summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/19072-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '19072-0.txt')
-rw-r--r--19072-0.txt16172
1 files changed, 16172 insertions, 0 deletions
diff --git a/19072-0.txt b/19072-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..a9d1ed2
--- /dev/null
+++ b/19072-0.txt
@@ -0,0 +1,16172 @@
+The Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by
+Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave,
+Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Opuscula Selecta Neerlandicorum
+ Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde
+
+Author: Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave,
+Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders
+
+Editor: Hector Treub
+
+Translator: L. Hillesum, W. Julius, L. Hillesum and A. H. Kan
+
+Release Date: August 18, 2006 [EBook #19072]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM ***
+
+
+
+
+Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands
+Team and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive/Canadian
+Libraries.)
+
+
+
+
+
+ [Transcriber’s Note:
+
+ Spelling and capitalization are as in the original.
+ De spelling en de hoofdletters zijn gehandhaafd als in het origineel.
+
+ The individual articles are separated by three rows of asterisks.
+
+ The Latin texts-- Erasmus, Boerhave and Gaubius-- are given in three
+ independent versions, separated by two rows of asterisks:
+
+ Latin alone
+ Dutch translation alone
+ Latin and Dutch interlocked]
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+ OPUSCULA SELECTA
+
+ NEERLANDICORUM
+
+ DE ARTE MEDICA
+
+
+
+
+ Fasciculus Primus
+
+ quem
+
+ Curatores Miscellaneorum
+ quae vocantur
+ Nederlandsch Tijdschrift
+ voor Geneeskunde
+
+ collegerunt et ediderunt
+ ad celebrandam
+ Seriem quinquagesimam
+ in lucem nuper editam
+
+ Quaenam insint scripta
+ proxima pagina docebit
+
+ Amstelodami
+ Apud F. van Rossen
+ MCMVII
+
+
+ Erasmus
+ Swammerdam
+ Van Leeuwenhoek
+ Boerhaave
+ Gaubius
+ Donders
+
+
+
+
+INHOUD.
+ Blz.
+
+TER INLEIDING IX
+
+DESIDERIUS ERASMUS, Encomium artis medicæ 1
+
+DESIDERIUS ERASMUS, De lof der geneeskunde 1
+
+ANTONI VAN LEEUWENHOEK, Den waaragtigen omloop des
+ Bloeds, als mede dat de Arterien en Venæ gecontinueerde
+ Bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt 45
+
+JAN SWAMMERDAM, Proefnemingen van de particuliere
+ bewegingen der spieren van den Kikvorsch, die in het
+ gemeen op alle de bewegingen der spieren in de
+ menschen en beesten toegepast worden 69
+
+HERMANNUS BOERHAAVE, De usu ratiocinii mechanici in
+ medicina 98
+
+HERMAN BOERHAAVE, Het nut der mechanistische methode in
+ de geneeskunde 99
+
+HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Oratio inauguralis qua
+ ostenditur chemiam artibus academicis jure esse
+ inserendam 170
+
+HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Inaugureele rede, waarin wordt
+ aangetoond, dat de scheikunde met recht een plaats
+ verdient onder de akademische wetenschappen 171
+
+F. C. DONDERS, De harmonie van het dierlijke leven de
+ openbaring van wetten 229
+
+
+
+
+TER INLEIDING.
+
+
+Den 1sten Januari 1907 heeft het Nederlandsch Tijdschrift voor
+Geneeskunde 50 jaren bestaan. In Mei 1901 besloot de algemeene
+vergadering der Vereeniging: _Nederlandsch Tijdschrift voor
+Geneeskunde_, op voorstel der Redactie, den lezers van het Tijdschrift
+bij gelegenheid van dit jubileum eene feestuitgave aan te bieden. Deze
+feestuitgave zou betrekking hebben op de geschiedenis der geneeskunde.
+De zorg voor de voorbereiding dier uitgave werd opgedragen aan eene
+commissie, bestaande uit de heeren B. J. STOKVIS, W. KOSTER (Utrecht),
+C. E. DANIËLS, H. TREUB en de beide toenmalige redacteuren-gérant
+M. STRAUB en P. MUNTENDAM.
+
+De geheimen van onze commissie-vergaderingen te verklappen is allerminst
+mijn bedoeling. Maar iets wil ik en moet ik toch zeggen. Dit n.l., dat,
+wanneer niet de drie eerstgenoemde, klassiek geschoolde commissieleden
+er geweest waren, en met name wanneer niet STOKVIS zijne groote
+belezenheid en zijn eeuwig jeugdig enthousiasme aan onze taak had doen
+ten goede komen, er van dit boek bitter weinig terechtgekomen zou zijn.
+Want één ding stond, na de eerste voorloopige besprekingen, al spoedig
+bij ons allen vast: wij moesten de feestuitgave doen bestaan in
+herdrukken van Nederlandsche klassieke schrijvers over geneeskunde. Maar
+wie moest onder de klassieken, en wat van hun werk gekozen worden? En
+hoe moest het uitgegeven worden? Vragen die, tendeele althans, slechts
+beantwoord konden worden door hen, die de klassieken kenden. Toen dan
+ook omtrent het „hoe“ beslist was, dat de feestuitgave geen bloemlezing,
+maar een bundel van zooveel mogelijk op zich zelf staande stukken zou
+zijn, kwamen de drie genoemde kenners der klassieken met verschillende
+werken aan, waaruit de commissie na kennismaking zou kunnen kiezen.
+
+Moeilijke bezigheid, voorwaar! Gelukkig, wij zijn Hollanders, wij waren
+in commissie vereenigd en wij hadden dus het recht, om niet te zeggen
+de nationale plicht met bedachtzaamheid voorttegaan. Zoo waren wij dan
+ook nog slechts nauwelijks tot eene definitieve keuze gekomen, toen in
+September 1902 STOKVIS ons ontviel. Wanneer ons werk, gelijk wij hopen,
+ten slotte bruikbaar is geworden, dan zij hier gezegd, dat dit in de
+allereerste plaats te danken is aan het initiatief en de krachtige
+medewerking van STOKVIS.
+
+De commissie was zoo gelukkig in zijn plaats door de algemeene
+vergadering benoemd te zien de heer C. A. PEKELHARING, die aan hare
+verdere werkzaamheden een zeer actief deel heeft genomen.
+
+Besloten werd tot een herdruk van vier redevoeringen. De eerste is van
+ERASMUS (1467-1536). De groote humanist, schoon zelf geen medicus, heeft
+toch in eene oratie den lof der geneeskunst verkondigd. En, waarlijk,
+beter lofredenaar kon de geneeskunst moeilijk verlangen. Zoo uitbundig
+is zelfs hier en daar zijn loftuiting, dat men, gedachtig aan den
+schrijftrant van den auteur van den lof der zotheid, geneigd is zich nu
+en dan af te vragen, of niet meer zachte ironie dan welgemeende lof uit
+ERASMUS’ woorden spreekt. Toch zal men bij doorlezing van dit weinig
+bekende geschrift van den geleerden Rotterdammer bespeuren, dat het
+hem met den lof, deze moge dan overdreven zijn, ernst is, daar hij niet
+nalaat de slechte geneeskunst-oefenaars te vermanen. Hoe weinig het oude
+stuk nog verouderd is, blijkt wel uit wat hij o.a. zegt:
+
+„De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed
+gebouwde personen met elkander lieten huwen, die maakten, dat men
+alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en
+turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen
+verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën
+voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor
+de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden.“
+
+Immers dit kon nu nog, helaas! goeddeels dienst doen als politieke
+wenschlijst voor een medicus.
+
+De tweede redevoering is van BOERHAAVE (1668-1738), en door hem gehouden
+ter gelegenheid, dat de curatoren der Leidsche hoogeschool hem, door
+eene traktementsverhooging, hadden weerhouden naar Groningen te gaan. Al
+had het particularisme dier dagen niets anders goeds uitgewerkt dan ons
+dit heldere en logische betoog omtrent de waarde der iatromechanica te
+bezorgen, dan mochten wij het nog dankbaar zijn. Als men BOERHAAVE’s
+klare taal leest, die zijn gedachtengang zoo scherp weergeeft, waarin
+geen argument te weinig en nauwelijks een woord te veel is, dan begrijpt
+men den grooten invloed door BOERHAAVE als leermeester uitgeoefend.
+
+Versterkt wordt deze indruk door de volgende redevoering, die van
+GAUBIUS (1705-1780), wiens gezwollen welsprekendheid BOERHAAVE’s
+eenvoudige duidelijkheid beter doet uitkomen. Evenwel, niet om, doch
+ondanks deze tegenstelling werd Gaubius’ werk door ons gekozen. Immers
+ziet men af van de voor ons minder smakelijke rhetorische versierselen,
+dan geeft het betoog van GAUBIUS, op zichzelf voor dien tijd van
+groot gewicht, tevens een eigenaardig beeld van de snel wisselende
+geneeskundige opvattingen. Nog geen dertig jaar toch na BOERHAAVE’s
+enthousiaste verdediging der iatromechanica komt, op zijne plaats en in
+zijn tegenwoordigheid, de door hem aangewezen leerling de waarde der
+scheikunde als wetenschap en in het bijzonder hare waarde voor de
+geneeskunst bepleiten.
+
+Als vierde in de rij der oraties komt die van DONDERS (1818-1889),
+over de harmonie in het dierlijke leven; de oratie, waarmede hij zijn
+loopbaan als hoogleeraar aanving. Een waardige evenknie van het stuk
+van BOERHAAVE, waarin met goed gekozen argumenten en in keurige taal de
+teleologie als wetenschap wordt aangevallen en betoogd wordt, dat het
+„waartoe“ geen antwoord geven kan op de vraag naar het „waardoor“,
+terwijl toch slechts deze laatste vraag voor den wetenschappelijken
+vooruitgang belang heeft.
+
+Tusschen ERASMUS en BOERHAAVE komen de herdrukken van onderzoekingen
+van VAN LEEUWENHOEK en van SWAMMERDAM. Onafhankelijk van de hem
+klaarblijkelijk onbekende ontdekking der capillairen door MALPIGHI
+(1661), gaf LEEUWENHOEK (1632-1723) HARVEY’s leer van den bloeds omloop
+een krachtdadigen steun door het, met behulp van zijn mikroskoop,
+geleverde bewijs dat: „De Arteriën en Venae gecontinueerde Bloedvaten
+zijn“; een bewijs, dat hij in gemoedelijke taal, doch met groote
+helderheid geeft. Met zóó groote helderheid, dat men verbaasd staat,
+dat de eenvoudige Delftenaar, als buitenstaander van de officiëele
+wetenschap, om geloofd te worden zich moest beroepen op het getuigenis
+o.a. van „d’Heer Mr. ANTONI HEINSIUS, Raad en Pensionaris dezer Stad,
+voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn Koninklijke Majesteit van
+Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen Staat aan het Hoff van zijn
+Koningl. Majesteit van Engeland.“
+
+Het stuk van JAN SWAMMERDAM (1637-1680) geeft ten slotte een goed
+voorbeeld van diens experimenteertalent. Immers, zoowel zijn proef over
+de uitgesneden, doch in verbinding met de zenuw gelaten kikvorschspier,
+als die met het door lucht gevulde hart, kunnen ter demonstratie van
+dat talent dienen; ook al is de eerste, die doet zien dat bij den
+spiercontractie verwekkenden zenuwinvloed niets ponderabels van de zenuw
+naar de spier overgaat, bewijzender dan de tweede, die dienen moet om te
+betoogen, dat het spiervolume bij de contractie niet toe- doch afneemt.
+
+De commissie meende met deze keuze een geschikten aanvang te maken van
+eene publicatie van Nederlandsche klassieken en zij hoopt en vertrouwt,
+dat daarmede de stoot tot verdere analoge herdrukken gegeven zal zijn.
+
+Maar, zal zulk een herdruk nut hebben, dan dient, voor de meerderheid
+der Nederlandsche geneeskundigen, het Latijn door Nederlandsch vervangen
+te worden. En, zal de publicatie nut hebben om ook in het buitenland den
+naam der oudere Nederlandsche schrijvers op geneeskundig gebied in eere
+te houden, dan moeten er ook vertalingen in vreemde talen bij zijn. Deze
+overweging stelde de commissie voor een nieuwe moeielijkheid, die des te
+grooter werd, toen de algemeene vergadering besloot, dat niet één, doch
+drie vreemde talen zouden gekozen worden. Onder de commissieleden was
+geen LITTRÉ, noch een ERMERINS en de zorg voor vertalingen in Fransch,
+Engelsch of Duitsch durfden zij evenmin op zich te nemen. Zoo heeft dan
+de commissie de hulp van anderen, meerendeels niet-medici, ingeroepen en
+bepaalde zich haar werk in hoofdzaak tot de specifiek medische correctie
+van het vertaalwerk.
+
+Zij was zoo gelukkig de hulp te verkrijgen van den heer L. HILLESUM voor
+de vertaling van de redevoering van ERASMUS in het Nederlandsch, van den
+heer C. GRONDHOUT voor de vertaling dierzelfde redevoering en van de
+verhandeling van ANTONI VAN LEEUWENHOEK in het Engelsch, van den heer
+MAURICE PERNOT voor de Fransche vertalingen der oraties van BOERHAAVE
+en GAUBIUS, van de heeren W. JULIUS en L. HILLESUM voor de Nederlandsche
+vertaling van BOERHAAVE, van den heer A. H. KAN voor die van GAUBIUS en
+van den heer E. HUMMELSHEIM voor de vertaling der redevoering van
+DONDERS in het Duitsch. Haar medelid, de heer DANIËLS, wiens
+bibliographische speurzin zich nooit verloochent, vond een weinig
+bekende Duitsche uitgave van SWAMMERDAM’s „Bijbel der Natuur“ (Leipzig
+1752), waaraan de commissie de benoodigde vertaling van diens
+verhandeling kon ontleenen.
+
+Het is der commissie een plicht, maar een genoegen tevens, aan al dezen
+haren medewerkers hier oprechten dank te betuigen en hulde te brengen
+voor den zoo nauwgezet uitgevoerden arbeid.
+
+Wanneer ik ten slotte nog gememoreerd heb, dat het typografisch werk
+voor den feestbundel afkomstig is van de firma DE ROEVER KRÖBER &
+BAKELS, dat de portretten, voor zoover bestaande, in lichtdruk zijn
+gereproduceerd door de firma SENEFELDER, die ook de platen bij
+VAN LEEUWENHOEK’s en SWAMMERDAM’s stukken in photolithographie
+reproduceerde, en dat de band en het titelblad ontworpen zijn door den
+heer J. B. HEUKELOM, dan behoef ik daarvoor geen dank uit te spreken,
+want de dank voor hun werk zal hun onmiddellijk gebracht worden door
+elken beschouwer van het boek.
+
+ _In opdracht en in naam der commissie ter
+ voorbereiding dezer feestuitgave,_
+
+ HECTOR TREUB.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+[Transcriber’s Note:
+
+Sidenotes to the Latin text have been collected at the beginning to
+act as a table of contents. Those that appear at the beginning of a
+paragraph, along with a few others that function as explanatory notes,
+have also been kept in their original places.
+
+Footnotes to the Latin text were added by the transcriber, using
+information in the parallel Dutch text.]
+
+
+ [Illustration/Illustratie:
+
+ IMAGO·ERASMI·ROTERODA
+ MI·AB·ALBERTO·DVRERO·AD
+ VIVAM·EFFIGIEM·DELINIATA·
+
+ ΤΗΝ·ΚΡΕΙΤΤΩ·ΤΑ·ΣΥΓΓΡΑΜΜΑΤΑ·ΔΕΙΞΕΙ
+
+ ·MDXXVI·
+
+ A/D]
+
+
+
+
+ ENCOMIUM ARTIS MEDICÆ
+
+ Desiderio Erasmo Roterodamo Autore.
+
+
+ DE LOF DER GENEESKUNDE
+
+ van
+
+ Desiderius Erasmus.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+_Erasmus Roterodamus_
+_D. Henrico Afinio Lyrano_
+ _insigni Medico_
+ _S.D._
+
+Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus
+oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae
+declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare
+medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.
+
+Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur
+aliud nostra necessitudine dignius.
+
+Bene vale.
+
+Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.
+
+
+
+
+[Sidenotes:
+
+_Attentio._
+_Propositio._
+_Laudandi ratio per comparationem._
+_Dignitas et autoritas medicinae._
+ _Inventio artis._
+ _Torquet exemplum in suum commodum._
+_A difficultate._
+ _Longum hyperbaton._
+ _Divina res medicina._
+ _Laus ab effectu._
+ _Ars medicorum et mortuos excitare credita est._
+ _Initium vitae medicis debetur._
+ _Ab utilitate perpetua._
+_Senectam remoratur ars medicorum._
+_Totum hominem curat medicus._
+ _Temperaturam corporis emendat medicus._
+ _A simili._
+ _Plato._
+_Principibus maxime necessarius medicus._
+ _Ab exemplo._
+ _Honos habitus medicinae._
+ _Honora medicum._
+_A similibus._
+_Sanitatis custos medicus._
+ _Exempla._
+ _Christus non aegrotavit._
+ _Confutatio._
+ _Donum curationis._
+_Exemplum._
+ _Detorquet._
+_Quibus culta medicina._
+ _Moses._
+ _Orpheus._
+ _Homerus._
+ _Moly._
+ _Nepenthes._
+ _Machaon._
+ _Paeon._
+ _Chiron._
+_Christus ipse medicus._
+ _Paulus medicus._
+ _Raphael._
+_A simili._
+ _Seleucides._
+_A quaestu._
+_Confutatio._
+ _Ex Aristophane._
+ _Proverbium._
+_Epilogus._ ]
+
+
+
+
+ DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI
+ IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.
+
+
+ [Sidenote: _Attentio._]
+
+Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus,
+hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari
+facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est
+fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi
+satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur
+infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit
+effugere.
+
+ [Sidenote: _Propositio._]
+
+Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni
+encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium,
+admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque
+censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem
+adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens,
+quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas) medicae facultatis
+dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non dicam explicare, quod
+prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo perstringere, ac
+veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae opes, per
+transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus.
+
+ [Sidenote: _Laudandi ratio per comparationem._]
+
+Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino
+praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate
+commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis
+praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam
+parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato
+more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum
+contumelia depraedicare. Quin illud magis metuendum, ne domesticas
+illius dotes, ne germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana
+conditione maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel
+aliena contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum
+praestigiis sit attollenda. [Sidenote: γνώμη.] Mediocrium est
+formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari;
+res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.
+
+ [Sidenote: _Dignitas et autoritas medicinae._]
+
+Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non
+magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere.
+Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam
+dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint,
+velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius)
+singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, aut certe divinis
+honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, quem Illyrici
+numinis instar receptum Herculi in honoribus aequarunt. Non equidem
+probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium laudo, quippe
+quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico nullum satis
+dignum praemium persolvi posse.
+
+ [Sidenote: _A difficultate._]
+
+Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis
+diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione,
+studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne
+quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur,
+discrimina. Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim
+fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium
+quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas
+in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur;
+exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt,
+quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur.
+Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt,
+tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia.
+Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum,
+luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso
+morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit
+in corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris,
+saepenumero venenum erit, quod in remedium datur. Ne quid interim
+commemorem saepe fallaces morborum notas, sive coloris habitum spectes,
+sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam observes, velut hoc
+agentibus malis, ut hostem medicum fallant et imponant. Tantum undique
+sese offundit difficultatum, ut mihi difficile sit omnes vel oratione
+prosequi.
+
+Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi,
+obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac
+penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex
+omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis
+denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia,
+atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab
+ipsis sideribus petere. Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua
+viribus animi adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad
+salutem universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus
+homine maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur? Absit invidia
+verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue praedicare. Non me jacto,
+sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam proprium dei munus est,
+certe datam tueri, jamque fugientem retinere, deo proximum fateamur
+oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos soli deo proprium esse
+volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut credula, ita gratissima.
+Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab Orco
+in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum,
+comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus
+catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat,
+vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant.
+Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis est.
+Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe
+(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra
+fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit.
+Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert utrum
+anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in corpore
+sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici
+suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur? An non
+pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum servare? Atqui
+permultos nominatim recenset Plinius libro historiae mundanae septimo,
+qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies complusculos
+revixerint.
+
+ [Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is
+ “balis”.]
+
+Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod
+quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus,
+cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam
+verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi
+praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum
+solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia. Neque
+desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. Hic qui
+mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam revocat,
+nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus est? Quot
+censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum solertia
+morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie
+mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem
+haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi
+rationem reperisset? Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul
+et nascens salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum
+arti vitam debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur
+abortus, dum mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum
+pariendi facultas datur. [Sidenote: παροιμία] Quod si vere dictum est
+illud Deus est juvare mortalem, profecto mea sententia aut nusquam locum
+habebit illud nobile Graecorum adagium ἄνθρωπος άνθρώπου δαιμόνιον,
+aut in medico fido proboque locum habebit, qui non juvat modo verum
+etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac
+ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram secundum deum, vitae
+parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet, non honoret, non
+suspiciat, non veneretur? Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus.
+Nam reliquis quidem artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate
+mortalium omnis vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus
+prosperam adesse valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi
+medicus ciborum salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus,
+quam Graeci diaetam vocant, rationem doceat?
+
+ [Sidenote: _Senectam remoratur ars medicorum._]
+
+Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam
+mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum
+multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia
+senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent
+aliquot huius rei testes.
+
+ [Sidenote: _Totum hominem curat medicus._]
+
+Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit,
+imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a
+corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se
+cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim
+corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt.
+Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae irae,
+fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, temperandae
+Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut si vivere
+velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a vitiorum
+colluvie repurget? Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope
+pharmaceutica bilem atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri
+spiritus fulcit, mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae
+domicilium sarcit, totumque animi habitum commutat in melius, nonne per
+exteriorem, ut vocant, hominem, et interiorem servat? Qui phreneticum,
+lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum restituit, nonne totum
+restituit hominem? Theologus efficit ut homines a vitiis resipiscant, at
+medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. Frustra ille medicus sit
+animae, si jam fugerit anima, cui paratur antidotus. Cum impium hominem
+subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia quaedam praesentanea
+pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de castiganda cogitare vita,
+hunc qui restituit, alioquin infeliciter in suis sceleribus sepeliendum,
+nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab inferis revocat? In eum certe
+locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si velit, aeternam mortem
+fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui suadentem non audiat?
+Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram bilem repurgarit?
+
+Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab
+animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori
+illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae
+mentis a corporis habitu pendeat. Permultos homines infelix corporis
+temperatura, quam Graeci modo κρᾶσιν modo σύστημα vocant, velut
+invitos ac reclamantes, ad peccandum pertrahit, dum animus insessor
+frustra moderatur habenas, frustra subdit calcaria, sed equum
+ferocientem in praecipitium sequi cogitur. Animus videt, animus audit
+sed si oculos occuparit glaucoma, si aurium meatus crassus humor
+obsederit, frustra vim suam habet animus. Odit animus, irascitur animus,
+at vitiosus humor mentis organa obsidens in causa est, ut oderis, quem
+amore dignum judices, irasceris cui nolis irasci. Philosophiae summam in
+hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi pareant affectus, atque ad eam
+rem praecipuus est adjutor medicus, hoc agens ut ea pars hominis vigeat
+sapiatque, cuius arbitrio geruntur, quaecunque cum laude geruntur.
+Si hominis vocabulo censentur indigni, qui pecudum ritu rapiuntur
+cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona ex parte debemus medicis.
+
+ [Sidenote: _Principibus maxime necessarius medicus._]
+
+Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est
+beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est
+obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum
+tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui
+sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua
+neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit. Si Caligulae
+fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac venenorum scrinia in
+perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam sane causam publica
+consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, ne princeps usquam
+gentium agat absque medicis. Proinde cordati principes nulli unquam arti
+plus honoris habuerunt, quam medicinae. Quandoquidem Erasistratus (ut
+reliquos taceam) Aristotelis ex filia nepos, ob Antiochum regem sanatum,
+centum talentis donatus est a Ptolemaeo huius filio. Quin et divinae
+literae jubent medico suum haberi honorem, non tantum ob utilitatem,
+verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros benemeritos ingratitudo sit,
+in medicum impietas, quippe qui tamquam beneficii divini adjutor, id
+arte sua tuetur, quod optimum nobis et carissimum largitus est deus,
+videlicet vitam.
+
+ [Sidenote: _A similibus._]
+
+Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse
+quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties
+debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus.
+Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non
+magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae
+hostibus quotidie depugnat? Reges ceu deos suspicimus, quia vitae
+necisque jus habere creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe
+vitam non aliter dare possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum
+servare dicuntur latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam
+dare possunt, quam corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem
+accedit medici beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio,
+cura, fideque sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis? Aliis
+in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis animique
+periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid in
+homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid aliud,
+id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id servat,
+sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter hominem,
+et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia debetur
+medico.
+
+ [Sidenote: _Sanitatis custos medicus._]
+
+Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit
+aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere?
+Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad
+licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat. Quid enim hic notissima
+referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, Platonem, Catonem censorium,
+Antonium, Castorem, cumque his innumerabiles, quorum plerique medicinae
+observatione, vitam ab omni morbo liberam neque fatiscente ingenii
+vigore, neque concussa memoriae soliditate, neque fractis aut
+labefactatis sensibus, ultra centesimum annum prorogarunt? An non
+istuc est immortalitatis, quam speramus, hic iam nunc imaginem quandam
+exhibere? Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus
+assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium.
+Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos
+principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum
+nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus,
+aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe
+praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas. Nec
+enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam impudenter
+solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, somniantes
+Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille infirmitatem
+vel animi tentationem, vel quod vero propius est, improborum hominum
+molestam insectationem appellet. Atque idem ille Paulus, inter
+apostolicas dotes, donum curationis recensuit.
+
+Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et
+Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro
+medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum,
+partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium
+facientibus. O nova dignitas medicinae. Agitur de capite hominis, et
+judicis sententia pendet ex medici praejudicio. Summi pontificis pietas,
+si quid indulget, in nonnullis non aliter indulget, nisi medicorum
+accedat calculus. Atque in decretis Romanus pontifex episcopum eum, qui
+delatus fuerat tamquam foedo immanique morbo obnoxius, ex medicae rei
+judicio censet aut amovendum episcopatu, aut suo loco restituendum.
+Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod faciendum
+est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc est artis
+et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, velut
+ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante. Quin ii
+quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e corporibus humanis
+exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his morbis, qui
+secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque vitiant, et adeo
+daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis medicis discerni
+non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut fertur illorum
+varia natura, qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus
+intimis animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In
+cuius rei fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero,
+quaeso ut me patienter audiatis.
+
+ [Sidenote: _Exemplum._]
+
+Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste
+quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus
+in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice
+loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus
+rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam? At is hominem
+facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus sibi, teutonice nec
+loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere daemoniacum fuisse
+contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat artem, cui
+compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in restituenda
+vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum ministrae, tum
+aemulae. Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant,
+quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea
+praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non
+credit.
+
+ [Sidenote: _Quibus culta medicina._]
+
+Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et
+spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis
+ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus
+praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses
+ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse
+creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla
+prodidisse legitur. Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum
+fons, plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum.
+Is et Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam,
+efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac
+Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat
+in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat. Porro
+Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte praestantes,
+saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum heroibus,
+verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet
+subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse,
+atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae
+ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo,
+huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait:
+[Sidenote: ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων] Unum medicum pluris
+habendum, quam caeterorum hominum permultos. Rursum alibi medicum ita
+notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, palam testans id quod res est,
+hanc artem non una aut altera disciplina, sed omnium artium cognitione
+circuloque, tum praeter exactum ingenium, multo etiam rerum usu
+constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem quandam tribuebat
+antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen reliquisse legitur. Atque
+ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem censorium,
+Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel studiis, vel
+negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde regnum, alioqui
+locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum miraculum, quam rei
+medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum declaravit, qui artis
+huius commentationes, et exemplaria, effectusque in arcanis reliquit,
+ut autor est Plinius. Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine
+celebratur. Nunc fere regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere.
+At olim populi Romani principibus nihil magis erat curae, quam ut ex
+longinquo novis importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo
+illi tum orbis domino aliud erat munus gratius.
+
+ [Sidenote: _Christus ipse medicus._]
+
+Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese
+non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus
+est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum
+Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum
+illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum
+adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum
+insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille
+nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur. Neque
+deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc usum rebus
+a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, mandans ut
+hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes inquit, morbis
+illorum, et ungentes oleo. Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum
+vini praescribit usum, ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne
+palam medici partibus utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum
+Raphael angelus Tobiae caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit
+apud arcanarum rerum studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam,
+cuius cognomento divinae illae mentes insigniuntur.
+
+Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam
+oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu
+perversissima hominum judicia.
+
+Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne
+quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id
+quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis,
+in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur
+alienum judicium. Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi
+paucis contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe
+partem eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat
+quemquam nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte,
+sed ab improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur.
+
+ [Sidenote: _A simili._]
+
+Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile
+fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae
+utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut
+hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum
+illae ingruente bruma devolant. At quanto sincerior amicus medicus, qui
+Seleucidum avium exemplo, quas narrant nusquam a Casii montis incolis
+conspici, nisi cum illarum praesidio est opus, adversus vim locustarum
+fruges vastantium, rebus integris ac laetis nusquam sese ingerit, in
+periculis, in his casibus, in quibus uxor ac liberi saepe deserunt
+hominem, velut in phrenesi, phthiriasi, in peste solus medicus
+constanter adest, et adest non inutili officio, quemadmodum plerique
+caeterorum, sed adest opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum
+morbo dimicans, nonnunquam suo quoque periculo. Et o plus quam ingratos,
+qui talis amici officio servati, jam depulso periculo medicum odisse
+possunt, ac non potius parentis vice colunt ac venerantur. Vulgarem
+amicum, qui subinde salutat obvium, ad coenam rogant, qui latus claudit,
+officio pensant, et talem amicum ubi desierint egere, aversantur? Et ob
+hoc ipsum aversantur, quod intelligant illius officio nullam meritis
+parem gratiam rependi posse.
+
+Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec
+optimo cuique viro discenda est.
+
+[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et
+haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant.
+Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans,
+plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui
+pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum
+ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest
+incolumis possessio, nisi valet possessor? Proinde leges priscorum, cum
+nondum quaestus et ambitio corrupisset omnia, potissimum huc spectabant,
+ut corpora civium essent valida, robusta, beneque temperata. Ea
+res partim pendet a nativitate, partim ab educatione, partim ab
+exercitamentis, et victus ratione, nonnihil etiam ab aedificiorum modo.
+Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora jungebant
+matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui balnea
+publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges
+sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam
+excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum
+venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes
+fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si
+tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum.
+
+Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit
+administrari.]
+
+ [Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased):
+
+ The text printed in brackets does not appear in the editions of
+ Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus
+ (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of
+ Erasmus’ works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected
+ edition by Clericus (Leiden 1703).]
+
+ [Sidenote: _A quaestu._]
+
+Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque
+metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit
+aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim
+ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea.
+Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab
+Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur.
+Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum servatori
+capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia depugnabant? Quid ego
+nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, Albutios, quibus Romae
+tum apud principem, tum apud populum immodicum quaestum fuisse refert
+Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis aetatibus repetimus, quasi
+non hodie cuique complures succurrant, quos haec ars ad Croesi opes
+evexerit?
+
+Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat,
+esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina
+quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita
+rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut
+alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis
+damnari possit.
+
+Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor
+frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum
+quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur
+viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud
+Graecorum proverbium, τὸ τέχνιον ἡ πᾶσα γῆ τρέφει.
+
+ [Sidenote: _Confutatio._]
+
+Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum
+esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut
+quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum
+est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur.
+Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et invitos.
+Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille
+moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem
+ingratitudinem.
+
+Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres
+audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni
+non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum
+professionem non ferret homo mere Romanus. Isque tantum tribuit
+experientiae, ut artem esse noluerit, sed idem universam Graecorum
+philosophiam ex urbe pellendam censuit. Existimabat homo durus, ad
+purgandum hominis corpus sufficere brassicam et crebros vomitus, et
+tamen ille ipse medicorum hostis observatione medicinae, in extremam
+usque senectutem robur infractum tutatus scribitur.
+
+Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine
+magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum
+impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt
+facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter
+pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit. Quasi vero
+felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, turgescere cervisia,
+sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est oratione refellere,
+cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant arti, mox podagra
+contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, caecutientes ante
+senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, exemplo Stesichori,
+seram canunt palinodiam miseri. Et tamen his licet indignissimis, artis
+bonitas non gravatur esse praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex
+vetere comoedia scommate, vocent medicos σκατοφάγους. Quasi vero non
+isto nomine vel praecipue laudari mereantur, qui quo subveniant hominum
+calamitatibus, ex illa sua sublimitate sese ad haec sordida dejiciant.
+Quod si medicis tantum esset supercilii, quantum istis est procacitatis,
+liceret passim impune mori. Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus
+commune, ut bene faciat ac male audiat.
+
+Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt,
+cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena
+ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male
+consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam
+detorquere? Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae
+ac piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta
+professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus
+optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui
+censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus,
+quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant.
+Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum dari
+Graecorum proverbio, πολλοὶ βουκένται παῦροι δέ τε γῆς ἀροτῆρες.
+Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates
+sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque
+tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi
+conspicimus.
+
+Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut
+difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod
+initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes
+summatim complecti.
+
+ [Sidenote: _Epilogus._]
+
+Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam
+omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius
+inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non
+alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit. Si magni fiunt, quae
+summis viris probantur, haec summos reges, haec primates non solum
+delectavit, verum etiam illustravit. Si difficilia quae sunt, ea sunt
+et pulchra, nihil hac operosius, quae tot disciplinis, tantarum rerum
+pervestigatione usuque constat. Si dignitate rem aestimamus, quid
+excellentius, quam ad dei benignitatem proxime accedere? Si facultate,
+quid potentius aut efficacius quam totum hominem certo exitio periturum
+sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque necessarium atque id
+sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, quid honestius, quam
+servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus neque maior est, neque
+latius patet. Si compendio, aut haec in primis frugifera sit oportet,
+aut ingratissimi mortales.
+
+Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc
+pulcherrimo genere professionis excellere.
+
+Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc
+nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes
+est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo
+mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.
+
+
+ Dixi.
+
+
+[Errata noted by Transcriber:
+
+[Sidenote]
+Laudandi ratio
+ _text reads_ Laudandiratio
+propter arctissimam amborum inter se cognationem
+ _text reads_ intet se
+[Sidenote]
+Honora medicum.
+ _text reads_ honara
+[Sidenote]
+ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων
+ _spelling ἰατρὸς as in original_
+Timetheo suo
+ _spelling as in original_
+qui mutatis aedificiis
+ _text reads_ aedifiiciis ]
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+ _Erasmus van Rotterdam
+ aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1]
+ den voortreffelijken medicus._
+
+
+Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam
+mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik
+mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over
+„den lof der geneeskunde“. Terstond besloot ik de niet zeer goede
+redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door
+Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge
+vinden.
+
+Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid
+jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal
+gegeven worden.
+
+Het ga U wel.
+
+LEUVEN, den 13den Maart, 1518.
+
+ [Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]
+
+
+
+
+REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.
+
+
+Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en
+zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer
+verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid
+begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik
+noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal
+weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren
+zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal
+ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna
+goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een
+alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord
+is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.
+
+Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer
+voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een
+jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie
+van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd
+en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe
+aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw
+gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding
+wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven, de
+waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische
+wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat
+een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in
+het kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten
+van een zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter
+traliën, aan de blikken der studenten te vertoonen.
+
+Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in
+het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan
+voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt.
+Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo
+voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare
+vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij
+het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen
+tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te
+doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht
+plaatst. Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg
+zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en
+aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver
+achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan
+verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf
+door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet
+opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid
+kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer
+kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in
+waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.
+
+In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere
+wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons
+leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der
+geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd,
+hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare
+uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo
+en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten
+gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,
+òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, zooals bij
+voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god opnamen en op
+dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik natuurlijk niet
+goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs ik hun gevoel
+en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op die wijze tot
+uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren geneesheer nooit
+te groote belooning geschonken kan worden.
+
+Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid
+van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil
+in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en
+levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden
+kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen
+van de overige geneesmiddelen; vervolgens, hoevele soorten van ziekten
+er bestaan, waarvan er volgens Plinius driehonderd met name zijn
+overgeleverd, nog daargelaten de onderverdeelingen dier soorten,
+waarvan hij het oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar
+eens een voorbeeld te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts
+alleen inhoudt; en zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er
+dagelijks bijkomen, en wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge
+afspraak den strijd met onze wetenschap hadden aangebonden, om
+nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen van
+vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten gevolge
+heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet eens
+medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, val,
+fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, welke
+gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der ziekten;
+indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er verbonden
+is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk
+moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als
+geneesmiddel toedient; terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de
+dikwijls bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur
+beschouwt of de teekens der urine onderzoekt of den polsslag
+waarneemt, daar het den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op
+toeleggen, om haar vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden;
+als men dit alles nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel
+moeielijkheden op, dat ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen
+opsommen.
+
+Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig
+te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te
+onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na
+doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten
+de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden,
+struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de
+vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame
+geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan
+zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren
+te ontleenen; deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo
+moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen
+en zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil
+van het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het
+algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te
+zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand
+gebracht worden? Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij
+geoorloofd dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te
+verkondigen. Ik verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap.
+Immers, hoewel het schenken van het leven slechts een voorrecht
+van de godheid is, zoo moet men toch toegeven, dat dit leven te
+kunnen beschermen en vast te houden, als het ons wil ontvlieden,
+de goddelijke macht zeer nabij komt. Ofschoon zelfs niet het
+eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend aan God toeschrijven, door de
+ouden aan het gebied der geneeskunde onttrokken werd, die daardoor wel
+hun lichtgeloovigheid, maar toch ook hun groote dankbaarheid toonden.
+Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de zoon van
+Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het leven
+teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die
+gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over
+wien reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken,
+van den brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De
+geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een
+leeuw en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven
+teruggebracht zijn door een kruid, dat „halis“[2] heet. Ook getuigt
+Juba, dat in Afrika door middel van een kruid iemand weer in het
+leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om bekommeren, als
+er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof sloegen; toch
+vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de geneeskunde,
+hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, tot
+de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog
+buitengewoon is. Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan
+het leven teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de
+godheid opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden
+teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de
+kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg
+van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en,
+reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden? Of komt
+het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen herleven of
+iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En toch noemt
+Plinius in het zevende boek van zijn „Historia Naturalis“ zeer velen
+met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis gedragen te
+zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na verscheidene
+dagen, weder herleefden.
+
+ [Voetnoot 2: In Plinius staat „balis“ (Vertaler).]
+
+Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven
+heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze
+wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den
+Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch
+niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten.
+Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt,
+als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij
+voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen,
+diepe onmacht, verlamming en beroerte. In iederen tijd en bij ieder
+volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die
+den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het
+leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een
+welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen
+zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de
+schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard
+der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden
+ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren
+zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de
+gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. Ja, reeds
+aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met
+het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp
+der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken
+hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een
+ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht
+om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid
+tot baren gegeven wordt. En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God
+kan den mensch helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende
+Grieksche spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo
+ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken
+geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij
+dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven
+niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster,
+beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief
+heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet? Wier
+hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige
+wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde,
+gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust
+het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen
+ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten
+verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat
+kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen
+heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van
+onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?
+
+Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan
+ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt
+hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval
+geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de
+zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een
+kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen;
+er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.
+
+Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des
+menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen
+mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar
+het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe
+verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen
+gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar
+beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. Wie spoort
+den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding,
+soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid,
+het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het
+maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den
+zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat
+vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden? Hoe
+dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het
+voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de
+verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der
+hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den
+verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt
+in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg?
+Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk
+ook den innerlijken? Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte,
+razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest,
+geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug?
+De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot
+bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek
+daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer
+stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds
+ontvloden is. Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een
+verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat
+onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan
+benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn
+levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest,
+welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven
+worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel
+uit het schimmenrijk teruggebracht heeft? In ieder geval plaatst hij
+hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht
+heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de
+theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan?
+Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst
+de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft?
+
+Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige
+deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van
+de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en
+zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede
+geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid
+afhankelijk. Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der
+lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer
+systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en
+terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen
+wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de
+zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te
+volgen. De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar
+verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt
+zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de
+ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van
+den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw
+liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij
+niet zoudt willen vertoornd zijn. Plato erkent, dat de gansche
+philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan
+de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer,
+die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den
+mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles
+geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den
+naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren
+door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel
+aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.
+
+Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het
+bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe
+grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt
+bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van
+dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote
+verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één
+zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij
+raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn
+kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven
+heeft. Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in
+zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en
+vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is
+het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik
+geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben
+verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan
+de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen),
+een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus
+door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. Ja, ook de
+Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende
+eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne
+onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons
+verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het
+niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer
+goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware
+God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en
+dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.
+
+Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin
+van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij,
+mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen
+verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd
+zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den
+vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger
+mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden
+van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot
+koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig
+kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen
+dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het
+leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij
+ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben,
+wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij
+toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter
+bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den
+geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door
+zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods
+terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar
+hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert,
+in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er
+groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en
+dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden,
+aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen
+zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de
+mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den
+geneesheer voor alles dank geweten worden.
+
+Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan
+zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf
+herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van
+ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is,
+zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der
+geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe
+behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras,
+Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen
+met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde
+zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en
+zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het
+gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan
+honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een
+beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen?
+Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze
+onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon
+sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde
+Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook
+in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna
+allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord,
+gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te
+beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat
+zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar
+ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd
+tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar
+zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen
+leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of,
+wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus
+heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de
+gave der genezing geteld.
+
+ [Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus,
+ onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]
+
+Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor
+verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich
+vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in
+quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in
+eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een
+menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af
+van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade
+verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer
+gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop
+beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te
+lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot
+verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de
+goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den
+raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht,
+dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor
+zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die
+het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die
+wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij,
+die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen
+drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij
+die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of
+andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de
+aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door
+zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het
+duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende
+soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling
+kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de
+schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen
+betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering
+uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal,
+verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren.
+
+In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd
+beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man,
+Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van
+wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin
+bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke
+taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit
+gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs
+niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten
+was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te
+verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen
+sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat
+hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot
+nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze
+duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen
+terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze
+geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht
+ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten
+toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer
+voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door
+het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke
+krachten geacht worden.
+
+Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen
+nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was,
+goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte
+raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde
+gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt
+immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan
+naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en
+ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze
+Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de
+geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de
+voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk
+melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft
+ons immers ook het kruid „moly“ beschreven, dat volgens Plinius
+het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen
+vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft
+en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe
+gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat „nepenthes“ (letterl.
+„smarteloos“) bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen
+heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met
+eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze
+kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar
+zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee
+aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren
+behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van
+alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter
+heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep
+door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat
+één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders
+wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is,
+hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de
+geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den
+geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische
+kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde
+Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van
+goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend
+boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato,
+Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar
+met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig
+bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts
+spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer
+door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn
+wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn
+geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een
+waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen,
+voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende
+kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap
+gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift
+zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke
+eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar
+oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets
+zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren
+van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de
+wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer.
+
+Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen,
+geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor
+wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende,
+zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel
+bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat
+gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde
+bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog
+aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen;
+niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van
+ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de
+geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene
+goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel
+van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn.
+In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de
+apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst
+hunne gastheeren aan zich te verplichten „door“, zoo luiden Zijne
+woorden, „hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven“.
+Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn
+voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke
+uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover
+verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek
+de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de
+blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde
+wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!
+
+ [Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden,
+ waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, „goddelijk
+ wezen“ beteekent. (Vert.)]
+
+De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze
+wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder
+onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!
+
+Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen
+valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval
+toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden;
+hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste,
+wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken
+vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid
+gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van
+anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap
+slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun
+geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat
+gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door
+iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de
+moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de
+kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte
+geneesheeren.
+
+Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de
+vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En
+diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in
+tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl
+het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in
+ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het
+land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe
+oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de „Seleucides“
+genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het
+Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne
+hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen
+vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige
+omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin
+vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij
+waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij,
+en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar
+als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte
+kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet
+meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een
+vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer
+kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten?
+Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige
+ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens
+vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend
+wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze
+afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen
+belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te
+wegen.
+
+Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het
+meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle
+uitstekende mannen geleerd worden.
+
+[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste,
+plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn.
+Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de
+daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard
+der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen,
+dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams
+gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben
+vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want
+wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de
+bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen
+heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de
+lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren.
+Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van
+de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van
+de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de
+wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten
+huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst
+nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de
+weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen
+van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen
+spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht
+werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te
+maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door
+aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk
+verspreid worden.
+
+Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der
+geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]
+
+ [Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes []
+ geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel
+ 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook
+ in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de
+ eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus
+ Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van
+ Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]
+
+Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever
+afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen
+zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te
+verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij
+geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was
+ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat,
+zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik
+reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door
+Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven
+belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte
+niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor
+welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe
+nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie
+Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als
+onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven
+wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen,
+alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest
+staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden.
+
+Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in
+uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst
+gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager
+inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde
+onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij
+er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op
+ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch
+helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den
+kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend
+kan veroordeeld worden.
+
+Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld
+te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de
+Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De
+medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld
+door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep
+meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de
+geheele aarde voedt het ambacht.“
+
+Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier
+zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn
+verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een
+broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om
+tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit
+hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te
+ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven,
+aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend
+geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den
+patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet
+erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort
+volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone
+ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.
+
+Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap
+zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook
+tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel
+de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde,
+maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze,
+waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.
+Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe,
+dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan
+ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den
+Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie
+uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het
+menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En
+toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming
+der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn
+krachten onverzwakt behouden heeft.
+
+Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van
+straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede
+geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet
+alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever
+de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote
+macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid.
+Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het
+spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“. Alsof het een groot
+geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten
+door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van
+uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog
+deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken
+van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar
+zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen,
+vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht
+worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze
+van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede
+wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet
+waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een
+scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren „dreketers“.
+Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de
+wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven
+sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen
+eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen
+vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen
+laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat
+het goed handelt, maar een slechten naam heeft.
+
+ [Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien
+ hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door
+ het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)]
+
+Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor
+geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er
+zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die
+uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker
+dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te
+lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken
+moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den
+godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo
+heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker
+dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij
+dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie
+niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige
+plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte,
+dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder
+hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: „velen zijn
+ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik wenschte, dat allen
+die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep
+vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige
+woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om
+niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al
+zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.
+
+Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een
+grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput
+te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan,
+gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der
+geneeskunde in het kort samen te vatten.
+
+Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid
+aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de
+noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem
+erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven.
+Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan
+geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.
+Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring
+van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap
+strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen
+tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets
+oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer
+moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel
+kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als
+wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de
+goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat
+is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien
+een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar
+hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder
+welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar
+hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het
+menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen
+zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het
+financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest
+winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren
+heeft.
+
+U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het
+voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.
+
+U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst
+toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem,
+aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt
+uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op
+meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.
+
+ Ik heb gezegd.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+_Erasmus Roterodamus
+D. Henrico Afinio Lyrano
+ insigni Medico
+ S. D._
+
+ _Erasmus van Rotterdam
+ aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1]
+ den voortreffelijken medicus._
+
+ [Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).]
+
+Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus
+oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae
+declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare
+medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur.
+
+ Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam
+ mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik
+ mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over
+ „den lof der geneeskunde“. Terstond besloot ik de niet zeer goede
+ redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door
+ Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge
+ vinden.
+
+Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur
+aliud nostra necessitudine dignius.
+
+ Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid
+ jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal
+ gegeven worden.
+
+Bene vale.
+
+ Het ga U wel.
+
+Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.
+
+ LEUVEN, den 13den Maart, 1518.
+
+
+
+
+DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.
+
+ REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE.
+
+
+[_Attentio._]
+
+Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus,
+hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari
+facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est
+fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi
+satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur
+infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit
+effugere.
+
+ Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en
+ zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer
+ verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid
+ begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik
+ noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal
+ weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren
+ zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal
+ ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna
+ goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een
+ alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord
+ is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.
+
+[_Propositio._]
+
+Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni
+encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium,
+admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque
+censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem
+adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens,
+quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas)
+
+ Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer
+ voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een
+ jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie
+ van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd
+ en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe
+ aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw
+ gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding
+ wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven,
+
+ medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem,
+non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim
+modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam
+reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere
+conspectibus.
+
+ de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid
+ der medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te
+ ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de
+ hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de
+ dicht opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts
+ vluchtigjes, als het ware achter traliën, aan de blikken der studenten
+ te vertoonen.
+
+[_Laudandi ratio per comparationem._]
+
+Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino
+praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate
+commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis
+praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam
+parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato
+more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum
+contumelia depraedicare.
+
+ Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in
+ het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan
+ voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt.
+ Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo
+ voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare
+ vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij
+ het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen
+ tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te
+ doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht
+ plaatst.
+
+ Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne
+germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione
+maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena
+contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum
+praestigiis sit attollenda. [Sidenote: γνώμη.] Mediocrium est formarum,
+deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; res per se
+vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse.
+
+ Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg
+ zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en
+ aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver
+ achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan
+ verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf
+ door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet
+ opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid
+ kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer
+ kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in
+ waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.
+
+[_Dignitas et autoritas medicinae._]
+
+Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non
+magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere.
+Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam
+dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint,
+velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius)
+singula quosdam inventa deorum numero addiderunt,
+
+ In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere
+ wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons
+ leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der
+ geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd,
+ hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare
+ uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo
+ en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten
+ gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst,
+
+ aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut
+Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus
+aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac
+iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto
+fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse.
+
+ òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd,
+ zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god
+ opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik
+ natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs
+ ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op
+ die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren
+ geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden.
+
+[_A difficultate._]
+
+Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis
+diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione,
+studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne
+quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur,
+discrimina.
+
+ Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid
+ van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil
+ in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en
+ levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden
+ kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen
+ van de overige geneesmiddelen;
+
+ Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse
+prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam
+nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in
+se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur;
+exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam
+si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur.
+
+ vervolgens, hoevele soorten van ziekten er bestaan, waarvan er
+ volgens Plinius driehonderd met name zijn overgeleverd, nog
+ daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, waarvan hij het
+ oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens een voorbeeld
+ te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts alleen inhoudt; en
+ zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks bijkomen, en
+ wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak den strijd
+ met onze wetenschap hadden aangebonden,
+
+ Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt,
+tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia.
+Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum,
+luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso
+morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in
+corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris,
+saepenumero venenum erit, quod in remedium datur.
+
+ om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen
+ van vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten
+ gevolge heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet
+ eens medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling,
+ val, fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke,
+ welke gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der
+ ziekten; indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er
+ verbonden is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk
+ moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als
+ geneesmiddel toedient;
+
+ Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive
+coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam
+observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et
+imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile
+sit omnes vel oratione prosequi.
+
+ terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls
+ bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of
+ de teekens der urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het
+ den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar
+ vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; als men dit alles
+ nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat
+ ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen opsommen.
+
+Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi,
+obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac
+penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex
+omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis
+denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia,
+atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab
+ipsis sideribus petere.
+
+ Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig
+ te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te
+ onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na
+ doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten
+ de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden,
+ struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de
+ vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame
+ geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan
+ zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren
+ te ontleenen;
+
+ Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi
+adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem
+universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine
+maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur?
+
+ deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo
+ moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en
+ zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van
+ het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het
+ algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te
+ zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand
+ gebracht worden?
+
+ Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue
+praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam
+proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere,
+deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos
+soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut
+credula, ita gratissima.
+
+ Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd
+ dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik
+ verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het
+ schenken van het leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo
+ moet men toch toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te
+ houden, als het ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij
+ komt. Ofschoon zelfs niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend
+ aan God toeschrijven, door de ouden aan het gebied der geneeskunde
+ onttrokken werd, die daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook
+ hun groote dankbaarheid toonden.
+
+ Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab
+Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum,
+comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus
+catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat,
+vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant.
+
+ [Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is
+ “balis”.]
+
+ Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de
+ zoon van Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het
+ leven teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die
+ gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien
+ reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den
+ brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De
+ geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw
+ en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven
+ teruggebracht zijn door een kruid, dat „halis“[2] heet.
+
+ [Voetnoot 2: In Plinius staat „balis“ (Vertaler).]
+
+ Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis
+est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe
+(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra
+fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit.
+
+ Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid
+ iemand weer in het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om
+ bekommeren, als er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof
+ sloegen; toch vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de
+ geneeskunde, hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid,
+ tot de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog
+ buitengewoon is.
+
+ Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert
+utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in
+corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici
+suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur?
+
+ Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven
+ teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid
+ opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden
+ teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de
+ kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg
+ van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en,
+ reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden?
+
+ An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum
+servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae
+mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies
+complusculos revixerint.
+
+ Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen
+ herleven of iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En
+ toch noemt Plinius in het zevende boek van zijn „Historia Naturalis“
+ zeer velen met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis
+ gedragen te zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na
+ verscheidene dagen, weder herleefden.
+
+Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod
+quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus,
+cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam
+verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi
+praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum
+solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia.
+
+ Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven
+ heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze
+ wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den
+ Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch
+ niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten.
+ Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt,
+ als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij
+ voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen,
+ diepe onmacht, verlamming en beroerte.
+
+ Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla.
+Hic qui mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam
+revocat, nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus
+est? Quot censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum
+solertia morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie
+mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem
+haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi
+rationem reperisset?
+
+ In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te
+ vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst
+ verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te
+ allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden?
+ Hoeveel menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog
+ niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten
+ en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven
+ niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet
+ geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen
+ tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden.
+
+ Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens
+salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam
+debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum
+mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi
+facultas datur.
+
+ Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende
+ tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de
+ heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het
+ leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar
+ door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der
+ vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden
+ verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt.
+
+[Sidenote: παροιμία]
+
+ Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto
+mea sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium
+ἄνθρωπος άνθρώπου δαιμόνιον, aut in medico fido proboque locum habebit,
+qui non juvat modo verum etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa
+videatur ingratior, ac ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram
+secundum deum, vitae parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet,
+non honoret, non suspiciat, non veneretur?
+
+ En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God kan den mensch
+ helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche
+ spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo ergens, hare
+ toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet
+ alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder
+ dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de
+ geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster,
+ behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht
+ en met bewondering en eerbied tot haar opziet?
+
+ Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem
+artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis
+vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse
+valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum
+salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci
+diaetam vocant, rationem doceat?
+
+ Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van
+ alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen
+ tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter
+ berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er
+ geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten
+ verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat
+ kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen
+ heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van
+ onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?
+
+[_Senectam remoratur ars medicorum._]
+
+Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam
+mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum
+multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia
+senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent
+aliquot huius rei testes.
+
+ Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan
+ ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt
+ hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval
+ geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de
+ zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een
+ kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen;
+ er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven.
+
+[_Totum hominem curat medicus._]
+
+Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit,
+imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a
+corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se
+cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim
+corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt.
+
+ Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des
+ menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen
+ mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar
+ het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe
+ verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen
+ gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar
+ beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel.
+
+ Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae
+irae, fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi,
+temperandae Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut
+si vivere velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a
+vitiorum colluvie repurget?
+
+ Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot
+ onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van
+ droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de
+ liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met
+ beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de
+ medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel
+ harer ondeugden?
+
+ Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem
+atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit,
+mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium sarcit,
+totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, ut
+vocant, hominem, et interiorem servat?
+
+ Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid,
+ hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen,
+ versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de
+ functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den
+ verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt
+ in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg?
+ Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk
+ ook den innerlijken?
+
+ Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum
+restituit, nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a
+vitiis resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere.
+Frustra ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur
+antidotus.
+
+ Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij,
+ apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij
+ niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog
+ bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning
+ komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in
+ staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten,
+ als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden
+ is.
