de +morgenster hield ze een weinig neergeslagen. Maar toen het jolige +rumoer van de aanwezigen, waarmee zij vroolijk hun gezindheid jegens +de koningin betuigden, ophield, kreeg zij weer moed, zette zich wat +hooger dan gewoonlijk, en zeide: + +Daar ik uw koningin ben en niet wil afwijken van de orde gevolgd +door hen, die voor mij geweest zijn en waarvan gij door uwe +gehoorzaamheid het gezag hebt goedgekeurd, zal ik u in weinig woorden +mijn meening doen kennen en als die met u raad is goedgevonden, +zullen wij die nakomen. Gelijk gij weet, is het morgen Vrijdag +en overmorgen Zaterdag, vervelende dagen voor de meeste menschen, +wegens de spijzen, die men dan pleegt te eten, zonder te rekenen, +dat de Vrijdag onze eerbied waard is, omdat het de dag is, waarop Hij +stierf, die voor ons leed. Daarom denk ik is het juist en geschikt tot +Gods eere, dat wij ons dien dag eer met gebeden dan met vertellingen +bezighouden. Bovendien hebben de dames op Zaterdag de gewoonte zich het +hoofd te wasschen en zich van het stof te ontdoen en van de onreinheid, +die zij hebben opgedaan door hun bezigheden in de afgeloopen week. Zij +hebben insgelijks de gewoonte te vasten ter eere van de Moedermaagd +van Gods Zoon en den geheelen volgenden Zondag geenerlei arbeid te +verrichten. Daar wij dien dag onzen leefregel niet geheel kunnen +volgen, acht ik het voegzamer ons dien dag van het verhalen van +histories te onthouden. Daarna, omdat wij hier vier dagen gebleven +zijn, geloof ik, indien wij willen vermijden, dat nieuwe gasten +komen, dat het goed zal zijn van plaats te veranderen en elders heen +te gaan en ik heb al bedacht en voorzien, waarheen wij ons zullen +begeven. Wanneer wij ons dus op die nieuwe plaats zullen vereenigd +hebben op Zondag na de siësta--daar wij heden genoeg gelegenheid +gehad hebben om te spreken en van gedachten te wisselen--vermeen +ik, zoowel omdat gij meer tijd zult hebben om na te denken als +omdat het nog mooier zal zijn een weinig de ongebondenheid van de +geschiedenissen te beperken, dat men zal moeten spreken _van hen, die +door hun ijver gekregen hebben, wat zij lang hadden begeerd, of die +hebben weergevonden, wat zij hadden verloren_. Dat hierover elkeen +nadenke om iets te zeggen wat nuttig of althans aangenaam kan zijn +voor het gezelschap, terwijl het voorrecht van Dioneo behouden blijft. + +Ieder prees de taal der koningin en de door haar voorgestelde orde +en zij beslisten, dat het zoo zou wezen. Nadat de koningin haar +hofmeester had laten komen, wees zij hem nauwkeurig aan, waar hij 's +avonds de tafels moest zetten en wat hij daarna moest doen gedurende +den geheelen tijd van haar bewind. Toen dit gedaan was, stond zij met +het gansche gezelschap op en gaf aan ieder verlof te doen, wat hem het +meest beviel. De dames en heeren begaven zich dientengevolge naar een +kleinen tuin, en daar, nadat zij een weinig hadden gewandeld, hielden +zij op het aangewezen uur het avondmaal met vreugd en genoegen. Nadat +zij hiervan waren opgestaan, leidde, naar het de koningin behaagde, +Emilia den dans en werd het volgende lied gezongen, waarop de ander +antwoordde: + + + + Welke donna zal zingen, als ik het niet doe, + Die voldaan ben in al mijn begeerten! + + + + Kom dan, Amor, oorzaak van al mijn vreugde + Van al mijn hoop, van al mijn blij geluk; + Laat ons samen wat zingen + Niet van zuchten, noch van bittere pijnen, + Die mij thans Uw vreugde zoeter maken + Maar alleen van het heldere vuur, + Waarvan ik brandend in blijdschap leef en mij verheug + U aanbiddend als mijn god. + + + + Gij hebt mij voor de oogen gesteld, o Amor, + Den eersten dag, dat Uw vuur in mij gloeide + Zulk een jongeling, + Dat er aan schoonheid, aan hartstocht noch moed + Ooit een betere zal zijn te vinden + Noch aan hem gelijk. + Ik ben zoo voor hem ontvlamd, dat ik + Blij met U zing, o mijn heer. + + + + + En wat mij hierin het meest verheugt, + Is, dat ik hem evenveel behaag als hij mij, + Dank zij U, Amor. + Ik hoop in deze wereld mijn verlangen + Te bevredigen en in de andere vrede te vinden + Door het volkomen vertrouwen, + Dat ik hem toedroeg. God, die dit ziet, + Zal er zich in zijn hemelrijk nog over erbarmen. + + +Hierna zong men er nog vele anderen, deed men nog verscheidene dansen +en bespeelde men verschillende instrumenten. Maar toen de koningin het +tijd achtte om te gaan rusten, ging elk, voorafgegaan door toortsen, +naar zijn kamer en de twee volgende dagen vrij van de taak, waarvan +de koningin had gesproken, verwachtten zij met verlangen den Zondag. + + + + + + + +Derde Dag. + + _De tweede dag van de Decamerone_ eindigt; de derde vangt aan, + waarop men spreekt onder het bewind van Neifile van degenen, + die een zaak, door hen zeer verlangd, weten te verkrijgen of + een verlorene weten te herwinnen. + + +Reeds begon de dageraad bij het naderen van de zon van rozenrood oranje + te worden, toen de koningin op Zondag opgestaan, haar heele + gezelschap deed oprijzen. Reeds had de hofmeester een groote + hoeveelheid der benoodigdheden vooruit gezonden naar de plaats, + waar zij moesten heengaan en de bedienden, die er moesten + gereed maken, wat men gebruiken zou, toen hij de koningin op + weg zag en er al het andere haastig heen liet dragen, nu men + het verblijf daar had opgeheven en er met de bagage heentoog + gezamenlijk met het dienstpersoneel achter de donna's en de + heeren. De koningin met langzamen tred vergezeld en gevolgd + door haar donna's en de drie jongelingen en begeleid door + den zang van misschien twintig nachtegalen en andere vogels, + ging door een niet te veel gebruikt pad, maar vol groene + kruiden en bloemen, welke zich bij het opgaan der zon allen + begonnen te openen, nam den weg naar het westen en sprekend, + schertsend en lachend met haar gezelschap, zonder meer dan + tweeduizend schreden te hebben gedaan, leidde zij dat ruim, + voor de zon anderhalf uur op was, [43] naar een zeer schoon en + rijk verblijf, dat een weinig verheven uit de vlakte op een + heuvel stond. Toen zij daar binnen waren getreden en overal + rond waren gegaan, roemden zij het daar het een groote zaal + had en geboende en versierde kamers, die vol waren van al wat + in een vertrek noodig is, hoogelijk en beschouwden den bezitter + als een groot heer. Toen zij naar beneden gegaan de zeer ruime + en vroolijke binnenplaats er van hadden gezien, de gewelven + vol van de beste wijnen en het zeer frissche water, dat er + in groote massa opwelde, prezen zij het nog meer. Vervolgens + verlangend een weinig te rusten, gingen zij op een galerij + zitten, die den ganschen hof beheerschte en geheel gevuld + was met bloemen, welke de tijd opleverde en met groen. Toen + kwam de bescheiden hofmeester en ontving en versterkte hen + met heerlijke meelspijzen en uitstekende wijnen. Hierna + lieten zij zich een tuin openen naast het paleis, die rondom + ommuurd was en waar zij binnen traden en daar die hen bij de + eerste binnenkomst allen van een wonderbare schoonheid scheen, + begonnen zij aandachtiger alle deelen er van te beschouwen. De + tuin had rondom en in het midden vrij breede paden, allen + recht als pijlen en bedekt met houtwerk voor wingerdranken, + welke een grootschen aanblik vertoonden van veel druiven voor + dat jaar. En de bloemen verspreidden door den tuin zulk een + sterken geur, vermengd met die van vele andere planten, die + in deze gaarde welriekendheid verbreidden, dat het hen toe + scheen of zij zich daardoor bevonden tusschen alle specerijen, + die ooit in het Oosten groeiden. De zoomen van die paden waren + allen vol van witte en roode rozen en van jasmijnbloemen, + zoodat men niet alleen in den morgen, maar wanneer de zon + hooger was in geurige en aangename schaduw zonder door deze + gehinderd te worden, overal kon rondgaan. Het zou lang duren + om te vertellen hoeveel en hoedanige planten er waren en hoe + men ze had gerangschikt; maar geen is er prijzenswaardig, + welke ons klimaat verdraagt, van welke daar geen overvloed + was. In het midden daarvan (wat niet minder maar nog meer + prijzenswaardig is dan de voorafgaande dingen) was een weide + met zeer kort gras en zoo groen, dat het haast zwart leek, + geheel bezaaid met wel duizend soorten bloemen, rondom omsloten + van zeer groene en krachtige oranjeboomen en ceders, die rijpe + vruchten droegen en ook onrijpe en nog bloemen en die niet + alleen heerlijke schaduw gaven voor de oogen maar ook den reuk + streelden. In het midden van den tuin was een fontein van het + blankste marmer en met wonderbaar beeldhouwwerk. Daar binnen + wierp die--ik weet niet of het door een kunstmatige of een + natuurlijke ader was--door een beeld heen, dat op een zuil + in het midden daarvan overeind stond, zooveel water en zoo + hoog ten hemel, dat het steeds met heerlijk gedruisch in den + helderen spiegel terugviel en er zelfs minder van noodig zou + zijn om een molen mee te bewegen. Dit water--dat de fontein + deed overstroomen, als die vol was--verdween langs geheimen + weg van de weide en ging door zeer schoone en kunstig gemaakte + kanaaltjes. Eenmaal daarbuiten, in het daglicht gekomen, + omringde het dien geheel en het liep vandaar in dezen door + elk deel van den tuin heen en verzamelde zich eindelijk + op een plek, waar de mooie tuin zijn uitgang had en daar + stroomde het helder naar de vlakte neer, waar het, voor het + daar neerstortte, met zeer groote kracht en tot niet weinig + nut voor den heer twee molens deed draaien. Het gezicht van + dien tuin, zijn schoone orde, de planten en de fontein met + de kleine beken, die er uit neervloeiden, behaagde zoo aan + elke donna en aan de drie jongelingen, dat alle begonnen te + beweren, dat, indien er op aarde een Paradijs te maken was, zij + geen andere gedaante er voor wisten te vinden, dan deze tuin + geven kon, en dat zij ook niet dachten, dat zij buiten dezen + een dergelijke schoonheid zouden aantreffen. Terwijl zij er + zeer vergenoegd rondgingen en zich van verschillende bladeren + zeer schoone kransen maakten, hoorden zij van alle kanten + op wel twintig manieren vogels, die als om strijd zongen, + en bespeurden zij een bekoorlijke schoonheid, welke zij, +verrast door de andere, nog niet hadden opgemerkt. Zij zagen namelijk +den tuin vol van wel honderd soorten schoone dieren, die zij elkaar +aanwezen. Van den eenen kant kwamen konijnen te voorschijn, van de +anderen liepen hazen voorbij; daar zagen zij geiten liggen en ginds +jonge herten weiden. Bovendien gingen er verscheidene onschadelijke +beesten gelijk huisdieren heen en weer. Al die dingen schonken hun +na de andere bekoringen een nog veel grooter genoegen. Toen zij het +een en het ander voldoende gezien hadden en naar hun verlangen hadden +gewandeld, lieten zij rondom de schoone fontein de tafels zetten en +nadat zij hier eerst zes liederen hadden gezongen en eenige dansen +hadden gedaan, naar het de koningin beviel, begonnen zij te eten en +werden zij in de grootste en schoonste en rustigste orde bediend. Door +de goede en heerlijke spijzen vroolijker geworden stonden zij op en +gaven zich weer over aan muziek, zang en dans, tot het de koningin +bij de opkomende hitte tijd scheen, om aan wien het behaagde, te +gaan slapen. Dezen gingen er toe over, genen door de schoonheid van +dit oord overmeesterd, wilden niet heengaan maar bleven daar de een +bezig was met het lezen van romans, de ander met schaakspelen of met +dammen, terwijl de anderen siësta hielden. Maar toen de noen voorbij +was, stond men op, waschte het hoofd met frisch water en kwam men op +de weide, gelijk het de koningin behaagde, bijeen. Nadat men zich +aldaar volgens gewoonte had neergezet, wachtte men het oogenblik +af om geschiedenissen te gaan vertellen over het onderwerp door de +koningin voorgesteld. De eerste onder hen, aan wien de koningin dien +last opdroeg was Filostrato, die aldus begon: + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Masetto van Lamporecchio laat zich voor een doofstomme + doorgaan, wordt tuinman van een nonnenklooster en allen + eindigen met met hem te slapen._ [44] + + +Zeer schoone donna's. Er zijn heel wat mannen en vrouwen, die, dwaas +genoeg gelooven, dat, als aan een jong meisje de witte kap op het +hoofd is geplaatst en om haar lichaam de zwarte rok is gehangen, zij +dan geen vrouw meer is en niet meer de vrouwelijke begeerten gevoelt, +alsof door haar tot non te maken, men haar in steen veranderde. En +als zij misschien iets hooren tegen hun geloof, worden zij zoo kwaad, +dat het is of er een zeer groote en schelmsche misdaad tegen de Natuur +is bedreven, en ze bedenken niet, en willen er ook niet op letten, +dat zij zich zelf niet kunnen bevredigen, hoewel zij volle vrijheid +hebben en evenmin op den grooten invloed van het niets doen en van +de eenzaamheid. Zoo zijn er ook genoeg, die al te licht gelooven, +dat het houweel, de spade, het slechte voedsel en de vermoeienissen +geheel aan de landbouwers den lust tot den bijslaap ontnemen en +hun verstand en oordeel zeer verstompen. Maar hoe bedriegen zich al +diegenen, welke dit gelooven. Het behaagt mij, omdat de koningin het +mij gelast, en omdat het niet van het door haar voorgestelde afwijkt, +u dit duidelijk te maken met een kleine historie. In onze streek was +en is nog een nonnenklooster genoegzaam bekend wegens zijn heiligheid +(wat ik niet zal noemen om in geenen deele zijn roem te verminderen), +waarin niet lang geleden, daar er niet meer dan acht vrouwen waren +met een abdis en allen jong, een goed manneke was, gaardenier van hun +zeer schoonen tuin, die niet tevreden met zijn loon, zijn rekening +vereffende met den beheerder der donna's en naar Lamporecchio, waar hij +woonde, terug ging. Hier, onder de anderen, die hem blijde ontvingen, +was een jonge, sterke en forsche boer en voor een dorper was hij een +knappe kerel, die Masetto heette. Hij vroeg hem, hoe lang hij daar was +geweest. De goede man, Nuto genaamd, vertelde het hem. Masetto vroeg +hem, wat hij in het klooster uitvoerde. Nuto antwoordde: Ik bewerkte +den mooien en grooten tuin en bovendien ging ik soms naar het bosch +om hout te halen, putte water en verrichtte meer zulke diensten; +maar de donna's gaven mij zoo weinig loon, dat ik er ternauwernood +mijn schoenen van betalen kon. Bovendien zijn ze allen jong en het +schijnt mij, dat zij den duivel in het lijf hebben, omdat men ze +niets naar den zin kan maken; integendeel, wanneer ik op een keer +in den tuin werkte, zei de een: Breng dat hier en de ander: Breng +dat daar; en een ander nam mij de spade uit de handen en zeide: Dat +is niet goed. En zij gaven mij zooveel last, dat ik het werk er bij +neer legde en uit den tuin wegging, zoodat ik zoowel door het een als +het ander er niet langer wilde blijven en er vandaan ben gegaan. De +beheerder vroeg mij, toen ik vertrok, of ik, als ik iemand wist, +die dat werk kon doen, hem dien zou sturen en dat beloofde ik hem, +maar God make hem sterk van ribben, als ik er iemand heenzend of ik +stuur er niemand naar toe. Bij Masetto kwam, toen hij de woorden van +Nuto hoorde zulk een groote begeerte op om bij die nonnen te wezen, +dat hij er geheel van brandde en begreep door de woorden van Nuto, +dat hij door hem moest bereiken, wat hij verlangde. Maar hij overlegde, +dat hij niet zou slagen, als hij er Nuto niet van sprak, en zeide: Wel, +daar hebt gij goed aan gedaan om hier te komen! Hoe kan een man bij +vrouwen blijven. Hij zou beter met duivels kunnen samen zijn. Van de +zeven keer weten ze zes maal niet, wat ze zelf willen. Maar toen hun +gesprek ophield, begon Masetto er over te denken zich een middel te +verschaffen om bij hen te kunnen zijn en daar hij wist, dat hij wel +de diensten kon bewijzen, waarvan Nuto sprak, was hij er niet bang +voor daarom niet te worden aangenomen, maar hij vreesde niet te worden +ontvangen, omdat hij te jong en van te goed voorkomen was. Daarom na +vele dingen in zich zelf te hebben overpeinsd, dacht hij: De plaats +is hier vrij ver vandaan en niemand kent mij daar; indien ik net zal +doen of ik stom ben, zal ik zeker welkom zijn. + +En aan die list zich houdend, begaf hij zich met zijn bijl op den nek +zonder aan iemand te zeggen, waar hij heen ging, naar het klooster als +een arm man. Daar aangekomen trad hij binnen en vond bij toeval den +beheerder in den hof. Tegenover hem maakte hij gebaren als een stomme +en zette hem zoo uiteen, dat hij om eten vroeg uit barmhartigheid en +dat hij, als het noodig was, hout voor hem zou kloven. De beheerder +gaf hem gaarne te eten en gaf hem daarna zekere stammen, die Nuto +niet had kunnen kloven, welke hij, die heel sterk was in korten tijd +geheel had klein gehakt. De opzichter, die naar het bosch moest gaan, +nam hem met zich mede en liet hem daar hout hakken; toen, nadat hij +den ezel voor hem had gezet, beduidde hij hem door teekens, die naar +zijn stal te brengen. Dat deed hij heel goed, en omdat de opzichter +hem verschillende dingen wou laten verrichten, die hem te pas kwamen, +hield hij hem nog verscheidene dagen. Aldus zag hem de abdis en vroeg +aan den opzichter wie hij was. Hij zeide: Madonna, het is een arme, +stomme man, die hier op een goeden dag om een aalmoes kwam, zoo dat +ik hem goed heb gedaan en ik hem wat dingen heb laten verrichten, die +noodig waren. Als hij den tuin kan bewerken en hier wil blijven, geloof +ik, dat wij goeden dienst van hem kunnen hebben, omdat hij hier noodig +is. Hij is sterk en men kan hem laten doen, wat verlangd wordt en +bovendien gij behoeft niet te denken, dat hij tot Uw jonge nonnen zal +spreken. Hierop antwoordde de abdis: Bij mijn geloof in God, ge spreekt +juist. Onderzoek of hij kan werken en beproef hem hier te houden; +geef hem een paar schoenen, een oude pij, spreek hem vriendelijk toe, +verzorg hem en geef hem goed te eten. De opzichter zeide, dat hij het +zou doen. Masetto was niet ver af, maar deed of hij den hof schoon +veegde, terwiji hij dit alles hoorde en zeide verheugd tot zich zelf: +Indien je mij daar binnen brengt, zal ik den tuin voor je bewerken, +zooals het nog nooit gebeurd is. Toen nu de opzichter gezien had, +dat hij heel goed kon arbeiden, en hem door teekens had gevraagd of +hij daar wou blijven en deze aldus had geantwoord, dat hij zou doen, +wat de ander verlangde, nam hij hem aan, gelastte hem den tuin te +onderhouden, gaf hem nog meer in het klooster te doen en liet hem +toen alleen. Terwijl hij het eene na het andere deed, begonnen de +nonnen het hem lastig te maken en hem te bespotten gelijk anderen +dikwijls doofstommen doen en ze voegden hem de gemeenste woorden +toe, daar zij geloofden, dat hij het niet verstond. En de abdis, die +misschien dacht, dat hij evenzeer zonder bloed als zonder woord was, +bekommerde zich daar weinig om. Nu gebeurde het op een goeden dag, +dat hij na hard gewerkt te hebben uitrustte en dat twee jonge nonnen, +die door den tuin gingen, naderden, waar hij lag en welke hem, +die deed of hij sliep, begonnen te bekijken. Daardoor zei er een, +die brutaler was dan de andere: Als ik mag gelooven, dat gij het +geheim houdt, had ik u meermalen al een gedachte toevertrouwd, die +u ook misschien genoegen zou doen. De ander antwoordde: Zeg het maar +gerust aan mij, die het zeker nooit aan een ander zal vertellen. Toen +begon de stoutmoedige: Ik weet niet of gij er over hebt nagedacht, +hoe wij opgesloten zijn en dat nooit een man hier durft binnen treden +dan alleen die opzichter, die oud is en die doofstomme, en ik heb +dikwijls door vele vrouwen, die tot ons kwamen, hooren zeggen, dat +alle andere genietingen der wereld kinderspel zijn bij die, welke +de vrouw bij den man heeft. Daarom heb ik mij dikwijls voorgenomen, +omdat ik het met anderen niet kan, met dezen doofstomme te beproeven, +of dat zoo is. Hij is er de geschikste ter wereld voor, want al zou +hij het willen, hij zou het niet weten of kunnen over vertellen. Gij +ziet, dat het een jonge dwaas is veeleer sterk dan verstandig; +ik zou graag willen hooren, hoe u dat lijkt. Helaas! zei de ander, +wat zegt gij daar? Weet gij niet, dat wij onze maagdelijkheid aan God +hebben beloofd? O, hernam deze, men belooft den ganschen dag zooveel, +dat men niet houdt. Als wij het Hem beloofd hebben, vindt men wel de +een of de ander, die er zich aan zal houden. Daarop zeide de gezellin: +En als wij zwanger worden, hoe zal het dan gaan! Toen voegde de ander +er aan toe: Gij begint al gedachten te hebben over het kwaad, eer het +u bereikt. Mocht dit voorkomen, dan zullen we er aan gaan denken. Er +zijn duizend middelen om te maken, dat men het nooit zal weten, mits +wij het zelf niet vertellen. Toen gene dit hoorde, die nog meer lust +had om te ondervinden hoe dierlijk de mensch is, zeide zij: Welnu, +hoe zullen wij doen? Waarop de ander antwoordde: Gij ziet, dat het het +uur is van den noen, ik geloof, dat alle zusters goed slapen behalve +wij; laten wij door den tuin kijken of er niemand is en zoo ja, dan +hebben wij niets anders te doen dan hem bij de hand te nemen en hem +in gindsche hut te brengen, waar hij voor den regen schuilt en daar +zal de eene met hem zijn en de andere de wacht houden. Hij is zoo +dwaas dat hij wel goed zal vinden, wat wij willen. + +Masetto hoorde dit heele gesprek en tot gehoorzamen bereid, verwachtte +hij niets anders dan door een van hen meegenomen te worden. Toen dezen +goed overal hadden opgelet en ziende, dat zij nergens opgemerkt konden +worden, naderde zij, die het woord had genomen, Masetto, riep hem +op en deze hief zich dadelijk van den grond. Daarop nam zij hem met +vleiende gebaren bij de hand; hij zette een dwaas lachend gezicht en +zij leidde hem naar de hut, waar Masetto zonder zich te veel te laten +uitnoodigen, dat deed, wat zij wilde. Deze, toen zij haar zin had, gaf +als eerlijke vriendin aan de ander gelegenheid en Masetto nog altijd +den onnoozele spelend, voldeed aan haar begeerte. Daarom eer zij er +uit gingen, wilden zij elk nog eens ondervinden, wat de doofstomme +kon. Daarna spraken zij er dikwijls over, en zeiden, dat het zulk +een heerlijk genot was en grooter dan zij gehoord hadden. Zij namen +er voortaan op het geschikte uur den tijd voor om met den doofstomme +zich te verheugen. + +Eens gebeurde het, dat een van hun gezellinnen, die het gemerkt had +door het raam van haar cel, het aan twee anderen vertelde. Alle drie +hadden eerst een onderhoud om het aan de abdis te gaan overbrengen, +maar daarop veranderden zij van meening, werden het onder elkaar eens +en werden deelgenooten van de kracht van Masetto. Door verschillende +toevallen werden ook de andere drie op verschillende tijden +gezellinnen. Ten slotte vond de abdis, die het nog niet gemerkt +had, door den tuin alleen gaande, toen het zeer warm was, Masetto +(die van weinig werk overdag maar te veel ruiterdienst bij nacht, +vermoeid was) geheel in den schaduw uitgestrekt van een amandelboom en +slapende en daar de wind de slip van zijn hemd naar voren oplichtte, +lag hij geheel naakt. Toen de donna dit zag en zich alleen bespeurde, +verviel zij tot dezelfde begeerte als hare kloosterlingen en na +Masetto te hebben opgewekt, leidde zij hem naar haar kamer, waar +zij hem verscheidene dagen tot groote teleurstelling van de nonnen, +die den tuinman niet meer in den tuin zagen werken, hield en waar +zij die zaligheid genoot en weer genoot, welke zij vroeger bij +anderen gewoon was te misprijzen. Daar zij hem eindelijk van haar +kamer dikwijls uit zijn vertrek riep en hem vaak weer zag en meer +voor zich vroeg, dan Masetto bij zooveel anderen kon geven, dacht +hij er over, of zijn doofstomheid hem van dienst kon zijn, als bij +langer verblijf die hem te veel zou verzwakken. Daarom verbrak hij +op een nacht met de abdis alleen het zwijgen en zeide: Madonna, ik +heb gehoord, dat een haan voldoet voor tien kippen, maar dat tien +mannen slecht en met moeite een vrouw kunnen voldoen, zoodat ik er +geen negen kan bedienen, wat ik om alles ter wereld niet uithouden, +kan. Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een +toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, +en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel +op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, +was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom +was? Madonna, zei Masetto, ik ben dat, geweest maar niet van nature, +slechts door een ziekte is mij de spraak ontnomen en pas hedennacht +voel ik mij die voor het eerst terug gegeven, waarvoor ik God prijs +zooveel ik kan. De abdis geloofde hem en vroeg hem wat hij met die +negen vrouwen bedoelde, die hij had te bedienen. Masetto vertelde +haar de geschiedenis. Toen de abdis die hoorde, en dat er geen non +was wijzer dan zij, besloot zij daarom als stilzwijgende vrouw zonder +Masetto te laten vertrekken zich met haar nonnen te verstaan over +die gebeurtenissen, opdat het klooster niet door Masetto zou worden +geschandvlekt. Daar een dier dagen de opzichter stierf, kwamen de +nonnen wederkeerig dit overeen, nadat onderling ontdekt was, wat zij +gedaan hadden: zij spraken met toestemming van Masetto af, opdat de +omwonende lieden het zouden gelooven, dat door hun gebeden en dank +zij den heilige, waarnaar het klooster was genoemd, aan Masetto, +die lang stom was geweest, de spraak was terug geschonken en hem +opzichter te maken. En zij verdeelden zijn taak zoo, dat hij die +kon dragen. Hoewel hij heel wat nonnetjes had voortgebracht, bleef +de zaak in 't geheim bij hen voortgaan, zoodat niemand er iets van +merkte behalve na den dood van de abdis, toen Masetto al oud was en +verlangde rijk naar huis terug te keeren. Toen dit bekend werd, viel +dit hem te lichter. Aldus kwam Masetto oud terug, rijk en als vader +zonder de moeite te hebben zijn kinderen te voeden en ze te onderhouden +en nadat hij door zijn overleg zijn jeugd wel had weten te besteden, +waar hij heen was gegaan met een bijl op den schouder, beweerde hij, +dat Christus aldus behandelde wie Hem Zijn bruiden ontnam. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Een stalknecht slaapt met de vrouw van koning Agilulf, + wat deze in stilte bemerkt. Hij vindt hem en knipt hem een + lok haar af; de geknipte doet het alle andere bedienden en + ontkomt daardoor aan een boos lot._ [45] + + +Toen het einde der geschiedenis van Filostrato gekomen was, welke de +dames soms een weinig had doen blozen en die ze soms had doen lachen, +behaagde het aan de koningin, dat Pampinea met verhalen voortging. Deze +begon met lachend gelaat en zeide: Er zijn enkele menschen, die niet +bescheiden genoeg zijn om te verbergen wat zij weten en kennen, en +wat niet goed voor hen is te weten en dikwijls meenen zij, door de +fouten te berispen, die zij bij anderen hebben opgemerkt, de hunnen +te verminderen, waardoor zij die juist eindeloos vermeerderen. En dat +dit waar is, zal ik tot tegenstelling, verliefde dames, u bewijzen +door u in den geest van een dapper koning een sluwheid te toonen, +die misschien voor minder moet worden gehouden dan die van Masetto. + +Agilulf, koning der Longobarden [46] gelijk zijn voorgangers plaatste +te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, den zetel van zijn regeering +na Teudelinga [47] tot vrouw te hebben genomen, welke als weduwe was +achtergebleven van Autarius, insgelijks vroeger koning der Longobarden, +die een zeer schoone, wijze en eerlijke vrouw was maar ongelukkig in +de liefde. De zaken der Longobarden gingen dank zij de deugd en de +wijsheid van dien koning Agilulf eenigen tijd goed en voorspoedig, +tot een stalknecht van genoemde koningin, een man wat zijn afkomst +betreft van gemeenen oorsprong, maar overigens veel slimmer dan zijn +laag baantje eischte en even groot en knap als de koning, mateloos +op de koningin verliefd werd. En daar zijn lagen rang hem niet had +belet te begrijpen, dat zijn liefde zeer onwelvoegelijk was, bekende +hij, dit wetend, die aan niemand noch had hij den moed die met zijn +blikken aan de koningin te doen bemerken. + +Hoewel hij zonder eenige hoop leefde haar ooit te kunnen behagen, +beroemde hij er zich in zich zelf op zijn gedachten zoo hoogte hebben +verheven en gelijk iemand, die geheel van liefdevuur gloeide, deed +hij ijverig behalve bij zijn geleide, al wat aan de koningin behagen +kon. Als de koningin moest paardrijden, ging zij liever door dien +palfrenier bewaakt uit dan met eenig ander, wat hij, wanneer het +gebeurde, als een zeer groote gunst beschouwde en nooit liet hij +de teugels los, gelukkig als hij soms toch maar haar kleederen +kon aanraken. Maar gelijk wij dikwijls elders zien, wanneer het +verminderen van de hoop de liefde grooter doet worden, geschiedde +het ook bij dien armen palfrenier, waarbij het voor hem zeer moeilijk +was dit groote verlangen zoo verborgen te houden, daar hij door geen +enkele hoop gesterkt werd. En meermalen besloot hij in stilte, daar +hij zich van die liefde niet kon genezen, om te sterven. Terwijl hij +dacht aan het middel, nam hij het besluit dien dood zoo te doen plaats +hebben, dat men zou bemerken, dat hij gestorven was door de liefde, +die hij de koningin had toegedragen en toedroeg. Hij stelde zich voor +het zoo te doen, dat hij hiermee zijn fortuin beproefde om geheel +of half zijn verlangen te bevredigen. Hij wilde er de koningin geen +woord van zeggen noch door een brief zijn liefde doen gevoelen, daar +hij wist dat het vergeefs was haar dit te zeggen of te schrijven, +maar hij wilde door list beproeven met de koningin te slapen. Er +was geen andere list noch een andere weg, als middel dan de persoon +des konings zelf, van wien hij wist, dat die steeds bij haar sliep, +om tot haar door te dringen en haar kamer binnen te treden. Daartoe, +opdat hij zou zien op welke wijze en in welk kleed de koning liep, +als hij zich tot haar begaf, verborg hij zich meermalen 's nachts in +een groote zaal van het paleis, welke in het midden was tusschen de +kamer des konings en die van de koningin. En onder anderen zag hij +op een nacht den koning uit zijn kamer komen gewikkeld in een grooten +mantel, in de hand een aangestoken toorts houdend en in de andere een +ring en naar het vertrek van de koningin gaan. Daar klopte hij zonder +een woord te spreken een of twee keer aan de kamerdeur met dien ring en +dadelijk werd hem open gedaan en de toorts uit de hand genomen. Toen +hij dit gezien had en hij hem op dezelfde wijze had zien terugkeeren, +dacht hij insgelijks zoo te moeten handelen. Nadat hij een middel +had gevonden om een mantel te krijgen gelijk hij bij den koning had +gezien en een toorts en een kleinen ring en na zich eerst in een warm +bad goed te hebben gewasschen, opdat de reuk van den stal misschien +de koningin niet zou hinderen of haar de list zou doen gewaar worden, +verborg hij zich hiermee, gelijk hij gewoon was, in de groote zaal. En +toen hij gewaar werd, dat men overal sliep en het hem tijd scheen aan +zijn begeerte te voldoen, of stoutmoedig om die reden den weg te banen +naar den verlangden dood, maakte hij met een steen en met een zwam, +die hij bij zich droeg, wat vuur, stak zijn toorts aan en gehuld in +en omwikkeld van zijn mantel, begaf hij zich naar de kamerdeur en +klopte tweemaal met den ring. De kamer werd door een zeer slaperige +kamenier geopend en hem het licht uit de handen genomen en gedoofd, +waarop hij zonder een woord te spreken door het gordijn ging, den +mantel aflegde en in het bed kwam, waar de koningin sliep. Hij sloot +haar verlangend in zijn armen en deed of hij een kwade bui had (omdat +hij de gewoonte des konings kende, die, als hij boos was, geen woord +sprak) zonder een woord te uiten en zonder zich iets te laten zeggen en +leerde meermalen de koningin kennen. Daar het heengaan hem zwaar viel, +maar hij toch vreesde, dat een lang verblijf de oorzaak zou zijn, dat +het ondervonden genoegen in verdriet zou veranderen, stond hij op en na +zijn mantel te hebben opgezocht en het licht, ging hij zonder eenige +reden weg en zoo gauw hij kon, sloop hij naar zijn bed terug. Hij kon +er ternauwernood wezen, toen de koning opstond en naar de kamer der +koningin ging, waarover zij zich zeer verwonderde. Toen hij in het +bed was gekomen en haar blijmoedig had gegroet, vatte zij door zijn +opgeruimdheid moed om hem te zeggen: Mijn heer, wat is dat vannacht +voor nieuwigheid? Gij hebt mij ternauwernood verlaten en buiten Uw +gewoonte hebt gij van mij genoten en gij komt zoo gauw terug? Let +op wat gij doet. Toen de koning die woorden hoorde, vermoedde hij +dadelijk, dat de koningin door gelijkenis van gewoonte en persoon +bedrogen was geworden, maar als verstandig man vatte hij dadelijk +het plan op, daar hij zag, dat de koningin er niets van gemerkt +had, om haar niets daarvan te doen bespeuren. Vele dwazen zouden +dit niet hebben gedaan, maar zouden gezegd hebben: Ik, ik was niet +hier! Wie was het, die hier kwam? Hoe kwam hij? Wie is het? Waaruit +verschillende dingen zouden ontstaan zijn, waardoor hij nutteloos de +koningin verdriet zou hebben gedaan, en haar ten tweeden male zou +hebben doen verlangen, wat zij al ondervonden had. Als hij er over +zweeg, kon dit geen schande over hem brengen, maar als hij sprak, +zou hij er oneer mee hebben behaald. De koning antwoordde haar dan +ook meer innerlijk dan door gelaat en met woorden vertoornd: Vrouw, +schijn ik U niet een man, die hier kan geweest zijn en die weer kort +daarop kan terugkeeren? Daarop antwoordde de donna: Ja, mijn heer; +maar in ieder geval bid ik U op Uw gezondheid te letten. Toen sprak +de koning: Het behaagt mij Uw raad te volgen en ditmaal wil ik zonder +U verder te verontrusten terugkeeren. Het hart vol toorn en van +ongenoegen over hetgeen hem was aangedaan, nam hij zijn mantel weer +op, ging de kamer uit, dacht, dat hij wel stil zou vinden, wie dat +misdreven had en meende, dat die tot het paleis moest behooren. Wie +het ook was, hij zou er niet levend uit komen. Hij zette een klein +lichtje in een lantarentje en begaf zich in een zeer lange slaapzaal +in zijn paleis boven de paardenstallen, waarin bijna zijn geheele +personeel in verschillende bedden sliep. Hij dacht, dat bij wien dat +gedaan had, wat de donna zeide, noch de pols noch het hart door de +verduurde onrust alweer rustig kon slaan, en stil beginnend bij een +der uiteinden van het logies begon hij bij allen de borst aan te raken, +om te zien hoe die klopte. Hoewel ieder ander vast sliep, was dit niet +het geval bij dengeen, die bij de koningin was geweest. Toen hij den +koning zag naderen, en dacht, dat die aan het zoeken was, begon hij +evenzeer te vreezen voor zijn hartslag als voor de doorgestane angst, +zoodat hierdoor bij de benauwdheid een nog grootere kwam en hij meende +beslist, dat, als de koning het zou gewaar worden, hij hem dadelijk zou +doen sterven. Daar hem verschillende gedachten door het hoofd gingen +van wat hij moest doen, maar hij den koning zonder wapens zag, had +hij plan net te doen of hij sliep en af te wachten, wat de koning zou +aanvangen. Nadat de vorst zeer had gezocht en niet dengeen vond, dien +hij meende, dat de dader was, kwam hij bij dezen en daar hij voelde, +dat diens hart sterk sloeg, zei hij tot zich zelf: Die is het. Maar +omdat hij iemand was, die niets wilde doen wat men zou kunnen merken, +deed hij hem niets anders dan hem met een schaar, die hij hij zich had, +aan eenen kant de haren afsnijden, welke men destijds zeer lang droeg, +opdat hij door dit merk hem den volgenden morgen zou herkennen. Toen +dit gedaan was, ging hij heen en keerde naar zijn kamer terug. + +Hij, die dit had gemerkt, en die slim was, begreep al te wel, dat +hij daarmee geteekend was. Daarom stond hij zonder verwijl op, vond +toevallig een andere schaar, die in den stal diende voor de paarden, +ging zacht langs allen, die in het logies sliepen en knipte ze allen +boven de ooren het haar af op dezelfde manier en toen dit gedaan was, +ging hij, zonder te worden opgemerkt, slapen. Toen de koning 's morgens +opstond, beval hij, dat, voor de poorten van het paleis opengingen, +al zijn bedienden voor hem kwamen en dat gebeurde. Daar deze allen +blootshoofds voor hem stonden, begon hij te kijken of hij den door +hem geknipten zou herkennen en toen hij het meerendeel van hen op +dezelfde wijze geknipt zag, verwonderde hij zich en zei in zich zelf: +Hij, die ik zoek, toont hoe laag zijn stand ook is, van groot verstand +te zijn. Daar hij toen zag, dat hij zonder gerucht niet dengeen kon +vinden, dien hij zocht, en hij niet van plan was voor een kleine wraak +een groote schande op te loopen, beperkte hij zich den schuldige met +een enkel bedekt woord te waarschuwen en hem te doen gewaar worden, +dat hij het gemerkt had. Hij keerde zich tot allen en sprak: Dat hij, +die het deed, het nooit meer doet, en gaat gij allen met God. Een ander +zou hem hebben laten blozen, pijnigen, onderzoeken en ondervragen, +en dit doende, zou hij ruchtbaar hebben gemaakt, wat elk getracht +zou hebben te verbergen. En als hij het geopenbaard had, had hij, al +zou hij ook volledige wraak hebben genomen, niet zijn schande hebben +verminderd maar vermeerderd en de eer van zijn vrouw geschonden. Zij, +die deze woorden hoorden, waren verwonderd, en onderzochten lang +onder elkaar, wat de koning hiermee had willen zeggen, maar niemand +begreep dit, behalve hij op wien dit sloeg. Deze als een wijs man, +sprak er nooit over zoolang de koning leefde en stelde nooit meer +zijn leven door zulk een daad aan gevaar bloot. + + + + + + +Derde Vertelling. + + _Een donna, verliefd op een jonge man, brengt onder den schijn + van vroomheid en van een zeer rein geweten, een eerzamen + monnik er toe, zonder dat die het merkt, haar de gelegenheid + te geven haar begeerte geheel te bevredigen._ [48] + + +Reeds zweeg Pampinea en werden de vermetelheid en de sluwheid van den +stalknecht door het meerendeel van hun geprezen en evenzoo het verstand +van den koning toen de koningin, die zich naar Filomena gekeerd had, +haar gebood te vervolgen. Aldus begon Filomena vol gratie te spreken: +Ik ben van plan u een grap te vertellen, die werkelijk is uitgehaald +door een schoone dame met een ernstigen geestelijke, welke des te meer +aan elken leek moet bevallen, omdat de geestelijken meestal zeer dwaas +zijn en menschen van vreemde manieren en gewoonten, zich in alles +van veel meer waarde achten en van alles veel meer meenen te weten, +terwijl zij veel minder zijn dan de anderen. Want het zijn lieden, +die door lafheid van ziel geen middel hebben als de anderen om zich +te onderhouden en daar hun toevlucht zoeken, waar zij als het varken +maar te eten kunnen krijgen. Ik zal die geschiedenis vertellen, o +bekoorlijke dames, niet alleen om de ingestelde orde, maar ook om u +te doen opmerken, dat ook de geestelijken, welke wij, veel te licht +geloovig te veel vertrouwen verleenen, aardig voor den mal gehouden +kunnen worden en soms ook misleid zijn, niet alleen door ons mannen, +maar ook door een of andere vrouw uit ons midden. + +In onze stad, waar meer misleiding voorkomt dan liefde en vertrouwen, +leefde, nog niet lang geleden, een edelvrouw, die zich onderscheidde +door haar bekoorlijkheden en manieren en die door de natuur met een +hoogen geest en een fijne opmerkingsgave was bedeeld, wier naam ik +niet wil openbaren als die van ieder ander, welke in deze vertelling +voorkomt, daar ik weet, dat er nog menschen leven, die zich daarover +zouden verontwaardigen, hoewel men er slechts met een lach zou moeten +over heengaan. Die dame, die haar hooge afkomst kende en gehuwd was +met een wolwever, kon evenwel het denkbeeld niet van zich afzetten, +dat een man van lagen stand, hoe rijk ook, een edelvrouw waardig +was. En daar zij zag, dat haar man met al zijn geld tot niets anders +kon komen dan tot het afhaspelen van een streng of het spannen +van een doek of met een weefster ruzie te maken over een weefsel, +nam zij zich voor zich geheel aan zijn omhelzingen te ontrukken, +zoover zij die kon weigeren en zij wilde om zich zelf te voldoen, +iemand vinden, die meer dan de wolwever haar dit waardig scheen. Zij +werd verliefd op een flink man van middelbaren leeftijd, zoodat, +als zij hem zag, zij den volgenden nacht niet zonder smart door kon +brengen. Maar de waardige man bemerkte het niet en bekommerde er +zich dus niet om en zij, die zeer slim was, liet het haar minnaar +noch door een vrouwelijke gezant, noch door een stoutmoedigen brief +bemerken, vreezend voor mogelijke gevaren. Toen zij bemerkt had, +dat die minnaar veel omging met een geestelijke, die, hoezeer hij +ook kaalhoofdig en dom was, niettemin, daar hij zeer heilig leefde, +door ieder voor een zeer eerwaardig man werd gehouden, dacht zij, +dat die uitstekend tot bemiddelaar kon dienen tusschen haar en dezen. + +Na wel het middel overdacht te hebben, dat zij moest gebruiken, +begaf zij zich op het geschikte uur naar de kerk, waar hij woonde, +liet hem roepen en zei, dat ze, als het hem beviel, bij hem wilde +biechten. De broeder zag haar en daar hij meende, dat zij een +edelvrouw was, hoorde hij haar gaarne aan. Zij sprak tot hem na +de biecht: Mijn vader, ik moet tot U mijn toevlucht nemen en raad +vragen voor hetgeen gij zult hooren. Daar gij weet, omdat ik het +U zelf gezegd heb, wie ik ben en gij dus ook mijn ouders en mijn +echtgenoot kent, die mij meer dan zijn leven lief heeft, verlang ook +ik niets van hem, die een rijk man is en het wel doen kan, of ik heb +het dadelijk, zoodat ik ook hem meer dan mij zelf lief heb. Ik laat +ter zijde wat ik doen zou, maar, ik beweer, dat, als ik alleen maar +zou denken aan iets wat tegen zijn eer of geluk was, geen slechter +vrouw meer dan ik het vuur zou verdienen. Nu is er iemand, van wien +ik den naam niet weet, maar die mij een goed mensch schijnt en die, +als ik mij niet bedrieg, veel met U omgaat, knap en groot van stuk, +zeer fatsoenlijk in 't bruin gekleed, en die misschien niet denkt, +dat ik zoo standvastig ben en mij schijnt te willen belagen, want ik +kan mij niet aan deur of venster vertoonen, noch het huis verlaten +of hij verschijnt dadelijk voor mij. En ik verwonder mij, dat hij +thans niet hier is, waarover ik mij verheug, omdat die soort dingen, +vaak zonder de minste schuld gebeurd, een blaam werpen op fatsoenlijke +vrouwen. Ik heb mij eens voorgenomen het aan mijn broeders te zeggen, +maar later heb ik bedacht, dat de mannen dikwijls een boodschap doen, +zoo dat de antwoorden ongunstig zijn, waaruit twisten geboren worden +en uit twisten ontstaat strijd. Daarom, opdat er geen kwaad en geen +schandaal uit voortkomt, heb ik gezwegen en heb ik besloten het liever +aan U te zeggen dan aan anderen, zoowel omdat gij zijn vriend schijnt +te wezen als omdat het U past niet slechts vrienden maar zelfs vreemden +over zulke zaken te berispen. Daarom bid ik U bij den eenigen God, +dat gij hem hierover zult onderhouden en verzoeken, dat hij verder +niet meer zoo handelt. Er zijn genoeg andere vrouwen, die gelukkig +daartoe bereid zijn en het zal hun behagen door hem bespied en begeerd +te worden, terwijl het voor mij een zeer hinderlijke last is, daar +ik op geenerlei wijze in zoo iets zin heb. Nadat zij dit gezegd had, +deed ze of zij wilde huilen en boog zij het hoofd. + +De heilige broeder dacht dadelijk, dat, wat zij zeide, waar was en +nadat hij de donna zeer over haar goed karakter had geprezen en hij +vast geloofde, dat zij oprecht sprak, beloofde hij haar, dat hij +zoo zou handelen, dat zij van hem geen last meer zou hebben. Daar +hij wist, dat zij zeer rijk was, prees hij haar zeer voor haar daden +van barmhartigheid en aalmoezen en vertelde haar zijn nooden. Hierop +antwoordde de donna: Ik bid U er God voor, indien hij zou ontkennen, +zeg hem dan bepaald, dat ik het geweest ben, die het U verteld heb +en mij er over heb beklaagd. Toen zij daarna gebiecht had en boete +had gedaan en zich de vertroostingen herinnerde haar door den broeder +geschonken wegens haar liefdadige werkzaamheid, vulde zij hem stil de +hand met geldstukken en verzocht hem missen te lezen voor de ziel en +van haar overleden familie. Zij stond op en begaf zich naar huis. Kort +daarop kwam de brave man als gewoonlijk bij den heiligen broeder, +met wien hij over een en ander sprak, tot deze hem ter zijde nam en +hem op zeer beleefde manier er over onderhield, dat hij de donna het +hof maakte en bespiedde, gelijk hij ook geloofde, en zooals zij hem +had te verstaan gegeven. De brave man verwonderde zich, daar hij haar +nooit nageloopen was en gewoon was zelden haar huis voorbij te gaan en +begon zich te verdedigen, doch de monnik liet hem niet uitspreken, +maar zeide hem: Doe nu niet of gij u verwondert en verlies geen +woorden door het te ontkennen, omdat gij het niet kunt; ik ben dat +niet van buren te weten gekomen, maar zij zelf heeft het mij verteld +en zich zeer beklaagd. Zoo weinig als die dingen u ooit passen, zoo +zeker zeg ik u, dat, als er eenige vrouw wars is van die dwaasheden, +dan is het deze. Daarom voor haar eer en om harentwil verzoek ik u, +houdt op en laat haar gaan in vrede. De brave man, slimmer dan de +heilige broeder, begreep zonder veel moeite de sluwheid van de donna, +veinsde zich te schamen en zeide zich voortaan niet meer met haar bezig +te zullen houden. Hij ging van den broeder weg en begaf zich naar het +huis van de donna, die stond op te letten aan een klein raampje om +hem te zien, als hij voorbijging. Toen zij hem zag aankomen, toonde +zij zich zoo vroolijk en lief, dat hij maar al te wel besefte, dat +hij het ware van de woorden des broeders gevat had. Van af dien dag +placht hij voortaan zeer voorzichtig met genoegen en tot zeer groot +welgevallen en troost van de donna, terwijl hij net deed of daar een +andere reden voor was, door die buurt te gaan. Maar toen de donna +bemerkt had na eenigen tijd, dat zij aan hem evenzeer behaagde als hij +aan haar en zij verlangde hem nog meer te ontvlammen en zich van de +liefde te verzekeren, die zij hem toedroeg, koos zij plaats en tijd, +begaf zich naar den heiligen broeder en na zich in de kerk aan zijn +voeten te hebben geplaatst, begon zij zich te beklagen. De broeder +zag dit en vroeg haar medelijdend, welk nieuws zij had. De donna +antwoordde: Mijn vader, de tijdingen die ik heb, zijn geen anderen dan +van dien door God vervloekten vriend van U, waarover ik mij vroeger +heb beklaagd, zoodat ik geloof, dat hij tot een zeer groote plaag +voor mij geboren is en om mij iets aan te doen, waardoor ik nooit +meer rust zal hebben en waardoor ik mij nooit meer aan uw voeten zal +kunnen werpen. Hoe! sprak de monnik, heeft hij niet opgehouden u nog +meer verdriet te doen? Zeker niet, antwoordde de donna, integendeel; +nadat ik mij er bij u over had beklaagd, is hij, alsof hij er een +hekel aan had, daar hij mij zeker kwalijk nam, dat ik mij er over +uitte, tegen vroeger een, thans--geloof ik--wel zeven keer voorbij +gekomen. En dat het Gode maar behaagde, dat het voorbijgaan en mij +beloeren hem voldoende was, maar hij is zoo brutaal en onbeschaamd +geweest om mij niet later dan gisteren een vrouw te sturen om mij +bericht van hem te zenden en praatjes te verkoopen en alsof ik geen +beurzen en geen gordels had, zond hij mij een beurs en een gordel, +wat ik hem zoo kwalijk nam en nog neem, dat ik geloof, zoo ik niet +vreesde te zondigen, en dan nog uit genegenheid voor u, dat ik voor +den duivel zou hebben gespeeld. Maar ik heb mij toch ingehouden +en ik heb niets willen doen of aan iemand iets zeggen, voordat ik +het u liet weten. Bovendien heb ik de beurs en den gordel al terug +gegeven aan de vrouw, die dezen bracht, opdat ze die hem weerom gaf +en ik heb haar barsch weg gesnauwd, maar vreezend, dat zij die voor +zich hield en hem zou vertellen, dat ik die zou hebben aangenomen, +gelijk ik meen, dat ze wel eens doen, heb ik haar terug geroepen en ze +die vol minachting uit de handen gerukt en ze hier naar U gebracht, +opdat gij ze hem terug brengt en hem zeggen zult, dat ik zijn zaken +niet noodig heb, omdat, dank zij God en mijn man, ik zooveel beurzen +en gordels heb, dat ik er in zou kunnen wegzinken. Hierna vraag ik +U als aan een vader mij te vergeven, dat, als hij nu niet ophoud, +ik het aan mijn man zal zeggen en aan mijn broeders, er mag dan van +komen wat wil. Want ik zie hem liever beleedigd, als het moet, dan +dat ik door hem wordt geschandvlekt. Vaarwel, vader! Na deze woorden +en zeer schreiend trok zij uit haar gewaad een zeer schoone en rijke +beurs met een fraaien en duren gordel en wierp die den broeder in den +schoot. Deze geloofde ten volle, wat de donna zeide, nam haar hevig +vertoornd ter zeide en sprak: Mijn dochter, als gij U daarover kwelt, +verwondert het mij niet en zou ik U er niet over kunnen misprijzen, +maar ik vind het zeer goed van U, dat gij hierin mijn raad volgt. Ik +nam hem voor kort onder handen en hij heeft slecht gehouden, wat hij +mij heeft beloofd, daarom om het een en het ander, dat hij op nieuw +heeft uitgehaald, ben ik van plan hem nu zoo de ooren te wasschen, +dat hij U geen hinder meer zal veroorzaken en laat U met Gods zegen +niet door toorn vervoeren over hetgeen hij U gezegd heeft, waaruit +slechts al te veel kwaad voor hem zou volgen. Vrees ook niet, dat +er voor U schande uit zal voortkomen, want ik zal altijd voor God en +alle menschen de zekerste getuige zijn van Uw eerbaarheid. + +De donna wendde voor eenigzins gerust te zijn gesteld en na dit +onderwerp te hebben losgelaten, daar zij zijn hebzucht en die der +andere monniken kende, zeide zij: Heer, in de laatste nachten zijn mij +verscheidene van mijn verwanten verschenen en het schijnt mij, dat zij +in den grootsten nood zijn en niets anders dan aalmoezen vragen en in +het bijzonder mijn moeder, die mij zoo bedroefd en ongelukkig voorkomt, +dat het jammerlijk is om te zien. Ik geloof, dat zij zeer gepijnigd +wordt mij in die ongelegenheid te zien met dien vijand des Heeren en +daarom wensch ik, dat gij voor hun zielen de veertig missen van den +heiligen Gregorius [49] leest en eenige van Uw gebeden, opdat God ze +voert uit dit martelvuur en bij die woorden stopte zij hem een florijn +in de hand. De heilige broeder nam die opgeruimd aan, en versterkte +met goede woorden en met vele goede voorbeelden haar vroomheid en liet +haar gaan na haar zijn zegen te hebben gegeven. De donna ging heen, +maar hij merkte niet, dat hij voor den gek was gehouden en ontbood +zijn vriend. Toen die gekomen was en die hem boos vond, begreep hij +dadelijk, wat voor nieuws hem de donna verteld had en wachtte hij af, +wat de broeder zou zeggen. Hij herhaalde zijn vroegere woorden en sprak +hem opnieuw scherp en bitter toe, berispte hem zeer over hetgeen hem +de donna gezegd had, dat deze zou hebben misdreven. De brave man, +die nog niet zag, waartoe de broeder wilde komen, ontkende vrij +zwakjes, dat hij een beurs en een gordel gestuurd had, opdat hij den +broeder het geloof niet zou ontnemen, als de donna hem dit geschonken +had. Maar de broeder zeide zeer vertoornd: Hoe kan je dat ontkennen, +booswicht? Daar zijn ze, die zij mij zelf huilend heeft gebracht; +zie of je ze kent? De brave man, die veinsde zich zeer te schamen, +zeide: Wel zeker, ken ik ze; ik biecht u op, dat ik kwaad heb gedaan +en ik zweer u, dat gij, daar ik haar van zulk een karakter zie, er +nooit meer een woord over zult hooren. Zij spraken daarop veel, ten +slotte gaf de malle broeder aan zijn vriend de beurs en den gordel +en na hem duchtig te hebben onder handen genomen en verzocht, dat +hij aan zoo iets niet meer zou toegeven en deze hem dit had beloofd, +liet hij hem gaan. + +De brave man, zeer verheugd zoowel over de zekerheid, die hij meende +te hebben omtrent de liefde van de donna als over de schoone gift, +ging, zoodra hij den monnik verlaten had, naar een plaats, waar hij +voorzichtig aan zijn donna liet zien, dat hij zoowel het eene als het +andere voorwerp ontvangen had. Hierover was de donna zeer tevreden en +nog meer, omdat het haar scheen, dat haar list hoe langer hoe beter +slaagde. Zij wachtte op niets anders om haar werk te voltooien dan +dat haar echtgenoot elders heenging en om een of andere reden moest +kort daarop haar man zich naar Genua begeven. Denzelfden ochtend, +dat hij te paard steeg en vertrok, ging de donna naar den heiligen +broeder en na veel krokodillentranen te hebben geweend zeide zij: +Mijn vader, ik zeg U nu eens en vooral, dat ik het niet meer kan +uithouden, maar omdat ik vroeger U beloofd heb niets te doen zonder +het U te hebben gezegd, ben ik gekomen om mij te verontschuldigen +en opdat gij gelooft, dat ik reden heb om te schreien en te klagen, +deel ik U mede, wat Uw vriend of liever die duivel uit de hel mij +vanmorgen leverde. Ik weet niet welk noodlottig ongeval hem deed +hooren, dat mijn man gisterochtend naar Genua ging; in ieder geval, +vanmorgen, op het uur, dat ik U zeide, kwam hij in mijn tuin en klom +hij langs een boom tot het venster van mijn kamer, dat boven den +tuin is en reeds had hij dit geopend en wilde hij er binnen treden, +toen ik ontwaakte en dadelijk opstond en begon te schreeuwen en zou +geroepen hebben, als hij, die nog niet binnen was, mij niet om Gods +wil en de Uwe genade gesmeekt had en mij zeide, wie hij was. Daarop, +toen ik hem hoorde, zweeg ik om Uwentwil en zoo naakt, als ik geboren +werd, liep ik naar het venster en sloot het voor hem en ik geloof, dat +hij met den Satan weer wegging, want ik hoorde niets meer van hem. Nu, +als dat behoorlijk is en uit te houden, probeer het dan zelf maar eens; +ik voor mij ben niet van plan het langer te dulden, ik heb er veeleer +terwille van U te veel door uitgestaan. Toen de broeder dit hoorde, +was hij de vertoorndste man ter wereld en wist niet wat te zeggen; +alleen vroeg hij haar meermalen of ze wel gezien had, dat het geen +ander was dan hij. Ik zeg U, dat hij het is en als hij het ontkent, +moet gij hem niet gelooven. Toen zeide de broeder: Mijn dochter, hier +is niets anders te zeggen dan dat dit een al te groote vermetelheid +en een al te groot kwaad is, en gij deed Uw plicht door hem weg te +sturen. Maar ik wil U verzoeken, opdat God U voor schande behoedt, +dat gij, daar gij twee keer mijn raad hebt gevolgd, het ook ditmaal +nog eens doet, namelijk door mij te laten begaan zonder U er over te +beklagen bij een bloedverwant, opdat ik zie of ik dien losgebroken +duivel kan vast leggen, dien ik voor een heiligen hield. En als ik +zooveel kan doen, dat ik hem dien dierlijken lust kan ontnemen, zal +het goed zijn en als ik het niet zou kunnen, geef ik U nu tegelijk +met mijn zegen mijn woord, dat gij zult kunnen doen, wat Uw ziel U +zegt, dat welgedaan zal zijn. Nu, ziedaar--zei de donna,--ditmaal wil +ik U niet boos maken noch U ongehoorzaam zijn, maar handelt U zoo, +dat hij zich er voor in acht neemt mij voortaan te kwellen, want ik +verzeker U, dat ik verder om die reden niet meer bij U kom. Zonder +een woord meer te spreken ging zij van den broeder weg of zij boos was. + +De donna was nog niet buiten de kerk, of de brave man kwam aan en +werd door den broeder geroepen, wien deze, na hem terzijde te hebben +gevoerd, de grootste beleediging toevoegde, die ooit iemand was +toegeslingerd, en hem oneerlijk en meineedig en verrader noemde. De +ander, die al twee keer had ondervonden wat de verwijten van dien +monnik beteekenden, lette wel op en met verbaasde antwoorden zette +hij hem aan tot spreken en zeide voor alles: Waarom zoo boos, waarde +heer? Heb ik Christus gekruisigd? De broeder antwoordde: Wat een +schaamtelooze kerel! Hoort me eens aan, wat die durft te zeggen! Hij +spreekt niet meer of minder, alsof er al twee, drie jaar waren +verloopen en door lengte van den tijd zijn misdaden en oneerlijkheid +vergeten waren. Is het je dan van af van morgen pas uit het geheugen +gegaan, dat ge anderen beleedigd hebt? Waar was je gisterenmorgen +vroeg voor zonsopgang? De brave man antwoordde: Ik weet niet, waar +ik was, maar de boodschap is U wel heel vroeg gebracht. Het is waar, +zeide de broeder, dat het mij is bericht; ik denk, dat gij geloofde, +nu de echtgenoot er niet was, dat de edelvrouw u dadelijk met open +armen zou ontvangen. Ach, onschuldig lam, ach eerlijke vriend! Hij +is nachtelijk zwerver, tuin-inbreker en boomklimmer geworden. Dacht +gij door uw brutaliteit de eerbaarheid van die donna te overwinnen, +omdat gij bij nacht door de boomen tot haar vensters klimt? Er is +niets ter wereld wat haar meer mishaagt dan gij en toch beproeft +gij het opnieuw. Waarlijk, laten wij ter zijde, dat zij het u in +vele opzichten getoond heeft, maar gij zijt wel gebeterd door mijn +vermaningen. Dit wil ik u echter zeggen: tot hiertoe heeft zij niet +om de liefde, die zij u toedraagt maar op mijn aandringen verzwegen, +wat gij haar gedaan hebt, maar zij zal niet langer zwijgen. Ik heb +haar de vrijheid gegeven om, indien gij haar in wat ook nog mishaagt, +te handelen naar haar goeddunken. Wat zult gij doen, als zij het aan +haar broeders zegt? + +De brave man, die voldoende begrepen had, wat hij noodig had te weten, +deed den monnik, zoo goed hij wist en kon, bedaren. Toen hij vertrokken +was, ging hij den morgen na den volgenden nacht den tuin in, klom +op den boom, vond het venster open en wierp zich zoo gauw hij kon +in de armen van zijn schoone donna. Daar deze hem met het grootste +verlangen had gewacht, ontving zij hem verheugd en zei: Ik ben veel +dank schuldig aan den heer broeder, die u zoo goed den weg wees +om hierheen te komen. Vervolgens na van elkander te hebben genoten, +spraken en lachten ze veel over de onnoozelheid van den dommen monnik, +versmaadden de spinrokkens, de kammen en de koorden en verheugden +zich met groot welbehagen. Nadat hun plannen geregeld waren, zonder +den heer monnik meer noodig te hebben, vonden zij elkaar met gelijk +genoegen vele volgende nachten terug. En ik bid God, dat Hij door zijn +heilige genade mij spoedig hetzelfde schenkt en alle christenzielen, +die het begeeren. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Don Felice leert aan broeder Puccio [50], hoe die gelukzalig + kan worden door een zeker soort boete. Terwijl broeder + Puccio [51] dit doet, maakt don Felice met diens vrouw van + de gelegenheid gebruik._ + + +Toen Filomena na haar verhaal geëindigd te hebben, zweeg en Dioneo +met zoete woorden de slimheid van de donna geprezen had en vooral +het gebed aan het slot door Filomena gedaan, keerde de koningin +zich lachend tot Pamfilo en zeide: Welnu Pamfilo, zet met een of +ander aardig verhaal ons vermaak voort. Pamfilo antwoordde haastig, +dat hij het gaarne deed en begon: Madonna er zijn genoeg menschen, +die, terwijl ze zich beijveren in het Paradijs te komen, zonder het +te merken er anderen heen sturen, wat een onzer buurvrouwen nog niet +lang geleden overkwam, gelijk gij zult kunnen vernemen. + +Naar wat ik heb hooren zeggen, leefde er vroeger bij San Brancazio +[52] een goed en rijk man, die Puccio de Rinieri heette, en, geheel +opgegaan in het geestelijke, een leekebroeder werd van de orde +van Sint Franciscus en broeder Puccio genoemd werd. Daar hij dit +geestelijk leven volgde en geen andere familie had dan een vrouw +en een dienstmaagd, en bijgevolg niet noodig had een beroep uit te +oefenen, ging hij veel naar de kerk. Omdat hij een onnoozel man was +en van grof maaksel, prevelde hij zijn paternoster, liep naar de +preeken, woonde de missen bij en ontbrak nooit bij de lofzangen, +die de leekebroeders zongen en hij vastte, geeselde zich zelf en +trompette, daar hij tot de flagellanten [53] behoorde. De ega, die +vrouw Isabella heette, nog jeugdig, tusschen de twintig en dertig jaar, +frisch, mooi en rond als een granaatappel, moest veel te lang door de +heiligheid en misschien door den leeftijd van haar man zich veel meer +genietingen ontzeggen dan haar lief was. Wanneer zij had willen slagen +of misschien zich met hem had willen verheugen, vertelde hij haar het +leven van Christus, en de preeken van broeder Nastagio of de klacht +van Magdalena en zoo meer. In dien tijd kwam er van Parijs een monnik, +sinjeur Félix genaamd, een kloosterbroeder van San Brancazio, jong en +knap, met een scherpe kop en van groote geleerdheid, die met broeder +Puccio een enge vriendschap sloot. En omdat deze hem elken twijfel +ophelderde en bovendien met zijn toestand bekend, zich als een zeer +heilig man voordeed, nam broeder Puccio de gewoonte aan, hem dikwijls +thuis te brengen en hem voor het avondeten te verzoeken, zoodra hij +er gelegenheid toe had en de donna van haar kant uit liefde voor +broeder Puccio was zijn vriendin geworden en deed hem gaarne eer aan. + +Daar de monnik voortging het huis van fra Puccio te bezoeken en hij +zag, dat de vrouw zoo frisch en rond was, begreep hij, waaraan zij +het grootste gebrek had en hij had plan, indien hij kon om broeder +Puccio van die moeite te ontslaan door hem te vervangen. Hij wierp haar +meermalen een heimelijken lonk toe en deed dit, tot hij in haar geest +hetzelfde verlangen had opgewekt. Toen de monnik dit had gezien, sprak +hij bij de eerste gelegenheid met haar over zijn genegenheid. Maar +hoewel hij haar geneigd vond om de zaak tot een goed einde te voeren, +wist hij geen middel te vinden, omdat zij op geen plaats ter wereld +zich aan den monnik wilde toevertrouwen dan in haar huis en daar +kon het niet, omdat fra Puccio nooit uit de stad ging, waarover de +monnik zeer bedroefd was. En na veel gepeins kwam hij op een middel +om met de donna in haar huis te zijn zonder argwaan, hoewel broeder +Puccio er ook was. Op een dag was hij bij deze en sprak aldus: Ik heb +al meermalen begrepen, broeder Puccio, dat Uw geheele verlangen is +een heilige te worden, en mij schijnt het, dat gij dit zult bereiken +langs een langen weg, terwijl er een zeer korte bestaat, welken de +Paus en de andere hooge prelaten kennen. Maar zij maken er gebruik +van en houden dien geheim, omdat de geestelijkheid, die vooral van +aalmoezen leeft, dadelijk zou geruïneerd zijn, wanneer de leeken ze +niet meer met aalmoezen of met iets anders hielpen. Maar daar gij mijn +vriend zijt en mij dikwijls goed hebt ontvangen en ik daarom geloof, +dat gij het aan geen mensch ter wereld zult vertellen en dien weg wilt +volgen, zal ik U dien wijzen. Broeder Puccio verlangend dit te weten, +begon eerst met de grootste standvastigheid te bidden, dat hij hem +dien leerde en hem te zweren, dat hij, tenzij de ander het wilde, +nooit het aan iemand zou zeggen en beweerde, dat, als hij dien kon +volgen, hij het zou doen. Nu gij mij dat belooft, zeide de monnik, +zal ik U dien ook wijzen. Gij moet weten, dat de heilige Kerkvaders +volhouden, dat het noodig is voor wie zalig wil worden om de boete te +doen, die gij zult vernemen, maar luister wel: ik zeg niet, dat gij +na de boete geen zondaar zult zijn als thans, maar de zonden, die gij +hebt bedreven tot op het oogenblik der boete, zullen allen uitgewischt +worden en zullen U daardoor vergeven worden en die, welke gij later +zult bedrijven, zullen niet opgeschreven worden tot Uw verderf, +maar zullen daarentegen met wijwater verdwijnen als licht kwaad. Men +moet dus vooral met grooten ijver beginnen zijn zonden te bekennen, +wanneer men de boete begint en daarna vasten en zich zeer onthouden, +wat veertig dagen moet duren, waarin gij niet slechts geen andere +vrouw, maar ook Uw eigen vrouw niet moogt aanraken. Bovendien moet +gij in Uw eigen huis een plaats kiezen, waar gij 's nachts den hemel +kunt zien, op het uur van de lofzangen na den vesper daarheen gaan +en gij moet daar een zeer breede tafel plaatsen, zoo gezet, dat gij, +als gij overeind staat, er de ribben op kunt steunen en de voeten +uitstrekkend naar de aarde de armen kunt uitbreiden in de gedaante +van een kruis. Als gij de handen aan een paar palen wilt vasthouden, +kunt gij dit ook doen. Op die manier moet gij naar den hemel staren +en stil blijven zonder u te bewegen tot aan den morgen. Indien gij +geletterd waart, zou het goed zijn, dat gij onderwijl zekere woorden +zoudt spreken, die ik u zou opgeven, maar daar dit niet zoo is, +past het u driehonderd paternosters te prevelen met drie honderd ave +maria's ter eere van de Drie-Eenheid, en terwijl gij naar den hemel +ziet, moet gij er steeds aan denken, dat God de schepper was van +hemel en aarde en aan het lijden van Christus, zoo staande als hij +aan het kruis. Dan als de vroegmetten luiden, kunt gij als gij wilt, +gaan en u zoo gekleed te bed werpen en slapen en den ochtend daarna +moet gij naar de kerk gaan en daar op zijn minst drie missen hooren, +vijftig paternosters opzeggen en evenveel ave's. Daarna kunt gij in +eenvoud des harten zaken doen, indien gij dezen hebt, dan middagmalen +en vervolgens tijdens den vesper in de kerk zijn Dan zult gij eenige +gebeden opzeggen, die ik u geschreven zal geven, zonder welke het +anders niet lukt en eindelijk weer op dezelfde wijze voortgaan. Als gij +zoo zult handelen gelijk ik reeds vroeger, hoop ik, dat gij, voor het +einde van uwe boete komt, de wonderbaarlijke gewaarwording der eeuwige +zaligheid zult gevoelen, indien gij die boete vroom hebt gedaan. + +Broeder Puccio zeide toen: Dat is zoo moeilijk niet en niet zoo erg +langdurig en is best uit te voeren. Daartoe wil ik in Gods naam Zondag +beginnen. Hij vertrok, ging naar huis en vertelde met zijn verlof +alles stipt aan zijn vrouw. De echtgenoote begreep maar al te wel, +wat de monnik er mee voor had, dat hij tot den morgen zonder zich te +verroeren op een plaats zou blijven. Zij zeide, dat het middel haar +zeer goed scheen, dat zij tevreden was, als hij op alle manieren +zijn zin zou volgen en dat, opdat God zijn boete voordeelig zou +maken, zij met hem zou vasten, maar meer niet. Zij werden het dus +eens en toen het Zondag was, begon broeder Puccio zijn boete en de +heer monnik kwam met de donna samen, op een uur, dat hij niet kon +gezien worden, gebruikte meestentijds 's avonds met haar het maal, +zorgde er steeds voor goed te eten en te drinken en legde zich dan +met haar te slapen, waarna hij, als hij was opgestaan, heenging en +broeder Puccio zich te bed begaf. De plaats, die broeder Puccio voor +zijn boete had uitgekozen, terzijde van die, waar de donna sliep, was +hiervan slechts door een dunnen muur gescheiden. Terwijl nu de monnik +bij zijn geestelijke oefeningen met de donna en zij met hem wat al te +heftig te werk ging, scheen het broeder Puccio, dat de planken vloer +van het huis door beweging schudde. Derhalve, nadat hij honderd van +zijn paternosters had opgezegd, hield hij op, riep de donna zonder +zich te bewegen en vroeg haar, wat zij deed. De donna, die vroolijk +geluimd was en misschien het paard van San Benedetto bereed of dat van +San Giovanni Gualberto, antwoordde: Bij God, man, ik beweeg mij zoo +hard ik kan. Toen zeide broeder Puccio: Waarom beweegt gij u? Wat wil +dat bewegen bij u beduiden? De donna lachend en in vroolijke stemming, +daar zij een schelmsche vrouw was en ze zeker reden had om te lachen, +hernam: Waarom weet gij niet, wat ik wil zeggen? Ik heb het al duizend +keer van u gehoord: Wie 's avonds niet eet, woelt den ganschen nacht. + +Broeder Puccio geloofde, dat het vasten de reden was, dat zij niet kon +slapen; daarom zeide hij goedgeloovig: Vrouw, ik heb het U wel gezegd, +_niet vasten_; maar daar gij het toch hebt willen doen, denk daar dan +niet aan, maar tracht rust te nemen. Gij geeft zulke schokken aan het +bed, dat gij alles doet schudden. De donna antwoordde: Maak U niet +ongerust; ik weet wel wat ik doe. Gaat gij Uw gang maar, ik zal wel +goed doen, wat ik kan. Broeder Puccio hield zich stil en begon weer +met zijn paternosters. Vanaf dien nacht lieten de donna en mijnheer +de monnik in een ander deel van het huis een bed opmaken, waarin, +zoolang de boete van broeder Puccio duurde, zij met het grootste +genoegen samen waren. Op een bepaald uur ging de monnik weg en keerde +de donna naar haar eigen bed terug en kort daarop kwam broeder Puccio +van de boete daarheen. Terwijl aldus de broeder de boete volhield en +de donna met den monnik haar genoegen voortzette, zeide zij meermalen +schertsend tot hem: Gij laat broeder Puccio een boete doen, waardoor +wij het paradijs hebben gewonnen. En daar dit heel goed scheen te +bevallen aan de vrouw, raakte zij zoo gewend aan de verboden vrucht +van den monnik, terwijl zij door haar echtgenoot lang op dieet was +gehouden, dat, toen eenmaal de boete van broeder Puccio eindigde, +zij een middel zocht om aldus met dezen daarvan te eten en zij maakte +er in stilte nog veel gebruik van. + +Daarom, opdat mijn laatste woorden niet in strijd zijn met de eerste, +meende broeder Puccio, dat hij zich het paradijs zou winnen en bracht +den monnik er in, die hem daarheen den weg had gewezen en aan zijn +vrouw, die met hem in groot gebrek leefde aan datgene, waarvan de +monnik haar barmhartig voorzag. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Il Zima geeft aan messire Francesco Vergellesi een paard + voor het verlof met zijn vrouw te mogen spreken. Daar zij + echter zwijgt, geeft hij zelf in haar naam antwoord en alles + geschiedt volgens zijn woorden._ [54] + + +Pamfilo had niet zonder gelach van de donna, de geschiedenis van +broeder Puccio geëindigd, toen de koningin met vrouwelijke gratie +Elisa gelastte om te volgen. Deze op hooger toon dan gewoonlijk--niet +uit kwaadwilligheid maar oudergewoonte,--begon aldus te spreken: + +Vele gelooven, doordat zij veel weten, dat anderen niets weten, zoodat +zij zeer dikwijls, terwijl ze anderen meenen voor den mal te houden, +zich later door anderen misleid zien. Daarom noem ik het een groote +dwaasheid van ieder noodeloos de slimheid van een ander op de proef te +stellen. Maar, omdat wellicht niet elkeen van mijn meening zal zijn, +heb ik lust u te vertellen wat een pistojaansch ridder overkwam, +terwijl ik den vastgestelden regel nakom. + +Er leefde in Pistoja uit de familie der Vergellesi een ridder, messire +Francesco genaamd, een zeer rijk en wijs man, in alles behoedzaam, +maar buitengewoon gierig. Hij moest als gevolmachtigde naar Milaan +gaan en had zich van al het noodige voorzien om voornaam op reis +te gaan behalve van een paard, dat hij mooi vond. Daar hij er geen +machtig werd, dat hem beviel, bleef hij er over nadenken. Er was toen +in Pistoja een jonkman, die Ricciardo heette, van nederige afkomst +maar zeer rijk, die zoo netjes en verfijnd was, dat hij gewoonlijk +door iedereen il Zima (de fat) werd genoemd. Hij begeerde lang +hopeloos diens vrouw, welke zeer schoon en eerbaar was. Nu had hij +een van de mooiste sierpaarden van Toscane en hield er zeer veel van +om zijn schoonheid. Daar iedereen wist, dat hij de vrouw van messire +Francesco beminde, zeide iemand deze, dat, indien hij het hem vroeg, +hij het zou krijgen door de liefde, die il Zima zijn vrouw toedroeg. + +Messire Francesco door gierigheid geprikkeld liet il Zima bij zich +roepen, en vroeg hem zijn paard te koop, opdat il Zima het hem ten +geschenke zou geven. Il Zima, die dit hoorde, beviel dit en antwoordde +den ridder: Heer, indien gij mij alles ter wereld gaaft, wat gij +hebt, zoudt gij door aankoop mijn paard niet kunnen verkrijgen, +maar gij kunt het ten geschenke ontvangen, wanneer het u belieft, +onder deze voorwaarde: dat ik, vóór gij het neemt, met uw goedvinden +en in uw tegenwoordigheid eenige woorden mag spreken met uw vrouw, +maar zoo van iedereen afgezonderd, dat ik door niemand dan door haar +verstaan wordt. De ridder aangespoord door hebzucht en die hoopte +hem voor den gek te houden, antwoordde, dat het hem aanstond. Wanneer +hij zou willen, mocht hij, toen hij hem in de zaal van zijn paleis had +gelaten, naar de kamer van zijn vrouw gaan en na haar gezegd te hebben, +dat hij gemakkelijk het sierpaard kon winnen, gebood hij haar il Zima +aan te hooren, maar dat zij wel moest oppassen, dat zij op niets, +wat hij zeide, weinig of veel zou antwoorden. De donna misprees dit +zeer, maar daar zij zich er in schikte den zin van haar echtgenoot te +volgen, zeide zij het toch te zullen doen. Daarop ging de man naar de +zaal om te hooren, wat il Zima zou zeggen. Daar deze met den ridder +de overeenkomst hernieuwd had, ging hij op een plaats in de zaal, +ver genoeg verwijderd van elk ander mensch met de donna zitten en +begon aldus te spreken: + +Waarde donna, het schijnt mij zeker, dat gij zoo wijs zijt, dat gij +reeds langen tijd wel hebt kunnen begrijpen, tot welk een liefde +mij uw schoonheid heeft kunnen voeren, welke zonder twijfel die van +ieder andere vrouw overtreft, die mij ooit verscheen. Ik laat nu de +lofwaardige manieren en de bijzondere deugden terzijde, die gij bezit, +en die de kracht hebben het trotsche hart van elk man te stelen en +daarom is het niet noodig, dat ik u met woorden bewijs, dat mijn liefde +de grootste en de hevigste is, die ooit een man een vrouw toedroeg. En +zonder twijfel zal ik dit doen, zoolang mijn ellendig leven deze +ledematen zal dragen en nog langer, want als men daarboven lief heeft +als hier, zal ik u eeuwig beminnen. Daarom kunt gij er zeker van zijn, +dat gij niets hebt, hetzij het kostbaar is of gewoon, dat gij zóó als +het uwe kunt beschouwen en waarop gij in alles zóó kunt rekenen als +op mij en evenzoo op al wat ik bezit. Opdat gij hiervan een zeker +bewijs hebt, zeg ik u, dat ik het mijn grootste gunst zou noemen, +als gij mij iets zoudt gelasten, dat ik om u te behagen, zou mogen +doen en ik zou daar meer op gesteld zijn dan dat de geheele wereld +mij zou gehoorzamen, als ik te bevelen had. En nu ik zóó de uwe ben +als gij gehoord hebt, zal ik mij niet zonder reden beijveren mijn +beden naar uw heerlijkheid te richten, waar alleen al mijn vrede, +al mijn geluk en al mijn heil van kan komen en niet van elders. En +wanneer ik u als uw nederigste dienaar smeek, mijn dierbaarst goed +en eenige hoop van mijn ziel, die leeft voor het liefdevuur, waarin +hij op u vertrouwt, laat dan uw welwillendheid zoodanig zijn en +de hardheid, die gij jegens mij getoond hebt, zoo verzacht worden, +dat ik door uw medelijden gesterkt kan zeggen, aan uw schoonheid, +waardoor ik verliefd ben, het leven te danken te hebben, zoodat ik, +als uw trotsche geest zich niet voor mij buigt, zonder twijfel zal +verzwakken en sterven en dat gij dan mijn moordenaarster kunt genoemd +worden. Daar latend, dat mijn dood u geen eer zou verschaffen, geloof +ik niettemin, dat uw geweten u soms zou kwellen, omdat gij dit niet +hadt moeten doen en gij zoudt soms, beter gestemd, tot u zelf zeggen: +Helaas, wat een kwaad heb ik gedaan, doordat ik geen medelijden had +met mijn il Zima en daar dit berouw u niet zou baten, zou het voor +u de oorzaak zijn van nog grooter verdriet. Opdat dit niet gebeurt, +nu gij aan mij denken kunt, denk er daarom nu aan, en wordt, voor +ik sterf, door medelijden bewogen, omdat het van u alleen afhangt +mij den gelukkigsten zoowel als den ongelukkigsten man te maken, die +er leeft. Ik hoop, dat uw welwillendheid zoo groot zal zijn niet te +zullen dulden, dat ik door zulk een en door zoodanige liefde den dood +als loon ontvang, maar dat gij met een blijmoedig antwoord en vol +gratie mijn geest zult versterken, welke geheel verschrikt siddert +bij uw aanblik. En toen zwijgend kwamen hem na zeer diepe zuchten +eenige tranen in de oogen en begon hij te wachten op wat de donna +hem zou antwoorden. + +De donna, die het lange zuchten, zijn wapenspelen, zijn aubaden, +en andere gelijksoortige liefdebetuigingen van il Zima niet hadden +kunnen bewegen, roerden de liefdevolle woorden van den zeer vurigen +minnaar en zij begon te gevoelen, wat zij nooit van te voren had +gevoeld namelijk, wat liefde is. En hoewel zij, om het bevel van den +echtgenoot te volgen, zweeg, kon daarom echter niet een zucht dat +verbergen, wat zij, als zij il Zima had kunnen antwoorden, getoond +had. Il Zima, die een wijle gewacht had en die zag, dat geen antwoord +volgde, verbaasde zich en begon daarna de list te bemerken door den +cavaliere gebruikt, maar toch zag hij haar aan en merkte, dat zij +hem soms blikken toewierp en bespeurde bovendien, dat zij zuchten +slaakte, welke zij haar best deed niet met al hun kracht uit haar +borst te doen ontsnappen. Hij vatte toen goeden moed en met behulp +daarvan vormde hij een nieuw plan en begon, of hij de donna was, +en zij naar hem hoorde, zich zelf op deze wijze te antwoorden: + +Mijn Zima, zonder twijfel heb ik al lang gemerkt, dat Uw liefde +jegens mij zeer groot en volmaakt was en ik ken haar nu nog beter +door Uw woorden en ben hier gelukkig mee gelijk ik moet. Evenwel, +zoo ik U hard heb moeten schijnen en wreed, wil ik niet, dat gij +gelooft, dat ik in mijn ziel geweest ben, wat ik met het gelaat +heb geveinsd; integendeel, heb ik U steeds lief gehad en zijt gij +mij boven ieder ander man dierbaar geweest, maar zoo moest ik doen +zoowel uit vrees voor anderen als om den naam van mijn eerbaarheid +te dienen. Maar thans komt de tijd, waarin ik U klaar kan toonen, +dat ik U lief heb en U als loon van die liefde wat kan terug geven, +die gij mij toe hebt gedragen en nog toedraagt. Houdt daarom moed en +blijf hopen, daar messire Francesco binnen enkele dagen naar Milaan +moet gaan als gezant, gelijk gij weet, omdat gij uit liefde tot mij +hem het sierpaard hebt geschonken. Zoodra hij heen zal zijn gegaan, +beloof ik U zonder twijfel bij mijn geloof in God en bij de goede +liefde, die ik U toedraag, dat gij in enkele dagen bij mij zult zijn +en dan zullen wij onze liefde heerlijk en geheel bevredigen. En opdat +ik U niet weer noodig heb hierover te spreken, zult gij binnen weinige +dagen twee mutsen aan het venster van mijn kamer zien hangen, welke +zich boven onzen tuin bevindt, en de avond van dien nacht moet gij +oppassen, dat gij niet gezien wordt, opdat gij mij bij de tuindeur +komt zoeken. Daar zult gij mij vinden, waar ik U zal wachten en +wij zullen den ganschen nacht verheugd zijn en van elkaar genieten, +gelijk wij verlangen. + +Toen il Zima aldus had gesproken in plaats van de donna, begon hij weer +voor zich te spreken en antwoordde: Zeer geliefde donna, de overmatige +vreugde, die uw antwoord mij veroorzaakte, heeft mijn kracht zoo in +beslag genomen, dat ik ternauwernood een antwoord kan schenken om +de door u gegeven gunsten te vergelden. Als ik kon spreken gelijk ik +wensch, zou ik geen lang genoeg antwoord kunnen vinden, dat mij voldoen +zou om u ganschelijk te bedanken en gelijk mij past te doen. Daarvoor +laat ik het aan uw kiesche zienswijze over te erkennen, wat ik, hoewel +ik het verlang, niet met woorden u kan zeggen. Alleen zeg ik u, dat +ik stellig denk niet anders te handelen dan op uw bevel en misschien +meer verzekerd van het zoo groote geschenk, dat gij mij hebt toegestaan +zal ik mijn best doen u mijn dank te toonen, zooveel mij dit mogelijk +is. Er blijft ons niets anders te zeggen voor het oogenblik en daarom +mijn allerliefste donna, geve God u die, blijmoedigheid en dat heil, +dat gij het meest verlangt en beveel ik u Gode aan. + +De donna sprak bij dit alles geen woord, daarop stond il Zima op +en begon zich naar den ridder te wenden, die dit zag, hem tegemoet +kwam en lachend zeide: Hoe bevalt het je? Heb ik mijn belofte niet +goed aan je gehouden? Neen, heer, antwoordde il Zima, want gij hebt +mij beloofd mij met uw vrouw te laten spreken en gij hebt mij laten +praten tegen een marmer beeld. Dit woord beviel zeer aan den ridder, +die daarbij een goede meening over de vrouw had en een nog betere +kreeg en zeide: Nu behoort toch het sierpaard wel aan mij, dat het +uwe was? Hierop antwoordde il Zima: Ja, heer, maar als ik van die +gunst het gevolg had kunnen verkrijgen, dat ik er van verkregen heb, +had ik het U gegeven zonder het te vragen en had het God nu maar +behaagd, dat gij het paard van mij gekocht had voor geld, dan zou ik +het U op die manier niet verkocht hebben. De ridder lachte hierom en +voorzien van het sierpaard ging hij een paar dagen daarna op reis +en begaf zich belast met de volmacht naar Milaan. De donna, vrij +achtergebleven in haar huis, herinnerde zich de woorden van il Zima, +dacht aan de liefde, die hij haar toedroeg en zag hem dikwijls haar +huis voorbijgaan. Ze zeide toen tot zich zelf: Wat doe ik? Waarom +verlies ik mijn jeugd? Hij is naar Milaan gegaan en zal er in geen +zes maanden vandaan komen en wanneer zal ik mijn schade ooit kunnen +inhalen? Wanneer ik oud ben? En bovendien, wanneer zal ik ooit zulk +een minnaar als il Zima terugvinden? Ik ben alleen en ik heb angst +voor niemand. Ik weet niet, waarom ik van de goede gelegenheid geen +gebruik zou maken, als ik kan. Ik zal niet steeds tijd hebben gelijk +nu en niemand zal dit ooit weten. En als hij het later mocht weten, +is het beter het te doen en er berouw over te hebben dan er alleen +berouw over te gevoelen en het te hebben gelaten. En na aldus met +zich zelf te hebben overlegd, plaatste zij op een goeden dag twee +mutsen aan het venster van den tuin, gelijk il Zima gezegd had. Toen +deze dit zag, ging hij, toen het nacht was geworden, zeer verheugd +heimelijk en alleen naar den uitgang van den tuin van de donna en vond +dien open en vervolgens trad hij door een andere deur het huis in, +waar hij de edelvrouw vond, die hem wachtte. Zij zag hem komen, stond +voor hem op en ontving hem met de grootste vreugde, en hij omhelsde +en kuste haar honderdduizend maal en volgde haar de trap op. Zonder +verwijl gingen zij naar bed en kenden zij de hoogste genietingen der +liefde. Evenwel was die eerste keer de laatste niet, omdat, terwijl +de ridder te Milaan was en nog na zijn terugkeer il Zima er vele van +de andere malen terugkwam tot groot genoegen van alle partijen. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Ricciardo Minutolo bemint de vrouw van Filipello + Fighinolfi. Daar hij bemerkt, dat zij jaloersch is, doet hij + haar gelooven, dat Filipello zijn eigen vrouw bij zich in + een badhuis wil laten komen en haalt haar over daarheen te + gaan. Als zij echter meent, dat zij haar man betrapt heeft, + ontdekt zij, dat ze er met Minutolo geweest is._ + + +Er bleef voor Elisa niets meer over om te vertellen, toen de koningin, +nadat zij de slimheid van il Zima geprezen had, aan Fiammetta beval, +dat die met een verhaal voortging. Deze antwoordde nog lachende: +Gaarne, Madonna, en begon: + +Wij moeten een oogenblik onze stad verlaten, die in alle opzichten +overvloed heeft en vol is van voorbeelden voor ieder onderwerp en +gelijk Elisa gedaan heeft, iets vertellen van de dingen, die in een +ander deel der wereld gebeurd zijn. Daarom zal ik naar Napels mij +verplaatsend verhalen, hoe een van die huichelaarsters, die veinzen +van de liefde niets te willen weten, er door de slimheid van haar +minnaar toe gebracht werd de vrucht der liefde te kennen voor haar +bloemen, wat u tevens voorzichtig zal maken voor die dingen, die +kunnen gebeuren en u genoegen zullen geven over hetgeen gebeurd is. + +In Napels, die aloude stad, en misschien even bekoorlijk, zoo niet +meer dan iedere andere van Italië, leefde vroeger een jonge man, +bekend door den adel van zijn bloed en befaamd om zijn rijkdommen, +die Ricciardo Minutolo heette. [55] Deze, hoewel hij tot vrouw een +zeer schoone en zeer begeerenswaardige jonge donna had, werd op een +ander verliefd, die volgens de meening van allen verre in schoonheid +alle andere schoone napolitaanschen overtrof en die Catella heette, +de vrouw van een jonge man insgelijks van adel, Fillipello Fighinolfi +genaamd, die hij als zeer eerbare vrouw beminde en liefhad boven alles. + +Daar nu Ricciardo Minutolo deze Catella beminde en alles in het werk +stelde om de gunst en de liefde van die donna deelachtig te worden +en hij door dit alles zijn begeerte niet kon voldoen, was hij bijna +wanhopig. Omdat hij zich van die liefde niet wist noch kon losmaken, +wou hij noch sterven noch leven. En in dien toestand werd hem door +dames, die met hem verwant waren, op een goeden dag geraden, dat +hij van die liefde afstand zou doen, omdat hij vergeefs moeite deed, +want Catella kende geen ander geluk dan haar Filippello met wien zij +zoo jaloersch leefde, dat zij geloofde, dat iedere vogel, welke door +de lucht vloog, dien aan haar zou ontrooven. Ricciardo, die van de +jaloerschheid van Catella had gehoord, maakte opeens een plan voor zijn +begeerten en deed of hij aan de liefde voor Catella wanhoopte en zijn +genegenheid naar een andere donna richtte en uit liefde tot haar begon +hij wapenspelen en tournooien te vertoonen en al die dingen te doen, +welke hij voor Catella pleegde te verrichten. Het duurde niet lang of +zoo goed als alle Napolitanen en ook Catella geloofden, dat hij niet +meer Catella maar die andere donna het meest lief had. Hij hield zoo +vol zich voor ieder gesloten te houden, dat niet de anderen slechts +maar ook Catella de terughoudendheid liet varen, die zij jegens hem +toonde om de liefde, die hij haar placht toe te dragen en zij begon +hem ais buurman vriendelijk te groeten en aan te zien, gelijk zij het +anderen deed. Toen het warm weer was en vele groepjes van dames en +heeren volgens Napolitaansche gewoonte aan den zeekant gingen verblijf +houden en daar ontbeten en avondmaalden, ging Ricciardo, die wist, +dat ook Catella daar met haar gezelschap heen gegaan was, er met het +zijne heen en werd in dat der donna's van Catella ontvangen na zich +eerst lang te hebben laten bidden, alsof hij niet zeer verlangend was +er in te verblijven. Hier begonnen de donna's en met hen Catella met +hem te schertsen over zijn nieuwe liefde, waardoor hij veinsde zeer +ontbrand te zijn en gaf hun ruim stof er over te babbelen. Toen op +den langen duur de donna's, deze hier en gene daarheen waren gegaan, +gelijk men op die plaatsen doet, en Catella met weinigen achter +gebleven was, waar Ricciardo zich bevond, wierp Ricciardo haar een +woord toe over een zekere liefde van Filipello, haar man, waardoor zij +plotseling zeer jaloersch werd en innerlijk gansch van verlangen begon +te branden te weten, wat Ricciardo bedoelde. Na zich eenigen tijd te +hebben ingehouden, kon zij het niet langer verduren en vroeg Ricciardo, +dat hij bij de liefde van de donna, die hij het meest beminde, haar een +genoegen kon doen te verklaren, wat hij van Filippello gezegd had. Deze +zeide: Gij hebt mij bezworen in naam van iemand, wien ik niet durf te +weigeren, wat gij mij vraagt en daarom haast ik mij het u te zeggen, +mits gij mij belooft, dat gij er nooit over zult spreken noch met +hem noch met anderen, voor gij er het bewijs van hebt, dat, wat ik +zal zeggen, waar is; dus, wanneer gij wilt, zal ik u onderrichten, +hoe gij het kunt te weten komen. Wat hij vroeg, stond de donna aan +en deed haar te meer gelooven, dat het waar was. Zij zwoer hem het +nooit te zeggen. Nadat hij haar dus ter zijde had genomen, opdat +zij niet door anderen zouden gehoord worden, begon Ricciardo aldus +te spreken: Madonna, indien ik u zou beminnen, zooals ik u vroeger +lief had, zou ik iets durven zeggen, wat ik geloof, dat u verdriet +zou doen, maar omdat die liefde voorbij is, zal ik mij minder hoeden +u de waarheid van alles te openbaren. Ik weet niet of Filipello ooit +zich boos heeft gemaakt over de liefde, die ik u toedroeg of dat hij +heeft geloofd, dat ik ooit door U werd bemind. Maar of dit zoo zij +of niet, ik toonde het nooit uit mezelve, maar thans, misschien den +tijd afwachtend, wanneer hij geloofde, dat ik er minder argwaan in +zou hebben, schijnt hij mij dat te willen doen, wat ik vermoed, dat +hij vreest door mij aan hem te zijn gedaan, namelijk zijn genoegen er +van te nemen met mijn vrouw en naar wat ik bespeurde, heeft hij haar +sinds korten tijd heimelijk met meerdere boodschappen vervolgd, welke +ik allen van haar heb vernomen en zij heeft de antwoorden gezonden, +gelijk ik haar beval. Maar toch van morgen, voor ik hier kwam, heb ik +in huis met mijn vrouw een andere in druk gesprek gevonden, welke ik +dadelijk beoordeeld heb naar wat zij is, waarom ik de mijne riep en +haar vroeg wat die verlangde. Zij zei mij: Zij is de handlangster van +Filippello, dien gij, door het geven van antwoorden en van hoop, mij +op den hals hebt geschoven en zij zegt, dat hij, voor alles wil weten, +wat ik van plan ben en dat hij, wanneer ik mocht willen, zou maken, +dat ik heimelijk hier in de stad in een badhuis zou komen. Daarom +bidt en smeekt hij mij. En was het niet, dat gij mij er toe bracht, +ik weet niet waarom, deze onderhandelingen vol te houden, dan zou ik +mij er op de een of andere manier aan onttrokken hebben, zoo, dat +hij nooit zou nagespoord hebben, waar ik was. Toen scheen het mij, +dat dit te ver ging en dat het niet meer was uit de houden en ik het +U moest zeggen, opdat gij zult weten, welk loon Uw gansche vertrouwen +kreeg en waardoor ik als op het punt was te sterven. En opdat gij niet +gelooft, dat dit woorden zijn en verzinsels, maar gij het, wanneer +de begeerte er U toe drijft, duidelijk zoowel kunt zien als tasten, +heb ik mijn vrouw voor de persoon, die haar wachtte, als antwoord +laten opstellen, dat zij bereid zou zijn morgen op het uur van den +noen, als iedereen slaapt, in dat badhuis te zijn. De vrouw vertrok +van haar hierover zeer voldaan. Nu meen ik niet, dat gij gelooft, +dat ik haar er heen zal zenden, maar als ik in Uw plaats was, zou +ik maken, dat hij mij vond in plaats van haar, die hij er gelooft te +zullen vinden en als ik eenigen tijd met hem samen zou geweest zijn, +zou ik hem laten bemerken, met wien hij geweest was en ik zou hem +dan de eer aandoen, die hem toe kwam. Als gij aldus handelt, zou hij +zich zoo schamen, dat tegelijkertijd de beleediging, die hij U wil +aandoen en mij, gewroken zal zijn. Toen Catella dit hoorde, begon zij +zonder eenigzins acht te geven wie het was, die het haar vertelde +of op zijn bedriegerijen naar de gewoonte der jaloersche menschen, +dadelijk aan zijn woorden geloof te slaan en zekere dingen, voor dien +tijd gebeurd, hiermede in verband te brengen. En in plotselingen toorn +ontbrand antwoordde zij, dat ze het dadelijk doen zou, dat het niet +zoo moeilijk was uit te voeren en dat zij zeker, als hij er kwam, +hem zoo zou beschamen elken keer, dat zij hem met een vrouw zag, +dat zijn hoofd er van zou draaien. Ricciardo was hierover tevreden, +het scheen hem, dat zijn overleg goed was geweest en gevolg had, +hij versterkte haar daarin nog met vele andere woorden en deed het +haar nog meer gelooven, terwijl hij haar verzocht het aan niemand +te vertellen, dat zij het van hem had gehoord, wat zij hem bij haar +geloof in God toezegde. + +Den volgenden morgen ging Ricciardo naar een goede vrouw, die het +badhuis, dat hij naar Catella genoemd had, hield, vertelde haar, +wat hij van plan was te doen en verzocht haar hem hierin zooveel zij +kon ter wille te zijn. + +De goede vrouw, die hem zeer verplicht was, zeide hem, dat zij dit +gaarne deed en beschikte met hem, wat er noodig was om te doen of +te zeggen. Zij had in het huis, waar de badinrichting was, een zeer +donkere kamer, omdat er in deze geen enkel venster was, dat licht +gaf. Deze maakte de goede vrouw volgens de aanwijzingen van Ricciardo +in orde en plaatste er zoo goed zij kon een bad in, waarin Ricciardo +gelijk hij het had voorgeschreven zich neerlegde en Catella begon af +te wachten. De donna ging na de woorden van Ricciardo, waaraan zij +meer geloof hechtte dan noodig was, vol gramschap 's avonds naar huis, +waarheen toevallig Filippello insgelijks vol andere gedachten thuis +kwam en haar misschien niet zooveel aandacht schonk als hij gewoon +was te doen. Toen zij dit zag, kreeg zij nog meer argwaan dan zij had +en sprak in zich zelf: Hij is zeker met zijn geest bij die donna, met +welke hij morgen gelooft genoegen en bevrediging te hebben, maar dat +zal bepaald niet gebeuren en met die gedachte en met het voornemen, +hoe zij het hem moest zeggen, als zij daar met hem geweest was, bleef +zij den ganschen nacht bezig. Maar wat er meer van te zeggen? Bij het +begin van den noen, nam Catella haar kamenier met zich mede en zonder +haar plan te veranderen, ging zij naar het badhuis, dat Ricciardo +haar had aangewezen en na hier de goede vrouw gevonden te hebben, +vroeg zij haar of Filippello er dien dag geweest was. Zij antwoordde +daarop voorgelicht door Ricciardo: Is u die donna, die hem moet komen +spreken? Catella antwoordde: Dat ben ik. Gaat u, zeide de goede vrouw, +hem dan opzoeken. Catella, die hem ging zoeken, welke zij niet had +willen vinden, liet zich naar de kamer leiden, waar Ricciardo was, kwam +met het hoofd gesluierd daar binnen en sloot er zich in op. Ricciardo +zag haar komen, stond verheugd op en na haar in zijn armen te hebben +gesloten, zeide hij langzaam: Wees welkom, mijn ziel. Catella om goed +te veinzen, dat zij een andere was dan zij voorgaf, omhelsde en kuste +hem en ontving hem blijde, zonder een woord te spreken, vreezend, +als zij sprak door hem herkend te worden. De kamer was zeer donker, +waarover elk der beide partijen tevreden was. Alleen door er lang te +blijven kregen de oogen er meer macht. + +Ricciardo bracht haar naar het bed zonder te spreken uit zeer groote +vrees, dat zij anders zijn stem zou herkennen en zij bleven daar tot +groot genoegen en voldoening van beide partijen. Maar toen het aan +Catella den tijd scheen haar opgevatte verontwaardiging te openbaren, +begon zij van hevigen toorn ontbrand aldus te spreken: Wat is het +geluk der vrouwen gering en hoe slecht wordt de liefde van velen door +hun echtgenooten beloond! Ik, ongelukkige, die ik ben, heb U al meer +dan acht jaar lief gehad, ik heb U meer dan mijn leven bemind en gij, +gelijk ik bemerkt heb, brandt en verteert U geheel door de liefde +voor een vreemde vrouw, schuldige en slechte man, die gij zijt. Met +wie denkt gij nu te zijn geweest? Gij zijt samen met degene, die gij +al genoeg met valsche liefkoozingen hebt bedrogen, en dien gij liefde +voorspiegelde, terwijl gij op een ander verliefd waart. Ik ben Catella +en niet de vrouw van Ricciardo, oneerlijke bedrieger, die je bent. Hoor +of je mijn stem herkent; ik ben het wel en het schijnt mij, dat wij wel +duizend jaar moeten leven, eer ik U kan beschaamd maken zooals gij het +verdient, gemeene, schandelijke hond, die je bent. Helaas! ongelukkige, +die ik ben, voor wien heb ik zooveel jaren liefde gekoesterd? Voor +dien bedriegelijken hond, die, meenend een vreemde vrouw in de armen te +hebben, mij meer liefkoozingen en liefdesbetuigingen heeft gegeven in +dien korten tijd, dat ik met hem geweest ben dan in al den anderen, +dat ik overigens met hem leefde. Gij zijt nu, verraderlijk beest, +wel goed geweest, die tehuis U zoo zwak, overwonnen en machteloos +placht te toonen. Maar geloofd zij God, dat gij Uw veld en niet dat +van een ander hebt bewerkt, gelijk gij geloofde. Ik verwonder mij er +niet over, dat gij mij vannacht niet zijt genaderd; gij dacht elders +te zijn om Uw last af te werpen en wilde als een kersversch ridder den +veldslag beginnen, maar dank zij God en mijn slimheid is het water +toch daarheen geloopen, waar het moest. Waarom antwoordt gij niet, +trouwelooze kerel? Waarom spreekt gij hier niet over? Ben je door mij +te hooren stom geworden? Bij God, ik weet niet wat mij weerhoudt, +dat ik je niet de handen in de oogen zet en ze uitruk. Je dacht, +dat verraad heelemaal in het geheim te kunnen doen. Bij God! De een +weet er net zooveel als de ander van; het is niet gelukt. Ik heb je +beter speurhonden achter de hielen gezet dan je geloofde. + +Ricciardo moest in zich zelf om die woorden lachen en zonder iets +te antwoorden omhelsde en kuste hij haar en meer dan ooit gaf hij +haar hartstochtelijke liefkoozingen. Daarop ging zij door: Ja, dacht +je mij nog met je geveinsde liefkoozingen te bedriegen, vervelende +kerel, die je bent en mij te verzoenen en tevreden te stellen? Ge hebt +gedwaald. Ik zal er nooit over getroost worden, voordat ik je er over +geschandvlekt heb in tegenwoordigheid van al de familie en buren en +vrienden, die wij hebben. Of ben ik, gemeene vent, niet net zoo mooi +als die vrouw van Ricciardo Minutolo? Ben ik ook niet edelvrouw? Waarom +antwoordt je niet, vervloekte hond? Wat heeft zij meer dan ik? Ga weg, +raak mij niet aan, want je hebt nu al te veel wapenfeiten verricht. Ik +weet wel, dat thans, nu ge weet wie ik ben, je met geweld kunt doen, +wat je hebt gedaan, maar als God mij Zijn genade geeft, zal ik je de +begeerte er naar doen gevoelen. En ik weet niet, wat mij weerhoudt, +dat ik dien Ricciardo laat komen, die mij meer dan zich zelf heeft +lief gehad en die er zich nooit op kon beroemen, dat ik hem ook maar +één keer heb aangekeken en ik weet niet of het kwaad zou zijn het +te doen. Gij hebt geloofd uwe vrouw hier te hebben en het is of gij +haar gehad hebt: in zoover dat het niet van u afhing; zoo ook ik, +als ik hem had gehad, zou jij het mij niet met recht kunnen verwijten. + +Nu was het genoeg en de verwijten van de donna waren groot; toch +besloot Ricciardo denkend, dat, als hij haar in dat geloof liet, +er veel kwaad uit zou volgen zich aan haar bekend te maken en haar +uit den waan te verlossen, waarin zij was. Nadat hij haar in zijn +armen had gesloten en zoo goed had beetgepakt, dat zij zich niet kon +wegrukken, zeide hij: Mijn zoete ziel, wat ik niet door eerlijk te +beminnen vermocht, heeft Amor mij geleerd met bedrog te verkrijgen, ik +ben uw Ricciardo. Toen Catella dit hoorde en zijn stem herkende, wilde +zij zich dadelijk uit het bed werpen maar kon niet; daarom wilde zij +schreeuwen, maar Ricciardo sloot haar met een hand den mond en zeide: +Madonna, het is niet mogelijk, dat wat geschiedde, toch niet heeft +plaats gehad, al zoudt u je heele leven blijven doorschreeuwen. En +indien gij het toch zoudt doen of iets zoudt uitrichten, waardoor +iemand dit ooit merkt, zullen er twee zaken uit voortkomen. De eene +zal wezen, (waarom gij niet weinig moet geven) dat uw eer en uw goede +naam verdwenen zullen zijn, omdat, zoodra gij zegt, dat ik het hier +tot bedrog heb laten komen, ik zal zeggen, dat het niet waar is, maar u +hier heb doen komen voor geld en voor geschenken, die ik u had beloofd, +waarover gij, omdat ik ze u niet zoo mild gegeven heb, als gij hoopte, +kwaad zijt en die woorden spreekt en dit rumoer maakt. En gij weet, +dat de wereld meer geneigd is het kwade dan het goede te gelooven +en daarom zal men mij eerder gelooven dan u. Daaruit zal tusschen Uw +man en mij doodelijke vijandschap volgen en het zou kunnen gebeuren, +dat ik hem eerder zou dooden dan hij mij. En daarom, hart van mijn +lichaam, schandvlek mij niet en breng niet gelijktijdig Uw man en mij +in strijd. Gij zijt de eerste niet en zult de laatste niet zijn, die +bedrogen is en ik heb dit ook niet gedaan om U Uw man te ontnemen, +maar door de overmatige liefde, die ik U toedraag en die ik bereid +ben U steeds toe te dragen om Uw nederigste dienaar te zijn. En +daar het al lang geleden is, dat ik en mijn goederen en al wat ik +kan en begeer, de Uwen zouden geweest zijn en tot Uw dienst, ben ik +van plan, dat ze het van nu af aan meer dan ooit zullen wezen. Nu +zijt gij onderricht in de andere zaken en ik ben er zeker van, +dat gij het ook hierin zult zijn. Catella weende bitter, terwijl +Ricciardo die woorden sprak, en daar zij zeer boos was en hem zeer +sterke verwijten deed, gaf zij niettemin zooveel toe aan de waarheid +van Ricciardo's woorden, dat zij het mogelijk dacht te gebeuren, wat +Ricciardo beweerde en daarom zeide zij: Ricciardo, ik weet niet of God +de Heer mij zal toestaan de beleediging en het bedrog te verduren, +die gij mij hebt aangedaan; ik wil hier niet schreeuwen, waar mijn +onnoozelheid en mijn bovenmatige jaloerschheid mij gebracht hebben; +maar wees van één ding zeker, dat ik nooit weer blijmoedig zou zijn, +eer ik mij op een of andere wijze zal hebben gewroken over hetgeen +gij mij hebt gedaan. En laat mij daarom los, houdt mij niet langer +vast. Gij hebt gehad, wat gij verlangd hebt en gij hebt mij bedrogen +gelijk U beviel. Het is nu tijd om te eindigen. Laat mij los, bid ik U. + +Ricciardo, die zag, dat haar geest nog veel te vertoornd was, had zich +voorgenomen haar nooit los te laten, voor hij van haar den vrede had +verkregen. Daarom begon hij haar met zeer zachte woorden te verzoenen +en zei haar zooveel en bad en bezwoer haar zoo, dat zij, overwonnen, +goed met hem werd. En met wederzijdsch goedvinden bleven zij langen +tijd daarna met het grootste genoegen bijeen. En toen de donna bevond, +hoeveel zoeter de kussen waren van den minnaar dan van den echtgenoot, +verkeerde haar hardheid jegens Ricciardo in teedere liefde en zij +beminde hem vanaf dien dag zeer innig en daar zij heel slim te werk +gingen, hadden zij menigmaal genoegen van hun liefde. God late ons +van de onze genieten. + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Tedaldo in twist met zijn geliefde verlaat Florence. Hij + komt na eenigen tijd vermomd als pelgrim terug, spreekt met + de donna, doet haar haar dwaling kennen en bevrijdt haar + echtgenoot van den dood, dien men beschuldigt hem te hebben + vermoord, verzoent hem met zijn broeders en verheugt zich + daarna listig met diens vrouw._ + + +Reeds zweeg Fiammetta door allen geprezen, toen de koningin om geen +tijd te verliezen haastig aan Emilia opdroeg te spreken. Deze begon: +Het behaagt mij in onze stad terug te keeren, waaruit mijn twee +voorgangers wilden vertrekken om u te toonen, hoe een onzer burgers +zijn verloren donna herwon. + +Er leefde dan eens in Florence een jonkman van adel, die Tedaldo +degli Elisei [56] heette en die vreeselijk verliefd was op een dame +Monna Ermellina genaamd en de vrouw van Aldobrandino Palermini en +die voor zijn lofwaardige manieren wel verdiende zijn verlangen te +bevredigen. Hiertegen verzette zich het Noodlot als de vijandin der +gelukkigen; wat de oorzaak er ook van zij, nadat de donna een tijd +lang behagen had gehad in Tedaldo, wilde zij hem in 't geheel niet +meer bekoren en niet alleen geen boodschappen meer van hem ontvangen +maar hem in 't geheel niet meer zien, zoodat hij zeer neerslachtig +en ontstemd werd, doch zijn liefde was zoo verborgen, dat niemand +geloofde, dat dit de oorzaak was van zijn droefheid. En sinds hij +op verschillende wijzen zijn uiterste best had gedaan de liefde te +heroveren, die hij buiten zijn schuld scheen verloren te hebben en hij +alle moeite vergeefsch zag, besloot hij zich uit de wereld terug te +trekken om niet door het aanschouwen van zijn dood háár te verheugen, +die de oorzaak was van zijn lijden. Nadat hij het geld medegenomen had, +dat hij krijgen kon, ging hij heimelijk zonder er een woord over te +spreken met een vriend of verwant weg, alleen wel met één metgezel, +die alles wist en kwam te Ancona, waar hij zich Filippo di Santodeccio +liet noemen. Na daar met een rijk koopman kennis te hebben gemaakt, +trad hij bij hem in dienst en ging met hem op een schip van deze naar +Cyprus. Zijn gewoonten en manieren bevielen den koopman zoo, dat hij +hem niet alleen een goed salaris gaf, maar hem ten deele tot zijn +compagnon maakte en hem bovendien een groot deel van zijn zaken in +handen liet, welke hij zoo goed en met zulk een ijver dreef, dat hij +in enkele jaren een goed, rijk en beroemd koopman werd. Zoo doende, +hoewel hij zich dikwijls zijn wreede donna herinnerde, hevig door +de liefde was gekwetst en zeer verlangde haar terug te zien, was hij +zoo standvastig, dat hij zeven jaren lang in dien strijd meester bleef. + +Maar eens, toen hij op een goeden dag op Cyprus een lied hoorde +zingen, dat door hem zelf was gemaakt en waarin gesproken werd van +de liefde, die hij zijn donna toedroeg en zij hem, en hoe hij door +haar was bekoord en hij dacht, dat het niet kon zijn, dat zij hem had +vergeten, ontbrandde hij van zulk een verlangen haar weer te zien, +dat hij het niet langer kon uithouden en zich gereed maakte naar +Florence terug te keeren. Toen hij al zijn zaken in orde had gemaakt, +kwam hij alleen met een knecht te Ancona en toen daar zijn bagage +was aangekomen, zond hij die te Florence naar een vriend van zijn +Ancoonschen compagnon en hij kwam zelf daarna vermomd als pelgrim, +die van het Heilige Graf terugkeerde, met zijn knecht. In Florence +aangekomen, begaf hij zich naar een herberg van twee gebroeders, +die dicht bij het huis was van zijn donna. Hij ging het eerst naar +haar huis om als het kon haar te zien. Maar hij zag de ramen en de +deuren en alles gesloten, zoodat hij zeer twijfelde of ze niet dood +was of vandaar was verhuisd. Hierover zeer nadenkend begaf hij zich +naar het huis van haar broeders, waarvan hij vier van dezen alle in +het zwart gekleed zag, en was daarover zeer verwonderd. Daar hij wist, +dat hij zóó was veranderd van kleed als van de persoon, die hij was, +toen hij vertrok, dat hij niet licht kon herkend worden, sprak hij +flinkweg een schoenmaker aan en vroeg hem, waarom die lieden in het +zwart gekleed waren. De schoenmaker antwoordde: Die zijn in het zwart +gekleed omdat nog geen veertien dagen geleden een broeder van hen, +die sinds lang niet hier was en Tedaldo heette, vermoord werd en ik +begrijp wel, dat zij voor het gerecht hebben bewezen, dat een zekere +Aldobrandino Palermini, die gevangen is genomen, hem vermoord heeft, +omdat hij diens vrouw welgezind was en niet herkend was teruggekomen +om met haar te zijn. + +Tedaldo was er zeer over verbaasd, dat iemand zoo op hem leek, dat men +dien voor hem aanzag en het ongeluk van Aldobrandini hinderde hem. Toen +hij gemerkt had, dat de donna leefde en gezond was en het reeds nacht +werd, keerde hij vol verschillende gedachten naar de herberg terug +en nadat hij het avondmaal had gebruikt met zijn knecht, werd hij +naar de hoogste verdieping van het huis gezonden om te slapen en daar +zoowel door de vele gedachten, die hem kwelden als door de slechtheid +van het bed en misschien door het schrale avondeten, was de helft +van de nacht al voorbij, toen Tedaldo nog niet kon insluimeren. Het +scheen hem in het midden van den nacht, dat hij iemand van het dak +van het huis daarin hoorde afdalen [57] en daarna zag hij door de +spleten van de kamerdeur een licht naderen. Daarom stilletjes tegen +een spleet geleund, begon hij af te loeren, wat dat beteekende en hij +zag een zeer schoon, jong meisje het licht vasthouden en drie mannen +naar haar toe komen, die van het dak daar waren afgedaald. Nadat zij +elkaar hadden verwelkomd, zeide een van hen tot het jonge meisje: +Wij kunnen, God zij geloofd, voortaan gerust zijn, omdat wij zeker +weten, dat de dood van Tedaldo Elisei is bewezen door zijn broeders +ten laste van Aldobrandino Palermini. Deze heeft het bekend en het +doodvonnis is al geschreven. Maar men moet niettemin goed zwijgen, +omdat, wanneer men toch zou te weten komen, dat wij het gedaan hebben, +wij aan hetzelfde gevaar zouden zijn blootgesteld, waarin Aldobrandino +nu verkeert. Toen dit met de donna besproken was, die zich hierover +zeer verheugd toonde, gingen zij naar beneden om te slapen. + +Tedaldo hoorde dit en begon er over na te denken, hoevele en hoedanig +de dwalingen waren, welke de geesten der menschen kunnen bevangen, +ten eerste peinzend over de broeders, die een vreemde hadden beweend +en in zijn plaats begraven en die daarna den onschuldige door valsche +verdenking hadden beticht, die hem met onware getuigenissen hadden +gedoemd te sterven en behalve dat de blinde strengheid der wetten en +der rechters, die dikwijls genoeg als zoogenaamd ijverige zoekers +naar de waarheid door martelingen het valsche doen bewijzen en die +zich handlangers noemen der gerechtigheid en van God, terwijl zij de +helpers zijn van het onrecht en van den duivel. [58] Daarna keerde +hij zijn gedachte naar de redding van Aldobrandino en stelde vast, +wat hij te doen had. Toen hij 's ochtends opstond, liet hij zijn +knecht achter en toen het hem tijd scheen, ging hij alleen naar het +huis van zijn donna. Toevallig vond hij de deur open, trad binnen en +zag haar op den grond zitten in een klein, gelijkvloersch zaaltje, +dat daar was, vol tranen en verdriet, waardoor hij uit medelijden +schreide, haar naderde en sprak: Madonna, kwel U zelve niet; Uw vrede +is nabij. De donna, dit hoorend, hief het hoofd op en zei weenend: +Mijn goede man, gij schijnt mij een buitenlandsch pelgrim, wat weet gij +van vrede of van mijn verdriet? Toen antwoordde de pelgrim: Madonna, +ik ben van Constantinopel en ik ben sinds kort hier gezonden door +God om Uw tranen in een lach te veranderen en Uw echtgenoot van den +dood te bevrijden. Hoe, zeide de dame, als gij van Constantinopel +zijt en sinds kort toch maar hier, weet gij wie mijn echtgenoot +en ik zijn? De pelgrim, beginnend bij het begin, vertelde de heele +geschiedenis van het ongeluk van Aldobrandino, zeide haar wie zij +was, hoelang zij gehuwd was en meer andere dingen, die hij zeer +goed uit zijn zaken kende. De donna was daarover zeer verwonderd, +hield hem voor een profeet, knielde voor hem en verzocht hem bij God, +als hij voor het heil van Aldobrandino was gekomen, voort te maken, +daar de tijd kort was. De pelgrim, die voorgaf een zeer heilig man +te zijn, zeide: Mevrouw, sta op, ween niet, let wel op hetgeen ik U +zeggen zal en neemt U in acht dit nooit aan een ander te vertellen: +Door hetgeen God mij heeft geopenbaard, is de kwelling, die gij thans +ondervindt, het gevolg van een zonde, vroeger door U bedreven, welke +God ten deele heeft willen uitwisschen met dit verdriet en Hij wil, +dat gij U er geheel van bevrijdt, daar gij anders tot een grooter +leed zult vervallen. + +Toen antwoordde de donna: Messire, ik heb genoeg gezondigd, maar +ik weet niet, waarom God de Heer wil, dat ik mij meer van de eene +dan van de andere zonde bevrijdt. Als gij het wel weet, zeg het mij +dan en ik zal doen, wat ik kan om mij er van te verlossen. Madonna, +zei toen de pelgrim, ik weet wel, welke zonde dat is en ik zal u +niet ondervragen om het nog beter te weten, maar opdat gij door +het zelf te bekennen er meer berouw over zult hebben. Doch laat ons +tot het feit zelf komen. Zeg mij: herinnert gij U ooit een minnaar +gehad te hebben? Toen de donna dit hoorde, slaakte zij een diepe +zucht en verwonderde zich zeer, dat ooit iemand dit wist, behalve +hij die gedood was en welke, voor Tedaldo gehouden, begraven werd, +tenzij men er iets van verraden had met zekere woorden onvoorzichtig +geuit door den metgezel van Tedaldo, die dit wist en zij antwoordde: +Ik zie, dat God U al de geheimen der menschen openbaart en daarom +ben ik bereid U de mijnen te bekennen. Het is waar, dat ik in mijn +jeugd een ongelukkig jonkman zeer lief had, wiens dood aan mijn man +wordt toegeschreven, hetgeen ik evenzeer betreur als dit mij verdriet +deed, omdat, hoewel ik mij hard en barsch jegens hem getoond heb +voor zijn vertrek, noch zijn lange afwezigheid, noch zijn treurige +dood hem uit mijn hart konden rukken. Hierop antwoordde de pelgrim: +De ongelukkige jongeling, die gedood is, heeft U nooit bemind, +maar wel Tedaldo Elisei. Maar zeg mij: Wat was de reden waarom gij +boos op hem waart? Heeft hij U ooit beleedigd? Hierop antwoordde de +donna: Neen, dat bepaald nooit, maar de reden van mijn toorn waren de +woorden van een vervloekten monnik, waaraan ik eens biechtte, omdat, +toen ik hem eens sprak van de liefde, dien ik dezen toedroeg en de +vriendschap, die ik voor hem had, hij mij zulk een spektakel maakte, +dat ik er nog bang van ben, en hij beweerde, dat, als ik niet ophield, +ik in het diepst van de hel in den muil van den duivel zou terecht +komen en dat ik geworpen zou worden in het eeuwige vuur. Hierdoor +werd ik zoo bevreesd, dat ik besloot heelemaal geen vriendschap met +hem te onderhouden en om er geen aanleiding toe te geven, wilde ik +boodschap noch brief meer van hem ontvangen. Ik geloof, dat als hij +meer had doorgezet--maar naar ik vermoed, ging hij wanhopig weg--ik, +daar ik hem zag verteren als sneeuw voor de zon, mijn hard voornemen +had laten varen, omdat ik geen grooter verlangen had dan naar hem. + +Toen sprak de pelgrim: Madonna, dit is de eenige zonde, die U thans +kwelt. Ik weet zeker, dat die Tedaldo U geen geweld zou hebben +aangedaan; want toen gij verliefd op hem werd, hebt gij dit uit +eigen beweging gedaan, daar hij U beviel en omdat gij het zelf wilde, +kwam hij tot U en maakte van Uw vriendschap gebruik, waarin gij met +woorden en daden hem zooveel lieftalligheid toonde, dat gij, indien +hij ook al het eerst verliefd werd, zijn liefde wel duizend maal deed +verdubbelen. Indien dit zoo was (en ik weet, dat het zoo was), welke +reden hadt gij dan om U zoo streng van hem te vervreemden? Hieraan hadt +gij eerst moeten denken en indien gij meent er berouw over te moeten +hebben als van iets slechts, hadt gij het niet moeten doen. Gelijk +hij de Uwe is geworden, zijt gij het de zijne. Gij kondt voorgeven +naar verkiezing te doen of hij de Uwe niet was; maar U zelf aan hem +te onttrekken, die de Uwe was, dit was een diefstal en onbehoorlijk, +daar dit tegen zijn wil geschiedde. Nu moet gij weten, dat ik monnik +ben en dus al hun gewoonten ken en als ik wat vrij in Uw voordeel +er van spreek, is mij dat niet verboden gelijk aan een ander en het +bevalt mij dit te doen, opdat gij ze voortaan beter zult kennen dan +gij tot nu toe schijnt te hebben gedaan. Vroeger waren de monniken +zeer heilige en eerbare mannen maar wie zich thans broeders noemen +en er voor willen worden gehouden, hebben van het monnikschap niets +anders dan de kap en zelfs die niet, omdat, terwijl de stichters der +orden bevalen, dat die nauw, armoedig en van grof goed zouden zijn en +van den geest getuigden, die de wereldsche zaken minachtte, wanneer zij +het lichaam in zulk een simpel gewaad staken, zij thans rijk en dubbel +en schitterend en van fijne stof zijn en ze die in een sierlijken en +priesterlijken vorm hebben gebracht, zoodat zij zich niet schamen in +de kerken en op de wandelplaatsen, gelijk de leeken met hun gewaden +doen, er als pauwen mee te pronken. En gelijk de visscher met het +net met één ruk in de rivier veel visschen tracht te vangen, zoo in +hun wijde dracht rondgaande, doen zij hun best vele huichelaarsters, +vele weduwen en tal van andere dwaze vrouwen en mannen te vatten, wat +meer dan eenige andere godsdienstoefening hun voornaamste bezigheid +is. Daarom, om U oprechter toe te spreken, dragen zij niet de kap der +monniken maar alleen hun kleuren. En terwijl de vroegeren het heil der +menschen zochten, begeeren zij tegenwoordig de vrouwen en het geld en +zij hebben er al hun zinnen op gezet en zetten die er op met spektakel +en hun bangmakerij de geesten der dwazen te ontstellen en voor te +geven, dat zij met aalmoezen en missen hun zonden kunnen uitwisschen, +opdat hun, die uit luiheid en niet uit vroomheid monnik worden en +om niet te werken, deze brood geve, gene wijn verschaft en een ander +zielemissen voor zijn voorvaderen betaalt. En het is wel zeker, dat +de aalmoezen en de gebeden van zonden reinigen, maar indien zij, die +de aalmoezen geven, zagen aan wie zij dit doen, of ze zouden kennen, +zouden zij die even graag houden of ze liever voor evenveel andere +zwijnen werpen. Naarmate anderen minder grooten rijkdom bezitten, +zijn zij daarentegen meer tevreden en doen zij hun best met hun +geschreeuw en hun bedreigingen anderen geld te ontrooven, dat hun +eenig verlangen uitmaakt. Zij bulderen tegen de wellust der mannen, +opdat zij, die aldus overschreeuwd zijn, afstand doen van de vrouwen +en de vrouwen naar de bulderaars komen; zij vervloeken den woeker en +de oneerlijke winsten, opdat zij aangewezen om die terug te geven, +hun kappen rijker kunnen maken bij hun jacht op bisschopstitels en +andere, hoogere priester-waardigheden met dezelfde winsten, waarmee +zij hebben beweerd, dat die tot het verderf leidden van wie ze maakten. + +Wanneer zij over deze dingen en vele andere schanddaden, die zij +bedrijven, onderhouden worden, hebben zij als antwoord klaar: _Doe, +wat wij zeggen en niet wat wij doen_ en meenen, dat dit een waardige +verontschuldiging is voor elke zware zonde, alsof het eerder aan de +schapen mogelijk is om standvastig te zijn en van ijzer dan aan hun +zieleherders. En hoevelen er niet zijn aan wien zij zulk een antwoord +geven, dat die het niet begrijpen door de manier, waarop zij dit geven, +dat weet een groot deel van hen. De hedendaagsche monniken willen, +dat gij doet, wat zij zeggen, namelijk dat gij hun beurs vult met +geld, dat gij hun uwe geheimen toevertrouwt, dat gij de kuischheid +bewaart, geduldig zijt, de beleedigingen vergeeft, u er voor hoedt +kwaad te spreken, allemaal goede, eerlijke en heilige dingen. Maar +waarom dit? Opdat zij dat kunnen doen, wat, als de leeken het deden, +zij niet zouden kunnen. Wie weet niet, dat zonder geld hun luiheid +niet kan voortduren? Indien gij er geen plezier meer in hebt aan +hen uw geld te verkwisten, kan de broeder in de orde niet meer +luieren. Indien men buitenshuis niet naar de vrouwen gaat, zijn de +broeders binnenshuis hun plaats kwijt. Indien gij geduldig zijt en +beleedigingen vergeeft, zal de broeder niet in uw huis durven komen +om uw huisgezin te schandvlekken. Maar waarom zal ik mij bij alles +ophouden? Zij beschuldigen zich elken keer, dat zij in tegenwoordigheid +van wie hen hooren deze verontschuldigiging aanvoeren. Waarom blijven +zij zelf niet thuis, als zij niet gelooven kuisch en heilig te kunnen +zijn? Of als zij dit toch willen nakomen, waarom volgen zij dan niet +dit andere heilige woord van het Evangelium: _Christus begon te doen, +daarna te spreken?_ Laten zij ook eerst handelen en dan de anderen +les lezen. Ik heb er onder de mijnen duizenden gezien, verliefd, +minnaars, bezoekers, niet alleen van de wereldlijke vrouwen maar ook +van de nonnen en juist onder degenen, die het meeste drukte maken op +hun kansels. Waarom zullen wij zulke lieden naloopen? Die het doet, +doet wat hij wil, maar God weet of hij wijs doet. Maar aangenomen, +dat men toch moet toegeven, wat de monnik, die U berispt, zegt, +namelijk dat het een zeer ernstig misdrijf is de echtelijke trouw +te verbreken, is het dan niet erger een mensch te bestelen? Is het +niet veel erger hem te dooden of hem in ballingschap te sturen om de +wereld door te zwerven? Dat zal ieder erkennen. Dat een vrouw van +de genegenheid van een man gebruik maakt is een natuurlijke zonde, +maar hem te berooven, te verwonden of te verjagen komt voort uit +laagheid van aard. Dat gij Tedaldo bestolen hebt door U aan hem te +onttrekken, die uit eigen beweging de zijne zoudt geworden zijn, +heb ik U al vroeger aangetoond. Ik beweer ook, dat, in zooverre het +van U afhing, gij hem hebt getoond, omdat het van U niet afhing, die +steeds meer wreedheid voorgaaft, dat hij zich niet eigenhandig van +kant maakte en de wet zegt, dat hij, die de oorzaak is van het kwaad, +dat geschiedt, even schuldig is als hij, die het kwaad doet. En dat +gij van zijn ballingschap en van zijn zwerven door de wereld gedurende +zeven jaren de oorzaak zijt, kan men ook niet ontkennen. Zoodat gij +een veel grooter zonde hebt bedreven door een der drie gezegde dingen +dan door Uwe betrekking tot hem. Maar laat ons zien. Verdiende Tedaldo +dit misschien? Zeker niet; gij hebt het zelf al erkend, ook zonder dat +ik weet, dat hij U meer bemint dan gij hem. Niemand was zoo geëerd, +zoo verheven, zoo verheerlijkt als gij boven iedere andere donna +door hem, indien hij zich bevond op een plaats, waar hij eerlijk en +zonder argwaan op te wekken, van U kon spreken. Al zijn rijkdom, al +zijn eer, al zijn vrijheid, alles van hem gaf hij U in handen. Was +hij niet van adel en jong? Was hij niet schoon vergeleken bij zijn +andere medeburgers? Was hij niet uitmuntend in die dingen, die aan de +jongelingen eigen zijn? Was hij niet bemind? Werd hij niet op prijs +gesteld? Werd hij niet gaarne door iedereen gezien? Gij zult hierop +toch niet neen antwoorden? Dus, hoe hebt gij naar het woord van een +mallen, dommen en jaloerschen broeder zulk een wreed besluit tegen +hem kunnen nemen? Ik begrijp niet wat die dwaling is van de vrouwen, +die de mannen ontwijken en ze weinig achten, wanneer zij bedenken wat +zij zelf zijn en hoe groot en hoedanig de adel is, die God aan den +man boven elk ander wezen heeft geschonken en zij er zich op moesten +beroemen, wanneer zij door een van hen bemind worden en hem boven +alles moesten liefhebben en alles moesten doen om hem te behagen, +opdat hij nooit zou ophouden hen te beminnen. Wat gij gedaan hebt, +bewogen door het woord van een monnik, die zeker een of andere vraat +is, een liefhebber van taarten, dat weet gij. En misschien zou hij +verlangen zich op dezelfde plaats te stellen, waaruit hij zijn best +doet anderen te verdrijven. Dit is de zonde, welke de goddelijke +gerechtigheid, die met juiste balans al haar werken ten uitvoer brengt, +niet ongestraft heeft willen laten en gelijk gij U zelf aan Tedaldo +hebt willen onttrekken, zoo was en is nog Uw man zonder reden door +Tedaldo in gevaar en gij in tegenspoed. Wanneer gij daarvan bevrijd +wilt worden, dan is wat U past te beloven en het best om te doen, dat +gij, indien ooit Tedaldo uit zijn lange ballingschap hier terug komt, +hem Uw gunst, Uw liefde, Uw welwillendheid en vriendschap terug geeft +en in dien toestand hem terug brengt, waarin hij was, voordat gij, +dwaas genoeg, den mallen broeder geloofde. + +Toen de pelgrim zijn woorden geëindigd had, zeide de donna, die +zeer aandachtig ze opving, omdat die redeneeringen haar zeer waar +schenen en omdat zij zich werkelijk om die zonde, hiernaar hoorend, +bezocht achtte: Vriend van God, ik weet genoeg, dat de dingen die gij +zegt, waar zijn en ik erken voor een groot deel door Uwe verklaring +wat de monniken waard zijn, die ik tot nu toe allen voor heiligen +heb gehouden en zonder twijfel beaam ik, dat mijn misstap groot is +geweest in hetgeen ik tegen Tedaldo deed en als het mij mogelijk is, +zal ik het gaarne vergoeden op de wijze door U gezegd. Maar hoe kan +dit! Tedaldo zal nooit kunnen terugkeeren; hij is dood en omdat het +dus niet kan, weet ik niet waarom ik noodig heb het te beloven. Hierop +antwoordde de pelgrim: Madonna, Tedaldo is heelemaal niet dood naar +hetgeen God mij bewijst, maar levend, gezond en wel, mits hij Uwe +gunst heeft. Toen zeide de donna: Pas op hetgeen gij zegt; ik zag hem +dood voor mijn deur getroffen door verscheidene messteken, ik hield +hem in mijn armen en heb zijn dood gelaat met vele tranen besproeid, +welke misschien de oorzaak waren, dat men er zooveel over sprak, als +men er op lasterlijke wijze over gepraat heeft. Toen zeide de pelgrim: +Madonna, wat gij ook beweert, ik verzeker U, dat Tedaldo leeft en als +gij wilt beloven hem te behandelen, gelijk ik gezegd heb, hoop ik, +dat gij hem spoedig zult zien. Toen hernam de donna: Dat doe ik gaarne +en zal ik gaarne doen en niets zou mij zoo tot vreugde kunnen strekken +dan mijn man vrij te zien buiten gevaar en Tedaldo levend. Nu scheen +het Tedaldo tijd zich bekend te maken en de donna met de zekerste hoop +omtrent haar echtgenoot te sterken en sprak hij: Mevrouw, opdat ik U +betreffende Uw man gerust stel, moet ik U een geheim openbaren, dat gij +moet bewaren zonder ooit in Uw gansche leven er iets van te verraden. + +Zij waren op een vrij afgezonderde plaats en alleen en de donna had het +grootste vertrouwen gekregen in de heiligheid, welke de pelgrim scheen +te vertoonen. Daarom trok Tedaldo een ring, dien hij zorgvuldig bewaard +had en welke de donna hem den laatsten nacht had gegeven, dat zij samen +geweest waren, te voorschijn en zeide, terwijl hij dien vertoonde: +Madonna, kent gij dien? Toen de donna dien zag, herkende zij dien en +antwoordde: Zeker, heer, ik gaf dien aan Tedaldo. Daarop verhief zich +de pelgrim en de kap terugwerpend en den hoed van het hoofd, sprak +hij in het florentijnsch: En kent gij mij? Toen de donna hem zag en +begreep dat hij Tedaldo was en geheel ontzet, bevreesd voor hem als +voor dooden, die men als levenden ziet loopen, verschrikte zij en zij +ontving hem niet als Tedaldo teruggekeerd van Cyprus maar als Tedaldo +teruggekeerd uit het graf en wilde in angst vluchten. Tedaldo sprak +tot haar: Madonna, vrees niet, ik ben uw Tedaldo levend en gezond en +ik stierf niet, noch was ik dood, hoewel gij en mijn broeders het +gelooven. De vrouw een weinig gerust gesteld, met ontzag voor zijn +stem en hem wat langer beschouwend, werd er zekerder van, dat hij +Tedaldo was, wierp zich weenend om zijn hals, kuste hem en sprak: +Mijn lieve Tedaldo, gij zijt gelukkig teruggekeerd. Tedaldo omarmde +en kuste haar en zeide: Madonna het is nu nog geen tijd voor een +inniger ontvangst, ik wil te werk gaan, opdat Aldobrandino U gezond +en veilig zal worden teruggegeven. Wat dat betreft hoop ik, dat gij +voor morgen tijdingen zult vernemen, die u zullen bevallen. Indien +ik werkelijk, gelijk ik geloof, goede hoop heb omtrent zijn behoud, +zal ik vannacht bij U kunnen komen en het U meer op mijn gemak kunnen +vertellen dan thans. Hij wierp opnieuw de kap terug en den hoed, +kuste de donna nog eens, versterkte haar met goede hoop, nam afscheid +van haar en ging daarheen, waar Aldobrandino in de gevangenis zat en +dacht meer aan de vrees voor den naderenden dood dan aan de hoop op +toekomstig behoud. Alsof hij er heen was gegaan om hem te troosten, +kwam hij er binnen met toestemming van de bewaarders, zette zich +naast hem en zeide: Aldobrandino, ik ben een vriend van U door God +tot U gezonden om U te verlossen, die wegens Uw onschuld medelijden +met U had. Daarom, indien gij uit eerbied voor Hem mij een kleine +gunst wilt toestaan, dien ik U zal vragen, zult gij zonder twijfel +voor morgenavond in plaats van het doodvonnis, dat U wacht, dat van +Uwe bevrijding vernemen. Aldobrandino antwoordde hem: Beste man, daar +gij U voor mijn behoud beijvert en ik U niet ken noch mij herinner U +ooit gezien te hebben, moet gij een vriend zijn gelijk gij zegt. En +werkelijk de zonde, waarvoor men zegt, dat ik ter dood veroordeeld +moet worden, heb ik nooit bedreven; ik heb genoeg anderen gedaan, die +mij er misschien toe gebracht hebben. Maar dit zeg ik U tot Gods eere, +indien Hij thans met mij erbarming heeft, zal ik gaarne een groote daad +doen liever dan een kleine en die liever doen dan beloven. Daarom: +vraag wat U behaagt, daar ik die belofte zonder twijfel, als ik +er aan ontsnap, zal nakomen. Toen zeide de pelgrim: Wat ik wil, +is niets anders dan dat gij de vier broeders van Tedaldo vergeeft, +die U zoover gebracht hebben, daar zij geloofden, dat gij aan diens +dood schuldig waart en dat gij hen als broeders en vrienden aanneemt, +als zij U hiervoor vergeving vragen. Aldobrandino antwoordde: Niemand +weet, hoe zoet de wraak is, noch hoezeer men die verlangt, behalve +hij, die de beleediging ontvangen heeft, maar ik zal ze gaarne, opdat +God mijn bevrijding wenscht, vergeven en vergeef hen thans en als ik +hier levend en ongedeerd uitkom, zal ik mij er aan houden zoo hierin +te handelen, dat het U aangenaam zal zijn. + +Dit beviel den pelgrim en zonder hem iets anders te zeggen, vroeg hij +hem vooral goeden moed te houden, daar hij zeker, voor de volgende +dag zou eindigen, beslissende tijdingen zou hooren omtrent zijn +bevrijding. Hij nam afscheid van hem, ging naar het gerechtshof en +sprak in het geheim tot een ridder, die er zich bevond: Mijnheer, +elkeen moet er zich voor beijveren, dat de waarheid der dingen +bekend wordt en het meest diegenen, welke de plaats bekleeden, die +gij inneemt, opdat niet zij de straf dragen, welke de zonde niet +hebben bedreven en opdat de ware zondaars gestraft worden. Opdat +dit geschiedt, ben ik tot Uw eer en tot straf van degenen, die dit +heeft verdiend, hier gekomen. Gelijk gij weet, zijt gij streng tegen +Aldobrandino Palermini te werk gegaan en het schijnt als waar te zijn +bevonden, dat hij het is, die Tedaldo Elisei heeft vermoord en gij +zijt op het punt hem ter dood te laten brengen. Dit is zeker verkeerd, +daar ik hoop, eer het middernacht is, de moordenaars van den jongen +man U in handen te stellen. De brave man, dien het lot van Aldobrandino +verontwaardigde, leende gaarne het oor aan de woorden van den pelgrim +en nadat hij verschillende dingen hierover met hem besproken had, +liet hij op diens aandringen in hun eersten slaap de twee gebroeders +herbergiers en hun knecht zonder weerstand gevangen nemen. Toen hij +hun om te weten, hoe de dingen gebeurd waren, wou laten pijnigen, +lieten zij dit niet toe, maar ieder voor zich en daarna allen te +zamen bekenden openlijk, dat zij het geweest waren, die Tedaldo +Elisei hadden gedood, terwijl zij hem niet kenden. Men vroeg hen de +reden en zij antwoordden: Omdat hij aan een van hun vrouwen, terwijl +zij niet in de herberg waren, veel last had veroorzaakt en haar had +willen dwingen zijn wil te doen. De pelgrim ging, na dit te hebben +vernomen met verlof van den edelman heen en in stilte begaf hij zich +naar het huis van madonna Ermellina en vond haar, terwijl elk daar +ter ruste was gegaan, hem alleen wachtend en eveneens verlangend +goede tijdingen van haar man te hooren en bereid zich geheel met +haar Tedaldo te verzoenen. Toen hij tot haar kwam, zeide hij met +een verheugd gelaat: Mijn zeer geliefde donna, verblijdt U, daar +gij zeker Uw Aldobrandino morgen gezond en ongedeerd hier zult terug +hebben. En om haar meer geloof te schenken verhaalde hij haar alles, +wat hij gedaan had. De donna door die zoo onverwachte gebeurtenissen, +namelijk Tedaldo levend te zien, dien zij werkelijk als dood had +beweend en Aldobrandino vrij van gevaar, dien zij voor enkele dagen +als overleden meende te moeten beweenen, zoo blijde als zij nog nooit +was, omhelsde en kuste haar Tedaldo innig en nadat zij samen naar bed +waren gegaan, hadden zij met goeden wil een heerlijke en aangename +rust en genoten ten zeerste van elkaar. Toen de dag naderde, stond +Tedaldo op na al voor de donna te hebben uiteengezet, wat hij doen +wilde en na haar opnieuw te hebben verzocht dit zeer stil te houden, +ging hij weer in pelgrimskleed uit haar huis om als het tijd was, +zich met de zaken van Aldobrandino bezig te houden. + +De rechtbank, die, toen het dag werd, volkomen op de hoogte scheen +gesteld van de zaak, liet Aldobrandino spoedig vrij en liet een +paar dagen later de boosdoeners, die den moord hadden begaan, het +hoofd afslaan. Toen Aldobrandino aldus vrij was tot groote vreugde +van hem en zijn vrouw en al zijn vrienden en kennissen en daar hij +zeker wist, dat het door de bemoeiing van den pelgrim kwam, hielden +zij hem in huis, zoolang hij in de stad wou blijven. Daar konden +zij niet genoeg te zijner eere en vreugde doen en vooral de donna, +die wel wist, voor wien zij dit deed. Maar na eenigen tijd, toen +hij meende, dat hij de broeders moest verzoenen met Aldobrandino, +en hij niet alleen wist, dat zij door diens vrijspraak gekwetst +waren maar uit vrees ook gewapend herinnerde Aldobrandino aan de +belofte dit in orde te maken. Aldobrandino antwoordde edelmoedig, +dat hij bereid was. De pelgrim liet hem den volgenden dag een fraai +gastmaal gereed maken, waarop hij zeide, dat hij zijn verwanten en +hun vrouwen, de vier broeders en hun donna's zou ontvangen en voegde +er aan toe, dat hij zelf dadelijk ze van zijn kant tot een feestmaal +zou uitnoodigen ten teeken van vrede. Daar Aldobrandino, over al wat +den pelgrim behaagde, tevreden was, ging deze dadelijk naar de vier +broeders en na met hen genoeg woorden te hebben gewisseld, die met +betrekking tot de zaak vereischt werden, wist hij hen ten slotte +met onweerlegbare redenen vrij gemakkelijk er toe over te halen +de vriendschap van Aldobrandino te herwinnen door hem vergeving te +vragen. Toen dit geschied was, noodigde hij ze den volgenden morgen +met hun donna's tot een middagmaal uit en zij van zijn goede trouw +verzekerd namen de uitnoodiging aan. Den volgenden morgen op het +etensuur kwamen de vier broeders van Tedaldo, nog gekleed in het +zwart, met eenigen van hun vrienden naar het huis, waar Aldobrandino +ze wachtte. Daar, voor allen, die door Aldobrandino verzocht waren +om hen gezelschap te houden, wierpen zij de wapens ter aarde en +stelden zich ter beschikking van hem, dien zij vergeving vroegen, +voor hetgeen zij hem hadden gedaan. Aldobrandino ontving ze weenend +met erbarmen en na ze allen op den mond gekust te hebben en de zaak +met weinig woorden te hebben afgehandeld, vergaf hij elke ondergane +beleediging. Daarna kwamen al hun zusters en hun vrouwen, allen in het +bruin gekleed naderbij en zij werden door madonna Ermellina en door +de andere dames vriendelijk ontvangen. Toen de heeren zoowel als de +dames bij het feestmaal uitstekend bediend waren en daar niets bij was, +wat men kon misprijzen, behalve een stilzwijgen veroorzaakt door de +pas geleden smart, uitgedrukt in de donkere kleeren van de verwanten +van Tedaldo, (waardoor het denkbeeld en het gastmaal zelf van den +pelgrim door enkelen werd gelaakt, wat hij wel gemerkt had), stond hij, +toen hij het oogenblik gekomen achtte om dit te doen eindigen op en +zeide, terwijl men nog vruchten zat te eten: Niets heeft ontbroken +om dit gastmaal vroolijk te maken dan Tedaldo, dien ik, daar gij hem +voortdurend bij U hadt zonder hem te kennen, U wil toonen. Hij wierp +de kap en het heele pelgrimsgewaad achterwaarts, bleef in een rok +van groene zijde staan en werd niet zonder aller grootste verbazing +beschouwd en lang duurde het voor hij herkend was en voordat men het +waagde te gelooven, dat hij het was. Toen Tedaldo dit zag, begon hij +veel gebeurtenissen te vertellen die op hun verwantschap betrekking +hadden. Hierdoor kwamen de broeders en de andere mannen, alle de oogen +vol vreugdetranen, tot hem om hem te omhelzen en daarna deden zoo +ook de donna's, de vreemde zoowel als de verwante, behalve mevrouw +Ermellina. Toen Aldobrandino dit zag, zeide hij: Wat beteekent dat, +Ermellina? Waarom betuigt gij geen vreugde aan Tedaldo als de andere +donna's? Waarop, terwijl allen het hoorden, de donna antwoordde: +Niets zou ik hem liever hebben betuigd en niemand wil dit meer dan ik, +die hem meer verplicht ben dan ieder ander, in aanmerking genomen, +dat ik U door zijn daden heb terug gekregen. Maar de laster over mij +gesproken op den dag, dat wij hem beklaagden, dien wij geloofden, +dat Tedaldo was, weerhouden mij. Hierop antwoordde Aldobrandino: +Ga Uw gang, gelooft gij, dat ik hecht aan de lasteraars? Door naar +mijn geluk te streven, heeft hij voldoende getoond, dat dit onwaar is, +zoodat ik het ook nooit gelooven zal. Sta gauw op, ga en omhels hem. De +donna, die niet anders wenschte, was niet langzaam in het gehoorzamen +van haar echtgenoot; daarom verhief zij zich gelijk de anderen hadden +gedaan en deed hem, door hem te omhelzen, groot genoegen. + +Deze edelmoedigheid van Aldobrandino beviel aan de broeders van +Tedaldo en aan elk man en vrouw, die er was en elke wrok, die had +kunnen ontstaan in de geest van enkelen door de gesproken woorden, +werd gebluscht. Toen aldus elk Tedaldo gevierd had, rukte hij zelf de +zwarte kleeren der broeders van het lijf en de bruinen van de zusters +en de schoonzusters en hij wenschte, dat men er andere kleeren liet +komen. Toen zij op nieuw gekleed waren, gaf men veel zangen en dansen +en andere genoegens ten beste. Hierdoor had het gastmaal, dat zoo stil +begon, een rumoerig einde. En zij gingen allen, zooals zij waren, +naar het huis van Tedaldo en daar hielden zij het avondmaal. En +meerdere dagen daarna zetten zij op die manier volhoudend het feest +door. De Florentijnen beschouwden Tedaldo langen tijd als een weder +opgestaan mensch en als een wonder, en bij velen, ook bij de broeders +bleef er nog een zwakke twijfel in de ziel of hij het was of niet, +en zij wilden het nog niet vast gelooven en zij hadden het misschien +nooit geheel geloofd, als er niet een feit gebeurd was, waardoor het +hun klaar werd wie gedood was en wie dit was geweest. Eens kwamen +voetknechten van Lunigiana langs hun huis en toen die Tedaldo zagen, +gingen zij hem tegemoet met de woorden: Goeden dag, Faziuolo! Hierop +antwoordde Tedaldo in tegenwoordigheid van de broeders: Gij hebt mij +voor een ander gehouden. Toen dezen dit hoorden, schaamden zij zich, +vroegen hem vergeving en zeiden: In waarheid gelijkt gij meer op onzen +metgezel, die zich Faziuolo van Pontremoli noemt dan wien wij ooit +op iemand zagen gelijken en die hier misschien voor veertien dagen +of iets meer kwam en waarvan wij nooit konden weten, wat er van hem +geworden was. Het is wel waar, dat wij verwonderd waren over het pak, +dat gij draagt, daar deze soldaat was als wij. De oudste broeder +van Tedaldo kwam bij die woorden nader en vroeg, hoe die Faziuolo +gekleed was. Zij zeiden dit en men vond, dat het juist was geweest +gelijk zij beweerden. Hierdoor, behalve door deze en andere teekens, +werd herkend, dat wie vermoord was geworden, Faziuolo was geweest en +niet Tedaldo, zoodat vandaar de argwaan bij de broeders en bij allen +verdween. Tedaldo nu, die zeer rijk was geworden, volhardde in zijn +liefde en zonder dat de donna zich weer vertoornde, ging hij stil te +werk en genoten zij hiervan langen tijd. God late ons genieten van +de onze. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood + begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, + wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar + men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna + weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn + vrouw beviel, als den zijne aan._ + + +Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn +lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn +verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid +der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door +een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, +haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna's. Ik geloof, +dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, +op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat +iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U +dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna +hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was +opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer +verdiende als schuldige te worden veroordeeld. + +Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er +velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin +een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve +in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, +dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat +hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu +was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een +zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding (wiens sympathie om geen +andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte +hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij +bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote +had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan +niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo--hoezeer +in andere opzichten onnoozel en dwaas--in het beminnen en bewaken van +zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel +Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een +luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak +hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van +de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat +bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en +verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt +kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten +had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, +als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou +het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, +waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; +maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe +noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, +geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is +zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor +niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, +de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, +dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, +als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens +weinig zal helpen. + +Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, +dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard +had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart +is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een +gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche +te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, +wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad +noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver +geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten +te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal +zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik +liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt +voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt +antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat +hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend +in kunnen gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in +gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van +zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God +smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, +zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, +gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen +niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en +als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en +hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van +die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd +als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: +Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien +dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik +het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, +dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor +mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, +wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat +tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: +Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw +liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig +verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel +verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij +een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die +tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: +Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid +niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een +zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid +heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te +handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna's op uw schoonheid +u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die +gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben +ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat +moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel +verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, +die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u +moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van +mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger +de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, +die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij +wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en +kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren +dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne +doe. De donna hield het gelaat omlaag en wist niet hoe hem te weigeren +en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen +de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, +dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na +de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, +dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij +tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo +in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: +Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, +dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken. + +Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te +hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk +en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om +bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt +en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de +abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het +vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, +dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den +Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg [59] het gewoon was te +gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of +hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, +zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het +nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen +voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, +aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde +hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen +van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het +duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door +zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande +insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust +werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in +zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het +leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door +een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de +abt en de monniken zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, +men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als +zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn +bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen +en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, +werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd. + +De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein +kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven +begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo +behoord hadden. + +Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien +hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, +heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een +gewelf, waarin men in 't geheel geen licht zag en dat tot gevangenis +was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij +hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en +lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen +begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij +te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, +tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van +zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke +hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost +te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en +zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan +den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid +was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo +ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo +en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met +het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, +welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij +het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, +dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen +en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel +der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende. + +Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij +was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en +met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak +slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben +ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei +Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon +Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon +en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de +monnik hem te eten en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de +dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw +vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en +God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: +Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor +ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en +niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, +omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken +en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar +straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen +den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet +en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot +hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik +sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per +dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat +jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in +jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, +gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan +suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch +te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij +had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten +zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in +gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer +jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, +die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde +Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter +wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, +behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook +omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister +heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden +bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, +indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar +zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: +Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer +prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde +straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot +God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen +anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, +maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: +hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel +wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo +en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo'n +afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, +met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, +in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht +en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had. + +Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij +het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het +beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou +worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, +dat ze van hem zwanger was. + +De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem +Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, +want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen +zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven +van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van +uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen +Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: +Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden +God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn +goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem +stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier +uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik +samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, +'s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, +en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien +maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, +begon hij te roepen: _Doe mij open! doe mij open!_ en hij begon +zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, +zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna +weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen +zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de +kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en +gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich +verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en +het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods +macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een +man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te +voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en +zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die +van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van +het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik +God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het +geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, +mijn zoon, nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, +die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, +en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, +dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal +vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met +zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een +groote verbazing en liet er vroom het _Miserere_ om zingen. + +Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, +gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij +riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was +opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men +wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men +hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, +antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun +verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld +over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid +van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello [60], +voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in +het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij +meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens +de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen +maanden dragen--de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd +genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, +dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt +zonder einde toenemen. + +Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo +van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna +gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor +tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer +zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar +goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van + een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, + die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit + baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder + wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling + krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar + tot vrouw._ + + +Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, +bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis +van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat +de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus: + +Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te +hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij +niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig +hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, +welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, +wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen. + +Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, +graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, +altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne +genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram [61] +genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen +van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, +dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze +liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval +is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, +moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar +bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij +maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen +om Beltram te zien. Maar daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk +en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar +zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, +had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, +geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit +van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een +zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de +koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat +slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn +en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel +velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, +maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover +wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de +jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde +reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, +welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram +tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar +vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame +kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, +te paard steeg en naar Parijs ging. + +Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en +daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn +kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong +meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij +die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen +genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u +zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben +verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: +Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, +zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar +goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den +raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht +mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat +ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis +van meester Gerard de Narbonnees, die mijn vader was en een zeer +beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: +Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat +zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En +na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet +geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, +wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, +laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan +verbranden; maar als ik u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning +krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij +dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje +zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, +maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw +zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning +beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar +kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor +zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt +uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de +Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon te beminnen +en die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig +ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en +zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide +tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, +dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge +dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven. + +Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: +Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft +terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel +zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, +die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt +gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo'n +vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet +nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame +gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, +gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan +aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit +huwelijk tevreden zal wezen. Toch--sprak de koning--zult gij het zijn, +omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen +wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met +een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet +groote toebereidselen maken voor het bruiloftsfeest. Toen de hiervoor +bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, +de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die +reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, +dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk +wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard +en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij +wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos +voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen +en tot kapitein gemaakt van een zeker aantal manschappen. Toen hij +van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in +hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte +door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen +en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd +ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den +graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige +vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover +zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe +en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen +de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den +graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, +dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat +zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde +deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij +haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon +van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat +hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, +dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde +gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun +woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar +de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, +overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, +omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg. + +En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel +der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun +geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor +den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide +zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in +eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van +haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van +barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de +bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf +zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er +zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren. + +Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen +geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen +van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, +na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en +een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure +edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield +geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, +trok zij zich terug in eene kleine herberg, welke een goede weduwe +hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets +van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag +Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij +vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster +antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die +graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de +verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar +arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft +bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die +haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben +behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na +alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben +gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en +de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging +zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en +haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, +wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw +was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen +zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de +gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig +is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, +tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders +verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: +Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt +mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de +edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij +bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar +eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag +van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook +omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden +met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt +bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb +om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan +verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, +mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint. + +De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, +weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat +kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, +ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik +wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, +dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar +wat ik vernomen heb en meen te begrijpen, is het gebrek aan geld om +haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot +loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld +spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg +zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die +het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, +zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat +mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna +handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij +door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat +zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij +er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en +dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, +dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij +daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij +schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij +gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in 't geheim hier laten +komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen +liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden +en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op +den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een +vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak +zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, +dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar +zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar +man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om +dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid +en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen +met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij +dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in +plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na +de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, +werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk +de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet +slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar +vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord +van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was +geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij 's +ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de +gravin alle met zorg bewaarde. + +Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen +met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, +heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat ik doe wat u +aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, +dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar +dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat +het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin +ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet +van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij +plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, +vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te +doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden +vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure +juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer +dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid +van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan +Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder +in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land +naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging +naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn +vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De +gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was +teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het +oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun +vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, +begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te +Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den +graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij +wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest +geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, +gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in +het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder +van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen +naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, +wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige +echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, +langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u +aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u +toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee +en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word +als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel +buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo +op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin +tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde +achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat +zij de waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid +bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de +belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen +genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen +hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen +en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, +herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij +liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote +blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, +die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen +een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als +zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar + den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt + zij de vrouw van Neerbal._ [62] + + +Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, +zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om +te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige +donna's. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug +jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, +waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt +gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, +hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige +salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de +dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht +doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht +onderworpen is. + +Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa [63] +in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige +zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was +geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, +het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg +zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het +gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God +het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk +zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda +hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en +misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door +een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, +den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda [64] geheel alleen +in 't geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte +zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, +ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd +haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat +zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat +hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige +man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij +haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede +gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en +wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn +dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, +welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij +begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden +vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, +een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, +wat zij ook de anderen gevraagd had. + +Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde +haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen +de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen +vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij +de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij +weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf +zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de +oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd +en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat +te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, +opdat zij niet bemerkte, hij als een besluiteloos man wilde bereiken, +wat hij van haar verlangde. + +Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij +spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig +was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het +voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te +halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer +de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te +verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel +naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje +vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult +het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult +zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, +die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij +deed haar op de knieën liggen, alsof zij wilde bidden en plaatste +haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan +ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam +de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: +Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat +ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan +ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, +zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: +O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel +niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets +anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: +Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, +dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van +mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, +gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in +die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult +schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, +indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje +antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit +gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, +wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, +opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje +op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden +om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog +nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig +pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet +een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de +hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging +voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te +zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, +voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat zij +hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar +daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, +jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te +behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen +in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename +zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders +deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel +naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets +anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij +dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier +gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer +den duivel in de hel doen. Bij zoo'n gelegenheid zeide zij eens: +Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als +hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, +zou hij er nooit uit komen. + +Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des +Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat +hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom +begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd +en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het +hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den +hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het +zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den +duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel +geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen +rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de +razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn +hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen +en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide +haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren +te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar +enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te +werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer +ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde. + +Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door +te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa +een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn +kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van +al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in +bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog +leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had +gelegd op de goederen van haar vader als van een man gestorven zonder +erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar +bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met +haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen +haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, +met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij +Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een +groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De +vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde +het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, +dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, +neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook +goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad +verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen +meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel +te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, +jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel +sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen +en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen. + +Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna's doen +lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten +einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was +verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer +lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig +zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het +de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als +ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben +den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed +en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt +geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij +opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, +Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid +kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo +dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd +hadden te toeteren. [65] + +Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, +hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des +rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de +zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar hetgeen hij meende, +dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor +zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de +donna's en zeide: Verliefde donna's. Sinds mijn ongeluk, weet ik +wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer +ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn +gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp +bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een +ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en +zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat +men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen +overeenstemt, namelijk _van hem, wier liefde een ongelukkig einde +had_, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig +zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, +vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen +[66]. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal +vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er +uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, +daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door +de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar +bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de +aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen +zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire +Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen +zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om +en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen +de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het +grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die +de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden +weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij +zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb +er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo +blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, +zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U +komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het +gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een +ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden: + + + + Geen troostelooze + Heeft zich zoo te beklagen als ik, + Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde. + + + + Hij, die den hemel beweegt en elke ster + Maakte mij naar zijn welbehagen + Lief, bekoorlijk, gracieus en schoon + Om hier omlaag aan elk hoog verstand + Eenig teeken te geven + Van de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat, + En de menschelijke onvolmaaktheid, + Die mij slecht heeft gekend, + Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht. + + + + Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarne + Als jong meisje mij nam + In zijn armen en daarna in al zijn gedachten + En voor mijn oogen geheel ontvlamde. + En de tijd, die licht voorbij vliegt + Verkwiste hij geheel met mij te beminnen, + En ik, die hoffelijk ben, + Maakte hem mijner waardig, + Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem. + + + + Toen kwam tot mij een trotsche + En fiere jonkman, + Die zich edel roemde en dapper + En mij nam en hield en met valsche gedachte + Jaloersch is geworden. + Daarover, helaas, ben ik wanhopig, + In waarheid wetend + Dat ik, voor het heil van velen ter wereld + Gekomen, door één geheel ben vermeesterd. + + + + Ik verfoei mijn ongeluk, + Toen ik om vrouw te worden + Het ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijde + Zag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nu + Een hard leven leid, + Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben. + O smartbrengende vreugde! + Waarom ben ik niet gestorven, + Voor ik dit en zoo heb beleefd! + + + + O dierbare minnaar, waarover ik eerst + Meer dan over ieder ander blijmoedig was, + En die thans in den hemel is bij Hem, + Die ons schiep, zie heb medelijden + Met mij, die voor anderen + U niet kan vergeten: doe mij gevoelen, + Dat de vlam niet is uitgebluscht, + Die voor mij U verteerde, + En erlang daar voor mij het wederzien. + + + +Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op +verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn +Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is +dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en +waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna +liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels +had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke +ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het +hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn +kamer terugkeerde. + + + + + + + +Vierde Dag. + + _De derde Dag van de _Decamerone_ eindigt; de vierde vangt aan, + waarop onder het bewind van Filostrato gesproken wordt van hen, + wier liefde een ongelukkig einde had._ + + +Zeer geliefde donna's. Zoowel door de woorden van wijze mannen, die ik +hoorde als door de vele dingen meermalen door mij gezien en gelezen, +meende ik, dat de hevige en brandende wind van de afgunst slechts de +hooge torens of de verhevenste toppen der boomen kon schudden, maar +ik vond mij in mijn meening bedrogen; daarom vluchtend en altijd mijn +best doende de wreede kracht van dien wind te ontvluchten, was ik er +steeds op uit niet alleen door de vlakten, maar ook door de diepste +valleien te gaan. Wat duidelijk genoeg kan blijken aan wien de hier +gegeven geschiedenissen beschouwt, welke door mij niet alleen zijn +geschreven in de florentijnsche volkstaal en in proza en zonder titel, +[67] maar ook in den meest gewonen en sobersten stijl, zooveel als +maar mogelijk is. Toch heb ik daardoor niet kunnen beletten, dat ik +geheel door zulk een wind wreed werd geschud en ook bijna ontworteld +en geheel verscheurd door de beten van den nijd. Daarom kan ik best +begrijpen, dat het waar is, wat de wijzen plegen te zeggen, dat alleen +de ellende in de tegenwoordige wereld zonder afgunst is. + +Er zijn dan, bescheiden dames, enkele lieden geweest, die deze +novellen lezende, hebben gezegd, dat gij mij te veel behaagt en +dat het geen eerlijke zaak is, dat ik er zooveel behagen in schep u +te willen bekoren en u te troosten en anderen hebben het nog erger +genoemd u te prijzen gelijk ik deed. Anderen, die wilden voorgeven, +bedachtzamer te spreken, hebben gezegd, dat het op mijn leeftijd [68] +niet past mij voortaan met die dingen bezig te houden, namelijk met de +donna's te spreken of hen te behagen. En velen zeggen, zeer twijfelend +aan mijn goeden naam, dat ik beter deed bij de Muzen op den Parnassus +te blijven dan mij met die dwaasheden onder u te mengen. En er zijn +er ook, die meer met teleurstelling dan met wijsheid spreken, en die +gezegd hebben, dat ik bescheidener deed er aan te denken, vanwaar +ik brood kon krijgen dan die fratsen voort te zetten en wind te +happen. En zekere anderen doen hun best aan te toonen, dat de dingen +anders zijn gebeurd door mij verhaald dan ik ze voorstel, tot nadeel +van mijn arbeid. Aldus, waarde dames, terwijl ik tot uw dienst strijd, +is het door zulke vlagen van nijd, door zulke wreede tanden, door +zulke woorden, dat ik word geslagen, beleedigd en levend doorboord, +welke dingen ik met kalm gemoed--God weet het--hoor en verneem. En voor +zoover uw verdediging op mij in dit alles rust, ben ik niet van plan +mijn krachten te sparen; integendeel zonder zooveel te antwoorden als +noodig is, wil ik met een kort antwoord mij er de ooren van bevrijden +en dit zonder uitstel doen, zoodat, terwijl ik nog niet tot het derde +deel van mijn werk gekomen ben, en zij al talrijk zijn en zich heel +wat aanmatigen, ik meen, voor ik aan het einde kom, dat zij zoo zich +kunnen vermenigvuldigen, dat--zij in het begin niet beantwoord--mij +met weinig moeite er onder kunnen werken, en dat uw krachten, hoe +groot die ook zijn, er ook niet voldoende tegen zouden wezen. + +Maar eer ik aan ieder ga antwoorden, staat het mij aan ten mijnen +gunste niet een heele novelle te verhalen, opdat het niet schijnt, +dat ik mijn verhalen met die van een zoo lofwaardig gezelschap wil +vermengen als dit was, waarvan ik u hier sprak, maar een deel er van, +opdat uit zijn gebrekkigheid zelf blijkt, dat het niet van u is en +nu aan mijn vijanden het verhalende, zeg ik: [69] + +In onze stad leefde al lang geleden een burger, die Filippo Balducci +heette, een man van zeer nederige afkomst, maar rijk en zeer benijd +en ervaren in de zaken betreffende zijn beroep. Hij had een vrouw, +die hij zeer beminde en zij hem; zij leidden samen een rustig leven +en deden voor niets meer hun best dan om elkaar geheel te behagen. Nu +gebeurde het als met elkeen, dat de goede donna kwam te sterven en +aan Filippo niets anders van haar naliet dan een zoon door haar ter +wereld gebracht, die misschien twee jaar oud was. Hij bleef over den +dood van zijn donna zoo troosteloos als ooit iemand, wanneer die een +geliefd wezen verloor. En ziende, dat hij alleen was gebleven zonder +de gezellin, die hij het meest beminde, nam hij zich voor niet meer +van deze wereld te zijn maar zich te wijden aan den dienst van God en +hetzelfde te doen met zijn kleinen zoon. Nadat hij daarom alles aan +de armen gegeven had, ging hij zonder verwijl naar den berg Asinajo +[70] en daar trok hij zich met zijn zoon in een kleine hut terug, +waarin zij beide van aalmoezen in vasten en bidden leefden en hij zich +ten sterkste er voor hoedde met zijn zoon van eenige wereldlijke zaak +te spreken of hem er iets van te laten zien, opdat dit hem niet van +dezen dienst afleiden zouden, maar altijd van de glorie van het eeuwige +leven en van God en van de heiligen en leerde hem niets anders dan de +heilige gebeden en hij liet hem vele jaren zoo leven, en nooit uit de +hut gaan of hem ooit iets anders aanschouwen. De eerwaarde man placht +soms naar Florence te gaan en vandaar, geholpen naar zijn behoeften, +keerde hij naar zijn hut terug. Toen de jongen al achttien jaar was +en Filippo al oud, vroeg hij hem eens, waar hij heenging. Filippo +zeide het hem. De jongen antwoordde: Vader, gij zijt nu oud en kunt +slecht vermoeienis verdragen; waarom brengt gij mij niet een keer +naar Florence, opdat, wanneer gij mij de vrienden en vromen van God +en van u doet kennen, ik die jong ben en mij beter kan inspannen, +voor onze behoeften later naar Florence kan gaan, wanneer het u +bevalt? En gij kunt dan hier blijven. + +De eerwaarde man, die bedacht, dat zijn zoon al groot was en zoo +gewoon was aan den dienst van God, dat de dingen der wereld hem +moeilijk voortaan daaraan konden onttrekken, zeide tot zich zelf: +Hij redeneert goed. Daarom, toen hij er heen moest gaan, nam hij hem +mee. Toen de jonkman daar de paleizen zag, de huizen, de kerken en al +de andere zaken, waarvan de heele stad vol was, begon hij, omdat hem +nooit uit zijn herinnering zoo iets voorstond, zich zeer te verbazen +en vroeg van velen aan zijn vader, wat dat waren en hoe zij heetten. De +vader vertelde hem dit. En hij, die dit vernam, bleef voldaan en vroeg +nu iets anders. Terwijl de zoon zoo vroeg en de vader zoo antwoordde, +ontmoetten zij toevallig een gezelschap schoone en getooide jonge +meisjes, die van een bruiloft kwamen. Toen de jongeling die zag, vroeg +hij ook wat dat voor een ding was. De vader sprak dan: Mijn zoon, sla +de oogen ter aarde neder; kijk er niet naar, dat is een kwaad ding. De +zoon ging voort: O hoe heeten die? De vader, om niet in den zinnelijken +geest des jongelings een schadelijke, zondige begeerte op te wekken, +wilde ze niet bij hun eigen naam noemen, maar zeide: Het zijn ganzen. + +Het is wonderbaar om te hooren! Hij, die er nooit een gezien +had, bekommerde zich niet meer om de paleizen, om os, paard noch +ezel, noch om geld, noch om wat hij ook had aanschouwd, maar zei +onmiddellijk: Vader, ik bid u, dat gij zorgt, dat ik zulk een +gans krijg. Wee mij, mijn zoon, sprak de vader, zwijg, zij zijn +een boos ding. De zoon vroeg hem toen: Ik weet niet, wat gij zegt, +noch waarom die wezens slecht zijn; wat mij betreft, mij heeft nog +nooit iets zoo schoon of bekoorlijk geschenen als dezen zijn. Zij zijn +schooner dan de geschilderde engelen, die gij mij meermalen hebt doen +aanschouwen. Kijk, als gij om mij geeft, zorg dan dat wij een van die +ganzen naar boven medenemen en ik zal die voeren. De vader sprak: Ik +wil het niet; gij weet niet, waarmee zij zich voeden. En hij bemerkte +dadelijk, dat de natuurdrift machtiger was dan zijn geest en had er +berouw van zijn zoon naar Florence te hebben gevoerd. + +Maar dit is tot hiertoe van deze geschiedenis voldoende verteld en ik +wil mij weer wenden tot hen, die ik deze verhaald heb. Eenige van mijn +verbeteraars zeggen, dat ik kwaad doe, o jonge dames, doordat ik mij er +te veel op toeleg u te behagen en dat ge mij te veel bekoort. Dit beken +ik openlijk, namelijk, dat gij mij bekoort en dat ik mijn best doe u te +bevallen. En ik vraag hen, waarom zij er zich over verwonderen als zij +niet eens in aanmerking nemen, dat ik de verliefde kussen gekend heb en +de heerlijke omhelzingen en de zalige samenkomsten, welke men van u, +allerzoetste donna's, dikwijls geniet. Zij schijnen er alleen op te +letten, dat ik gezien heb en voortdurend zie uw sierlijke manieren +en uw begeerenswaardige schoonheid en uw schoonen tooi en behalve +dat uw aristocratische eerbaarheid. Zou dan iemand die gevoed, +opgegroeid en volwassen is op een wilden en eenzamen berg binnen +de muren van een enge hut zonder ander gezelschap, dan zijn vader, +zoodra hij u ziet, niet u alleen begeeren, niet u alleen verlangen, +niet u alleen met hartstocht volgen? Laten zij, die mij misprijzen, +mij maar bijten, mij verscheuren, als ik, wiens lichaam de hemel +geheel heeft geschapen om u te beminnen en die van af mijn kindsheid +u mijn ziel heb gegeven, de kracht maar heb van het licht uwer oogen, +de zachtheid van uwe honingzoete woorden te gevoelen en ik ontbrand +door uw medelijdende zuchten, terwijl gij mij bekoort of als ik mijn +best doe u te behagen en zeker indien ik er op let, dat gij ook aan een +kleinen kluizenaar, aan een jonkman zonder gevoel, haast aan een wild +beest hebt bekoord? Voorzeker wie u niet bemint, en niet verlangt door +u bemind te worden als iemand, die noch de genoegens noch de kracht +der natuurlijke aandrift voelt noch kent, laat die mij maar hekelen; +daar geef ik weinig om. En zij, die tegen mijn leeftijd gaan spreken, +toonen, dat zij slecht weten, dat de prei, die een witten kop heeft, +een groenen staart bezit. Aan hen, scherts ter zijde latend, antwoord +ik, dat ik tot de uiterste grens van mijn leven mij niet zal schamen +daarin genoegen te vinden, waarin Guido Cavalcanti en Dante Alighieri +al bejaard en messire Cino van Pistoja al zeer oud een eer stelden, +en het hoog schatten hierin behagen te scheppen. En als het niet gaan +was buiten de gewone manier van vertellen, zou ik geschiedenissen +ter verdediging aanvoeren en ik zou toonen, dat die allen vol zijn +met voorbeelden van antieke en waardige mannen, die in hun rijpste +jaren hun best hebben gedaan aan de donna's te behagen. En als die +het niet weten, laten zij dan maar gaan en het leeren. + +Dat ik mij met de Muzen op den Parnassus moet bezighouden, ik beken, +dat dit een goede raad is, maar ik kan niet mijn heele leven bij de +Muzen blijven, noch zij bij mij, en wanneer de man van hen scheidt +en zich vermeit hen te aanschouwen, die op dezen gelijken, valt +dat niet te laken. De Muzen zijn donna's en hoewel de donna's niet +verlangen, wat de Muzen begeeren, hebben zij er op het eerste gezicht +overeenkomst mee, zoodat, als die mij om niets anders bekoorden, zij +het daarom moesten doen zonder te rekenen, dat vroeger voor mij de +dames de oorzaak waren, dat ik duizend verzen dichtte, wat de Muzen +nooit van mij verkregen. Wel hielpen zij mij en wezen mij, hoe die +duizend te maken en misschien, dat zij, bij het schrijven van deze +geschiedenissen, hoewel die zeer onbeduidend zijn, verscheidene malen +tot mij gekomen zijn om bij mij te blijven misschien ten dienste en +ter eere van de gelijkenis, die de donna's met hen hebben. En daarom +als ik ze samen stel, verwijder ik mij noch van den berg Parnassus, +noch van de Muzen, wat ongelukkig velen meenen. + +Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn +honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, +ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; +als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: +Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben +de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken +onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden +hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer +brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij +mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het +nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens +den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat +niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander. + +Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd +zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag +haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik +zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen +ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen +komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen +en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, +dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met +Gods hulp en de uwe, liefste donna's, waarop ik hoop, gewapend en +met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien +wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij +iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, +dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als +het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden +der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op +de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, +als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd +is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, +zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men +met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, +die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te +gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls +tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik +die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze +had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten +daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, +doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun +verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, +de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij +zeer zijn afgeweken, o schoone donna's, laten wij daarvan weer uitgaan +en de ingestelde orde volgen. + +De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen +nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele +gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden +begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, +ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En +na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, +verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de +schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met +de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er +gelast werd, vol gratie aldus begon: + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter + en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje + neemt vergift in en sterft._ + + +Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te +behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te +vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men +niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van +hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig +het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, +maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan +mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval +vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard. + +Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend +heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met +het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een +dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet +bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit +een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel +zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat +hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij +haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, +bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar +vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals +ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige +omstandigheden van een donna geeischt wordt. Zij leefde met haar vader +teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, +maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar +toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen +eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte +een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof +van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan +hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen +had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van +haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, +maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd +zij in stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer +zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, +had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij +aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar +in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met +hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, +dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een +brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na +dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan +Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, +opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en +denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen +en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, +dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze +en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, +die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw +te gaan door het middel, hem door haar aangewezen. + +Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg +uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld +daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten +en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot +komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het +paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige +deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen +gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna +niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens +oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna +doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele +dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen +dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, +waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, +had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd +was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen +en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer +opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, +ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar +het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te +hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet +hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze +deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg +en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de +deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich +samen zeer verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er +een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles +zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, +keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot +haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van +den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was +gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, +keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, +afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de +vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht. + +Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter +te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan +heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de +donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al +haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt +en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van +de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij +zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op +het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich +daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde +kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar +vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer +en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, +maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij +naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en +grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en +zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, +maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, +om voorzichtiger te doen--en met minder schande voor hem zelf--wat +hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, +gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd +scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en +zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was +door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, +keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel +werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in +zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen +en in 't geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, +zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de +beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, +gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo +niet anders dan dit: Amor vermag dikwijls meer dan wij. Tancredi beval +toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en +zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van +wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe +dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte +in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin +met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, +het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik +zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien +ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren +aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige +van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, +als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot +zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen +van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt +gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons +hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor +hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe +ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb +laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis +liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met +u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik +u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan +den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving +wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik +tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat +te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij +het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind. + +Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen +haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen +genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt +met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, +maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar +gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever +dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar +Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of +een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met +strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, +ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een +mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve +dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde +te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen +mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van +mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin +en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, +maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht +als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet +u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een +dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer +en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig +en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel +gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet +gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag +bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch +geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door +het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk +bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit +verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik +geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik +werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, +te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan +u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de +barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die +aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen +kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik +heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp +beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij +mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem +heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, +behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid +verwijt,--daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid--dat ik +(alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen +boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt +niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, +die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet +zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen +der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is +uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft +met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde +ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze +bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en +de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft +verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur +of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van +adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die +genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder +al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren +en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder +vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die +edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik +niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden +en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem +hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig +man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn +oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, +welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het +konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, +dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man +van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, +maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande +kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden +stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, +maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren +vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, +waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, +dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, +verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd +zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed +te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben +eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding +vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, +wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met +mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als +de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood +hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben. + +De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, +maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, +wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar +weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou +lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van +anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, +dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem +zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden +dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag +een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van +Guiscardo doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter +en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van +dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest +bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had. + +Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar +vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij +afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, +wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding +als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak +gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en +hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het +aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder +waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin +heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den +beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn +leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar +thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een +zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik +hem ooit vergelden kan. + +Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, +en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al +mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u +met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die +des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt +gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en +de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf +het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen +begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven +zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het +mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u +wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een +door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, +zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, +welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide +dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de +onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en +dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, +waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het +meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder +kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over +den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het +vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart. + +Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat +dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door +medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs +met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en +trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij +genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte +haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb +ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel +te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, +waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, +wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was +gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk +het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te +bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte +zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van +den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den +dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, +maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, +lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, +daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist +kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven +om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand +zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: +Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht +dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit +iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, +indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen +nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet +naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, +dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, +openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den +vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, +drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, +want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde +zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt +gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi +hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, +liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide +eervol in een zelfde tombe begraven. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel + Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel + doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit + vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt + zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het + plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend + door haar zwagers en naar den kerker gevoerd._ + + +De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds +meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd +was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van +weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, +dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over +verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij +steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien +tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor +het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, +wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn +avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk +Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling +voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, +begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het +verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve +meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel +des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling +te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te +wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus: + +De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht +is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het +gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij +is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot +en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange +gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en +zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen +hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren zij, dat zij door te +nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet +als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als +bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de +hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en +trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens +anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als +het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou +ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder +hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat +aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder +geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de +beste casuisten [71] werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag +vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den +dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren. + +Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en +verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte +daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo +brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet +aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, +geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er +niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak +van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn +boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof +hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door +hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien +beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich +broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den +schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten +te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er +geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van +een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot +prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben +verbeterd, die hij als hij kon, in 't geheim bot vierde. Bovendien, +daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, +wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het +lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, +als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist +hij op zoo'n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde +en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd +en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van +vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn +roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus +van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna +Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, +die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames +bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij +hem als Venetiaansche--en die zijn allen dwaas--een deel van haar +zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg +haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij +met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen +oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der +anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen +zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen +ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, +die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij +zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te +hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar +dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer +op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter +oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij +haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele +roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij +een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te +onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, +liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen. + +Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar +het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in +een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp +hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat +gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, +gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd +ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen +vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: +Dat zal ik u vertellen. Toen ik 's nachts bezig was te bidden gelijk +ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans +en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, +zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de +hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, +dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te +werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt +de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke +ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is +u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, +zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik +zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en +u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier +terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele +leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij +mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij +niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig +was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en +geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, +broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij +helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, +vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel +u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt +vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg +ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, +wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij +hem zoo bekoorde, dat hij meermalen 's nachts bij u zou zijn gekomen, +als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij +u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen +tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de +gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om +u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe +vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de +gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt +gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna +de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de +engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit +faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, +die niet minstens een mattapan [72] waard was en dat hij op welk uur +hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou +vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in +den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer +welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar +zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond +het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar +niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, +gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde +brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, +die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in +mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, +hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs +voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en +ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: +Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u +om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak +broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open +vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk +gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan +gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto +ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik +meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen +te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, +dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met +meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht +van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, +begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis +van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, +wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem +gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en +toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, +die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de +kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij +voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een +teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, +deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna +liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij +stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, +die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf +dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij +zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche +glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging +hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, +welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de +huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna +had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en +vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van +de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er +nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: +Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, +dat van nacht, toen hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had +gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen +voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij +de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat +er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet +sprak de donna.--Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen +met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de +linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor +er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto +voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: +ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na +veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen +sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een +engel zonder op eenige hindernis te stuiten. + +Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was +en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar +zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds +in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, +zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig +om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt +de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden +anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die +zeer onnoozel was:--Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn +minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft +als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of +aan de zeekust. [73] De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield +zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, +als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet +dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen +deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus' wonden, +hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit +hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook +in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel +dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu? + +Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar +duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon +vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van +donna's, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames +vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna's en dezen +aan weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er +vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar +schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen +dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en +zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder +Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een +nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar +schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de +kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de +hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat +op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte +was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads +gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen +trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen +was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat +waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot +medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn +bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven +en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid. + +De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, +dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was +weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, +lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug +met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was +geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de +engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de +schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen +en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, +dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was +en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met +hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders +overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en +dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, +zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet +wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt +als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en +zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat +gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij +geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten +wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik +zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, +hoe gij hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de +zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek +verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen. + +Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken +bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de +donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en +dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem +heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren +en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat +en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee +groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand +naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien +wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche +betrouwbaarheid! [74] Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, +hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer +van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en +leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren +en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, +een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen +op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, +en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen +en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten +last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed +of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het +masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt +en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt +gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die 's nachts van den hemel +ter aarde daalt om de Venetiaansche donna's te troosten. Zoodra het +masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, +tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de +grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die +men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, +gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een +heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was +doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug +gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis +voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een +ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden +en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël +spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk +hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven +zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten + met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, + de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met + den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de + oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden + beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen + genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den + bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende + sterven. [75]_ + + +Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, +bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was +wel wat goeds--en dat beviel mij--in het slot van uw verhaal, maar +er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet +had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u +nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: +Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor +hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er +een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig +pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij: + +Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in +het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en +dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse +teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, +welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, +ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en +onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige +woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en +bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog +grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met +helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar +is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, +van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan +harde en zwaardere. Toch--en de mannen nemen het niet als een kwaad +op--zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom +in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als +we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan +de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten +leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar +zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met +mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden +en even zooveel donna's gelijk ik hierboven zeide, door den toorn +van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden. + +Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der +zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van +rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was +er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van +goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en +geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes +waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van +vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets +anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren +naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens +de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta +was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig +verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, +dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich +verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, +toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander +Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, +de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon +bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen +geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich +met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om +hun donna's en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend +en bevriend was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: +Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot +de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, +wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, +wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult +gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal +schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit +uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote +liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, +hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart +mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij +zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen +tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen +er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen +gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij +zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met +een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, +waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie +broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn +te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee +te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer +ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, +vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men +dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit +antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen +later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en +nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar +wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele +redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel +haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan +te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en +dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, +en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, +moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem +sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den +kant van hun donna's het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden +onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die +zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, +maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit +heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds +zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, +met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij +zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen +de nacht aanbrak, waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden +de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, +daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee +alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie +minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, +staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te +houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden +voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat +zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg +en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder +hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en +zij vrij dicht bij Candia [76] zeer fraaie en aangename woningen deden +bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en +paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna's als de +tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus +gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, +wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die +veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben +kon _en zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgen_ en bijgevolg +zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had +een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone +en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon +haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer +jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het +en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed +der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten +het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de +vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd--hetzij +Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet--verviel Ninette, +die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een +droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat +de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd +door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, +die zij meende, dat haar was aangedaan. + +Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen +van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een +doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een +avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op +lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen +gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden +zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem +bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige +dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht +had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij +haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, +waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er +iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder +eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd +genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord--en hun +donna's weer van hen--waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun +zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel +te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, +als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, +omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een +mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit +iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, +dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en +gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel +van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, +dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat +dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel +hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe +en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde +hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep +met toestemming van Madeleine in 't geheim met haar. Nadat hij eerst +deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in +zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede +naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, +dat zij 's morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van +hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte +hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou +schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den +volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden +hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en +zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over +de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed +haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er +was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar +hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, +hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een +lang verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij +slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat +zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen +en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade +vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van +den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, +waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten +wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij +ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt. + +Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te +vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van +haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques +de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en +nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen +Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en +haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, +die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het +huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak +nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te +bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van +Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, +kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door +hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor +mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters +zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen +zij een bark en vluchtten 's nachts naar Rhodes, waar zij in armoede +en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze +liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde. + + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, + zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis + om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door + hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op + zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen._ + + +Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het +gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over +het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en +de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe +gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, +dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna's. Er +zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, +nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen +staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat +dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, +welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de +faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, +maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen +dood heeft gevoerd. + +Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië [77], gelijk de Sicilianen +willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter +Gostanza. Deze Ruggieri [78] stierf voor zijn vader en liet een zoon na +Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een +schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En +zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar +klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in +Barbarije, dat in dien tijd aan den koning van Sicilië schatplichtig +was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de +hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning +van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste +schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote +en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, +ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino +verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf +zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en +liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen +kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke +wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs +Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op +hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg +tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van +hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote +liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van +haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder +voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te +laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en +bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een +blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, +dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste +juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, +als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens +bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met +haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, +te zien en met haar te spreken. + +Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig +was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, +huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada. [79] +Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door +den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem +geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet +zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino +zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, +zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om +haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot +zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had en +van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn +kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan +koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij +van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino +noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die +een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd +en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, +stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van +Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij +een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en +het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het +wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij +wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles +wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en +gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, +dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan +nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij +haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven. + +Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en +keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning +Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den +koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door +liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet +laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte +galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, +begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, +dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg +van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het +schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte +verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: +Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, +dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder +welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds +in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, +zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb +lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie +ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, +hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, +die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te +vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders +als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de +wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en met goed +geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, +houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe +Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem +vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te +doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij +het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en +de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het +water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien +van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich +gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, +beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien +zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat +zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven +door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij +den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, +tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun +schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het +schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had +gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van +den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen +noodig was [80] en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed +te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij +begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te +gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten +slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, +dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde +met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden +dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de +koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die +naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, +terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in +zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw +trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te +sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen +en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij +vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven +gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke +de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het +met een degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het +vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten +afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde +met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald. + +Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen +en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië +terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als +tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook +terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij +zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde +zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe +alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en +daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van +hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat +de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde +hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid +afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden +worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige +dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben +genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt + haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij + begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit + in een pot van basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag + langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij + sterft kort daarop van smart._ + + +Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd +geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden +met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: +Gracieuse donna's, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo +hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij +zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat +Messina mij voor kort in 't geheugen riep, waar het voorval plaats had. + +Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij +rijk gebleven na den dood van hun vader, die van San Grimignano [82] +was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede +manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden +uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van +hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken +leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had +meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te +behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze +liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar +haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk +beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, +zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen +en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij +het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen +ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, +zonder dat zij het gewaar werd. + +De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem +ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, +overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen +en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken +vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van +Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, +kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster +er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te +veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd +kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor +dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij +schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij +eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, +namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, +zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in 't geheel +niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In +Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens +heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren +hem dikwijls naar buiten te zenden. Toen Lorenzo niet terug keerde en +Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, +wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het +zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met +Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet +meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam +is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en +niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en +bad zij 's nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich +met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik +zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen +zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten +slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, +bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het +scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen +en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed +met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, +omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders +mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, +zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en +hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en +weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders +zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, +of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij +verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, +ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was +en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen. + +Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder +hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of +zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel +opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat +haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere +vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en +had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om +het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, +sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na +dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam +de aarde te hebben geworpen, stopte zij 't in het schort van de +dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen +en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de +kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen +en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone +pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed +dit er in, gewikkeld in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde +en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide +die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar +eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd +te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar +Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij +zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt +was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende +zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd +voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen +het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door +de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat +haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, +zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet. + +De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit +eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot +in 't geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem +met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien +haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en +vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden +verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, +wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken +en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het +gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer +sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden +begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit +Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, +togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd +om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige +liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend +werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men +nog zingt: + + + + Wie was de slechte Christen, + Die mij mijn bloempot heeft afgenomen, + Waarin mijn basiliek was van Salerno! + Hij was met kracht gegroeid. + Ik plantte hem met eigen hand + Den dag zelf van mijn geboorte, + Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid. + + + + Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid + En de zonde is zeer groot. + O ongelukkige, die mij + Een pot met bloemen had gezaaid. + Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep, + Benijd door de menschen. + Hij is mij ontroofd en voor mijn deur. + + + + Hij is mij ontroofd en voor mijn deur. + Ik was daarover zeer bedroefd. + Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven, + Ik, die er zoozeer aan was gehecht! + Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte + Voor den heer, die ik zoo beminde. + Ik had hem gansch omringd van majoleine. + + + + Ik had hem gansch omringd van majoleine + Gedurende de schoone maand van Mei; + Ik besproeide hem elke week drie malen; + Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte. + Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd. + + + + Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd. + Ik kan hem niet meer verbergen, + Maar als ik van te voren had geweten, + Dat dit mij zou gebeuren, + Zou ik voor de deur hebben geslapen + Om mijn bloempot te bewaren: + De groote God moge mij helpen. + + + + De groote God moge mij helpen, + Indien het Hem behaagt + Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is, + Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht, + Die mijn basiliek heeft gestolen, + Welke vol was van zooveel geur, + Zijn balsem streelde mij zoo zeer. + + + + Zijn balsem streelde mij zoo zeer, + Zoo frisch geurde hij + En 's ochtends, als ik hem besproeide + Bij het rijzen van de zon, + Was iedereen verwonderd: + Waar komt zooveel geur vandaan? + En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet. + + + + En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet. + uit liefde voor mijn pot met bloemen. + Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is, + Zou ik die graag terugkoopen; + Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud + Die ik hem gaarne zal geven, + En een kus, als hij het zou verlangen. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht + en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; + terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden + zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd + is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar + vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, + wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de + wereld te leven en wordt non. [83]_ + + +Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij +dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit +kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom +dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, +beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: +De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te +vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, +wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die +droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide +kwam. En toch, verliefde donna's, moet gij weten, dat het een algemeene +neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom +te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, +wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk +voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch +bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan +elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, +die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij +volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, +die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde +gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat +droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet +altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben +waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds +in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, +gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat +men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven +en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; +wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van +gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige +uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het +tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken. + +In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro +genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola +heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een +buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, +maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en +met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, +dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, +maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van +beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood +hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in 't geheim man +en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, +scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat +zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar +armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, +dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn +kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto +beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen +nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit +meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop +ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij +het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen +Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel +zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet kwam. Maar daar zij +toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, +hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en +roode rozen geplukt te hebben, omdat 't het seizoen er voor was, +met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin +ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden +bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den +vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien +zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had +aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het +een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat +die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en +dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien +ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, +die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, +waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik +op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En +het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo +eigen met mij werd, dat zij mij in 't geheel niet meer verliet. Van +mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat +ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud +om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand +hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de +kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool--ik weet +niet van waar--voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en +dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het +was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, +dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik +voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht +ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, +maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht +had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er +genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder +overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam +maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en +dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen +te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij +zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door +zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, +staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij +niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, +slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, +mijn ziel, help mij, ik sterf!--en bij die woorden viel hij op het +gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem +op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat +voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt +met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en +treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde +zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat +hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en +hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging +zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die +liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen +zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat +van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze +heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant +maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn +eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat +het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt. + +Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen +dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in +de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, +waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een +goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te +denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; +indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een +middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand +zal weten, omdat niemand bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij +dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar +laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en +begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis +was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; +en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het +tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, +zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden +of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad +en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het +schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen. + +Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in +haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde +uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op +een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen +en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt +te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: +Van hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom +zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen +en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het +dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal +wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in +wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met +overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk +sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, +trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, +van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: +Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige +kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, +ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo +beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te +zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, +waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn +huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt +door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar +juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden. + +Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten +van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat +het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters +te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand +van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch +dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder +te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto +naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar +in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat +hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door +vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, +maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen +stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan +had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, +wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde +bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, +dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola +door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde +zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug. + +Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging +deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis +en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, +vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout, +die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de +jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, +begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij +gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het +zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat +en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, +zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne +huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, +wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, +dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en +mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt +en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn +misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, +die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven +zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin +te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten. + +Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken +aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig +op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er +een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er +een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben +gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, +dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar +toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te +bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, +hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn +verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto +in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de +mannelijke en vrouwelijke familie-leden van het meisje toegeloopen, +die het nieuws hadden vernomen en alle donna's en mannen, die er in +de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst +was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen +door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen +van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze +van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats +met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het +graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat +hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, +wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin +gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend +was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden. + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, + waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en + sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter + te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft + op haar beurt._ [84] + + +Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet +het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar +vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien +zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel +begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft +mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van +Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor +en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht +en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters. + +En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen +der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, +maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de +machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel +dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het +mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over +zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te +doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd. + +Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong +meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een +armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen +haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen +van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om +Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename +woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was +door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een +grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben +ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde +en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet +verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij +om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, +en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den +anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester +goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen +andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte +en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en +de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden +zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen +hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander +werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te +vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen +voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino +tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin +te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun +gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het +haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te +verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo +te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, +naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem +met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba +(de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was +gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in +het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander +deel hun gang gaan. + +Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden +begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich +aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en +veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin +rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, +plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het +tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van +alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij +zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot +het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang +mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na +dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak +verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien +en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig +aanloopen en daar zij Pasquino niet alleen dood zagen, maar geheel +gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep +Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte +veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, +werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij +hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona +hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, +door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar +had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd +door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom +gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis +van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l'Atticciato +(de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die +er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te +geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij +bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij +in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, +door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed +genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, +waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat +hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, +vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik +en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het +gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan +door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen +werd dit door Stramba en l'Atticciato en door de andere vrienden en +metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig +en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd +en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor +zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den +verloren minnaar en door vrees voor de straf, geeischt door Stramba, +ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel +zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote +verbazing van de aanwezigen, neer. + +O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige +liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, +indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien +gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar +gelukkig boven allen de ziel van Simona--naar ons oordeel,--waarvan +de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van +Stramba en l'Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog +minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om +met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij +te onttrekken en de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te +volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, +wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen +tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie +vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar +opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die +tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den +tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had +men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den +dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie +een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het +venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde +naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout +en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het +proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij +met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en 1'Atticciato +en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, +waarvan zij parochianen waren. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn + moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar + gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar + zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn + zijde sterft._ + + +Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, +Neifile aldus begon: Waardige donna's. Naar mijn meening zijn er +lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en +daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen +maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit +welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl +men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, +natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken +duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf +verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, +is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, +die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die +de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft +de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de +sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd +de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven. + +Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer +groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri [85] luidde, die +van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij +zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden +van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn +zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met +meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van +zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, +veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich +niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem +niet minder lief dan hij haar. + +De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene +malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, +beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij +geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom +een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van +ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter +van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij +haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een +goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal +daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met +een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te +ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te +dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan +en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna +tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en +dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den +winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken +toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw +zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; +als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, +hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, +dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, +wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen +en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, +kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en +antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even +goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde +heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem +geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder. + +Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan +maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten +met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, +of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te +bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat +gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met +uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan +ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, +tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen +ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te +verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens +de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, +dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam +een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit +had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het +tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder +zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in +zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot +hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman +ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij +er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in +'t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, +die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en +te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, +waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand +op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, +die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij +God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, +zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is +voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; +ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op +een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij +den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, +kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, +er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem +zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in rust met hem leef. De +jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan +den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand +verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, +bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, +bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou +toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig +kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij +beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken +en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was. + +Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die +voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder +haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige +liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de +verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest +in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar +zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn +standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon +te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem +niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom +de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten +en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich +zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, +dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, +dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote +verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, +wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na +hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het +met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar +gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, +dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem +daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, +welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: +Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den +dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht +aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn +eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner +vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van +diens huis, legde het neer en liet het daar achter. + +Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, +ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal +gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de +doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij +daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de +moeder met vele andere verwante donna's en buurvrouwen en zij begonnen +over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer +groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot +Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar +Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, +naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat +wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge +vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde +hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen +had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, +hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk +opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen +doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden +dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat +zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna's +geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij +een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en +had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood +had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam +de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, +zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij +zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk +vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was +en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de +vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De +tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte +ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren +naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij +de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en +zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die +elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd +gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op +dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, +werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet +als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te + eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en + dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich + uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar + minnaar begraven._ [86] + + +Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele +gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, +die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander +te spreken had: Medelijdende donna's. Ik heb thans een vertelling +gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, +u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat +dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid +geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen +verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, +er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en +vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en +de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren +bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de +gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of +naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel +elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl +verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer +schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume +Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen +hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de +donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, +beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij +niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets +anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of +dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar +zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit +gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, +die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken +haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden +hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien +toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, +berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, +of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij +overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde +verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen +avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om +hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een +van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in +een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een +geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden +bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen +hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk +en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na: _jij +bent des doods!_ Dit te zeggen en hem die lans door de borst te +stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder +zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, +viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, +zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der +paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer. + +Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne +en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen +(lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die +het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den +moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard +en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De +donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen +en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, +dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, +dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, +ik heb van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover +de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen +liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een +wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om +te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, +zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel. + +De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, +hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden +ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn +vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in +gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke +hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd +en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en +die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder +gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe +is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, +hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u--zei de ridder--en +het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer +dan iets anders u aanstond. + +De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: +Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij +gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume +Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, +dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst +heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de +donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was +en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk +en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er +toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee +had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat +het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel +volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, +gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder +verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog +boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd +verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft +en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was +voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden +zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele +streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van +het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van +de donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald +en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst +en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in +begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood. + + + + +Tiende Vertellingen. + + _De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, + bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met + hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij + wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna + verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den + koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt + en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot + geldboete veroordeeld._ + + +Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn +taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, +begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet +slechts aan u, donna's, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, +waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God +zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar +een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want +zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets +vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing +geef tot wat morgen moet verteld worden. + +Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet +lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, +die maestro Mazzeo delle Montagna [87] heette, die tot den hoogsten +ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw +had genomen in het bezit van voorname en rijke gewaden en van andere +kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige +anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed +had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk +messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne +de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met +een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen +en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; +evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor +het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te +genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen +had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij +met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele +vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde +ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, +van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, +zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem +zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen +en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een +andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat +zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, +begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem +te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de +gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan +met een andere som geld te steunen. + +Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den +dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De +medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend +gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij +zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar +hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te +beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem +met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder +bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, +moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem +'s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang +zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de +bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien +neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat +dit was. + +Het uur van den vesper brak aan en de maestro moest tot hem gaan. Toen +kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi +[88], welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten +bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen +gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been +tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich +naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis +zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem +in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis +zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de +donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd +of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een +vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter +voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij +dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of +een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw +ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te +betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar +het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig +vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, +slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier +komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, +ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al +ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, +hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles +ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden [89]. Daarom begon de +donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig +in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, +maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was +als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet +te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar +zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en +te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar +schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel +moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen +raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval +en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog +trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, +dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest +gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem +heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier +heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging +voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien +timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas +hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, +omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen +geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij +van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, +omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets +kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd. + +De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven +en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit +gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij +had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en +sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders +en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, +liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar +staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge +mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel +te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en +den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, +als die er 's nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het +middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder +te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar +binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, +zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na +haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen. + +Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd +en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen +wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn +zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de +hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna +verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende +en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist +bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te +zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij +toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik +in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis +gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, +die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker +zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij +iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, +die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan +de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere draaien, maar +deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten +van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, +en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij +een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, +wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri +wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar +door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders +gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en +dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast +af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, +waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem +hoorden stommelen, begonnen zij te roepen: _Wie is daar?_ Ruggieri, +die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen +de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, +vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden +de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en +begonnen te schreeuwen: _Houdt den dief! Houdt den dief!_ Toen liepen +van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene +van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het +huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden +op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar +geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de +wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren +toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor +een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank +gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te +stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het +nieuwtje werd 's ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri +gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en +de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, +dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan +hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar +bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, +zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort +na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, +waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en +toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, +dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door +erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, +meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo'n omgevallen flesch +met drank al zoo'n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen +op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw, gij dacht, dat het +klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En +hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had +gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom +dood had geschenen en zeide: Maestro, dat wisten wij niet en maakt +u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van +mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, +terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte +kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is +opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, +dat de Stadico [90] hem morgen laat ophangen. + +En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik +meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is +geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de +kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die +beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, +want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij +de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen. + +Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel +verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, +toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen +werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht +hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar +hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der +woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, +dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, +maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen +best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den +dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp +te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen +ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht +mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had +en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, +stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter +en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor +een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe +zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, +gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien +ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar +heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong +hij zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om +te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of +wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, +herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien +had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch +weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, +dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik +kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat +ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, +dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik +u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik +Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan. + +Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest +was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij +geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw +zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor +de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te +brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, +dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, +ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond +en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, +na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, +indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den +rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij +flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze +meid van Onzen Lieven Heer [91] en zij om gehoord te worden, had er +niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: +Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar +dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de +geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in +het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken +gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had +gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman +en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe +Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, +dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst +aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den +timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars +en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden +gestolen en in huis hadden gevoerd. + +Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd, waar +hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, +dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn +logies zou gaan zoeken bij de meid van maestro Mazzeo, in wiens kamer +hij den drank had gedronken, omdat hij zoo'n dorst had, maar dat hij +niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was +gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van +had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars +meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri +onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden +gestolen tot een geldboete van tien oncen [92] en liet Ruggieri +vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de +donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem +en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde +er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot +beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, +dat ik in de kist wordt gestopt. + +Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna's zeer +hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral +toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij +zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen +de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van +zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige +woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof +te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en +toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd +en terwijl de donna's afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien +bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik +draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren +dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, +wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke +en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, +had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met +roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en +met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren +en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat +gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van +nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van _wat aan +een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, +gelukkig ten deel werd._ Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na +den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, +met hem te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn +zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan +ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, +welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar +den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar +hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen +tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen +bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met +zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij +zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl +Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet +afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, +dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, +dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen +andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij +er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat +hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen: + + + Weenend toon ik, + Hoe een hart zich met recht beklaagt, + Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen. + + Amor, die eerst + In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht, + Zonder op heil te hopen, + Gij hebt haar zoo vol deugd getoond. + Dat ik elke marteling licht achtte, + Die in mijn geest, + Droef gebleven, + Mij was overkomen; maar mijn dwaling + Ken ik thans en niet zonder smart. + + Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen, + Is mij van haar verlaten te zien, + In wien ik alleen hoopte; + Want toen dacht ik het meest te zijn + In haar gratie en haar dienaar. + Zonder de schade vooruit te zien + Van mijn toekomstig leed + Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde + Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd. + + Toen ik mij daaruit verjaagd zag, + Ontstond er in het hart een droeve klacht. + Die er nog in klinkt. + En dikwijls vervloek ik den dag en het uur, + Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen + Door hooge schoonheid gesierd + En meer dan ooit ontvlamd, + Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed, + Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit. + + Hoezeer mijn smart zonder troost is, + Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep + Met trieste stemme, + En ik zeg u, dat ik zóó brand, + Dat ik om minder foltering den dood verlang. + Kom dan en maak + Aan mijn wreed en ongelukkig leven + Met één slag een einde en aan mijn razernij; + Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen. + + Geen ander leven, geen andere troost + Redt mij meer dan de dood van mijn smart, + Dat men mij dien voortaan schenke. + Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen + En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft. + Ach, doe dit, omdat ten onrechte. + Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is, + Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer, + Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar. + + O mijn lied, indien niemand u leert, + Kan het mij niet schelen, omdat niemand + Dan ik u kan zingen, + En moeite alleen wil ik u geven, + Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen + Toont ten volle, hoe onverschillig + Het trieste, bittere leven, + Mij is, hem biddend, dat hij in beter + Haven mij brengt door zijn waarde. + + Weenend toon ik, enz. + + +De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand +was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter +het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de +schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden +hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er +verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: +daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug. + + + + + + +Vijfde Dag. + + _De vierde dag van de_ Decamerone _eindigt: de vijfde vangt + aan. Onder het bewind van Fiammetta spreekt men van wat + met een of anderen minnaar na eenige wreede en noodlottige + voorvallen gelukkig gebeurt._ + + +Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid +verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de +zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag +vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna's en +de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de +velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was +gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende +dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, +richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen +en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste +wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan +het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den +zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een +of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, +naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en +blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te +dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de +zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der +siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot +hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur +van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, +volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, +alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend +beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou +beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus: + + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee + zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis + gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem + Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten + met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten + zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug._ [93] + + +Lieve donna's. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, +staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er +een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, +niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar +ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde +zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte +veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg--daar +ik geloof, dat gij verliefd zijt--U zeer aan 't hart moet gaan. + +Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen +der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, +die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk +aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak +treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En +dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle +andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, +maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar +daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de +kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de +minste welgemanierdheid hadden geleerd en hij daarentegen sterk en +grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een +dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon +genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot +Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en +reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart +voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er +bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat +hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan +die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en +daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, +terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op +den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, +daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen +en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, +omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer +schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene +veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat +het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den +gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar +voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren. + +Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had +aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, +begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn +ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk +had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een +aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat +dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling +was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle +deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die +hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en +de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens +schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen +te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te +staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem +schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, +twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel +gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te +worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot +zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot +scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na +een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór +dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en +zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich +zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit +bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid +zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen +in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, +maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren +en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die +hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje +zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn +boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, +daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus. + +Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor +hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem +bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging +hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar +het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, +hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem +van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin +geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van +Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door +van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn +vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij +zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, +wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge +mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en +vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in +zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de +geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij +Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal +af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang +en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als +te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke +bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog +niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de +aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan +eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, +dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin +de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, +gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met +de sterkste banden, welke Amor--machtiger dan deze alle--losmaakte en +brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht +de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden +in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan +hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt. + +Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde +jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden +beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem +van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het +volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd +te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia +genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en +wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem +haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar +toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij +niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft +van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, +zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, +hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien +ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan +eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep +hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren +en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig +was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het +vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden +vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van +haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den +steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna +met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip +tot hen, die op Ephigenia's vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen +dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De +tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en +maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een +ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, +die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip +trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, +sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord +door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de +vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, +sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen +zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over. + +Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, +die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle +zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets +te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk +genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door +mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als +vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en +gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos +voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De +jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden +klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele +donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige +liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door +gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat +hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders +van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer +dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat +hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, +overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom +met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip +naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe +verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia +veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering +van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde +opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in +treurige en bittere klacht. + +Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had +achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder +dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig +weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende +winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen +moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst +te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het +scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer +teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was +gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden +zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar +geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en +beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, +dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot +echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten +maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou +omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden +niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of +beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland +Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, +zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun +daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, +waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had +verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen +waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij +zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip +den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, +vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij +beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en +dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want +het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich +zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in +tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden +komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast. + +Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, +die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van +hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen +waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun +schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen +zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee +en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in +een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen +genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van +de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der +Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, +Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, +wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen +had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia +pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen +dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes +ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking +als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij +hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn +gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen +den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met +al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange +gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, +in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben. + +Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De +fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof, +bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een +broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die +lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit +de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief +had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen +belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met +een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten +en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda +en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen +met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders +besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop +Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem +in 't geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke +hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar +als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken +hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen +weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, +dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post +niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de +eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht +gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij +daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, +herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield +en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen +hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in +zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken: + +Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn +voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, +die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij +ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van +Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws +vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst +hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos +dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij +door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien +of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor +korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is +als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans +bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint +en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met +aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren +van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met +den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen +opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, +indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag +maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon +aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad +en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen +weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, +waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan +moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van +onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt--ik wil niet zeggen de +vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft--dat gij +Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming +willen helpen, dit in Uw handen gesteld. + +Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en +zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, +gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien +er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, +wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een +bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: +Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner +mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de +mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen +binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een +schip zullen brengen, dat ik in 't geheim heb laten gereed maken, +terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand +te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den +bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, +was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol +van het vroolijke feest. + +Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en +zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het +oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder +hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te +hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven +gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, +wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het +huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, +opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren +en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal +gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten +met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten +de tafels omver en nadat elk van hun zijn vrouw genomen had en in +handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk +naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge +vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en +de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon +en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun +weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, +tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand +op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde +hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen +de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens +door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, +werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos +en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen +en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun +prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf +op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat +tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het +water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen +werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden +de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op +Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun +daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het +ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, +zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig +naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes +en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij + dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die + door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend + terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer + bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, + huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari._ + + +Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was, +gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan +met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich +terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid +ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde +verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof +te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande +deed aan den koning. + +Teedere donna's. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië +een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer +mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie +vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, +zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd +eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, +als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet +hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en +haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich +haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden +en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok +vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk +bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij +zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen +stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden +in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, +werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging +gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de +Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar +Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari +kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, +verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos +bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, +klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In 't geheim +verliet zij 's nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag +zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, +die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien +vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met +de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als +al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen +in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan +voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading +en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en +verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon +maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel +en legde zich klagend op den bodem van de bark. Maar het gebeurde +heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, +tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag +bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij +die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen +boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa. [94] + +Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, +want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te +heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, +toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten +der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de +bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust +had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, +begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat +sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk +te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en +zij Latijn [95] sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in +die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, +twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar +Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar +zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze +antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen +het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten +wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, +dat haar schande zou overkomen en begon te schreien. + +Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar +aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar +behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, +wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter +was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad +haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, +wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa +heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke +visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, +hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een +goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te +weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en +zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw +om Gods wil medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar +eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa +hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar +hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar +halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld +te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: +Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, +aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik +zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, +dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; +wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar +blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer +geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord. + +De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat +en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde +haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige +vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen +maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die +binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en +het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en +van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat +zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus +in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven. + +Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van +hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer +groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij +over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den +troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, +die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning +van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, +zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: +Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad +te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter +bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den +koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht +werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: +Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw +strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder +met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men +een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen +en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg +zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, +zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien +gij het wilt, kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de +bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze +gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, +waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo +in 't geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want +anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik +zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen +hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de +pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den +vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat +de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het +tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, +zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en +zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw +tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen. [96] + +De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was +en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg +Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht +van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van +Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had +gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer +was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde. + +Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar +lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met +de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten +haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof +zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen +naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis +werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte +zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen +zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het +haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, +die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen +was gekomen. + +Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, +zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van +Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet +aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, +zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en +ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast +van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met +open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over +de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder +een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje +aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, +hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij +dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden +schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem +al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de +edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio +afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem +alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er +bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen. + +De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat +hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, +zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote +en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel +aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk +het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij +Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar +dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te +pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder +veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen +zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder +voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men +het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte +een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te +samen door hun liefde in vreugde en rust. + + + + + + +Derde Vertelling. + + _Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; + het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro + wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige + avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt + haar en keert naar Rome terug._ + + +Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees +en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar +Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, +begon: Genadige donna's. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee +onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele +blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, +behaagt het mij U dit te vertellen. + +Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97] +er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een +aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd +op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, +de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar +zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo +te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden +dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt +door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten +dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij +doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat +hij geen acht zou slaan op Pietro's woorden, omdat, zoo hij het deed, +hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich +den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte +te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en +indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken +bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch +nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, +dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend +persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen +dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met +haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar +Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te +paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, +omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen +te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg +niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome +verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij +waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de +nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, +dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht +bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: +Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra +hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en +de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam +vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend +door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, +had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog +keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door +hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te +stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, +begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort +tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem +de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini's aan +een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en +bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij +zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een +troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen: +_Dood aan hen, dood aan hen!_ Dezen door de anderen verrast, lieten +Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen +veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te +vluchten en de anderen hen te vervolgen. + +Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard +en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij +het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch +straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna +veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen +genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te +zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan +eenig ander man te schreien en links en rechts door het woud gaande +haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug +keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen. + +Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die +gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al +verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro +liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen +en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts +te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en +het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts +kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad +wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat +hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende +den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de +maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had +in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn +gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen +rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot. + +Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar +heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te +dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet +meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde +zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer +voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door +het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds +avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee +mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw +zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn +vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, +wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende +meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en +vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: +Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer +dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier +woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, +het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar +wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken +bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke +U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij +ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien +mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij +zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien +dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het +al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, +zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; +als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te +worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden +verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut +van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes +en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield +dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en +dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de +morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, +hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine +hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg +om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden. + +Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep +bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten +zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat +zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het +meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van +wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen +komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd +van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer +heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging +een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun +houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend +wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het +jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had +zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, +dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had +gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, +waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil. + +De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en +dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen +het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, +vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond +hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede +vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het +meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het +hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat +hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag +werd, zeide hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U +vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij +op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, +omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede +heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem +bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en +kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan +een der Orsini's, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig +hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij +het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en +wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die +ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer +treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, +meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij +niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, +totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden. + +Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op +het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, +welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het +paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde +vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde +het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door +hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk +de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets +anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in +het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was +heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl +het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en +steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot +vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien +eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom +dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd +uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd +had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, +vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen +kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand +een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn +donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat +een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van +gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden +was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de +donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij +Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij +verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij +had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij +blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw +berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij +hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders +zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders +gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom +zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk +is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik +geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt +is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds +en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: +Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,--en ook mij +staat dit aan--doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden +op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U +en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden +toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw +het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner +allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen +samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, +waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, +maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote +rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met + zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met + haar vader._ + + +Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen +over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een +zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt +door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en +u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet +wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal +doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij kleine historie een liefde +vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere +smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd +met schaamte. + +Waarde donna's. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en +welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, +toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, +een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei +schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij +door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg +behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu +kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch +jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi +van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw +vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, +dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds +huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de +grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting +te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer +blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, +had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en +moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor +u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge +aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit +antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: +Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, +maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te +redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word +en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij +een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik +zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, +zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij +slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is +van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er 's nachts zijt, +komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij +den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan +slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten +zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden +dag,--het liep reeds tegen het einde van Mei--begon het meisje zich bij +haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had +kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke +groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina +ging voort: Moeder, gij moet zeggen: _Naar het mij scheen_ en dan +zult gij misschien de waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel +warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de +donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude +maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet +het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal +het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage +het--zei Catharina--maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men +naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil +je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden +goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die +naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang +van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar +veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, +wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, +wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, +omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: +Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel +doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, +kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden +nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde +maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam 's ochtends bij +messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat +hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen +nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, +dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij +een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen +gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed +maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat +ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil. + +Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar +zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot +zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, +waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, +dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn +kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, +dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en +één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur +en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, +op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het +meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en +genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene +malen den nachtegaal zingen. + +De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag al +nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door +het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap +vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen +van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen +zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond. + +Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte +hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal +Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het +serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar +naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven +beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg +naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta +op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, +dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: +Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk +zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch +messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en +daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter +den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had +te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen +zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide +haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn +liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, +zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; +wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij +goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, +zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en +niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij +zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat +de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal +had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en +toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, +riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de +dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam +messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed +te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart +hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, +zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik +als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met +mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt +en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, +de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen, dat ik in u had, +zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu +eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, +opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige +vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo +kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt +doen, beveel uw ziel dan aan God. + +Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal +vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar +vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den +anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, +opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden +hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van +den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen +dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de +begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde +en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij +deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan +messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw +Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in +hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen +messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij +hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan. + +Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw +en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden +zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun +huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer +Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, +gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en +verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en +maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en +rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, +zooveel hij begeerde. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een + dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol + di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten + met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van + Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven._ [99] + + +De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den +nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had +opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij +genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons +gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, +dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot +Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze +begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna +is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan +met mijn verhaal. + +Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de +een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, +beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens +en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch +een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, +liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks +tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang +over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam +de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren +toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; +daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf +er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, +dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter +beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer +dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was, +was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen +haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar +beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd +vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de +andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden +beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan +zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, +zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen. + +Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, +een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en +aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn +liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind +zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde +Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: +Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het +jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, +zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U +het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed +is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het +eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid +en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had +weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was +ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, +wanneer Giacomino om een of andere reden 's avonds van huis zou +gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van +Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole +had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een +bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid +van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, +dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het +huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er +heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide +minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,--kwam +gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om +binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, +hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje +en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello +en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den +ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu +niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei +tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, +omdat hij reeds heeft geavondmaald? En zoo kon de een den ander niet +weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met +Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet +stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken +gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn +twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar +beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en +erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, +liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de +deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah +"verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor +geweld!" Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen +kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met +licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na +een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht +haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet +geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich +er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden +zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis. + +Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover +zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, +dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer +gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, +haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de +ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de +waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat +er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, +wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, +dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door +het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, +welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en +boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de +jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino +die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde +kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd +ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak +geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer +Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit +meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van +Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch +diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter +was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, +wat ik kan. Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, +waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor +zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn +handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino +antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en +toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door +Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn +metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, +die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was +en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit +medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar +Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet +en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en +dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij +op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te +geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, +dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt. + +Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die +met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer +goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd +en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: +Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: +Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat +ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien +Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, +omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, +dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is +geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te +kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het +Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, +dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor +had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis +had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij +Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar +huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne +mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, +scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, +die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, +verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren +te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was. + +Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand +de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het +zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel +zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat +is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd +en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door +mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij +verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen +het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen +schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn +omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio +liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers +en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving +haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino +zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad +kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen +had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het +jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met +goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover +met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole +en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote +vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa +was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, +die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone +en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde +hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint + en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal + gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri + d'Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man._ + + +Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna's had +behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een +te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke +donna's. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen +van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en +onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger +verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een +te vertellen van een verliefden jonkman. + +Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen +een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een +edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van +een eiland bij Ischia: Procida, Gianni [100] genaamd, had dit meisje +meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts +de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar +reeds menigmaal was hij 's nachts, als hij geen bark had gevonden, +van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, +slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde +voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar +den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de +hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een +plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw +als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal +Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels +gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, +dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden +ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging +volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, +brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, +twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en +ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het +onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou +worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten +haar Frederik, koning van Sicilië, [101] te geven, die toen nog jong +was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De +koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij +een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar +in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, +welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde. + +Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat +dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die +haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed +deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist +in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, +besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva +tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In +Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was +weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen +voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was +geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle +hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te +zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug +en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls +ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een +venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, +dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe +en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden +om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de +gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht +af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na +zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs +niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een +kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje +aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen. + +Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten +aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem +waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, +had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster +open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad +heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, +neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar +verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg +te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde +en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, +alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, +haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het +grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde +geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden +herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, +in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had +behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot +hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven +en ging heimelijk met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen +hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen +van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij +binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar +naakt en in de armen van Gianni slapen. + +Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat +zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met +een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, +dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte +menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in +het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot +een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van +dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna +vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn +huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door +hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te +hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de +twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen +en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en +op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde +uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, +gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn +kamer zeer verstoord terug. + +Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide +minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen +gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden +zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat +men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar +Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun +oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het +uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier +de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; +de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar +prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna's den jonkman +kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar +de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen +hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den +dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden +en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en +dit Ruggier dell'Oria [102] ter ooren kwam, een man van onschatbare +waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij +stonden vastgebonden. + +Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi +en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, +naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief +het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, +ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet +meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht +had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed +hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles +gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, +mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen +van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg: _Welke?_ Hierop +zeide Gianni: Ik zie, dat ik--en spoedig--moet sterven. Ik vraag +als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, +dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, +dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan +heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat +gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval +hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat +zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden +en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst. + +Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn +meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee +jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te +laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri +voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en +zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning +zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die +gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide +Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe +licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De +jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van +messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van +dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bolgaro, wiens +macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op +Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en +daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, +hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat +jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, +terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De +koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij +had er niet alleen berouw van, dat men met de straf zou voortgaan, +maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat +de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem +gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had +leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen +smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat +hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het +meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, +zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap +ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire + Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg + veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, + wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en + neemt Violante tot vrouw._ + + +De donna's, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee +gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en +verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord +had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij +gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna's. Toen de goede koning +Guiglielmo [103] Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, +messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen +wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had +en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren +gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op +de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit +Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, +was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij +het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, +werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar +hij zich meer liet leiden door de natuur dan door het noodlot, begon +hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate +aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte +en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en +Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel +vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, +gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong +meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, +verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte +om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit +aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, +die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op +haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet +zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem +niet wenschelijk scheen. + +Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid +te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze +ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te +zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde +liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat +dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en +het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl +afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn +dochter met andere vrouwen en donna's dikwijls heen placht te gaan +om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, +dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, +werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt +met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, +opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug +naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong +was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen +een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan +door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al +zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens +na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, +welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een +boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, +traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde +en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de +weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking +was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun +liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht +geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En het +jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden +kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken +en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd +hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer +werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend +hadden en hun maatregelen genomen hadden om in 't geheim van elkaar +te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, +die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met +haar terug naar huis. + +Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in +stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje +zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele +kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar +kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor +zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, +zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop +antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, +dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal +men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor +Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: +Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat +men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen +sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er +aan Uw belofte te houden. + +Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen +gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet +veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele +tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten +zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd +was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou +geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna +geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond +zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling +gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke +omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer +Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, +verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de +kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, +wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, +stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was +gebeurd. Maar hij--minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men +hem vertelde dan de donna--zeide, dat het niet waar kon zijn, dat +zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles +wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid +kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest +denken zonder genade te sterven. + +De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te +stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede +ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, +welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van +een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt +gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst +de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar +was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, +weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij +gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani +en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was +benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te +hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles +bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door +de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een +zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, +goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van +Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een +van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: +Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, +dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo +niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden +gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door +haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, +zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige +vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, +ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg. + +Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de +beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van +hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie +edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar +Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige +zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en +die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen +te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van +Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen +zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om +te kijken. Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den +rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, +Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een +groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze +op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen +te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van +zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers +op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets +had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, +die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij +dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij +begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En +hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en +dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij +in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde +die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het +Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die +Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, +zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, +die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat +voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij +de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn +metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den +hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, +dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, +te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden +ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de +reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar +het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn +gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: +Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een +vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van +wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve +moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, +dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, +niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de +zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, +die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hij +_werkelijk, die het zeide_, Fineo was, liet hij hem snel naar huis +terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles. + +Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood +waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, +met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds uit kon +voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, +opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, +Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, +die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet +zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te +kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij +haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak +stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, +klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen +er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn +dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem +te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: +Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan +voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer +Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst +verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen +zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, +mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel +hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de +hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men +vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, +wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij +bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang +praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, +dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar +kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk +geval zou doen, wat haar vader gelasten zou. + +Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het +feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het +meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, +werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te +zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en +eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie +schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen +bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat +eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren +gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven +in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen. + + + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie + Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde + te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar + ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en + door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de + donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde + jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke + behandeling stemt zij toe Nastagio [104] tot man te nemen._ + + +Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: +Beminnelijke donna's. Indien het medelijden een deugd is, die in ons +wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig +maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en +om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder +roerend dan aangenaam. + +Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot +aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, +dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk +had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat +hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo +Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij +hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, +hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen +geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard +en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere +schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend +geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was +voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na +zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich +bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, +indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij +zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer +groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben +en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van +zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne +te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen +uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te +vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden. + +Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen +aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een +groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje +of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en +vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar +een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd +en daar--nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan--zeide +hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en +dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt +maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, +dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- +of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was +en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan +zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen +aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend +door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den +dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan +en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens +een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een +donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om +te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in +het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer +dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij +was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren +en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende +en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee +zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, +waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op +een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en +een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden +met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd +en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, +waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en +van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn +toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging +hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, +schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de +honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En +bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, +deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard. + +Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, +dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van +een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de +honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo +goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was +van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, +die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die +vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid +en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden +degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik +ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, +dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de +zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij +geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich +verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de +straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan +haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en +aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand +niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik +haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst +en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden +binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het +lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang +of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, +alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige +vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur +bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En +geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar +op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en +daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus +haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest +is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U +niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden. + +Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en +had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging +achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten +wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als +een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield +en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak +dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel +doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, +of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend +en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het +hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als +uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik +of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en +begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds +haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer +ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, +dat Nastagio ze niet meer kon zien. + +Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en +beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, +omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de +plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en +vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten +en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord +mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn +verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst +toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, +dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun +verwante vrouwen en alle andere donna's, die gij verkiest, bij mij +zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het +scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd +noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en +hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, +ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig +maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak +bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien +en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit +zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd +tegenover de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het +laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van +de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd +en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden +zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij +het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar +een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel +van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, +liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio +had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze +allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had +gedaan en zooveel donna's, als er waren (want er waren er genoeg, die +verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en +die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen +jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen. [107] Toen +dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, +die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, +maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de +wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had +gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders +op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, +door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, +of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden +aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij +haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd +niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat +in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te +sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want +zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio +antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar +zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om +haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld +was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, +dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit +alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was +de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en +den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde +lang gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van +dit geluk, maar alle Ravenneesche donna's werden er bang van, zoodat +zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen +dan zij eerst geweest waren. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar + hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een + valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn + donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij + ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, + neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk._ + + +Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien +had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn +voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij +de beurt om te vertellen, en--zeer geliefde donna's--ik zal het gaarne +doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij +weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar +ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet +wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, +welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt. + +Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad +woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag +en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den +adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er +behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het +verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen +en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij +was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger +in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire +Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid +boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met +de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna +Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend +werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, +worstelde, schermde hij, hield hij feesten en schonk en verkwistte +zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar +dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze +deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, +begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij +werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, +van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een +der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, +dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, +ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, +zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, +geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de +uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en +toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar +hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon +achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte +hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig +nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en +gelijk het de gewoonte is van onze donna's, ging zij het zomerseizoen +met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat +van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te +sluiten en zich met vogels en honden te vermaken. + +Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die +hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar +durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel +gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover +de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel +zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem +te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend +het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem +dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: +Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik +spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik +in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij +wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit +een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om +hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, +die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En +hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien +geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, +hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, +wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem +niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de +overhand, dat zij besloot hem tevreden te stellen en wat er ook +mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten +doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te +herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, +is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover +verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap. + +De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging +den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van +Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien +dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig +werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, +was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem +zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en +nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, +Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, +die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig +was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend +vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde +nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U +geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben +ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken +is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En +zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven +zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel +gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving +hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin +en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: +Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote +van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken. + +Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe +hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar +die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon +bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen +genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, +zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep +hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het +werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de +edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman +hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in +zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn +toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze +een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder +nadenken draaide hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, +geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de +tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog +eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin +en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, +gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen +aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals +Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen. + +Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in +aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om +dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk +tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger +leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze +voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, +dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, +waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt +of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der +liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij +ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; +ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat +het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn +goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk +vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, +waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, +geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar +mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, +dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal +verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, +die gij mij toedraagt--waardoor gij tot niets verplicht zijt--maar +bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond +hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, +opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben +gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen +Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet +van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in +haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna +geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van +den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, +dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na +het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, +sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, +is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er +over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking +tot wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal +hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen +zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en +van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft +besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U +in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst +met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in +aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U +met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in +'t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk +dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die +waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden +op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar +nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot +leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf +nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, +de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen. + +De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een +vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna +in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had +kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en +misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel +terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij +door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat +de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige +dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol +tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls +door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het +niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van +Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk +gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: +Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, +maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander +huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en +zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op +de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, +dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan +rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar +gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, +hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al +haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had +bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer +geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde. + + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn + vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, + verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, + dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden + werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de + vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de + vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, + Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, + waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven._ + + +De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen +geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die +nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, +dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte +gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de +slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer +die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb +en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van +neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, +en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten +deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen +te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, +gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw +kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo +zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken +zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen +om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend +voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is. + +Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo +genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene +achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, +een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de +echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar +en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, +daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor +iets anders dan om haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd +en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk +voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar +man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna +ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren +dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot +zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op +sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander +in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en +ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het +een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen +beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik +hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, +mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan +ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou +ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat +wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, +indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik +oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over +klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij +aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee +genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen +mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal +alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur +verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, +sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met +een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs +de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in +de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over +de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door +allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de +jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn +dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als +gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede +jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, +voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben +verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, +dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten +en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is +het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet +voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet +alles verloren heb--want ik zou niet willen, dat gij mij voor een +gekkin zoudt houden--heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen +doen. Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als +ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod [108] vuur zou +geven,--God weet het--voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; +zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor +en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen +alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom +bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij +het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te +hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit +spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen +een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, +zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een +kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen +verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit +leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor +het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, +wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, +echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel +naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en +de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij +ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en +aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar +opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, +die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, +omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te +zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein +krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt +en laat mij gaan. Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor +oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn +aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht +zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij. + +Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij +een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar +alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond +en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij +haar Gode aan. De oude zond haar na eenige dagen dien jongen, waarvan +zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de +donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit +kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een +avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano +heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen +toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze +volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om +te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend +moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch +wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht +zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein +kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder +een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van +een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij +haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: +Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben +het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: +Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw +en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den +eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen +hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en +nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, +die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd +aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat +beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, +ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was +van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in +de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, +dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en +hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker +dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te +zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb +ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om +den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt. + +Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek +hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar +de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de +zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik +langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag +hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang +aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit +meer in iets genoegen hebben, als ik je dit niet betaald zet. Toen +de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder +een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet +waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep +meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet +meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem +bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, +maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, +dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik +hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half +dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin +waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen +niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide. + +Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, +hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de +vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van +anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is +wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van +een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom +als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft +zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal +wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die +verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen +van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven +weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting +der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die +haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en +zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen +medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het +vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, +dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan +te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar +Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er +niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker +is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte 's avonds te eten, +als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, +waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen! + +Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp +en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal +geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten +dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook +alles om te zien of hij water vond en kwam ook zoo in het midden van de +kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op +vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand +gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger +zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet +uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, +dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde +opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers +had gelicht, maar met klem vroeg hij: _Wie is daar?_ en liep naar de +mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de +trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor +Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend +had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had +vervolgd, vroeg hem: _Wat doet gij?_ waarop hij niets antwoordde maar +hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: +Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, +hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet +minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, +nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem +met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover +haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw +van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor +U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij +het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat +gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U +er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen +Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U +allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, +dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan +dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat +hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: +Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou +vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is +naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw +verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje +met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het +mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude +schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze +wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij +niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, +weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, +dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug +gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden dan alles verder +in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, +Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen +zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, +men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer +door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels. + +Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, +zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; +ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, +zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij +evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, +want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu +dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo +schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat +haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en +het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te +samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is +mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle +drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op +straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht +meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna's, +dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het +niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, +opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt. + +Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna's zich +weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er +weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn +verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, +plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: +Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had +aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester +eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van +haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van +het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone +woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de +noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een +dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig +kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking +spreekt, namelijk _van hen, die aangezet door een of andere scherts, +zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden +blik verlies, gevaar of schande ontkwamen._ Dit werd door allen zeer +geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal +vrij. Het heele eerzame gezelschap rees op, toen het de koningin +zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het +meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden +en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, +dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat +reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd +er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig: +_Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng._ +Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval +hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, +als ik cymbalen had, zou ik zingen: _Licht de slippen van je hemd op, +monna Lapa;_ of _Onder den olijfboom en het groene gras_ of zoudt gij +willen, dat ik zing: _Het water van de zee doet mij groot kwaad_? Maar +ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou +U bevallen: _Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in +het veld?_ De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, +zal ik zingen: _Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October._ +De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi +vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: +Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch +wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij: _O deze, mijn schelp, +zoo ik haar niet prik_ of _Zeg, zachtjes aan, mijn man_, of wel: _Ik +zal een haan koopen van honderd lire._ De koningin, een weinig boos, +hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen +en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen +hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de +grappen en begon spoedig aldus te zingen: + + + Amor, het levendige licht + Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt, + Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare. + + De glans, die uit haar schoone oogen vloeit, + Ontstak mij voor Uw vlam het hart, + Terwijl gij mij doorboorde, + En hoe groot uw macht is, + Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard + En het mij verbeeldend, + Voelde ik al mijn deugden van mij gaan + En legde die aan haar voeten, + Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten. + + Zoo werd ik een der Uwen. + Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik + Genade van Uw macht. + Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent, + Die zij mij in het hart heeft gebracht, + Noch mijn geheele trouw, + Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde, + Dat ik geen vrede zou hebben + Noch buiten haar willen zou. + + Daarom bid ik U, mijn zoete Heer, + Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen + Een weinig van Uw vuur + Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik + Van liefde verteer en door mijn marteling + Langzaam sterf + En dan, als het tijd zal zijn, + Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet, + Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen. + + +Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan +was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het +vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels +verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen +was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden +dag voor zijn genoegen zou gaan slapen. + + + + + + +Zesde Dag. + + _De vijfde dag van de Decamerone_ eindigt, de zesde vangt + aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, + aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of + met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, + gevaar of schande. + + +De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren +en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde +verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en +zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, +zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, +van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van +verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende +gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon +warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij +hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de +tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone +bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der +koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets +anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, +gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta +begonnen samen Troïlus en Crescida [109] te zingen. En reeds was het +uur om consistorium [110] te houden weergekeerd, toen de koningin +alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen +zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, +toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door +de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en +knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en +vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij +antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar +de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te +doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De +koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; +nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult +was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van +een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door +haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, +die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór +mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, +ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren +kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat +in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire +Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam. [111] En +ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging +en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar +al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd +te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van +de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten +om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo +lang wachtten. Bij het geloof in Christus--en ik moet toch weten wat +ik zeg, als ik zweer--ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar +man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat +voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen +doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten +de donna's zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken. + +De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het +hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar +uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot +Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen +verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel +uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel +is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik +zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt +en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen +en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg +met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, +die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, +Goddank, niet voor niets geleefd. + +Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen +had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe +te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met +Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den +gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan +Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Een ridder vraagt aan madonna Oretta [112] met hem te paard + te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter + slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen._ + + +Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden +des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de +struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige +woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En +omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna's dan de heeren +te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen +misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door +de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, +die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna's of geen +zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men +er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in 't +algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al +genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar +om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op +het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen +van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het +stilzwijgen wist op te leggen. + +Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog +niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende +donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen +wil--zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger +Spina--welke toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene +plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna's en cavalieri, +welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was +van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden +heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, +wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, +dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van +de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik +U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn. + +Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond +dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij +zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde +woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: _Ik +heb het niet goed gezegd_, en vaak de namen verwarde en den een met +den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder +er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen +en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta +herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om +het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het +eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de +war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: +Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten +afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, +begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon +over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, +de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte. + + + + + +Tweede Vertelling. + + + _De bakker Cisti [113] doet met een woord messer Geri Spina + inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet._ + + +Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna's en der +heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou +volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna's. Ik zou door mij zelf +niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele +ziel aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon +beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als +bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen +zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur +bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk +verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is +en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind +voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, +onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in +veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de +minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid +uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst +doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls +de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het +duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, +als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder +verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de +bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, +dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna +Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius [114], +bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn +edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige +belangrijke zaken [115], die in het huis van messer Geri Spina waren +afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de +reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den +Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had +en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer +nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, +dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een +ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede +dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence +of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van +den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, +dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, +maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem +niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, +dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij +een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem +eer het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij +zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest +voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en +een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn +en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna +ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te +hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, +dat een doode er trek in zou krijgen. + +Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den +derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, +messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van +proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone +arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, +dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, +het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden +man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, +en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie +bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en +zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: +Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik +kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee +er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en +nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn +wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen +te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang +gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer +Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken. + +Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf +messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van +de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei +voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn +knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er +bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De +knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn +had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, +zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De +knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander +antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop +antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als +hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend? + +De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri +mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet +waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam: Naar +de Arno. [116] De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk +gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat +mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, +zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet +hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en +zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar +met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen +en liet dit zachtjes [117] naar het huis van messer Geri dragen, +ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde +niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had +verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik +mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk +met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend +willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u +dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri +was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel +dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Monna Nonna de'Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder + eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde._ + + +Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord +als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, +behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, +die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna's. Eerst +heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons +gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het +dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van +antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze +verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, +want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer +maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van +mevrouw Oretta als het antwoord van Cisti. Het is waar, dat, als men +tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, +diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is +gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op +letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een +onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, +dan hij gaf, wat ik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer +Antonio d'Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, +kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego [118] della Ratta, +maarschalk van koning Ruberto [119]. Daar die edelman zeer schoon +van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde +onder de andere florentijnsche donna's hem er een, die zeer schoon +was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had +bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig +was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te +geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom +liet hij zilveren popolijnen [120], die toen koers hadden, vergulden +en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen +haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade +bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist. + +Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij +op Sint Johannes [121] naast elkaar rijdend de donna's loopen langs +den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een +jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en +dat monna Nonna de'Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci +en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een +mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur. + +Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San +Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij +haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe +bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen +aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien +aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,--en dat +waren er vele--die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting +af te wisschen maar stoot om stoot te geven, antwoordde zij snel: +Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch +geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk +aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens +de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de +beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar +aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen +woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet +verboden anderen met scherts terug te bijten. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn + redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen + overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door + Currado werd bedreigd._ + + +Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, +toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: +Verliefde donna's. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en +nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar +de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden +te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein +door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn +novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het +heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel +burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven +van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu +niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag +met een van zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en +daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, +die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden +voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo +nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel +klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die +zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een +vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd +was, in de keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en +den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te +geven. Chichibio antwoordde haar zingend: _Gij zult haar niet van mij +hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben._ Hierover +kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar +niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En +in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, +na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar +niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en +een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado +daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat +daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, +de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde +woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen +andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, +zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden +laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, +wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij +zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb +gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan +tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, +als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij +u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven. + +Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, +zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had +kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden +werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten +klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker +oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we +spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, +die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn +domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed +in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als +hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek +hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij +zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar +ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij +zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, +gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings +aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik +u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij +en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado +zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, +dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: _Ho, +ho,_ door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na +eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio +gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee +op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, +hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet _Ho, ho,_ geroepen +tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, +had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals +dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in +goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt +gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug +en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Messer Forese van Rabatta [123] en meester Giotto, de + schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over + hun leelijk voorkomen._ + + +Zoodra Neifile zweeg en de donna's veel genoegen hadden gehad in +het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: +Zeer geliefde donna's. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin +onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat +Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten +van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt +zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in 't kort hoop +te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was +klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat +hij bij wien ook der Baronci [124] vergeleken nog leelijk zou geweest +zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele +bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd +gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden +geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller +dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met +het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet +slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het +zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed +houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in +het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de +dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden +te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht +hem een der stralen van Florence's glorie noemen. En dit des te meer, +omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel +meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd +te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, +naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij +kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn +kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik +mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan: + +Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen +messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer +als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen +ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen +bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door +zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en +als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk +wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, +die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, +met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na +eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te +Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels +van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, +omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij +eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en +smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte +opwierpen--wat ze er juist niet beter deed uitzien--en het weer +wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, +te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, +welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven +en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk +en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn +persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een +vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, +dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor +zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde snel: Messire, +ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, +dat u het a, b, c kent. [125] Toen messer Forese dit hoorde, erkende +hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij +zijn koren verkocht had. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci + de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en + wint er een avondmaal mee._ + + +De donna's lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de +koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: +Jonge dames. Pamfilo, [126] door aan de Baronci te herinneren, +die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het +geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, +u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij +u dit te vertellen. + +Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele +Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld +was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden +de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te +hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont' Ughi +was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden +van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti's +waren, en anderen de Lamberti's en deze die en gene weer anderen, +naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, +simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste +en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van +de Maremma [127] zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die +ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat +ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci +bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore. Toen de jongelieden, die +van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met +hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de +Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige +Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder +u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan +hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij +gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen +aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini +sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er +over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, +in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen +om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, +wat door hem gezegd was. + +Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van +Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe +kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal +het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, +zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het +geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt +en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn +ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik +bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak +hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn +door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, +maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat +ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere +menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten +en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met +een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed +gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en +genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke +die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het +andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten +plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen +te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God +de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder +zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen +zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal +had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van +Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, +dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat +voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts +van Florence, maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, +dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese +wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen +naast een der Baronci. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar + gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich + met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen._ [128] + + +Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze +door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, +toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te +zeggen: Waardige donna's. Het is een schoone zaak in alle opzichten +goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te +kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond +een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders +tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een +smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren. + +In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder +schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, +dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een +minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een +ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, +schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa +heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de' +Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de' Guazzagliotri, +een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan +zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer +verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien +hij niet aan zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van +zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, +kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, +wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk +den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te +bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, +zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, +haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk +gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, +was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed +te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met +sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in +ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, +in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht. + +Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna's en mannen, en +door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat +met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De +magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en +van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, +van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, +dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, +terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon +onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide +hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en +hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander +man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens +een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik +kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op +wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U +beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde +met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn +echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen +vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, +die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, +maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk +zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking +hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen +dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden +zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, +er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er +bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien +gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en +ziel, ben ik tot Uw beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige +zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, +namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer +als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel +overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat +de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel +aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, +vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd +van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest +ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de +honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, +die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan +of het te laten bederven? + +Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van +Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem +schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, +veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op +die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen +het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te + kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde._ + + +De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna's met +eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op +hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen +onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin +zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, +alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, +jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan +heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, +misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier +aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een +meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, +zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen. + +Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca +genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo +engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, +dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op +te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere +donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen +van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo +sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan +haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien +had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis +teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets +dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het +heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde +geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de +wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; +er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik +geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker +is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben +ik naar huis gegaan. + +Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: +Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch +blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van +ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond +de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: +Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen +en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere + florentijnsche ridders, die hem hadden verrast._ + + +Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en +dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, +zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna's. Hoewel gij +mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er +mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, +dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is. + +Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone +en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is +overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom +is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die +gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in +Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, +die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij +den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden +en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op +dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen +en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht +van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze +gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi [129], messer +Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, +den zoon van Cavalcante de'Cavalcanti te halen, omdat hij behalve +een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof +(het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, +zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman +ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar +messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen +en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in +zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat +hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de +groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had +dan om te bevinden, dat er geen God was. + +Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de +renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San +Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in +Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen +was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was +kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en +toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens +plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een +aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden +hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden +zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop +antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u +kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op +een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht +over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen. + +Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd +verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat +het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden +dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer +Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, +als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de +grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven +zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, +welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere +menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere +wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, +zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen +zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik +messer Betto voor een slim en verstandig ridder. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer + te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de + plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint + Laurentius geroosterd is._ [131] + + +Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt +was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte +op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke +donna's. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest +behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen +zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een +voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan +een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen. + +Certaldo is een burcht in den Val d'Elsa in ons graafschap gelegen, +dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd +bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der +broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen +tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, +in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door +vroomheid, daar die plaats de best bekende uien [132] voortbrengt van +geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een +vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets +wist, was hij zoo'n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, +hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar +voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van +allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar +hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus +gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de +hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het +is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio +van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, +opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen +onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, +die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men +eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, +gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij +de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten +de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik +ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U +door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, +dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een +der veeren van den engel Gabriel, die in de kamer van de Maagd Maria +achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, +toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden +in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een +weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden +zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer +een poets te bakken. + +Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet +met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt +hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na +overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla +aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den +broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had +een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio +Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn +gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met +zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit +negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, +Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun +verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft +er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na +houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, +die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, +slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen +en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover +het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een +vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en +glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat +alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet +gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het +is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, +hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet +er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, +dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, +al naar hij 't het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg +achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken +zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio +Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een +nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, +had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt +en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, +dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; +daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder +Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur +zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij +volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan +duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen +schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder +te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den +soepketel van Altopascio [133] mee had kunnen klaar maken, en op haar +verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet +en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden +vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat +hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen +te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere +dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging +het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van +zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco +[134] met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden +zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, +was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij +een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit +een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij +beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen +gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een +klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit +van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te +hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in +een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, +ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, +vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden +zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw +aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het +kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer +te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen +en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij +met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken +zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en +ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, +ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon +met kracht de klokken te luiden. + +Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage +veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele +woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid +het _Confiteor_ op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het +taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje +te voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van +den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag +het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd +had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even +uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem +dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij +het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als +slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder +van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en +sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje +en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen +ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel +der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik +zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, +welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut +zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs +den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van +Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, +kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, +die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, +den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia [135] en Ruffia [136], +zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna +[137], waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, +die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig +bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel +geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen [138], +waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens +met hun eigen darmen aankleeden [139] en dicht daarbij vond ik lieden, +die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik +bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in +korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, +waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen [140] zag +vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio +niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten +kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden +kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar +in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche +voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, +messer Nonmiblasmete Sevoipiace [141], den allereerwaardigsten +patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van +baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken +zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze +allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch +om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst +toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, +als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint +Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der +ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, +kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, +die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet +van den heiligen Michael, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als +doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift +schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige +hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij +deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van +het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank +der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, +waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da +Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, +die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, +waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze +dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij. + +Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te +vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu +het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen +van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, +bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij +mij. Ik draag de veer van den engel Gabriel, opdat die niet bederft, +in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een +ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor +het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje +met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de +kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is +maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo +binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U +de kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het +vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen +bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen. + +Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te +aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt +met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat +het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden +zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde +de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade +geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter +offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de +hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen +de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, +dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden +vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan +tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, +deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen +blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de +preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, +door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij +dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken +was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden +uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar +niet minder opbracht dan dien dag de kolen. + +Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak +en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en +over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag +haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste +dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, +dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna's te regeeren en +te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit +is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon +aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen +van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien +gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan +doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik +zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den +hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, +zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna: + +Waardige donna's. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke +bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat, +als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te +geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, +of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen +vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen +buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij +voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de +getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste +daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te +spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca +er mij aanleiding toe gaf, _over de streken, die of uit liefde of tot +hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die +het al of niet merkten_. Het behandelen van deze stof scheen aan elk +der donna's slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde +te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna's. Ik ken het onderwerp, +dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij +wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de +tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk +verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van +dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten +zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid +aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw +eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat +niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en +anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen +om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van +af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest +bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het +door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden +zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit +door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood +kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, +dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou +men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom +niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer +aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot +uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet +spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, +die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder +met goed geluk een mooi verhaal doen. + +Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren +gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan +het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond +nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen +derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, +zeide Elisa, die de andere donna's geroepen had. Daar wij hier zijn, +heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik +meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt +en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve +nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen +te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er +zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De +donna's antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun +dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de +jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een +mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door +een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere +beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder +op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen +beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij +later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden +zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij +een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek +meer dan een halve mijl, omringd door zes kleine bergen niet al te +hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een +schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht +naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top +van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds +meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar +het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, +amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere +vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de +vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met +eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De +vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames +waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen +en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de +beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, +drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene +weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, +wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een +der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen +viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer +aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver +scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in +de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het +vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje +gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, +als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de +borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde +in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te +doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En +niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar +zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het +meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer +schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van +ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, +waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten. + +Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben +rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en +zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar +zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te +blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij +zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun +lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode +roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder +dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij +hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet +konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na +eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen +was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis +aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea +sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, +vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden +aanvangt! [142] Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen +en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, +die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, +liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen +de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen +deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij +er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, +keerden zij huiswaarts, waar zij de donna's dansende vonden, op een +wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over +de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan, dat de +koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden +morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien +men er wilde slapen of s'esta houden. Hierna liet hij lichten komen, +wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te +maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, +keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, +jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu +wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, +dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij +dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus: + + + Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen, + Kan ik nauwelijks gelooven, + Dat niet een andere klauw mij grijpt. + + Ik ging heel jong in uw oorlog + Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was, + En ik legde al mijn wapens neder + Als hij die vertrouwen heeft: + Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek, + Gij waart mij op de hielen + Met uw wapens en uw wreede nagels. + + Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens + Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven, + Vol bittere tranen en smarten, + Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld; + En zijn heerschappij is zoo wreed, + Dat nooit zuchten hem bewogen + Noch klachten, die mij dooden. + + Al mijn gebeden vervaagt de wind. + Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren + Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur + En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven. + Heer, heb medelijden met mijn smarten + En doe, wat ik niet vermag + Lever mij hem over in uw ketenen. + + Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans + De banden geknoopt door de hoop. + Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt, + Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen + Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen, + En als de smart verdwijnen zal, + Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen. + + +Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd +en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand +raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, +liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den +dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar +reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, +dat elk zou gaan rusten. + + + + + +Zevende Dag. + + _De zesde dag van de_ Decamerone _eindigt, de zevende vangt + aan. Onder het bewind van Dioneo wordt gesproken over de + streken, welke de vrouwen, gedreven door liefde of tot hun + redding tegenover hun echtgenooten hebben uitgehaald, die + het al of niet merken._ + + +Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij +Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen +de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf +om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, +dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt +en hij liet al de donna's en de jongelieden volgen. Ternauwernood +schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit +was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo +lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid +gingen zij tot aan de Vallei der Donna's, waar, omdat zij door nog +meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over +hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen +hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur +meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn +en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet +werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong +steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet +overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het +dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige +laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, +zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke +scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot +kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, +begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, +toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die +allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten +met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien +dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen +van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen was, +dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden +niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij +zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia +zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij + wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook + is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken + houdt op._ + + +Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u +had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, +maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, +doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna's. Ik zal u iets verhalen, wat +u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en +het meest voor een spook, waarmee ik--God weet het--niet bekend ben, +en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen +evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis +onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren. + +Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een +fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak +dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot +koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor +hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld +man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de +een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel +mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater +noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van +Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke +gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote +zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde. + +Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter +van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, +die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di +Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij +regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer +mooie plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen +zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en 's ochtens naar +zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer +verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende +den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij +geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en +slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den +nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, +dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, +stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem +moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van +zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij +zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer +hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht +bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie +keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar +Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch +eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee +groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was +de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten +vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de +twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche +eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men +in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was +soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest +neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van +een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid +te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni +er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, +toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde +het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, +welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde +en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of +ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten +tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de +elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat +men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, +deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, +dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt +men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, +waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, +zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er +niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: +Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het _Te Lucis_ +en de _Intemerata_ en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar +bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises +in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij +niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen. + + + +De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, +stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot +den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou +mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er +bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik +weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te +Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, +voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, +een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg +beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den +moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, +dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen +samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen +zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, +zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat +'s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den +tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene +tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je +mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch +aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, +en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, +en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, +dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: +Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, +ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had +met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging +den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, +droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak. + +Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, +dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd +had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag +gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en +dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en +dat de donna het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, +want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God +hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop +heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner +buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar +was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met +Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello +heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan +Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna's, staat het aan U +van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee +bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, +gelijk gij--hoop ik--gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar + man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, + zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er + in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze + springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, + terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich + thuis brengen._ + + +De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het +gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd +was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: +Zeer geliefde donna's. De bedriegerijen, die de mannen jegens U +uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer +soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn +en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, +maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, +dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, +wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, +dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen +bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de +mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal +zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En +aldus wil ik U vertellen wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook +in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde. + +Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en +begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar +en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een +aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich +zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, +namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest +opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om +hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en +die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, +in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello +Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en +bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij +gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur +van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, +wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij +mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij +spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou +hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze +van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, +want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd +en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij +U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in +dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello +kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide +stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg +naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie +U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, +waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn +rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht +niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat +voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich +niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, +zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende +handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon +zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op +wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden +jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, +die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er +is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan +hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik +goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als +de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik +er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij +groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, +maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en +gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: +Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb +ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, +dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, +maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand +brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij +zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis +heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor. + +Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man +zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf +goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de +deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb +verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het +heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en +hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met +God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, +terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging +heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze +zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook +voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij +niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: +Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben +ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het +aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel +gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat +schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in +hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat +voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik +neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom +zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon +maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn +hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een +schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En +Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door +den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met +den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, +daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot +onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog +niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die +de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde +velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk +gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was +liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, +manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die +er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies +waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot + vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, + dat hij de wormen van het zoontje bezwoer._ + + +Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden +te spreken, of de ondeugende donna's lachten er om en deden of het om +iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd +was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: +Bekoorlijke donna's. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij +een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, +die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, +maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt. + +Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van +voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone +buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te +vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat +hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger +was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben +gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde. + +Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar +te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling +te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen +had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij +had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er +ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar +verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, +die hij zijn petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het +kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er +behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en +sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen +meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen +zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet +te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en +in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met +opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is--laat staan, +dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten +vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met +reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en +andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen +maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk--zij +schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men +niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober +leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij +ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men +als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen +behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, +dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, +het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten +maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op +na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles +van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven +en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is +voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate +Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken +en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan +eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag +door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate +Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, +wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: +Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde +frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben--en +ik zal dit vlug doen,--zal ik U een man schijnen als de rest en +geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, +die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat +dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik +doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, +als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw +over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, +die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De +donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de +broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, +zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, +bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig +geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, +dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze +opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap +stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen. + +Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de +argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo +bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, +zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar +het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de +deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit +geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, +klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, +die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, +wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, +dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, +toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, +zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo +vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk +overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en +luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de +mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, +of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed +gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo +onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, +zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas [143] +dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat? + +O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat +ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem +op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die +het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want +ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij +hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet +wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel +op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van +het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en +opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat +hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd +hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas +geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij +slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: +Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik +zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak +aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor +ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide +frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij +behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem +tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was +tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens +bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, +betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in +zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het +en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet +één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en +haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had +geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader +naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant +er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen +hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden +en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, +die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop +hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, +toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer +heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen +en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer +in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen +samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet +hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden +opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan. + + + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet + bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij + zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er + heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem + met luid geschreeuw._ + + +Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde +hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij +zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, +hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw +oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, +dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw +sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de +Uwe. Verliefde donna's, ik zal U een list vertellen aangewend door +een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren. + +In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone +vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten +waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer +verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen +daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, +waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman +haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne +verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij +kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon +hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe +aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf +zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door +zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis +te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het +zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige +echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij +het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de +donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, +terwijl hij sliep. Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, +zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen. + +De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem +aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat +van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den nacht. Tofano +stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, +totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat +hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij +het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde +met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, +gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, +keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier +terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren +die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de +liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, +omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een +harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht +sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, +dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, +die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en +zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man +maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den +geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor +ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, +zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal +iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten +en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in +ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, +wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel +van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, +ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, +gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En +bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den +ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een +grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw van +_God vergeve het mij_ er in vallen. De steen op het water ploffend +maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er +in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put +om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had +verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in +huis, sloot het van binnen, ging naar de vensters en zeide: Men moet +bijtijds water in zijn wijn doen. + +Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar +hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem +stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem +toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij +komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, +het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je bent en op welk +uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te +beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, +opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was. + +De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die +me 's avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en +daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar +nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem +buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van +den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had +plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: +Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan +en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, +dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand +kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, +dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich +in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich +werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig +water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren +gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij +de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de +ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van +de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij +hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij +tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning +en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie +in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw +voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna +in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit +meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar +haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus +als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En +leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de + biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, + die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man + bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over + het dak binnen komen en blijft met hem._ + + +Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen +had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, +om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar +op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele +donna's. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een +ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral +wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En +als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf +voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die +een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen +zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun +dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en +de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen +eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, +de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk +God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de +burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk +welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde +van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; +integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen +meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe +groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen +zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte +aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen +maar prijzen. + +Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, +die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar +en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield +en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te +behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen +schoon moest voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te +behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door +zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, +dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders +met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar +geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en +durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven +zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, +naarmate zij zich minder schuldig voelde. + +Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot +haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar +dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd +te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor +haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in +het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in +de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, +als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, +indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar +treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was +gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, +zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, +dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, +wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide +tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn +wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar +welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk +heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe +en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine +steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om +te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En +hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid +had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer +blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij +keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij +niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen +echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar +man, dat, als het hem beviel, zij 's ochtends naar de kerk wilde gaan +biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen +doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij +wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig +ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega +als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij +zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden, +die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij +vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan +naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten +bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen +en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, +maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen +de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van +den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, +ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al +met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een +gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, +welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in +het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen +hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij +haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond +tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel +mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver +over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij +door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij +tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester +is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij +hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche +had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een +weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins +ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij +gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht +met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een +messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte +hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en +zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe +zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, +zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam +de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen +deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij +tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die +opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en +zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak +de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet +zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, +omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen +absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, +want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven +zou het te kunnen, zou ik het U zeggen. + +De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, +want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen +om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien +zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee +voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, +want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, +dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders +dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen +doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, +want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over +zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er +in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De +nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den +priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken +om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna +zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad +feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, +wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had +in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, +tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond +elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten +en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar +bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, +ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit +vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen +gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den +loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij +vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: +Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard +heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had +alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, +opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig +scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij +naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het +aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, +treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen +nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester +kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de +gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op +en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders +kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen +jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien +naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, +die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen +was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De +nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de +deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans +waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met +een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde +het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: +Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten +wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn +tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten +bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, +sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, +die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over +verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn. + +De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte +en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat +leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens +naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het +oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en +daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn +list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen +in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester +herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in +het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, +gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te +weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij +er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in +geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester +liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot +priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis +voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik +zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer +waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, +dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet +bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht +hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur +gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan +avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; +en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik +U horens wilde doen dragen en gij honderd oogen hadt gelijk thans twee, +ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden. + +De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te +hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor +goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor +had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de +sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak +te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte +zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, + ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis + komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand + tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto._ + + +De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, +dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen +echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon +te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de +menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit +schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories +en ik heb plan het nog meer te bewijzen. + +In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van +een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van +spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd +op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd +goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of +zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze +donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij +haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar +met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, +daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang +was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna Isabella, +was 's zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen +gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard +was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan +Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer +Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel +alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De +meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar +roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, +die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar +zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar +zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot +messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor +hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij +messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; +na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De +donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, +ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen. + +De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er +niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij +de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel +buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de +meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de +kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, +dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er +twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen +houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor +verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, +nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij +mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij +doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, +woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik +hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets +wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard +gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio +zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en +met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel +als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, +deed hij, gelijk de donna hem bevolen had. + +Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het +sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio +toornig de trap afkomen en verwonderde zich en zeide: Wat is dat, +messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette +en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal +hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, +vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: +Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die +de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, +ik heb nog nooit zoo'n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman +binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de +hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: +Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik +stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er +aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de +woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij +binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, +daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na +veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, +gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, +als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer +onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht +zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: +Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: +Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had +gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De +ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De +jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik +bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, +omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan +het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en +kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, +heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, +wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, +liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar +de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer +Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later +over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou +komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken. + + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar + toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats + en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen + en ranselt Egano in den tuin af._ + + +De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar +gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, +sprak: Verliefde donna's. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U +een niet minder mooi verhaal te kunnen doen. + +In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was +geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van +zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij +op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond +hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar +hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, +mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, +met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen +een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en +Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat +hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit +een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de' Galluzi [144] +van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, +die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen +Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde +hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij +niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te +blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, +alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin +gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar +de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en +ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer +vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, +voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht +van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij +misschien kon gedaan krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn +paarden, regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij +hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, +dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard +sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit +gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien +als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had +hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn. + +Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende +zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, +dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij +hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was +en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog +niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer +geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die +haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer +blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen +alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek +hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik +U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was +de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de +genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd +bij dit: _door de genegenheid, die gij voor mij gevoelt_ door haar, +die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet +dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde +zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: +Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat +vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De +donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er +op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn +oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, +hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en +daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem +in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in +de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, +zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd +te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar +tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden +en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te +prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had! + +De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden +schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat zij begon +te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; +noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, +noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit +mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe +woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde +verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee +zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op +mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken +kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U +troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal +ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste +hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid +ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de +vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij +vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op +het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich +en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar +borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, +nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde +zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond +niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, +wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het +meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: +Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, +dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die +merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, +had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, +dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, +dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, +dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de +vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon +zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen +wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, +dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou +gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor +mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht +wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw +hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen +Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, +zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed +een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den +voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij was opgestaan en de kamer +uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten +angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon +om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, +die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel +zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld. + +Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij +genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, +dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich +weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok +nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen +om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden +en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen +en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een +grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, +die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem +toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, +dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor +duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, +die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino +zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal +het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen +beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna +vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet +geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een +stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw +ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben +afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U +zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef +stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen +met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, +dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen +dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs +stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, +dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over +dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende +gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, +wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij +Egano in Bologna te blijven. + + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich + 's nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar + tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den + minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw + op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien + hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn + vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen._ + + +Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest +was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de +angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich +tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: +Schoone donna's. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan +die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik +mij er wel door te slaan. + +In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio +Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door +een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw +trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, +daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig +bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar +lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en +alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio +er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter +wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep +nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor +gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan +Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus +te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij +gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk +sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis +laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te +weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van +haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan +het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend +onder de dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van +haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, +als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, +als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, +zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet +behoefde te wachten. + +Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij +soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat +op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed +stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, +dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich +zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het +venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, +bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet +lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio +werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto +sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, +nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu +was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur +opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio +moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen +ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds +naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde +zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend +had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, +dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto +was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles +wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats +op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen +kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou +aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou +hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de +kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, +wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht +tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, +waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan +zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn +thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, +boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, +maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de +vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen +en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, +dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar +de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden +toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te +meer, omdat zij soms riep: _Wee mij, genade om Gods wil; o houd op!_ +En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo +verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere +vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, +sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, +maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen +en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou +eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis +blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten +en ging weg. + +Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte +zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel +verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar +kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van +Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in +orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand +had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij +een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon +zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, +naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, +dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, +zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten +hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij +op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat +hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, +stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter +hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij +haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren +zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken +en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio +op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet +dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden +boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook +zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar +had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen +waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie +is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, +slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God +helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; +wat zoekt gij alle drie op dit uur? + +Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, +terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren +bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom +Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij +niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet +zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio +keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had +en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de +broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, +wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw +groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt +gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, +zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na +Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren +uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar +dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en +laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en +allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam +heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U +op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of +misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van +haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken +waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, +Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten +niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een +droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets +zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, +dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken +en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, +gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader +uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben +en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan +een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in +de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls +tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, +dat hij, als hij goed dronken is, met zoo'n treurig schepsel gaat +slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al +die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de +haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen +geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is +hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, +ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden +van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen. + +Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis +van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, +want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, +het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij +mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet +worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van +het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, +met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, +als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen +hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: +Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of +dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden +zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi +met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde +van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van +Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, +dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het +geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem +zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich +naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, +hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van +vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, +voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik +mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, +die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio +de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was +en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er +je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, +want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het +U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een +dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder +er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam +niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich +den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen +zonder eenige vrees voor haar echtgenoot. + + + + + + +Negende Vertelling. + + _Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar + te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, + en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid + van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, + wat hij gezien heeft._ + + +De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna's zich niet +konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning +meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne +te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige +donna's, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, +dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in +tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer +te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin +gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik +U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, +omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op +de wereld even dwaas zijn. + +In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere +koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus +aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw +schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, +honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder +de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en +buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven +anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op +hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in +gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of +niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna +ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, +riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen +stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, +moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand +ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben +een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw +kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze +is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd +bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de +jonge donna's het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit als +de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht +gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij +zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en +mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, +dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen +vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed +gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig +een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn +leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen +en hem vragen bij mij te komen. + +De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats +haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, +daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op +de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze +woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder +trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester +mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging +aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: +Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo +dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of +verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de +woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend +verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier +er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder +den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in +mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al +mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als +het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den +mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat +volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te +hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, +ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit +thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, +wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, +dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in +uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, +u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk +een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet +gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, +dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd +en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, +die voor zijn genot beter af is dan gij? Wie zult gij beter voorzien +vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan +haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, +dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht +toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen +en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar +niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars +en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten +de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen +behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of +dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de +trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je +bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en +smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, +geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst +der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien +gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker +op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als +gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over +hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander +antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij +er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde +daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar +ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al +zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit +doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, +die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij +niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat +zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, +ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, +en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen +schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar +Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, +hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig +ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat +hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij +zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen +en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was. + +Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot +middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren +weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid +uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op +den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus op zoo hoogen +prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in +de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij +hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee +mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend +tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen +wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer +zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, +de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, +Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open +vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter. + +Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid +van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat +gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor +Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden +zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft +wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij +bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap +van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin +gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een +paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en +terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar +hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid +te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig +trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit +geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide +zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo'n gezicht! Omdat ik u +misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, +wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo +voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van +den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde +zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor +het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest +zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, +opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als +Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen +en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer +zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts +te houden en dit nooit aan iemand te zeggen. + +De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd +had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de +jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus zeide: Wel zeker, +ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde +de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik +gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het +bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; +ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was +en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen +antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken +tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een +venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, +riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt +er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar +geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom +zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo +voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging +verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; +zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn +zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand +te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, +zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo'n tandarts niet. Zij liet daarom +de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield +zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich +uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, +trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat +die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, +die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van +pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al +zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en +er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en +getroost ging hij de kamer uit. + +De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar +liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die +hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend +uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij +deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten +was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, +vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden +helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en +Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den +voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, +die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, +ik heb grooten lust in een paar van die peren--klim er daarom in en +gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep hij uit den +boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij +u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer +ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch +die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, +wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot +gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Phyrrus sprak: Ik ben +niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer +verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus +antwoordde: Mijnheer, ik droom in 't geheel niet en gij evenmin; +gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer +aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, +wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als +te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke +dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den +perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom +er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus +zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U +op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan +zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, +want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals +gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er +over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen +erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: +Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, +die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, +begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, +schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, +dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den +perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; +en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals +hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij +had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: +Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, +verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, +dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij +nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste +van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen +te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken +zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien +boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij +U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben verschaft, als ik het +U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed. + +Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: +Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij +zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen +gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in +een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor +U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien +het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets +lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over +het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus' +meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, +noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, +haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel +het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die +zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; +want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw +geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl +en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij +tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn +toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend +en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die +hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met +haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften +Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer +gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een + hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte + zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in + de andere wereld._ + + +Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna's +zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen +kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de +eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt en als hij +anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig +om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend +voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht +gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij +allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had +willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook +zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit +verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen +mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De +geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de +dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna's, +dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten +uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, +die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is. + +Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de +een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden +bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij +gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord +van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel +hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden +zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, +zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en +dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio +peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van +zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht +eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke +donna was. Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd +en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door +Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor +den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor +die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante +lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had +geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, +dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, +zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, +zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans +hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het +gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te +werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En +hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn +begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had +zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets bespeurde en zoo +beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio +vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien +zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij +(daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens de +_gedane belofte in de kamer van Meuccio_ en riep hem, die stevig +sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik +ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U +nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, +toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, +mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio +antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden +en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, +zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de +verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde +Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn +en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf +zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg +hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, +door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen +te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, +dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht +Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, +zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge +daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, +geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar +aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten +en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn +schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf +als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met +de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, +en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen +degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer +gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, +mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, +die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: +Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak +gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, +wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen +ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak +hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; +en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met +peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten, +omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als +frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te +verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde. + +Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang +naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den +krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: +Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin +van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen +en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging +zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, +aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat +vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak +naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot +haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou +spreken over de poetsen door donna's gebakken aan hun echtgenooten +en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den +bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U +zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens +hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan +moet denken er van te verhalen, _welke bedriegerijen, gewoonlijk of +de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens +den ander pleegt_ en ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam +zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf +het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna's +en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid +door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone +en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo +en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en +aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met +het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en +zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij +het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een +zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last +van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een +kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen +zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, +zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in +met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen +zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, +bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen +zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van +den kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, +dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij +die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, +dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon: + + + Zie, hoe ongelukkig is mijn leven! + Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren, + In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde? + + Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen, + Dat ik in de borst draag, + Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was. + O mijn geliefde, o mijn eenige rust, + Die mij het hart benauwt: + Ach, zeg het mij, want anderen vragen + Durf ik het niet, en ik weet niet aan wien. + Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen, + Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal. + + Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was, + Dat mij zoo heeft ontvlamd, + Want dag noch nacht vond ik rust, + Omdat het gehoor, het gevoel, het gezicht + Met ongewone kracht + Elk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide, + Waar ik geheel in verzeng; + En geen ander dan gij kunt mij sterken + Of mij de verdwenen moed hergeven. + + Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt, + Dat ik U ooit vinden zal, + Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen. + Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel, + Wanneer gij hier zult komen, + En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen. + Het verbeiden dure kort, + Totdat gij komen zult, en het blijven lang, + Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond. + + Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten, + Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn, + Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan; + Ik zal U houden, wat er ook van kome. + En aan Uw zoeten mond + Zal ik mijn verlangen voldoen. + + Ik wil er thans niets meer van zeggen. + Kom dan spoedig, kom mij omhelzen + Daar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft. + + +Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en +bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden +scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar +minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap +jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de +koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide +zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna's en gij jongelieden, +dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij +dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin +was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen +wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van +Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij +morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er +van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren +tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome +taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, +begaven zich allen ter ruste. + + + + + + +Achtste Dag. + + _De zevende dag van de Decamerone_ eindigt; de achtste vangt + aan. Onder het bewind van Lauretta spreekt men van de streken, + welke de vrouw met den man of de man met de vrouw of de eene + man met den anderen uithaalt. + + +Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen +de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en +herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap +opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden +van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij +den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij +een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met +verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon +den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, +gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen +zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit + aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In + haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar + terugbetaalde._ + + +Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling +aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna's, daar er tot nu +toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben +uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling +den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed +was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, +dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, +evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het +zou goed zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap +te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar +moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden +heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal +toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard +is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde +hiertoe komt--ik ken de zeer groote krachten daarvan--van een niet al +te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden +Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato. + +Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo +(Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de +Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk +terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen +interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan +verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna +Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo +Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte +beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag +te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde +te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, +wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat +Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, +dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, +haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig +had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, +die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn +liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij +peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een +en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, +wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en +zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop +hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna +was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor +zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit +nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar +Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, +welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij +dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld. + +Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij +berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd +goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar +had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd +goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel er bij was +en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, +als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, +waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om +zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen +gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, +hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, +dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde +ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben +geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen +Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij +te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot +Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, +had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug +en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo +vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er +bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; +ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, +het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo +vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den +gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar +zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten. + + + + + +Tweede Vertelling. + + _De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar + zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft + dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand + liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken._ + + +De heeren zoowel als de donna's prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de +gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo +keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: +Schoone donna's. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen +gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen +kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een heiligen oorlog +[145] tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat +zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer +zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, +dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon +[146] zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun +niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun +moeders, hun zusters, hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, +waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een +dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, +waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters +niet alles gelooven moet. + +Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een +vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, +daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige +bewoordingen 's Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden +vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen +elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij +hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf +hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen +het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna +del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin +was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan +iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan +en zingen: _Het water loopt naar het ravijn_ en beter een rondedans +of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen +met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester +zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar +Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij een _Kyrie_ of een +_Sanctus_ op en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te +schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar +niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist +hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, +noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna +Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein +geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van +welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een +mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen +hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte +hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, +deed of zij het niet merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de +pastoor zijn doel niet kon bereiken. + +Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, +ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem +aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: +Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar +mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet +weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping +mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je +doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en +als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de +riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het +zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, +dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En +nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was +binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, +die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt +welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: +Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad +gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te +zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend +laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat +doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u +niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, +ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: +Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En +weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk +het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: +Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig +zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een +paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt +ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar +waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, +wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal +het gaarne doen. + +Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te +brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen +en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den +woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de +feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee +ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, +wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; +ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat +gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore zoo doet gij allen groote beloften +en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, +die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want +zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze +halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de +kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien +iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en +als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet +bereid was te doen, wat hij wilde zonder een _salvum me fac_ [147], +terwijl hij het wenschte _sine custodia_, [148] zeide: gij gelooft +dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand +dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en +zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat +hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, +die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, +dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en +ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij +weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, +zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar +geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen +had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben +onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt +nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, +terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid +van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij +van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug. + +Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de +aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, +meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw +over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug +zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over +na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden +dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar +Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken +en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore +zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de +pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, +zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij +Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed +terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar +het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij +zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore +hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, +maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand +aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust +heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw +als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets +anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, +ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf +het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer +pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit +meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen +groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan +den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, +wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, +ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw +die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer +over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den +wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, +haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang +en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met +hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de +vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een +schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Calandrino, Bruno en Buffalmacco [149] dalen in de vallei der + Mugnone [150] af om den Heliotroop [151] te zoeken. Calandrino + meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar + huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, + slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter + weten dan hij._ + + +Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna's, +evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa op, dat die +zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna's. Ik zal mijn +best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig +en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne. + +In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge +lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, +Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee +andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke +lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij +van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde +er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch +en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van +Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te +bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig +in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de +schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven +het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst +werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel +te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die +alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te +spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo +stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan +deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het +geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze +zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige +steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in +Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, +waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor +geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar +was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen +staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken +in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van +nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van +den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een +druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, +maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso +antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: +Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan +duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen +is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als +een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet +dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder. + +De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een +uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit +en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, +zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te +zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat +God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van +groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten +steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci +[152], door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het +meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de +genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er +daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de +smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te +middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten +polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, +en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde. + +De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, +van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand +gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar +waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in +de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke +kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte +en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, +deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die +steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, +zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel +hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel +van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij +was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van +Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, +ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, +kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een +betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke +dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed +lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven +om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij +dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien +in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten te gaan, +welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er +van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons +verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk +de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen +zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den +raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen +had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom +antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht +er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, +hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, +maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die +zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno +tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is +nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en +het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor +de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, +daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden +raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen +en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter +morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is +het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van +Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij +den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino +verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden +dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van +Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze +verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen. + +Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den +dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de +San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen +zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig +overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en +bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af +en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de +borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan +het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over +zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel +een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno +zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, +zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem +dichtbij zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: +Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: +het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om +te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den +Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, +zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo +dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn +geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt +gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de +steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet +zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder +iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco +dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno +antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons +niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen +morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, +dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en +raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik. + +Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te +zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de +keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een +mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem +te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op +die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San +Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden +weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze +ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier +van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich +naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de +grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door +de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus +beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, +monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap +en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen +en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer +thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino +merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte +vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: +ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van +de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren +aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen kon, +gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd +te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets +met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen +Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam +achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak +ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, +riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde +zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden +zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol +steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, +doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een +anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een +afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden +zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel +steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar +hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door +het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, +en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, +kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: +Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch +niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met +U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of +den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten +en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker +zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden +deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet +boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en +wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste +maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en +daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de +stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde +hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde +hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik +de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, +hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op +straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken +en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof +zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, +vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp +hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van +Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel +geslagen, als ik maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik +haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar +zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, +wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno +deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino +zeide en hadden zoo'n grooten lachlust, dat zij haast stikten, +maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde +slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna +er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van +de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, +op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat +geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen +of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En +na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en +vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet + bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar + dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen + door den bisschop._ + + +Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot +genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar +Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; +deze begon: Waardige donna's. Hoe de priesters, de broeders en alle +geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen +aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er +blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, +die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, +doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende. + +Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien +kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, +heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde +een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te +groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar +twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van +de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer +jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich +niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij +haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem +ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen +temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en +manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en +hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel +aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet +mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de +slimme vrouw: + +Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal +u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars +voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den +ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben +geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, +hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet +kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit +vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, +toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, +maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met +brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk +zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en +zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor +zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, +wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te +doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij +een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen +dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar +te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij +een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat +hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna +na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen +kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, +eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo +om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn +voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, +de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en +om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo +terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel +heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden +zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer +weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer +kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; +ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar +zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna +antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht +en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; +daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme +en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit +wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, +maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje +kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed +voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons +gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één +ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: +Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij +vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te +hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen. + +Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het +misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven +mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en +had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat +zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole [153] +maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef +aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd +gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza [154] genoemd. Hoewel +zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot +haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik +u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, +antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen +en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn +bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet +wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u +slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van +een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee +jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging +de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed +en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de +donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn armen en begon +haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij +begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte. + +Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de +rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit +de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun +gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte +groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met +hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met +hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te +zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot +genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden +de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, +dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, +dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De +bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, +ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar +de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich +gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor +vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen +de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de +provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost +richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, +werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde +hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, +met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, +werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op +bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden +om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de +bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De +jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, +prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het +bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals +hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf +op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen +beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder +door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met +Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek +van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden +provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, + terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit._ + + +Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen +geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u +is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat +hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna's. De jongeling, waarvan +Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert +mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel +er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin +zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen. + +Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls +Marcezaansche schouten [155], die gewoonlijk menschen met weinig +gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, +dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en +hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, +die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een +touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als +baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van +San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en +die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar +er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken +hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en +keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde +vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl +hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen +in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, +aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat +was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn +beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid +open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, +ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi +en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: +Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het gerechtshof, +waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging +met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek. + +Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter +bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, +zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat +de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat +men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot +zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want +dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk +was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof +vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de +bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten +zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem +bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, +deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid +u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, +weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij +van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen +maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen +kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een +bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op +te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en +praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En +als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, +die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, +die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen +hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet +uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de +rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, +stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig +het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel +de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde +iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer +bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi +aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt +mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke +kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente. + +En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, +dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek +afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben +vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder +te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, +zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, +die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug +komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als +zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken +in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker +werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd +hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, +zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te +Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer +zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, +maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, +dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners +wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon +krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter +te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Bruno en Buffalmacco stelen van Calandrino een zwijn. Zij + geven hem hoop het weer te vinden met gemberpillen en witten + wijn en geven hem er twee van, als die voor de honden in + aloë gekonfijt en het schijnt hem, dat hij het zelf heeft + geroofd. Zij laten hem er voor betalen, indien hij niet wil, + dat zij het aan zijn vrouw zeggen._ + + +De novelle van Filostrato, waarover zeer werd gelachen, was nog niet +uit of de koningin beval aan Filomene, dat zij zou volgen, die aldus +begon: Genadige donna's. Daar Filostrato door den naam Maso er toe +werd aangetrokken de geschiedenis te vertellen, die gij hebt gehoord, +zoo ben ik er toe geneigd door die van Calandrino en zijn metgezellen +U een andere van hen te vertellen, die, naar ik geloof, U zal behagen. + +Het is niet noodig, dat ik U zeg, wie Calandrino, Bruno en Buffalmacco +waren, omdat gij daarvan genoeg hebt gehoord en daarom zeg ik alleen, +dat Calandrino een klein buiten had niet ver van Florence, dat hij +van zijn vrouw als bruidschat ontvangen had. Onder de inkomsten, +die hij daaruit trok, kreeg hij elk jaar een varken. Het was zijn +gewoonte in December met zijn vrouw daar heen te gaan en het varken +te slachten en in te zouten. + +Calandrino ging eens, toen zijn vrouw alleen was, alleen het zwijn +slachten. Toen Bruno en Buffalmacco wisten, dat zijn vrouw niet mee +ging, begaven zij zich naar een priester, een zeer goed vriend van +hem, een buurman van Calandrino om een dag of wat bij hem door te +brengen. Calandrino had den morgen, toen zij aankwamen, het varken +gedood. Toen hij ze bij den pastoor zag, riep hij ze en sprak: Wees +welkom en ziet, hoe goed ik het huishouden kan waarnemen. Na ze in +huis te hebben geleid, toonde hij hun het varken. Zij zagen, dat het +zeer mooi was en hoorden van hem, dat hij het voor zijn huishouden +wilde inzouten. Bruno sprak: Wel, wat zijt gij dom! Verkoop het +en laat ons van het geld plezier hebben en zeg aan Uw vrouw, dat +men het gestolen heeft. Calandrino antwoordde: Neen, dat gelooft ze +niet en ze zou mij het huis uitjagen; dat doe ik nooit. Zij praatten +genoeg, maar het hielp niets. Calandrino noodigde hen gulweg tot het +avondmaal uit; zij gingen evenwel weg. Bruno zeide tot Buffalmacco: +Willen wij vannacht dat varken van hem stelen? Buffalmacco antwoordde: +Och, hoe zullen wij dat kunnen? Bruno sprak: Hoe, dat weet ik wel, +als hij hier maar niet weggaat. Buffalmacco zeide: Laten wij het dan +doen? En later zullen we er met den pastoor plezier van hebben. De +pastoor zeide, dat het hem zeer beviel. Toen sprak Bruno: Men moet +hier een weinig listig te werk gaan; gij weet, Buffalmacco, hoe gierig +Calandrino is en hoe hij gaarne drinkt, als een ander betaalt. Laat hem +naar een taveerne brengen en daar zal de pastoor doen, of hij alles +betaalt om ons en hem eer te bewijzen. Hij zal zich dronken drinken +en dan zullen wij onze kans waarnemen, omdat hij alleen thuis is. Zoo +gezegd, zoo gedaan. Calandrino, die zag, dat de priester betaalde, +begon duchtig te drinken en hoewel hij er niet veel van noodig had, +nam hij er toch een goede lading van in en daar het al laat was, toen +hij de taveerne verliet, trad hij binnen zonder te eten, geloofde de +deur gesloten te hebben, liet die open en ging naar bed. + +Buffalmacco en Bruno gingen met den priester avondmalen en daarna +namen zij zekere gereedschappen mede om heimelijk in het huis van +Calandrino binnen te dringen, waar Bruno het had aangewezen. Toen zij +de deur open vonden, haakten zij het varken af, droegen dit naar het +huis van den pastoor, en gingen slapen. Calandrino, dien de wijn uit +het hoofd was gegaan, stond 's ochtends op en toen hij beneden was, +keek hij, zag het varken niet en de deur open. Daarom vroeg hij aan +iedereen of ze het varken gezien hadden en toen hij het niet vond, +schreeuwde hij: Wee mij, ongelukkige! Bruno en Buffalmacco stonden +op en gingen naar Calandrino om te hooren, wat hij van het varken zou +zeggen. Zoodra hij hen zag, zeide hij klagend: Wee mij, mijn vrienden, +het varken is mij ontroofd. Bruno sprak zachtjes: Het is een wonder, +dat gij één keer wijs zijt geweest. Wee mij, riep Calandrino, want +wat ik zeg, is waar. Vertel dit maar, sprak Bruno, en schreeuw het +zoo hard, dat het schijnt, dat het zoo is gebeurd. Calandrino klaagde +toen nog harder en zeide: Bij het Lichaam van God, ik zeg de waarheid, +en Bruno hernam: Zeg dat maar en indien gij het zoo wilt vertellen, +schreeuw dan hard en doe denken, dat het waar is. Calandrino sprak: +Gij zult mij aan den duivel overleveren. Gij gelooft mij toch niet; ik +zal opgeknoopt worden, als het niet geroofd is. Toen sprak Bruno; Kijk, +hoe is dat mogelijk! Ik zag het nog gisteren. Meent gij mij te kunnen +wijs maken, dat het gestolen is? Calandrino sprak: Het is, zooals ik +u zeg. Hè, hernam Bruno, hoe kan dat zijn! Zeker, zeide Calandrino, +zoo is het, en ik weet niet, hoe ik naar huis zal komen. Mijn vrouw +zal mij niet gelooven en als zij het toch doet, zal ik het heele jaar +geen vrede meer met haar hebben. Toen sprak Bruno: God beware mij, +het is leelijk genoeg, maar gij weet, Calandrino: ik raadde u gisteren +aan aldus te spreken en ik zou niet willen, dat gij tegelijkertijd uw +vrouw en ons voor den mal houdt. Calandrino begon te schreeuwen: Wel, +waarom maakt gij mij wanhopig en doet mij God en de heiligen en al, wat +er is, lasteren. Ik zeg u, dat het varken vannacht van mij gestolen is. + +Toen sprak Buffalmacco: Als het toch zoo is, moeten wij een middel zien +te vinden om het terug te hebben. En welk middel, sprak Calandrino, +is er dan? Buffalmacco hernam: Er is zeker niemand uit Indië gekomen +om het varken van u te stelen; het moet dus een van uw buren geweest +zijn en als gij die bijeenroept, zal ik de brood- en kaas-proef nemen +en wij zullen dadelijk zien, wie het gestolen heeft. Ja, sprak Bruno, +gij zult wel de proef kunnen doen, want een uit den omtrek moet +het gestolen hebben, maar men zal het gewaar worden en niet hier +komen. Hoe moeten wij dan doen? sprak Buffalmacco. Bruno antwoordde: +We moeten ze uitnoodigen en goeden, witten wijn met gemberpillen +te drinken geven. Ze zullen er dan niet aan denken en aldus zullen +wij de gemberpillen kunnnen zegenen zoo goed als het brood en de +kaas. Buffalmacco zeide: Dat is goed en gij, Calandrino, wat zegt gij +er van? Wat zullen wij doen? Calandrino sprak: Ik bid U er om bij de +liefde tot God. Want als ik wist, wie het gestolen heeft, zou ik al +half getroost zijn. Goed, hernam Bruno, ik ben bereid daarvoor naar +Florence te gaan, indien gij mij geld geeft. Calandrino had misschien +veertig stuivers, welke hij hem gaf. Bruno, die naar een intiemen +vriend te Florence ging, kocht een pond flinke gemberpillen en liet +er twee van het soort voor honden maken, die hij in deeg van aloë liet +doen. Hij liet ze vervolgens in suiker rollen evenals de anderen en om +ze niet te verwarren gaf hij ze een merk. Hij kocht een flesch goeden +witten wijn, keerde in het dorp naar Calandrino terug en zeide: Gij +moet morgen degenen bij U te drinken vragen, tegen wien gij argwaan +hebt; het lijkt dan een feest; iedereen zal gaarne komen en ik zal +vannacht met Buffalmacco de bezwering over de pillen uitspreken en uit +vriendschap voor U zal ik zelf alles uitvoeren. Calandrino deed dit. + +Toen hij een heel gezelschap van florentijnsche jongelieden en van +boerenarbeiders had verzameld, ging hij den volgenden morgen voor +de kerk bij den olm staan, en kwamen Bruno en Buffalmacco daar met +een schotel pillen en met den wijn en na ze in een kring geplaatst +te hebben, zeide Brano: Heeren, ik moet U de reden zeggen, waarom +gij hier zijt, opdat, als er iets onaangenaams voorvalt, gij U niet +zult beklagen. Aan Calandrino werd gisteren een mooi varken ontstolen +en men weet niet, wie het heeft gedaan en daar een van ons het moet +hebben weggenomen, geeft hij om dien te ontdekken U deze pillen en +dezen wijn. Wie het varken stal, zal de pil niet opeten, maar die zal +hem bitterder smaken dan venijn. Hij zal haar uitspuwen en opdat die +schande hem in tegenwoordigheid van zoovelen zal aangedaan worden, +is het daarom misschien beter, dat diegene het boetvaardig aan den +pastoor zegt. Elk van hen zeide, dat hij gaarne de pil wou slikken; +daarom, nadat Bruno Calandrino tusschen hen geplaatst had en hij bij +een der uiteinden van den kring aanving, gaf hij er ieder een. Toen +hij tegenover Calandrino stond, nam hij een der hondenpillen en gaf +hem die. Calandrino deed die snel in zijn mond en begon te kauwen, +maar zoodra zijn tong de aloë proefde, die de bitterheid niet kon +verdragen, spuwde hij die uit. Zij keken elkaar aan om te zien, wie de +zijne zou uitspuwen en daar Bruno nog niet klaar was met het uitdeelen +en deed of hij er niet op lette, hoorde hij achter zich zeggen: He, +Calandrino wat is dat? Hij keerde zich snel om, zag, dat Calandrino de +zijne had uitgespuwd en zeide: Wacht, misschien deed een andere reden +hem die uitspuwen; neem een andere en nadat hij de tweede genomen had, +stopte hij hem die in den mond en gaf de tweede rond, die hij nog had. + +Zoo de eerste aan Calandrino bitter leek, scheen de tweede nog +bitterder, maar toch schaamde hij zich die uit te spuwen. Hij hield +haar kauwend in den mond hoewel met tranen in de oogen, daar het hem +zeer pijnlijk scheen. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden, en +spuwde die ook uit. Buffalmacco liet het aan het gezelschap en Bruno +drinken; dezen, die dit met de anderen te samen merkten, zeiden, dat +Calandrino het zeker zelf had gestolen en er waren er onder, die hem +dit hevig verweten. Maar toen Bruno en Buffalmacco met Calandrino waren +achter gebleven, zeiden zij tot hem: Wij waren er wel zeker van, dat +gij het zelf hebt gedaan en dat gij ons hebt willen wijs maken, dat het +u ontstolen was om geen rondje te geven van het geld, dat gij daaruit +geslagen hebt. Calandrino, die de bitterheid van de aloë nog niet had +uitgespuwd, begon te zweren, dat hij het niet had gedaan. Buffalmacco +zeide: Maar wat hebt gij er voor gehad, grappenmaker, te goeder +trouw? Hebt gij er zes florijnen aan verdiend? Calandrino, die dit +hoorde, begon te wanhopen. Hierop sprak Bruno: Hoor, Calandrino, +in het gezelschap was er iemand, die zeide, dat gij hier een jonge +vrouw tot uw beschikking hield en haar alles geeft en dat hij vast +geloofde, dat gij dien het varken gestuurd hebt; gij kunt anderen +goed misleiden. Gij hebt ons eens naar de Mugnone gebracht om zwarte +steenen te verzamelen en toen gij ons op de galei hebt gezet zonder +scheepsbeschuit, zijt gij er vandaan gegaan. Met uwe eeden gelooft +gij op een andere manier ons wijs te maken, dat het varken, hetwelk +gij hebt weggeschonken of verkocht hebt, u is ontstolen. Wij kennen +nu uw grappen en gij zult ze ons niet meer leveren en daarom, om u +de waarheid te zeggen, hebben wij die proefneming gedaan, daar wij +wenschen, dat gij ons twee paar kippen geeft of wij vertellen alles +aan monna Tessa. Calandrino, die zag, dat het niet werd geloofd en +genoeg leed had, wilde niet den naijver van zijn vrouw op den koop +toe hebben en gaf hun twee paar kippen. Toen zij het varken hadden +gezouten, droegen zij het naar Florence en lieten Calandrino met de +schade en misleid achter. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Een student bemint een weduwe, welke op een ander verliefd, + hem een geheelen winternacht in de sneeuw laat wachten. Hij + laat haar door zijn toeleg daarna in het midden van Juli + naakt op een toren blijven, blootgesteld aan de muggen en de + paardenvliegen en aan de zon._ [156] + + +De donna's moesten erg lachen om dat ongeluk van Calandrino en zij +zouden dit nog meer hebben gedaan, als het hen niet gespeten had, +dat hem bovendien nog de kapoenen werden afgenomen. Bij het einde +gelastte de koningin Pampinea te vertellen en zij begon aldus: Zeer +geliefde donna's. Het gebeurt heel dikwijls, dat list met list wordt +overwonnen en daarom is het niet verstandig zich er in te verheugen +anderen te misleiden. Wij hebben bij vele geschiedenissen over de +uitgehaalde streken gelachen, maar nooit werd daarin gesproken van +wraakoefening. Nu ben ik van plan met medelijden te spreken over +een rechtvaardige boete, waarin een onzer burgeressen een grap haast +met den dood moest betalen, daar deze zelf misleid werd en de list +zich tegen haar keerde. Dat te hooren zal voor u van groot nut zijn, +omdat gij u wel zult hoeden anderen te misleiden en voorzichtigheid +te betrachten. + +Kort geleden leefde er in Florence een jonge vrouw, schoon van lichaam +en trotsch van ziel, van zeer edele geboorte, bekoorlijk en begiftigd +met de goederen der fortuin, Elena genaamd. Zij bleef als weduwe achter +en wilde niet hertrouwen, daar zij op een schoonen en naar haar keus +aardigen jonkman verliefd was. Van elke zorg bevrijd verheugde zij +zich met behulp van haar meid, waarin zij veel vertrouwen stelde, +verscheidene malen met hem. Intusschen keerde een edele jonkman, +Rinieri, uit onze stad, die lang te Parijs had gestudeerd, vandaar +terug, niet om zijn wetenschap voor geld weer te verkoopen, gelijk +velen doen, maar om de reden en de oorzaak der dingen te doorgronden, +wat een edelman ten zeerste past. Hij leefde als burger en zeer geëerd +om zijn adel en om zijn geleerdheid. Maar zooals dikwijls plaats heeft, +dat zij, die de meeste kennis hebben, zich het lichtst door de liefde +laten verdwazen, geschiedde dit met Rinieri. Toen hij tot ontspanning +naar een feest was gegaan, verscheen daar Elena voor zijn oogen, in +het zwart gekleed, gelijk onze weduwen loopen, naar zijn oordeel zoo +schoon en bekoorlijk, als hij er nog nooit een scheen gezien te hebben +en hij meende, dat hij zich gelukkig mocht noemen, aan wien God de +gunst schonk haar naakt in de armen te sluiten. Hij zag haar dikwijls +aan en daar hij wist, dat groote en dure dingen niet zonder moeite te +verkrijgen zijn, besloot hij alles aan te wenden om haar te behagen, +opdat hij daardoor haar liefde zou veroveren en ten volle genieten. De +jeugdige donna, die de oogen niet steeds naar de hel hield gericht +[157] maar die, zich hooger achtend dan zij was, ze gekunsteld deed +rondstaren, merkte spoedig genoeg op, wie in haar behagen schepte. Toen +zij Rinieri gewaar werd, sprak zij lachend in zichzelf: + +Ik ben hier heden niet vergeefs gekomen, want als ik mij niet vergis, +zal ik een haantje bij den snavel hebben genomen. Zij begon hem te +begluren en deed haar best hem te toonen, dat zij op hem gesteld +was. Want zij dacht, dat hoe meer zij hem inpakte en behagen in hem +toonde, hoe meer haar schoonheid op prijs zou worden gesteld. De +geleerde student, die de wijsgeerige gedachten terzijde had gesteld, +richtte zijn gansche ziel tot haar meenend, dat hij haar bekoorde. Hij +wist er verschillende redenen voor te vinden haar huis voorbij te +gaan. De donna door de al genoemde oorzaak was er zoodoende zeer +trotsch op en liet blijken, dat zij hem gaarne zag. De student vond +aldus een middel zich met haar dienstmeid te verstaan, openbaarde +haar zijn liefde en bad haar, dat zij zoo zou te werk gaan, dat hij +de gunst der donna zou verwerven. De meid beloofde dit, vertelde +het haar donna, die haar met het grootste gelach aanhoorde en zeide: +Ziet, waar die zijn verstand ging verliezen, dat hij van Parijs heeft +meegebracht! Laten wij hem geven, wat hij zoekt en gij moet hem zeggen, +dat ik hem veel meer bemin dan hij mij, maar dat het mij past mijn +eerbaarheid te bewaren, zoodat ik niet als de andere donna's met +ontbloot gelaat kan loopen en hij zal, als hij zoo wijs is, als hij +zegt, mij zeer op prijs stellen. O die ongelukkige! Zij wist niet +goed, mijn donna's, hoe gevaarlijk het is zich met de studenten in +verbinding te stellen. + +De meid vond hem, en zeide, wat de donna haar had gelast. De student +richtte verheugd warmer smeekbeden tot haar en schreef brieven, +zond geschenken en dat alles werd goed ontvangen, maar hij kreeg +slechts een vaag antwoord en zoo hield zij hem langen tijd aan het +lijntje. Toen zij ten slotte alles aan haar minnaar had bekend, die +er een weinig boos en jaloersch over was, zond de donna om te toonen, +dat zijn wantrouwen ongegrond was, haar meid naar den student, die +het haar zeer lastig maakte en berichtte uit haar naam, dat zij nooit +gelegenheid had gehad zijn verlangen te bevredigen, sinds hij haar van +zijn liefde had verzekerd, maar dat hij den volgenden avond--het was +Kerstfeest--als het donker was, op haar binnenplaats zou komen en dat +zij dan, zoo gauw zij kon, naar hem toe zou komen. De student meer dan +welgemoed ging op den vastgestelden tijd naar het huis van de donna +en werd door de meid op de binnenplaats gelaten; zij sloot die en hij +wachtte de donna af. De donna had dien avond haar minnaar laten komen +om aangenaam met hem te vertoeven, vertelde hem, wat zij van plan was +te doen en voegde er bij: Nu kunt gij zien, hoe groot de liefde is, +die ik hem toedraag, op wien gij dwaas jaloersch zijt geworden. De +minnaar hoorde die woorden met groot genoegen aan verlangend te zien +door daden, wat de donna hem met woorden te verstaan gaf. Het had +juist dien dag sterk gesneeuwd en alles was blank, zoodat de student +nog pas kort op de binnenplaats zich kouder begon te gevoelen dan hem +lief was maar in afwachting, dat hij zich zou herstellen, hield hij +dit geduldig uit. De donna sprak na eenigen tijd tot haar minnaar: +Laat ons in de kamer gaan om uit een venster te zien, wat hij doet +op wien gij zoo jaloersch geworden zijt en wat hij aan de dienstmeid +zal antwoorden. Beide gingen dus naar een klein venster en toeziende +zonder zelf gezien te worden, hoorden zij de meid uit een ander tot +den student spreken en zeggen: Rinieri, mevrouw is de bedroefdste donna +van de wereld; vanavond is een van haar broeders gekomen en heeft druk +met haar gesproken; daarna wilde hij met haar avondmalen en is nog +niet weggegaan. Maar ik geloof, dat hij spoedig zal heengaan. Zij kan +natuurlijk niet komen; zij zal het zoo vlug zij kan doen en zij bidt, +dat het U niet hindert te blijven wachten. De student, die geloofde, +dat dit waar was, antwoordde: Gij moet aan mijn donna zeggen, dat zij +zich over mij niet bezorgd maakt, voordat zij op haar gemak bij mij +kan komen, maar dat zij dit zoo spoedig doet, als zij kan. De meid +begaf zich naar binnen en ging slapen. + +Toen sprak de donna tot haar minnaar: Welnu, wat zegt ge? Gelooft gij, +dat, ik als ik wilde, wat gij vreest, zou dulden, dat hij daar beneden +bleef om te bevriezen? Na die woorden ging zij met haar minnaar, +die al ten deele tevreden was, naar bed. Zij vierden samen feest, +smaakten genoegen, lachten om den ongelukkigen student en maakten +er grappen op. De student, die door den binnenhof op en neer ging, +maakte bewegingen om zich te verwarmen, maar had niets om te gaan +zitten of om zich te beveiligen tegen den ijzel en vervloekte het +lang vertoeven van den broeder en bij elk geluid, dat hij hoorde, +geloofde hij, dat het de donna was, die hem zou opendoen; maar hij +hoopte tevergeefs. Zij, die zich tot op de helft van den nacht met +haar minnaar had verheugd, zeide tot hem: Hoe lijkt het je, mijn +ziel, met onzen student? Wat schijnt U grooter zijn verstand of de +liefde, die ik U toedraag? Zal de koude, die ik hem heb doen lijden, +U dat uit het hart doen gaan, wat er door mijn woorden eergisteren +in is gekomen! De minnaar antwoordde: Hartedief, ja, ik erken nu, +hoe gij mijn schat zijt, mijn rust, mijn vreugde en al mijn hoop, +gelijk ik de Uwe ben. En de donna sprak: Kus mij duizendmaal om +te zien of gij de waarheid zegt. De minnaar omhelsde haar daarna +innig en kuste haar geen duizend, maar wel honderdduizend keer. En +toen zij zoo eenigen tijd gesproken hadden, zeide de donna: Kom, +laat ons een weinig opstaan en laat ons gaan kijken of het vuur al +wat gebluscht is, waarvan mijn nieuwe minnaar schreef, dat hij den +ganschen dag brandde. En opgestaan gingen zij naar het venster en +keken op de binnenplaats, waar zij den student met korte passen, +terwijl zijn tanden klapperden, door de sneeuw zagen loopen, wat +bij hem door te veel koude veroorzaakt werd, en zoo voortdurend en +snel, dat zij nog nooit iets dergelijks gezien hadden. Toen sprak +de donna: Wat zegt gij nu, mijn zoete hoop? Schijnt het U, dat ik +de mannen kan laten dansen zonder trompet of doedelzak. De minnaar +sprak hierop lachend: Ja, mijn heerlijk genoegen. De donna hernam: +Ik wil, dat wij beneden naar de deur gaan, gij zult U stil houden, +ik zal met hem spreken en wij zullen hooren, wat hij zeggen zal en +wij zullen misschien niet minder pleizier hebben dan straks door hem +te zien. Zij maakte de kamer zachtjes open, daalde af tot de deur en +daar zonder die te openen riep de donna hem met gedempte stem door +een gat, dat zij er was. De student, die roepen hoorde, prees God en +geloofde al te licht binnen te mogen komen en deur genaderd sprak hij: +Hier ben ik, madonna; bij God, doe open, want ik sterf van koude. De +donna sprak: O ja, ik weet, dat gij een koukleum zijt en de koude is +ook zeer groot, omdat er wat sneeuw is gevallen. Ik weet ook, dat dit +veel erger gebeurt te Parijs. Ik kan U nog niet open doen, omdat die +verwenschte broeder van mij, die gisteravond hier bij mij kwam, nog +niet vertrekt, maar hij zal spoedig gaan en dan zal ik U dadelijk open +doen. Ik ben pas met groote moeite hem ontvlucht om U te bemoedigen, +dat het wachten U niet zal hinderen. De student sprak: Och madonna, ik +bid U bij God, dat gij mij open zult doen, opdat ik gedekt kan staan; +er is sinds kort hier de dichtste sneeuw van de wereld gevallen en ik +zal op U wachten, tot het U aangenaam zal zijn. De donna zeide: Wee +mij, mijn zoetelief, ik kan niet, want die deur maakt zoo'n leven, als +zij opengaat, dat gij allicht bemerkt zult worden door mijn broeder, +als ik U open doe. Maar ik zal hem zeggen, dat hij weg gaat, opdat ik +daarna kan terugkeeren om U te openen. De student hernam: Ga dan vlug, +en ik smeek U een goed vuur aan te leggen, opdat ik, als ik binnen +zal komen, mij kan verwarmen, daar ik zoo koud ben geworden, dat ik +mij zelf ternauwernood gevoel. De donna sprak: Dat kan niet zoo wezen; +als het waar is, wat gij mij meermalen hebt geschreven, dat gij geheel +van liefde brandt. Maar ik ga nu weg, wacht en houdt goeden moed. De +minnaar, die dit alles hoorde en het grootste genoegen had, ging met +haar weer naar bed, maar zij sliepen weinig dien nacht; daarentegen +brachten zij dien geheel door met hun genoegen en in het bespotten +van den student. De ongelukkige student (die wel een ooievaar geleek, +zoo klapperde hij met de tanden) bemerkte, dat hij voor den gek was +gehouden en beproefde verschillende malen of hij de deur kon openen, +maar toen hij geen middel zag en als een leeuw in de kooi rondliep, +vervloekte hij de ruwheid van het weer, de boosaardigheid van de donna, +de lengte van den nacht en zijn onnoozelheid er bij en zeer verwoed +op haar veranderde de langdurige en vurige liefde, die hij haar had +toegedragen in wreeden en bitteren haat en bedacht hij zich te kunnen +wreken, wat hij nu evenveel meer verlangde, als hij de donna eerst +had begeerd. + +De nacht na een zoodanig en lang verblijf spoedde ten einde en +de dageraad begon op te komen. Daarom ging de dienstmeid op bevel +van de donna naar beneden, opende die half en medelijden met hem +voorgevend, sprak zij: Dat hij, die gisteravond gekomen is, een ongeluk +krijgt. Hij heeft ons den geheelen nacht in wanorde gebracht en U doen +bevriezen. Maar weet gij wat? Draag het in vrede, want wat deze nacht +niet heeft kunnen wezen, zal een andere keer gebeuren, daar het niet +kon geschieden, wat zoo aangenaam is voor mevrouw. De verwoede student, +die als verstandig man wist, dat bedreigingen slechts wapenen voor +den bedreigde zouden zijn, verkropte, wat de onbeteugelde wil wenschte +uit te storten en met zachte stem zonder zich kwaad te toonen, zeide +hij: Ik heb werkelijk den ergsten nacht van mijn leven doorgebracht, +maar ik heb wel gezien, dat de donna er geen schuld aan heeft, omdat +zij uit medelijden naar beneden kwam om zich te verontschuldigen en +mij te troosten en gelijk gij zegt, wat deze nacht niet gebeurd is, +komt een andere keer; beveel mij haar aan en ga met God. + +Zoo goed als geheel verstijfd, ging hij, zoo gauw hij kon, naar huis; +daar, vermoeid en stervend van slaap, wierp hij zich te bed om te +rusten, en hij stond op of hij zijn armen en zijn beenen verloren +had. Daarom zond hij om een dokter, vertelde hem van de koude, die hij +doorleden had en liet hem voor zijn gezondheid zorgen. De dokter, die +sterke en snel werkende middelen gebruikt had, kon hem ternauwernood na +korten tijd de spieren genezen en maken, dat die zich zouden ontspannen +en als hij geen jongeling geweest was en er geen warmte gevolgd was, +zou hij veel te lijden gehad hebben. Maar toen hij weer sterk en flink +was, verborg hij zijn haat en toonde zich meer dan ooit op zijn weduwe +verliefd. Nu gaf de fortuin na een zeker verloop van tijd den student +een gelegenheid om zijn verlangen te voldoen, omdat de jongeling, die +door de weduwe bemind werd, (en die niet meer lette op de liefde, die +zij hem toedroeg) op een andere donna verliefd werd en daar hij noch +veel noch weinig wilde zeggen, noch in iets haar aangenaam wilde zijn, +verging zij in tranen en in bitterheid. Maar haar meid, die zeer veel +medelijden met haar had en geen middel vond om haar donna te troosten +over de smart, die zij wegens den verloren minnaar voelde, zag den +student op zijn gewone wijze door de straat gaan, kwam op een dwaze +gedachte namelijk, dat de minnaar van haar donna door zwarte kunst +haar opnieuw als vroeger zou liefhebben en dat de student hierin een +groot meester was en zij vertelde haar dit. De donna dom, zonder te +denken, dat, als de student de zwarte kunst had gekend, hij die voor +zich gebruikt zou hebben, richtte haar geest naar die woorden en zeide +haar meid, dat zij van hem zou te weten komen of hij dat wilde doen en +beloofde stellig, dat zij om de verdienste daarvan voor haar zou doen, +wat haar mocht behagen. De meid deed de boodschap goed en met ijver, +en toen de student dit hoorde, zeide hij verheugd in zich zelf: God, +wees geloofd; de tijd is gekomen, dat ik met Uw hulp de booze vrouw +zal doen boeten voor de beleediging mij aangedaan. En tot de meid +zeide hij: Zeg, aan mijn donna, dat, zoo haar minnaar in Indië was, +ik die spoedig zou doen komen en genade laten vragen voor wat hij +tegen haar mocht gedaan hebben, maar wat het middel betreft, dat zal +ik haar zeggen, wanneer en waar het haar zal behagen. + +De meid bracht het antwoord over en regelde het zoo, dat zij samen +kwamen in Santa Lucia del Prato. Toen de donna met de student alleen +was en zij samen spraken, herinnerde zij zich niet, dat zij hem haast +vermoord had, vertelde hem alles, wat zij verlangde en smeekte hem +om haar geluk. De student sprak tot haar: Madonna, het is waar, dat +onder de dingen, die ik te Parijs leerde, de zwarte kunst behoort, +die ik grondig ken, maar omdat die Gode zeer ongevallig is, heb ik +gezworen die nooit voor mij noch voor anderen aan te wenden. Het is +waar, dat mijn liefde voor u zoo sterk is, dat ik u niets kan weigeren +en als ik naar het huis van den duivel moet gaan, ben ik om u bereid +dit te doen. Maar ik herinner u er aan, dat dit een gevaarlijker zaak +is dan gij denkt, wanneer een vrouw een man of een man een vrouw, +haar of hem er weer toe brengt hem of haar lief te hebben zonder +wederliefde en dat de ander zeker van zich zelf moet zijn, daar het +bij nacht moet gebeuren en op eenzame plaatsen, waartoe ik niet weet +of gij wel bereid zijt. Hierop antwoordde de donna meer verliefd dan +verstandig: Amor prikkelt mij zoo, dat ik alles zou doen om hem terug +te hebben, die mij ten onrechte verliet, maar in ieder geval zeg mij, +welken moed ik moet hebben. + +De student, die kwaad gezind was, sprak: Madonna, ik moet een beeld van +tin van hem hebben om hem te heroveren; wanneer ik u dit terugzend, +moet gij, als de maan zeer afneemt, naakt in een beek van stroomend +water gaan in den tijd van den eersten slaap en geheel alleen en zeven +maal moet gij dit met u baden en daarna naakt moet gij op een boom +klimmen of op een onbewoond huis en naar het noorden gewend moet gij +zekere woorden uitspreken, die ik u geschreven zal geven. Zoodra gij +die gezegd hebt, zullen twee der schoonste jonge dames tot u komen. Zij +zullen u groeten en bekoorlijk vragen, wat gij wilt. Aan hen zult gij +al uw wenschen mededeelen en pas er voor op, dat gij niet den eenen +in plaats van den anderen naam noemt. Zoodra gij die gezegd hebt, +zullen zij heengaan en gij zult neerdalen naar de plaats, waar gij +uw kleeren hebt gelaten, u aankleeden en naar huis terug keeren. En +voorzeker, het zal niet de helft van den volgenden nacht worden of +uw minnaar zal klagend hier komen om genade en dan zal hij u nooit om +een andere vrouw verlaten. De donna, die hem vertrouwde, scheen haar +minnaar al opnieuw in de armen te hebben en zei al half gelukkig: +Ik twijfel er niet aan, of ik zal alles goed volbrengen en ik ben +er geheel toe bereid, want ik heb een buiten boven den Val d'Arno, +dat dicht genoeg bij den oever van de rivier is en het is juist Juli, +wat voor het baden aangenaam zal zijn. En ik herinner mij, dat daar +niet ver vandaan een eenzame toren is, waar soms de herders langs de +treden van kastanjehout op een terras komen om naar hun verdwaalde +beesten uit te zien, een zeer eenzame plek; daar zal ik opklimmen en +hoop te doen, wat gij mij hebt bevolen. + +De student, die het buiten en den toren kende en blij was zeker van +haar voornemen te zijn, sprak: Madonna, ik was nooit in dien omtrek, +en ik ken daarom noch het buiten noch den toren, maar als dat is, +gelijk gij zegt, kan het niet beter. Als het tijd is zal ik u het +beeld en de tooverspreuk zenden en ik zal u goed hebben gediend, +zoodat gij aan mij zult denken en uw belofte aan mij zult houden. De +donna zeide, dat zij dit zonder twijfel zou doen en nadat zij van hem +afscheid had genomen, ging zij naar huis terug. De student verheugd, +dat, wat hij overlegd had, zou slagen, maakte een beeld en schreef een +verzinsel van tooverwoorden als bezwering, zond die aan de donna en +liet haar berichten, dat zij den volgenden nacht zonder verwijl zou +doen, wat hij gezegd had. Daarna ging hij met een van zijn bedienden +naar het huis van een zijner vrienden, dat dicht bij den toren was +om zijn plan ten uitvoer te brengen. Ook de donna begaf zich met +haar meid naar haar buiten en toen de nacht was gekomen en zij deed +of ze naar bed ging, zond zij de meid ter ruste en in het uur van +den eersten slaap, stil uit het huis gegaan, begaf zij zich in de +buurt van den toren naar den oever van de Arno. Nadat zij goed had +rond gekeken, niemand zag of hoorde, ontkleedde zij zich, legde haar +goed onder een struik, baadde zich zevenmaal met het beeld en daarop +naakt, met het beeld in de hand, ging zij naar den toren. De student, +die bij het aanbreken van den nacht met zijn knecht tusschen wilgen +en andere boomen bij den toren verborgen was en alles zag, had toch +medelijden, toen zij geheel naakt voorbij ging en haar aanschouwde, +die met de blankheid van haar lichaam de duisternis van den nacht +overwon en toen hij naderbij de borst en de onderdeelen van haar +gestalte gewaar werd en zoo schoon vond en bedacht, wat daar mee zou +gebeuren. Van den anderen kant overviel hem opeens de prikkeling van +het vleesch, die hem deed oprijzen en hem dreef uit zijn schuilhoek +te gaan, haar te nemen, zijn begeerte te bevredigen en hij was bijna +door zijn gevoelens overwonnen. Maar toen hij zich herinnerde wie hij +was en de ontvangen beleediging en waarvoor en door wie, ontvlamde zijn +toorn weer, verjoeg hij het medelijden en de vleeschelijke begeerte en +liet haar gaan. De donna, die op den toren was geklommen en zich naar +het noorden had gekeerd, sprak de opgegeven woorden uit. De student +klom kort daarop heimelijk in den toren, nam zachtjes den ladder weg, +waarmee de donna op het terras was gekomen en wachtte. De donna begon +nu de twee jonge meisjes af te wachten en bleef zoo lang, (zonder +dat de koelte van den nacht haar langer scheen) tot ze de dageraad +zag aanbreken. Bedroefd, omdat niet gebeurd was, wat de student haar +had gezegd, sprak zij tot zich zelf: Ik vrees, dat die mij een nacht +heeft willen bezorgen als ik aan hem, maar als hij dit heeft gewild, +heeft hij zich slecht weten te wreken, want die duurt slechts het derde +van den zijne, terwijl de koelte van een ander soort was. En opdat +de dag haar daar niet zou vinden, wilde zij van den toren afdalen, +maar vond er den ladder niet. Toen, alsof de wereld haar onder de +voeten was weggerukt, viel zij bewusteloos op het terras van den +toren neer. Nadat haar krachten terugkeerden, begon zij ellendig +te weenen en te klagen en nu zij begreep, dat dit de toeleg van den +student was geweest, herinnerde zij zich een ander beleedigd te hebben +en hem daarna te veel te hebben vertrouwd, dien zij zeker als haar +vijand had moeten beschouwen en zoo bleef zij daar langen tijd. Toen +rondziende of er een weg was om af te dalen, dien zij niet vond, +begon zij opnieuw te klagen en zeide tot zichzelf: O ongelukkige, wat +zullen Uw broeders, en familie en buren en alle Florentijnen zeggen, +wanneer men weet, dat gij hier naakt gevonden zijt? Uw eerbaarheid, +tot hiertoe standvastig, zal men kennen als valsch en als gij hiervoor +leugenachtige verontschuldigingen wilt zoeken, die er toch niet zijn, +zal de vervloekte student U niet laten liegen. Ach ongelukkige, die +gij zijt, die op hetzelfde oogenblik den vergeefs beminden jonkman +en Uw eer hebt verloren. Zij werd zoo bedroefd, dat zij zich van +den toren wou werpen. Maar daar de zon al op was, naderde zij dicht +een der randen van den muur van den toren en keek of daar niet een +herdersknaap met zijn kudde naderde, dien zij naar haar meid kon +sturen. Maar de student, die aan den voet van een struik wat had +geslapen, stond op, zag haar en zij hem. De student sprak tot haar: +Goeden dag, mevrouw. Zijn de jonge dames nog gekomen? De donna begon +opnieuw zeer te klagen en smeekte hem, dat hij in den toren kwam, +opdat zij hem kon spreken. De student was daartoe beleefd genoeg. De +donna, die zich plat op den buik had gelegd, stak alleen het hoofd +over den rand van den uitgang en sprak weenend: Rinieri, indien ik +U een slechten nacht heb bezorgd, hebt gij U wel op mij gewroken, +omdat ik, hoewel het Juli is, dezen nacht, daar ik geheel naakt was, +meende te bevriezen. Buitendien heb ik zoo gehuild over Uw bedrog en +mijn dwaasheid, dat het een wonder is, hoe mijn oogen mij nog in het +hoofd zijn gebleven. En daarom bid ik U niet om mij, die gij niet +kunt liefhebben, maar om U zelve als edelman, dat dit U voldoende is +als wraak over de beleediging, die ik U heb aangedaan. Laat mij mijn +kleeren brengen, opdat ik hier afkom en ontneem mij niet, wat gij mij +later niet kunt teruggeven, namelijk mijn eer. En als ik U er van heb +beroofd dien nacht met mij samen te zijn, zal ik, wanneer gij wilt, +U er velen voor dien eenen teruggeven. Laat het U als een waardig man +genoeg wezen U te hebben gewroken en het mij te hebben doen gevoelen; +oefen Uw kracht niet uit jegens een vrouw, want het is geen eer voor +een adelaar een duif te hebben overwonnen; daarom bij de liefde van +God en bij Uw eer, heb medelijden met mij. + +De student, die met wreede ziel zich de ontvangen beleediging +herinnerde en haar zag schreien en smeeken, had tegelijk vreugde en +verdriet; vreugde over de wraak, die hij meer dan iets anders had +verlangd en verdriet, daar de barmhartigheid hem bewoog medelijden +met haar te hebben. Maar toch, daar deze niet de wreedheid van zijn +begeerte kon overwinnen, antwoordde hij: Madonna Elena, indien mijn +smeekbeden (welke ik weliswaar niet kon baden in tranen noch honingzoet +kon maken als gij thans de Uwen) mij hadden doen bereiken in den +nacht, dat ik in Uw hof vol sneeuw stierf van koude, dat ik alleen +een weinig onder dak kwam, zou het mij nu licht vallen de Uwen in te +willigen. Maar indien gij thans meer om Uw eer geeft dan vroeger en +als het U zoo pijnlijk is daarboven naakt te blijven, richt dan die +beden tot hem, in wiens armen gij geen vrees hadt gedurende den nacht, +welke gij U herinnert, naakt te zijn gebleven, terwijl gij wist, +dat ik klappertandend op Uw binnenplaats heen en en weer liep en in +de sneeuw stampvoette en laat u door hem helpen, laat door hem uw +kleeren halen, laat door hem den ladder aanbrengen om af te dalen, +tracht hem barmhartigheid in te boezemen met uw eer, dien gij niet +geaarzeld hebt zoowel thans als duizend andere keeren in gevaar te +stellen. Waarom roept gij hem niet om u te hulp te komen? Gij zijt +de zijne en wie zal hij beschermen of helpen, als hij u niet behoedt +of van dienst is? Roep hem, gekkin, die gij zijt, en bewijs, dat de +liefde, die gij hem toedraagt, en dat uw slimheid en de zijne u van +mijn onnoozelheid kunnen bevrijden naar aanleiding van welke, toen gij +u met hem verheugde, gij gevraagd hebt, wat hem grooter scheen: mijn +dwaasheid of de liefde, die gij hem hebt toegedragen. Gij kunt thans +niet welwillend zijn voor wat ik niet verlang, noch het weigeren, als +ik het verlangen zou. Behoudt de nachten voor uw minnaar, als gij hier +levend vandaan mocht komen. Uw nachten behooren aan hem: ik heb van +één te veel en het is mij voldoende ééns te zijn bespot. En bovendien, +gij gebruikt al uw slimheid met praten om mijn welwillendheid te +verkrijgen door te vleien en gij noemt mij een ridder en heimelijk +poogt gij mij te leiden, opdat ik als edelmoedig man zal ophouden u +te straffen voor uw boosheid. Maar uw vleierijen zullen thans mijn +geestesoogen niet verduisteren gelijk uw oneerlijke beloften vroeger +het deden. Ik ken mijzelf; ik heb nooit zooveel daarvan geleerd, +toen ik in Parijs was als gij mij in één enkelen nacht er van hebt +doen ervaren. Maar ondersteld, dat ik toch edelmoedig zou zijn, zijt +gij niet van degenen op wie edelmoedigheid invloed kan hebben. Het +einde van de straf bij wilde dieren gelijk gij er een zijt en evenzoo +van de wraak moet de dood zijn, waar bij menschen genoeg is, wat gij +wilt. Daarom, hoewel ik geen adelaar ben, en gij geen duif, daar ik +u ken als een vergiftige slang, wil ik als een zeer oude vijand u +vervolgen met al mijn haat en al mijn kracht, met al datgene, wat ik u +doe en wat men niet zoozeer wraak kan noemen, maar veeleer kastijding, +in zooverre, dat de wraak de beleediging zou moeten overtreffen, +wat hier niet zal gebeuren. Daarom als ik mij zou willen wreken, +wanneer ik er aan denk, aan welk uiterste gij mij hebt blootgesteld, +zou uw leven mij niet voldoende zijn, indien ik het u zou ontnemen noch +honderd anderen aan het uwe gelijk, omdat ik een gemeen en verdorven +en slecht vrouwspersoon zou dooden. En wat duivel--indien het beetje +schoonheid van uw gelaat binnen weinig jaren door rimpels verdwenen +zal zijn, zijt gij meer dan een of andere jammerlijke dienstmeid, +die haast een edelman had doen sterven, wiens leven op één dag van +meer nut kan zijn dan honderdduizend van uw soort het kunnen wezen, +zoolang als de wereld zal bestaan. Ik zal u leeren door de smart, die +gij hebt te verduren, wat het is mannen te bespotten, die een gevoel +in hun hart hebben, en om studenten voor den gek te houden en ik zal +u de gelegenheid geven niet meer tot zulk een dwaasheid te vervallen, +indien gij er nu aan ontkomt. + +Maar als gij zulk een groot verlangen hebt om af te dalen, waarom +werpt gij u dan niet op de aarde? Dan zult gij tegelijk met Gods hulp +uw hals brekend uit de kwelling raken, waarin gij zijt en mij tevreden +stellen. Thans wil ik u niets meer zeggen; ik heb u naar boven laten +klimmen, ziet gij thans maar naar beneden te komen, gelijk gij het +spotten verstond. Terwijl de student dit zeide, schreide de ongelukkige +donna voortdurend en de tijd verstreek met het stijgen van de zon. Maar +toen hij zweeg, zeide zij: Zie, man zonder hart, als die vervloekte +nacht zoo smartelijk voor je was en mijn misstap u zoo groot schijnt, +dat noch mijn jeugdige schoonheid, noch mijn bittere tranen, noch +mijn nederige smeekbeden uw medelijden opwekken, laat u dan tenminste +bewegen en uw strenge hardheid verminderen daardoor alleen, dat ik mij +u opnieuw heb toevertrouwd en u elk geheim heb geopenbaard, waarmee +ik u de gelegenheid heb gegeven mij mijn zonde te doen beseffen, want +had ik dat niet gedaan, dan hadt gij geen middel kunnen vinden u te +wreken. Ach, laat die toorn varen en vergeef mij voortaan, ik ben, +wanneer gij mij wilt vergeven, bereid den oneerlijke jonkman geheel +te verlaten en u alleen tot minnaar te hebben en tot heer, hoewel +gij mijn schoonheid hebt gelaakt en zeide, dat die van korten duur +was en niet veel waard. Hoedanig mijn schoonheid ook is, ik weet, +dat, als die van andere vrouwen, indien zij voor u om niets anders +waarde heeft, deze toch een verlangen is en een tijdverdrijf en een +genot voor de jeugd en gij zijt niet oud. En hoewel ik door u wreed +ben behandeld, geloof ik niet, dat gij zulk een smadelijken dood wilt +zien mij als een wanhopige hier af te werpen voor uw oogen, dien ik, +als gij geen leugenaar zijt geworden, vroeger zoo heb bekoord. Ach, +heb medelijden met mij om Gods wil. De zon begint al te heet te worden +en gelijk de koelte van den nacht mij hinderde, begint mij de warmte +zeer te kwellen. + +Hierop antwoordde de student, die er genoegen in had dit gesprek te +verlengen: Madonna, uw vertrouwen bleef niet in mijn handen om de +liefde, die gij mij hebt toegedragen, maar om dien te herkrijgen, +die gij hadt verloren en daarom verdient het nog grooter straf. En +gij denkt dwaas, dat dit de eenige weg was, die voor mijn wraak open +was. Ik had er duizend anderen en duizend strikken had ik om uw voeten +gespannen, terwijl ik veinsde u lief te hebben, en het kon slechts +kort duren, dat gij er niet in hadt moeten geraken. En gij zoudt +door allen in grooter kwelling en schande zijn dan die u thans te +beurt vielen. En ik heb deze gekozen niet om u te verlichten maar om +eerder tevreden te zijn. En als alle deze mij hadden ontbroken, had +mij de veder nog niet in den steek gelaten, waarmee ik op zoodanige +wijze Uw daden zou beschreven hebben, dat gij ze u herinnert zóó, +dat gij duizendmaal per dag zoudt wenschen niet geboren te zijn. De +krachten van de pen zijn veel grooter dan zij meenen, die het niet +uit ervaring weten. Ik zweer God (en Hij moge begeeren, dat deze +wraak, die ik op mij neem, bij het eind er van verheugen zal en +evenzoo als het begin), dat ik zoo over u zal schrijven, dat gij u +niet alleen zult schamen voor anderen, maar ook voor u zelve en om u +zelf niet te zien u de oogen zult willen uitsteken en verwijt daarom +de zee niet aangegroeid te zijn uit een kleine beek. Dat gij de mijne +wordt, daarom bekommer ik mij niet; behoor slechts aan hem, van wien +gij geweest zijt, als gij kunt. Gelijk ik hem vroeger heb gehaat, +ben ik hem nu welgezind om hetgeen hij u thans heeft gedaan. Gij +wordt verliefd op jongelieden, omdat zij wat meer kleur hebben, wat +donkerder baard, omdat zij meer rechtop loopen, dansen en wapenspelen +uitvoeren; maar het is ook hun eigen, die wat ouder zijn en die weten, +wat zij nog hebben te leeren. En bovendien acht gij hen beter ruiters, +omdat zij meer mijlen per dag afleggen dan rijpere mannen, en ik weet +wel, dat zij met meer kracht de rokken uitschudden, hoewel de ouderen +beter de plaatsen weten, waar de vlooien zitten en het is veel beter +het weinige en smakelijke te kiezen dan het vele en smakelooze en het +harddraven breekt en vermoeit, hoe jong men ook is, terwijl het zacht +gaan, hoewel wat later, rustig naar de herberg voert. Gij bemerkt +niet evenals de dieren, hoeveel kwaad er onder zoo weinig uiterlijke +schoonheid verborgen is. De jongelieden zijn met een niet tevreden, +maar verlangen er zooveel zij zien als hunner waardig; daarom kan +hun liefde niet standvastig zijn en gij kunt er thans een zeer ware +getuigenis van geven. Het schijnt hun, dat zij waard zijn door de +donna's ontzien en geliefkoosd te worden en kennen geen grooter +glorie dan zich te beroemen op degenen, die zij gehad hebben, welk +gebrek er velen beneden de monniken stelt, die het tenminste niet +weer over vertellen. Hoewel gij zegt, dat Uw liefde niet bekend is +dan aan Uw meid en aan mij, weet gij dit slecht en gelooft het zelf +ook niet. In haar straat en in de Uwe spreekt men van niets anders, +maar de meeste keeren is de laatste, wiens ooren dit bereikt, degene, +met wien dit plaats had. De jongelieden berooven U bovendien, terwijl +de anderen U geschenken geven. Gij hebt dus slecht gekozen; behoor aan +hem, aan wien gij U hebt gegeven en laat mij, dien gij bespot hebt, +aan anderen over, want ik heb een veel beter donna dan gij gevonden, +die mij beter kent. En opdat gij naar de andere wereld een grooter +zekerheid van het verlangen van mijn oogen kunt meenemen dan gij in +deze toont te bezitten uit mijn woorden, werp U daarvoor dadelijk naar +beneden en Uw ziel, reeds opgevangen in de armen van den duivel, zal +kunnen gewaar worden of mijn oogen vochtig zullen worden, indien ik +U zie neerstorten. Maar daar gij mij dit genoegen niet zult aandoen, +raad ik U, als de zon U begint te verhitten U te herinneren, welk +een koude ge mij hebt doen lijden; dan zult gij de zon zonder twijfel +matiger gevoelen. + +De troostelooze donna ziende, dat de woorden van den student tot een +hard einde voerden, begon opnieuw te weeklagen en zeide: Zoo gij geen +medelijden hebt, laat dan de liefde U roeren, welke gij draagt voor +een donna verstandiger dan ik, die gij hebt gevonden en door welke +gij bemint wordt en vergeef mij om de liefde tot haar. Geef mij mijn +kleeren terug, opdat ik mij kan aankleeden en laat mij gaan. Toen +begon de student te lachen en ziende, dat het derde uur al voorbij was, +antwoordde hij: Kijk, ik kan nu niet weigeren, omdat gij mij dit om die +donna gevraagd hebt. Wijs mij die en ik zal er heen gaan en U hiervan +doen afklimmen. De donna, die dit geloofde, kreeg een weinig moed en +wees hem de plaats, waar zij de kleeren gelegd had. De student uit den +toren gegaan, gelastte aan zijn knecht, dat hij daar niet vandaan zou +gaan, en dat niemand daar in zou gaan, eer hij was terug gekeerd en bij +die woorden keerde hij naar het huis van zijn vriend terug en ontbeet +daar op zijn gemak en toen ging hij slapen. De donna op den toren, +hoewel door dwaze hoop een weinig bemoedigd, ging heel treurig zitten +en aan dien kant van den muur, waar een weinig schaduw was. Hopend en +wanhopend aan den student en de kleeren en van de eene gedachte op de +andere overspringend, sliep zij in, alsof zij door smart overwonnen was +en of zij in den afgeloopen nacht niet had gerust. De zon, die brandend +was en al tot de middaghoogte gestegen, trof recht haar naakt, teeder, +fijn lichaam en haar hoofd door niets bedekt met zooveel kracht, +dat niet alleen het vel verbrandde maar het langzaam open ging en +de hitte was zoo, dat zij, die in diepen slaap was, gedwongen werd +op te staan. Terwijl zij zich voelde blakeren en zich wat bewoog, +scheen het haar daarbij, dat de geheele verschroeide huid openging +en barstte, gelijk wij dat zien gebeuren met brandend perkament, als +men het daarna wil uitrekken en haar hoofd deed vreeselijk pijn. Het +terras van den toren was zoo gloeiend, dat zij er met de voeten noch +met een ander lichaamsdeel plaats kon vinden, zoodat zij zonder stil +te kunnen staan dan hier dan daar huilend rond liep. En bovendien, +daar er in 't geheel geen wind was, waren er tal van muggen en vliegen, +die zich op de open huid neerzetten en haar zoo pijnlijk staken, dat +elk haar een prik met een naald scheen te geven, zoodat zij met de +handen geen oogenblik rust had en zich zelf, haar leven, haar minnaar +en den student vervloekte. Door duizend kwellende gedachten beangst en +geprikkeld en gekwetst ging zij op de teenen staan om te zien of zij +in den omtrek iemand gewaar werd, bereid, wat er ook van zou komen, +hulp te vragen. Maar ook dit had het vijandige noodlot haar ontroofd. + +De boeren waren allen door de hitte van de velden vertrokken, en er +kwam bij, dat dien dag niemand daar in de buurt was gaan werken, +omdat allen in hun huis aan het dorschen waren. Daarom hoorde zij +niets anders dan den krekel en zag de Arno, die haar het verlangen +schenkend naar zijn water, haar dorst niet leschte maar verergerde +en op verschillende plaatsen zag zij bosschen, schaduwen en huizen, +waar zij verlangde te wezen en die haar allen angst inboezemden. Wat +zullen wij nog meer van de arme donna zeggen? De zon boven haar en de +hitte van den bodem onder haar en de steken van de muggen en de vliegen +rondom hadden haar van alle kanten in zulk een toestand gebracht, dat +zij, die den vorigen nacht met haar blankheid de duisternis scheen te +overwinnen, toen zoo rood was geworden als meekrap en nu bestreept +met bloed, voor wie haar gezien zou hebben, de leelijkste vrouw ter +wereld scheen en aldus niets anders dan den dood verwachtte. Toen +de halve noen al voorbij was, stond de student uit zijn siësta op, +dacht aan de donna en ging naar den toren terug om te kijken, hoe +het met haar gesteld was en zond zijn knecht, die nog nuchter was, +weg om te gaan eten. Toen de donna hem bespeurd had, zwak en angstig +van de hevige kwelling, kwam zij op den rand van den ingang boven, +ging zitten en begon schreiend te zeggen: Rinieri, gij hebt U wel +verschrikkelijk gewroken, want indien ik U op mijn binnenplaats +bij nacht deed bevriezen, hebt gij mij vandaag op dezen toren doen +roosteren, zelfs verbranden en doen sterven van honger en dorst. Daarom +bid ik U bij den eenigen God, dat gij naar boven komt en daar ik den +moed niet heb mij zelf te dooden, schenk mij dien, want ik verlang +dien meer dan iets anders, zoo groot en zoodanig is de marteling, +die ik voel. En als gij mij die gunst niet wilt schenken, geef mij +dan tenminste een beker water, dat ik mij den mond kan verkoelen, +waartoe mijn tranen niet voldoen, zoo is de droogheid en de brand, +die mij kwelt. De student herkende wel haar zwakheid aan haar stem +en zag ook ten deele haar lichaam geheel geroosterd door de zon, +zoodat hij door haar nederige gebeden wat medelijden met haar kreeg, +maar toch antwoordde hij: Slechte vrouw, gij zult door mijn hand niet +sterven, maar toch door de Uwe, als dit Uw wil is en gij zult zooveel +water krijgen van mij voor de verlichting van Uw hitte als gij mij +vuur hebt gegeven voor de verlichting van mijn koude. Een ding doet +mij verdriet, dat de ziekte van mijn koude moest genezen met de hitte +van vieze mest, terwijl Uw verhitting genezen zal met de koude van +welriekend rozenwater en terwijl ik de spieren moest verliezen en +het geheele lichaam, zult gij, verschroeid door die hitte zoo mooi +blijven als de slang, die een oude huid heeft afgelegd. + +O ongelukkige, die ik ben! zei de donna, mijn schoonheden gaf God nu +aan hen, die mij kwaad willen doen, maar gij wreeder dan ieder wild +dier, hoe hebt gij kunnen volhouden mij zoo te mishandelen? Ik zou +niet anders te wachten hebben, als ik Uw familie onder de wreedste +martelingen had vermoord. Welke ergere wreedheid zou men hebben +aangewend jegens een verrader, die een heele stad aan een slachting +had overgeleverd? Gij hebt mij in de zon laten roosteren en laten +opeten door de muggen en bovendien hebt gij mij zelfs geen beker +water willen geven; de moordenaars, die ter dood gebracht worden, +geeft men dikwijls wijn te drinken, zoo zij er om vragen. Zie, +daar ik merk, dat gij verhard blijft in Uw bittere wreedheid en +mijn lijden U geenszins kan bewegen, bereid ik mij geduldig voor den +dood te ontvangen, opdat God medelijden hebbe met mijn ziel, dien ik +bid, dat Hij met rechtvaardige oogen Uw werk aanschouwe. En bij die +woorden sleepte zij zich met groote moeite naar het midden van het +terras, wanhopend de zoo brandende hitte te ontkomen en niet eens, +maar duizend maal behalve van haar andere kwellingen, meende zij van +dorst te sterven, schreide onophoudelijk weer en jammerde over haar +ongeluk. Maar daar het al vesper was en de student meende genoeg te +hebben gedaan, liet hij haar kleeren halen en in den mantel van den +knecht wikkelen en ging naar het huis van de rampzalige donna, vond +daar de meid mistroostig, treurig en radeloos aan de deur zitten, +en sprak tot haar: Vrouw, wat is er met Uw donna? De meid antwoordde: +Messire, ik weet het niet; ik geloofde haar vanmorgen in bed te vinden, +waar zij gisteravond mij in scheen te zijn gegaan, maar ik vond haar +noch hier, noch elders en ik weet ook niet, wat er van haar geworden +is. Maar gij, messer, weet gij mij er niets van te zeggen? De student +antwoordde daarop: Ik wou, dat ik U had, waar ik haar heb gehad, +opdat gij voor Uw schuld zoo gestraft zoudt wezen, als ik het haar +deed voor de hare. Maar gij zult zeker niet aan mijn handen ontsnappen, +opdat ik U voor Uw werk betaal, zoodat gij nooit meer met een man zult +spotten of gij zult aan mij denken. En toen zei hij tot den knecht: +Geef haar die kleeren en zeg haar, dat zij naar haar toegaat, als zij +wil. De knecht deed gelijk hem bevolen was; daarom vreesde de meid +zeer, die ze had opgenomen en herkend en hoorde, wat haar gezegd +was, dat zij haar hadden gedood en weerhield zich ternauwernood te +schreeuwen. Dadelijk liep zij huilend, daar de student al vertrokken +was, hiermee naar den toren. Bij toeval had dien dag een pachter van +die donna twee varkens verloren en liep ze te zoeken. Kort na het +vertrek van den student kwam hij bij den toren en overal rondstarend +om zijn twee varkens te zien, vernam hij de jammerklacht, welke de +ongelukkige donna uitte. Hij klom naar boven, en zoo hard hij kon +schreeuwde hij: Wie huilt daar? De donna herkende de stem van haar +pachter en na hem bij den naam geroepen te hebben, sprak zij: Zeg, +ga naar mijn dienstmeid en doe wat mogelijk is om haar hier te laten +komen. De boer, die haar kende, antwoordde: Wee mij, mevrouw, maar +wie bracht U daarop? De meid zocht den heelen dag naar U, maar wie zou +hebben gedacht, dat gij hier waart? En na de twee armen van den ladder +te hebben gegrepen begon hij dien op te richten gelijk die staan moest +en die te binden met koorden en dwarsstokken. Intusschen kwam de meid, +die, in den toren gekomen, haar stem niet kon inhouden en met de hand +voor het hoofd begon zij te schreeuwen: Wee mij, mijn goede mevrouw, +waar is U? De donna hoorde haar en zeide zoo luid zij kon: O zusjelief, +ik ben hierboven; huil niet, maar breng mij spoedig mijn kleeren. Toen +de meid haar hoorde spreken, klom zij geheel bemoedigd op den ladder, +dien de boer bijna geheel in orde had gemaakt en door hem geholpen, +kwam zij op het terras en toen zij haar donna zag niet meer met +een menschelijk lichaam maar eer als een verschrompeld blad van den +wijnrank, geheel gebroken, geheel bleek en naakt op den grond liggend, +begon zij met de nagels in het gezicht over haar te schreien of zij +gestorven was. Maar de donna verzocht haar bij God te zwijgen en haar +te helpen bij het aankleeden. En daar zij wist, dat niemand bekend was, +waar zij zich bevond, behalve wie haar de kleeren hadden gebracht +en de boer, die daar tegenwoordig was, bad zij bij God, dat zij er +nooit iemand iets van zouden zeggen. De boer na veel praten, nam de +donna, die niet loopen kon, op zijn nek en bracht haar veilig buiten +den toren. De ongelukkige meid, die achter was gebleven en er minder +voorspoedig af klom, gleed uit, viel van den ladder en brak zich de +dij en door de pijn begon zij te brullen ais een leeuwin. De boer, +die de donna had neergezet op op een weide, ging zien, wat de meid +had en vond haar met gebroken dijbeen, legde haar ook op de weide +en plaatste haar naast de donna. Toen zij zag, dat bij haar andere +kwalen dit haar nog overkwam, dat die het dijbeen had gebroken, door +welke zij hoopte geholpen te worden meer dan door anderen, begon zij +bedroefd opnieuw zoo jammerlijk te weenen, dat niet alleen de boer haar +niet kon troosten maar zelf van zijn kant begon te huilen. Daar de zon +al laag stond, ging hij, opdat de nacht ze daar niet zou overvallen, +gelijk het aan de mistroostige donna behaagde, naar zijn huis en na +daar zijn twee broeders en zijn vrouw te hebben geroepen en met een +plank te zijn teruggekeerd, legden zij de meid daarop en droegen haar +naar huis en na de donna met frisch water te hebben versterkt en met +goede woorden, nam de boer haar op zijn nek en droeg haar in haar +kamer. De vrouw van den boer gaf haar gedrenkt brood te eten en na +haar te hebben ontkleed, bracht zij haar te bed en zij spraken af, +dat zij en de meid 's nachts naar Florence zouden gebracht worden +en zoo geschiedde het. Daar deed de donna, die een grooten voorraad +leugens bij de hand had, haar broeders en zusters en iedereen gelooven, +dat hun dit door duivelsstreken overkomen was. De doktoren werden +geroepen en niet zonder zeer grooten angst en gevaar voor de donna, +wier huid meermalen kleven bleef aan de lakens, genazen zij haar van +een hevige koorts en van de andere ongelukken en evenzoo het dijbeen +van de meid. Hierdoor behoedde zich de donna, die haar minnaar vergat, +voortaan wijselijk zoowel voor misleiding als voor liefde. De student +vernam, dat de meid het dijbeen gebroken had, wat hem een genoegzame +wraak scheen. Dat geschiedde met de dwaze, jonge dame door haar +grappen, die gedacht had met een geleerde te kunnen spelen als met +ieder ander, niet beseffend dat zij--ik zeg niet allen--maar het +meerendeel weten, waar Abraham de mosterd haalt. En daarom, donna's, +neemt u in acht, om in het bijzonder geen geleerden te misleiden. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van + den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn + vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die + daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt._ + + +De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest +voor de donna's om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die +haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer +getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs +wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de +koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen +zeide: Bekoorlijke donna's. Daar het mij schijnt, dat de strengheid +van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de +bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van +een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een +gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat +wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen +beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, +niet boven het passende van de wraak te gaan. + +Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen +waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena +en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia [158]. Zij +gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo +gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone +echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die +er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij +er mee ging slapen en aldus deden zij langen tijd zonder dat iemand +iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, +kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop +Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond +en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, +hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn +vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, +waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te +maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij +zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel +tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg +zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was +weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed +met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen +en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet +gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, +wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij +met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen +bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen +kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: +Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, +dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: +Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza +reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer +hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, +zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, +wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in 't +geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, +dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio +in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet +vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten +en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te +ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te +spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, +maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in +de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De +donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna +de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij +al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak +Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft +zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons +te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar +bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht te +zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij +daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en +beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar +zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: +Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten +komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, +die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig +vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd +en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, +dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, +dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben +ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; +hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, +zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die +beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij +noch hij ooit weer vroolijk zult zijn. + +De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij +moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw +laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar +wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen +en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij +er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, +legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop +verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die +in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn +vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die +boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij +dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had +hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch +herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden +had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als +vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit +de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang +was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna +hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn +vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij +een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open +dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar +Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee +zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, +dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder +veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, +gelijk gij zooeven tot mijn vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en +daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, +moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen +in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee +vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een + plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, + dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in + een kuil met vuil geworpen en achtergelaten._ + + +Toen de donna's wat hadden geschertst over de gemeenschap van de +vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, +die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: +Verliefde donna's. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van +Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, +gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, +die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil +u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de +daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, +was een dokter, die geheel bedekt met bont [159] van Bologna naar +Florence ging en toch een ezel was. + +Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna +terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken +gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen +dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro +Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, +gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in +de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero +(Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn +opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam +te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de +houding der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij +op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, +waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, +Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder +en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar +hun beroep. + +Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende +hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk +konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die +op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met +beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met +Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon +zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had +in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had +uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en +zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij +verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele +dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming +met zijn domheid: Maestro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit +doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet +aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo +goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige +rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, +dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en +zoo krijgen wij alles. + +De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij +het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en +met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, +dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat +vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van +mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in +den muil van den Lucifer van San Gallo [160] brengen, als anderen het +weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige +ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, +dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op +voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij +het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit. + +Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich +in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto +heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, +van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen +hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte +leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor +die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij +zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de +stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en +nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun +gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen +vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, +die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats +ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met +spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij +zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de +tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, +het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, +de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander +vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve +dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te +sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze +instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel +was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten +worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet +niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in +dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer. + +Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk +van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse +der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, +de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante +van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze +u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot +zelfsde Schinchimurra van den priester Johannes [161], die, naar ik +weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat +men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, +gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen +een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw +winkel [162], wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, +die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe +de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen +aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn +naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdat Buffalmacco er +meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij +die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn +en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken +dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere +menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde +bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of +tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet. [163] +En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als +zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat +zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu +hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan +noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, +wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het +genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de +woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook +zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen +wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong +hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem +nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen +kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem +'s avonds en 's morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone +vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno +kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij +in des dokters salon de _Vasten_ en een _Lam Gods_ aan den ingang en +boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad +noodig hadden, hem van zijn collega's konden onderscheiden en in een +kleine galerij had hij voor hem den _Veldslag der Ratten en Katten_ +geschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls +tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht +op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van +Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De +dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, +dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren +zeggen, dat Porco grasso [164] en Vannacena er nooit van spreken. De +dokter hernam: Gij meent Hippocras en Avicenna. Bruno ging voort: +Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de +mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in +de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou +u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo +sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een +avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan +den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn +gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik +voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola [165] te +gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u +vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden +hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, +waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders +meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de +mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, +welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli [166] aanschouwde? Ik +heb haar bij Christus' Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, +als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom +bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te +komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, +die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en +hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos +en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, +in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie +liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna +stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: +Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren +[167], hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De +dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet +hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken +er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, +hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van +Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de +schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; +ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire +in bagattini [168] kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik +u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij +mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje +rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet +ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal +ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij +hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen +voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte +van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, +voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als +dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, +dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als +zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe +wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet +zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt +naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet +zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, +wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het +geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en +het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken +hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik +zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik +kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van +den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, +die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik +de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, +dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, +als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: +Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met +twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de +volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie +kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak +u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, +die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem +met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, +kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al +over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo +hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: +Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag +met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal +ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel +verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer +wijs zou blijven. Toen dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan +Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar +zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa [169] wilde. + +De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, +had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht +gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven +en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren [170], +welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan +hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het +tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, +gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover +zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den +verheven God van Pasignano [171], dat weinig mij weerhoudt, je niet +zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, +die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter +verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij +het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed +hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde +maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt +medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt +geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen +[172], die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een +Zondag gedoopt [173]. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de +medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de +menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door +uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, +zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou +zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze +waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als +hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde, +dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, +dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter +tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te +Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, +die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn +redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat +ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik +hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen +wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij +alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, +maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer +groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde. + +Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het +niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen +dokter, die zoo'n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult +gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van +Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno +zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme +lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren +hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het +veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men +spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best +zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De +gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op +de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de +gravin van Civillari [174] te geven, die het schoonste ding was, wat +men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De +medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn +zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig +huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen +dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg +u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, +maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur +gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en +een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak +gaan daarom wachters van haar rond en allen als bewijs van haar macht +dragen een riet en een lood [175]. Men ziet vele van haar baronnen +als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en +anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die +niet. In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, +als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen +[176] was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden. + +Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou +ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten +hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon +komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, +want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade +doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij +moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een +der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom +Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de +eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat--naar wat ons gezegd is +... maar toen waren wij er niet--gij edelman zijt en de gravin van +plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten [177]. Daar zult +gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij +van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u +komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met +groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, +wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes +naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen +en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de +heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen +zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, +indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw +ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou +stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want +gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons. + +Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt misschien +bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij +wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer +ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u +er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee +wou gaan--het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de +elleboog--gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar +met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en +toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik +niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na het _Ave Maria_ +ging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden +dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt +daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u +eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik +tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij +is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal +worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, +want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, +dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap +mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch +wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, +maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er +niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het +koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet +aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik +'s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets +anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen +zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een +uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te +hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een +steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die +groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan +men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer +plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat +hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest +was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van +Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, +begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, +te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter +dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en +hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange +vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er +eenmaal heen was gegaan, spande hij zich in zich rustig te houden, +zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar +terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die +bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst +sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, +dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met +den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak +zachtjes: _Dat God mij helpe_, sprong er op en na er zich goed op +te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht +op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar +Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het +klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, +waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun +akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij +een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na +hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd +voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en +langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, +waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het +lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat +de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat +voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te +heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, +werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd +en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben +kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde +zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op +wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open +deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, +of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door +zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste +manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: +Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en +wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet +genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet +alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, +dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en 's nachts naar +anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter +zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht. + +Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid +beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen +die achterlaten, in het huis van den dokter en vonden hem op, en toen +zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze +zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en +Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet +aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, +dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, +die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best +deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn +vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, +dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren +wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te +worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op +een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij +hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De +medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar +hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat +gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God +en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter +antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, +riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u +niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een +riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer +doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg +vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met +de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij +zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer +eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan +wie het niet opdeed te Bologna. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman + geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of + hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en + na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en + henneppluis tot pand._ + + +Hoe het verhaal van de koningin de donna's had doen lachen, behoeft +men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van het uitgelaten +lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het +uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna's. Het +is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij +door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij +allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te +verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald +zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was +in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen. + +Het was gewoonte--en het is het misschien nog--in alle handelssteden +met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze +te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen +tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En +daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke +opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt +aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen +plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op +rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht +betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek +vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en +de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, +waarmede zij onderhandelen. + +Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn +maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname +en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te +plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook +uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna +beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden +die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt +door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er +geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben +achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te +hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn +patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, +hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de +jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon +zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, +deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den +verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank +en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde +zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore [178] noemde, iets +van zijn doen en laten. Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een +groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel +en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten +en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen +en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of +zij door hem verteerd werd en zond hem in 't geheim een harer vrouwen, +die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen +in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en +bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust +had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem +in een badhuis in 't geheim te vinden en na een ring uit haar beurs +gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was +de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan +de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den +vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore +hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer +dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar +aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat +antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij +den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over +te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat +een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er +twee slaven [179] kwamen, de een beladen met een mooi en groot matras +van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die +matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, +waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna +een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte +oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, +waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna +kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, +betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem +verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij +had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen +gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen +beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander +te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en +daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit +gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, +waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen +schenen en met het eene omwikkelden zij Salabaetto en met het andere +de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide +te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, +werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt +liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, +de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze +met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden +hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met +meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich. + +Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer +aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, +voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen +die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer +[180] te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer +groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot +hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen +het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na +nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen +met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de +donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een +groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, +die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, +geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: +Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom +zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De +donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met +kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo +verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, +en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen +zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur +van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes +op de zuilen [181] en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die +dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, +en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het +voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op +die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, +dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien nacht met haar met het +grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, +gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie +beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn +persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst +kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis +uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden. + +Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en +daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant +te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen +Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te +stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of +zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie +zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij +had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en +zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij +hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de +kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, +wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, +als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar +in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, +wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna +zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik +ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin +mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en +verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens +stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat +moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen +tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik +zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever +dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, +wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, +geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: +Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, +als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, +dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver +kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek +gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend +florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd +schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, +dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, +zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als +ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd hebben. O mijn Salabaetto, +sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, +nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan +mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar +ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van +mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld +aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun +geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het +u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en +als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp +zij zich bij die woorden aan Salabaetto's borst. Hij troostte haar +en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar +te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd +goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam +en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums +verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij +wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een +keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee +maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, +ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, +die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn +dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij +er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand +te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd +voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van +zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld +te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, +opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging +scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels. + +Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro +dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin +van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van +Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde +zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te +kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te +keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd +en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld +in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij +bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot +Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had +en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden +en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen +en keerde terug naar Palermo. Hij gaf de factuur aan de tolbeambten +en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit +in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere +waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, +wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en +hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat +ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug +te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet +hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets +wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde +en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter +rechtertijd heb teruggegeven ... Salabaetto begon te lachen en zeide: +Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij +het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad +ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat +ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel +koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens +waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard +zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd +bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken +dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, +wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief +heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik +hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog +verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw +vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, +omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen +zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand +is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de +aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een +vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den +ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er +kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw +vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, +waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een +beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of +er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en +na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich +en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed +gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat +gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen +geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben +hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken en haar alle +mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke +liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde +straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en +deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg +hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben +verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, +door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend +goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver +van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar +Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, +kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft +van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand +te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet +spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en +ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, +want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend +aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar +Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat +helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u +dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, +maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig +procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid +al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om +u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en +bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, +dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem +dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die +dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel +der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen +als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De +donna was het daarmee eens. + +Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot +vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan +Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat +Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto +ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, +keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, +wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij +Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen +met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet +langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, +die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na twee +maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen +ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, +vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis +vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt +vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles +was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich +misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens +en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft +met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade +en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen. + +Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat +haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro +Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief +zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide +met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve +koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met +uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging +zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven +zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om +wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge +rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar +blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende +plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken: + +Beminnelijke donna's. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de +ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, +zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze +in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met +verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de +wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen +onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig +en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten +herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal +vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de +afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam +is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan +onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het +uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na +opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen +zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, +de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den +tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met +genoegen en na het maal vermaakten zij zich op de gewone wijze met +zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van +haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig +door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon +vrijmoedig aldus: + + + Zoo groot, o Amor, is het goede, + Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde, + Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden. + + De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart, + Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt, + Waartoe gij mij hebt gebracht, + En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraan + En op mijn verhelderd gezicht + Toont het mijn gelukkigen toestand; + Want, daar ik verliefd ben, + Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaats + Zoet, dat ik in vuur sta. + + Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen, + Noch met de hand schrijven + O Amor, het heil, dat ik gevoel. + En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen: + Want indien het bespeurd werd, + Zou het in een marteling veranderen. + Maar ik ben zoo voldaan, + Dat alle taal weinig en zwak zou zijn, + Voor ik er iets van zou hebben onthuld. + + Wie zou kunnen denken, dat mijn armen + Haar ooit zouden bereiken, + Waar ik haar omhelsd heb, + En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen, + Waar ik tot haar kwam, + Door gratie en door geluk? + Men zou nooit geloofd hebben + Aan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur. + Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt. + + +Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening +over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de +woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen +verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand +tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo +geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, +dat ieder zou gaan slapen. + + + + + + +Negende Dag. + + _De achtste dag der_ Decamerone _eindigt; de negende vangt + aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem + bevalt._ + + +De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den +licht-azuren tint van den achtsten [182] hemel in donkerblauw +veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen +Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met +langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een +boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, +zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen +jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, +alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, +of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen +en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij +waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of +bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen +dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal +in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend +en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden +feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet +aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, +waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt +en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven +zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, +wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden +allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin +naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de +verhalen, welke glimlachend aldus begon: + + + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een + zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt + zich handig van hen door den een als doode in een graftombe + te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, + zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken._ + + +Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat +ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe +Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen +en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die +later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o +genadige donna's, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht +der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, +dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over +spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende +doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden +voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij +niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige +donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van +den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden. + +In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke +twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten +zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi +genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo +voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze +edelvrouw, die madonna Francesca de' Lazzari heette, zeer dikwijls +met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en +onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk +aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun +vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij +dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, +opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had +hun verzoeken niet meer aan te hooren. + +In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen +ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die +daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een +ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, +bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de graftombe bij de kerk +der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom +zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die +ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio +en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te +zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te +stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen +doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, +dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette +die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar +als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in 't +geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca +laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt +verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later +zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij +haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen +is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u +bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio's tombe te gaan, +dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, +totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren +zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij +zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, +kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien +hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, +zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik +ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of +boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en +gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid +is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, +en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen +Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk +uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit +wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, +dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden. + +De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was +opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een +graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De +meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg +zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den +eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging +het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, +maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon +tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga +ik heen? Hoe weet ik, dat de verwanten van die donna, die misschien +bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in +dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de +schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit +heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna +zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is +en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, +dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te +nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen +maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze +beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik +gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, +mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar +zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien +ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen +kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de +donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden +en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij +haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort +met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het +graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed +had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan +liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, +die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden +maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, +dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar +versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en +bleef liggen, of hij dood was en wachtte af. + +Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door +zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op +verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat +hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar +zou verbrand worden of kwaad met Scannadio's verwanten en meer wat hem +weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen +op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, +wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou +ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het +zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij +zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan +was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro +bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar +het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls +tegen een of andere plank langs den weg. De nacht was zoo donker, +dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio +aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters +met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich +er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten +van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte +op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het +gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een +licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen +met opgeheven schilden en lansen: _Wie is daar?