diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:54:50 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:54:50 -0700 |
| commit | 2c78bf23aced629ea04aa52aaa5ee31a7cc60306 (patch) | |
| tree | d32a8a53550d5e12e4485041f5edb6961b9cc040 | |
47 files changed, 48344 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/19072-0.txt b/19072-0.txt new file mode 100644 index 0000000..a9d1ed2 --- /dev/null +++ b/19072-0.txt @@ -0,0 +1,16172 @@ +The Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by +Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Opuscula Selecta Neerlandicorum + Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde + +Author: Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +Editor: Hector Treub + +Translator: L. Hillesum, W. Julius, L. Hillesum and A. H. Kan + +Release Date: August 18, 2006 [EBook #19072] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM *** + + + + +Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands +Team and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive/Canadian +Libraries.) + + + + + + [Transcriber’s Note: + + Spelling and capitalization are as in the original. + De spelling en de hoofdletters zijn gehandhaafd als in het origineel. + + The individual articles are separated by three rows of asterisks. + + The Latin texts-- Erasmus, Boerhave and Gaubius-- are given in three + independent versions, separated by two rows of asterisks: + + Latin alone + Dutch translation alone + Latin and Dutch interlocked] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + OPUSCULA SELECTA + + NEERLANDICORUM + + DE ARTE MEDICA + + + + + Fasciculus Primus + + quem + + Curatores Miscellaneorum + quae vocantur + Nederlandsch Tijdschrift + voor Geneeskunde + + collegerunt et ediderunt + ad celebrandam + Seriem quinquagesimam + in lucem nuper editam + + Quaenam insint scripta + proxima pagina docebit + + Amstelodami + Apud F. van Rossen + MCMVII + + + Erasmus + Swammerdam + Van Leeuwenhoek + Boerhaave + Gaubius + Donders + + + + +INHOUD. + Blz. + +TER INLEIDING IX + +DESIDERIUS ERASMUS, Encomium artis medicæ 1 + +DESIDERIUS ERASMUS, De lof der geneeskunde 1 + +ANTONI VAN LEEUWENHOEK, Den waaragtigen omloop des + Bloeds, als mede dat de Arterien en Venæ gecontinueerde + Bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt 45 + +JAN SWAMMERDAM, Proefnemingen van de particuliere + bewegingen der spieren van den Kikvorsch, die in het + gemeen op alle de bewegingen der spieren in de + menschen en beesten toegepast worden 69 + +HERMANNUS BOERHAAVE, De usu ratiocinii mechanici in + medicina 98 + +HERMAN BOERHAAVE, Het nut der mechanistische methode in + de geneeskunde 99 + +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Oratio inauguralis qua + ostenditur chemiam artibus academicis jure esse + inserendam 170 + +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Inaugureele rede, waarin wordt + aangetoond, dat de scheikunde met recht een plaats + verdient onder de akademische wetenschappen 171 + +F. C. DONDERS, De harmonie van het dierlijke leven de + openbaring van wetten 229 + + + + +TER INLEIDING. + + +Den 1sten Januari 1907 heeft het Nederlandsch Tijdschrift voor +Geneeskunde 50 jaren bestaan. In Mei 1901 besloot de algemeene +vergadering der Vereeniging: _Nederlandsch Tijdschrift voor +Geneeskunde_, op voorstel der Redactie, den lezers van het Tijdschrift +bij gelegenheid van dit jubileum eene feestuitgave aan te bieden. Deze +feestuitgave zou betrekking hebben op de geschiedenis der geneeskunde. +De zorg voor de voorbereiding dier uitgave werd opgedragen aan eene +commissie, bestaande uit de heeren B. J. STOKVIS, W. KOSTER (Utrecht), +C. E. DANIËLS, H. TREUB en de beide toenmalige redacteuren-gérant +M. STRAUB en P. MUNTENDAM. + +De geheimen van onze commissie-vergaderingen te verklappen is allerminst +mijn bedoeling. Maar iets wil ik en moet ik toch zeggen. Dit n.l., dat, +wanneer niet de drie eerstgenoemde, klassiek geschoolde commissieleden +er geweest waren, en met name wanneer niet STOKVIS zijne groote +belezenheid en zijn eeuwig jeugdig enthousiasme aan onze taak had doen +ten goede komen, er van dit boek bitter weinig terechtgekomen zou zijn. +Want één ding stond, na de eerste voorloopige besprekingen, al spoedig +bij ons allen vast: wij moesten de feestuitgave doen bestaan in +herdrukken van Nederlandsche klassieke schrijvers over geneeskunde. Maar +wie moest onder de klassieken, en wat van hun werk gekozen worden? En +hoe moest het uitgegeven worden? Vragen die, tendeele althans, slechts +beantwoord konden worden door hen, die de klassieken kenden. Toen dan +ook omtrent het „hoe“ beslist was, dat de feestuitgave geen bloemlezing, +maar een bundel van zooveel mogelijk op zich zelf staande stukken zou +zijn, kwamen de drie genoemde kenners der klassieken met verschillende +werken aan, waaruit de commissie na kennismaking zou kunnen kiezen. + +Moeilijke bezigheid, voorwaar! Gelukkig, wij zijn Hollanders, wij waren +in commissie vereenigd en wij hadden dus het recht, om niet te zeggen +de nationale plicht met bedachtzaamheid voorttegaan. Zoo waren wij dan +ook nog slechts nauwelijks tot eene definitieve keuze gekomen, toen in +September 1902 STOKVIS ons ontviel. Wanneer ons werk, gelijk wij hopen, +ten slotte bruikbaar is geworden, dan zij hier gezegd, dat dit in de +allereerste plaats te danken is aan het initiatief en de krachtige +medewerking van STOKVIS. + +De commissie was zoo gelukkig in zijn plaats door de algemeene +vergadering benoemd te zien de heer C. A. PEKELHARING, die aan hare +verdere werkzaamheden een zeer actief deel heeft genomen. + +Besloten werd tot een herdruk van vier redevoeringen. De eerste is van +ERASMUS (1467-1536). De groote humanist, schoon zelf geen medicus, heeft +toch in eene oratie den lof der geneeskunst verkondigd. En, waarlijk, +beter lofredenaar kon de geneeskunst moeilijk verlangen. Zoo uitbundig +is zelfs hier en daar zijn loftuiting, dat men, gedachtig aan den +schrijftrant van den auteur van den lof der zotheid, geneigd is zich nu +en dan af te vragen, of niet meer zachte ironie dan welgemeende lof uit +ERASMUS’ woorden spreekt. Toch zal men bij doorlezing van dit weinig +bekende geschrift van den geleerden Rotterdammer bespeuren, dat het +hem met den lof, deze moge dan overdreven zijn, ernst is, daar hij niet +nalaat de slechte geneeskunst-oefenaars te vermanen. Hoe weinig het oude +stuk nog verouderd is, blijkt wel uit wat hij o.a. zegt: + +„De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed +gebouwde personen met elkander lieten huwen, die maakten, dat men +alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en +turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen +verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën +voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor +de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden.“ + +Immers dit kon nu nog, helaas! goeddeels dienst doen als politieke +wenschlijst voor een medicus. + +De tweede redevoering is van BOERHAAVE (1668-1738), en door hem gehouden +ter gelegenheid, dat de curatoren der Leidsche hoogeschool hem, door +eene traktementsverhooging, hadden weerhouden naar Groningen te gaan. Al +had het particularisme dier dagen niets anders goeds uitgewerkt dan ons +dit heldere en logische betoog omtrent de waarde der iatromechanica te +bezorgen, dan mochten wij het nog dankbaar zijn. Als men BOERHAAVE’s +klare taal leest, die zijn gedachtengang zoo scherp weergeeft, waarin +geen argument te weinig en nauwelijks een woord te veel is, dan begrijpt +men den grooten invloed door BOERHAAVE als leermeester uitgeoefend. + +Versterkt wordt deze indruk door de volgende redevoering, die van +GAUBIUS (1705-1780), wiens gezwollen welsprekendheid BOERHAAVE’s +eenvoudige duidelijkheid beter doet uitkomen. Evenwel, niet om, doch +ondanks deze tegenstelling werd Gaubius’ werk door ons gekozen. Immers +ziet men af van de voor ons minder smakelijke rhetorische versierselen, +dan geeft het betoog van GAUBIUS, op zichzelf voor dien tijd van +groot gewicht, tevens een eigenaardig beeld van de snel wisselende +geneeskundige opvattingen. Nog geen dertig jaar toch na BOERHAAVE’s +enthousiaste verdediging der iatromechanica komt, op zijne plaats en in +zijn tegenwoordigheid, de door hem aangewezen leerling de waarde der +scheikunde als wetenschap en in het bijzonder hare waarde voor de +geneeskunst bepleiten. + +Als vierde in de rij der oraties komt die van DONDERS (1818-1889), +over de harmonie in het dierlijke leven; de oratie, waarmede hij zijn +loopbaan als hoogleeraar aanving. Een waardige evenknie van het stuk +van BOERHAAVE, waarin met goed gekozen argumenten en in keurige taal de +teleologie als wetenschap wordt aangevallen en betoogd wordt, dat het +„waartoe“ geen antwoord geven kan op de vraag naar het „waardoor“, +terwijl toch slechts deze laatste vraag voor den wetenschappelijken +vooruitgang belang heeft. + +Tusschen ERASMUS en BOERHAAVE komen de herdrukken van onderzoekingen +van VAN LEEUWENHOEK en van SWAMMERDAM. Onafhankelijk van de hem +klaarblijkelijk onbekende ontdekking der capillairen door MALPIGHI +(1661), gaf LEEUWENHOEK (1632-1723) HARVEY’s leer van den bloeds omloop +een krachtdadigen steun door het, met behulp van zijn mikroskoop, +geleverde bewijs dat: „De Arteriën en Venae gecontinueerde Bloedvaten +zijn“; een bewijs, dat hij in gemoedelijke taal, doch met groote +helderheid geeft. Met zóó groote helderheid, dat men verbaasd staat, +dat de eenvoudige Delftenaar, als buitenstaander van de officiëele +wetenschap, om geloofd te worden zich moest beroepen op het getuigenis +o.a. van „d’Heer Mr. ANTONI HEINSIUS, Raad en Pensionaris dezer Stad, +voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn Koninklijke Majesteit van +Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen Staat aan het Hoff van zijn +Koningl. Majesteit van Engeland.“ + +Het stuk van JAN SWAMMERDAM (1637-1680) geeft ten slotte een goed +voorbeeld van diens experimenteertalent. Immers, zoowel zijn proef over +de uitgesneden, doch in verbinding met de zenuw gelaten kikvorschspier, +als die met het door lucht gevulde hart, kunnen ter demonstratie van +dat talent dienen; ook al is de eerste, die doet zien dat bij den +spiercontractie verwekkenden zenuwinvloed niets ponderabels van de zenuw +naar de spier overgaat, bewijzender dan de tweede, die dienen moet om te +betoogen, dat het spiervolume bij de contractie niet toe- doch afneemt. + +De commissie meende met deze keuze een geschikten aanvang te maken van +eene publicatie van Nederlandsche klassieken en zij hoopt en vertrouwt, +dat daarmede de stoot tot verdere analoge herdrukken gegeven zal zijn. + +Maar, zal zulk een herdruk nut hebben, dan dient, voor de meerderheid +der Nederlandsche geneeskundigen, het Latijn door Nederlandsch vervangen +te worden. En, zal de publicatie nut hebben om ook in het buitenland den +naam der oudere Nederlandsche schrijvers op geneeskundig gebied in eere +te houden, dan moeten er ook vertalingen in vreemde talen bij zijn. Deze +overweging stelde de commissie voor een nieuwe moeielijkheid, die des te +grooter werd, toen de algemeene vergadering besloot, dat niet één, doch +drie vreemde talen zouden gekozen worden. Onder de commissieleden was +geen LITTRÉ, noch een ERMERINS en de zorg voor vertalingen in Fransch, +Engelsch of Duitsch durfden zij evenmin op zich te nemen. Zoo heeft dan +de commissie de hulp van anderen, meerendeels niet-medici, ingeroepen en +bepaalde zich haar werk in hoofdzaak tot de specifiek medische correctie +van het vertaalwerk. + +Zij was zoo gelukkig de hulp te verkrijgen van den heer L. HILLESUM voor +de vertaling van de redevoering van ERASMUS in het Nederlandsch, van den +heer C. GRONDHOUT voor de vertaling dierzelfde redevoering en van de +verhandeling van ANTONI VAN LEEUWENHOEK in het Engelsch, van den heer +MAURICE PERNOT voor de Fransche vertalingen der oraties van BOERHAAVE +en GAUBIUS, van de heeren W. JULIUS en L. HILLESUM voor de Nederlandsche +vertaling van BOERHAAVE, van den heer A. H. KAN voor die van GAUBIUS en +van den heer E. HUMMELSHEIM voor de vertaling der redevoering van +DONDERS in het Duitsch. Haar medelid, de heer DANIËLS, wiens +bibliographische speurzin zich nooit verloochent, vond een weinig +bekende Duitsche uitgave van SWAMMERDAM’s „Bijbel der Natuur“ (Leipzig +1752), waaraan de commissie de benoodigde vertaling van diens +verhandeling kon ontleenen. + +Het is der commissie een plicht, maar een genoegen tevens, aan al dezen +haren medewerkers hier oprechten dank te betuigen en hulde te brengen +voor den zoo nauwgezet uitgevoerden arbeid. + +Wanneer ik ten slotte nog gememoreerd heb, dat het typografisch werk +voor den feestbundel afkomstig is van de firma DE ROEVER KRÖBER & +BAKELS, dat de portretten, voor zoover bestaande, in lichtdruk zijn +gereproduceerd door de firma SENEFELDER, die ook de platen bij +VAN LEEUWENHOEK’s en SWAMMERDAM’s stukken in photolithographie +reproduceerde, en dat de band en het titelblad ontworpen zijn door den +heer J. B. HEUKELOM, dan behoef ik daarvoor geen dank uit te spreken, +want de dank voor hun werk zal hun onmiddellijk gebracht worden door +elken beschouwer van het boek. + + _In opdracht en in naam der commissie ter + voorbereiding dezer feestuitgave,_ + + HECTOR TREUB. + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + +[Transcriber’s Note: + +Sidenotes to the Latin text have been collected at the beginning to +act as a table of contents. Those that appear at the beginning of a +paragraph, along with a few others that function as explanatory notes, +have also been kept in their original places. + +Footnotes to the Latin text were added by the transcriber, using +information in the parallel Dutch text.] + + + [Illustration/Illustratie: + + IMAGO·ERASMI·ROTERODA + MI·AB·ALBERTO·DVRERO·AD + VIVAM·EFFIGIEM·DELINIATA· + + ΤΗΝ·ΚΡΕΙΤΤΩ·ΤΑ·ΣΥΓΓΡΑΜΜΑΤΑ·ΔΕΙΞΕΙ + + ·MDXXVI· + + A/D] + + + + + ENCOMIUM ARTIS MEDICÆ + + Desiderio Erasmo Roterodamo Autore. + + + DE LOF DER GENEESKUNDE + + van + + Desiderius Erasmus. + + + * * * * * + * * * * + + +_Erasmus Roterodamus_ +_D. Henrico Afinio Lyrano_ + _insigni Medico_ + _S.D._ + +Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus +oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae +declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare +medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur. + +Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur +aliud nostra necessitudine dignius. + +Bene vale. + +Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII. + + + + +[Sidenotes: + +_Attentio._ +_Propositio._ +_Laudandi ratio per comparationem._ +_Dignitas et autoritas medicinae._ + _Inventio artis._ + _Torquet exemplum in suum commodum._ +_A difficultate._ + _Longum hyperbaton._ + _Divina res medicina._ + _Laus ab effectu._ + _Ars medicorum et mortuos excitare credita est._ + _Initium vitae medicis debetur._ + _Ab utilitate perpetua._ +_Senectam remoratur ars medicorum._ +_Totum hominem curat medicus._ + _Temperaturam corporis emendat medicus._ + _A simili._ + _Plato._ +_Principibus maxime necessarius medicus._ + _Ab exemplo._ + _Honos habitus medicinae._ + _Honora medicum._ +_A similibus._ +_Sanitatis custos medicus._ + _Exempla._ + _Christus non aegrotavit._ + _Confutatio._ + _Donum curationis._ +_Exemplum._ + _Detorquet._ +_Quibus culta medicina._ + _Moses._ + _Orpheus._ + _Homerus._ + _Moly._ + _Nepenthes._ + _Machaon._ + _Paeon._ + _Chiron._ +_Christus ipse medicus._ + _Paulus medicus._ + _Raphael._ +_A simili._ + _Seleucides._ +_A quaestu._ +_Confutatio._ + _Ex Aristophane._ + _Proverbium._ +_Epilogus._ ] + + + + + DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI + IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ. + + + [Sidenote: _Attentio._] + +Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, +hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari +facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est +fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi +satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur +infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit +effugere. + + [Sidenote: _Propositio._] + +Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni +encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, +admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque +censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem +adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, +quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas) medicae facultatis +dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non dicam explicare, quod +prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo perstringere, ac +veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae opes, per +transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus. + + [Sidenote: _Laudandi ratio per comparationem._] + +Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino +praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate +commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis +praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam +parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato +more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum +contumelia depraedicare. Quin illud magis metuendum, ne domesticas +illius dotes, ne germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana +conditione maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel +aliena contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum +praestigiis sit attollenda. [Sidenote: γνώμη.] Mediocrium est +formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; +res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse. + + [Sidenote: _Dignitas et autoritas medicinae._] + +Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non +magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. +Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam +dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, +velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) +singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, aut certe divinis +honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, quem Illyrici +numinis instar receptum Herculi in honoribus aequarunt. Non equidem +probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium laudo, quippe +quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico nullum satis +dignum praemium persolvi posse. + + [Sidenote: _A difficultate._] + +Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis +diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, +studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne +quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, +discrimina. Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim +fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium +quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas +in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; +exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, +quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur. +Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, +tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. +Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, +luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso +morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit +in corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, +saepenumero venenum erit, quod in remedium datur. Ne quid interim +commemorem saepe fallaces morborum notas, sive coloris habitum spectes, +sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam observes, velut hoc +agentibus malis, ut hostem medicum fallant et imponant. Tantum undique +sese offundit difficultatum, ut mihi difficile sit omnes vel oratione +prosequi. + +Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, +obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac +penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex +omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis +denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, +atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab +ipsis sideribus petere. Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua +viribus animi adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad +salutem universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus +homine maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur? Absit invidia +verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue praedicare. Non me jacto, +sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam proprium dei munus est, +certe datam tueri, jamque fugientem retinere, deo proximum fateamur +oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos soli deo proprium esse +volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut credula, ita gratissima. +Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab Orco +in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, +comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus +catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, +vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant. +Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis est. +Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe +(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra +fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit. +Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert utrum +anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in corpore +sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici +suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur? An non +pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum servare? Atqui +permultos nominatim recenset Plinius libro historiae mundanae septimo, +qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies complusculos +revixerint. + + [Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is + “balis”.] + +Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod +quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus, +cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam +verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi +praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum +solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia. Neque +desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. Hic qui +mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam revocat, +nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus est? Quot +censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum solertia +morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie +mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem +haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi +rationem reperisset? Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul +et nascens salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum +arti vitam debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur +abortus, dum mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum +pariendi facultas datur. [Sidenote: παροιμία] Quod si vere dictum est +illud Deus est juvare mortalem, profecto mea sententia aut nusquam locum +habebit illud nobile Graecorum adagium ἄνθρωπος άνθρώπου δαιμόνιον, +aut in medico fido proboque locum habebit, qui non juvat modo verum +etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac +ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram secundum deum, vitae +parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet, non honoret, non +suspiciat, non veneretur? Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. +Nam reliquis quidem artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate +mortalium omnis vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus +prosperam adesse valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi +medicus ciborum salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, +quam Graeci diaetam vocant, rationem doceat? + + [Sidenote: _Senectam remoratur ars medicorum._] + +Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam +mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum +multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia +senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent +aliquot huius rei testes. + + [Sidenote: _Totum hominem curat medicus._] + +Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit, +imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a +corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se +cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim +corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt. +Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae irae, +fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, temperandae +Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut si vivere +velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a vitiorum +colluvie repurget? Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope +pharmaceutica bilem atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri +spiritus fulcit, mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae +domicilium sarcit, totumque animi habitum commutat in melius, nonne per +exteriorem, ut vocant, hominem, et interiorem servat? Qui phreneticum, +lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum restituit, nonne totum +restituit hominem? Theologus efficit ut homines a vitiis resipiscant, at +medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. Frustra ille medicus sit +animae, si jam fugerit anima, cui paratur antidotus. Cum impium hominem +subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia quaedam praesentanea +pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de castiganda cogitare vita, +hunc qui restituit, alioquin infeliciter in suis sceleribus sepeliendum, +nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab inferis revocat? In eum certe +locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si velit, aeternam mortem +fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui suadentem non audiat? +Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram bilem repurgarit? + +Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab +animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori +illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae +mentis a corporis habitu pendeat. Permultos homines infelix corporis +temperatura, quam Graeci modo κρᾶσιν modo σύστημα vocant, velut +invitos ac reclamantes, ad peccandum pertrahit, dum animus insessor +frustra moderatur habenas, frustra subdit calcaria, sed equum +ferocientem in praecipitium sequi cogitur. Animus videt, animus audit +sed si oculos occuparit glaucoma, si aurium meatus crassus humor +obsederit, frustra vim suam habet animus. Odit animus, irascitur animus, +at vitiosus humor mentis organa obsidens in causa est, ut oderis, quem +amore dignum judices, irasceris cui nolis irasci. Philosophiae summam in +hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi pareant affectus, atque ad eam +rem praecipuus est adjutor medicus, hoc agens ut ea pars hominis vigeat +sapiatque, cuius arbitrio geruntur, quaecunque cum laude geruntur. +Si hominis vocabulo censentur indigni, qui pecudum ritu rapiuntur +cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona ex parte debemus medicis. + + [Sidenote: _Principibus maxime necessarius medicus._] + +Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est +beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est +obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum +tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui +sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua +neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit. Si Caligulae +fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac venenorum scrinia in +perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam sane causam publica +consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, ne princeps usquam +gentium agat absque medicis. Proinde cordati principes nulli unquam arti +plus honoris habuerunt, quam medicinae. Quandoquidem Erasistratus (ut +reliquos taceam) Aristotelis ex filia nepos, ob Antiochum regem sanatum, +centum talentis donatus est a Ptolemaeo huius filio. Quin et divinae +literae jubent medico suum haberi honorem, non tantum ob utilitatem, +verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros benemeritos ingratitudo sit, +in medicum impietas, quippe qui tamquam beneficii divini adjutor, id +arte sua tuetur, quod optimum nobis et carissimum largitus est deus, +videlicet vitam. + + [Sidenote: _A similibus._] + +Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse +quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties +debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. +Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non +magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae +hostibus quotidie depugnat? Reges ceu deos suspicimus, quia vitae +necisque jus habere creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe +vitam non aliter dare possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum +servare dicuntur latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam +dare possunt, quam corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem +accedit medici beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, +cura, fideque sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis? Aliis +in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis animique +periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid in +homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid aliud, +id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id servat, +sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter hominem, +et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia debetur +medico. + + [Sidenote: _Sanitatis custos medicus._] + +Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit +aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? +Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad +licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat. Quid enim hic notissima +referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, Platonem, Catonem censorium, +Antonium, Castorem, cumque his innumerabiles, quorum plerique medicinae +observatione, vitam ab omni morbo liberam neque fatiscente ingenii +vigore, neque concussa memoriae soliditate, neque fractis aut +labefactatis sensibus, ultra centesimum annum prorogarunt? An non +istuc est immortalitatis, quam speramus, hic iam nunc imaginem quandam +exhibere? Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus +assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. +Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos +principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum +nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, +aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe +praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas. Nec +enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam impudenter +solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, somniantes +Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille infirmitatem +vel animi tentationem, vel quod vero propius est, improborum hominum +molestam insectationem appellet. Atque idem ille Paulus, inter +apostolicas dotes, donum curationis recensuit. + +Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et +Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro +medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, +partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium +facientibus. O nova dignitas medicinae. Agitur de capite hominis, et +judicis sententia pendet ex medici praejudicio. Summi pontificis pietas, +si quid indulget, in nonnullis non aliter indulget, nisi medicorum +accedat calculus. Atque in decretis Romanus pontifex episcopum eum, qui +delatus fuerat tamquam foedo immanique morbo obnoxius, ex medicae rei +judicio censet aut amovendum episcopatu, aut suo loco restituendum. +Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod faciendum +est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc est artis +et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, velut +ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante. Quin ii +quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e corporibus humanis +exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his morbis, qui +secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque vitiant, et adeo +daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis medicis discerni +non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut fertur illorum +varia natura, qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus +intimis animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In +cuius rei fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, +quaeso ut me patienter audiatis. + + [Sidenote: _Exemplum._] + +Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste +quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus +in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice +loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus +rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam? At is hominem +facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus sibi, teutonice nec +loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere daemoniacum fuisse +contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat artem, cui +compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in restituenda +vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum ministrae, tum +aemulae. Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, +quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea +praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non +credit. + + [Sidenote: _Quibus culta medicina._] + +Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et +spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis +ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus +praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses +ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse +creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla +prodidisse legitur. Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum +fons, plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. +Is et Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, +efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac +Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat +in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat. Porro +Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte praestantes, +saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum heroibus, +verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet +subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, +atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae +ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, +huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: +[Sidenote: ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων] Unum medicum pluris +habendum, quam caeterorum hominum permultos. Rursum alibi medicum ita +notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, palam testans id quod res est, +hanc artem non una aut altera disciplina, sed omnium artium cognitione +circuloque, tum praeter exactum ingenium, multo etiam rerum usu +constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem quandam tribuebat +antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen reliquisse legitur. Atque +ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem censorium, +Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel studiis, vel +negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde regnum, alioqui +locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum miraculum, quam rei +medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum declaravit, qui artis +huius commentationes, et exemplaria, effectusque in arcanis reliquit, +ut autor est Plinius. Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine +celebratur. Nunc fere regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. +At olim populi Romani principibus nihil magis erat curae, quam ut ex +longinquo novis importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo +illi tum orbis domino aliud erat munus gratius. + + [Sidenote: _Christus ipse medicus._] + +Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese +non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus +est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum +Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum +illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum +adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum +insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille +nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur. Neque +deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc usum rebus +a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, mandans ut +hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes inquit, morbis +illorum, et ungentes oleo. Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum +vini praescribit usum, ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne +palam medici partibus utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum +Raphael angelus Tobiae caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit +apud arcanarum rerum studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, +cuius cognomento divinae illae mentes insigniuntur. + +Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam +oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu +perversissima hominum judicia. + +Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne +quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id +quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, +in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur +alienum judicium. Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi +paucis contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe +partem eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat +quemquam nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, +sed ab improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur. + + [Sidenote: _A simili._] + +Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile +fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae +utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut +hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum +illae ingruente bruma devolant. At quanto sincerior amicus medicus, qui +Seleucidum avium exemplo, quas narrant nusquam a Casii montis incolis +conspici, nisi cum illarum praesidio est opus, adversus vim locustarum +fruges vastantium, rebus integris ac laetis nusquam sese ingerit, in +periculis, in his casibus, in quibus uxor ac liberi saepe deserunt +hominem, velut in phrenesi, phthiriasi, in peste solus medicus +constanter adest, et adest non inutili officio, quemadmodum plerique +caeterorum, sed adest opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum +morbo dimicans, nonnunquam suo quoque periculo. Et o plus quam ingratos, +qui talis amici officio servati, jam depulso periculo medicum odisse +possunt, ac non potius parentis vice colunt ac venerantur. Vulgarem +amicum, qui subinde salutat obvium, ad coenam rogant, qui latus claudit, +officio pensant, et talem amicum ubi desierint egere, aversantur? Et ob +hoc ipsum aversantur, quod intelligant illius officio nullam meritis +parem gratiam rependi posse. + +Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec +optimo cuique viro discenda est. + +[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et +haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant. +Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans, +plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui +pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum +ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest +incolumis possessio, nisi valet possessor? Proinde leges priscorum, cum +nondum quaestus et ambitio corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, +ut corpora civium essent valida, robusta, beneque temperata. Ea +res partim pendet a nativitate, partim ab educatione, partim ab +exercitamentis, et victus ratione, nonnihil etiam ab aedificiorum modo. +Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora jungebant +matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui balnea +publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges +sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam +excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum +venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes +fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si +tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum. + +Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit +administrari.] + + [Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased): + + The text printed in brackets does not appear in the editions of + Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus + (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of + Erasmus’ works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected + edition by Clericus (Leiden 1703).] + + [Sidenote: _A quaestu._] + +Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque +metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit +aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim +ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea. +Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab +Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur. +Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum servatori +capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia depugnabant? Quid ego +nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, Albutios, quibus Romae +tum apud principem, tum apud populum immodicum quaestum fuisse refert +Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis aetatibus repetimus, quasi +non hodie cuique complures succurrant, quos haec ars ad Croesi opes +evexerit? + +Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat, +esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina +quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita +rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut +alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis +damnari possit. + +Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor +frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum +quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur +viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud +Graecorum proverbium, τὸ τέχνιον ἡ πᾶσα γῆ τρέφει. + + [Sidenote: _Confutatio._] + +Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum +esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut +quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum +est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur. +Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et invitos. +Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille +moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem +ingratitudinem. + +Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres +audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni +non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum +professionem non ferret homo mere Romanus. Isque tantum tribuit +experientiae, ut artem esse noluerit, sed idem universam Graecorum +philosophiam ex urbe pellendam censuit. Existimabat homo durus, ad +purgandum hominis corpus sufficere brassicam et crebros vomitus, et +tamen ille ipse medicorum hostis observatione medicinae, in extremam +usque senectutem robur infractum tutatus scribitur. + +Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine +magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum +impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt +facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter +pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit. Quasi vero +felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, turgescere cervisia, +sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est oratione refellere, +cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant arti, mox podagra +contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, caecutientes ante +senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, exemplo Stesichori, +seram canunt palinodiam miseri. Et tamen his licet indignissimis, artis +bonitas non gravatur esse praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex +vetere comoedia scommate, vocent medicos σκατοφάγους. Quasi vero non +isto nomine vel praecipue laudari mereantur, qui quo subveniant hominum +calamitatibus, ex illa sua sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. +Quod si medicis tantum esset supercilii, quantum istis est procacitatis, +liceret passim impune mori. Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus +commune, ut bene faciat ac male audiat. + +Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt, +cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena +ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male +consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam +detorquere? Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae +ac piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta +professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus +optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui +censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus, +quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant. +Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum dari +Graecorum proverbio, πολλοὶ βουκένται παῦροι δέ τε γῆς ἀροτῆρες. +Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates +sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque +tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi +conspicimus. + +Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut +difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod +initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes +summatim complecti. + + [Sidenote: _Epilogus._] + +Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam +omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius +inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non +alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit. Si magni fiunt, quae +summis viris probantur, haec summos reges, haec primates non solum +delectavit, verum etiam illustravit. Si difficilia quae sunt, ea sunt +et pulchra, nihil hac operosius, quae tot disciplinis, tantarum rerum +pervestigatione usuque constat. Si dignitate rem aestimamus, quid +excellentius, quam ad dei benignitatem proxime accedere? Si facultate, +quid potentius aut efficacius quam totum hominem certo exitio periturum +sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque necessarium atque id +sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, quid honestius, quam +servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus neque maior est, neque +latius patet. Si compendio, aut haec in primis frugifera sit oportet, +aut ingratissimi mortales. + +Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc +pulcherrimo genere professionis excellere. + +Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc +nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes +est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo +mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi. + + + Dixi. + + +[Errata noted by Transcriber: + +[Sidenote] +Laudandi ratio + _text reads_ Laudandiratio +propter arctissimam amborum inter se cognationem + _text reads_ intet se +[Sidenote] +Honora medicum. + _text reads_ honara +[Sidenote] +ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων + _spelling ἰατρὸς as in original_ +Timetheo suo + _spelling as in original_ +qui mutatis aedificiis + _text reads_ aedifiiciis ] + + + * * * * * + * * * * + + + _Erasmus van Rotterdam + aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1] + den voortreffelijken medicus._ + + +Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam +mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik +mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over +„den lof der geneeskunde“. Terstond besloot ik de niet zeer goede +redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door +Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge +vinden. + +Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid +jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal +gegeven worden. + +Het ga U wel. + +LEUVEN, den 13den Maart, 1518. + + [Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).] + + + + +REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE. + + +Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en +zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer +verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid +begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik +noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal +weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren +zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal +ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna +goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een +alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord +is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken. + +Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer +voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een +jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie +van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd +en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe +aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw +gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding +wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven, de +waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische +wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat +een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in +het kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten +van een zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter +traliën, aan de blikken der studenten te vertoonen. + +Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in +het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan +voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. +Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo +voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare +vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij +het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen +tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te +doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht +plaatst. Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg +zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en +aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver +achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan +verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf +door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet +opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid +kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer +kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in +waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven. + +In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere +wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons +leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der +geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd, +hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare +uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo +en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten +gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst, +òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, zooals bij +voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god opnamen en op +dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik natuurlijk niet +goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs ik hun gevoel +en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op die wijze tot +uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren geneesheer nooit +te groote belooning geschonken kan worden. + +Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid +van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil +in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en +levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden +kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen +van de overige geneesmiddelen; vervolgens, hoevele soorten van ziekten +er bestaan, waarvan er volgens Plinius driehonderd met name zijn +overgeleverd, nog daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, +waarvan hij het oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar +eens een voorbeeld te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts +alleen inhoudt; en zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er +dagelijks bijkomen, en wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge +afspraak den strijd met onze wetenschap hadden aangebonden, om +nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen van +vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten gevolge +heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet eens +medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, val, +fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, welke +gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der ziekten; +indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er verbonden +is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk +moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als +geneesmiddel toedient; terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de +dikwijls bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur +beschouwt of de teekens der urine onderzoekt of den polsslag +waarneemt, daar het den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op +toeleggen, om haar vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; +als men dit alles nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel +moeielijkheden op, dat ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen +opsommen. + +Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig +te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te +onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na +doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten +de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden, +struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de +vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame +geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan +zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren +te ontleenen; deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo +moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen +en zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil +van het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het +algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te +zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand +gebracht worden? Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij +geoorloofd dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te +verkondigen. Ik verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. +Immers, hoewel het schenken van het leven slechts een voorrecht +van de godheid is, zoo moet men toch toegeven, dat dit leven te +kunnen beschermen en vast te houden, als het ons wil ontvlieden, +de goddelijke macht zeer nabij komt. Ofschoon zelfs niet het +eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend aan God toeschrijven, door de +ouden aan het gebied der geneeskunde onttrokken werd, die daardoor wel +hun lichtgeloovigheid, maar toch ook hun groote dankbaarheid toonden. +Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de zoon van +Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het leven +teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die +gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over +wien reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, +van den brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De +geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een +leeuw en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven +teruggebracht zijn door een kruid, dat „halis“[2] heet. Ook getuigt +Juba, dat in Afrika door middel van een kruid iemand weer in het +leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om bekommeren, als +er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof sloegen; toch +vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de geneeskunde, +hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, tot +de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog +buitengewoon is. Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan +het leven teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de +godheid opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden +teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de +kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg +van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en, +reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden? Of komt +het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen herleven of +iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En toch noemt +Plinius in het zevende boek van zijn „Historia Naturalis“ zeer velen +met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis gedragen te +zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na verscheidene +dagen, weder herleefden. + + [Voetnoot 2: In Plinius staat „balis“ (Vertaler).] + +Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven +heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze +wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den +Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch +niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. +Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, +als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij +voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, +diepe onmacht, verlamming en beroerte. In iederen tijd en bij ieder +volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die +den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het +leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een +welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen +zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de +schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard +der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden +ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren +zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de +gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. Ja, reeds +aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met +het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp +der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken +hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een +ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht +om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid +tot baren gegeven wordt. En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God +kan den mensch helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende +Grieksche spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo +ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken +geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij +dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven +niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, +beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief +heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet? Wier +hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige +wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde, +gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust +het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen +ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten +verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat +kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen +heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van +onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde? + +Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan +ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt +hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval +geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de +zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een +kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; +er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven. + +Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des +menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen +mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar +het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe +verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen +gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar +beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. Wie spoort +den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding, +soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid, +het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het +maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den +zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat +vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden? Hoe +dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het +voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de +verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der +hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den +verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt +in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg? +Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk +ook den innerlijken? Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, +razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, +geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? +De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot +bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek +daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer +stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds +ontvloden is. Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een +verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat +onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan +benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn +levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest, +welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven +worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel +uit het schimmenrijk teruggebracht heeft? In ieder geval plaatst hij +hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht +heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de +theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan? +Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst +de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft? + +Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige +deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van +de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en +zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede +geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid +afhankelijk. Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der +lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer +systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en +terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen +wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de +zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te +volgen. De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar +verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt +zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de +ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van +den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw +liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij +niet zoudt willen vertoornd zijn. Plato erkent, dat de gansche +philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan +de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer, +die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den +mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles +geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den +naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren +door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel +aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn. + +Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het +bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe +grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt +bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van +dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote +verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één +zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij +raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn +kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven +heeft. Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in +zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en +vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is +het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik +geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben +verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan +de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen), +een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus +door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. Ja, ook de +Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende +eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne +onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons +verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het +niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer +goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware +God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en +dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven. + +Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin +van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, +mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen +verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd +zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den +vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger +mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden +van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot +koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig +kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen +dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het +leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij +ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben, +wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij +toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter +bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den +geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door +zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods +terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar +hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, +in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er +groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en +dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, +aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen +zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de +mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den +geneesheer voor alles dank geweten worden. + +Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan +zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf +herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van +ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, +zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der +geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe +behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras, +Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen +met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde +zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en +zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het +gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan +honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een +beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen? +Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze +onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon +sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde +Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook +in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna +allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, +gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te +beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat +zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar +ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd +tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar +zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen +leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, +wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus +heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de +gave der genezing geteld. + + [Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, + onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).] + +Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor +verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich +vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in +quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in +eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een +menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af +van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade +verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer +gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop +beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te +lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot +verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de +goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den +raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht, +dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor +zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die +het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die +wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij, +die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen +drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij +die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of +andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de +aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door +zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het +duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende +soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling +kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de +schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen +betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering +uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, +verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren. + +In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd +beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, +Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van +wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin +bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke +taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit +gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs +niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten +was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te +verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen +sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat +hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot +nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze +duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen +terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze +geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht +ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten +toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer +voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door +het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke +krachten geacht worden. + +Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen +nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, +goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte +raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde +gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt +immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan +naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en +ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze +Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de +geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de +voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk +melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft +ons immers ook het kruid „moly“ beschreven, dat volgens Plinius +het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen +vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft +en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe +gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. +„smarteloos“) bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen +heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met +eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze +kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar +zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee +aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren +behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van +alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter +heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep +door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat +één arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders +wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is, +hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de +geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den +geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische +kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde +Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van +goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend +boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato, +Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar +met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig +bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts +spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer +door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn +wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn +geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een +waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, +voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende +kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap +gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift +zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke +eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar +oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets +zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren +van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de +wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer. + +Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, +geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor +wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, +zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel +bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat +gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde +bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog +aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; +niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van +ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de +geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene +goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel +van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn. +In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de +apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst +hunne gastheeren aan zich te verplichten „door“, zoo luiden Zijne +woorden, „hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven“. +Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn +voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke +uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover +verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek +de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de +blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde +wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden! + + [Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, + waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, „goddelijk + wezen“ beteekent. (Vert.)] + +De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze +wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder +onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen! + +Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen +valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval +toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; +hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, +wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken +vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid +gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van +anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap +slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun +geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat +gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door +iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de +moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de +kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte +geneesheeren. + +Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de +vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En +diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in +tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl +het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in +ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het +land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe +oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de „Seleucides“ +genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het +Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne +hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen +vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige +omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin +vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij +waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij, +en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar +als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte +kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet +meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een +vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer +kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten? +Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige +ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens +vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend +wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze +afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen +belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te +wegen. + +Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het +meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle +uitstekende mannen geleerd worden. + +[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, +plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. +Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de +daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard +der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, +dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams +gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben +vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want +wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de +bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen +heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de +lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. +Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van +de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van +de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de +wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten +huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst +nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de +weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen +van moerassen, epidemieën voorkwamen en er voor waakten, dat geen +spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht +werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te +maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door +aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk +verspreid worden. + +Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der +geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.] + + [Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] + geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel + 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook + in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de + eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus + Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van + Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)] + +Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever +afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen +zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te +verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij +geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was +ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, +zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik +reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door +Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven +belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte +niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor +welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe +nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie +Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als +onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven +wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, +alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest +staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden. + +Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in +uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst +gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager +inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde +onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij +er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op +ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch +helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den +kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend +kan veroordeeld worden. + +Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld +te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de +Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De +medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld +door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep +meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de +geheele aarde voedt het ambacht.“ + +Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier +zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn +verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een +broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om +tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit +hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te +ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, +aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend +geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den +patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet +erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort +volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone +ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet. + +Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap +zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook +tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel +de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, +maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, +waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen. +Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe, +dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan +ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den +Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie +uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het +menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En +toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming +der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn +krachten onverzwakt behouden heeft. + +Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van +straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede +geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet +alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever +de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote +macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. +Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het +spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“. Alsof het een groot +geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten +door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van +uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog +deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken +van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar +zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen, +vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht +worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze +van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede +wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet +waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een +scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren „dreketers“. +Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de +wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven +sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen +eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen +vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen +laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat +het goed handelt, maar een slechten naam heeft. + + [Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien + hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door + het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)] + +Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor +geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er +zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die +uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker +dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te +lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken +moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den +godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo +heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker +dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij +dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie +niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige +plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte, +dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder +hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: „velen zijn +ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik wenschte, dat allen +die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep +vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige +woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om +niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al +zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten. + +Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een +grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput +te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, +gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der +geneeskunde in het kort samen te vatten. + +Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid +aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de +noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem +erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. +Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan +geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen. +Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring +van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap +strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen +tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets +oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer +moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel +kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als +wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de +goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat +is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien +een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar +hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder +welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar +hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het +menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen +zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het +financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest +winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren +heeft. + +U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het +voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten. + +U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst +toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, +aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt +uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op +meer dan gewone wijze ten heil zult strekken. + + Ik heb gezegd. + + + * * * * * + * * * * + + +_Erasmus Roterodamus +D. Henrico Afinio Lyrano + insigni Medico + S. D._ + + _Erasmus van Rotterdam + aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1] + den voortreffelijken medicus._ + + [Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).] + +Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus +oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae +declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare +medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur. + + Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam + mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik + mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over + „den lof der geneeskunde“. Terstond besloot ik de niet zeer goede + redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door + Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge + vinden. + +Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur +aliud nostra necessitudine dignius. + + Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid + jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal + gegeven worden. + +Bene vale. + + Het ga U wel. + +Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII. + + LEUVEN, den 13den Maart, 1518. + + + + +DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ. + + REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE. + + +[_Attentio._] + +Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, +hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari +facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est +fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi +satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur +infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit +effugere. + + Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en + zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer + verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid + begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik + noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal + weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren + zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal + ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna + goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een + alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord + is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken. + +[_Propositio._] + +Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni +encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, +admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque +censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem +adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, +quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas) + + Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer + voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een + jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie + van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd + en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe + aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw + gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding + wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven, + + medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, +non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim +modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam +reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere +conspectibus. + + de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid + der medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te + ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de + hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de + dicht opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts + vluchtigjes, als het ware achter traliën, aan de blikken der studenten + te vertoonen. + +[_Laudandi ratio per comparationem._] + +Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino +praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate +commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis +praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam +parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato +more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum +contumelia depraedicare. + + Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in + het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan + voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. + Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo + voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare + vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij + het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen + tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te + doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht + plaatst. + + Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne +germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione +maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena +contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum +praestigiis sit attollenda. [Sidenote: γνώμη.] Mediocrium est formarum, +deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; res per se +vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse. + + Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg + zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en + aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver + achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan + verwijderd, dat zij òf door vernedering van andere wetenschappen, òf + door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet + opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid + kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer + kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in + waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven. + +[_Dignitas et autoritas medicinae._] + +Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non +magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. +Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam +dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, +velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) +singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, + + In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere + wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons + leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der + geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd, + hare toepassing als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare + uitvinders òf geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo + en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten + gevolge van één enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst, + + aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut +Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus +aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac +iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto +fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse. + + òf ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, + zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god + opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik + natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs + ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op + die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren + geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden. + +[_A difficultate._] + +Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis +diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, +studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne +quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, +discrimina. + + Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid + van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil + in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en + levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden + kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen + van de overige geneesmiddelen; + + Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse +prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam +nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in +se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; +exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam +si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur. + + vervolgens, hoevele soorten van ziekten er bestaan, waarvan er + volgens Plinius driehonderd met name zijn overgeleverd, nog + daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, waarvan hij het + oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens een voorbeeld + te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts alleen inhoudt; en + zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks bijkomen, en + wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak den strijd + met onze wetenschap hadden aangebonden, + + Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, +tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. +Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, +luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso +morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in +corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, +saepenumero venenum erit, quod in remedium datur. + + om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen + van vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten + gevolge heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet + eens medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, + val, fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, + welke gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der + ziekten; indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er + verbonden is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk + moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als + geneesmiddel toedient; + + Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive +coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam +observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et +imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile +sit omnes vel oratione prosequi. + + terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls + bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of + de teekens der urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het + den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar + vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; als men dit alles + nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat + ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen opsommen. + +Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, +obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac +penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex +omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis +denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, +atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab +ipsis sideribus petere. + + Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig + te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te + onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na + doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten + de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden, + struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de + vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame + geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan + zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren + te ontleenen; + + Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi +adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem +universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine +maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur? + + deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo + moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en + zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van + het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het + algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te + zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand + gebracht worden? + + Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue +praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam +proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere, +deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos +soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut +credula, ita gratissima. + + Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd + dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik + verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het + schenken van het leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo + moet men toch toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te + houden, als het ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij + komt. Ofschoon zelfs niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend + aan God toeschrijven, door de ouden aan het gebied der geneeskunde + onttrokken werd, die daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook + hun groote dankbaarheid toonden. + + Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab +Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, +comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus +catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, +vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant. + + [Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is + “balis”.] + + Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de + zoon van Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het + leven teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die + gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien + reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den + brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De + geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw + en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven + teruggebracht zijn door een kruid, dat „halis“[2] heet. + + [Voetnoot 2: In Plinius staat „balis“ (Vertaler).] + + Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis +est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe +(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra +fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit. + + Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid + iemand weer in het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om + bekommeren, als er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof + sloegen; toch vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de + geneeskunde, hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, + tot de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog + buitengewoon is. + + Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert +utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in +corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici +suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur? + + Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven + teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid + opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden + teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de + kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg + van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en, + reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden? + + An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum +servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae +mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies +complusculos revixerint. + + Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen + herleven of iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En + toch noemt Plinius in het zevende boek van zijn „Historia Naturalis“ + zeer velen met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis + gedragen te zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na + verscheidene dagen, weder herleefden. + +Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod +quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus, +cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam +verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi +praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum +solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia. + + Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven + heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze + wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den + Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch + niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. + Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, + als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij + voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, + diepe onmacht, verlamming en beroerte. + + Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. +Hic qui mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam +revocat, nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus +est? Quot censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum +solertia morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie +mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem +haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi +rationem reperisset? + + In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te + vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst + verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te + allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden? + Hoeveel menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog + niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten + en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven + niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet + geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen + tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. + + Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens +salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam +debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum +mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi +facultas datur. + + Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende + tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de + heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het + leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar + door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der + vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden + verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt. + +[Sidenote: παροιμία] + + Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto +mea sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium +ἄνθρωπος άνθρώπου δαιμόνιον, aut in medico fido proboque locum habebit, +qui non juvat modo verum etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa +videatur ingratior, ac ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram +secundum deum, vitae parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet, +non honoret, non suspiciat, non veneretur? + + En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God kan den mensch + helpen“, vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche + spreuk „de eene mensch is de god van den anderen“, zoo ergens, hare + toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet + alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder + dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de + geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster, + behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht + en met bewondering en eerbied tot haar opziet? + + Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem +artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis +vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse +valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum +salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci +diaetam vocant, rationem doceat? + + Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van + alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen + tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter + berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er + geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten + verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat + kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen + heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van + onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde? + +[_Senectam remoratur ars medicorum._] + +Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam +mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum +multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia +senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent +aliquot huius rei testes. + + Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan + ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt + hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval + geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de + zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een + kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; + er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven. + +[_Totum hominem curat medicus._] + +Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit, +imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a +corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se +cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim +corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt. + + Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des + menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen + mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar + het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe + verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen + gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar + beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. + + Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae +irae, fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, +temperandae Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut +si vivere velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a +vitiorum colluvie repurget? + + Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot + onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van + droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de + liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met + beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de + medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel + harer ondeugden? + + Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem +atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit, +mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium sarcit, +totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, ut +vocant, hominem, et interiorem servat? + + Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, + hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, + versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de + functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den + verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt + in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg? + Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk + ook den innerlijken? + + Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum +restituit, nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a +vitiis resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. +Frustra ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur +antidotus. + + Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij, + apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij + niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog + bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning + komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in + staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten, + als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden + is. + + Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia +quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de +castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in +suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab +inferis revocat? + + Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming, + beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood + ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij + den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken, + kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig + onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate + zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk + teruggebracht heeft? + + In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si +velit, aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui +suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram +bilem repurgarit? + + In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat + hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood + te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als + deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen + bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid + gezuiverd heeft? + +Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab +animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori +illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae +mentis a corporis habitu pendeat. + + Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige + deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van + de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en + zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede + geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid + afhankelijk. + + Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci modo +κρᾶσιν modo σύστημα vocant, velut invitos ac reclamantes, ad peccandum +pertrahit, dum animus insessor frustra moderatur habenas, frustra subdit +calcaria, sed equum ferocientem in praecipitium sequi cogitur. + + Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der + lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer + systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en + terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen + wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de + zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te + volgen. + + Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si +aurium meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus. +Odit animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis organa obsidens +in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, irasceris cui nolis +irasci. + + De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar + verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt + zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de + ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van + den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw + liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij + niet zoudt willen vertoornd zijn. + + Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi +pareant affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc +agens ut ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur, +quaecunque cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni, +qui pecudum ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona +ex parte debemus medicis. + + Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop + neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen. + En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich + hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht + zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze + verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht + worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten + meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te + danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn. + +[_Principibus maxime necessarius medicus._] + +Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est +beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est +obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum +tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui +sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua +neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit. + + Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het + bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe + grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt + bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van + dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote + verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één + zoo’n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij + raast, o vorst, kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn + kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven + heeft. + + Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac +venenorum scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam +sane causam publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, +ne princeps usquam gentium agat absque medicis. Proinde cordati +principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam medicinae. +Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex filia +nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a +Ptolemaeo huius filio. + + Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij + in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en + vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is + het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik + geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben + verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan + de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen), + een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus + door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. + + Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non +tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros +benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam +beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et +carissimum largitus est deus, videlicet vitam. + + Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer + de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar + ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich + jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, + namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den + geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als + het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het + beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven. + +[_A similibus._] + +Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse +quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties +debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. +Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non +magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae +hostibus quotidie depugnat? + + Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin + van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, + mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen + verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd + zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den + vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger + mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden + van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? + + Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere +creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare +possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur +latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam +corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici +beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque +sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis? + + Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat + zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon + zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze + beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet + ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven + geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in + dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des + lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de + weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld + bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den + muil des doods terugtrekt? + + Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis +animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid +in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid +aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id +servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter +hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia +debetur medico. + + Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, + wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het + leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots + in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, + op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij + datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen + bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den + geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank + geweten worden. + +[_Sanitatis custos medicus._] + +Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit +aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? +Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad +licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat. + + Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan + zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf + herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van + ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, + zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der + geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. + + Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, +Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his +innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni +morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae +soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum +annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic +iam nunc imaginem quandam exhibere? + + Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te + noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, + Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied + voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner + geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd + of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, + meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze + wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij + hiernamaals hopen? + + [Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, + onder wiens leiding Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).] + + Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus +assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. +Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos +principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum +nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, +aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe +praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas. + + Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze + onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon + sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde + Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook + in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna + allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, + gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te + beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat + zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. + + Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam +impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, +somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille +infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est, +improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille +Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit. + + Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons + even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte + wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus + aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene + beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen + noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen + geschonken waren, ook de gave der genezing geteld. + +Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et +Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro +medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, +partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium +facientibus. O nova dignitas medicinae. + + Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor + verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich + vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in + quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in + eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! + + Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici +praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non +aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis +Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo +immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum +episcopatu, aut suo loco restituendum. + + Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des + rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De + pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding + na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een + bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke + ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te + hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop. + + Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod +faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc +est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, +velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante. + + Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, + ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet + worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde + eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld + moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij + beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders + eigendom in bezit houdt. + + Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e +corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his +morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque +vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis +medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut +fertur illorum varia natura, + + Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit + menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, + bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het + eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door + de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door + zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het + duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende + soorten van duivelen bestaan), + + qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis +animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei +fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me +patienter audiatis. + + die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of + dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft + ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. + Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden + één, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te + willen aanhooren. + +[_Exemplum._] + +Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste +quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus +in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice +loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus +rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam? + + In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd + beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, + Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van + wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin + bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke + taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit + gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs + niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten + was? + + At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus +sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere +daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat +artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in +restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum +ministrae, tum aemulae. + + En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te + verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen + sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat + hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot + nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze + duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen + terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze + geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht + ware. + + Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, +quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea +praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non +credit. + + En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan + tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een + roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, + die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der + menschelijke krachten geacht worden. + +[_Quibus culta medicina._] + +Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et +spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis +ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus +praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses +ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse +creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla +prodidisse legitur. + + Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen + nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, + goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte + raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde + gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt + immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan + naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en + ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze + Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de + geneeskracht der kruiden. + + Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons, +plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et +Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, +efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac +Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat +in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat. + + Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron + voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst + zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid „moly“ + beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden + en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de + dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses + beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt + ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. „smarteloos“) bij den maaltijd moet + gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te + verdrijven. + + Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte +praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum +heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet +subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, +atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae +ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, +huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: +[Sidenote: ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων] Unum medicum pluris +habendum, quam caeterorum hominum permultos. + + Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en + Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de + helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp + verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten + den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, + die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht + is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de + uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak + verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele + andere menschen tezamen. + + Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, +palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina, +sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium, +multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem +quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen +reliquisse legitur. + + Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles + onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het + geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere + wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet + alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele + zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere + mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een + bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten. + + Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem +censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel +studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde +regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum +miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum +declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque +in arcanis reliquit, ut autor est Plinius. + + Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato + den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze + wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch + ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet + zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn + wonderbaarlijke kennis van één en twintig talen als wel door zijn + geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een + waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, + voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende + kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap + gevonden zijn. + + Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere +regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani +principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis +importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis +domino aliud erat munus gratius. + + Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. + Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: + spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden + zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als + op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit + ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, + was geen geschenk aangenamer. + +[_Christus ipse medicus._] + +Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese +non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus +est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum +Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum +illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum +adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum +insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille +nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur. + + Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, + geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor + wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, + zegt, dat „zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel + bevinden“, terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat + gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde + bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog + aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; + niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van + ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de + geneesheer naar vermogen na. + + Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc +usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, +mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes +inquit, morbis illorum, et ungentes oleo. + + Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die + van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel + door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin + het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, + terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te + verplichten „door“, zoo luiden Zijne woorden, „hunne ziekten te + genezen en hen met olie te zalven“. + + Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum, +ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus +utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae +caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum +studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento +divinae illae mentes insigniuntur. + + Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van + wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen + openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons + daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der + mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van + de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde + wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden! + + [Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee + woorden, waarvan het eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, + „goddelijkwezen“ beteekent. (Vert.)] + +Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam +oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu +perversissima hominum judicia. + + De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze + wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder + onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen! + +Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne +quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id +quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, +in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur +alienum judicium. + + Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen + valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval + toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; + hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, + wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken + vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid + gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van + anderen. + + Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis +contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem +eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam +nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab +improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur. + + En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap + slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun + geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat + gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door + iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de + moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de + kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte + geneesheeren. + +[_A simili._] + +Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile +fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae +utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut +hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum +illae ingruente bruma devolant. + + Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de + vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En + diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in + tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl + het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in + ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het + land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe + oprechter vriend is echter niet de geneesheer. + + At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo, +quas narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum +praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus +integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus, +in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi, +phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non +inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest +opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans, +nonnunquam suo quoque periculo. + + Evenals de „Seleucides“ genaamde vogels, naar verhaald wordt, + door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden, + dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van + sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich + nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van + gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man + verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij + alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen, + met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in + gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor + zijn eigen leven. + + Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam +depulso periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice +colunt ac venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium, +ad coenam rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum +ubi desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod +intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi posse. + + Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de + dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het + gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als + een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van + tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter + maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met + hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet + meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist + daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot + genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen. + +Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec +optimo cuique viro discenda est. + + Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het + meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle + uitstekende mannen geleerd worden. + +[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et +haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant. +Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans, +plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui +pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum +ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest +incolumis possessio, nisi valet possessor? + + [5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, + plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. + Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de + daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard + der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, + dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams + gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben + vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want + wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de + bezitter niet wel is? + + Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio +corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent +valida, robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate, +partim ab educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione, +nonnihil etiam ab aedificiorum modo. + + Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht + nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der + burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt + deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de + opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de + inrichting der woningen. + + Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora +jungebant matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui +balnea publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges +sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam +excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum +venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes +fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si +tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum. + + De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts + goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat + men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden + en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het + doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën + voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor + de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage + meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen + vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven + visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden. + +Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit +administrari.] + + Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der + geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.] + + [Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased): + The text printed in brackets does not appear in the editions of + Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus + (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of + Erasmus’ works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected + edition by Clericus (Leiden 1703).] + + [Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] + geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel + 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook + in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de + eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus’ werken van Beatus + Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van + Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)] + +[_A quaestu._] + +Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque +metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit +aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim +ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea. +Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab +Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur. + + Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever + afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen + zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te + verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij + geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was + ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, + zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik + reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door + Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven + belooningen begiftigd zijn. + + Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum +servatori capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia +depugnabant? Quid ego nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, +Albutios, quibus Romae tum apud principem, tum apud populum immodicum +quaestum fuisse refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis +aetatibus repetimus, quasi non hodie cuique complures succurrant, quos +haec ars ad Croesi opes evexerit? + + Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen, + betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel + duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de + Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat + zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers + ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die + voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet + ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door + dit beroep ware Croesussen zijn geworden. + +Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat, +esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina +quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita +rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut +alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis +damnari possit. + + Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in + uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst + gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager + inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde + onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij + er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op + ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch + helpt dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den + kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend + kan veroordeeld worden. + +Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor +frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum +quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur +viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud +Graecorum proverbium, τὸ τέχνιον ἡ πᾶσα γῆ τρέφει. + + Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld + te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de + Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De + medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld + door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep + meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de + geheele aarde voedt het ambacht.“ + +[_Confutatio._] + +Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum +esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut +quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum +est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur. + + Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier + zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn + verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een + broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, + om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. + Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te + ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, + aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. + + Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et +invitos. Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille +moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem +ingratitudinem. + + Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos, + desnoods tegen den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid, + voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel + niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden + wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet. + +Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres +audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni +non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum +professionem non ferret homo mere Romanus. + + Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap + zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook + tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel + de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, + maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, + waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen. + + Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed +idem universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit. +Existimabat homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam +et crebros vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione +medicinae, in extremam usque senectutem robur infractum tutatus +scribitur. + + Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde + toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan + ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den + Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie + uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het + menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En + toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming + der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn + krachten onverzwakt behouden heeft. + +Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine +magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum +impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt +facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter +pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit. + + Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van + straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede + geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet + alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever + de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote + macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. + Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het + spreekwoord: „wie medisch leeft, leeft ellendig“. + + Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, +turgescere cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est +oratione refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant +arti, mox podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, +caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, +exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri. + + Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te + worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig + biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand + te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te + bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der + geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra + worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand + verliezen, vóór den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk, + maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen + laster herroepen[6]. + + [Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, + doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en + later doorhet dichten van een palinodie het weer teruggekregen + hebben. (Vert).] + + Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse +praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate, +vocent medicos σκατοφάγους. Quasi vero non isto nomine vel praecipue +laudari mereantur, qui quo subveniant hominum calamitatibus, ex illa sua +sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset +supercilii, quantum istis est procacitatis, liceret passim impune mori. +Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac +male audiat. + + En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen, + ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te + helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie + ontleend, de geneesheeren „dreketers“. Verdienen zij dan niet juist + daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te + heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te + dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de + onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo + maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep + heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een + slechten naam heeft. + +Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt, +cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena +ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male +consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam +detorquere? + + Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor + geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er + zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die + uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker + dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te + lasteren? + + Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac +piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta +professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus +optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui +censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus, +quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant. + + Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken + moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den + godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo + heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker + dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij + dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie + niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige + plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. + + Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum +dari Graecorum proverbio, πολλοὶ βουκένται παῦροι δέ τε γῆς ἀροτῆρες. +Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates +sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque +tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi +conspicimus. + + Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam + konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche + spreuk: „velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik + wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening + van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in + plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen + reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te + streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten. + +Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut +difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod +initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes +summatim complecti. + + Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een + grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput + te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, + gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der + geneeskunde in het kort samen te vatten. + +[_Epilogus._] + +Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam +omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius +inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non +alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit. + + Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid + aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de + noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem + erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. + Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan + geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen. + + Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges, +haec primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si +difficilia quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot +disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate +rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime +accedere? + + Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de + goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer + wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen + niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke + iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met + meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel + kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als + wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de + goddelijke genade het dichtst nabij te komen? + + Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem +certo exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque +necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, +quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus +neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis +frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales. + + Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten + dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan + zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo + onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte + mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd + beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in + het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in + wijder kring. Indien wij eindelijk het financiëel voordeel tot + maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de + menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft. + +Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc +pulcherrimo genere professionis excellere. + + U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het + voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten. + +Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc +nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes +est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo +mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi. + + U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst + toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, + aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt + uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op + meer dan gewone wijze ten heil zult strekken. + + + Dixi. + + Ik heb gezegd. + + +[Errata in Latin text noted by Transcriber: + +[Sidenote] +Laudandi ratio + _text reads “Laudandiratio”_ +propter arctissimam amborum inter se cognationem + _text reads “intet se”_ +[Sidenote] +Honora medicum. + _text reads “Honara”_ +[Sidenote] +ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν ἀντάξιος ἄλλων + _spelling ἰατρὸς as in original_ +Timetheo suo + _spelling as in original_ +qui mutatis aedificiis + _text reads “aedifiiciis”_] + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + +[Illustratie: + +ANTONI VAN LEEUWENHOEK + +LID VAN DE KONINGHLYKE SOCIETEIT IN LONDON + +_GEBOREN TOT DELFT. A. 1632_ + + _Daer leeft een aerdigh Man een wardigh Man en gauw + Die wisse wondren teelt en heeft Natur in ’t nauw + Doorkruypt all haer geheim en opent all haer Sloten + + Syn Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten + Noch kan ontschieten dit’s die dappre man niet maer + Siet scherp toe die hem soeckt ’t gelyckt hem of hy ’t waer_ + + _J. Verkolje pinx. fec. et exc. A. 1686_] + + + + + Den Waaragtigen + + Omloop des Bloeds, + + _Als mede dat_ + + DE ARTERIEN EN VENÆ + + Gecontinueerde BLOED-VATEN zijn, + + _Klaar voor de oogen gestelt._ + + + Verhandelt in een BRIEF, geschreven aan de + Koninglijke Societeit tot Londen. + + door + + ANTONI VAN LEEUWENHOEK, + Lid van deselve SOCIETEYT. + + + + + Antony van Leeuwenhoeks + + 65. MISSIVE, + + Vanden 7. September 1688. + + +HANDELENDE + +_Van tweederley soort van Kikvorsschen. Uyt wat deelen der selver + eyeren bestaan. Dat uyt die eyeren Wormen komen. Van wat maakzel + die Wormen zyn. De circulatie van het bloed op ses distincte + plaatsen aan het hooft van dese Wormen. Continuele schielyke + voortstotinge, die het bloed van het hert ontfangt. Ommeloop + van het bloed op veel plaatsen in de staart van de Kikvors-worm. + Hetgene men Arterien en Venae noemt, zijn gecontinueerde + bloed-vaten. Arterien en Venae die dwers over malkanderen loopen. + De ommeloop geschied in de dunste bloed-vaten. De Circulatie van + het bloed, in kleyne en groote Kikvorsschen. Hoe in een Arterie + het bloed te rug quam loopen, en wat de oorsaak daar van was. De + ommeloop van het bloed in een kleyn Visje, en in desselfs staart + vier-en-dertig byzondere ommeloopen: Ende in het zelvige mede seer + naakt voor de oogen gestelt dat Arterien en Venae gecontinueerde + bloedvaten syn. In een nagel grootte van onse huyd geschieden wel + duysent ommeloopen van bloed. De deeltjens die het bloed in de + Vissen root maken, zyn platte ovale deeltjens. Wat Heeren, onder + andere, de waaragtige Circulatie van het bloed hebben gezien._ + + +Hoog-Edele HEEREN, enz. + +Myn laatste alder-onderdanigsten aan hare Hoog-Edele is geweest den 24. +der voorledene Maand, waar in ik kome te handelen, van de angel van de +Mugge, namelijk dat de selve angel uyt de koker genomen zynde, in vier +distincte angels bestaat. Dat ik Linde Boomen hebbe geplant, welkers +wortels in de lucht tot takken wassen, ende de takken in de aarde tot +wortels zyn geworden. Dat in yder welgemaakte Garst of Tarw al een +Koorn-air geformeert is. + +_Hier nevens gaan weder eenige van mijne geringe Observatien._ + +Wy hebben hier te lande twederley soort van Kikvorsschen; de eerste +soort, die wy seer overvloedig ontrent onse Stad plegen te hebben, +werden ordinair Kikvorsschen genoemt. Welke sedert eenige jaren hier +seer weynig zyn geweest, uyt oorsaak, beeld ik my in, dat onse +stilstaande kleyne water-grachten, na verloop van eenige jaren, met een +ongediert van sekere kleyne vis (daar wy voor desen niet van geweten +hebben, soo veel my bekent is) die wy Stekel-baarsjens noemen, sijn als +vervult geworden, die de Kikvorsschen als die nog wormen waren, hebben +verslonden. + +De kuyt of eyeren van dese Kikvorsschen heb ik in de kleyne +water-gragten, die onse weyden of velden van een separeren, somtyds in +soo een groote menigte byeen zien leggen, dat de superfitie van het +water voor een groot gedeelte beset was. + +De tweede soort van Vorsschen die men hier gemenelijk Worken noemt, die +zyn in veel minder getal, ende die zyn grooter, en ook starker in ’t +voortspringen; welkers achter-lijven of dikste van de achter-pooten by +de France Natie voor goede spijs gebruykt werd. Op dese laatste soort +heb ik veel-maal mijn gedagten laten gaan, eensdeels om dat ik die noyt +en hadde gezien dat die verzameld waren; ende ten anderen, om dat ik +noyt haar Eyeren ofte kuyt en hadde gezien. + +Maar nu op den 29. Mey kome ik wederom in een Weyde, daar in ik sedert +eenige jaren tot mijn vermaak dikmaal hebbe gaan wandelen, en geen +gedachten hebbende tot de kuyt of eyeren van de Kikvorschen, om dat de +tijd van het eyer-leggen van de eerste Kikvorschen al lang verloopen +was, soo gaa ik op het geschreeuw, dat dese Kikvorschen, anders Worken +geseit, soo by dag als nacht in groote hitte doen, aan, en ik beelde my +in dat ik eenige eyeren aan eenig groen gewas, in ’t water sag leggen, +gelijk het inderdaat ook was. + +Dese eyeren en zijn op verre na soo wel, in ’t water leggende, niet te +kennen, als die van onse gemene Kikvorschen, om dat de lijmachtige +stoffe minder in het water uitsteekt, en ook soo veel niet en is. + +Ik liet dan eenig groen gewas daar dese eyeren aan vast saten, aan mijn +huys brengen, en ik leide die, in twee besondere aardepotten, in ons +gemene gracht-water, en ik examineerde alsdoen de eyeren door het +vergrootglas, en sag dat die meest alle aan de eene zijde bruyn waren, +ende dat de ander zijde ofte de wederhelft geelachtig was. Doch als ik +de geseide eyeren des anderen daags ’s morgens wederom besag, bevond ik +dat de geelachtigheid meest weg was, ende dat maar een weinig plaats die +couleur was behoudende: waar uyt ik een besluit maakte, dat dese eyeren +niet lang uit de Kikvorschen geweest waren. + +Vorders nam ik verscheide eyeren uit de heldere lijmachtige stoffe, en +ik bevond doorgaans dat dese lijmachtige stoffe, die haar noch in twee +distincte rontten scheen te separeren, seer stark en taay was, soo dat +die niet als met ontstukken-scheuringe van het rechte Ey en konde +gescheiden worden; en als ik op het aldersachtst daar mede handelde, soo +en behield het ey niet meer zijn rondigheid, maar het berstte en +scheurde als noch van malkanderen. Ik hebbe van dese eyeren verscheide +achter den anderen (als ik die van haar lijmachtige stoffe daar in +deselve lagen, hadde ontbloot) geexamineert, ende gezien dat het dunne +omwindsel meest bestond uit zwarte stipjens, over-een-komende met de +knobbelagtige deelen die het zegreyn-leer heeft. + +Vorders bestont het ey, soo veel my bleek, uit een weinig (in ’t oog) +waterige vogt, en een onbegrijpelyk groot getal van globulen; welke +globulen yder weder bestond uit een groot getal van kleinder globulen, +die yder in ’t midden een grooter globule hadde, soo dat yder eerste +globule wel een ey, met een seer kleine doir verbeelde. + +De figuur van veele van dese eyeren veranderden van dag tot dag: want +die wierden in plaats van rond, langachtig: daar wierden kleine staarten +geformeert. Ook scheent my toe dat ik hoofden zag. + +Ik opende van dag tot dag veel van dese eyeren, ja selfs op den sevenden +dag dat ik de eyeren in mijn huis hadde gehad, als wanneer eenige wormen +of jonge Kikvorschen al soo verre gekomen waren, dat die zig beweegden. +Maar al wat ik zag dat waren niet dan globulen, en schoon ik de jonge +Kikvorsch-worm opende, op die tijd als hy uit zijn lijmachtige stoffe +was gearbeid, en door het water swom, aan de welke ik, geheel zijnde, +de rugge-graat ook konde bekennen, soo en konde ik deselve, ontstukken +snijdende, geen ingewanden, veel min aderen of zenuwen bekennen. + +Het scheen my als doen noch toe dat het het gantsche ligchaam van dat +Dier, uit geen andere deelen en was gemaakt dan uit globulen, en wel +voornamentlijk de buik die geelachtig was, zijnde gemaakt uit dat +gedeelte van het ey dat geel was gebleven, en nu tot de buik was +geworden. Dit quam my vreemd voor, dat ik in soo een groot schepsel, dat +ik voor mijn gezigt doode, geen vaten of zenuwen en konde bekennen. + +Na alle dese mijne Observatien die ik ontrent dese eyeren hebbe gedaan, +konde ik geen ander besluit maken, als dat de lijmachtige stofte die om +het ey leit, alleen geschapen is, om het inleggende ey te bewaren, ende +te beschermen, even gelijk de schillen of schalen van de eyeren van het +gevogelte, het wit en doir bewaren en beschermen. + +En gelijk wy zien dat het ey van een hoen of ander gevogelte gantsch +over gaat tot het Kieken, uitgesonderd alleen de schors van het ey, en +het vlies dat tegen de schors aan sit, en welke beide de binne-stoffe +van het ey bewaard hebben, even soo, segge ik, gaat het gantsche ey tot +de Kikvorsch over, ende de taye lijmachtige stoffe, die om het ey heeft +geseten, die blijven in wesen. Soo dat ik van het Kikvorsch-ey kan +seggen, het gene ik van de Vogel-eyeren gezeit hebbe; te weten, dat het +gantsche Kikvorsch-ey alleen geschapen is, om het dierken uit het +mannelijk zaad te voeden en groot te maken, tot dat het voor zig selven +kan voedsel soeken. + +Als ik sag de menigvuldige lucht-bellekens die in dese lijmachtige +stoffe waren, nam ik in gedagten, dat die alleen geschapen waren, om de +eyeren als dese Kikvorschen in ’t water groente mogt ontbreeken, om de +zelve daar aan te hegten, dat die dan door behulp van de lugtbellen, op +de superfitie van het water soude konnen drijven, om de warmte van de +lugt te hebben, ende daar door als uitgebroeid te werden. + +Ik heb dese jonge Worken, of Kikvorschen, jong zijnde, verscheyden malen +geobserveert, en om dat ik wist dat de Heer _Doctor Swammerdam_ daar van +geschreven hadde, zyn Observatien nagezien, die in zyn uitlegginge pag. +35, onder andere dus spreekt. + +_Het tweede getal verbeeld de manier op welke het Vorschen-jong, het +genoemde teer en dunne vlies, waar in het op de wijse der bloedeloose +dierkens, in de vierde ordre voorgesteld, verborgen is; komt af te +stroopen. Soo dat het selve midden in zyn verwydert, ende in het +ingedronge water, uytgedyde voedsel, als een swart en dik-hoofdig +Wurmken sig vertoont. Dan ’t geen gemenelyk voor het hooft genomen werd, +is het geheele lighaam te samen, als den onvergelykelyken Harveus seer +wel aanteekent._ + +Dat nu _Harveus_ of _Swammerdam_ aan de jonge Kikvorsen soo als hy van +het ey tot een worm is geworden, geen hooft en heeft gezien, sal +apparent zyn, om dat zy deselvige niet door het vergrootglas +geobserveert hebben. + +Fig. 1 werd het ey van een Kikvors of work vertoont, soo als het in zyn +omleggende tay en slijmerige vogt leyt, en wanneer het soo verre +toegenomen is, dat het zig beweegt, soo is de staart van het Dierken +noch in de vocht wat krom gebogen. + +Fig. 2 vertoont de grootte van het Dierken, soo als het zyn volkome +grootte uit het ey heeft ontfangen, ende soo verre gekomen was, dat het +selvige door het water konde swemmen, het welke by my daar uytgenomen +zijnde; op een glas was geleyd, ende also was gestorven, ende gedroogt. + +Fig. 3 A B C D E F. vertoont het zelvige Dierke, soo het den Teykenaar +door het Vergroot-glas heeft gesien, aan het welke men hier distinct het +hoofd van het verdere lichamen kan onderscheiden, als hier met A B F. +werd aangewesen. + +F E. is de buik van het Dierken, die geelachtig is, gelijk ik hier +vooren geseid hebbe, dat yder ey een geelagtig stipje behoud, welk +stipje de buik van het Dierken werd. Doch dese buik en is soo niet +geteikent, als die sig quam te vertoonen, want die was soo geborsten en +van een gescheurd, dat die niet dan uit groote globulen en scheen te +bestaan. + +Met C D E. werd aangewesen de staart van het Dierken, Waar in men seer +naakt de graat konde bekennen, die hier ook soo verre is afgeteikent als +den Teikenaar die konde zien, en schoon ik veel maal de staart van dese +Dierkens, daar de graat haar in vertoonde van malkanderen separeerde, +soo konde ik egter aldaar dan geen andere deelen bekennen dan globulen. + +Dese Dierkens of Vorschen-wormen, maken een seer starke beweginge met +haar staart, als sy voortswemmen, en soo ras als de beweginge van haar +staart komt op te houden, soo sinken sy schielijk na de grond, waar uyt +dan blijkt, dat sy veel stof-swaarder zijn, dan het water selfs is. Doch +dese Dierkens is wederom ingeschapen, dat sy haar met haar hoofd (noch +klein zynde) aan een glas konnen vast hechten, soo dat sy aan alle +dingen die in ’t water zyn, konnen vast blijven, en alsoo rusten, sonder +dat hare lichamen op de grond komen te leggen. + +Vorders heb ik een Kikvorsch-worm, soo als die in ’t water leefde, en +sich aan het glas hadde vast gehegt, voor het vergrootglas gestelt, ende +deselvige alsoo den Teykenaar in de hand gegeven, om af te teikenen het +gene hy quam te zien. + +Fig. 4. G H I K L M N O P Q R S. vertoont de Kikvors-worm, soo als hy +levent in ’t water aan het glas sig hadde vast gehegt, en met de buik na +het gesigt toe geplaatst was, en welke Worm maar eenige uren daar te +vooren uyt sijn slym, daar in hy hadde gelegen, was uyt geswommen. + +Met L M N O P. werd aangewesen het hooft. Ende met H I R S. werd +aangewesen, de buik; ende met G H S. de staart. Bovenop het hooft van +dit Dierken vertoont sig een gedeelte van de huyt, die haar dikte boven +de andere huyt is uytstekende, soo dat ik hier gedagten hadde of dit +niet een gedeelte van de huyt was, waar mede het gantsche Lighaam van +het Dierke op nieuw soude bekleet werden, als hier met M N O. werd +aangewesen. + +Met T. werd aangewesen de mont, die ik niet en hebbe konnen sien, dat +het Dierke, dus jonge sijnde, beweegde. V V. sijn twee bruyne plekken op +het hoofd van het Dierke die in dit seer rond waren (daar deselve in +andere Dierkens op verre na die ronte niet en hadde) en by eenige wel +voor de oogen souden aangesien worden. Dog de oogen en konnen in +soodanigen gedaante niet gesien werden, om dat die dus van ons gesigt +afstaan. I K L. ende P Q R. sijn ses doorschijnende uythangende deelen, +die aan yder sijde van het hoofd drie sijn. + +Dese deelen sijn alleen de oorsaak dat ik de Kikvors-worm hebbe laten +afteykenen: want in yder van dese deelen sag ik met een groot vermaak +seer distinct de ommeloop van het bloet, het welke uyt die deelen die +naast het lighaam lagen wierd voortgestooten na de buytenste sijde van +de selve, en volbrengende alsoo een continuële seer schielijke +omloopinge. Deze omloopinge en hadde geen egale beweginge, maar die +wierd in seer korten tijd, ende dat continueel, op nieuw met een seer +schielijke voortstootinge te weeg gebragt; en eer dat dese seer +schielijke voortstootinge geschiede, souden wy (by aldien wy geen +continuële verheffinge in de loop hadden gesien) geoordeelt hebben, +datter een stilstant van loop op soude gevolgt hebben; dog de loop van +’t bloet en begonde niet te vertragen, of daar quam op nieuw weder een +seer schielijke verheffinge van een voortstootinge: soo datter in ’t +bloet van dit Dier, een continuele voortlopinge geschiede: en als ik met +een naeuwkeurige opmerkinge de korten tijd waar in yder voortstootinge +op nieuw geschiede, tragte af te meten; moet ik seggen; dat een vaardige +mond, soo ras geen hondert soude tellen, of daar geschiede in dese +bloet-vaaten wel hondert schielijke voortstootinge van bloet. Hier uyt +stelde ik vast, dat soo menigmaal als dese seer schielijke +voortstootinge wierd te wege gebragt, dat soo menigmaal het bloet uyt +het Hert wierd gestooten. Ja ik sag deze beweginge soo net (dat alle de +voortstootinge van het bloed uyt het Hert, ende de overgang van de +Arterien, daar die in malkanderen vereenigen, tot inde Vena) geschieden, +als ik, of ymand anders, sig eenigsins soude konnen imagineren. + +Dit gesigt, tot mijn over groot vermaak veelmaal hebbende beschoud, +wilde ik niet verbergen; maar hebbe het selve aan vijf voorname Heeren +vertoont; die my verklaarden noyt iets van my gesien te hebben, dat soo +waardig was geweest te aanschouwen. Ik moet hier nog byvoegen, dat soo +dit bloet een egale dunne vogt hadde geweest, wy het selvige onmogelijk +souden hebben konnen bekennen: maar nu het bloet bestond uyt een seer +heldere vogt, vermengt soo het in ’t oog scheen met kleinder en grooter +globulen, die, al-hoe-wel geen couleur en hadden, egter seer klaar +konden gesien werden, soo was de bekentenisse van den ommeloop soo veel +te naakter. + +Als dese Worm-kikvorschen eenige dagen out waaren geworden, soo en konde +ik geen van alle dese ses uythangende deelen (daar in yder van deselve +de ommeloop van ’t bloet geschiede) meer sien, maar als dan scheen het +my toe dat die met een huyt waren overtrokken. + +Ik konde ook als doen aan yder sijde van het hoofd, wel soo een seer +schielijke beweginge (als hier vooren is geseit) sien, maar ik konde +geen ommeloop van het bloet gewaar werden. So dat ik als doen ook geen +hoofd van het lighaam meer en konde onderscheiden, want dat scheen aan +malkanderen te sijn vereenigt. Wanneer dese Worm-kikvorschen, omtrent +agt a thien dagen out waren, en omtrent tweemaal in groote waren +toegenomen, soo sag ik dat haar mond met op en toedoen, so een +schielijke continueele beweginge hadde, als ik hier vooren geseit hebbe +van de beweginge van het bloet: en als doen waren de tanden boven en +onder in de mond sodanig uytgewassen, dat ik die perfect konde sien: +Dese tanden waren in soo groote menigte, en stonden in sodanigen ordre, +als een rije tanden staan, in de mond van een vis die wy een zeehaye +noemen. + +Met dese mijne observatien heb ik my niet vergenoegt gehouden, maar ik +hebbe alle mijne kragten ingespannen, omme de geseide ommeloop des +bloets te vervolgen, en hebbe dese Wormkikvorssen, agt a thien dagen out +sijnde, op alle bedenkelyke manieren geobserveert, en hebbe van binnen +in ’t lighaam sien bewegen een klein deeltje, dat ik my imagineerde het +hert te sijn, als wanneer ook de stoffe die in het selvige was, en daar +uyt wierd voortgestoten, al een roode