summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/19544-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '19544-8.txt')
-rw-r--r--19544-8.txt3671
1 files changed, 3671 insertions, 0 deletions
diff --git a/19544-8.txt b/19544-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d7c8190
--- /dev/null
+++ b/19544-8.txt
@@ -0,0 +1,3671 @@
+The Project Gutenberg EBook of Wat tante Dora vertelde, by H. D. Jacobi
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Wat tante Dora vertelde
+
+Author: H. D. Jacobi
+
+Illustrator: Freddy Langeler
+
+Release Date: October 14, 2006 [EBook #19544]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT TANTE DORA VERTELDE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Ons Schemeruurtje.
+
+ XIX.
+
+
+
+
+ WAT TANTE DORA VERTELDE.
+
+
+ H. D. Jacobi.
+
+ Geïllustreerd door Freddy Langeler.
+
+
+
+
+ H. Meulenhoff--Amsterdam--1919.
+
+
+
+
+
+I. DE TROUWE KAMERADEN.
+
+
+1. Broer en Zus.
+
+
+"Moesje, waar is zus?" roept Tony, terwijl hij tegen moeder opklimt
+en zijne roode lippen op haar wangen drukt.
+
+"Dag vent, zus is buiten in den tuin," antwoordt moeder, terwijl
+zij zijn lief jongenshoofd streelt en zijn kus weerom geeft. Weg
+is hij--de tuindeur door--de plaats over, zoo gauw zijn dikke
+beenen hem dragen kunnen. Daar zit zus op het grasveld bij de
+gymnastiekpalen. Op een doek staat de box en zus kruipt er in
+rond. Lijsje ligt in een hoek,--haar wangen zijn afgeschrabd, een neus
+heeft ze al lang niet meer--het paardje van Tony, dat twee wieltjes
+mist en overal kale plekken heeft, staat er ook bij en hier en daar
+liggen kegels verspreid. Zus kijkt er niet naar om, ze schuift,
+zittend op één been, heen en weer over den grond en kraait tegen
+de vogels en vlinders omhoog. Daar trekt ze zich aan het hekje op,
+zij staat! "Boer! Boer!" De beide armpjes strekt ze naar Tony uit en
+plof--daar ligt ze languit op den grond, boven op het arme Lijsje en
+de kegels. Een lipje trekt ze, maar broer is al bij haar, wipt over het
+hek en neemt haar in zijn armen, voordat de bui losbreekt. "Snoezebol,
+dag lekkere schat," en de wilde jongen houdt zijn kleine zus toch heel
+voorzichtig vast en drukt zijn dikke wangen tegen haar pruilend mondje.
+
+"Da! da!" ze wijst naar boven in de boomen, waar een leger musschen
+wacht tot moeder straks de kruimels op het pad strooit.
+
+"Ja, dat zijn de vogeltjes. Ze wachten ook op eten. Ze hebben ook
+trek net als broer. Ksst! ksst! Daar vliegen ze op. Moet zus ook
+vliegen? Daar ga je!" en hij tilt zus omhoog.
+
+"Voorzichtig, Tony," roept moeder, die in de tuindeur naar de kinderen
+keek. "Je zoudt haar laten vallen," en ze vangt zus in hare armen op.
+
+"Hé moe, laat u haar nog even hier? Of moeten we al koffiedrinken? Is
+paatje al thuis?"
+
+"Neen, pa is er nog niet, maar zus moet toch eerst gewasschen.--Nu
+speel dan nog maar even met haar. Dan ga ik nog even naar de keuken;
+maar niet meer optillen, hoor," en moeder zet zus weer in de box.
+
+"Da! da!" roept zus en moeder wuift haar lachend toe. Da! da!
+
+Wat is moeder rijk met haar tweetal. Haar jongen van vijf jaar en haar
+lief, klein molletje van vijftien maanden. "Hoe heerlijk," denkt ze,
+"dat ze zoo lief samen kunnen spelen. Die Tony is toch zoo dol op
+zusje en Emy is zoo blij als ze Tony ziet."
+
+Ze staat weer bij het hekje. Broer gaat op den rand van het gras
+zitten. Nu gaat ze haar kunsten vertoonen. "Hoea!" roept ze in eens
+en heft beide armpjes omhoog. Ze staat, ze staat los in de box.
+
+"Moes! Moes! kijk u eens!" roept Tony verrukt. "Emy staat alleen!"
+
+Bij de keukendeur kijkt moeder om. "Ja, ja, moeder ziet het; val
+maar niet, zus," roept zij. Maar broer waakt over haar en vangt haar
+lachend op en kust haar.
+
+"Nee, nee," roept zus en wringt zich los. Ze wil staan en houdt niet
+van kussen. "Hoea!" weer staat ze. Dat is een aardig spelletje.
+
+"Kom dan," zegt broer. Hij klimt ook in de box en gaat op zijn hurken
+zitten met uitgestrekte armen. "Kom bij broer." Zus waggelt en valt,
+maar hij grijpt haar en zet haar weer op de onbeholpen beentjes.
+
+"Hier, pak vast," zegt hij dan en geeft haar een takje als
+ballanceerstok in haar handjes. "Goed vasthouden." De dikke knuistjes
+grijpen het takje stevig vast. "Ja, ja," knikt ze.
+
+"Vooruit, toe dan maar, daar gaat ze," en het gaat heusch. Twee, drie,
+vier stapjes--wips daar ligt ze weer in zijn armen, kraaiend van pret.
+
+Vader is thuis gekomen en roept lachend: "Hallo!" terwijl hij den
+tuin in komt. Het kraaiende tweetal kijkt op en Tony roept vader toe:
+"Kijkt u, vader; zus loopt. Toe zus!" Maar nu wil ze niet, ze gaat op
+den grond liggen en steekt de armen naar vader uit, die haar opneemt
+en haar op zijn sterke armen hoog in de lucht laat dansen tot ze het
+uitgiert. Nu ziet moeder het ook, maar nu is zij niet bang en roept
+vroolijk: "Kom jelui?" Tony slingert zich om vaders been en zingend
+gaat het drietal naar binnen, waar moeder zus opvangt, om haar gezicht
+en handjes te wasschen, wat ze lang niet zoo prettig vindt, als spelen
+met Tony of vader.
+
+
+
+2. Emy's ridder.
+
+
+De kleine zus groeide op onder de zorgen van vader, moeder en grooten
+broer en was nu al een aardig dribbeltje van vier jaar geworden.
+
+"En ik zeg, dat je zusje toch niet aardig is, Tony."
+
+Het kleine wijsneusje stampvoette, terwijl ze dit zei en stak haar
+tong uit tegen Tony, die met zijn zusje aan de hand op het pleintje
+voor het postkantoor stond.
+
+"Welles," antwoordde Tony met overtuiging.
+
+"Nietis," zei het meisje weer, "kijk dan, ze heeft mij een duw
+gegeven en toen ben ik gevallen. Kijk mijn schort! heelemaal vuil,"
+en ze houdt Tony het bewijsstuk voor.
+
+"Ja," zegt Tony, "maar ze deed het niet exprès. Ze kon het niet
+helpen."
+
+"Nee, ik dee het niet imspres; ik kon het niet helpen," zei Emy nu,
+"ga je mee naar moeder, Tony?" en ze trok haar broer mee naar huis. Hij
+hield haar stevig vast. Hij was zoo trotsch op zus, met die mooie,
+blonde krulletjes. "Net poppehaar," zeiden de menschen en dat vond
+Tony leuk om te hooren.
+
+Niemand mocht van zus iets kwaads zeggen. "Hij bederft haar," zei
+Moeder vaak, als hij alles aan zus wou geven, of het grootste stuk
+voor haar uitzocht.
+
+"Eerst kijken, wat het mooiste is," zegt hij dan. "Hier, dit is
+beter, laten we ruilen." Maar nu begint zus te zeggen, "kijken wat
+het grootste is," en dat neemt zij dan, alsof het haar toe komt.
+
+"Dat is niet lief van zus en ik wil het niet hebben," zegt moeder,
+"geef Tony dien grooten appel, hij is de oudste." "Och, laat u maar,
+moesje," en Tony springt tevreden weg met het kleinste deel, als moeder
+niet doorzet. Moeder is wel trotsch op haar jongen, maar zegt toch,
+"neen, jij maakt van zus een egoïstje en dat zou vreeselijk zijn."
+
+"Wat is dat, moe?" zegt Emy.
+
+"Iemand, die het beste voor zichzelf uitzoekt en niet om een ander
+denkt," antwoordt moeder, "niets lief."
+
+"Nee, niets lief," zegt Tony, maar zus en niet lief kan hij zich niet
+denken en even later is het vergeten, en geeft hij zus het meeste van
+de dropjes, die hij bij den apotheker toekreeg. Als moeder of vader
+zelve deelen, geven ze opzettelijk aan Tony het grootste en het kleine
+ding ziet het dadelijk. "Ja," zegt vader, "Tony krijgt het grootste,
+omdat hij zooveel grooter is dan zus," en dan trekt ze heusch soms
+een lipje.
+
+Het was winter. Een gure wind blies door de ruiten naar binnen en
+had zus verkouden gemaakt. Niezen en hoesten van belang. Het was
+Zondag. "In de kamer blijven" zei moeder, "of je zou naar bed moeten."
+
+Vader gaat uit. "Tony ga je mee?"
+
+"Och nee, Pa!"
+
+"Neen? waarom niet. Je bent toch ook niet ziek?" zegt moeder.
+
+"Nee, moe, maar ik wou wat met zus spelen, ik heb het beloofd, dat
+ik mijn soldaten zou opzetten."
+
+"Ja, dan moet zus maar eerst wat anders spelen. Een gezonde jongen den
+geheelen dag in die warme kamer is niet goed. En vader heeft veel te
+graag, dat je mee gaat." Moe krijgt zijn jas en pet en zus begint te
+pruilen. "Hij heeft het beloofd.--Vader is groot, maar zus is klein."
+
+"Neen," zegt moeder, "zus is niet lief. Tony gaat met vader mee en
+zus mag niet pruilen en gaat zoet met de poppen spelen, totdat Tony
+thuis komt. Kijk Sientje is niet eens aangekleed. Wat is je wiegje
+slordig. We zullen het samen eens opknappen", en moeder gaat mee
+naar het speelhoekje en zus vergeet haar verdriet. Tony gaat met
+vader mee. Voor het raam kijkt hij nog eens naar binnen, drukt zijn
+neus tegen de ruiten, om te zien of zus al getroost is. Zij kijkt
+om en lacht om den platgedrukten neus en zegt: "Straks gaat Tony mee
+spelen." "Zeker," zegt moeder, "straks" en zus weet, dat hij het doen
+zal en is tevreden.
+
+
+
+"Maar Tony, jongen wat heb je nu weer uitgevoerd?" zegt moeder
+verschrikt. "Kind, ben je gevallen? Pas op, niet met dien vuilen
+zakdoek."
+
+"Nee moe--nee!--ja!" snikt Tony. Hij wrijft zijn vuilen zakdoek over
+zijn bebloeden neus en vuil gezicht, wat het niet beter maakt.
+
+"O, Tony!" roept zusje verschrikt "het bloedt, het bloedt allemaal"
+en ze zet het op een schreien. "Stil kindje, kom, gauw mee naar de
+pomp Tony," en moeder houdt het hoofd onder den helderen waterstraal,
+wat beter helpt. Nu kan ze zien, dat Tony's neus is opgezet en een
+schram over zijn wang bloedt.
+
+"O kijk, moesje, zijn blouse is gescheurd," zegt zus en steekt haar
+vingertje door een winkelhaak in zijn rug. "En heelemaal vuil moe, O!"
+
+"Hoe komt het dan toch," zegt moeder weer, terwijl ze zijn neus met
+watten dicht stopt.
+
+"O, die Bert, die naarheid; maar ik heb hem lekker te pakken genomen,"
+en hij balde zijn vuisten.
+
+"O, dus je hebt gevochten, dan heb ik heelemaal geen medelijden met
+je; dan moet je maar niet vechten. Dat zijn straatjongensmanieren."
+
+"Ja, maar ik moest wel, moeder--hij zei--hij zei--"
+
+"Nu?"
+
+"Hij zei, wat van zus--en, dat laat ik niet zeggen, hij zei: 'ze is
+een akelige kribbekat.'" Zijn oogen stonden zoo kwaad; hij balde de
+vuisten of Bert weer voor hem stond.
+
+"Maar nu heb je toch bewezen, door je bebloeden neus en zijn blauw oog
+of wat je hem hebt gegeven, dat het niet waar is," zei moeder ernstig.
+
+Tony zag moeder eens aan, hij begreep niet of moeder wel meende,
+wat ze zei.
+
+"Laat ze toch praten, jongen, ze zeggen het immers, om je te plagen,
+omdat ze weten, dat jij je er boos om maakt," vervolgde moeder, maar
+Tony bromde zooiets van: daar hebben moeders geen verstand van, die
+zijn geen jongens geweest, doch hij zei het maar niet hardop. Zijn
+neus deed hem erg zeer. Zus had medelijden met hem, ze troonde hem
+mee en speelde met hem. "Vader," zei ze, toen die thuis kwam van
+het kantoor, "Tony heeft met de jongens gevochten voor mij en hij
+heeft al zoo'n pijn. Wees U maar niet boos." En vader zei alleen:
+"zóó, een bloedneus, en de ander? Is die heelemaal dood of half? Je
+moet niet vechten, Tony"--en nu kon Tony toch niet denken, dat vader
+er geen verstand van had, want die was toch ook een jongen geweest.
+
+
+
+3. Haar geheim.
+
+
+Er kwamen wel eens jongens bij Tony in den tuin spelen, maar als zus
+niet mee mocht doen, konden ze wel heengaan. Daarom moest zus leeren
+slootje springen; op een smallen plank loopen over de sloot, knikkeren
+op z'n jongens; hoepelen, duikelen in het gras en aan den rekstok;
+in een boom klimmen, hardloopen en meer van die jongensspelen. En ze
+kon heel aardig meedoen, want Tony leerde het haar en hij vond het
+heerlijk als het kleine ding hooger durfde schommelen, dan de groote
+jongens. Toch was hij heel voorzichtig met haar. "Ja," zei hij dan,
+"het is toch een meisje en ze is nog zoo klein ook."
+
+Als Tony op school was, speelde zus met haar poppen, maar was hij
+thuis dan lagen de arme kinderen vergeten in een hoekje of Tony moest
+mee huishoudentje spelen; anders was zij jongen mee.
+
+Het liefst had ze een oud pakje van Tony aan, dat hij haar met de
+schoonmaak eens voor de grap had aangetrokken. Dat stond zoo leuk
+vond Tony, bij die lange, blonde krullen, dan was ze net kleine
+lord Fauntleroy. Toch was zus niet jongensachtig, maar heel zacht
+en bedaard. Soms kon ze tijden met haar poppen in een hoekje zitten
+moedertje spelen, of met de kleintjes in den tuin wandelen. Ook hield
+ze dol van poppenwasch. Moeder had haar ook breien geleerd.
+
+Eens zat ze in haar eigen rieten stoeltje in den tuin voor Tony,
+die gauw jarig was, een knikkerzakje te breien. Moeder naaide aan
+een mooie jurk voor haar en ze vond zich zelve erg groot, dat ze nu
+ook een werkje maakte en zat een tijdlang ijverig te peuteren zonder
+iets te zeggen.
+
+"Moeder," vroeg ze op eens "wat krijgt Tony van U en van Vader?"
+
+"Wat denk je?" antwoordde moeder.
+
+"Ik weet wel iets, dat hij heel, heel graag hebben wil. Maar dat
+krijgt hij natuurlijk niet," zei ze weer.
+
+"Zoo, vrouwtje. Wat is dat dan voor vreeselijks?"
+
+"Ik zal het u influisteren," antwoordde zus, wierp haar breiwerk
+neer in 't gras en sprong naar moeder. Ofschoon er niemand bij was,
+zei ze 't heel zacht aan moeders oor en keek moeder toen met een
+ernstig ondervragenden blik aan. Moeder lachte. "Jongens, jongens,
+dat is geen kleinigheid," zei ze, "dat is heel duur."
+
+Emy's gezicht betrok. "Maar hij zou het zoo heel, heel erg graag
+hebben," zei ze, "en hij is toch zoo lief, moesje."
+
+"Houdt zus zooveel van broer? Ik geloof nog meer dan van moeder en
+vader, hè?" was moeders wedervraag, terwijl ze haar naaiwerk in den
+schoot liet vallen en het lieve gezichtje tusschen hare handen nam,
+om het te kussen.
+
+"Neen," antwoordde zus dadelijk. "Ik houd van vader, van moeder en van
+Jans en van de poes en van Lijsje en Truitje en al de andere poppen
+en van grootmoe ook en van tante Sjaak en van grootvader en o, van
+een heeleboel menschen meer. Ook van den kruideniersjongen, want die
+brengt altijd balletjes voor me mee en ik mag op zijn fiets rijden."
+
+"Nu," antwoordde moeder, "als je van vader en moeder net zooveel houdt,
+als van den kruideniersjongen, dan mogen we toch tevreden wezen,"
+en zij lachte hartelijk.
+
+"Krijgt Tony dan een hond, hé toe, moesje?"
+
+"Maak jij je knikkerzakje maar af, dan zullen we nog eens zien, kleine
+vleister," zei moeder en zette zus, die op haar schoot geklommen was,
+tot groot gevaar voor de jurk, weer op den grond. Ze liet de naalden
+weer tikken, zoo gauw de kleine ongeoefende handjes het konden en
+dacht: "hij krijgt hem wel," hardop zei ze: "Wat zal hij blij zijn!"
+
+
+
+4. Een prettige verjaardag.
+
+
+De groote dag kwam eindelijk. Tony's verjaardag. De knikkerzak was
+met ijverig werken gelukkig afgekomen. Van boven was er een rood
+bandje doorgeregen, dat had moesje gedaan, prachtig! vond zus zelve
+en moeder vond het heel mooi en knap van die kleine prul, vooral,
+dat het op tijd af was.
+
+Tony draaide zich slaperig om op zijn buik en drukte zijn gezicht in
+het kussen, terwijl hij de dekens over de ooren trok, alsof hij nog
+eens rustig een dutje wilde doen. Wip! zij bij hem in bed; met haar
+knikkerzakje in de eene hand trekt zij met de andere de dekens weer
+van zijn hoofd.