+
+ Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia
+quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de
+castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in
+suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab
+inferis revocat?
+
+ Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming,
+ beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood
+ ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij
+ den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken,
+ kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig
+ onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate
+ zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk
+ teruggebracht heeft?
+
+ In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si
+velit, aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui
+suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram
+bilem repurgarit?
+
+ In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat
+ hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood
+ te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als
+ deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen
+ bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid
+ gezuiverd heeft?
+
+Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab
+animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori
+illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae
+mentis a corporis habitu pendeat.
+
+ Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige
+ deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van
+ de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en
+ zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede
+ geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid
+ afhankelijk.
+
+ Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci modo
+κρᾶσιν modo σύστημα vocant, velut invitos ac reclamantes, ad peccandum
+pertrahit, dum animus insessor frustra moderatur habenas, frustra subdit
+calcaria, sed equum ferocientem in praecipitium sequi cogitur.
+
+ Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der
+ lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer
+ systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en
+ terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen
+ wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de
+ zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te
+ volgen.
+
+ Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si
+aurium meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus.
+Odit animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis organa obsidens
+in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, irasceris cui nolis
+irasci.
+
+ De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar
+ verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt
+ zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de
+ ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van
+ den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw
+ liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij
+ niet zoudt willen vertoornd zijn.
+
+ Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi
+pareant affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc
+agens ut ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur,
+quaecunque cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni,
+qui pecudum ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona
+ex parte debemus medicis.
+
+ Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop
+ neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen.
+ En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich
+ hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht
+ zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze
+ verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht
+ worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten
+ meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te
+ danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn.
+
+[_Principibus maxime necessarius medicus._]
+
+Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est
+beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est
+obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum
+tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui
+sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua
+neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit.
+
+ Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het
+ bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe
+ grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt
+ bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van
+ dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote
+ verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één
+ zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij
+ raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn
+ kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven
+ heeft.
+
+ Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac
+venenorum scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam
+sane causam publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes,
+ne princeps usquam gentium agat absque medicis. Proinde cordati
+principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam medicinae.
+Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex filia
+nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a
+Ptolemaeo huius filio.
+
+ Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij
+ in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en
+ vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is
+ het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik
+ geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben
+ verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan
+ de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen),
+ een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus
+ door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond.
+
+ Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non
+tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros
+benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam
+beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et
+carissimum largitus est deus, videlicet vitam.
+
+ Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer
+ de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar
+ ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich
+ jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet,
+ namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den
+ geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als
+ het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het
+ beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven.
+
+[_A similibus._]
+
+Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse
+quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties
+debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus.
+Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non
+magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae
+hostibus quotidie depugnat?
+
+ Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin
+ van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij,
+ mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen
+ verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd
+ zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den
+ vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger
+ mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden
+ van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert?
+
+ Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere
+creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare
+possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur
+latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam
+corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici
+beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque
+sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis?
+
+ Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat
+ zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon
+ zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze
+ beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet
+ ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven
+ geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in
+ dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des
+ lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de
+ weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld
+ bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den
+ muil des doods terugtrekt?
+
+ Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis
+animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid
+in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid
+aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id
+servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter
+hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia
+debetur medico.
+
+ Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem,
+ wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het
+ leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots
+ in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke,
+ op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij
+ datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen
+ bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den
+ geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank
+ geweten worden.
+
+[_Sanitatis custos medicus._]
+
+Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit
+aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere?
+Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad
+licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat.
+
+ Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan
+ zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf
+ herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van
+ ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is,
+ zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der
+ geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft.
+
+ Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum,
+Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his
+innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni
+morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae
+soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum
+annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic
+iam nunc imaginem quandam exhibere?
+
+ Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te
+ noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius,
+ Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied
+ voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner
+ geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd
+ of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren,
+ meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze
+ wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij
+ hiernamaals hopen?
+
+ [Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus,
+ onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).]
+
+ Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus
+assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium.
+Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos
+principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum
+nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus,
+aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe
+praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas.
+
+ Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze
+ onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon
+ sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde
+ Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook
+ in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna
+ allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord,
+ gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te
+ beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat
+ zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben.
+
+ Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam
+impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur,
+somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille
+infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est,
+improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille
+Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit.
+
+ Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons
+ even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte
+ wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus
+ aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene
+ beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen
+ noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen
+ geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.
+
+Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et
+Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro
+medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum,
+partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium
+facientibus. O nova dignitas medicinae.
+
+ Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor
+ verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich
+ vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in
+ quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in
+ eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde!
+
+ Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici
+praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non
+aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis
+Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo
+immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum
+episcopatu, aut suo loco restituendum.
+
+ Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des
+ rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De
+ pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding
+ na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een
+ bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke
+ ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te
+ hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop.
+
+ Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod
+faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc
+est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet,
+velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante.
+
+ Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke,
+ ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet
+ worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde
+ eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld
+ moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij
+ beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders
+ eigendom in bezit houdt.
+
+ Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e
+corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his
+morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque
+vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis
+medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut
+fertur illorum varia natura,
+
+ Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit
+ menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden,
+ bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het
+ eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door
+ de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door
+ zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het
+ duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende
+ soorten van duivelen bestaan),
+
+ qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis
+animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei
+fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me
+patienter audiatis.
+
+ die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of
+ dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft
+ ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben.
+ Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden
+ één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te
+ willen aanhooren.
+
+[_Exemplum._]
+
+Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste
+quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus
+in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice
+loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus
+rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam?
+
+ In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd
+ beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man,
+ Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van
+ wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin
+ bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke
+ taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit
+ gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs
+ niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten
+ was?
+
+ At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus
+sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere
+daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat
+artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in
+restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum
+ministrae, tum aemulae.
+
+ En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te
+ verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen
+ sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat
+ hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot
+ nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze
+ duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen
+ terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze
+ geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht
+ ware.
+
+ Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant,
+quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea
+praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non
+credit.
+
+ En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan
+ tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een
+ roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft,
+ die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der
+ menschelijke krachten geacht worden.
+
+[_Quibus culta medicina._]
+
+Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et
+spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis
+ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus
+praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses
+ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse
+creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla
+prodidisse legitur.
+
+ Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen
+ nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was,
+ goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte
+ raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde
+ gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt
+ immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan
+ naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en
+ ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze
+ Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de
+ geneeskracht der kruiden.
+
+ Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons,
+plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et
+Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam,
+efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac
+Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat
+in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat.
+
+ Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron
+ voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst
+ zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid „moly“
+ beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden
+ en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de
+ dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses
+ beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt
+ ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. „smarteloos“) bij den maaltijd moet
+ gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te
+ verdrijven.
+
+ Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte
+praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum
+heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet
+subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse,
+atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae
+ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo,
+huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait:
+[Sidenote: ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων] Unum medicum pluris
+habendum, quam caeterorum hominum permultos.
+
+ Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en
+ Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de
+ helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp
+ verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten
+ den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen,
+ die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht
+ is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de
+ uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak
+ verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele
+ andere menschen tezamen.
+
+ Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus,
+palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina,
+sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium,
+multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem
+quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen
+reliquisse legitur.
+
+ Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles
+ onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het
+ geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere
+ wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet
+ alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele
+ zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere
+ mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een
+ bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten.
+
+ Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem
+censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel
+studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde
+regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum
+miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum
+declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque
+in arcanis reliquit, ut autor est Plinius.
+
+ Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato
+ den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze
+ wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch
+ ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet
+ zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn
+ wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn
+ geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een
+ waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen,
+ voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende
+ kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap
+ gevonden zijn.
+
+ Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere
+regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani
+principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis
+importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis
+domino aliud erat munus gratius.
+
+ Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam.
+ Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen:
+ spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden
+ zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als
+ op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit
+ ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte,
+ was geen geschenk aangenamer.
+
+[_Christus ipse medicus._]
+
+Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese
+non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus
+est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum
+Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum
+illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum
+adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum
+insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille
+nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur.
+
+ Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen,
+ geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor
+ wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende,
+ zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel
+ bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat
+ gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde
+ bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog
+ aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen;
+ niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van
+ ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de
+ geneesheer naar vermogen na.
+
+ Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc
+usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos,
+mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes
+inquit, morbis illorum, et ungentes oleo.
+
+ Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die
+ van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel
+ door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin
+ het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend,
+ terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te
+ verplichten „door“, zoo luiden Zijne woorden, „hunne ziekten te
+ genezen en hen met olie te zalven“.
+
+ Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum,
+ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus
+utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae
+caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum
+studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento
+divinae illae mentes insigniuntur.
+
+ Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van
+ wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen
+ openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons
+ daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der
+ mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van
+ de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde
+ wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!
+
+ [Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee
+ woorden, waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el,
+ „goddelijkwezen“ beteekent. (Vert.)]
+
+Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam
+oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu
+perversissima hominum judicia.
+
+ De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze
+ wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder
+ onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!
+
+Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne
+quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id
+quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis,
+in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur
+alienum judicium.
+
+ Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen
+ valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval
+ toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden;
+ hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste,
+ wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken
+ vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid
+ gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van
+ anderen.
+
+ Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis
+contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem
+eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam
+nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab
+improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur.
+
+ En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap
+ slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun
+ geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat
+ gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door
+ iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de
+ moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de
+ kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte
+ geneesheeren.
+
+[_A simili._]
+
+Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile
+fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae
+utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut
+hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum
+illae ingruente bruma devolant.
+
+ Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de
+ vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En
+ diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in
+ tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl
+ het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in
+ ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het
+ land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe
+ oprechter vriend is echter niet de geneesheer.
+
+ At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo,
+quas narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum
+praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus
+integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus,
+in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi,
+phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non
+inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest
+opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans,
+nonnunquam suo quoque periculo.
+
+ Evenals de „Seleucides“ genaamde vogels, naar verhaald wordt,
+ door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden,
+ dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van
+ sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich
+ nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van
+ gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man
+ verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij
+ alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen,
+ met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in
+ gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor
+ zijn eigen leven.
+
+ Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam
+depulso periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice
+colunt ac venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium,
+ad coenam rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum
+ubi desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod
+intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi posse.
+
+ Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de
+ dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het
+ gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als
+ een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van
+ tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter
+ maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met
+ hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet
+ meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist
+ daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot
+ genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen.
+
+Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec
+optimo cuique viro discenda est.
+
+ Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het
+ meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle
+ uitstekende mannen geleerd worden.
+
+[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et
+haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant.
+Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans,
+plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui
+pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum
+ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest
+incolumis possessio, nisi valet possessor?
+
+ [5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste,
+ plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn.
+ Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de
+ daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard
+ der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen,
+ dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams
+ gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben
+ vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want
+ wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de
+ bezitter niet wel is?
+
+ Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio
+corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent
+valida, robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate,
+partim ab educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione,
+nonnihil etiam ab aedificiorum modo.
+
+ Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht
+ nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der
+ burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt
+ deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de
+ opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de
+ inrichting der woningen.
+
+ Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora
+jungebant matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui
+balnea publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges
+sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam
+excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum
+venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes
+fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si
+tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum.
+
+ De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts
+ goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat
+ men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden
+ en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het
+ doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën
+ voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor
+ de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage
+ meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen
+ vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven
+ visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.
+
+Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit
+administrari.]
+
+ Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der
+ geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]
+
+ [Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased):
+ The text printed in brackets does not appear in the editions of
+ Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus
+ (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of
+ Erasmus’ works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected
+ edition by Clericus (Leiden 1703).]
+
+ [Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes []
+ geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel
+ 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook
+ in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de
+ eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus
+ Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van
+ Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)]
+
+[_A quaestu._]
+
+Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque
+metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit
+aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim
+ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea.
+Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab
+Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur.
+
+ Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever
+ afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen
+ zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te
+ verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij
+ geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was
+ ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat,
+ zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik
+ reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door
+ Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven
+ belooningen begiftigd zijn.
+
+ Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum
+servatori capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia
+depugnabant? Quid ego nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios,
+Albutios, quibus Romae tum apud principem, tum apud populum immodicum
+quaestum fuisse refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis
+aetatibus repetimus, quasi non hodie cuique complures succurrant, quos
+haec ars ad Croesi opes evexerit?
+
+ Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen,
+ betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel
+ duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de
+ Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat
+ zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers
+ ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die
+ voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet
+ ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door
+ dit beroep ware Croesussen zijn geworden.
+
+Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat,
+esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina
+quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita
+rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut
+alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis
+damnari possit.
+
+ Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in
+ uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst
+ gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager
+ inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde
+ onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij
+ er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op
+ ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch
+ helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den
+ kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend
+ kan veroordeeld worden.
+
+Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor
+frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum
+quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur
+viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud
+Graecorum proverbium, τὸ τέχνιον ἡ πᾶσα γῆ τρέφει.
+
+ Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld
+ te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de
+ Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De
+ medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld
+ door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep
+ meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de
+ geheele aarde voedt het ambacht.“
+
+[_Confutatio._]
+
+Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum
+esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut
+quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum
+est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur.
+
+ Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier
+ zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn
+ verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een
+ broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat,
+ om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken.
+ Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te
+ ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven,
+ aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden.
+
+ Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et
+invitos. Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille
+moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem
+ingratitudinem.
+
+ Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos,
+ desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid,
+ voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel
+ niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden
+ wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.
+
+Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres
+audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni
+non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum
+professionem non ferret homo mere Romanus.
+
+ Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap
+ zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook
+ tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel
+ de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde,
+ maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze,
+ waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen.
+
+ Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed
+idem universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit.
+Existimabat homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam
+et crebros vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione
+medicinae, in extremam usque senectutem robur infractum tutatus
+scribitur.
+
+ Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde
+ toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan
+ ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den
+ Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie
+ uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het
+ menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En
+ toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming
+ der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn
+ krachten onverzwakt behouden heeft.
+
+Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine
+magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum
+impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt
+facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter
+pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit.
+
+ Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van
+ straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede
+ geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet
+ alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever
+ de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote
+ macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid.
+ Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het
+ spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“.
+
+ Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere,
+turgescere cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est
+oratione refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant
+arti, mox podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus,
+caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae,
+exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri.
+
+ Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te
+ worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig
+ biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand
+ te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te
+ bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der
+ geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra
+ worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand
+ verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk,
+ maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen
+ laster herroepen[6].
+
+ [Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk,
+ doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en
+ later doorhet dichten van een palinodie het weer teruggekregen
+ hebben. (Vert).]
+
+ Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse
+praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate,
+vocent medicos σκατοφάγους. Quasi vero non isto nomine vel praecipue
+laudari mereantur, qui quo subveniant hominum calamitatibus, ex illa sua
+sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset
+supercilii, quantum istis est procacitatis, liceret passim impune mori.
+Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac
+male audiat.
+
+ En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen,
+ ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te
+ helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie
+ ontleend, de geneesheeren „dreketers“. Verdienen zij dan niet juist
+ daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te
+ heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te
+ dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de
+ onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo
+ maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep
+ heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een
+ slechten naam heeft.
+
+Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt,
+cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena
+ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male
+consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam
+detorquere?
+
+ Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor
+ geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er
+ zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die
+ uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker
+ dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te
+ lasteren?
+
+ Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac
+piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta
+professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus
+optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui
+censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus,
+quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant.
+
+ Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken
+ moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den
+ godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo
+ heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker
+ dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij
+ dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie
+ niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige
+ plunderaars en vijanden van den staat rondloopen.
+
+ Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum
+dari Graecorum proverbio, πολλοὶ βουκένται παῦροι δέ τε γῆς ἀροτῆρες.
+Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates
+sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque
+tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi
+conspicimus.
+
+ Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam
+ konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche
+ spreuk: „velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik
+ wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening
+ van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in
+ plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen
+ reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te
+ streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.
+
+Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut
+difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod
+initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes
+summatim complecti.
+
+ Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een
+ grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput
+ te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan,
+ gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der
+ geneeskunde in het kort samen te vatten.
+
+[_Epilogus._]
+
+Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam
+omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius
+inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non
+alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit.
+
+ Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid
+ aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de
+ noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem
+ erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven.
+ Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan
+ geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.
+
+ Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges,
+haec primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si
+difficilia quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot
+disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate
+rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime
+accedere?
+
+ Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de
+ goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer
+ wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen
+ niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke
+ iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met
+ meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel
+ kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als
+ wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de
+ goddelijke genade het dichtst nabij te komen?
+
+ Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem
+certo exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque
+necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute,
+quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus
+neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis
+frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales.
+
+ Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten
+ dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan
+ zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo
+ onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte
+ mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd
+ beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in
+ het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in
+ wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot
+ maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de
+ menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft.
+
+Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc
+pulcherrimo genere professionis excellere.
+
+ U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het
+ voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.
+
+Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc
+nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes
+est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo
+mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.
+
+ U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst
+ toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem,
+ aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt
+ uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op
+ meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.
+
+
+ Dixi.
+
+ Ik heb gezegd.
+
+
+[Errata in Latin text noted by Transcriber:
+
+[Sidenote]
+Laudandi ratio
+ _text reads “Laudandiratio”_
+propter arctissimam amborum inter se cognationem
+ _text reads “intet se”_
+[Sidenote]
+Honora medicum.
+ _text reads “Honara”_
+[Sidenote]
+ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων
+ _spelling ἰατρὸς as in original_
+Timetheo suo
+ _spelling as in original_
+qui mutatis aedificiis
+ _text reads “aedifiiciis”_]
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+[Illustratie:
+
+ANTONI VAN LEEUWENHOEK
+
+LID VAN DE KONINGHLYKE SOCIETEIT IN LONDON
+
+_GEBOREN TOT DELFT. A. 1632_
+
+ _Daer leeft een aerdigh Man een wardigh Man en gauw
+ Die wisse wondren teelt en heeft Natur in ’t nauw
+ Doorkruypt all haer geheim en opent all haer Sloten
+
+ Syn Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten
+ Noch kan ontschieten dit’s die dappre man niet maer
+ Siet scherp toe die hem soeckt ’t gelyckt hem of hy ’t waer_
+
+ _J. Verkolje pinx. fec. et exc. A. 1686_]
+
+
+
+
+ Den Waaragtigen
+
+ Omloop des Bloeds,
+
+ _Als mede dat_
+
+ DE ARTERIEN EN VENÆ
+
+ Gecontinueerde BLOED-VATEN zijn,
+
+ _Klaar voor de oogen gestelt._
+
+
+ Verhandelt in een BRIEF, geschreven aan de
+ Koninglijke Societeit tot Londen.
+
+ door
+
+ ANTONI VAN LEEUWENHOEK,
+ Lid van deselve SOCIETEYT.
+
+
+
+
+ Antony van Leeuwenhoeks
+
+ 65. MISSIVE,
+
+ Vanden 7. September 1688.
+
+
+HANDELENDE
+
+_Van tweederley soort van Kikvorsschen. Uyt wat deelen der selver
+ eyeren bestaan. Dat uyt die eyeren Wormen komen. Van wat maakzel
+ die Wormen zyn. De circulatie van het bloed op ses distincte
+ plaatsen aan het hooft van dese Wormen. Continuele schielyke
+ voortstotinge, die het bloed van het hert ontfangt. Ommeloop
+ van het bloed op veel plaatsen in de staart van de Kikvors-worm.
+ Hetgene men Arterien en Venae noemt, zijn gecontinueerde
+ bloed-vaten. Arterien en Venae die dwers over malkanderen loopen.
+ De ommeloop geschied in de dunste bloed-vaten. De Circulatie van
+ het bloed, in kleyne en groote Kikvorsschen. Hoe in een Arterie
+ het bloed te rug quam loopen, en wat de oorsaak daar van was. De
+ ommeloop van het bloed in een kleyn Visje, en in desselfs staart
+ vier-en-dertig byzondere ommeloopen: Ende in het zelvige mede seer
+ naakt voor de oogen gestelt dat Arterien en Venae gecontinueerde
+ bloedvaten syn. In een nagel grootte van onse huyd geschieden wel
+ duysent ommeloopen van bloed. De deeltjens die het bloed in de
+ Vissen root maken, zyn platte ovale deeltjens. Wat Heeren, onder
+ andere, de waaragtige Circulatie van het bloed hebben gezien._
+
+
+Hoog-Edele HEEREN, enz.
+
+Myn laatste alder-onderdanigsten aan hare Hoog-Edele is geweest den 24.
+der voorledene Maand, waar in ik kome te handelen, van de angel van de
+Mugge, namelijk dat de selve angel uyt de koker genomen zynde, in vier
+distincte angels bestaat. Dat ik Linde Boomen hebbe geplant, welkers
+wortels in de lucht tot takken wassen, ende de takken in de aarde tot
+wortels zyn geworden. Dat in yder welgemaakte Garst of Tarw al een
+Koorn-air geformeert is.
+
+_Hier nevens gaan weder eenige van mijne geringe Observatien._
+
+Wy hebben hier te lande twederley soort van Kikvorsschen; de eerste
+soort, die wy seer overvloedig ontrent onse Stad plegen te hebben,
+werden ordinair Kikvorsschen genoemt. Welke sedert eenige jaren hier
+seer weynig zyn geweest, uyt oorsaak, beeld ik my in, dat onse
+stilstaande kleyne water-grachten, na verloop van eenige jaren, met een
+ongediert van sekere kleyne vis (daar wy voor desen niet van geweten
+hebben, soo veel my bekent is) die wy Stekel-baarsjens noemen, sijn als
+vervult geworden, die de Kikvorsschen als die nog wormen waren, hebben
+verslonden.
+
+De kuyt of eyeren van dese Kikvorsschen heb ik in de kleyne
+water-gragten, die onse weyden of velden van een separeren, somtyds in
+soo een groote menigte byeen zien leggen, dat de superfitie van het
+water voor een groot gedeelte beset was.
+
+De tweede soort van Vorsschen die men hier gemenelijk Worken noemt, die
+zyn in veel minder getal, ende die zyn grooter, en ook starker in ’t
+voortspringen; welkers achter-lijven of dikste van de achter-pooten by
+de France Natie voor goede spijs gebruykt werd. Op dese laatste soort
+heb ik veel-maal mijn gedagten laten gaan, eensdeels om dat ik die noyt
+en hadde gezien dat die verzameld waren; ende ten anderen, om dat ik
+noyt haar Eyeren ofte kuyt en hadde gezien.
+
+Maar nu op den 29. Mey kome ik wederom in een Weyde, daar in ik sedert
+eenige jaren tot mijn vermaak dikmaal hebbe gaan wandelen, en geen
+gedachten hebbende tot de kuyt of eyeren van de Kikvorschen, om dat de
+tijd van het eyer-leggen van de eerste Kikvorschen al lang verloopen
+was, soo gaa ik op het geschreeuw, dat dese Kikvorschen, anders Worken
+geseit, soo by dag als nacht in groote hitte doen, aan, en ik beelde my
+in dat ik eenige eyeren aan eenig groen gewas, in ’t water sag leggen,
+gelijk het inderdaat ook was.
+
+Dese eyeren en zijn op verre na soo wel, in ’t water leggende, niet te
+kennen, als die van onse gemene Kikvorschen, om dat de lijmachtige
+stoffe minder in het water uitsteekt, en ook soo veel niet en is.
+
+Ik liet dan eenig groen gewas daar dese eyeren aan vast saten, aan mijn
+huys brengen, en ik leide die, in twee besondere aardepotten, in ons
+gemene gracht-water, en ik examineerde alsdoen de eyeren door het
+vergrootglas, en sag dat die meest alle aan de eene zijde bruyn waren,
+ende dat de ander zijde ofte de wederhelft geelachtig was. Doch als ik
+de geseide eyeren des anderen daags ’s morgens wederom besag, bevond ik
+dat de geelachtigheid meest weg was, ende dat maar een weinig plaats die
+couleur was behoudende: waar uyt ik een besluit maakte, dat dese eyeren
+niet lang uit de Kikvorschen geweest waren.
+
+Vorders nam ik verscheide eyeren uit de heldere lijmachtige stoffe, en
+ik bevond doorgaans dat dese lijmachtige stoffe, die haar noch in twee
+distincte rontten scheen te separeren, seer stark en taay was, soo dat
+die niet als met ontstukken-scheuringe van het rechte Ey en konde
+gescheiden worden; en als ik op het aldersachtst daar mede handelde, soo
+en behield het ey niet meer zijn rondigheid, maar het berstte en
+scheurde als noch van malkanderen. Ik hebbe van dese eyeren verscheide
+achter den anderen (als ik die van haar lijmachtige stoffe daar in
+deselve lagen, hadde ontbloot) geexamineert, ende gezien dat het dunne
+omwindsel meest bestond uit zwarte stipjens, over-een-komende met de
+knobbelagtige deelen die het zegreyn-leer heeft.
+
+Vorders bestont het ey, soo veel my bleek, uit een weinig (in ’t oog)
+waterige vogt, en een onbegrijpelyk groot getal van globulen; welke
+globulen yder weder bestond uit een groot getal van kleinder globulen,
+die yder in ’t midden een grooter globule hadde, soo dat yder eerste
+globule wel een ey, met een seer kleine doir verbeelde.
+
+De figuur van veele van dese eyeren veranderden van dag tot dag: want
+die wierden in plaats van rond, langachtig: daar wierden kleine staarten
+geformeert. Ook scheent my toe dat ik hoofden zag.
+
+Ik opende van dag tot dag veel van dese eyeren, ja selfs op den sevenden
+dag dat ik de eyeren in mijn huis hadde gehad, als wanneer eenige wormen
+of jonge Kikvorschen al soo verre gekomen waren, dat die zig beweegden.
+Maar al wat ik zag dat waren niet dan globulen, en schoon ik de jonge
+Kikvorsch-worm opende, op die tijd als hy uit zijn lijmachtige stoffe
+was gearbeid, en door het water swom, aan de welke ik, geheel zijnde,
+de rugge-graat ook konde bekennen, soo en konde ik deselve, ontstukken
+snijdende, geen ingewanden, veel min aderen of zenuwen bekennen.
+
+Het scheen my als doen noch toe dat het het gantsche ligchaam van dat
+Dier, uit geen andere deelen en was gemaakt dan uit globulen, en wel
+voornamentlijk de buik die geelachtig was, zijnde gemaakt uit dat
+gedeelte van het ey dat geel was gebleven, en nu tot de buik was
+geworden. Dit quam my vreemd voor, dat ik in soo een groot schepsel, dat
+ik voor mijn gezigt doode, geen vaten of zenuwen en konde bekennen.
+
+Na alle dese mijne Observatien die ik ontrent dese eyeren hebbe gedaan,
+konde ik geen ander besluit maken, als dat de lijmachtige stofte die om
+het ey leit, alleen geschapen is, om het inleggende ey te bewaren, ende
+te beschermen, even gelijk de schillen of schalen van de eyeren van het
+gevogelte, het wit en doir bewaren en beschermen.
+
+En gelijk wy zien dat het ey van een hoen of ander gevogelte gantsch
+over gaat tot het Kieken, uitgesonderd alleen de schors van het ey, en
+het vlies dat tegen de schors aan sit, en welke beide de binne-stoffe
+van het ey bewaard hebben, even soo, segge ik, gaat het gantsche ey tot
+de Kikvorsch over, ende de taye lijmachtige stoffe, die om het ey heeft
+geseten, die blijven in wesen. Soo dat ik van het Kikvorsch-ey kan
+seggen, het gene ik van de Vogel-eyeren gezeit hebbe; te weten, dat het
+gantsche Kikvorsch-ey alleen geschapen is, om het dierken uit het
+mannelijk zaad te voeden en groot te maken, tot dat het voor zig selven
+kan voedsel soeken.
+
+Als ik sag de menigvuldige lucht-bellekens die in dese lijmachtige
+stoffe waren, nam ik in gedagten, dat die alleen geschapen waren, om de
+eyeren als dese Kikvorschen in ’t water groente mogt ontbreeken, om de
+zelve daar aan te hegten, dat die dan door behulp van de lugtbellen, op
+de superfitie van het water soude konnen drijven, om de warmte van de
+lugt te hebben, ende daar door als uitgebroeid te werden.
+
+Ik heb dese jonge Worken, of Kikvorschen, jong zijnde, verscheyden malen
+geobserveert, en om dat ik wist dat de Heer _Doctor Swammerdam_ daar van
+geschreven hadde, zyn Observatien nagezien, die in zyn uitlegginge pag.
+35, onder andere dus spreekt.
+
+_Het tweede getal verbeeld de manier op welke het Vorschen-jong, het
+genoemde teer en dunne vlies, waar in het op de wijse der bloedeloose
+dierkens, in de vierde ordre voorgesteld, verborgen is; komt af te
+stroopen. Soo dat het selve midden in zyn verwydert, ende in het
+ingedronge water, uytgedyde voedsel, als een swart en dik-hoofdig
+Wurmken sig vertoont. Dan ’t geen gemenelyk voor het hooft genomen werd,
+is het geheele lighaam te samen, als den onvergelykelyken Harveus seer
+wel aanteekent._
+
+Dat nu _Harveus_ of _Swammerdam_ aan de jonge Kikvorsen soo als hy van
+het ey tot een worm is geworden, geen hooft en heeft gezien, sal
+apparent zyn, om dat zy deselvige niet door het vergrootglas
+geobserveert hebben.
+
+Fig. 1 werd het ey van een Kikvors of work vertoont, soo als het in zyn
+omleggende tay en slijmerige vogt leyt, en wanneer het soo verre
+toegenomen is, dat het zig beweegt, soo is de staart van het Dierken
+noch in de vocht wat krom gebogen.
+
+Fig. 2 vertoont de grootte van het Dierken, soo als het zyn volkome
+grootte uit het ey heeft ontfangen, ende soo verre gekomen was, dat het
+selvige door het water konde swemmen, het welke by my daar uytgenomen
+zijnde; op een glas was geleyd, ende also was gestorven, ende gedroogt.
+
+Fig. 3 A B C D E F. vertoont het zelvige Dierke, soo het den Teykenaar
+door het Vergroot-glas heeft gesien, aan het welke men hier distinct het
+hoofd van het verdere lichamen kan onderscheiden, als hier met A B F.
+werd aangewesen.
+
+F E. is de buik van het Dierken, die geelachtig is, gelijk ik hier
+vooren geseid hebbe, dat yder ey een geelagtig stipje behoud, welk
+stipje de buik van het Dierken werd. Doch dese buik en is soo niet
+geteikent, als die sig quam te vertoonen, want die was soo geborsten en
+van een gescheurd, dat die niet dan uit groote globulen en scheen te
+bestaan.
+
+Met C D E. werd aangewesen de staart van het Dierken, Waar in men seer
+naakt de graat konde bekennen, die hier ook soo verre is afgeteikent als
+den Teikenaar die konde zien, en schoon ik veel maal de staart van dese
+Dierkens, daar de graat haar in vertoonde van malkanderen separeerde,
+soo konde ik egter aldaar dan geen andere deelen bekennen dan globulen.
+
+Dese Dierkens of Vorschen-wormen, maken een seer starke beweginge met
+haar staart, als sy voortswemmen, en soo ras als de beweginge van haar
+staart komt op te houden, soo sinken sy schielijk na de grond, waar uyt
+dan blijkt, dat sy veel stof-swaarder zijn, dan het water selfs is. Doch
+dese Dierkens is wederom ingeschapen, dat sy haar met haar hoofd (noch
+klein zynde) aan een glas konnen vast hechten, soo dat sy aan alle
+dingen die in ’t water zyn, konnen vast blijven, en alsoo rusten, sonder
+dat hare lichamen op de grond komen te leggen.
+
+Vorders heb ik een Kikvorsch-worm, soo als die in ’t water leefde, en
+sich aan het glas hadde vast gehegt, voor het vergrootglas gestelt, ende
+deselvige alsoo den Teykenaar in de hand gegeven, om af te teikenen het
+gene hy quam te zien.
+
+Fig. 4. G H I K L M N O P Q R S. vertoont de Kikvors-worm, soo als hy
+levent in ’t water aan het glas sig hadde vast gehegt, en met de buik na
+het gesigt toe geplaatst was, en welke Worm maar eenige uren daar te
+vooren uyt sijn slym, daar in hy hadde gelegen, was uyt geswommen.
+
+Met L M N O P. werd aangewesen het hooft. Ende met H I R S. werd
+aangewesen, de buik; ende met G H S. de staart. Bovenop het hooft van
+dit Dierken vertoont sig een gedeelte van de huyt, die haar dikte boven
+de andere huyt is uytstekende, soo dat ik hier gedagten hadde of dit
+niet een gedeelte van de huyt was, waar mede het gantsche Lighaam van
+het Dierke op nieuw soude bekleet werden, als hier met M N O. werd
+aangewesen.
+
+Met T. werd aangewesen de mont, die ik niet en hebbe konnen sien, dat
+het Dierke, dus jonge sijnde, beweegde. V V. sijn twee bruyne plekken op
+het hoofd van het Dierke die in dit seer rond waren (daar deselve in
+andere Dierkens op verre na die ronte niet en hadde) en by eenige wel
+voor de oogen souden aangesien worden. Dog de oogen en konnen in
+soodanigen gedaante niet gesien werden, om dat die dus van ons gesigt
+afstaan. I K L. ende P Q R. sijn ses doorschijnende uythangende deelen,
+die aan yder sijde van het hoofd drie sijn.
+
+Dese deelen sijn alleen de oorsaak dat ik de Kikvors-worm hebbe laten
+afteykenen: want in yder van dese deelen sag ik met een groot vermaak
+seer distinct de ommeloop van het bloet, het welke uyt die deelen die
+naast het lighaam lagen wierd voortgestooten na de buytenste sijde van
+de selve, en volbrengende alsoo een continuële seer schielijke
+omloopinge. Deze omloopinge en hadde geen egale beweginge, maar die
+wierd in seer korten tijd, ende dat continueel, op nieuw met een seer
+schielijke voortstootinge te weeg gebragt; en eer dat dese seer
+schielijke voortstootinge geschiede, souden wy (by aldien wy geen
+continuële verheffinge in de loop hadden gesien) geoordeelt hebben,
+datter een stilstant van loop op soude gevolgt hebben; dog de loop van
+’t bloet en begonde niet te vertragen, of daar quam op nieuw weder een
+seer schielijke verheffinge van een voortstootinge: soo datter in ’t
+bloet van dit Dier, een continuele voortlopinge geschiede: en als ik met
+een naeuwkeurige opmerkinge de korten tijd waar in yder voortstootinge
+op nieuw geschiede, tragte af te meten; moet ik seggen; dat een vaardige
+mond, soo ras geen hondert soude tellen, of daar geschiede in dese
+bloet-vaaten wel hondert schielijke voortstootinge van bloet. Hier uyt
+stelde ik vast, dat soo menigmaal als dese seer schielijke
+voortstootinge wierd te wege gebragt, dat soo menigmaal het bloet uyt
+het Hert wierd gestooten. Ja ik sag deze beweginge soo net (dat alle de
+voortstootinge van het bloed uyt het Hert, ende de overgang van de
+Arterien, daar die in malkanderen vereenigen, tot inde Vena) geschieden,
+als ik, of ymand anders, sig eenigsins soude konnen imagineren.
+
+Dit gesigt, tot mijn over groot vermaak veelmaal hebbende beschoud,
+wilde ik niet verbergen; maar hebbe het selve aan vijf voorname Heeren
+vertoont; die my verklaarden noyt iets van my gesien te hebben, dat soo
+waardig was geweest te aanschouwen. Ik moet hier nog byvoegen, dat soo
+dit bloet een egale dunne vogt hadde geweest, wy het selvige onmogelijk
+souden hebben konnen bekennen: maar nu het bloet bestond uyt een seer
+heldere vogt, vermengt soo het in ’t oog scheen met kleinder en grooter
+globulen, die, al-hoe-wel geen couleur en hadden, egter seer klaar
+konden gesien werden, soo was de bekentenisse van den ommeloop soo veel
+te naakter.
+
+Als dese Worm-kikvorschen eenige dagen out waaren geworden, soo en konde
+ik geen van alle dese ses uythangende deelen (daar in yder van deselve
+de ommeloop van ’t bloet geschiede) meer sien, maar als dan scheen het
+my toe dat die met een huyt waren overtrokken.
+
+Ik konde ook als doen aan yder sijde van het hoofd, wel soo een seer
+schielijke beweginge (als hier vooren is geseit) sien, maar ik konde
+geen ommeloop van het bloet gewaar werden. So dat ik als doen ook geen
+hoofd van het lighaam meer en konde onderscheiden, want dat scheen aan
+malkanderen te sijn vereenigt. Wanneer dese Worm-kikvorschen, omtrent
+agt a thien dagen out waren, en omtrent tweemaal in groote waren
+toegenomen, soo sag ik dat haar mond met op en toedoen, so een
+schielijke continueele beweginge hadde, als ik hier vooren geseit hebbe
+van de beweginge van het bloet: en als doen waren de tanden boven en
+onder in de mond sodanig uytgewassen, dat ik die perfect konde sien:
+Dese tanden waren in soo groote menigte, en stonden in sodanigen ordre,
+als een rije tanden staan, in de mond van een vis die wy een zeehaye
+noemen.
+
+Met dese mijne observatien heb ik my niet vergenoegt gehouden, maar ik
+hebbe alle mijne kragten ingespannen, omme de geseide ommeloop des
+bloets te vervolgen, en hebbe dese Wormkikvorssen, agt a thien dagen out
+sijnde, op alle bedenkelyke manieren geobserveert, en hebbe van binnen
+in ’t lighaam sien bewegen een klein deeltje, dat ik my imagineerde het
+hert te sijn, als wanneer ook de stoffe die in het selvige was, en daar
+uyt wierd voortgestoten, al een roode couleur begonde aan te nemen. Dit
+deel, dat ik voor het hert aan sag, hadde zoodanige schielijke beweginge
+als ik geseit hebbe dat inde bloet-aderen geschiede. Voorts soo dikmaal
+als ik sag dat dit gepresumeerde hert, sig beweegde, soo menigmaal
+wierden ook de oogen van het Dier een weinig bewogen: soo dat ik my
+inbeelde dat de beweginge van de oogen alleen van de beweginge van het
+hert en mond afhingen. Welke oogen, soo in uytpuylende ronte, als in
+swartigheid in ’t midden, my ook soo naakt voor quamen, als eenige oogen
+van een klein Dier, ons aan het bloote oog konnen vertoonen.
+
+Wanneer ik de buyk van soodanigen Dier als dan quam te openen, sag ik
+dat de darmen gevolt waren met een bruynagtige stoffe, ende dat die in
+een ronte lagen geschikt.
+
+Als ik quam tot het examineren van de staart van dese kleine Worm, soo
+overtrof dat vermakelyk gesigt alle de beschouwingen, die myn oogen van
+haar leven hadden gesien; want hier ontdekten ik meer dan vijftig
+ommelopen van bloet, op bysondere plaatsen, als ik het dierken maar tot
+myn genoegen in ’t water levende, en stil leggende, voor het
+vergroot-glas konde brengen. Want ik sag niet alleen dat het bloet op
+veel plaatsen door seer dunne vaatjens uyt het midden van de staart
+wierd gevoert na de buytekant van de selve; maar dat yder soodanig
+bloet-vat, sig met een kromte boog, en het bloet weder voerde na het
+binnenste of dikste van de staart, om het selvige weder soo na het hert
+te voeren. Soo dat my hier bleek dat de bloet-vaten die wy in dit Dier
+sien, en de Arterien en Venae noemen; maar een ende de selve bloet-vaten
+sijn; alleen, datse soo lang Arterien konnen genaamt werden, als sy het
+bloet tot in de uyterste deelen van de kleyne vaten voeren; ende Venae,
+als de selve het bloet weder voeren na het Hert. Als by exempel, ik sie
+veel bloed-vaatjens in de staart van de Kikvorsworm, die haar loop
+hebben als Fig. 5. A B C. waar van A. en C. na de graat van de staart
+sig strekken, of geplaatst leit; ende B. leit gestrekt na de uyterste
+deelen van de staart. A B. voert het bloed van het hert af; ende B C.
+voert het bloet weder na het hert toe: en dus konnen wy seggen, dat het
+bloet-vat A B C. een Arterie ende een Vena is, want wy konnen dit
+geseide bloet-vat niet verder een Arterie noemen, als soo verre als hy
+het bloet weg stoot, of op het verste in de selve voert, dat is hier van
+A. tot B; ende wy konnen of moeten B C. een Vena noemen, om dat het
+bloet van B. tot C. weder na het Hert gevoert werd. Ende dus blijkt het
+ons hier dat Arterie ende Vena een ende deselvige continuële vaten zijn.
+
+Daar ik de ommeloop van het bloet in de Aderen dus quam te sien, waren
+de Aderen, niet wyder, als dat een enkel deeltjen bloed (dat in dit
+gesigt globulen schenen, daar het nogtans platte ovale deeltjens sijn,
+als voor desen geseit) daar sonder hinder door konde passeren. Dog op
+een ander tijd sag ik dat de deeltjens bloet om de dunte van de
+Bloet-ader, in een lang rond veranderde: en wanneer ik het Dierke buyten
+het water bragt, en soo verre quam dat het begonde te sterven, sag ik
+dat het bloet inde dunste Arterien, somtijds stil bleef staan; en als in
+de selve Ader het bloet op nieuw wierd voortgestoten, sag ik dan dat
+verscheide deeltjens bloet, wel tweemaal soo lang wierden uytgerekt, als
+de breette van soodanig deeltjen, ende dat die dan aan beide de eynden
+spits schenen. Op een ander plaats sag ik dat het bloedt sig uit een
+dikker Arterie in twe takken verdeelde: als by voorbeeld: Ik sag de
+Arterie Fig. 6A. D E. die sig in twee takken verspreide, als in E. en
+yder van dese takken, boog in de ronte met een bogt; als met E F. en
+E G. werd aangewesen. Soo wy nu stellen dat D E F. ende D E G. Arterien
+sijn, om dat die het bloet van het Hert afvoeren, so moet volgen, dat
+F H. en G I K. Venae sijn, om dat die beyde het bloet na het Hert
+voeren.
+
+Nu heb ik ook te gelyk gesien, dat een weinig van K. een andere kleynder
+of dunder Arterie lag, die met M L. werd aangewesen. Dese laatste
+Arterie vereenigde in de Vena I K. soo dat de Arterien D E G. ende M L.
+beyde te samen vereenigde in de Vena I K. In somma in de Fig. 6A. is
+H F. een Vena. D E F. ende D E G. sijn Arterien. G I K. ende K I L. sijn
+Venae, ende M L. is een Arterie, en nogtans konnen wy seggen, dat het
+een continuëel vat is.
+
+Op een andere plaats heb ik gesien dat drie van de dunste Arterien,
+die yder met een bogt omlopende, alle drie op een punct weder te samen
+quamen, ende aldaar een bloet-vat of Vena uit maakten: en by gevolg
+was dit bloet-vat soo wyt als van de drie geseide Arterien. Dese drie
+distincte vaten nu met haar rondagtigen ommetrek, waar in de circulatie
+geschiede, en besloegen geen meer plaats, of een sant grootte soude de
+selve konnen bedekt hebben.
+
+Ook is my verscheide malen voorgekomen, dat een Arterie dwars of
+kruyselings over een Vena quam te loopen, ten ware men yder sijn
+bysondere loop niet distinct hadde konnen onderscheiden, soo souden
+veele wel geoordeelt hebben, dat de circulatie aldaar wierd te wege
+gebragt, ende dit sag ik niet alleen in de alderkleinste vaten, maar in
+vaten die wel tienmaal dikker waren als daar de ommeloop geschiede.
+
+Dese overdwars lopende bloet-vaten, sijn my voor desen veel te vooren
+gekomen, als ik in andere Dieren de vereeningen van de Arterien en Venae
+tragte te ontdekken; dog alsoo het by my vast stond dat de ommeloop van
+het bloet, niet in de vaten die groot waren, moste geschieden; maar in
+de kleinste of dunste bloetvaten: want soo sulx anders was, so stel ik
+vast dat alle de delen van het lighaam niet gevoet soude konnen werden.
+En also voor my die ontdekkingen onnaspeurelyk scheenen, soo heb ik
+sedert eenige jaren myne ondersoekingen daar ontrent gestaakt. Soo wy
+dan nu seer naakt voor onse oogen sien dat het overgaan van het bloet
+uyt de Arterien in de Venae, in de Kikvors-worm, in geen andere
+bloet-vaten geschiet, als in soodanige die soo dun sijn, dat maar een
+enkel deeltje bloet te gelijk kan doorgestoten werden; soo konnen wy nu
+wel vaststellen, dat het selve in onse lighamen, en in alle Dieren op
+soodanigen manier werd te weeg gebragt. En dit soo sijnde, soo is ons
+onmogelyk den overgang van het bloet uyt de Arterien inde Venae, in ons
+lighaam of andere dieren te ontdekken; eensdeels, om dat wanneer een
+enkel globule bloet in een aderke leggende, geen couleur en heeft: ende
+ten anderen, om dat het bloet in de bloet-vaten, als wy dat ondersoek
+doen, stil staat.
+
+Ik hebbe voor desen geseit, dat de delen of globulen van het bloet, die
+het selvige root maken, soo klein syn, dat thien hondert duysent deelen
+of globulen, soo groot niet en sijn, als een grof sand is: en over sulks
+konnen wy ons wel inbeelden, de hoekleinheid van de bloetvaten waar in
+den ommeloop geschiet.
+
+Dese verhaalde observatien en heb ik niet eenmaal gesien, maar die tot
+myn overgroot vermaak verscheide malen hervat, ende dat t’elkens in
+bysondere Wormen, ende by na doorgaans een ende deselve uytkomst gehad.
+Dog het gene ook aanmerkenswaardig was, dat was, dat in dese geseide
+seer kleyne vaaten, die op het verst van het Hert geplaatst lagen, als
+hier in ’t eynde van de staart, dat daar op verre na soo een schielyke
+en harde voortstotinge niet geschiede, als wel in de vaten naast het
+Hert gelegen. Dog alhoewel de continueele loop hier mede distinct te
+bekennen was, soo konde men egter seer klaar sien dat ’er by yder
+voortstotinge van het Hert, een weinig rasser loop geschiede.
+
+Wanneer ik myn oog liet gaan in de lengte en op het dikste van de
+staart, soo konde ik seer klaar bekennen dat aan yder syde van het
+staart-been, of graat, een groote Arterie was, daar door ’t bloet na ’t
+eynde of lengte van de staart wierde gevoert, en sig in die lengte in
+verscheide kleyne takken verspreide.
+
+Als ik een weinig ter sijden van dese Arterien na de buytekant van de
+staart af sag, ontdekten ik aldaar twee groote Vena, die het bloet weder
+opwaarts na het Hert voerden; ende daar benevens sag ik dat in dese
+groote Vena uyt verscheide kleyne Venae het bloet wierd ingestort. In ’t
+kort, ik sag hier myn volkome vergenoeginge ontrent den ommeloop van het
+bloet, alsoo my in ’t minste niets voorquam waar aan ik behoefde te
+twijfelen. Ja ik sag dat in het kleyn gedeelte van de staart, het bloet
+der Aderen meer dan in vyf-en-twintig distincte Aders circuleerde. Boven
+de geseide Aderen ontdekte ik nog in de staart een onbegrypelyk getal
+van andere Aderen met haar takken, die sig eyndelyk in soodanige kleyne
+takken verdeelde, dat die het gesigt ontweeken. Dese Aderen quamen mede
+voort uyt het dikste van de staart, en hoe nauwkeurig ik ook toesag, soo
+en konde ik egter geen de minste loop inde selvige ontdekken, schoon
+dese vaten veel dikker waren, als daar ik den ommeloop van het bloet in
+sag. Waar uyt ik in gedagten nam, of alle dese vaten niet wel senuwen
+mogten zyn.
+
+Ik en hebbe dit gesigt mede voor my alleen niet willen behouden, maar
+dat selvige aan twee voorname geleerde Heeren laten sien; niet alleen
+dat ik haar toonde dat het bloet uyt de groote Arterie, na het eynde van
+de staart wierd gevoert, ende dat daar benevens weder een grote Vena
+lag, die het bloet continueel na het Hert voerde; maar ik liet haar op
+verscheide plaatsen sien, hoe het bloet in de kleinste vaten na de
+buytenkant van de staart wierd gevoert, ende van daar door de geseide
+Aderen weder te rugge quam, en gevoert wierde na het binnenste van de
+staart.
+
+Vorders heb ik de jonge Kikvorssen op die tyd als sy van een worm, tot
+een Kikvors waren geworden, en soo verre waren gekomen, dat sy door de
+velden sprongen, geobserveert, ende in deselve mede ontdekt, een
+overgroot getal van kleyne bloet-vaten, die continueel door kromme
+bogten ommelopende, die vaten maakten, die wy Arterien en Venae noemen:
+sulks dat my hier mede seer klaar bleek dat de Arterien en Venae, een
+ende deselve doorgaande bloetvaten waren. Dog alderklaarst, ende
+aldermeest, quamen my die te vooren, op het eynde van de uytstekende
+delen van de poten, die wy wel vingers mogen noemen. Welke delen de
+kikvors aan yder voorste poot vier heeft, ende aan yder agter-poot vyf.
+
+Dese bloet-vaten die wy den naam van Arterien en Venae geven (daar het
+nogtans een ende deselve bloet-vaten sijn) waren op het eynde van dese
+vingers in een seer groote menigte, en yder hadde een ronde bogt, waar
+door men den bysonderen loop van yder vat onmogelyk konde navolgen. Alle
+dese vaten waren so kleyn of dun dat’er niet meer dan een deeltje bloet
+te gelyk door konde passeren. Dog wanneer ik dese vingers ontrent het
+eerste of tweede lid examineerde, daar vonde ik de bloet-vaten, die wy
+Arterien en Venae noemen, grooter, ja soodanig dat het bloet in die
+vaten al een rode couleur hadde.
+
+Dese jonge Kikvorssen, en heb ik niet by stukken geexamineert; maar die
+in haar geheel voor het vergroot-glas gestelt, ende sijn my de geseide
+bloet-vaten te voren gekomen, soo als ik die nu hebbe beschreven. Dese
+doorloop ofte ommeloop van het bloet heb ik soo aan twee voorname Heeren
+laten sien, die de selvige niet dan met groote verwondering beschoude.
+En voornamentlyk, als sy de delen van het bloet, die het selvige root
+maken, in soodanige dunne vaatjens (met groote snelheit sagen loopen)
+dat’er maar enkelde deeltjens bloet agter den anderen door konden
+passeren.
+
+Vorders heb ik laten vangen van de grootste slag van Kikvorssen, die wy
+Worken noemen. Dese heb ik mede in haar geheel gelaten, ende in deselve
+(met de vingers voor het vergroot-glas gebragt hebbende) heb ik mede de
+ommeloop van het bloet gesien; dog seer beswaarlyk: en ten ware ik die
+eerst in de jonge Kikvors hadde ontdekt, het soude my onmogelyk geweest
+hebben, dat ik de loop van het bloet, in de kleynste vaten soude hebben
+konnen zien.
+
+Dog wanneer ik dese groote Kikvorssen op andere deelen van het lighaam
+beschoude, heb ik in de selve seer distinct de ommeloop van ’t bloed
+konnen zien.
+
+Ik hebbe onder andere eens gesien, dat het bloet in een Arterie (die soo
+groot of wyt was dat’er drie deeltjens bloet te gelyk door konden
+passeren) te rugge, of contrarie syn eerste loop quam te lopen; dog dese
+te rugge loop en duurde niet langer, dan dat wy het getal van vier
+souden konnen tellen ende na die tyd liep het bloet weder zyn ordinairen
+en voorgaanden loop.
+
+Als by exempel het bloet sag ik loopen in een groote Arterie als by
+Fig. 6B. N R O P. en gevoert van N. na O. uyt dese Arterie quam een tak
+of kleine Arterie als hier boven verhaalt is. Nu geschiede het voor myn
+gesigt, dat het bloet in de Arterie P Q. niet alleen schielyk in sijn
+loop quam op te houden, maar het quam ook van Q. na P. te rug loopen, en
+storte het bloed in de Arterie N R O P. De oorsaak hier van beelde ik my
+in, kan geweest zijn, of dat het bloet in de kleinste Arterien P Q. of
+in de kleindere takken, waar in deselve P Q. is verdeelt, door een
+kleyne verstoppinge, is tegen gehouden geworden: of dat de muscul of
+zenuwe, naast dese kleyne vaatjens gelegen, deselvige so geparst of
+gedrukt hebben, dat de loop daar door is verhindert geworden: waar door
+niet alleen een stilstant van loop, maar ook een te rugge loop van het
+bloet in de groote Arterie die daar digte by was, veroorsaakt is
+geworden. Want na het passeren van de geseide korte tyd, nam het bloet
+weder sijn voorgaande vaardige loop.
+
+Op een andere plaats heb ik gesien dat den loop van het bloet in
+diergelijke Arterie, in korten tijd seer vertraagde, ende dat daar op
+wederom in de selvige Arterie, een schielijke voortstootinge volgde;
+doch kort op die voortstootinge volgde wel weder een trager loop; ook
+wel een seer korte stilstand. Dese voortstotinge en vertraginge van
+loop, geschiede wel vijf à sesmaal agter den anderen, ende daar op
+volgde weder een continuële vaardige voortgang, ende dit alles geschiede
+in soodanigen korten tyd, dat men geen tien woorden souden konnen
+gesproken hebben.
+
+Ik hebbe verscheide maal de Kikvors-wormen uit de water-gragt laten
+opvangen, en onder dit vangen waren drie à vier seer kleyne Visjens, die
+een weinig langer waren als de Kikvors-worm is, als deselve van een Ey
+tot een Worm is geworden. De huit van dese visjens was met swarte
+stipjens beset, welke eenige ook verbeelden sterrekens.
+
+Ik oordeelde dat dese visjens niet groot wierden, om dat ik noit
+zoodanige maaksels gelyk my die door het microscope voor quamen, met het
+bloote oog gesien hadden. Ik heb in ’t eerst een van dese Visjens
+geobserveert, maar daar inne als doen niet konnen sien het geene
+noterens waardig was.
+
+Dese Visjens hebbe ik na dat die ontrent veertien dagen op myn Comptoir
+onder de kikvors-wormen in ’t leven gebleven, (ende in die tyd al in
+grootte waren toegenomen) weder op nieuw geobserveert, omme was het
+mogelijk de circulatie ende het overgaan van het bloet uit de Arterien
+in de Venae in de selvige mede te sien, en hebbe eindelijk in de staart
+digte by de uyterste staartvinne, een groot bloet-vat, dat een Arterie
+was, het bloet sien voeren na het einde van de staart, ende digte by dat
+bloet-vat, lag weder een groote Vena, waar in het Bloed weder na het
+hert wierde gevoert, welke beyde bloet-vaten in de lengte van de staart
+lagen gestrekt.
+
+Als ik myn oog liet gaan op de staart-vin, die het uiterste van de
+staart uitmaakt, soo konde ik aldaar mede seer klaar sien, dat aan ieder
+sijde van die beentjens (die de stijfte aan de staart-vinne geven) een
+seer dunne Arterie en Vena liepen, want ik konde seer klaar ieders loop
+bekennen, dog beswaarder als in de Kikvors-Worm: eensdeels om dat dit
+visje met desselfs staart weinig stil lag; ende ten anderen, om dat de
+deeltjens bloet (die ik in dese observatien niet anders als voor globule
+konde aansien) veel kleynder waren als in de Kikvors-worm. Dese laatste
+bloet-vaatjens waren ook soo klein, dat maar een enkel deeltje bloet
+daar door konde passeren, en ten ware dese geseide delen bloet, niet uit
+de dunne vogt, daar in die als drijven, (die by eenige de weyagtige
+stoffe van het bloet genaamt werd) uitstaken, wy souden geensins de loop
+van het bloet konnen ontdekken.
+
+Alhoewel ik de loop van het bloet soo in de Arterien als Venae, seer
+distinct konde sien, soo was het egter my onmogelijk, hoe naauw ik
+toesag, de plaatsen of eynden van de Arterien ende het begin van de
+Venae te sien. Dog als ik naderhand met het eenigste of laatste Visje
+dat ik nog behouden hadde, op een ander manier als met de voorgaande
+quam te handelen; sag ik tot myn overgroot genoegen, seer naakt, niet
+alleen op een, maar doorgaans op verscheide plaatsen, de circulatie van
+het bloet: want aan yder sijde van de hier vooren verhaalde beentjens
+(die de starkte aan de vinnen geven) liep yder Arterie met een klein
+bogtje om, en maakten aldaar het begin van de Vena.