couleur begonde aan te nemen. Dit +deel, dat ik voor het hert aan sag, hadde zoodanige schielijke beweginge +als ik geseit hebbe dat inde bloet-aderen geschiede. Voorts soo dikmaal +als ik sag dat dit gepresumeerde hert, sig beweegde, soo menigmaal +wierden ook de oogen van het Dier een weinig bewogen: soo dat ik my +inbeelde dat de beweginge van de oogen alleen van de beweginge van het +hert en mond afhingen. Welke oogen, soo in uytpuylende ronte, als in +swartigheid in ’t midden, my ook soo naakt voor quamen, als eenige oogen +van een klein Dier, ons aan het bloote oog konnen vertoonen. + +Wanneer ik de buyk van soodanigen Dier als dan quam te openen, sag ik +dat de darmen gevolt waren met een bruynagtige stoffe, ende dat die in +een ronte lagen geschikt. + +Als ik quam tot het examineren van de staart van dese kleine Worm, soo +overtrof dat vermakelyk gesigt alle de beschouwingen, die myn oogen van +haar leven hadden gesien; want hier ontdekten ik meer dan vijftig +ommelopen van bloet, op bysondere plaatsen, als ik het dierken maar tot +myn genoegen in ’t water levende, en stil leggende, voor het +vergroot-glas konde brengen. Want ik sag niet alleen dat het bloet op +veel plaatsen door seer dunne vaatjens uyt het midden van de staart +wierd gevoert na de buytekant van de selve; maar dat yder soodanig +bloet-vat, sig met een kromte boog, en het bloet weder voerde na het +binnenste of dikste van de staart, om het selvige weder soo na het hert +te voeren. Soo dat my hier bleek dat de bloet-vaten die wy in dit Dier +sien, en de Arterien en Venae noemen; maar een ende de selve bloet-vaten +sijn; alleen, datse soo lang Arterien konnen genaamt werden, als sy het +bloet tot in de uyterste deelen van de kleyne vaten voeren; ende Venae, +als de selve het bloet weder voeren na het Hert. Als by exempel, ik sie +veel bloed-vaatjens in de staart van de Kikvorsworm, die haar loop +hebben als Fig. 5. A B C. waar van A. en C. na de graat van de staart +sig strekken, of geplaatst leit; ende B. leit gestrekt na de uyterste +deelen van de staart. A B. voert het bloed van het hert af; ende B C. +voert het bloet weder na het hert toe: en dus konnen wy seggen, dat het +bloet-vat A B C. een Arterie ende een Vena is, want wy konnen dit +geseide bloet-vat niet verder een Arterie noemen, als soo verre als hy +het bloet weg stoot, of op het verste in de selve voert, dat is hier van +A. tot B; ende wy konnen of moeten B C. een Vena noemen, om dat het +bloet van B. tot C. weder na het Hert gevoert werd. Ende dus blijkt het +ons hier dat Arterie ende Vena een ende deselvige continuële vaten zijn. + +Daar ik de ommeloop van het bloet in de Aderen dus quam te sien, waren +de Aderen, niet wyder, als dat een enkel deeltjen bloed (dat in dit +gesigt globulen schenen, daar het nogtans platte ovale deeltjens sijn, +als voor desen geseit) daar sonder hinder door konde passeren. Dog op +een ander tijd sag ik dat de deeltjens bloet om de dunte van de +Bloet-ader, in een lang rond veranderde: en wanneer ik het Dierke buyten +het water bragt, en soo verre quam dat het begonde te sterven, sag ik +dat het bloet inde dunste Arterien, somtijds stil bleef staan; en als in +de selve Ader het bloet op nieuw wierd voortgestoten, sag ik dan dat +verscheide deeltjens bloet, wel tweemaal soo lang wierden uytgerekt, als +de breette van soodanig deeltjen, ende dat die dan aan beide de eynden +spits schenen. Op een ander plaats sag ik dat het bloedt sig uit een +dikker Arterie in twe takken verdeelde: als by voorbeeld: Ik sag de +Arterie Fig. 6A. D E. die sig in twee takken verspreide, als in E. en +yder van dese takken, boog in de ronte met een bogt; als met E F. en +E G. werd aangewesen. Soo wy nu stellen dat D E F. ende D E G. Arterien +sijn, om dat die het bloet van het Hert afvoeren, so moet volgen, dat +F H. en G I K. Venae sijn, om dat die beyde het bloet na het Hert +voeren. + +Nu heb ik ook te gelyk gesien, dat een weinig van K. een andere kleynder +of dunder Arterie lag, die met M L. werd aangewesen. Dese laatste +Arterie vereenigde in de Vena I K. soo dat de Arterien D E G. ende M L. +beyde te samen vereenigde in de Vena I K. In somma in de Fig. 6A. is +H F. een Vena. D E F. ende D E G. sijn Arterien. G I K. ende K I L. sijn +Venae, ende M L. is een Arterie, en nogtans konnen wy seggen, dat het +een continuëel vat is. + +Op een andere plaats heb ik gesien dat drie van de dunste Arterien, +die yder met een bogt omlopende, alle drie op een punct weder te samen +quamen, ende aldaar een bloet-vat of Vena uit maakten: en by gevolg +was dit bloet-vat soo wyt als van de drie geseide Arterien. Dese drie +distincte vaten nu met haar rondagtigen ommetrek, waar in de circulatie +geschiede, en besloegen geen meer plaats, of een sant grootte soude de +selve konnen bedekt hebben. + +Ook is my verscheide malen voorgekomen, dat een Arterie dwars of +kruyselings over een Vena quam te loopen, ten ware men yder sijn +bysondere loop niet distinct hadde konnen onderscheiden, soo souden +veele wel geoordeelt hebben, dat de circulatie aldaar wierd te wege +gebragt, ende dit sag ik niet alleen in de alderkleinste vaten, maar in +vaten die wel tienmaal dikker waren als daar de ommeloop geschiede. + +Dese overdwars lopende bloet-vaten, sijn my voor desen veel te vooren +gekomen, als ik in andere Dieren de vereeningen van de Arterien en Venae +tragte te ontdekken; dog alsoo het by my vast stond dat de ommeloop van +het bloet, niet in de vaten die groot waren, moste geschieden; maar in +de kleinste of dunste bloetvaten: want soo sulx anders was, so stel ik +vast dat alle de delen van het lighaam niet gevoet soude konnen werden. +En also voor my die ontdekkingen onnaspeurelyk scheenen, soo heb ik +sedert eenige jaren myne ondersoekingen daar ontrent gestaakt. Soo wy +dan nu seer naakt voor onse oogen sien dat het overgaan van het bloet +uyt de Arterien in de Venae, in de Kikvors-worm, in geen andere +bloet-vaten geschiet, als in soodanige die soo dun sijn, dat maar een +enkel deeltje bloet te gelijk kan doorgestoten werden; soo konnen wy nu +wel vaststellen, dat het selve in onse lighamen, en in alle Dieren op +soodanigen manier werd te weeg gebragt. En dit soo sijnde, soo is ons +onmogelyk den overgang van het bloet uyt de Arterien inde Venae, in ons +lighaam of andere dieren te ontdekken; eensdeels, om dat wanneer een +enkel globule bloet in een aderke leggende, geen couleur en heeft: ende +ten anderen, om dat het bloet in de bloet-vaten, als wy dat ondersoek +doen, stil staat. + +Ik hebbe voor desen geseit, dat de delen of globulen van het bloet, die +het selvige root maken, soo klein syn, dat thien hondert duysent deelen +of globulen, soo groot niet en sijn, als een grof sand is: en over sulks +konnen wy ons wel inbeelden, de hoekleinheid van de bloetvaten waar in +den ommeloop geschiet. + +Dese verhaalde observatien en heb ik niet eenmaal gesien, maar die tot +myn overgroot vermaak verscheide malen hervat, ende dat t’elkens in +bysondere Wormen, ende by na doorgaans een ende deselve uytkomst gehad. +Dog het gene ook aanmerkenswaardig was, dat was, dat in dese geseide +seer kleyne vaaten, die op het verst van het Hert geplaatst lagen, als +hier in ’t eynde van de staart, dat daar op verre na soo een schielyke +en harde voortstotinge niet geschiede, als wel in de vaten naast het +Hert gelegen. Dog alhoewel de continueele loop hier mede distinct te +bekennen was, soo konde men egter seer klaar sien dat ’er by yder +voortstotinge van het Hert, een weinig rasser loop geschiede. + +Wanneer ik myn oog liet gaan in de lengte en op het dikste van de +staart, soo konde ik seer klaar bekennen dat aan yder syde van het +staart-been, of graat, een groote Arterie was, daar door ’t bloet na ’t +eynde of lengte van de staart wierde gevoert, en sig in die lengte in +verscheide kleyne takken verspreide. + +Als ik een weinig ter sijden van dese Arterien na de buytekant van de +staart af sag, ontdekten ik aldaar twee groote Vena, die het bloet weder +opwaarts na het Hert voerden; ende daar benevens sag ik dat in dese +groote Vena uyt verscheide kleyne Venae het bloet wierd ingestort. In ’t +kort, ik sag hier myn volkome vergenoeginge ontrent den ommeloop van het +bloet, alsoo my in ’t minste niets voorquam waar aan ik behoefde te +twijfelen. Ja ik sag dat in het kleyn gedeelte van de staart, het bloet +der Aderen meer dan in vyf-en-twintig distincte Aders circuleerde. Boven +de geseide Aderen ontdekte ik nog in de staart een onbegrypelyk getal +van andere Aderen met haar takken, die sig eyndelyk in soodanige kleyne +takken verdeelde, dat die het gesigt ontweeken. Dese Aderen quamen mede +voort uyt het dikste van de staart, en hoe nauwkeurig ik ook toesag, soo +en konde ik egter geen de minste loop inde selvige ontdekken, schoon +dese vaten veel dikker waren, als daar ik den ommeloop van het bloet in +sag. Waar uyt ik in gedagten nam, of alle dese vaten niet wel senuwen +mogten zyn. + +Ik en hebbe dit gesigt mede voor my alleen niet willen behouden, maar +dat selvige aan twee voorname geleerde Heeren laten sien; niet alleen +dat ik haar toonde dat het bloet uyt de groote Arterie, na het eynde van +de staart wierd gevoert, ende dat daar benevens weder een grote Vena +lag, die het bloet continueel na het Hert voerde; maar ik liet haar op +verscheide plaatsen sien, hoe het bloet in de kleinste vaten na de +buytenkant van de staart wierd gevoert, ende van daar door de geseide +Aderen weder te rugge quam, en gevoert wierde na het binnenste van de +staart. + +Vorders heb ik de jonge Kikvorssen op die tyd als sy van een worm, tot +een Kikvors waren geworden, en soo verre waren gekomen, dat sy door de +velden sprongen, geobserveert, ende in deselve mede ontdekt, een +overgroot getal van kleyne bloet-vaten, die continueel door kromme +bogten ommelopende, die vaten maakten, die wy Arterien en Venae noemen: +sulks dat my hier mede seer klaar bleek dat de Arterien en Venae, een +ende deselve doorgaande bloetvaten waren. Dog alderklaarst, ende +aldermeest, quamen my die te vooren, op het eynde van de uytstekende +delen van de poten, die wy wel vingers mogen noemen. Welke delen de +kikvors aan yder voorste poot vier heeft, ende aan yder agter-poot vyf. + +Dese bloet-vaten die wy den naam van Arterien en Venae geven (daar het +nogtans een ende deselve bloet-vaten sijn) waren op het eynde van dese +vingers in een seer groote menigte, en yder hadde een ronde bogt, waar +door men den bysonderen loop van yder vat onmogelyk konde navolgen. Alle +dese vaten waren so kleyn of dun dat’er niet meer dan een deeltje bloet +te gelyk door konde passeren. Dog wanneer ik dese vingers ontrent het +eerste of tweede lid examineerde, daar vonde ik de bloet-vaten, die wy +Arterien en Venae noemen, grooter, ja soodanig dat het bloet in die +vaten al een rode couleur hadde. + +Dese jonge Kikvorssen, en heb ik niet by stukken geexamineert; maar die +in haar geheel voor het vergroot-glas gestelt, ende sijn my de geseide +bloet-vaten te voren gekomen, soo als ik die nu hebbe beschreven. Dese +doorloop ofte ommeloop van het bloet heb ik soo aan twee voorname Heeren +laten sien, die de selvige niet dan met groote verwondering beschoude. +En voornamentlyk, als sy de delen van het bloet, die het selvige root +maken, in soodanige dunne vaatjens (met groote snelheit sagen loopen) +dat’er maar enkelde deeltjens bloet agter den anderen door konden +passeren. + +Vorders heb ik laten vangen van de grootste slag van Kikvorssen, die wy +Worken noemen. Dese heb ik mede in haar geheel gelaten, ende in deselve +(met de vingers voor het vergroot-glas gebragt hebbende) heb ik mede de +ommeloop van het bloet gesien; dog seer beswaarlyk: en ten ware ik die +eerst in de jonge Kikvors hadde ontdekt, het soude my onmogelyk geweest +hebben, dat ik de loop van het bloet, in de kleynste vaten soude hebben +konnen zien. + +Dog wanneer ik dese groote Kikvorssen op andere deelen van het lighaam +beschoude, heb ik in de selve seer distinct de ommeloop van ’t bloed +konnen zien. + +Ik hebbe onder andere eens gesien, dat het bloet in een Arterie (die soo +groot of wyt was dat’er drie deeltjens bloet te gelyk door konden +passeren) te rugge, of contrarie syn eerste loop quam te lopen; dog dese +te rugge loop en duurde niet langer, dan dat wy het getal van vier +souden konnen tellen ende na die tyd liep het bloet weder zyn ordinairen +en voorgaanden loop. + +Als by exempel het bloet sag ik loopen in een groote Arterie als by +Fig. 6B. N R O P. en gevoert van N. na O. uyt dese Arterie quam een tak +of kleine Arterie als hier boven verhaalt is. Nu geschiede het voor myn +gesigt, dat het bloet in de Arterie P Q. niet alleen schielyk in sijn +loop quam op te houden, maar het quam ook van Q. na P. te rug loopen, en +storte het bloed in de Arterie N R O P. De oorsaak hier van beelde ik my +in, kan geweest zijn, of dat het bloet in de kleinste Arterien P Q. of +in de kleindere takken, waar in deselve P Q. is verdeelt, door een +kleyne verstoppinge, is tegen gehouden geworden: of dat de muscul of +zenuwe, naast dese kleyne vaatjens gelegen, deselvige so geparst of +gedrukt hebben, dat de loop daar door is verhindert geworden: waar door +niet alleen een stilstant van loop, maar ook een te rugge loop van het +bloet in de groote Arterie die daar digte by was, veroorsaakt is +geworden. Want na het passeren van de geseide korte tyd, nam het bloet +weder sijn voorgaande vaardige loop. + +Op een andere plaats heb ik gesien dat den loop van het bloet in +diergelijke Arterie, in korten tijd seer vertraagde, ende dat daar op +wederom in de selvige Arterie, een schielijke voortstootinge volgde; +doch kort op die voortstootinge volgde wel weder een trager loop; ook +wel een seer korte stilstand. Dese voortstotinge en vertraginge van +loop, geschiede wel vijf à sesmaal agter den anderen, ende daar op +volgde weder een continuële vaardige voortgang, ende dit alles geschiede +in soodanigen korten tyd, dat men geen tien woorden souden konnen +gesproken hebben. + +Ik hebbe verscheide maal de Kikvors-wormen uit de water-gragt laten +opvangen, en onder dit vangen waren drie à vier seer kleyne Visjens, die +een weinig langer waren als de Kikvors-worm is, als deselve van een Ey +tot een Worm is geworden. De huit van dese visjens was met swarte +stipjens beset, welke eenige ook verbeelden sterrekens. + +Ik oordeelde dat dese visjens niet groot wierden, om dat ik noit +zoodanige maaksels gelyk my die door het microscope voor quamen, met het +bloote oog gesien hadden. Ik heb in ’t eerst een van dese Visjens +geobserveert, maar daar inne als doen niet konnen sien het geene +noterens waardig was. + +Dese Visjens hebbe ik na dat die ontrent veertien dagen op myn Comptoir +onder de kikvors-wormen in ’t leven gebleven, (ende in die tyd al in +grootte waren toegenomen) weder op nieuw geobserveert, omme was het +mogelijk de circulatie ende het overgaan van het bloet uit de Arterien +in de Venae in de selvige mede te sien, en hebbe eindelijk in de staart +digte by de uyterste staartvinne, een groot bloet-vat, dat een Arterie +was, het bloet sien voeren na het einde van de staart, ende digte by dat +bloet-vat, lag weder een groote Vena, waar in het Bloed weder na het +hert wierde gevoert, welke beyde bloet-vaten in de lengte van de staart +lagen gestrekt. + +Als ik myn oog liet gaan op de staart-vin, die het uiterste van de +staart uitmaakt, soo konde ik aldaar mede seer klaar sien, dat aan ieder +sijde van die beentjens (die de stijfte aan de staart-vinne geven) een +seer dunne Arterie en Vena liepen, want ik konde seer klaar ieders loop +bekennen, dog beswaarder als in de Kikvors-Worm: eensdeels om dat dit +visje met desselfs staart weinig stil lag; ende ten anderen, om dat de +deeltjens bloet (die ik in dese observatien niet anders als voor globule +konde aansien) veel kleynder waren als in de Kikvors-worm. Dese laatste +bloet-vaatjens waren ook soo klein, dat maar een enkel deeltje bloet +daar door konde passeren, en ten ware dese geseide delen bloet, niet uit +de dunne vogt, daar in die als drijven, (die by eenige de weyagtige +stoffe van het bloet genaamt werd) uitstaken, wy souden geensins de loop +van het bloet konnen ontdekken. + +Alhoewel ik de loop van het bloet soo in de Arterien als Venae, seer +distinct konde sien, soo was het egter my onmogelijk, hoe naauw ik +toesag, de plaatsen of eynden van de Arterien ende het begin van de +Venae te sien. Dog als ik naderhand met het eenigste of laatste Visje +dat ik nog behouden hadde, op een ander manier als met de voorgaande +quam te handelen; sag ik tot myn overgroot genoegen, seer naakt, niet +alleen op een, maar doorgaans op verscheide plaatsen, de circulatie van +het bloet: want aan yder sijde van de hier vooren verhaalde beentjens +(die de starkte aan de vinnen geven) liep yder Arterie met een klein +bogtje om, en maakten aldaar het begin van de Vena. + +Wanneer ik quam te sien op de staart van het visje, alwaar de +staart-vinne haar begin neemt, daar sag ik met groote verwondering, hoe +dat de groote Arterie sig aldaar, in de geseide seer dunne vaatjens of +Arterien, verspreide, en hoe dat vele van de dunne Venae van de +staart-vinne hier digte by, weder in de groote Venae te samen quamen +loopen. In ’t kort, hier was sulken beweginge van het bloet, dat uyt de +dikke Arterie na het uyterste eynde van de staart, en staart-vinne +vloeide, of gestoten wierde, ende het geene uyt veel kleine Venae, na de +groote Vena weder te rug quam, dat het onbegrijpelyk was. + +Wanneer ik myn oog liet gaan op beyde de buytenste kanten van de staart, +daar de korte beentjens van de staart-vinne haar begin nemen, daar sag +ik dat veel van de kleinste Venae te samen liepen of vereenigden, en +maakten aldaar een grooter Vena uyt. Dog dit seer aangenaam gesigt en +duurde niet lang, want ik hadde het Visje uit het water genomen, en +alsoo schielyk voor myn gesigt gebragt, en in sulken geval vertraagde de +loop van het bloet in de uiterste deelen van het lighaam, minder als in +een menuit tijds. + +Na die tijd heb ik selfs van die soort van Visjens gaan vangen, om dat +ik met dit schoon gesigt van een Visje niet vergenoegt en was, en hebbe +doorgaans een ende deselve uitkomst gehad. + +Vorders heb ik waargenomen dat de groote Arterie (waar uit veele kleine +Arterien haar oorspronk hadden) ende de groote Vena, (waar in het bloet +uyt veele kleine Venae wierd ingestort) digte of nevens den anderen in +de lengte van de Vis geplaatst lagen; digt aan het graat-beentje van de +Vis; te weten, niet na de bovenste ofte rugge sijde van het +graat-beentje, maar na het onderste gedeelte van het graat-beentje, +sonder dat ik na de rugge sijde van het graat-been, geen het minste +groot bloet-vat konde ontdekken. In de geseide groote Arterie konde ik +doorgaans op nieuw de voortstootinge of verheffinge van een rasser loop, +die het bloet van het Hert ontfangt, bekennen: dog in de alder-dunste +Arterien, en konde ik in de loop van het bloet geen veranderinge gewaar +werden, want daar was de loop seer egaal. En gelyk ik geseit hebbe dat +in de dunste vaten geen couleur en was, soo konde ik egter klaar +bekennen, dat in de groote Arterie en Vena [die seer na aan het eynde +van de staart lagen] het bloet root was. + +Omme nu de hoegrootheid van het geseide Visje daar in ik de circulatie +van het bloet mede hebbe ontdekt, heb ik het selvige laten afteikenen, +soo groot als het ons in het bloote oog te vooren komt, als hier met +Fig. 7 is afgeteikent. + +Fig. 8. Vertoont mede de hoegrootheid van zoo een Visje dat ik op nieuw +hadde wesen vangen, dog de meeste waren kleinder, en onder agt à thien +had ik’er maar een dat wat grooter was. + +Ik hebbe een Visje voor het vergroot glas gestelt, ende geordonneert dat +den Teikenaar alles soude teikenen dat hy quam te sien; het welke hier +met Fig. 9. A B C D E F G H I K L M N. is aangewesen. + +B C. verbeelt het oog van de Vis, dat my soo groot en volmaakt doorgaans +voorquam, als of wy met ons bloote oog een schelvisoog beschouden. Dog +alsoo het Visje meer dan een gansche dag hadde doot geweest, ende in die +tyd het hooft, ende oog, meer als de andere deelen van het lighaam was +ingedroogt, heeft het den Teikenaar niet beter konnen sien. + +Tusschen C D. waren op de rugge verscheide korte uytstekende deelen. + +D E. is een vinne digte by de staart gelegen. + +F G H I K. is de staart-vinne waar in men telt seventien beentjens, daar +van der drie met G H I. werden aangewesen. Dese beentjens die de styfte +of starkte aan de staart-vinne geven, waren met ledekens verzien, en ik +sag ook dat die uyt lange deeltjens [dat na alle aparentie holle pypjens +sijn] waren te samen gestelt. + +Ik konde ook te gelyk sien, dat het vlies of vel, dat dese beentjes +overdekten, en het meerendeel van de staart-vinne uytmaakten, mede uyt +lange deelen was te samen gestelt, dog alle dese deelen en heeft den +Teikenaar niet konnen sien, om dat deselvige met het sterven van het +Visje, het gesigt ontweken waren. + +L M. is mede een vinne digte by de staart aan het onderste deel van het +lighaam. + +N A. is de mond die in ’t droogen seer wyd is open gebleven, daar het +Visje anders, wanneer het leeft, continueel de mond, ende dat seer ras +agter den anderen, maar een weinig op en toe doet. + +Ik hebbe hier vooren geseit, hoe dat ik aan yder sijde van het beentje, +dat voor een gedeelte de staartvinne uytmaakt, seer klaar de Circulatie +van het bloet konde bekennen; soo dat tusschen yder beentje twee +distincte ommegangen geschieden. Sulx dat dan in de vinne van de staart +geschiede vierendertig bysondere ommegangen, dat is, daar waren in de +vinne van de staart van soo een kleyn Visje, agtensestig bloet-vaten, te +weten vierendertig Arterien, en gelyk getal van venae, ende dat behalven +de bloet-vaten die nog in ’t kortste van de selve vinne mogten leggen, +als ontrent F. of K. daar op ik geen agtinge en hebbe gegeven. + +Omme nu de circulatie die in de staart-vinne geschiede beter aan te +wysen, heb ik een gedeelte van een vin-beentje grooter laten afteikenen, +als hier met Fig. 10. O P Q R. werd aangewesen. + +Aan welk been seer digt aan yder sijde heen loopt een Arterie die hier +beyde werden aangewesen met S T. ende W X. in welke bloed-vaten ik hebbe +laten teykenen die deeltjens bloet die haar als rond vertoonen. + +Dit bloet met een vaardige loop van S. na T. volbragt hebbende, keerde +met gelijke snelte van T. weder te rug na V. soo dat S T. een Arterie +is, ende T V. een Vena, en nogtans is het een gecontinueert, ende +doorgaande bloet-vat. Soo was het insgelijks gelegen met de bloet-vaten +aan de ander sijde van het beentje als W X Y. Dog dese Arterie en Vena +en lagen soo wyd niet van den anderen, als hier naar advenant is +afgebeeld, maar die lagen op veel plaatsen soo digt nevens den anderen, +dat Arterie en Vena malkanderen raakten. + +Op andere plaatsen en selfs in de vinne D E. ende L M. heb ik het bloet +soo in de Arterien als Venae, mede niet alleen sien loopen, maar daar +inne hebbe ik ook de ommeloop konnen bekennen, als in de staarte-vinne +is geseit. + +De geseide ommeloop van het bloet in het verhaalde kleine Visje, hebbe +ik aan twee voorname Geleerde Heeren bekent gemaakt, die haar seer +genegen toonde om deel te mogen hebben van dat gesigt, dat ik haar +toestont, en hebbe verscheide Visjens, sodanig voor het vergroot-glas +gebragt, dat sy seer distinct, in verscheide bysondere vaten te gelyk, +de ommeloop van het bloet, met groote verwondering en opmerkinge +aansagen. + +Sien wy nu in de staart-vinne van soo een klein Visje, als hier met +Fig. 7 of Fig. 8 werd aangewesen, vier-en-dertig bysondere circulatien +van bloet, wat een onbedenkelyke groote menigte van circulatien moeten +daar dan niet wel geschieden in ons lighaam. ’t Welk zoo sijnde, zoo +hebben wy ons nu niet meer te verwonderen, dat als wy met een naalde of +ander klein werktuyg ons komen te quetsen, dat daar bloet uyt komt. + +Ja ik verseker my uyt de geseide observatien, dat in de plaats of spatie +van een nagel van onse hand groote op onse voorste vinger, of ik mag wel +seggen in onze geheele huyt, doorgaans meer dan duysent besondere +ommeloopen van het bloet geschieden. + +Na myne voorgaande observatien heb ik myn gedagten laten gaan op onse +gemene Rivier-vis, namentlyk op de Voorn en Braassem, omme, was het +mogelyk, in de selvige mede de circulatie van het bloet te sien. Ik +hebbe dan jonge Voorn en Braassem genomen, die ik oordeelde dat twee +jaar out was, dese heb ik met haar hoofden om laag in ’t water gestelt, +ende der selver staarten buyten het water laten komen, opdat de Visschen +haar hoofden of kaken soude konnen bewegen, ende dat dus de circulatie +van het bloet geen hinder aangedaan mogte werden, maar sijn volkome loop +voor eenigen tijd continueren. + +Alsoo het nu onmogelijk is dat wy de circulatie van het bloet in eenige +andere deelen van dese Visschen souden konnen sien, als in de vinnen van +deselvige, om dat haar lighamen met schobbens bezet sijn, soo heb ik +alleen de staart-vinne doorsogt, om dat die de bequaamste was, en hebbe +in de selvige seer klaar gesien, een groote menigte van bloet-vaten, die +mede soo dun waren, dat maar een enkel deeltje bloet daar te gelyk konde +door passeren, ende daar benevens sag ik de vaaten, waar in het bloet na +de uyterste deelen van de staart-vinne wierd gestooten, ende andere, +waar door het bloet weder te rug quam, sonder dat ik nogtans konde +vernemen of bekennen, de uyterste deelen van de Arterien en Venae, want +als ik na het uyterste eynde van de staart-vinne, die met het gesigt +wilde vervolgen, soo verloor ik, en Arterien en Venae uit het gesigt. + +My is meer als eenmaal te vooren gekomen, dat het my toe scheen dat een +Arterie, die niet wyder was als dat een enkel deeltje bloet te gelyk +daar door konde passeren, quam te verstoppen; ’t welk aldus toeging, te +weten, dat bloet, na dat het eenige malen door de Arterie als met gewelt +voortgedreven was, schielyk een weinig te rug quam, en in sijn eerste en +ordinare cours als gestuit wierd. Waar op het dan gebeurde, dat dat +bloet een andere cours (niet verre van het eerst gewesene vat) nam, en +volvoerde aldaar onverhinderlyk sijn loop, alleen met dit onderscheid +dat het soo vaardig niet en liep. Dit siende, stelde ik vast, dat den +veranderden cours, die het bloet hier quam te nemen, niet geschiede door +een bloet-vat dat een rok of menbrane hadde, maar dat het bloet alleen +met gewelt, een Canaaltje hadde gemaakt. + +Ik hebbe voor desen geseit dat alle de deeltjens bloet die het selvige +root maken, soo van Vissen als van Vogelen uyt platte ovale deeltjens +bestaan, die my in de voorgaande geseide observatien, rond voor quamen, +waar van alleen de oorsaak is, dat ik in die ontdekkingen, soodanige +vergrootende glasen niet en hebbe konnen gebruyken, als tot het distinct +sien van de bloet-deelen wel vereist wierde. + +Dog in de laatst geseide nieuwe bloet-loop, konde ik sien, dat de +deeltjens bloet, die het selvige root maken, plat waren. Ja ik sag niet +alleen dat die plat waren, maar ik sag daar benevens ook, dat die langer +als breet waren. + +Dat my nu die deeltjens in soo verscheide veranderingen van Figuren voor +quamen, dat was om dat die deelen in haar loop dikmaals als omwentelden: +want het geene de eene oogenblik op sijde voor het gesigt lag, lag weder +na een weinig voortgang daar voor voor met een platte sijde: wederom een +ander deeltje bloet wierd in een hair-breet voortgaan, in sijn lengte +omgeworpen. In somma, ik sag hier soo veel omkeringen van de platte +deeltjens bloet, als ik my soude konnen magineren. Dit net gesigt quam +my eensdeels te vooren, om dat die spatie waar in de loop van het bloet +geschiede, soo doorschynende voor myn gesigt quam, als of de deeltjens +bloet in een glase pypje hadde voortgeloopen. Ende ten anderen konde ik +van de deeltjens bloet soo veel te beter oordelen, om dat my bekent was, +dat de deeltjens van het bloet, die het in de Vissen root maken, platte +ovale deeltjens waren. + +Hebben wy nu geluk gehad (daar wy na verlangt hebben, en waar na wy veel +jaren soo nu als dan seer naarstig, dog te vergeefs, gesogt hebben) dat +wy nu soo naakt de ommeloop van het bloet, ende den doorgang van het +selvige uyt de Arterie in de Vena in de voorverhaalde Kikvors en +Visschen, hebben voor de oogen gestelt, soo sullen wy egter daar op niet +rusten, maar ons devoir doen om het selvige ook in andere Dieren na te +speuren, ende, is ’t doenlyk, insgelyks ie ontdekken. + +Eer ik afscheide vinde ik my genootsaakt hier by te voegen, dat ik, +weinig tyd geleden, verhalende aan seker Hoog Leeraar in de Medicine, +myne ontdekkinge ontrent de circulatie van het bloet, dese Heer tot my +seide, als men van myne observatien quam te spreken, en se tot +bevestinge van eenige saaken te allegeren, dat ’er veelmaal wierd +geantwoord; moeten wy het geloven om dat het Leeuwenhoek seit; wat +sekerheid hebben wy daar van? Waarom dan dien Heer my aanmaande, +en seide, dat ik wel soude doen, dat ik een attestatie van eenige +voorname Personen, die ooggetuigen mogten sijn geweest, van dese myne +ontdekkingen behoorde te produceren, op dat ik desen aangaande minder +tegenspreekens mogte lyden. + +Het is wel waar, dat ik uyt besondere speculatie tot nog toe in myne +brieven niemant met name en hebbe genoemt, van die geene die met my +eenige van de remarcabelste dingen met haar oogen hebben gesien, door ’t +behulp van myne microscopien, maar alleen in ’t generaal gesegt, dat ik +sommige Heeren van kennis en oordeel, Liefhebbers van de natuurkunde, +deselve hadde voorgehouden. + +Maar dewyle dat ik nu verneme dat meer geloof aan myn seggen sal gegeven +werden, wanneer ik de name kome te specificeren van die geene die de +voorverhaalde circulatie ofte ommeloop van het bloed ten deele hebben +gesien, van het geene ik nu aan hare Hoog Edelen hebbe overgeschreven +ende ontdekt, so sal ik geen swarigheid maken, in plaats van veele, +soodanige hier te noemen, die ik vertrouwe dat wel het meeste geloof +sullen meriteren. Als daar sijn _d’Heer Cornelius ’s-Gravesande, Med: +Doct: en ordinaris Voorleser in de Anatomie en Chirurgie_, als mede +_Raad ende oud Schepen deser Stad; d’Heer Mr. Cornelius Valensis, mede +Raad ende oud Schepen, als boven; d’Heer Mr. Antoni Heinsius, Raad en +Pensionaris deser Stad, voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn +Koninklijke Majesteit van Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen +Staat aan het Hoff van zijn Koningl: Majesteit van Engeland_. Dese +Heeren die ik gewoon ben veele van myne ontdekkingen te communiceren, +heb ik nevens andere de waaragtige circulatie van het bloet laten sien, +soo klaar als of wy de beweginge van het water in een lopende Rivier met +onse blote oogen aanschoude. + +Hier hebt gy Hoog-Edele Heeren myne observatien ontrent de circulatie +van het bloet, soo als ik die van tyd tot tyd op het papier hebbe +gestelt; en na het voltrekken deses, heb ik nog verscheide observatien +ontrent de circulatie van het bloet gedaan, en tot myn groot genoegen, +de ommeloop van het selvige in vier besondere levende schepsels my voor +de oogen gestelt, en alsoo dit groote lichamen sijn, in vergelykinge van +de voorgaande, soo heb ik egter middelen bedagt, waar door ik hier na de +circulatie van het bloet in een van dese groote schepsels, aan andere +seer klaar sal konnen toonen, waar van in toekomende breder, en ik sal +onder des blyven, + + _Hoog-Edele Heeren, enz._ + + ANTONI VAN LEEUWENHOEK. + + +[Erratum: + +F G H I K. is de staart-vinne + _text: T G H ... _ ] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + PROEFNEMINGEN + + van + + de particuliere beweeging der Spieren + in de Kikvorsch, + +die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren + in de menschen en beesten toegepast worden. + + Uit: + + „DE BIJBEL DER NATUURE“, + + door + + JAN SWAMMERDAM. + + + + +_Proefnemingen van de particuliere beweeging der spieren in de + kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren + in de menschen en beesten toegepast worden._ + + +Hoe gewigtig en ook moejelyk het is, om de waare beweegingen der Spieren +te verklaaren, dat blykt ons uyt de menigvuldigheid der experimenten, +dewelke de gaauste verstanden daar van tyt tot tyt omtrent gedaan +hebben; sonder dat men tot nog toe de waare oorsaak daar van heeft +kunnen ontdekken; waar daar ook de seer groote nuttigheid ende +gewigtigheid der kennis, die uyt deese wetenschap sou volgen, tot nog +toe in de donkere windelen der onwetendheid geinvolveert is. En dit is +de reeden, dewelke my beweegt, om eenige experimenten, die ik al over +lang omtrent deese saak gedaan heb, in het ligt te geeven, en alsoo ik +die van een seer groote consequentie en gewigt oordeel, soo sou ookmyn +versoek zijn, om die ernstig te willen naadenken, en op den toetsteen +der waarheid te stellen. + +Omtrent de structuur en de beweeging der Spieren is het seer opmerkelyk +om te weeten, hoe dog eygentlyk de Senuw daar meede vereenigt is, wat +structuur hij daar binnen in heeft, en hoe syn loop, ingank, midden, +distributie en eynde is, met dan wat voor communicatie dat hy ook met de +beweegende Vesels heeft, en wat werking hy in deselve veroorsaakt: gelyk +dan ook, wat eygentlyk die subtiele materie is, die buyten alle dispuut +door de Senuw tot de Spier gevoert wort. Maar dit alles is nog op ver na +niet genoeg tot deese kennis, alsoo men ook de structuur der Vliesen, +soo om als binnen in de Spier, met dan haare subtile Veselkens, die van +de eene beweegende Vesel tot de andere, en ook tussen beyde, als een fyn +geweefsel loopen, diende te kennen: gelyk ook het maaksel van de Ader en +Slagader, en haare waaragtige gesteltenissen, binnen in de Spier: en wat +daar vorder nog tot de kennis van de structuur der beweegende Vesels +behoort. Dat alles nog donker en onbekent is; en mogelyk niet sal bekent +worden, ten sy men al syn tyt alleen op deese saak kwam aan te leggen, +en syn alderuyterste neerstigheid daar toe gebruykte: want sekerlyk den +yver en neerstigheid ontdekken alles. Maar wat my belangt, van alles wat +ik in de Anatomie tot nog toe heb voorgestelt, daar kan ik niet van +seggen, dat ik nog oit een saak tot die perfectie uytgevoert heb, daar +ik sekerlyk van weet, dat men se sou toe kunnen brengen: maar dan most +ik al myn leeven in een eenige ontdekking verslyten. Dat ik onnodig +oordeel, om dat ik ook sekerlyk weet, dat als ik al ten eynde gekomen +was, ik niet als myn onwetentheid sou vinden. En daarom heb ik liever +verscheyde saken willen verhandelen, dan een eenige, op dat de Werken +GODS niet verhoolen souden blyven, om een weynig meer of minder kennis, +die men van deselve sou mogen hebben: alsoo onse waaragtige weetenschap +alleen bestaat, in dat we GOD wel weeten te beminnen. + +Ik bevinde dan omtrent alle de voorige opgestelde saken nog seer veele +en onoplosselyke verborgentheeden: en niet tegenstaande dat de +uytmuntende Anatomicus de H. STENONIS, daar seer veele naukeurigheeden +omtrent ontdekt heeft, soo is hy in het midden van syn loop blyven +steeken. En veel minder kan men sig voldoen omtrent de beweeging en +werking, dewelke die subtiele geest in de Spier veroorsaakt, die +geduurig door de Senuw daar invloeyt: als synde dit een saak, die onder +oneyndige duysterheeden verborgen is. Egter alsoo ik omtrent deese +beweging der Spieren al vry eenige experimenten nu en dan gedaan hebbe, +soo sal ik de principaalste tegenswoordig voorstellen, en die het +oordeel der verstandige onderwerpen. + +Het is een saak van een eeuwige waarheid, en seer groote consideratie, +dat ten welken tyde men de Senuwen der levende lichaamen aanroert, dat +men terstont in de Spieren, waar naa toe sy loopen, een merkelijke +beweeging siet veroorsaakt, dewelke van de natuurelyke contractie der +selve niet verscheelt. Waarom soo men de Senuwen, by exempel, van het +Middelrif in een levendig geopende Hont, sagtelyk met de punt van een +seer fyne naalt komt te prikkelen, te steeken, of met een weynig vuur, +en ingedronge of scherpe wateren, komt te irriteeren, soo sal men +datelyk het Middelrif syn natuurelyke functie sien volvoeren, sig +contraheeren, van verwulfd vlak worden, en sig uyt de Borst te beweegen, +en de Ingewanden van de Buyk uytwaarts te stooten: en men sal het de +Borst naa die proportie sien dilateeren, naa dewelke dat het in syn +contractie regter wort, en sig verder uyt de Borst extendeert. + +Dit is een seer aardig en ook vermakelyk experiment, soo om de +wonderlyke beweeging, die men in die gecomponeerde Spier dan siet, als +meede om dat het selve experiment in het selve subject veelmaals kan +herhaalt worden, soo men maar de Middelrifts-Zenuwen, daar se in haar +begintsel langs het Hartesakje heen loopen, komt te irriteeren, en soo +allenkskens tot de tweede, derde, ende vierde irritatie, naa onderen +komt voort te gaan, tot daar sy ingeplant worden. + +Nu, niet alleen omtrent dat deel, maar ook omtrent alle de vordere +spieragtige deelen van het lichaam des Diers, kan men dit experiment +seer ligt omtrent de Zenuw in het werk stellen. Waarom ons ook dikmaals +gebeurt, in de levende Sectien der Dieren, als wy de Zenuwen met een mes +doorsnyden of raaken, dat we seer notable beweegingen in de onderhorige +Spieren gewaar worden. Gelyk de H. STENONIS ook diergelyks yets Myolog. +spec. pag. 78 en 79. edit. Janss. aangetekent heeft. Wanneer ik hem te +vooren een seer out en bekent experiment van my in de Kikvorschen +getoont hadt. En dit siet men niet alleen in de viervoetige Dieren te +geschieden, maar ook in de Vogelen en Visschen; en bysonderlyk in de +Rog, die seer sterke beweegingen in syne Spieren herneemt, als men syne +Senuwen irriteert. + +Op de fondamenten van deese beweegingen, die in de Spieren veroorsaakt +worden, als men haare Senuwen alleen raakt of irriteert: soo heb ik +dikmaals voorgenoomen, om ook op die wyse de Senuwen der Ingewanden aan +te raaken, alwaar ik hier en daar seer merkelyke vleesagtige Vesels +vernoomen heb: gelyk als ik ook wilde doen omtrent de Senuen, die naa de +Nieren gaan, naa de Leever, de Milt, de Longen, de Teelleeden, en andere +partyen, waar omtrent, maar voornamelyk de Nieren, ik haast niet en +twyfel, of men sal daar merkelyke contractien veroorsaakt sien te +worden; en alsoo door dit experiment veel nader tot het ware gebruyk +deeser deelen indringen: dan de tyt daar toe heeft my tot nog toe +ontbrooken. Waarom het my voor tegenswoordig genoeg is, dit met een +enkel woort te hebben aangeweesen, om ook andere occasie te geeven, dit +verder naa te soeken, alsoo de Natuur door een gemeenen arbeyt moet +ondersogt worden; en ook, om dat een persoon alleen niet als seer weynig +kan uytvoeren, omtrent saken die oneyndig syn. + +Maar hier dient men nu aan te merken, dat in de Dieren, die het heetste +bloet hebben, dese bewegingen der Spieren soo opmerkelyk niet en syn, +of liever soo lang niet en continueeren, als wel in die Dieren, die met +kouder bloet begaaft syn, als daar syn de Visschen, en veele andere +water Dieren, het sy met veel, met weynig, of sonder Voeten, of ook in +die te gelyk op het lant en in het water leeven. En waar omtrent ik in +de Kikvorsch deese myne experimenten voornamentlyk genoomen heb. Want in +deese Dierkens sijn de Senuwen seer sigtbaar, en sy kunnen ligt ontdekt +ende ontbloot worden. En het Ruggemerg, als ook de Hersenen die hebben +dit in de Vorsschen particulier, dat er als een vloeybaar sout, in +rokken beslooten synde, en met Bloedvaten doorweeven wordende, overal en +omtrent aanlegt; soo dat het ook in de bolligheyd der Wervelbeenderen +bevonden wort, als ook in het Bekkeneel selve. De couleur daar van is +als een blinkende perel; en het leyt in gedaante van knoopkens langs de +rey der Wervelbeenderen en de Rug, daar het seer ligt geobserveert wort. +Dit naturel sout bruyst seer sterk, wanneer het met een zuure vogt +vermengt wort. De substantie daar van komt seer over een met dat +greynagtig en stenig poeyer, dat in de hoofden van de Zee-Honden +Carcharias genoemt gevonden wort, en voor de Herssenen van die Visschen +door een onverstant in de Winkels verkogt wort. Want het is niet als een +steen of kalkagtige materie, die, even als de steen der Baarsen in de +Baars, ook soo in het Hooft van de Hond Carcharias geplaatst wort. +Diergelyk een poeyer heb ik in het Hooft van de Rog ondekt, dat meede +seer sterk met zuur opbruyst, en waarom ik oordeel, dat daar meede een +Alkalisch gelyk sout in is: gelyk ook in de steenkens, die men +Kreeftogen noemt. En hoewel deese substantie in de Vorschen vloeybaar +als een water is, soo droogt sy dadelyk op, door de warmte van de hant +of vingers, dan nooit soo hart, of men kan se seer ligt tusschen de +tippen der Vingeren, tot een fyn poeyer vryven; gelyk dat ook omtrent +die kalkagtige en vloeybaare materie in de Rog plaats heeft. Of nu dit +sout eenig gebruyk in de Medicynen heeft, of hebben kan, dat sou de +ervarentheyd moeten leeren, tot nog toe is het my onbekent. Maar ik keer +weer tot de Spieren. + +Het is dan een seer aardig en nut experiment, als men een der grootste +Spieren van een Vorsch uit de Dye separeert, en die met syn aanhangende +Zenuw prepareert, dat deselve ongekwetst is. Dit gedaan hebbende, soo +vat men de Spier aan weersyden by syne Peesen _a a_, en als men dan de +neerhangende Senuw met een schaarken of iets anders irriteert _b_, soo +doet men de Spieren syn voorige en verloore beweeging weer herhaalen. +Waarom ook dadelyk de Spier sig contraheerende, de twee handen, die syne +Peesen vatten, als te samen by een komt te trekken, gelyk ik al in het +jaar 1658 dat aan syn Doorlugtigheid, den tegenwoordig regerenden Hertog +van Toscanen, kwam te vertoonen, wanneer hy my seer onverdient geliefde +te besoeken. En dit experiment kan men soo menigmaal met deselve Spier +herhaalen, als de Senuw nog maar ergens ongekwetst is. Waar door men hem +syn contractie soo meenigmaal kan doen herhaalen, als het ons geleegen +komt. + +Maar soo men nu wil sien, en dat heel distinct, tot welken graad de +Spier in syn contractie sig komt te verdikken, en hoe ver dat syne +Peesen te samen getrokken worden; soo moet men hem door een glase pypken +losselyk heen steeken _a_, en in de plaats dat men de twee Peesen met de +Vingeren vast hielt, soo dient men daar twee fyne naalden door te +steeken _b b_, die men, niet te vast en niet te los, in een stuksken +kurk met haare punten moet vast maaken. Als men dan de Senuw irriteert +_c_, soo siet men, dat de Spier, door syn verwekte contractie, de +hoofden der naalden sal uyt haar plaats naa malkanderen toe beweegen +_d d_, en binnen in de glase pyp sal men het lichaam van de Spier selfs +sig merkelyk sien verdikken _e_, en het gansche pypken te vervullen, +stotende de lugt uyt syn plaats. Tot dat hy in syn contractie +ophoudende, de naalden weer in haar plaats springen, en dat het lichaam +van de Spier weer van het pypken afwykt, soo dat hy tussen hem en het +pypken een ope passagie voor de lugt laat. Maar soo men nu de Spier aan +syn selfs laat, of dat men hem in kout water met al de verhaalde toestel +set, soo sal men hem, haast op deselve wys, ook allengskens sien +contraheeren, en ten laatsten hem soo merkelyk in een sien krimpen, dat +hy de gansche middelste holte van het pypken sal vervullen. + +Als men nu deese voorige experimenten wel considereert, en alsoo ernstig +let op de force der contractie, of de beweeging van de Spier, dewelke hy +yder ogenblik herneemt, als syne Senuw op nieuw geirriteert word; soo +sou men kunnen vraagen: of daar tusschen de Senuw en de Spier wel een +andere communicatie nodig was, als alleen deese simpele roering, +irritatie, of beweeging? En alsoo ook in de Dieren, die heter Bloet +hebben, deese selve beweeging in de onderhoorige Spieren veroorsaakt +wort, als men haare Senuwen raakt: soo sou men deselve vraag kunnen +doen: namelyk, of daar door ook wel tusschen de Hersenen, en het Merg, +en tusschen die der Senuwen en de Spieren een andere communicatie, als +deese irritatie nodig was? want in wat voor Dieren dat het syn, daar ik +dat in getenteert heb, daar contraheeren haar de Spieren altyt, als men +het beginsel des Mergs, of ook de uytgaande Senuwen maar roert. + +Soo dat ik wil seggen, of men niet wel geheel sou kunnen verwerpen, dat +daar uyt de Hersenen een spiritueele substantie, tot de beweeging der +Spieren nootsakelyk, sou plaatselyk moeten afschieten, en dat soo +veerdig, geswint, en radt, dat deese nieuwe geesten de voorige +voortdryvende, in een ogenblik, in de alderuytersten van het lichaam, +op het minste gebieden der wil, of andersins ook wel natuurlyk moesten, +en soude konnen present syn. + +Ik en twyfel hier niet, of die geenen, dewelke de contractien der +Spieren stellen, door opblaasing, opbruyssing, en een uytgedagte +uytsettende beweeging te geschieden, sullen my hier in geheel tegens +vallen, en my voorwerpen, dat men ook in de contractie van de Spieren +deese opblaasing, of verdikking der bewegende Vesels, ogenschynelyk sien +kan. En ook, dat alle de spieragtige deelen al reede vol geesten syn, +soo dat daar maar een weynig dierlyke geesten nodig syn, om deese of die +Spieren op te blaasen, en door contractie te doen opspannen; gelyk het +oog ons leert. + +Maar alsoo deese gevoelens geheel te gront vallen, als men aanmerkt, hoe +veel maal door een simple aanporring, opwekking, of irritatie der Senuw +alleen, de Spier haar beweeging in myn voorgestelt experiment verkrygt, +en dat selfs, daar de Senuw al lang is afgesneeden geweest, en de +geposeerde dierlyke geesten vervlogen of verswakt syn, en haar werking +alreede gedaan hebben; houdende ook de communicatie met de Hersenen en +het Merg op: soo sou ik wel eens wenschen, dat men ernstig +considereerde, dat het door geene experimenten kan beweesen worden, dat +daar ooit eenige materie, in een bevattelyke substantie, door de