+
+"Tony, ik feliciteer je met je verjaardag! Tony!" [1]
+
+Nu werd Tony op eens bewust van de heerlijkheid van dezen dag
+en schudde de slaap van zich af. Met een ruk kwam hij overeind en
+knipoogend greep hij de mooien knikkerzak. "O, ik ben jarig vandaag! Hé
+zus, mooi; heb je hem zelf gemaakt?" "Ja, zelf gemaakt." "Nu dat is
+mooi, ik dank je wel hoor! geen een jongen heeft zoo'n mooien." En
+hij kuste haar ontstuimig. "Wat zullen de jongens er wel van zeggen,
+prachtig! fijn!" "Ja, hè," zei zus, "en dat rooie bandje. Dat
+kan je toetrekken. En kijk eens op het tafeltje. Wat staat daar
+allemaal?" Ze kroop naast Tony onder de dekens en greep de pakjes van
+het tafeltje, dat voor zijn bed stond. Samen pakten ze alles uit en
+allebei waren ze even verheugd, bij het zien van al het moois. Een
+koker met de Koningin--en het prinsesje ook.--Een sponsedoos met
+twee dwergjes.--Een tol! rood--wit en blauw! "Van de vlag hè?" zei
+zus.--"Nou en echt,.." zei broer weer "Knikkers! wat een boel geen
+kalke daaien, echte knarren!" "Mag ik dan ook 's knikkeren," vroeg
+zus. "Ja, natuurlijk als je maar goed schiet. Daar die stuiter mag jij,
+om te bikkelen." "Nog wat zeg, kijk!"
+
+"Wat een plak, o!" "Lust je een stukje!" "Nou of." Hmm!! "lekkere
+melkchocolade."
+
+"Wat zitten jelui daar toch te doen?" vroeg moeder, die wakker werd
+door het drukke praten.
+
+"Hè, moes," riep Tony "allemaal voor mij, zoo mooi," en hij wipte uit
+bed, om zijn schatten aan moeder te laten zien en haar te zoenen voor
+al dat moois.
+
+"Ben je nog al tevreden," vroeg moeder schalks lachend. "Nou
+of," antwoordde Tony met overtuiging. "Kijk U eens dit
+boek. 'Lentegroen.' Wat een leuke plaatjes."
+
+"Zoo," zei vader nu ook ontwakend. "Heb je al je presenten al gekregen
+en wat zeg je van het mijne?"
+
+"Wel neen" zei moeder, "dat heeft hij nog niet."
+
+"Krijg ik dan nog meer," vroeg Tony opspringend van pleizier.
+
+"Ja, we zullen ons vlug aankleeden en dan gauw gaan kijken naar het
+cadeau, dat vader en grootvader en -moeder samen voor je gekocht
+hebben."
+
+"Wat is dat, moeder, toe zeg 't eens?"
+
+"Ik weet 't, ik weet 't," riep zus, sprong op moeder toe en riep, "Is
+'t toch, hé moesje," maar moeder lachte en zei "Ik zeg niets. Eerst
+aankleeden."
+
+Of Tony zich wel zoo heel goed waschte en niet vergat zijn tanden te
+poetsen, ik geloof 't haast, maar hij was heel vlug klaar en zus was
+zoo gejaagd, dat ze haar linker schoen aan den rechter voet wilde
+wringen en moeder vroeg, vandaag maar eens niet haar krullen uit te
+kammen, omdat Tony anders eerder klaar was dan zij.
+
+Eindelijk waren ze beiden klaar beneden en toen vader even later ook
+binnenkwam was het: "Nu 't cadeau. Ga maar mee jongens."
+
+Mee--waar mee? Vader stapte lachend naar den tuin.
+
+Tony keek onder vaders beenen door en zus riep telkens springend van
+pleizier: "Ik weet 't, zus weet 't."
+
+Daar stond een klein, groen huisje op de plaats, dat er vroeger nooit
+gestaan had.
+
+"O, vader," riep Tony; hij kon zijn oogen haast niet gelooven en schoot
+onder vaders beenen door, deed de deur open en.... "Pas op" riep vader
+nog--sprong meteen achteruit, want een groote, geelharige hond vloog
+luid blaffend naar buiten. Met een kreet van schrik school zus achter
+moeders rokken weg, maar Tony ging op hem af en zijn oogen schitterden.
+
+"Ik dacht niet, dat hij zoo groot zou zijn," riep hij verrukt.
+
+Vader greep den hond bij den nek en streelde zijn kop, toen kwam Tony
+vlak naast hem staan en aaide het mooie dier over den rug.
+
+De hond besnuffelde beiden aan alle kanten en wendde ook den kop naar
+moeder en zus.
+
+"Kom, Emy, niet bang zijn," zei moeder en bracht haar bij den hond,
+maar ze wilde hem niet aaien.
+
+Plotseling zette hij zijn voorpooten vooruit en met de achterpooten
+schoppend rekte hij zich eens ter dege uit, terwijl hij zijn bek
+opensperde en gaapte. Zus schoot gauw terug, maar Tony lachte om dien
+grooten bek.
+
+"Is die nu heusch voor mij, vader?" vroeg hij ongeloovig.
+
+"Heusch voor jou," zei vader, "als je goed voor hem zorgen kunt,
+zijn hok schoonhoudt en voor zijn eten zorgt. Hem wasschen zullen
+moeder of ik vooreerst wel doen. Maar jij moet hem opvoeden tot een
+netten hond en zorgen, dat hij je gehoorzaamt. Het is een prachtig
+beest en een aardige speelkameraad. Hij moet nog grooter worden,
+want hij is nog jong. Kijk!" vader liet hem los en de hond bedacht
+zich niet lang, maar rende eenige malen den tuin rond. Toen ging hij
+allen besnuffelen. "Zeker om kennis te maken," zei Tony.
+
+"O, vader ik vind het zoo heerlijk. Ik zal heel goed voor hem zijn,
+dan zal hij wel veel van me gaan houden."
+
+"Dat is best," zei vader, "maar niet verwennen. Hij mag vooreerst
+niet in de kamer komen--alleen in het speelkamertje en hij moet ook
+leeren niet in den tuin om te dollen en de bloemen en perken ontzien."
+
+"Ik vind hem zoo mooi."
+
+"Maar zoo groot," zei zus.
+
+"Juist mooi. Jammer dat ik hem niet mee naar school kan nemen. Hoe
+heet hij?"
+
+"Ja, hoe heet hij? Geef hem zelf maar een naam."
+
+"Désiré! vader, want ik heb zoo naar hem verlangd. Zoo heet dat buiten
+van dien timmerman, immers."
+
+"Noem hem dan--Verlangd of gewenscht--Dat is Hollandsch."
+
+"Maar ik kan toch niet roepen: Verlangd--Verlangd! of Gewenscht,
+kom eens hier. Het hindert toch niet."
+
+"Ga je gang maar, noem hem zooals je wil. Je mag wel een doopmaal
+geven en je vrienden en kennissen uitnoodigen."
+
+"Hè moe, mag dat heusch?" vroeg Tony.
+
+"Wel ja jongen, breng om 4 uur de jongens maar mee. Maar nu moeten
+we ontbijten, anders kom je te laat en moet je voor je verjaardag
+nog schoolblijven."
+
+"Dat doet de Meester toch niet!--Wat zullen ze kijken.--Hij is nog
+grooter, dan Nero van den slager en mooier ook."
+
+Vader zei, dat Désiré maar wat op de plaats moest loopen om het
+terrein te verkennen en ze gingen naar binnen om te ontbijten.
+
+Toen ze zaten te eten, zei moeder, "ik geloof, dat je vader nog niet
+eens bedankt hebt." "O nee," zei Tony en met een reepje in zijn mond
+sprong hij op vader toe en zoende hem op beide wangen. Toen op moeder
+af, die hij half smoorde onder zijn onstuimige kussen. Daarna draaide
+hij zus met stoel en al in de rondte en deed toen eenige luchtsprongen,
+om zijn vreugde uit te juichen.
+
+Voordat hij heenging moest hij even Désiré goeden dag zeggen. Het dier
+berook hem aan alle kanten, doch schonk hem verder geen aandacht meer
+en ging door met het besnuffelen van muren en hekken en van den grond.
+
+"Désiré," riep Tony bij de plaatsdeur. De hond lichtte langzaam den
+kop op. "Hij hoort zijn naam al, moeder. Zal ik de jongens maar niet
+om twaalf uur meebrengen?"
+
+"Nee zeker niet, we moeten vandaag om twaalf uur eten voor vader,
+dat weet je wel."
+
+"Nou dan maar om vier uur, dag vader, dag moeder, dag zus, dag
+Désiré!" en weg was hij.
+
+Tony was geen erg beste leerling dien ochtend en zijn onrust scheen
+de halve klasse te hebben aangetast. Meester wilde ook graag den
+hond zien en begreep best, dat de jongens het ook graag wilden,
+maar hij was toch genoodzaakt te zeggen, dat wie niet beter oplette,
+'s middags niet naar huis mocht en dus niet bij Désiré's doopmaal
+wezen kon. Dat hielp gelukkig en de jongens deden hun best den hond
+te vergeten en met hun gedachten bij de sommen te blijven, die nu
+juist zoo heel moeielijk waren vandaag.
+
+Vier uur!--hè.--Verruimd stoof het heele troepje mee om Tony heen en
+stormde met hem, het tuinhek door, maar Désiré was er niet.
+
+"Désiré, Désiré," riep de baas. In het speelkamertje?
+
+Ja, daar lag hij te slapen. Toen de jongens hem omringden, vloog hij
+op, keek hen onderzoekend aan en blafte even.
+
+"Wat een fijn dier! Prachtig! Wat een kop! Wat een mooi haar! Laten
+we hem meenemen naar buiten!"
+
+Daar stoeiden en holden ze weldra met het vlugge dier in het zand. Hij
+maakte allerlei kluchtige sprongen en rende harder, dan een van hen
+allen. Totdat moeder de jongens binnen riep en het doopfeest begon.
+
+Tony hield Désiré vast en zus zou hem heusch doopen, maar moeder kwam
+juist met een stuk worst, dat hij in één hap verslond. Toen bracht
+moeder beschuiten met muisjes voor de kinderen en kopjes chocolade
+en boterhammen en toen werd er op de gezondheid van den baas en zijn
+hond lekker gegeten en gedronken.
+
+Daar kwam Tante ook nog met de beide nichtjes en die brachten
+presentjes mee ook, Tony was er heel blij mee, maar toch het meest
+met zijn prachtigen hond.
+
+Ze deden samen nog allerlei spelletjes, toen vader Désiré weer naar het
+hok had gebracht en dronken nog limonade en aten koekjes en speelden
+nog in den tuin, totdat het klokje van 7 sloeg. Toen ging de visite
+naar huis en broer en zus moesten naar bed.
+
+"Mag ik Désiré nog even goeden nacht zeggen," vroeg Tony.
+
+"Nu van avond dan," zei moeder. "Hè lekker, toe zus ga je mee!" Samen
+vlogen ze naar het hok. Tony pakte zijn rechter poot. "Nacht hoor,
+droom je eens van me!"
+
+Of de hond het deed? Maar Tony wel van hem. Den halven nacht reed
+hij op den rug van Désiré de geheele wereld door.
+
+
+
+5. Désiré en Emy.
+
+
+"Neen, zoo niet, recht op! Toe, dan krijg je een stuk worst!"
+
+"Nee nog niet happen.--Eerst rechtop! Kop hups! Zus, trek hem
+eens aan zijn voorpooten.--Ja zóó! Recht kom dan! Nou stil zitten
+hoor. Een--twee--drie--vier--vijf--zes--. Mooi zoo! Daar is de
+worst! Zie je wel zus, hij kan 't al. Désiré, hier!--Hij komt dadelijk,
+leuk hé?"
+
+Op de plaats stonden ze. Désiré was al heelemaal gewend, ja het was
+net, of hij er altijd geweest was.
+
+"Nou ik es," zei zus: "Désiré, hier!"
+
+"Zie je wel, hij doet 't niet voor me," en ze stampte met haar voet.
+
+"Je hebt hem gisteren ook geslagen met dien stok," zei Tony, "dat
+vindt hij ook niet lief."
+
+"Ja, maar hij had Lijsje stuk gebeten," pruilde zus.
+
+"Hij heeft 't toch niet exprès gedaan; had die pop dan opgeborgen."
+
+"Had jij hem niet in de kamer gelaten. Hij mag mijn pop niet opeten."
+
+"Jij mag hem niet slaan."
+
+"'t Is een naar beest, ik houd niet van hem," snikte zus nu en liep
+weg, om haar troost bij moeder te zoeken.
+
+"Moe, Tony is kwaad, omdat ik Désiré heb geslagen, en hij had toch
+Lijsje verscheurd. Tony is niks aardig en Désiré is een nare hond."
+
+"Foei," zei moeder, "zus je moet niet zulke leelijke dingen
+zeggen. Désiré wist niet, dat hij kwaad deed en Tony of vader zullen
+het hem wel leeren, maar zus moet niet met een stok slaan. Lijsje was
+een oude pop en je keek er nooit meer naar om. Als zusje zoo doet,
+vindt moeder haar niet lief."
+
+"Ik vind Désiré niet lief," hield zus vol "en ik vind het niets
+prettig, dat Tony hem gekregen heeft."
+
+"Je meent het niet," zei moe, maar zus ging niet meer naar Tony toe
+en bleef pruilen.
+
+Als ze gingen wandelen, mocht Désiré nu ook mee. Wat was hij dan
+blij. Eerst ging hij aan een ketting, maar spoedig was hij genoeg
+gewend en liep buiten in het bosch los.
+
+Hij volgde de kinderen op de hielen of sprong om hen heen. Soms was
+hij zoo woest, dat hij zus haast omver liep, of telkens tegen haar
+op sprong en zijn voorpooten op hare schouders zette. Dan was ze bang
+voor zijn grooten kop, ofschoon hij nooit kwaad deed.
+
+"Toe laat Désiré nu maar en speel liever met mij," vleide ze eens,
+dat ze weer in het bosch waren op een Woensdag middag.
+
+"Ik speel toch immers met je," zei Tony.
+
+"Ja, maar je kijkt aldoor maar naar Désiré en hij loopt voor me
+voeten. Ga toch weg, beest! en ze schopte naar hem. Désiré sprong op
+zij en rende naar Tony, maar even later was hij weer bij zus terug
+en duwde zijn kop liefkoozend tegen haar aan.
+
+"Kijk nou," zei Tony, "je duwt hem ook altijd weg, en bent nooit eens
+lief voor hem. Ik vind het niets aardig van je."
+
+"Ik vind jou ook niets aardig en Désiré ook niet. Toe bind hem nu
+vast aan een boom, dan kunnen we prettig spelen. Wees nu eens lief,"
+vleide ze weer. En Tony, hoewel onwillig, kreeg halsband en ketting
+en riep den hond bij zich. Maar het schrandere dier, begreep wat
+zijn baas wilde, hij gehoorzaamde, doch sprong om Tony heen en blafte
+luid, alsof hij hem smeeken wilde zijn plan niet te volvoeren. Tony
+had medelijden met zijn hond, maar wilde zus toch ook graag pleizier
+doen. Hij streelde Désiré, klopte hem op den rug, maar deed hem toch
+den halsband om en bond hem aan een boom vast. "Nu stil liggen--koest,
+hoor."
+
+Désiré staarde hem bedroefd na en stiet een klagend gehuil uit, toen
+hij de kinderen zag vliegen over het gras en zelve niet mee mocht doen.
+
+"Stil hoor," riep zus.
+
+"Mag ik hem niet losmaken," vroeg Tony weer.
+
+"Nee hoor, dan heb ik niets geen pret" en Tony gaf het dwingelandje
+haar zin.
+
+Was het wonder, dat Tony wel eens alleen met zijn hond uitwipte.
+
+"Waar is Tony, Moesje?" vroeg zusje.
+
+"Uit," zei moeder, "naar de wei met Désiré."
+
+"Hé, Moesje, mocht ik dan niet mee?"
+
+"Maar je wil immers nooit, dat Désiré los is. Het arme beest mag toch
+wel eens vrij rondloopen. Daarom is Tony alleen met hem uitgegaan."
+
+Groote tranen! Schokkend snikte ze. "Hoe leelijk van Tony, zie je
+wel, dat hij meer van dien naren hond houdt, dan van mij." Ze wierp
+zich voorover op de zitting van vaders grooten stoel en snikte haar
+verdriet uit, toen moeder de kamer uit was.
+
+Ze voelde zich echt ongelukkig, omdat broer weggegaan was en meer om
+den hond gaf dan om haar.
+
+"Ba, die nare hond, die akelige hond! was hij maar nooit hier
+gekomen!--"
+
+Tony bleef niet lang weg. Zus lag nog met het hoofd op de zitting,
+toen de deur, die aanstond werd opengestooten en ze plotseling een
+snuiven en hijgen naast zich hoorde. Désiré stak zijn goedigen kop
+door de armleuning en likte haar krullekopje. Sprong toen achter haar
+om naar den anderen kant, maar voordat hij haar gezicht kon vinden,
+trapte zij achteruit: "Ga je weg! naar beest!" Zóó erg meende zij
+het niet! Ze schrok er zelf van. De hond sprong jankend op zij en
+liep hinkend op drie pooten de deur uit, de gang in, naar Tony. Zus
+keek hem na. "Wat zal Tony zeggen," dacht zij.
+
+"Wat is er gebeurd, Désiré?" hoorde zij Tony vragen.
+
+"Kom hier en laat de baas eens kijken." De hond jankte luider, zeker
+bevoelde Tony zijn poot. "Heb je in een spijker getrapt?" Juist kwam
+vader uit het kantoor aan den anderen kant van de gang.
+
+"Wat is er, heeft hij zijn poot bezeerd? Het lijkt wel of die in de
+knel heeft gezeten."
+
+"Zoo pas liep hij nog op vier pooten naar binnen," antwoordde Tony.
+
+Zus was opgestaan, maar ze ging niet in de gang. Ze durfde vader en
+Tony niet onder de oogen komen, maar liep de tuindeuren door naar
+moeder, die aardbeien plukte.
+
+"Kindje, wat heb je toch gehuild. Hoe dom, toch," zei moeder.
+
+Toen barstte ze opnieuw in tranen los en verborg snikkend haar hoofd
+in moeders rokken.
+
+"Kom, je mag niet zoo jaloersch zijn, Tony komt gauw weer thuis,
+help moeder maar plukken," hernam moeder, die dacht, dat het alleen
+daarom was. En zus begon haar te helpen, bang dat vader en Tony komen
+zouden. Ze vloog niet op, hen te gemoet, toen ze in den tuin kwamen,
+om Désiré naar het hok te brengen.
+
+"Wat is er met Désiré," riep moeder tegen hen. Zus hoorde, hoe vader
+vertelde, dat de poot gekneusd was en Tony zei, dat hij niet begreep,
+hoe het gekomen was. Toen zei moeder, dat ze moest binnen komen.
+
+"Wat zus, ben jij daar? Krijgt vader geen kusje. Ben je zoo ijverig
+bezig?" Vader kwam naar haar toe. Zus bukte en bukte, totdat Vader
+haar optilde en haar gezichtje tegen zijn lippen drukte. "Heb je
+geschreid? Waarom?" Ze antwoordde niet maar sloeg de oogjes neer. Vader
+schudde haar boven zijn hoofd heen en weer. "Lach eens gauw, lachen,
+zeg ik." Toen droeg hij haar naar binnen en zei, dat ze zich gauw
+moest laten wasschen, want dat ze er zoo niets aardig uitzag.