+
+Wanneer ik quam te sien op de staart van het visje, alwaar de
+staart-vinne haar begin neemt, daar sag ik met groote verwondering, hoe
+dat de groote Arterie sig aldaar, in de geseide seer dunne vaatjens of
+Arterien, verspreide, en hoe dat vele van de dunne Venae van de
+staart-vinne hier digte by, weder in de groote Venae te samen quamen
+loopen. In ’t kort, hier was sulken beweginge van het bloet, dat uyt de
+dikke Arterie na het uyterste eynde van de staart, en staart-vinne
+vloeide, of gestoten wierde, ende het geene uyt veel kleine Venae, na de
+groote Vena weder te rug quam, dat het onbegrijpelyk was.
+
+Wanneer ik myn oog liet gaan op beyde de buytenste kanten van de staart,
+daar de korte beentjens van de staart-vinne haar begin nemen, daar sag
+ik dat veel van de kleinste Venae te samen liepen of vereenigden, en
+maakten aldaar een grooter Vena uyt. Dog dit seer aangenaam gesigt en
+duurde niet lang, want ik hadde het Visje uit het water genomen, en
+alsoo schielyk voor myn gesigt gebragt, en in sulken geval vertraagde de
+loop van het bloet in de uiterste deelen van het lighaam, minder als in
+een menuit tijds.
+
+Na die tijd heb ik selfs van die soort van Visjens gaan vangen, om dat
+ik met dit schoon gesigt van een Visje niet vergenoegt en was, en hebbe
+doorgaans een ende deselve uitkomst gehad.
+
+Vorders heb ik waargenomen dat de groote Arterie (waar uit veele kleine
+Arterien haar oorspronk hadden) ende de groote Vena, (waar in het bloet
+uyt veele kleine Venae wierd ingestort) digte of nevens den anderen in
+de lengte van de Vis geplaatst lagen; digt aan het graat-beentje van de
+Vis; te weten, niet na de bovenste ofte rugge sijde van het
+graat-beentje, maar na het onderste gedeelte van het graat-beentje,
+sonder dat ik na de rugge sijde van het graat-been, geen het minste
+groot bloet-vat konde ontdekken. In de geseide groote Arterie konde ik
+doorgaans op nieuw de voortstootinge of verheffinge van een rasser loop,
+die het bloet van het Hert ontfangt, bekennen: dog in de alder-dunste
+Arterien, en konde ik in de loop van het bloet geen veranderinge gewaar
+werden, want daar was de loop seer egaal. En gelyk ik geseit hebbe dat
+in de dunste vaten geen couleur en was, soo konde ik egter klaar
+bekennen, dat in de groote Arterie en Vena [die seer na aan het eynde
+van de staart lagen] het bloet root was.
+
+Omme nu de hoegrootheid van het geseide Visje daar in ik de circulatie
+van het bloet mede hebbe ontdekt, heb ik het selvige laten afteikenen,
+soo groot als het ons in het bloote oog te vooren komt, als hier met
+Fig. 7 is afgeteikent.
+
+Fig. 8. Vertoont mede de hoegrootheid van zoo een Visje dat ik op nieuw
+hadde wesen vangen, dog de meeste waren kleinder, en onder agt à thien
+had ik’er maar een dat wat grooter was.
+
+Ik hebbe een Visje voor het vergroot glas gestelt, ende geordonneert dat
+den Teikenaar alles soude teikenen dat hy quam te sien; het welke hier
+met Fig. 9. A B C D E F G H I K L M N. is aangewesen.
+
+B C. verbeelt het oog van de Vis, dat my soo groot en volmaakt doorgaans
+voorquam, als of wy met ons bloote oog een schelvisoog beschouden. Dog
+alsoo het Visje meer dan een gansche dag hadde doot geweest, ende in die
+tyd het hooft, ende oog, meer als de andere deelen van het lighaam was
+ingedroogt, heeft het den Teikenaar niet beter konnen sien.
+
+Tusschen C D. waren op de rugge verscheide korte uytstekende deelen.
+
+D E. is een vinne digte by de staart gelegen.
+
+F G H I K. is de staart-vinne waar in men telt seventien beentjens, daar
+van der drie met G H I. werden aangewesen. Dese beentjens die de styfte
+of starkte aan de staart-vinne geven, waren met ledekens verzien, en ik
+sag ook dat die uyt lange deeltjens [dat na alle aparentie holle pypjens
+sijn] waren te samen gestelt.
+
+Ik konde ook te gelyk sien, dat het vlies of vel, dat dese beentjes
+overdekten, en het meerendeel van de staart-vinne uytmaakten, mede uyt
+lange deelen was te samen gestelt, dog alle dese deelen en heeft den
+Teikenaar niet konnen sien, om dat deselvige met het sterven van het
+Visje, het gesigt ontweken waren.
+
+L M. is mede een vinne digte by de staart aan het onderste deel van het
+lighaam.
+
+N A. is de mond die in ’t droogen seer wyd is open gebleven, daar het
+Visje anders, wanneer het leeft, continueel de mond, ende dat seer ras
+agter den anderen, maar een weinig op en toe doet.
+
+Ik hebbe hier vooren geseit, hoe dat ik aan yder sijde van het beentje,
+dat voor een gedeelte de staartvinne uytmaakt, seer klaar de Circulatie
+van het bloet konde bekennen; soo dat tusschen yder beentje twee
+distincte ommegangen geschieden. Sulx dat dan in de vinne van de staart
+geschiede vierendertig bysondere ommegangen, dat is, daar waren in de
+vinne van de staart van soo een kleyn Visje, agtensestig bloet-vaten, te
+weten vierendertig Arterien, en gelyk getal van venae, ende dat behalven
+de bloet-vaten die nog in ’t kortste van de selve vinne mogten leggen,
+als ontrent F. of K. daar op ik geen agtinge en hebbe gegeven.
+
+Omme nu de circulatie die in de staart-vinne geschiede beter aan te
+wysen, heb ik een gedeelte van een vin-beentje grooter laten afteikenen,
+als hier met Fig. 10. O P Q R. werd aangewesen.
+
+Aan welk been seer digt aan yder sijde heen loopt een Arterie die hier
+beyde werden aangewesen met S T. ende W X. in welke bloed-vaten ik hebbe
+laten teykenen die deeltjens bloet die haar als rond vertoonen.
+
+Dit bloet met een vaardige loop van S. na T. volbragt hebbende, keerde
+met gelijke snelte van T. weder te rug na V. soo dat S T. een Arterie
+is, ende T V. een Vena, en nogtans is het een gecontinueert, ende
+doorgaande bloet-vat. Soo was het insgelijks gelegen met de bloet-vaten
+aan de ander sijde van het beentje als W X Y. Dog dese Arterie en Vena
+en lagen soo wyd niet van den anderen, als hier naar advenant is
+afgebeeld, maar die lagen op veel plaatsen soo digt nevens den anderen,
+dat Arterie en Vena malkanderen raakten.
+
+Op andere plaatsen en selfs in de vinne D E. ende L M. heb ik het bloet
+soo in de Arterien als Venae, mede niet alleen sien loopen, maar daar
+inne hebbe ik ook de ommeloop konnen bekennen, als in de staarte-vinne
+is geseit.
+
+De geseide ommeloop van het bloet in het verhaalde kleine Visje, hebbe
+ik aan twee voorname Geleerde Heeren bekent gemaakt, die haar seer
+genegen toonde om deel te mogen hebben van dat gesigt, dat ik haar
+toestont, en hebbe verscheide Visjens, sodanig voor het vergroot-glas
+gebragt, dat sy seer distinct, in verscheide bysondere vaten te gelyk,
+de ommeloop van het bloet, met groote verwondering en opmerkinge
+aansagen.
+
+Sien wy nu in de staart-vinne van soo een klein Visje, als hier met
+Fig. 7 of Fig. 8 werd aangewesen, vier-en-dertig bysondere circulatien
+van bloet, wat een onbedenkelyke groote menigte van circulatien moeten
+daar dan niet wel geschieden in ons lighaam. ’t Welk zoo sijnde, zoo
+hebben wy ons nu niet meer te verwonderen, dat als wy met een naalde of
+ander klein werktuyg ons komen te quetsen, dat daar bloet uyt komt.
+
+Ja ik verseker my uyt de geseide observatien, dat in de plaats of spatie
+van een nagel van onse hand groote op onse voorste vinger, of ik mag wel
+seggen in onze geheele huyt, doorgaans meer dan duysent besondere
+ommeloopen van het bloet geschieden.
+
+Na myne voorgaande observatien heb ik myn gedagten laten gaan op onse
+gemene Rivier-vis, namentlyk op de Voorn en Braassem, omme, was het
+mogelyk, in de selvige mede de circulatie van het bloet te sien. Ik
+hebbe dan jonge Voorn en Braassem genomen, die ik oordeelde dat twee
+jaar out was, dese heb ik met haar hoofden om laag in ’t water gestelt,
+ende der selver staarten buyten het water laten komen, opdat de Visschen
+haar hoofden of kaken soude konnen bewegen, ende dat dus de circulatie
+van het bloet geen hinder aangedaan mogte werden, maar sijn volkome loop
+voor eenigen tijd continueren.
+
+Alsoo het nu onmogelijk is dat wy de circulatie van het bloet in eenige
+andere deelen van dese Visschen souden konnen sien, als in de vinnen van
+deselvige, om dat haar lighamen met schobbens bezet sijn, soo heb ik
+alleen de staart-vinne doorsogt, om dat die de bequaamste was, en hebbe
+in de selvige seer klaar gesien, een groote menigte van bloet-vaten, die
+mede soo dun waren, dat maar een enkel deeltje bloet daar te gelyk konde
+door passeren, ende daar benevens sag ik de vaaten, waar in het bloet na
+de uyterste deelen van de staart-vinne wierd gestooten, ende andere,
+waar door het bloet weder te rug quam, sonder dat ik nogtans konde
+vernemen of bekennen, de uyterste deelen van de Arterien en Venae, want
+als ik na het uyterste eynde van de staart-vinne, die met het gesigt
+wilde vervolgen, soo verloor ik, en Arterien en Venae uit het gesigt.
+
+My is meer als eenmaal te vooren gekomen, dat het my toe scheen dat een
+Arterie, die niet wyder was als dat een enkel deeltje bloet te gelyk
+daar door konde passeren, quam te verstoppen; ’t welk aldus toeging, te
+weten, dat bloet, na dat het eenige malen door de Arterie als met gewelt
+voortgedreven was, schielyk een weinig te rug quam, en in sijn eerste en
+ordinare cours als gestuit wierd. Waar op het dan gebeurde, dat dat
+bloet een andere cours (niet verre van het eerst gewesene vat) nam, en
+volvoerde aldaar onverhinderlyk sijn loop, alleen met dit onderscheid
+dat het soo vaardig niet en liep. Dit siende, stelde ik vast, dat den
+veranderden cours, die het bloet hier quam te nemen, niet geschiede door
+een bloet-vat dat een rok of menbrane hadde, maar dat het bloet alleen
+met gewelt, een Canaaltje hadde gemaakt.
+
+Ik hebbe voor desen geseit dat alle de deeltjens bloet die het selvige
+root maken, soo van Vissen als van Vogelen uyt platte ovale deeltjens
+bestaan, die my in de voorgaande geseide observatien, rond voor quamen,
+waar van alleen de oorsaak is, dat ik in die ontdekkingen, soodanige
+vergrootende glasen niet en hebbe konnen gebruyken, als tot het distinct
+sien van de bloet-deelen wel vereist wierde.
+
+Dog in de laatst geseide nieuwe bloet-loop, konde ik sien, dat de
+deeltjens bloet, die het selvige root maken, plat waren. Ja ik sag niet
+alleen dat die plat waren, maar ik sag daar benevens ook, dat die langer
+als breet waren.
+
+Dat my nu die deeltjens in soo verscheide veranderingen van Figuren voor
+quamen, dat was om dat die deelen in haar loop dikmaals als omwentelden:
+want het geene de eene oogenblik op sijde voor het gesigt lag, lag weder
+na een weinig voortgang daar voor voor met een platte sijde: wederom een
+ander deeltje bloet wierd in een hair-breet voortgaan, in sijn lengte
+omgeworpen. In somma, ik sag hier soo veel omkeringen van de platte
+deeltjens bloet, als ik my soude konnen magineren. Dit net gesigt quam
+my eensdeels te vooren, om dat die spatie waar in de loop van het bloet
+geschiede, soo doorschynende voor myn gesigt quam, als of de deeltjens
+bloet in een glase pypje hadde voortgeloopen. Ende ten anderen konde ik
+van de deeltjens bloet soo veel te beter oordelen, om dat my bekent was,
+dat de deeltjens van het bloet, die het in de Vissen root maken, platte
+ovale deeltjens waren.
+
+Hebben wy nu geluk gehad (daar wy na verlangt hebben, en waar na wy veel
+jaren soo nu als dan seer naarstig, dog te vergeefs, gesogt hebben) dat
+wy nu soo naakt de ommeloop van het bloet, ende den doorgang van het
+selvige uyt de Arterie in de Vena in de voorverhaalde Kikvors en
+Visschen, hebben voor de oogen gestelt, soo sullen wy egter daar op niet
+rusten, maar ons devoir doen om het selvige ook in andere Dieren na te
+speuren, ende, is ’t doenlyk, insgelyks ie ontdekken.
+
+Eer ik afscheide vinde ik my genootsaakt hier by te voegen, dat ik,
+weinig tyd geleden, verhalende aan seker Hoog Leeraar in de Medicine,
+myne ontdekkinge ontrent de circulatie van het bloet, dese Heer tot my
+seide, als men van myne observatien quam te spreken, en se tot
+bevestinge van eenige saaken te allegeren, dat ’er veelmaal wierd
+geantwoord; moeten wy het geloven om dat het Leeuwenhoek seit; wat
+sekerheid hebben wy daar van? Waarom dan dien Heer my aanmaande,
+en seide, dat ik wel soude doen, dat ik een attestatie van eenige
+voorname Personen, die ooggetuigen mogten sijn geweest, van dese myne
+ontdekkingen behoorde te produceren, op dat ik desen aangaande minder
+tegenspreekens mogte lyden.
+
+Het is wel waar, dat ik uyt besondere speculatie tot nog toe in myne
+brieven niemant met name en hebbe genoemt, van die geene die met my
+eenige van de remarcabelste dingen met haar oogen hebben gesien, door ’t
+behulp van myne microscopien, maar alleen in ’t generaal gesegt, dat ik
+sommige Heeren van kennis en oordeel, Liefhebbers van de natuurkunde,
+deselve hadde voorgehouden.
+
+Maar dewyle dat ik nu verneme dat meer geloof aan myn seggen sal gegeven
+werden, wanneer ik de name kome te specificeren van die geene die de
+voorverhaalde circulatie ofte ommeloop van het bloed ten deele hebben
+gesien, van het geene ik nu aan hare Hoog Edelen hebbe overgeschreven
+ende ontdekt, so sal ik geen swarigheid maken, in plaats van veele,
+soodanige hier te noemen, die ik vertrouwe dat wel het meeste geloof
+sullen meriteren. Als daar sijn _d’Heer Cornelius ’s-Gravesande, Med:
+Doct: en ordinaris Voorleser in de Anatomie en Chirurgie_, als mede
+_Raad ende oud Schepen deser Stad; d’Heer Mr. Cornelius Valensis, mede
+Raad ende oud Schepen, als boven; d’Heer Mr. Antoni Heinsius, Raad en
+Pensionaris deser Stad, voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn
+Koninklijke Majesteit van Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen
+Staat aan het Hoff van zijn Koningl: Majesteit van Engeland_. Dese
+Heeren die ik gewoon ben veele van myne ontdekkingen te communiceren,
+heb ik nevens andere de waaragtige circulatie van het bloet laten sien,
+soo klaar als of wy de beweginge van het water in een lopende Rivier met
+onse blote oogen aanschoude.
+
+Hier hebt gy Hoog-Edele Heeren myne observatien ontrent de circulatie
+van het bloet, soo als ik die van tyd tot tyd op het papier hebbe
+gestelt; en na het voltrekken deses, heb ik nog verscheide observatien
+ontrent de circulatie van het bloet gedaan, en tot myn groot genoegen,
+de ommeloop van het selvige in vier besondere levende schepsels my voor
+de oogen gestelt, en alsoo dit groote lichamen sijn, in vergelykinge van
+de voorgaande, soo heb ik egter middelen bedagt, waar door ik hier na de
+circulatie van het bloet in een van dese groote schepsels, aan andere
+seer klaar sal konnen toonen, waar van in toekomende breder, en ik sal
+onder des blyven,
+
+ _Hoog-Edele Heeren, enz._
+
+ ANTONI VAN LEEUWENHOEK.
+
+
+[Erratum:
+
+F G H I K. is de staart-vinne
+ _text: T G H ... _ ]
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+ PROEFNEMINGEN
+
+ van
+
+ de particuliere beweeging der Spieren
+ in de Kikvorsch,
+
+die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren
+ in de menschen en beesten toegepast worden.
+
+ Uit:
+
+ „DE BIJBEL DER NATUURE“,
+
+ door
+
+ JAN SWAMMERDAM.
+
+
+
+
+_Proefnemingen van de particuliere beweeging der spieren in de
+ kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren
+ in de menschen en beesten toegepast worden._
+
+
+Hoe gewigtig en ook moejelyk het is, om de waare beweegingen der Spieren
+te verklaaren, dat blykt ons uyt de menigvuldigheid der experimenten,
+dewelke de gaauste verstanden daar van tyt tot tyt omtrent gedaan
+hebben; sonder dat men tot nog toe de waare oorsaak daar van heeft
+kunnen ontdekken; waar daar ook de seer groote nuttigheid ende
+gewigtigheid der kennis, die uyt deese wetenschap sou volgen, tot nog
+toe in de donkere windelen der onwetendheid geinvolveert is. En dit is
+de reeden, dewelke my beweegt, om eenige experimenten, die ik al over
+lang omtrent deese saak gedaan heb, in het ligt te geeven, en alsoo ik
+die van een seer groote consequentie en gewigt oordeel, soo sou ookmyn
+versoek zijn, om die ernstig te willen naadenken, en op den toetsteen
+der waarheid te stellen.
+
+Omtrent de structuur en de beweeging der Spieren is het seer opmerkelyk
+om te weeten, hoe dog eygentlyk de Senuw daar meede vereenigt is, wat
+structuur hij daar binnen in heeft, en hoe syn loop, ingank, midden,
+distributie en eynde is, met dan wat voor communicatie dat hy ook met de
+beweegende Vesels heeft, en wat werking hy in deselve veroorsaakt: gelyk
+dan ook, wat eygentlyk die subtiele materie is, die buyten alle dispuut
+door de Senuw tot de Spier gevoert wort. Maar dit alles is nog op ver na
+niet genoeg tot deese kennis, alsoo men ook de structuur der Vliesen,
+soo om als binnen in de Spier, met dan haare subtile Veselkens, die van
+de eene beweegende Vesel tot de andere, en ook tussen beyde, als een fyn
+geweefsel loopen, diende te kennen: gelyk ook het maaksel van de Ader en
+Slagader, en haare waaragtige gesteltenissen, binnen in de Spier: en wat
+daar vorder nog tot de kennis van de structuur der beweegende Vesels
+behoort. Dat alles nog donker en onbekent is; en mogelyk niet sal bekent
+worden, ten sy men al syn tyt alleen op deese saak kwam aan te leggen,
+en syn alderuyterste neerstigheid daar toe gebruykte: want sekerlyk den
+yver en neerstigheid ontdekken alles. Maar wat my belangt, van alles wat
+ik in de Anatomie tot nog toe heb voorgestelt, daar kan ik niet van
+seggen, dat ik nog oit een saak tot die perfectie uytgevoert heb, daar
+ik sekerlyk van weet, dat men se sou toe kunnen brengen: maar dan most
+ik al myn leeven in een eenige ontdekking verslyten. Dat ik onnodig
+oordeel, om dat ik ook sekerlyk weet, dat als ik al ten eynde gekomen
+was, ik niet als myn onwetentheid sou vinden. En daarom heb ik liever
+verscheyde saken willen verhandelen, dan een eenige, op dat de Werken
+GODS niet verhoolen souden blyven, om een weynig meer of minder kennis,
+die men van deselve sou mogen hebben: alsoo onse waaragtige weetenschap
+alleen bestaat, in dat we GOD wel weeten te beminnen.
+
+Ik bevinde dan omtrent alle de voorige opgestelde saken nog seer veele
+en onoplosselyke verborgentheeden: en niet tegenstaande dat de
+uytmuntende Anatomicus de H. STENONIS, daar seer veele naukeurigheeden
+omtrent ontdekt heeft, soo is hy in het midden van syn loop blyven
+steeken. En veel minder kan men sig voldoen omtrent de beweeging en
+werking, dewelke die subtiele geest in de Spier veroorsaakt, die
+geduurig door de Senuw daar invloeyt: als synde dit een saak, die onder
+oneyndige duysterheeden verborgen is. Egter alsoo ik omtrent deese
+beweging der Spieren al vry eenige experimenten nu en dan gedaan hebbe,
+soo sal ik de principaalste tegenswoordig voorstellen, en die het
+oordeel der verstandige onderwerpen.
+
+Het is een saak van een eeuwige waarheid, en seer groote consideratie,
+dat ten welken tyde men de Senuwen der levende lichaamen aanroert, dat
+men terstont in de Spieren, waar naa toe sy loopen, een merkelijke
+beweeging siet veroorsaakt, dewelke van de natuurelyke contractie der
+selve niet verscheelt. Waarom soo men de Senuwen, by exempel, van het
+Middelrif in een levendig geopende Hont, sagtelyk met de punt van een
+seer fyne naalt komt te prikkelen, te steeken, of met een weynig vuur,
+en ingedronge of scherpe wateren, komt te irriteeren, soo sal men
+datelyk het Middelrif syn natuurelyke functie sien volvoeren, sig
+contraheeren, van verwulfd vlak worden, en sig uyt de Borst te beweegen,
+en de Ingewanden van de Buyk uytwaarts te stooten: en men sal het de
+Borst naa die proportie sien dilateeren, naa dewelke dat het in syn
+contractie regter wort, en sig verder uyt de Borst extendeert.
+
+Dit is een seer aardig en ook vermakelyk experiment, soo om de
+wonderlyke beweeging, die men in die gecomponeerde Spier dan siet, als
+meede om dat het selve experiment in het selve subject veelmaals kan
+herhaalt worden, soo men maar de Middelrifts-Zenuwen, daar se in haar
+begintsel langs het Hartesakje heen loopen, komt te irriteeren, en soo
+allenkskens tot de tweede, derde, ende vierde irritatie, naa onderen
+komt voort te gaan, tot daar sy ingeplant worden.
+
+Nu, niet alleen omtrent dat deel, maar ook omtrent alle de vordere
+spieragtige deelen van het lichaam des Diers, kan men dit experiment
+seer ligt omtrent de Zenuw in het werk stellen. Waarom ons ook dikmaals
+gebeurt, in de levende Sectien der Dieren, als wy de Zenuwen met een mes
+doorsnyden of raaken, dat we seer notable beweegingen in de onderhorige
+Spieren gewaar worden. Gelyk de H. STENONIS ook diergelyks yets Myolog.
+spec. pag. 78 en 79. edit. Janss. aangetekent heeft. Wanneer ik hem te
+vooren een seer out en bekent experiment van my in de Kikvorschen
+getoont hadt. En dit siet men niet alleen in de viervoetige Dieren te
+geschieden, maar ook in de Vogelen en Visschen; en bysonderlyk in de
+Rog, die seer sterke beweegingen in syne Spieren herneemt, als men syne
+Senuwen irriteert.
+
+Op de fondamenten van deese beweegingen, die in de Spieren veroorsaakt
+worden, als men haare Senuwen alleen raakt of irriteert: soo heb ik
+dikmaals voorgenoomen, om ook op die wyse de Senuwen der Ingewanden aan
+te raaken, alwaar ik hier en daar seer merkelyke vleesagtige Vesels
+vernoomen heb: gelyk als ik ook wilde doen omtrent de Senuen, die naa de
+Nieren gaan, naa de Leever, de Milt, de Longen, de Teelleeden, en andere
+partyen, waar omtrent, maar voornamelyk de Nieren, ik haast niet en
+twyfel, of men sal daar merkelyke contractien veroorsaakt sien te
+worden; en alsoo door dit experiment veel nader tot het ware gebruyk
+deeser deelen indringen: dan de tyt daar toe heeft my tot nog toe
+ontbrooken. Waarom het my voor tegenswoordig genoeg is, dit met een
+enkel woort te hebben aangeweesen, om ook andere occasie te geeven, dit
+verder naa te soeken, alsoo de Natuur door een gemeenen arbeyt moet
+ondersogt worden; en ook, om dat een persoon alleen niet als seer weynig
+kan uytvoeren, omtrent saken die oneyndig syn.
+
+Maar hier dient men nu aan te merken, dat in de Dieren, die het heetste
+bloet hebben, dese bewegingen der Spieren soo opmerkelyk niet en syn,
+of liever soo lang niet en continueeren, als wel in die Dieren, die met
+kouder bloet begaaft syn, als daar syn de Visschen, en veele andere
+water Dieren, het sy met veel, met weynig, of sonder Voeten, of ook in
+die te gelyk op het lant en in het water leeven. En waar omtrent ik in
+de Kikvorsch deese myne experimenten voornamentlyk genoomen heb. Want in
+deese Dierkens sijn de Senuwen seer sigtbaar, en sy kunnen ligt ontdekt
+ende ontbloot worden. En het Ruggemerg, als ook de Hersenen die hebben
+dit in de Vorsschen particulier, dat er als een vloeybaar sout, in
+rokken beslooten synde, en met Bloedvaten doorweeven wordende, overal en
+omtrent aanlegt; soo dat het ook in de bolligheyd der Wervelbeenderen
+bevonden wort, als ook in het Bekkeneel selve. De couleur daar van is
+als een blinkende perel; en het leyt in gedaante van knoopkens langs de
+rey der Wervelbeenderen en de Rug, daar het seer ligt geobserveert wort.
+Dit naturel sout bruyst seer sterk, wanneer het met een zuure vogt
+vermengt wort. De substantie daar van komt seer over een met dat
+greynagtig en stenig poeyer, dat in de hoofden van de Zee-Honden
+Carcharias genoemt gevonden wort, en voor de Herssenen van die Visschen
+door een onverstant in de Winkels verkogt wort. Want het is niet als een
+steen of kalkagtige materie, die, even als de steen der Baarsen in de
+Baars, ook soo in het Hooft van de Hond Carcharias geplaatst wort.
+Diergelyk een poeyer heb ik in het Hooft van de Rog ondekt, dat meede
+seer sterk met zuur opbruyst, en waarom ik oordeel, dat daar meede een
+Alkalisch gelyk sout in is: gelyk ook in de steenkens, die men
+Kreeftogen noemt. En hoewel deese substantie in de Vorschen vloeybaar
+als een water is, soo droogt sy dadelyk op, door de warmte van de hant
+of vingers, dan nooit soo hart, of men kan se seer ligt tusschen de
+tippen der Vingeren, tot een fyn poeyer vryven; gelyk dat ook omtrent
+die kalkagtige en vloeybaare materie in de Rog plaats heeft. Of nu dit
+sout eenig gebruyk in de Medicynen heeft, of hebben kan, dat sou de
+ervarentheyd moeten leeren, tot nog toe is het my onbekent. Maar ik keer
+weer tot de Spieren.
+
+Het is dan een seer aardig en nut experiment, als men een der grootste
+Spieren van een Vorsch uit de Dye separeert, en die met syn aanhangende
+Zenuw prepareert, dat deselve ongekwetst is. Dit gedaan hebbende, soo
+vat men de Spier aan weersyden by syne Peesen _a a_, en als men dan de
+neerhangende Senuw met een schaarken of iets anders irriteert _b_, soo
+doet men de Spieren syn voorige en verloore beweeging weer herhaalen.
+Waarom ook dadelyk de Spier sig contraheerende, de twee handen, die syne
+Peesen vatten, als te samen by een komt te trekken, gelyk ik al in het
+jaar 1658 dat aan syn Doorlugtigheid, den tegenwoordig regerenden Hertog
+van Toscanen, kwam te vertoonen, wanneer hy my seer onverdient geliefde
+te besoeken. En dit experiment kan men soo menigmaal met deselve Spier
+herhaalen, als de Senuw nog maar ergens ongekwetst is. Waar door men hem
+syn contractie soo meenigmaal kan doen herhaalen, als het ons geleegen
+komt.
+
+Maar soo men nu wil sien, en dat heel distinct, tot welken graad de
+Spier in syn contractie sig komt te verdikken, en hoe ver dat syne
+Peesen te samen getrokken worden; soo moet men hem door een glase pypken
+losselyk heen steeken _a_, en in de plaats dat men de twee Peesen met de
+Vingeren vast hielt, soo dient men daar twee fyne naalden door te
+steeken _b b_, die men, niet te vast en niet te los, in een stuksken
+kurk met haare punten moet vast maaken. Als men dan de Senuw irriteert
+_c_, soo siet men, dat de Spier, door syn verwekte contractie, de
+hoofden der naalden sal uyt haar plaats naa malkanderen toe beweegen
+_d d_, en binnen in de glase pyp sal men het lichaam van de Spier selfs
+sig merkelyk sien verdikken _e_, en het gansche pypken te vervullen,
+stotende de lugt uyt syn plaats. Tot dat hy in syn contractie
+ophoudende, de naalden weer in haar plaats springen, en dat het lichaam
+van de Spier weer van het pypken afwykt, soo dat hy tussen hem en het
+pypken een ope passagie voor de lugt laat. Maar soo men nu de Spier aan
+syn selfs laat, of dat men hem in kout water met al de verhaalde toestel
+set, soo sal men hem, haast op deselve wys, ook allengskens sien
+contraheeren, en ten laatsten hem soo merkelyk in een sien krimpen, dat
+hy de gansche middelste holte van het pypken sal vervullen.
+
+Als men nu deese voorige experimenten wel considereert, en alsoo ernstig
+let op de force der contractie, of de beweeging van de Spier, dewelke hy
+yder ogenblik herneemt, als syne Senuw op nieuw geirriteert word; soo
+sou men kunnen vraagen: of daar tusschen de Senuw en de Spier wel een
+andere communicatie nodig was, als alleen deese simpele roering,
+irritatie, of beweeging? En alsoo ook in de Dieren, die heter Bloet
+hebben, deese selve beweeging in de onderhoorige Spieren veroorsaakt
+wort, als men haare Senuwen raakt: soo sou men deselve vraag kunnen
+doen: namelyk, of daar door ook wel tusschen de Hersenen, en het Merg,
+en tusschen die der Senuwen en de Spieren een andere communicatie, als
+deese irritatie nodig was? want in wat voor Dieren dat het syn, daar ik
+dat in getenteert heb, daar contraheeren haar de Spieren altyt, als men
+het beginsel des Mergs, of ook de uytgaande Senuwen maar roert.
+
+Soo dat ik wil seggen, of men niet wel geheel sou kunnen verwerpen, dat
+daar uyt de Hersenen een spiritueele substantie, tot de beweeging der
+Spieren nootsakelyk, sou plaatselyk moeten afschieten, en dat soo
+veerdig, geswint, en radt, dat deese nieuwe geesten de voorige
+voortdryvende, in een ogenblik, in de alderuytersten van het lichaam,
+op het minste gebieden der wil, of andersins ook wel natuurlyk moesten,
+en soude konnen present syn.
+
+Ik en twyfel hier niet, of die geenen, dewelke de contractien der
+Spieren stellen, door opblaasing, opbruyssing, en een uytgedagte
+uytsettende beweeging te geschieden, sullen my hier in geheel tegens
+vallen, en my voorwerpen, dat men ook in de contractie van de Spieren
+deese opblaasing, of verdikking der bewegende Vesels, ogenschynelyk sien
+kan. En ook, dat alle de spieragtige deelen al reede vol geesten syn,
+soo dat daar maar een weynig dierlyke geesten nodig syn, om deese of die
+Spieren op te blaasen, en door contractie te doen opspannen; gelyk het
+oog ons leert.
+
+Maar alsoo deese gevoelens geheel te gront vallen, als men aanmerkt, hoe
+veel maal door een simple aanporring, opwekking, of irritatie der Senuw
+alleen, de Spier haar beweeging in myn voorgestelt experiment verkrygt,
+en dat selfs, daar de Senuw al lang is afgesneeden geweest, en de
+geposeerde dierlyke geesten vervlogen of verswakt syn, en haar werking
+alreede gedaan hebben; houdende ook de communicatie met de Hersenen en
+het Merg op: soo sou ik wel eens wenschen, dat men ernstig
+considereerde, dat het door geene experimenten kan beweesen worden, dat
+daar ooit eenige materie, in een bevattelyke substantie, door de Zenuwen
+tot de Spieren afvloeyt. Want daar gaat niet als een seer geswinde
+beweeging door, die soo seer snel is, dat sy kwalyk de naam verdient van
+een momentelyke beweeging genaemt te worden. En daarom soo is die geest,
+die beweegde of die subtile materie, die in een ogenblik door de Senuen
+tot de Spieren voortgaat, met alle reden te vergelyken, met die snelle
+voortgedreeve beweeging, dewelke door een lange mast of balk gaat, daar
+men aan de eene syde met de vinger opknipt, en die men, bykans op het
+selve ogenblik, aan de andere syde gewaar wort, als men daar syn oor
+tegen aan leyt: soo dat se ook in onse Spieren selfs verscheyde
+beweegingen door de Senuwen veroorsaakt: gelijk diegeene betoonen
+kunnen, die dit rare, hoewel gemeene experiment, wel considereeren.
+
+Doet hier nu by, dat van meer gewigt is, dat de Spieren selfs, als se
+gecontraheert worden, in het alderminste niet opgeblaasen, of dikker
+worden, maar dat zij veel eer ontswellen; hoewel nogtans dat haare
+bewegende Vesels een andere situatie aanneemen, of om eygentlyker te
+spreeken, digter in malkanderen in een gaan. Gelyk diergelyk iets in een
+lange en platte te samengedrukte spons te sien is, dewelke door die
+samenparssing dikker en vaster wort, hoewel hy selfs een veel minder
+plaats beslaat. Soo dat ik uit veele reedenen, die ik vervolgens sal
+voorstellen, niet onbillyk kan besluyten, dat het korter worden en in
+malkanderen krimpen, der bewegende vesels van een spier, waar door de
+selve een kleender plaats beslaat; eygentlyk syn waare actie of
+contractie is, die seer verkeert opblaasing, opswelling, enz. genoemt
+wort.
+
+En hoe sou het ook mogelyk kunnen syn, dat een Spier sou opblaasen? daar
+hy bestaat uyt sulke subtiele draatkens die haast het oog ontvlieden, en
+die nog uit klootkens samengesteld worden? En wat materie sou het dog
+kunnen weesen, om dese opblaasing te maaken, die meede door sulke
+subtiele draden, daar de Senuen uyt gemaakt worden, sou moeten passeren;
+soo dat dese draden haast van gelijken onsigtbaar zyn, wanneer men haar
+naukeurig, sonder te kwetsen, examineert? Het geen ook klaar blykt, als
+men den oorspronk der Senuen uyt het Merg considereert, dewelke daar ter
+plaatse soo subtiel syn, en soo naauw van het dikke Hersenvlies
+omvangen, dat daar door die opening haast geen fyn glase hayrpypken kan
+passeren. Wat voor een subtiele geest sou daar dan door dezelve opening
+moeten heen dringen, die nog in zijn geheel van het uytgaande
+Senuwdraatken, dat daar in omvangen is, geslooten wort? En nogtans
+stellen dese Autheuren niet alleen, maar sy willen selver, dat daar een
+voedende materie door dese Senuen sou passeren; die sommige soo dik
+maaken als het wit van een Ey; dat by my soo grof is, dat het niet
+meriteert beantwoort te woorden. En alsoo weynig ook de uytgedagte
+opbruissing, tusschen de geesten en het Bloet, dat de Spier sou
+opblaasen: hoewel de maniere van de opblaasing t’ eenemaal stryt met de
+bekende structuur der spier.
+
+Het stryt ook ganschelyk tegens de opblaasing, en de invloejing der
+geposeerde geesten, dat men klaar siet, wanneer een Spier door gesneeden
+wort, en syne bewegende vesels van een verdeelt, dat egter alle die
+delen haar datelyk weer als natuurlyk beweegen, soo wanneer maar de
+Senuw aangeroert wort: het welk experiment men onder anderen ook in de
+Kikvorsch neemen kan, en in verscheyde andere Dieren, die in het water
+leeven, en bysonderlyk in de Eendvogel.
+
+Uyt alle welke experimenten my dan schynt niet onbillyk te volgen, dat
+daar niet als een simpele en natuurlyke roering of irritatie der Senuen,
+tot de beweeging der Spieren nootsakelyk is: het sy dan dat die in de
+Hersenen, in het Merg, of ergens anders syn oorspronk neemt.
+
+Waarom men ook in veele Dieren siet, dat, soo draa het beginsel van het
+Ruggemerg in het Bekkeneel geroert wort, dat haar dadelyk alle de
+onderleggende Spieren beweegen. Dat meede geschiet omtrent alle de
+takken der Senuen, die men, uit het Merg gaande, maar aanroert: hoewel
+dat ’er op die tyt dan maar eenige en particuliere Spieren beweegt
+worden, of die, daar de geïrriteerde Senuw in gedistribueert wort. En
+daar wel op te letten is, men bemerkt noit op die tyt, dat ’er door het
+bovenste deel der Senuw een opklimmende beweeging door deselve
+veroorsaakt wort in de Spieren, die uyt deselve Senuw wat hoger haare
+takken ontfangen. Maar men ondervint klaar, dat de kragt, die de
+irritatie, door de Senuw, in de Spier maakt, altyt uyt de grootste
+takken in de kleenen, en soo geduurig neerwaarts gaat. Dat contrarie in
+de gevoelige beweegingen is, daar het gevoelen, door de Senuen, sonder
+twyffel opwaarts klimt. Soo dat dan, om een Spier te beweegen, de Senuw
+altyt moet geroert worden op die plaats, de welke boven de Spier of syn
+inplanting is; want de beweeging klimt niet opwaarts, maar altyt
+neerwaarts.
+
+Men sou hier nu kunnen vragen, waar ik het begin van dese natuurlyke
+irritatie, porring, of aanprikkeling tot beweeging, door de Senuw in de
+Spieren, sou komen te plaatsen: want gelochent synde, dat daar geen
+sienelyke, vloeybare, nog opblasende Geesten, plaatselyk door de Senuen
+beweegt worden; maar dat daar ter contrarie, alleen een sekere
+ogenblikkelyke opwekking, om de Spieren te beweegen, nodig is, en die by
+my veel subtielder als de geposeerde Geesten is: soo volgt, dat deselve
+niet alleen een beginsel moet hebben, maar dat ’er die beweging
+overvoerende kragt door de Senuen tot de Spieren seer nootwendig is. Het
+geen ik ook niet lochen, om dat de ervarentheid dat sigtbaar ende
+kragtig leert.
+
+Soo dat my dunkt hier op gevoegelyk geantwoort te kunnen worden, dat de
+oorspronk deser beweeging voornamelyk in het begintsel van het Ruggemerg
+is, en dan vorder in alle de Senuen van het Lichaam te gelyk; en dat
+soodanigh, dat het Merg en alle de Senuen te samen geduurig en
+perpetueel geirriteert worden, om een bewegende kragt aan alle de
+Spieren van het gantsche lichaam toe te senden. Want daar wel op te
+letten is, ik maake gantsch geen onderscheyt tusschen de natuurlyke,
+of van selfs geschiedende samentrekking der Spieren, en tusschen die,
+dewelke vrywillig geschiet; alwaar ik niet als dit toevallig onderscheyt
+aanmerk, dat alle de Spieren, die wy vrywillig beweegen, dat wy die niet
+als door een contrarie determinatie beweegen. Waarom dan, het geen
+wesentlyk in alle de Spieren, haar contractie is, altyt de natuurlyke
+contractie is. En daarom cesseert in ons, en in alle Dieren de
+vrywillige beweeging, of sy wort over en weer, als de tegen overstaande
+Spieren ontbreeken, of dat die malkanderen in kragt overwinnen; als ik
+in myn Boek van de Ademhaling alreede heb aangeweesen. En wy souden in
+der eeuwigheid ons niet vrywillig kunnen beweegen, als wy de kragt niet
+hadden, om de natuurlyke beweeging der tegen overstaande Spieren tot de
+tegenoverstaande syde te determineeren. Maar de tegenoverstaande Spieren
+ontbreekende, soo syn alle de bewegingen onser Spieren geduurig en
+natuurlyk. Als omtrent veele Spieragtige deelen van ons lichaam te sien
+is, daar wy gansch geen magt over hebben, om die te beweegen: ten sy het
+geen daar in bevat word ons aldaar dient, in de plaats van
+tegenoverstaande Spieren, en dat de selve onse Spieren eerstelyk
+gedilateert hebbende, wy dan door een contrarie determinatie de kragt
+verkrygen, om deselve naa onse wil te beweegen. Maar andersins soo rust
+alles in een geduurige contractie, die nimmermeer ophoud.
+
+Maar om nu, soo veel my mogelyk is, de oorspronk van dese natuurelyke en
+geduurige contractie der Spieren aan te wysen: soo is myn gevoelen, dat
+het selve geschiet, door het geduurig indringen van het slagaderlyke
+Bloet in het Merg en de Senuen, het welk haar dan geduurig beweegt,
+opwekt, en als aanport, om die kragt gestadig, en terstont tot de
+Spieren over te voeren, en haar tot ’er onophoudelyke contractie bequaam
+te maaken. Waar toe dan alle Senuen, geene uytgesondert, soo veele
+Slagaders naa haar proportie hebben, als de Hersenen of het Ruggemerg
+selve. En ik oordeel nog, dat men dit selve seer ligt door een
+experiment sou kunnen ondervinden; dat ik te _weeg_ wilde brengen, om
+door de een of andere Slagader, het Merg een vogtigheid in te spuyten,
+en dan neerstig waar te nemen, of daar geen beweeging in de Spieren
+veroorsaakt wiert. Waarom ik ernstig versoek dog te willen letten op die
+wonderbarelyke beweeging en kragt, die een Spier verkrygt, als syn Senuw
+maar het minste geport wort, het sy dan door wat middel dat hy geraakt,
+beweegt, of geirriteert wort.
+
+Maar het is nu tyt om verder te gaan, en om door een naukeurig
+experiment te bewysen, selfs aan het gesigt, dat een Spier in syn
+contractie niet opswelt, of sig opblaasende, daar door dikker wort, en
+bygevolg geen grooter plaats beslaat: maar ter contrarie, dat hy veel
+eer, en dat sigtbaarlyk ontswelt, en alsoo in syn actie of contractie
+synde, minder plaats beslaat, als wanneer hij geextendeert synde komt
+als te rusten. Ik seg als te rusten; want dat een Spier oit in het
+geheel van syn beweeging sou ophouden, dat kan ik niet bevinden, dat hy
+immermeer in het leven doet; maar hy beweegt sig dan alleen soo sterk
+niet. Of wel hy hersamelt syn tegenstrevende kragt, om sig een ogenblik
+daar naa soo veel te sterker daar door te contraheeren. Als in de
+beweeging van het Hert en syn Oorken, in de Kikvorsch klaar te sien is.
+Daar men het Bloet, dat van de omtrek des lichaams in den omloop des
+Bloeds weerkomt, (en in het Oorken siet bewoogen te worden) even als de
+tegenoverstaande Spier van het Oorken moet aanmerken, die haar
+dilateert; en het Oorken selve is de tegenoverstaande Spier van het
+Hart, dewelke door het Bloet, dat zy in het Hart uytstoot, wederom het
+Hert dilateert: en waar uyt dese wonderlyk, herhaalde, en geduurig
+gecontinueerde klopping des Harts syn oorspronk neemt; dat ook
+t’eenemaal natuurlyk en noodsakelyk is; alsoo dese twee Spieren,
+namentlyk het Oorken en het Hart van een ongelyke grootte ende kraght
+syn, waar door haar beweeging ook nootsaakelyk over en weer is. En sy
+sou in het geheel ophouden, indien het Oorken soo vast en van sulke
+kragt was, als het Hert: want daar de tegenoverstaande Spieren in het
+lichaam gelyk syn, daar is de beweeging der Spieren onopmerklyk, en
+alles staat in balans, tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt,
+die de eene Spier wat sterker als de andere doet beweegen, en onse
+leeden alsoo roeren: dat uyt verscheyde oorsaken komen kan; die dese
+determinatien te weeg brengen.
+
+Als by exempel, wanneer men een hayr uyt syn Hooft neemt, en dat ses of
+agt dubbelt te samen vouwt, en dat men ymant, die ons niet en siet, syn
+vel in de hals daar meede heel saft irriteert, soo heb ik dikmaals
+gesien, dat de beweeging van de tegenoverstaande Spieren van de Arm en
+Hant gedetermineert wierden, soo dat de Persoon, datelyk en sonder veel
+attentie, syn hant op die plaats, daar hy de kitteling gevoelde, kwam te
+beweegen, en die ook heel vermakelyk te krauwen, selfs tot root wordens
+toe, beeldende sig mogelyk in, dat daar een Luys of Vloy sat. En als ik
+cesseerde in die irritatie, soo bleef de Arm ende de Hant in rust, om
+dat nu de natuurlyke irritatie in alle de Spieren egaal was. Als men dit
+experiment in de slapende Honden of Katten doet, soo siet men van
+gelyken, dat ’er ook terstont een determinate beweeging komt in de
+Spieren, die haar huyt beweegen, dewelke sy dan seer aardig rimpelen, en
+het Hayr als te berge setten, of doen oprysen, en somtyts sal men haar
+ook al slapende de ooren sien schudden. Waar uyt men voor een kleen
+staalken siet, op wat wyse ook onse Spieren, sonder groote attentie
+van de wil, nogtans vrywillig beweegt worden, door yets dat bequaam
+is, om haare natuurlyke beweeging der tegenoverstaande Spieren, na de
+tegenoverstaande syde, te determineeren.
+
+Maar om nu een seker experiment te geeven, van dat de Spier in syne
+samentrekking niet opgeblasen wort, maar minder plaats beslaat, soo moet
+men een seer radde ende frissche Kikvorsch nemen, en deselve vaardig
+geopent hebbende, het Hert ontdekken, en het Hartesakje met de nagelen
+der Vingeren daar van afbreeken: dit gedaan hebbende, soo moet men den
+eenen of anderen Ader of Slagader verkiesen, die groot genoeg is, die
+men openen moet; en daar een Pypken van Glas, dat fyn genoeg is,
+ingebragt hebbende, soo kan men daar door alle de Aderen en Slagaderen
+des lichaams, en by gevolg ook het Hert seer ligtelyk opblasen. Want als
+ik in het voorgaande gesegt heb, soo obsteeren hier de Longen niet.
+
+Het Hert aldus met lugt opgevult synde, soo moet men dat met syn Oorken
+door een fyn draatken behendig afbinden, en uyt het lichaam snyden. Het
+welk gedaan synde, soo is het nodig een glaase spuytken by der hant te
+hebben, dat in een fyn Pypken moet uytgerekt syn, op syn eene eynde.
+Voorts moet men het opgeblase Hart met syn Oorken boven op de vlakte van
+de Suyger leggen, en dat met malkanderen in het glase spuytken steeken,
+vullende ondertusschen syn uytgerekt Pypken, met een seer kleen
+droppelken water, of water en Bloet, om het te beeter te sien.
+
+Dit nu alles soo omsigtig, als mogelyk is, volbragt hebbende, soo sal
+men sien, wanneer het Hert _a_ sig binnen in het glaase Spuytken _bb_
+contraheert; dat dan het droppelken water, ’t geen boven aan in het
+Pypken geplaatst is _c_, sal merkelyk ende verwonderlyk nederdaalen, tot
+aan syn begintsel, daar het uyt de Spuyt syn oorspronk neemt _d_ en als
+het Hert sig weer dilateert, soo sal men distinct sien, dat het
+neergedaalde droppelken _d_, weer sal om hoog bewoogen worden, tot de
+plaats _c_, daar het van daan is bewoogen geweest.
+
+Het welk experiment ons infallibel leert, dat in de contractie van de
+Spier van het Hert, niet alleen alle de bewegende vesels van het selve
+haar in malkanderen sluyten, en vaster ende dikker worden, maar dat het
+nog daar en booven een veel minder plaats komt te beslaan, als te vooren
+in syn dilatatie.
+
+Dat dan ook de reeden is, waarom de droppel water _c_ naa beneden
+beweegt wort _d_, en datse het in een sig samentrekkend Hert nootsakelyk
+moet volgen. Daar dit droppelken _c_ ter contrarie, indien daar op
+deselve tyt als het Hert sig contraheerde, een opblasing, opswelling of
+verwyding van geesten binnen geschiede, niet neerwaarts tot de spuyt
+_d_, maar om hoog en opwaarts in het Pypken _e_, nootsaakelyk moest
+bewoogen worden.
+
+Maar dit niet geschiedende, en het contrarie sigtbaarlyk gebeurende, soo
+kan ik als een onweersprekelyk vaste waarheid voorstellen; dat de Spier
+van het Hert in syne contractie een merkelyk mindere plaats beslaat, als
+in syn dilatatie: en ook dat daar geen van de gesupposeerde geesten
+inkomen, die men tot nog toe gemeent heeft, dat het Hert of de Spier
+daar van opblaasden in syn samentrekkende beweeging.
+
+Soo men nu hier by een Kikvorsch levendig opent, en men let op de
+beweeging van syn Hert ende het Oorken, soo sal men bevinden, datse
+inkrimpt en kleender wort: en als wederom, het Hert sig op syn beurt
+contraheert, soo sal men het van gelyken sien inkrimpen, kleender worden
+en in sig selven intrekken. Waar uyt blyken sal, dat tusschen dese twee
+contractien van het Hert, het sy binnen, het sy buyten de spuit, gansch
+geen onderscheyt is, als alleen dat het Hert buyten de Spuit met Bloet
+gevult is, en dat het binnen in de Spuit met lugt opgevult is.
+
+En omtrent dit tweede valt nu bysonderlyk aan te merken, wat daar in het
+Hert gebeurt, wanneer het sig dilateert, en dan ook wat daar geschiet,
+als het sig weer contraheert. Omtrent de dilatatie van het Hert soo siet
+men heel distinct, dat het Oorken sig eerst begint te contraheeren: waar
+op men voorts de lugt daar siet uyt bewoogen te worden, en in het Hert
+overgevoert. Het geen te weeg brengt, dat het Hert merkelyk uytgespannen
+wort, en sig in de Spuit vertoont, als of het vol bellekens en blaaskens
+was, en ook soo wort het bleeker, doorlugtig, en ongelyk van facie, dat
+syn oorspronk neemt, om dat de beweegende Vesels en vleesige
+pylaargewyse draaden overal niet even dik syn, waar door de eene plaats
+van het Hert, tusschen de pylaargewyse draaden, meerder door de
+ingeperste lugt uytgeset wort, als de andere: waar op dan volgt, dat het
+droppelken water in het glaase pypken synde, opwaarts bewoogen wort.
+
+Maar de beweegende Vesels van het Hert, sig weer samentrekkende, soo
+siet men eerst, dat het Hert sig sluyt ende kleender wort: voorts siet
+men, dat het de lugt weer in syn Oorken perst, waar op het terstont
+roder en min doorschynende wort, en in sig selfs intrekkende sig weer
+van een gelyke facie vertoont. En alsoo het op die tyt al de lugt, die
+daar binnen in geblasen is geworden, niet in het Oorken kan perssen, soo
+sluyten syne bewegende Vesels haar soo ongemeen sterk in malkanderen,
+dat selfs de lugt, die daar binnen in is, op die tyt verdikt wordt. Waar
+op dan volgt, alsoo het Hert nu minder plaats beslaat, dat het
+droppelken water, dat in het Pypken van het glase spuytken is,
+nederwaarts gedrukt wort.
+
+En dit selve heeft ook plaats in het Hert, dat natuurlyk met bloet
+gevult is geworden, ’t geen de omringende lugt wegstoot, als het in syn
+dilatatie door het bloet wort uytgespannen: en als het sig weer
+samentrekt, en het bloet uyt sig stoot, soo wort het verkleent, en het
+wort van de lugt naa proportie soo veel ingevolgt, als het in sig selven
+intrekt: daar wel op te letten is, alsoo het seer sigtbaar in het leeven
+is. Ook verdikt sig het bloet eenigsins, wanneer als het Hert, sig
+selven daar sterk om toetrekt, en het met gewelt uitdryft. En als
+weederom het Hert, door het nieuw ingestorte bloet, gedilateert wort,
+soo wordt ook het bloet eenigsins verdunt: waar meede dat dese
+natuurelyke actie van het Hert en het bloet, met de actie van het Hert
+en de lugt in dit experiment, over een komen. En hoewel men sou mogen
+tegenwerpen, dat ’er natuurelyk in het leeven geen lugt tot het Hert
+nadert, nog dat deselve daar van weg gestooten wort; soo blykt dat heel
+contrarie in de Gyrinus, daar men het kloppent Hert de uyterlyke huyt
+siet beweegen, die dan het Hert in de klopping wykt en involgt; dat
+deselve saak is, als of de lugt immediaat tot het Hert naderde: en soo
+moet dit ook van alle andere Dieren verstaan worden, die Longen of Kuwen
+hebben, en alwaar de Borst beweegelyk is: ja het heeft ook sonder alle
+twyfel plaats in alle de beweegingen der Spieren.
+
+Soo men nu een Hart uyt de Kikvorsch neemt, dat niet opgeblasen is, maar
+enkelyk uyt het lichaam gesneeden, en dat men het selve op de beschreeve
+manier in de glase spuyt plaatst, soo sal men van gelyken sien, dat het
+nederdalen van het droppelken water daar ook soo geschiet; maar op ver
+naa soo opmerkelyk niet, als in het opgeblaase Hart; hoewel egter dat
+het water op deselve wys syn beweging naa beneeden sal neemen, als het
+Hert sig contraheert. En de ervarentheid heeft my ook geleert, dat
+veeltyts dese nederdaling van het droppelken water soo weynig is, dat
+het niet als door een Vergrootglas is te bemerken. Het geen syn
+oorspronk neemt, door dien het Hert in syn contractie ten deele blyft,
+en dat het door het Oorken niet geextendeert wort, dewelke ook daar toe
+onbequaam is, alsoo het geen Bloet nog lugt dan voortdryft, om het Hert
+te dilateeren. Waarom het dan ook nootsakelyk is, dat de contractie soo
+veel kleender is, en de beweeging in de droppel soo veel minder om te
+observeeren. Maar soo men op die tyt maar het Oorken alleen opblaast,
+en dat sy door haar contractie de lugt in het Hert perst, soo is dit
+experiment kennelyker.
+
+Maar of men nu een Spier selfs wilde neemen, in de plaats van Hert, soo
+kan men procederen, als in de agtste figuur van my afgebeelt is: alwaar
+het glase Spuytken _a_ de Spier van binnen _b_ in sig besluyt, synde syn
+byhangende Senuw, sonder te quetsen of te perssen, in een samen geboogen
+en subtiel silver draatken _cc_ gevat, het welk ik dan doe passeren door
+het oog van een koperdraat, dat op de suyger van de Spuyt vast
+gesoldeert is _d_. Dit alles soo bestelt hebbende, soo moet men een
+droppelken water _e_ in het fyne Pypken van de Spuyt, door een subtiele
+tregterken laaten loopen: en als men het silverdraat langsaam met de
+hand _f_ door het koper ringeken, tusschen de suyger en het glas van de
+Spuyt doortrekt, tot dat de Senuw daar tusschen in komt geirriteert te
+worden; soo siet men, dat dese Spier op deselve wys contraheert, als van
+het opgeblasen Hert gesegt is; en dat ook de droppel water sig meede
+eenigsins naa beneden beweegt, sonder datse opwaarts beweegt wordt. Dan
+dit experiment is seer teer, en daar moeten soo veele omstandigheeden
+omtrent waargenoomen worden, dat het selfs verdrietig is. Waarom ik een,
+dat ligter is, heb uytgedagt.
+
+Het selve bestaat, in dat men een glaase Spuytken neemt _a_, dat met een
+Diamant omtrent syn spitze eynde door gedrilt is _b_. Waar door men de
+gesepareerde Senuw van de Spier moet plaatsen _c_: maar alsoo de lugt
+door die opening heel ligt, als men hem tot contractie irriteert, kan
+passeeren, dat het neerdalen van het droppelken water belet; soo is het
+voor al nodig, de opening van het Glas, daar de Senuw door gepasseert
+is, te sluyten: dat men met wat vislym en styfsel seer gevoegelyk doen
+kan. Dan om de waarheid te seggen, het droppelken water word soo weynig
+neerwaarts ook in dit experiment bewogen, dat het haast onopmerkelyk is.
