diff options
Diffstat (limited to '19544-8.txt')
| -rw-r--r-- | 19544-8.txt | 3671 |
1 files changed, 3671 insertions, 0 deletions
diff --git a/19544-8.txt b/19544-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d7c8190 --- /dev/null +++ b/19544-8.txt @@ -0,0 +1,3671 @@ +The Project Gutenberg EBook of Wat tante Dora vertelde, by H. D. Jacobi + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wat tante Dora vertelde + +Author: H. D. Jacobi + +Illustrator: Freddy Langeler + +Release Date: October 14, 2006 [EBook #19544] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT TANTE DORA VERTELDE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + Ons Schemeruurtje. + + XIX. + + + + + WAT TANTE DORA VERTELDE. + + + H. D. Jacobi. + + Geïllustreerd door Freddy Langeler. + + + + + H. Meulenhoff--Amsterdam--1919. + + + + + +I. DE TROUWE KAMERADEN. + + +1. Broer en Zus. + + +"Moesje, waar is zus?" roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt +en zijne roode lippen op haar wangen drukt. + +"Dag vent, zus is buiten in den tuin," antwoordt moeder, terwijl +zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg +is hij--de tuindeur door--de plaats over, zoo gauw zijn dikke +beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de +gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in +rond. Lijsje ligt in een hoek,--haar wangen zijn afgeschrabd, een neus +heeft ze al lang niet meer--het paardje van Tony, dat twee wieltjes +mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar +liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift, +zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen +de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op, +zij staat! "Boer! Boer!" De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en +plof--daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en +de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het +hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. "Snoezebol, +dag lekkere schat," en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel +voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje. + +"Da! da!" ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen +wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit. + +"Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook +trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook +vliegen? Daar ga je!" en hij tilt zus omhoog. + +"Voorzichtig, Tony," roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen +keek. "Je zoudt haar laten vallen," en ze vangt zus in hare armen op. + +"Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is +paatje al thuis?" + +"Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.--Nu +speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken; +maar niet meer optillen, hoor," en moeder zet zus weer in de box. + +"Da! da!" roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da! + +Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar +lief, klein molletje van vijftien maanden. "Hoe heerlijk," denkt ze, +"dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op +zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet." + +Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras +zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. "Hoea!" roept ze in eens +en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box. + +"Moes! Moes! kijk u eens!" roept Tony verrukt. "Emy staat alleen!" + +Bij de keukendeur kijkt moeder om. "Ja, ja, moeder ziet het; val +maar niet, zus," roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar +lachend op en kust haar. + +"Nee, nee," roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet +van kussen. "Hoea!" weer staat ze. Dat is een aardig spelletje. + +"Kom dan," zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken +zitten met uitgestrekte armen. "Kom bij broer." Zus waggelt en valt, +maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes. + +"Hier, pak vast," zegt hij dan en geeft haar een takje als +ballanceerstok in haar handjes. "Goed vasthouden." De dikke knuistjes +grijpen het takje stevig vast. "Ja, ja," knikt ze. + +"Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze," en het gaat heusch. Twee, drie, +vier stapjes--wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret. + +Vader is thuis gekomen en roept lachend: "Hallo!" terwijl hij den +tuin in komt. Het kraaiende tweetal kijkt op en Tony roept vader toe: +"Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!" Maar nu wil ze niet, ze gaat op +den grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt +en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het +uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept +vroolijk: "Kom jelui?" Tony slingert zich om vaders been en zingend +gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht +en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen +met Tony of vader. + + + +2. Emy's ridder. + + +De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten +broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden. + +"En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony." + +Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar +tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje +voor het postkantoor stond. + +"Welles," antwoordde Tony met overtuiging. + +"Nietis," zei het meisje weer, "kijk dan, ze heeft mij een duw +gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil," +en ze houdt Tony het bewijsstuk voor. + +"Ja," zegt Tony, "maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet +helpen." + +"Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen," zei Emy nu, +"ga je mee naar moeder, Tony?" en ze trok haar broer mee naar huis. Hij +hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie, +blonde krulletjes. "Net poppehaar," zeiden de menschen en dat vond +Tony leuk om te hooren. + +Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. "Hij bederft haar," zei +Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk +voor haar uitzocht. + +"Eerst kijken, wat het mooiste is," zegt hij dan. "Hier, dit is +beter, laten we ruilen." Maar nu begint zus te zeggen, "kijken wat +het grootste is," en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt. + +"Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben," zegt moeder, +"geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste." "Och, laat u maar, +moesje," en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder +niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch, +"neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn." + +"Wat is dat, moe?" zegt Emy. + +"Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander +denkt," antwoordt moeder, "niets lief." + +"Nee, niets lief," zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet +denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van +de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader +zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine +ding ziet het dadelijk. "Ja," zegt vader, "Tony krijgt het grootste, +omdat hij zooveel grooter is dan zus," en dan trekt ze heusch soms +een lipje. + +Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en +had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was +Zondag. "In de kamer blijven" zei moeder, "of je zou naar bed moeten." + +Vader gaat uit. "Tony ga je mee?" + +"Och nee, Pa!" + +"Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?" zegt moeder. + +"Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat +ik mijn soldaten zou opzetten." + +"Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den +geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te +graag, dat je mee gaat." Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te +pruilen. "Hij heeft het beloofd.--Vader is groot, maar zus is klein." + +"Neen," zegt moeder, "zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en +zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony +thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje +slordig. We zullen het samen eens opknappen", en moeder gaat mee +naar het speelhoekje en zus vergeet haar verdriet. Tony gaat met +vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn +neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt +om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: "Straks gaat Tony mee +spelen." "Zeker," zegt moeder, "straks" en zus weet, dat hij het doen +zal en is tevreden. + + + +"Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?" zegt moeder +verschrikt. "Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen +zakdoek." + +"Nee moe--nee!--ja!" snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over +zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt. + +"O, Tony!" roept zusje verschrikt "het bloedt, het bloedt allemaal" +en ze zet het op een schreien. "Stil kindje, kom, gauw mee naar de +pomp Tony," en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal, +wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony's neus is opgezet en een +schram over zijn wang bloedt. + +"O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd," zegt zus en steekt haar +vingertje door een winkelhaak in zijn rug. "En heelemaal vuil moe, O!" + +"Hoe komt het dan toch," zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met +watten dicht stopt. + +"O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen," +en hij balde zijn vuisten. + +"O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met +je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren." + +"Ja, maar ik moest wel, moeder--hij zei--hij zei--" + +"Nu?" + +"Hij zei, wat van zus--en, dat laat ik niet zeggen, hij zei: 'ze is +een akelige kribbekat.'" Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de +vuisten of Bert weer voor hem stond. + +"Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog +of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is," zei moeder ernstig. + +Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende, +wat ze zei. + +"Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen, +omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt," vervolgde moeder, maar +Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die +zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn +neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem +mee en speelde met hem. "Vader," zei ze, toen die thuis kwam van +het kantoor, "Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij +heeft al zoo'n pijn. Wees U maar niet boos." En vader zei alleen: +"zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je +moet niet vechten, Tony"--en nu kon Tony toch niet denken, dat vader +er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest. + + + +3. Haar geheim. + + +Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus +niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren +slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren +op z'n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok; +in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze +kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het +heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote +jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. "Ja," zei hij dan, +"het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook." + +Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij +thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest +mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee. + +Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de +schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk +vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine +lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht +en bedaard. Soms kon ze tijden met haar poppen in een hoekje zitten +moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield +ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd. + +Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony, +die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan +een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu +ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder +iets te zeggen. + +"Moeder," vroeg ze op eens "wat krijgt Tony van U en van Vader?" + +"Wat denk je?" antwoordde moeder. + +"Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat +krijgt hij natuurlijk niet," zei ze weer. + +"Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?" + +"Ik zal het u influisteren," antwoordde zus, wierp haar breiwerk +neer in 't gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was, +zei ze 't heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een +ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. "Jongens, jongens, +dat is geen kleinigheid," zei ze, "dat is heel duur." + +Emy's gezicht betrok. "Maar hij zou het zoo heel, heel erg graag +hebben," zei ze, "en hij is toch zoo lief, moesje." + +"Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en +vader, hè?" was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den +schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam, +om het te kussen. + +"Neen," antwoordde zus dadelijk. "Ik houd van vader, van moeder en van +Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen +en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van +een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die +brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden." + +"Nu," antwoordde moeder, "als je van vader en moeder net zooveel houdt, +als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen," +en zij lachte hartelijk. + +"Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?" + +"Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine +vleister," zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was, +tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden +weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en +dacht: "hij krijgt hem wel," hardop zei ze: "Wat zal hij blij zijn!" + + + +4. Een prettige verjaardag. + + +De groote dag kwam eindelijk. Tony's verjaardag. De knikkerzak was +met ijverig werken gelukkig afgekomen. Van boven was er een rood +bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve +en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral, +dat het op tijd af was. + +Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in +het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog +eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar +knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer +van zijn hoofd. + +"Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!" [1] + +Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag +en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en +knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. "O, ik ben jarig vandaag! Hé +zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?" "Ja, zelf gemaakt." "Nu dat is +mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo'n mooien." En +hij kuste haar ontstuimig. "Wat zullen de jongens er wel van zeggen, +prachtig! fijn!" "Ja, hè," zei zus, "en dat rooie bandje. Dat +kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar +allemaal?" Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van +het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en +allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een +koker met de Koningin--en het prinsesje ook.--Een sponsedoos met +twee dwergjes.--Een tol! rood--wit en blauw! "Van de vlag hè?" zei +zus.--"Nou en echt,.." zei broer weer "Knikkers! wat een boel geen +kalke daaien, echte knarren!" "Mag ik dan ook 's knikkeren," vroeg +zus. "Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij, +om te bikkelen." "Nog wat zeg, kijk!" + +"Wat een plak, o!" "Lust je een stukje!" "Nou of." Hmm!! "lekkere +melkchocolade." + +"Wat zitten jelui daar toch te doen?" vroeg moeder, die wakker werd +door het drukke praten. + +"Hè, moes," riep Tony "allemaal voor mij, zoo mooi," en hij wipte uit +bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor +al dat moois. + +"Ben je nog al tevreden," vroeg moeder schalks lachend. "Nou +of," antwoordde Tony met overtuiging. "Kijk U eens dit +boek. 