_ Daar Rinuccio wist, +wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro +vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, +die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere +richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten +omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in +het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed +van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro +ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij +God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was +het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten +liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, +maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, +keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te +vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar +moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, +in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over +dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de +tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, +omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel +Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij +door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, +die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo +verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar +gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, +maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen +te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd. + + + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een + harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met + een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te + hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als + de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt + zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar._ + + +Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl +daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars +niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin +vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna's. Madonna Francesca +wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, +maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit +een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg +menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de +kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden +die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde +met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken. + +In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn +vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel +bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en +die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde +om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd +werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen +haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet +zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen +tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij +een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer +gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van +beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna's hem van +Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen +over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, +welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens +de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden +zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge +meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim +de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet +merkte, liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop +loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in +tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella +en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en +zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij +hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis +was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer +liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien +door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, +stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den +donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, +welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam +haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, +dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om +het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te +hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met +de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om +Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de +abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp +die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen +waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars +armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, +hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen +beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De +jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij +wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad +spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen +en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den +hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die +allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, +daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het +klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij +de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje +beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, +maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in. + +Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en +zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts +afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als +God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De +abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt +gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier +nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid +u, dat gij uw kap los knoopt en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop +richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar +zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide. + +Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam +tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen +van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, +gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat +het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed +en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die +jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar +waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil. + + + + + +Derde Vertelling. + + + _Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en + Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno + geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen._ [183] + + +Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor +de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige +gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder +verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna's. De ruwe, +marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een +novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, +de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen +al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van +plan was. + +Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, +van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino +stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een +landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence +onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, +maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed +gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem +meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken +inplaats grond te koopen, alsof hij kogels [184] moest fabriceeren, +maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen +hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden +en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een +schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te +doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, +beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis +ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet +en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God +hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello +hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: +Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij +schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: +Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, +maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn +en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet +het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet +te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde. + +Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello +zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn +dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen +mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de +koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, +wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo +hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg +hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat +u goed toedekken en uw water naar onzen vriend, maestro Simone, +brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er +iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich +bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen +hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en +dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, +zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, +die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de +Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; +ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, +hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie +hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat ik gevoel. Bruno, die +naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water +droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid +binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg +aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem +kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter +en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde +hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, +om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij +zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te +schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat +gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De +eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met +gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit. + +Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe +zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit +komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar +zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond +was, zou ik zeker opstaan en haar zoo'n pak slaag geven, dat ik haar +heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op +mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen +daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat +zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione [185] +echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar +toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad +en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil +niet, dat gij u kwelt, want--God zij geloofd--hebben wij het feit +zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig +dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te +geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier +tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig +zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe +ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, +als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, +dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan +te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, +lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal +doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar +wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor +dien drank drie goede en vette kippen noodig en gij geeft aan elk van +uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn +winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van +dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten +beker per keer van drinken. + +Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf +lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, +verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De +dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea +[186] klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht +had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen +op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met +de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, +zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer +naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn +werk en prees overal de prachtige kuur, die maestro Simone hem had +laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met +list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw +Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al + zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn + meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, + dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, + doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij + er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter._ + + +De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap +met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar +het de koningin behaagde: Waardige donna's. Indien het niet moeilijker +was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan +hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen +hunne woorden te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino +voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de +kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek +de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij +een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, +hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand +van den ander overtrof. + +Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen +leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri +en de ander van messer Fortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen +en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, +daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was +knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena +van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er +een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap +Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te +gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn +vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat +die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, +paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem +van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem +zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig +loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem +niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo +antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde +dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, +dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had. + +Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het +middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm +was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed +geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem +om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in +de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden +te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, +die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar +Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, +uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als +het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, +die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere +hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht +hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een +valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen +bediende te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld +niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij +dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt +Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij +het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, +zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, +wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis +achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het +voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam +er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld +had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor +zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet +voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk +hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit +Siena te doen verbannen en steeg te paard. + +Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander +had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een +beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan +denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben +door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, +het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en +doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, +waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri +hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij +zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te +gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, +maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: +Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, +die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien +mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo +hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, +waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, +dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog +wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo'n haast? Wij zullen van avond +nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, +dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij +zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht +en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, +zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, +dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder +hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, +die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na +hem wel twee mijlen gevolgd te hebben en steeds om het wambuis vragend, +ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te +houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den +straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: +Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met +zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die +in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het +hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar +aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je +niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: +Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na +eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik +door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar +voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar +geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op +den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en +te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets +achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de +kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den +kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn +hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk +naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op +den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, +waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de +boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl +hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen. + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt + voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, + als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw + wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist._ + + +Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het +gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde +de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke +zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus begon: +Allerliefste donna's. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, +die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den +tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, +wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij +hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te +hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak +kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel +er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets +anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden +van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort +Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog +wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken +wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het +genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den +echten vorm verhalen. + +Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder +anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en +fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco +het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen +Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was +voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid +bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een +zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, +bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een +of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, +die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in +een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed +gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in +den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in +een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put +op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, +kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek +hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander +verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht +hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; +maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, +die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden +en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk +en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de +kamer werd geroepen. + +Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem +dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in diens doen +en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets +dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die +mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino +hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje +schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een +bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging +halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van +Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en +zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen +Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid +zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: +Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van +Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij +met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco +het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij +is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat +ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en +zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel +goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, +toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was +gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij +regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij +terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino +antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik +wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan +maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar +en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, +wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben. + +En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten +dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water +van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar +van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: +Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal +zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar +gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden +neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa +daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino +Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, +dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat +zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, +die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, +terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten +en er niets van merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen +tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence +begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt +als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw +guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, +zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou +je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop +sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: +Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat +ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd +hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, +die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen +dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, +dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult +mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; +zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer +ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal +haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide +Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, +dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes +[187] en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten. + +Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn +en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel +leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong +hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene +liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij +bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, +de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig +volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls +aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor +haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, +wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote +hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders +was, waar hij haar toen niet kon vinden. + +Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier +en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens +een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke +snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, +waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij +hem goede gastmalen en andere voordeelen uit, daar zij op zijn +belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden +bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino +zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot +een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was +afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot +Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met +Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, +vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, +wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat +zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of +zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij +dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een +schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino +ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen +uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie +korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan. + +Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen +om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht +hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in +een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden +van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, +gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en +doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen +gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, +die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, +dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij +te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te +hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor +welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en +ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno +hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino +en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder +reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam +en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, +zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is +daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, +dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden +hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem +betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar +dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij +dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren. + +Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, +ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van verre zag +aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar +de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, +ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de +kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou +doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, +daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond +en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap +dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier +en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem +volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp +hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard +op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar +gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: +O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, +mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring +smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart +gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, +die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat +mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij +mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat. + +Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen +en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen +daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een +belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur +gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en +binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, +zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, +waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar +Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem +bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, +zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude +gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het +je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen +verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan +niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je +je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om +er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, +die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want +zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een +fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond +verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, +maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, +stond op en begon zijn vrouw nederig te smeeken, dat zij niet zou +schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou +worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van +het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig +jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over +die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel +afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, +gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer +terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, +hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal +geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen +terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten +van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat +hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen. + + + + + +Zesde Vertelling. + + _Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de + dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den + ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna + naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening + dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen + kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij + haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles + weer goed._ + + +Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het +ook ditmaal weer. Toen daarna de donna's over zijn daden zwegen, +gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige +donna's. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de +geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke +ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge +inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam. + +In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die +voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij +arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit grooten nood +niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van +wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje +van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een +kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het +jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze +stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar +vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een +jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende +vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen +zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, +als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje +en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van +dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch +met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel +te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij +den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe +kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij +bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, +Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en +plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen 's avonds uit +Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht +was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna +terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden +man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak +tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence +te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn +gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe +moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is +elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten. + +De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden +hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard +had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, +de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, +daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon +men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het +minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en +liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, +liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging +zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, +waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat +zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het +door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door +haar hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, +zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een +kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, +merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker +op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest +toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg +en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op +en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had +aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de +wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat +er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, +maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje +terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man +sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: +Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van +mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar +die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog +niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder +verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna. + +Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, +dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn +bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het +bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich +naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, +die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, +dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste +genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, +dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De +waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst +tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan +voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan +en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van +God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn +dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: +Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van +den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben +die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een +slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het +scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was +en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond +zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, +droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging +naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, +wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, +dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De +donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa +geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik +niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt +'s avonds zooveel, dat gij 's nachts droomend hier of daar heengaat, +en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij +den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet +in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna +slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb +het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek +van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, +zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u +een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht +te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder +vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga +terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, +begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, +waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe +meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, +zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom +hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en +ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging +de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen +hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard +te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, +Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het +gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio +weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij +bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van +Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt. + + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat + van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet + passen, zij doet het niet waarop het gebeurt._ + + +Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de +donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij +de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna's. Vroeger +is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover +velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u +een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een +mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, +niet wilde gelooven. + +Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar +man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen +tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo +kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, +en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, +omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op +een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een +zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam +aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar +naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp +en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, +was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen +opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter +mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, +zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien +gij naar mijn raad wilt luisteren, ga heden niet uit huis. Toen zij +hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd +schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u +zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal +ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander +onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, +want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar +ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, +dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan. + +De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich zelf: +Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik +vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw +ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden +kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar +hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er +den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten. + +Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den +anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste +gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten. + +Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo'n +groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon +ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel +was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, +of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, +zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die +haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten +hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door +de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door +de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo +verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde +zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde +zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets +zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, + waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk + pak slaag te geven._ + + +Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien +had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó +was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, +dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna's. Gelijk zij, +die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een +reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door +Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, +die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U +het volgende vertellen. + +Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, +de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen +niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd +was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in 't +geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, +die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- +en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig +leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, +zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn +kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet +langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) +uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had +begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien +kocht voor messer Vieri de' Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij +naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde +hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier +dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet +voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee +anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, +dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich +naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die +nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem +vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap +middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons +beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en +gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog +van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het +hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over +den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en +vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, +waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij +het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te +stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den +prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde +hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin +een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, +trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij +zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: +Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn +die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich +wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet +bij de kladden neemt, want hij zou U een kwaden dag bezorgen en gij +zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog +iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit +zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik +zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap +aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, +dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak +met ontvlamd gelaat: _Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden +zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!_ Hij stond op +en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam +de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had +gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde +tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, +tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der +Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt +gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik +weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken. + +Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, +hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen +krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van +den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van +wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam +Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem +een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, +wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van +hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te +hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat: +_geeft U hem robijnkleur_ en die _vrienden_ zijn, die gij zendt om +dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op +het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd +en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn +kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord +kon spreken. Hij had wel iets gehoord van _geeft U hem robijnkleur_ +en van _vrienden_, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte +nadat messer Filippo hem leelijk had geslagen en er veel menschen +om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en +verbijsterd uit zijn handen. + +Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem +om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was +om mee te spotten. + +Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer +Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld +was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk +was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn +gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, +die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer +Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U +maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, +wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef. + +Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon +opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan +op hem niet meer voor den mal te houden. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij + bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw + kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, + aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan._ + + +Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij +wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de +donna's genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk +aldus: Beminnelijke donna's. Als men met een goeden geest de orde +der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid +der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen +is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun +besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij +nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de +hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, +die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de +gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, +zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne +en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze +lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen +bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten +worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig +zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers +dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie +van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping waard en +een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea +van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die +kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik +allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, +welwillend en onderworpen te zijn. + +Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed +middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen +goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel +de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard +heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie +in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat +ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze +moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam +en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel +buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de +goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik +zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen. + +Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke +wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder +de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van +verschillende deelen der aarde kwamen bij hem _voor hun moeilijkste +en neteligste zaken om raad_ en onder anderen vertrok daartoe een +zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl +hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef +Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers +is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn +toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij +heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om +hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere +vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch +met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna +vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, +waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo'n ongeluk heb +ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn +medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling +te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen +en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden +zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen +[188] van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn +toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, +werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij +gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de +Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de +tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, +welk antwoord hij kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er +van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat +zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, +waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van +muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen +haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het +wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar +de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet +vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, +maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: +Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij +Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan +eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij +kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En +hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, +dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de +jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den +ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: +Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde +hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, +kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, +omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze +muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige +dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen +tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de +vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, +gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef +beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar +gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel +tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet +gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich +trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets +als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel +mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, +laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna +en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, +maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak +hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat +het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; +denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben +in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden +stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, +waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, +wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde +en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken +om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, +dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, +maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op +de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen +been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd. + +Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk +gevolg de raad van het _Ga naar den Ganzenbrug_ gehad heeft. Na +eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, +avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De +boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; +'s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij +zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit +op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en +in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten +zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij +aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: +Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand +lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt +gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk +Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige +vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de + vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij + er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat + hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering._ + + +De novelle door de koningin verhaald, deed de donna's een weinig +mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden begon +Dioneo aldus te spreken: Lieve donna's. Tusschen witte duiven schijnt +een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert +te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de +schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, +daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, +ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren +door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben +om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden +aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal +U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, +hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan +krijgen en hoe een kleine fout alles bederft. + +Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van +Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op +een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus +reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, +die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid +noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in +Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar +bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, +die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot +genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving +donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit +erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar +peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij +met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, +maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, +waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna +wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, +wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, +Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot +in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij +tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het +mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap +daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik +er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, +vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend +is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij +van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij +zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, +kunt gij mij dan niet weer de vrouw maken, die ik ben? Peet Pietro, +die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht +donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem +die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, +zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, +voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de +staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen 's +nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden +kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd +in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor +wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal +zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten. + +Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, +wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op +gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort +of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed +wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles +zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo +naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den +grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij +al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, +het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone +kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: +Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen +aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de +merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en +rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: +En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de +ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen. + +Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide +hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de +mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij +alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, +sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart +bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, +was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij +gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij +ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel +meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er +niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd: _doet gij dit_? en +bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: +Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als +ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder +trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de +mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als +God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet +nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van +de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig +weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk +hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni +te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk +een dienst. + +Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna's begrepen +dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar +toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, +stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen +zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij +dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en +glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, +die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade +verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die met +blijdschap de hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner +andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na +volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de +noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende +donna's en zeide: Verliefde donna's. De bescheidenheid van Emilia, +die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze +te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust +zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren +en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zal _van hen, die +door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of +om andere dingen_. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot +welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in +ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich +door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik +dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema +beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen +koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn +verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd +weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, +stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend +liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren. + +Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen. + +Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus: + + + Ik ben heel jong en gaarne + Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen. + Dank zij de liefde en de zoete gedachten. + + Ik ga door de groene weiden en aanschouw + De witte en gele en roode bloemen, + De rozen op de struiken en de blanke leliën, + En allen ga ik vergelijken + Met het gelaat van hem, die mij beminde, + En mij nam en mij altijd zal houden als haar, + Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens. + + Wanneer ik er van dezen een vind, + Die, naar 't mij schijnt, hem wel gelijkt + Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze + En, gelijk ik weet, openbaar ik die + Geheel mijn ziel en al wat zij begeert; + Dan met de anderen maak ik daarvan een krans + Gewonden door mijn blonde en lichte haren. + + En hetzelfde genot, dat de bloem van nature + Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij, + Alsof ik de persoon zelf zag, + Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd; + Dat wat zijn zoete geur mij geeft, + Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken, + Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van. + + Zij verlaten nooit mijn gemoed + Als van de andere donna's, bitter noch zwaar, + Maar zij ontsnappen dit warm en zacht + En gaan tot mijn liefde's aanschijn, + Die, als hij ze voelt, om mij te behagen + Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt, + Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop! + + +Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna's +zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning +toen, dat elk zou gaan rusten. + + + + + + +Tiende Dag. + + _De negende dag der Decamerone_ eindigt. De tiende vangt + aan. Onder het bewind van Panfilo spreekt men over hen, + die door mildheid, of grootmoedigheid iets doen om liefde of + andere dingen. + + +Nog waren enkele wolkjes in het westen rood en glansden die in het +oosten reeds aan hun rand als het schitterendste goud, getroffen +door de zonnestralen, welke naderden, toen Panfilo de donna's en zijn +metgezellen deed roepen. Toen hij met hen vastgesteld had, waar zij +tot hun genoegen heen konden gaan, begaf hij zich met langzamen tred, +vergezeld door Filomena sprekend over hun toekomstig leven vooruit +op weg. + +Na een grooten tocht keerden zij, toen de zon warmer werd, naar het +verblijf terug en nadat zij de bekers om de fontein hadden gezet om +zich te laven, gingen zij in verfrisschende schaduwen van den tuin +zich vermaken tot aan het etensuur. En toen zij gegeten en geslapen +hadden, verzamelden zij zich, waar het den koning behaagde en daar +beval hij aan Neifile de eerste vertelling voor te dragen, welke +blijmoedig aldus begon: + + + + + +Eerste Vertelling. + + _Een ridder dient den koning van Spanje. Hij meent daar + slecht voor beloond te zijn. De koning bewijst met zekerheid, + dat het zijn schuld niet is, maar van zijn ongelukkig lot en + geeft hem prachtige geschenken._ + + +Eerbare donna's. Ik moet het als een groote gunst beschouwen, dat onze +koning mij gekozen heeft om het eerst te spreken over zulk een schoone +zaak als de grootmoedigheid, welke evenals de zon de schoonheid en het +sieraad van den ganschen hemel de klaarheid en het licht is van elke +andere deugd. Hierover zal ik U een kleine geschiedenis vertellen, +mijns inziens zeer aardig, en het zal zeker nuttig zijn zich die +te herinneren. Onder de dappere ridders, die sinds lang in onze +stad waren, was er een, misschien de de beste, messer Ruggieri dè' +Figiovanni, rijk en grootmoedig. De levenswijze en de gewoonten van +Toscane beschouwend en ziende, dat, indien hij er bleef, hij weinig +van zijn moed zou kunnen toonen, verkoos hij daarom eenigen tijd te +vertoeven bij Alphonse, koning van Spanje, daar de faam van diens +dapperheid die van elk ander heer in die tijden overtrof. Voornaam +uitgerust met wapens, paarden en dienaren begaf hij zich naar Spanje +en werd door den koning genadig ontvangen. Messer Ruggierri, die +daar luisterrijk leefde en wonderbaarlijke wapenfeiten verrichtte, +deed zich spoedig als een dapper man kennen. Toen hij er een heelen +tijd vertoefd had en op de handelwijzen des konings lette, meende hij +te bemerken, dat die dan aan deze dan aan gene zoo maar een kasteel, +een stad of een baronie schonk, die het niet waard was. En omdat aan +hem, die wist, wat hij beteekende, niets werd gegeven, meende hij, dat +zijn roem er zeer door verminderde en daarom besloot hij te vertrekken +en vroeg aan den koning verlof. De koning stond hem dit toe en gaf +hem een der beste en schoonste muildieren, wat voor de lange reis, +die hij te maken, had zeer door messer Ruggieri werd op prijs gesteld. + +Vervolgens gelastte de koning aan een bescheiden bediende op handige +wijze met messer Ruggieri mede te reizen, zoodat hem dit niet zou +schijnen door den koning te zijn bewerkstelligd. Alles, wat hij zou +zeggen, zou hij goed opvangen en het weten te herhalen en den volgenden +morgen zou hij hem bevelen naar den koning terug te keeren. De bediende +loerde er op, wanneer messer Ruggieri het grondgebied verlaten zou, +kwam op slimme manier in zijn gezelschap en deed hem gelooven, dat +hij naar Italië ging. Terwijl messer Ruggieri den muilezel bereed en +hij over dit en dat sprak, zeide hij, toen het haast drie uur was: +Ik geloof, dat het tijd is onze dieren te laten wateren en nadat zij +in een stal waren gegaan, waterden zij allen behalve de muilezel. Zij +gingen weer voorwaarts; terwijl de stalknecht lette op de woorden +van den ridder, kwamen zij aan een rivier en toen daar hun beesten +gedronken hadden, waterde het muildier daarin. Toen messer Ruggieri +dit zag, zeide hij: Kijk, God make je bedroefd, want jij lijkt, +leelijk beest, op den heer, die jou aan mij gaf. + +De bediende onthield die woorden en hoewel hij er veel opving, daar +hij den ganschen dag met hem reisde, hoorde hij hem verder alles +zeggen tot den hoogsten lof des konings. Toen hij den volgenden dag +naar Toscane wilde rijden, meldde de bediende hem het vorstelijk +bevel. De koning hoorde, wat hij van den muilezel gezegd had, +liet hem roepen, ontving hem met blij gelaat en vroeg hem, waarom +hij hem met zijn muilezel had vergeleken of liever den muilezel met +hem. Messer Ruggieri zei ronduit: Mijn heer, omdat gij op hem gelijkt, +want gij geeft, wanneer het niet moet en niet, wanneer het wel moet, +evenals het dier waterde, toen het niet behoorde en niet, toen het +wel behoorde. Toen sprak de koning: Messer Ruggieri, dat ik U niets +heb geschonken, terwijl ik het velen deed, die bij U vergeleken niets +zijn, komt niet daarvan, dat ik U niet erken als dapper en een groot +geschenk waardig, maar het is Uw noodlot, dat hierin gezondigd heeft, +daar dit mij niet in de gelegenheid liet en dat ik U de waarheid zeg, +zal ik U duidelijk toonen. Hierop antwoordde messer Ruggieri: Mijn +heer, ik ben niet verstoord, omdat ik geen geschenk ontvangen heb, +maar omdat ik van U in geen enkel opzicht een getuigenis ontving van +mijn waarde. Niettemin houd ik Uw verontschuldiging voor eerlijk en ben +bereid te zien, wat gij mij wilt toonen, hoewel ik U zonder bewijzen +geloof. De koning leidde hem toen in een groote zaal, waar, gelijk hij +het van te voren besloten had, twee groote, gesloten koffers waren en +in veler tegenwoordigheid zeide hij: Messer Ruggieri in een van die +koffers is mijn kroon, de koninklijke schepter en de rijksappel en +vele van mijn schoone gordels, ketens, ringen en verdere juweelen; +de andere is vol aarde. Neem er een van en welke gij ook kiest, zal +de Uwe zijn en gij zult kunnen zien, wie ondankbaar is geweest jegens +Uw dapperheid: ik of het lot. Messer Ruggierri koos er een, welken +de koning beval te openen en men vond, dat die vol aarde was. Hierop +sprak de koning lachend: Gij kunt wel zien, messer Ruggieri, dat het +waar is, wat ik U zeg van het lot, maar zeker verdient Uw dapperheid, +dat ik mij tegen zijn krachten verzet. Ik weet, dat gij geen lust hebt +Spanjaard te worden en daarom wil ik U hier noch kasteel noch stad +geven, maar dien koffer, welken de fortuin U ontnam, wil ik U ondanks +haar schenken, en gij kunt dien naar Uw land medenemen en U als bewijs +van Uw moed bij Uw makkers beroemen op mijn geschenken. Messer Ruggieri +nam dien aan en na die dankbetuigingen te hebben geschonken, bij zulk +een gift passend, keerde hij met dezen verheugd naar Florence terug. + + + + + + +Tweede Vertelling. + + _Ghino di Tacco neemt den abt van Cligny gevangen, geneest + hem van maagziekte en laat hem daarna vrij. Deze, naar het + Hof van Rome teruggekeerd, verzoent hem met Paus Bonifacius + en doet hem tot Prior der Hospitaal-Ridders benoemen._ + + +Reeds was de grootmoedigheid van koning Alphonso jegens den +Florentijnschen ridder geprezen, toen de koning, aan wien de +geschiedenis zeer had behaagd, Elisa beval te volgen, die haastig +aldus begon: Teedere donna's. Het kan slechts als een lofwaardige en +grootsche zaak beschouwd worden, dat een koning zich grootmoedig toont +en die gulheid gebruikt jegens iemand, die hem gediend heeft. Maar wat +zullen wij het noemen, als men ons verhaalt, dat een geestelijke een +bewonderenswaardig mildheid heeft toegepast jegens iemand, waar geen +mensch het gelaakt had dien als vijand te behandelen? Zeker niet anders +dan bij den koning een deugd, maar bij den geestelijke een wonder, +daar zij allen gieriger zijn dan de vrouwen en geslagen vijanden van +alle vrijgevigheid. Hoewel iedereen wraak verlangt voor ontvangen +beleedigingen, zoeken de geestelijken, hoezeer zij lijdzaamheid +prediken en ten zeerste de vergiffenis voor beleedigingen, die met +veel meer vuur dan de andere menschen. Dat een priester grootmoedig +was, zult gij duidelijk uit mijn volgende geschiedenis begrijpen. + +Ghino di Tacco, een man berucht om zijn wreedheid en zijn rooftochten, +die uit Siena was weggejaagd en een vijand der graven van Santa Fiore, +deed Radicofani opstaan tegen de Roomsche Kerk en terwijl hij daar +woonde, liet hij door zijn volgelingen ieder, die in de omstreken +voorbijging, uitplunderen. Toen nu Bonifacius VIII Paus was, kwam de +abt van Cligny aan zijn Hof, dien men geloofde een der rijkste prelaten +van de wereld te wezen. Daar hij er zijn maag had bedorven, werd hem +door de doktoren aangeraden zich naar de baden van Siena te begeven. + +Nadat de Paus hem dit had toegestaan, ging hij zonder zich om de faam +van Ghino te bekommeren met praal van lastdieren, paarden en bedienden +op reis. Ghino di Tacco, die zijn aankomst gewaar werd, spande zijn +valstrikken en zonder zelfs een schildknaap te verliezen sloot hij +den abt met zijn heele personeel op een enge plaats in. Hierop zond +hij naar den abt een der zijnen, den best bespraakten, die hem uit +zijn naam op zeer beminnelijke wijze, vroeg of het hem zou behagen +met hem naar het kasteel van Ghino te gaan. Toen de abt dit hoorde, +antwoordde hij verwoed, dat hij het niet wilde, omdat hij niets met +Ghino te maken had, maar dat hij voortging en zou zien, wie het hem +zou beletten. Hierop sprak de bode op nederigen toon: + +Messire, gij zijt op een plaats gekomen, waar wij buiten Gods toorn +niets vreezen en waar de excommunicaties en de banvloeken allen zelf +in den ban zijn gedaan en daarom zou het het best zijn hiermee Ghino +een genoegen te doen. Reeds was bij dit gesprek de gansche plaats +door snorrebaarden omringd, zoodat de abt, die zich gevangen zag met +de zijnen, zeer verontwaardigd met den bode den weg insloeg naar het +kasteel en zijn heele gevolg. Hij werd in een kleine kamer van een zeer +donker en ongeriefelijke verblijf gebracht maar ieder ander werd naar +zijn rang vrij goed in de sterkte gehuisvest en de paarden en de heele +bagage veilig geborgen. Toen begaf Ghino zich naar den abt en zeide: +Messire, Ghino, wiens gast gij zijt, verzoekt U, dat het U behage hem +te zeggen, waar gij heen gaat en waarom. De abt, die verstandig zijn +trots had afgelegd, beduidde hem, waar hij heen ging en waartoe. Ghino +ging daarop weg, en besloot hem zonder bad te genezen en nadat hij +steeds in het kamertje een groot vuur liet branden en het goed liet +onderhouden, kwam hij eerst den volgenden morgen terug en bracht hem +in een blanke doek twee sneden geroosterd brood en een grooten beker +witten wijn van Cornaglia, van denzelfden, dien de abt had en sprak +aldus tot deze: Messer, toen Ghino jonger was, studeerde hij in de +medicijnen en hij beweert, dat er geen beter genezing tegen maagpijn +is dan hij U zal klaar maken, waarvan dit het begin is; neem dit dus +en versterk U. De abt, die meer honger had dan lust om te schertsen, +at, hoewel hij verontwaardiging voorgaf, het brood en dronk den wijn +en sprak uit de hoogte, praatte veel, gaf veel raad en vroeg in het +bijzonder om Ghino te zien. Ghino liet een deel daarvan ijdel maar +waaien, maar op een en ander antwoordde hij zeer beleefd en beweerde, +dat die hem zoo gauw mogelijk zou bezoeken. Toen ging hij heen en +kwam pas den volgenden dag terug met een ander geroosterd brood en +anderen, witten wijn en zoo onderhield hij hem verscheidene dagen, +tot hij merkte, dat de abt droge boonen had gegeten, die hij in +'t geheim mee had gebracht. Daarom liet hij hem zijnentwege vragen, +hoe het met zijn maag was. De abt antwoordde: Die zou mij in orde +schijnen, als ik uit zijn handen was en verder heb ik in niets trek +dan te eten, zoo goed hebben zijn medicijnen mij genezen. + +Ghino, die vervolgens voor hem met zijn eigen bagage en zijn eigen +bedienden een mooie kamer had laten inrichten en een groot gastmaal had +laten maken, waar met vele mannen van het slot het heele personeel van +den abt aanzat, ging den volgenden morgen naar hem toe en sprak tot +hem: Messer, daar gij U zoo wel voelt, is het tijd uit het gasthuis +te vertrekken. Hij leidde hem bij de hand naar zijn gereed gemaakte +kamer, bracht hem bij zijn gevolg en liet een prachtig gastmaal +aanrichten. De abt vermaakte zich met de zijnen en vertelde hun, hoe +zijn leven geweest was, terwijl zij integendeel allen mededeelden, +dat zij wondergoed door Ghino waren ontvangen. Maar op het etensuur +werden de abt en al de anderen behoorlijk van goede spijzen en wijnen +voorzien, zonder dat Ghino zich nog aan den abt deed kennen. Toen +de abt eenige dagen zoo had doorgebracht, liet Ghino in een zaal +zijn heele bagage brengen en op een binnenplaats daaronder al zijn +paarden tot den ellendigsten knol toe, ging naar den abt en vroeg +hem, hoe hij het maakte en of hij zich sterk genoeg geloofde om op te +stijgen. Hierop antwoordde de abt, dat hij flink genoeg was en zijn +maag goed genezen en gaarne uit de handen van Ghino zou raken. Toen +leidde Ghino hem in de zaal, waar zijn bagage was en zijn geheele +personeel en naar een venster, waar hij al zijn paarden kon zien en +sprak: Heer abt, gij moet weten, dat het geen boosheid van ziel geweest +is, die Ghino di Tacco er toe bracht--en die ben ik--straatroover te +worden en een vijand van Rome's Hof, maar dat hij edelman is en arm +uit zijn huis verjaagd en vele en machtige vijanden heeft en zoo zijn +leven en zijn adel moet verdedigen. + +Maar omdat gij mij een waardig heer schijnt en ik U hier de maag +heb genezen, ben ik niet van plan U anders te behandelen dan ik het +een ander zou doen van wien ik, als hij in mijn handen was, dat deel +van het zijne tot het mijne zou maken, dat mij zou behagen, maar ik +wensch, dat gij dit deel van het Uwe tot het mijne maakt, wat gij zelf +verkiest. Hier ligt alles en Uw paarden kunt gij uit dat venster op +de binnenplaats zien. Neem daarom of een deel of alles en blijf of ga +van nu af, gelijk het U bevalt. De abt verbaasd, dat de woorden van +een straatroover zoo edelmoedig waren, onderdrukte dadelijk zijn toorn +en verontwaardiging, en veranderde die daarentegen in welwillendheid, +werd van harte met Ghino bevriend, wilde hem omarmen en zeide: Ik zweer +bij God, dat om de vriendschap te winnen van zulk een man als gij, ik +een veel grooter beleediging zou dulden. Vervloekt zij het noodlot, +dat U tot zulk een afkeurenswaardig beroep dwingt! Daarna liet hij +van zijn vele zaken er zeer weinig en slechts de noodige meenemen en +eveneens van de paarden. Na hem al de anderen te hebben gegeven keerde +hij terug naar Rome. Daar de Paus de gevangenneming van den abt had +vernomen en dit hem zeer verdroot, vroeg hij hem, toen hij hem zag, +of de baden hem goed hadden gedaan. De abt antwoordde lachend: Heilige +Vader, ik heb dichterbij een beter dokter gevonden en hij vertelde +hem het middel, waarover de Paus lachte. Hierop vroeg de abt volgens +zijn belofte uit edelmoedigheid een gunst. De Paus denkend, dat hij +wat anders zou verzoeken, stond hem dit gul toe. Toen sprak de abt: +Heilige Vader, wat ik U wil vragen, is, dat gij genade schenkt aan +Ghino di Tacco, mijn dokter, omdat hij van de waardige mannen, waarvan +ik er velen ontmoette, zeker een van de beste is en welk kwaad hij +ook doet, dit is, meen ik, veel meer een zonde van zijn lot dan van +hem zelf. Verander dus zijn lot en maak dat hij naar zijn rang kan +leven en ik twijfel er dan niet aan, dat het binnen kort U zoo zal +voorkomen als aan mij. De Paus, die groot van ziel was en veel van +waardige mannen hield, wilde dit gaarne doen, mits het was, gelijk +de abt meldde. Ghino kwam zoo onder vrijgeleide ten hove en spoedig +hield de Paus hem voor een waardig man en na zich met hem verzoend te +hebben gaf hij hem een groot prioraat van de Hospitaal-Orde, van welke +hij hem Tempelridder maakte. Dit ambt behield hij, zoolang hij leefde, +als vriend en dienaar der heilige Kerk en van den abt van Cligny. + + + + + +Derde Vertelling. + + _Mithridanes jaloersch op de edelmoedigheid van Nathan wil + hem dooden en zonder deze te kennen, ontmoet hij dien zelf; + onderricht door dezen over het middel daartoe, ontdekt hij hem + in een boschje, dat die er voor had aangewezen, schaamt zich, + als hij hem erkent en wordt zijn vriend._ + + +Het scheen allen een wonder, dat een geestelijke een zaak grootmoedig +behandelde, maar toen de de donna's al met praten ophielden, beval +de koning aan Filostrato voort te gaan, die haastig begon: Edele +donna's. Groot was de mildheid van den koning van Spanje en ook die +van den abt van Cligny, maar het zal U nog wonderlijker voorkomen, +dat een grootmoedig man jegens een ander, die zijn bloed en zijn +leven begeerde, wijs besloot het hem te geven. En hij zou het +geschonken hebben, als de ander het had willen aannemen, hetgeen ik +U zal vertellen. + +Het is zeer zeker, (als men geloof kan hechten aan de woorden van +eenige Genueezen en eenige anderen, die in die streken geweest zijn) +dat er vroeger in zekere gedeelten van Cattajo [189] een man leefde +van edel geslacht en onvergelijkelijk rijk, Nathan, die een bezitting +had bij een straatweg, waar noodzakelijk haast iedereen passeerde, +die van het Westen naar den Levant of van het Oosten naar het Westen +wilde gaan en daar hij grootmoedig en mild was en dit wilde toonen, +liet hij er, daar hij over vele kunstenaars kon beschikken, in korten +tijd het schoonste en rijkste paleis bouwen, dat ooit was aanschouwd en +liet dit voorzien van al wat noodig was om edellieden te onthalen. Hij +had een groot en schoon dienstpersoneel, en liet er met welwillendheid +en eer elk, die kwam onthalen. Hij hield die lofwaardige gewoonte +zóó vol, dat niet alleen het Oosten, maar ook heel het Westen hen +door de faam kende. Toen hij al oud was, zonder dat zijn gulheid +was verzwakt, bereikte zijn roem een jongeling Mithridanes uit een +land niet ver van het zijne, die wetend, dat hij niet armer was +dan Nathan, zoo jaloersch was geworden op zijn roem en zijn deugd, +dat hij zich voornam die met grooter vrijgevigheid of te vernietigen +of te overschaduwen. Na een paleis te hebben laten bouwen gelijk aan +dat van Nathan begon hij de buitensporigste mildheid te betuigen aan +ieder, die daar kwam en hij werd in korten tijd beroemd. Terwijl hij +eens geheel alleen in den hof van zijn paleis was, vroeg een vrouwtje +door een der poorten binnengetreden hem een aalmoes en ontving die en +door een tweede poort weer bij hem gekomen, kreeg zij er nog een en +zoo vervolgens twaalf maal maar de dertiende maal sprak Mithridanes; +Vrouwtjelief, gij zijt niet vlug tevreden, maar niettemin gaf hij +haar de aalmoes. Het oudje zeide: O milddadigheid van Nathan, wat zijt +gij wonderbaar! Want ik werd nooit na door de twee en dertig poorten +van zijn paleis te zijn binnengetreden en hem een aalmoes te hebben +gevraagd door hem herkend, zóó dat hij het toonde, en kreeg die altijd +en hier ben ik er nog geen dertien door gegaan of ik word herkend +en berispt. Zonder terug te keeren ging zij heen. Mithridanes, die +hoorde, dat de roem van Nathan den zijne verminderde, zei in woedende +gramschap ontbrand: O ongeluk over mij! Wanneer zal ik de mildheid +van Nathan in groote dingen bereiken, als ik hem zelfs nog niet in de +kleinsten kan nabij komen? Waarlijk, ik vermoei mij tevergeefs, als +ik hem niet van de wereld stuur, wat ik, daar de ouderdom hem niet +weg voert, zonder twijfel met eigen handen zal moeten doen. Zonder +zijn plan aan iemand mede te deelen en met weinig geleide te paard +gestegen, kwam hij na drie dagen, waar Nathan woonde en na aan zijn +metgezellen bevolen te hebben te doen of zij hem niet kenden, zeide +hij hun een herberg te zoeken tot nader order. Hij trof tegen den +avond alleen gebleven niet ver weg Nathan voor het schoone paleis, +die zonder pronkkleed eenzaam wandelde. Daar hij hem niet kende, vroeg +hij hem te zeggen, waar Nathan woonde. Nathan antwoordde blijmoedig: +Mijn zoon, niemand in deze streek weet het U beter te zeggen dan ik en +daarom zal ik U, als het U behaagt, er heen leiden. De jongeling zeide, +dat dit hem zeer aangenaam zou zijn, maar dat hij zoo mogelijk door +Nathan noch gezien noch gekend wilde worden. Nathan sprak toen: Dit +zal ik doen, omdat U dat wilt. Toen Mithridanes was afgestegen, ging +hij met Nathan in aangenaam gesprek naar diens prachtig paleis. Hier +liet Nathan door een van zijn bedienden het paard van den jonkman +vasthouden en fluisterde hem in, dat hij haastig aan allen in het +paleis zou mededeelen, dat niemand aan den jongeling zou zeggen, +dat hij zelf Nathan was. Hij liet Mithridanes in een zeer schoone +kamer, waar niemand hem zag uitgezonderd zij, wien zijn bediening +was opgedragen, liet hem prachtig onthalen, en hield hem zelf +gezelschap. Terwijl Mithridanes bij hem bleef, vroeg hij hem toch, +hoewel hij hem vaderlijk eerbiedigde, wie hij was. Nathan antwoordde: +Ik ben een geringe dienaar van Nathan: ik ben van af mijn jeugd met +hem oud geworden en hij gebruikte mij nooit voor iets anders dan +voor wat gij ziet, zoodat, hoewel ieder ander hem zeer prijst, ik het +slechts weinig kan doen. Deze woorden gaven aan Mithridanes hoop met +meer overleg en sluwheid zijn verraderlijk plan uit te voeren. Nathan +vroeg hem zeer beleefd, wie hij was en wat hem daarheen voerde en +bood hem zijn raad en zijn hulp aan, waarin hij dit kon. + +Mithridanes wachtte een oogenblik en besluitend zich hem toe te +vertrouwen, vroeg hij met een lange omhaal zijn woord en daarna raad +en hulp, zei, wie hij was en waarom hij kwam. Nathan was waarlijk +hierbij geheel onthutst maar zonder te lang te dralen antwoordde hij +met een gerust hart en een onbewogen gelaat: Mithridanes, Uw vader +was een edel mensch, van welken gij niet moogt ontaarden, nu gij +zulk een trotsch besluit genomen hebt jegens allen grootmoedig te +zijn en ik prijs U zeer om Uw afgunst op de deugd van Nathan. Als er +meer zoo waren, zou de wereld die nu zeer ellendig is, spoedig goed +worden. Uw voorstel zal geheim blijven, maar ik kan er eer nuttigen +raad dan groote hulp voor verleenen, en wel deze: Gij kunt van hier +misschien op een halve mijl afstand een boschje zien, waarin Nathan +elken morgen geheel alleen voor ontspanning een lange wandeling +doet; daar is hij gemakkelijk te treffen. Ga, indien gij hem doodt, +opdat gij zonder hindernis naar huis terugkeert, niet denzelfden weg +terug, maar dien gij links uit het bosch ziet komen, omdat deze een +weinig meer ongebaand dichter bij Uw huis is en veiliger. Daarna liet +Mithridanes in 't geheim aan zijn metgezellen weten, waar zij hem den +volgenden dag moesten wachten. Nathan ging onveranderlijk in zijn +gevoelens volgens den raad, dien hij had gegeven, naar het boschje +om te sterven. Mithridanes nam zijn boog en zijn degen,--want andere +wapens had hij niet,--ging er te paard heen en zag Nathan van verre +alleen wandelen. Voor hij hem aanviel, wilde hij hem zien en spreken, +liep op hem toe, greep hem bij den doek op het hoofd en zeide: +Grijsaard, gij zijt des doods! Nathan antwoordde er niets op als: +Dan heb ik dien verdiend. Mithridanes, die hem aan stem en gelaat +herkende, als degene, die hem welwillend had ontvangen en trouw had +geraden, liet opeens zijn woede varen en zijn toorn veranderde in +schaamte. Daarop steeg hij af na den degen te hebben weggeworpen, +viel klagend Nathan te voet en zeide: Nu ken ik Uw gastvrijheid, +dierbare vader, nu ik zie hoe, gij hier gekomen zijt om mij Uw leven +te geven, wat ik zonder rede toonde te begeeren. Maar God, die meer +nauwgezet is op mijn plicht dan ik, heeft op het ware oogenblik mijn +oogen geopend, die gesloten waren door ellendigen nijd. En ik verdien +te meer straf voor mijn dwaling, naarmate gij meer bereid waart, mij +te dienen. Neem die wraak, welke gij voor mijn zonde eischt. Nathan +hief hem op, omhelsde en kuste hem teeder en sprak: Mijn zoon, voor +uw plan of gij het misdaad of hoe ook noemen wilt, behoeft gij geen +vergeving te vragen, omdat gij het niet uit haat hebt gevolgd maar om +voor braver door te gaan. Leef ongestoord voort en wees er zeker van, +dat er niemand is, die zooveel van U houd als ik, want ik begrijp den +trots van Uw ziel, die er zich aan wijdde niet slechts te verzamelen, +gelijk de ellendigen doen, maar het verzamelde te besteden. Evenmin +behoeft gij U te schamen mij uit roemzucht te dooden noch te denken, +dat ik mij er over verwonder. De beroemdste keizers en de grootste +koningen hebben niet anders dan door moorden niet één man, zooals gij +het wilde, maar oneindig veel menschen gedood, de landen plat gebrand +en de steden vernield om hun rijken te vergrooten en bijgevolg hun +roem. Als gij om U meer beroemd te maken mij hebt willen dooden, +hebt gij niets wonderlijks of nieuws gedaan, maar iets zeer gewoons. + +Mithridanes, die zijn boos plan niet verontschuldigde, maar die de +vereerende verontschuldiging van Nathan zeer prees, zeide, dat hij +zich zeer verwonderde over den raad, dien bij hem gaf. Hierop zei +Nathan: Mithridanes, verwonder U niet, omdat ik, sinds ik mijn eigen +wil had en besloot hetzelfde te doen als gij, niemand ooit in mijn +huis ontving, dien ik niet voldeed, wat hij ook vergde. Gij zijt +hier gekomen begeerig naar mijn leven, daarom, opdat gij ook niet +onbevredigd zoudt weggaan, besloot ik het U te schenken. Ik gaf U den +raad, dien ik, geschikt achtte; U mijn leven te geven en U het Uwe +niet te doen verliezen. Gij kunt het nog nemen, daar ik het niet beter +weet te besteden. Ik heb het al tachtig jaar voor mijn genoegens en +voor mijn weldadigheid gebruikt en ik volg den loop der natuur, die +mij nog maar weinig tijd overlaat. Daarom acht ik het veel beter dat +te offeren, gelijk ik steeds mijn schatten gegeven en verteerd heb, +dan dit te bewaren tot het tegen mijn wil mij door de natuur wordt +ontnomen. Het is een klein geschenk honderd jaar te geven; hoeveel +minder is het dan niet de zes of acht te schenken, die ik nog heb te +leven? Neem het dus, als dit U bevalt, bid ik U, omdat ik, terwijl +ik hier geleefd heb, niemand vond, die het heeft begeerd, en ik ook +niemand zal vinden, die het wenscht. En mocht ik nog iemand vinden, +dan weet ik, dat hoe langer ik het houd, hoe minder het waard zal zijn; +en omdat het minder waard wordt, bid ik U het te nemen. Mithridanes +zeide beschaamd: God verhoede, dat ik uw zoo kostbaar leven neem of dat +ik er de begeerte toe krijg als voor kort, wat ik niet met zijn jaren +wil verminderen maar gaarne met de mijne verlengen. Nathan sprak snel: +Wel, gij kunt het verlengen en schenk mij uw leven, die nooit iets van +anderen nam. Goed, zeide Mithridanes. Dan, sprak Nathan, handel, gelijk +ik zeg. Blijf als jongeling in mijn huis en noem U Nathan en ik zal +naar het Uwe gaan en Mithridanes heeten. Toen antwoordde Mithridanes: +Indien ik nu wist te handelen als gij, zou ik het aannemen, maar omdat +mijn handelwijzen den roem van Nathan zouden verminderen en ik niet bij +anderen wil bederven, wat ik bij mezelf niet wist te verkrijgen, zal ik +dit niet aannemen. Bij deze geestige woorden gingen zij naar het paleis +terug, waar Nathan Mithridanes prachtig onthaalde en hem met al zijn +vernuft en wetenschap in zijn grootsch plan versterkte. Mithridanes +ging met zijn gezelschap huiswaarts, nadat Nathan hem wel had doen +ondervinden, dat hij hem nooit in mildheid zou kunnen overtreffen. + + + + + +Vierde Vertelling. + + _Messer Gentil de' Carisendi haalt teruggekeerd van Modena een + donna door hem bemind, die voor dood is begraven, uit het graf, + welke hersteld een zoon baart en messer Gentile geeft haar en + den zoon terug aan Niccoluccio Caccianimico, haar echtgenoot._ + + +Het scheen allen een wonder, dat iemand zoo vrijgevig was met zijn +eigen bloed en zij erkenden, dat Nathan werkelijk den koning van +Spanje en den abt van Cligny overtrof. Toen er over een en ander +genoeg gezegd was, beduidde de koning Lauretta, dat zij zou spreken, +die opgewekt begon: + +Jonge donna's. De verhalen waren prachtig en het schijnt mij, +dat er niets voor ons overblijft te vertellen, zoo grootsch waren +die. Alleen liefdesgeschiedenissen geven nog voor elk onderwerp +de overvloedigste stof tot spreken. En zoowel hierdoor en omdat +onze leeftijd ons daartoe hoofdzakelijk leidt, behaagt het mij U de +grootmoedigheid van een minnaar vertellen, welke wel beschouwd U niet +minder zal schijnen dan een der verhaalde feiten, indien het waar is, +dat men de schatten geeft, dat men de vijandigheden vergeet en dat men +het leven, de eer en den roem, die veel meer waard zijn in duizende +gevaren brengt om het beminde voorwerp te bezitten. + +Er leefde dan in Bologna, die zeer edele stad van Lombardije, een +ridder zeer gezien om zijn deugd en den adel van zijn bloed, Gentil +Carisendo, een jonkman, die verliefd werd op een edelvrouw, madonna +Catalina (Catharina), de echtgenoote van een zekeren Niccoluccio +Caccianimico. Omdat zijn liefde door haar slecht werd beantwoord, +vertrok hij, tot baljuw van Modena benoemd, wanhopig. In dien tijd, +terwijl Niccoluccio te Bologna was en de donna op een harer bezittingen +misschien drie mijlen van de stad, waar zij voor haar zwangerschap +heenging, werd zij door zulk een ernstige ongesteldheid getroffen, +dat zij door elken dokter voor dood werd gehouden. Daar haar naaste +verwanten uit haar eigen mond hadden vernomen dat het kind nog niet +rijp kon zijn, begroeven zij haar met veel geklaag in een tombe van +een kerk daar in de buurt zonder zich verder ongerust te maken. Dit +werd dadelijk door een vriend bericht aan messer Gentil, die, hoewel +hij zeer weinig van haar welwillendheid had genoten, er zeer bedroefd +over was en dacht: Zie, mevrouw Catalina, gij zijt dood; zoolang gij +leefde, heb ik nooit één blik van U gehad, daarom nu gij U niet meer +kunt verzetten, moet ik een kus van U hebben. 's Nachts gaf hij zijn +bevelen, opdat zijn vertrek geheim bleef, steeg met een bediende te +paard en zonder oponthoud bereikte hij de tombe, opende die, waarin hij +binnenging, legde zich naast haar zijn gelaat bij het hare en kuste +het meermalen met vele tranen. Daar wij de wenschen der mannen nooit +bevredigd zien, maar die steeds vermeerderen en in het bijzonder die +der minnaars en hij besloten had er niet langer te blijven, zeide hij: +Wel, waarom zou ik haar niet even de borst aanraken? Ik mag die nooit +meer beroeren en raakte die nooit aan. Door dit verlangen overwonnen +legde hij de hand op haar boezem en toen hij die daar eenigen tijd +gehouden had, scheen het hem, dat haar hart nog sloeg. Toen hij alle +vrees van zich verjaagd had, bevond hij, dat zij zeker niet dood was, +hoe gering en zwak hij haar leven ook achtte; daarom trok hij haar zoo +zacht hij kon met behulp van zijn bediende uit de tombe en na haar +voor zich op het paard te hebben gelegd, bracht hij haar heimelijk +in zijn huis in Bologna. Daar was zijn moeder, een waardige en wijze +vrouw, die, nadat zij van haar zoon alles vernam, door medelijden +bewogen langzaam met groote hitte en een bad het verzwakte leven terug +riep. Toen zij tot zich zelf kwam, stiet zij een grooten zucht uit en +zeide: Wee mij! Waar ben ik? Waarop de waardige donna antwoordde: Houdt +U goed, je bent op een goede plaats. Tot bezinning gekomen en niet goed +wetend, waar zij was en messer Gentile voor zich ziende, vroeg zij vol +verbazing zijn moeder haar te zeggen, hoe zij daar kwam, waarop messer +Gentil alles vertelde. Zij, hierover bedroefd, bedankte hem, zooveel +zij kon en bad hem bij de liefde, die hij haar vroeger toedroeg en +uit beleefdheid, dat er niets zou gebeuren, wat tegen haar eer en die +van haar man ging en haar, als het dag werd, naar haar eigen huis te +laten terugkeeren. Messer Gentile antwoordde: Madonna. Hoedanig mijn +verlangen ook eertijds was, ik ben thans niet van plan noch voortaan +(daar God mij die genade schonk U uit den dood aan het leven terug te +geven dank zij de liefde, die ik U vroeger toedroeg) U noch hier noch +elders anders dan als geliefde zuster te behandelen maar de dienst, +dien ik U vannacht bewees, verdient een belooning en daarom wil ik, +dat gij mij die schenkt. De donna verklaarde zich hiertoe bereid, +mits die gunst eerbaar was. Messer Gentil sprak toen: Madonna, al Uw +verwanten en alle Bologneezen gelooven stellig, dat gij gestorven +zijt. Ik verlang van U, dat gij hier zult blijven met mijn moeder, +tot ik spoedig van Modena terugkeer. De reden hiervan is, dat ik U +in tegenwoordigheid der beste burgers een duur en feestelijk geschenk +wil geven. De donna, die zich verplicht gevoelde, stemde toe, hoezeer +zij ook verlangde haar familie te verheugen en beloofde het hem op +haar woord. Kort daarna meende zij te moeten bevallen en met zorg +geholpen door de moeder van messer Gentile beviel zij weldra van een +schoonen knaap, wat de vreugde van messer Gentil en van haar zeer +verhoogde. Messer Gentile beval, dat zij van alles werd voorzien, +behandeld als zijn eigen vrouw en keerde in 't geheim naar Modena +terug. Toen daar de tijd voor zijn baljuwschap om was, keerde hij +naar Bologna terug. Den ochtend, dat hij zou binnen komen, beval hij +voor vele edele lieden van Bologna een groot gastmaal te bereiden, +waarbij Niccoluccio Caccianimico tegenwoordig zou zijn. Toen hij +zich bij hen bevond, zag hij de donna schooner en gezonder terug dan +ooit en het zoontje welvarend, zette met opgeruimdheid zijn gasten +aan tafel en liet ze van allerlei spijzen bedienen. Toen het maal +haast geëindigd was, begon hij, die met de donna alles geregeld had, +aldus te spreken: Heeren, ik herinner mij eens te hebben gehoord, +dat er in Perzië een aardig gebruik bestond namelijk, wanneer iemand +zijn vriend ten hoogste wilde onthalen, hem bij zich uit te noodigen +en hem vrouw, vriendin of dochter te toonen of wat hem het dierbaarst +was met het verzoek, dat ook deze zou zeggen, wat hem het liefst was +en ik doe dit nu hier in Bologna. Gij hebt mijn gastmaal eer aangedaan +en wil u op zijn perzisch ontvangen door u het dierbaarste te toonen, +wat ik op de wereld heb. Maar eer ik dit doe, bid ik u mij te zeggen, +wat gij denkt van den twijfel, dien ik in mij omdraag. Iemand heeft +een goed en trouw dienaar, die ernstig ziek wordt; zonder het einde +van den zieke af te wachten, laat hij hem midden op straat dragen +en zorgt niet meer voor hem; er komt een vreemde en bewogen door +medelijden verzorgt hij hem en met groote kosten wordt hij weer +gezond. Nu zou ik willen weten of, als hij dien in zijn dienst houdt, +zijn eerste meester zich terecht kan beklagen over den tweede, indien +die, als hij den dienaar terugvraagt, dezen niet afstaat. De edellieden +kwamen tot één besluit en droegen Niccoluccio Caccianimico op, omdat +hij een goed spreker was, te antwoorden. Deze prees het perzisch +gebruik en meende als de anderen, dat de eerste meester geen recht +meer op zijn dienaar had, omdat hij hem in dit geval niet alleen had +verlaten maar zelfs verstooten en dat het, voor de diensten door den +tweeden bewezen, rechtvaardig was, dat hij diens knecht werd, en hij, +door hem te houden, den eerste geweld noch beleediging aandeed. Alle +aanwezigen zeiden hetzelfde. De ridder hierover tevreden beweerde, +dat hij van een andere meening was en zeide daarentegen: Het is +tijd, dat ik u volgens mijn belofte eer bewijs. Hij liet door twee +knechts de donna halen, die hij rijk had getooid, en verzocht haar +om de edellieden met haar tegenwoordigheid te vereeren. Met haar mooi +knaapje op den arm kwam zij in de zaal en ging naast een waardig man +zitten. Hij sprak: Heeren, dit is het dierbaarste, wat ik heb. Ben ik +in mijn recht? De edellieden vierden haar zeer en zeiden den ridder, +dat hij haar moest liefhebben. Er waren er verscheidene, die hem gezegd +zouden hebben, wie zij was, als zij haar niet dood hadden gewaand. Maar +vooral Niccoluccio keek haar aan, die, toen de ridder even heen ging, +daar hij brandde om te weten of ze het was, zich niet houden kon, en +haar vroeg of zij uit Bologna was of een vreemde. De donna, door haar +echtgenoot ondervraagd, zweeg om de afspraak te houden. Een ander vroeg +of dit haar zoontje was en gene of zij de vrouw was van messer Gentile +of met hem verwant; hierop antwoordde zij niets. Maar toen messer +Gentile terug kwam, zeide een der gasten: Messire, zij is schoon, +maar zij schijnt mij stom. Is zij dit? Heeren, sprak messer Gentile, +dat zij tot nu toe niet gesproken heeft, is geen klein bewijs van haar +deugdzaamheid. Zeg dan, wie zij is. De ridder sprak: Dat zal ik gaarne +doen, mits gij mij belooft, dat niemand van zijn plaats zal bewegen, +voor ik geëindigd heb en hierna, toen de tafel al was opgeheven, sprak +messer Gentile, die naast de donna ging zitten: Heeren, deze donna is +die eerlijke dienaar, waarover ik U sprak, deze werd geminacht en als +gemeen en nutteloos op de straat geworpen, en door mij opgenomen. Door +mijn zorg heb ik haar uit den dood opgehaald en God, die lette op +mijn barmhartigheid, heeft haar van een afschrikwekkend lichaam weer +schoon doen worden. Maar ik zal U in het kort verklaren, wat mij is +overkomen, Hij vertelde van zijn verliefdheid af alles uitvoerig tot +aller groote verbazing en voegde er nog aan toe: Als gij dus niet +sinds zooeven van gevoelen zijt veranderd en vooral Niccoluccio, is +die donna met recht de mijne en kan niemand haar met reden van mij +weer opeischen. Niemand antwoordde, maar alle wachtten af. Men weende +van ontroering; messer Gentile stond op, nam den kleinen jongen in +zijn armen en de donna bij de hand en sprak tot Niccoluccio: Sta op, +peetvader, ik geef U deze niet als Uw vrouw terug door Uw familie +en haar verwanten verstooten maar als mijn petemoei en dit knaapje, +waarvan ik zeker ben, dat het van u is, dat ik ten doop hield en +Gentile heb genoemd. Ik bid u, dat zij, daar zij drie maanden in mijn +huis is geweest, u niet minder dierbaar zal zijn. Want ik zweer u bij +dien God, die mij op haar verliefd maakte, misschien om haar te redden, +dat zij nooit eerbaarder bij haar ouders of u heeft geleefd dan bij +mijn moeder in mijn huis. Hierbij wendde hij zich naar de donna en +sprak: Madonna, ik ontsla u van elke belofte mij ooit gedaan en geef +u over aan Niccoluccio en hij sloot de donna en het kind in diens +armen. Niccoluccio ontving verlangend zijn donna en haar zoontje +en des te meer verblijd, naarmate hij meer wanhopend was geweest en +zoo goed hij kon, bedankte hij den ridder. Al de anderen weenden van +ontroering en prezen hem zeer en ieder, die het later hoorde. De donna +werd met groote vreugde tehuis ontvangen en zij werd met verbazing +langen tijd door de Bologneezen beschouwd. Messer Gentile leefde +steeds als vriend van Niccoluccio en zijn verwanten en die der donna. + +Wat zult gij hier zeggen, welwillende donna's? Zoudt gij denken, +dat een koning, die zijn schepter en kroon geeft en een abt, die +zonder schade een misdadiger met den Paus verzoende of een oude, die +zijn keel biedt aan het mes van een vijand, vergeleken kunnen worden +met de daad van messer Gentile, die jong en vurig, te recht meenend +te bezitten, wat de dwaasheid van anderen had weggeworpen en wat hij +door goed geluk had gevonden, niet alleen zijn liefde matigde maar ook +terug gaf, wat hij langen tijd begeerd had en zocht te rooven. Zeker +schijnt niets van het verhaalde mij hieraan gelijk. + + + + + + +Vijfde Vertelling. + + _Madonna Dianora eischt van messer Ansaldo een tuin in + Januari even schoon als in Mei. Messer Ansaldo geholpen door + een toovenaar, geeft haar dien. De echtgenoot staat toe, + dat zij messire Ansaldo ter wille is, die dit hoorend haar + van haar belofte ontslaat en de toovenaar, zonder iets van + hem te verlangen, beschouwt hem als vrij van schuld._ + + +Ieder van het vroolijk gezelschap verhief messer Gentile tot in de +wolken, toen de koning beval Emilia te volgen, welke onbeschroomd +verlangend te spreken, aldus begon: Teedere donna's, Niemand kan +ontkennen, dat messer Gentile ridderlijk gehandeld heeft, maar als +men wilde beweren, dat men het niet noch schooner kan, zou het niet +moeilijk zijn dit te weerleggen. Dit wil ik u in mijn verhaal toonen. + +In Frioli, een koud land, maar vroolijk door schoone bergen, +vele rivieren en heldere bronnen, leefde in een stad Udine, een +mooie edelvrouw madonna Dianora, de gade van een voornaam, rijk man +Gilberto, aardig en van knap uiterlijk. De donna won de liefde van +een edelen en grooten baron, messire Ansaldo Gradense, een man van +ondernemingsgeest en door zijn wapenfeiten en hoffelijkheid bij allen +bekend. Hij deed alles, wat hij kon, om door haar bemind te worden +en zond haar daartoe vaak boodschappen maar vergeefs. En daar de +verzoeken van den ridder de donna hinderden en zij zag, dat hij niet +ophield door haar weigeren noch haar te beminnen noch haar te bidden, +bedacht zij door een naar haar meening onmogelijken eisch zich van +hem te ontdoen en sprak tot een vrouw, die dikwijls zijnentwege tot +haar kwam, aldus: Goede vrouw, gij hebt dikwijls beweerd, dat messer +Ansaldo mij boven alles liefheeft en gij hebt wonderbare geschenken +uit zijn naam aangeboden, die ik niet aannam, maar indien ik er +zeker van ben, dat hij mij zóó liefheeft, als gij zegt, zou ik zeker +trachten hem lief te hebben; indien hij wil beloven, wat ik hem zal +vragen, zal ik tot zijn beschikking zijn. De goede vrouw zeide: Wat +verlangt gij van hem? Zij antwoordde dit: Ik wil in de komende maand +Januari bij deze stad een tuin vol groen gras, bloemen en boomen met +bladeren evenals in Mei; als hij dit niet geeft, laat hij u dan niet +meer sturen, omdat, als hij mij weer zal hinderen, ik mij bij mijn +man en familie zal beklagen, wien ik tot nu toe alles verborg. + +De ridder, die het voorstel van de donna hoorde, nam zich toch voor, +hoe moeilijk en onmogelijk het hem scheen, het te beproeven en +ging in vele deelen der wereld iemand zoeken om hulp en raad. Hij +ontmoette iemand, die aanbood voor veel geld het te bewerkstelligen +door tooverij. Toen messer Ansaldo voor een zeer groote som het met +hem eens werd, wachtte hij verheugd den hem gestelden tijd af. Het +was toen zeer koud en alles vol sneeuw en ijs en de waardige man +handelde in een zeer schoone weide vlak bij de stad in den nacht +voor één Januari zóó, dat op den morgen volgens ooggetuigen, een der +schoonste tuinen verscheen met gras en boomen en vruchten van allerlei +soort. Toen messire Ansaldo dit gezien had, liet hij zeer verheugd er +de schoonste vruchten en bloemen plukken, liet die in 't geheim zijn +donna aanbieden en haar uitnoodigen den tuin, door haar geëischt, +te zien, en dat zij zich de belofte zou herinneren en die zou houden. + +De donna hoorde door velen over den wonderbaren tuin spreken, en kreeg +berouw. Maar daar zij begeerig was wonderen te zien, ging zij er met +vele andere donna's van de stad heen, prees die niet zonder verbazing, +en ging, bedroefder dan eenige vrouw, naar huis denkend aan wat zij +verplicht was. Zij kon haar smart niet verbergen; de echtgenoot merkte +dit en wilde de reden weten. De donna zweeg uit schaamte; ten laatste +vertelde zij hem alles. Gilberto werd eerst heel kwaad. Toen de reine +bedoeling van de donna in aanmerking nemend, gaf hij zijn besten raad +na zijn toorn te hebben verdreven: Dianora, het is geen daad van een +wijze of eerbare donna zulk een boodschap aan te hooren noch op eenige +voorwaarden haar eerbaarheid aan een verdrag te wagen. Woorden in het +hart opgenomen, hebben grooter kracht dan velen denken en bijna alles +wordt voor minnaars mogelijk; gij hebt dus slecht gehandeld. Maar omdat +ik de reinheid van uw ziel ken, zal ik om u van uw belofte te ontslaan, +u dat toestaan, wat wellicht geen ander zou veroorloven ook, omdat +ik bang ben voor den toovenaar, waardoor misschien messer Ansaldo, +als gij met hem spot, ons schade zou doen. Ik wil, dat gij naar hem +toe gaat en u best doet, zooveel gij kunt, dat gij met het oog op uw +eerbaarheid van die belofte bevrijd wordt. Zoo het niet anders kan, +geef hem dan ditmaal uw lichaam maar niet uw ziel. De donna weende en +weigerde hem zulk een gunst toe te staan. Gilberto, hoezeer de donna +zich ook verzette, wilde, dat het geschiedde. De donna ging, toen +het daagde, zonder veel opschik met twee dienaren en een kamervrouw +naar messere Ansaldo. Toen deze dit hoorde, verbaasde hij zich zeer, +liet den toovenaar roepen en sprak: Zie, hoeveel goeds uw kunst mij +verschafte! Hij ontving haar met eerbied, beteugelde zijn begeerte, +en nadat hij haar en de anderen in een fraaie kamer met een groot +vuur had laten plaats nemen, zeide hij: Madonna, ik smeek u, indien +de langdurige liefde, die ik u heb toegedragen, eenig loon verdient, +dat het u niet zal hinderen mij de ware reden mede te deelen van uw +vroege komst met dit geleide. + +De donna beschaamd en met de tranen in de oogen, antwoordde: Messere, +geen liefde, noch de gegeven belofte leidden mij hier, maar het bevel +van mijn echtgenoot, die meer lettend op de smarten van uw onbeteugelde +liefde dan op zijn en mijn eer, mij hierheen stuurde en daarom ben ik +voor deze keer tot uw beschikking. Messer Ansaldo, die eerst over de +donna verwonderd was, verbaasde zich nu nog meer en door de gezindheid +van Gilberto bewogen veranderde zijn hartstocht in medelijden en +hij zeide: Madonna, God verhoede, dat ik de eer schend van hem, +die zich over mijn liefde ontfermt en daarom zult gij hier zijn als +mijn zuster en als het u aangenaam is, kunt gij vrij vertrekken op +voorwaarde, dat gij aan uw man voor zooveel beleefdheid die gunsten +schenkt, die gij goed zult achten en gij mij altijd in de toekomst +tot broeder en dienaar wilt hebben. De donna blijder dan ooit sprak: +Als ik op uw gewoonten let, had ik niets anders van u verwacht, +waarvoor ik u altijd verplicht zal zijn. En na afscheid te hebben +genomen, ging zij eervol begeleid terug naar Gilberto en vertelde +hem het gebeurde. Daaruit kwam tusschen hem en messer Ansaldo een +innige en trouwe vriendschap voort. De toovenaar, voor wien messer +Ansaldo zich gereed maakte de beloofde som te geven, zeide, toen hij +de mildheid van Gilberto jegens Ansaldo en die van messer Ansaldo +jegens de donna zag: God beware mij, dat ik, die de edelmoedigheid van +Gilberto jegens u bemerkte, niet even mild zou zijn en daarom wil ik, +dat het uwe blijft, wat ik weet, dat u te pas kan komen. De ridder +schaamde zich en deed zijn best hem alles of een deel te betalen, +maar tevergeefs. Na drie dagen deed de toovenaar zijn tuin verdwijnen +en beval hem Gode aan. Ansaldo na zijn overspelige liefde te hebben +overwonnen bleef ontgloeid in een eerlijke vriendschap voor haar. + +Wat zullen wij zeggen, verliefde donna's! Zullen wij de dood gewaande +donna en de liefde reeds verkoeld door de verloren hoop tegenover +die edelmoedigheid van messer Ansaldo kunnen stellen, die meer dan +ooit liefheeft en door meer hoop ontbrand is en in zijn handen de +zoo lang gevolgde prooi houdt? Het schijnt mij dwaas te gelooven, +dat die edelmoedigheid daarmee is te vergelijken. + + + + + + +Zesde Vertelling. + + _De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong + meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij + haar en haar zuster eervol uit._ + + +Wie zou de verschillende redeneeringen der donna's kunnen navertellen +over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de +toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de +koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten +zou maken en zij begon zonder verwijl aldus: + +Schitterende donna's. Altijd was ik van meening, dat men in een +gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er +geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit +past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt +zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die +misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door +het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, +niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, +die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord +van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen +tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, +waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen +er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti +[190], met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens +anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op +een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging +hij naar Castello da Mare di Distabia. + +Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven +en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een +landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en +daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar +ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die +met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi +mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om +wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen +tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar +de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een +vriendelijker manier moest behandelen en liet hem melden, dat hij met +vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin +wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde +alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen. + +Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en +geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den +vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan +graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te +nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren +gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen +uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening +was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde +over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, +waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond +als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm +gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt +met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het +nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de +voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar +vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter +een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en +onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de +andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning +verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat +beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten +voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op +den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide +traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een +der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op +den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten +begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen. + +De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich +verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van +den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd +vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven +legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel +den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op +tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er +op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en +zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken +had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, +gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, +die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt hadden, kwamen uit den +vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat +niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat +zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs +den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden +die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, +maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig +elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, +dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds +meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte +groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich +niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest +beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie +de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn +dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, +de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze +zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit +niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op +te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf +met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende +vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij +wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving: + + + Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht, + Lang kan men daar niet van verhalen .... + + +met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met +genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar +waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof +aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch +schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn +metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een +en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de +vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook +voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet +vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en +hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets +anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer +Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den +tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was +hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet +één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als +zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, +hem zeide: Mijn heer, ik verwonder mij er zeer over, wat gij mij zegt +en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van +af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij +in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, +nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, +dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er +over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking +neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een +onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt +met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om +te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde. + +Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig +jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd +de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn +huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren +ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel +vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet +en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de +geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit +rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou +meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn +hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, +dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een +ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die +bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik +herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te +hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint +gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust +en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd. + +Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem +te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na +eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, +hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een +goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het +verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo +aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden +zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort +daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich +zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen +voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor +hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest +voor zich zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als +de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van +dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan +messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo +della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te +hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië +en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, +zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, +voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef. + +Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor +een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar +ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een +verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar +liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de +grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, +eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve. + + + + + +Zevende Vertelling. + + _Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die + de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar + daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en + noemt zich sedert voor altijd haar ridder._ + + +Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de +mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel +een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon +Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna's. Er is geen +verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve +wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt +misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens +een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen. + +Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en +leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo +Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al +verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van Aragon, heer +van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar +feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: +Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna's zat, en +hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het +feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, +kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge +liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar +nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar +toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer +verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, +wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat +haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd +zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden +hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, +maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar +in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar +voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom +verzocht zij haar vader Minuccio d'Arezzo bij haar te brengen. Minuccio +werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en +was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat +wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij +haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden +gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en +zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, +terwijl hij haar geloofde te troosten. + +Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: +Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt +mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik +zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem +bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in +den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht +mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel +verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder +smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het +niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan +mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het +niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, +opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend +gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar +trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, +hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn +woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij +uw liefde gericht hebt op zulk een groot koning en bied u mijn hulp +aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan--wat u moet sterken--dat, +voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u +zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk +beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed +te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren +Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde +hem op haar verzoek het volgende lied te maken: + + + Liefde, ga en ijl tot mijn Heer, + Spreek hem van de pijnen die ik draag: + En zeg hem, dat ik sterven zal, + Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen. + + Amor, ik smeek u met gevouwen handen, + Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft, + Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin, + Zoo zoet verliefd is mijn harte: + En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt, + Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur, + Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart, + Die ik verduur in verlangen naar hem + In vrees en in schaamte. + Ach! Om Gods wil, doe het hem weten. + + Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd, + Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven, + Zoodat ik geen enkele maal + Hem mijn hartewensch kon openbaren, + Die mij zoo in spanning houdt. + Het is wreed zoo te sterven. + Misschien dat het hem zou behagen, + Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel + En als gij mij den moed hadt gegeven + Om