+Waarom dan om dit experiment te doen, niet beter als het Hert is, dat
+een redelyk langen tyt, en genoegsaam in syn beweeging continueert, die
+het eens ontfangen heeft, tot dat deselve verdwynt.
+
+En soo men de oorsaaken aanmerkt, waarom dit experiment soo sensibel,
+omtrent de Spier, als wel omtrent het Hert, niet en is: soo vind ik die
+te bestaan, in dat daar geen tegenoverstaande Spier omtrent is, die hem
+van buyten dilateert, of ook geen ingedreeve Bloet, dat de Bloetvaten
+uytset, en hem op die wys van inwendig ook een weynig extendeert. Dat
+alles seer nodige vereystens syn, om een volmaakte contractie van een
+Spier te hebben.
+
+Maar de experimenten, die over eenigen tyt bygebragt syn, dat het Bloet
+tot de contractie der Spieren nootwendig is, die syn van gansch geen
+gewight, alsoo het principaalste argument daar van is de toebinding van
+de groote Slagader, volgens de manier van de Heer STENONIS, dat daar
+niet te pas komt, als maar een Argument synde, dat niet als in syn
+eerste aansien ons sou kunnen overreden. Want soo men wel aanmerkt, dat
+de Wervelbeenen, verscheyde Senuen, en selfs het Ruggemerg, die alle in
+de Bant van de Heer STENONIS begreepen worden, op die tyt te samen
+werden gedrukt en geforceert; soo volgt daar van selve uyt, dat daar
+niets determinatifs uyt kan beslooten worden. En veel minder nog uyt het
+experiment, waar door het Bloet uyt de Spieren, door het indryven van
+water, gespuyt wort, dat t’eenemaal de bewegende Vesels der Spieren
+kwetst: en daarom soo is dit rouwe experiment niet als voor een
+onbedagte redencaveling te agten, die geen fondament heeft, als maar om
+het eerste experiment van de Heer STENONIS te bevestigen. Daarom moet
+men gewigtiger argumenten hebben, om een saak van gewigt te bewysen:
+gelyk men dat omtrent de Slagaders in de Dye, en in die van de
+Kikvorsch, toe te binden, sou kunnen experimenteeren.
+
+De Heer STENO is seer voorsigtigh geweest, in dat hy sig heeft
+onthouden, van de manier te determineren, op welke dat de beweeging der
+Spieren geschiede; en daarom heeft hy het ook voor onseker geoordeelt,
+dat deselve sou geschieden door een invloejing van een nieuwe materie.
+Maar naa dat ik hem myne voorgestelde experimenten, nu eenige jaaren
+geleeden synde, getoont had, soo heeft hy my determinatief gesegt, dat
+hy nu dorst staande houden, dat ’er in de contractie der Spieren geen
+nieuwe materie ingevoert wiert; soo dat wy in dit gewigtig point
+t’eenemaal accordeeren.
+
+En ik kan nu ook makkelyk uyt de gewigtigheid van myne voorgestelde
+experimenten staande houden, dat een spier in syn contractie niet
+opblaast of opswelt, door de gesupposeerde invloejende en opbruisschende
+dierlyke geesten; maar dat een Spier in syn contractie veel eer
+ontswelt, of om myne gedagten beter uyt te drukken, dat hij minder
+plaats beslaat.
+
+En dit blykt meer als kennelyk, wanneer het Hart met lugt, in plaats van
+met bloet, gevult is, of ook dat het ongevult en leeg is. Alwaar dan
+omtrent het eerste verscheyde Zaaken in aanmerking komen, die alle in de
+contractie der Spieren kunnen plaats hebben. Als 1. dat de lugt inwendig
+in het Hert gecondenseert of in een geperst wort. Ten 2. dat dan de lugt
+rontsom het Hert gedilateert wort. Ten 3. dat de Vesels van het Hert,
+in die actie, dan seer vast komen in een te sluyten, haare holligheeden
+tusschen beyden toegedrukt te worden; en soo daar eenige lugt tusschen
+beyden is, dat deselve daar uyt komt bewoogen te worden. Het welk alles
+als dan voornamelyk blykt, wanneer het Hert als voor een ogenblik in syn
+contractie ophoud. Wanneer ten 4. de inwendige lugt in het Hert weer
+verdunt wort. Ten 5. de uytwendige verdikt, of van syn plaats gestooten.
+En ten 6. dat de Vesels van het Hert weer uytgerekt of gedilateert
+worden.
+
+Maar alsoo men my kan voorwerpen, dat dit tegennatuurlyk is, soo kan ik
+daar op antwoorden, dat ik ook somtyts wel lugt in de Herten der
+Menschen, die even gesturven waren, heb aangemerkt. Maar alsoo dit meede
+niet ordinaar is, soo moet men in de plaats van de lugt, die in het Hert
+van my gestelt wort, het Bloet neemen, dat in de contractie van het Hert
+aldaar geschud, verdikt, en uytgestooten wort, als ook het Bloet, dat in
+de Kroonaders van het Hert selfs is, en dat aldaar uytgedrukt wort;
+waarom het Hert ook op die tyt merkelyk bleeker wort. Ten anderen, als
+het Hert soo in syn selven inkrimpt, soo heeft de verdunning van de
+uytwendige lugt meede syn plaats, en eyndelyk soo sluyten de beweegende
+Vesels van het Hert dan meede vast in malkanderen, als dadelyk van het
+opgeblase Hert gesegt is: en welkers contrarie men ook hier in de
+volgende dilatatie van het Hert moet considereeren.
+
+Uyt alle het welke dan blykt, dat daar vry meerder saaken in de
+contractien der Spieren moeten geconsidereert worden, als tot nog toe
+gedaan is. Synde voor al wel in aanmerking te neemen, hoe sterk dat de
+bewegende Vesels der Spieren in haare contractie in een krimpen, soo dat
+ik se wel bykans driemaal dikker in sommige Dieren op die tyt heb sien
+worden, als wanneer sy in haare geduurige en naturelyke contractie
+waren. Waar door dan alle haare inhoud, die in de vaten, dewelke daar
+door liepen, ingevloeit was, met kragt uytgeperst wierd. Waarom ook een
+gecontraheerde Spier in een bloetryk Dier veel bleeker is, als een
+Spier, die niet gecontraheert is, als ook van de Heer STENONIS is
+aangemerkt.
+
+En soo is dit ook de reeden, dat de gedetermineerde, of de gereitereerde
+naturelyke beweegingen der Spieren, een kennelyke warmte aan het lichaam
+veroorsaaken, door dien sy het Bloet door over snelle contractien uyt
+haar stootende, de gansche massa bloeds soo veel te veerdiger beweeging
+en circulatie toebrengen. Het welk de Chirurgyns, alleen door haar
+ervarentheid, wel weten te pas te brengen in het Aderlaaten; wanneer sy
+ymant een stok of iets diergelyks in de hant geeven, om die met de hant
+omdrayende, en de Spieren beweegende, daar door het Bloet snelder uyt de
+Aderen te doen loopen. Dat ook de imaginatie selfs doen kan, die van
+gelyken onse Spieren op verscheyde wysen determineert, naa dat men sig
+droevige of vermakelyke objecten voorstelt, die het Hert sluyten of
+samen trekken en dilateeren.
+
+En ik heb selfs een jongen te Leyden in het Gasthuys gekent, van wiens
+voeten het gegangreneerde vel en vleesch effen gesepareert waaren,
+dewelke, als het hem beliefde, een groote quantiteyt Bloets door de ope
+wonde, alleen door de beweeging syner Spieren, kon uytdrukken; sonder
+dat hy syn aassem inhield. Gelyk dat ook in de beweegingen van veele
+Dieren te sien is, welkers Bloet snelder uyt de wonde loopt, als sy haar
+roeren, dan als sy stil leggen; hoewel sy selfs geen Longen hebben.
+
+En dit gaat soo verre, dat selfs de vermoeytheid hier in bestaat, soo
+dat de Spieren door het overvloedig Bloet geforceert, en onbekwaam tot
+haar contractie worden: dat ik de eerstemaal heb geobserveert, wanneer
+ik glas aan de lamp kwam te blasen, waar door myne Wangspieren soo dik
+van het Bloet opswollen, dat ik ten laatsten geen kragt meer hadt, om
+die te contraheeren, en de lugt daar door uyt de Mont te blaasen.
+
+Het is wonderbaarlyk in de Insecten, dewelke des Winters, alsoo haar
+bloet en vogtigheid als in de Vaten stolt en als bevriest, dan ook alle
+de beweegingen haarer Spieren verliesen, soo dat haare leeden en voeten
+in dat postuur blyven staan, als men se, sonder haar te forceeren, dan
+uytwaarts buygt: en men siet, dat dese beweeging haar niet eerder weder
+gegeven wort, voor dat de Lugt gematigder is; of dat men se by het vuur
+brengt, daar een kleene warmte haar doet als herleeven, beweegen,
+roeren, jaa lopen en vliegen: tot dat haar bloet en vogten weer een
+weynig daar naa verdikt worden, dat haar onbeweegelyk maakt op een
+nieuw. In dat vermaarde Kruydje roer my niet heb ik ook aangemerkt, dat
+het in de Herfstmaanden sig vry minder beweegt, als in de Somertyt.
+
+Maar mogt ymand vraagen, wat veroorsaakt nu eygentlyk de naturelyke
+gedetermineerde, of ook de kunstige en uytwendige irritatie der Senuen
+binnen in de Spier? Alsoo men daar niet van kan seggen, dat daar een
+sensible materie, als de Senuw geraakt wort, tot de Spier over passeert,
+of daar plaatselyk in beweegt wort; maar dat de Spier ter contrarie een
+materie uyt sig stoot, en een minder plaats beslaat.
+
+Sekerlyk dat is een harde en swaare questie, en mogelyk niet te
+solveren, als uyt de gansche kennis van de waaragtige structuur der
+Spier selve, die my nog onbekent is, en seer verre te soeken. Daarom sal
+ik hier handelen, gelyk men met het gebruyk van het Oog gedaan heeft,
+welkers manier, hoe het gesigt geschiet, men sonder het Oog waarlyk te
+kennen, heeft aangeweesen. Daarom soo het my geoorloft was door een
+rouwe gelykenis de saak te verklaren, ik sou seggen, dat het in dese
+gelegentheid ging, gelyk met ymant, die seer sagt de Saadkokers van
+Kruidje Roer my niet van Dodoneus, of de andere Balsamita van Fabius
+Columna kwam aan te raaken, het welk door twee a drie senuw en
+kruidagtige Veselkens gedilateert of geëxtendeert synde, dan door die
+momentelyke irritatie de kragt verkrygt, om sig seer schielyk en geswint
+te contraheeren. En in der daat, indien dese Veselkens die haar soo
+schielyk contraheeren, self eer haar saat ryp is, niet in een kronkelden
+en weg sprongen, maar datse, gelyk het in een gekrompe leder, haar weer
+lieten dilateeren, en op een nieuw door irritatie te samen trokken; men
+sou daar omtrent een seer raar voorbeelt van een Spier vinden, wiens
+voorname actie in een contractie bestaat, die op de dilatatie volgt:
+waar door dat de contractie, en niet de dilatatie, het eygentlyke
+officie der Spieren is: dewelke haar geduurig, selfs naa de doot der
+Dieren, tragten te contraheeren, jaa ik heb ondervonden, dat een Spier,
+die ik eenige jaaren in een Balsem bewaart had, sig nog contraheerde,
+wanneer ik hem naderhant in de selve Balsem opkookte.
+
+Maar dese gelykenissen daar latende; soo staat dit experiment
+onweersprekelyk vast, dat als de Senuw van een Spier geroert wort, dat
+dan ook dadelyk de Spier geroert wort. En alsoo ik heb aangewesen, dat
+de Spier in syn contractie minder plaats beslaat, als in syn dilatatie,
+soo volgt daar ook onweerspreekelyk uyt, dat daar dan geen nieuwe
+opblaasende materie invloeyt; en dat het een onbevattelyk subtielder
+materie moet syn, die op dat ogenblik, sulk een wonderbarelyke beweeging
+daar in veroorsaakt. Sonder dat men seggen kan, datse yets anders in de
+Spier doet, als de wint, een vinger, een stoksken, of een borstel, tot
+de samentrekkende Saadkoker van het Kruidje roer my niet doet, om haare
+Veselkens te doen contraheeren.
+
+Waar uyt ik dan oordeel te volgen, als boven alreede gesegt is, dat als
+een Senuw geduurig geirriteert wort, dat dan ook de Spier in een
+geduurige contractie, of ten minsten in een gestadige tragting en
+renttentie tot deselve sou weesen. Als ik voor deesen in myn Tractaat
+van de Ademhaaling heb aangeweesen. En ik nu terstont wat klaarder sal
+openen, door een manier voor te stellen, waar door men de geduurige
+beweegingen der Spieren eenigsins kan considereeren.
+
+Maar eer ik daar toe kom, en te gelyk dit discours eyndige, soo is het
+seer nodig aan te merken en te sien, op wat manier de Spieren gestelt
+syn, eer sy haar ooit beweegt hebben. Het welk voornamelyk omtrent de
+Insecten te bespeuren is, en omtrent de begintselen der Spieren in
+grooter Dieren, alwaar men dan siet, datse meesten tyt in een gedrongen
+syn, en van couleur wit en vliesagtig; synde heel in haar begintsel als
+uyt geleyagtige vogtigheeden bestaande. In de Insecten is dit seer
+aanmerkelyk, datse in die tyt, wanneer het Dier een andere gestalte sal
+aanneemen, als onsigtbaar syn, en in een geringe tyt seer toenemen en
+aangroeyen, dat ook gansche leedematen doen, als voornamelyk omtrent de
+Beenen en haare Spieren geschiet, die men verwonderlyk siet aangroeyen,
+en door ingedronge vogtigheeden of bloet uytgeset te worden, even als
+met een opspanning van overtollige vogtigheeden. Waar door dan die
+deelen met ’er tyt, als tegens haar natuur, uytgerekt en als een Boog
+gespannen worden: dat voornamelyk in de Insecten plaats heeft, welkers
+Spieren ook veel langer beweegen, als die van eenige andere Dieren,
+selfs naa dat het Hooft al eenige dagen van het lichaam gesneeden is
+geweest. En men siet ook, dat als se uyt haare afgelegde huit breeken,
+dat dan ook haare lichamen seer schielyk groot en uytgespannen worden.
+Dat ook naa proportie stant grypt in de Dieren, die een heter bloet
+hebben. En het geen te weeg brengt, dat haare Spieren sig soo veel te
+sterker dan weer tragten te contraheeren, en in sig selven te krimpen.
+Ook siet men klaarlyk, dat als de Spieren haar nu beginnen te beweegen,
+datse door het bloet, dat zig inwendig indringt, en haar voor een
+gedeelte dilateert, veel roder worden, en datse door de Bloetvaten, die
+haar door loopen, en haar bewegende Vesels uytrekken, meerder werden
+uytgeset.
+
+Waar uyt blykt, dat in alle de contractien der Spieren een dilatatie
+moet voorgaan, die ik driesins stelle, als eerstelyk, in natuurelyke en
+vrywillige samentrekkingen der Spieren door het ingedronge Bloet, dat
+haar voor een gedeelte dilateert. Ten tweeden in naturelyke
+samentrekkingen door de inhoud, die de beweegende Vesels uytrekt en
+dilateert, waar door haar nog meerder Bloet ingevoert wort, en sy tot
+haar contractie gedisponeert worden. Ten derden in vrywillige
+samentrekkingen, door de determinatie van de tegenoverstaande Spieren,
+die omtrent de tegengestelde Spieren het selve effect doen, dat de
+inhoud doet omtrent de Spieren, die haar naturelyk beweegen.
+
+Maar wat nu die subtiele materie, die door de Zenuen in de Spieren
+geduurig invloeit, tot haare contractien doet; en of sy de bewegende
+Vesels aanstoot, en eenige Bloetvaten, die van de Senuen in de Spier
+omwonden worden, opent; of wel, datse haar met het Bloet vermengende,
+dat schielyk doet opwellen, opbruisschen, en de eerste beweeging geeft,
+om weer uyt de Spieren gedreeven te worden, soo dat daar in een ogenblik
+de contractie van de bewegende Vesels op volgt; van dat alles kan ik
+niets determineren. Soo dat ik het selve, om verder naa te denken, daar
+late.
+
+Maar wat de vordere saaken van my voorgestelt aangaat, daar omtrent meen
+ik met een goet fondament te kunnen vast stellen. 1. Dat alle Spieren
+natuurelyk, dat is eer sy haar actie oit gedaan hebben, gecontraheert
+syn. Ten 2. dat haare contractie voor een gedeelte cesseert en als
+ophout, door de vogten van bloet of diergelyke, die tot haar door de
+Vaten inwendig ingevoert worden. Waar door sy dan, als door een eerste
+oorsaak, eenigermaten uytgespannen of gedilateert worden, blyvende nog
+in haar contractie: maar waar door evenwel de omringende lugt naa die
+proportie uyt syn plaats gestooten en op een gedrongen word, naa de
+welke sy geëxpandeert syn. Ten 3. dat tot het volkomen uytspannen of
+dilateren der Spieren, als een tweede oorsaak seer veel doet, de inhoud
+der Ingewanden, bollvgheden, en pypkens des lichaams, daar de bewegende
+vesels om heen loopen, dat in de naturelyke bewegingen plaats heeft:
+en dan ook bysonderlyk de contrarie determinatie der tegenoverstaande
+Spieren, dat in de vrywillige beweegingen stant grypt; alsoo de
+beweegende vesels door beyde dese oorsaaken, en in beyde dese
+verschillig geplaatste Spieren, merkelyk uytgespannen worden, en de
+Bloetvaten derselve gedisponeert, om nog een veel groter quantiteyt
+bloets in haar te ontfangen, als ook om haar weer te sterker te
+contraheeren: synde nu volkomen gedilateert. En dat ten 4. soo veel te
+meer, alsoo de weg gestooten en verdikte lugt, die geduurig tot syn
+dilatatie door het evenwigt der lugt bewoogen word, de Spieren 900 veel
+meerder komt aan te persen, om haar eerste en natuurelyke contractien,
+daar sy van selver ook nu toe bewoogen worden, weer te herneemen. Waar
+by dan komende ten 5. de geduurige en natuurelyke irritatien, die door
+de Senuwen in de bewegende Vesels der Spieren selfs verwekt worden, en
+waar door se tot haare contractien gestaadig door het circulerende bloet
+aangeport worden, dat het begin des Ruggemergs en alle de Senuen
+onophoudelyk door de Slagaderen word ingeperst; of ook door de
+uytwendige objecten, die het bloet verscheydelyk komen te beweegen, aan
+het begin des Mergs en de Senuen word gecommuniceert: Soo worden ten 6.
+de Spieren nootsakelyk gedisponeert en als gedwongen, om haar eerste en
+natuurelyke contractie weer te herneemen, het sy dat die natuurlyk of
+vrywillig syn. Waar uyt ik dan ten 7. als een nootsakelyk gevolg kom
+vast te stellen, dat in alle weerkeerige contractien der Spieren, als
+dan haare inhoud weer uyt de selve komt uytgeperst te worden: alsoo de
+uytgerekte bewegende vesels dan weer tot malkanderen koomen in te
+dringen, en digt in een te sluyten; even al eens gelyk sy voor haare
+dilatatien waaren. Waarom sy dan nootsakelyk een kleender plaats
+beslaan, niettegenstaande men siet, dat daar eenige zwellingen in de
+Spieren komen te ontstaan, dewelke alleen uyt die in een krimping haarer
+bewegende vesels haar oorspronk neemen: hoewel dat men de oorsaak daar
+van tot nog toe aan een opblaasing toegeschreeven heeft, die men
+eygentlyk een ontswelling moest noemen. Waar uyt ik dan ten 8. vaststel,
+dat alle de actiën der Spieren in haare contractien bestaan, dat is in
+de wederkeering tot die figuur en dispositie, die sy voor haar dilatatie
+hadden. Waar door dan als de Spieren op deselve wys, of ook door haar
+inhoud, of de tegenoverstaande Spieren, weer gedilateert, of tot de
+tegenoverstaande syde gedetermineert worden, sy haare contractien
+geduurig maaken: het sy in natuurelyke of in vrywillige bewegingen.
+
+En hoewel nogtans dat dit in het generaal, en bysonderlyk syn stant
+grypt omtrent de natuurelyke beweegingen der Spieren, soo siet men
+egter, dat het ook in de vrywillige beweegingen derselve syn plaats
+heeft, en dat niet tegenstaande, hoewel de toestemming der wil in de
+vrywillige bewegingen der Spieren vereyst word. Door reden, dat men
+in alle vrywillige beweegingen der Spieren siet, dat daar altyt een
+inwendige of uytwendige oorsaak en object nodig is, dat de contractie
+der tegenoverstaande Spieren tot de tegenoverstaande syde moet
+determineeren.
+
+En alsoo valt het dan ligt te begrijpen, door dien alle Spieren in de
+staat van een geduurige contractie syn, dat daar niet als de minste
+determinatie maar nodig is, het sy uyt wat oorsaak dat die spruyt, om
+haar het lichaam te doen beweegen, te verplaatsen, voort te gaan, en op
+andere oneyndige manieren meer te doen roeren.
+
+Dat niet alleen omtrent de natuurelyke beweegingen seer kennelyk is, als
+in de contractie van de Oogappel blykt, die haar door haare Spieren op
+het selve ogenblik sluyt en dilateert, naa dat het Oog meer of minder
+van het ligt geirriteert word; gelyk men dat ook siet omtrent de
+beweegende vesels der Darmen, die naa proportie haar geduurig
+contraheeren en weer dilateeren, na dat de inhoud daar minder of meerder
+in is, en op welke tyt de eene beweeging de ander aldaar vervangt, als
+de baaren der zee doen, die malkanderen volgen:
+
+Maar selfs blykt het ook, dat ’er oneyndigmaal een naturelyke contractie
+plaats heeft in de Spieren, die wy vrywillig seggen te beweegen: als in
+het gaan, staan, het beweegen onser Armen, enz. blykt: die wy duysent en
+duysentmaal roeren, sonder dat de wil daar eenige attentie toe heeft.
+En op die wys sullen wy door een uytwendig object, als we met een ander
+wandelen, veelmaal ymand groeten, om dat ons geselschap syn hoet
+afneemt, of dat ons dat uytwendig object beweegt; sonder dat wy weeten,
+wie wy gegroet hebben, of selfs dat wy die actie hebben gedaan. Soo dat
+het schynt, dat onse contractien der Spieren al soo natuurelyk syn, en
+geduurig door de eene oorsaak, die daar heeft doen beweegen, tot een
+tweede en derde beweeging gebragt worden: als dat onse memorie
+plaatselyk is, en door het eene subject op het andere komt te denken;
+dat tot het oneyndige voortgaat.
+
+Op de selve wys, als we by het vuur sitten, soo retireren wy ons, door
+de force van het irriterende object, daar van daan, en wy herstellen
+onse leedematen, door veele beweegingen, sonder de minste attentie van
+onse wil; soo dat het schynt, dat wy ons selfs ook niet vrywillig
+beweegen, ten sy de wil selfs syn object heeft, en dat alsoo haare
+beweeging een tweede veroorsaakt. Want de vlam te groot synde soo
+sluyten wy onse oogleeden, of wy verdrayen ons hooft, en wy maken
+alderhande andere soorten van beweegingen, na dat de objecten ons daar
+toe irriteeren.
+
+Dat alles voor een genoegsaam bewys kan dienen, dat selfs onse Spieren,
+waar door wy ons vrywillig beweegen, ook altyt natuurelyk bewoogen
+worden, en dat daar niet als een inwendig of uytwendig beginsel,
+oorsaak, object enz. noodig is, om die te determineeren; en selfs dat
+dit beginsel tot de determinatie eerstelyk in ons moet voorgaan, eer wy
+ons vrywillig beweegen. Al was het maar een invallende of verwekte
+gedagte, dat selfs soo ver gaat, dat wy des nagts, door een simpele
+droom of magische phantasy, ons roeren, beweegen, uyt het bed loopen,
+schreeuwen en te roepen koomen; dat dan alles nergens door geschiet, als
+dat wy daar door onse Spieren, die alreede in actie syn, maar contrarie
+determineeren. En selfs observeert men dese dingen omtrent de
+zelvswillige of natuurelyke beweegingen; hoewel die seer weynig als in
+seekere opsigten van ons kunnen gedetermineert worden: want gelyk in het
+begin gesegt is, onse wil heeft seer weynig magt om die Spieren te
+determineeren, daar geen tegenoverstaande Spieren syn: en indien ons die
+niet gegeven waren; wy souden in der waarheid de onroerlyke Planten, en
+de Bomen, die haar niet beweegen, gelyk syn.
+
+Het geen ons dan alles klaarlyk leert, dat daar oneyndige saken in de
+contractien der Spieren te samen lopen, en dat de gansche machine van
+ons lichaam, en de elementen die ons omringen, dienen gekent te worden,
+sal men een eenige Spier en syn actie regt expliceeren. En seker de
+lugt, het ingenomen Voetsel, het Bloet, de Herssenen, het Merg, de
+Senuwen, en die subtiele Materie, die in een ogenblik tot de beweegende
+vesels overgevoert word, moeten hier alle in geconsidereert worden, en
+nog meerder; sal men eyndelyk eens tot de klaare waarheid komen. Wat my
+belangt, ik beken, dat ik yets getragt heb om te seggen, maar ik weet
+ook, dat ik gehandelt heb, als of ik de heldere stralen van de Son met
+een houte kool heb willen afmaalen; soo dat in myn Verhandeling geen
+andere glans is, als die sy verkrygen sal, door het heldere ligt der
+waarheid, dat deselve daar in te syner tyt, sal openbaaren. Het geen als
+dan weesen sal, soo wanneer alle dese dingen door gelukkiger verstanden
+ontdekt syn. En dat sal gewisselyk gebeuren, indien wy de natuur tot
+GODS eer, en niet tot onse eyge en verwaande glorie ondersoeken. En als
+dan sal men ook soo veel vergenoegen en eygen behaagen in die brandende
+lust van schryven niet vinden: alsoo het werken tot GODS eer een bedryf
+is, dat tegens alle de bewegingen van onsen verdurven aart stuyt,
+dewelke altyt soekt gepreesen en geflatteert te weesen; en de naam te
+hebben, van wel te hebben geschreeven, dat ik ook oordeel een ydelheid
+der ydelheeden te syn, om dat de waarheid alleen ons fondament en onsen
+roem moet weesen. Maar wie sal die uytvinden, daar wy selfs soo onwetent
+in dese sigtbaare saaken syn? Waarom ik dan besluit, dat alle goede en
+waaragtige wetenschappen en ontdekkingen milde gaven GODS syn, die hy
+geeft aan wie het hem belieft, en die hy op syn tyt ontdekt. Wat ik nu
+voorts van de Senuwen aangemerkt hebbe, dat is in de uytleggingen van
+het Tractaat van de Neushoornige Schalbyter te vinden.
+
+ E Y N D E.
+
+
+
+
+Tab. XLIX. Verklaart.
+
+ [Transcriber’s Note:
+
+ The heading “Tab. XLIX.” does not appear on the Figures page.
+ Het opschrift „Tab. XLIX.“ is niet te zien op de pagina met
+ Illustraties.]
+
+
+Fig. V.
+
+De beweging van een Spier in de Kikvorsen.
+
+_aa._ De twee Peesen van een Spier, met de vingeren gevat.
+
+_b._ De neerhangende Senuw geroert synde, waar door de Spier sig samen
+ trekkende, de twee handen als te samen trekt.
+
+
+Fig. VI.
+
+De manier, hoe de Spier sig als verdikt in syn samentrekking.
+
+_a._ Een glase Pypken, daar de Spier doorgetrokken is.
+
+_bb._ Twee naalden door syne Peesen gestooken.
+
+_c._ De Senuw aangeroert:
+
+_dd._ Waar door de naalden _bb._, uyt haar plaats bewogen worden tot
+ _dd._
+
+_e._ Soo dat de Spier de glase Pyp in haar midden door syn contractie
+ komt te vullen.
+
+
+Fig. VII.
+
+De manier, hoe het Hart in syn contractie minder plaats beslaat.
+
+_a._ Het Hart sig contraherende, daar het in een glase spuyt op de
+ suyger geplaatst is.
+
+_bb._ De glase Spuyt.
+
+_c._ Een droppelken water in het Pypken van die Spuyt, dat op de
+ contractie van het Hart nederdaalt.
+
+_d._ De plaats in het Pypken, waar by aangeweesen wort, hoe laag het
+ droppelken _c._, als dan neerwaarts bewogen wort.
+
+
+Fig. VIII.
+
+De manier, hoe een Spier in syn samentrekking minder plaats beslaat.
+
+_a._ De Spuyt.
+
+_b._ De Spier.
+
+_c._ De Silverdraat, daar de Senuw in gevat is.
+
+_d._ Een Koperdraat van boven met een oogken, daar de Silverdraat door
+ passeert.
+
+_e._ Een droppelken Water in het pypken van de Spuyt.
+
+_f._ De Hant die de Senuw roert, en waar door de Spier, als hy sig
+ samentrekt, het droppelken _e._ een weynig naar beneden beweegt.
+
+
+Fig. IX.
+
+Dit vorige op een ander manier vertoont.
+
+_a._ De Spuyt van glas.
+
+_b._ Een gaatken in de Spuyt gedrilt.
+
+_c._ De Senuw die door dit gaatken getrokken is.
+
+
+[Illustratie: Fig. IX]
+
+[Illustratie: Fig. V, Fig. VI]
+
+[Illustratie: Fig. VII]
+
+[Illustratie: Fig. VIII]
+
+
+[Erratum:
+
+tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt
+ _text: een nienwe_ ]
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+ Hermanni Boerhaave
+
+ DE USU RATIOCINII MECHANICI IN MEDICINA
+
+ ORATIO
+
+ Habita In Auditorio Magno
+ XXIV. Septembris.
+ MDCCIII.
+
+ Cum Tertii Suae Stationis Anni
+ Labores Auspicaretur.
+
+
+ [Illustration / Illustratie]
+
+
+ REDEVOERING
+
+ van
+ HERMAN BOERHAAVE
+
+ over
+ Het nut der Mechanistische
+ Methode in de Geneeskunde,
+
+ Door Hem Gehouden In Het Groot-Auditorium
+ Der Rijks-Universiteit Te Leiden,
+
+ op den 24sten September 1703,
+
+ Bij Den Aanvang Van Zijn Derde Ambtsjaar.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+ _Nobilissimis et Splendidissimis Viris_
+ ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS,
+
+D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer,
+Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris
+Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris
+Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro.
+Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae
+et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad
+Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc.
+
+D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in ’s Grevelsregt, Supremae
+Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc.
+
+D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae
+in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos
+Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum
+Alblasserwaarde, etc. etc.
+
+ Eorumque collegis,
+ _Amplissimis, Gravissimisque Viris_,
+
+D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et
+Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario,
+
+D. CONRADO RUYSCH, JCto.
+
+D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto.
+
+D. PETRO VAN DORP.
+
+ Hanc Orationem
+ Ea, qua par est, veneratione
+ Sacrat
+ Virtuti, et Nomini Eorum
+ Devotissimus
+
+ HERMANNUS BOERHAAVE.
+
+
+
+
+HERMANNI BOERHAAVE
+
+De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina
+
+ORATIO.
+
+
+Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel
+deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici
+appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux,
+Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni
+aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et
+insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam!
+
+Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique
+principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi
+inventi.
+
+Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti
+rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium
+vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu
+dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe
+supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur
+immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento.
+
+Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris
+disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices,
+sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In
+sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo
+censetur.
+
+Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo
+medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim.
+Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim,
+si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum
+esse summum, necessitatem maximam_.
+
+Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed
+reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata
+dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati
+sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa
+veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet
+et odia.
+
+Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos
+tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam.
+Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori
+propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus
+rite deduxerit. Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso
+accurate omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non
+dabit conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet.
+Ab hac ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus
+pollet; adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est.
+
+Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari
+conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem
+in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit,
+nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque
+effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria
+rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem,
+collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet.
+
+Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein
+Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici
+possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam.
+Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus
+certa, neque minus apta usui erunt.
+
+Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae
+cujusdam machinae constructionem reseret, clavis.
+
+Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti,
+quam contemplamur, Universitati rerum.
+
+Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si
+seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus,
+diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus
+conflatum.
+
+Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit
+plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane
+evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt.
+Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum
+partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem
+deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici
+speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie
+exhibetur.
+
+Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina
+explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non
+quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine
+finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares.
+
+Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando
+majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in
+minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his,
+majoribusque naturam demonstrans. Sed et liquidorum scientia revelavit
+multa, quae humorum per vasa nostra circumactorum ingenium, impetum,
+directionemque determinant. Quare, aut ex omnibus his nihil lege
+scientiae deduci poterit unquam, aut soli mechanicae in cognoscendo,
+adeoque et in gubernando corpore humano palma tribuenda erit.
+
+Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis
+observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive
+emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet,
+quis asseret?
+
+Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane
+pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur,
+palam facit.
+
+Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere
+quae forte solus non possit.
+
+Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens
+quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae
+corporea rectius excutiat, artem. Id qui aggreditur, necessarium est ut
+statuat rerum naturam optime explicari per ea principia, quae a quaesita
+rei natura maxime aliena sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata
+veri indagandi methodo longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque
+se intricat absurdis, ut, nulla ejus ratione habita, propositum
+demonstratum putem.
+
+Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab
+usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex
+plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito.
+
+Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus
+ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus
+mederi cura est.
+
+Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis
+allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati
+defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius
+rei praeprimis necessaria habentur.
+
+Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam
+beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales
+esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima
+circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus
+fugiat, vel laniones norunt. Neque minus vulgatum, a corde exortum unum
+horum truncum explicari in ramos laterales, figura trunci similes, eadem
+ratione et divisos rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut
+truncus recta pergens, in loco divisionis majori plerunque capacitate
+aperiatur quam rami, qui ad latera trivii hujus porriguntur. Sinuoso
+autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum latera ad
+infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur, hujusque
+Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem, observarunt
+a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus applicuere
+Medicis.
+
+Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales
+Adorandus nostrae machinae Faber!
+
+Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine
+voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca
+cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem
+propria sponte restituere queant.
+
+Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut
+firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas
+hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages
+resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida
+pererrant.
+
+Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini!
+
+Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine
+porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum,
+horumque sinus mutata constituunt figura.
+
+Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis
+ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae,
+comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum detexit.
+
+Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur
+plurima.
+
+Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica
+descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in
+similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices
+cylindricos retis structura in se mutuo patent.
+
+Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes
+effectus quos sanguini arteriæ præstant, tantum pendere ab hac earum
+fabrica?
+
+Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos,
+et demonstrandos esse?
+
+Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, quæ
+vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet?
+
+Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatoriæ virtutis
+calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis
+demonstrare queat; solus ergo Mechanicus.
+
+Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteriæ, brevis certe
+levisque attentionis præmium Scientia erit totius fere humani corporis.
+
+Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo
+arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his
+recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis.
+
+En veram vasis lymphatici ideam!
+
+Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, qui
+emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero
+liquidiori orbatum vehat.
+
+Ecce venarum genuinam originem!
+
+Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova
+per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut
+novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum
+repraesentare discat.
+
+Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in
+recessu recondunt!
+
+Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano
+affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos,
+tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam.
+
+Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor,
+simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem.
+
+Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi!
+Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima
+perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus
+quam demonstras!
+
+Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere
+corpus constat!
+
+Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur
+ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis
+moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis.
+
+Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum
+glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris,
+quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte.
+Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis dubitat,
+nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique
+nondum illuxere?
+
+Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic
+se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae
+artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis
+nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso,
+villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis
+dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans
+amplius soloque inflatum spiritu.
+
+Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui
+hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis.
+
+Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis
+elasticos, sphaeroïdeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici;
+horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic
+arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis.
+
+Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis
+machina simplici adeo perficitur apparatu!
+
+Certe non fit alio.
+
+Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem!
+
+Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum,
+quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae
+eundem praestare possent, simplicissimum sit.
+
+Quid tandem ex hisce concludemus?
+
+Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint
+vasa liquidis coërcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis,
+et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura,
+duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere
+queant.
+
+Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim
+explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem
+sequutus est Babyloniorum, Ægyptiorum, Graecorumque choro, cum integra,
+quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse.
+
+Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse
+nunquam.
+
+Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et
+Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui
+singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum,
+Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium; his jungite
+juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in
+abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri
+estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa alia.
+
+Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in
+aeternum verba dare?
+
+Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis,
+metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis
+locus, causa, necessitas?
+
+Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit.
+
+Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua
+solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum
+effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus
+sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur.
+
+Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, demonstratio.
+
+Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel
+simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid
+vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo?
+
+Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et
+inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad
+exceptionen, directionemque radii sonori?
+
+Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora
+ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras
+formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et
+dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in
+vilissimo quoque animalium fabricae?
+
+Nunc daedalei labyrinthi, conchæ, vestibuli, duplicis in cochlea
+turbinata spirae, loci ovalis et rotundæ fenestræ, tot inquam
+miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae
+Divina manus, date rationem.
+
+Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni
+prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo.
+
+De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de
+fluidis subnectam.
+
+Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu
+sanitas absolvitur.
+
+Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et
+agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur,
+rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit,
+efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico
+patent per experimenta indagandi.
+
+Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano;
+unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum
+scientiam, quae usum rei praestet idoneum.
+
+At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque
+communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero
+elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum
+gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria
+sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta
+efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde oriantur.
+
+Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is
+absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis.
+
+Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum
+poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis est?
+
+Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi,
+affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta
+reperit Theoremata.
+
+Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit,
+singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole
+patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica?
+
+Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii,
+Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit.
+
+O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in
+Pulcherrima hac Speculatione!
+
+Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri
+Mathematice docti!
+
+Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent
+mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus
+exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum
+hactenus.
+
+Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem
+ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum
+explicare conati sunt.
+
+Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui
+Aquilegum regulas ignorat.
+
+Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam
+praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi,
+sectamque condunt.
+
+Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae
+singulares eorum virtutes absolvunt?
+
+An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes conflictus,
+putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim
+unquam?
+
+Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum
+adhibeat.
+
+Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium.
+
+Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam
+singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile
+quidpiam producunt.
+
+Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum
+Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium.
+
+Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem
+ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam.
+
+Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu
+omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant!
+
+Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri
+ex communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt
+expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum
+factis plerumque, pervulgato palam documento est.
+
+Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas
+inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et
+sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni
+condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando et insulso
+fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina
+stimulant.
+
+Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per
+annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant
+corpusculis.
+
+Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae,
+et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque
+particulae virtuti, actiones vitae deberi.
+
+Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis
+et Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat
+quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et
+defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo.
+
+Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto,
+venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per
+vulnera, revixisse Juvenem testatur.
+
+Sed quid verbis opus in re clara?
+
+Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum
+sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra
+incolumis huic Urbi praestatur sanitas!
+
+Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida
+inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta,
+diluere crassa, leviora solidare?
+
+Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii
+genium attendere cogimur.
+
+Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum
+poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt.
+
+Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium
+suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut
+cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices.
+
+Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur,
+evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas.
+
+Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus cadaver.
+
+Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum
+cernimus.
+
+Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet.
+
+Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo
+perturbatus in animi cecidit deliquium.
+
+Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati
+sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens
+motus.
+
+Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies
+fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita.
+
+Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis,
+naturalis et humana simul redit actio.
+
+Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei
+spiritusve nascitur aut perit?
+
+Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa
+ipsa redditur.
+
+Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam
+excitat tepor.
+
+Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam
+claritatem, certis saepe diffidit.
+
+Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis
+exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio.
+
+Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum
+pulmonibus cito reviviscit.
+
+Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus
+Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice
+vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere.
+
+Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non
+evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt,
+vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane
+moventur et agunt vicissim agitatione?
+
+Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et
+demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo
+cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae.
+
+Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant
+fermentorum Patroni.
+
+Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus
+ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti
+valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis
+reperiunda datur.
+
+Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper
+derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus,
+dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum.
+
+Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui
+speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et
+expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam,
+processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae
+continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam.
+
+Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare,
+unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse causam.
+
+Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem
+praestant, quam noster fingit animus.
+
+Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo
+creditur.
+
+Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae.
+
+Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset
+humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere
+principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem.
+
+Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet
+quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium
+operae mutatio in nobis fiat.
+
+Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo,
+cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica
+arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis
+cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant.
+
+Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari
+ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde
+repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est.
+
+Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate
+fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur.
+
+Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet,
+simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti
+signo omnia haec fieri.
+
+Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an
+Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi
+Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per
+quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis
+consummatione perfectus Aquilex.
+
+Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et indubitatis
+sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum
+intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum
+exempli citare decet.
+
+Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus,
+Borellus.
+
+Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et
+Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus.
+
+Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata
+proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum
+Pitcarnius.
+
+Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et
+Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata.
+
+Constabit an prosit Medico Mechanice!
+
+Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur
+in Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu
+patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica
+tulit.
+
+Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de
+Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae
+frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela.
+
+Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant
+simul, satis non video.
+
+Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, quae ex
+proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit.
+
+Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis,
+curandisque morbis auxilia suppeditare optima.
+
+Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae
+deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque
+comprehendet.
+
+Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is
+idoneus, qui ei occurrat, est habendus.
+
+Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index,
+errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille,
+qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia invenit.
+
+Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda
+Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex.
+
+Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam
+fatetur.
+
+Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod
+manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat
+vestra sit aestimatio.
+
+Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis
+imbutus Medicus inveniet?
+
+Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos
+imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant,
+acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum.
+
+Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum
+reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae
+facies?
+
+Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi
+medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum.
+
+Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel
+potus medicati haustu!
+
+Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria
+regulae definiunt Hugenianae!
+
+Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica,
+intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis
+Commentarios.
+
+Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi
+fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris
+Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo,
+cujus proprietas assumta problema limitaverat.
+
+Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum
+vitri figurati supplemento farcit.
+
+En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis
+Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus.
+
+Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur
+tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed
+aeterna scientia medica.
+
+Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum
+adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis
+subjici Mechanicis.
+
+Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus
+quaeritur.
+
+Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores.
+
+Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco
+tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus
+junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare?
+
+Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex
+exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum
+sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam
+absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis quaerat.
+
+Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is,
+rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere _ut plurimum_ a
+vitiato ejus per vasa transfluxu.
+
+Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus
+experimentis, docent.
+
+Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel
+contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu,
+spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet _plerunque_, qui vitae,
+sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus.
+
+Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse
+gratia _inprimis_, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos docet
+contemplatio.
+
+Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione
+sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam
+Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur
+sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi
+rationem.
+
+Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores
+esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam
+ullus Medicorum cogitat.
+
+Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et
+contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit.
+
+Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli
+fibrilla in corpore sanissimo.
+
+Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam
+multiplex cohors!
+
+Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio
+et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors.
+
+Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit.
+
+Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina
+similia peragere?
+
+Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano!
+
+In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens
+insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille
+morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a
+solo motu oriundae.
+
+Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati
+propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos
+reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo
+infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet
+exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia: ex
+causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae,
+restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi
+phaenomenis quid non invenietur tandem?
+
+At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non
+Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot
+irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis
+spes.
+
+Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae
+calamitatem eadem deploraret querela!
+
+Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod
+corpus constituit vel mentem?
+
+Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum
+quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae obediens.
+
+Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, quum hac
+insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque
+dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat?
+
+Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio.
+
+Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne
+declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico.
+
+Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti
+fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non
+esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et experimento.
+
+Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi
+titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere
+medicis, volumina.
+
+Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis
+satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in
+illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse
+ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio.
+
+Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius
+illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium,
+quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum.
+
+Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu
+veritatem nunquam sic detectum iri.
+
+Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi
+Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum
+negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent,
+sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa
+dein artis elementa applicata Mechanica conderent.
+
+At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam,
+exempla ignominiae citent exspecto.
+
+Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus,
+accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum.
+
+Quo enim talis pertinet Oratio?
+
+Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam desidero.
+
+Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis
+curandis qui post habet, insaniet.
+
+Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui
+Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum
+sumserat Oratio.
+
+Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi,
+interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus
+imago animo obversatur meo, Medici.
+
+Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens,
+tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum,
+Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in
+alia corpora, Virium.
+
+His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab
+obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo
+conciliare prudentiam.
+
+Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris,
+clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui
+fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in
+fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat.
+
+Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa
+rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et
+Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aëris, Salium, et aliorum
+maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones.
+
+Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet.
+
+Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium
+corpora brutorum aperta tacitus circumfert.
+
+Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus,
+curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem.
+
+Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet
+cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium virtutes.
+
+Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus
+recentiorum industria pomoeria extendit anatomes.
+
+Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum
+accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem.
+
+Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis,
+Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et
+extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in
+sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam evolvit.
+
+En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat!
+
+Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio
+Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu
+festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi
+patent.
+
+Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole
+collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur,
+firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem.
+
+Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia?
+
+Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex
+cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum?
+
+Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia,
+castigatissima caute procedit fide?
+
+Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris,
+et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae
+proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem
+accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam?
+
+Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel
+minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi
+immutabilis causa.
+
+Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima
+picturae parte adumbratum.
+
+In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa Æsculapii penetralia!
+
+En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta!
+
+Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret
+mellis medicati.
+
+Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis
+arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et
+remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus
+addiscens; tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et
+his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique
+curationemque morborum firmet.
+
+En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem!
+
+Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me
+animus, evictum.
+
+Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam
+feci.
+
+Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium
+summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate
+vestra Musagetae Illust. medicinam docui.
+
+Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam.
+
+Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis,
+sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita,
+commendare affectabo.
+
+Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua
+incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici
+contemplati primis miremini ab annis.
+
+Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis
+formosi, salutares hominibus audiatis genii!
+
+Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam
+Medica Sapientia.
+
+Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios
+reddere vos possit.
+
+Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus
+effectu beatus his in terris nemo carere poterit!
+
+Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum!
+
+Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via.
+
+Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta,
+perrupere fortes, Vos alacres sequamini!
+
+Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores longe
+Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, Pergamenae
+tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca.
+
+Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui
+sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret,
+Volderum.
+
+Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe
+majorem Virum!
+
+Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice
+hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et
+candide meminero.
+
+Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse
+censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare
+commodum opere ipso testari possim.
+
+Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt,
+observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices
+arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti
+slatione, vires dederit Deus!
+
+Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici
+hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus
+opus!
+
+Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae
+facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate
+certe cedam nulli.
+
+Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam
+profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii
+felicitas claritate famae plures alliciat.
+
+Hoc enim votum illud est, _Illustrissimi Curatores, Amplissimi Coss._,
+cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in Academia
+gestarum rationem Vobis reddere audebo.
+
+Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium.
+
+Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre
+me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias!
+
+Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum
+adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem
+excitastis denuo.
+
+Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris
+eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri
+favoris integritatem.
+
+Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia
+meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni.
+
+Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero,
+quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam alacrior!
+
+Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et
+Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo!
+
+Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam
+sedulus!
+
+Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me
+facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem.
+
+Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii
+aequitatem Orbi ipse comprobem!
+
+ DIXI.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+ _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_
+ CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT,
+
+Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek,
+Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste
+lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke
+orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde
+Nederlanden, gouverneur van ’s Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij
+H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst van
+Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz.
+
+Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van ’s Grevelsregt, voorzitter
+van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.
+
+Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en
+afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van
+Alblasserwaarde, enz. enz.
+
+ _Den Edel Achtbaren Heeren_
+
+Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en
+secretaris van het college van Curatoren.
+
+Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH,
+
+Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN,
+
+Den Heere PIETER VAN DORP,
+
+ draagt deze redevoering
+ met verschuldigden eerbied op
+ de hun toegewijde
+
+ HERMAN BOERHAAVE.
+
+
+
+
+REDEVOERING
+
+van
+
+HERMAN BOERHAAVE
+
+over
+
+Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde.
+
+Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid,
+hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe
+waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten
+genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner
+wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen
+aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men
+niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde
+in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een
+wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne
+alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke
+grenst?
+
+Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan
+ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en
+ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.
+
+Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire,
+wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor
+andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen,
+als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van
+dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof
+nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk,
+opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij
+niets goeds vermag tot stand te brengen.
+
+Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de
+waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik
+gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur
+voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting
+als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal
+duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde
+van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_.
+
+Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke
+rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit
+echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo
+welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds
+lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit
+deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus
+terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar
+hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel,
+het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en
+aandacht vergt hij van zijne hoorders.
+
+Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de
+Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige
+tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard
+echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur
+voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze
+algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. Daar deze immers
+voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke
+alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles,
+wat het eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog
+zoo logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid
+worden, die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering
+geeft. En toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere
+of geringere werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de
+kennis van deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde
+onbestaanbaar is.
+
+Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te
+bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn
+anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den
+eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze
+voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met
+de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder
+heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van
+de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te
+onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne
+eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij
+haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen
+waarneembaar is.
+
+Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten
+langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar
+voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met
+behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch
+zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder
+waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.
+
+Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere
+inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.
+
+Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het
+menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons
+omringende natuur.
+
+Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat
+het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met
+wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in
+vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is
+uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er
+doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden.
+
+Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het
+vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen
+voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der
+mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de
+onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit,
+dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische
+beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding
+verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het
+menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont
+er derhalve alle eigenschappen van.
+
+Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen
+zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige
+behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door
+zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste
+gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke
+eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene
+oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven
+grond uitgekozen zijn.
+
+Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de
+ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door
+den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na
+te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen
+hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop,
+hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg
+overeenkomen. Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele
+factoren doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de
+richting der door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden.
+Derhalve zal aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de
+voorrang moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook
+bij het naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij
+men misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs
+wetenschappelijken weg niets valt af te leiden.
+
+Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk
+waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt
+of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met
+elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars
+kan worden afgeleid?
+
+Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote
+traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste
+geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.
+
+Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den
+goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar
+voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort
+schieten.
+
+Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit
+genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen
+opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht
+hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere
+wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen
+der lichamen uit te vorschen. Wie dat poogt te doen, moet zich in het
+hoofd gezet hebben, dat de aard der dingen het best kan worden
+opgespoord door van zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het
+meest tegen indruischen, en door zoodanige personen, die het sterkst
+afwijken van de onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als
+de eenige, welke ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds
+daardoor echter zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden
+verstrikken, dat ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne
+stelling bewezen mag achten.
+
+Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te
+zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot
+instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht
+van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid
+der menschen.
+
+Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de
+zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle
+beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim
+gebruik maken.
+
+Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen
+zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te
+brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische
+schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet
+worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak
+zelve meen niet achterwege te mogen laten.
+
+Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is
+en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te
+behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen
+loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het
+grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij
+niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de
+slagers. Niet minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van
+deze kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die
+met den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich
+op hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij
+echter deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht
+doorloopende hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk
+een wijder opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende
+zijtakken. Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven,
+dat de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal
+plaatsen wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen
+invloed uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor
+weinige jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden
+stellingen der wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben
+toegepast.
+
+Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende
+kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme
+deze buigzame kanalen gevormd!
+
+Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder
+gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun
+tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te
+keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra
+dit opgehouden heeft ze uit te zetten.
+
+MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der
+slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een
+stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe
+kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons
+het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze
+dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden
+voortgedreven, te doorloopen hebben.
+
+Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in
+Zijn werk openbaart, is wel het volgende.
+
+De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en
+die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting,
+zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante
+veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne
+boezems.
+
+Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het
+microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der
+lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken
+toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten
+en planten aan het licht gebracht heeft.
+
+Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen
+enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter
+verdichting.
+
+Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk
+voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is,
+bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig
+en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen
+van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van
+cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het
+geheel er als een net uitziet.
+
+Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan
+niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts
+bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting?
+
+En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze
+werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn?
+
+Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze
+zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die
+alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden,
+systematisch uiteen te zetten?
+
+Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige
+beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de
+kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een
+menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander
+dan de Werktuigkundige.
+
+Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de
+zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna
+het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en
+geringe inspanning van onzen geest.
+
+Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft,
+zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de
+roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere,
+kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen.
+
+Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat!
+
+Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden
+stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het
+dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren.
+
+Ziedaar den waren oorsprong der aderen!
+
+Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door
+het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat
+er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar
+zóó dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt.
+
+De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel
+schoons bergen zij niet in zich.
+
+Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze
+tot één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht
+daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol
+dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van
+een klier voor U.
+
+Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het
+orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan
+echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn
+toegeschreven.
+
+U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd
+hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke
+inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te
+toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts
+door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt!
+
+En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat
+immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren!
+
+De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons
+nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande
+uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever,
+milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd.
+
+Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen
+van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het
+embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten
+nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare
+afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de
+vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan
+behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke
+geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS?
+
+Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende
+beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de
+meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst
+zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit
+kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu
+eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan
+een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een
+uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat
+kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is.
+
+ [Voetnoot 1: Met „geest“, de vertaling van het Latijnsche
+ „spiritus“, is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens
+ Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen
+ gevonden wordt (Vertaler).]
+
+Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst
+recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE
+bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van
+CARTESIUS.
+
+Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen
+verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die
+afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte
+wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn
+echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van
+lymphvaten.
+
+Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo
+kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo
+eenvoudige inrichting tot stand gebracht?
+
+Het is stellig niet anders.
+
+Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien!
+
+De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde
+opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft
+van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het
+voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en
+tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het
+eenvoudigst is.
+
+Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken?
+
+Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks
+vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen
+te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te
+verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische
+instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid
+hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te
+dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren.
+
+Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe
+waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste
+bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo
+vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche
+schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij
+volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets
+anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen
+ontdekken.
+
+De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der
+ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen.
+
+Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde,
+diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en
+MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam
+verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR,
+BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude
+meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken;
+voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de
+ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die
+tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden,
+dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun
+onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde
+bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken.
+
+Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en
+ons maar steeds wat op de mouw speldt?
+
+Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen,
+chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is
+hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen?
+
+Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar
+verzonnen verschijnselen.
+
+Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun
+gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste
+wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt.
+
+Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_
+uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts
+_hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar
+de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien
+heeft.
+
+Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_
+wetenschap ervaren Meester geleverd wordt.
+
+U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik,
+wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het
+hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het
+waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht.
+
+Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het
+midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden
+breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor
+het opvangen en richten der geluidsgolven?
+
+Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de
+richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de
+velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat
+daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging
+gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van
+deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op
+dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont?
+
+Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de
+schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het
+kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van
+zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de
+zeer harde rots heeft uitgehouwen.
+
+Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een
+diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult
+kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen,
+welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen.
+
+Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het
+ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen
+toevoeg.
+
+Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker
+onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt.
+
+Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke
+voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent,
+door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo
+één enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof
+en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en
+vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof
+afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs
+experimenteelen weg kunnen opgespoord worden.
+
+Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik
+hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze
+kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver
+gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren.
+
+Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan
+nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle
+vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter,
+de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en
+adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de
+voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling
+onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot,
+dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk
+lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin
+behoeft gezocht te worden.
+
+Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een
+systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk
+van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde.
+
+En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen
+kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet
+vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo
+ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde?
+
+Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door
+gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der
+zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de
+praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft.
+
+Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring
+der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof
+op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de
+zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der
+wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan
+wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden?
+
+Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten
+overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI,
+MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand.
+
+Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de
+nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder
+licht lieten schijnen.
+
+Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle
+richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen
+duidelijkheid te doen kennen!
+
+Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de
+algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap
+op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten
+tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare
+andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd.
+
+Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de
+zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de
+werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten,
+een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een
+belachelijk daglicht geplaatst hebben.
+
+En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan
+begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde.
+
+Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig,
+zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed
+maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2]
+noemen.
+
+ [Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten.
+ In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen
+ chemie en alchimie. (Vertaler).]
+
+Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen
+afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen?
+
+Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de
+ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de
+wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring
+kunnen vinden in de wetten der Mechanica?
+
+Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik
+reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden.
+
+Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne
+hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen.
+
+Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer
+beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op
+zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor
+onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient
+rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij
+plaats hadden.
+
+De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische
+wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide
+reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand
+doet.
+
+De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden,
+waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen
+geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die
+gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden.
+
+Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de
+hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op
+beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat
+der medische wetenschap in bezit te hebben!