+
+Zus had niet veel te vertellen, maar at zwijgend haar boterham met
+aardbeien.
+
+Toen moeder haar 's avonds naar bed bracht en zij op moeders schoot
+haar gebedje had opgezegd, nam moeder haar in de armen, boog haar
+hoofdje achterover en vroeg: "Is zusje heel lief geweest vandaag?" Toen
+snikte ze.
+
+"Maar ik had het zoo erg niet gemeend." "Wat," vroeg moeder
+verwonderd. Zij dacht alleen aan haar boosheid, omdat Tony haar niet
+had meegenomen. "Ik deed maar even zóó, maar ik wist niet, dat ik hem
+zoo'n pijn deed, heusch niet," zei zus. Nu begreep moeder ineens en
+vriendelijk maar ernstig zei moeder: "Ik ben blij, dat je er spijt
+van hebt. Je moet nooit meer zoo leelijk doen tegen Désiré, omdat
+broer zooveel van hem houdt."
+
+Zus zei "neen moesje," kreeg een nachtkus en ging slapen.
+
+Moeder vertelde het beneden aan Tony en vader, maar niemand sprak er
+meer over later. Gelukkig werd de poot gauw weer beter en kon Désiré
+weer heel gauw draven en springen als vroeger. Zus keek niet naar
+hem om, deed hem niets, maar ging hem een beetje uit den weg en vond
+het nog steeds niet prettig, als hij mee uit ging. Als broer eens
+met haar alleen naar Tante ging, die Désiré liever niet op bezoek
+kreeg, dan kon ze niet nalaten te zeggen: "Leuk hè, Tony, weer zoo
+samen. Met Désiré is toch zoo vervelend," en Tony zei maar niets,
+want hij vond het niets aardig, dat zus zoo weinig met Désiré op had.
+
+
+
+6. De landlooper.
+
+
+Een jaar was voorbij gegaan sedert Désiré bij Tony kwam en het was
+een prachtige, groote hond geworden. Tony was ook flink gegroeid en
+hoe langer hoe meer was hij van Désiré gaan houden, die zeer gehecht
+was aan zijn kleinen baas. Désiré was ook voor zus heel lief maar haar
+afkeer van den hond was eer toe- dan afgenomen. Zij beantwoordde zijn
+liefkoozingen nooit en als hij te dicht bij haar kwam, zei ze steeds:
+"Tony, roep hem dan toch. Hij wil me likken."
+
+"Maar je hoeft niet bang te zijn, hij doet je geen kwaad," zei Tony.
+
+"Ja, maar ik vind het een naar beest. Toe ga weg, ga naar den baas,"
+en ze liep weg. Soms wilde ze niet meer met Tony uit, omdat hij Désiré
+meenam en al schreide ze dan ook niet, toch vond ze het naar, dat hij
+liever met den hond uitging en haar thuis liet. Hij deed het, omdat
+moeder niet wilde, dat ze altijd haar zin kreeg, maar het hinderde
+hem altijd.
+
+'t Was een warme zomerdag. Alle deuren en vensters van het huis
+stonden open, zooals ze buiten zoo dikwijls doen. Moeder zat in de
+tuinkamer te naaien. Vader was op het kantoor aan dan anderen kant
+van het huis, dat een afzonderlijken ingang had en met een deur in
+de gang uitkwam van het woonhuis. Tony was op school. De vacantie was
+nog niet begonnen, maar iedereen verlangde er naar, want het was zulk
+heerlijk weer om in het bosch te liggen of te wandelen.
+
+Juist kwam Jans aan de voordeur, om melk te nemen, toen de veldwachter
+voorbij ging.
+
+"Hebben jelui hem al, van Buren?" riep de melkboer hem toe.
+
+"Nee," antwoordde de veldwachter, "maar je mag de voordeur wel dicht
+houden, Jans, want het is een gevaarlijk, brutaal sinjeur, en hij
+kon best eens binnen komen, als je hem zoo uitnoodigt."
+
+"Over wien heb je 't nou?" vroeg Jans.
+
+"Nou, je zal toch ook wel gehoord hebben van dien landlooper, die
+bij Japik naar binnen is gegaan en bezig was de zilverkast leeg te
+stelen. De knecht kwam er net op af, maar hij is verdwenen voor ze
+hem pakken konden. Nou zeggen ze, dat hij weer gezien is in de buurt."
+
+"Ja, dat is secuur, 't moet hem zijn." antwoordde de veldwachter,
+"en hij zal me geen tweeden keer ontloopen."
+
+Jans zette de handen in de zij, om de zaak eens terdege te bepraten,
+want ze was bang voor landloopers en moest het fijne ervan weten.
+
+Zus was met haar poppenwagen den tuin ingegaan.
+
+Achter den grooten pereboom was het prieeltje, dat was altijd haar
+huisje. Daar kon ze zoo eenig spelen. Niemand kon er haar zien van het
+huis af. Om den tuin was een groene haag en er achter was een smal
+pad, dat naar den eenen kant op de groote wei en naar den anderen
+kant naar het bosch voerde. Er kwam haast nooit iemand anders langs
+dan een enkele boer, die in de wei zijn koeien liet grazen en bij
+het bosch woonde.
+
+De vogeltjes zongen luid in de hooge boomen, krekeltjes piepten in het
+gras langs den weg en verder was het stil, heel stil. Zus ging op den
+houten grond van het prieeltje zitten en begon zacht een wiegeliedje
+voor de poppen te neuriën. Zachtjes aan werd ze zelve slaperig,
+legde haar hoofdje op een voetenbankje en dommelde in.
+
+Eensklaps hief ze verschrikt haar hoofdje op.
+
+Een ruwe hand werd op haar mondje gelegd. Ze opende verschrikt de
+oogen en gaf een gil, die dadelijk werd gesmoord. Een afschuwelijk
+gezicht was over haar heengebogen. Een man in vuile lompen gekleed,
+lag naast haar op zijn knieën. Ze beefde van afgrijzen, wilde de hand
+wegduwen. "Houd je mond, mormel," siste hij door zijn vuile tanden en
+ze voelde zijn adem op haar hoofd. Tegelijk rukte hij aan het gouden
+kettinkje, dat ze om haar halsje had. "Jelui alles en ik niks hè,"
+mompelde hij en stak het in zijn zak. Toen greep hij naar haar oortjes
+en wilde de belletjes er uit trekken, zonder er zich om te bekommeren
+of hij daarbij haar oorlelletjes doorscheurde, maar ineens trok hij
+de hand terug, uitte een half gesmoorde gil en greep naar zijn been.
+
+Désiré, die een eind verder in den tuin onder de struiken had liggen
+slapen en door den dief niet was opgemerkt was door de gil van zus,
+hoe zacht ook, toch ontwaakt en met een paar sprongen op den aanvaller
+afgevlogen, die hij in zijn been beet.
+
+Zus vloog overeind en rende luid schreiend naar huis. Ze hoorde Désiré
+woedend blaffen, de man vloeken en tieren, de haag kraken, maar keek
+niet om en liep onder 't geroep van "Moeder! moeder een dief!" zoo
+gauw ze kon, het huis in, terwijl Jans net de kamer in kwam. Moeder
+was op het geschrei toegesneld, maar begreep niet zoo gauw. Jans
+nog onder den indruk van het gehoorde, liep zoo hard mogelijk de
+gang weer in, naar de voordeur en gilde "Van Buren, Van Buren--hier,
+hier!" De veldwachter wilde juist den hoek omgaan, maar kwam nu terug.
+
+Moeder was ondertusschen den tuin ingeloopen op het geblaf af en zag
+Désiré in woedend gevecht met een haveloozen man, die half over den
+haag geklommen was en beproefde den hond zijn keel dicht te knijpen,
+daar het beest hem niet wilde loslaten.
+
+"Ga vader halen," riep moeder tegen zus "gauw!" maar juist kwam de
+veldwachter, die spoedig gevolgd werd door vader en een besteller
+door Jans van het kantoor gehaald. "Houd hem, Désiré," riep de
+veldwachter. De man wilde zijn vuist met kracht op den kop van den
+hond doen neervallen, maar het was te laat. De veldwachter had hem beet
+en met hulp van de anderen werd den man, hoe hij ook tegenstribbelde,
+over den haag teruggetrokken.
+
+"Laat los Désiré, kom hier," riep moeder, die zag hoe hij den man
+gebeten had. Désiré gehoorzaamde en vloog naar moeder, die zijn
+grooten kop tusschen haar handen nam en hem liefkoosde. "Beste hond,
+goed beest." Brr, ze rilde. Zoo'n vreeselijke man. Wie weet wat hij
+haar kind had gedaan, als Désiré er niet was geweest.
+
+"Kom, hier, beest, kom hier, je krijgt wat lekkers van de vrouw,"
+en de hond drukte zich tegen haar aan.
+
+Jans kwam met zus hem tegemoet. Nauwelijks zag hij haar of hij vloog
+op haar af, sprong tegen haar op en wilde haar in haar gezicht likken.
+
+"Nee weg, weg," riep ze. "Foei zus, aai hem dan, haal hem dan eens
+aan. Als hij er niet was geweest, brr! wie weet wat die leelijke man
+gedaan zou hebben."
+
+"Kom hier" en ze nam zus in den eenen arm, knielde neer nam den kop
+van Désiré in den anderen en liet het kind den hond aaien, om hem te
+bedanken voor zijn trouwe hulp. Hij besnuffelde haar aan alle kanten,
+alsof hij onderzoeken wilde, of haar niets kwaads was overkomen.
+
+Vader kwam even later weer terug--een paar boeren hadden den man met
+den veldwachter, naar den toren gebracht. Juist kwam Tony thuis.
+
+"Moeder, ze zeggen dat van Buren een landlooper in den toren heeft
+en dat Désiré hem gepakt heeft, is dat waar?"
+
+"Ja," zei moeder, "dat is waar, hier zus, geef hem een stuk worst."
+
+"O, wat is dat lief van je Désiré," riep Tony. "Nu hou je toch wel
+van hem, hè."
+
+Zus antwoordde niet, ze stak even de hand uit met de worst, maar trok
+die ook weer dadelijk terug, toen Désiré ze had aangepakt en vluchtte
+bij moeder, die haar op schoot nam en tegen zich aan drukte.
+
+Maar Tony sloot vol verrukking zijn vriend in de armen, die zijn lief
+zusje gered had.
+
+"Moeder," zei hij nadenkend. "Weet u wat ik zoo jammer vind. Als
+een menseh iets voor je heeft gedaan, waar je erg blij mee bent,
+kan je het hem zeggen en er hem wat voor geven, wat hij graag hebben
+wil. Maar bij een hond kan het niet."
+
+"Neen," zei moeder, "dat is waar, maar we kunnen lief en goed voor
+hem zijn en veel van hem houden, dat voelt hij wel."
+
+Voortaan zeide zus er niets meer van als Désiré mee uit ging, ze was
+niet onvriendelijk voor hem, maar haalde hem toch nooit aan zooals
+vader en moeder, en de anderen deden of speelde niet met hem. Het
+kostte haar nog steeds moeite hem niet weg te duwen, als hij tegen
+haar opsprong of zijn goedigen kop in haren schoot legde.
+
+
+
+7. Uit logeeren.
+
+
+Tony had vacantie gekregen. Hij was opgetogen met een mooi rapport
+thuis gekomen en vader en moeder waren ook heel blij.
+
+"Nu!" zei moeder. "Wat dunkt u, vader, zoo'n flinke jongen mag wel
+eens een extra'tje hebben."
+
+"Ja, zullen we het dan maar doen?" vroeg vader lachend.
+
+"Wat doen," zei Tony en keek van vader naar moeder, maar zij lachten
+en zeiden nog niets.
+
+"Watte, moesje?" vleide zus.
+
+"Och, ik denk, dat ze toch niet graag willen."
+
+"Wat niet graag willen?"
+
+"Nu, dan zal ik het je maar vertellen. Wie wil er van jelui tweeën
+mee naar grootvader en grootmoeder?"
+
+"O heerlijk! Ik! en ik!" riepen ze allebei en vlogen hun ouders om
+den hals.
+
+Opeens voelde Tony den kop van Désiré onder zijn arm.
+
+"Désiré! we gaan naar grootvader en -moeder. Ga je mee? Kijk, vader,
+Désiré lacht ook, ziet u wel. Hè, mag hij ook mee. Grootvader heeft
+hem nog nooit gezien en het huis is toch groot genoeg, op het erf
+kan hij zoo heerlijk rondloopen en dan--hè, ja vader, mag dat?"
+
+"Ik denk wel, dat het goed zal zijn. De reis is niet zoo lang en als
+we derde klas gaan kan hij mee."
+
+Het gezichtje van zus betrok wat, maar Tony was dol van blijdschap
+en vloog met Désiré de gang door naar de keuken om Jans de heerlijke
+tijding te brengen.
+
+"Eenig zeg Jans. We gaan naar grootvader en Désiré gaat mee!"
+
+"Och kom," zei Jans. "Désiré mee, hoe kan dat nou?"
+
+"Ja, ja, vader neemt ook een kaartje voor hem. Wat zal grootvader
+wel zeggen. Ik heb hem toch immers ook van grootvader gekregen en
+hij heeft hem nooit gezien. Dat is toch ook gek!"
+
+"Nou dan zal je opa het ook wel prettig vinden. Het is er immers nog
+veel meer buiten dan hier. Hij zal wel gauw zorgen den weg te kennen,
+dat hij los kan loopen."
+
+"Ja natuurlijk, hij is zoo slim," antwoordde Tony trotsch op zijn
+lieveling. En de hond keek alsof hij alles begreep en trok zijn baas
+mee den tuin in en holde met hem om het hardst om de perken om zijn
+vreugde uit te buitelen.
+
+De lang gewenschte dag brak aan. Gepakt en gezakt ging de geheele
+familie naar den trein.
+
+Hoe verrukkelijk was die reis. Désiré zat als een deftig passagier
+voor het raampje te kijken en hield zich voornaam stil. Al de
+andere reizigers nam hij wel goed op uit zijn hoekje, maar hij
+scheen heel tevreden met het gezelschap en deed verder net of ze
+niet bestonden. Hij voelde zich blijkbaar recht op zijn gemak en in
+zijn nopjes.
+
+Enkele menschen gingen terug, als ze den hond zagen zitten en wilden
+niet in de coupée, al verzekerde Tony ook: "hij doet heusch geen kwaad,
+komt u maar gerust."
+
+Désiré trok zich ook daarvan niets aan. Tony had schik voor zes.
+
+Wat stond grootvader te kijken, toen hij behalve de gevraagde ook
+nog een onverwachte logé zag uitstijgen.
+
+"Is dat nu Désiré," zei hij, toen hij kinderen en kleinkinderen
+hartelijk had verwelkomd.
+
+"Ja, grootvader, 't mocht wel, niet?"
+
+"Zeker, zeker, jongen, ik ben heel blij, dat ik hem ook eens zie. 't
+Is een prachtbeest en een best dier ook. Hij kan bij ons eens goed
+genieten. Kom, nu maar gauw in den tentwagen. Hij kan wel naast je op
+den bok zitten. Dan gaan we gauw kijken, of grootmoeder de pannekoeken
+al klaar heeft."
+
+Ook door grootmoeder werd Désiré hartelijk ontvangen.
+
+"Hij hoort toch bij de familie," zei de lieve vrouw, "en was in de
+uitnoodiging begrepen," en ze was verrukt over hem, toen zij bemerkte,
+dat hij zoo gehoorzaam was en zoo netjes, dat hij zijn pooten op de
+mat veegde--en dat hij al evenveel van haar pannekoeken hield als
+de kleinkinderen.
+
+Spoedig waren kinderen en hond ook met de meiden en knechts van
+de boerenplaats de beste maatjes. Het was een flinke boerderij
+"Nooit gedacht". Keurig zag alles er uit. Heerlijke boomen op het
+erf. Pere- en appelboomen--kersen en aardbeien--een lief tuintje
+met bloemen. Uitgestrekte weilanden er om heen met koeien en
+paarden en verderop bouwland en hooiland. Voor dag en dauw haast
+liepen de kinderen al mee naar het veld, of trokken ze mee naar het
+hooiland. Désiré vloog als een dolleman door het hooi, hapte er in,
+wierp het met zijn kop omhoog, kroop er onder, zoodat zijn krulharen
+en zijn staart er soms onder zaten. En als de wagens naar huis gingen,
+zaten de kinderen en de hond er boven op.
+
+Gingen ze verre wandelingen maken met grootvader en vader, dan ging
+Désiré ook mee. Alleen met de koeien kon hij het niet te best vinden of
+eigenlijk de koeien niet met hem. Als ze op een pad kwamen, dat door
+een weiland liep, nam vader hem maar even aan den halsband, vooral
+als de koeien met de koppen over de hekken stonden, of er geen hek
+of sloot was. Dan werd Désiré onrustig en kroop zelve dicht bij hen.
+
+Dikwijls aten ze onder een grooten boom voor het huis. Dat vond Désiré
+heerlijk, want dan kreeg hij af en toe wel een beentje of hapje mee.
+
+"Jongens, hij zal heelemaal verwennen," zei moeder, "dan gaat hij
+thuis nog bedelen."
+
+"Ja, moeder," antwoordde Tony "en wij worden hier ook verwend."
+
+"Daar ben ik ook hard bang voor," hernam moeder weer, "en dan hebben
+we thuis met drie in plaats van met twee wat te stellen."
+
+Grootvader lachte er wat om en wierp den kinderen nog wat bessen op
+het bord en gooide den hond een been toe.
+
+Moeder dreigde hem met den vinger, doch het hielp niets. Grootvader
+bleef lachen: "'t zal zoo'n vaart niet loopen, thuis is thuis--maar
+ze zijn nu ook op 'Nooit gedacht.'"
+
+Grootmoeder schudde het hoofd en merkte tegen vader op: "Zoo sprak
+je vader ook niet, toen jij klein was, Antoon," en vader antwoordde:
+"Neen, toen deed u het" en hij boog zich over grootmoeder heen en
+kuste haar, dat het klapte.
+
+"Foei, foei, wat moeten de kinderen wel denken," zei ze.
+
+"Dat u een lieve grootmoeder bent," zei Tony, greep grootmoeders
+hoofd en stopte haar een paar lekkere donkere vruchten in den mond,
+"en dat grootvader, de beste grootvader is van de heele wereld,
+hè Désiré, wat zeg jij."
+
+En Désiré zei niets, maar kwispelstaartte; hij was het toch heelemaal
+met Tony eens.