'Lentegroen.' Wat een leuke plaatjes." + +"Zoo," zei vader nu ook ontwakend. "Heb je al je presenten al gekregen +en wat zeg je van het mijne?" + +"Wel neen" zei moeder, "dat heeft hij nog niet." + +"Krijg ik dan nog meer," vroeg Tony opspringend van pleizier. + +"Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het +cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht +hebben." + +"Wat is dat, moeder, toe zeg 't eens?" + +"Ik weet 't, ik weet 't," riep zus, sprong op moeder toe en riep, "Is +'t toch, hé moesje," maar moeder lachte en zei "Ik zeg niets. Eerst +aankleeden." + +Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te +poetsen, ik geloof 't haast, maar hij was heel vlug klaar en zus was +zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde +wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te +kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij. + +Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook +binnenkwam was het: "Nu 't cadeau. Ga maar mee jongens." + +Mee--waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin. + +Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van +pleizier: "Ik weet 't, zus weet 't." + +Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit +gestaan had. + +"O, vader," riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot +onder vaders beenen door, deed de deur open en.... "Pas op" riep vader +nog--sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog +luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter +moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden. + +"Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn," riep hij verrukt. + +Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony +vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug. + +De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar +moeder en zus. + +"Kom, Emy, niet bang zijn," zei moeder en bracht haar bij den hond, +maar ze wilde hem niet aaien. + +Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en met de achterpooten +schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek +opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien +grooten bek. + +"Is die nu heusch voor mij, vader?" vroeg hij ongeloovig. + +"Heusch voor jou," zei vader, "als je goed voor hem zorgen kunt, +zijn hok schoonhoudt en voor zijn eten zorgt. Hem wasschen zullen +moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een +netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig +beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden, +want hij is nog jong. Kijk!" vader liet hem los en de hond bedacht +zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij +allen besnuffelen. "Zeker om kennis te maken," zei Tony. + +"O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn, +dan zal hij wel veel van me gaan houden." + +"Dat is best," zei vader, "maar niet verwennen. Hij mag vooreerst +niet in de kamer komen--alleen in het speelkamertje en hij moet ook +leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien." + +"Ik vind hem zoo mooi." + +"Maar zoo groot," zei zus. + +"Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe +heet hij?" + +"Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam." + +"Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd. Zoo heet dat buiten +van dien timmerman, immers." + +"Noem hem dan--Verlangd of gewenscht--Dat is Hollandsch." + +"Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd--Verlangd! of Gewenscht, +kom eens hier. Het hindert toch niet." + +"Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal +geven en je vrienden en kennissen uitnoodigen." + +"Hè moe, mag dat heusch?" vroeg Tony. + +"Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee. Maar nu moeten +we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag +nog schoolblijven." + +"Dat doet de Meester toch niet!--Wat zullen ze kijken.--Hij is nog +grooter, dan Nero van den slager en mooier ook." + +Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het +terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten. + +Toen ze zaten te eten, zei moeder, "ik geloof, dat je vader nog niet +eens bedankt hebt." "O nee," zei Tony en met een reepje in zijn mond +sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder +af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide +hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen, +om zijn vreugde uit te juichen. + +Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier +berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer +en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond. + +"Désiré," riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den +kop op. "Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet +om twaalf uur meebrengen?" + +"Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader, +dat weet je wel." + +"Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag +Désiré!" en weg was hij. + +Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen +de halve klasse te hebben aangetast. Meester wilde ook graag den +hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden, +maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette, +'s middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré's doopmaal +wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond +te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu +juist zoo heel moeielijk waren vandaag. + +Vier uur!--hè.--Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en +stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet. + +"Désiré, Désiré," riep de baas. In het speelkamertje? + +Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij +op, keek hen onderzoekend aan en blafte even. + +"Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten +we hem meenemen naar buiten!" + +Daar stoeiden en holden ze weldra met het vlugge dier in het zand. Hij +maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen +allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon. + +Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam +juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht +moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade +en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn +hond lekker gegeten en gedronken. + +Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten +presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest +met zijn prachtigen hond. + +Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het +hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden +nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite +naar huis en broer en zus moesten naar bed. + +"Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen," vroeg Tony. + +"Nu van avond dan," zei moeder. "Hè lekker, toe zus ga je mee!" Samen +vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. "Nacht hoor, +droom je eens van me!" + +Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed +hij op den rug van Désiré de geheele wereld door. + + + +5. Désiré en Emy. + + +"Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!" + +"Nee nog niet happen.--Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem +eens aan zijn voorpooten.--Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten +hoor. Een--twee--drie--vier--vijf--zes--. Mooi zoo! Daar is de +worst! Zie je wel zus, hij kan 't al. Désiré, hier!--Hij komt dadelijk, +leuk hé?" + +Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was +net, of hij er altijd geweest was. + +"Nou ik es," zei zus: "Désiré, hier!" + +"Zie je wel, hij doet 't niet voor me," en ze stampte met haar voet. + +"Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok," zei Tony, "dat +vindt hij ook niet lief." + +"Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten," pruilde zus. + +"Hij heeft 't toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen." + +"Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten." + +"Jij mag hem niet slaan." + +"'t Is een naar beest, ik houd niet van hem," snikte zus nu en liep +weg, om haar troost bij moeder te zoeken. + +"Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch +Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond." + +"Foei," zei moeder, "zus je moet niet zulke leelijke dingen +zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen +het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was +een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet, +vindt moeder haar niet lief." + +"Ik vind Désiré niet lief," hield zus vol "en ik vind het niets +prettig, dat Tony hem gekregen heeft." + +"Je meent het niet," zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe +en bleef pruilen. + +Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan +blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg +gewend en liep buiten in het bosch los. + +Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was +hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar +op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang +voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed. + +"Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij," vleide ze eens, +dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag. + +"Ik speel toch immers met je," zei Tony. + +"Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me +voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op +zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug +en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan. + +"Kijk nou," zei Tony, "je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens +lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je." + +"Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu +vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief," +vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting +en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat +zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte +luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony +had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier +doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch +den halsband om en bond hem aan een boom vast. "Nu stil liggen--koest, +hoor." + +Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen +hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen. + +"Stil hoor," riep zus. + +"Mag ik hem niet losmaken," vroeg Tony weer. + +"Nee hoor, dan heb ik niets geen pret" en Tony gaf het dwingelandje +haar zin. + +Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte. + +"Waar is Tony, Moesje?" vroeg zusje. + +"Uit," zei moeder, "naar de wei met Désiré." + +"Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?" + +"Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch +wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan." + +Groote tranen! Schokkend snikte ze. "Hoe leelijk van Tony, zie je +wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij." Ze wierp +zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar +verdriet uit, toen moeder de kamer uit was. + +Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om +den hond gaf dan om haar. + +"Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier +gekomen!--" + +Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting, +toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een +snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop +door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toen achter haar +om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden, +trapte zij achteruit: "Ga je weg! naar beest!" Zóó erg meende zij +het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en +liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus +keek hem na. "Wat zal Tony zeggen," dacht zij. + +"Wat is er gebeurd, Désiré?" hoorde zij Tony vragen. + +"Kom hier en laat de baas eens kijken." De hond jankte luider, zeker +bevoelde Tony zijn poot. "Heb je in een spijker getrapt?" Juist kwam +vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang. + +"Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de +knel heeft gezeten." + +"Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen," antwoordde Tony. + +Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang. Ze durfde vader en +Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar +moeder, die aardbeien plukte. + +"Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch," zei moeder. + +Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd +in moeders rokken. + +"Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis, +help moeder maar plukken," hernam moeder, die dacht, dat het alleen +daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen +zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen, +om Désiré naar het hok te brengen. + +"Wat is er met Désiré," riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader +vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep, +hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen. + +"Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig +bezig?" Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader +haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. "Heb je +geschreid? Waarom?" Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader +schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. "Lach eens gauw, lachen, +zeg ik." Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw +moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag. + +Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met +aardbeien. + +Toen moeder haar 's avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot +haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar +hoofdje achterover en vroeg: "Is zusje heel lief geweest vandaag?" Toen +snikte ze. + +"Maar ik had het zoo erg niet gemeend." "Wat," vroeg moeder +verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet +had meegenomen. "Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem +zoo'n pijn deed, heusch niet," zei zus. Nu begreep moeder ineens en +vriendelijk maar ernstig zei moeder: "Ik ben blij, dat je er spijt +van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat +broer zooveel van hem houdt." + +Zus zei "neen moesje," kreeg een nachtkus en ging slapen. + +Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er +meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré +weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar +hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond +het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens +met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek +kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: "Leuk hè, Tony, weer zoo +samen. Met Désiré is toch zoo vervelend," en Tony zei maar niets, +want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had. + + + +6. De landlooper. + + +Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was +een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en +hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht +was aan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar +afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn +liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds: +"Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken." + +"Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad," zei Tony. + +"Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas," +en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré +meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij +liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat +moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde +hem altijd. + +'t Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis +stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de +tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant +van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in +de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was +nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk +heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen. + +Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter +voorbij ging. + +"Hebben jelui hem al, van Buren?" riep de melkboer hem toe. + +"Nee," antwoordde de veldwachter, "maar je mag de voordeur wel dicht +houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij +kon best eens binnen komen, als je hem zoo uitnoodigt." + +"Over wien heb je 't nou?" vroeg Jans. + +"Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die +bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te +stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze +hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt." + +"Ja, dat is secuur, 't moet hem zijn." antwoordde de veldwachter, +"en hij zal me geen tweeden keer ontloopen." + +Jans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten, +want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten. + +Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan. + +Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar +huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het +huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal +pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen +kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs +dan een enkele boer, die in de wei zijn koeien liet grazen en bij +het bosch woonde. + +De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het +gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den +houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje +voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig, +legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in. + +Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op. + +Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de +oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk +gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed, +lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand +wegduwen. "Houd je mond, mormel," siste hij door zijn vuile tanden en +ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden +kettinkje, dat ze om haar halsje had. "Jelui alles en ik niks hè," +mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes +en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren +of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij +de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been. + +Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen +slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus, +hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller +afgevlogen, die hij in zijn been beet. + +Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré +woedend blaffen, de man vloeken en tieren, de haag kraken, maar keek +niet om en liep onder 't geroep van "Moeder! moeder een dief!" zoo +gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder +was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans +nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de +gang weer in, naar de voordeur en gilde "Van Buren, Van Buren--hier, +hier!" De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug. + +Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag +Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den +haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen, +daar het beest hem niet wilde loslaten. + +"Ga vader halen," riep moeder tegen zus "gauw!" maar juist kwam de +veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller +door Jans van het kantoor gehaald. "Houd hem, Désiré," riep de +veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kop van den +hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet +en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde, +over den haag teruggetrokken. + +"Laat los Désiré, kom hier," riep moeder, die zag hoe hij den man +gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn +grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. "Beste hond, +goed beest." Brr, ze rilde. Zoo'n vreeselijke man. Wie weet wat hij +haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest. + +"Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw," +en de hond drukte zich tegen haar aan. + +Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog +op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken. + +"Nee weg, weg," riep ze. "Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens +aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man +gedaan zou hebben." + +"Kom hier" en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop +van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te +bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten, +alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen. + +Vader kwam even later weer terug--een paar boeren hadden den man met +den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis. + +"Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft +en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?" + +"Ja," zei moeder, "dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst." + +"O, wat is dat lief van je Désiré," riep Tony. "Nu hou je toch wel +van hem, hè." + +Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok +die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte +bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte. + +Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief +zusje gered had. + +"Moeder," zei hij nadenkend. "Weet u wat ik zoo jammer vind. Als +een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent, +kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben +wil. Maar bij een hond kan het niet." + +"Neen," zei moeder, "dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor +hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel." + +Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was +niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals +vader en moeder, en de anderen deden of speelde niet met hem. Het +kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen +haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde. + + + +7. Uit logeeren. + + +Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport +thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij. + +"Nu!" zei moeder. "Wat dunkt u, vader, zoo'n flinke jongen mag wel +eens een extra'tje hebben." + +"Ja, zullen we het dan maar doen?" vroeg vader lachend. + +"Wat doen," zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten +en zeiden nog niets. + +"Watte, moesje?" vleide zus. + +"Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen." + +"Wat niet graag willen?" + +"Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën +mee naar grootvader en grootmoeder?" + +"O heerlijk! Ik! en ik!" riepen ze allebei en vlogen hun ouders om +den hals. + +Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm. + +"Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader, +Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft +hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf +kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan--hè, ja vader, mag dat?" + +"Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als +we derde klas gaan kan hij mee." + +Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap +en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke +tijding te brengen. + +"Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!" + +"Och kom," zei Jans. "Désiré mee, hoe kan dat nou?" + +"Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader +wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en +hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!" + +"Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog +veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen, +dat hij los kan loopen." + +"Ja natuurlijk, hij is zoo slim," antwoordde Tony trotsch op zijn +lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas +mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn +vreugde uit te buitelen. + +De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele +familie naar den trein. + +Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier +voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de +andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij +scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze +niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in +zijn nopjes. + +Enkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden +niet in de coupée, al verzekerde Tony ook: "hij doet heusch geen kwaad, +komt u maar gerust." + +Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes. + +Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook +nog een onverwachte logé zag uitstijgen. + +"Is dat nu Désiré," zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen +hartelijk had verwelkomd. + +"Ja, grootvader, 't mocht wel, niet?" + +"Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. 't +Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed +genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op +den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoeder de pannekoeken +al klaar heeft." + +Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen. + +"Hij hoort toch bij de familie," zei de lieve vrouw, "en was in de +uitnoodiging begrepen," en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte, +dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de +mat veegde--en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als +de kleinkinderen. + +Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van +de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij +"Nooit gedacht". Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het +erf. Pere- en appelboomen--kersen en aardbeien--een lief tuintje +met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en +paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast +liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het +hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in, +wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen +en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen, +zaten de kinderen en de hond er boven op. + +Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging +Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of +eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door +een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral +als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek +of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen. + +Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré +heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee. + +"Jongens, hij zal heelemaal verwennen," zei moeder, "dan gaat hij +thuis nog bedelen." + +"Ja, moeder," antwoordde Tony "en wij worden hier ook verwend." + +"Daar ben ik ook hard bang voor," hernam moeder weer, "en dan hebben +we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen." + +Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op +het bord en gooide den hond een been toe. + +Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader +bleef lachen: "'t zal zoo'n vaart niet loopen, thuis is thuis--maar +ze zijn nu ook op 'Nooit gedacht.'" + +Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: "Zoo sprak +je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon," en vader antwoordde: +"Neen, toen deed u het" en hij boog zich over grootmoeder heen en +kuste haar, dat het klapte. + +"Foei, foei, wat moeten de kinderen wel denken," zei ze. + +"Dat u een lieve grootmoeder bent," zei Tony, greep grootmoeders +hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond, +"en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld, +hè Désiré, wat zeg jij." + +En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal +met Tony eens. + +Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in +huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen +en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat +dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield, +om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en +ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest +heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest +blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat +ook al niet en deed hij het niet meer. + + + +8. In gevaar. + + +Het was Zondag en prachtig weer. + +Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Koo ging op den bok zitten +met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder +en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was, +om er heen te loopen. Het was stil op de boerderij, alles blonk tegen +je aan--tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De +kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden +de vertrekkenden na. + +"Dag, jongens!" riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. "Ga +niet te ver uit de buurt, hoor!" + +"Dag zus, zoet zijn," riep moeder en wuifde met de hand, boog zich +om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. "Dag! dag!!" + +Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré +het erf op en lieten zich onder luid gejuich en geblaf door zus en +Trijntje nazetten. + +Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje +inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was +maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het +eten zorgen. + +"Mogen wij nog even verder," vroeg Tony. "Even naar het bloemenveld." + +"Ja, dat is goed," zei Trijntje, "dat is niet zoo ver. Maar dan weer +thuis komen, hoor." + +"Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor +grootmoeder," zei zus. + +"Ja, heerlijk." Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré +gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp +voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden +liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met +allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken. + +Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij +wou eens zien, waar die laan eigenlijk op uit liep, en wat er achter +die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals +moeder het voor de grap noemde. + +Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong +uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in +de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht +op de boomen af. + +"Wat moet dat? Wat heb je," riep zijn kleine baas verwonderd en volgde +hem wat langzamer. + +Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij +een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed +water lustig staan drinken. + +"O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet +eens," zei Tony bij zich zelven. "Wacht, jongetje, je kon wel weer +eens zwemmen, net als gisteren met vader. + +"Kom hier, Désiré." Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant +en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij +eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien. + +"Zus! zus!" riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar +niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn +handen als roeper aan zijn mond en riep "zus, zus, Emy!!" Désiré +snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam +hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide +armen vol bloemen had. + +"Kijk, Tony, mooi hè," draag jij ook wat, dan maken we er thuis een +boeket van." + +"Ja prachtig," antwoordde Tony, "leg ze maar even neer en kom eens +mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je +weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar +zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee" en hij trok +zus haastig mee naar de rivier. + +Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water +en riep: "Désiré pak ze." Désiré bedacht zich niet en met aandacht +keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den +bek terugkeerde. + +Wat lachte zus om het afschudden van de druppels. + +"Kijk," zei ze, "nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die +punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan +den overkant." + +"Ja," zei Tony, "dat is leuk, kom mee!" + +Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan, +dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond +stak een eind de rivier in. + +"Ik durf eigenlijk niet verder," zei hij nog. + +"He flauw!" zei zus. + +"Nou ga jij dan." + +"Ja maar ik ben een klein meisje," zei de wijsneus. + +"Nou vooruit," zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen. + +Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam +zoo een aardig eindje naar voren. + +Désiré stond aan den kant en blafte jankend. + +Zus klapte in haar handen van pleizier: "Gooi nou!" riep ze. + +"Désiré! pak ze!" riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo'n +kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er +gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam. + +"Tony! O, moeder, help!" riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony +was een heel eind af.... "Moeder! Vader!" gilde ze in haar angst. + +"Vader," gilde Tony ook spartelend met handen en voeten. + +Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf +afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder +de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen +en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp. + +Zus liep wanhopig heen en weer. + +De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen +en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef. + +"Gauw, Désiré, gauw," riep het kind, voelend, dat hij zonk. + +Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en +dieper in het water zinken, ze zag, dat hij verdween, voordat de +hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen +kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had +een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar +het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar +kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den +bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water +uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in. + + + +9. De Redding. + + +"O, Désiré," riep ze smeekend, "houd hem vast, houd hem +vast." "Help! help!" riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen +ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den +waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last. + +"Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan," riep ze en het was of het +moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten +in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. "Toe dan, +goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan." + +"O lieve Heer, laat hem niet verdrinken," bad ze; boog verder voorover +en greep een stuk van Tony's blouse. Ze trok en trok zoo hard ze +kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en +zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten +ze den drenkeling tegen den kant op. + +Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan alle kanten. Zus boog +zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony's +oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus +bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop, +vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog. + +De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon +blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf +hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van +het bloemenveld. + +"Désiré! hier," riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met +broertje, die maar al sliep. "O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit +meer boos op je zijn, loop niet weg." + +"Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony," snikte ze dan en begon +hevig te schreien. + +Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze +keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende +nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een +dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan, +keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later +nogmaals terug te gaan. + +Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had +nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn +stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden +zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij +naderbij en riep: "Wat is er gebeurd? Heeft die jongen in het water +gelegen?" Zus keek hem verstomd aan. "Hoe lang is het al geleden" +vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp, +zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm, +legde zijne hand op Tony's borst, zijn oor er tegen en begon haastig +zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. "Wie ben jelui, ik +ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je +vlak bij?" Zus zag hoe de man Tony's armen heen en weer ging bewegen, +ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken +man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze +greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen +hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou. + +"Toe kindje," hijgde de man, "ga toch, daar is een huis. Haal gauw +hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga, +gauw." Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd +en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te +komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De +hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij +zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet +een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony; +keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op +naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen, +liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet +verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam +er een meisje naar buiten, vroolijk zingend liep ze op zus af en zei +vriendelijk. "Wel--wat had de jonge juffer?" + +Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei +zacht. "Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water +gelegen." + +"Wie, die man?" zei het meisje verschrikt. + +"Neen, Tony, en hij heeft z'n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft, +ik ben zoo bang," riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van +het meisje en wilde haar meetrekken." + +"Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!" riep ze naar +binnen, "kom gauw mee, er is een in het water gevallen." Twee lange +boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het +meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd +voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel +vooruit. + +Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen +wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes +keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te +snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend: + +"Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar +niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?" "Emy, en hij is Tony," +snikte het kind. + +"En waar zijn je vader en moeder." "Naar de kerk." + +"Maar bij wie ben jelui hier, dan?" "Bij grootvader, daar," wees zus, +"over het bloemenveld." "O, wacht, op 'Nooit gedacht'". + +"Ja," zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar +werd gevraagd. + +Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus +sprong op hem toe. "Tony, lieve Tony," riep ze en zoende hem. Hij +keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. "Benauwd," +riep hij toen en begon te braken. + +Toen rilde hij. "Ik ben zoo koud, Moeder!" zei hij. + +De dikke man tilde hem op. "Kan je hem dragen," vroeg hij Jacob. "Ja, +geef maar op," zei de grootste van de jongens en geen moeder had +haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan +de knaap deed. + +"Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud," zei +de dikke man. "Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan +zoo gauw niet." + +De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij +bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht +en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het +meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens +korte beentjes moeite deden hen bij te houden. + + + +10. Désiré overwint. + + +Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde +de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs +het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de +deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de +laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje +toe. "O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen." + +Trijntje verbleekte. "In het water en" .... ze liep de mannen +tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje: +"Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen." + +Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht. + +Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje +vertelde wat zij wist. + +"Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen," lamenteerde Trijntje +en sloeg jammerend de handen in elkaar. "Er is niemand thuis." + +Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren +uit. "Ziezoo," zei Siem, "nou afdrogen en in een wollen deken in +bed." Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet +water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik +in de bedstee gestopt. + +"Wat warme koffie of thee," zei Siem. + +En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warme thee met een +theelepeltje ingegoten. + +"Waar is moeder," vroeg hij nog eens. + +"Ja, die komt zoo," zei Siem, "ga nou maar eerst wat slapen." + +"Waar ben ik?" vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd. + +"Hier," zei zus, "bij grootmoe in de bedstee." + +Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen. + +"Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen," vroeg Teun. "Is +er niet een fiets van een van de jongens." + +"Zeker," zei Trijn, "pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat +de boerin niet te veel schrikt. Nou ik bedank jelui wel hoor. Siem +blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van +je vinden." + +Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later, +zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje +wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen +gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor +het bed zitten. + +Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem +niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo +zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en +steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In +de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen. + +De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje +opsprong. "Daar ben ze!" Zus werd door den schok wakker. Ze droomde +dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor +de bedstee neerzette, riep ze: "Désiré, help dan toch." + +De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich +over hem heenboog, fluisterde zij: "Lieve goede Désiré, jij hebt hem +er uitgehaald," en ze nam zijn kop in haar armen. + + + +Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk +op en vloog schreiend op hen toe. "We konden het niet helpen! maar +Désiré heeft hem er uitgehaald," riep ze en vertelde aan één stuk, +wat er was gebeurd. + +Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep +de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam +bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien. + +"Désiré," zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde +haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed. + +"Vader, moeder," riep hij zacht en begon te schreien, "ik dacht, +dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen." + +Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen +heen. + +"Hij heeft je er uit gehaald," zei zus nog eens weer. "Zoete hond." + +"Heb ik het niet gedroomd?" vroeg Tony. + +"Neen," zei vader, "hoe is het nu? Hoe voel je je?" + +"Goed vader, ik kan wel opstaan," en hij wilde overeind komen, maar +dat mocht niet. + +"Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik +maar niet," zei grootmoeder. + +"Ik heb getrokken," zei zus nu, "want hij was zoo moe, hij kon haast +niet meer." + +De tranen sprongen moeder in de oogen. "Die kleine zus en die goeie +hond." + +"Je bent een flinke meid, hoor," zei grootvader. "Samen heb jelui +hem dus gered." + +"Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen," merkte grootmoeder +weer op. + +"Maar, Désiré was er toch bij," zei zus weer. + +"Wat is zoo'n beest toch slim, om hulp te halen." + +"Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo'n dier hebben genomen. Eerst heeft +hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard." zei +grootvader. + +"Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je +zult het altijd goed bij ons hebben, hoor," en iedereen op zijn beurt +haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier. "Désiré!" riep +Tony. + +Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de +teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré's hals +en fluisterde--"Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel +als allemaal--net zooveel als jij." En Tony kwam overeind en in +een omarming nam hij zus en Désiré. "Ja, jelui hebt me samen er +uitgehaald. Wat ben ik blij--wat ben ik blij." + +En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: "Dat is +een zegen des Heeren," en moeder knikte van ja. + +Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met +vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer, +om hem een cadeautje te brengen en naar Anneke en Teunis en Jacob, +om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en +hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de +kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en +was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: "Wacht +u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet." Hoe ver de hond ook +was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde. + +Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar +ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu +niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag +tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen +ze samen naar de school om Tony af te halen. + +"Moeder," zei Tony, "ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden, +want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij +houdt ook meer van den hond." + +"Neen," zei zus ernstig, "ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij +mijn lieven schat uit het water heeft gehaald." + +"Tony maakt maar gekheid," antwoordde moeder, "hij weet wel beter." + +"Och ja," zei Tony lachend, "ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu +drie trouwe kameraden. Kom hier" en hij tilde zus op den rug van +Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en +moeder keken hen dankbaar lachend na. + + + + + + +II. TREINTJE SPELEN. + + + "Moesje, toe, zegt u + maar ja," + Vleien Hans en Jantje, + En het kleintje streelt + haar wang + Met zijn dikke handje. + + "Neen," zegt Moeder, + "Janneman + Jullie moet niet zeuren, + 'k Moet eerst weten, + wat je wilt, + Of 't zal niet gebeuren." + + "Treintje spelen, + Moesje toe! + 'k Heb zoo'n heel + mooi fluitje. + Dan ben ik de conducteur; + Machinist is Truitje. + Anna zit aan het loket + Kaartjes te verkoopen. + Hansje wil met vaders tasch + Met de kranten loopen. + + "U en zus zijn passagiers, + En dan nog de poppen. + Aap en beertje zal ik in + Beestenwagens stoppen." + + Moeder lacht en Moeder knikt. + "O, het mag, gauw stoelen! + Zet ze alle op een rij," + Zie ze eens krioelen! + + Eindlijk is de trein gereed. + "Hola, conducteurtje!" + Roept Moe hijgend van de haast + "Doe--gauw open--'t deurtje." + + Jantje zegt: "Stap in, Mevrouw," + Opent het portiertje. + --"Maar de trein vertrekt nog niet,-- + 'k Zet het op een kiertje." + + Waarlijk daar komt grootmoe ook, + Loopend op een vaartje. + "'k Moet ook mee naar Amsterdam, + Geef me gauw een kaartje." + + Lijsje gaat in d' eerste klas + In de derde Jetje. + "Mag ik ook nog mee," zegt Pa + Nu dat wordt een pretje! + + "Kranten, Heeren, 't Nieuws!" zegt Hans, + "'t Handelsblad of 't Leven!" + Jantje zegt: "'t portier moet dicht," + Vader: "wacht nog even!" + + "Daar komt nog een juffrouw aan + In een wit toiletje." + Jan kijkt om, wie dat mag zijn? + Wel, 't is poes Minetje. + + Jan tilt poes ook in den trein + En gaat kaartjes knippen. + Daarvoor moet hij iederen keer + Op de treeplank wippen. + + "Nu--vertrek! 't is klaar! Vooruit!" + Roept hij dan tot Truitje. + En hij blaast zoo hard hij kan, + Op zijn schelle fluitje. + + Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef! + Ja, dat moet zoo, weet je. + De machine stampt en blaast + Hansje helpt een beetje. + + En do machinist roept: "Tuu!" + "Dag! Dag!" wat een leven! + Jongens, zou de echte trein + Zooveel pret wel geven? + + + + + +III. DE GOUDKLOMP. + + +1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp. + + +In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang +naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden +heel ijverig. Het was soms zoo'n gehamer en geklop, dat de mieren er +hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De +dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden +voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en +Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de +aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe +steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er +niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het +schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze +waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa +prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken +voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een +eigen woning hebben moest. + +Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodat Soliman van schrik zijn +houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd +duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen +hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: "Maar wat is er dan toch +Orleman. Wat heb je dan toch?" Orleman stond als razend in de rondte +te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek, +omdat hij een rood pakje aan had. + +Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond +te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel +hij niets meer zien kon. + +"Kijk jij dan," gilde hij uit--"Goud--echt goud." + +"Och wat?" zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had, +dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te +fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen, +"och wat." Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef +verstomd staan kijken. + +"Ja, ja," knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen, +"Ja, ja! 't _is_ echt goud." Toen grepen ze elkaar beet en dansten, +voorover achterover, links en rechts zoo'n echt mooien dwergendans, +zooals niemand ooit heeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard, +dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig, +dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode +lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig +te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien +klomp zouden beginnen. + +"Weet je wat," zei Orleman na veel over en weer praten: "Als de +jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op." + +"Goed," zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon +redeneeren, als een schooljongen--en ze gooiden de mutsen op, maar toen +ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes +vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was +je de knapste schooljongen geweest. + +"Nou," zei Orleman weer, "dan weet ik nog wat." En Soliman luisterde +al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen +verstandskies had. "We brengen hem aan den koning." "Ja, aan den +koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten +beginnen." + +"Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen." + +Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je +ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te +hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch +niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken +ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen +waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun +borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet. + +Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een +groot leger mieren aangewandeld. + +Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de +mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat +hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te +toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong +was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar +sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp. + +De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze +hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met +hun allen op den klomp goud af. + +Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam +ten laatste aan voor het paleis van den koning. + +Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging +dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden +toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits +kamerjapon aan de tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon +'n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. "Wat--pff--verlangt +gij pff! Orleman?" pff pff! + +"Sire," sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard +den grond