+
+Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand,
+meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene
+eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld
+hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht,
+twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig
+verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder
+waargenomen feit.
+
+De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam
+dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan
+soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van
+vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch,
+groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen
+voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen
+hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten.
+
+ [Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).]
+
+Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid
+van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de
+andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid
+kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij
+hunne vochten verzadigen.
+
+Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de
+levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den
+algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen
+ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden
+openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich
+zelf?
+
+Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te
+vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en
+dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS
+omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte
+door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een
+voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden
+men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard
+aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten.
+
+ [Voetnoot 4: Een van BACO’s werken draagt den titel: „Historia
+ vitae et mortis“. (Vertaler).]
+
+Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies
+uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in
+zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder
+verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het
+leven teruggebracht werd.
+
+Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich
+zelf spreekt.
+
+Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren,
+wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer
+stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt!
+
+Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen
+genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te
+lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen
+meer stevigheid te geven?
+
+Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te
+wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de
+geheimzinnige werking van het kwikzilver!
+
+Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben,
+passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met
+verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde
+methoden toe.
+
+Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde
+eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die
+deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit,
+dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen
+moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is.
+
+Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn
+van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel
+duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in
+het oog springen.
+
+Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die
+beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons.
+
+Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen
+bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam.
+
+Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel
+zijn eigen oogen willen gelooven.
+
+Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde
+stroomend bloed in zwijm gevallen is.
+
+Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste
+en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden
+worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop
+brengt, ontbreekt er aan.
+
+Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van
+dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in
+beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle
+droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter
+dan voorheen, terug.
+
+En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur,
+de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek
+menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.
+
+Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een
+opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig
+beginsel?
+
+Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien
+wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren.
+
+Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten,
+die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte
+behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug
+te keeren.
+
+Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der
+waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te
+nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij
+berusten.
+
+Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende
+feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld
+te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het
+laboratorium van Hooke.
+
+Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat
+zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden
+blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren.
+
+Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons
+het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den
+grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang
+overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig
+te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van
+vocht in de aderen.
+
+Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er
+tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons
+leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van
+het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten?
+
+Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer
+beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en
+in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en
+vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en
+systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het
+gebied der Mechanica gerekend worden.
+
+Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de
+voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing
+en zegevierenden jubel aanleiding geeft.
+
+Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen
+door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der
+beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan
+dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke
+en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting
+aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen.
+
+Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van
+de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet
+worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf
+bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en
+vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der
+vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft. Hij, die den
+wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en
+den samenhang dier deelen aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de
+hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit
+het hart in de slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der
+hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder
+terug naar het hart, zal de voortzetting van het levensproces niet
+anders trachten te verklaren dan uit de mechanische werking der
+ingewanden.
+
+Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te
+bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam
+elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt.
+
+Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat
+voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid.
+
+De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn
+veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt.
+
+De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij
+zelven meenen.
+
+Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was,
+indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen,
+voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de
+mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens
+onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer
+eenvoudige beginselen voortvloeit.
+
+De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één
+enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige
+en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in
+ons lichaam tot stand komt.
+
+Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een
+microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel
+door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven
+wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige
+samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op
+hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen
+dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te
+stroomen.
+
+Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa
+verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg
+nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu
+eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont
+zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende
+uitspansel.
+
+Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in
+vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid,
+die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen
+hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande.
+
+En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische
+processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles
+uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de
+veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot
+stand komt.
+
+Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was,
+een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en
+niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam
+werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus
+gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang
+vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde.
+
+Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de
+Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en
+betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen,
+die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden,
+dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op
+dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn.
+
+Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich
+bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient.
+
+Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit
+de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en
+voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS
+heeft opgelost.
+
+Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer
+hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde
+geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd.
+
+Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS
+en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND
+over het oor en het gehoor.
+
+Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der
+Geneeskunde ten goede komt!
+
+Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien
+Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun
+eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang
+wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der
+philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden.
+
+Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan
+toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd
+worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de
+practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der
+Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend.
+
+Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe
+spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan,
+vermag ik niet te begrijpen.
+
+Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der
+geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de
+naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven
+van den gezonden mensch.
+
+Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig
+bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de
+beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten.
+
+Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig
+kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong
+en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen.
+
+Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak
+eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden
+worden, om die ziekte te bestrijden?
+
+Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt,
+zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen
+der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis
+heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de
+verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot
+herstel aan de hand doet.
+
+Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde
+door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het
+practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht.
+
+Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde
+erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk.
+
+Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om
+zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat
+zijn naam ontleent aan het „met de hand genezen“; oordeelt zelf, of de
+chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan.
+
+Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van
+gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is
+met de Werktuigkunde?
+
+De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien
+zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde,
+voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het
+waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo
+teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die
+er vaak een groote verwoesting in aanrichten.
+
+Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met
+wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de
+oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot
+zekerheid gebracht heeft.
+
+Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad
+door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den
+patiënt onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke
+behandeling onnoodig geoordeeld wordt.
+
+Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een
+verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te
+willen genezen!
+
+Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen
+door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke
+afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden.
+
+Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de
+praktijk der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen
+met HUYGENS’ werken over het opheffen der gezichtsstoringen te leeren
+verstaan.
+
+Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen
+de anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen
+lettend op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil,
+weldra door louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat
+slechts voor die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het
+licht gebrachte eigenaardigheid de kern van het probleem had
+uitgemaakt.
+
+Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en
+het onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen
+van een bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt.
+
+Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen
+van de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen
+van geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij
+oplevert en het succes, dat er mede te bereiken valt.
+
+Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal
+gaan behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand
+wel zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit
+komen van eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis
+gegrondvest en vrij van verzinselen, niet ten allen tijde
+veranderlijk, maar eeuwig dezelfde zal zijn.
+
+Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op
+de afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige
+ziekten en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen
+een gunstige invloed geoefend kan worden.
+
+Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit
+resultaat wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat
+het nog niet bereikt is.
+
+Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige
+beoordeelaars.
+
+Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige
+Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig
+gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden
+hebben, waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van
+drieduizend jaren met vereende krachten nog zelfs geen begin van
+uitvoering hebben kunnen geven?
+
+Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de
+eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde
+deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van
+den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel
+in normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste
+gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen,
+dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste
+stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal
+hebben?
+
+Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar
+iets tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat
+ziekten, die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg
+de meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale
+strooming dier vloeistof door de vaten.
+
+Dit leeren ons de waarnemingen van HIPPOCRATES, vergeleken met die van
+SANCTORIUS en met de dagelijks door ons waargenomen verschijnselen.
+
+En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de
+verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven,
+hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te
+aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de
+strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een
+krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der
+vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of
+minderen graad van dichtheid.
+
+Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige
+werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te
+stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven
+genoemde oorzaken der ziekten wegnemen.
+
+Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de
+verhandelingen van BELLINI over de aderlating, de prikkels en de
+samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd
+hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op
+volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de
+verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de
+wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien
+opstellen.
+
+Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te
+spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde
+ziekten eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig
+geneesheer vermoedt.
+
+Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener
+machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige
+deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele
+machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen.
+
+Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of
+kleine zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt
+worden.
+
+Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan
+voortspruiten uit een onbeduidend wondje van zoo’n klein deeltje.
+
+Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst,
+ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der
+tragedie, den dood!
+
+Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats
+binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen.
+
+Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der
+vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een
+gelijke uitwerking hebben?
+
+Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet
+plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging!
+
+Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje
+op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer
+geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor!
+Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei
+ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht,
+en dat alles uitsluitend gevolg der beweging!
+
+Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door
+den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat
+zij echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond
+in een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten,
+wie waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking
+tallooze andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal
+gemakkelijk inzien, dat eerst van den mechanistischen geneesheer
+afdoende middelen hiertegen te verwachten zijn; wat al ontdekkingen
+zullen haar ontstaan te danken hebben aan het in verband brengen der
+ziekteverschijnselen met de oorzaken der stoornissen in den
+bloedsomloop en de regels voor het overwinnen van den weerstand, het
+herstellen der veerkrachtige beweging en het versterken der
+hartwerking!
+
+Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons
+lichaam doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid
+uit niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is
+uwe inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen,
+die gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert!
+
+Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte,
+zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in
+zijne schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp
+van ons aller onwetendheid tot uiting gebracht werd!
+
+Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest
+of van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het
+wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert?
+
+Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in
+ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en
+dat _deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen.
+
+Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_
+mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is,
+zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van
+_lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken
+en zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken
+wil.
+
+Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten
+oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt.
+
+Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders
+hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet
+onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij
+laden, dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen,
+listiglijk ontweken te hebben.
+
+Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle
+philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening
+der geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt
+hebben? Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en
+proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde
+slechts schaadt!
+
+Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij
+slechts gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker
+aanhangers zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd;
+dit leert ons de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden
+over geneeskundige onderwerpen geschreven hebben.
+
+Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen
+verbeelding opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens
+uit de hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die
+beginselen hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te
+verklaren, blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben;
+en nu is het juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische
+methode, die dat duidelijk aangetoond heeft.
+
+De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn,
+kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is
+uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor
+hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen
+van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen
+geeft.
+
+Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en
+alle onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid
+hieromtrent onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen
+doen, ontdekt kan worden.
+
+Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep
+van Mechanisten, die tot de school van CARTESIUS behooren, ernstig in
+het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan verkeerd
+hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk lichaam te
+richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen berusten, maar
+zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen beoefende
+wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten worden
+uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van den
+mensch leert.
+
+Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige,
+zooals ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik
+bewijzen voor dien laster.
+
+Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren,
+dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur
+als geneesheer kan maken.
+
+Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben!
+
+Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de
+Geneeskunde, maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis
+der Mechanica.
+
+Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten
+opzichte van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een
+Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde.
+
+Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering
+duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die
+gelijke ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is
+om zijne wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de
+regelen der Mechanica vertrouwd is.
+
+Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven
+worde, wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen,
+zal ik U een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij
+steeds als een ideaal voor oogen zweeft.
+
+Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor
+zijne geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige
+beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de
+inrichting van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere
+voorwerpen kunnen uitgeoefend worden.
+
+Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze
+tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van
+onduidelijke, ware van onware voorstellingen te onderscheiden;
+tegelijkertijd zal hij, gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen,
+zich de zoo hoog noodige voorzichtigheid eigen maken.
+
+Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet
+samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en
+ontwijfelbare oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om
+de verschillende eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar
+vloeibaarheid, elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek
+uitvoerig behandelt, nader te bestudeeren.
+
+Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe
+over, de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene
+uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken,
+versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische,
+mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de
+werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten
+en andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat.
+
+Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de
+gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt.
+
+Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige
+onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van
+levend geopende dieren.
+
+Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid,
+de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de
+buigzaamheid en veerkrachtigheid der vaten.
+
+Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door
+hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem
+reeds van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen
+eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen.
+
+Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de
+vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft
+uitgebreid, zien wij hem gebruik maken.
+
+Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane
+ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van
+den bouw van het menschelijk lichaam.
+
+Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke
+hij zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem
+Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met
+behulp van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt.
+Eindelijk zal hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde
+gegevens een volledig overzicht kunnen verschaffen van alle
+verschijnselen, die het lichaam in gezonden toestand te aanschouwen
+geeft.
+
+Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf
+verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van
+den normalen lichaamstoestand!
+
+Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk
+nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen
+samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der
+Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk
+gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in
+die gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming
+daarin ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit
+afgeleid kunnen worden.
+
+Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze
+maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der
+verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling
+vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al
+deze onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen
+dier oorzaken zal kunnen vormen.
+
+Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne
+studiën dezen weg volgt!
+
+En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk
+vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit
+welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen
+grondslag uitmaakt?
+
+Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn,
+die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar
+erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt?
+
+Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk
+nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare
+methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik
+vallende oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk
+lichaam uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze
+zintuigen waarneembaar zijn?
+
+Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw
+merkbaar zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit
+belangrijke voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die
+zij maakt, een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten
+grondslag vormt, waarop verder voortgebouwd kan worden.
+
+Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen
+geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal
+strevend.
+
+Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den
+tempel van AESCULAPIUS!
+
+Thans doorvorscht hij de Tafelen van HIPPOCRATES en de zoo betrouwbare
+geschriften der Grieken!
+
+Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers
+vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke
+gegevens te vinden is!
+
+Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij
+pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren
+ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens
+verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de
+uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus
+opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat
+gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze
+regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden
+resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte
+een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der
+verschillende ziekten.
+
+En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste
+beeld van den volmaakten geneesheer!
+
+Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der
+Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond.
+
+Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht,
+dat beeld te evenaren, mij daarnaar te richten.
+
+Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding
+toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne
+krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de
+geneeskunde onderwees.
+
+Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden
+ijverig na te streven.
+
+Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme
+verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden
+woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik
+voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied
+trachten af te dwingen.
+
+Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze
+wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn
+ongestoord welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen
+beeld van den idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af
+aandachtig beschouwen en er bewondering voor opvatten.
+
+Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten
+van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft!
+
+Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen
+voor hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde.
+
+Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe
+medemenschen kan maken.
+
+Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor
+de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op
+aarde het geluk bestaanbaar is!
+
+Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen
+vurigen geest beteugele!
+
+Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van
+PANACEA[5] voert.
+
+ [Voetnoot 5: PANACEA („Alheelster“) is de naam van een der dochters
+ van AESCULAPIUS. (Vertaler).]
+
+Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend;
+met groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het
+einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun
+voorbeeld!
+
+Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der
+geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de
+Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische
+wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden.
+
+ [Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus
+ en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding
+ maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze hunner
+ genezing. (Vertaler).]
+
+ [Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van GALENUS van Pergamum en
+ HIPPOCRATES van Cos. (Vertaler).]
+
+Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk
+gemak in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde
+bloot te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige
+vraagstukken toe te passen.
+
+Het is VOLDER, een man, die naar het oordeel der besten onder ons
+geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven onzen
+lof verheven is!
+
+Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne
+openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel
+verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd
+ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en
+oprecht voor oogen houden.
+
+Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe
+studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote
+mannen volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs
+te leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek.
+
+Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te
+vervullen, zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en
+de waarnemingen der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten
+bijeen te verzamelen, waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen
+onderzoekingen, die ik geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde,
+toegerust met al deze gegevens, met behulp van de door mij zoo
+uitbundig geprezen Mechanica, het onze bij te dragen tot den opbouw
+der medische wetenschap!
+
+Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne
+gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van
+het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het
+zoo mogelijk voleinden!
+
+Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij
+ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken
+aanleg en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten
+worden, in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen.
+
+De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen
+deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal
+blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is,
+wanneer de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool
+meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen.
+
+Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn,
+zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren
+Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe
+bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel
+mogen onderwerpen.
+
+ [Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden
+ toegesproken. (Vertaler).]
+
+Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven
+geest behagen zal kunnen scheppen.
+
+Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet
+minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U
+verplicht gevoel, metterdaad te toonen!
+
+Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen
+en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne
+werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door
+hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog
+meer ijver geprikkeld.
+
+Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het
+mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere
+gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij
+bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat.
+
+Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest
+ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden,
+hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle
+gunstbejag stuit op haar af.
+
+Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet
+van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen
+onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol
+getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort
+te gaan!
+
+Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij
+eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en
+volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil
+ik U slechts het volgende plechtig beloven!
+
+Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van
+den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden!
+
+Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren,
+dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij
+haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te
+verwerven.
+
+Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat
+gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen
+blijken!
+
+
+ IK HEB GEZEGD.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+_Nobilissimis et Splendidissimis Viris_
+ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS,
+
+ _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_
+ CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT,
+
+D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer,
+Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris
+Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris
+Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro.
+Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae
+et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad
+Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc.
+
+ Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek,
+ Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste
+ lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke
+ orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde
+ Nederlanden, gouverneur van ’s Hertogenbosch, buitengewoon gezant
+ bij H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst
+ van Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz.
+
+D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in ’s Grevelsregt, Supremae
+Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc.
+
+ Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van ’s Grevelsregt, voorzitter
+ van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.
+
+D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae
+in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos
+Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum
+Alblasserwaarde, etc. etc.
+
+ Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en
+ afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van
+ Alblasserwaarde, enz. enz.
+
+Eorumque collegis,
+_Amplissimis, Gravissimisque Viris_,
+
+ _Den Edel Achtbaren Heeren_
+
+D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et
+Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario,
+
+D. CONRADO RUYSCH, JCto.
+
+D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto.
+
+D. PETRO VAN DORP.
+
+ Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en
+ secretaris van het college van Curatoren.
+
+ Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH,
+
+ Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN,
+
+ Den Heere PIETER VAN DORP,
+
+Hanc Orationem
+Ea, qua par est, veneratione
+Sacrat
+Virtuti, et Nomini Eorum
+Devotissimus
+
+ draagt deze redevoering
+ met verschuldigden eerbied op
+ de hun toegewijde
+
+HERMANNUS BOERHAAVE.
+
+ HERMAN BOERHAAVE.
+
+
+
+
+HERMANNI BOERHAAVE
+De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina
+ORATIO.
+
+ REDEVOERING
+ van
+ HERMAN BOERHAAVE
+ over
+ Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde.
+
+Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel
+deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici
+appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux,
+Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni
+aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et
+insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam!
+
+ Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid,
+ hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe
+ waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten
+ genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner
+ wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen
+ aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men
+ niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde
+ in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een
+ wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne
+ alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke
+ grenst?
+
+Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique
+principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi
+inventi.
+
+ Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan
+ ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en
+ ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.
+
+Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti
+rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium
+vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu
+dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe
+supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur
+immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento.
+
+ Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen
+ op het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts
+ eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld
+ zijn, voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders
+ ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller
+ wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij,
+ op zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend
+ heeft, die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij
+ het te danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de
+ beweegkracht zij, waarover wij beschikken.
+
+Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris
+disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices,
+sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In
+sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo
+censetur.
+
+ Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire,
+ wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor
+ andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen,
+ als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van
+ dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof
+ nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk,
+ opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij
+ niets goeds vermag tot stand te brengen.
+
+Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo
+medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim.
+Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim,
+si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum
+esse summum, necessitatem maximam_.
+
+ Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de
+ waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik
+ gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur
+ voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting
+ als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal
+ duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde
+ van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_.
+
+Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed
+reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata
+dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati
+sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa
+veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet
+et odia.
+
+ Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke
+ rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit
+ echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo
+ welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds
+ lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit
+ deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus
+ terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar
+ hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel,
+ het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en
+ aandacht vergt hij van zijne hoorders.
+
+Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos
+tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam.
+Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori
+propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus
+rite deduxerit.
+
+ Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de
+ Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige
+ tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard
+ echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur
+ voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze
+ algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden.
+
+ Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso accurate
+omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non dabit
+conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. Ab hac
+ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus pollet;
+adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est.
+
+ Daar deze immers voortgesproten is uit de samenvatting van die
+ eigenschappen, welke alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige
+ uitsluiting van alles, wat het eene lichaam van het andere
+ onderscheidt, zal daaruit met nog zoo logische redeneering geen
+ enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden, die over den
+ bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En toch hangt
+ juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere
+ werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van
+ deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is.
+
+Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari
+conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem
+in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit,
+nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque
+effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria
+rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem,
+collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet.
+
+ Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te
+ bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn
+ anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den
+ eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze
+ voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met
+ de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder
+ heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van
+ de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te
+ onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne
+ eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij
+ haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen
+ waarneembaar is.
+
+Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein
+Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici
+possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam.
+Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus
+certa, neque minus apta usui erunt.
+
+ Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten
+ langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar
+ voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met
+ behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch
+ zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder
+ waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.
+
+Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae
+cujusdam machinae constructionem reseret, clavis.
+
+ Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere
+ inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.
+
+Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti,
+quam contemplamur, Universitati rerum.
+
+ Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het
+ menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons
+ omringende natuur.
+
+Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si
+seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus,
+diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus
+conflatum.
+
+ Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat
+ het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met
+ wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in
+ vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is
+ uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er
+ doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden.
+
+Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit
+plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane
+evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt.
+Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum
+partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem
+deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici
+speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie
+exhibetur.
+
+ Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het
+ vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen
+ voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der
+ mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de
+ onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit,
+ dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische
+ beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding
+ verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het
+ menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont
+ er derhalve alle eigenschappen van.
+
+Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina
+explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non
+quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine
+finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares.
+
+ Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen
+ zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige
+ behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door
+ zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste
+ gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke
+ eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene
+ oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven
+ grond uitgekozen zijn.
+
+Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando
+majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in
+minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his,
+majoribusque naturam demonstrans.
+
+ Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de
+ ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door
+ den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na
+ te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen
+ hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop,
+ hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg
+ overeenkomen.
+
+ Sed et liquidorum scientia revelavit multa, quae humorum per vasa
+nostra circumactorum ingenium, impetum, directionemque determinant.
+Quare, aut ex omnibus his nihil lege scientiae deduci poterit unquam,
+aut soli mechanicae in cognoscendo, adeoque et in gubernando corpore
+humano palma tribuenda erit.
+
+ Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren doen
+ kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der
+ door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal
+ aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang
+ moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het
+ naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men
+ misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs
+ wetenschappelijken weg niets valt af te leiden.
+
+Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis
+observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive
+emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet,
+quis asseret?
+
+ Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk
+ waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt
+ of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met
+ elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars
+ kan worden afgeleid?
+
+Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane
+pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur,
+palam facit.
+
+ Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote
+ traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste
+ geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.
+
+Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere
+quae forte solus non possit.
+
+ Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den
+ goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar
+ voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort
+ schieten.
+
+Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens
+quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae
+corporea rectius excutiat, artem.
+
+ Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit
+ genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen
+ opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht
+ hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere
+ wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen
+ der lichamen uit te vorschen.
+
+ Id qui aggreditur, necessarium est ut statuat rerum naturam optime
+explicari per ea principia, quae a quaesita rei natura maxime aliena
+sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata veri indagandi methodo
+longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque se intricat absurdis,
+ut, nulla ejus ratione habita, propositum demonstratum putem.
+
+ Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet hebben,
+ dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van zulke
+ grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen,
+ en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de
+ onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke
+ ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter
+ zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat
+ ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen
+ mag achten.
+
+Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab
+usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex
+plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito.
+
+ Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te
+ zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot
+ instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht
+ van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid
+ der menschen.
+
+Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus
+ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus
+mederi cura est.
+
+ Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de
+ zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle
+ beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim
+ gebruik maken.
+
+Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis
+allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati
+defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius
+rei praeprimis necessaria habentur.
+
+ Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen
+ zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te
+ brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische
+ schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet
+ worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak
+ zelve meen niet achterwege te mogen laten.
+
+Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam
+beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales
+esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima
+circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus
+fugiat, vel laniones norunt.
+
+ Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is
+ en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te
+ behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen
+ loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het
+ grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij
+ niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de
+ slagers.
+
+ Neque minus vulgatum, a corde exortum unum horum truncum explicari
+in ramos laterales, figura trunci similes, eadem ratione et divisos
+rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut truncus recta pergens,
+in loco divisionis majori plerunque capacitate aperiatur quam rami, qui
+ad latera trivii hujus porriguntur.
+
+ Niet minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van deze
+ kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die met
+ den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich op
+ hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij echter
+ deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht doorloopende
+ hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk een wijder
+ opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringendezijtakken.
+
+ Sinuoso autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum
+latera ad infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur,
+hujusque Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem,
+observarunt a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus
+applicuere Medicis.
+
+ Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, dat
+ de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal plaatsen
+ wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen invloed
+ uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor weinige
+ jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden stellingen der
+ wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben toegepast.
+
+Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales
+Adorandus nostrae machinae Faber!
+
+ Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende
+ kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme
+ deze buigzame kanalen gevormd!
+
+Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine
+voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca
+cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem
+propria sponte restituere queant.
+
+ Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder
+ gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun
+ tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te
+ keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra
+ dit opgehouden heeft ze uit te zetten.
+
+Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut
+firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas
+hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages
+resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida
+pererrant.
+
+ MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der
+ slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een
+ stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe
+ kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons
+ het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze
+ dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden
+ voortgedreven, te doorloopen hebben.
+
+Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini!
+
+ Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in
+ Zijn werk openbaart, is wel het volgende.
+
+Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine
+porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum,
+horumque sinus mutata constituunt figura.
+
+ De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en
+ die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting,
+ zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante
+ veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne
+ boezems.
+
+Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis
+ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae,
+comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum detexit.
+
+ Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het
+ microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der
+ lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken
+ toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten
+ en planten aan het licht gebracht heeft.
+
+Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur
+plurima.
+
+ Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen
+ enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter
+ verdichting.
+
+Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica
+descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in
+similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices
+cylindricos retis structura in se mutuo patent.
+
+ Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk
+ voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is,
+ bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig
+ en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen
+ van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van
+ cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het
+ geheel er als een net uitziet.
+
+Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes
+effectus quos sanguini arteriæ præstant, tantum pendere ab hac earum
+fabrica?
+
+ Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan
+ niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts
+ bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting?
+
+Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos,
+et demonstrandos esse?
+
+ En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze
+ werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn?
+
+Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, quæ
+vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet?
+
+ Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze
+ zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die
+ alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden,
+ systematisch uiteen te zetten?
+
+Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatoriæ virtutis
+calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis
+demonstrare queat; solus ergo Mechanicus.
+
+ Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige
+ beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de
+ kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een
+ menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander
+ dan de Werktuigkundige.
+
+Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteriæ, brevis certe
+levisque attentionis præmium Scientia erit totius fere humani corporis.
+
+ Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de
+ zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna
+ het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en
+ geringe inspanning van onzen geest.
+
+Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo
+arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his
+recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis.
+
+ Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft,
+ zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de
+ roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere,
+ kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen.
+
+En veram vasis lymphatici ideam!
+
+ Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat!
+
+Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, qui
+emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero
+liquidiori orbatum vehat.
+
+ Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden
+ stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het
+ dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren.
+
+Ecce venarum genuinam originem!
+
+ Ziedaar den waren oorsprong der aderen!
+
+Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova
+per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut
+novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum
+repraesentare discat.
+
+ Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door
+ het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat
+ er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar
+ zóó dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt.
+
+Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in
+recessu recondunt!
+
+ De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel
+ schoons bergen zij niet in zich.
+
+Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano
+affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos,
+tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam.
+
+ Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze
+ tot één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht
+ daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol
+ dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van
+ een klier voor U.
+
+Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor,
+simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem.
+
+ Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het
+ orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan
+ echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn
+ toegeschreven.
+
+Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi!
+Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima
+perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus
+quam demonstras!
+
+ U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd
+ hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke
+ inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te
+ toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts
+ door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt!
+
+Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere
+corpus constat!
+
+ En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat
+ immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren!
+
+Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur
+ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis
+moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis.
+
+ De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons
+ nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande
+ uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever,
+ milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd.
+
+Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum
+glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris,
+quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte.
+Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis dubitat,
+nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique
+nondum illuxere?
+
+ Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen
+ van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het
+ embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten
+ nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare
+ afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de
+ vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan
+ behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke
+ geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS?
+
+Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic
+se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae
+artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis
+nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso,
+villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis
+dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans
+amplius soloque inflatum spiritu.
+
+ Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende
+ beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de
+ meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst
+ zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit
+ kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu
+ eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan
+ een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een
+ uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat
+ kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is.
+
+ [Voetnoot 1: Met „geest“, de vertaling van het Latijnsche
+ „spiritus“, is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens
+ Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen
+ gevonden wordt (Vertaler).]
+
+Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui
+hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis.
+
+ Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst
+ recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE
+ bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van
+ CARTESIUS.
+
+Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis
+elasticos, sphaeroïdeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici;
+horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic
+arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis.
+
+ Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen
+ verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die
+ afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte
+ wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn
+ echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van
+ lymphvaten.
+
+Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis
+machina simplici adeo perficitur apparatu!
+
+ Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo
+ kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo
+ eenvoudige inrichting tot stand gebracht?
+
+Certe non fit alio.
+
+ Het is stellig niet anders.
+
+Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem!
+
+ Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien!
+
+Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum,
+quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae
+eundem praestare possent, simplicissimum sit.
+
+ De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde
+ opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft
+ van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het
+ voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en
+ tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het
+ eenvoudigst is.
+
+Quid tandem ex hisce concludemus?
+
+ Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken?
+
+Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint
+vasa liquidis coërcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis,
+et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura,
+duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere
+queant.
+
+ Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks
+ vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen
+ te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te
+ verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische
+ instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid
+ hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te
+ dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren.
+
+Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim
+explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem
+sequutus est Babyloniorum, Ægyptiorum, Graecorumque choro, cum integra,
+quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse.
+
+ Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe
+ waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste
+ bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo
+ vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche
+ schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij
+ volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets
+ anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen
+ ontdekken.
+
+Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse
+nunquam.
+
+ De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der
+ ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen.
+
+Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et
+Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui
+singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum,
+Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium; his jungite
+juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in
+abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri
+estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa alia.
+
+ Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde,
+ diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en
+ MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam
+ verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR,
+ BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude
+ meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken;
+ voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de
+ ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die
+ tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden,
+ dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun
+ onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde
+ bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken.
+
+Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in
+aeternum verba dare?
+
+ Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en
+ ons maar steeds wat op de mouw speldt?
+
+Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis,
+metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis
+locus, causa, necessitas?
+
+ Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen,
+ chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is
+ hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen?
+
+Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit.
+
+ Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar
+ verzonnen verschijnselen.
+
+Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua
+solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum
+effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus
+sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur.
+
+ Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun
+ gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste
+ wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt.
+
+ Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_
+ uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts
+ _hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar
+ de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien
+ heeft.
+
+Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, demonstratio.
+
+ Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_
+ wetenschap ervaren Meester geleverd wordt.
+
+Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel
+simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid
+vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo?
+
+ U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik,
+ wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het
+ hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het
+ waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht.
+
+Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et
+inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad
+exceptionen, directionemque radii sonori?
+
+ Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het
+ midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden
+ breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor
+ het opvangen en richten der geluidsgolven?
+
+Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora
+ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras
+formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et
+dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in
+vilissimo quoque animalium fabricae?
+
+ Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de
+ richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de
+ velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat
+ daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging
+ gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van
+ deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op
+ dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont?
+
+Nunc daedalei labyrinthi, conchæ, vestibuli, duplicis in cochlea
+turbinata spirae, loci ovalis et rotundæ fenestræ, tot inquam
+miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae
+Divina manus, date rationem.
+
+ Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de
+ schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het
+ kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van
+ zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de
+ zeer harde rots heeft uitgehouwen.
+
+Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni
+prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo.
+
+ Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een
+ diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult
+ kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen,
+ welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen.
+
+De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de
+fluidis subnectam.
+
+ Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het
+ ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen
+ toevoeg.
+
+Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu
+sanitas absolvitur.
+
+ Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker
+ onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt.
+
+Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et
+agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur,
+rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit,
+efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico
+patent per experimenta indagandi.
+
+ Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke
+ voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent,
+ door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo
+ één enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof
+ en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en
+ vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof
+ afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs
+ experimenteelen weg kunnen opgespoord worden.
+
+Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano;
+unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum
+scientiam, quae usum rei praestet idoneum.
+
+ Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik
+ hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze
+ kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver
+ gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren.
+
+At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque
+communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero
+elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum
+gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria
+sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta
+efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde oriantur.
+
+ Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan
+ nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle
+ vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter,
+ de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en
+ adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de
+ voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling
+ onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot,
+ dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk
+ lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin
+ behoeft gezocht te worden.
+
+Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is
+absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis.
+
+ Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een
+ systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk
+ van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde.
+
+Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum
+poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis est?
+
+ En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen
+ kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet
+ vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo
+ ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde?
+
+Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi,
+affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta
+reperit Theoremata.
+
+ Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door
+ gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der
+ zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de
+ praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft.
+
+Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit,
+singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole
+patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica?
+
+ Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring
+ der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof
+ op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de
+ zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der
+ wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan
+ wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden?
+
+Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii,
+Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit.
+
+ Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten
+ overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI,
+ MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand.
+
+O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in
+Pulcherrima hac Speculatione!
+
+ Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de
+ nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder
+ licht lieten schijnen.
+
+Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri
+Mathematice docti!
+
+ Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle
+ richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen
+ duidelijkheid te doen kennen!
+
+Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent
+mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus
+exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum
+hactenus.
+
+ Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de
+ algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap
+ op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten
+ tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare
+ andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd.
+
+Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem
+ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum
+explicare conati sunt.
+
+ Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de
+ zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de
+ werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten,
+ een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een
+ belachelijk daglicht geplaatst hebben.
+
+Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui
+Aquilegum regulas ignorat.
+
+ En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan
+ begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde.
+
+Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam
+praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi,
+sectamque condunt.
+
+ Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig,
+ zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed
+ maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2]
+ noemen.
+
+ [Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten.
+ In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen
+ chemie en alchimie. (Vertaler).]
+
+Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae
+singulares eorum virtutes absolvunt?
+
+ Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen
+ afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen?
+
+An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes conflictus,
+putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim
+unquam?
+
+ Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de
+ ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de
+ wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring
+ kunnen vinden in de wetten der Mechanica?
+
+Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum
+adhibeat.
+
+ Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik
+ reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden.
+
+Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium.
+
+ Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne
+ hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen.
+
+Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam
+singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile
+quidpiam producunt.
+
+ Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer
+ beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op
+ zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor
+ onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient
+ rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij
+ plaats hadden.
+
+Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum
+Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium.
+
+ De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische
+ wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide
+ reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand
+ doet.
+
+Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem
+ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam.
+
+ De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden,
+ waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen
+ geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die
+ gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden.
+
+Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu
+omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant!
+
+ Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de
+ hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op
+ beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat
+ der medische wetenschap in bezit te hebben!
+
+Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri
+ex communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt
+expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum
+factis plerumque, pervulgato palam documento est.
+
+ Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand,
+ meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene
+ eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld
+ hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht,
+ twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig
+ verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder
+ waargenomen feit.
+
+Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas
+inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et
+sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni
+condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando et insulso
+fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina
+stimulant.
+
+ De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam
+ dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan
+ soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van
+ vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch,
+ groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen
+ voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen
+ hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten.
+
+ [Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort.
+ (Vertaler).]
+
+Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per
+annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant
+corpusculis.
+
+ Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid
+ van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de
+ andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid
+ kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij
+ hunne vochten verzadigen.
+
+Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae,
+et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque
+particulae virtuti, actiones vitae deberi.
+
+ Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de
+ levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den
+ algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen
+ ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden
+ openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich
+ zelf?
+
+Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis
+et Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat
+quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et
+defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo.
+
+ Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te
+ vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en
+ dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS
+ omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte
+ door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een
+ voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden
+ men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard
+ aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten.
+
+ [Voetnoot 4: Een van BACO’s werken draagt den titel: „Historia
+ vitae et mortis“. (Vertaler).]
+
+Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto,
+venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per
+vulnera, revixisse Juvenem testatur.
+
+ Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies
+ uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in
+ zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder
+ verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het
+ leven teruggebracht werd.
+
+Sed quid verbis opus in re clara?
+
+ Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich
+ zelf spreekt.
+
+Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum
+sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra
+incolumis huic Urbi praestatur sanitas!
+
+ Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren,
+ wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer
+ stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt!
+
+Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida
+inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta,
+diluere crassa, leviora solidare?
+
+ Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen
+ genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te
+ lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen
+ meer stevigheid te geven?
+
+Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii
+genium attendere cogimur.
+
+ Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te
+ wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de
+ geheimzinnige werking van het kwikzilver!
+
+Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum
+poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt.
+
+ Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben,
+ passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met
+ verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde
+ methoden toe.
+
+Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium
+suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut
+cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices.
+
+ Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde
+ eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die
+ deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit,
+ dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen
+ moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is.
+
+Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur,
+evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas.
+
+ Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn
+ van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel
+ duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in
+ het oog springen.
+
+Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus cadaver.
+
+ Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die
+ beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons.
+
+Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum
+cernimus.
+
+ Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen
+ bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam.
+
+Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet.
+
+ Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel
+ zijn eigen oogen willen gelooven.
+
+Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo
+perturbatus in animi cecidit deliquium.
+
+ Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde
+ stroomend bloed in zwijm gevallen is.
+
+Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati
+sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens
+motus.
+
+ Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste
+ en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden
+ worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop
+ brengt, ontbreekt er aan.
+
+Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies
+fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita.
+
+ Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van
+ dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in
+ beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle
+ droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter
+ dan voorheen, terug.
+
+Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis,
+naturalis et humana simul redit actio.
+
+ En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur,
+ de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek
+ menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.
+
+Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei
+spiritusve nascitur aut perit?
+
+ Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een
+ opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig
+ beginsel?
+
+Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa
+ipsa redditur.
+
+ Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien
+ wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren.
+
+Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam
+excitat tepor.
+
+ Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten,
+ die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte
+ behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug
+ te keeren.
+
+Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam
+claritatem, certis saepe diffidit.
+
+ Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der
+ waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te
+ nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij
+ berusten.
+
+Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis
+exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio.
+
+ Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende
+ feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld
+ te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het
+ laboratorium van Hooke.
+
+Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum
+pulmonibus cito reviviscit.
+
+ Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat
+ zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden
+ blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren.
+
+Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus
+Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice
+vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere.
+
+ Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons
+ het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den
+ grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang
+ overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig
+ te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van
+ vocht in de aderen.
+
+Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non
+evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt,
+vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane
+moventur et agunt vicissim agitatione?
+
+ Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er
+ tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons
+ leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van
+ het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten?
+
+Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et
+demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo
+cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae.
+
+ Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer
+ beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en
+ in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en
+ vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en
+ systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het
+ gebied der Mechanica gerekend worden.
+
+Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant
+fermentorum Patroni.
+
+ Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de
+ voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing
+ en zegevierenden jubel aanleiding geeft.
+
+Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus
+ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti
+valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis
+reperiunda datur.
+
+ Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen
+ door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der
+ beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan
+ dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke
+ en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting
+ aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen.
+
+Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper
+derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus,
+dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum.
+
+ Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van
+ de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet
+ worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf
+ bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en
+ vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der
+ vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft.
+
+Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui
+speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et
+expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam,
+processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae
+continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam.
+
+ Hij, die den wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems
+ tot zijn kamers, en den samenhang dier deelen aandachtig heeft
+ gadegeslagen, alsook de hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen
+ van het bloed, dat uit het hart in de slagaderen stroomt, uit deze
+ naar het merg der hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en
+ aderen en zoo weder terug naar het hart, zal de voortzetting van het
+ levensproces niet anders trachten te verklaren dan uit de mechanische
+ werking der ingewanden.
+
+Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare,
+unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse causam.
+
+ Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te
+ bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam
+ elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt.
+
+Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem
+praestant, quam noster fingit animus.
+
+ Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat
+ voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid.
+
+Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo
+creditur.
+
+ De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn
+ veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt.
+
+Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae.
+
+ De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij
+ zelven meenen.
+
+Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset
+humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere
+principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem.
+
+ Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was,
+ indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen,
+ voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de
+ mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens
+ onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer
+ eenvoudige beginselen voortvloeit.
+
+Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet
+quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium
+operae mutatio in nobis fiat.
+
+ De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één
+ enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige
+ en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in
+ ons lichaam tot stand komt.
+
+Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo,
+cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica
+arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis
+cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant.
+
+ Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een
+ microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel
+ door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven
+ wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige
+ samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op
+ hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen
+ dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te
+ stroomen.
+
+Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari
+ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde
+repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est.
+
+ Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa
+ verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg
+ nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu
+ eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont
+ zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende
+ uitspansel.
+
+Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate
+fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur.
+
+ Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in
+ vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid,
+ die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen
+ hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande.
+
+Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet,
+simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti
+signo omnia haec fieri.
+
+ En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische
+ processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles
+ uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de
+ veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot
+ stand komt.
+
+Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an
+Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi
+Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per
+quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis
+consummatione perfectus Aquilex.
+
+ Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was,
+ een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en
+ niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam
+ werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus
+ gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang
+ vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde.
+
+Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et indubitatis
+sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum
+intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum
+exempli citare decet.
+
+ Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de
+ Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en
+ betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen,
+ die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden,
+ dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op
+ dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn.
+
+Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus,
+Borellus.
+
+ Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich
+ bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient.
+
+Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et
+Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus.
+
+ Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit
+ de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en
+ voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS
+ heeft opgelost.
+
+Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata
+proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum
+Pitcarnius.
+
+ Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer
+ hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde
+ geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd.
+
+Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et
+Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata.
+
+ Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS
+ en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND
+ over het oor en het gehoor.
+
+Constabit an prosit Medico Mechanice!
+
+ Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der
+ Geneeskunde ten goede komt!
+
+Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur
+in Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu
+patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica
+tulit.
+
+ Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien
+ Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun
+ eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang
+ wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der
+ philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden.
+
+Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de
+Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae
+frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela.
+
+ Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan
+ toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd
+ worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de
+ practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der
+ Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend.
+
+Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant
+simul, satis non video.
+
+ Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe
+ spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan,
+ vermag ik niet te begrijpen.
+
+Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, quae ex
+proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit.
+
+ Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der
+ geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de
+ naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven
+ van den gezonden mensch.
+
+Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis,
+curandisque morbis auxilia suppeditare optima.
+
+ Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig
+ bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de
+ beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten.
+
+Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae
+deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque
+comprehendet.
+
+ Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig
+ kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong
+ en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen.
+
+Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is
+idoneus, qui ei occurrat, est habendus.
+
+ Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak
+ eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden
+ worden, om die ziekte te bestrijden?
+
+Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index,
+errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille,
+qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia invenit.
+
+ Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt,
+ zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen
+ der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis
+ heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de
+ verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot
+ herstel aan de hand doet.
+
+Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda
+Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex.
+
+ Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde
+ door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het
+ practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht.
+
+Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam
+fatetur.
+
+ Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde
+ erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk.
+
+Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod
+manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat
+vestra sit aestimatio.
+
+ Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om
+ zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat
+ zijn naam ontleent aan het „met de hand genezen“; oordeelt zelf, of de
+ chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan.
+
+Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis
+imbutus Medicus inveniet?
+
+ Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van
+ gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is
+ met de Werktuigkunde?
+
+Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos
+imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant,
+acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum.
+
+ De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien
+ zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde,
+ voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het
+ waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo
+ teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die
+ er vaak een groote verwoesting in aanrichten.
+
+Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum
+reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae
+facies?
+
+ Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met
+ wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de
+ oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot
+ zekerheid gebracht heeft.
+
+Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi
+medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum.
+
+ Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad
+ door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den
+ patiënt onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke
+ behandeling onnoodig geoordeeld wordt.
+
+Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel
+potus medicati haustu!
+
+ Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een
+ verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te
+ willen genezen!
+
+Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria
+regulae definiunt Hugenianae!
+
+ Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen
+ door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke
+ afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden.
+
+Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica,
+intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis
+Commentarios.
+
+ Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de
+ praktijk der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen
+ met HUYGENS’ werken over het opheffen der gezichtsstoringen te leeren
+ verstaan.
+
+Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi
+fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris
+Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo,
+cujus proprietas assumta problema limitaverat.
+
+ Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen
+ de anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen
+ lettend op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil,
+ weldra door louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat
+ slechts voor die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het
+ licht gebrachte eigenaardigheid de kern van het probleem had
+ uitgemaakt.
+
+Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum
+vitri figurati supplemento farcit.
+
+ Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en
+ het onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen
+ van een bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt.
+
+En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis
+Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus.
+
+ Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen
+ van de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen
+ van geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij
+ oplevert en het succes, dat er mede te bereiken valt.
+
+Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur
+tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed
+aeterna scientia medica.
+
+ Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal
+ gaan behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand
+ wel zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit
+ komen van eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis
+ gegrondvest en vrij van verzinselen, niet ten allen tijde
+ veranderlijk, maar eeuwig dezelfde zal zijn.
+
+Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum
+adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis
+subjici Mechanicis.
+
+ Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op
+ de afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige
+ ziekten en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen
+ een gunstige invloed geoefend kan worden.
+
+Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus
+quaeritur.
+
+ Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit
+ resultaat wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat
+ het nog niet bereikt is.
+
+Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores.
+
+ Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige
+ beoordeelaars.
+
+Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco
+tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus
+junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare?
+
+ Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige
+ Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig
+ gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden
+ hebben, waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van
+ drieduizend jaren met vereende krachten nog zelfs geen begin van
+ uitvoering hebben kunnen geven?
+
+Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex
+exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum
+sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam
+absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis quaerat.
+
+ Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de
+ eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde
+ deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van
+ den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel
+ in normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste
+ gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen,
+ dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste
+ stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal
+ hebben?
+
+Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is,
+rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere _ut plurimum_ a
+vitiato ejus per vasa transfluxu.
+
+ Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar
+ iets tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat
+ ziekten, die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg
+ de meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale
+ strooming dier vloeistof door de vaten.
+
+Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus
+experimentis, docent.
+
+ Dit leeren ons de waarnemingen van HIPPOCRATES, vergeleken met die van
+ SANCTORIUS en met de dagelijks door ons waargenomen verschijnselen.
+
+Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel
+contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu,
+spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet _plerunque_, qui vitae,
+sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus.
+
+ En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de
+ verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven,
+ hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te
+ aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de
+ strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een
+ krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der
+ vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of
+ minderen graad van dichtheid.
+
+Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse
+gratia _inprimis_, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos docet
+contemplatio.
+
+ Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige
+ werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te
+ stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven
+ genoemde oorzaken der ziekten wegnemen.
+
+Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione
+sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam
+Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur
+sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi
+rationem.
+
+ Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de
+ verhandelingen van BELLINI over de aderlating, de prikkels en de
+ samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd
+ hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op
+ volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de
+ verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de
+ wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien
+ opstellen.
+
+Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores
+esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam
+ullus Medicorum cogitat.
+
+ Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te
+ spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde
+ ziekten eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig
+ geneesheer vermoedt.
+
+Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et
+contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit.
+
+ Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener
+ machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige
+ deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele
+ machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen.
+
+Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli
+fibrilla in corpore sanissimo.
+
+ Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of
+ kleine zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt
+ worden.
+
+Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam
+multiplex cohors!
+
+ Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan
+ voortspruiten uit een onbeduidend wondje van zoo’n klein deeltje.
+
+Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio
+et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors.
+
+ Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst,
+ ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der
+ tragedie, den dood!
+
+Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit.
+
+ Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats
+ binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen.
+
+Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina
+similia peragere?
+
+ Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der
+ vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een
+ gelijke uitwerking hebben?
+
+Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano!
+
+ Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet
+ plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging!
+
+In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens
+insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille
+morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a
+solo motu oriundae.
+
+ Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje
+ op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer
+ geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor!
+ Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei
+ ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht,
+ en dat alles uitsluitend gevolg der beweging!
+
+Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati
+propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos
+reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo
+infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet
+exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia:
+
+ Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door
+ den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat
+ zij echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond
+ in een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten,
+ wie waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking
+ tallooze andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal
+ gemakkelijk inzien, dat eerst van den mechanistischen geneesheer
+ afdoende middelen hiertegen te verwachten zijn;
+
+ ex causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae,
+restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi
+phaenomenis quid non invenietur tandem?
+
+ wat al ontdekkingen zullen haar ontstaan te danken hebben aan
+ het in verband brengen der ziekteverschijnselen met de oorzaken der
+ stoornissen in den bloedsomloop en de regels voor het overwinnen van
+ den weerstand, het herstellen der veerkrachtige beweging en het
+ versterken der hartwerking!
+
+At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non
+Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot
+irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis
+spes.
+
+ Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons
+ lichaam doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid
+ uit niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is
+ uwe inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen,
+ die gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert!
+
+Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae
+calamitatem eadem deploraret querela!
+
+ Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte,
+ zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in
+ zijne schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp
+ van ons aller onwetendheid tot uiting gebracht werd!
+
+Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod
+corpus constituit vel mentem?
+
+ Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest
+ of van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het
+ wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert?
+
+Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum
+quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae obediens.
+
+ Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in
+ ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en
+ dat _deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen.
+
+Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, quum hac
+insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque
+dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat?
+
+ Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_
+ mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is,
+ zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van
+ _lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken
+ en zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken
+ wil.
+
+Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio.
+
+ Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten
+ oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt.
+
+Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne
+declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico.
+
+ Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders
+ hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet
+ onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij
+ laden, dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen,
+ listiglijk ontweken te hebben.
+
+Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti
+fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non
+esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et experimento.
+
+ Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle
+ philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening
+ der geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt
+ hebben? Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en
+ proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde
+ slechts schaadt!
+
+Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi
+titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere
+medicis, volumina.
+
+ Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij
+ slechts gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker
+ aanhangers zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd;
+ dit leert ons de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden
+ over geneeskundige onderwerpen geschreven hebben.
+
+Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis
+satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in
+illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse
+ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio.
+
+ Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen
+ verbeelding opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens
+ uit de hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die
+ beginselen hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te
+ verklaren, blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben;
+ en nu is het juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische
+ methode, die dat duidelijk aangetoond heeft.
+
+Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius
+illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium,
+quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum.
+
+ De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn,
+ kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is
+ uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor
+ hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen
+ van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen
+ geeft.
+
+Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu
+veritatem nunquam sic detectum iri.
+
+ Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en
+ alle onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid
+ hieromtrent onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen
+ doen, ontdekt kan worden.
+
+Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi
+Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum
+negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent,
+sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa
+dein artis elementa applicata Mechanica conderent.
+
+ Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep
+ van Mechanisten, die tot de school van CARTESIUS behooren, ernstig in
+ het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan verkeerd
+ hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk lichaam te
+ richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen berusten, maar
+ zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen beoefende
+ wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten worden
+ uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van den
+ mensch leert.
+
+At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam,
+exempla ignominiae citent exspecto.
+
+ Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige,
+ zooals ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik
+ bewijzen voor dien laster.
+
+Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus,
+accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum.
+
+ Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren,
+ dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur
+ als geneesheer kan maken.
+
+Quo enim talis pertinet Oratio?
+
+ Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben!
+
+Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam desidero.
+
+ Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de
+ Geneeskunde, maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis
+ der Mechanica.
+
+Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis
+curandis qui post habet, insaniet.
+
+ Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten
+ opzichte van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een
+ Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde.
+
+Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui
+Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum
+sumserat Oratio.
+
+ Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering
+ duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die
+ gelijke ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is
+ om zijne wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de
+ regelen der Mechanica vertrouwd is.
+
+Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi,
+interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus
+imago animo obversatur meo, Medici.
+
+ Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven
+ worde, wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen,
+ zal ik U een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij
+ steeds als een ideaal voor oogen zweeft.
+
+Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens,
+tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum,
+Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in
+alia corpora, Virium.
+
+ Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor
+ zijne geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige
+ beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de
+ inrichting van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere
+ voorwerpen kunnen uitgeoefend worden.
+
+His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab
+obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo
+conciliare prudentiam.
+
+ Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze
+ tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van
+ onduidelijke, ware van onware voorstellingen te onderscheiden;
+ tegelijkertijd zal hij, gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen,
+ zich de zoo hoog noodige voorzichtigheid eigen maken.
+
+Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris,
+clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui
+fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in
+fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat.
+
+ Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet
+ samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en
+ ontwijfelbare oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om
+ de verschillende eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar
+ vloeibaarheid, elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek
+ uitvoerig behandelt, nader te bestudeeren.
+
+Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa
+rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et
+Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aëris, Salium, et aliorum
+maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones.
+
+ Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe
+ over, de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene
+ uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken,
+ versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische,
+ mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de
+ werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten
+ en andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat.
+
+Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet.
+
+ Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de
+ gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt.
+
+Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium
+corpora brutorum aperta tacitus circumfert.
+
+ Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige
+ onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van
+ levend geopende dieren.
+
+Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus,
+curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem.
+
+ Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid,
+ de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de
+ buigzaamheid en veerkrachtigheid der vaten.
+
+Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet
+cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium virtutes.
+
+ Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door
+ hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem
+ reeds van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen
+ eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen.
+
+Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus
+recentiorum industria pomoeria extendit anatomes.
+
+ Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de
+ vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft
+ uitgebreid, zien wij hem gebruik maken.
+
+Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum
+accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem.
+
+ Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane
+ ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van
+ den bouw van het menschelijk lichaam.
+
+Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis,
+Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et
+extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in
+sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam evolvit.
+
+ Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke
+ hij zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem
+ Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met
+ behulp van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt.
+ Eindelijk zal hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde
+ gegevens een volledig overzicht kunnen verschaffen van alle
+ verschijnselen, die het lichaam in gezonden toestand te aanschouwen
+ geeft.
+
+En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat!
+
+ Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf
+ verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van
+ den normalen lichaamstoestand!
+
+Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio
+Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu
+festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi
+patent.
+
+ Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk
+ nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen
+ samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der
+ Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk
+ gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in
+ die gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming
+ daarin ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit
+ afgeleid kunnen worden.
+
+Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole
+collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur,
+firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem.
+
+ Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze
+ maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der
+ verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling
+ vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al
+ deze onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen
+ dier oorzaken zal kunnen vormen.
+
+Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia?
+
+ Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne
+ studiën dezen weg volgt!
+
+Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex
+cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum?
+
+ En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk
+ vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit
+ welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen
+ grondslag uitmaakt?
+
+Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia,
+castigatissima caute procedit fide?
+
+ Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn,
+ die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar
+ erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt?
+
+Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris,
+et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae
+proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem
+accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam?
+
+ Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk
+ nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare
+ methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik
+ vallende oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk
+ lichaam uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze
+ zintuigen waarneembaar zijn?
+
+Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel
+minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi
+immutabilis causa.
+
+ Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw
+ merkbaar zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit
+ belangrijke voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die
+ zij maakt, een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten
+ grondslag vormt, waarop verder voortgebouwd kan worden.
+
+Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima
+picturae parte adumbratum.
+
+ Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen
+ geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal
+ strevend.
+
+In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa Æsculapii penetralia!
+
+ Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den
+ tempel van AESCULAPIUS!
+
+En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta!
+
+ Thans doorvorscht hij de Tafelen van HIPPOCRATES en de zoo betrouwbare
+ geschriften der Grieken!
+
+Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret
+mellis medicati.
+
+ Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers
+ vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke
+ gegevens te vinden is!
+
+Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis
+arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et
+remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus
+addiscens; tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et
+his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique
+curationemque morborum firmet.
+
+ Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij
+ pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren
+ ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens
+ verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de
+ uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus
+ opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat
+ gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze
+ regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden
+ resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte
+ een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der
+ verschillende ziekten.
+
+En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem!
+
+ En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste
+ beeld van den volmaakten geneesheer!
+
+Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me
+animus, evictum.
+
+ Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der
+ Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond.
+
+Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam
+feci.
+
+ Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht,
+ dat beeld te evenaren, mij daarnaar te richten.
+
+Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium
+summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate
+vestra Musagetae Illust. medicinam docui.
+
+ Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding
+ toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne
+ krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de
+ geneeskunde onderwees.
+
+Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam.
+
+ Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden
+ ijverig na te streven.
+
+Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis,
+sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita,
+commendare affectabo.
+
+ Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme
+ verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden
+ woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik
+ voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied
+ trachten af te dwingen.
+
+Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua
+incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici
+contemplati primis miremini ab annis.
+
+ Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze
+ wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn
+ ongestoord welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen
+ beeld van den idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af
+ aandachtig beschouwen en er bewondering voor opvatten.
+
+Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis
+formosi, salutares hominibus audiatis genii!
+
+ Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten
+ van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft!
+
+Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam
+Medica Sapientia.
+
+ Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen
+ voor hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde.
+
+Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios
+reddere vos possit.
+
+ Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe
+ medemenschen kan maken.
+
+Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus
+effectu beatus his in terris nemo carere poterit!
+
+ Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor
+ de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op
+ aarde het geluk bestaanbaar is!
+
+Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum!
+
+ Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen
+ vurigen geest beteugele!
+
+Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via.
+
+ Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van
+ PANACEA[5] voert.
+
+ [Voetnoot 5: PANACEA („Alheelster“) is de naam van een der
+ dochters van AESCULAPIUS. (Vertaler).]
+
+Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta,
+perrupere fortes, Vos alacres sequamini!
+
+ Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend;
+ met groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het
+ einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun
+ voorbeeld!
+
+Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores longe
+Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, Pergamenae
+tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca.
+
+ Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der
+ geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de
+ Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische
+ wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden.
+
+ [Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus
+ en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die
+ melding maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze
+ hunner genezing. (Vertaler).]
+
+ [Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van GALENUS van Pergamum en
+ HIPPOCRATES van Cos. (Vertaler).]
+
+Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui
+sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret,
+Volderum.