+
+Er kwamen wel eens regendagen, dan hadden de kinderen genoeg pret in
+huis, want vader en moeder hadden nu veel tijd om met hen te spelen
+en grootvader kon zoo eenig, heerlijk vertellen. Maar Désiré zat
+dan treurig voor het raam, alsof hij wachtte, totdat het ophield,
+om zich buiten te kunnen verlustigen. Of hij sloop stilletjes weg en
+ging in zijn eentje een wandeling maken, maar dan kwam hij toch meest
+heel gauw terug; en toen hij bemerkte, dat hij dan in de keuken moest
+blijven, om op te drogen en niet mocht binnen komen, beviel hem dat
+ook al niet en deed hij het niet meer.
+
+
+
+8. In gevaar.
+
+
+Het was Zondag en prachtig weer.
+
+Bruin werd voor den tentwagen gespannen. Koo ging op den bok zitten
+met de Zondagsche spullen aan. Hij zou grootvader, grootmoeder, moeder
+en vader met het gerij naar de kerk brengen, die veel te ver was,
+om er heen te loopen. Het was stil op de boerderij, alles blonk tegen
+je aan--tot zelfs het straatje voor de deur glom op zijn Zondags. De
+kinderen stonden voor het hekje met Trijntje de huismeid en wuifden
+de vertrekkenden na.
+
+"Dag, jongens!" riep vader en boog zich nog even uit het wagentje. "Ga
+niet te ver uit de buurt, hoor!"
+
+"Dag zus, zoet zijn," riep moeder en wuifde met de hand, boog zich
+om het zeil van den kap, nog eens en nog eens. "Dag! dag!!"
+
+Toen de kerkgangers om den hoek waren verdwenen, holden Tony en Désiré
+het erf op en lieten zich onder luid gejuich en geblaf door zus en
+Trijntje nazetten.
+
+Toen ze allen buiten adem waren, gingen ze de laan een eindje
+inwandelen. Maar Trijntje kon niet ver van het hek, want ze was
+maar alleen thuis. Ze ging weer terug, want ze moest nog voor het
+eten zorgen.
+
+"Mogen wij nog even verder," vroeg Tony. "Even naar het bloemenveld."
+
+"Ja, dat is goed," zei Trijntje, "dat is niet zoo ver. Maar dan weer
+thuis komen, hoor."
+
+"Ja, we gaan alleen naar het bloemenveld, een boeketje plukken voor
+grootmoeder," zei zus.
+
+"Ja, heerlijk." Trijntje ging langzaam terug en Tony, zus en Désiré
+gingen de laan weer in, staken den rijweg over die naar het dorp
+voerde, en kwamen op een voetpad dat door de wei- en bouwlanden
+liep. Spoedig waren ze op een groote vlakte, die bezaaid was met
+allerlei wilde bloemen. Hier konden ze naar hartelust plukken.
+
+Zus ging dadelijk aan den gang. Tony liep met Désiré wat op. Hij
+wou eens zien, waar die laan eigenlijk op uit liep, en wat er achter
+die hooge boomen was aan de andere zijde van het bloemenveld, zooals
+moeder het voor de grap noemde.
+
+Désiré scheen het warm te hebben van het hollen; hij liep met de tong
+uit den bek langzaam naast Tony voort. Doch eensklaps snoof hij in
+de lucht, bleef even stilstaan, nam toen een sprong en stoof recht
+op de boomen af.
+
+"Wat moet dat? Wat heb je," riep zijn kleine baas verwonderd en volgde
+hem wat langzamer.
+
+Toen hij bij de boomen kwam achter het struikgewas uit, hoorde hij
+een klokkend geluid en zag Désiré aan den kant van een vrij breed
+water lustig staan drinken.
+
+"O, is daar de rivier al. Is die zoo dicht bij. Dat wist ik niet
+eens," zei Tony bij zich zelven. "Wacht, jongetje, je kon wel weer
+eens zwemmen, net als gisteren met vader.
+
+"Kom hier, Désiré." Hij zocht een grooten tak, ging naar den kant
+en wilde hem in het water gooien, maar bedacht zich ineens, dat hij
+eerst wel eens naar zus mocht kijken. Die zou het ook zeker graag zien.
+
+"Zus! zus!" riep hij terugkeerend naar het bloemenveld. Hij zag haar
+niet. Ze was achter de hooge struiken verborgen. Hij zette zijn
+handen als roeper aan zijn mond en riep "zus, zus, Emy!!" Désiré
+snelde hem vooruit en had heel gauw haar spoor gevonden. Daar kwam
+hij weer tusschen de struiken uit, gevolgd door zus, die de beide
+armen vol bloemen had.
+
+"Kijk, Tony, mooi hè," draag jij ook wat, dan maken we er thuis een
+boeket van."
+
+"Ja prachtig," antwoordde Tony, "leg ze maar even neer en kom eens
+mee, zeg. Daar achter die boomen, vlak bij, is een groot water. Je
+weet wel, dat we laatst ook gezien hebben, toen we wandelden. Daar
+zullen we Désiré even in laten zwemmen, niet. Kom mee" en hij trok
+zus haastig mee naar de rivier.
+
+Spoedig stonden ze aan den oever. Tony wierp nu een tak in het water
+en riep: "Désiré pak ze." Désiré bedacht zich niet en met aandacht
+keken de kinderen toe, hoe de hond heenzwom en met den stok in den
+bek terugkeerde.
+
+Wat lachte zus om het afschudden van de druppels.
+
+"Kijk," zei ze, "nu moet je daar verder op eens gaan. Daar waar die
+punt uitsteekt, gooi daar nog eens, dan komt de stok misschien aan
+den overkant."
+
+"Ja," zei Tony, "dat is leuk, kom mee!"
+
+Langs den schuinen kant ging hij naar beneden. Hij dacht er niet aan,
+dat hij iets verkeerds deed. Een smalle strook steenachtige grond
+stak een eind de rivier in.
+
+"Ik durf eigenlijk niet verder," zei hij nog.
+
+"He flauw!" zei zus.
+
+"Nou ga jij dan."
+
+"Ja maar ik ben een klein meisje," zei de wijsneus.
+
+"Nou vooruit," zei Tony, die graag een held was in zusjes oogen.
+
+Voorzichtig sprong hij van den eenen steen op den anderen en kwam
+zoo een aardig eindje naar voren.
+
+Désiré stond aan den kant en blafte jankend.
+
+Zus klapte in haar handen van pleizier: "Gooi nou!" riep ze.
+
+"Désiré! pak ze!" riep Tony, slingerde zijn arm en wierp met zoo'n
+kracht, dat hij zijn evenwicht verloor en voordat hij besefte wat er
+gebeurde, links afgleed en met een plons in het water terecht kwam.
+
+"Tony! O, moeder, help!" riep zus en snelde naar den kant. Maar Tony
+was een heel eind af.... "Moeder! Vader!" gilde ze in haar angst.
+
+"Vader," gilde Tony ook spartelend met handen en voeten.
+
+Hij trachtte de steenen te grijpen, maar of hij daardoor zichzelf
+afduwde of dat de stroom hem weg voerde, hij schoot in eens verder
+de rivier in. Zooals hij van Désiré gezien had, sloeg hij met handen
+en voeten en hield zich zoo nog boven, schreeuwend om hulp.
+
+Zus liep wanhopig heen en weer.
+
+De hond echter had zich niet lang bedacht. Hij was te water gesprongen
+en zwom met alle kracht naar de plaats, waar zijn kleine baas dreef.
+
+"Gauw, Désiré, gauw," riep het kind, voelend, dat hij zonk.
+
+Zus gilde maar steeds door. Ze zag haar lieve Tony al dieper en
+dieper in het water zinken, ze zag, dat hij verdween, voordat de
+hond hem nog had bereikt en ze sloeg de handen voor de oogen. Toen
+kwam het ineens in haar op, dat ze iemand moest gaan halen. Ze had
+een boerderij gezien, daar bij de laan. Ze wilde er heen gaan, maar
+het was of ze niet kon loopen. Ze keek weer naar het water. Daar
+kwam Désiré terug. Heel langzaam. Zijn kop hield hij hoog op. In den
+bek had hij den riem van Tony. Zijn hoofd kwam even boven het water
+uit. Zijn lijf en zijn beenen hingen er in.
+
+
+
+9. De Redding.
+
+
+"O, Désiré," riep ze smeekend, "houd hem vast, houd hem
+vast." "Help! help!" riep ze nog eens en keek om zich heen. Toen
+ineens vatte ze moed, kroop op handjes en voetjes omlaag naar den
+waterkant naar de plaats waarheen Désiré zwom met zijn zwaren last.
+
+"Lieve hond, zoete hond, toe dan, toe dan," riep ze en het was of het
+moed gaf aan het trouwe beest. Het spande nogmaals al zijn krachten
+in. Daar was hij er bijna. Het hoofd van Tony zonk lager. "Toe dan,
+goeie hond, toe lieve Désiré, toe dan."
+
+"O lieve Heer, laat hem niet verdrinken," bad ze; boog verder voorover
+en greep een stuk van Tony's blouse. Ze trok en trok zoo hard ze
+kon. De hond spande zich nogmaals in, lichtte den kop wat hooger op en
+zette de voorpooten op den oeverrand. Met vereende krachten sleepten
+ze den drenkeling tegen den kant op.
+
+Désiré, hijgend van inspanning, likte hem aan alle kanten. Zus boog
+zich over hem heen, riep hem bij zijn naam, kuste hem, maar Tony's
+oogen waren gesloten en alle liefkoozingen maakten hem niet wakker. Zus
+bemerkte niet eens, dat Désiré ook haar belikte en dat zijn groote kop,
+vlak naast haar gezichtje over Tony heenboog.
+
+De hond scheen het eerst op den inval te komen, dat het zoo niet kon
+blijven. Plotseling hield hij op met likken, liet een luid geblaf
+hooren en vloog toen als een pijl uit de boog in de richting van
+het bloemenveld.
+
+"Désiré! hier," riep zus in doodsangst, dat hij haar alleen liet met
+broertje, die maar al sliep. "O Désiré, loop niet weg, ik zal nooit
+meer boos op je zijn, loop niet weg."
+
+"Tony, word toch wakker, Tony, lieve Tony," snikte ze dan en begon
+hevig te schreien.
+
+Opeens hoorde Emy den hijgenden adem van Désiré weer in de verte. Ze
+keek op. Daar kwam hij om de boomen heen, liep weer terug, rende
+nog eens vooruit en achter hem kwam een kleine, dikke man met een
+dikken stok in de hand. De hond sprong voor hem uit, bleef staan,
+keek of de man hem nog volgde en rende dan weer voort, om even later
+nogmaals terug te gaan.
+
+Eindelijk kwam hij hijgend op de kinderen af. De dikke man had
+nauwelijks de kinderen in het oog gekregen of hij verhaastte zijn
+stap. Hij nam zijn pet van het hoofd en veegde met een rooden
+zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Blazend en puffend kwam hij
+naderbij en riep: "Wat is er gebeurd? Heeft die jongen in het water
+gelegen?" Zus keek hem verstomd aan. "Hoe lang is het al geleden"
+vroeg de man verder, terwijl hij snel zijn stok en pet neerwierp,
+zijn jas uittrok en bij Tony neerknielde. Hij voelde aan zijn arm,
+legde zijne hand op Tony's borst, zijn oor er tegen en begon haastig
+zijn kleeren los te maken, terwijl hij mompelde. "Wie ben jelui, ik
+ken je niet. Toe zeg toch eens wat meisje, ga je moeder halen. Woon je
+vlak bij?" Zus zag hoe de man Tony's armen heen en weer ging bewegen,
+ze keek, maar verroerde zich niet. Ze was bang voor dien rooden dikken
+man, die zoo raar deed, bang voor Tony, die daar zoo stil lag en ze
+greep ineens den grooten kop van Désiré en drukte zich vast tegen
+hem aan. Ze voelde, dat hij haar beschermen zou.
+
+"Toe kindje," hijgde de man, "ga toch, daar is een huis. Haal gauw
+hulp of het is te laat. Ik kan je broertje alleen niet helpen. Ga,
+gauw." Ze keek in de richting, waarin de man wenkte met zijn hoofd
+en zag een kleine boerenwoning. Nu scheen ze pas tot bezinning te
+komen. Ze keerde zich om en snelde er heen zoo gauw ze loopen kon. De
+hond hief den kop op, scheen in twijfel wat hij nu moest doen, bij
+zijn zieken baas blijven of met het kleine zusje meeloopen. Hij liet
+een klagend gehuil hooren, liep zus na en keerde weer terug naar Tony;
+keek naar den man en likte Tony in het gezicht. Toen keek hij weer op
+naar zus en schoot eensklaps voort haar na. Bij de boerderij gekomen,
+liep zus, gevolgd door den hond, het hek in, maar toen durfde ze niet
+verder en draalde besluiteloos. De hond begon te blaffen. Toen kwam
+er een meisje naar buiten, vroolijk zingend liep ze op zus af en zei
+vriendelijk. "Wel--wat had de jonge juffer?"
+
+Zus wees met het vingertje in de richting, waar broertje lag en zei
+zacht. "Die man vraagt of er iemand komt. Hij heeft in het water
+gelegen."
+
+"Wie, die man?" zei het meisje verschrikt.
+
+"Neen, Tony, en hij heeft z'n oogen dicht; gaat u mee alsjeblieft,
+ik ben zoo bang," riep ze ineens vertrouwelijk, greep de rokken van
+het meisje en wilde haar meetrekken."
+
+"Ja, ik ga mee hoor, wacht even. Teun, Jacob!" riep ze naar
+binnen, "kom gauw mee, er is een in het water gevallen." Twee lange
+boerenjongens, kwamen nieuwsgierig naar buiten loopen en terwijl het
+meisje wees en vertelde, trokken ze hunne klompen aan die witgeschuurd
+voor het lage deurtje stonden en liepen met hun lange beenen snel
+vooruit.
+
+Toen zus en het meisje weer terug kwamen, had de man hun al gewezen
+wat ze doen moesten en zat hij zelf even uit te blazen. De meisjes
+keken toe. Zus begreep niet, wat er gebeurde, maar stond zacht te
+snikken. Het meisje streelde haar wang en zei troostend:
+
+"Kijk, kijk hij komt al bij, hij tilt zijn hoofd op. Huil nou maar
+niet, kijk. Vertel nu eens wie je bent?" "Emy, en hij is Tony,"
+snikte het kind.
+
+"En waar zijn je vader en moeder." "Naar de kerk."
+
+"Maar bij wie ben jelui hier, dan?" "Bij grootvader, daar," wees zus,
+"over het bloemenveld." "O, wacht, op 'Nooit gedacht'".
+
+"Ja," zei zus onverschillig, ze begreep niet eens waarom het haar
+werd gevraagd.
+
+Werkelijk daar bewoog Tony zich, zuchtte en opende de oogen. Zus
+sprong op hem toe. "Tony, lieve Tony," riep ze en zoende hem. Hij
+keek naar al die vreemde gezichten zonder te begrijpen. "Benauwd,"
+riep hij toen en begon te braken.
+
+Toen rilde hij. "Ik ben zoo koud, Moeder!" zei hij.
+
+De dikke man tilde hem op. "Kan je hem dragen," vroeg hij Jacob. "Ja,
+geef maar op," zei de grootste van de jongens en geen moeder had
+haar kind zorgvuldiger kunnen aanpakken en tegen zich aanvleien dan
+de knaap deed.
+
+"Hier mijn jas maar over hem heen, het schaap heeft het koud," zei
+de dikke man. "Loop jelui maar wat aan, ik kom ook wel, maar ik kan
+zoo gauw niet."
+
+De stoet zette zich in beweging. Désiré vroolijk blaffend, nu hij
+bemerkte, dat ze naar huis gingen, daarachter Jacob met zijn vracht
+en naast hem Teunis die het hoofd van Tony steunde. Daarachter het
+meisje met zus aan de hand en eindelijk de goede, dikke man, wiens
+korte beentjes moeite deden hen bij te houden.
+
+
+
+10. Désiré overwint.
+
+
+Trijntje had al niet begrepen, waar de kinderen toch bleven. Ze durfde
+de laan niet uit te gaan. Had al eens over den rijweg getuurd langs
+het pad en was weer terug gekeerd, bij zich zelve overleggend, of ze de
+deur maar zou sluiten en eens gaan kijken. Toen zag ze net de stoet de
+laan inkomen. Zus liet de hand van het meisje los en snelde op Trijntje
+toe. "O Trijntje, ze dragen Tony, hij is in het water gevallen."
+
+Trijntje verbleekte. "In het water en" .... ze liep de mannen
+tegemoet. Op het zien van haar angstig gezicht riep het meisje:
+"Hij is gelukkig weer bij, hoor, Siem de zwemmer heeft hem geholpen."
+
+Trijntje lichtte de jas op en keek naar het bleeke gezicht.
+
+Tony keek haar even aan, maar zei niets. Ze vroeg, en het meisje
+vertelde wat zij wist.
+
+"Wat zullen ze zeggen, wat zullen ze zeggen," lamenteerde Trijntje
+en sloeg jammerend de handen in elkaar. "Er is niemand thuis."
+
+Ze nam Tony op schoot en met hun allen deden ze zijn natte kleeren
+uit. "Ziezoo," zei Siem, "nou afdrogen en in een wollen deken in
+bed." Tony klappertande. Het andere meisje had een kruik met heet
+water gevuld en Tony werd in de wollen deken gewikkeld, met de kruik
+in de bedstee gestopt.
+
+"Wat warme koffie of thee," zei Siem.
+
+En hoewel Tony geen trek had, werd hem de warme thee met een
+theelepeltje ingegoten.
+
+"Waar is moeder," vroeg hij nog eens.
+
+"Ja, die komt zoo," zei Siem, "ga nou maar eerst wat slapen."
+
+"Waar ben ik?" vroeg hij weer en wreef met zijn hand over zijn hoofd.
+
+"Hier," zei zus, "bij grootmoe in de bedstee."
+
+Hij bekeek de bedstee, maar scheen het toch niet goed te begrijpen.
+
+"Ik zal even naar het dorp gaan, om ze te waarschuwen," vroeg Teun. "Is
+er niet een fiets van een van de jongens."
+
+"Zeker," zei Trijn, "pak hem maar. Voorzichtig zeggen hoor, dat
+de boerin niet te veel schrikt. Nou ik bedank jelui wel hoor. Siem
+blijf je niet tot het volk thuis komt. Dat zullen ze niets mooi van
+je vinden."
+
+Maar Siem wou niet blijven, hij kwam nog wel eens hooren, later,
+zei hij en ging nu met Teun en Jaap weg. Anneke bleef bij Trijntje
+wachten, want die was bang alleen met Tony. Ze was geen kinderen
+gewend. Trijntje nam zus op schoot en ze gingen met hun drieën voor
+het bed zitten.