raakte; "Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten, +dat uwe Majesteit niet wijs is--hm--hm--alleen, maar ook goedertierend +en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar +steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata +een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen." + +De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk, +omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar +maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen +naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak +niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij +nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog +veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafel en +sprak langzaam deze woorden: + +"Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen. + +"Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze +schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het +menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk." Toen +wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep +hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan +moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet. + +Toen Orleman buiten kwam en 's konings woorden aan Soliman meedeelde, +krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen, +dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende +krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met +zoo'n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een +oogenblik verstomde. + +"Zie zoo," zei Orleman, "nu niet verder. Laten we nu eerst eens +beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen," en hij ging +er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman +volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en +met stille trom den aftocht bliezen. + +Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp +maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken +flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden +ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het +menschenkind, dat de koning bedoeld had. + +Zoo togen ze samen op weg. + + + +2. Wie zal hem hebben? + + +Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze +spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de +anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en +achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen +die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht. + +"Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar 't veld niet +om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die +boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten +eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de +zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en +dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er +beter van. Ik wou, dat ik geld had--en die anderen, ze lachen maar, +en ze werken maar en--". "Kom," zei Orleman, "hij is het niet. Geld +kan hem niet gelukkig maken."--Soliman was ook al opgestaan. Dezen +man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder. + +Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag +er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of +hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet +lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze +moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de +gedachten niet hooren. + +"Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O, hoe kon je je +vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn +kind slecht is...." + +"Ga mee," zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen, +"ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen; +maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven." + +En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den +rijken man. + +Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen +stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen +te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde +in een pan, terwijl ze een liedje zong. + +Soliman zei: "Die konden wel wat geld gebruiken" en Orleman antwoordde: +"Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben" +en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten. + +Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar +de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes +spitsten hunne ooren. + +"Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen. + +"Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er +dan voor." + +"Ja," antwoordde de bedroefde, "jij hebt goed praten. Jij kan je +fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd +maar is:--Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers +hebben.--Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld +had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik +ging de wijde wereld in en reizen en--" + +"Vooruit maar," zei Orleman en ze gingen weer verder. "Die moet vooral +geen geld hebben." + +Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: "Ach, +al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer +op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de +jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger +niet best en nu--". + +"Daar zal het ook al niet helpen," zei Orleman, "die kunnen we niet +met goud helpen." + +"Neen," zuchtte Soliman, "maar laat die man voorzichtig zijn, dat +hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn +vrouw en kinderen, 't is--'t is een--een schande voor een man," en +hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het +vast hield, omdat die er duizelig van werd. + +Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en +kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of +gedachten: "Als ik maar geld had." Maar de bedroefden waren meest met +geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zouden er niet +wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het +verdiend hadden. + +Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten +uitrusten. + +"Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was," zei Soliman, toen +hij een beetje op adem was gekomen. + +"Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat +ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets +moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent +de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?" + +Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van +een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist +de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met +de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de +lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht +te verzamelen voor het werk van den volgenden dag. + +"Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk +naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun +dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van +anderen," merkte Soliman op. + +Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de +verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd +venstertje van een klein, vervallen huis. + +Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen +zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had. + + + +3. Wat de dwergen verder zagen. + + +Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten, +sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en +weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte +zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten, +waar geen enkele lantaarn brandde. + +"Kom!" zei Orleman, "daarheen!" en hij trok zijn muts over de ooren +en greep de hand van zijn kameraad. + +Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel +niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt. + +Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren, +maar Orleman hield hem terug. + +"Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar +boven klimmen." In een oogwenk waren ze op het dak. [2] Toen tegen +den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de +opening heen en keek naar beneden. + +"In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom +maar!" Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem +zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad +op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. "Ssst, +stil!" riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den +grooten schoorsteen en zagen:--Aan een ruw houten tafel zat bij een +kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje +wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele +jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes +peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In +het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er +zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed +de wanden kraken. + +Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de +gordijnen gesloten waren. + +Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes. + +"Och, lieve Heer," prevelde zij "als moeder maar niet wakker wordt. Och +ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo'n honger, +och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van +'t broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch +geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De +lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder +en voor broertje." De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig +om zich heen. + +"Drinken," fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op +en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd +gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen +zochten angstig rond: "Is vader daar, lieveling.--Ja hè. Ben je daar +Leendert. Geef me wat drinken."-- + +"Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw." + +"Ja, gauw dan, gauw," stamelde de zieke, dronk haastig en liet het +moede hoofd weer in de kussens vallen. + +"Ja moesje, vader komt," snikte het kind en boog zich over haar moeder +en drukte een kus op haar wang. + +"Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij is +onschuldig--ze kunnen hem niet langer houden--Ga nu slapen, kindje--of +jij wordt ook ziek. Kom gauw--slapen"--en de zieke sloot de oogen en +sliep zelve weer in. + +Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend +schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets +uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek +te voorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje +met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende +mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het +een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger +te krijten. "Stil dan, broertje"--suste Liesje, en ze legde het mondje +tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te +zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet; +hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer +op en fluisterde sussend: "Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt +zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is +ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja." En ze suste het hongerige +kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het +heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht. + +"Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje +niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och +als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder +zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden +we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook +alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet +vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook +die vader bestolen hebben--arme vader!" en snikkend liet ze het hoofd +op de armen vallen voorover op de tafel. + +Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De +tranen liepen langs hun wangen. Die van Soliman vielen op Orlemans +neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen. + +"Ik kan het niet langer aanzien," fluisterde hij. "Ik zal haar even +helpen." Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te +blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even +en--was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader +en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij +mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode +wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend, +op zijn arm zat. + +"Vooruit nu," zei Orleman, "naar boven!" En Soliman trok zich aan +een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich +aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op +den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen. + +"Wacht even," zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen +zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover +hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af. + +"Die is 't" zei Soliman. "Die kan 't zijn!" antwoordde Orleman +voorzichtiger. "We moeten eerst dien vader zien. + +"Juist juist! we moeten eerst dien vader zien." + + + +4. Gevonden. + + +"Ben je klaar met je zakdoek? kom dan." Weer greep Orleman Solimans +hand maar meteen riep hij nu: "Och! lieve wind, neem ons mee, neem +ons mee!" De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk: +"komt maar" en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet +en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en +velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans +riep: "Hola! dank je wel. We zijn er." Toen stonden ze ineens stil +op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was +nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In +dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind +over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze +zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein +vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant +waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze +een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: "Hier is het," en voor +één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop +door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet. + +Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht +door een klein getralied venster in een somber vertrek op 't gezicht +van een man, die op een bank lag uitgestrekt. + +"Slaapt hij?" vroeg Soliman. "Neen," antwoordde Orleman; "hij denkt; +luister!" + +"Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar +wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij +laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe +zou 't ook. Ik ben onschuldig--gestolen hebben ze mij het geld dat +mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd +een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had +ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben, +al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij +zoo lijden moesten dat--o, die schurken--ik zou--neen--neen, ik moet +mijn vijanden vergeven.--Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind +terug zal zien.--Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een +plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij +niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er +maar niet door lijden moesten." Snikkend verborg hij het gezicht in +de handen. + +En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman +nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over +het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een +verkwikkenden slaap. + +Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al die verloren hadden, +alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw +begon. + +De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de +trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig +verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend +gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden +in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den +grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door +de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk. + +Toen eerst sprak Soliman: "Zullen we 't den koning vragen, of 't deze +menschen zijn?" + +"Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker, +dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen +nacht," antwoordde Orleman. + +"Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud +niet geven. Daar zou ze niets aan hebben" merkte Soliman op, verheugd, +dat hij dit nu eens het eerst had bedacht. + +"Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen +ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen." + +Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den +vriendelijken hollen boom. + +"Goede vriend," zei Orleman. "Wil je ons den klomp alsjeblieft weer +teruggeven?" want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude, +holle boomen. + +"Zeker, zeker," antwoordde de boom, die kraakte van den storm en +hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. "Dank je +wel, hoor." + +Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij. + +"Ziezoo," zei Orleman. "Nu zullen we een paar stukjes er af slaan." Zij +zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel +en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep +Orleman echter: "Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen +vliegen." Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den +klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van +het goud, maar de zakdoek bleef heel.