+
+ Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk
+ gemak in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde
+ bloot te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige
+ vraagstukken toe te passen.
+
+Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe
+majorem Virum!
+
+ Het is VOLDER, een man, die naar het oordeel der besten onder ons
+ geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven onzen
+ lof verheven is!
+
+Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice
+hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et
+candide meminero.
+
+ Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne
+ openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel
+ verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd
+ ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en
+ oprecht voor oogen houden.
+
+Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse
+censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare
+commodum opere ipso testari possim.
+
+ Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe
+ studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote
+ mannen volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs
+ te leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek.
+
+Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt,
+observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices
+arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti
+slatione, vires dederit Deus!
+
+ Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te
+ vervullen, zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en
+ de waarnemingen der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten
+ bijeen te verzamelen, waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen
+ onderzoekingen, die ik geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde,
+ toegerust met al deze gegevens, met behulp van de door mij zoo
+ uitbundig geprezen Mechanica, het onze bij te dragen tot den opbouw
+ der medische wetenschap!
+
+Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici
+hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus
+opus!
+
+ Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne
+ gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van
+ het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het
+ zoo mogelijk voleinden!
+
+Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae
+facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate
+certe cedam nulli.
+
+ Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij
+ ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken
+ aanleg en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten
+ worden, in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen.
+
+Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam
+profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii
+felicitas claritate famae plures alliciat.
+
+ De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen
+ deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal
+ blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is,
+ wanneer de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool
+ meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen.
+
+Hoc enim votum illud est, _Illustrissimi Curatores, Amplissimi Coss._,
+cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in Academia
+gestarum rationem Vobis reddere audebo.
+
+ Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn,
+ zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren
+ Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe
+ bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel
+ mogen onderwerpen.
+
+ [Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden
+ toegesproken. (Vertaler).]
+
+Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium.
+
+ Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven
+ geest behagen zal kunnen scheppen.
+
+Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre
+me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias!
+
+ Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet
+ minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U
+ verplicht gevoel, metterdaad te toonen!
+
+Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum
+adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem
+excitastis denuo.
+
+ Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen
+ en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne
+ werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door
+ hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog
+ meer ijver geprikkeld.
+
+Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris
+eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri
+favoris integritatem.
+
+ Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het
+ mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere
+ gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij
+ bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat.
+
+Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia
+meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni.
+
+ Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest
+ ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden,
+ hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle
+ gunstbejag stuit op haar af.
+
+Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero,
+quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam alacrior!
+
+ Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet
+ van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen
+ onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol
+ getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort
+ te gaan!
+
+Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et
+Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo!
+
+ Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij
+ eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en
+ volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil
+ ik U slechts het volgende plechtig beloven!
+
+Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam
+sedulus!
+
+ Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van
+ den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden!
+
+Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me
+facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem.
+
+ Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren,
+ dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij
+ haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te
+ verwerven.
+
+Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii
+aequitatem Orbi ipse comprobem!
+
+ Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat
+ gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen
+ blijken!
+
+
+DIXI.
+
+ IK HEB GEZEGD.
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+
+ Hieronymi Davidis Gaubii
+
+ ORATIO
+ INAUGURALIS
+
+ Qua Ostenditur
+
+ CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE
+ INSERENDAM
+
+ Habita XXI. Maji MDCCXXXI.
+
+ Quum publicum Chemiam praelegendi munus in Academia
+ Lugduno-Batava auspicaretur.
+
+
+ [Illustration / Illustratie]
+
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS
+
+ Medicinae Doctor.
+
+ Ejusdem et Chemiae et Collegii Practico-Medici
+
+ in ACADEMIA BATAVA, quae LEIDAE est,
+ PROFESSOR ORDINARIUS
+
+ [Script unclear: printer’s name?]
+ [Tekst onduidelijk: naam van de drukker?]
+
+
+ INAUGUREELE REDE
+
+ van
+
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,
+
+ Waarin Wordt Aangetoond,
+ dat de Scheikunde met recht een plaats
+ verdient onder de Akademische
+ Wetenschappen,
+
+ Gehouden op den 21sten Mei 1731,
+
+ Toen Hij het Openbare Ambt van het Houden van
+Voordrachten over de Scheikunde aan de Leidsche Akademie
+ Plechtig Aanvaardde
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+ _Illustrissimis et Nobilissimis Viris_
+ ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE
+ CURATORIBUS,
+
+JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam,
+Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc.
+
+Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae
+ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato
+etc. etc.
+
+JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis
+Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi,
+Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc.
+
+ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis
+senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum
+Hollandiae adscripto, etc. etc.
+
+
+ EORUMQUE COLLEGIS
+ _Amplissimis, Gravissimisque Viris_
+ _Civitatis Lugdunensis Consulibus_.
+
+ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi.
+
+DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D.
+
+HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D.
+
+GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D.
+
+ Nec Non Viro Spectatissimo
+
+DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss:
+Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis.
+
+
+ L.M.Q.D.
+ Hanc Orationem
+ Virtuti et Gloriae Eorum
+ Devotissimus
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
+
+
+
+
+ Hieronymi Davidis Gaubii
+
+ ORATIO
+ INAUGURALIS
+
+ Qua Ostenditur
+
+CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM
+
+
+Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit
+mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus
+insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in
+me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia
+alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt
+animum.
+
+Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum
+officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod
+Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab
+Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae
+aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec
+studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per
+verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet.
+
+Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi
+inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata
+forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae,
+Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem? Nihil
+profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit, supellex; alius
+plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia ratione
+constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui appropriatae;
+erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis operibus, ad
+praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; innumerae vasorum,
+materie et figura discrepantium, species; carbonum cespitumque acervus
+nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, spathulae, folles,
+forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel regendo requiruntur. Haec
+inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; sed atras
+carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, cineribus,
+fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare metalla; jam
+vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita committere
+corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira; illinc, calore moderato,
+rerum virtutes, exacto ad numerum stillicidio, elicere; electas alibi,
+tepore naturali, unire arctius et digerere; verbo: totum inter furnos
+defixum, excitando, applicando, moderando igne occupatissimum, hujus in
+corpora efficaciam modis omnibus explorare. Hoc opus est, hic labor ejus
+unicus.
+
+Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones:
+vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed
+oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis
+extorquetur.
+
+Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in
+spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis
+sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam?
+Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica
+Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique
+hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque
+horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit
+trepido, facilem merebitur veniam.
+
+Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus
+fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium
+mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta
+prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi
+juventus forte addidisset.
+
+Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum
+refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta
+iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos
+ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus
+nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis,
+quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris
+etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit
+nemine.
+
+Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor,
+officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum
+ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum
+ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe
+obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae
+eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam
+gratias, vel veniam impetraturus, supplicem.
+
+Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici,
+docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque
+hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis
+potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola
+conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat
+splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit
+disciplina.
+
+Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti
+Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie
+mei constabit ratio et veritas?
+
+Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, _Nobilitate_ impertit
+hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex
+natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet
+in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui.
+Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri dignitatem,
+pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis deductam ejus
+originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot numeraverit,
+quantosque sui cultores exponunt, parum interim de utilitate soliciti,
+qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, dulcia, aut quibusvis
+clara sectatorum nominibus: externa enim isthaec sunt, et veram potius
+ornant _Nobilitatem_, quam constituunt. Utile mensura est, illam qua
+metitur, verum qui rebus pretium statuere solus novit, sapiens.
+
+Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato,
+vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur.
+Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique
+facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus
+antecellit. Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat
+sanitatem: ea namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus;
+deficiens una praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit
+excolendum, ars dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia;
+una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis
+humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium
+dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae,
+et jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente.
+
+Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc
+sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae?
+opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum
+principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum
+itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum
+perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae,
+debitum in Academiis locum obtinuere.
+
+Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta
+sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in
+scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris
+causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam,
+videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat
+habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae.
+
+Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc
+rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab
+impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab
+otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans,
+vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui
+penitius eam introspicere dignaretur: atqui externam ejus faciem
+monstrosam adeo deformemque reddiderat cultorum et ruditas et malitia,
+ab interioribus ut perlustrandis deterrerentur Eruditi, eodem haec, si
+non pejori de luto esse conficta, rati. Frustra ergo suam oravit causam
+Chemia talibus coram Arbitris qui praejudicata obcaecati opinione, et
+usus ejus eximios, et summam necessitatem praetervidentes, sententiam
+prius tulerant, quam cognovissent. Factum hinc, a publico ut Sapientum
+commercio exclusa, privatorum exerceret manus atque ingenia, varias sub
+variis passa fatorum vicissitudines, nec forte unquam Academicos in
+suggestus emersura, nisi, quem nacta tandem est, causae patronum, an
+rabulam potius? Eremitam fortuna major quam prudentia secundasset: hic
+enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod autoritate
+rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, bullato id
+verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum insolentia,
+igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe adeo felici,
+ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede potiretur, vel
+ipsis contradicentium cineribus inaedificata. Hanc autem quamvis vi
+partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa paulo post fundatoris ejus
+tyrannide, rursus pessum dederit impatiens cogi, litteratorum gens
+liberrima; id tamen inde Chemiae boni accesserat, quod durante isthac
+statione sua, propior Eruditis posita, nonnullos horum, vividissimis
+quibusdam radiis, per offusas sibi quisquiliarum tenebras evibratis,
+latentis intus foecundissimi luminis sui potuerit commonefacere: quo
+equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium se
+accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus
+obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito
+Orbi produxere intuendam. Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia,
+tum demum, quae personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita
+faciei, adeo pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in
+scholas adoptata, strenue coleretur.
+
+Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi,
+ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam
+necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis,
+Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque
+ullo sine taedio detineat. Utique, si sola contemplemur bona, quibus
+quascunque fere artes manuales, humanae vitae commodis inservientes,
+perfundit Chemia, quot, quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret
+enumerantem: minima tamen haec, et pro parergis tantum aestimanda.
+Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera
+primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit;
+illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in
+profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina
+conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda.
+
+Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc
+rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium
+hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati
+satisfactum arbitrabor.
+
+Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque
+causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia
+appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus
+hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci
+potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare
+singulis: quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus
+corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed
+tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta;
+corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo
+limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae
+conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula
+a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise
+corpus, et non aliud: inde clarissime liquet, communes illas Materiae
+dotes non modo, sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias
+Physicae esse considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout
+vere existunt, vel existere possunt, contemplatur.
+
+Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis
+sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt,
+quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum
+quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus
+emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales,
+si a generalibus.
+
+Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis
+corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura
+fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil
+opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis
+universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam,
+quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest,
+haec quin ita sese habeant! Detegit attentior observatio innumera certe
+in corporibus adeo penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole
+vix quidquam commune videantur habere, nisi solum, cui inhaerent
+utraque, subjectum: talia autem incognita si quis ex universali
+illo Geometrarum conceptu, utut accuratissimo, a priori eruere, aut
+cognitorum etiam ex hoc rationem exsculpere postulet, nae is et operae
+simul et olei jacturam sero doleat!
+
+Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his
+potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur.
+Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad
+intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est.
+Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel
+Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia:
+proprietates autem et vires corporeae in se primitus imperceptibiles
+latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, qui determinatae
+ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem simul exhibent,
+adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei effectorum
+supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur. Haecque adeo sola
+superest indagandis corporum singularibus via retrograda; dum alteram
+illam, quae a priori haec investigat, humano ingenio imperviam prorsus
+Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc rerum scrutator experimentis
+prius quam ratiociniis insudat, sensuum adminiculo sua examinat objecta,
+horum peculiares animadvertit effectus, quos sponte sua vel praevio
+tentata consilio ediderint; corpora corporibus adplicat, rursumque ab
+invicem removet, ut, qui e solis, quique e conjunctis fluant motus,
+experiatur; tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis
+quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori
+demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore
+patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti:
+parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere
+scientes.
+
+Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi
+flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit
+me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim,
+quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus.
+
+Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae
+opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt
+considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud
+est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen. Quidquid
+Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid protrudit
+Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid denique
+Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere omne,
+modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia sistit
+examini, rimatur, penetrat: penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque
+in illis vulgaria, facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens,
+tanquam se indigna, aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua
+quaerens, sublimiora, abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima
+principia, prima elementa perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura
+pretio suos labores.
+
+Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia
+aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata
+solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant
+instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi. Igne
+utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto sunt
+efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his
+arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter
+se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant
+in profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient,
+effringentur, patebunt.
+
+Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit
+tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et
+vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si
+navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore
+quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem
+experimentis? Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum
+aliud esse nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo
+pollet ipse, motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis
+ejus, per plures gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu
+potest: unde certe quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas,
+ejus ope abditissimas quasque corporum affectiones enucleandi. Istis
+enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem propriam
+solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, mutat,
+partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim combinat,
+proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, adeoque nudis
+usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte adjuti attingere
+potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae scrutatori? Quid
+utilius? Quid magis necessarium?
+
+Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea
+excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit
+vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint
+bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et
+_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra
+agnoscunt secula; an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda
+singularium corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam
+ad Chemiam recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa
+naturam ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera
+colorum, saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque
+subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi
+attractili, id omne Chemicis debetur experimentis.
+
+Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae
+experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non
+formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet
+de jure Academico, qui uni movet.
+
+At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine
+tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in
+detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum
+cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis
+fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta,
+suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat
+nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso
+involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem
+esse, verissime cecinerit Poeta.
+
+Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri,
+plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano
+simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum,
+aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens
+adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet
+errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba
+dispersit? His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum
+specie allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria
+primi periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id
+saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae
+tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de
+Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum
+cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris
+obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur.
+
+Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus:
+aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum
+testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo
+corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et
+accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti,
+varia instituunt experimenta; horum dein singulos quosque eventus
+sensibiles, bona fide, notant, et ex his demum liquidissime perspectis,
+et sibi invicem collatis, severitate Mathematica eliciunt, quae clara et
+individua sequela inde deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia,
+quae pro veritatibus et Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores.
+Quid vero est, si non haec certitudo est?
+
+Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget,
+rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam.
+Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum
+Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter
+ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu
+derivandam.
+
+Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio:
+haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur;
+nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum
+daretur affinitas.
+
+Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc
+individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium
+vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine
+suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla
+alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem
+actiones, quam distinctissime perspectas postulat: quum autem hisce
+indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, Chemia potissimum omnem
+suam et unice et felicissime impendat operam; hac sine mancam fore
+mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod mox, ac plebi
+erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum splendore
+fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes pertraxerit
+Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, horum deliciae.
+Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, communem
+sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, pro
+parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit tantopere,
+omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae pomoeriis
+indefessam dederit. Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit,
+aut flocci aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona:
+quamcunque enim hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa
+quae in operis versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros
+clamat Chemiae usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe
+necessarium exemplis docet infiniris.
+
+Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso,
+constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin
+esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine
+oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas
+Anatomica: sola id liquido docet Chemia. Undenam vero fluidorum ejus
+singularis indoles et propriae innotescunt vires? Excepta enim
+generaliori liquidorum idea, aliud illis simile frustra quaesiveris
+extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa etiam inter se quam
+diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola opitulatur; haec
+est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus: Sanguinis naturam mediam
+nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad calorem naturali majorem, facile
+coagulum; Bilis indolem saponaceam; Salivae, succi Pancreatici, Lymphae
+temperiem, facultates, et innumera alia nesciremus, abfuisset Chemia.
+Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas?
+Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et
+Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem
+salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem
+humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum
+apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat.
+
+Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri,
+iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et
+symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros
+salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam
+indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset? Quis fontem Acidi
+aut putridi oleosi, in primis viis, Hypochondriacis tam molesti? Quis
+Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, et Vesica Urinaria proventum? Quis
+cariei ossium, adjunctique foetoris causam? Quis tetras stagnantium
+humorum degenerationes in tenacitatem corneam, aut summam putredinem,
+acrimoniamve corrosivam? Quis denique caloris et frigoris, circulationis
+auctae vel diminutae varias in permutandis humoribus vires tam pulchre
+in lucem ponere potuisset, nisi Chemia praetulisset facem?
+
+Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem
+derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia,
+usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne
+luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus
+indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest. Latet
+vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti est, exactum
+de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud infantibus, veneni
+instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, dulcem quod vitae
+fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere. Si solis Medicis
+Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de Sudore, de Urinis et
+Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius tamen est involvere
+silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat nausea.
+
+Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et
+Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini
+accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere
+utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic
+quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae,
+ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus. Ortum hic
+error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes complurium
+suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut arti inesse
+crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi delicta luant;
+nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad sanitatis
+tutelam, morborumque propulsionem opera meruit. Quid enim? Nonne ejus
+artificio esculentorum et potulentorum, aquarum, Vinorum, Cerevisiarum
+natura, virtutes et vitia cognoscuntur optime? Nonne Thermarum illa,
+Acidularum, aliorumque fontium, vi Medicata insignium, elementa,
+compositionem et facultates tam liquido manifestat, ut vel imitetur, et
+naturalium defectum arte factis suppleat, haud minoris fere efficaciae?
+Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in unoquoque
+id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, sine
+analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas Mortalium
+aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit Chemia?
+Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum
+inventionis gloriam illa sibi vendicat? Taceo benignissimam ejus operam,
+qua lethalem nonnullorum corporum ferociam, laudabili adeo eventu,
+cicuravit, e venenis ut remedia evaserint tutissima aeque ac
+efficacissima. Praetereo singularem ejus, in Medicamentorum viribus
+acuendis, extrahendis, in compendium reducendis, et sub alia et alia
+gratiori forma exhibendis, dexteritatem: si enim singula, pro dignitate,
+nunc prosequi susciperem, dies dicentem deficeret. Videte, quae
+illustris Boylaeus, quae Bellinus, Bohnius, Stahlius, Hoffmannus,
+aliique laboribus suis Chemicis in Medicina praestitere: verum quid ad
+exteros provocare opus? Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur
+scripta, nunquam periturae credidistis memoriae acta praestantissima
+Viri vere Magni, quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu!
+sospitemque: volvite haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri
+omni exceptione majora.
+
+Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima
+inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae
+partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac
+mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro
+inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum,
+quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret.
+
+Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est
+argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures
+dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae
+nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur.
+
+Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse
+ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat
+operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam.
+Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit
+Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam
+qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat
+naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in
+Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit.
+
+Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam
+addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis,
+ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis
+composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo
+commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta
+methodi? ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare
+occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet,
+antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat
+prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente
+differat? Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et
+superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat
+ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum
+sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere
+conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese
+accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus.
+
+Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam!
+Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato
+intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt
+profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi,
+finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident
+sero et dolent. Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur
+Chemia, foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo
+sorduit, invisa ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein
+Eruditus Orbis, una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit
+falsissimarum opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus
+propagatas, contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud:
+Optimarum rerum abusus pessimi.
+
+Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit
+tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice
+doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res
+ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere
+credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia,
+et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias,
+errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit
+inventis, solidissimis veritatibus.
+
+Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne,
+horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam,
+quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo
+speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium
+tentamine, palaestra fugiam imbellis.
+
+Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem,
+cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile
+instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur.
+
+Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam
+fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis,
+quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem,
+Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam,
+indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius
+opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam,
+_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_?
+
+Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum
+NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS,
+Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui
+tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia,
+huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et
+officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere,
+postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde
+exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum
+tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator
+merito laudetur omnibus.
+
+Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum
+subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties
+attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis
+praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus.
+Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum,
+tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis
+rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito?
+
+Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione
+habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum
+Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At
+enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc
+dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis
+fortunae suae incurius. Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires,
+hi tamen stimuli haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar
+favoris plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio:
+animum denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis
+indoles, qua ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil
+exigitis. His adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud
+nunc auspicor.
+
+Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae
+memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria
+pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo
+denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id
+promovendis Academiae commodis unice sacrabo.
+
+Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non
+poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium
+scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE
+PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae
+abundantiam, toto ex animo, apprecor.
+
+Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima
+hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis
+Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter
+discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat
+subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At
+temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum
+commodis inservitura. Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit.
+Probabitis itaque ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi
+exhibiturum, nec sane a fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a
+latente in praecordiis honestae gloriae igniculo profectum. Juvat
+magnorum Virorum ad exempla componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo
+conspicabor, et, dum nunquam dabitur assequi, saltem ex intervallo
+sequar. Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero
+vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim
+beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae
+cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam.
+
+Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium
+applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et
+privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate
+Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum
+devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria.
+
+Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME ’S GRAVESANDE!
+publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore
+inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non
+sis dedignatus.
+
+Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari
+opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per
+aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe
+obstrictissimum nunquam non comperies.
+
+Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem,
+mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si
+qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id
+omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam
+prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim. Solam Te penes
+addiscere praxim animus erat, studiisque meis Academicis imponere
+coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis defoecatissimae Tuae
+doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox tantopere rapuit,
+ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, ad quamcunque
+pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, haurire
+sategerim avidissimus. Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi
+relicti angustiam, ut ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem.
+Sive itaque vernam dici speciem, amabilissimis horti divitiis mira
+suavitate exponendis, dicares, jucundo Botanices studio discipulorum
+animos tanto redditurus alacriores ad laborum magis arduorum
+tolerantiam; seu inter furnos desudans, ad secretissimos Chemiae
+recessus viam monstrares, certo castigatissimae methodi filo tutissimam
+pariter ac facillimam; seu exacta ad normam Mathematicam stabilires
+Theoriae Medicae fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos
+dogmata, medendi methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam
+potissimum diei partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi
+consecraveram. Totum ergo Tuum est, si quid isthac mea industria
+profeci: Tu ejus omnem fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus
+agnosco, poterat id solum Tibi me mille modis in aeternum devincire.
+
+Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis
+humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque
+tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras
+visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae
+gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis,
+aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi
+vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus.
+
+Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam
+debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo
+apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri,
+hoc sim honore ornatus. Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus,
+quam quibus unquam dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe
+gratissimam horumce agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc
+tanquam in tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii;
+et certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem,
+quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat
+modestia, meusque pudor.
+
+Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et
+operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem,
+quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis,
+quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at
+quanto Viro! succedo: Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi
+praeiveris, omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem,
+haud aequis passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio
+sociata decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est,
+id saltem fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus
+quidem, at non indecorus tamen, inhaeream.
+
+Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et
+Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat
+Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus
+amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc
+animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos
+desudate! Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis,
+viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo
+ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus
+ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta
+penetraturi. Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem.
+Si quid in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu;
+Vobis id omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum
+mihi summa, is laborum finis erit unicus.
+
+
+ DIXI.
+
+
+[Errata:
+
+JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori
+ _text reads „senatorl“_
+
+utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam
+ _text reads „utillissimam“_
+
+qua lethalem nonnullorum corporum ferociam
+ _text reads „nonnulorum“_
+
+tuti et felices in artis adyta penetraturi
+ _text reads „penetraruri“_]
+
+
+ * * * * *
+ * * * * *
+
+
+ Aan de zeer doorluchte en edele mannen,
+ curatoren der Leidsche Akademie,
+
+JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek,
+Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de
+Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland,
+afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,
+
+JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid
+van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der
+burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz.,
+
+AREND BRUNO’SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid
+van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter
+hoogmogende Staten van Holland, enz. enz.,
+
+en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen,
+burgemeesters der stad Leiden,
+
+ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der
+burgemeesters,
+
+DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten,
+
+HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten,
+
+GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten,
+
+Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de
+beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer
+doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,
+
+ draagt gaarne en naar verdienste
+ deze redevoering op
+ de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen
+ zeer verknochte dienaar
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
+
+
+
+
+ INAUGUREELE REDE
+ van
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,
+
+ Waarin Wordt Aangetoond,
+ dat de Scheikunde met recht een plaats
+ verdient onder de Akademische
+ Wetenschappen,
+
+
+Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en
+vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans
+beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan
+gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht;
+de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft
+plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed
+door een even groote verbijstering als bezorgdheid.
+
+Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een
+scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard
+van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel
+ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en
+VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat
+van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de
+Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om
+een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen
+der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk
+en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid,
+door proeven wijsgeerig redeneeren leert.
+
+ [Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)]
+
+Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige
+werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een
+opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van
+schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen
+der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een
+spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]? Niets
+voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich voordoet, is
+geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: verschillende
+rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere wijze zijn
+saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van het vuur
+uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel gevuld
+met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, die
+weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; tallooze
+soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een hoop
+kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het
+gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen
+en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur òf te onderhouden òf
+te regelen. Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij
+zijn katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool
+in zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook,
+bedekt met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen
+vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende
+vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste
+voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra
+in een vlammenbrakenden strijd zullen storten; aan den anderen kant
+door een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept
+door het druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij
+een andere gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben
+geroepen door een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en
+afdeelt; in één woord: hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend,
+zich slechts bezighoudend met het aanwakkeren, toepassen en regelen
+van het vuur, de werking daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen
+nagaat. Dit is zijn werk, hiervoor spant hij zich alleen in.
+
+ [Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)]
+
+Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen
+van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen
+der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en
+niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de
+getuigenissen van feiten ontwrongen.
+
+Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit
+de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een
+plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen
+weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de
+meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een
+redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste
+staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in
+tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering
+van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen,
+die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een
+wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in
+zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men
+hem vergeeft.
+
+Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders:
+en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te
+steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer
+goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt
+om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed
+mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te
+wagen, misschien zou geven.
+
+Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over,
+waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid,
+hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben,
+die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te
+voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder
+naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands
+krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt
+getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het
+vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter
+gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk
+persoon ooit van de hand gewezen.
+
+Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het
+onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en
+uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te
+toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de
+Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met
+aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen
+welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij
+gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw
+goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om
+toegeeflijkheid te smeeken.
+
+De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien,
+openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te
+onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die
+voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden
+bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of
+wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de
+wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de
+bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een
+zekeren glans van adeldom.
+
+Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware
+kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de
+Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de
+waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast
+staan?
+
+ [Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: σπᾶν = (uit elkaar)
+ trekken en ἀγείρειν = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die
+ scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)]
+
+De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof
+schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van
+één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders
+kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde
+wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan
+de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut. Voorzeker
+zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje te verdienen,
+die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen toonen, zich
+verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk uiteenzetten, hoe
+haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan worden, en het
+buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of hoeveel en hoe
+groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich ondertusschen
+weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles niets wil
+zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen ook van
+volgelingen; want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den
+waren adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf,
+waarnaar degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast
+te stellen, de wijze, haar afmeet.
+
+ [Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina III,
+ 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)]
+
+Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een
+mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke
+maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar
+echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die
+wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is,
+of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de
+andere uit. Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die
+zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest
+gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt,
+dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer.
+Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt
+de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de
+overige wetenschappen toe; met haar eene helft toch houdt zij zich
+bezig met het beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt
+zij aan het uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten
+opzichte van de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen
+hebben dus, als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en
+met het burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen
+verzette.
+
+Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk
+uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende
+wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen.
+Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten
+zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten
+slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze
+dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot
+aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in
+den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook
+door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden
+en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen.
+
+Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom
+heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren
+van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen
+aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van
+die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal
+zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de
+rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met
+de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden
+met de beoefenaars.
+
+Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en
+aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw
+slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in
+discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol
+gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur,
+rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van
+lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich
+verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen.
+Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar
+beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en
+afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden
+afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit
+dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus de
+Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, die
+verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone
+voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het
+hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de
+zaak hadden genomen. Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare
+verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren
+bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende
+lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt zou
+hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter geluk
+dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door dik
+en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] had
+ten dienste gestaan. Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde
+voor die verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten
+gedaan worden door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van
+feiten, te beproeven door een systeem van bullen vol met de meest
+beuzelachtige woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend
+karakter begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in
+elk geval een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat
+vermetel pogen in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel
+veroverde, die zelfs juist op de asch der tegenstanders werd
+opgericht. Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op
+zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij
+van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende
+volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft
+omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen,
+dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van
+beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door
+eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende
+duisternis van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst
+vruchtbare licht, dat in haar binnenste verscholen was. En weldra,
+door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot
+een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van
+bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee
+zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar
+in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten
+schouwspel voor de beschaafde wereld. Toen dan heeft de Scheikunde,
+thans schitterend met haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die
+vermomd zoo zeer had mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante,
+de geleerden zoo voor zich weten in te nemen, dat zij haar waardig
+keurden om onder hun scholen opgenomen met allen ijver te worden
+beoefend.
+
+ [Voetnoot 5: „Inter Pyracmonas.“ „Pyracmon“ is in de mythologie
+ naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus,
+ samengesteld uit πῦρ = vuur en ἄκμων = aanbeeld. (Vertaler.)]
+
+ [Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600
+ regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn
+ regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den
+ tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet
+ sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? (Vertaler.)]
+
+En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de
+Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van
+vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want
+zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo
+alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer
+gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en
+als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de
+minste verveling. Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan,
+waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen
+voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve
+hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou
+te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer
+weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen. De
+voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die,
+welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de
+gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij
+ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste
+heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de
+wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is
+zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste
+verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden.
+
+Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden
+grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter
+staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig
+bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor
+houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam
+te bewijzen.
+
+Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen,
+hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak
+teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze
+wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel
+der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op
+alles, wat onder het begrip „lichaam“ valt, of daartoe herleid kan
+worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het
+bijzonder eigen. Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie,
+die in het bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der
+lichamen, in de natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar
+slechts een beeld van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van
+een theorie, de lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op
+zichzelf staande dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij,
+behalve dat dat algemeene begrip „Materie“ op hen van toepassing is,
+ook nog bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene
+van het andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist
+dat lichaam is en geen ander: daardoor is het helder en klaar, dat
+niet slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste
+plaats die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp
+zijn van de Physische studie, daar deze immers de lichamen door de
+natuur geschapen beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen
+bestaan.
+
+De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij
+geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit
+deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen
+voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van
+haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn
+voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar
+daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn
+voortgekomen.
+
+Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat
+een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van
+een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de
+physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig
+hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware
+algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest
+nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar
+hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is! Een meer oplettende
+beschouwing ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door
+en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene
+karakter dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het
+voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken,
+wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der
+wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou
+verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer zij
+bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over
+zijn verlies aan moeite beklagen!
+
+Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het
+allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is
+gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig
+onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet
+dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak
+uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen.
+Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen
+vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der
+zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen. De
+eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven verborgen,
+daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij brengen echter
+uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en die, in
+vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die wijze
+tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij
+iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te
+meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard. En deze van het een op het
+andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de
+eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien
+anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar
+en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand.
+Derhalve spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in
+voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen
+onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun
+eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens
+een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen
+bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke
+bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd
+zijn, voortvloeien. Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit
+deze gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig
+vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der
+lichamen en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk
+nooit en nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker
+geopenbaard, dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben
+zij het niet ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er
+tegen beter weten in geen acht op sloegen.
+
+Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik,
+dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van
+zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische
+wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht,
+brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend,
+hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.
+
+Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het
+werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna
+alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische
+studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde
+kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen
+afzonderlijk. Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der
+aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de
+vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten
+slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder
+Natuur koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan
+openbaren aan de zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk,
+onderwerpt de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt
+zij. Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend
+neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk
+voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer
+onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf
+het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend,
+navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste
+grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs
+alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben.
+
+Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze
+wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het
+andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij
+stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit
+ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te
+voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van
+behandelen op allerlei wijzen afwisselt. Zij bedienen zich van het
+vuur, het meest beweeglijke en krachtige element; zeer sterke
+splitsingsmiddelen staan ten dienste, afgemeten naar den aard der
+oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat is dan voor die dingen
+moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van een lichaam maar met
+een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten zijn ingewanden
+zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst zijn, laten zijn
+krachten in de onderste diepte verborgen zitten; waarlijk onder het
+beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit elkaar springen,
+opengebroken worden, aan het daglicht treden.
+
+Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen
+aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht
+naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht.
+Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken,
+welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk
+machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan
+wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de
+aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat
+het niets anders was dan beweging. Maar het vuur is ook zeer geschikt
+om de beweging, waarin zijn eigen kracht is gelegen, aan andere
+lichamen mee te deelen en zijn geweld kan op verscheidene
+tusschenliggende graden kunstmatig versterkt of verminderd worden, al
+naar men het verkiest. Daardoor ontstaat voorzeker voor den physioloog
+de hoogst gewenschte gelegenheid om met de hulp daarvan de meest
+verborgen eigenschappen der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden
+na te gaan. Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen
+tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in
+het bijzonder eigen is, schudt ze tot in ’t merg door elkaar, roept
+hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de
+samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden
+een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen
+in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat
+dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij
+geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen
+bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit?
+Wat nuttiger? Wat noodiger?
+
+ [Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats Heraclitus
+ van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben. (Vertaler.)]
+
+Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der
+feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke
+groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is
+op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit
+later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden
+die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON.
+Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden
+in de geheimen der Natuur. En zagen soms de voorbijgegane nog
+scherpzinniger dan zij? deze echter nemen bij het ontdekken van den
+aard der lichamen, bij het opsporen van de hun eigen krachten haast
+tot niets anders hun toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke
+duurzame en schoone vondst betrekking hebbende op den aard van het
+vuur, van hitte, licht en koude, al wat bekend is geworden over het
+ware karakter van kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der
+aardbevingen, en van het vuur, dat zich op verschillende plaatsen
+onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme van lichamen en hun
+aantrekkingskracht, dit alles is men aan scheikundige proeven
+verschuldigd.
+
+De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te
+breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw
+saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar
+voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide
+betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het
+aan één betwist.
+
+Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. „Zacht
+wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en
+zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen?
+Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen
+waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met
+oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde
+hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over
+niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene
+dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware
+dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo
+zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig
+koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert“.
+
+Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van
+dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten,
+van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij
+waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden;
+maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk
+openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de
+vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de
+wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende
+dier pseudoscheikundigen heeft verbreid? Omdat het dezen schandelijk
+toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook anderen
+tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen in
+dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid
+te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een
+gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat
+onder den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en
+bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets
+van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig
+zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of
+naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware
+regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten.
+
+ [Voetnoot 8: TERENTIUS’ Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)]
+
+De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te
+schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs
+is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der
+oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier
+beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift
+der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste
+nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle
+verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend; vervolgens
+teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst
+nadat zij daarin een volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met
+elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid
+die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde
+uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de
+ware beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen
+erkennen. In waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is?
+
+Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden
+worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige
+beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest
+verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in ’t kort de
+voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten
+nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze
+een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan
+niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de
+Scheikunde beschikt.
+
+Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de
+beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band,
+waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en
+de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet
+nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed.
+
+De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het
+menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel
+op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van
+andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te
+wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden.
+Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo
+eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de
+bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op
+elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden. Daar nu aan het nasporen
+hiervan de Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij
+uitstek en met veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet
+in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn?
+Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het
+gemeen onttrokken te hebben onder de geletterden in aanzien begon te
+komen, thans stralend in haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer
+alle zonen der Geneeskunde er toe heeft gebracht haar lief te hebben
+en te beoefenen, dat zij in de allereerste plaats van hen het werk,
+van hen de lust is geworden. Ja nog meer; vervolgens ook in de
+Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich een gemeenschappelijk doel
+met deze aangenomen en is toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar
+verreweg haar grootste deel gesierd geworden. Daarin dan schepte zij
+zulk een behagen, dat zij terstond onvermoeid met alle
+krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft om de landpalen van
+hare bondgenoote uit te zetten. En voorwaar slechts iemand, die geen
+kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of van geringe
+waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk
+gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door
+bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist
+met de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de
+ontelbare diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel
+voorbeelden, dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is
+tot haar eigen volmaking.
+
+Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt,
+beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen,
+dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het
+menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel
+bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden
+wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast
+is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen
+de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid. Waardoor wel worden de
+bijzondere aard van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten
+daarvan bekend? Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van
+vloeistoffen zal men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk
+buiten de grenzen van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder
+elkaar zoo verschillend als maar mogelijk is. Hier schiet de
+Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan
+wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken weten, verschuldigd
+zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt en noch zuurachtig
+noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij
+een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig karakter van de
+gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het speeksel, van
+het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen zouden wij
+niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware. Waartoe zal ik
+nu gewag maken der functies, die met haar bijstand schitterend zijn
+blootgelegd? Het inwendig oplossen der spijzen in de eerste wegen, het
+daaruit voortkomen van het chylus- en melksap, de noodzakelijkheid van
+spijs en drank en de begeerte daarnaar, het ontstaan der zouten en
+zwavelachtige deelen uit het opnemen van vrijwel smakelooze stoffen,
+de merkwaardige verandering der vochten door de krachten van den
+kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig
+passend verklaard, voor wie het meer heldere licht der scheikunde nog
+niet had geschenen.
+
+Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der
+Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog
+zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der
+ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde
+alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het
+wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke
+zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het
+andere voorkomt? Wie de bron van het zuur of van de olieachtige
+bedorven stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is
+voor de miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de
+nieren en de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen
+en van den stank, die er mee gepaard gaat? Wie het vieze overgaan van
+stilstaande vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke
+ontbinding of inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den
+verschillenden invloed van hitte en koude, van het vermeerderen of
+verminderen der circulatie op het veranderen van vochten zoo schoon in
+het licht hebben kunnen stellen, als niet de Scheikunde met haar
+fakkel was vooraangegaan?
+
+Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het
+grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook
+haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt.
+Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de
+ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen
+toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht
+krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek. Hem blijft de ware
+natuur der voedstermelk verborgen, voor wien de Scheikunde iets
+verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover een zuiver oordeel
+te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de ongelukkige kinderen
+een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig veel folteringen en den
+dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven juist de zoete
+gezondheid en wasdom had moeten geven. Als ik als geneeskundige nu
+alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier zeer veel te zeggen
+overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende soorten van urine
+en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen te hullen, opdat
+niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, een walging
+bevange.
+
+Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde,
+de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel
+uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich
+gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger
+dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige,
+al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij
+zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen
+beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele
+beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap
+overschreed. Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der
+kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun
+uitvindingen daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in
+hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus
+zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de
+Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door
+zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het
+verdrijven van ziekten verdiend heeft. Want wat is het geval? Leert
+men niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen
+van eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier
+uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en
+eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om
+haar geneeskracht, zóó duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het
+ontbreken van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig
+vervaardigde, die bijna geen geringere uitwerking hebben? De
+grondstoffen, krachten, de wijze van werken der geneesmiddelen en, wat
+toch wel in elk dat is, waarin de grootste macht schuilt, ontgaan den
+scherpzinnigste zonder scheikundige analyse. Waartoe zou ik nu melding
+maken van die veelvuldige kwalen der stervelingen, wier behoorlijke
+geneesmethode alleen de Scheikunde aan de hand doet? Waartoe zou ik de
+ontelbare geneesmiddelen van een uitgezochte voortreffelijkheid
+opsommen, welke uitgevonden te hebben zij zich beroemt? Ik zwijg nog
+van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee zij de vreeselijke,
+doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten onschadelijk te
+maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van vergiften
+geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid de
+uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om de
+krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te
+brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens
+weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen. Want als ik op mij
+nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou de dag
+voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchte BOYLE, wat
+BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door hun scheikundige werken
+in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. Maar waartoe is het
+noodig een beroep te doen op buitenlanders? Onsterfelijke geschriften
+bevinden zich in uw aller handen, onvergankelijk hebt gij in uw
+geheugen geprent de voortreffelijke daden van den waarlijk grooten
+man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in leven--o moge hij dat
+lang blijven!--en in welstand zien. Slaat deze geschriften telkens
+en telkens weer op en gij zult daarin getuigenissen van het gezegde
+vinden, die boven elke bedenking verheven zijn.
+
+Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de
+diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe
+ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke
+onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het
+is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke
+voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar
+ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_
+allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden
+afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen
+hangt.
+
+Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve,
+moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal
+overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere
+hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele
+wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij
+in de lijst van deze worden opgenomen.
+
+Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan
+weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een
+zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen
+wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig
+van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus
+te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de
+volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus
+zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne
+smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de
+schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets
+lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van
+haar te heeten.
+
+Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een
+zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong,
+indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond
+voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur
+zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van
+hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is
+verscholen? Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede
+methode zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een
+onderzoek van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten,
+bijzondere eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen,
+voordat hij zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn
+onderwerp? Eerst leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene
+natuur is, hoeveel het verschilt van den geest. Hij moet laten
+voorafgaan een onderzoek naar de algemeene krachten en eigenschappen
+en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat hij in de ingewanden
+doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die nauwkeurigheid,
+waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij hij ook niet
+onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens een juiste
+redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en leerstellingen af te
+leiden, en eerst van deze toerusting voorzien gorde hij zich aan tot
+den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten zal plukken, die hem
+nimmer zullen berouwen.
+
+Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen
+vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij
+overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen
+verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de
+binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een
+wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te
+laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen,
+onwetendheid, en armoede. Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de
+Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd
+behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en
+fabeltjes, zóó in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en
+verdacht was. Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld
+tegelijk met de edelste wetenschap dien afschuwelijken vloek van
+geheel valsche meeningen ontving, die zich vandaar over ongeveer elk
+soort van wetenschap uitbreidde met een bijna niet te keeren
+besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van de beste
+dingen is het misbruik het ergst.
+
+ [Voetnoot 9: „more andabatarum“. Andabatae, gladiatoren die streden
+ in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)]
+
+ [Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn liefde
+ vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd draaiend
+ rad werd gebonden. (Vertaler.)]
+
+Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar
+beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de
+verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig
+onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de
+natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in
+haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan
+verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat
+vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen,
+zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit
+haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar
+ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen
+en de meest onbetwistbare waarheden.
+
+Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de
+vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te
+goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog
+dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor
+ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig
+vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.
+
+Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk,
+dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand,
+beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit
+Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die
+dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.
+
+En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb
+laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden
+voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is
+voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door
+de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel
+als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de
+hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee
+door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht
+namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat
+belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele
+wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische
+wetenschappen?_
+
+Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te
+zamen met uw zeer edele collega’s, de zeer aanzienlijke burgemeesters
+van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken,
+dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel
+waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor
+deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt
+ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en,
+dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest
+eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar
+uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een
+verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht
+zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht
+door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde.
+
+Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat
+ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien
+onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo
+dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over
+het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft
+moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en
+eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden
+jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend
+geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer
+moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde
+gunst?
+
+Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te
+houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het
+volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus
+toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel
+van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan
+den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild
+honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren
+om den groei van zijn fortuin. Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn
+geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van
+die prikkels. Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw
+bijzonder gunstige meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt
+opgevat. Moed gaf mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een
+edelaardigen geest, waardoor gij niets verder van een jongeling
+verlangt, dan de jeugdige krachten reiken. Door deze omstandigheden er
+toe gebracht heb ik mijn ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard
+ik het nu plechtig.
+
+De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn
+geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik
+die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten
+goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden
+arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam
+schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en
+alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.
+
+Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien
+weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben
+aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al
+het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der
+Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en
+onbevlekt geluk van ganscher harte toe.
+
+Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe,
+schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder
+twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van
+sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap
+van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw
+zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet
+voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke
+den studiebelangen ten goede zal komen. Niemand leert kennen, wat hij
+vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze
+onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal
+verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in
+hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in
+de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij
+een genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te
+worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren
+aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te
+halen, zal ik u tenminste met een tusschenruimte volgen. Daardoor
+juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere voetsporen
+vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten af te
+dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij behouden,
+dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting betoonend, waarop
+de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met eerbied tegen u zal
+blijven opzien.
+
+Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde
+onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen,
+dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij
+mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt
+gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals
+de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor
+zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.
+
+Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige ’s
+GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij
+het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels
+uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden.
+
+Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij
+met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van
+het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en
+oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in
+de hoogste mate erkentelijk is.
+
+U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste
+plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den
+ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig
+talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening
+in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie
+andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een
+gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.
+Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn
+Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den
+rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd,
+of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer
+verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij
+in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide,
+op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste
+graagte in te drinken. Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de
+kortheid van den mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden,
+dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen
+lentedag besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den
+Hortus op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de
+aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te
+boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het
+zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen
+schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren
+leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk
+was; hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens den
+wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma’s der
+praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, u volgde
+ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best door mij
+was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel uw
+verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand
+gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak
+maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op
+duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.
+
+Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de
+onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen
+grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn
+Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland
+was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het
+uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden
+vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls
+als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een
+onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende
+goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de
+heilzaamste raadgevingen te schenken.
+
+Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet
+staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite
+verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij
+zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt
+geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding
+heb genoten. Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat
+ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten,
+aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste
+dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier
+nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk
+dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij
+hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van
+ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt
+mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.
+
+Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner
+krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u
+dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit
+werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te
+aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze
+raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. Als
+gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen
+hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij,
+jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal
+kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te
+trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard
+aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste
+die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar
+kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos.
+
+U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel
+aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de
+Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw
+studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden.
+Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt,
+dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds.
+Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt,
+en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. Door
+bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder
+duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, den
+vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde
+methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste
+weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als
+leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen
+der wetenschap binnen te dringen. Aan u bied ik mijzelf als begeleider
+aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige
+krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die
+dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën
+te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het
+eenige doel mijner moeiten.
+
+
+ IK HEB GEZEGD.
+
+
+[Errata:
+
+... verscheidene van hun uitvindingen ...
+ _origineel: „uitvingen“_ ]
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+
+
+_Illustrissimis et Nobilissimis Viris_
+ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE CURATORIBUS,
+
+ Aan de zeer doorluchte en edele mannen,
+ curatoren der Leidsche Akademie,
+
+JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam,
+Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc.
+
+Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae
+ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato
+etc. etc.
+
+ JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek,
+ Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de
+ Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland,
+ afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,
+
+JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis
+Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi,
+Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc.
+
+ JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid
+ van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der
+ burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz.,
+
+ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis
+senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum
+Hollandiae adscripto, etc. etc.
+
+ AREND BRUNO’SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid
+ van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter
+ hoogmogende Staten van Holland, enz. enz.,
+
+EORUMQUE COLLEGIS
+_Amplissimis, Gravissimisque Viris_
+_Civitatis Lugdunensis Consulibus_.
+
+ en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen,
+ burgemeesters der stad Leiden,
+
+ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi.
+
+DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D.
+
+HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D.
+
+GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D.
+
+ ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der
+ burgemeesters,
+
+ DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten,
+
+ HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten,
+
+ GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten,
+
+Nec Non Viro Spectatissimo
+
+DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss:
+Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis.
+
+ Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de
+ beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer
+ doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,
+
+L.M.Q.D.
+Hanc Orationem
+Virtuti et Gloriae Eorum
+Devotissimus
+HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
+
+ draagt gaarne en naar verdienste
+ deze redevoering op
+ de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen
+ zeer verknochte dienaar
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.
+
+
+Hieronymi Davidis Gaubii
+ORATIO INAUGURALIS
+
+ INAUGUREELE REDE
+ van
+ HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,
+
+Qua Ostenditur
+CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM
+
+ Waarin Wordt Aangetoond,
+ dat de Scheikunde met recht een plaats verdient
+ onder de Akademische Wetenschappen,
+
+
+Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit
+mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus
+insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in
+me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia
+alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt
+animum.
+
+ Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en
+ vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans
+ beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan
+ gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht;
+ de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft
+ plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed
+ door een even groote verbijstering als bezorgdheid.
+
+Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum
+officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod
+Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab
+Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae
+aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec
+studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per
+verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet.
+
+ Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een
+ scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard
+ van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel
+ ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en
+ VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat
+ van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de
+ Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om
+ een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen
+ der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk
+ en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid,
+ door proeven wijsgeerig redeneeren leert.
+
+ [Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)]
+
+Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi
+inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata
+forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae,
+Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem?
+
+ Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige
+ werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een
+ opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van
+ schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen
+ der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een
+ spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]?
+
+ [Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)]
+
+ Nihil profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit,
+supellex; alius plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia
+ratione constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui
+appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis
+operibus, ad praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta;
+innumerae vasorum, materie et figura discrepantium, species; carbonum
+cespitumque acervus nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra,
+spathulae, folles, forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel
+regendo requiruntur.
+
+ Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich
+ voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen:
+ verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere
+ wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte
+ van het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd,
+ geheel gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap
+ vervaardigd, die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid
+ te brengen; tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante
+ verschilt; een hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de
+ hand zijn voor het gebruik verschillende soorten van zeven, spatels,
+ blaasbalgen, tangen en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur
+ òf te onderhouden òf te regelen.
+
+ Haec inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem;
+sed atras carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo,
+cineribus, fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare
+metalla; jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita
+committere corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira;
+
+ Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn
+ katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in
+ zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt
+ met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen
+ vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende
+ vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste
+ voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich
+ dra in een vlammenbrakenden strijd zullen storten;
+
+ illinc, calore moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum
+stillicidio, elicere; electas alibi, tepore naturali, unire arctius et
+digerere; verbo: totum inter furnos defixum, excitando, applicando,
+moderando igne occupatissimum, hujus in corpora efficaciam modis omnibus
+explorare. Hoc opus est, hic labor ejus unicus.
+
+ aan den anderen kant door een matige warmte de vermogens der
+ stoffen te voorschijn roept door het druppelen van water naar een
+ bepaald getal te regelen; en bij een andere gelegenheid die vermogens
+ na ze te voorschijn te hebben geroepen door een natuurlijke lauwe
+ temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in één woord: hoe hij geheel
+ tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend met het
+ aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking daarvan
+ op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk,
+ hiervoor spant hij zich alleen in.
+
+Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones:
+vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed
+oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis
+extorquetur.
+
+ Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen
+ van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen
+ der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en
+ niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de
+ getuigenissen van feiten ontwrongen.
+
+Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in
+spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis
+sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam?
+Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica
+Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique
+hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque
+horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit
+trepido, facilem merebitur veniam.
+
+ Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit
+ de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een
+ plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen
+ weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de
+ meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een
+ redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste
+ staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in
+ tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering
+ van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen,
+ die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een
+ wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in
+ zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men
+ hem vergeeft.
+
+Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus
+fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium
+mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta
+prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi
+juventus forte addidisset.
+
+ Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders:
+ en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te
+ steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer
+ goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt
+ om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed
+ mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te
+ wagen, misschien zou geven.
+
+Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum
+refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta
+iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos
+ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus
+nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis,
+quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris
+etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit
+nemine.
+
+ Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over,
+ waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid,
+ hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben,
+ die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te
+ voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder
+ naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands
+ krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt
+ getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het
+ vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter
+ gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk
+ persoon ooit van de hand gewezen.
+
+Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor,
+officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum
+ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum
+ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe
+obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae
+eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam
+gratias, vel veniam impetraturus, supplicem.
+
+ Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het
+ onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en
+ uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te
+ toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de
+ Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met
+ aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen
+ welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij
+ gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw
+ goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om
+ toegeeflijkheid te smeeken.
+
+Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici,
+docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque
+hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis
+potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola
+conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat
+splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit
+disciplina.
+
+ De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien,
+ openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te
+ onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die
+ voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden
+ bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of
+ wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de
+ wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de
+ bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een
+ zekeren glans van adeldom.
+
+Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti
+Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie
+mei constabit ratio et veritas?
+
+ Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware
+ kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de
+ Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de
+ waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast
+ staan?
+
+ [Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: σπᾶν = (uit elkaar)
+ trekken en ἀγείρειν = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die
+ scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)]
+
+Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, _Nobilitate_ impertit
+hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex
+natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet
+in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui.
+
+ De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof
+ schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van
+ één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders
+ kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde
+ wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan
+ de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut.
+
+ Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri
+dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis
+deductam ejus originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot
+numeraverit, quantosque sui cultores exponunt, parum interim de
+utilitate soliciti, qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint,
+dulcia, aut quibusvis clara sectatorum nominibus:
+
+ Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje
+ te verdienen, die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen
+ toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk
+ uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan
+ worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of
+ hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich
+ ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch
+ alles niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door
+ welke namen ook van volgelingen;
+
+ externa enim isthaec sunt, et veram potius ornant _Nobilitatem_,
+quam constituunt. Utile mensura est, illam qua metitur, verum qui rebus
+pretium statuere solus novit, sapiens.
+
+ want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren
+ adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar
+ degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te
+ stellen, de wijze, haar afmeet.
+
+ [Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina
+ III, 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)]
+
+Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato,
+vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur.
+Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique
+facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus
+antecellit.
+
+ Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een
+ mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke
+ maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar
+ echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die
+ wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is,
+ of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de
+ andere uit.
+
+ Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat sanitatem: ea
+namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; deficiens una
+praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars
+dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia;
+
+ Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die
+ zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest
+ gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt,
+ dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer.
+ Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt
+ de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de
+ overige wetenschappen toe;
+
+ una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis
+humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium
+dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, et
+jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente.
+
+ met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het
+ beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het
+ uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van
+ de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus,
+ als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het
+ burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen
+ verzette.
+
+Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc
+sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae?
+opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum
+principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum
+itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum
+perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae,
+debitum in Academiis locum obtinuere.
+
+ Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk
+ uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende
+ wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen.
+ Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten
+ zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten
+ slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze
+ dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot
+ aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in
+ den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook
+ door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden
+ en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen.
+
+Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta
+sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in
+scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris
+causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam,
+videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat
+habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae.
+
+ Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom
+ heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren
+ van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen
+ aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van
+ die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal
+ zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de
+ rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met
+ de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden
+ met de beoefenaars.
+
+Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc
+rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab
+impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab
+otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans,
+vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui
+penitius eam introspicere dignaretur:
+
+ Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en
+ aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw
+ slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in
+ discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol
+ gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur,
+ rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van
+ lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich
+ verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen.
+
+ [Voetnoot 5: „Inter Pyracmonas.“ „Pyracmon“ is in de mythologie
+ naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus,
+ samengesteld uit πῦρ = vuur en ἄκμων = aanbeeld. (Vertaler.)]
+
+ atqui externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat
+cultorum et ruditas et malitia, ab interioribus ut perlustrandis
+deterrerentur Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta,
+rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris qui
+praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam
+necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam
+cognovissent.
+
+ Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar
+ beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en
+ afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden
+ afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit
+ dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus
+ de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit,
+ die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone
+ voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het
+ hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de
+ zaak hadden genomen.
+
+ Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio exclusa, privatorum
+exerceret manus atque ingenia, varias sub variis passa fatorum
+vicissitudines, nec forte unquam Academicos in suggestus emersura, nisi,
+quem nacta tandem est, causae patronum, an rabulam potius? Eremitam
+fortuna major quam prudentia secundasset:
+
+ Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare verkeer met
+ geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren bezig
+ hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende
+ lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt
+ zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter
+ geluk dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door
+ dik en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6]
+ had ten dienste gestaan.
+
+ [Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600
+ regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn
+ regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den
+ tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet
+ sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld?
+ (Vertaler.)]
+
+ hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod
+autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset,
+bullato id verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum
+insolentia, igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe
+adeo felici, ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede
+potiretur, vel ipsis contradicentium cineribus inaedificata.
+
+ Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die
+ verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden
+ door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te
+ beproeven door een systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige
+ woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend karakter
+ begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval
+ een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen
+ in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel veroverde, die zelfs
+ juist op de asch der tegenstanders werd opgericht.
+
+ Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa
+paulo post fundatoris ejus tyrannide, rursus pessum dederit impatiens
+cogi, litteratorum gens liberrima; id tamen inde Chemiae boni
+accesserat, quod durante isthac statione sua, propior Eruditis posita,
+nonnullos horum, vividissimis quibusdam radiis, per offusas sibi
+quisquiliarum tenebras evibratis, latentis intus foecundissimi luminis
+sui potuerit commonefacere:
+
+ Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op zwakken
+ grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij van zijn
+ oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende volk der
+ geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft omvergeworpen,
+ was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, dat zij,
+ zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van beschaafde
+ lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door eenige zeer
+ heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis van
+ nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare
+ licht, dat in haar binnenste verscholen was.