+
+Désiré legde zijn grooten kop in den schoot van zus, en zij duwde hem
+niet weg, maar streek met haar handjes liefkoozend over zijn hals. Zoo
+zaten ze stil en het duurde niet lang of zusjes hoofd, viel op zij en
+steunend op den kop van den hond, viel het kleine kind in slaap. In
+de bedstee werd het ook stil. Tony was eveneens in slaap gevallen.
+
+De beide meisjes spraken fluisterend met elkaar, totdat Trijntje
+opsprong. "Daar ben ze!" Zus werd door den schok wakker. Ze droomde
+dat Tony in het water viel en toen Trijntje haar op den stoel voor
+de bedstee neerzette, riep ze: "Désiré, help dan toch."
+
+De hond was ook ontwaakt. Zij liep op hem toe en terwijl zus zich
+over hem heenboog, fluisterde zij: "Lieve goede Désiré, jij hebt hem
+er uitgehaald," en ze nam zijn kop in haar armen.
+
+
+
+Zoo vonden vader en moeder hunne kinderen terug. Zus sprong dadelijk
+op en vloog schreiend op hen toe. "We konden het niet helpen! maar
+Désiré heeft hem er uitgehaald," riep ze en vertelde aan één stuk,
+wat er was gebeurd.
+
+Moeder kuste haar schreiend; vader liep dadelijk naar het bed, greep
+de afhangende hand van Tony en streelde zijn gezicht. Ook Désiré kwam
+bij het bed en duwde zijn kop onder moeders arm door, om Tony te zien.
+
+"Désiré," zei moeder en streelde hem, weer greep zus zijn kop en legde
+haar krullebol er tegen. Zoo stonden ze toen Tony de oogen open deed.
+
+"Vader, moeder," riep hij zacht en begon te schreien, "ik dacht,
+dat ik verdronken was, ik zal het nooit weer doen."
+
+Toen viel zijn oog op zus en den hond en hij lachte door zijn tranen
+heen.
+
+"Hij heeft je er uit gehaald," zei zus nog eens weer. "Zoete hond."
+
+"Heb ik het niet gedroomd?" vroeg Tony.
+
+"Neen," zei vader, "hoe is het nu? Hoe voel je je?"
+
+"Goed vader, ik kan wel opstaan," en hij wilde overeind komen, maar
+dat mocht niet.
+
+"Hoe heeft hij den jongen tegen den kant opgekregen, dat begrijp ik
+maar niet," zei grootmoeder.
+
+"Ik heb getrokken," zei zus nu, "want hij was zoo moe, hij kon haast
+niet meer."
+
+De tranen sprongen moeder in de oogen. "Die kleine zus en die goeie
+hond."
+
+"Je bent een flinke meid, hoor," zei grootvader. "Samen heb jelui
+hem dus gered."
+
+"Wat zal je een angst gehad hebben, zoo alleen," merkte grootmoeder
+weer op.
+
+"Maar, Désiré was er toch bij," zei zus weer.
+
+"Wat is zoo'n beest toch slim, om hulp te halen."
+
+"Gelukkig maar, Antoon, dat we zoo'n dier hebben genomen. Eerst heeft
+hij zus gered en nu Tony weer. Hij is meer dan zijn geld waard." zei
+grootvader.
+
+"Dat is zeker, ik ben blij dat we hem hebben. Kom, hier trouw beest. Je
+zult het altijd goed bij ons hebben, hoor," en iedereen op zijn beurt
+haalde den hond aan, die kwispelstaartte van plezier. "Désiré!" riep
+Tony.
+
+Toen sprong zus naar hem toe, bracht hem bij Tony wipte op de
+teenen, boog zich over hem heen met haar arm om Désiré's hals
+en fluisterde--"Nu houd ik ook van Désiré, hoor. Net zooveel
+als allemaal--net zooveel als jij." En Tony kwam overeind en in
+een omarming nam hij zus en Désiré. "Ja, jelui hebt me samen er
+uitgehaald. Wat ben ik blij--wat ben ik blij."
+
+En de groote menschen zagen elkander aan en grootmoeder zei: "Dat is
+een zegen des Heeren," en moeder knikte van ja.
+
+Spoedig was Tony weer hersteld. Hij was er prachtig afgekomen. Met
+vader en moeder gingen de kinderen en de hond naar Siem den zwemmer,
+om hem een cadeautje te brengen en naar Anneke en Teunis en Jacob,
+om ook hen te bedanken. Iedereen in het dorp sprak over Désiré en
+hij werd overal nagewezen: Dat is die hond. Zonder Désiré gingen de
+kinderen niet meer uit, en stonden ze op het punt om heen te gaan, en
+was Désiré niet te vinden, dan was zus de eerste, om te zeggen: "Wacht
+u alsjeblieft nog even. Désiré is er nog niet." Hoe ver de hond ook
+was, het leek wel, of hij het fijne stemmetje van zus overal hoorde.
+
+Toen de familie weer naar huis terug gekeerd was, wist iedereen daar
+ook al spoedig van de heldenfeiten van Désiré en zus. Hij kwam nu
+niet alleen in de vrije uren van Tony op straat, maar iederen dag
+tegen twaalf en vier uur kwam Emy met Désiré de deur uit en gingen
+ze samen naar de school om Tony af te halen.
+
+"Moeder," zei Tony, "ik geloof, dat ik nu jaloersch moet worden,
+want Désiré lijkt wel meer van zus te houden dan van mij, en zij
+houdt ook meer van den hond."
+
+"Neen," zei zus ernstig, "ik houd alleen zooveel van hem, omdat hij
+mijn lieven schat uit het water heeft gehaald."
+
+"Tony maakt maar gekheid," antwoordde moeder, "hij weet wel beter."
+
+"Och ja," zei Tony lachend, "ik ben er veel te blij om. Wij zijn nu
+drie trouwe kameraden. Kom hier" en hij tilde zus op den rug van
+Désiré en de drie trouwe kameraden gingen den tuin in en vader en
+moeder keken hen dankbaar lachend na.
+
+
+
+
+
+
+II. TREINTJE SPELEN.
+
+
+ "Moesje, toe, zegt u
+ maar ja,"
+ Vleien Hans en Jantje,
+ En het kleintje streelt
+ haar wang
+ Met zijn dikke handje.
+
+ "Neen," zegt Moeder,
+ "Janneman
+ Jullie moet niet zeuren,
+ 'k Moet eerst weten,
+ wat je wilt,
+ Of 't zal niet gebeuren."
+
+ "Treintje spelen,
+ Moesje toe!
+ 'k Heb zoo'n heel
+ mooi fluitje.
+ Dan ben ik de conducteur;
+ Machinist is Truitje.
+ Anna zit aan het loket
+ Kaartjes te verkoopen.
+ Hansje wil met vaders tasch
+ Met de kranten loopen.
+
+ "U en zus zijn passagiers,
+ En dan nog de poppen.
+ Aap en beertje zal ik in
+ Beestenwagens stoppen."
+
+ Moeder lacht en Moeder knikt.
+ "O, het mag, gauw stoelen!
+ Zet ze alle op een rij,"
+ Zie ze eens krioelen!
+
+ Eindlijk is de trein gereed.
+ "Hola, conducteurtje!"
+ Roept Moe hijgend van de haast
+ "Doe--gauw open--'t deurtje."
+
+ Jantje zegt: "Stap in, Mevrouw,"
+ Opent het portiertje.
+ --"Maar de trein vertrekt nog niet,--
+ 'k Zet het op een kiertje."
+
+ Waarlijk daar komt grootmoe ook,
+ Loopend op een vaartje.
+ "'k Moet ook mee naar Amsterdam,
+ Geef me gauw een kaartje."
+
+ Lijsje gaat in d' eerste klas
+ In de derde Jetje.
+ "Mag ik ook nog mee," zegt Pa
+ Nu dat wordt een pretje!
+
+ "Kranten, Heeren, 't Nieuws!" zegt Hans,
+ "'t Handelsblad of 't Leven!"
+ Jantje zegt: "'t portier moet dicht,"
+ Vader: "wacht nog even!"
+
+ "Daar komt nog een juffrouw aan
+ In een wit toiletje."
+ Jan kijkt om, wie dat mag zijn?
+ Wel, 't is poes Minetje.
+
+ Jan tilt poes ook in den trein
+ En gaat kaartjes knippen.
+ Daarvoor moet hij iederen keer
+ Op de treeplank wippen.
+
+ "Nu--vertrek! 't is klaar! Vooruit!"
+ Roept hij dan tot Truitje.
+ En hij blaast zoo hard hij kan,
+ Op zijn schelle fluitje.
+
+ Oef! oef! oef! oef! oef! oef! oef!
+ Ja, dat moet zoo, weet je.
+ De machine stampt en blaast
+ Hansje helpt een beetje.
+
+ En do machinist roept: "Tuu!"
+ "Dag! Dag!" wat een leven!
+ Jongens, zou de echte trein
+ Zooveel pret wel geven?
+
+
+
+
+
+III. DE GOUDKLOMP.
+
+
+1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp.
+
+
+In een groot bosch woonden de aardmannetjes onder een boom. De ingang
+naar hun verblijf was in den hollen stam. Zij werkten daar beneden
+heel ijverig. Het was soms zoo'n gehamer en geklop, dat de mieren er
+hard voor op de vlucht gingen, omdat ze meenden, dat er onraad was. De
+dwergen zochten naar prachtige steenen, waarvan ze dan huizen bouwden
+voor de prinsen en prinsessen. Zoo waren er twee van hen, Orleman en
+Soliman, weer eens uitgegaan om steenen te zoeken, heel diep in de
+aarde. Het baardje van Orleman veegde bij iederen hak over de ruwe
+steenen en er kwam al een heel fijn puntje aan, maar hij merkte er
+niets van. De voeten van Orleman werden al dunner en dunner van het
+schuiven over de puntige rotsblokken, maar hij merkte het ook niet. Ze
+waren veel te druk met hun werk bezig en hadden al een groote massa
+prachtige, gekleurde steentjes uitgezocht om een nieuw huis te maken
+voor de jongste prinses die heel gauw ging trouwen en dan toch een
+eigen woning hebben moest.
+
+Doch opeens gaf Orleman een harde gil, zoodat Soliman van schrik zijn
+houweel op zijn kleine teen liet vallen en driemaal over zijn hoofd
+duikelde, waarbij hij telkens over zijn eigen baard struikelde. Toen
+hij wat van de schrik bekomen was, zei hij: "Maar wat is er dan toch
+Orleman. Wat heb je dan toch?" Orleman stond als razend in de rondte
+te draaien, zoodat je niets anders zien kon dan een enkele roode vlek,
+omdat hij een rood pakje aan had.
+
+Orleman hield nu ook op met draaien en daar de ruimte waar hij stond
+te klein was om te vallen, bleef hij op zijn beentjes staan, hoewel
+hij niets meer zien kon.
+
+"Kijk jij dan," gilde hij uit--"Goud--echt goud."
+
+"Och wat?" zei Soliman, misschien omdat hij nooit gehoord had,
+dat de jongens op straat wel eens wat anders zeggen of omdat hij te
+fatsoenlijk was, om straattaal te gebruiken, maar hij zei alleen,
+"och wat." Hij wipte over een paar steenen naar Orleman toe en bleef
+verstomd staan kijken.
+
+"Ja, ja," knikte hij en eindelijk kwam het ook over zijn lippen,
+"Ja, ja! 't _is_ echt goud." Toen grepen ze elkaar beet en dansten,
+voorover achterover, links en rechts zoo'n echt mooien dwergendans,
+zooals niemand ooit heeft gezien en Orleman gilde daarbij zoo hard,
+dat het niet veel scheelde of hij had zijn tong ingeslikt. Gelukkig,
+dat Soliman het nog net bemerkte en gauw de punt greep en het roode
+lapje weer naar buiten trok. Toen besloten ze samen zoo verstandig
+te wezen als één menschenkind en te beraadslagen wat ze nu met dien
+klomp zouden beginnen.
+
+"Weet je wat," zei Orleman na veel over en weer praten: "Als de
+jongens wat uit willen maken, gooien ze altijd hun petten op."
+
+"Goed," zei Soliman, die altijd vond dat Orleman zoo wijs kon
+redeneeren, als een schooljongen--en ze gooiden de mutsen op, maar toen
+ze voor hen lagen, wisten ze niet verder, want die lange puntmutsjes
+vielen aldoor op zij en zoo kon je er geen wijs uit worden, al was
+je de knapste schooljongen geweest.
+
+"Nou," zei Orleman weer, "dan weet ik nog wat." En Soliman luisterde
+al met een open mond, zoodat Orleman net zien kon, dat hij geen
+verstandskies had. "We brengen hem aan den koning." "Ja, aan den
+koning, die is een wijs man en zal wel weten, wat we er mee moeten
+beginnen."
+
+"Vooruit dan maar laten we hem samen opnemen."
+
+Nu zijn aardmannen altijd heel sterk, net zoo sterk als .... als.... je
+ze maar hebben wil, al zijn ze ook nog zoo klein. Maar of ze nu te
+hard moesten lachen of dat het ergens anders van was, ze waren toch
+niet sterk genoeg, om den klomp op te tillen. Hoe ze rukten en trokken
+ze konden hem niet verwikken of verwegen. De goudklomp bleef liggen
+waar hij lag. Toen bogen de arme dwergen hunne hoofden diep op hun
+borst met den neus in den baard en schreiden van verdriet.
+
+Juist voelden ze een raar gekriebel over hun voeten. Daar kwam een
+groot leger mieren aangewandeld.
+
+Orleman, was heel goedig van aard en altijd goede vrienden ook met de
+mieren. Dikwijls was hij ergens anders gaan hakken en graven, omdat
+hij hen in den weg zat, maar nu, dacht hij, was het hun beurt eens te
+toonen, dat ze hem waardeerden. Gelukkig had hij, toen hij nog jong
+was, de mierentaal heel goed geleerd; hij bedacht zich niet lang, maar
+sprak een baas van het troepje vriendelijk aan en vroeg hem om hulp.
+
+De mieren waren heel blij en zetten vroolijke gezichten, omdat ze
+hem nu helpen konden en op bevel van het opperhoofd gingen ze met
+hun allen op den klomp goud af.
+
+Het ging wel heel langzaam maar toch ging de klomp vooruit en kwam
+ten laatste aan voor het paleis van den koning.
+
+Orleman bedankte de mieren vriendelijk voor de hulp en ging
+dadelijk naar het paleis, waar hij vroeg bij den koning te worden
+toegelaten. Zijne Majesteit was juist thuis en zat in zijner Majesteits
+kamerjapon aan de tafel op zijn rijk met edelsteenen versierden troon
+'n gouden pijp te rooken, toen Orleman binnen trad. "Wat--pff--verlangt
+gij pff! Orleman?" pff pff!
+
+"Sire," sprak deze, en boog driemaal, zoodat het puntje van zijn baard
+den grond raakte; "Sire, we komen tot Uwe Majesteit, omdat we weten,
+dat uwe Majesteit niet wijs is--hm--hm--alleen, maar ook goedertierend
+en daarom zeker goeden raad zal geven. We hebben bij het zoeken naar
+steenen voor het paleis van hare Koninklijke Hoogheid prinses Orélata
+een klomp goud gevonden die we voor het paleis hebben laten brengen."
+
+De koning, zooals wijze menschen ook doen, antwoordde niet dadelijk,
+omdat het dan net leek of hij diep nadacht. Hij stond op, trok een paar
+maal heel geleerd aan zijne lange pijp en ging met afgemeten stappen
+naar het venster, waar hij den klomp goud kon zien liggen. Hij sprak
+niet, voordat hij wist, wat hij zeggen zou en ook toen wachtte hij
+nog, totdat hij weder op zijn troon zat, omdat de woorden dan nog
+veel meer indruk maakten. Toen tikte hij met de pijp op tafel en
+sprak langzaam deze woorden:
+
+"Orleman, we zijn je dankbaar, voor je vertrouwen.
+
+"Wij hebben reeds zooveel goud en edelsteenen in onze
+schatkamers. Breng dezen klomp naar de aarde en geef hem het
+menschenkind dat treurt en dit goud noodig heeft voor zijn geluk." Toen
+wenkte de koning, dat Orleman kon vertrekken en hij ging. Wel begreep
+hij niet, wat de koning bedoelde, maar zoo ging het meestal, dan
+moesten de dwergen het maar uitvinden, vragen mochten ze niet.
+
+Toen Orleman buiten kwam en 's konings woorden aan Soliman meedeelde,
+krabden beiden hunne baarden en besloten ze, maar eerst te zorgen,
+dat de klomp de aarde bereikte. De mieren hielpen weer en met vereende
+krachten kwam de klomp bij den hollen boom, en viel eindelijk met
+zoo'n harden slag op de aarde neer, dat het gezang van de vogels een
+oogenblik verstomde.
+
+"Zie zoo," zei Orleman, "nu niet verder. Laten we nu eerst eens
+beraadslagen naar welken kant we hem nu moeten brengen," en hij ging
+er boven opzitten om eens uit te rusten en na te denken. Soliman
+volgde zijn voorbeeld, terwijl de mieren rechts om keert maakten en
+met stille trom den aftocht bliezen.
+
+Toen de beide dwergen wat uitgerust waren, besloten ze den klomp
+maar onder den boom te laten liggen en vroegen hem zijne takken
+flink er over uit te spreiden, opdat geen roovers hem zouden
+ontdekken. Onderwijl zouden zij eerst gaan zoeken naar het
+menschenkind, dat de koning bedoeld had.
+
+Zoo togen ze samen op weg.
+
+
+
+2. Wie zal hem hebben?
+
+
+Aan den rand van den weg zaten eenige veldarbeiders uit te rusten. Ze
+spraken luid met elkaar en lachten, maar één zat een eind van de
+anderen af en scheen droevig gestemd. Soliman stootte Orleman aan en
+achter een paar hooge planten bleven ze luisteren. Niet naar hetgeen
+die anderen zeiden, maar naar dat wat de eenzame dacht.
+
+"Als ik rijk was, ik stak geen hand meer uit, ik keek naar 't veld niet
+om. De boer lijkt wel mal, dat hij zich er nog om vermoeit. Als die
+boerderij van mij was. Ik zou de knechts wel voortjagen. Ze moesten
+eens bij me komen om hooger loon! en zijn paarden te sparen! Met de
+zweep voortjagen zou ik ze. Zijn oude moeder houdt hij ook thuis en
+dat lamme kind van zijn zuster. Ik zou ze, neen hoor, ik nam het er
+beter van. Ik wou, dat ik geld had--en die anderen, ze lachen maar,
+en ze werken maar en--". "Kom," zei Orleman, "hij is het niet. Geld
+kan hem niet gelukkig maken."--Soliman was ook al opgestaan. Dezen
+man kon de koning niet bedoeld hebben; en ze gingen verder.