--Jammer dat jongens zakdoeken +ook niet zoo gemaakt zijn. + +"Genoeg!" riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek +opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den +zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan +de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen +zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en +gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje. + + + +5. De opdracht wordt volbracht. + + +In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen +ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar +op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee +jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen, +zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden. + +Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog. + +In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den +hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich +bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud +zou vinden. + +Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets +van bemerkt. + +"Ga mee kijken, kom," riep Orleman, die niet langer wachten wilde. "Ik +zal haar wakker maken," en ze lieten zich weer naar beneden glijden +en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen. + +Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst! + +Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen +rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden, +want ze huiverde in haar slaap. + +"Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden, +dan zal ik haar naar bed sturen," zei Orleman; meteen nam hij een +goudklompje en wierp het juist tegen haar neus. + +Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden +wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze +tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens. + +Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En +wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal +sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom +te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide +dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing. + +Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje. + +"Kom," zei Orleman zacht, "neem het maar. Het is goud voor jou, lief +kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom +krijg je dit van de aardmannetjes." + +"Voor mij," vroeg ze nu.--"Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar +eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den +haard en--." + +"Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden +en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader +terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden." + +Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe. + +"Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geen kwaad gedaan, dat +kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker," riep ze haastig +achter elkaar. + +"Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop +morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die +goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal +je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen, +want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren." + +"O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank +u wel" en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen. + +"Neen, neen," riep Orleman "dat zijn we niet gewend" en meteen zetten +ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken +ze nog even om. + +Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen +hoorden ze nog heel zacht: "Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder +beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen."--Toen +werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis. + + + +Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in +het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis +bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder +een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De +beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en +met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen +met vluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en +verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te +komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen, +maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes +kwamen voorbij hollen: "Ik ben zoo bang," zei het eene. "Hoe durf +je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer." "Och, kom, +gauw maar, deze weg is veel korter," en weg waren ze. Langen tijd +kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap. + +"Hij is 't," zei Orleman. "Ja, ja!" zei Soliman. Ze schoven een +beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam +nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten +rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en +mompelde in zich zelf: + +"Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik +moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein," +en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer. + +De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge +leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen +hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen +en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen +klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef +kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen +hem tegen. + +Hij wreef zich over het voorhoofd. "Wat heb ik nu?" mompelde hij. "Dat +heb ik vannacht gedroomd. Ik slaap toch niet meer." Hij stampte op +den grond. + +Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk +weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met +zijn voet den steen aan.--"Kom, ik ben een dwaas," zei hij tot zich +zelf. "Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet +verder, of ik kom te laat aan den trein." + +Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij +kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen +loopen, maar bleef staan. "Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net +goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? 't kan toch geen kwaad, al is +het een dwaasheid." Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem +in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder. + +Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats. + +"Zie zoo--hij begrijpt het nog niet," zei Soliman. + +"Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen. Ga je mee, dan +zijn we er eerder dan hij." + +Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen +en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis +vervolgde naar huis. + + + +6. Weer gelukkig. + + +Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het +huisje van Liesje in het bosch. + +"Aha!" riep Orleman, "ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons +mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard." "Jammer, jammer," +antwoordde zijn vriend. "Welneen, niets jammer; nu hebben zij het +warm. En wij gaan door de deur." + +Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in +het eenige vertrekje van het huis. + +Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel +lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en +kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In +den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel, +waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje, +maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot +lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem +voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje. + +"Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet +te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust +hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit." + +En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op +de deken stond een bordje met pap en ze was bezig met eten, Een lach +kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten. + +"Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens +een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar +zóó zien." + +"Vader komt toch gauw, 't wordt nu alles weer goed." + +"Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij +zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat +kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen +Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem +het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij +moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem +niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede +ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier +te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en +wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve, +beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken." "Ja," +zei Liesje, "die lieve aardmannetjes!" + +Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van +pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje +het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil. + +Daar klonk buiten een stap. + +"Stil," zei moeder en wierp de lepel op haar bord, "pak eens aan +Liesje. Daar is hij!" en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep +het bordje, legde broertje in moeders arm en wilde naar de deur loopen, +maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen. + +Vragend zag hij naar binnen: "Vader!" gilde Liesje en wierp zich +in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje, +haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep. + +"Leendert!" stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en +zeide schor van het schreien: "Ben je ziek, Elsje, ziek en--" toen +zag hij het kleintje in haar armen. + +"Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt." En vader nam ook dit +kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten +met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en +vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met +haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht, +maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat +ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud. + +"Och kom," zei vader, "was het goud?" + +"Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft +me er geld voor gegeven en ik heb nog meer." Ze sprong van vaders +schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op +en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had. + +"Zou het toch?" prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen +klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek. + +"Dit lijkt ook goud, maar--dan moet ik te weten komen, wie dat in het +park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van." Hij bekeek de +kleine stukjes en dan weer den grooten klomp. + +Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar +voren en bleven voor vader en Liesje staan. + +"O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben +ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze." + +"Dat is heelemaal niet noodig," zei Orleman. "Wij hebben slechts onzen +plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en +dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door +zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het +is voor u.--Weest gelukkig." + +"Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven +aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan +we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge +zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven." + +"Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is +volbracht. Weest gelukkig!" antwoordde Orleman en met een vriendelijken +groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder +en Liesje. + +De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine +onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze +binnen moesten komen. + +"Wel?" vroeg zijne Majesteit. "Hebt ge hen gevonden." + +"Sire, door den klomp goud, hebben we een geheel gezin liet verloren +geluk weergegeven," zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn +vertellen. + +"Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt +me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te +worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke +Hoogheid." Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten +en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk +gebracht. + + + + + +IV. DE THEEVISITE. + + + Kleine Loe krijgt theevisite; + Op het mooiste aangekleed + Zit ze in haar leuningstoeltje, + Voor d' ontvangst geheel gereed. + + Op haar tafeltje staat alles. + Op een blaadje 't theeservies + Heel licht blauw met rozeknopjes + Een geschenk van Tante Wies. + + Naast het blad op 't tafelkleedje, + Blauwe schaaltjes keurig net; + Met gekleurde poppeschuimpjes, + Bitterkoekjes en banket. + + Op heel kleine stoeltjes zitten: + Joopje in 't matrozenpak, + Roosje in haar witte jurkje + Beiden heel op hun gemak. + + Voor de dames grooter stoelen + Naast de kleintjes van de pop; + Daarnaast staat een voetenbankje + En daar zit het poesje op. + + O, daar komen de vriendinnen + Met haar kindren op den arm. + "Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het? + Foei wat is 't verbazend warm!" + + "Ja," zegt Loe, "maar hier is 't heerlijk, + In de kamer is het koel-- + Gaat u zitten, lieve dames, + Net voor ieder is een stoel." + + "En, wat zal u nu gebruiken, + Zeker wel een kopje thee?"-- + Heel graag, met veel melk en suiker.-- + Waarom kwam uw kind niet mee?" + + "Och,'t is ziek," zucht Carolientje + "Gist'ren brak 't in eens zijn hoofd. + "'k Heb zoo vreeselijk moeten schreien, + Toen heeft Pa m' een nieuw beloofd." + + "Mijne heeft een arm gebroken. + En dat is de schuld van Piet," + Zegt Phie, "maar met lange mouwen + Zie je 't nog gelukkig niet." + + "Ja, die broertjes zijn toch lastig," + Zegt heel neuswijs Antoinet. + "Zoo gezellig onder meisjes + Hebben wij de meeste pret." + + Tikketakke gaan de lepels, + Suiker, melk en thee smaakt goed. + Knibbelknabbel gaan de tandjes-- + En de meisjes zijn heel zoet. + + Zachtjes gaat de tuindeur open, + Om een hoek gluurt broertje Bob. + "Zeg, mag ik ook binnenkomen, + Of heb jullie alles op?" + + En hij stapt parmantig binnen; + Met hem komen Kees en Roel, + Vragen ook, om thee met koekjes + En het wordt een dolle boel. + + "'k Wou nog wel een beetje suiker." + "Geef mij nog een kopje, Loe." + Bob en Kees en Roeltje likken, + Eten nog een koekje toe. + + 't Duurt niet lang, of op is alles. + Koekjes, melk en suiker, thee.-- + "Kom," zegt Roeltje, "Nu den tuin in!" + En de dames hollen mee. + + Romlig liggen nu de kopjes + Op 't bemorste tafelkleed, + Waarvan poes de druppels oplikt + En de koekjeskruimels eet. + + De verlaten poppekindren + Staren treurig voor zich uit, + Want hun moeders stoeien buiten + Met haar broertjes tot besluit. + + + + + +V. BARTS GROOTMOEDER. + + +Een vriendelijk thuis. + + +"Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je." "Ja, ik kom hoor! kijk ereis +Els, kijk, gaat ie niet fijn." + +"Nou," antwoordde Elsje met overtuiging. "Veel mooier dan die van +Jaap laatst, niet?" Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het +kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje. + +"Nou, boodschap loopen?" vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor +haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol, +die zoo hard draaide, dat 't leek of hij stil stond. + +"Kom, nou Bart," vroeg Elsje weer, zich herinnerend "grootmoe zegt, dat +je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit." Meteen +keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en +verdween in de kleine, groene deur. + +Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje, +voor de kleine potkachel, waarop een pan stond. + +Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar +toesprong. "Hij komt zoo." zei Elsje, "brr, wat is het koud!" + +"Hij moet voortmaken," antwoordde grootmoeder "anders is ie uit, +als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben +veel te bang voor brand." + +"Ja," zei Elsje. "U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?" en +ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de +lamme beenen. + +"Maar ik dacht alleen aan jou, kindje," antwoordde de goede vrouw en +streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. "Sla mijn doek +even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen." Gewillig +deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. "Toe dan Bart, dadelijk +dan. De kachel gaat uit," riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde +op het straatje voor de deur: "Ach!" grauwde hij, "dat gezanik, +ik kom immers al" nijdig pakte hij zijn tol op. "Wat heb ik aan +een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou," +gromde hij door, toen hij binnentrad. "Foei," zei grootmoeder, "wat +ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil +je toch wel even halen." "Ach," bromde Bart, "dat gezeur altijd," en +met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit +naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop +hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit, +een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen +had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij, +die weer begon te snorren. + +Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan, +die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: "Grootmoe vertelt, +Bart," zei ze. "Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder +hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik 't je zeggen," zei Bart. + +"Goed, goed, ik zal 't je vertellen.