mij het hem te doen weten. + + Daar dit, Amor, u niet behaagde, + Mij die beslistheid te geven, + Dat mijn Heer mijn hart kent, + Hetzij door een boodschap of door een teeken, + Vraag ik u de genade, mijn zoete heer, + Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren, + Den dag, toen ik hem zag met schild en lans + Met andere ridders in strijd, + Toen ik hem bleef aanschouwen. + Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat. + + +Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende +wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar +het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken +liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de +koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend +en gespannen te luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen +Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat +hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de +woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen +de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven +openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, +toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem +alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje +zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde +ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen +zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken. + +Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, +ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles +en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover +zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met +verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, +die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht +en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij +nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, +deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van +den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, +waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter +het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is +nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, +dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, +wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, +als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; +wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo +begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop +het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar +bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest +anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, +dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen +het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles +lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, +of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van +die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde +doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult +zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en +hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, +dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij +eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost, ging hij +weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als +een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door +de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner +dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had +behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij +eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis +van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn +dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna's en zij ontvingen +het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken +had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt +toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, +dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, +dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te +verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te +verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel +rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte +stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik +verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, +maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, +dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, +dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo +en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van +mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar +verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; +tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, +beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, +dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil +steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man +nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer +en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel +moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u +die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek +ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, +zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor +zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God +u genade en loon, want ik kan het niet. + +Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even +verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, +een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst +te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning +en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en +Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee +zeer goede en vruchtbare landgoederen en hij sprak: Dezen geven wij +u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later +zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht +van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het +voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, +maakten een blijde bruiloft. + +Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het +meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde +en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem +door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der +onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen +en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den +boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek +zijn geworden. + + + + + +Achtste Vertelling. + + _Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die + van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar + Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te + worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om + dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, + dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige + zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in + vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot + vrouw en deelt met hem al zijn goederen._ + + +Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen +had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings +aldus: Grootmoedige donna's. Wie weet niet, dat de koningen allerlei +groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen +in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, +wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder +verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van +wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En +als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel +ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, +wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom +wil ik u de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee +medeburgers en vrienden. + +In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, +het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in +Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus +Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie +te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn +oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon +Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en +Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar +de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, +dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, +die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen +had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de +studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen +naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met +wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste +genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op +het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij +met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten +van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten. + +Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, +spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een +meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres +van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van +de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen +zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij +tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw +van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, +werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit +een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd +samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier +dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe +meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: +Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en +uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes +en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en +Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen +als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met +uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des +geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel +de begeerte tot bijslaap, matig de ongezonde verlangens en richt uw +gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin +u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet +eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt +(wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de +ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de +onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen +aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij +al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht +dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar +zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter +bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die +dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den +ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een +jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie +dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere +mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient +door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, +wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, +omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al +behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, +die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, +en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) +moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar +lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het +tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet +alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- +en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen. + +Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde +daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, +deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang +de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem +meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, +voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en +zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het +mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat +het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd +moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar +zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij +liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, +omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder +groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij +wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en +geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, +bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door +de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch +dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder +moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: +Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik +mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden +hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen +te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin +als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen +schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te +houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik +wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, +verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel +ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het +voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij +Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte +over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft +afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, +als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt +als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, +opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, +zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben +lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles +heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, +dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet +zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook +doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar +niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar +zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij +gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt +dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als +uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, +roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw +verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen. + +Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de +bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden +hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid +van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te +maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid +en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus +verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en +zoo hij gezien had, dat zij mij paste, zou niemand moeten gelooven, +dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze +gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij--zooveel +goeds onwaardig--bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen +en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik +uit mijn lijden. + +Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel +vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu +ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, +zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, +Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, +dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie +u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te +overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra +volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt +dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou +behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en +moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet +verliezen,--wat ik haar aan u schenkend niet doe,--dan u verliezen. + +Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te +bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met +goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het +beminde voorwerp verlangt. + +Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn +vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van +Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet +niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat +gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn +schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het +niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna +te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer +en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij +barmhartiger handelt dan ik zelf. + +Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk +gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn +verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot +vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar +daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, +als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een +ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren +hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, +wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de +bruiloft vieren. Daarna zult gij in 't geheim met haar als uw vrouw +slapen. Dan zullen wij op het goede oogenblik de zaak bekend maken, +wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch +gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus +en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in +het bed van haar man achter. + +De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene +in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar +Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen +Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar +Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, +bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, +nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk +of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, +zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den +vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het +huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder +dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit +huwelijk stond, stierf Publius, Titus' vader, waardoor hem geschreven +werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen +en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij +kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld +was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en +Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd +den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog +van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar +haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit +was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van +grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de +families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een +zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben +verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten +zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist +alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van +de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun +te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, +dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar +hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder +een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een +tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot +de aanwezigen: + +Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt +de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en +daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, +hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen, +voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige +aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een +zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer +te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat +zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken +beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze +en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en +welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid +laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, +wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl +gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat +in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne +moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de +geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk +te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet +bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af +te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen +mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een +weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als +in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige +aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door +woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel +en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij +die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, +waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten +eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat +hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat +de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u +te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des +bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het +toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft +dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt +niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik +u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan +gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt +te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, +dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan +Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan +een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van +Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van +Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet +alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos +aan een jonkman, die boven alle geluk en zijn eigen leven haar lief +had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat +gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en +wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijn studies, zonder langer +te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden +en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij +Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou +twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een +schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse +der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal +zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, +zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen +kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig +leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; +mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden +van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche +Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De +glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert +er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, +als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote +erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door +het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien +niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, +dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, +maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als +ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer +zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in +openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte +ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen +dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd +met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en +vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet +gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn +er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, +dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, +waarop zij het geworden is, in 't geheim, steels, zonder dat een vriend +of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws. + +Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen +hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst +vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk +hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna +door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet +gebeurd met Sophronia, maar zij is vrijwillig, verstandig en eerlijk +door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat +het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en +vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het +dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt +en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat +heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met +zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in +'t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker +niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane +zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen +over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien +gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer +zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet +zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op +de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al +heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een +dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een +vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig +ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, +dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, +die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had +geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik +heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar +vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, +omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar +met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, +waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, +ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit +is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als +vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van +Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt +gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een +landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke +kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: +mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat +ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien +u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met +blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of +beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, +dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia +is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke +wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist +de mijne, wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de +andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt. + +De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht +hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand +behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet +uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, +dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt +teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en +leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, +indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou +onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, +die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een +Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u--hoop +ik--doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met +verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem +weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het +hoofd schuddend tot bedreiging er uit. Zij, die daar binnen bleven +ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, +dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het +niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en +Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug +en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben +en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, +namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig +van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig +naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd +ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd +niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en +ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap +veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te +zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in +den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, +waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij +zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed +zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar +toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien +had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, +vertrok hij verontwaardigd en wanhopig. + +Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, +waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer +eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te +slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, +overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen 's morgens twee +mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en +de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin +een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, +die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend +meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom +werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou +sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het +praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het +vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en +zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets +anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: +Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, +want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd +door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze +nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde +zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had +en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet +hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas +zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit +hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier +en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en +begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor +den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: +Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus +komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, +gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode +aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft +te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend +heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en +vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot +vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een +bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, +dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, +dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij +er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan +om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig +is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man +doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den +gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, +dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en +ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen. + +Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich +komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil +vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn +verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en +leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem +als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en +terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde +hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een +jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt +naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar +Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door +de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, +besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia +en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden +zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer +heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige +lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, +als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin +van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen +goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet +men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot +schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar +buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben +gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze +zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan +Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem +beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, +vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere +plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen +van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen +deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos +er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van +Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke +praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om +den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: +wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of +hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te +doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, +dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen +beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en +in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een +menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met +hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk +van dezen bij het minste eigen gevaar meer vrees hebben dan ijver +bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, +terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend. + + + + + +Negende Vertelling. + + _Saladin vermomd als koopman wordt ontvangen door messer + Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt + voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt + gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De + Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer + goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst + in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke + men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en + keert met haar naar huis terug._ + + +Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door +allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling +bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige +donna's. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met +recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de +stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken +der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer +gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, +viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, +een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult +hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze +ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst +te bewijzen, hopend, dat--hoe ook--daaruit een belooning volgen zal. + +Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen +kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer +waardig heerscher en toen Sultan van Babylon [191], die daar al van +te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van +te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in +Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van +zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman +vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door +Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg +van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d'Istria van Pavia, +die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf +aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden +en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een +van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds +kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf +sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg +Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, +omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; +ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te +sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, +waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van +zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij +ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken +en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de +deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en +voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, +zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te +voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, +die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, +dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan +had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn +huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door +te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men +zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij +het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg +te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid +voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze +en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, +zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, +een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij +het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij +wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben. + +Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen +waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden +naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet uittrekken en verfrisschen +met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het +maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, +zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, +dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan +wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel +meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, +dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon +onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na +een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij +hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, +bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in +den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij +zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello +ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden +voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over +meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze +uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello +spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen. + +De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met +vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal +vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch +gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste +burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen en +eekhoren-vellen en daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden +de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken +komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze +vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar +de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen +moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en +toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, +dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van +Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders +te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin +en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: +Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen +nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: +Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan +het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten +moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en +met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het +u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten. + +Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden door +de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor +hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich +wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig +gereed was gemaakt. + +Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel +had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, +als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen +bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren +en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en +het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een +burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat +gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, +naar Torello's wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en +trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen +gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en +schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, +die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden +op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te +hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met +hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik +was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en +heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de +donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig +kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst +deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik +die liet komen, maar omdat de donna's naar hun kleinen geest kleine +geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid +dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het +een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend +voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en +linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn +heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt +en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken +moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, +zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben. + +De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen +enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en +zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw +zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: +Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te +nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer +Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun +bedienden ook van dergelijke gewaden voorzien. Torello verzocht hen +met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na +te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat +door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, +aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd +was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in +plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden +en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde +zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat +ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb +als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze +ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, +dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen +om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat +hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor +zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een +heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, +zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort +te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook +viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, +maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer +van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij +geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u +Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid +had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, +dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen +bevestigen en ga met God. + +Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat +als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet +zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello +dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw +en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote +inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met +zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht +tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en +in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet +achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote +toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden +en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om +op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, +gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon +en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en +daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich +kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat +gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen +tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één +dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De +donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, +hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo +mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, +leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en +van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: +Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat +gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon +en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom +twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van +mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen +hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door +geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien +termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal +kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker +gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De +donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, +gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, +denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg +te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te +Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig +te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, +waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, +of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der +Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele +steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië +in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich +te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te +fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht +trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn +valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van +Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, +had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, +maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten +bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en +vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij +leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij +hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, +dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San +Pietro di Ciel d'oro, die zijn oom was. Eens sprak Saladin hem over +zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, +die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor +keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte +dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen +zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad +Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, +haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd +in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, +hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij +al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: +Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt +gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, +maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, +ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, +waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed +heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig +en sprak: Gij zijt messer Torel d'Istria en ik ben een van de drie +kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het +tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij +mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en +schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, +omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, +omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer +ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed +hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te +hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat +elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als +hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen +de twee heeren, die Saladin's metgezellen in zijn huis waren geweest. + +De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, +deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat +hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het +kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin +gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van +weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar +Torello d'Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde +ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello +d'Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien +waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat +ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden +zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit +wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, +niet alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw +en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in +tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door +vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar +broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot +geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van +haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello +beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te +Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had +zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, +hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij +sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte +reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, +die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende +ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde +deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen +zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, +achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor +van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin +hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, +en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter +te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden +termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak +had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken +en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een +toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een +bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, +maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging +Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den +bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, +sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij +er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, +dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna's, die ik ooit +zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, +daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij +het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou +mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij +zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd +zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te +sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde +ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat +uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij +niet gegund, maar daar gij verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er +toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden +hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet +in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar +omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is +morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, +dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in +een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, +allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een +pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels +en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat +worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt. + +Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen +op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door +iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste +tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn +baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak +bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik +u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet +toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah +aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en +indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, +als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij +komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik +thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen +en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen +zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door +dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en +zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, +mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig +en zeide met vele tranen: _Ga met God_ en ging de kamer uit; al de +andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in +die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik +van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een +drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij +in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, +waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat +men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van +Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello +een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van +haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, +waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien +een halsketen om hangen van nooit geziene parels met andere kostbare +juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol +dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere +zaken, wat lang zou zijn om te vertellen. + +Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te +haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed +met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met +zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van +San Piero in Ciel d'oro van Pavia neergedaald met al de genoemde +juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de +koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed +zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt +en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden +daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen +kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; +laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt +en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk +dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend +en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen +beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, +messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem +zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij: +_God helpe ons!_ Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, +dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met +aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van +Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder +zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te +zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, +daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd +werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem +toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank +en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen +baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en +geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt +behouden teruggekeerd; verbaas u niet over onze vrees, omdat er hier +niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna +Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en +tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal +gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer +goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat +hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in +veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze +was verheugd over zijn fortuin, en zij dankten samen God. Torel sprak: +Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien +en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal +gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond +dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot +verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas +gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door +ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en +de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan +naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd +dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, +hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone +gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen +Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den +ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, +liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg +namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, +wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een +jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker +geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, +zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest +drinkt. De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd +en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat +zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker +schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar +ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, +dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem +aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien +aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem +even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende +hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit +is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, +waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp +zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, +wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij +tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen. + +Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en +men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, +bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles +en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest +mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, +hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig en als vriend, dat hij met +zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en +den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den +beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van +daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello +en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers +als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello +maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn +dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele +berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, +bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele +jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken +van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun +beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de +middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid +voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen +loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen. + + + + + +Tiende Vertelling. + + _De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen + gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter + van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar + laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te + hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter + terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in + haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles + toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder + dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet + haar eeren als markgravin._ + + +Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo +lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen +van het spook [192] zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al +de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen nog had +te spreken, begon hij: Mijn lieve donna's. Naar het mij schijnt, +is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien +rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: +geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel +er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand +hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde. + +Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van +hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht +met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom +hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit +niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder +erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een +van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop +mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: +Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had +nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in +mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard +het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past. En uw geloof, dat +gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, +waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, +omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of +de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, +zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat +gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er +mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort +komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet +als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, +hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige +mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw +koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn +kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi +scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en +vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit +den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde +u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, +dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De +tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet +nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als +vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het +bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over +u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden +verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in alles als gebiedster +zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor +een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden +en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene +rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk +van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, +een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt. + +Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te +paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: +Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar +het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt +hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast +terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar +naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: +Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen +te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar +vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, +maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of +zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen +te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, +hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand +naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar +naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, +liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een +krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, +dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde +en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn +heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde +hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid +voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en +het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van +Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren +ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en +gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet +als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel +heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo +gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den +best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn +onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en +eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, +dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste +man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen +onder haar arme kleeren en haar dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom +zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo +te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel +deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar +trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek +en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar +kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid +aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig +en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst +en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden +dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat +te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe +met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met +alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat +ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid +gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat +zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, +dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan +een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer +treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, +wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en +dat ik ... meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen +was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, +hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken +legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, +wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren +en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht +nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar +standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna +naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, +het met zorg grootbracht. + +Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri +zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan +had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide +hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het +niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat +een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, +indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De +donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om +mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri +op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, +doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De donna zweeg weer, +waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, +dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, +dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij +om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te +handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten +ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel +medelijden met haar. Zij zeide tot de donna's niets meer dan, dat haar +alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij +gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd +scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, +dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en +lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van +den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele +goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem +aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug +te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met +een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij +in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen +van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren. + +Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan +zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te +nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, +mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat +mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren +en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer +naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik +een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote +spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen +en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst +volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, +erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt +u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw +trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor +hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet +vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar +oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door +allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij +in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, +mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet +kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets +anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen +baden hem, dat hij haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat +zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn +kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, +keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader +terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die +nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als +vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, +die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij +ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de +kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden +aanval van het vijandige lot. + +Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had +genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen +maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng +deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af +aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de +kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt +wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie +u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na +de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was +in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht +had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, +ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken +van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit +was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en +tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich +met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan +Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den +omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag +aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met +een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri +had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, +die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter +was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en +zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de +kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap +mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als +zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, +die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam +kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en +met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit +den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen +zij door de donna's ontvangen was en in de zaal gekomen, waar de +tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: +Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, +Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven +of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo +niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet +en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, +dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees +Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, +dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw +begeerde en dat zij in 't geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen +veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond +het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat +zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus +had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt +u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed +voor en als zij zoo wijs is als mooi--want dat geloof ik--twijfel ik +niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld +zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten +veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij +die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, +als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere +van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat +zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, +zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij +de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij +vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik +dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en +hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust +veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, +zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren +geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad +nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van +u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, +wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de +veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, +die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer +aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik +ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles +bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, +die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste +hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij +gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen +zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en de vele +andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna's, zeer verheugd van +de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar +onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw +en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, +naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, +daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en +de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri +zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al +te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer +verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug +en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem +als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op +zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, +leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel +hij kon. + +Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke +harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die +eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen +over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen +strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd +van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, +als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit +het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden +om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen. + +Het verhaal van Dioneo was uit en de donna's, zeer verschillend +van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten +hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper +zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: +Schoone donna's. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der +stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het +geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide +de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd +waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen +om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot +de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze +stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, +als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien +tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het +spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke +dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze +zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke +welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en nut en mij +zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen +verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist +leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, +dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het +goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, +zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, +zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als +gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, +wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik +al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen. + +De redeneeringen tusschen de donna's en de jongelieden waren velen, +maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig +en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den +hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden +morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het +uur van het avondmaal, stond men op. De donna's en de anderen gaven +zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur +van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna +begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta +een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, +dat zij zeer bekoorlijk begon: + + + Indien Amor zonder ijverzucht zou komen + Weet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezen + Meer verheugd dan ik. + + Indien blijde jeugd + Met een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moet + Of waarde van deugd + Of moed of dapperheid, + Verstand, fraaie manieren of sierlijke taal + Of volmaakte bekoorlijkheden + Ben ik die, zeker want tot mijn heil + Verliefd zag ik + Die allen in hem, die mijn hoop is. + + Maar omdat ik bemerk, + Dat andere donna's even wijs zijn als ik, + Beef ik van angst + En vrees ik voor erger. + Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte, + Die mij de ziel ontneemt; + En wat mij het hoogste geluk is, + Maakt mij troosteloos, + Doet mij diep zuchten en ellendig leven. + + Als ik zoo vertrouwde + In mijn heer als ik zijn waarde besef, + Zou ik niet jaloersch zijn; + Maar men ziet er zooveel, + Wie het ook zij--die den minnaar verlokken, + Dat ik ze allen voor schuldig houd. + Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven, + En van elk, die hij aanziet, + Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept. + + Bij God, dat elke donna + Gewaarschuwd zij, dat zij niet overlegt + Mij hiermee te grieven + Want als er een zou wezen, + Die met woorden of teekens of liefkoozingen + Mij hierin zou schaden, + Of die veroorzaken en ik het zou weten + Zou ik misvormd willen worden, + Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen. + + +Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar +zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan +al de donna's te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn +bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens +zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen +allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag +verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, +stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning +op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna's +in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit +zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, +gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna's betreft, +die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis. + + + + + + + +Besluit van den Schrijver. + + +Zeer edele donna's, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen +arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke +Genade--verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door +mijn verdiensten--geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin +van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben +bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun +die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien +eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden +kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer +voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond +te hebben bij het begin van den Vierden Dag. + +Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik +bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan +de donna's dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare +dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars +in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar +laten wij voorop stellen, dat het zoo is--ik wil dit niet met u +bespreken, want gij zoudt mij verslaan--dan zeg ik om te verklaren, +waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten +eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort +der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit +beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, +zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje +in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, +die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten +te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen +ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen: _gat_ +en _pen_, _stamper_ en _vijzel_, _saucijs_ en _metworst_ en al zulke +dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden +toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig +verwijt en terecht--daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet +treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem +bevalt--Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens +met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, +waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan +men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal +en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn +werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar +de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook +onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng +onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus +voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd +was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden. + +Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen +al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer +goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo [193] +en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, +omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het +vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, +omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De +wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te +leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, +maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een +woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen +zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, +zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de +schoonheden des hemels. + +Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, +eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er +genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen +ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets +en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit +zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte +daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als +zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen +en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen +zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en +eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen +gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet +zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze +liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die +maken zelf soms genoeg van die histories! + +Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen +van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest +anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, +die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten +schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de +schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar +niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles +goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der +Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele +dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo +goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd +met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen +eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn +te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en +met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, +kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om +niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij +inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang +zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, +dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel +het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het +einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik +mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet +aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, +zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor +de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig +te besteden zich inspannen dan aan u, donna's, die zooveel tijd +overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve +dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging +studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in +de studie scherpten. + +Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te +vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een +ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, +omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit +wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn +en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, +die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, +dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de +monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig +vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die +zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de +zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te +veel om lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van +den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie +zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige +tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, +die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven +is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de +monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde +tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet +een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer +zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in 't geheel +niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn +tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel +hecht,--dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan--toch onlangs een +mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld +had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven +over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat +dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk +het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde +te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn +hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke +donna's, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en +als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen. + + +_Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, +bijgenaamd Prins Galeotto._ + + + + + + + +Inhoud + + + + Het Leven en de Werken van Boccaccio. + Inleiding tot de Decamerone. + + Eerste Dag. + + Inleiding. 9. + De valsche Biecht. 28 + De bekeerde Jood. 38 + De drie Godsdiensten. 42 + De Waardigheid van den Abt. 44 + De Kippen van de Markiezin. 47 + De beschaamde Inquisiteur. 50 + De drie Brooden van Primasseau. 52 + Guglielmo Borsiere. 56 + De Koning van Cyprus. 58 + De Kop van de Prei. 59 + + + Tweede Dag. + + Inleiding. 65. + De valsche Lamme. 65 + Het Gebed van Sint Julianus. 69 + De dochter van den Koning van Engeland. 75 + Het Juweelen-Kistje. 82 + De Ring van den Aarts-Bisschop. 86 + De Avonturen van Beritola. 97 + De Verloofde van den Koning van Algarvië. 109 + De Graaf van Angers. 126 + Madonna Ginevra. 138 + De Kalender der Grijsaards. 148 + + + Derde Dag. + + Inleiding. 157. + De Tuinman van het Nonnen-Klooster. 160 + De Stalknecht des Konings. 165 + De gefopte Monnik. 170 + Broeder Puccio. 177 + De Fat. 182 + Ricciardo Minutolo. 187 + De Pelgrim. 194 + Het Vagevuur. 207 + Giletta van Narbonne. 215 + De Duivel in de Hel. 222 + + + Vierde Dag. + + Inleiding. 230. + De Minnenden van Salerno. 236 + De Engel Gabriël. 244 + De Minnenijd. 252 + Gerbino. 258 + De Pot van den Basiliek. 262 + De twee Droomen. 267 + Simona. 273 + De Krachten der Liefde. 276 + Het vreeselijk Gerecht. 281 + De Slaapdrank. 284 + + + Vijfde Dag. + + Inleiding. 295. + Cimon. 296 + De beloonde Trouw. 304 + Pietro Boccamazza. 310 + De Nachtegaal. 315 + De twee Medeminnaars. 320 + Gianni van Procida. 324 + Violanta. 329 + De Spook-Jacht. 335 + De Valk. 340 + De schandelijke Verzoening. 345 + + + Zesde Dag. + + Inleiding. 354. + De mislukte Vertelling. 356 + Bakker Cristi. 357 + Monna Nonna. 360 + De Kraanvogels. 362 + Messer Giotto. 364 + De Adel der Baronci. 306 + Madonna Filippa. 368 + Fresco van Celatico. 370 + Guido Cavalcanti. 371 + De Relieken. 373 + + + Zevende Dag. + + Inleiding. 385. + Het Spook. 386 + Het Vat. 389 + Broeder Rinaldo. 392 + De Put. 396 + De Echtgenoot-Biechtvader. 399 + Madonna Isabetta. 404 + De misleide Echtgenoot. 407 + De jaloersche Man. 411 + De betooverde Perenboom. 416 + De twee Peetvaders. 422 + + + Achtste Dag. + + Inleiding. 428. + De gierige Vrouw. 428 + De Pastoor van Varlungo. 430 + De Toover-Steen. 434 + De Provoost van Fiesole. 440 + De Broek van den Rechter. 444 + Het Varken van Calandrino. 446 + De Wraak van den Student. 450 + De Wraak van den Echtgenoot. 467 + Dokter Simon. 470 + De bestolen Dievegge. 481 + + + Negende Dag. + + Inleiding. 491. + Madonna Francesca. 492 + Het Psalmboek van de Abdis. 496 + De zwangere Man. 498 + Cecco Fortarrigo. 501 + De gelukkige Calandrino. 504 + De Wieg. 510 + De Wolf. 514 + Ciacco, de Gulzigaard. 515 + Het Oordeel van Salomo. 518 + De Merrie van Peet Pietro. 521 + + + Tiende Dag. + + Inleiding. 526. + De Muilezel des Konings. 526 + De Abt van Cligny. 529 + De Edelmoedigheid van Nathan. 532 + Ridder Gentile. 536 + De betooverde Tuin. 541 + Karel de Zegevierende. 544 + Het Lied van Minuccio. 548 + Sophronia. 553 + Messer Torello. 565 + Griselda. 576 + + + Besluit van den Schrijver. 586 + + + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Decamerone, woord van griekschen oorsprong, dat _tien dagen_ +beteekent. + +[2] Vorst Galeotto. Deze titel werd aan het boek door Boccaccio +gegeven (zoo hij het althans was, die het dezen schonk misschien ter +herinnering aan den bekenden versregel van Dante uit het fragment +over Francesco da Rimini. (Inferno V). "Galeotto was het boek en die +het maakte.") + +[3] Zinspeelt op zijn liefde voor Fiametta of Maria, natuurlijk kind +van Roberto, koning van Napels. + +[4] De vreeselijke ziekte overgebracht in het vorige jaar uit den +Levant door Genueesche galeischepen na vele verwoestingen in Italië +te hebben aangericht, verminderde een weinig in November maar woedde +nog erger in dat jaar 1348, in heel Italië moordend, ging door Milaan +en Piemont en vandaar naar Frankrijk, Duitschland, Engeland en andere +landen, waar zij overal een ongehoorde wanhoop veroorzaakte. Mattheus +Villani getuigt, dat in Florence en in zijn stadsdistrict van de vijf +personen van elke sekse en leeftijd er drie stierven, in Bologna +overleden twee derden van de bevolking en Agnolo di Susa schrijft, +dat in zijn stad Siena alleen tachtigduizend menschen stierven, +wat overdreven schijnt. + +[5] Dit heeft betrekking op de jongelieden en het genoegen. + +[6] Men kan niet zeggen, dat die signor Ciappelletto of Cepparello +werkelijk heeft bestaan, maar als feit staat vast, dat de familie +der Cepparelli bloeide tot aan het einde van de vorige eeuw in Prato, +waarvan Boccaccio juist onze man afkomstig laat zijn. + +[7] Dino Compagni verhaalt van Musciatto Franzesi, dat hij een ridder +was van groote sluwheid, klein van persoon maar groot van ziel en +dat hij zeer rijk geworden en tot ridder geslagen, den handel opgaf +en Charles van Valois volgde op zijn tocht naar Italië. + +[8] Alle Italianen heetten destijds in Frankrijk, Vlaanderen en +Engeland Lombardiërs. + +[9] Boccaccio trok de strekking van deze vertelling uit de Avventuroso +Ciciliano van Bosone van Gubbio, waar Saladin na Rome bezocht te +hebben in gezelschap van graaf Artese, met hem dezelfde gesprekken +houdt, welke Boccaccio den Jood Abraham in den mond legt. + +[10] Boccaccio trok de stof voor deze vertelling uit de +drie-en-zevenstigste van Novellino, die tot titel heeft: "Hoe de +Sultan, die behoefte aan geld had, verstand wou krijgen van een Jood." + +[11] Jussuf, koning van Marokko, later Salâh-ed-dîn genaamd, en door +taalbederf Saladin, vervulde van zijn naam geheel Europa en als de +andere groote mannen van de Midden-Eeuwen had hij zijn legende. Maar +de schrijvers van dien tijd gebruiken den naam Saladin om onverschillig +welken khalief of arabischen en barbarijschen emir aan te duiden. + +[12] Manni beweert, dat naar de meening van Aldo Manuzio junior +die geschiedenis van de markiezin van Montferrat door Boccaccio is +gecopieerd naar het bekende feit van koning Manfred met zijn zuster +Siligaita, gravin van Caserta, maar op niet aanstootelijke wijze is +veranderd, omdat, waar die met bloedschande eindigt, dit verhaal +van Boccaccio slechts besluit met de berisping van den koning van +Frankrijk. + +[13] De Paleologo's, markiezen van Montferrat waren een van de +beroemdste en machtigste vorstenfamilies, die in de middeleeuwen +Italië beroemd hebben gemaakt. Hun stamburchten lagen te Montferrat in +Piemont; hun paleis stond te Casale; maar terzelfdertijd heerschten +ze ook in Thessalië en te Jeruzalem. Het Huis der Paleologi stierf +uit in 1533 en het markiesaat ging over op de Gonzago's. + +[14] Giovanni Villani verhaalt in zijn Geschiedenissen, dat dit +broeder Pietro Dall' Aquila was, wien de florentijners om zijn groote +gierigheid zeer vijandig gezind waren en die in 1348 benoemd werd +tot Bisschop van Sant' Angelo in het koninkrijk Napels. + +[15] Cinciglione, naam van een bekenden drinker uit dien tijd, wat +later de naam werd voor elken dronkaard. + +[16] De genade van Sint Johannes Goudmond, een woordspeling, die +betrekking heeft op de florijnen van Florence, welke het beeld van +den heiligen Johannes dragen. + +[17] De Inquisitie schreef dikwijls voor onbeteekenende ketterij het +dragen voor van een groot laken kruis op de kleeren. + +[18] De held van die vertelling is Cane Grande della Scala, van welke +Dante in Zang XVII van zijn Paradiso schreef: + + + Als eerst verblijf zal--om u te beveiligen-- + U des grooten Lombardiërs hoofschheid wachten, + Wiens schild een Trap en Adelaar voert, den heiligen; + + Die voor U van zóó goeden wil is te' achten, + Dat van voldoen en vragen bij u beide + Het eerst gebeurt, wat and're' eer 't laatste dachten. + + +Men meent juist thans met eenig recht, dat Primasseau, waarvan +Boccaccio spreekt, een dergelijke Primas of Primasso of Primate was, +kanunnik van Colonia, een licht te begrijpen en beroemd dichter uit de +XIIIe eeuw, waaraan ook door Salimbene in zijn Cronaca wordt herinnerd +en die voor den auteur wordt gehouden van eenige gedichten. + +[19] Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, leider van den +Eersten Kruistocht en eerste christelijke Stedehouder van Jeruzalem. + +[20] Manni gelooft, dat die maëstro Alberto, een beroemd arts, geen +ander was dan de Bolognees Alberto Zancari, die toch ook lid was van +de gemeenteraad en openbare lezingen hield in de Universiteit van +Bologna vanaf 1326 tot aan het jaar van zijn dood. + +[21] Het feit in deze geschiedenis verhaald is historisch en ook +Giovanni Bonifacio verhaalt het in Boek VIII van zijn Istoria +Trivigiana. + +[22] Manni op het gezag van Sansovino meent, dat de historie door +Boccaccio in deze vertelling verhaald, plaats had omstreeks 1306 of +eenige jaren vroeger en leidt dit daaruit af, dat toen de markies +Azzo van Ferrara leefde, van wien hier melding wordt gemaakt. + +[23] San Giuliano was de heilige beschermer der reizigers en de +gewoonte hem ter eere, voor men op reis ging, een gebed te doen, +terecht het Paternoster van San Giuliano genoemd, is overoud. + +[24] Castel Guiglielmo, een dorp, dat nog bestaat in het district +Lendinara op den rechteroever van het Bianco-Kanaal. + +[25] Over de historische waarheid van het feit in deze vertelling +verhaald, kan men alleen zeggen, dat de Lamberti's en de Agolanti's +zeer oude Florentijnsche families waren en dat men in de Cronologia +van Girolamo Bardi vindt, dat koning Alexander I van Schotland in 1109 +den troon beklom. Maar alle Alexanders, die deze bestegen, waren uit de +familie van koning Malcolm. En men vindt alleen, dat omstreeks den tijd +aangeduid door Bardi onder koning Malcolm, als eerste van dien naam een +zekere Alexander stierf, Carrone genoemd. Na zich door een wapenfeit +te hebben onderscheiden, werd aan hem en ook aan zijn nakomelingen +toegestaan in den oorlog den koninklijken standaard te dragen. + +[26] Woorden letterlijk overgenomen uit Dante's Hel. VII, vers 80-85. + +[27] Ravello was een kolonie van de republiek Amalfi, waar ze niet +ver vandaan ligt. Victor III verhief haar tot een bisdom, maar thans +is het een gewone gemeente. + +[28] Het was toen het tijdvak van de noodlottige twisten tusschen de +Guelfen en de Ghibellijnen; die laatsten trokken partij voor keizer +Frederik II, genen voor den Paus, die Karel van Anjou naar Italië riep. + +[29] Een historisch persoon, werkelijk onderkoning van Sicilië van +koning Manfred. + +[30] Ponzo, onbewoond eiland bij de westkust van het koninkrijk Napels. + +[31] Magra, tak van de Lunigiana, van welke Dante schreef: + + + ... Die langs korten weg + Het Genueesch land scheidt van het Toscaansche. + + +[32] Pietro III van Arragon, bijgenaamd de Groote, geboren in 1239, +overleden in 1285. + +[33] Gian di Procida, een dokter en napolitaansch edelman, uit een +edel, napolitaansch geslacht en beroemd in de geschiedenis door zijn +aandeel in het oproer van de Siciliaansche Vesper in 1282. + +[34] Men noemde Cairo van Babylon, de stad Cairo van Egypte en de +muzelmaansche vorsten van Egypte Soldani van Babylon. + +[35] Garbo of Algarvië, de gansche kust van Afrika tegenover Andalusië +en het koninkrijk van Granada, dus het tegenwoordige Marokko. + +[36] Majolica, het eiland Majorca, het grootste der Balearen. + +[37] Chiarenza of Clarentza was vroeger een der belangrijkste steden +van Morea thans is het er slechts een ellendig vlek. + +[38] Jurisdictie: rechtspraak. + +[39] Chinzica is nog de naam van een straat in de stad Pisa. + +[40] Gualandi, een zeer oude Pisaansche familie. Dante herinnert er +aan in den Zang XXXIII van zijn Hel: + + + Gualandi met Sismondi en met Lanfranchi. + + +[41] Te Ravenna, zegt Martinelli, zijn evenveel kerken als dagen in +het jaar, van daar dat elke dag er aan een heilige gewijd is. + +[42] Paganin da Mare is de titel in plaats van Paganin van Monaco, +afgeleid van de plaats, waar hij met vele andere Genueezen zich een +standplaats had gekozen, die op de Middellandsche Zee rooftochten +deden. De familie Da Mare of Da Mari is een zeer oud en edel geslacht +uit Genua. + +[43] De dag van 12 uur was verdeeld in vier deelen: terza, sesta, +nona en vespro; vandaar dat mezza terza, (half terza) beteekent +anderhalf uur na zonsopgang. + +[44] Lamporecchio is een bekoorlijk dorp bij Pistoia. Er gaat een oude +traditie in dit graafschap, dat daar in de buurt een nonnenklooster +was, hetwelk werd afgebroken, en dat de nonnen voor een of andere +overtreding naar elders werden overgebracht. Of dit waar is of niet, +het schijnt aan Boccaccio voldoende stof te hebben gegeven er deze +geschiedenis uit te putten. + +[45] Het verhaal schijnt historisch te zijn, en op bekende personen +betrekking te hebben, maar heeft te veel aanrakingspunten met andere +overleveringen, om geheel waar te wezen. + +[46] Agilulf, hertog van Turijn, daarna koning der Longobarden. Hij +beklom den troon door zijn huwelijk met Teodelinda en regeerde lang +en roemrijk (590-616.) + +[47] Teudelinga of Teodelinda, dochter van Garibaldo, hertog van +Beijeren, huwde eerst Autarius en daarna Agilulf. Zij stierf in +625 beweend door al haar onderdanen om de vroomheid en wijsheid, +die haar sierden. + +[48] Men gelooft naar oude geschiedvorschers, dat het feit, in deze +historie verhaald, werkelijk in Florence gebeurd is, waar zeer rijke +wevers woonden, te meer daar Boccaccio stellig verzekert den naam te +weten van de dame, die deze klucht uithaalde. + +[49] De oorsprong van de veertig missen van Sint Gregorius, schrijft +Manni, ontleenen wij aan de Geschiedenis van Paus Sint Gregorius, +waarin men leest, dat veertig missen dienden tot de verlossing +van de ziel van broeder Giusto, een rijk man. De heilige Antonino, +aartsbisschop, herinnert er ook in zijn Somma aan, dat die daarvan +afkomstig zijn. + +[50] Puccio behoorde tot de orde van Sint Franciscus van Assisi, +die behalve monniken ook leeken als zij, tertiartiïe daar in opnam. + +[51] Boccaccio zeide, dat hij van dien broeder Puccio had hooren +spreken en in de hospitaalherinneringen van de heilige Maria Nuova +van Florence leest men, dat in 1300 op den 30en Januari zij van hem +een zoon verloste Rinieri genaamd en dat hij te San Pancrazio woonde. + +[52] Brancazio of Pancrazio. + +[53] Men zegt, dat hij tot zulk een groep behoorde, daar deze +dit gewoon waren te doen. Het is echter onzeker, omdat men bij die +vergadering kwam met de kap over het hoofd en de leden elkaar slechts +zelden kenden. + +[54] Over de historische waarheid van deze vertelling weet men niets +anders, dan dat ridder Francesco Vergelli of Vergiolesi als gezant +naar Parijs werd gezonden in 1313 gelijk Michelangelo Salvi in zijn +geschiedenis van Pistoja verhaalt. + +[55] Men wil, dat die Ricciardo Minutolo een historische +persoonlijkheid is. + +[56] Het geslacht der Elisei was een der oudste families van Florence, +waaraan door verschillende schrijvers herinnerd wordt voornamelijk +door Giovanni Villani en door Malespini. + +[57] Men moet zich dit huis voorstellen gebouwd tegen een berg. + +[58] Men zie, hoe Boccaccio lang de tijden vooruit was door af te +geven op de wreede en valsche wijze van onderzoek, die hem toch nog +zooveel eeuwen zou overleven! + +[59] De Oude van den Berg, een legendair persoon uit de Middel-Eeuwen, +hoofd van een godsdienstige sekte, welke zich tegen het einde van de +XIe Eeuw in de gebergten van Perzië vestigde. Marco Polo spreekt er +uitvoerig over in zijn Milione. Het poeder, dat de Oude van den Berg +aan zijn volgelingen gaf om hun in bedwelming een voorproef te schenken +van de vreugden, die hen wachtten, indien zij in zijn dienst stierven, +was, naar wat men zegt, indische hennep, door de Arabieren hasheisch +genoemd, waarvan de naam _assassijnen_ van het begin af aan gegeven +aan de leden van die sekte stamt en sinds dien in het spraakgebruik +algemeen is geworden. + +[60] Ragnolo Braghiello, boersche verminking van Agnolo Gabriello, +de engel Gabriël. + +[61] Giovanni Villani in Boek VII van zijn Istoria noemt een zekeren +Beltram, graaf de Roussillon, die kapitein was der Florentijnen en +misschien van hem zelf hoorde. + +[62] Volgens Manni gelooft men, dat dit feit door Boccaccio om +eenige reden is gewijzigd en dat het werkelijk plaats had niet in +de woestijn van Thebaïda maar in de buurt van Todi. Inderdaad wordt +een gelijksoortige gebeurtenis verhaald door Franco Sacchetti in de +novelle _CI_ en toegeschreven aan zekere Giovanni Dell' Innamorato, +Apostolo genoemd, die van Todi afkomstig was. + +[63] Capsa (thans Gafsa), stad in Tunis, waar de schat was van koning +Jugurtha. + +[64] Thebaïda was de zuidelijkste der drie voornaamste deelen van +Egypte en kreeg den naam Thebe, dat er de hoofdstad van was. De +woestijnen omgeven het, welke er gedurende de eerste vijf eeuwen van +het Christendom bevolkt waren met monniken en kluizenaars. + +[65] Omdat hij dan zoo mager zou zijn geworden (drie mannen met zeven +vrouwen!), dat de beenderen hem uit de huid hadden gestoken door de +magerheid en ontdaan van spieren geklonken zouden hebben als die van +een skelet. + +[66] Filostrato is een naam van griekschen oorsprong en beteekent: +vriend van oorlog en wapenoefeningen. + +[67] Deze plaats wordt op verschillende wijze uitgelegd. De een +schreef, dat Boccaccio bedoelde te zeggen, dat zijn boek voorop niet +den naam droeg van den auteur; anderen zeiden, dat hij wilde zeggen +zonder titel n.l. zonder aan iemand te zijn opgedragen (wat aan Filippo +Villani het waarschijnlijkst voorkomt); weer anderen, omdat de naam +Decameron eerder dan een ware titel de indeeling er van aanduidt. + +[68] Boccaccio begon aan dit boek op zijn 35ste jaar en voltooide +het vijf jaar later. + +[69] Deze geschiedenis is geput uit een episode van den Roman van +Barlaam en Josaphat. + +[70] De berg Asinajo of meer algemeen gezegd Senario, tusschen la Sieve +en il Mugnone, tien mijlen van Florence, waarop sinds onheugelijke +tijden een klooster stond. + +[71] Casuisten zijn de bedriegelijke verdedigers van de grootste +misdaden. + +[72] De mattapan was een Venetiaansche munt van zilver ter waarde +van vier stuivers. + +[73] De maremma (zeekust) is het moerassig gedeelte van het land bij +Venetië aan zee. Op de wereld of aan de maremma is een schertsende +uitdrukking gelijk in het hollandsch: alles en nog wat. + +[74] Boccaccio had blijkbaar een hekel aan de Venetianen. Eerst heeft +hij ze leeghoofden genoemd en hier oneerlijk. + +[75] Deze novelle wordt door Landau gehouden van +grieksch-byzantijnschen oorsprong te zijn. + +[76] Candia, moderne naam voor het eiland Creta, die Boccaccio schijnt +te gebruiken voor de hoofdstad daarvan. + +[77] Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië, maar door anderen +de vierde genoemd; vandaar dat Pandolfo Collenuccio schrijft: +Guiglielmo de tweede in de regeering, maar de vierde in de volgorde +der Guiglielmo's. Hij regeerde van 1149 tot 1164. + +[78] Inderdaad beklom Ruggiero IV, nadat de Sicilianen den vader +in 1161 hadden afgezet, den troon in diens plaats, maar hij werd na +enkele dagen vermoord. + +[79] De Moorsche heerschappij van Granada in het zuiden van Spanje werd +eerst gegrondvest in 1238; dit is dus een anachronisme van Boccaccio. + +[80] Wie in de Middeneeuwen op de valkenjacht ging, droeg dien +vogel op de vuist en opdat de sterke klauwen van het dier de hand +niet kwetsten, hield men die bedekt met een handschoen van zeer dik +leer. Dat verklaart het spottend antwoord van Gerbino. + +[81] Een soort sierplant. + +[82] San Grimignano, een groot gebied in Toscane, waar de linnenweverij +bloeide. + +[83] Deze novelle van onzen Boccaccio, zegt Manni, wordt bewaarheid +in de getuigenis door mij met veel zorg ontleend aan een geschiedenis +van uit Brescia bevestigd, welke Elia Cavriuolo Giureconsulto heet, +waar zij omstreeks 1378 als historisch in omloop was. + +[84] De beroemde florentijnsche dokter Targioni dacht van deze novelle, +dat die eer verzonnen zou zijn dan waar, hoewel eenige artsen die als +waar hebben opgevat en voornamelijk Antonio Mizaldo Monluciano. Zoo +beschouwde haar ook Manni, die onderstelde, dat het geval hierin +verhaald plaats had in 1325 of niet veel later. + +[85] Er was werkelijk in Florence een familie dei Sighieri en Manni +zag het testament van een zekeren Giovanni Sighieri met den datum +van 1363, waarin goederen genoemd zijn, die deze familie bezat, +in het gebied van Carpentras in Provence. + +[86] Men kan een authentiek bewijs lezen van dit voorval tusschen +Roussillon en Gardestagne in het leven, dat van den laatste uit +het Provençaalsch is vertaald door Crescimbeni, waar men het bijna +woord voor woord vertaald vindt. Die Gardestagne was een beroemd +dichter uit Provence en deze noemt hem Capestani, gene Cabestain, +en een ander Casteign, terwijl Crescimbeni hem op zijn italiaansch +Cabestano noemt. Zijn schoone verzen verliefden de vrouw van Roussillon +en veroorzaakten haar dood, waarvan Petrarca ter verklaring zeide: + + + en die Guglielmo, + Die door gezang zijn bloei van dagen kortte. + + +Aldus Martinelli. Het kasteel van Roussillon verrees, naar men gelooft, +bij de stad Apt, waar nog steeds een dorp bestaat, dat Castel Roussillon +heet. + +[87] Mazzeo of Matteo della Montagna, naar hetgeen Scipio Mazzella, +een napolitaansch historicus schrijft, leefde in Salerno en tusschen +1309 en 1342, schreef hij op aandringen van koning Roberto de Pandecten +der Medicijnen, welke in verschillende talen werden overgezet. + +[88] Malfi of Amalfi, een stad op vijftien mijlen gelegen van Salerno. + +[89] Een italiaansche uitdrukking. + +[90] De Stadico was bij de Napolitanen de rechter. + +[91] Een eigenaardige Italiaansche uitdrukking. + +[92] Een once, een grooten munt, die iets meer waard was dan een +secchino of sequin. + +[93] Beroaldo, die in 1499, die novelle in het Latijn vertaalde, +gelooft, dat Boccaccio zijn verhaal ontleende aan de antieke annalen +van Cyprioten en Manni voegt er eenige redenen aan toe, die het voor +mogelijk doen houden, dat Boccaccio dit zou hebben gedaan. Maar er is +geen enkel bewijs van en het is niet onmogelijk, dat deze geschiedenis +meer dan eenige andere een navolging is van Theocritus, die in zijn +idylle getiteld _Il bifolchetto_ (de kleine Koeherder) meer dan een +bijzonderheid, die men bij onzen verteller ziet, heeft opgenomen. + +[94] Susa, de tweede stad van Tunis in dat gebied door haar +bevolkings-cijfer en haar toestand. + +[95] Latijn beteekent Italiaansch. De christelijke volken noemden +zich in tegenstelling met de Saracenen Latijnen. + +[96] Sansovino zegt, dat de raad door Martuccio gegeven aan den +koning van Tunis door Villani ontleend is aan het achtste boek, +waar hij spreekt over de onderneming, die Cassano, de koning der +Tartaren tegen den Sultan ondernam, die door hem werd verslagen, +daar hij het middel had gebruikt dunne koorden op de bogen te spannen. + +[97] Ten tijde van Boccaccio was het pauselijk Hof te Avignon en Rome +in den ban. + +[98] Alagna of Anagni, een kleine stad in Latium, beroemd wegens den +smaad Bonifacius VIII in 1303 aangedaan. + +[99] Het feit verhaald door Boccaccio vindt men terug in de _Storia +di Faënza_ van Tonduzzi, die de inneming van zijn stad, waarvan +Giacomino in de vertelling spreekt, stelt in het jaar 740 ten tijde +van koning Luitprando. In de plaats daarvan zegt Boccaccio, dat zij +is overgegeven in den strijd met keizer Frederik en het schijnt, +dat hij zinspeelt op Frederik II, die Faënza innam in 1240. + +[100] Deze Gianni van Procida, gelijk elders gezegd is, was de neef +van den beroemden naamgenoot, die zulk een aandeel had in den opstand +van de Siciliaansche Vesper. + +[101] Frederik van Sicilië was de zoon van Peter van Aragon. + +[102] Ruggier dell' Oria of Ruggierso di Lauria, een zeer beroemd +Italiaansch admiraal. Hij stierf in 1305. + +[103] De goede koning Guiglielmo, namelijk Guglielmo il Buono, de +derde koning van Sicilië, overleden in 1184. + +[104] De bevoegden voor de correctie van de Decameron doen ons weten, +dat deze novelle ontleend is aan Elinando, een schrijver in zijn tijd +zeer geacht, namelijk omstreeks 1200. Boccaccio verwisselde de namen +der personen en van de plaats, waar het feit gebeurde, maar herinnert +toch aan de individuen, die tot werkelijk bestaande families behoorden. + +[105] De Traversari waren werkelijk een zeer edel geslacht in Ravenna; +er wordt van een zekeren Paolo Traversari gesproken in de XXXVe +novelle der _Novellino_. + +[106] Chiassi of Classe heette een kleine landstreek niet ver van +Ravenna en ook de haven van die stad; thans is die geheel verwoest +en is er geen spoor meer van over. + +[107] Deze geschiedenis zelf van Elinando wordt verhaald van den Graaf +van Niversa en van een kolenbrander en Passavanti herhaalde haar in +zijn "Spiegel van de ware Boete". Overigens zijn die legenden van +duivels-jachten in de Midden-Eeuwen zeer algemeen verbreid en ook in +latere tijdperken. + +[108] Ammirato zegt, dat in het graafschap Florence, daar het eene +huis ver van het andere was, men vuur ging halen met een vod om +het niet te doen met kolen of brandhout en ook omdat een vod langer +(?) brandt en gemakkelijker te dragen valt. Dit is een kleine dienst +en toch zegt zij, dat niemand dit voor haar wilde doen, zoo oud en +leelijk was ze geworden. (Fanfani). + +[109] Troilus en Crescida zijn de figuren van Filostrato, een gedicht +in octaafrijm, geschreven door Boccaccio zelf, die--naar men wil--hier +onder den naam van Dioneo zijn eigen persoon laat optreden. + +[110] Consistorium, hier schertsend gebruikt. Naam voor de vergadering +van den Paus met de kardinalen. + +[111] Wat Messire Mazza en de Zwarte Berg beteekenen, hoeft niet +nader verklaard te worden. Een goed verstaander.... + +[112] Deze Oretta of Lauretta was de dochter van Obizzo Malaspina +en de vrouw van Ruggeri of Geri di Manetto Spini. Reeds in 1332 was +zij weduwe. + +[113] Deze bakker Cisti is werkelijk een historisch persoon. Van zijn +bakkerswinkel spreekt ook Ferdinando Leopoldo Del Migliore in zijn +Firenze illustrata. Cisti is misschien een afkorting van Bencivenisti. + +[114] Het is Bonifacius VIII, die Paus was van 1294 tot 1303. + +[115] Dit gezantschap kwam in Florence in Juni 1300, toen Dante +Alighieri tot de Priors der Republiek behoorde. De Paus zond het +speciaal om de twee fracties der Cerchi en der Donati te verzoenen, +maar dit droeg weinig vruchten. Het hoofd er van was de kardinaal +Matteo d' Acquasparta. + +[116] Het zal wel haast onnoodig zijn te melden, dat de Arno de rivier +is, die Florence doorstroomt. + +[117] Zachtjes om den wijn niet troebel te maken. + +[118] Dego: Diego. + +[119] Dit gebeurde in het jaar 1314, in welken tijd messer Diego +della Ratta kapitein van wapenen was in Florence en vicaris van +koning Roberto. + +[120] Popolini waren muntstukken van twee stuivers of soldi van +denzelfden vorm als de beroemde goudguldens van Florence, namelijk met +aan den eenen kant het beeld van San Giovanni Battista, schutspatroon +der stad en aan den anderen kant de florentijnsche lelie. + +[121] Sint Johannes, den 24en Juni. + +[122] Peretola, een dorp, drie mijlen van Florence. + +[123] De familie van Rabatta, afkomstig uit Mugello, behoorde vroeger +tot de oudsten en edelsten van Florence, maar door de ongelukkige +twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen moest zij naar Udine +trekken en kwam vandaar in het graafschap Gorizia. + +[124] De Baronci waren in Florence bekend om hun leelijk gezicht. + +[125] Niet ten onrechte schreef Vasari van Giotto: Hij was vernuftig +en zeer aardig en heel geestig in zijn uitingen, waarvan er nog velen +in de herinnering te Florence voortleven; behalve die van Boccaccio +heeft Franco Sacchetti er in zijn driehonderd novellen velen en zeer +schoonen van verhaald. + +[126] Dit is een lichte spot met Pamfilo. Vergelijk dit met den noot +over de Baronci in de voorgaande vertelling. + +[127] Een dubbele uitdrukking met een schertsende bedoeling, aldus +gebruikt door Scalza. De Maremma is een moerassige streek. + +[128] Monseigneur Della Casa toont in zijn _Galateo_ te gelooven, +dat het feit van die madonna Filippa waar is. Manni gelooft, dat die +wijziging van de wet van Prato waar is en laat ook nog als mogelijkheid +aannemen, dat tusschen de familie der Pugliesi en die der Guazzagliotri +wegens die liefdes-intrige deze doodelijke vijandschap geboren werd, +die zeer lang duurde. Aldus Martinelli in zijn _Osservazio storiche._ + +[129] Deze Betto-Brunelleschi leefde werkelijk in Florence ten tijde +van Guido Cavalcanti en stierf in 1311 of omstreeks dien tijd. + +[130] Deze zuilen van porfier, die nog bestaan bij de kerk van San +Giovanni werden door de Pisanen aan de Florentijnen gegeven. + +[131] Het verhaal van dien broeder Cipolla gaf velen heel wat te +zeggen door een verkeerde meening, die zij opvatten over de bedoeling +van den verteller, alsof hij van plan was den draak te steken met de +heilige dingen. Tegen deze blaam begon een prelaat van de grootste +reinheid van zeden en gelijksoortige geleerdheid hem te verdedigen +met verschillende van zijn grondige lezingen door hem gehouden in de +Academia della Crusca en door Manni aangehaald in zijn toelichtingen +tot die historie. Zij bevat de aardigste en de teekenendste satire, +die ooit door een bedrieger is gemaakt. Het karakter van Frate Cipolla +niet minder dan dat van zijn metgezel kan niet beter beschreven worden +dan de domheid der goede Certaldesers. De namen der personen er in +aangehaald zijn echt, volgens de documenten door Manni aangehaald (en +zij leefden omstreeks 1300). Het feit kan aan niemand minder dan aan +onzen auteur zelf overkomen zijn volgens een overlevering in Certaldo, +waar hij vaak kwam, daar hij er een deel van zijn bezittingen had +en waaraan door hem later die gratie verleend is, die het zoo aardig +hebben gemaakt (Mannelli). + +[132] Deze woordspeling is aldus bedoeld: Cipolla is de naam van den +monnik en beteekent tegelijkertijd: ui, wat in het Hollandsch niet +letterlijk schertsenderwijze te vertalen is. + +[133] Te Altopascia in Lucchese was een abdij; twee maal in de week was +er groote soepuitdeeling. Vandaar werd de buitengewoon groote ketel, +waarin zij die kookten, spreekwoordelijk. + +[134] Porco: het zwijn. + +[135] Beteekent vermoedelijk Leugenland. + +[136] Beduidt vermoedelijk Kletsland. + +[137] Leugenrijk. + +[138] De heele redevoering van Fra Cipolla is volgens Fanfani de +bizarste en de aardigste ter wereld. Al de opgesomde plaatsen en rijken +zijn straten en plaatsen in Florence, die denzelfden naam dragen. + +[139] Namelijk als zij er saucijzen van maken. + +[140] Snoeimessen: pennati, een woordspeling met de uitdrukking: +pennati, ook pennuti: met vleugels uitgerust. + +[141] "Scheld-me-niet-uit Alsjeblieft". + +[142] Deze vraag slaat schertsend op de bedriegerijen, die in verhalen +het onderwerp zullen zijn van den volgenden dag in de Decameron. + +[143] De uitdrukking "bescio sanctio" in den oorspronkelijken tekst +is volgens verschillende commentators niet geheel helder. + +[144] De naam Egano vindt men veelvuldig onder de Bologneezen en de +familie Galluzi is in Bologna zeer oud. + +[145] Heilige oorlog: Kruistocht. + +[146] Avignon was toen de zetel van den Paus. + +[147] Behoedt mij. + +[148] Zonder wacht. + +[149] Dit drietal waren schilders, die ten tijde van Boccaccio leefden. + +[150] De Mugnone is een stroom, die zich bij Florence in den Arno +stort. + +[151] De Heliotroop is een kostbare steen evenals de smaragd rood +gevlekt, waaraan de Ouden de eigenschap toeschreven onzichtbaar te +maken wie hem droeg. + +[152] Settignano en Montisci of Montici, twee streken van den Valdarno, +de eene op drie, de ander op twee en een halve mijl van Florence. + +[153] Fiesole ligt op een heuvel in gezonde lucht, Sinigaglia in een +ongezond moeras vooral gedurende den zomer. + +[154] De uitgang "azza" heeft door den klank in het Italiaansch iets +verachtelijks. + +[155] Te Florence evenals in alle andere, middeneeuwsche republieken +noopte de staatkundige naijver der stads-partijen altijd vreemde +magistraten te kiezen. + +[156] Vele commentators beweren, dat dit geval voor de helft werkelijk +is gebeurd en dat Boccaccio in den leerling zich zelf schildert, +aan wien de poets wordt gebakken door de weduwe, die hij beminde. + +[157] Middeneeuwsche uitdrukking voor: naar den grond, daar de hel +onder de aarde was. + +[158] Camollia, een straat in Siena. + +[159] Daar de doktoren over de toga van scharlaken een mantel droegen +van bont en op het hoofd een bonten baret. + +[160] Lucifer van San Gallo, een dwaasheid in scherts gezegd, evenals +mellonaggine da Legnaja. Maar hier is het noodig er bij te voegen, +dat werkelijk uit Legnaja, een dorp niet ver van Florence de beste +en grootste meloenen komen en ook komkommers. Mellonaggine beteekent +ezelachtigheid. + +[161] Priester Johannes was een legendaire figuur uit de Middeneeuwen, +die een zeer machtig christelijk rijk beheerschte van het Oosten in +Aethiopië of in Indië. + +[162] Dit bewijst, dat de doktoren toen ook nog drogisten waren en +geneesmiddelen bereidden en verkochten. + +[163] Het schijnt dat men hier het tegenovergestelde moet lezen, +maar niet voor niets steekt Bruno den draak met de onnoozelheid van +den dokter. + +[164] Vet varken. + +[165] Peretola ligt misschien vier mijlen van Florence, maar aan dien +dokter schijnt dit een heel ding. + +[166] Een slechte buurt in Florence. + +[167] Gewoonlijk spreekt hij van groote dwaasheden om dien zot te +verbluffen. De guitaren van turksch koren, zouden volgens Martinelli, +guitaren uit riet van Turksch koren of zwart graan zijn, die de +kinderen der landbouwers vervaardigen. + +[168] Bagattini, kleine venetiaansche munt. + +[169] Maëstro Scipa, een spotnaam. Scipa is ongetwijfeld afgeleid +van scipito, leeghoofd, dwaas. + +[170] Hoewel de commentatoren hier: "comeque' signori" niet begrijpen, +komt mij voor, dat hiermee slechts ironisch geen andere heeren bedoeld +zijn dan Bruno en Buffalmacco zelf. + (De Vertaler.) + +[171] In den gevel van de kerk van Pasignano, een dorp van het +florentijnsche graafschap, was God de Vader geschilderd. Maar de +goede dokter verbeeldde zich, dat Buffalmacco werkelijk bij deze +vreeselijke Godheid een belofte deed. + +[172] Woordspeling van meloen met mellonaggine, de onnoozelheid van +den dokter. Sommige, vroegere navorschers hebben echter beweerd, dat +imparar sulla mela en sul mellone een dubbelzinnige en verachtelijke +beteekenis had en misschien bedoelde Buffalmacco het ook zoo. + +[173] Namelijk wanneer de winkels gesloten zijn en er geen zout te +koop is, wat gelijk staat met hem voor dwaas uit te schelden. + +[174] Civillari was in Florence een plaats, waar zekere kuilen waren +om de uitwerpselen te bewaren en er de omliggende tuinen van te +voorzien. Die naam en allen, die volgen, als Laterina (wat een streek +is in het gebied van Arezzo maar hier latrine beteekent), Tamagnino, +Meta enz., zijn van Florentijnschen tongval en zinspelen weinig +geschaafd op faecaliën, uitwerpselen en ander vuil van dit soort. + +[175] Werktuigen van het edele gilde der putscheppers. + +[176] Hier spreekt Boccaccio zich tegen, want in den aanvang der +historie heeft hij gezegd, dat de dokter in Florence was geboren. + +[177] Er bestond werkelijk destijds een orde van gedoopte (eigenlijk +gebaadde) ridders, die zeer gezien en beroemd was en die de gewoonte +had de nieuwelingen openlijk in de kerk in een bad te dompelen. De +plechtigheid had met zeer groote praal plaats en daarom waren de +kosten zeer hoog. Derhalve om hem niet wegens zijn gierigheid te +verschrikken, verzekeren de schelmen, dat de gravin de kosten zal +betalen, maar zij maken een woordspeling met dubbele beteekenis, want +het bad, wat zij van plan zijn hem te geven, is er geen in water, +maar in een ... welriekende stof! + +[178] Jancofiore, Biancofiore, Witte Bloem. + +[179] In geheel Italië gedurende de Middeneeuwen en ook twee eeuwen +nog daarna waren er blanke en oostersche slaven, wat wet en kerk +toestonden. + +[180] De kamers in de badhuizen waren zonder eenig raam om er de +warmte in te bewaren en daardoor geheel donker. + +[181] Het was toen gewoonte aan de zuilen van het bed eenige kleine +instrumenten toe te voegen in den vorm van vogels, die door middel van +zekere toestellen gemoduleerde klanken voortbrachten als het gezang +van werkelijke vogels. In het oude gedicht _Fabusso en Breusso_, +is in bijzonderheden zulk een bed beschreven. (Fanfani.) + +[182] Volgens het systeem van Ptolemeus, in de Oudheid en de +Middeneeuwen algemeen aangenomen, was de hemelsfeer met de vaste +sterren, die zich bevond onder de zeven hemelronden der planeten, +de achtste en gaf aan het uitspansel de kleur van azuur. + +[183] Deze streek, uitgehaald met den onnoozelen Calandrino wordt op +goede gronden door Manni voor zeer waar gehouden, zoodat hij er toe +komt er den datum van te berekenen, n.l. omstreeks 1320. + +[184] Kogels om te werpen met den voetboog, wat men deed door te +steunen op de aarde. + +[185] Maestro Scimmione is een schertsnaam voor meester Simone en +beteekent groote aap. + +[186] Chiarea is een drank, waarvan men tot nu toe de samenstelling +niet te weten kwam, waarschijnlijk was het een purgeermiddel of +eenvoudig: helder water afgeleid van chiaro, chiara? [De Vertaler.] + +[187] Hiermee zijn bedoeld de kamhoutjes, waarop de snaren worden +gespannen; er is dus mee uitgedrukt, dat Calandrino lange tanden heeft. + +[188] De titel baron staat in den oorspronkelijksten tekst. Juist +om de naïveteit van dien middeneeuwschen term is dit geheel in den +stijl van dien tijd. (De Vertaler.) + +[189] Cattajo of Cathay. Zoo pleegde men in de Midden-Eeuwen de landen +te noemen van het Uiterste Oosten en in het bijzonder China. + +[190] Deze Neri was evenwel toch Ghibellijn. + +[191] Zoo heette in de Midden-Eeuwen Caïro. + +[192] Vierde Dag. Eerste Vertelling van Gianni Lotteringhi. + +[193] Twee beruchte drinkebroers. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Decamerone van Boccaccio, by Giovanni Boccaccio + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DECAMERONE VAN BOCCACCIO *** + +***** This file should be named 19591-8.txt or 19591-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/5/9/19591/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/20061020-19591-h.zip b/old/20061020-19591-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c0f6538 --- /dev/null +++ b/old/20061020-19591-h.zip diff --git a/old/20061020-19591-h.zip~ b/old/20061020-19591-h.zip~ Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c0f6538 --- /dev/null +++ b/old/20061020-19591-h.zip~ |