+
+Daar zat aan den rand van een groot water een eenzaam man. Hij zag
+er deftig gekleed uit, maar vroolijk keek hij niet, het leek wel of
+hij groot verdriet had zelfs en hierheen was gegaan, om dat verdriet
+lucht te geven. De dwergen verscholen zich in zijne nabijheid, ze
+moesten minstens op tien passen afstand komen, anders konden ze de
+gedachten niet hooren.
+
+"Mijn kind, mijn eenig kind. Ik had je zoo lief. O, hoe kon je je
+vader zoo bedriegen. Och, wat helpen me al mijn schatten, nu mijn
+kind slecht is...."
+
+"Ga mee," zei Orleman, terwijl de tranen hem langs de wangen liepen,
+"ik heb medelijden met den man, misschien kunnen we hem later helpen;
+maar de klomp goud kan hem zijn geluk niet weergeven."
+
+En ze gingen verder, zwijgend, vervuld van medelijden met den
+rijken man.
+
+Daar stond op den weg een kermiswagen. Een troepje havelooze kinderen
+stoeide in het gras. Vader zat aan den kant van den weg aardappelen
+te schillen. Moeder stond bij een kleine kachel in den wagen en roerde
+in een pan, terwijl ze een liedje zong.
+
+Soliman zei: "Die konden wel wat geld gebruiken" en Orleman antwoordde:
+"Kan zijn, maar ze treuren niet. Hen kan de koning niet bedoeld hebben"
+en ze liepen ze voorbij, zonder dat de menschen er iets van bemerkten.
+
+Daar kwamen twee jongens aanwandelen. De eene praatte druk, maar
+de ander scheen bedroefd en gaf weinig antwoord. De aardmannetjes
+spitsten hunne ooren.
+
+"Kom, je hebt toch je verstand. Zet je er over heen.
+
+"Wie weet het volgend jaar, dan krijg je hem misschien wel. Spaar er
+dan voor."
+
+"Ja," antwoordde de bedroefde, "jij hebt goed praten. Jij kan je
+fiets koopen en je roeiboot en alles wat je wilt, maar als het altijd
+maar is:--Je krijgt geen fiets, dan moet je eerst mooier cijfers
+hebben.--Jij hebt niet het land aan leeren, maar ik wel. Als ik geld
+had, kocht ik er zelf een, en gaf ik de brui aan goeie cijfers en ik
+ging de wijde wereld in en reizen en--"
+
+"Vooruit maar," zei Orleman en ze gingen weer verder. "Die moet vooral
+geen geld hebben."
+
+Twee vrouwen stonden op den weg te praten. De eene schreide: "Ach,
+al gaf je me vandaag alles wat je bezat, morgen was het toch weer
+op. Al mijn verdiensten, al wat hij zelf verdient, alles wat de
+jongens thuis brengen, het gaat aan drank. Wat hadden we het vroeger
+niet best en nu--".
+
+"Daar zal het ook al niet helpen," zei Orleman, "die kunnen we niet
+met goud helpen."
+
+"Neen," zuchtte Soliman, "maar laat die man voorzichtig zijn, dat
+hij mij uit den weg blijft. Den drank meer lief te hebben dan zijn
+vrouw en kinderen, 't is--'t is een--een schande voor een man," en
+hij schudde net zoolang met het hoofd heen en weer tot Orleman het
+vast hield, omdat die er duizelig van werd.
+
+Den geheelen dag liepen ze rond en telkens zagen ze menschen en
+kinderen, die bedroefd waren en ieder keer hoorden ze de woorden of
+gedachten: "Als ik maar geld had." Maar de bedroefden waren meest met
+geld niet te helpen en degenen die geld verlangden, zouden er niet
+wezenlijk gelukkiger door worden, of moesten wachten, totdat ze het
+verdiend hadden.
+
+Eindelijk waren ze zoo moe van het zoeken, dat ze even moesten
+uitrusten.
+
+"Had je nu gedacht, dat het zoo moeielijk was," zei Soliman, toen
+hij een beetje op adem was gekomen.
+
+"Ik wist het wel, ik wist het wel. Ze verlangen allemaal naar, wat
+ze niet krijgen kunnen. Zelfs kinderen denken wel, dat als ze iets
+moois konden koopen, ze veel gelukkiger zouden zijn. Maar hen meent
+de koning niet, hen niet. Wat zullen we doen?"
+
+Het was reeds heelemaal donker geworden. Ze zaten aan het einde van
+een klein dorp dicht bij het bosch waar ze woonden. Het was juist
+de tijd, waarop al de aardmannetjes naar boven komen, om zich met
+de zaken der menschenkinderen te gaan bemoeien. Overal werden de
+lichten uitgeblazen en gingen de groote menschen slapen, om kracht
+te verzamelen voor het werk van den volgenden dag.
+
+"Hier zullen we niet vinden, wat we zoeken, we moeten eigenlijk
+naar die groote stad ginds. Hier zijn de menschen tevreden met hun
+dagelijksch brood en wie eens niet genoeg heeft, krijgt het van
+anderen," merkte Soliman op.
+
+Maar Orleman hoorde niet, wat hij zei, want juist keek hij in de
+verte naar een klein lichtje, dat bleef schijnen door een oud verweerd
+venstertje van een klein, vervallen huis.
+
+Ssst! Ssst! deed hij tusschen de tanden en zette zijn vinger tegen
+zijn neus, alsof hij dacht, dat hij nu eens een goeden inval had.
+
+
+
+3. Wat de dwergen verder zagen.
+
+
+Het was hevig begonnen te waaien. De wind gierde door de straten,
+sloeg hagelkorrels in het rond en deed de boomen in de verte heen en
+weer zwiepen. De maan en de sterren waren schuil gegaan achter dichte
+zware wolken. Het was heelemaal donker geworden in de dorpsstraten,
+waar geen enkele lantaarn brandde.
+
+"Kom!" zei Orleman, "daarheen!" en hij trok zijn muts over de ooren
+en greep de hand van zijn kameraad.
+
+Beiden liepen nu tegen den storm en de hageljacht in, alsof ze er heel
+niets van bemerkten en hadden zoo weldra het vervallen huisje bereikt.
+
+Soliman wilde de klink oplichten, om dan naar binnen te gluren,
+maar Orleman hield hem terug.
+
+"Stil, wacht eens; hier is een pijp van een goot, laten we naar
+boven klimmen." In een oogwenk waren ze op het dak. [2] Toen tegen
+den schoorsteen op. Orleman was er het eerst. Hij boog zich over de
+opening heen en keek naar beneden.
+
+"In orde! Er is geen vuur onder. Ik kan zoo in de kamer zien. Kom
+maar!" Meteen liet hij zich naar beneden glijden. Soliman volgde hem
+zoo gauw, dat hij geen tijd had om weg te komen en zijn kameraad
+op zijn schouders terecht kwam. Maar Orleman stond pal. "Ssst,
+stil!" riep hij en op elkaar stonden ze daar als verstijfd onder den
+grooten schoorsteen en zagen:--Aan een ruw houten tafel zat bij een
+kleine lamp een meisje niet ouder dan een jaar of negen. Het lampje
+wierp een zwak schijnsel op het blonde krulkopje en het schamele
+jurkje van het kind. Het hoofdje was voorovergebogen, de kleine handjes
+peuterden aan een scheur in een paars jakje van een heel klein kind. In
+het vertrekje, was verder niets dan nog een stoel, maar het zag er
+zindelijk uit. De wind bulderde door den wijden schoorsteen en deed
+de wanden kraken.
+
+Angstig keek het meisje op, achter zich naar de bedstee, waarvan de
+gordijnen gesloten waren.
+
+Het gezichtje was bleek en vermagerd en tranen kwamen in de oogjes.
+
+"Och, lieve Heer," prevelde zij "als moeder maar niet wakker wordt. Och
+ik ben zoo bang alleen. Och, lieve Heer, en we hebben zoo'n honger,
+och laat vader toch thuis komen. Als vader maar wist van moeder en van
+'t broertje. Waarom hebben ze vader ook weggehaald. Hij heeft toch
+geen kwaad gedaan. Ik weet niet meer, wat ik nu verkoopen moet. De
+lamp is alles. Olie is er toch ook niet. Had ik maar geld voor moeder
+en voor broertje." De gevouwen handjes in haar schoot, keek ze angstig
+om zich heen.
+
+"Drinken," fluisterde eene stem uit de bedstee. Haastig sprong ze op
+en vloog er heen. Ze schoof de gordijnen weg. Het vreeselijk vermagerd
+gezicht van een nog jonge vrouw kwam te voorschijn. De donkere oogen
+zochten angstig rond: "Is vader daar, lieveling.--Ja hè. Ben je daar
+Leendert. Geef me wat drinken."--
+
+"Hier, moesje, hier drinkt u maar eens. Vader komt gauw."
+
+"Ja, gauw dan, gauw," stamelde de zieke, dronk haastig en liet het
+moede hoofd weer in de kussens vallen.
+
+"Ja moesje, vader komt," snikte het kind en boog zich over haar moeder
+en drukte een kus op haar wang.
+
+"Ja, vader komt, Liesje en dan wordt alles weer goed. Hij is
+onschuldig--ze kunnen hem niet langer houden--Ga nu slapen, kindje--of
+jij wordt ook ziek. Kom gauw--slapen"--en de zieke sloot de oogen en
+sliep zelve weer in.
+
+Door het bulderen van den storm heen klonk nu een zacht steunend
+schreien. Liesje greep in de bedstee naast moeder en nam er iets
+uit. Het gezichtje van een heel klein kindje kwam uit een wollen doek
+te voorschijn. Zij nam het kindje in haar armen greep een fleschje
+met een beetje melk er in en deed de speen in het open schreiende
+mondje. Maar het kleintje lustte zeker de melk niet, want toen het
+een trekje had gedaan, spoog het de speen weer uit en begon heviger
+te krijten. "Stil dan, broertje"--suste Liesje, en ze legde het mondje
+tegen haar wang en begon heen en weer te loopen en een wiegeliedje te
+zingen. Toen werd ze moe en ging zitten, maar dat wilde broertje niet;
+hij begon luider te schreien. Liesjes beentjes trilden. Ze stond weer
+op en fluisterde sussend: "Stil dan, moesje slaapt. Als vader komt
+zullen we een vuurtje maken, dan krijg je een warm fleschje dat is
+ook zoo koud hè. Stil maar, suja, suja." En ze suste het hongerige
+kind tot het van vermoeienis weer in slaap viel. Toen legde ze het
+heel voorzichtig weer naast moeder en schoof de gordijntjes weer dicht.
+
+"Och had ik maar geld dan zou moeder wel beter worden en broertje
+niet zoo schreien en wel groeien net als andere kindertjes. Och
+als vader thuis komt, wat zal hij verdrietig zijn, dat hij moeder
+zoo vindt. Ik weet niet meer, wat ik doen moet zoo alleen. Woonden
+we nog maar in ons oude huis aan de vaart in de stad. Dat moeder ook
+alles moest verkoopen. Hier kennen we ook niemand. Moeder wou ook niet
+vragen. Och, als vader maar terug kwam. Die vreeselijke menschen ook
+die vader bestolen hebben--arme vader!" en snikkend liet ze het hoofd
+op de armen vallen voorover op de tafel.
+
+Nog steeds stonden de dwergen daar. Liesje had ze niet opgemerkt. De
+tranen liepen langs hun wangen. Die van Soliman vielen op Orlemans
+neus. Maar ze durfden zich niet bewegen om ze af te regen.
+
+"Ik kan het niet langer aanzien," fluisterde hij. "Ik zal haar even
+helpen." Meteen zette hij zijn lippen vooruit en begon heel fijn te
+blazen. De krulletjes om Liesjes hoofd woeien op. Ze zuchtte even
+en--was in slaap gevallen en droomde. Een heerlijken droom van vader
+en moeder en broertje en een prachtigen tuin met lekkere vruchten. Zij
+mocht plukken en ze aten er van zooveel ze wilden. En moeder had roode
+wangen en lachte en vader keek maar al naar broertje dat, ook lachend,
+op zijn arm zat.
+
+"Vooruit nu," zei Orleman, "naar boven!" En Soliman trok zich aan
+een langen spijker omhoog. Orleman greep zijn eenen been, trok zich
+aan hem op, zoo ook naar boven. In een oogwenk zaten beiden boven op
+den schoorsteen. Tranen biggelden langs hun wangen.
+
+"Wacht even," zei Orleman en hij ging op den rand van den schoorsteen
+zitten en liet zijn beentjes naar beneden bengelen. Soliman tegenover
+hem. Toen namen ze hunne roode zakdoeken en veegden hun tranen af.
+
+"Die is 't" zei Soliman. "Die kan 't zijn!" antwoordde Orleman
+voorzichtiger. "We moeten eerst dien vader zien.
+
+"Juist juist! we moeten eerst dien vader zien."
+
+
+
+4. Gevonden.
+
+
+"Ben je klaar met je zakdoek? kom dan." Weer greep Orleman Solimans
+hand maar meteen riep hij nu: "Och! lieve wind, neem ons mee, neem
+ons mee!" De bulderende stem van den wind antwoordde vriendelijk:
+"komt maar" en meteen greep zijn machtige adem de beide vrienden beet
+en voerde ze weg in razende vaart. Daar vlogen zij over bosschen en
+velden, langs heuvels en dalen, door dorpen en steden, totdat Orlemans
+riep: "Hola! dank je wel. We zijn er." Toen stonden ze ineens stil
+op het dak van een groot somber gebouw in een groote stad. Het was
+nacht. Beneden in de verlaten straten brandden duizenden lichtjes. In
+dit huis was alles donker en stil. De beide dwergen liepen een eind
+over het dak en kwamen bij een schoorsteen. In een oogwenk lieten ze
+zich naar omlaag glijden en stonden in een gang door een enkel klein
+vlammetje verlicht. Die gang liep in de rondte en aan den eenen kant
+waren allemaal deuren met tralieluikjes er in. Stilzwijgend liepen ze
+een poosje rond en zochten, totdat Orleman zei: "Hier is het," en voor
+één der deuren staan bleef. Hij lichtte een houten luikje op en kroop
+door de tralies daarachter heen. Zijn vriend volgde hem op de voet.
+
+Juist kwam de maan een oogenblik door de wolken en wierp haar licht
+door een klein getralied venster in een somber vertrek op 't gezicht
+van een man, die op een bank lag uitgestrekt.
+
+"Slaapt hij?" vroeg Soliman. "Neen," antwoordde Orleman; "hij denkt;
+luister!"
+
+"Waarom!? Waarom? Neen, ik wil niet vragen waarom; ik wil dankbaar
+wezen. Morgen weer vrij; morgen, zei de advokaat zullen ze mij vrij
+laten, omdat er geen bewijzen zijn voor mijn schuld. Geen bewijzen! Hoe
+zou 't ook. Ik ben onschuldig--gestolen hebben ze mij het geld dat
+mij was toevertrouwd. Niemand wil het gelooven. En toch was ik altijd
+een eerlijk man. Heer, gij alleen weet, dat ik onschuldig ben. Had
+ik geld, ik zou alles teruggeven aan hen die het verloren hebben,
+al is het niet door mijn schuld. Arme vrouw, arme Liesje. Dat zij
+zoo lijden moesten dat--o, die schurken--ik zou--neen--neen, ik moet
+mijn vijanden vergeven.--Ik dank u Heer, dat ik mijn vrouw en kind
+terug zal zien.--Maar zal ik voor hen kunnen werken! Zal ik ergens een
+plaats vinden. Jij, mijn lieve vrouw, jij zal het niet gelooven. Jij
+niet Liesje. Jij weet wel, dat je vader geen dief is. Och als zij er
+maar niet door lijden moesten." Snikkend verborg hij het gezicht in
+de handen.
+
+En juist als hij straks gedaan had met het arme Liesje, deed Orleman
+nu met den ongelukkigen vader. Zachtjes blies hij zijn adem over
+het gezicht van den diep bedroefden man en de arme viel in een
+verkwikkenden slaap.
+
+Hij droomde, dat hij goud vond. Dat hij aan al die verloren hadden,
+alles terug gaf, dat hij met vrouw en kind een heerlijk leven opnieuw
+begon.
+
+De dwergen verlieten zacht de cel weer en liepen door de gang de
+trappen af naar beneden. Alle deuren gingen voor hen open en spoedig
+verlieten zij het gebouw door de woning van den portier. Zwijgend
+gingen zij voort door de straten en bereikten weldra een park. Midden
+in een laan hielden ze stil. Orleman stampte driemaal op den
+grond. Deze opende zich en pijlsnel schoten zij naar beneden. Door
+de aarde heen kwamen ze weldra terug in hun rijk.
+
+Toen eerst sprak Soliman: "Zullen we 't den koning vragen, of 't deze
+menschen zijn?"
+
+"Neen, Zijne Majesteit zou ons toch niet antwoorden. Ik weet zeker,
+dat we dit arme kind en haren vader helpen moeten en gauw, nog dezen
+nacht," antwoordde Orleman.
+
+"Ja, nog dezen nacht. Maar we kunnen dat kind toch dien klomp goud
+niet geven. Daar zou ze niets aan hebben" merkte Soliman op, verheugd,
+dat hij dit nu eens het eerst had bedacht.
+
+"Dat zullen we ook niet. We hakken er stukjes af, zooals de menschen
+ze wel vinden in den grond en zooals zij ze wel meer verkoopen."
+
+Onder het spreken waren ze weer boven de aarde gekomen bij den
+vriendelijken hollen boom.
+
+"Goede vriend," zei Orleman. "Wil je ons den klomp alsjeblieft weer
+teruggeven?" want hij was altijd vriendelijk ook zelfs tegen oude,
+holle boomen.
+
+"Zeker, zeker," antwoordde de boom, die kraakte van den storm en
+hij liet zijn beschermende takken los en de klomp lag vrij. "Dank je
+wel, hoor."
+
+Met veel moeite rolden ze den klomp nu een eindje op zij.
+
+"Ziezoo," zei Orleman. "Nu zullen we een paar stukjes er af slaan." Zij
+zetten hunne lantaarns zóó neer, dat het licht op den goudklomp viel
+en haalden hun houweel te voorschijn. Toen Soliman hem ophief riep
+Orleman echter: "Wacht nog even. De stukken zouden zoo weg kunnen
+vliegen." Hij haalde zijn zakdoek uit den zak en bedekte daar den
+klomp mee. Toen gingen zij aan het hakken en hakten wel stukjes van
+het goud, maar de zakdoek bleef heel.--Jammer dat jongens zakdoeken
+ook niet zoo gemaakt zijn.
+
+"Genoeg!" riep Orleman. De houweel werd neergelegd, de zakdoek
+opgelicht. Nu zochten ze de stukjes bij elkaar en deden die in den
+zakdoek. De rest rolden ze weer weg en vertrouwden ze weer toe aan
+de goede zorgen van den hulpvaardigen boom. Toen rustten ze tegen
+zijn stam nog een oogenblikje uit, namen hun lantaarntjes weer op en
+gingen het bosch door andermaal naar het huisje van Liesje.