Zenuwen +tot de Spieren afvloeyt. Want daar gaat niet als een seer geswinde +beweeging door, die soo seer snel is, dat sy kwalyk de naam verdient van +een momentelyke beweeging genaemt te worden. En daarom soo is die geest, +die beweegde of die subtile materie, die in een ogenblik door de Senuen +tot de Spieren voortgaat, met alle reden te vergelyken, met die snelle +voortgedreeve beweeging, dewelke door een lange mast of balk gaat, daar +men aan de eene syde met de vinger opknipt, en die men, bykans op het +selve ogenblik, aan de andere syde gewaar wort, als men daar syn oor +tegen aan leyt: soo dat se ook in onse Spieren selfs verscheyde +beweegingen door de Senuwen veroorsaakt: gelijk diegeene betoonen +kunnen, die dit rare, hoewel gemeene experiment, wel considereeren. + +Doet hier nu by, dat van meer gewigt is, dat de Spieren selfs, als se +gecontraheert worden, in het alderminste niet opgeblaasen, of dikker +worden, maar dat zij veel eer ontswellen; hoewel nogtans dat haare +bewegende Vesels een andere situatie aanneemen, of om eygentlyker te +spreeken, digter in malkanderen in een gaan. Gelyk diergelyk iets in een +lange en platte te samengedrukte spons te sien is, dewelke door die +samenparssing dikker en vaster wort, hoewel hy selfs een veel minder +plaats beslaat. Soo dat ik uit veele reedenen, die ik vervolgens sal +voorstellen, niet onbillyk kan besluyten, dat het korter worden en in +malkanderen krimpen, der bewegende vesels van een spier, waar door de +selve een kleender plaats beslaat; eygentlyk syn waare actie of +contractie is, die seer verkeert opblaasing, opswelling, enz. genoemt +wort. + +En hoe sou het ook mogelyk kunnen syn, dat een Spier sou opblaasen? daar +hy bestaat uyt sulke subtiele draatkens die haast het oog ontvlieden, en +die nog uit klootkens samengesteld worden? En wat materie sou het dog +kunnen weesen, om dese opblaasing te maaken, die meede door sulke +subtiele draden, daar de Senuen uyt gemaakt worden, sou moeten passeren; +soo dat dese draden haast van gelijken onsigtbaar zyn, wanneer men haar +naukeurig, sonder te kwetsen, examineert? Het geen ook klaar blykt, als +men den oorspronk der Senuen uyt het Merg considereert, dewelke daar ter +plaatse soo subtiel syn, en soo naauw van het dikke Hersenvlies +omvangen, dat daar door die opening haast geen fyn glase hayrpypken kan +passeren. Wat voor een subtiele geest sou daar dan door dezelve opening +moeten heen dringen, die nog in zijn geheel van het uytgaande +Senuwdraatken, dat daar in omvangen is, geslooten wort? En nogtans +stellen dese Autheuren niet alleen, maar sy willen selver, dat daar een +voedende materie door dese Senuen sou passeren; die sommige soo dik +maaken als het wit van een Ey; dat by my soo grof is, dat het niet +meriteert beantwoort te woorden. En alsoo weynig ook de uytgedagte +opbruissing, tusschen de geesten en het Bloet, dat de Spier sou +opblaasen: hoewel de maniere van de opblaasing t’ eenemaal stryt met de +bekende structuur der spier. + +Het stryt ook ganschelyk tegens de opblaasing, en de invloejing der +geposeerde geesten, dat men klaar siet, wanneer een Spier door gesneeden +wort, en syne bewegende vesels van een verdeelt, dat egter alle die +delen haar datelyk weer als natuurlyk beweegen, soo wanneer maar de +Senuw aangeroert wort: het welk experiment men onder anderen ook in de +Kikvorsch neemen kan, en in verscheyde andere Dieren, die in het water +leeven, en bysonderlyk in de Eendvogel. + +Uyt alle welke experimenten my dan schynt niet onbillyk te volgen, dat +daar niet als een simpele en natuurlyke roering of irritatie der Senuen, +tot de beweeging der Spieren nootsakelyk is: het sy dan dat die in de +Hersenen, in het Merg, of ergens anders syn oorspronk neemt. + +Waarom men ook in veele Dieren siet, dat, soo draa het beginsel van het +Ruggemerg in het Bekkeneel geroert wort, dat haar dadelyk alle de +onderleggende Spieren beweegen. Dat meede geschiet omtrent alle de +takken der Senuen, die men, uit het Merg gaande, maar aanroert: hoewel +dat ’er op die tyt dan maar eenige en particuliere Spieren beweegt +worden, of die, daar de geïrriteerde Senuw in gedistribueert wort. En +daar wel op te letten is, men bemerkt noit op die tyt, dat ’er door het +bovenste deel der Senuw een opklimmende beweeging door deselve +veroorsaakt wort in de Spieren, die uyt deselve Senuw wat hoger haare +takken ontfangen. Maar men ondervint klaar, dat de kragt, die de +irritatie, door de Senuw, in de Spier maakt, altyt uyt de grootste +takken in de kleenen, en soo geduurig neerwaarts gaat. Dat contrarie in +de gevoelige beweegingen is, daar het gevoelen, door de Senuen, sonder +twyffel opwaarts klimt. Soo dat dan, om een Spier te beweegen, de Senuw +altyt moet geroert worden op die plaats, de welke boven de Spier of syn +inplanting is; want de beweeging klimt niet opwaarts, maar altyt +neerwaarts. + +Men sou hier nu kunnen vragen, waar ik het begin van dese natuurlyke +irritatie, porring, of aanprikkeling tot beweeging, door de Senuw in de +Spieren, sou komen te plaatsen: want gelochent synde, dat daar geen +sienelyke, vloeybare, nog opblasende Geesten, plaatselyk door de Senuen +beweegt worden; maar dat daar ter contrarie, alleen een sekere +ogenblikkelyke opwekking, om de Spieren te beweegen, nodig is, en die by +my veel subtielder als de geposeerde Geesten is: soo volgt, dat deselve +niet alleen een beginsel moet hebben, maar dat ’er die beweging +overvoerende kragt door de Senuen tot de Spieren seer nootwendig is. Het +geen ik ook niet lochen, om dat de ervarentheid dat sigtbaar ende +kragtig leert. + +Soo dat my dunkt hier op gevoegelyk geantwoort te kunnen worden, dat de +oorspronk deser beweeging voornamelyk in het begintsel van het Ruggemerg +is, en dan vorder in alle de Senuen van het Lichaam te gelyk; en dat +soodanigh, dat het Merg en alle de Senuen te samen geduurig en +perpetueel geirriteert worden, om een bewegende kragt aan alle de +Spieren van het gantsche lichaam toe te senden. Want daar wel op te +letten is, ik maake gantsch geen onderscheyt tusschen de natuurlyke, +of van selfs geschiedende samentrekking der Spieren, en tusschen die, +dewelke vrywillig geschiet; alwaar ik niet als dit toevallig onderscheyt +aanmerk, dat alle de Spieren, die wy vrywillig beweegen, dat wy die niet +als door een contrarie determinatie beweegen. Waarom dan, het geen +wesentlyk in alle de Spieren, haar contractie is, altyt de natuurlyke +contractie is. En daarom cesseert in ons, en in alle Dieren de +vrywillige beweeging, of sy wort over en weer, als de tegen overstaande +Spieren ontbreeken, of dat die malkanderen in kragt overwinnen; als ik +in myn Boek van de Ademhaling alreede heb aangeweesen. En wy souden in +der eeuwigheid ons niet vrywillig kunnen beweegen, als wy de kragt niet +hadden, om de natuurlyke beweeging der tegen overstaande Spieren tot de +tegenoverstaande syde te determineeren. Maar de tegenoverstaande Spieren +ontbreekende, soo syn alle de bewegingen onser Spieren geduurig en +natuurlyk. Als omtrent veele Spieragtige deelen van ons lichaam te sien +is, daar wy gansch geen magt over hebben, om die te beweegen: ten sy het +geen daar in bevat word ons aldaar dient, in de plaats van +tegenoverstaande Spieren, en dat de selve onse Spieren eerstelyk +gedilateert hebbende, wy dan door een contrarie determinatie de kragt +verkrygen, om deselve naa onse wil te beweegen. Maar andersins soo rust +alles in een geduurige contractie, die nimmermeer ophoud. + +Maar om nu, soo veel my mogelyk is, de oorspronk van dese natuurelyke en +geduurige contractie der Spieren aan te wysen: soo is myn gevoelen, dat +het selve geschiet, door het geduurig indringen van het slagaderlyke +Bloet in het Merg en de Senuen, het welk haar dan geduurig beweegt, +opwekt, en als aanport, om die kragt gestadig, en terstont tot de +Spieren over te voeren, en haar tot ’er onophoudelyke contractie bequaam +te maaken. Waar toe dan alle Senuen, geene uytgesondert, soo veele +Slagaders naa haar proportie hebben, als de Hersenen of het Ruggemerg +selve. En ik oordeel nog, dat men dit selve seer ligt door een +experiment sou kunnen ondervinden; dat ik te _weeg_ wilde brengen, om +door de een of andere Slagader, het Merg een vogtigheid in te spuyten, +en dan neerstig waar te nemen, of daar geen beweeging in de Spieren +veroorsaakt wiert. Waarom ik ernstig versoek dog te willen letten op die +wonderbarelyke beweeging en kragt, die een Spier verkrygt, als syn Senuw +maar het minste geport wort, het sy dan door wat middel dat hy geraakt, +beweegt, of geirriteert wort. + +Maar het is nu tyt om verder te gaan, en om door een naukeurig +experiment te bewysen, selfs aan het gesigt, dat een Spier in syn +contractie niet opswelt, of sig opblaasende, daar door dikker wort, en +bygevolg geen grooter plaats beslaat: maar ter contrarie, dat hy veel +eer, en dat sigtbaarlyk ontswelt, en alsoo in syn actie of contractie +synde, minder plaats beslaat, als wanneer hij geextendeert synde komt +als te rusten. Ik seg als te rusten; want dat een Spier oit in het +geheel van syn beweeging sou ophouden, dat kan ik niet bevinden, dat hy +immermeer in het leven doet; maar hy beweegt sig dan alleen soo sterk +niet. Of wel hy hersamelt syn tegenstrevende kragt, om sig een ogenblik +daar naa soo veel te sterker daar door te contraheeren. Als in de +beweeging van het Hert en syn Oorken, in de Kikvorsch klaar te sien is. +Daar men het Bloet, dat van de omtrek des lichaams in den omloop des +Bloeds weerkomt, (en in het Oorken siet bewoogen te worden) even als de +tegenoverstaande Spier van het Oorken moet aanmerken, die haar +dilateert; en het Oorken selve is de tegenoverstaande Spier van het +Hart, dewelke door het Bloet, dat zy in het Hart uytstoot, wederom het +Hert dilateert: en waar uyt dese wonderlyk, herhaalde, en geduurig +gecontinueerde klopping des Harts syn oorspronk neemt; dat ook +t’eenemaal natuurlyk en noodsakelyk is; alsoo dese twee Spieren, +namentlyk het Oorken en het Hart van een ongelyke grootte ende kraght +syn, waar door haar beweeging ook nootsaakelyk over en weer is. En sy +sou in het geheel ophouden, indien het Oorken soo vast en van sulke +kragt was, als het Hert: want daar de tegenoverstaande Spieren in het +lichaam gelyk syn, daar is de beweeging der Spieren onopmerklyk, en +alles staat in balans, tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt, +die de eene Spier wat sterker als de andere doet beweegen, en onse +leeden alsoo roeren: dat uyt verscheyde oorsaken komen kan; die dese +determinatien te weeg brengen. + +Als by exempel, wanneer men een hayr uyt syn Hooft neemt, en dat ses of +agt dubbelt te samen vouwt, en dat men ymant, die ons niet en siet, syn +vel in de hals daar meede heel saft irriteert, soo heb ik dikmaals +gesien, dat de beweeging van de tegenoverstaande Spieren van de Arm en +Hant gedetermineert wierden, soo dat de Persoon, datelyk en sonder veel +attentie, syn hant op die plaats, daar hy de kitteling gevoelde, kwam te +beweegen, en die ook heel vermakelyk te krauwen, selfs tot root wordens +toe, beeldende sig mogelyk in, dat daar een Luys of Vloy sat. En als ik +cesseerde in die irritatie, soo bleef de Arm ende de Hant in rust, om +dat nu de natuurlyke irritatie in alle de Spieren egaal was. Als men dit +experiment in de slapende Honden of Katten doet, soo siet men van +gelyken, dat ’er ook terstont een determinate beweeging komt in de +Spieren, die haar huyt beweegen, dewelke sy dan seer aardig rimpelen, en +het Hayr als te berge setten, of doen oprysen, en somtyts sal men haar +ook al slapende de ooren sien schudden. Waar uyt men voor een kleen +staalken siet, op wat wyse ook onse Spieren, sonder groote attentie +van de wil, nogtans vrywillig beweegt worden, door yets dat bequaam +is, om haare natuurlyke beweeging der tegenoverstaande Spieren, na de +tegenoverstaande syde, te determineeren. + +Maar om nu een seker experiment te geeven, van dat de Spier in syne +samentrekking niet opgeblasen wort, maar minder plaats beslaat, soo moet +men een seer radde ende frissche Kikvorsch nemen, en deselve vaardig +geopent hebbende, het Hert ontdekken, en het Hartesakje met de nagelen +der Vingeren daar van afbreeken: dit gedaan hebbende, soo moet men den +eenen of anderen Ader of Slagader verkiesen, die groot genoeg is, die +men openen moet; en daar een Pypken van Glas, dat fyn genoeg is, +ingebragt hebbende, soo kan men daar door alle de Aderen en Slagaderen +des lichaams, en by gevolg ook het Hert seer ligtelyk opblasen. Want als +ik in het voorgaande gesegt heb, soo obsteeren hier de Longen niet. + +Het Hert aldus met lugt opgevult synde, soo moet men dat met syn Oorken +door een fyn draatken behendig afbinden, en uyt het lichaam snyden. Het +welk gedaan synde, soo is het nodig een glaase spuytken by der hant te +hebben, dat in een fyn Pypken moet uytgerekt syn, op syn eene eynde. +Voorts moet men het opgeblase Hart met syn Oorken boven op de vlakte van +de Suyger leggen, en dat met malkanderen in het glase spuytken steeken, +vullende ondertusschen syn uytgerekt Pypken, met een seer kleen +droppelken water, of water en Bloet, om het te beeter te sien. + +Dit nu alles soo omsigtig, als mogelyk is, volbragt hebbende, soo sal +men sien, wanneer het Hert _a_ sig binnen in het glaase Spuytken _bb_ +contraheert; dat dan het droppelken water, ’t geen boven aan in het +Pypken geplaatst is _c_, sal merkelyk ende verwonderlyk nederdaalen, tot +aan syn begintsel, daar het uyt de Spuyt syn oorspronk neemt _d_ en als +het Hert sig weer dilateert, soo sal men distinct sien, dat het +neergedaalde droppelken _d_, weer sal om hoog bewoogen worden, tot de +plaats _c_, daar het van daan is bewoogen geweest. + +Het welk experiment ons infallibel leert, dat in de contractie van de +Spier van het Hert, niet alleen alle de bewegende vesels van het selve +haar in malkanderen sluyten, en vaster ende dikker worden, maar dat het +nog daar en booven een veel minder plaats komt te beslaan, als te vooren +in syn dilatatie. + +Dat dan ook de reeden is, waarom de droppel water _c_ naa beneden +beweegt wort _d_, en datse het in een sig samentrekkend Hert nootsakelyk +moet volgen. Daar dit droppelken _c_ ter contrarie, indien daar op +deselve tyt als het Hert sig contraheerde, een opblasing, opswelling of +verwyding van geesten binnen geschiede, niet neerwaarts tot de spuyt +_d_, maar om hoog en opwaarts in het Pypken _e_, nootsaakelyk moest +bewoogen worden. + +Maar dit niet geschiedende, en het contrarie sigtbaarlyk gebeurende, soo +kan ik als een onweersprekelyk vaste waarheid voorstellen; dat de Spier +van het Hert in syne contractie een merkelyk mindere plaats beslaat, als +in syn dilatatie: en ook dat daar geen van de gesupposeerde geesten +inkomen, die men tot nog toe gemeent heeft, dat het Hert of de Spier +daar van opblaasden in syn samentrekkende beweeging. + +Soo men nu hier by een Kikvorsch levendig opent, en men let op de +beweeging van syn Hert ende het Oorken, soo sal men bevinden, datse +inkrimpt en kleender wort: en als wederom, het Hert sig op syn beurt +contraheert, soo sal men het van gelyken sien inkrimpen, kleender worden +en in sig selven intrekken. Waar uyt blyken sal, dat tusschen dese twee +contractien van het Hert, het sy binnen, het sy buyten de spuit, gansch +geen onderscheyt is, als alleen dat het Hert buyten de Spuit met Bloet +gevult is, en dat het binnen in de Spuit met lugt opgevult is. + +En omtrent dit tweede valt nu bysonderlyk aan te merken, wat daar in het +Hert gebeurt, wanneer het sig dilateert, en dan ook wat daar geschiet, +als het sig weer contraheert. Omtrent de dilatatie van het Hert soo siet +men heel distinct, dat het Oorken sig eerst begint te contraheeren: waar +op men voorts de lugt daar siet uyt bewoogen te worden, en in het Hert +overgevoert. Het geen te weeg brengt, dat het Hert merkelyk uytgespannen +wort, en sig in de Spuit vertoont, als of het vol bellekens en blaaskens +was, en ook soo wort het bleeker, doorlugtig, en ongelyk van facie, dat +syn oorspronk neemt, om dat de beweegende Vesels en vleesige +pylaargewyse draaden overal niet even dik syn, waar door de eene plaats +van het Hert, tusschen de pylaargewyse draaden, meerder door de +ingeperste lugt uytgeset wort, als de andere: waar op dan volgt, dat het +droppelken water in het glaase pypken synde, opwaarts bewoogen wort. + +Maar de beweegende Vesels van het Hert, sig weer samentrekkende, soo +siet men eerst, dat het Hert sig sluyt ende kleender wort: voorts siet +men, dat het de lugt weer in syn Oorken perst, waar op het terstont +roder en min doorschynende wort, en in sig selfs intrekkende sig weer +van een gelyke facie vertoont. En alsoo het op die tyt al de lugt, die +daar binnen in geblasen is geworden, niet in het Oorken kan perssen, soo +sluyten syne bewegende Vesels haar soo ongemeen sterk in malkanderen, +dat selfs de lugt, die daar binnen in is, op die tyt verdikt wordt. Waar +op dan volgt, alsoo het Hert nu minder plaats beslaat, dat het +droppelken water, dat in het Pypken van het glase spuytken is, +nederwaarts gedrukt wort. + +En dit selve heeft ook plaats in het Hert, dat natuurlyk met bloet +gevult is geworden, ’t geen de omringende lugt wegstoot, als het in syn +dilatatie door het bloet wort uytgespannen: en als het sig weer +samentrekt, en het bloet uyt sig stoot, soo wort het verkleent, en het +wort van de lugt naa proportie soo veel ingevolgt, als het in sig selven +intrekt: daar wel op te letten is, alsoo het seer sigtbaar in het leeven +is. Ook verdikt sig het bloet eenigsins, wanneer als het Hert, sig +selven daar sterk om toetrekt, en het met gewelt uitdryft. En als +weederom het Hert, door het nieuw ingestorte bloet, gedilateert wort, +soo wordt ook het bloet eenigsins verdunt: waar meede dat dese +natuurelyke actie van het Hert en het bloet, met de actie van het Hert +en de lugt in dit experiment, over een komen. En hoewel men sou mogen +tegenwerpen, dat ’er natuurelyk in het leeven geen lugt tot het Hert +nadert, nog dat deselve daar van weg gestooten wort; soo blykt dat heel +contrarie in de Gyrinus, daar men het kloppent Hert de uyterlyke huyt +siet beweegen, die dan het Hert in de klopping wykt en involgt; dat +deselve saak is, als of de lugt immediaat tot het Hert naderde: en soo +moet dit ook van alle andere Dieren verstaan worden, die Longen of Kuwen +hebben, en alwaar de Borst beweegelyk is: ja het heeft ook sonder alle +twyfel plaats in alle de beweegingen der Spieren. + +Soo men nu een Hart uyt de Kikvorsch neemt, dat niet opgeblasen is, maar +enkelyk uyt het lichaam gesneeden, en dat men het selve op de beschreeve +manier in de glase spuyt plaatst, soo sal men van gelyken sien, dat het +nederdalen van het droppelken water daar ook soo geschiet; maar op ver +naa soo opmerkelyk niet, als in het opgeblaase Hart; hoewel egter dat +het water op deselve wys syn beweging naa beneeden sal neemen, als het +Hert sig contraheert. En de ervarentheid heeft my ook geleert, dat +veeltyts dese nederdaling van het droppelken water soo weynig is, dat +het niet als door een Vergrootglas is te bemerken. Het geen syn +oorspronk neemt, door dien het Hert in syn contractie ten deele blyft, +en dat het door het Oorken niet geextendeert wort, dewelke ook daar toe +onbequaam is, alsoo het geen Bloet nog lugt dan voortdryft, om het Hert +te dilateeren. Waarom het dan ook nootsakelyk is, dat de contractie soo +veel kleender is, en de beweeging in de droppel soo veel minder om te +observeeren. Maar soo men op die tyt maar het Oorken alleen opblaast, +en dat sy door haar contractie de lugt in het Hert perst, soo is dit +experiment kennelyker. + +Maar of men nu een Spier selfs wilde neemen, in de plaats van Hert, soo +kan men procederen, als in de agtste figuur van my afgebeelt is: alwaar +het glase Spuytken _a_ de Spier van binnen _b_ in sig besluyt, synde syn +byhangende Senuw, sonder te quetsen of te perssen, in een samen geboogen +en subtiel silver draatken _cc_ gevat, het welk ik dan doe passeren door +het oog van een koperdraat, dat op de suyger van de Spuyt vast +gesoldeert is _d_. Dit alles soo bestelt hebbende, soo moet men een +droppelken water _e_ in het fyne Pypken van de Spuyt, door een subtiele +tregterken laaten loopen: en als men het silverdraat langsaam met de +hand _f_ door het koper ringeken, tusschen de suyger en het glas van de +Spuyt doortrekt, tot dat de Senuw daar tusschen in komt geirriteert te +worden; soo siet men, dat dese Spier op deselve wys contraheert, als van +het opgeblasen Hert gesegt is; en dat ook de droppel water sig meede +eenigsins naa beneden beweegt, sonder datse opwaarts beweegt wordt. Dan +dit experiment is seer teer, en daar moeten soo veele omstandigheeden +omtrent waargenoomen worden, dat het selfs verdrietig is. Waarom ik een, +dat ligter is, heb uytgedagt. + +Het selve bestaat, in dat men een glaase Spuytken neemt _a_, dat met een +Diamant omtrent syn spitze eynde door gedrilt is _b_. Waar door men de +gesepareerde Senuw van de Spier moet plaatsen _c_: maar alsoo de lugt +door die opening heel ligt, als men hem tot contractie irriteert, kan +passeeren, dat het neerdalen van het droppelken water belet; soo is het +voor al nodig, de opening van het Glas, daar de Senuw door gepasseert +is, te sluyten: dat men met wat vislym en styfsel seer gevoegelyk doen +kan. Dan om de waarheid te seggen, het droppelken water word soo weynig +neerwaarts ook in dit experiment bewogen, dat het haast onopmerkelyk is. +Waarom dan om dit experiment te doen, niet beter als het Hert is, dat +een redelyk langen tyt, en genoegsaam in syn beweeging continueert, die +het eens ontfangen heeft, tot dat deselve verdwynt. + +En soo men de oorsaaken aanmerkt, waarom dit experiment soo sensibel, +omtrent de Spier, als wel omtrent het Hert, niet en is: soo vind ik die +te bestaan, in dat daar geen tegenoverstaande Spier omtrent is, die hem +van buyten dilateert, of ook geen ingedreeve Bloet, dat de Bloetvaten +uytset, en hem op die wys van inwendig ook een weynig extendeert. Dat +alles seer nodige vereystens syn, om een volmaakte contractie van een +Spier te hebben. + +Maar de experimenten, die over eenigen tyt bygebragt syn, dat het Bloet +tot de contractie der Spieren nootwendig is, die syn van gansch geen +gewight, alsoo het principaalste argument daar van is de toebinding van +de groote Slagader, volgens de manier van de Heer STENONIS, dat daar +niet te pas komt, als maar een Argument synde, dat niet als in syn +eerste aansien ons sou kunnen overreden. Want soo men wel aanmerkt, dat +de Wervelbeenen, verscheyde Senuen, en selfs het Ruggemerg, die alle in +de Bant van de Heer STENONIS begreepen worden, op die tyt te samen +werden gedrukt en geforceert; soo volgt daar van selve uyt, dat daar +niets determinatifs uyt kan beslooten worden. En veel minder nog uyt het +experiment, waar door het Bloet uyt de Spieren, door het indryven van +water, gespuyt wort, dat t’eenemaal de bewegende Vesels der Spieren +kwetst: en daarom soo is dit rouwe experiment niet als voor een +onbedagte redencaveling te agten, die geen fondament heeft, als maar om +het eerste experiment van de Heer STENONIS te bevestigen. Daarom moet +men gewigtiger argumenten hebben, om een saak van gewigt te bewysen: +gelyk men dat omtrent de Slagaders in de Dye, en in die van de +Kikvorsch, toe te binden, sou kunnen experimenteeren. + +De Heer STENO is seer voorsigtigh geweest, in dat hy sig heeft +onthouden, van de manier te determineren, op welke dat de beweeging der +Spieren geschiede; en daarom heeft hy het ook voor onseker geoordeelt, +dat deselve sou geschieden door een invloejing van een nieuwe materie. +Maar naa dat ik hem myne voorgestelde experimenten, nu eenige jaaren +geleeden synde, getoont had, soo heeft hy my determinatief gesegt, dat +hy nu dorst staande houden, dat ’er in de contractie der Spieren geen +nieuwe materie ingevoert wiert; soo dat wy in dit gewigtig point +t’eenemaal accordeeren. + +En ik kan nu ook makkelyk uyt de gewigtigheid van myne voorgestelde +experimenten staande houden, dat een spier in syn contractie niet +opblaast of opswelt, door de gesupposeerde invloejende en opbruisschende +dierlyke geesten; maar dat een Spier in syn contractie veel eer +ontswelt, of om myne gedagten beter uyt te drukken, dat hij minder +plaats beslaat. + +En dit blykt meer als kennelyk, wanneer het Hart met lugt, in plaats van +met bloet, gevult is, of ook dat het ongevult en leeg is. Alwaar dan +omtrent het eerste verscheyde Zaaken in aanmerking komen, die alle in de +contractie der Spieren kunnen plaats hebben. Als 1. dat de lugt inwendig +in het Hert gecondenseert of in een geperst wort. Ten 2. dat dan de lugt +rontsom het Hert gedilateert wort. Ten 3. dat de Vesels van het Hert, +in die actie, dan seer vast komen in een te sluyten, haare holligheeden +tusschen beyden toegedrukt te worden; en soo daar eenige lugt tusschen +beyden is, dat deselve daar uyt komt bewoogen te worden. Het welk alles +als dan voornamelyk blykt, wanneer het Hert als voor een ogenblik in syn +contractie ophoud. Wanneer ten 4. de inwendige lugt in het Hert weer +verdunt wort. Ten 5. de uytwendige verdikt, of van syn plaats gestooten. +En ten 6. dat de Vesels van het Hert weer uytgerekt of gedilateert +worden. + +Maar alsoo men my kan voorwerpen, dat dit tegennatuurlyk is, soo kan ik +daar op antwoorden, dat ik ook somtyts wel lugt in de Herten der +Menschen, die even gesturven waren, heb aangemerkt. Maar alsoo dit meede +niet ordinaar is, soo moet men in de plaats van de lugt, die in het Hert +van my gestelt wort, het Bloet neemen, dat in de contractie van het Hert +aldaar geschud, verdikt, en uytgestooten wort, als ook het Bloet, dat in +de Kroonaders van het Hert selfs is, en dat aldaar uytgedrukt wort; +waarom het Hert ook op die tyt merkelyk bleeker wort. Ten anderen, als +het Hert soo in syn selven inkrimpt, soo heeft de verdunning van de +uytwendige lugt meede syn plaats, en eyndelyk soo sluyten de beweegende +Vesels van het Hert dan meede vast in malkanderen, als dadelyk van het +opgeblase Hert gesegt is: en welkers contrarie men ook hier in de +volgende dilatatie van het Hert moet considereeren. + +Uyt alle het welke dan blykt, dat daar vry meerder saaken in de +contractien der Spieren moeten geconsidereert worden, als tot nog toe +gedaan is. Synde voor al wel in aanmerking te neemen, hoe sterk dat de +bewegende Vesels der Spieren in haare contractie in een krimpen, soo dat +ik se wel bykans driemaal dikker in sommige Dieren op die tyt heb sien +worden, als wanneer sy in haare geduurige en naturelyke contractie +waren. Waar door dan alle haare inhoud, die in de vaten, dewelke daar +door liepen, ingevloeit was, met kragt uytgeperst wierd. Waarom ook een +gecontraheerde Spier in een bloetryk Dier veel bleeker is, als een +Spier, die niet gecontraheert is, als ook van de Heer STENONIS is +aangemerkt. + +En soo is dit ook de reeden, dat de gedetermineerde, of de gereitereerde +naturelyke beweegingen der Spieren, een kennelyke warmte aan het lichaam +veroorsaaken, door dien sy het Bloet door over snelle contractien uyt +haar stootende, de gansche massa bloeds soo veel te veerdiger beweeging +en circulatie toebrengen. Het welk de Chirurgyns, alleen door haar +ervarentheid, wel weten te pas te brengen in het Aderlaaten; wanneer sy +ymant een stok of iets diergelyks in de hant geeven, om die met de hant +omdrayende, en de Spieren beweegende, daar door het Bloet snelder uyt de +Aderen te doen loopen. Dat ook de imaginatie selfs doen kan, die van +gelyken onse Spieren op verscheyde wysen determineert, naa dat men sig +droevige of vermakelyke objecten voorstelt, die het Hert sluyten of +samen trekken en dilateeren. + +En ik heb selfs een jongen te Leyden in het Gasthuys gekent, van wiens +voeten het gegangreneerde vel en vleesch effen gesepareert waaren, +dewelke, als het hem beliefde, een groote quantiteyt Bloets door de ope +wonde, alleen door de beweeging syner Spieren, kon uytdrukken; sonder +dat hy syn aassem inhield. Gelyk dat ook in de beweegingen van veele +Dieren te sien is, welkers Bloet snelder uyt de wonde loopt, als sy haar +roeren, dan als sy stil leggen; hoewel sy selfs geen Longen hebben. + +En dit gaat soo verre, dat selfs de vermoeytheid hier in bestaat, soo +dat de Spieren door het overvloedig Bloet geforceert, en onbekwaam tot +haar contractie worden: dat ik de eerstemaal heb geobserveert, wanneer +ik glas aan de lamp kwam te blasen, waar door myne Wangspieren soo dik +van het Bloet opswollen, dat ik ten laatsten geen kragt meer hadt, om +die te contraheeren, en de lugt daar door uyt de Mont te blaasen. + +Het is wonderbaarlyk in de Insecten, dewelke des Winters, alsoo haar +bloet en vogtigheid als in de Vaten stolt en als bevriest, dan ook alle +de beweegingen haarer Spieren verliesen, soo dat haare leeden en voeten +in dat postuur blyven staan, als men se, sonder haar te forceeren, dan +uytwaarts buygt: en men siet, dat dese beweeging haar niet eerder weder +gegeven wort, voor dat de Lugt gematigder is; of dat men se by het vuur +brengt, daar een kleene warmte haar doet als herleeven, beweegen, +roeren, jaa lopen en vliegen: tot dat haar bloet en vogten weer een +weynig daar naa verdikt worden, dat haar onbeweegelyk maakt op een +nieuw. In dat vermaarde Kruydje roer my niet heb ik ook aangemerkt, dat +het in de Herfstmaanden sig vry minder beweegt, als in de Somertyt. + +Maar mogt ymand vraagen, wat veroorsaakt nu eygentlyk de naturelyke +gedetermineerde, of ook de kunstige en uytwendige irritatie der Senuen +binnen in de Spier? Alsoo men daar niet van kan seggen, dat daar een +sensible materie, als de Senuw geraakt wort, tot de Spier over passeert, +of daar plaatselyk in beweegt wort; maar dat de Spier ter contrarie een +materie uyt sig stoot, en een minder plaats beslaat. + +Sekerlyk dat is een harde en swaare questie, en mogelyk niet te +solveren, als uyt de gansche kennis van de waaragtige structuur der +Spier selve, die my nog onbekent is, en seer verre te soeken. Daarom sal +ik hier handelen, gelyk men met het gebruyk van het Oog gedaan heeft, +welkers manier, hoe het gesigt geschiet, men sonder het Oog waarlyk te +kennen, heeft aangeweesen. Daarom soo het my geoorloft was door een +rouwe gelykenis de saak te verklaren, ik sou seggen, dat het in dese +gelegentheid ging, gelyk met ymant, die seer sagt de Saadkokers van +Kruidje Roer my niet van Dodoneus, of de andere Balsamita van Fabius +Columna kwam aan te raaken, het welk door twee a drie senuw en +kruidagtige Veselkens gedilateert of geëxtendeert synde, dan door die +momentelyke irritatie de kragt verkrygt, om sig seer schielyk en geswint +te contraheeren. En in der daat, indien dese Veselkens die haar soo +schielyk contraheeren, self eer haar saat ryp is, niet in een kronkelden +en weg sprongen, maar datse, gelyk het in een gekrompe leder, haar weer +lieten dilateeren, en op een nieuw door irritatie te samen trokken; men +sou daar omtrent een seer raar voorbeelt van een Spier vinden, wiens +voorname actie in een contractie bestaat, die op de dilatatie volgt: +waar door dat de contractie, en niet de dilatatie, het eygentlyke +officie der Spieren is: dewelke haar geduurig, selfs naa de doot der +Dieren, tragten te contraheeren, jaa ik heb ondervonden, dat een Spier, +die ik eenige jaaren in een Balsem bewaart had, sig nog contraheerde, +wanneer ik hem naderhant in de selve Balsem opkookte. + +Maar dese gelykenissen daar latende; soo staat dit experiment +onweersprekelyk vast, dat als de Senuw van een Spier geroert wort, dat +dan ook dadelyk de Spier geroert wort. En alsoo ik heb aangewesen, dat +de Spier in syn contractie minder plaats beslaat, als in syn dilatatie, +soo volgt daar ook onweerspreekelyk uyt, dat daar dan geen nieuwe +opblaasende materie invloeyt; en dat het een onbevattelyk subtielder +materie moet syn, die op dat ogenblik, sulk een wonderbarelyke beweeging +daar in veroorsaakt. Sonder dat men seggen kan, datse yets anders in de +Spier doet, als de wint, een vinger, een stoksken, of een borstel, tot +de samentrekkende Saadkoker van het Kruidje roer my niet doet, om haare +Veselkens te doen contraheeren. + +Waar uyt ik dan oordeel te volgen, als boven alreede gesegt is, dat als +een Senuw geduurig geirriteert wort, dat dan ook de Spier in een +geduurige contractie, of ten minsten in een gestadige tragting en +renttentie tot deselve sou weesen. Als ik voor deesen in myn Tractaat +van de Ademhaaling heb aangeweesen. En ik nu terstont wat klaarder sal +openen, door een manier voor te stellen, waar door men de geduurige +beweegingen der Spieren eenigsins kan considereeren. + +Maar eer ik daar toe kom, en te gelyk dit discours eyndige, soo is het +seer nodig aan te merken en te sien, op wat manier de Spieren gestelt +syn, eer sy haar ooit beweegt hebben. Het welk voornamelyk omtrent de +Insecten te bespeuren is, en omtrent de begintselen der Spieren in +grooter Dieren, alwaar men dan siet, datse meesten tyt in een gedrongen +syn, en van couleur wit en vliesagtig; synde heel in haar begintsel als +uyt geleyagtige vogtigheeden bestaande. In de Insecten is dit seer +aanmerkelyk, datse in die tyt, wanneer het Dier een andere gestalte sal +aanneemen, als onsigtbaar syn, en in een geringe tyt seer toenemen en +aangroeyen, dat ook gansche leedematen doen, als voornamelyk omtrent de +Beenen en haare Spieren geschiet, die men verwonderlyk siet aangroeyen, +en door ingedronge vogtigheeden of bloet uytgeset te worden, even als +met een opspanning van overtollige vogtigheeden. Waar door dan die +deelen met ’er tyt, als tegens haar natuur, uytgerekt en als een Boog +gespannen worden: dat voornamelyk in de Insecten plaats heeft, welkers +Spieren ook veel langer beweegen, als die van eenige andere Dieren, +selfs naa dat het Hooft al eenige dagen van het lichaam gesneeden is +geweest. En men siet ook, dat als se uyt haare afgelegde huit breeken, +dat dan ook haare lichamen seer schielyk groot en uytgespannen worden. +Dat ook naa proportie stant grypt in de Dieren, die een heter bloet +hebben. En het geen te weeg brengt, dat haare Spieren sig soo veel te +sterker dan weer tragten te contraheeren, en in sig selven te krimpen. +Ook siet men klaarlyk, dat als de Spieren haar nu beginnen te beweegen, +datse door het bloet, dat zig inwendig indringt, en haar voor een +gedeelte dilateert, veel roder worden, en datse door de Bloetvaten, die +haar door loopen, en haar bewegende Vesels uytrekken, meerder werden +uytgeset. + +Waar uyt blykt, dat in alle de contractien der Spieren een dilatatie +moet voorgaan, die ik driesins stelle, als eerstelyk, in natuurelyke en +vrywillige samentrekkingen der Spieren door het ingedronge Bloet, dat +haar voor een gedeelte dilateert. Ten tweeden in naturelyke +samentrekkingen door de inhoud, die de beweegende Vesels uytrekt en +dilateert, waar door haar nog meerder Bloet ingevoert wort, en sy tot +haar contractie gedisponeert worden. Ten derden in vrywillige +samentrekkingen, door de determinatie van de tegenoverstaande Spieren, +die omtrent de tegengestelde Spieren het selve effect doen, dat de +inhoud doet omtrent de Spieren, die haar naturelyk beweegen. + +Maar wat nu die subtiele materie, die door de Zenuen in de Spieren +geduurig invloeit, tot haare contractien doet; en of sy de bewegende +Vesels aanstoot, en eenige Bloetvaten, die van de Senuen in de Spier +omwonden worden, opent; of wel, datse haar met het Bloet vermengende, +dat schielyk doet opwellen, opbruisschen, en de eerste beweeging geeft, +om weer uyt de Spieren gedreeven te worden, soo dat daar in een ogenblik +de contractie van de bewegende Vesels op volgt; van dat alles kan ik +niets determineren. Soo dat ik het selve, om verder naa te denken, daar +late. + +Maar wat de vordere saaken van my voorgestelt aangaat, daar omtrent meen +ik met een goet fondament te kunnen vast stellen. 1. Dat alle Spieren +natuurelyk, dat is eer sy haar actie oit gedaan hebben, gecontraheert +syn. Ten 2. dat haare contractie voor een gedeelte cesseert en als +ophout, door de vogten van bloet of diergelyke, die tot haar door de +Vaten inwendig ingevoert worden. Waar door sy dan, als door een eerste +oorsaak, eenigermaten uytgespannen of gedilateert worden, blyvende nog +in haar contractie: maar waar door evenwel de omringende lugt naa die +proportie uyt syn plaats gestooten en op een gedrongen word, naa de +welke sy geëxpandeert syn. Ten 3. dat tot het volkomen uytspannen of +dilateren der Spieren, als een tweede oorsaak seer veel doet, de inhoud +der Ingewanden, bollvgheden, en pypkens des lichaams, daar de bewegende +vesels om heen loopen, dat in de naturelyke bewegingen plaats heeft: +en dan ook bysonderlyk de contrarie determinatie der tegenoverstaande +Spieren, dat in de vrywillige beweegingen stant grypt; alsoo de +beweegende vesels door beyde dese oorsaaken, en in beyde dese +verschillig geplaatste Spieren, merkelyk uytgespannen worden, en de +Bloetvaten derselve gedisponeert, om nog een veel groter quantiteyt +bloets in haar te ontfangen, als ook om haar weer te sterker te +contraheeren: synde nu volkomen gedilateert. En dat ten 4. soo veel te +meer, alsoo de weg gestooten en verdikte lugt, die geduurig tot syn +dilatatie door het evenwigt der lugt bewoogen word, de Spieren 900 veel +meerder komt aan te persen, om haar eerste en natuurelyke contractien, +daar sy van selver ook nu toe bewoogen worden, weer te herneemen. Waar +by dan komende ten 5. de geduurige en natuurelyke irritatien, die door +de Senuwen in de bewegende Vesels der Spieren selfs verwekt worden, en +waar door se tot haare contractien gestaadig door het circulerende bloet +aangeport worden, dat het begin des Ruggemergs en alle de Senuen +onophoudelyk door de Slagaderen word ingeperst; of ook door de +uytwendige objecten, die het bloet verscheydelyk komen te beweegen, aan +het begin des Mergs en de Senuen word gecommuniceert: Soo worden ten 6. +de Spieren nootsakelyk gedisponeert en als gedwongen, om haar eerste en +natuurelyke contractie weer te herneemen, het sy dat die natuurlyk of +vrywillig syn. Waar uyt ik dan ten 7. als een nootsakelyk gevolg kom +vast te stellen, dat in alle weerkeerige contractien der Spieren, als +dan haare inhoud weer uyt de selve komt uytgeperst te worden: alsoo de +uytgerekte bewegende vesels dan weer tot malkanderen koomen in te +dringen, en digt in een te sluyten; even al eens gelyk sy voor haare +dilatatien waaren. Waarom sy dan nootsakelyk een kleender plaats +beslaan, niettegenstaande men siet, dat daar eenige zwellingen in de +Spieren komen te ontstaan, dewelke alleen uyt die in een krimping haarer +bewegende vesels haar oorspronk neemen: hoewel dat men de oorsaak daar +van tot nog toe aan een opblaasing toegeschreeven heeft, die men +eygentlyk een ontswelling moest noemen. Waar uyt ik dan ten 8. vaststel, +dat alle de actiën der Spieren in haare contractien bestaan, dat is in +de wederkeering tot die figuur en dispositie, die sy voor haar dilatatie +hadden. Waar door dan als de Spieren op deselve wys, of ook door haar +inhoud, of de tegenoverstaande Spieren, weer gedilateert, of tot de +tegenoverstaande syde gedetermineert worden, sy haare contractien +geduurig maaken: het sy in natuurelyke of in vrywillige bewegingen. + +En hoewel nogtans dat dit in het generaal, en bysonderlyk syn stant +grypt omtrent de natuurelyke beweegingen der Spieren, soo siet men +egter, dat het ook in de vrywillige beweegingen derselve syn plaats +heeft, en dat niet tegenstaande, hoewel de toestemming der wil in de +vrywillige bewegingen der Spieren vereyst word. Door reden, dat men +in alle vrywillige beweegingen der Spieren siet, dat daar altyt een +inwendige of uytwendige oorsaak en object nodig is, dat de contractie +der tegenoverstaande Spieren tot de tegenoverstaande syde moet +determineeren. + +En alsoo valt het dan ligt te begrijpen, door dien alle Spieren in de +staat van een geduurige contractie syn, dat daar niet als de minste +determinatie maar nodig is, het sy uyt wat oorsaak dat die spruyt, om +haar het lichaam te doen beweegen, te verplaatsen, voort te gaan, en op +andere oneyndige manieren meer te doen roeren. + +Dat niet alleen omtrent de natuurelyke beweegingen seer kennelyk is, als +in de contractie van de Oogappel blykt, die haar door haare Spieren op +het selve ogenblik sluyt en dilateert, naa dat het Oog meer of minder +van het ligt geirriteert word; gelyk men dat ook siet omtrent de +beweegende vesels der Darmen, die naa proportie haar geduurig +contraheeren en weer dilateeren, na dat de inhoud daar minder of meerder +in is, en op welke tyt de eene beweeging de ander aldaar vervangt, als +de baaren der zee doen, die malkanderen volgen: + +Maar selfs blykt het ook, dat ’er oneyndigmaal een naturelyke contractie +plaats heeft in de Spieren, die wy vrywillig seggen te beweegen: als in +het gaan, staan, het beweegen onser Armen, enz. blykt: die wy duysent en +duysentmaal roeren, sonder dat de wil daar eenige attentie toe heeft. +En op die wys sullen wy door een uytwendig object, als we met een ander +wandelen, veelmaal ymand groeten, om dat ons geselschap syn hoet +afneemt, of dat ons dat uytwendig object beweegt; sonder dat wy weeten, +wie wy gegroet hebben, of selfs dat wy die actie hebben gedaan. Soo dat +het schynt, dat onse contractien der Spieren al soo natuurelyk syn, en +geduurig door de eene oorsaak, die daar heeft doen beweegen, tot een +tweede en derde beweeging gebragt worden: als dat onse memorie +plaatselyk is, en door het eene subject op het andere komt te denken; +dat tot het oneyndige voortgaat. + +Op de selve wys, als we by het vuur sitten, soo retireren wy ons, door +de force van het irriterende object, daar van daan, en wy herstellen +onse leedematen, door veele beweegingen, sonder de minste attentie van +onse wil; soo dat het schynt, dat wy ons selfs ook niet vrywillig +beweegen, ten sy de wil selfs syn object heeft, en dat alsoo haare +beweeging een tweede veroorsaakt. Want de vlam te groot synde soo +sluyten wy onse oogleeden, of wy verdrayen ons hooft, en wy maken +alderhande andere soorten van beweegingen, na dat de objecten ons daar +toe irriteeren. + +Dat alles voor een genoegsaam bewys kan dienen, dat selfs onse Spieren, +waar door wy ons vrywillig beweegen, ook altyt natuurelyk bewoogen +worden, en dat daar niet als een inwendig of uytwendig beginsel, +oorsaak, object enz. noodig is, om die te determineeren; en selfs dat +dit beginsel tot de determinatie eerstelyk in ons moet voorgaan, eer wy +ons vrywillig beweegen. Al was het maar een invallende of verwekte +gedagte, dat selfs soo ver gaat, dat wy des nagts, door een simpele +droom of magische phantasy, ons roeren, beweegen, uyt het bed loopen, +schreeuwen en te roepen koomen; dat dan alles nergens door geschiet, als +dat wy daar door onse Spieren, die alreede in actie syn, maar contrarie +determineeren. En selfs observeert men dese dingen omtrent de +zelvswillige of natuurelyke beweegingen; hoewel die seer weynig als in +seekere opsigten van ons kunnen gedetermineert worden: want gelyk in het +begin gesegt is, onse wil heeft seer weynig magt om die Spieren te +determineeren, daar geen tegenoverstaande Spieren syn: en indien ons die +niet gegeven waren; wy souden in der waarheid de onroerlyke Planten, en +de Bomen, die haar niet beweegen, gelyk syn. + +Het geen ons dan alles klaarlyk leert, dat daar oneyndige saken in de +contractien der Spieren te samen lopen, en dat de gansche machine van +ons lichaam, en de elementen die ons omringen, dienen gekent te worden, +sal men een eenige Spier en syn actie regt expliceeren. En seker de +lugt, het ingenomen Voetsel, het Bloet, de Herssenen, het Merg, de +Senuwen, en die subtiele Materie, die in een ogenblik tot de beweegende +vesels overgevoert word, moeten hier alle in geconsidereert worden, en +nog meerder; sal men eyndelyk eens tot de klaare waarheid komen. Wat my +belangt, ik beken, dat ik yets getragt heb om te seggen, maar ik weet +ook, dat ik gehandelt heb, als of ik de heldere stralen van de Son met +een houte kool heb willen afmaalen; soo dat in myn Verhandeling geen +andere glans is, als die sy verkrygen sal, door het heldere ligt der +waarheid, dat deselve daar in te syner tyt, sal openbaaren. Het geen als +dan weesen sal, soo wanneer alle dese dingen door gelukkiger verstanden +ontdekt syn. En dat sal gewisselyk gebeuren, indien wy de natuur tot +GODS eer, en niet tot onse eyge en verwaande glorie ondersoeken. En als +dan sal men ook soo veel vergenoegen en eygen behaagen in die brandende +lust van schryven niet vinden: alsoo het werken tot GODS eer een bedryf +is, dat tegens alle de bewegingen van onsen verdurven aart stuyt, +dewelke altyt soekt gepreesen en geflatteert te weesen; en de naam te +hebben, van wel te hebben geschreeven, dat ik ook oordeel een ydelheid +der ydelheeden te syn, om dat de waarheid alleen ons fondament en onsen +roem moet weesen. Maar wie sal die uytvinden, daar wy selfs soo onwetent +in dese sigtbaare saaken syn? Waarom ik dan besluit, dat alle goede en +waaragtige wetenschappen en ontdekkingen milde gaven GODS syn, die hy +geeft aan wie het hem belieft, en die hy op syn tyt ontdekt. Wat ik nu +voorts van de Senuwen aangemerkt hebbe, dat is in de uytleggingen van +het Tractaat van de Neushoornige Schalbyter te vinden. + + E Y N D E. + + + + +Tab. XLIX. Verklaart. + + [Transcriber’s Note: + + The heading “Tab. XLIX.” does not appear on the Figures page. + Het opschrift „Tab. XLIX.