+
+ quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium
+se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus
+obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito Orbi
+produxere intuendam.
+
+ En weldra, door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij
+ zich inderdaad tot een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand
+ het masker van bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van
+ onkunde, waarmee zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij,
+ eindelijk haar in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht
+ gebracht ten schouwspel voor de beschaafde wereld.
+
+ Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, tum demum, quae
+personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita faciei, adeo
+pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in scholas
+adoptata, strenue coleretur.
+
+ Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met haar eigen
+ stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had mishaagd,
+ hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor zich
+ weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun scholen
+ opgenomen met allen ijver te worden beoefend.
+
+Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi,
+ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam
+necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis,
+Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque
+ullo sine taedio detineat.
+
+ En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de
+ Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van
+ vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want
+ zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo
+ alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer
+ gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en
+ als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de
+ minste verveling.
+
+ Utique, si sola contemplemur bona, quibus quascunque fere artes
+manuales, humanae vitae commodis inservientes, perfundit Chemia, quot,
+quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec,
+et pro parergis tantum aestimanda.
+
+ Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, waarmee de
+ Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen voor de
+ gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve hoe groot
+ is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou te kort
+ zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer weinig
+ beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen.
+
+ Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera
+primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit;
+illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in
+profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina
+conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda.
+
+ De voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is
+ edeler, die, welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit
+ houdt zij de gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren
+ is, geeft zij ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in
+ de binnenste heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare
+ werkzaamheid de wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt;
+ dien ten gevolge is zij zoowel met de wijsbegeerte als met de
+ geneeskunde ten nauwste verbonden en niet zonder nadeelen daarvan
+ te scheiden.
+
+Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc
+rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium
+hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati
+satisfactum arbitrabor.
+
+ Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden
+ grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter
+ staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig
+ bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor
+ houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam
+ te bewijzen.
+
+Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque
+causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia
+appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus
+hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci
+potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare
+singulis:
+
+ Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen,
+ hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak
+ teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze
+ wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel
+ der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op
+ alles, wat onder het begrip „lichaam“ valt, of daartoe herleid kan
+ worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het
+ bijzonder eigen.
+
+ quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus
+corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed
+tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta;
+corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo
+limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae
+conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula
+a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise
+corpus, et non aliud:
+
+ Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het
+ bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de
+ natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld
+ van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de
+ lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande
+ dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, behalve dat dat
+ algemeene begrip „Materie“ op hen van toepassing is, ook nog
+ bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het
+ andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist dat
+ lichaam is en geen ander:
+
+ inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes non modo,
+sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias Physicae esse
+considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout vere existunt,
+vel existere possunt, contemplatur.
+
+ daardoor is het helder en klaar, dat niet slechts die algemeene
+ gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats die, welke elk lichaam
+ afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de Physische studie,
+ daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen beschouwt, naar
+ dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan.
+
+Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis
+sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt,
+quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum
+quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus
+emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales,
+si a generalibus.
+
+ De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij
+ geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit
+ deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen
+ voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van
+ haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn
+ voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar
+ daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn
+ voortgekomen.
+
+Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis
+corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura
+fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil
+opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis
+universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam,
+quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest,
+haec quin ita sese habeant!
+
+ Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat
+ een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van
+ een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de
+ physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig
+ hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware
+ algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest
+ nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar
+ hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is!
+
+ Detegit attentior observatio innumera certe in corporibus adeo
+penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole vix quidquam commune
+videantur habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia
+autem incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut
+accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem
+exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero
+doleat!
+
+ Een meer oplettende beschouwing ontdekt in de lichamen zeker
+tallooze dingen, die zoo door en door eigenaardig zijn, dat het schijnt,
+dat zij met het algemeene karakter dier lichamen bijna niets gemeen
+hebben, behalve alleen het voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu
+iemand deze zaken, wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene
+opvatting der wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a
+priori zou verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer
+zij bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over
+zijn verlies aan moeite beklagen!
+
+Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his
+potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur.
+Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad
+intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est.
+Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel
+Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia:
+
+ Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het
+ allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is
+ gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig
+ onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet
+ dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak
+ uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen.
+ Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen
+ vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der
+ zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen.
+
+ proprietates autem et vires corporeae in se primitus
+imperceptibiles latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes,
+qui determinatae ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem
+simul exhibent, adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei
+effectorum supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur.
+
+ De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven
+ verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij
+ brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen
+ en die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op
+ die wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker
+ bij iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des
+ te meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard.
+
+ Haecque adeo sola superest indagandis corporum singularibus via
+retrograda; dum alteram illam, quae a priori haec investigat, humano
+ingenio imperviam prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc
+rerum scrutator experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum
+adminiculo sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus,
+quos sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora
+corporibus adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis,
+quique e conjunctis fluant motus, experiatur;
+
+ En deze van het een op het andere terugvoerende weg blijft
+ geheel alleen over om de eigenaardigheden der lichamen op te sporen,
+ daar de natuur dien anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken,
+ geheel onbegaanbaar en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het
+ menschelijk verstand. Derhalve spant de volijverige navorscher van die
+ zaken zich eerder in voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van
+ zijn zintuigen onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt
+ op hun eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij
+ volgens een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt
+ lichamen bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare,
+ welke bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij
+ vereenigd zijn, voortvloeien.
+
+ tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis
+quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori
+demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore
+patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti:
+parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere
+scientes.
+
+ Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze gegevens,
+ die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig vergeleken
+heeft,
+ de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen en hun
+bijzondere
+ gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en nimmer hebben de
+ verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, dan toen men
+ dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet ver
+ gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten
+ in geen acht op sloegen.
+
+Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi
+flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit
+me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim,
+quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus.
+
+ Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik,
+ dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van
+ zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische
+ wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht,
+ brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend,
+ hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.
+
+Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae
+opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt
+considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud
+est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen.
+
+ Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het
+ werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna
+ alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische
+ studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde
+ kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen
+ afzonderlijk.
+
+ Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid
+protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid
+denique Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere
+omne, modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia
+sistit examini, rimatur, penetrat:
+
+ Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der aarde
+ wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de vruchtbare
+ aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten slotte, tot
+ het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur koestert
+ en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan openbaren aan de
+ zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt de
+ Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij.
+
+ penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria,
+facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna,
+aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora,
+abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa
+perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores.
+
+ Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend
+ neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk
+ voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer
+ onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf
+ het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend,
+ navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste
+ grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs
+ alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben.
+
+Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia
+aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata
+solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant
+instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi.
+
+ Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze
+ wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het
+ andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij
+ stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit
+ ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te
+ voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van
+ behandelen op allerlei wijzen afwisselt.
+
+ Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto
+sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his
+arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter
+se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant in
+profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient,
+effringentur, patebunt.
+
+ Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke en
+ krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste,
+ afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen).
+ Wat is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de
+ deeltjes van een lichaam maar met een stalen band onder elkaar
+ verbonden zijn, laten zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen
+ metalen muur verschanst zijn, laten zijn krachten in de onderste
+ diepte verborgen zitten; waarlijk onder het beuken van dergelijke
+ stormrammen zullen zij uit elkaar springen, opengebroken worden, aan
+ het daglicht treden.
+
+Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit
+tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et
+vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si
+navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore
+quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem
+experimentis?
+
+ Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen
+ aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht
+ naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht.
+ Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken,
+ welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk
+ machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan
+ wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de
+ aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat
+ het niets anders was dan beweging.
+
+ [Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats
+ Heraclitus van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben.
+ (Vertaler.)]
+
+ Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum aliud esse
+nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo pollet ipse,
+motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis ejus, per plures
+gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe
+quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas
+quasque corporum affectiones enucleandi.
+
+ Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin zijn
+ eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn
+ geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig
+ versterkt of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor
+ ontstaat voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte
+ gelegenheid om met de hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen
+ der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan.
+
+ Istis enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem
+propriam solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget,
+mutat, partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim
+combinat, proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit,
+adeoque nudis usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte
+adjuti attingere potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae
+scrutatori? Quid utilius? Quid magis necessarium?
+
+ Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen
+ tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in
+ het bijzonder eigen is, schudt ze tot in ’t merg door elkaar, roept
+ hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de
+ samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden
+ een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen
+ in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat
+ dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij
+ geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen
+ bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit?
+ Wat nuttiger? Wat noodiger?
+
+Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea
+excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit
+vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint
+bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et
+_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra
+agnoscunt secula;
+
+ Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der
+ feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke
+ groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is
+ op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit
+ later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden
+ die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON.
+ Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden
+ in de geheimen der Natuur.
+
+ an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda singularium
+corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam
+recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa naturam
+ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum,
+saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque
+subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi
+attractili, id omne Chemicis debetur experimentis.
+
+ En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger dan zij? deze
+ echter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het
+ opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun
+ toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone
+ vondst betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht
+ en koude, al wat bekend is geworden over het ware karakter van
+ kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van
+ het vuur, dat zich op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt;
+ omtrent het magnetisme van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit
+ alles is men aan scheikundige proeven verschuldigd.
+
+Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae
+experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non
+formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet
+de jure Academico, qui uni movet.
+
+ De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te
+ breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw
+ saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar
+ voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide
+ betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het
+ aan één betwist.
+
+At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine
+tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in
+detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum
+cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis
+fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta,
+suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat
+nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso
+involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem
+esse, verissime cecinerit Poeta.
+
+ Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. „Zacht
+ wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en
+ zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen?
+ Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen
+ waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met
+ oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde
+ hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over
+ niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene
+ dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware
+ dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo
+ zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig
+ koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert“.
+
+Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri,
+plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano
+simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum,
+aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens
+adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet
+errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba
+dispersit?
+
+ Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van
+ dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten,
+ van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij
+ waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden;
+ maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk
+ openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de
+ vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de
+ wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende
+ dier pseudoscheikundigen heeft verbreid?
+
+ [Voetnoot 8: TERENTIUS’ Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)]
+
+ His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum specie
+allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria primi
+periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id
+saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae
+tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de
+Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum
+cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris
+obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur.
+
+ Omdat het dezen schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te
+ hebben, lokken zij daarom ook anderen tot zich door schoonschijnende
+ sier van woorden en wikkelen hen in dezelfde dwalingen en, daar zij
+ het eerst door hun eigen onwetendheid te gronde zijn gegaan, trekken
+ zij hun volgelingen met zich in een gemeenschappelijk verderf, waarbij
+ zij tenminste dit bereiken, dat onder den opgestapelden hoop, de een
+ boven op den ander, de oorzaak en bewerker van den eersten val bedekt
+ wordt. Zij bezitten voorwaar niets van de Scheikunde behalve den naam,
+ dien zij zelfs ook niet waardig zijn, daar zij slechts luisterend naar
+ de begeerten van hun zinnen of naar monsters van hypothesen in een
+ waanzinnig brein geboren, de ware regels der wetenschap noch weten
+ noch zich er naar richten.
+
+Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus:
+aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum
+testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo
+corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et
+accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti,
+varia instituunt experimenta;
+
+ De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te
+ schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs
+ is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der
+ oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier
+ beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift
+ der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste
+ nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle
+ verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend;
+
+ horum dein singulos quosque eventus sensibiles, bona fide, notant,
+et ex his demum liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis,
+severitate Mathematica eliciunt, quae clara et individua sequela inde
+deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et
+Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec
+certitudo est?
+
+ vervolgens teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten
+ eerlijk op en eerst nadat zij daarin een volkomen helder inzicht
+ hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit
+ met wiskundige strengheid die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke
+ en onafgebroken volgorde uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is
+ het, niets anders, wat de ware beoefenaars der Scheikunde als
+ waarheden en leerstellingen erkennen. In waarheid wat is zekerheid,
+ indien dat het niet is?
+
+Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget,
+rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam.
+Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum
+Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter
+ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu
+derivandam.
+
+ Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden
+ worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige
+ beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest
+ verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in ’t kort de
+ voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten
+ nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze
+ een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan
+ niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de
+ Scheikunde beschikt.
+
+Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio:
+haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur;
+nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum
+daretur affinitas.
+
+ Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de
+ beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band,
+ waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en
+ de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet
+ nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed.
+
+Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc
+individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium
+vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine
+suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla
+alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem
+actiones, quam distinctissime perspectas postulat:
+
+ De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het
+ menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel
+ op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van
+ andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te
+ wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden.
+ Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo
+ eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de
+ bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op
+ elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden.
+
+ quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus,
+Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime impendat operam;
+hac sine mancam fore mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod
+mox, ac plebi erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum
+splendore fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes
+pertraxerit Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus,
+horum deliciae.
+
+ Daar nu aan het nasporen hiervan de Scheikunde vooral boven alle
+ overige wetenschappen bij uitstek en met veel succes al haar moeite
+ besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel
+ en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde
+ weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te hebben onder de
+ geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in haar eigen
+ oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde er toe
+ heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de
+ allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden.
+
+ Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta,
+communem sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices,
+pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit
+tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae
+pomoeriis indefessam dederit.
+
+ Ja nog meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft
+ zij voor zich een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is
+ toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel
+ gesierd geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij
+ terstond onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan
+ gegeven heeft om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten.
+
+ Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, aut flocci
+aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: quamcunque enim
+hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa quae in operis
+versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros clamat Chemiae
+usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe necessarium
+exemplis docet infiniris.
+
+ En voorwaar slechts iemand, die geen kennis van zaken heeft,
+ zal die dingen weinig noemen of van geringe waarde, die daaruit de
+ Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk gedeelte van haar men
+ ook moge nagaan, hetzij dat, wat door bespiegeling wordt volbracht,
+ hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met de uitoefening van het werk
+ zelf, beide getuigen luide van de ontelbare diensten der Scheikunde;
+ beide leeren door oneindig veel voorbeelden, dat de samenwerking met
+ deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen volmaking.
+
+Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso,
+constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin
+esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine
+oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas
+Anatomica: sola id liquido docet Chemia.
+
+ Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt,
+ beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen,
+ dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het
+ menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel
+ bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden
+ wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast
+ is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen
+ de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid.
+
+ Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae
+innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud illis
+simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa
+etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola
+opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus:
+
+ Waardoor wel worden de bijzondere aard van de vochten in het
+ lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? Want met uitzondering
+ van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal men tevergeefs
+ zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen van het
+ dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo verschillend
+ als maar mogelijk is.
+
+ Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad
+calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis indolem saponaceam;
+Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, facultates, et innumera
+alia nesciremus, abfuisset Chemia.
+
+ Hier schiet de Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt
+ hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken
+ weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt
+ en noch zuurachtig noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het
+ serum daarvan bij een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig
+ karakter van de gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het
+ speeksel, van het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen
+ zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware.
+
+ Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas?
+Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et
+Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem
+salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem
+humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum
+apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat.
+
+ Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met haar
+ bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der
+ spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus-
+ en melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte
+ daarnaar, het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het
+ opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering
+ der vochten door de krachten van den kringloop (om nog andere dingen
+ voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig passend verklaard, voor wie het
+ meer heldere licht der scheikunde nog niet had geschenen.
+
+Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri,
+iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et
+symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros
+salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam
+indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset?
+
+ Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der
+ Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog
+ zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der
+ ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde
+ alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het
+ wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke
+ zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het
+ andere voorkomt?
+
+ Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis,
+Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, Renibus,
+et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique foetoris
+causam?
+
+ Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven stof,
+ die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de
+ miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en
+ de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den
+ stank, die er mee gepaard gaat?
+
+ Quis tetras stagnantium humorum degenerationes in tenacitatem
+corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve corrosivam? Quis denique
+caloris et frigoris, circulationis auctae vel diminutae varias in
+permutandis humoribus vires tam pulchre in lucem ponere potuisset, nisi
+Chemia praetulisset facem?
+
+ Wie het vieze overgaan van stilstaande vochten in een
+ hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of inbijtende
+ scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van hitte
+ en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op het
+ veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen stellen,
+ als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan?
+
+Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem
+derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia,
+usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne
+luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus
+indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest.
+
+ Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het
+ grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook
+ haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt.
+ Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de
+ ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen
+ toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht
+ krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek.
+
+ Latet vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti
+est, exactum de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud
+infantibus, veneni instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa,
+dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere.
+
+ Hem blijft de ware natuur der voedstermelk verborgen, voor wien
+ de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover
+ een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de
+ ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig
+ veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven
+ juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten geven.
+
+ Si solis Medicis Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de
+Sudore, de Urinis et Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius
+tamen est involvere silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat
+nausea.
+
+ Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak,
+ zou hier zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet,
+ verschillende soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is
+ in stilzwijgen te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die
+ dingen te hooren, een walging bevange.
+
+Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et
+Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini
+accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere
+utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic
+quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae,
+ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus.
+
+ Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde,
+ de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel
+ uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich
+ gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger
+ dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige,
+ al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij
+ zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen
+ beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele
+ beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap
+ overschreed.
+
+ Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes
+complurium suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut
+arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi
+delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad
+sanitatis tutelam, morborumque propulsionem opera meruit.
+
+ Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der kunstenaars,
+ die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun uitvindingen
+ daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in hun begrensde
+ kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus zelf de
+ misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de
+ Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door
+ zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het
+ verdrijven van ziekten verdiend heeft.
+
+ Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum et potulentorum,
+aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes et vitia cognoscuntur
+optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, aliorumque fontium, vi
+Medicata insignium, elementa, compositionem et facultates tam liquido
+manifestat, ut vel imitetur, et naturalium defectum arte factis
+suppleat, haud minoris fere efficaciae?
+
+ Want wat is het geval? Leert men niet door haar kunst den
+ aard, de goede en slechte eigenschappen van eet- en drinkwaren, van
+ verschillende soorten water, wijn en bier uitstekend kennen? Openbaart
+ zij niet de elementen, samenstelling en eigenschappen van warme,
+ zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar geneeskracht, zóó
+ duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken van natuurlijke
+ wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna geen
+ geringere uitwerking hebben?
+
+ Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in
+unoquoque id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque,
+sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas
+Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit
+Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum
+inventionis gloriam illa sibi vendicat?
+
+ De grondstoffen, krachten, de wijze van werken der
+ geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de grootste
+ macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige
+ analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen
+ der stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde
+ aan de hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een
+ uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben
+ zij zich beroemt?
+
+ Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalem nonnullorum corporum
+ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia
+evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem ejus,
+in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium
+reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, dexteritatem:
+
+ Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee
+ zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten
+ onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van
+ vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid
+ de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om
+ de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te
+ brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens
+ weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen.
+
+ si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, dies
+dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae Bellinus,
+Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis Chemicis in
+Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare opus?
+
+ Want als ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste
+ na te gaan, zou de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de
+ doorluchte BOYLE, wat BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door
+ hun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht.
+ Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders?
+
+ Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, nunquam
+periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri vere Magni,
+quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! sospitemque: volvite
+haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri omni exceptione
+majora.
+
+ Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen,
+ onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke
+ daden van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier
+ tegenwoordig in leven--o moge hij dat lang blijven!--en in welstand
+ zien. Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult
+ daarin getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking
+ verheven zijn.
+
+Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima
+inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae
+partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac
+mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro
+inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum,
+quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret.
+
+ Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de
+ diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe
+ ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke
+ onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het
+ is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke
+ voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar
+ ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_
+ allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden
+ afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen
+ hangt.
+
+Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est
+argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures
+dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae
+nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur.
+
+ Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve,
+ moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal
+ overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere
+ hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele
+ wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij
+ in de lijst van deze worden opgenomen.
+
+Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse
+ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat
+operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam.
+Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit
+Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam
+qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat
+naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in
+Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit.
+
+ Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan
+ weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een
+ zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen
+ wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig
+ van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus
+ te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de
+ volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus
+ zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne
+ smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de
+ schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets
+ lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van
+ haar te heeten.
+
+Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam
+addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis,
+ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis
+composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo
+commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta
+methodi?
+
+ Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een
+ zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong,
+ indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond
+ voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur
+ zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van
+ hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is
+ verscholen?
+
+ ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare
+occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet,
+antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat
+prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente
+differat?
+
+ Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode
+ zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek
+ van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere
+ eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij
+ zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst
+ leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is,
+ hoeveel het verschilt van den geest.
+
+ Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et
+superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat
+ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum
+sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere
+conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese
+accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus.
+
+ Hij moet laten voorafgaan een onderzoek naar de algemeene
+ krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat
+ hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die
+ nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij
+ hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens
+ een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en
+ leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting voorzien
+ gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten
+ zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen.
+
+Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam!
+Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato
+intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt
+profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi,
+finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident
+sero et dolent.
+
+ Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen
+ vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij
+ overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen
+ verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de
+ binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een
+ wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te
+ laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen,
+ onwetendheid, en armoede.
+
+ [Voetnoot 9: „more andabatarum“. Andabatae, gladiatoren die
+ streden in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)]
+
+ [Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn
+ liefde vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd
+ draaiend rad werd gebonden. (Vertaler.)]
+
+ Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur Chemia,
+foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa
+ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis,
+una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum
+opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas,
+contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: Optimarum
+rerum abusus pessimi.
+
+ Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de Scheikunde eens,
+ zoolang zij door hun ongewasschen handen werd behandeld, ontsierd
+ door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, zóó in het slijk
+ geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. Zij zijn het,
+ van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de edelste
+ wetenschap dien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen
+ ontving, die zich vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap
+ uitbreidde met een bijna niet te keeren besmetting. Hier werd dat
+ bekende gezegde bewaarheid: Van de beste dingen is het misbruik het
+ ergst.
+
+Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit
+tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice
+doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res
+ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere
+credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia,
+et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias,
+errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit
+inventis, solidissimis veritatibus.
+
+ Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar
+ beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de
+ verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig
+ onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de
+ natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in
+ haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan
+ verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat
+ vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen,
+ zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit
+ haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar
+ ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen
+ en de meest onbetwistbare waarheden.
+
+Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne,
+horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam,
+quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo
+speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium
+tentamine, palaestra fugiam imbellis.
+
+ Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de
+ vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te
+ goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog
+ dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor
+ ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig
+ vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.
+
+Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem,
+cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile
+instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur.
+
+ Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk,
+ dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand,
+ beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit
+ Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die
+ dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.
+
+Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam
+fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis,
+quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem,
+Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam,
+indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius
+opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam,
+_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_?
+
+ En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb
+ laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden
+ voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is
+ voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door
+ de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel
+ als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de
+ hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee
+ door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht
+ namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat
+ belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele
+ wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische
+ wetenschappen?_
+
+Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum
+NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS,
+Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui
+tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia,
+huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et
+officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere,
+postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde
+exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum
+tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator
+merito laudetur omnibus.
+
+ Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te
+ zamen met uw zeer edele collega’s, de zeer aanzienlijke burgemeesters
+ van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken,
+ dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel
+ waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor
+ deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt
+ ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en,
+ dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest
+ eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar
+ uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een
+ verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht
+ zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht
+ door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde.
+
+Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum
+subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties
+attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis
+praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus.
+Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum,
+tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis
+rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito?
+
+ Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat
+ ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien
+ onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo
+ dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over
+ het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft
+ moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en
+ eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden
+ jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend
+ geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer
+ moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde
+ gunst?
+
+Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione
+habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum
+Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At
+enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc
+dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis
+fortunae suae incurius.
+
+ Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te
+ houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het
+ volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus
+ toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel
+ van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan
+ den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild
+ honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren
+ om den groei van zijn fortuin.
+
+ Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, hi tamen stimuli
+haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar favoris
+plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: animum
+denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis indoles, qua
+ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His
+adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor.
+
+ Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn geringe krachten
+ erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van die prikkels.
+ Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige
+ meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt opgevat. Moed gaf
+ mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest,
+ waardoor gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige
+ krachten reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn
+ ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig.
+
+Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae
+memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria
+pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo
+denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id
+promovendis Academiae commodis unice sacrabo.
+
+ De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn
+ geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik
+ die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten
+ goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden
+ arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam
+ schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en
+ alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.
+
+Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non
+poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium
+scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE
+PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae
+abundantiam, toto ex animo, apprecor.
+
+ Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien
+ weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben
+ aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al
+ het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der
+ Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en
+ onbevlekt geluk van ganscher harte toe.
+
+Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima
+hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis
+Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter
+discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat
+subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At
+temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum
+commodis inservitura.
+
+ Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe,
+ schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder
+ twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van
+ sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap
+ van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw
+ zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet
+ voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke
+ den studiebelangen ten goede zal komen.
+
+ Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque
+ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a
+fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis
+honestae gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla
+componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum nunquam
+dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar.
+
+ Niemand leert kennen, wat hij vermag, indien hij niet de proef
+ neemt. Gij zult derhalve deze onderneming van mij goedkeuren, die mij
+ de kennis van mijzelf zal verschaffen, en die waarlijk niet haar
+ oorsprong heeft in hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van
+ verwijderd ben, maar in de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke
+ roemzucht. Het is mij een genot tegenover de voorbeelden van groote
+ mannen geplaatst te worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij
+ uitgaat, van achteren aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal
+ gegeven worden u in te halen, zal ik u tenminste met een
+ tusschenruimte volgen.
+
+ Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero
+vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim
+beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae
+cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam.
+
+ Daardoor juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere
+ voetsporen vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten
+ af te dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij
+ behouden, dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting
+ betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met
+ eerbied tegen u zal blijven opzien.
+
+Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium
+applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et
+privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate
+Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum
+devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria.
+
+ Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde
+ onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen,
+ dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij
+ mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt
+ gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals
+ de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor
+ zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.
+
+Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME ’S GRAVESANDE!
+publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore
+inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non
+sis dedignatus.
+
+ Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige ’s
+ GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij
+ het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels
+ uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden.
+
+Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari
+opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per
+aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe
+obstrictissimum nunquam non comperies.
+
+ Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij
+ met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van
+ het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en
+ oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in
+ de hoogste mate erkentelijk is.
+
+Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem,
+mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si
+qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id
+omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam
+prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim.
+
+ U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste
+ plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den
+ ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig
+ talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening
+ in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie
+ andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een
+ gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.
+
+ Solam Te penes addiscere praxim animus erat, studiisque meis
+Academicis imponere coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis
+defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox
+tantopere rapuit, ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus,
+ad quamcunque pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit,
+haurire sategerim avidissimus.
+
+ Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn
+ Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den
+ rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd,
+ of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer
+ verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij
+ in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide,
+ op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste
+ graagte in te drinken.
+
+ Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti angustiam, ut
+ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. Sive itaque vernam dici
+speciem, amabilissimis horti divitiis mira suavitate exponendis,
+dicares, jucundo Botanices studio discipulorum animos tanto redditurus
+alacriores ad laborum magis arduorum tolerantiam; seu inter furnos
+desudans, ad secretissimos Chemiae recessus viam monstrares, certo
+castigatissimae methodi filo tutissimam pariter ac facillimam;
+
+ Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de kortheid van den
+ mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd
+ van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen lentedag
+ besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den Hortus
+ op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de
+ aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te
+ boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het
+ zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen
+ schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren
+ leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk
+ was;
+
+ seu exacta ad normam Mathematicam stabilires Theoriae Medicae
+fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos dogmata, medendi
+methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam potissimum diei
+partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum
+ergo Tuum est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem
+fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id
+solum Tibi me mille modis in aeternum devincire.
+
+ hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens
+ den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma’s
+ der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen,
+ u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best
+ door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel
+ uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand
+ gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak
+ maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op
+ duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.
+
+Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis
+humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque
+tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras
+visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae
+gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis,
+aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi
+vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus.
+
+ Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de
+ onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen
+ grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn
+ Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland
+ was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het
+ uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden
+ vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls
+ als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een
+ onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende
+ goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de
+ heilzaamste raadgevingen te schenken.
+
+Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam
+debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo
+apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri,
+hoc sim honore ornatus.
+
+ Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij
+ niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite
+ verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij
+ zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt
+ geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding
+ heb genoten.
+
+ Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam
+dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumce
+agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in tabella
+suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et certus crede,
+omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, quam procul absim ab
+ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat modestia, meusque pudor.
+
+ Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat ooit
+ eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard
+ daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid,
+ en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk
+ als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer,
+ en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe
+ zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van
+ ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen
+ verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.
+
+Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et
+operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem,
+quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis,
+quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at
+quanto Viro! succedo:
+
+ Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner
+ krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u
+ dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit
+ werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te
+ aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze
+ raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op.
+
+ Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi praeiveris,
+omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, haud aequis
+passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata
+decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem
+fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non
+indecorus tamen, inhaeream.
+
+ Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo
+ vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed
+ zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met
+ gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het
+ krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u
+ uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap
+ heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw
+ voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar
+ toch niet geheel roemloos.
+
+Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et
+Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat
+Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus
+amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc
+animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos
+desudate!
+
+ U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel
+ aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de
+ Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw
+ studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden.
+ Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt,
+ dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds.
+ Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt,
+ en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns.
+
+ Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis,
+viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo
+ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus
+ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta
+penetraturi.
+
+ Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid,
+ onder duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen,
+ den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde
+ beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij
+ naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend
+ hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de
+ heiligdommen der wetenschap binnen te dringen.
+
+ Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid
+in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id
+omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum mihi
+summa, is laborum finis erit unicus.
+
+ Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat
+ wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid
+ of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan
+ u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral
+ het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten.
+
+
+DIXI.
+
+ IK HEB GEZEGD.
+
+
+[Errata:
+
+JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori
+ _text reads „senatorl“_
+
+utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam
+ _text reads „utillissimam“_
+
+qua lethalem nonnullorum corporum ferociam
+ _text reads „nonnulorum“_
+
+tuti et felices in artis adyta penetraturi
+ _text reads „penetraruri“_]
+
+
+ * * * * *
+ * * * *
+ * * * * *
+
+
+ DE HARMONIE
+
+ van het
+
+ DIERLIJKE LEVEN
+
+ de openbaring van wetten.
+
+
+ Inwijdingsrede, bij het Aanvaarden van het
+ Hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche
+ Hoogeschool
+
+ door
+
+ Dr. F. C. DONDERS.
+
+ Uitgesproken 28 Januarij 1848.
+
+
+
+
+VOORBERICHT.
+
+
+Wij lezen bij den voortreffelijken Henle, dat, in de physiologie en
+vooral in de pathologie van het dierlijke leven, de teleologische
+beschouwingswijze (vragende naar het doel der verschijnselen) zich nog
+bijna overal krachtig doet gelden--en wie geen vreemdeling is in deze
+wetenschappen, staat gereed, die uitspraak te beamen.
+
+Immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat
+van _doelmatig_ bestempeld: teleologische betoogen ook vindt men als
+bewijsgronden in het midden gebragt en erkend, ja! in plaats van de
+_op te sporen oorzaak_, wordt het _onderstelde doel_ tot „_verklaring_“
+der verschijnselen ingeroepen. Of ziet men niet, zelfs door sommige
+Coryphaeën in de wetenschap, eene teleologische levenskracht, eene
+heelkracht der natuur, aan duizenden, _van de meest verschillende
+oorsaken afhankelijke_, verschijnselen _ten gronde gelegd_?
+
+Reeds vroeger (Gids 1846, bl. 893 e.v.) heb ik de teleologische
+beschouwingswijze--als ontbloot van absoluten grond, en hierom
+willekeurig en onwetenschappelijk--met een enkel woord bestreden. Het
+onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer uitvoerige
+behandeling, en, om deszelfs algemeene strekking, tevens bijzonder
+geschikt voor eene openlijke rede.
+
+Ik stelde mij hierom voor, hetzelve, bij gelegenheid der aanvaarding van
+het hoogleeraarsambt, nader te behandelen,--en vooreerst te betoogen,
+dat, wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook geenszins
+loochenen, eene _leer_ van het doel nimmer _wetenschap_ worden kan, en
+derhalve op het natuurkundig gebied niet mag worden geduld;--ten anderen
+te doen zien, dat--waar, bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie
+van het dierlijke leven, de, als ware het, aangeboren neiging van den
+mensch tot anthropomorphismus het _doel_ als de _oorzaak_ ons wil
+opdringen--het opsporen der wetten van wording, naar de oorzakelijke
+methode, niettemin mogelijk blijft;--en eindelijk had ik willen
+aantoonen, hoe, schier in elke wetenschap der natuur, dwalingen
+en bekrompene beschouwingen uit de teleologische zienswijze zijn
+ontsproten, die ook thans nog, inzonderheid op het gebied der
+physiologie--bij name die van het ziekelijke leven, de verdere
+ontwikkeling belemmeren, en met het stellig karakter van wetenschap
+geenszins strooken.
+
+Voor dit laatste gedeelte echter, waaruit het duidelijkst de
+noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid, om de teleologie van het
+natuurkundig terrein te weren, ontbrak mij ditmaal de tijd. Elders
+hoop ik dien later te vinden.
+
+Mogen ook zij, wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene
+afwijken, deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen, en verder ook
+niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken!
+
+ DE SCHRIJVER.
+
+
+ Edelgrootachtbare heeren curatoren der Utrechtsche Hoogeschool!
+
+ Weledelgestrenge heer secretaris van het collegie der curatoren!
+
+ Hooggeleerde heeren, waarde ambtgenooten! en weledele zeer geleerde
+ heeren lectoren!
+
+ Die met het bestuur van dit gewest of deze stad of met de handhaving
+ des regts zijt belast, mannen reeds door stand en werkkring
+ eerwaardig!
+
+ Weleerwaarde heeren, bedienaars van de Godsdienst!
+
+ Weledele zeer geleerde heeren doctoren der verschillende faculteiten!
+
+ Aanzienlijke schaar van jongelingen, die u aan de beoefening der
+ wetenschappen toewijdt!
+
+ En voorts gij allen, die ons met uwe tegenwoordigheid vereert, zeer
+ gewenschte toehoorders!
+
+
+Werwaarts wij in de natuur onze oogen rigten, alom erkennen wij
+verband, schier overal orde en harmonie. Elk punt op het uitgestrekte
+veld is een deel van het groote organismus, een schakel der onafzienbare
+keten, die noch begin noch einde kent, en in wezen ondeelbaar is.
+
+Zóó innig is de band, die al ’t bestaande zamenvlecht!
+
+Bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte, waarin de verbeelding schier
+weigert onze woorden te volgen, daar treedt ons, tusschen duizenden van
+hemelbollen, het zonnestelsel als een geheel van orde en majesteit te
+gemoet, dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering. Niet alleen zien wij
+de planeten door de zon, als door een hoogere magt, aan hare banen
+geketend; maar tevens weten wij, dat ook elke stoornis, van den
+wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk, vereffend wordt,
+vóór zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen.
+
+De aarde, met hare duizenden van voortbrengselen, is volmaakt
+geëvenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel. Haar afstand
+van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige
+ontwikkeling van planten en dieren, aan het vereischte licht, om de
+Natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden, zonder door te
+hellen gloed onze oogen te verblinden.
+
+De dampkring, die onze planeet omhult, vindt tot bodem _hier_ den vasten
+grond, welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die zee van
+lucht, _daar_ den wijden oceaan, die de diepten der aardkorst vereffent;
+en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede voor de ontwikkeling
+en het leven van het heir van voorwerpen, die ze bewonen.
+
+Voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den
+dampkring op, en valt ginds, als vruchtbare regen, op den dorstenden
+grond. Dit water behoeven de planten. Maar zij putten ook uit denzelfden
+bodem de onbewerktuigde stoffen, niet regtstreeks door den regen
+aangevoerd;--en van de hooge bergen stort zich het water, rijk beladen
+met de bestanddeelen der verweerde rotsen, naar beneden, en drenkt
+hiermede het land, waardoor het kronkelend naar den oceaan terugvloeit.
+
+Zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur; zoo wordt
+ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven.
+
+Nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide rijken
+der levende natuur. Vereenigd door de dampkringslucht, waaruit beide
+putten en die in beide haar voedsel vindt, voorzien zij wederkeerig in
+elkanders behoeften. De dieren ontwikkelen het koolstofzuur, dat de
+planten als voedsel aan den dampkring ontleenen; de planten staan in
+de zuurstof de levenslucht af voor het dier,--en zóó is voor beide de
+dampkring een eeuwige, onuitputtelijke bron.
+
+Nimmer is hij in rust. Van de oppervlakte der aarde, waar de lucht
+aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is, stijgt zij
+naar boven, om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld; en door
+onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig
+bewaard, beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling
+van planten en dieren.
+
+Het is de taak van den natuuronderzoeker, de betrekking tusschen al
+de verschijnselen der natuur op te sporen. Die taak is even schoon
+als verheffend. In de harmonie, die hem des te levendiger in de oogen
+schittert, hoe ruimer en meer omvattend zijn blik wordt, verschijnt hem
+de natuur als een volmaakt geëvenredigd, organisch geheel. Het genot,
+uit hare aanschouwing geboren, is een krachtige prikkel voor zijnen
+navorschenden geest. Steeds door harmonische indrukken opgewekt, en in
+zijne werking geleid en bepaald, wordt die geest zelf meer en meer aan
+harmonie deelachtig. Zóó ontwikkelt natuurbeschouwing bij hem een waar
+gevoel voor het schoone en goede. Zóó kan zij de grondslag worden eener
+verheven wijsgeerige moraal.
+
+En toch--de kennis dier harmonie is niet het rustpunt van zijn streven.
+Hij wil indringen in hare oorzaken, opklimmen tot haren grond. Hij
+voelt zich gedrongen, te vragen naar de wetten, die aan de ontwikkeling
+der harmonie ten gronde liggen, en wil ze in die wetten erkennen als
+noodzakelijk. De eeuwig onveranderlijke eigenschappen der grondstoffen
+en der grondkrachten op te sporen, en aan te wijzen, hoe elk
+natuurverschijnsel uit deze eigenschappen noodwendig voortvloeit,
+zietdaar het ideaal van zijn streven, het toppunt zijner kennis!
+
+Wij weten, dat dit ideaal geenszins bereikt is; maar wij weten evenzeer,
+dat er belangrijke schreden op den weg tot verwezenlijking gedaan zijn.
+
+De sterrekundige toont aan, dat de wetten van traagheid en aantrekking,
+die slechts de uitdrukking zijn van de onveranderlijke eigenschappen der
+stof, de hemelbollen aan hunne banen kluisteren; en uit de betrekking
+tusschen de loopbanen en de omloopstijden der onderscheidene planeten
+leert de wiskunde hem onfeilbaar besluiten, dat elke stoornis zich
+noodwendig moet vereffenen, dat de orde van het zonnestelsel tot in de
+verste tijden onomstootelijk verzekerd is.
+
+De natuurkundige kent de oorzaken van het opstijgen der waterdampen, van
+het condenseren dier dampen in den atmosfeer: en in het neerstorten van
+den regen, zoo wel als in de kracht, waarmede het zeewaarts stroomende
+water zijne voren in de aarde groeft, ziet hij het noodwendig
+uitvloeisel van dezelfde eigenschap der stof, die de banen der
+hemelbollen bepaalt. Het verweren der rotsen, het doordringen van hare
+bestanddeelen tot aan de wortels der planten, dit alles is in vaste
+natuurwetten als noodwendig aangetoond.
+
+De meteoroloog geeft rekenschap van het opstijgen der lucht, en kent
+de oorzaken der stroomen, die de zamenstelling des dampkrings alom
+gelijkmatig bewaren,--ja! ’t geheele zoo wisselvallig spel der elementen
+is door hem teruggebragt tot ééne hoogste oorzaak: ongelijke verdeeling
+van warmte.
+
+Eindelijk de geoloog, die de gesteldheid der aardkorst onderzoekt, komt
+op onwankelbare gronden tot het besluit, dat de aarde, vóór onafzienbare
+tijden, als eene gloeijende zee door het wereldruim zweefde; en,
+steunende op wetten, die weder niets anders zijn, dan de eeuwige
+eigenschappen der stoffen en krachten, erkent hij, dat zij noodwendig al
+de gedaanteverwisselingen moest doorloopen, waarvan de huidige toestand
+harer korst, als een onfeilbaar geschiedboek, getuigt.--Kortom! de
+wetenschap leert, dat de geheele stoffelijke wereld door den ijzeren
+schepter der noodwendigheid beheerscht wordt!
+
+Niet overal echter is deze waarheid even diep en krachtig doorgedrongen.
+Niet overal is de behoefte even levendig ontwaakt, om tot den grond op
+te klimmen der erkende harmonie. In de bewerktuigde wereld treedt zij,
+bij eene onuitputtelijke verscheidenheid, zoo rijk, zoo ingewikkeld,
+zoo schoon en boeijend op, dat men wel niet zoo gemakkelijk van haar
+kon afscheid nemen. De geest, verrukt door schoonheid en genot, duizelde
+bij het denkbeeld, om tot de oorzaken op te klimmen, waardoor zooveel
+harmonie tot stand kwam. Zoo gaf hier de volheid harer pracht voedsel
+aan eene beschouwingswijze, die overal elders reeds lang voor eene
+juistere had moeten onderdoen.
+
+Buiten de levende natuur toch erkent men, zoo als ik u aantoonde, niets
+dan wetten, niets dan noodzakelijkheid. Zoo legt de geoloog, om, bij de
+geschiedenis der Aarde van de verschijnselen tot de werkende oorzaken
+op te klimmen, de overtuiging ten gronde, dat van al de opvolgende
+veranderingen der aarde de voorwaarden reeds aan de vroegste perioden
+van haar bestaan verbonden waren;--en hoe meer zijn onderzoek zich
+uitbreidt, des te minder wordt die overtuiging beschaamd. Wil hij de
+verschillende lagen der vaste aardkorst, de verdeeling van water en
+vast land over hare oppervlakte, de afwisseling van bergen en dalen, de
+rivieren en bronnen, en zoo vele andere verschijnselen, (voor zoo verre
+de levende natuur vreemd aan derzelver ontstaan is,) in hunne wording
+toelichten, hij beroept zich slechts op wetten, hem door de sterrekunde,
+de natuur- en scheikunde aan de hand gedaan, en ziet hieruit al die
+verschijnselen met noodzakelijkheid geboren worden.
+
+Planten en dieren daarentegen beschouwt men veelal niet als geworden,
+maar als gevormd; niet als eene ontwikkeling der natuur naar bepaalde
+wetten, maar als de voortbrengselen eener nieuwe schepping; niet als
+de verwerkelijking van hetgeen in de eigenschappen der grondstoffen en
+grondkrachten reeds besloten lag, maar als naar een wel beraamd plan, in
+harmonie met de overige natuur, eerst later door eene hoogste Wijsheid
+tot stand gebragt.
+
+Dit anthropomorphismus leidde tot eene vergelijking van planten en
+dieren met de kunstigste voortbrengselen van ’s menschen hand: de deelen
+heeft men hierom werktuigen, de verschijnselen verrigtingen en het
+geheel een organismus genoemd. Men vroeg niet: waardoor kwamen zij
+tot stand? maar bepaalde zich bij elk werktuig tot de vraag: waartoe
+dient het? waartoe is het bestemd? En even als in een werktuig, door
+menschelijk vernuft tot stand gebragt, waande men den grond, de oorzaak
+van het bestaan, te kennen, waar men dacht, de bestemming of het doel
+te hebben geraden. Zoo antwoordde men op de vraag: _waartoe_? en zag
+hierbij over het hoofd, dat het _waardoor_? onbeantwoord bleef. Gij ziet
+het: men plaatste zich op een teleologisch standpunt.
+
+Ik laat aan de wijsbegeerte de beslissing over, of men het regt heeft,
+in de natuur van een doel te spreken: maar ik wilde u hier reeds doen
+opmerken, dat men in de wetenschap van het leven afgeweken is van den
+weg, die in de overige natuur-wetenschappen zoo veel dieper in den
+oorzakelijken zamenhang der verschijnselen liet doordringen. En toch
+schijnt die weg mij ook hier de éénige, die tot hoogere waarheid leidt.
+Indien de harmonie van het dierlijk organismus, die aan het besluit tot
+een doel ten gronde ligt, volgens bepaalde wetten tot stand komt, dan is
+zij de openbaring dier wetten. Dan wil men die wetten vaststellen en op
+deze de noodzakelijkheid der harmonie gronden, in plaats van zich met
+een nooit bewijsbaar doel als grond te vergenoegen. Eene poging hiertoe
+is het doel mijner rede. Ik zal trachten de noodwendigheid der harmonie
+van het dierlijk leven uit de wetten aan te toonen, krachtens welke die
+harmonie tot stand komt.
+
+
+Wanneer ik de harmonie in de geheele bewerktuigde wereld even noodwendig
+acht, als de orde in den sterrenhemel, dan spreek ik hiermede geenszins
+het vonnis uit over den natuurvorscher, die, zonder naar den grond te
+vragen, zich bloot de kennis dier harmonische betrekking ten doel stelt.
+Integendeel,--ik heb het reeds gezegd,--ik acht die kennis hoog. Zij ook
+alleen kan ons opvoeren tot de oorzaken, die der harmonie ten gronde
+liggen. Maar wanneer men uit de harmonische betrekking besluit tot
+een doel, en, in den waan van hiermede den grond gevonden te hebben,
+het doel tot verklaring der verschijnselen inroept, of zelfs de
+mogelijkheid der verschijnselen aan het doel ten toets brengt, dan meen
+ik die rigting ernstig te moeten wraken. Zij sluit het onderzoek uit
+naar den grond, en wiegt het zoo noodige bewustzijn onzer onkunde met
+schijnkennis in slaap.
+
+Het teleologisch standpunt blijft daarenboven altijd een betrekkelijk.
+Men denke zich ’t heelal door eene alwijze Almagt met een bepaald doel
+tot stand gebragt: wie is vermetel genoeg, zich op het standpunt van
+God te plaatsen? En welk standpunt zullen wij dàn kiezen?--Het dier,
+dat zijn’ vijand ten prooi valt, moge in diens oog aan zijne bestemming
+beantwoorden, in zijn eigen oog valt het als slagtoffer van het noodlot.
+Maar gij wilt u plaatsen op het standpunt van mensch:--Welnu! wanneer
+gij, als mensch, duizenden verschijnselen in de natuur doelmatig roemt,
+wees dan consequent, en noem ondoelmatig, wat niet met uwe menschelijke
+inzigten strookt. Hebt gij u het regt aangematigd, naar uwe inzigten
+over doelmatigheid te oordeelen, dan hebt gij het regt verbeurd, u op
+de ondoorgrondelijke wegen der Voorzienigheid te beroepen, waar gij het
+doel in uwe oogen miskend ziet. En wie zal het wagen, waar jeugdige
+en veel belovende kracht onder het geweld eener moorddadige ziekte
+bezwijkt, waar door geweldige aardbevingen in eene enkele minuut
+duizenden van menschenlevens vernietigd worden, waar in den mislukten
+oogst millioenen onzer natuurgenooten eene toekomst lezen van honger en
+ellende,--wie, vraag ik, zal het wagen, bij dergelijke verschijnselen,
+een doel te willen raden?--Gij vraagt hier naar den grond. Gij wilt de
+oorzaken dier verschijnselen kennen, welke gij rampen noemt. Welnu!
+verlaat dan ook het teleologische standpunt, en tracht niet tot het
+doel, maar tot den grond door te dringen, waar gij in de verschijnselen
+orde erkent en harmonie: want gene als deze zijn verschijnselen
+derzelfde natuur; en die u welgevallig zijn, zij berusten op geene
+andere wetten, dan die gezondheid en leven u bedreigen.
+
+
+Wanneer ik eene poging waag, om de wetten vast te stellen, waarnaar
+de harmonie van het dierlijk organismus zich ontwikkelt en handhaaft,
+dan verwacht gij geenszins in deze wetten verwezenlijkt te vinden,
+wat ik u als het ideaal van ons streven voorstelde. Dit is nog slechts
+in eene enkele der natuur-wetenschappen bereikt: in de sterrekunde,
+die,--hoeveel haar descriptief gedeelte nog te wenschen overlate,--zoo
+wel van hare scherpte in waarneming als volmaaktheid in theorie de
+schitterendste bewijzen gaf. Maar toch ook deze wetenschap leerde de
+verschijnselen van haar gebied tot wetten terugbrengen, vóór zij den
+grond dier wetten in de eigenschappen der stof doorzag. Het wetboek
+was door Kepler geschreven, vóór het genie van Newton deszelfs geest
+verklaarde. Door Kepler waren de banen en omloopstijden der planeten
+aan wetten gebonden, vóór Newton de noodzakelijkheid dier wetten grondde
+in ééne hoogste wet, en hiermeê tevens den sleutel gaf van hetgeen de
+waarneming afwijkends van de wetten van Kepler had aangetoond of verder
+zou aantoonen.
+
+Dit nu is de weg voor elke andere wetenschap der natuur. Door het
+opklimmen tot hoogere en hoogere wetten naderen wij den eindpaal,
+waarnaar wij streven. Slechts trapsgewijze is hij te bereiken. Het is
+waar, wanneer wij de wetten kunnen vaststellen, naar welke de harmonie
+van het dierlijk leven zich ontwikkelt, dan mag die harmonie nog
+geenszins verklaard heeten: eene verklaring, die iets anders zijn zou
+dan eene hoogste wet, dat is eene standvastige eigenschap van stof of
+kracht, kan noch mag ons geheel bevredigen. Maar wanneer men, op grond
+hiervan, met eenig regt zou kunnen beweren, dat door het vaststellen van
+wetten eener lagere orde de zwarigheid slechts verplaatst en niet wordt
+opgeheven, dan vergete men niet, dat het eene verplaatsing is nader bij
+het doel, en dat elke sport van den langen ladder even onvermijdelijk
+is.
+
+
+Vóór wij de wetten toetsen, die aan de harmonie van het dierlijk leven
+ten gronde liggen, moeten wij een’ blik werpen op die harmonie zelve.
+Reeds terstond springt ons in het oog, dat zij eene tweeledige is. Zij
+openbaart zich eensdeels in de betrekking van het organismus tot de
+invloeden, waaraan het is blootgesteld, anderdeels in zijne betrekking
+tot de levensbehoeften, naauw verbonden met die zijner zamenstellende
+deelen tot elkander. In beide opzigten streeft zij onophoudelijk eene
+hoogere volmaking te gemoet.
+
+Beschouwen wij eerst de betrekking van het organismus tot sommige
+invloeden.
+
+De geheele aarde, hoe verschillend de temperatuur zij van hare
+oppervlakte, is met dierlijke wezens bevolkt. Van de tropische gewesten
+af, waar, onder de brandende zon in het zenith, de temperatuur der lucht
+zelfs de bloedwarmte kan overtreffen, tot in de oorden van eeuwig sneeuw
+en ijs, overal treedt dierlijk leven ons tegemoet. Maar onder elk
+klimaat, onder elke temperatuur zijn het andere geslachten, andere
+soorten; en zoowel de rijke en prachtige Fauna der keerkringsgewesten,
+als de ijsbeer en het rendier van het Noorden, eischen voor gezondheid
+en leven juist die temperatuur, waaraan zij zijn blootgesteld. Waar dan
+ook geene werktuigelijke hinderpalen aan eene onbeperkte verspreiding
+in den weg stonden, was verschil in warmtegraad voldoende, om een’
+onoverkomelijken grensmuur op te trekken. Duidelijk zien wij dit vooral
+in het lama, dat op de verhevene weivlakten van Chili en Peru tot meer
+dan 4000 ellen boven de oppervlakte der zee leeft en zich tot ver in
+Patagonie heeft verspreid, maar noch in Brazilië noch in Mexico wordt
+aangetroffen. De voor zijne organisatie te hooge temperatuur der lagere
+streken, die het had moeten doortrekken, om deze landen te bereiken,
+trad als beletsel op. Evenzoo staat de koude der toppen van de
+Cordilleras als scheidsmuur daar tusschen vele soorten van dieren,
+inzonderheid van insekten.--Waar daarentegen werktuigelijke hinderpalen
+de verspreiding langs de isothermen beperkten, heeft de mensch, door
+zijne tusschenkomst, slechts die hinderpalen te overwinnen, om een nieuw
+gebied van verspreiding te openen. Dit bewijzen ons de paarden en
+runderen, die, door de Spanjaarden naar Amerika overgebragt, zich aldaar
+in het ontelbare vermenigvuldigd hebben. Maar, wildet gij de noordelijke
+dieren naar het zuiden, de zuidelijke naar het noorden overplanten, gij
+zoudt uwe poging verijdeld zien. Het rendier, volkomen gehard tegen de
+lange en strenge winters van Lapland, brengt te Petersburg den zomer
+reeds kwijnende door, en bezwijkt spoedig onder den invloed der warmte
+van een meer gematigd klimaat. En in hetzelfde oord sterft de aap aan
+longtering, en kan de slang alleen door koestering en verwarming het
+ellendig plantenleven rekken, waartoe zij door de koude onzer gewesten
+gedoemd is.
+
+De mensch althans, meent gij, maakt eene uitzondering. Hij, als
+wereldburger, bewoont met enkele hem gevolgde huisdieren schier de
+geheele oppervlakte der aarde, en leeft bij de grootste verscheidenheid
+van temperatuur.--Ik zou u kunnen wijzen op het tal van middelen,
+waardoor zijn vindingrijk vernuft aan felle koude en brandende hitte
+leerde afbreuk doen; maar liever vraag ik u, of niet evenzeer de Neger
+als de Laplander het best beantwoordt aan den invloed der temperatuur
+van het oord zijner bewoning. Het is u niet onbekend, hoe vaak
+verhuizing naar een vreemd klimaat leven en gezondheid kost. _Waar_
+is het,--en die regel is algemeen,--dat, onder de verschillende
+hemelstreken, de organisatie van menschen en dieren harmonisch
+beantwoordt aan de heerschende temperatuur. Vanwaar die harmonie? Mogen
+wij ze, op het natuurkundig standpunt, voor verklaard houden, met in
+haar een wijs doel te erkennen van den Schepper, die hier deze, daar
+gene dieren in het aanzijn riep?--Gewis niet!
+
+Even harmonisch is het verband tusschen de gevoeligheid van het oog en
+de sterkte van het licht. Reeds merkte ik op, hoe het zonlicht de
+luisterrijke pracht der natuur voor ons oog toegankelijk maakt, zonder
+het door zijnen glans te verblinden. Maar ziet de nachtelijke dieren!
+Zij bezitten eene gevoeligheid van oog, die hen wel is waar het daglicht
+moet doen schuwen, maar die juist hen in staat stelt, hunne prooi te
+zien en met zekerheid te bemagtigen, waar voor ons enkel duisternis
+heerscht. Heerlijke doelmatigheid! moge de teleoloog hierbij in
+bewondering uitroepen: hij wane niet, met dien uitroep tot de oorzaak
+van het verband te zijn opgeklommen.
+
+De dampkring, eene noodwendige voorwaarde van het dierlijk leven, oefent
+eenen tweeledigen invloed op het organismus: eenen werktuigelijken door
+zijne drukking, eenen scheikundigen door zijne zamenstelling. In beide
+opzigten is de organisatie van het dier hieraan harmonisch geëvenredigd.
+In de ijlere lucht, die de hoogste bergtoppen omringt, wordt vaak de
+moedige reiziger door de lastigste verschijnselen gekweld. Zijne aderen
+zwellen op; het bloed dringt hem uit lippen, mond en neus, zelfs uit het
+bindvlies zijner oogen. Bij versnelden pols en ademhaling voegt zich
+duizeligheid, onmagt of slaapzucht; en hij wordt door eene loomheid
+overvallen, die, op haar hoogste punt gekomen, volgens getuigenis
+van de Saussure, hem eene enkele schrede weigeren zou, om het
+dringendst gevaar te ontvlieden. Zoo zinkt hij moedeloos, afgemat,
+neder;--en trots boven zijn hoofd verheffen zich de arend en de condor,
+en zweven in statige vlugt door den nog dunneren dampkring.
+
+Niet minder beantwoordt het organismus aan de zamenstelling der lucht,
+waaraan het is blootgesteld. Plaats een dier, dat den frisschen
+dampkring met ons deelt, in een mengsel, hiervan merkelijk in
+zamenstelling onderscheiden, gij zult het onfeilbaar zien bezwijken.
+Maar evenzeer zoudt gij het leven vernietigen van den worm, die in de
+vochten van het darmkanaal voedsel vindt en lucht om te leven, zoo gij
+hem overbragt in den vrijen dampkring; de scheikundige invloed van dezen
+is vijandig aan zijne organisatie.