+
+
+
+5. De opdracht wordt volbracht.
+
+
+In een wip waren ze weer op den schoorsteen. Nog niet dadelijk gingen
+ze omlaag. Ze staken hun beenen in de pijp en gingen tegenover elkaar
+op den rand zitten. De zakdoek namen ze tusschen zich in en als twee
+jongens, die onder een brugleuning, steentjes in het water werpen,
+zoo gooiden zij de stukjes goud door den schoorsteen naar beneden.
+
+Liesje was nog niet ontwaakt, de lamp brandde nog.
+
+In de bedstee was het ook stil. Alleen de wind bromde en blies den
+hagel in hun gezicht. Maar zij lachten er om en verkneukelden zich
+bij de gedachte wat Liesje wel zeggen zou, als ze straks dat goud
+zou vinden.
+
+Eindelijk lagen alle stukjes beneden, maar Liesje had er nog niets
+van bemerkt.
+
+"Ga mee kijken, kom," riep Orleman, die niet langer wachten wilde. "Ik
+zal haar wakker maken," en ze lieten zich weer naar beneden glijden
+en stonden nu naast elkander hand aan hand onder den schoorsteen.
+
+Orleman maakte een paar sprongen en riep: Psst! psst!
+
+Liesje bewoog zich even, verlegde haar hoofdje, dat op haar armen
+rustte, maar deed de oogen niet open. Ze was zeker erg koud geworden,
+want ze huiverde in haar slaap.
+
+"Arm schaap. Ze zal ziek worden van de kou. Ze moet wakker worden,
+dan zal ik haar naar bed sturen," zei Orleman; meteen nam hij een
+goudklompje en wierp het juist tegen haar neus.
+
+Liesje droomde, dat de Engelen sterretjes uit den hemel naar beneden
+wierpen en dat zij ze mocht opvangen. Eén viel juist op haar neus. Ze
+tilde het hoofdje op, wreef zich de oogen uit, nog eens, nog eens.
+
+Droomde ze nog? Daar lag een goud sterretje op de tafel. En
+wat schitterde daar allemaal onder den schoorsteen. Allemaal
+sterretjes!? Ze durfde niet opstaan, uit vrees van dien mooien droom
+te verstoren en staarde maar voor zich uit. Toen ontdekte ze de beide
+dwergen en bleef met open mond hen aankijken, stom van verbazing.
+
+Nu lachten de aardmannetjes en knikten tegen Liesje.
+
+"Kom," zei Orleman zacht, "neem het maar. Het is goud voor jou, lief
+kind. Omdat je alleen aan je moeder denkt en je broertje, daarom
+krijg je dit van de aardmannetjes."
+
+"Voor mij," vroeg ze nu.--"Is het heusch goud voor mij? Mag ik daar
+eten voor koopen. Melk voor moeder en voor broertje, hout voor den
+haard en--."
+
+"Ja, alles mag je er voor koopen. Dan zal moeder weer beter worden
+en broertje groeien en jij geen honger meer hebben, en als je vader
+terug komt, zal hij jelui niet zoo treurig vinden."
+
+Nu stond Liesje op en kwam naar de dwergjes toe.
+
+"Komt vader terug? Kent u vader? Hij heeft geen kwaad gedaan, dat
+kan niet, ik weet het zeker. Moeder weet het zeker," riep ze haastig
+achter elkaar.
+
+"Neen, kind je vader heeft geen kwaad gedaan. Hij zal wel komen. Koop
+morgen ochtend gauw alles, wat je noodig hebt. Neem een paar van die
+goudstukjes, breng ze bij dien heer in het witte huis en hij zal
+je er geld voor geven. De rest bewaar je maar. Ga nu gauw slapen,
+want anders wordt je nog ziek en je moet je kracht bewaren."
+
+"O, lieve, lieve dwergjes, wat ben ik blij, wat ben ik blij. Ik dank
+u wel" en ze vloog op de mannetjes toe en kuste hen op de beide wangen.
+
+"Neen, neen," riep Orleman "dat zijn we niet gewend" en meteen zetten
+ze het op een loopen en verdwenen door den schoorsteen. Boven keken
+ze nog even om.
+
+Liesje kleedde zich vlug uit, blies de lamp uit en stapte in bed. Toen
+hoorden ze nog heel zacht: "Dank u, lieve Heer. Wil u mijn moeder
+beter maken en vader bij ons laten komen en mij helpen. Amen."--Toen
+werd het stil en de kleine vrienden gingen dankbaar naar huis.
+
+
+
+Den volgenden avond, toen de zon onderging stonden de beide vrienden in
+het park van de groote stad, waar zij den vorigen nacht de gevangenis
+bezocht hadden. Ze zetten zich neer, op een steenen bank onder
+een paar groote boomen, alsof het een heerlijke zomeravond was. De
+beentjes trokken ze omhoog, de ellebogen steunden ze op de knieën en
+met de handen onder het hoofd, bleven ze stil zitten. Menschen gingen
+met vluggen tred voorbij. Meest mannen, die van hun werk kwamen en
+verlangend naar huis, naar vrouw en kinderen, zich haasten er te
+komen. Het regende fijntjes. De grond was nat, de boomen dropen,
+maar de dwergen bleven rustig zitten en wachtten. Een paar meisjes
+kwamen voorbij hollen: "Ik ben zoo bang," zei het eene. "Hoe durf
+je eigenlijk nu nog door het park met dat vuile weer." "Och, kom,
+gauw maar, deze weg is veel korter," en weg waren ze. Langen tijd
+kwam er niemand meer langs. Daar klonk opeens weer een mannenstap.
+
+"Hij is 't," zei Orleman. "Ja, ja!" zei Soliman. Ze schoven een
+beetje in het hoekje van de bank en bleven weer zitten. De man kwam
+nader. Hij liep net alsof hij vermoeid was en keek naar alle kanten
+rond. Hij had een zak op den rug. Langzaam naderde hij de bank en
+mompelde in zich zelf:
+
+"Zou ik dat heusch verleerd zijn, of ben ik zoo zwak geworden. Ik
+moet een oogenblik rusten. Ik ben toch vroeg genoeg voor den trein,"
+en hij sleepte zich haast naar de bank en viel er op neer.
+
+De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge
+leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen
+hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen
+en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen
+klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef
+kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen
+hem tegen.
+
+Hij wreef zich over het voorhoofd. "Wat heb ik nu?" mompelde hij. "Dat
+heb ik vannacht gedroomd. Ik slaap toch niet meer." Hij stampte op
+den grond.
+
+Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk
+weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met
+zijn voet den steen aan.--"Kom, ik ben een dwaas," zei hij tot zich
+zelf. "Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet
+verder, of ik kom te laat aan den trein."
+
+Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij
+kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen
+loopen, maar bleef staan. "Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net
+goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? 't kan toch geen kwaad, al is
+het een dwaasheid." Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem
+in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.
+
+Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.
+
+"Zie zoo--hij begrijpt het nog niet," zei Soliman.
+
+"Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen. Ga je mee, dan
+zijn we er eerder dan hij."
+
+Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen
+en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis
+vervolgde naar huis.
+
+
+
+6. Weer gelukkig.
+
+
+Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het
+huisje van Liesje in het bosch.
+
+"Aha!" riep Orleman, "ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons
+mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard." "Jammer, jammer,"
+antwoordde zijn vriend. "Welneen, niets jammer; nu hebben zij het
+warm. En wij gaan door de deur."
+
+Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in
+het eenige vertrekje van het huis.
+
+Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel
+lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en
+kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In
+den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel,
+waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje,
+maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot
+lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem
+voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.
+
+"Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet
+te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust
+hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit."
+
+En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op
+de deken stond een bordje met pap en ze was bezig met eten, Een lach
+kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.
+
+"Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens
+een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar
+zóó zien."
+
+"Vader komt toch gauw, 't wordt nu alles weer goed."
+
+"Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij
+zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat
+kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen
+Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem
+het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij
+moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem
+niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede
+ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier
+te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en
+wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve,
+beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken." "Ja,"
+zei Liesje, "die lieve aardmannetjes!"
+
+Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van
+pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje
+het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.
+
+Daar klonk buiten een stap.
+
+"Stil," zei moeder en wierp de lepel op haar bord, "pak eens aan
+Liesje. Daar is hij!" en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep
+het bordje, legde broertje in moeders arm en wilde naar de deur loopen,
+maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.
+
+Vragend zag hij naar binnen: "Vader!" gilde Liesje en wierp zich
+in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje,
+haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.
+
+"Leendert!" stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en
+zeide schor van het schreien: "Ben je ziek, Elsje, ziek en--" toen
+zag hij het kleintje in haar armen.
+
+"Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt." En vader nam ook dit
+kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten
+met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en
+vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met
+haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht,
+maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat
+ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.
+
+"Och kom," zei vader, "was het goud?"
+
+"Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft
+me er geld voor gegeven en ik heb nog meer." Ze sprong van vaders
+schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op
+en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.
+
+"Zou het toch?" prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen
+klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.
+
+"Dit lijkt ook goud, maar--dan moet ik te weten komen, wie dat in het
+park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van." Hij bekeek de
+kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.
+
+Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar
+voren en bleven voor vader en Liesje staan.
+
+"O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben
+ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze."
+
+"Dat is heelemaal niet noodig," zei Orleman. "Wij hebben slechts onzen
+plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en
+dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door
+zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het
+is voor u.--Weest gelukkig."
+
+"Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven
+aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan
+we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge
+zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven."
+
+"Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is
+volbracht. Weest gelukkig!" antwoordde Orleman en met een vriendelijken
+groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder
+en Liesje.
+
+De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine
+onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze
+binnen moesten komen.
+
+"Wel?" vroeg zijne Majesteit. "Hebt ge hen gevonden."
+
+"Sire, door den klomp goud, hebben we een geheel gezin liet verloren
+geluk weergegeven," zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn
+vertellen.
+
+"Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt
+me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te
+worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke
+Hoogheid." Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten
+en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk
+gebracht.
+
+
+
+
+
+IV. DE THEEVISITE.
+
+
+ Kleine Loe krijgt theevisite;
+ Op het mooiste aangekleed
+ Zit ze in haar leuningstoeltje,
+ Voor d' ontvangst geheel gereed.
+
+ Op haar tafeltje staat alles.
+ Op een blaadje 't theeservies
+ Heel licht blauw met rozeknopjes
+ Een geschenk van Tante Wies.
+
+ Naast het blad op 't tafelkleedje,
+ Blauwe schaaltjes keurig net;
+ Met gekleurde poppeschuimpjes,
+ Bitterkoekjes en banket.
+
+ Op heel kleine stoeltjes zitten:
+ Joopje in 't matrozenpak,
+ Roosje in haar witte jurkje
+ Beiden heel op hun gemak.
+
+ Voor de dames grooter stoelen
+ Naast de kleintjes van de pop;
+ Daarnaast staat een voetenbankje
+ En daar zit het poesje op.
+
+ O, daar komen de vriendinnen
+ Met haar kindren op den arm.
+ "Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het?
+ Foei wat is 't verbazend warm!"
+
+ "Ja," zegt Loe, "maar hier is 't heerlijk,
+ In de kamer is het koel--
+ Gaat u zitten, lieve dames,
+ Net voor ieder is een stoel."
+
+ "En, wat zal u nu gebruiken,
+ Zeker wel een kopje thee?"--
+ Heel graag, met veel melk en suiker.--
+ Waarom kwam uw kind niet mee?"
+
+ "Och,'t is ziek," zucht Carolientje
+ "Gist'ren brak 't in eens zijn hoofd.
+ "'k Heb zoo vreeselijk moeten schreien,
+ Toen heeft Pa m' een nieuw beloofd."
+
+ "Mijne heeft een arm gebroken.
+ En dat is de schuld van Piet,"
+ Zegt Phie, "maar met lange mouwen
+ Zie je 't nog gelukkig niet."
+
+ "Ja, die broertjes zijn toch lastig,"
+ Zegt heel neuswijs Antoinet.
+ "Zoo gezellig onder meisjes
+ Hebben wij de meeste pret."
+
+ Tikketakke gaan de lepels,
+ Suiker, melk en thee smaakt goed.
+ Knibbelknabbel gaan de tandjes--
+ En de meisjes zijn heel zoet.
+
+ Zachtjes gaat de tuindeur open,
+ Om een hoek gluurt broertje Bob.
+ "Zeg, mag ik ook binnenkomen,
+ Of heb jullie alles op?"
+
+ En hij stapt parmantig binnen;
+ Met hem komen Kees en Roel,
+ Vragen ook, om thee met koekjes
+ En het wordt een dolle boel.
+
+ "'k Wou nog wel een beetje suiker."
+ "Geef mij nog een kopje, Loe."
+ Bob en Kees en Roeltje likken,
+ Eten nog een koekje toe.
+
+ 't Duurt niet lang, of op is alles.
+ Koekjes, melk en suiker, thee.--
+ "Kom," zegt Roeltje, "Nu den tuin in!"
+ En de dames hollen mee.
+
+ Romlig liggen nu de kopjes
+ Op 't bemorste tafelkleed,
+ Waarvan poes de druppels oplikt
+ En de koekjeskruimels eet.
+
+ De verlaten poppekindren
+ Staren treurig voor zich uit,
+ Want hun moeders stoeien buiten
+ Met haar broertjes tot besluit.
+
+
+
+
+
+V. BARTS GROOTMOEDER.
+
+
+Een vriendelijk thuis.
+
+
+"Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je." "Ja, ik kom hoor! kijk ereis
+Els, kijk, gaat ie niet fijn."
+
+"Nou," antwoordde Elsje met overtuiging. "Veel mooier dan die van
+Jaap laatst, niet?" Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het
+kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.
+
+"Nou, boodschap loopen?" vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor
+haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol,
+die zoo hard draaide, dat 't leek of hij stil stond.
+
+"Kom, nou Bart," vroeg Elsje weer, zich herinnerend "grootmoe zegt, dat
+je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit." Meteen
+keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en
+verdween in de kleine, groene deur.
+
+Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje,
+voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.
+
+Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar
+toesprong. "Hij komt zoo." zei Elsje, "brr, wat is het koud!"
+
+"Hij moet voortmaken," antwoordde grootmoeder "anders is ie uit,
+als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben
+veel te bang voor brand."
+
+"Ja," zei Elsje. "U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?" en
+ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de
+lamme beenen.
+
+"Maar ik dacht alleen aan jou, kindje," antwoordde de goede vrouw en
+streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. "Sla mijn doek
+even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen." Gewillig
+deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. "Toe dan Bart, dadelijk
+dan. De kachel gaat uit," riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde
+op het straatje voor de deur: "Ach!" grauwde hij, "dat gezanik,
+ik kom immers al" nijdig pakte hij zijn tol op. "Wat heb ik aan
+een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou,"
+gromde hij door, toen hij binnentrad. "Foei," zei grootmoeder, "wat
+ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil
+je toch wel even halen." "Ach," bromde Bart, "dat gezeur altijd," en
+met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit
+naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop
+hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit,
+een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen
+had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij,
+die weer begon te snorren.
+
+Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan,
+die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: "Grootmoe vertelt,
+Bart," zei ze. "Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder
+hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik 't je zeggen," zei Bart.
+
+"Goed, goed, ik zal 't je vertellen.--Nou, je moet dan weten," begon
+ze, "dat grootvader--jij hebt hem gekend, dien besten man."--"Ja,"
+antwoordde Bart, "ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de
+scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam." "Ik weet
+'t niet meer," zei Elsje. "Nee, jij was nog te klein, maar ik was al
+7 jaar, toen grootvader dood ging." Grootmoeder zuchtte: "Treurig,
+zoo treurig." "Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs 't strand en
+met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet 't nog goed." "Ja,
+je weet 't nog goed," bevestigde grootmoeder en veegde een traan af,
+die langs haar magere, bruine wang liep. "Maar toen ze je grootvader
+dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later
+niet meer loopen." "Vertel u nou van die eene grootmoeder," zei Bart.
+
+"Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo'n lieve, kleine
+dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in
+het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes;
+dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op
+onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met
+ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo'n klein meiske Marijtje,
+jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief,
+'t was een aardigheid.--Het was ook in 't voorjaar en bar weer; al een
+paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader
+was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het
+kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht--Tante Bartje,
+moe roept, gauw! gauw!--Nou,--ik ging mee en de kinderen achter me
+aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw
+om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf
+ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar
+twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader
+kwam niet weer terug. Wat moest 't arme kind? Natuurlijk hielden we
+het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje
+van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze
+groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn
+brood had, als scheepstimmerman, nou--toen trouwde hij met Marijtje;
+en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou
+heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt."--
+
+"O," zei Bart, "zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder
+had het toch gezeid." "Het kan; het is zoo en niet anders." "En nou
+moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook," zei Elsje.
+
+"Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je
+moeder zou ik--"
+
+"O, is u weer bezig, moeder!" riep een vroolijke stem en een jonge
+vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op
+grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar
+op en liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, "dag moeder,"
+en liep meteen weer naar buiten.
+
+"Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!" vroeg
+moeder Lubbe aan de oude vrouw.
+
+"Nee, dat is nou maar gekheid. 't Is de waarheid, kind. Je bent een
+zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik
+jou in huis heb genomen."
+
+"En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder,"
+vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat
+aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.
+
+"Heb u de aardappelen al geschild?" vervolgde ze. "En waren de kinderen
+zoet. Was Bart gehoorzaam!"
+
+"Best hoor," antwoordde grootmoeder, "en hoe was 't met Mevrouw!" "O,'t
+gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en
+nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is
+jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog
+een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, 't zou niet mooi wezen,
+als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven
+met de kinderen, Bart is nou toch thuis." "Zeker, natuurlijk, voor
+zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat
+overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet
+altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij,
+dat we hier ook kwamen wonen." "Nou dat zeg ik ook," antwoordde moeder
+weer. "Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar
+de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is 't slecht weer en dat
+tegen Paschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan." Elsje
+ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof
+kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in
+de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin
+naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.
+
+Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf
+in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn
+was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van
+school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Barts vader op den
+werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten
+ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen,
+dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren
+gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op,
+die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder
+keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel
+op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader
+had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed
+was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je
+fijn op tollen, al was 't wat smal.
+
+Onderaan den dijk had je niet zoo'n last van den wind, maar ze moesten
+toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten
+de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep,
+dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.
+
+"Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook," was het
+eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.