--Nou, je moet dan weten," begon +ze, "dat grootvader--jij hebt hem gekend, dien besten man."--"Ja," +antwoordde Bart, "ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de +scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam." "Ik weet +'t niet meer," zei Elsje. "Nee, jij was nog te klein, maar ik was al +7 jaar, toen grootvader dood ging." Grootmoeder zuchtte: "Treurig, +zoo treurig." "Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs 't strand en +met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet 't nog goed." "Ja, +je weet 't nog goed," bevestigde grootmoeder en veegde een traan af, +die langs haar magere, bruine wang liep. "Maar toen ze je grootvader +dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later +niet meer loopen." "Vertel u nou van die eene grootmoeder," zei Bart. + +"Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo'n lieve, kleine +dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in +het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes; +dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op +onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met +ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo'n klein meiske Marijtje, +jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief, +'t was een aardigheid.--Het was ook in 't voorjaar en bar weer; al een +paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader +was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het +kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht--Tante Bartje, +moe roept, gauw! gauw!--Nou,--ik ging mee en de kinderen achter me +aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw +om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf +ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar +twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader +kwam niet weer terug. Wat moest 't arme kind? Natuurlijk hielden we +het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje +van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze +groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn +brood had, als scheepstimmerman, nou--toen trouwde hij met Marijtje; +en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou +heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt."-- + +"O," zei Bart, "zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder +had het toch gezeid." "Het kan; het is zoo en niet anders." "En nou +moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook," zei Elsje. + +"Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je +moeder zou ik--" + +"O, is u weer bezig, moeder!" riep een vroolijke stem en een jonge +vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op +grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar +op en liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, "dag moeder," +en liep meteen weer naar buiten. + +"Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!" vroeg +moeder Lubbe aan de oude vrouw. + +"Nee, dat is nou maar gekheid. 't Is de waarheid, kind. Je bent een +zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik +jou in huis heb genomen." + +"En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder," +vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat +aanhaalde, die zich tegen haar aandrong. + +"Heb u de aardappelen al geschild?" vervolgde ze. "En waren de kinderen +zoet. Was Bart gehoorzaam!" + +"Best hoor," antwoordde grootmoeder, "en hoe was 't met Mevrouw!" "O,'t +gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en +nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is +jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog +een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, 't zou niet mooi wezen, +als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven +met de kinderen, Bart is nou toch thuis." "Zeker, natuurlijk, voor +zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat +overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet +altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij, +dat we hier ook kwamen wonen." "Nou dat zeg ik ook," antwoordde moeder +weer. "Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar +de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is 't slecht weer en dat +tegen Paschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan." Elsje +ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof +kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in +de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin +naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam. + +Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf +in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn +was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van +school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Barts vader op den +werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten +ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen, +dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren +gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op, +die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder +keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel +op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader +had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed +was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je +fijn op tollen, al was 't wat smal. + +Onderaan den dijk had je niet zoo'n last van den wind, maar ze moesten +toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten +de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep, +dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was. + +"Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook," was het +eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam. + +"Zoo komaan, gelukkig maar," antwoordde vader, terwijl hij zijn +handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, "Au!" riep +Bart. "U slaat zoo hard, met die groote handen." "Groote handen," +zei vader lachend, "kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de +vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader." Elsje lachte +en grootmoe lachte. "Vader is ook zoo sterk" zei ze, "en dat is maar +goed ook." "Kijk," zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op +en zette haar bij de tafel. "Elsje is ook sterk," zei het kleine +ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer +toe. "Elsje is een braaf kind," hernam vader, en tilde haar hoog in +de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier. + +Toen gingen ze eten. "Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe +zorgen," zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze +bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. "Mevrouw +vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt +u ons ook geholpen, is 't niet." "Je hebt gelijk hoor," antwoordde +vader, "'t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u, +moeder." "Ja, hoor," antwoordde grootje. + +"Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven," vervolgde +vader weer. "Dat is ook lekker," bromde Bart. "We zouen morgen naar +Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en +daar zijn allemaal kalveren en biggen." + +"Tuut, tuut," zei vader, "we zouen? Heb je het dan aan moeder +gevraagd?" "Aan mij niet," zei moeder. + +"Nou, ja, als u het goed vond," bromde Bart. + +"Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar +je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook +vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?" "Och het is +ook altijd," begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij +grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, "'t is jammer, voor je, +maar, zie je," en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op +zijn bord en zweeg.--"Het wordt nog slechter weer," zei vader. + +"De wind staat recht op den dijk," antwoordde moeder. + +"Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?" + +"Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder." "Nou," antwoordde grootje, +"wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij." En ze +spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht +over morgen. + +Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en +grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen, +die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals +hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den +wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen +bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de +keuken lag, zei ze wel even: "He, moesje hoor es, boe, boe gaat 't. Mag +de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind." "Ik +zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt +Bart ook," antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las +nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan +morgen, voordat hij onder de dekens lag. "Wat moest hij tegen de +jongens zeggen?" zoo viel hij in slaap. + + + +2. De verzoeking. + + +Toen hij wakker werd, scheen de zon, "hè," dacht Bart weer.--Prachtig +weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.-- + +Moeder kwam in de keuken, om water op 't stel te zetten. + +"Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me +helpen. Vader moet zoo weg." "Morgen, Moe," zei Bart en sprong het +bed uit.--Als vader weg is--dacht hij--ga ik naar Krijn toe. + +Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de +bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te +zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn +knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na +door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe +ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het +gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het +hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar +stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. "Ben je er al?" vroeg hij +met zijn mond vol. "Moeder pakt me brood in." "Heb je niets bij je," +vroeg Krijns moeder. "En moet je geen jas aan? 't Is veel te guur +en je krijgt nog wel regen ook." Bart schudde van neen; hij had wel +kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon +houden. "Dag moeder," zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het +huisje van Jaap. + +"Ik ga niet mee," zei Bart nu bedrukt. "Hè, mag je niet, da's gemeen," +was 't antwoord, "je hoeft toch niet op je zusje te passen." + +"Moeder is niet thuis vandaag," antwoordde Bart. "Nou, je grootje is +er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!" "Grootmoeder kan niet alleen +blijven," antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte. + +"Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen," antwoordde Krijn. Bart +schrok er van; gelukkig dat vader en moeder 't niet hoorden, +anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. "Ze kan +het toch niet helpen," antwoordde hij aarzelend. "Is je vader al +weg?" vroeg Krijn. "Ja," knikte Bart. "Je moeder ook al?" "Neen, +die nog niet." "Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg +is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen. + +"Je bent ook zoo'n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks +merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur." + +Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij +maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou 't misschien niet +eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou +hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van +vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen. + +"Waar zat je toch?" vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen +kwam. "Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de +aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar +binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat +steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De +lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook, +ga maar wat bouwen of lezen." + +Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden. + +"Nog iets moe?" vroeg hij, toen hij klaar was. "Neen, jongen. Ik ben +ook klaar. Jongens, kijk eens!" Een hevige windvlaag deed het huisje +schudden en de regen viel bij stroomen neer. "Kind, wat een weer," +zei grootmoeder. "Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi +bedaard van morgen en nou begint het weer." + +"Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien +hou ik het nog droog," antwoordde moeder. "De lucht is anders pikzwart +daar in de verte. 't Is mooi lenteweer, hoor," hernam grootmoe. + +"Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschien breng +ik wel wat lekkers voor jelui mee." "Een paaschei moes," vleide +Elsje. "Misschien wel, als jelui zoet bent." + +"Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje," zei Elsje. + +"Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor." + +Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens +omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok. + +"Kijk, Moes rokken," zei Elsje. "Straks waait haar doek nog weg. Zou +ons huis niet om kunnen waaien?" + +"Wel nee," zei Bart, "dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak." "Dan +wordt de zolder nat," zei Elsje. + +Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet +tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe +toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist +niet, waar hij was.--Elsje zou hem roepen.--Ze zou misschien naar +het huisje van Krijn gaan.-- + +"Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo +donker," merkte Elsje op.--Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij +hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een +schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar +grootmoe. 't Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe +grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen +hadden ze grootvader voor 'n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij +had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen +zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon +ze niet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel +lief voor grootmoeder zijn.--Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten +hem. "Moet u niet lezen, grootmoe," vroeg Bart. "Ja," zei grootmoeder, +"dat is goed" en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde +met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met +het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den +vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken +weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg +de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn +liep al op hem af. "Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet +je geen jas aan, heb je je brood?" Hij dacht niet anders of Bart +ging mee. "Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk," lachte Jaap. "Heb +'t lamme, ouwe wijf 't niet in de gaten gehad?" dat was Bart toch te +kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide +zich om en snauwde: "ga jelui maar alleen hoor." "Toe nou, flauwerd," +riep Krijn hem nog na, maar hij liep nog wat harder en verdween weer +in de keuken. "Mispunt! lafferd!" hij hoorde het haast niet door den +wind en trok de deur met een smak dicht. "Wat een slag," zei grootmoe, +"was je aan de buitendeur." "Eventjes," antwoordde Bart verlegen. "Nou, +blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer." + + + +3. De dijkbreuk. + + +Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te +regenen. "Foei, foei!" zei grootmoe en schudde het hoofd. "Wat spookt +het." Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de +kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn +vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets +hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor +het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien +en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen +mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon +haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen +en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen +in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind +nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd. + +Ze trok grootje aan haar mouw. "Grootmoe," zei ze zacht. "Het is hier +zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard." + +Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, dat naast haar stoel stond +en trok Elsje naar zich toe. "Zal ik je eens wat vertellen?" zei ze +vriendelijk. "Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens, +'t is wel heel erg," vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles +rammelen deed en de kachel ineens rood verfde. + +"Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!" riep ze. + +Bart stond op en temperde de kachel wat. "Het waait ineens weer +harder," zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken. + +Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De +paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen +den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen +den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand +op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of +ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. "We konden +de lamp wel opsteken, grootmoe," zei Elsje, "'t is zoo donker. Hè, +ik word er bang van." Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en +gluurde onder de haren door angstig naar buiten. + +"Grootmoe, kijk u eens," riep Bart opeens. "Wat is dat daar tusschen +het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, 't lijkt wel een +sloot." + +"Ja," antwoordde grootmoe, "het regent ook zoo, 't lijkt wel groote +schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen." "Kijk +grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!" "Kom hier maar," zei +Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.--"De ruit kon wel +eens inwaaien. Ga er niet zoo dicht bij staan. Hier kan je ook kijken." + +"Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als +ze thuis komt," merkte Bart op. + +"Welnee," zei grootmoe, "dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet +ophoudt, trekt het wel weer weg." + +"Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de +werf," zei Bart weer, schertsend. + +"Het zakt zóó wel," stelde grootmoeder gerust. + +"Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, 't is net of +ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen +niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het +gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik." Bart drong weer naar +het raam, om beter te zien. "Het water staat tot aan het straatje en +het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij." + +"Och, jongen, 't is toch niet zoo?" vroeg grootje wat angstig en +zachtjes zei ze: "Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn." "Ga +es kijken door het keukenraam," vervoegde ze tegen Bart, "of het +aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis." Donderend +geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten, +allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. "Lieve +Heer!" stamelde grootmoeder, "het zal toch niet zoo zijn!" + +"Ik hoor schreeuwen," zei Bart, "hoort u het ook?" + +"Dat is de wind," antwoordde grootmoe. "Neen," zei Bart, "toch niet" +en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij +Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog +opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op +te komen en waadde tot de knieën door 't water. "Vrouw Lubbe! vrouw +Lubbe!" gilde ze, zoo hard ze kon. "Kom dan! het water!" meer kon +Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op +den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit, +maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde +van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van +schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het +bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was +het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam +het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar +grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide +de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken. + +"Grootje, grootje," snikte hij, "het water staat in de keuken. Krijn en +Jaap hun moeders zijn weggeloopen en wij zijn hier alleen," snikkend +viel hij grootmoeder om den hals. "Och Heere, Heere!" bad de oude +vrouw, "loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door, +gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk." + +"'t Kan niet grootmoe, en u dan," vroeg Bart, en klemde zich aan haar +vast. "Ga, Bart, voor het te laat is," antwoordde grootje met trillende +lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere +deur het kamertje in. "O Hemelsche Vader, help ons," kreet de arme oude +vrouw, "de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen, +wat een verdriet!" en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar +schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het +water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg. + +"Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we--dat we verdrinken?" vroeg +Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. "Ik weet 't niet, +jongen, 't is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn +arme kinders!" + + + +4. Een flinke jongen. + + +"Grootje, we moeten naar den zolder," riep Bart, "zoo hoog komt het +vast niet." Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken +op. "Gauw Elsje op mijn rug." "Neen, neen, grootmoe nee!" kreet Elsje, +maar nu zei grootmoeder streng. "Elsje moet met Bart mee gaan en zoet +zijn." "Komt grootmoe dan ook?" vroeg ze nog en liet zich wegdragen, +door de kamer en de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder +voerde. "Ik ben zoo bang," schreide Elsje, "ik durf niet op den +zolder." "Stil nou," zei Bart, "grootmoe komt ook. Wees nou zoet, +ga even zitten, ik kom zoo terug." Maar Elsje was bang, ze trapte +op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart +mee. "Ga je weg," zei Bart, "je blijft daar, hoor!" en hij duwde +haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. "Grootmoe, +ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo +hoog. U zal verdrinken, toe dan," smeekte hij. "Nee jongen, het is te +zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je, +mijn jongen." Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in +zijn oogen. + +"Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan, +voor het te laat is." Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich +eindelijk gewonnen. "Mijn beste jongen," stamelde ze, "'t zal niet +gaan, het zal niet gaan." "Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor, +daar gaat het." Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even, +maar bleef toch staan, boog zich voorover en voorzichtig, voetje voor +voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders +rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets +aan doen. + +"Goeie jongen, mijn lieve jongen," mompelde grootje. "Gaat 't wel? het +is te zwaar." Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam +toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart +hield zich ook stevig vast. + +"Grootmoe, grootmoe," stond Elsje te roepen en stak haar handjes al +uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken +zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om +grootmoeders hals sloeg. + +"Wat ga je doen Bart, blijf hier!" riep grootmoe buiten adem van de +inspanning. Bart ging de ladder weer af. "Ik kan er nog door, ik haal +nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud." "Och +jongen, je verdrinkt, kom terug." + +"Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat," zei Bart en waadde +door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er +uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe's +Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het +water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven +er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. "Bart! Bart dan +toch!" riepen grootmoeder en Elsje. "Ja, ik kom." Daar was hij weer +bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven. + +"Niet weer--naar--beneden," hakkelde grootje, al bibberend van koude +en angst. "Doe dat natte goed uit." "Ja, ik heb mijn jas en hier is uw +japon." Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp +hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één +deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen +grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe. + +"Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt." + +"Jelui ook," klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen +haar aan onder de deken. + +De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van +het water. + +"Nou komt het water toch niet meer," zei Elsje, "neen hè?" "Wel nee," +zei Bart, "zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik +zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo'n +handdoek, hè grootmoe," vroeg Bart. + +De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar. + +Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat +deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam +een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje +deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht. + +"Trek--zoo'n--paar--kousen aan," hakkelde grootmoe weer, "en zoo'n +broek, die zijn wel droog." Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart +trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe +onder de deken. Nu waren ze een poos stil. + +"Ik heb honger," zei Bart. "Jongen," grootmoe aaide hem liefkoozend +over het hoofd. Als hij nu toch eens weggegaan was met Krijn en +Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij +rilde er van.--"Komt vader nog niet," vroeg Elsje. + +"Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen." + +"Ja, ja," knikte grootje, "vader komt ons halen."-- + + + +5. Voldoening. + + +Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende +niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt +of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een +schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. "Hier blijven," +riep grootje. + +"Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken." Nog één sport van de +ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. "Och +nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch." Weer naar het venster. De +wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij +klokken luiden. Ja, en dat daar, was 't een schuitje. "Ja, ja! grootje +daar komt vader! Ik zie een schuitje," juichte Bart. Hij gooide het +venster open en riep zoo hard hij kon: "Vader, vader!" + +Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien, +of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind, +twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond. + +"Moeder! Vader!" gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee +en moeder stak de armen omhoog on riep: "Bartje, Elsje!" "Alle drie," +riep Bart terug. "Grootje!" riep vader. "Ja, ook, grootje ook!" + +"God zij dank," zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het +bootje vlak voor het zoldervenster. + +"Voorzichtig nou, wacht even," riep vader tegen moeder, die schreiend +naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen +heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij +drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond +keek. "Moeder," riep hij, "ik kom." Hier pak aan! vervolgde hij tot +den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in +moeders armen vloog. + +"Mijn schat, mijn engel," zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en +werd ook opgevangen. + +"Jongen, beste jongen," zei moeder en zoende hem. + +"Kalm aan," zei de man "ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier +in het midden." "Hier, doe om," zei moeder en pakte beide kinderen +in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in +de deken gewikkeld. + +"Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht, +eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven, +jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo." Eén schok, daar +zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide +de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam +de riemen weer. "De Heer zij gedankt," stamelde grootmoeder, terwijl +moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, "Arme moeder, hoe +bent u boven gekomen?" + +"Bart," zei grootmoeder. "Bart heeft me gedragen." + +"Goed zoo," zei vader. "Brave jongen," zei de andere man, en moeder +knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en +keek naar het huisje, en dacht: "Als ik toch eens was weg geloopen." + +Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms +stootte tegen een boompje of een paal. + +Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal +bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide +grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart +van menschen in de verte. "Hoo ie hoo!" schreeuwde vader en zwaaide +met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. "Ze zijn +gered," riep men elkaar toe. "De oude vrouw ook," zei Krijns moeder +die vooraan stond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen +de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. "Nee," +zei vader, "dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen." Bart werd +ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje +ging het van mond tot mond. "Hij heeft zijn grootmoeder gered!" en in +menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het +in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader +liep vooruit en opende de deur. "Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng +haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.--Droge +kleeren," antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met +een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest +zijn. "Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn," +vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit +gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart +werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed +gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon +en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten +smaken. Daarna moesten ze wat slapen, "dat was goed voor de schrik +en alles," zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche +was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte +haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. "Mijn beste +jongen," zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen +om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend +uit. "Ik-had-stil-met Krijn en Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit +weer doen." Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in +de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien +oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en +ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje +had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: "Gelukkig +jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen, +grootmoeder is al onder zeil." Nogmaals kuste ze hem en met de tranen +nog op de wangen viel hij in slaap. + +Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken, +zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij +haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen; "Wat geef +je er om, ga mee!" Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met +verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was. + +Moeder stond met een heer voor zijn bed. + +"Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in +houden." Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd +en moest toen weer gaan liggen. + +Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam, +vroeg hij, hoe lang hij had geslapen. + +"Het is goede Vrijdag," zei moeder, "gisteren middag ben je in slaap +gevallen en morgen mag je er weer uit." "En grootmoeder?" "Is ook in +bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier +voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, een groot stuk taart en +een glas lekkere melk." + +Dat smaakt overheerlijk. "Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe +is het met ons huis?" vroeg Bart. + +"O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij +zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en +met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje +zal blijven, totdat ons huis weer in orde is."--"Het is jammer van +alles. Zou het allemaal bedorven zijn?" vroeg Bart. + +"Dat hindert minder," antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam +kijken. "Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen +eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We +hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook +gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen +en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog +allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft +bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht." + +Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. "Die lieve, +beste grootmoeder" mompelde hij. + + + + + + + +INHOUD. + + + + + I. De trouwe kameraden 5 + + 1. Broer en zus 5 + 2. Emy's ridder 8 + 3. Haar geheim 14 + 4. Een prettige verjaardag 16 + 5. Désiré en Emy 25 + 6. De landlooper 31 + 7. Uit logeeren 38 + 8. In gevaar 45 + 9. De redding 50 + 10. Désiré overwint 55 + + + II. Treintje spelen 62 + + III. De goudklomp 65 + + 1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp 65 + 2. Wie zal hem hebben? 71 + 3. Wat de dwergen verder zagen 76 + 4. Gevonden 81 + 5. De opdracht wordt volbracht 85 + 6. Weer gelukkig 90 + + + IV. De theevisite 96 + + V. Bart's Grootmoeder 100 + + 1. Een vriendelijk thuis 100 + 2. De verzoeking 110 + 3. De dijkbreuk 115 + 4. Een flinke jongen 119 + 5. Voldoening 123 + + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Zie titelplaat. + +[2] Zie plaat omslag. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wat tante Dora vertelde, by H. D. Jacobi + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT TANTE DORA VERTELDE *** + +***** This file should be named 19544-8.txt or 19544-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/5/4/19544/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