+
+Merkwaardig ook vooral is de harmonische betrekking tusschen het
+organismus van elk dier, en het voedsel tot zijne instandhouding. Overal
+is het dier juist door datgene als omringd, wat voor zijne voeding het
+geschiktste is. Terwijl de natuur duizenderlei schadelijke stoffen
+oplevert, die, in het organismus gevoerd, gezondheid en leven bedreigen,
+is er onder de talrijke bestanddeelen onzer natuurlijke voedsels geen
+enkel, welks invloed zich verderfelijk toont. Wederkeerig zegt men, dat
+sommige dieren zich ongestraft voeden met stoffen, die voor anderen
+doodelijk zijn; en het is eene erkende waarheid, dat plantetende dieren,
+die zoo ligtelijk giftplanten in hun voedsel zullen gemengd vinden,
+hiervan zonder eenige nadeelige uitwerking hoeveelheden verdragen,
+waartegen het leven van vleeschetende dieren niet bestand is. Maar deze,
+zegt de teleoloog, zijn door hunne levenswijze tegen het opnemen van
+plantaardige vergiften genoegzaam gewaarborgd; en zij hadden dus geene
+behoefte aan diezelfde ongevoeligheid. Wacht U, hierin eene verklaring
+te zien!
+
+Nog een derde punt in de verhouding van het dierlijk organismus tot
+de voedsels verdient allezins onze aandacht. Het is niemand onbekend,
+dat van de dieren zich eenigen met plantaardige, anderen met dierlijke
+zelfstandigheden voeden, terwijl eindelijk een niet gering aantal zich
+van gemengd voedsel bedient. Met dit verschil nu van voedsel, waartoe
+het dier door zijne levenswijze en geheele organisatie als gedwongen
+is, verkeert het darmkanaal in de heerlijkste overeenstemming. Dierlijke
+stoffen behoeven, na opgelost te zijn, naauwelijks verandering te
+ondergaan, om als geschikte bestanddeelen in het bloed te worden
+opgenomen; de meeste plantaardige daarentegen eischen eene langere
+inwerking van het spijsverteringsvocht;--van dierlijke stoffen is eene
+betrekkelijk geringe hoeveelheid tot herstelling van het verlorene
+benoodigd; van plantaardige zelfstandigheden worden hiertoe integendeel
+grootere massas gevorderd: en juist hieraan geëvenredigd bezitten de
+vleeschetende dieren een korter en eenvoudiger, de plantetende een
+langer en meer zamengesteld spijsverteringskanaal, terwijl de mensen en
+de overige dieren, die zich van gemengd voedsel bedienen, in dit opzigt
+het midden houden. Treffende harmonie, inderdaad!.... Is het rekenschap
+geven van dit verband, wanneer wij zeggen: deze dieren verkregen een
+korter, gene een langer darmkanaal, opdat elk zou beantwoorden aan den
+aard van zijn voedsel?--Geenszins!
+
+Ik zou de voorbeelden van harmonie tusschen het dierlijk organismus
+en de invloeden, waaraan het voortdurend is blootgesteld, tot in het
+ontelbare kunnen vermenigvuldigen; maar reeds hoor ik u veeleer vragen
+naar den grond dier harmonie. Immers ik heb ze genoemd wettig en
+noodwendig. Gij hebt dus regt, meer te eischen, dan op het menschelijk
+standpunt hierin een wijs en verstandig doel te zien aangetoond. Gij
+wilt weten, hoe zij tot stand kwam, hoe zij zich handhaaft. Eene enkele
+wet geeft er u rekenschap van: _Elk dierlijk wezen wordt door de
+invloeden, waaraan het duurzaam is blootgesteld, in zijne organisatie
+zoodanig gewijzigd, dat het aan die invloeden harmonisch beantwoordt_.
+
+
+Die wet klinkt u bekend;--zij is zulks in waarheid. Duizenden malen hebt
+gij het woord _gewoonte_ uitgesproken, maar veelligt zijn’ diepen zin
+niet altijd wel doorgrond. Gij hebt haar genoemd eene tweede natuur.
+Ik noem haar de natuur zelve. Wanneer wij erkennen als wet,--dat is:
+als eeuwige waarheid, voor het verledene als voor het heden en de
+toekomst,--dat de aard en zamenstelling van elk bewerktuigd wezen
+gewijzigd wordt door de invloeden, waaraan het blootstaat, dan moeten
+wij met noodzakelijkheid besluiten, dat, bij de allengsche ontwikkeling
+van dierlijke wezens op de oppervlakte onzer planeet, de gesteldheid der
+onderscheiden kiemen door de invloeden, dat is door de omstandigheden,
+is bepaald geworden, en dat trapswijze verandering dier omstandigheden
+tot gedurige wijzigingen, welligt tot splitsing in thans onderscheiden
+soorten heeft aanleiding gegeven, zóó evenwel, dat, in elke periode, de
+organisatie der dierlijke wezens aan de invloeden van buiten harmonisch
+geëvenredigd bleef.
+
+Maar toetsen wij de vastgestelde wet aan de verschijnselen; en laat ons
+zien, of zij werkelijk rekenschap geeft van de harmonie, door deze zoo
+luide en krachtig verkondigd.
+
+In de eerste plaats wees ik u op de betrekking tusschen het dierlijk
+organismus en de uitwendige temperatuur. Niets gemakkelijker dan te
+bewijzen, dat deze betrekking noodwendig voortvloeit uit genoemde
+wet. Vooreerst is het in de hoogste mate waarschijnlijk, dat alle
+menschenrassen uit één en denzelfden stam zijn ontsproten en zich, uit
+eene bepaalde streek, over het grootste gedeelte der aarde verspreid
+hebben. En thans zien wij de organisatie van elke verscheidenheid
+harmonisch beantwoorden aan het klimaat, waaronder zij leeft. Hoe ware
+dit mogelijk, wanneer die organisatie niet allengs ware gewijzigd
+geworden, naar gelang ze aan eene andere temperatuur werd
+blootgesteld?--Of mogt gij twijfelen aan den oorsprong van alle
+menschenrassen uit denzelfden stam, dan heb ik u slechts het zoogenoemde
+acclimateren te herinneren. Wat is dit anders, dan eene wijziging van
+het organismus onder den invloed eener vreemde luchtstreek, eene
+wijziging in dien zin, dat het beantwoordt aan de heerschende
+temperatuur en de overige invloeden, aan dit klimaat verbonden?--Ik zou
+u voorts kunnen wijzen op de uitersten van temperatuur, waaraan zoo
+velen zich door den aard van hun beroep leerden gewennen; maar gij
+behoeft slechts uw eigene ondervinding te raadplegen. Als na dagen
+van strenge vorst de thermometer ook slechts weinige graden boven het
+vriespunt rijst, spreken wij reeds van eene zoele lucht; en in het
+najaar, bij eene veel hoogere temperatuur, rillen wij niet zelden van
+koude. Eenige dagen, in eene warme kamer doorgebragt, zijn voldoende,
+om ons voor de frissche buitenlucht gevoeliger te maken; en wie, van
+zijne jeugd aan, tegen koude gehard is, stelt zich veilig bloot aan het
+guurste jaargetijde. Zoo krachtig doet zich hier de invloed der gewoonte
+gevoelen. En wanneer wij nu overwegen, dat de kiem van elke diersoort
+onder eene bepaalde temperatuur gelegd werd, dat zich elke soort onder
+eene bepaalde temperatuur hooger en hooger ontwikkelde, dat daarenboven
+elke wijziging in die temperatuur en in hare afwisselingen als
+onmerkbaar plaats greep, dan zien wij in, dat de harmonie tusschen het
+dierlijk organismus en de temperatuur, waaraan het is blootgesteld,
+noodzakelijk tot stand kwam, dat zij aan de wet van gewoonte gebonden
+is.
+
+Even wettig is die harmonie ten opzigte van het licht. Snel en
+gemakkelijk gewent zich het oog aan zeer verschillende graden; telkens
+wordt deszelfs gevoeligheid hiernaar gewijzigd. Komen wij uit het
+heldere daglicht in een vertrek, waar slechts weinige stralen toegang
+vinden, dan onderscheiden wij aanvankelijk niets; het is alsof wij door
+eene volslagen duisternis omgeven zijn. Maar weldra ontdekt gij enkele
+voorwerpen; zij worden duidelijker en duidelijker, en eindelijk zijt gij
+in staat, daar, waar het u volstrekt duister scheen, al het omringende
+te herkennen en u vrij en ongedwongen te bewegen. Doch wildet gij u nu
+weder eensklaps in het volle daglicht verplaatsen, het zou u door zijn’
+hellen glans verblinden. Eene pijnlijke lichtschuwheid sluit nu
+krampachtig uwe oogen; en eerst na eenigen tijd keert het vermogen
+terug, om bij dit licht duidelijk te zien en te onderscheiden.--De
+snelheid van dit accommodatie-vermogen van het oog voor verschillende
+lichtsterkte staat in een naauw verband met de snelle en belangrijke
+afwisselingen dier sterkte, waaraan wij van nature blootstaan. Zijn wij
+langen tijd aan deze afwisselingen onttrokken, dan verliest het oog,
+alweder krachtens de wet van gewoonte, het gezegde vermogen. Dit is
+gebleken bij gevangenen, die, jarenlang van het daglicht beroofd, in
+eene bijna volslagen duisternis leerden zien en onderscheiden; doch wier
+optische gevoeligheid hierbij zoodanig was toegenomen, dat zij niet dan
+met de uiterste omzigtigheid allengs aan een sterkeren lichtprikkel
+mogten worden blootgesteld. Gij ziet: zij waren nachtdieren geworden. En
+is het dus niet wettig, dat zoodanige dieren, die, zoolang het zonlicht
+de aarde beschijnt, in diepen slaap gedompeld liggen,--is het niet
+wettig, vraag ik, dat deze dieren dagblind zijn, en dat de gevoeligheid
+van hun netvlies aan het duistere van den nacht beantwoordt? Mij dunkt,
+gij ziet de noodwendigheid in van het harmonisch verband, dat ik u hier
+deed opmerken.
+
+Volmaakt hetzelfde is van toepassing op den tweeledigen invloed des
+dampkrings. Reeds komen de lastige verschijnselen, die uit de ijlere
+lucht, hoog boven het oppervlak der zee, voortvloeijen, bij geoefende
+bergbeklimmers eerst op eene meer aanzienlijke hoogte voor, of wel deze
+blijven hiervan bijna geheel verschoond. Maar duidelijker blijkt, hoe
+zeer ook in dit opzigt de wet van gewoonte hare regten doet gelden,
+wanneer wij ons herinneren, dat op onderscheidene hooge punten der
+aarde bloeijende volkstammen gevestigd zijn, waar de reiziger uit lagere
+streken niet altijd tegen den schadelijken invloed der ijlere lucht
+beveiligd is. Bijaldien nu de waarneming leert, dat de organisatie van
+den mensch zich zoo wel aan eene hoogere,--getuige de mijnwerker,--als
+aan eene lagere drukking kan gewennen, dan maakt gij zelf het besluit,
+dat de organisatie der dieren, zoo wel in de diepte der zee als in de
+hoogere streken van den dampkring, noodwendig moet beantwoorden aan de
+drukking, waaronder zij leven. Staat niet de wijde, ruime borst van den
+bewoner der Andes in innig verband met de dunnere lucht, die hij ademt,
+en heeft zijne borst zich niet juist onder dien invloed zoo krachtig
+ontwikkeld?
+
+Ook aan een merkelijk verschil in zamenstelling der dampkringslucht
+kan het dierlijk organismus zich gewennen. Sanctorius verhaalt, dat
+een gevangene, die 20 achtereenvolgende jaren in den onzuiveren
+dampkring eens kerkers had doorgebragt, de frissche buitenlucht niet
+meer kon inademen, en dat zijne gezondheid eerst terugkeerde, toen hij
+weder in denzelfden kerker geplaatst werd. En hoe zeer wijkt ook niet de
+zamenstelling der lucht, die de mijnwerker ademt, van die des dampkrings
+af, waarin wij leven! Leblanc vond in de lucht der mijnen van
+Poullaouen en Huelgoat tot 3 pCt. ja zelfs 4 pCt. koolstofzuur, eene
+hoeveelheid, die het koolzuur-gehalte der door ons uitgeademde lucht
+nabijkomt; en, wanneer wij zien, dat in andere mijnen het licht zelfs in
+sommige gevallen wordt uitgedoofd, dan mogen wij besluiten, dat in de
+hier aanwezige lucht, die de mijnwerker voor eene korte poos ongestraft
+kan inademen, het koolzuur-gehalte nog aanmerkelijk hooger stijgt.
+
+Wij naderen tot de voedsels. Harmonisch, zagen wij, beantwoorden de
+voortbrengselen van elk land aan de behoeften zijner dieren. Zullen wij
+dit verband voor verklaard houden, met hierin de wijze voorzorg der
+Voorzienigheid te bewonderen? Of zullen wij erkennen, dat dierlijk leven
+onbestaanbaar ware, en, bestond het, onvermijdelijk ten eenemale moest
+worden uitgeroeid, waar die voortbrengselen ontbraken? Mij dunkt, het
+laatste eischt ons natuurkundig standpunt.--Dat voorts het gewone
+voedsel van elk dier aan zijne organisatie beantwoordt, en geene aan het
+organismus vijandige stoffen bevat, is onbetwistbaar een noodwendig
+uitvloeisel der wet van gewoonte. De wilde van Australië leeft van
+ongekookten visch, de Laplander van het vleesch zijner rendieren, de
+Tartaar van de melk zijner paarden, de arme Ier van aardappelen, zoo
+ze in overvloed groeijen; zij kunnen hierbij allen betrekkelijk gezond
+zijn, maar zouden zeker niet straffeloos onderling van voedsel kunnen
+verwisselen. Zoo vinden ook wij vooral in onze granen de bestanddeelen
+vertegenwoordigd van ons ligchaam; want--onder den voortdurenden invloed
+dier granen is ons ligchaam geworden, wat het is. Zonder die granen,
+waren wij niet, wie wij zijn. Wij beantwoorden aan die granen, omdat wij
+mede zijn uit die granen. En zeer opmerkelijk inderdaad is het, dat de
+voornaamste onzer graansoorten zich hoogst waarschijnlijk met en deels
+door den mensch over de aardoppervlakte hebben verspreid, uit de
+streken, het eerst door menschen bewoond.
+
+Doch vanwaar die mindere gevoeligheid der plantetende dieren voor
+verdoovende vergiften?--Het is bekend, dat het dierlijk organismus
+zich aan groote hoeveelheden van verdoovende stoffen gewennen kan.
+Zelfs in Engeland treft men, naar de getuigenis van Christison niet zoo
+geheel zeldzaam opiophagen aan, die, zonder blijkbaar nadeelig gevolg,
+jaren achtereen verscheidene oncen laudanum daags gebruiken; eene gift
+van ¼ once zou, gewis, bij elk onzer in den doodslaap eindigen. En
+kan ik u niet bijna allen als getuigen oproepen, dat ook de tabak door
+gewoonte zijne vergiftige eigenschappen verliest?--Neemt gij nu in
+aanmerking, dat de plantetende dieren zeer ligt eene zekere hoeveelheid
+narcotische deelen in hun gewone voedsel aantreffen, terwijl de
+vleeschetende hieraan nimmer zijn blootgesteld, dan hebt gij den sleutel
+der harmonie, die zich ook hier niet verloochenen kon.
+
+Gewis trok ook het merkwaardig verband tusschen de lengte van het
+darmkanaal en den aard van ’t gebruikte voedsel in hooge mate uwe
+aandacht. De oplossing is niet moeijelijk. De aard van het voedsel
+bepaalt, namelijk, de lengte van het darmkanaal. De kat is, zooals gij
+weet, een vleeschetend dier. De mensch gewende de huiskat aan gemengd
+voedsel. En vergelijk nu het darmkanaal van deze met dat der wilde
+kat, gij zult het aanmerkelijk langer vinden, niettegenstaande beider
+oorsprong dezelfde is. Dit eene voorbeeld zij voldoende tot bewijs, dat
+de aard van het voedsel de lengte van het darmkanaal bepaalt, en dat,
+gevolgelijk, bij elk dier eene juiste verhouding van beide noodwendig
+is.
+
+
+Zietdaar in enkele voorbeelden U den grond aangetoond der harmonie
+tusschen het dierlijk organismus en de invloeden van buiten. Geeft de
+wet van gewoonte rekenschap van dien band? Ik durf de beslissing veilig
+aan u overlaten.--Uit de ontelbare voorbeelden koos ik slechts enkelen.
+Ik hadde u kunnen wijzen op het verdikken der opperheid door wrijving en
+drukking, op het gewennen aan eene drooge en vochtige lucht, aan stoffen
+van verschillenden reuk of smaak, aan allerlei geluiden, op den invloed,
+dien verandering van klimaat op den broeitijd uitoefent enz., en
+hierdoor rekenschap kunnen geven van de harmonische betrekking tot de
+buitenwereld, die het dierenrijk ook in deze opzigten vertoont. Doch ik
+achtte het aangehaalde toereikend voor mijn doel. Gij stemt met mij in,
+dat de gezegde harmonie eene noodwendige, eene wettige is. Gij ziet
+haar onverbiddelijk tot stand gebragt, onder den invloed der werkende
+oorzaken. En waar het rijk van deze gevestigd is, daar althans is der
+teleologie de schepter ontwrongen.
+
+
+Maar, mogt ik vragen, heeft dit harmonisch verband zijn toppunt van
+volmaaktheid bereikt?
+
+Ik aarzel niet, hierop een ontkennend antwoord te geven. De harmonie
+_is_ niet. Zij ontwikkelt zich; zij wordt. Zij streeft voortdurend naar
+eene volmaaktheid, die zij nimmer bereikt. Dit gebiedt reeds de wet, die
+aan hare ontwikkeling ten gronde ligt, en de ervaring bekrachtigt het
+met haar zegel. Overweegt het zelven. Wanneer de invloeden, die onze
+organisatie wijzigen, niet volmaakt bestendig zijn,--en zij zijn het
+nimmer,--dan kan ook onze organisatie niet in volmaakte overeenstemming
+wezen met deze invloeden. Zij blijft, in zekeren zin, bij deze ten
+achter. Immers niet op het oogenblik der inwerking kan zich de
+organisatie wijzigen: zij behoeft hiertoe tijd; en inmiddels is reeds
+weêr een nieuwe prikkel daar, die zijnen wijzigenden invloed doet
+gelden. Vanhier eene ingewikkelde reeks van invloeden en werkingen, die
+men te vergeefs, in al hare bijzonderheden, zou trachten te ontleden.
+Elke nieuwe invloed heeft te strijden met de organisatie, dat is met het
+produkt der voorafgegane invloeden. Is derzelver afwisseling niet te
+groot, dan valt die kamp niet zwaar. Daarenboven heeft de vatbaarheid
+voor accommodatie zich des te meer ontwikkeld, naarmate het organismus
+aan meer verscheidenheid van invloed was blootgesteld. Maar is de
+prikkel meer vreemd en ongewoon, dan grijpt hij dieper in, en brengt
+verschijnselen voort, die wij stoornisssen noemen, omdat zij niet
+strooken met onze begrippen van harmonie. Deze stoornissen nu kunnen van
+dien aard zijn, dat de physische voorwaarden van het harmonisch verband
+tusschen de verschillende ligchaamsdeelen worden opgeheven. Thans is het
+leven niet langer bestaanbaar, en allengs treedt een andere toestand,
+die van ontbinding in. Grenzen dan ook tusschen leven en dood bestaan
+slechts voor den oppervlakkigen beschouwer. Het eindigen van het leven
+aan den laatsten ademtogt te verbinden, verraadt gebrek aan inzigt in
+hetgeen aan het leven ten gronde ligt. De bewegingen tot ademhaling
+nemen een einde; en eenige uren later is van ontbinding nog geen spoor
+te zien, maar de toestand van elk ligchaamsdeel is toch een geheel
+andere geworden. Nu eerst heeft de spier haar zamentrekkend vermogen
+geheel verloren; nu eerst is alle werkdadigheid van het zenuwstelsel
+vernietigd. Door duizenden van overgangen maakt de stofwisseling in de
+weefsels, die aan ’t gezonde leven ten gronde ligt, plaats voor die
+wisseling, welke wij ontbinding noemen; en al deze verschijnselen,
+leven, stoornis, ontbinding, zijn even noodwendig en volgen elkander
+wettig op.
+
+Zoo geeft dezelfde wet, waarop de harmonische betrekking tusschen het
+dierlijk organismus en de uitwendige invloeden berust, tevens rekenschap
+van de onvolmaaktheden, die haar aankleven. Wil daarentegen de teleoloog
+deze onvolmaaktheden in zijne beschouwingswijze opnemen, dan velt hij
+zijn eigen vonnis. Of zou hij, op het natuurkundig standpunt, de
+stoornissen onzer bewerktuiging als de tuchtroede willen beschouwen
+eens goeden Vaders, tot onze zedelijke verbetering?
+
+
+Maar nog van eene andere zijde van het dierlijk organismus schittert
+ons de prachtigste harmonie in het oog. Ik bedoel: in de betrekking
+tot zijne levensbehoeften en in die zijner zamenstellende deelen
+tot elkander. De tijd gedoogt niet, u ook deze even uitvoerig te
+schilderen: trouwens, zij staat levendig genoeg u voor den geest. De
+teleogie, die hier vooral de bouwstoffen vergaderde voor haren tempel,
+is nimmer in gebreke gebleven, ze u op zegevierenden toon voor oogen te
+stellen. Wie bewonderde niet vaak, met hooge ingenomenheid, de treffende
+evenredigheid tusschen de eigenschappen en vermogens van elk dier en
+deszelfs levenswijze en levensbehoeften? De kracht, de vlugheid en
+juistheid van elk zijner bewegingen, de scherpte en het doordringend
+vermogen zijner zintuigen, ja de oneindige verscheidenheid van neigingen
+en vermogens, die men met den naam van instinct pleegt te bestempelen,
+alles beantwoordt harmonisch aan de behoeften van elk dier, en verzekert
+de instandhouding van het individu en de voortplanting der soort!
+
+Altijd en overal ligt aan de verrigting de bouw ten gronde. Ook deze,
+bij gevolg, moet aan de behoeften beantwoorden, waar de verrigtingen
+hieraan harmonisch geëvenredigd zijn: en zoo worden wij als van zelve
+gewezen op de harmonische betrekking tusschen de zamenstellende deelen
+van hetzelfde organismus. In dit opzigt zou elk dier, welke plaats het
+in de rij der wezens moge innemen, ons breede stof ter beschouwing
+opleveren. Springt niet overal de volmaaktste evenredigheid ons in het
+oog tusschen de passieve en actieve organen van beweging? Bezit het
+hoofdorgaan des bloedsomloops niet altijd de vereischte kracht, om het
+levensvocht door het geheele ligchaam rond te voeren? Zijn niet juist
+menigvuldige verbindingen en vlechten tusschen de bloedvaatstammen daar
+voorhanden, waar het ligtst hinderpalen dreigend zich konden opdoen?
+Wat meer is,--terwijl de zintuigen en de geheele oppervlakte van het
+ligchaam als wakkere wachters voor de indrukken der buitenwereld
+openstaan, en deze aan het bewustzijn mededeelen, staat, in al de
+organen van het voedingsleven, het gevoel op zóó lagen trap, dat wij
+noch van de zamentrekkingen van het hart, noch van de bewegingen van
+maag en darmkanaal, noch van den prikkel en de wrijving der vochten,
+waaraan beide zijn blootgesteld, eenige de minste kennis krijgen. Ziet
+gij niet,--roept de teleoloog u toe,--waartoe dit dient? Zóó alleen was
+de werking van uwen geest vrij en onbelemmerd; zóó alleen werd hij
+nimmer afgetrokken in de waarneming der buitenwereld; zóó alleen kon
+hij zich ongestoord verheffen tot in hoogere sferen.--Gij erkent die
+harmonie; gij ziet er, op het menschelijk standpunt, zelfs het
+doelmatige van in. Maar gij verlangt meer. Gij wilt van deze en van zoo
+vele andere verschijnselen den grond kennen. Gij wilt zien aangetoond,
+dat zij aan wetten gebonden, dat zij noodwendig zijn. Gij wilt weten,
+waardoor zij tot stand kwamen, en hoe zij zich handhaven. Ik wijs U op
+de wet van oefening: _Elk orgaan, elk ligchaamsdeel wordt onder den
+duurzamen invloed van den wil of van andere omstandigheden zoodanig
+gewijzigd, dat het beantwoordt aan hetgeen de wil of de omstandigheden
+van hetzelve eischen_.
+
+Toetsen wij deze wet aan de verschijnselen, dan zal tevens blijken, dat
+zij rekenschap geeft van die harmonische betrekking, waarop wij een’
+vlugtigen blik wierpen.
+
+De schoonste overeenstemming bemerkten wij tusschen de levensbehoeften
+van elk dier en de kracht, de vlugheid en juistheid zijner bewegingen.
+Maar komt u hierbij niet onmiddellijk voor den geest, dat, door
+oefening, onze krachten, tegelijk met de spier zelve, ontwikkeld worden?
+Hebt gij den geoefende niet vaak bewegingen, voor ons volstrekt
+onuitvoerbaar, met eene vlugheid en juistheid zien volbrengen, die aan
+het ongeloofelijke grensden? Ik zag een meisje, bij ’t welk het gemis
+der bovenste ledematen aangeboren was, met hare voeten, oorspronkelijk
+als de onze gevormd, allerlei handwerk verrigten. ’t Was alsof de voeten
+in handen herschapen waren. Zóó vermogend is de invloed der oefening! En
+bedenkt men nu, dat bij elk dier de oefening steeds bepaald wordt door
+de levenswijze en levensbehoeften, dan heeft men slechts dieper in het
+verledene terug te zien,--en men is overtuigd, dat, op grond der wet van
+oefening, kracht, vlugheid en juistheid van beweging zich harmonisch
+geëvenredigd aan de levenswijze en levensbehoeften van elk dier moesten
+ontwikkelen.
+
+Nergens evenwel vinden wij het vermogen der oefening sterker uitgedrukt
+dan in de zintuigen. Bij den blindgeborene zijn gehoor, gevoel en reuk
+tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding ontwikkeld, dat zij
+voor een groot deel in het verlies van het edelste der zintuigen
+voorzien. In eene stip aan den horizon, die het ongeoefend oog ontgaat,
+erkent de zeeman een schip in volle zeilen; en wie zich daarentegen bij
+voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen bezig houdt, en
+hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de ruimte door te
+dringen, wapent allengs zijn oog met een natuurlijk vergrootglas. Door
+oefening wijzigen zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen,
+en zij moeten dus bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften: want
+door deze werd de oefening bepaald. Weder derhalve gaf de wet van
+oefening u den sleutel tot de harmonie!
+
+Maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig gevolg
+der omstandigheden. De vermogens en eigenschappen, die men hiertoe
+pleegt te brengen, ontwikkelen zich door oefening;--zij worden verdoofd,
+zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk stellen. Men
+zegge derhalve niet: aan deze diersoort werd dit of dat instinct
+gegeven, omdat hare levenswijze dit vorderde,--bij gene ontbreekt het,
+omdat zij hieraan geene behoefte had; maar men erkenne, dat het zich bij
+deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen, doordat de omstandigheden
+deszelfs oefening medebragten, en dat het bij gene wettig onbestaanbaar
+is, wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer aanleiding gaf.
+
+Wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende deelen
+van hetzelfde organismus onderscheiden; maar ook dit berust op dezelfde
+wet, de wet van oefening. Oefening is dan evenwel in een’ ruimeren zin
+genomen, namelijk: als de verhoogde verrigting en voeding van een
+bepaald ligchaamsdeel, niet slechts voor zoo ver die onder den invloed
+van den wil plaats grijpen, maar door eenen gewijzigden toestand, van
+welk orgaan ook, te weeg gebragt.
+
+Door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de
+passieve en actieve organen van beweging;--immers de bewegelijkheid van
+elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking. Op
+denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het
+hart aan den weêrstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden; want die
+weêrstand juist is het, die de kracht van het hart bepaalt. Wilt gij
+hiervan het bewijs? Waar de weêrstand ziekelijk verhoogd wordt, ontstaat
+overvoeding van het hart; en kondet gij van het thans onstuimig
+kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale
+dikte terugbrengen, gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet
+zien bezwijken. Blijkt hieruit, dat verhoogde weêrstand de werking van
+het hart opwekt, dan immers moet, krachtens de wet van de oefening, de
+ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den
+weêrstand beantwoorden.
+
+Moeijelijker schijnt het, het noodzakelijk bestaan te betoogen der
+menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen, juist op zulke
+plaatsen, waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen. En
+toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig. De
+belemmeringen, namelijk, tot welker overwinning de verbindingen en
+vlechten, naar de teleologische beschouwingswijze, doelmatig bestemd
+zijn, zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en
+verbindingen. Wij zien ze hierdoor, onder zekere omstandigheden,
+als onder onze oogen gevormd worden. Wordt een hoofdstam gedrukt,
+onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt, dan worden de
+naauwelijks zigtbare takjes, waardoor zoo wel de slagaderlijke als
+aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen,
+tot grootere stammen uitgezet, die nu, bij wijze van vlecht, eenen
+collateralen bloedsomloop voortbrengen. Vandaar dan ook in het aderlijk
+stelsel, waar belemmeringen menigvuldiger zijn, een grooter aantal dier
+verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke.
+
+Maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere
+gevoeligheid der voedingsorganen, waardoor aan onze hoogere vermogens
+eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt?--Reeds deed ik u
+opmerken, hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd
+wordt, hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt. Het
+afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van
+het invallend licht: en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der
+buitenwereld als gesloten, wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding
+den vrijen teugel laten, of ons geheel verdiepen in een vraagstuk, dat
+al onze inspanning vordert. Worden hierdoor de zintuigen als verlamd,
+hoeveel meer moet, bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der
+zintuigen zelve, uit gebrek aan oefening, het gevoel zijn verdoofd
+geworden in die deelen, welke ons geene indrukken van de buitenwereld
+overbragten, die onze belangstelling konden opwekken. Zeer opmerkelijk
+gewis is het, dat, naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld
+zijn, het zenuwstelsel, dat het voedingsleven beheerscht, als een meer
+zelfstandig, afgescheiden gedeelte optreedt. Maar, wat meer is, het
+bewustzijn herneemt, ook in de organen der voedingsverrigtingen, voor
+een deel zijne regten, zoodra het geoefend wordt. Schier elk orgaan, dat
+wij ons, wanneer ook zonder eenigen grond, als ziekelijk voorstellen,
+wordt gevoelig, doordat wij onze gedachten nu op dit deel als
+concentreren, en zoo gevoel en bewustzijn oefenen, zoo verre zij tot
+dit deel betrekking hebben. Vooral is dit duidelijk ten opzigte van
+het hart. Het klopt onophoudelijk in onze borst; doch in den normalen
+toestand worden wij niets hiervan gewaar, tenzij wij, in den valschen
+waan van aan een hartsgebrek te lijden, den hartslag altijd en altijd
+naauwlettend gadeslaan. Dat eeuwige kloppen wordt dan op het laatst
+ondragelijk, al is de slag niet sterker dan bij een’ gezond mensch. Wie
+immer zich inbeeldde, door hartziekte te zijn aangetast,--en hun getal
+is niet zoo gering,--heeft hieronder bitter geleden.--Maar genoeg, om u
+te doen zien, dat de hoogere ontwikkeling der geestvermogens, zoowel als
+de zintuigelijke indrukken, aan de oefening van het gevoel in de organen
+van het voedingsleven in den weg staan, en dat, bij gevolg, de geringe
+gevoeligheid van deze eene noodwendige is.
+
+Zoo geeft de wet van oefening, straks uitgesproken, evenzeer
+rekenschap van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne
+levensbehoeften, als van den band, die de verschillende ligchaamsdeelen
+tot één organismus zamenvlecht.
+
+
+Gewis ontging het uwe aandacht niet, mijne Geëerde Hoorders! dat er een
+naauw verband bestaat tusschen de beide wetten, die der harmonie ten
+gronde liggen: de wetten, die ik kortheidshalve die van _gewoonte_ en
+_oefening_ noemde. Waar de eerste haren invloed doet gelden, wordt zij
+onderschraagd door de laatste. Krachtens de wet van gewoonte, wordt elk
+orgaan door den invloed, waaraan het regtstreeks is blootgesteld,
+primitief gewijzigd. Dit orgaan staat nu evenwel niet geïsoleerd; het
+hangt innig zamen met de overige deelen van het organismus. Wat is dus
+het noodzakelijk gevolg van die primitieve wijziging? Wijziging van al
+de overige ligchaamsdeelen,--welker werking namelijk òf opgewekt òf
+onderdrukt wordt,--en alzoo, krachtens de wet van oefening, eene hieraan
+geëvenredigde ontwikkeling van elk dier deelen. Door deze harmonische
+zamenwerking der wetten van gewoonte en oefening beantwoorden nu alle
+ligchaamsdeelen, ook die, welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking
+blootstaan, aan de invloeden der buitenwereld, en wordt tevens de
+harmonie tusschen de verschillende organen bij voortduring gehandhaafd.
+
+Doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk
+uitgangspunt. In den wil vinden wij eene tweede, magtige drijfveêr van
+oefening, die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den
+toestel voor willekeurige beweging doet gelden, en van hier op het
+geheele organismus terugwerkt. Deze oefening moet alzoo onderscheiden
+worden van die, welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige
+invloeden. Is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde
+invloeden noodwendig tot stand gekomen, en wordt deszelfs wil, bij elke
+omstandigheid, door de organisatie volstrekt bepaald, dan is de wil, die
+als drijfveêr van oefening optreedt, zelve het noodwendig uitvloeisel
+van verwijderde invloeden; en wij zouden, in hetgeen hij op de oefening
+vermag, slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten
+zien.
+
+Doch het is mijn voornemen niet, thans dieper in den grond en in het
+verband dier wetten door te dringen. Genoeg, dat wij deze wetten
+onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt, en ons zoo geregtigd zagen
+tot het besluit: dat de harmonie, die ons de dierenwereld predikt, aan
+wetten gebonden--noodwendig is.
+
+
+En toch--het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn--op zich zelven waren de
+genoemde wetten hier nog ontoereikend. Schier bij elk voorbeeld moesten
+wij stilzwijgend eene derde wet vooronderstellen,--eene wet, zonder
+welke de harmonie nimmer eene hoogere volmaking konde te gemoet streven,
+zonder welke wij den klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het
+dierlijk organismus en de buitenwereld, ja! zonder welke misschien alle
+dierlijk leven vroeger of later voor het geweld van buiten zou moeten
+zwichten. Reeds spreekt gij ze met mij uit. Het is de wet van
+erfelijkheid: _De toestand van het voorgeslacht plant zich telkens op
+het nageslacht over; de toestand der ouders wordt telkens aangeboren in
+de kinderen_. Zietdaar de wet, die in het geslacht bestendigt, wat
+gewoonte en oefening gewrocht hebben. Zietdaar den grondslag der
+klimmende volmaking in de Schepping.
+
+Zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen? Weder kan
+ik mij op uw eigene ervaring beroepen. Hoe dikwijls zaagt gij den
+ligchaamsbouw, de gelaatstrekken, de kleur, den gang, de stem, ja zelfs
+het gemoed, de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders
+in de kinderen weêrspiegeld! De Romeinen hadden reeds hunne _naseones_
+en _labeones_; en ook thans is de dikke lip eene erfelijke eigenschap in
+het Oostenrijksche Huis.
+
+Doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen. Immers de ontelbare
+verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen
+daar van de wet van erfelijkheid. De variëteiten van elke soort, zijn,
+zelfs veelal in de historische tijden, door verscheidenheid van
+invloeden en levenswijze tot stand gebragt; en wij zien ze thans met
+gelijke juistheid voortgeplant, als den oorspronkelijken typus. Bij
+vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren
+worden, die aan de beide ouders herinneren, zoodat ook hierin de wet van
+erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart.
+
+Reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet
+de gelukkigste partij getrokken. Men verlangt runderen, door vorm en
+neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee, sterke
+ossen, geschikt voor den landbouw, en koeijen, die ruime hoeveelheden
+goede melk leveren. De eigenschappen, tot deze verschillende doeleinden
+vereischt, schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten, en
+zijn dus niet allen, in hoogen graad ontwikkeld, in hetzelfde ras te
+verkrijgen. Maar reeds sedert lang is het gelukt, kunstmatig rassen
+te vormen, die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij
+uitnemendheid beantwoorden. En welken weg sloeg men hiertoe in?
+Telkens bestemde men tot voortplanting die dieren, waarin de verlangde
+eigenschappen, onder omstandigheden van welken aard dan ook, bijzonder
+ontwikkeld waren, en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker
+en sterker overgeplant. Eene eervolle plaats in de geschiedenis der
+veeteelt komt Bakewell toe; omdat hij van de reeds lang bekende
+wet van erfelijkheid (het _like begets like_, zoo als hij gewoon was te
+zeggen) het eerst eene consequente toepassing maakte. Zóó legde hij den
+grond tot een eigen ras van runderen, bijzonder voordeelig en geschikt
+voor slagtvee, ’t welk men een’ tijd lang op hoogen prijs stelde, en
+slechts daarom niet als een zuiver, onvermengd ras bewaard heeft,
+wijl Bakewell zijn doel te goed, en hierdoor te zeer ten nadeele der
+in andere opzigten wenschelijke eigenschappen, bereikt had. Zóó ook
+stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen (_Dishley
+Breed, New Leicester Breed_), welks wol in sommige opzigten voor die van
+andere moge onderdoen, doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit, van
+op veel jeugdigeren leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te
+kunnen worden vetgemest, en hierom ook thans nog tot de meest geachte en
+algemeen verspreide rassen in Groot-Brittanie geteld wordt.
+
+Uit een en ander is voldoende gebleken, dat de door verschil van
+invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht
+overplanten, en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid
+verkrijgen, dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen.
+Wanneer wij nu zien, dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden
+des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven,
+naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatiën
+onveranderd bleven, dan is er niets gewaagds in het besluit, dat aan
+eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden, over ontelbare
+generatiën, de grootere vastheid van typus, die wij thans aan elke
+soort toekennen, is toe te schrijven. En zeker bestond die meerdere
+bestendigheid van omstandigheden, zoolang de verspreiding van elke thans
+erkende soort meer beperkt bleef, en door tusschenkomst van den mensch
+minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze.
+
+Vragen wij nu, in welke diersoorten, op grond der ontwikkelde wetten,
+de meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden, dan
+kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: vooreerst in den mensch, die,
+bij zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij
+het groote verschil in levenswijze en beschaving, wel het meest aan
+wijziging in organisatie moest blootstaan: maar daarenboven in alle
+diersoorten, die, door den mensch aan den natuurstaat onttrokken, aan
+vreemde invloeden, aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld. En
+zoo is het ook. Behoef ik meer te doen, dan u op de ontelbare zoo zeer
+onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen, om u hiervan te
+overtuigen?
+
+Hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien, dat elke door het individu
+verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant, dan behoeft
+dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten opzichte
+der voorbeelden, die wij tot staving der wetten van gewoonte en oefening
+hebben aangevoerd. Het zij mij evenwel vergund, nog op enkele van deze
+uwe aandacht te vestigen.
+
+Wanneer Parry ons verhaalt, dat hij, op zijne reis naar den
+Noord-pool, in eene temperatuur, waarbij het kwikzilver bevriest, een’
+zuigeling in de open lucht aan de borst zijner moeder zag, kan het dan
+nog aan twijfel onderhevig zijn, dat het vermogen, om aan koude te
+weêrstaan, eene aangeboren eigenschap is van den bewoner van het
+Noorden? Wanneer wij zien, dat het darmkanaal der jonggeboren huiskat
+eene betrekkelijk grootere lengte heeft, dan dat van jonge vleeschetende
+dieren, zijn wij dan niet overtuigd, dat de geschiktheid der organisatie
+voor het gebruik van gemengd voedsel hier wordt aangeboren?--En wat
+leert ons de geschiedenis van het tabaksgebruik? Thans moge het dengene,
+die zich aan dit vergift gewennen wil, hoogstens nog eenige benaauwde
+uren of dagen kosten:--toen in weêrwil der bedreigde straffen en den
+heftigen tegenstand, zelfs door Pausen en Keizers geboden, het gebruik
+van den tabak zich eerst door Europa begon te verspreiden, waren de
+verschijnselen bij de eerste proeven oneindig heviger, en schijnt zelfs
+menig onvoorzigtige rooker zijn’ zonderlingen lust met den dood bekocht
+te hebben. Onze ouders rookten, onze voorouders rookten,--en thans is,
+gij ziet het, de gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren.
+
+Om u vervolgens te doen opmerken, hoe de door invloeden en oefening
+verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel, hoe de kracht en
+snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant, breng
+ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest.
+En van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende
+zintuigen leveren onderscheidene volkeren,--van een aangeboren verschil
+in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familiën, bijzonder in de
+steden, het overtuigendst bewijs.
+
+Zoo zou ik van elke harmonische eigenschap, die wij, krachtens de
+wetten van gewoonte en oefening, zagen tot stand komen, de voortplanting
+op het nageslacht door voorbeelden kunnen staven, en hierdoor de
+noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder’
+grondslagen vestigen. Ik wil mij echter, kortheidshalve, bepalen tot
+de instinctmatige vermogens. Bij de wet van oefening heb ik mij omtrent
+dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden, naardien het mij
+gemakkelijker scheen, u de kracht der oefening, door verscheidene
+geslachten voortgeplant--en als ware het vermenigvuldigd--aanschouwelijk
+te maken, dan in het leven van een enkel individu. En hierom mogt ik
+deze hier niet met stilzwijgen voorbijgaan. Weder de hond levert ons het
+sprekendst bewijs van den invloed der oefening ook op de instinctmatige
+vermogens. Het lijdt geen’ twijfel, of bij de oorspronkelijke soort,
+waarvan al onze honden afstammen, bestond één en hetzelfde instinct.
+En thans, welk een verscheidenheid! Schier elk ras heeft ook ten
+dezen opzigte zijne eigendommelijkheden. Behoef ik u te wijzen op
+de instinctmatige vermogens van den herders- of jagershond, van den
+bloeddog of van den New-foundlander?--Van waar nu die verscheidenheid?
+Het antwoord is niet moeijelijk. De mensch heeft door kunstmatige
+oefening het een of ander instinct bij den hond meer en meer ontwikkeld,
+en door de wet van erfelijkheid werd dit instinct bestendigd. Overwin
+bij een’ hond den tegenzin, om te water te gaan, gij zult hiermede
+bij de jongen reeds veel minder te kampen hebben. Wilt gij andere
+voorbeelden? Frederic Cuvier verhaalt, dat in zoodanige streken, waar
+den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd, de jongen, reeds de
+eerste maal, dat zij het nest verlaten, eene omzigtigheid aan den
+dag leggen, die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken
+zou.--Voorts weten wij, dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn’
+vijand. Men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud. Maar
+het dier, welks voorgeslachten niet vervolgd werden, de vogels op een
+onbewoond eiland, vlugten niet; zij zijn zoo argeloos, dat zij zich met
+de hand laten vangen. Na weinige generatien echter is hun het instinct
+om te vlugten reeds aangeboren. Alzoo: de vervolging door den vijand
+heeft het instinct om te vlugten, volgens de wet van oefening,
+ontwikkeld; en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort.
+Gij ziet: het aanwezen van dit instinct, als dat van elk ander, is het
+noodwendig gevolg der omstandigheden, die deszelfs oefening uitlokten,
+en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden.
+
+Hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt, wanneer
+op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan, leert ons reeds het temmen
+der dieren. Nimmer zullen de jongen van een getemd dier de wreedheid en
+wildheid aan den dag leggen, die zijnen voorouders eigen waren. Maar nog
+opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der natuurlijkste
+instincten bij onze inlandsche runderen. Overal, waar het de gewoonte
+is, het kalf bij de koe te laten zuigen, bestaat hiertoe bij beide de
+grootste behoefte. Zij schreeuwen zich half dood, zoo als Sturm
+zich uitdrukt, wanneer men ze van elkander scheidt. De koe, die
+dagenlang zoo onrustig zich gedraagt, dat een vreemde niet zonder gevaar
+ze zou naderen, spant al hare krachten in, om los te breken; en het kalf
+zoekt, verscheidene weken, bijna onophoudelijk naar de uijer, alles
+aanvattende, om er aan te zuigen. Bij onze inlandsche koeijen
+daarentegen, welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen
+verwijderd worden, is de moederliefde, als ware het, uitgedoofd. Wordt
+het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt, dan gedraagt zich de
+moeder volmaakt rustig, en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig
+verwijderen, terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in
+veel geringere mate opdoen.
+
+
+Zietdaar, mijne Geëerde Hoorders! de drie wetten ontwikkeld, die aan de
+harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen. Naar de wetten
+van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot
+stand gebragt; naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht
+bestendigd, wat door gewoonte en oefening in het individu gewrocht was.
+
+Die harmonie erkent gij dus als noodwendig: want zij is aan wetten
+gebonden, en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde
+gehoorzaamheid. Wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie,
+hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap; want in de
+onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur, waarop hare
+uitspraken gegrond zijn, staat met onuitwischbare letteren geschreven:
+_gewoonte_, _oefening_, _erfelijkheid_.
+
+Het is evenwel niet genoeg, de noodwendigheid der harmonie uit deze
+wetten te herleiden; ons streven moet het zijn, die wetten zelve dieper
+te doorgronden. Reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de
+wetenschap over de oorzaken der verschijnselen, welke wij tot de wetten
+van gewoonte en oefening terugbragten: en zoo, opklimmende van oorzaak
+tot oorzaak, zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te
+verliezen, naderen wij, langzaam wel is waar, maar met vasten tred,
+het ideale standpunt, van waar men alle verschijnselen der natuur met
+noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten
+konde zien voortvloeijen.
+
+Wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld, hij
+plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten.
+Hier verstomt de wetenschap der Natuur; hier staan hare grenzen. Zij
+verloochent haar karakter, wanneer zij ook den grond dier eigenschappen
+kennen wil. Zij overschrijdt hare regten, wanneer zij den staf durft
+breken, over wie hier grond en doel vereenzelvigen.
+
+En, wanneer eens door eene alwijze Almagt die stoffen en krachten
+met een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen, en in hare
+eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd,
+dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze aderen,--maar
+het is een doel, dat buiten de wetenschap ligt der Natuur.
+
+
+Van mijne taak heb ik het deel volbragt, door de wet mij opgelegd.
+Een ander deel, waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen, blijft
+te vervullen over.--Het eerst rigt ik mij tot U, Edel Groot Achtbare
+Heeren Curatoren! die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der
+Hoogeschool, aan uwe hooge zorgen toevertrouwd. Steeds uw blikken gerigt
+op den vooruitgang der Wetenschappen en op den toestand der Hoogeschool,
+is het uw heilig streven, dezen aan de eischen van gene te doen
+beantwoorden. Het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan,--en gij hoordet
+het telkens door zaakkundige mannen rondom u uitspreken,--dat de
+geneeskundige wetenschappen, terwijl zij meer het karakter en den geest
+der natuurkundige aannamen, zich op ruimer en ruimer gebied vestigden.
+Dit eischte in uw oog dan ook ruimere voorziening in het onderwijs;
+en de betrekking, waarin ik thans sta tot de Hoogeschool, strekt ten
+bewijze, dat gij niet geaarzeld hebt, tot stand te brengen, wat
+uwe overtuiging u als wenschelijk had voorgespiegeld. Mij hebt
+Gij geroepen,--en onze geëerbiedigde Koning heeft uwe keuze
+bekrachtigd,--niet zoo zeer om eene taak op mij te nemen, die vroeger
+op andere schouders rustte, dan om naast den werkkring van ijverige
+Ambtgenooten mij, als leeraar, een’ weg te banen op het uitgebreid
+gebied der geneeskundige wetenschappen.--Gij zult geene klagte van mij
+vernemen, Edel Groot Achtbare Heeren! dat mijn werkkring hier te beperkt
+is: integendeel, ik spreek het opentlijk uit, dat men nog aan meer dan
+één’ nieuw Ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen,
+die ook thans nog onvervuld moet blijven. Maar, vergeeft het mij, zoo
+ik u toch op eene schaduwzijde wijzen moet: ik bedoel het verbroken
+evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap, die gij door
+uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen,
+en de nog onveranderde wettelijke vereischten, voor wie den graad
+van Doctor in die wetenschap verlangt. In Nederland worden thans
+nog geneeskundige studien volbragt, zonder dat de grondslagen der
+physiologie van den gezonden en van den zieken mensch, de weefselleer
+en de ziektekundige ontleedkunde, tot de verpligte lessen behooren.
+In Nederland worden thans nog wettig Doctoren gecreëerd in de genees-,
+heel- en verloskunde, zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde
+wetenschappen worden gevorderd.--Ik koester met vertrouwende gerustheid
+den wensch, dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke blijven,
+tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te dragen.
+
+Maar reeds week ik te ver af van de gevoelens, die mij bezielden, toen
+ik mij tot u wendde. Indien ik plegtig verklaar, dat aan de loopbaan,
+die gij voor mij geopend hebt, het geluk mijns levens innig verbonden
+is, dat de later van u ontvangene blijken van welwillende belangstelling
+eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed, en dat mijn hart warm
+en erkentelijk is, dan hebt gij den maatstaf der dankbaarheid, die mij
+jegens u bezielen moet.
+
+Maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn geluk:
+het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend. Het zou overbodig
+zijn, en gewis mij weinig passen, over uwe groote verdiensten voor deze
+Hoogeschool uit te weiden: alleen op de getuigenis van hen, die het
+langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben, kondt gij eenigen
+prijs stellen,--en dát ontbrak u nimmer. Maar ik voel mij toch gedrongen
+u te zeggen, dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate vereert,
+naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de Hoogeschool
+in zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn afgedrukt; ja! dat
+ik er trotsch op ben, door u tot eene betrekking te zijn voorgedragen,
+waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest staat. Ik heb mij
+als levensdoel gesteld, aan uw vereerend vertrouwen naar mijne krachten
+waardiglijk te beantwoorden. Geene poging hiertoe zal onbeproefd
+blijven; maar dikwijls, ik gevoel het, zal ik uwe welwillende
+ondersteuning hiertoe moeten inroepen. Reeds hebt gij mij geleerd, dit
+met vertrouwen te doen,--en door uwe handelingen mij den wensch in den
+mond gelegd, dat gij nog eene lange reeks van jaren, altijd even ijverig
+bijgestaan door uwen hooggeschatten, wakkeren Secretaris, aan het
+welzijn der Hooggeschool uwe goede zorgen moogt toewijden.
+
+
+Ook tot u, Weledele Hooggeleerde Heeren, waarde Ambtgenooten, en Zeer
+Geleerde Heeren Lectoren! rigt ik mij met volle vertrouwen. Doorloop ik
+uwe rijen, dan ontdek ik mannen, die, grijs geworden in wetenschap en
+letterroem, mij hooge achting, diep ontzag inboezemen; maar ik zie ook
+onder u geëerde Leermeesters, die mij altijd met heusche welwillendheid
+den weg tot wetenschap hebben aangewezen,--vrienden, die mij met hunnen
+omgang vereerden, vóór ik hen als Ambtgenooten mogt begroeten; en in
+u allen herken ik ambtgenooten, die mij welwillend zijt te gemoet
+getreden, toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste.
+
+Ik wierp met u een’ blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk
+leven,--en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend. Maar
+een hooger beginsel ademt de harmonie, waarmede gij eenparig streeft
+naar hetzelfde verheven doel: want, in dit streven kent gij geene
+wetten, ziet gij geene noodzakelijkheid. Gij gevoelt: het geschiedt met
+bewustzijn, het berust op vrije wilsbepaling.--Thans ben ik geroepen,
+om mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van den mensch te
+vereenigen. Die taak rust zwaar mij op de schouders. Mijne beste
+pogingen, om hierin harmonisch met u zamen te stemmen, zou ik gewis
+dikwijls zien verijdeld, wanneer gij niet steeds gereed stondet, mij
+welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken. Dit zij hierom de
+bede, tot u allen gerigt--de bede, waarmede ik mij dringend, maar ook
+vol vertrouwen, wende tot de leermeesters mijner academiejaren, die ook
+later nimmer ophielden, mij voor te lichten op het pad der wetenschap.
+
+
+Maar ik zie onder u nog een’ vriend, een’ leermeester van latere jaren,
+wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap, wiens geest
+kracht heeft en moed, wiens hart gloeit voor wat goed en edel is.
+Ik weet het, Mulder! gij zijt afkeerig van openlijk huldebetoon.
+Wierook-walmen stijgen niet tot u op. Maar mag het hulde heeten, wanneer
+ik zeg, dat gij nimmer hebt opgehouden, mijn’ blik in de natuur en in de
+menschenwereld te verruimen, dat gij altijd en overal mijne belangen met
+vurigen ijver hebt behartigd, dat, wanneer ik, door leed of angst
+geprangd, naar een’ vriend omzag, gij aan mijne zijde stondt!...
+Neen! hulde mag het niet heeten, waar, voor sprekende feiten, zwakke
+woorden in de plaats treden.--Ik gevoel het, Mulder! ik heb noch den
+geest krachtig, noch het hart warm genoeg, om beide bij u te bevredigen;
+maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid, die mij bezielen--en
+gij zult ook de kleine bron niet versmaden, wanneer ze u frisch en
+helder water biedt.
+
+
+Hartelijk verheugt het mij, ook u hier te zien, Wel Edelgestrenge,
+Zeer Geleerde Heeren! die ik, nog kort geleden, de eer had, mijne
+Ambtgenooten te noemen. Ik wist het, dat gij een levendig deel naamt in
+de mij te beurt gevallen onderscheiding; en uwe tegenwoordigheid op deze
+plaats is mij hiervan een nieuw bewijs. De vijf volle jaren waarin wij
+onze krachten tot één doel zamenspanden, waren de gewigtigsten mijns
+levens. Aan deze, en voor een groot deel aan U, ben ik mijne
+wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd. Ik herdenk het met
+zoo veel voldoening, hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd,
+hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting,
+hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden, dat ik met vrienden leefde.
+Hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts, die zich nimmer
+verloochende; en, mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd
+zijn,--de heilige band, die tot de minste sporen van misverstand en
+tweedragt steeds uit ons midden weerde, blijve ook thans hechter dan
+immer gesloten!
+
+
+Ten slotte wend ik mij tot u, Aanzienlijke Schaar van Jongelingen!
+want aan u is mijn volgend leven toegewijd. Ik ben geroepen, om u voor
+te gaan op den weg tot wetenschap; en zucht tot kennis brandt in u
+allen. Ziet! zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons
+geboren.--Zoekt gij bij mij de veelomvattende kennis en grondige
+geleerdheid, die wij vereeren en hoogschatten alleen in mannen,
+wier leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was, ik moet u
+teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het ondersteunen
+uwer pogingen, ijver en lust om u nuttig te zijn, ik bied ze u van
+ganscher harte aan. En wij kunnen immers gezamenlijk het veld onzer
+kennis uitbreiden. Gij toch, die u toewijdt aan de beoefening der
+natuurkundige wetenschappen, waaronder ik ook de geneeskundige begrepen
+acht, gij weet het, hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen. De
+kennis, die gij verlangt, ligt in de voorwerpen en verschijnselen der
+natuur opgesloten: zintuigelijke waarneming van deze is de éénige wijze,
+waarop zij te verkrijgen is. Van de stelling uitgaande, dat niets wat
+waarneembaar is, wordt gekend, vóór het is waargenomen, moet het steeds
+mijn streven zijn, u de voorwerpen en verschijnselen der Natuur
+waarneembaar voor te stellen. En zóó immers is ons de gelegenheid
+gegeven, gezamenlijk kennis op te doen. Ik wil niet tot u spreken als
+een boek, en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek; maar
+ik zal trachten, uwe zintuigen te scherpen, en ze met uwen geest in
+nader verband te brengen. Gij moet leeren zien, hooren, ruiken, proeven
+en tasten; en gij moet het bewustzijn hebben, dat gij met deze vermogens
+tot ware kennis kunt geraken. Daarin bestaat het groote geheim, om
+zelfstandig te worden. Hebt gij de indrukken zelf uit de natuur
+opgezameld, gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen. Die kennis is dan
+uw eigendom, dien niemand u kan betwisten; en op dien grond zijt gij nu
+zelfstandig.
+
+Geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring, dan iets te mogen
+bijdragen, om u tot die zelfstandigheid te vormen.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by
+Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave,
+Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM ***
+
+***** This file should be named 19072-0.txt or 19072-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/9/0/7/19072/
+
+Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands
+Team and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive/Canadian
+Libraries.)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.