+
+"Zoo komaan, gelukkig maar," antwoordde vader, terwijl hij zijn
+handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, "Au!" riep
+Bart. "U slaat zoo hard, met die groote handen." "Groote handen,"
+zei vader lachend, "kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de
+vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader." Elsje lachte
+en grootmoe lachte. "Vader is ook zoo sterk" zei ze, "en dat is maar
+goed ook." "Kijk," zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op
+en zette haar bij de tafel. "Elsje is ook sterk," zei het kleine
+ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer
+toe. "Elsje is een braaf kind," hernam vader, en tilde haar hoog in
+de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.
+
+Toen gingen ze eten. "Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe
+zorgen," zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze
+bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. "Mevrouw
+vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt
+u ons ook geholpen, is 't niet." "Je hebt gelijk hoor," antwoordde
+vader, "'t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u,
+moeder." "Ja, hoor," antwoordde grootje.
+
+"Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven," vervolgde
+vader weer. "Dat is ook lekker," bromde Bart. "We zouen morgen naar
+Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en
+daar zijn allemaal kalveren en biggen."
+
+"Tuut, tuut," zei vader, "we zouen? Heb je het dan aan moeder
+gevraagd?" "Aan mij niet," zei moeder.
+
+"Nou, ja, als u het goed vond," bromde Bart.
+
+"Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar
+je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook
+vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?" "Och het is
+ook altijd," begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij
+grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, "'t is jammer, voor je,
+maar, zie je," en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op
+zijn bord en zweeg.--"Het wordt nog slechter weer," zei vader.
+
+"De wind staat recht op den dijk," antwoordde moeder.
+
+"Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?"
+
+"Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder." "Nou," antwoordde grootje,
+"wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij." En ze
+spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht
+over morgen.
+
+Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en
+grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen,
+die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals
+hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den
+wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen
+bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de
+keuken lag, zei ze wel even: "He, moesje hoor es, boe, boe gaat 't. Mag
+de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind." "Ik
+zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt
+Bart ook," antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las
+nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan
+morgen, voordat hij onder de dekens lag. "Wat moest hij tegen de
+jongens zeggen?" zoo viel hij in slaap.
+
+
+
+2. De verzoeking.
+
+
+Toen hij wakker werd, scheen de zon, "hè," dacht Bart weer.--Prachtig
+weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.--
+
+Moeder kwam in de keuken, om water op 't stel te zetten.
+
+"Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me
+helpen. Vader moet zoo weg." "Morgen, Moe," zei Bart en sprong het
+bed uit.--Als vader weg is--dacht hij--ga ik naar Krijn toe.
+
+Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de
+bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te
+zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn
+knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na
+door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe
+ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het
+gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het
+hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar
+stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. "Ben je er al?" vroeg hij
+met zijn mond vol. "Moeder pakt me brood in." "Heb je niets bij je,"
+vroeg Krijns moeder. "En moet je geen jas aan? 't Is veel te guur
+en je krijgt nog wel regen ook." Bart schudde van neen; hij had wel
+kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon
+houden. "Dag moeder," zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het
+huisje van Jaap.
+
+"Ik ga niet mee," zei Bart nu bedrukt. "Hè, mag je niet, da's gemeen,"
+was 't antwoord, "je hoeft toch niet op je zusje te passen."
+
+"Moeder is niet thuis vandaag," antwoordde Bart. "Nou, je grootje is
+er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!" "Grootmoeder kan niet alleen
+blijven," antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.
+
+"Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen," antwoordde Krijn. Bart
+schrok er van; gelukkig dat vader en moeder 't niet hoorden,
+anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. "Ze kan
+het toch niet helpen," antwoordde hij aarzelend. "Is je vader al
+weg?" vroeg Krijn. "Ja," knikte Bart. "Je moeder ook al?" "Neen,
+die nog niet." "Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg
+is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.
+
+"Je bent ook zoo'n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks
+merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur."
+
+Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij
+maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou 't misschien niet
+eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou
+hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van
+vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.
+
+"Waar zat je toch?" vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen
+kwam. "Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de
+aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar
+binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat
+steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De
+lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook,
+ga maar wat bouwen of lezen."
+
+Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.
+
+"Nog iets moe?" vroeg hij, toen hij klaar was. "Neen, jongen. Ik ben
+ook klaar. Jongens, kijk eens!" Een hevige windvlaag deed het huisje
+schudden en de regen viel bij stroomen neer. "Kind, wat een weer,"
+zei grootmoeder. "Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi
+bedaard van morgen en nou begint het weer."
+
+"Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien
+hou ik het nog droog," antwoordde moeder. "De lucht is anders pikzwart
+daar in de verte. 't Is mooi lenteweer, hoor," hernam grootmoe.
+
+"Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschien breng
+ik wel wat lekkers voor jelui mee." "Een paaschei moes," vleide
+Elsje. "Misschien wel, als jelui zoet bent."
+
+"Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje," zei Elsje.
+
+"Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor."
+
+Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens
+omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.
+
+"Kijk, Moes rokken," zei Elsje. "Straks waait haar doek nog weg. Zou
+ons huis niet om kunnen waaien?"
+
+"Wel nee," zei Bart, "dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak." "Dan
+wordt de zolder nat," zei Elsje.
+
+Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet
+tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe
+toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist
+niet, waar hij was.--Elsje zou hem roepen.--Ze zou misschien naar
+het huisje van Krijn gaan.--
+
+"Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo
+donker," merkte Elsje op.--Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij
+hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een
+schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar
+grootmoe. 't Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe
+grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen
+hadden ze grootvader voor 'n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij
+had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen
+zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon
+ze niet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel
+lief voor grootmoeder zijn.--Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten
+hem. "Moet u niet lezen, grootmoe," vroeg Bart. "Ja," zei grootmoeder,
+"dat is goed" en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde
+met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met
+het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den
+vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken
+weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg
+de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn
+liep al op hem af. "Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet
+je geen jas aan, heb je je brood?" Hij dacht niet anders of Bart
+ging mee. "Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk," lachte Jaap. "Heb
+'t lamme, ouwe wijf 't niet in de gaten gehad?" dat was Bart toch te
+kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide
+zich om en snauwde: "ga jelui maar alleen hoor." "Toe nou, flauwerd,"
+riep Krijn hem nog na, maar hij liep nog wat harder en verdween weer
+in de keuken. "Mispunt! lafferd!" hij hoorde het haast niet door den
+wind en trok de deur met een smak dicht. "Wat een slag," zei grootmoe,
+"was je aan de buitendeur." "Eventjes," antwoordde Bart verlegen. "Nou,
+blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer."
+
+
+
+3. De dijkbreuk.
+
+
+Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te
+regenen. "Foei, foei!" zei grootmoe en schudde het hoofd. "Wat spookt
+het." Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de
+kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn
+vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets
+hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor
+het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien
+en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen
+mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon
+haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen
+en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen
+in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind
+nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.
+
+Ze trok grootje aan haar mouw. "Grootmoe," zei ze zacht. "Het is hier
+zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard."
+
+Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, dat naast haar stoel stond
+en trok Elsje naar zich toe. "Zal ik je eens wat vertellen?" zei ze
+vriendelijk. "Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens,
+'t is wel heel erg," vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles
+rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.
+
+"Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!" riep ze.
+
+Bart stond op en temperde de kachel wat. "Het waait ineens weer
+harder," zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.
+
+Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De
+paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen
+den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen
+den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand
+op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of
+ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. "We konden
+de lamp wel opsteken, grootmoe," zei Elsje, "'t is zoo donker. Hè,
+ik word er bang van." Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en
+gluurde onder de haren door angstig naar buiten.
+
+"Grootmoe, kijk u eens," riep Bart opeens. "Wat is dat daar tusschen
+het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, 't lijkt wel een
+sloot."
+
+"Ja," antwoordde grootmoe, "het regent ook zoo, 't lijkt wel groote
+schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen." "Kijk
+grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!" "Kom hier maar," zei
+Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.--"De ruit kon wel
+eens inwaaien. Ga er niet zoo dicht bij staan. Hier kan je ook kijken."
+
+"Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als
+ze thuis komt," merkte Bart op.
+
+"Welnee," zei grootmoe, "dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet
+ophoudt, trekt het wel weer weg."
+
+"Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de
+werf," zei Bart weer, schertsend.
+
+"Het zakt zóó wel," stelde grootmoeder gerust.
+
+"Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, 't is net of
+ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen
+niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het
+gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik." Bart drong weer naar
+het raam, om beter te zien. "Het water staat tot aan het straatje en
+het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij."
+
+"Och, jongen, 't is toch niet zoo?" vroeg grootje wat angstig en
+zachtjes zei ze: "Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn." "Ga
+es kijken door het keukenraam," vervoegde ze tegen Bart, "of het
+aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis." Donderend
+geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten,
+allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. "Lieve
+Heer!" stamelde grootmoeder, "het zal toch niet zoo zijn!"
+
+"Ik hoor schreeuwen," zei Bart, "hoort u het ook?"
+
+"Dat is de wind," antwoordde grootmoe. "Neen," zei Bart, "toch niet"
+en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij
+Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog
+opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op
+te komen en waadde tot de knieën door 't water. "Vrouw Lubbe! vrouw
+Lubbe!" gilde ze, zoo hard ze kon. "Kom dan! het water!" meer kon
+Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op
+den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit,
+maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde
+van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van
+schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het
+bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was
+het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam
+het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar
+grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide
+de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.
+
+"Grootje, grootje," snikte hij, "het water staat in de keuken. Krijn en
+Jaap hun moeders zijn weggeloopen en wij zijn hier alleen," snikkend
+viel hij grootmoeder om den hals. "Och Heere, Heere!" bad de oude
+vrouw, "loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door,
+gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk."
+
+"'t Kan niet grootmoe, en u dan," vroeg Bart, en klemde zich aan haar
+vast. "Ga, Bart, voor het te laat is," antwoordde grootje met trillende
+lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere
+deur het kamertje in. "O Hemelsche Vader, help ons," kreet de arme oude
+vrouw, "de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen,
+wat een verdriet!" en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar
+schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het
+water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.
+
+"Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we--dat we verdrinken?" vroeg
+Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. "Ik weet 't niet,
+jongen, 't is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn
+arme kinders!"
+
+
+
+4. Een flinke jongen.
+
+
+"Grootje, we moeten naar den zolder," riep Bart, "zoo hoog komt het
+vast niet." Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken
+op. "Gauw Elsje op mijn rug." "Neen, neen, grootmoe nee!" kreet Elsje,
+maar nu zei grootmoeder streng. "Elsje moet met Bart mee gaan en zoet
+zijn." "Komt grootmoe dan ook?" vroeg ze nog en liet zich wegdragen,
+door de kamer en de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder
+voerde. "Ik ben zoo bang," schreide Elsje, "ik durf niet op den
+zolder." "Stil nou," zei Bart, "grootmoe komt ook. Wees nou zoet,
+ga even zitten, ik kom zoo terug." Maar Elsje was bang, ze trapte
+op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart
+mee. "Ga je weg," zei Bart, "je blijft daar, hoor!" en hij duwde
+haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. "Grootmoe,
+ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo
+hoog. U zal verdrinken, toe dan," smeekte hij. "Nee jongen, het is te
+zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je,
+mijn jongen." Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in
+zijn oogen.
+
+"Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan,
+voor het te laat is." Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich
+eindelijk gewonnen. "Mijn beste jongen," stamelde ze, "'t zal niet
+gaan, het zal niet gaan." "Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor,
+daar gaat het." Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even,
+maar bleef toch staan, boog zich voorover en voorzichtig, voetje voor
+voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders
+rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets
+aan doen.
+
+"Goeie jongen, mijn lieve jongen," mompelde grootje. "Gaat 't wel? het
+is te zwaar." Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam
+toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart
+hield zich ook stevig vast.
+
+"Grootmoe, grootmoe," stond Elsje te roepen en stak haar handjes al
+uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken
+zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om
+grootmoeders hals sloeg.
+
+"Wat ga je doen Bart, blijf hier!" riep grootmoe buiten adem van de
+inspanning. Bart ging de ladder weer af. "Ik kan er nog door, ik haal
+nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud." "Och
+jongen, je verdrinkt, kom terug."
+
+"Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat," zei Bart en waadde
+door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er
+uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe's
+Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het
+water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven
+er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. "Bart! Bart dan
+toch!" riepen grootmoeder en Elsje. "Ja, ik kom." Daar was hij weer
+bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.
+
+"Niet weer--naar--beneden," hakkelde grootje, al bibberend van koude
+en angst. "Doe dat natte goed uit." "Ja, ik heb mijn jas en hier is uw
+japon." Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp
+hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één
+deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen
+grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.
+
+"Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt."
+
+"Jelui ook," klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen
+haar aan onder de deken.
+
+De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van
+het water.
+
+"Nou komt het water toch niet meer," zei Elsje, "neen hè?" "Wel nee,"
+zei Bart, "zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik
+zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo'n
+handdoek, hè grootmoe," vroeg Bart.
+
+De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.
+
+Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat
+deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam
+een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje
+deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.
+
+"Trek--zoo'n--paar--kousen aan," hakkelde grootmoe weer, "en zoo'n
+broek, die zijn wel droog." Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart
+trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe
+onder de deken. Nu waren ze een poos stil.
+
+"Ik heb honger," zei Bart. "Jongen," grootmoe aaide hem liefkoozend
+over het hoofd. Als hij nu toch eens weggegaan was met Krijn en
+Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij
+rilde er van.--"Komt vader nog niet," vroeg Elsje.
+
+"Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen."
+
+"Ja, ja," knikte grootje, "vader komt ons halen."--
+
+
+
+5. Voldoening.
+
+
+Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende
+niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt
+of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een
+schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. "Hier blijven,"
+riep grootje.
+
+"Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken." Nog één sport van de
+ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. "Och
+nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch." Weer naar het venster. De
+wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij
+klokken luiden. Ja, en dat daar, was 't een schuitje. "Ja, ja! grootje
+daar komt vader! Ik zie een schuitje," juichte Bart. Hij gooide het
+venster open en riep zoo hard hij kon: "Vader, vader!"
+
+Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien,
+of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind,
+twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.
+
+"Moeder! Vader!" gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee
+en moeder stak de armen omhoog on riep: "Bartje, Elsje!" "Alle drie,"
+riep Bart terug. "Grootje!" riep vader. "Ja, ook, grootje ook!"
+
+"God zij dank," zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het
+bootje vlak voor het zoldervenster.
+
+"Voorzichtig nou, wacht even," riep vader tegen moeder, die schreiend
+naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen
+heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij
+drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond
+keek. "Moeder," riep hij, "ik kom." Hier pak aan! vervolgde hij tot
+den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in
+moeders armen vloog.
+
+"Mijn schat, mijn engel," zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en
+werd ook opgevangen.
+
+"Jongen, beste jongen," zei moeder en zoende hem.
+
+"Kalm aan," zei de man "ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier
+in het midden." "Hier, doe om," zei moeder en pakte beide kinderen
+in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in
+de deken gewikkeld.
+
+"Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht,
+eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven,
+jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo." Eén schok, daar
+zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide
+de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam
+de riemen weer. "De Heer zij gedankt," stamelde grootmoeder, terwijl
+moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, "Arme moeder, hoe
+bent u boven gekomen?"
+
+"Bart," zei grootmoeder. "Bart heeft me gedragen."
+
+"Goed zoo," zei vader. "Brave jongen," zei de andere man, en moeder
+knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en
+keek naar het huisje, en dacht: "Als ik toch eens was weg geloopen."
+
+Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms
+stootte tegen een boompje of een paal.
+
+Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal
+bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide
+grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart
+van menschen in de verte. "Hoo ie hoo!" schreeuwde vader en zwaaide
+met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. "Ze zijn
+gered," riep men elkaar toe. "De oude vrouw ook," zei Krijns moeder
+die vooraan stond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen
+de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. "Nee,"
+zei vader, "dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen." Bart werd
+ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje
+ging het van mond tot mond. "Hij heeft zijn grootmoeder gered!" en in
+menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het
+in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader
+liep vooruit en opende de deur. "Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng
+haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.--Droge
+kleeren," antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met
+een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest
+zijn. "Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn,"
+vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit
+gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart
+werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed
+gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon
+en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten
+smaken. Daarna moesten ze wat slapen, "dat was goed voor de schrik
+en alles," zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche
+was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte
+haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. "Mijn beste
+jongen," zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen
+om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend
+uit. "Ik-had-stil-met Krijn en Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit
+weer doen." Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in
+de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien
+oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en
+ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje
+had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: "Gelukkig
+jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen,
+grootmoeder is al onder zeil." Nogmaals kuste ze hem en met de tranen
+nog op de wangen viel hij in slaap.
+
+Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken,
+zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij
+haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen; "Wat geef
+je er om, ga mee!" Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met
+verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.
+
+Moeder stond met een heer voor zijn bed.
+
+"Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in
+houden." Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd
+en moest toen weer gaan liggen.
+
+Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam,
+vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.
+
+"Het is goede Vrijdag," zei moeder, "gisteren middag ben je in slaap
+gevallen en morgen mag je er weer uit." "En grootmoeder?" "Is ook in
+bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier
+voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, een groot stuk taart en
+een glas lekkere melk."
+
+Dat smaakt overheerlijk. "Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe
+is het met ons huis?" vroeg Bart.
+
+"O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij
+zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en
+met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje
+zal blijven, totdat ons huis weer in orde is."--"Het is jammer van
+alles. Zou het allemaal bedorven zijn?" vroeg Bart.
+
+"Dat hindert minder," antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam
+kijken. "Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen
+eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We
+hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook
+gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen
+en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog
+allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft
+bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht."
+
+Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. "Die lieve,
+beste grootmoeder" mompelde hij.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+
+
+ I. De trouwe kameraden 5
+
+ 1. Broer en zus 5
+ 2. Emy's ridder 8
+ 3. Haar geheim 14
+ 4. Een prettige verjaardag 16
+ 5. Désiré en Emy 25
+ 6. De landlooper 31
+ 7. Uit logeeren 38
+ 8. In gevaar 45
+ 9. De redding 50
+ 10. Désiré overwint 55
+
+
+ II. Treintje spelen 62
+
+ III. De goudklomp 65
+
+ 1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp 65
+ 2. Wie zal hem hebben? 71
+ 3. Wat de dwergen verder zagen 76
+ 4. Gevonden 81
+ 5. De opdracht wordt volbracht 85
+ 6. Weer gelukkig 90
+
+
+ IV. De theevisite 96
+
+ V. Bart's Grootmoeder 100
+
+ 1. Een vriendelijk thuis 100
+ 2. De verzoeking 110
+ 3. De dijkbreuk 115
+ 4. Een flinke jongen 119
+ 5. Voldoening 123
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Zie titelplaat.
+
+[2] Zie plaat omslag.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Wat tante Dora vertelde, by H. D. Jacobi
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT TANTE DORA VERTELDE ***
+
+***** This file should be named 19544-8.txt or 19544-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/9/5/4/19544/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.