“ is niet te zien op de pagina met + Illustraties.] + + +Fig. V. + +De beweging van een Spier in de Kikvorsen. + +_aa._ De twee Peesen van een Spier, met de vingeren gevat. + +_b._ De neerhangende Senuw geroert synde, waar door de Spier sig samen + trekkende, de twee handen als te samen trekt. + + +Fig. VI. + +De manier, hoe de Spier sig als verdikt in syn samentrekking. + +_a._ Een glase Pypken, daar de Spier doorgetrokken is. + +_bb._ Twee naalden door syne Peesen gestooken. + +_c._ De Senuw aangeroert: + +_dd._ Waar door de naalden _bb._, uyt haar plaats bewogen worden tot + _dd._ + +_e._ Soo dat de Spier de glase Pyp in haar midden door syn contractie + komt te vullen. + + +Fig. VII. + +De manier, hoe het Hart in syn contractie minder plaats beslaat. + +_a._ Het Hart sig contraherende, daar het in een glase spuyt op de + suyger geplaatst is. + +_bb._ De glase Spuyt. + +_c._ Een droppelken water in het Pypken van die Spuyt, dat op de + contractie van het Hart nederdaalt. + +_d._ De plaats in het Pypken, waar by aangeweesen wort, hoe laag het + droppelken _c._, als dan neerwaarts bewogen wort. + + +Fig. VIII. + +De manier, hoe een Spier in syn samentrekking minder plaats beslaat. + +_a._ De Spuyt. + +_b._ De Spier. + +_c._ De Silverdraat, daar de Senuw in gevat is. + +_d._ Een Koperdraat van boven met een oogken, daar de Silverdraat door + passeert. + +_e._ Een droppelken Water in het pypken van de Spuyt. + +_f._ De Hant die de Senuw roert, en waar door de Spier, als hy sig + samentrekt, het droppelken _e._ een weynig naar beneden beweegt. + + +Fig. IX. + +Dit vorige op een ander manier vertoont. + +_a._ De Spuyt van glas. + +_b._ Een gaatken in de Spuyt gedrilt. + +_c._ De Senuw die door dit gaatken getrokken is. + + +[Illustratie: Fig. IX] + +[Illustratie: Fig. V, Fig. VI] + +[Illustratie: Fig. VII] + +[Illustratie: Fig. VIII] + + +[Erratum: + +tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt + _text: een nienwe_ ] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + Hermanni Boerhaave + + DE USU RATIOCINII MECHANICI IN MEDICINA + + ORATIO + + Habita In Auditorio Magno + XXIV. Septembris. + MDCCIII. + + Cum Tertii Suae Stationis Anni + Labores Auspicaretur. + + + [Illustration / Illustratie] + + + REDEVOERING + + van + HERMAN BOERHAAVE + + over + Het nut der Mechanistische + Methode in de Geneeskunde, + + Door Hem Gehouden In Het Groot-Auditorium + Der Rijks-Universiteit Te Leiden, + + op den 24sten September 1703, + + Bij Den Aanvang Van Zijn Derde Ambtsjaar. + + + * * * * * + * * * * + + + _Nobilissimis et Splendidissimis Viris_ + ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS, + +D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer, +Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris +Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris +Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro. +Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae +et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad +Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc. + +D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in ’s Grevelsregt, Supremae +Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc. + +D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae +in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos +Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum +Alblasserwaarde, etc. etc. + + Eorumque collegis, + _Amplissimis, Gravissimisque Viris_, + +D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et +Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario, + +D. CONRADO RUYSCH, JCto. + +D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto. + +D. PETRO VAN DORP. + + Hanc Orationem + Ea, qua par est, veneratione + Sacrat + Virtuti, et Nomini Eorum + Devotissimus + + HERMANNUS BOERHAAVE. + + + + +HERMANNI BOERHAAVE + +De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina + +ORATIO. + + +Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel +deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici +appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux, +Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni +aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et +insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam! + +Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique +principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi +inventi. + +Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti +rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium +vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu +dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe +supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur +immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento. + +Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris +disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices, +sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In +sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo +censetur. + +Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo +medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim. +Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim, +si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum +esse summum, necessitatem maximam_. + +Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed +reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata +dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati +sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa +veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet +et odia. + +Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos +tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam. +Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori +propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus +rite deduxerit. Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso +accurate omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non +dabit conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. +Ab hac ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus +pollet; adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est. + +Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari +conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem +in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit, +nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque +effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria +rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem, +collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet. + +Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein +Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici +possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam. +Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus +certa, neque minus apta usui erunt. + +Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae +cujusdam machinae constructionem reseret, clavis. + +Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti, +quam contemplamur, Universitati rerum. + +Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si +seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus, +diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus +conflatum. + +Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit +plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane +evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt. +Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum +partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem +deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici +speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie +exhibetur. + +Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina +explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non +quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine +finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares. + +Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando +majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in +minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his, +majoribusque naturam demonstrans. Sed et liquidorum scientia revelavit +multa, quae humorum per vasa nostra circumactorum ingenium, impetum, +directionemque determinant. Quare, aut ex omnibus his nihil lege +scientiae deduci poterit unquam, aut soli mechanicae in cognoscendo, +adeoque et in gubernando corpore humano palma tribuenda erit. + +Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis +observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive +emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet, +quis asseret? + +Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane +pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur, +palam facit. + +Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere +quae forte solus non possit. + +Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens +quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae +corporea rectius excutiat, artem. Id qui aggreditur, necessarium est ut +statuat rerum naturam optime explicari per ea principia, quae a quaesita +rei natura maxime aliena sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata +veri indagandi methodo longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque +se intricat absurdis, ut, nulla ejus ratione habita, propositum +demonstratum putem. + +Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab +usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex +plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito. + +Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus +ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus +mederi cura est. + +Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis +allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati +defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius +rei praeprimis necessaria habentur. + +Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam +beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales +esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima +circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus +fugiat, vel laniones norunt. Neque minus vulgatum, a corde exortum unum +horum truncum explicari in ramos laterales, figura trunci similes, eadem +ratione et divisos rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut +truncus recta pergens, in loco divisionis majori plerunque capacitate +aperiatur quam rami, qui ad latera trivii hujus porriguntur. Sinuoso +autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum latera ad +infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur, hujusque +Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem, observarunt +a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus applicuere +Medicis. + +Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales +Adorandus nostrae machinae Faber! + +Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine +voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca +cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem +propria sponte restituere queant. + +Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut +firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas +hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages +resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida +pererrant. + +Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini! + +Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine +porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum, +horumque sinus mutata constituunt figura. + +Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis +ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae, +comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum detexit. + +Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur +plurima. + +Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica +descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in +similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices +cylindricos retis structura in se mutuo patent. + +Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes +effectus quos sanguini arteriæ præstant, tantum pendere ab hac earum +fabrica? + +Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos, +et demonstrandos esse? + +Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, quæ +vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet? + +Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatoriæ virtutis +calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis +demonstrare queat; solus ergo Mechanicus. + +Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteriæ, brevis certe +levisque attentionis præmium Scientia erit totius fere humani corporis. + +Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo +arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his +recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis. + +En veram vasis lymphatici ideam! + +Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, qui +emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero +liquidiori orbatum vehat. + +Ecce venarum genuinam originem! + +Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova +per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut +novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum +repraesentare discat. + +Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in +recessu recondunt! + +Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano +affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos, +tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam. + +Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor, +simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem. + +Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi! +Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima +perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus +quam demonstras! + +Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere +corpus constat! + +Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur +ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis +moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis. + +Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum +glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris, +quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte. +Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis dubitat, +nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique +nondum illuxere? + +Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic +se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae +artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis +nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso, +villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis +dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans +amplius soloque inflatum spiritu. + +Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui +hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis. + +Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis +elasticos, sphaeroïdeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici; +horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic +arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis. + +Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis +machina simplici adeo perficitur apparatu! + +Certe non fit alio. + +Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem! + +Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum, +quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae +eundem praestare possent, simplicissimum sit. + +Quid tandem ex hisce concludemus? + +Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint +vasa liquidis coërcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis, +et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura, +duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere +queant. + +Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim +explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem +sequutus est Babyloniorum, Ægyptiorum, Graecorumque choro, cum integra, +quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse. + +Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse +nunquam. + +Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et +Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui +singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum, +Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium; his jungite +juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in +abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri +estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa alia. + +Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in +aeternum verba dare? + +Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis, +metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis +locus, causa, necessitas? + +Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit. + +Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua +solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum +effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus +sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur. + +Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, demonstratio. + +Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel +simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid +vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo? + +Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et +inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad +exceptionen, directionemque radii sonori? + +Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora +ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras +formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et +dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in +vilissimo quoque animalium fabricae? + +Nunc daedalei labyrinthi, conchæ, vestibuli, duplicis in cochlea +turbinata spirae, loci ovalis et rotundæ fenestræ, tot inquam +miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae +Divina manus, date rationem. + +Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni +prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo. + +De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de +fluidis subnectam. + +Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu +sanitas absolvitur. + +Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et +agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur, +rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit, +efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico +patent per experimenta indagandi. + +Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano; +unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum +scientiam, quae usum rei praestet idoneum. + +At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque +communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero +elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum +gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria +sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta +efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde oriantur. + +Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is +absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis. + +Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum +poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis est? + +Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi, +affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta +reperit Theoremata. + +Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit, +singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole +patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica? + +Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii, +Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit. + +O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in +Pulcherrima hac Speculatione! + +Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri +Mathematice docti! + +Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent +mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus +exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum +hactenus. + +Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem +ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum +explicare conati sunt. + +Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui +Aquilegum regulas ignorat. + +Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam +praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi, +sectamque condunt. + +Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae +singulares eorum virtutes absolvunt? + +An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes conflictus, +putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim +unquam? + +Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum +adhibeat. + +Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium. + +Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam +singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile +quidpiam producunt. + +Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum +Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium. + +Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem +ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam. + +Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu +omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant! + +Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri +ex communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt +expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum +factis plerumque, pervulgato palam documento est. + +Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas +inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et +sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni +condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando et insulso +fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina +stimulant. + +Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per +annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant +corpusculis. + +Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae, +et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque +particulae virtuti, actiones vitae deberi. + +Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis +et Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat +quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et +defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo. + +Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto, +venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per +vulnera, revixisse Juvenem testatur. + +Sed quid verbis opus in re clara? + +Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum +sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra +incolumis huic Urbi praestatur sanitas! + +Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida +inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta, +diluere crassa, leviora solidare? + +Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii +genium attendere cogimur. + +Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum +poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt. + +Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium +suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut +cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices. + +Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur, +evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas. + +Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus cadaver. + +Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum +cernimus. + +Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet. + +Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo +perturbatus in animi cecidit deliquium. + +Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati +sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens +motus. + +Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies +fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita. + +Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis, +naturalis et humana simul redit actio. + +Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei +spiritusve nascitur aut perit? + +Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa +ipsa redditur. + +Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam +excitat tepor. + +Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam +claritatem, certis saepe diffidit. + +Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis +exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio. + +Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum +pulmonibus cito reviviscit. + +Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus +Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice +vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere. + +Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non +evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt, +vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane +moventur et agunt vicissim agitatione? + +Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et +demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo +cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae. + +Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant +fermentorum Patroni. + +Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus +ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti +valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis +reperiunda datur. + +Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper +derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus, +dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum. + +Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui +speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et +expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam, +processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae +continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam. + +Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare, +unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse causam. + +Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem +praestant, quam noster fingit animus. + +Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo +creditur. + +Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae. + +Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset +humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere +principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem. + +Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet +quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium +operae mutatio in nobis fiat. + +Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo, +cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica +arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis +cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant. + +Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari +ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde +repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est. + +Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate +fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur. + +Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet, +simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti +signo omnia haec fieri. + +Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an +Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi +Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per +quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis +consummatione perfectus Aquilex. + +Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et indubitatis +sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum +intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum +exempli citare decet. + +Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus, +Borellus. + +Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et +Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus. + +Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata +proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum +Pitcarnius. + +Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et +Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata. + +Constabit an prosit Medico Mechanice! + +Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur +in Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu +patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica +tulit. + +Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de +Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae +frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela. + +Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant +simul, satis non video. + +Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, quae ex +proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit. + +Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis, +curandisque morbis auxilia suppeditare optima. + +Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae +deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque +comprehendet. + +Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is +idoneus, qui ei occurrat, est habendus. + +Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index, +errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille, +qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia invenit. + +Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda +Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex. + +Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam +fatetur. + +Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod +manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat +vestra sit aestimatio. + +Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis +imbutus Medicus inveniet? + +Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos +imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant, +acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum. + +Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum +reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae +facies? + +Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi +medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum. + +Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel +potus medicati haustu! + +Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria +regulae definiunt Hugenianae! + +Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica, +intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis +Commentarios. + +Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi +fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris +Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo, +cujus proprietas assumta problema limitaverat. + +Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum +vitri figurati supplemento farcit. + +En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis +Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus. + +Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur +tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed +aeterna scientia medica. + +Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum +adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis +subjici Mechanicis. + +Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus +quaeritur. + +Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores. + +Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco +tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus +junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare? + +Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex +exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum +sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam +absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis quaerat. + +Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is, +rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere _ut plurimum_ a +vitiato ejus per vasa transfluxu. + +Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus +experimentis, docent. + +Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel +contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu, +spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet _plerunque_, qui vitae, +sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus. + +Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse +gratia _inprimis_, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos docet +contemplatio. + +Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione +sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam +Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur +sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi +rationem. + +Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores +esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam +ullus Medicorum cogitat. + +Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et +contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit. + +Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli +fibrilla in corpore sanissimo. + +Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam +multiplex cohors! + +Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio +et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors. + +Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit. + +Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina +similia peragere? + +Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano! + +In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens +insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille +morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a +solo motu oriundae. + +Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati +propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos +reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo +infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet +exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia: ex +causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae, +restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi +phaenomenis quid non invenietur tandem? + +At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non +Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot +irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis +spes. + +Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae +calamitatem eadem deploraret querela! + +Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod +corpus constituit vel mentem? + +Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum +quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae obediens. + +Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, quum hac +insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque +dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat? + +Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio. + +Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne +declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico. + +Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti +fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non +esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et experimento. + +Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi +titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere +medicis, volumina. + +Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis +satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in +illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse +ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio. + +Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius +illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium, +quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum. + +Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu +veritatem nunquam sic detectum iri. + +Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi +Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum +negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent, +sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa +dein artis elementa applicata Mechanica conderent. + +At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam, +exempla ignominiae citent exspecto. + +Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus, +accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum. + +Quo enim talis pertinet Oratio? + +Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam desidero. + +Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis +curandis qui post habet, insaniet. + +Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui +Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum +sumserat Oratio. + +Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi, +interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus +imago animo obversatur meo, Medici. + +Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens, +tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum, +Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in +alia corpora, Virium. + +His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab +obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo +conciliare prudentiam. + +Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris, +clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui +fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in +fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat. + +Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa +rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et +Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aëris, Salium, et aliorum +maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones. + +Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet. + +Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium +corpora brutorum aperta tacitus circumfert. + +Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus, +curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem. + +Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet +cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium virtutes. + +Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus +recentiorum industria pomoeria extendit anatomes. + +Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum +accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem. + +Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis, +Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et +extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in +sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam evolvit. + +En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat! + +Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio +Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu +festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi +patent. + +Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole +collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur, +firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem. + +Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia? + +Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex +cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum? + +Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia, +castigatissima caute procedit fide? + +Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris, +et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae +proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem +accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam? + +Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel +minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi +immutabilis causa. + +Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima +picturae parte adumbratum. + +In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa Æsculapii penetralia! + +En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta! + +Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret +mellis medicati. + +Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis +arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et +remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus +addiscens; tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et +his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique +curationemque morborum firmet. + +En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem! + +Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me +animus, evictum. + +Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam +feci. + +Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium +summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate +vestra Musagetae Illust. medicinam docui. + +Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam. + +Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis, +sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita, +commendare affectabo. + +Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua +incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici +contemplati primis miremini ab annis. + +Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis +formosi, salutares hominibus audiatis genii! + +Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam +Medica Sapientia. + +Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios +reddere vos possit. + +Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus +effectu beatus his in terris nemo carere poterit! + +Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum! + +Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via. + +Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta, +perrupere fortes, Vos alacres sequamini! + +Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores longe +Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, Pergamenae +tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca. + +Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui +sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret, +Volderum. + +Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe +majorem Virum! + +Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice +hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et +candide meminero. + +Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse +censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare +commodum opere ipso testari possim. + +Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt, +observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices +arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti +slatione, vires dederit Deus! + +Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici +hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus +opus! + +Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae +facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate +certe cedam nulli. + +Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam +profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii +felicitas claritate famae plures alliciat. + +Hoc enim votum illud est, _Illustrissimi Curatores, Amplissimi Coss._, +cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in Academia +gestarum rationem Vobis reddere audebo. + +Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium. + +Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre +me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias! + +Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum +adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem +excitastis denuo. + +Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris +eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri +favoris integritatem. + +Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia +meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni. + +Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero, +quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam alacrior! + +Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et +Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo! + +Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam +sedulus! + +Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me +facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem. + +Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii +aequitatem Orbi ipse comprobem! + + DIXI. + + + * * * * * + * * * * + + + _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_ + CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT, + +Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek, +Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste +lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke +orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde +Nederlanden, gouverneur van ’s Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij +H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst van +Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz. + +Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van ’s Grevelsregt, voorzitter +van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz. + +Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en +afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van +Alblasserwaarde, enz. enz. + + _Den Edel Achtbaren Heeren_ + +Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en +secretaris van het college van Curatoren. + +Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH, + +Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN, + +Den Heere PIETER VAN DORP, + + draagt deze redevoering + met verschuldigden eerbied op + de hun toegewijde + + HERMAN BOERHAAVE. + + + + +REDEVOERING + +van + +HERMAN BOERHAAVE + +over + +Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde. + +Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid, +hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe +waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten +genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner +wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen +aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men +niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde +in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een +wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne +alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke +grenst? + +Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan +ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en +ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn. + +Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire, +wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor +andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen, +als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van +dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof +nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk, +opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij +niets goeds vermag tot stand te brengen. + +Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de +waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik +gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur +voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting +als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal +duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde +van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_. + +Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke +rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit +echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo +welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds +lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit +deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus +terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar +hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, +het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en +aandacht vergt hij van zijne hoorders. + +Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de +Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige +tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard +echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur +voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze +algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. Daar deze immers +voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke +alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles, +wat het eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog +zoo logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid +worden, die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering +geeft. En toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere +of geringere werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de +kennis van deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde +onbestaanbaar is. + +Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te +bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn +anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den +eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze +voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met +de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder +heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van +de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te +onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne +eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij +haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen +waarneembaar is. + +Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten +langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar +voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met +behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch +zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder +waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene. + +Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere +inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen. + +Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het +menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons +omringende natuur. + +Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat +het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met +wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in +vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is +uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er +doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden. + +Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het +vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen +voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der +mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de +onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, +dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische +beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding +verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het +menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont +er derhalve alle eigenschappen van. + +Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen +zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige +behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door +zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste +gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke +eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene +oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven +grond uitgekozen zijn. + +Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de +ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door +den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na +te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen +hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop, +hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg +overeenkomen. Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele +factoren doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de +richting der door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. +Derhalve zal aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de +voorrang moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook +bij het naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij +men misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs +wetenschappelijken weg niets valt af te leiden. + +Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk +waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt +of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met +elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars +kan worden afgeleid? + +Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote +traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste +geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten. + +Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den +goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar +voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort +schieten. + +Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit +genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen +opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht +hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere +wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen +der lichamen uit te vorschen. Wie dat poogt te doen, moet zich in het +hoofd gezet hebben, dat de aard der dingen het best kan worden +opgespoord door van zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het +meest tegen indruischen, en door zoodanige personen, die het sterkst +afwijken van de onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als +de eenige, welke ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds +daardoor echter zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden +verstrikken, dat ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne +stelling bewezen mag achten. + +Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te +zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot +instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht +van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid +der menschen. + +Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de +zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle +beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim +gebruik maken. + +Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen +zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te +brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische +schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet +worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak +zelve meen niet achterwege te mogen laten. + +Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is +en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te +behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen +loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het +grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij +niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de +slagers. Niet minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van +deze kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die +met den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich +op hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij +echter deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht +doorloopende hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk +een wijder opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende +zijtakken. Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, +dat de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal +plaatsen wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen +invloed uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor +weinige jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden +stellingen der wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben +toegepast. + +Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende +kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme +deze buigzame kanalen gevormd! + +Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder +gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun +tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te +keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra +dit opgehouden heeft ze uit te zetten. + +MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der +slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een +stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe +kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons +het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze +dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden +voortgedreven, te doorloopen hebben. + +Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in +Zijn werk openbaart, is wel het volgende. + +De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en +die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting, +zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante +veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne +boezems. + +Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het +microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der +lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken +toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten +en planten aan het licht gebracht heeft. + +Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen +enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter +verdichting. + +Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk +voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is, +bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig +en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen +van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van +cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het +geheel er als een net uitziet. + +Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan +niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts +bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting? + +En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze +werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn? + +Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze +zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die +alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden, +systematisch uiteen te zetten? + +Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige +beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de +kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een +menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander +dan de Werktuigkundige. + +Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de +zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna +het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en +geringe inspanning van onzen geest. + +Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft, +zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de +roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere, +kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen. + +Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat! + +Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden +stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het +dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren. + +Ziedaar den waren oorsprong der aderen! + +Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door +het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat +er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar +zóó dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt. + +De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel +schoons bergen zij niet in zich. + +Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze +tot één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht +daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol +dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van +een klier voor U. + +Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het +orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan +echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn +toegeschreven. + +U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd +hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke +inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te +toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts +door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt! + +En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat +immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren! + +De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons +nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande +uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever, +milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd. + +Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen +van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het +embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten +nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare +afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de +vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan +behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke +geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS? + +Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende +beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de +meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst +zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit +kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu +eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan +een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een +uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat +kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is. + + [Voetnoot 1: Met „geest“, de vertaling van het Latijnsche + „spiritus“, is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens + Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen + gevonden wordt (Vertaler).] + +Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst +recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE +bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van +CARTESIUS. + +Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen +verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die +afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte +wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn +echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van +lymphvaten. + +Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo +kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo +eenvoudige inrichting tot stand gebracht? + +Het is stellig niet anders. + +Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien! + +De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde +opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft +van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het +voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en +tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het +eenvoudigst is. + +Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken? + +Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks +vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen +te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te +verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische +instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid +hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te +dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren. + +Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe +waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste +bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo +vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche +schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij +volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets +anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen +ontdekken. + +De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der +ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen. + +Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde, +diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en +MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam +verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR, +BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude +meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken; +voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de +ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die +tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden, +dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun +onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde +bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken. + +Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en +ons maar steeds wat op de mouw speldt? + +Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen, +chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is +hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen? + +Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar +verzonnen verschijnselen. + +Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun +gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste +wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt. + +Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_ +uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts +_hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar +de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien +heeft. + +Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_ +wetenschap ervaren Meester geleverd wordt. + +U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, +wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het +hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het +waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht. + +Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het +midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden +breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor +het opvangen en richten der geluidsgolven? + +Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de +richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de +velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat +daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging +gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van +deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op +dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont? + +Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de +schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het +kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van +zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de +zeer harde rots heeft uitgehouwen. + +Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een +diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult +kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, +welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen. + +Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het +ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen +toevoeg. + +Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker +onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt. + +Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke +voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, +door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo +één enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof +en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en +vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof +afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs +experimenteelen weg kunnen opgespoord worden. + +Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik +hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze +kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver +gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren. + +Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan +nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle +vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, +de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en +adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de +voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling +onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot, +dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk +lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin +behoeft gezocht te worden. + +Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een +systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk +van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde. + +En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen +kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet +vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo +ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde? + +Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door +gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der +zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de +praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft. + +Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring +der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof +op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de +zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der +wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan +wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden? + +Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten +overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI, +MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand. + +Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de +nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder +licht lieten schijnen. + +Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle +richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen +duidelijkheid te doen kennen! + +Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de +algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap +op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten +tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare +andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd. + +Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de +zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de +werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, +een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een +belachelijk daglicht geplaatst hebben. + +En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan +begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde. + +Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig, +zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed +maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2] +noemen. + + [Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten. + In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen + chemie en alchimie. (Vertaler).] + +Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen +afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen? + +Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de +ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de +wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring +kunnen vinden in de wetten der Mechanica? + +Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik +reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden. + +Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne +hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen. + +Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer +beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op +zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor +onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient +rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij +plaats hadden. + +De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische +wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide +reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand +doet. + +De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, +waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen +geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die +gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden. + +Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de +hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op +beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat +der medische wetenschap in bezit te hebben! + +Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand, +meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene +eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld +hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht, +twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig +verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder +waargenomen feit. + +De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam +dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan +soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van +vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch, +groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen +voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen +hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten. + + [Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).] + +Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid +van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de +andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid +kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij +hunne vochten verzadigen. + +Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de +levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den +algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen +ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden +openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich +zelf? + +Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te +vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en +dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS +omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte +door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een +voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden +men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard +aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten. + + [Voetnoot 4: Een van BACO’s werken draagt den titel: „Historia + vitae et mortis“. (Vertaler).] + +Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies +uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in +zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder +verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het +leven teruggebracht werd. + +Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich +zelf spreekt. + +Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren, +wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer +stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt! + +Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen +genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te +lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen +meer stevigheid te geven? + +Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te +wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de +geheimzinnige werking van het kwikzilver! + +Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben, +passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met +verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde +methoden toe. + +Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde +eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die +deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, +dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen +moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is. + +Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn +van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel +duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in +het oog springen. + +Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die +beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons. + +Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen +bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam. + +Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel +zijn eigen oogen willen gelooven. + +Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde +stroomend bloed in zwijm gevallen is. + +Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste +en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden +worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop +brengt, ontbreekt er aan. + +Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van +dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in +beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle +droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter +dan voorheen, terug. + +En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur, +de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek +menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder. + +Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een +opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig +beginsel? + +Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien +wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren. + +Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, +die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte +behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug +te keeren. + +Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der +waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te +nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij +berusten. + +Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende +feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld +te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het +laboratorium van Hooke. + +Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat +zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden +blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren. + +Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons +het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den +grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang +overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig +te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van +vocht in de aderen. + +Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er +tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons +leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van +het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten? + +Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer +beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en +in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en +vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en +systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het +gebied der Mechanica gerekend worden. + +Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de +voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing +en zegevierenden jubel aanleiding geeft. + +Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen +door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der +beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan +dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke +en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting +aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen. + +Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van +de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet +worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf +bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en +vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der +vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft. Hij, die den +wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en +den samenhang dier deelen aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de +hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit +het hart in de slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der +hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder +terug naar het hart, zal de voortzetting van het levensproces niet +anders trachten te verklaren dan uit de mechanische werking der +ingewanden. + +Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te +bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam +elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt. + +Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat +voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid. + +De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn +veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt. + +De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij +zelven meenen. + +Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was, +indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen, +voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de +mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens +onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer +eenvoudige beginselen voortvloeit. + +De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één +enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige +en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in +ons lichaam tot stand komt. + +Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een +microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel +door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven +wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige +samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op +hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen +dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te +stroomen. + +Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa +verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg +nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu +eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont +zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende +uitspansel. + +Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in +vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, +die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen +hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande. + +En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische +processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles +uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de +veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot +stand komt. + +Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, +een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en +niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam +werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus +gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang +vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde. + +Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de +Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en +betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, +die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, +dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op +dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn. + +Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich +bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient. + +Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit +de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en +voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS +heeft opgelost. + +Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer +hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde +geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd. + +Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS +en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND +over het oor en het gehoor. + +Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der +Geneeskunde ten goede komt! + +Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien +Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun +eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang +wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der +philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden. + +Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan +toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd +worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de +practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der +Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend. + +Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe +spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan, +vermag ik niet te begrijpen. + +Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der +geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de +naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven +van den gezonden mensch. + +Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig +bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de +beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten. + +Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig +kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong +en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen. + +Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak +eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden +worden, om die ziekte te bestrijden? + +Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt, +zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen +der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis +heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de +verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot +herstel aan de hand doet. + +Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde +door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het +practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht. + +Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde +erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk. + +Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om +zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat +zijn naam ontleent aan het „met de hand genezen“; oordeelt zelf, of de +chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan. + +Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van +gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is +met de Werktuigkunde? + +De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien +zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde, +voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het +waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo +teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die +er vaak een groote verwoesting in aanrichten. + +Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met +wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de +oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot +zekerheid gebracht heeft. + +Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad +door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den +patiënt onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke +behandeling onnoodig geoordeeld wordt. + +Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een +verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te +willen genezen! + +Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen +door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke +afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden. + +Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de +praktijk der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen +met HUYGENS’ werken over het opheffen der gezichtsstoringen te leeren +verstaan. + +Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen +de anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen +lettend op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, +weldra door louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat +slechts voor die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het +licht gebrachte eigenaardigheid de kern van het probleem had +uitgemaakt. + +Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en +het onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen +van een bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt. + +Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen +van de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen +van geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij +oplevert en het succes, dat er mede te bereiken valt. + +Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal +gaan behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand +wel zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit +komen van eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis +gegrondvest en vrij van verzinselen, niet ten allen tijde +veranderlijk, maar eeuwig dezelfde zal zijn. + +Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op +de afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige +ziekten en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen +een gunstige invloed geoefend kan worden. + +Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit +resultaat wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat +het nog niet bereikt is. + +Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige +beoordeelaars. + +Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige +Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig +gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden +hebben, waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van +drieduizend jaren met vereende krachten nog zelfs geen begin van +uitvoering hebben kunnen geven? + +Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de +eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde +deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van +den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel +in normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste +gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen, +dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste +stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal +hebben? + +Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar +iets tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat +ziekten, die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg +de meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale +strooming dier vloeistof door de vaten. + +Dit leeren ons de waarnemingen van HIPPOCRATES, vergeleken met die van +SANCTORIUS en met de dagelijks door ons waargenomen verschijnselen. + +En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de +verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven, +hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te +aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de +strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een +krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der +vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of +minderen graad van dichtheid. + +Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige +werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te +stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven +genoemde oorzaken der ziekten wegnemen. + +Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de +verhandelingen van BELLINI over de aderlating, de prikkels en de +samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd +hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op +volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de +verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de +wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien +opstellen. + +Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te +spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde +ziekten eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig +geneesheer vermoedt. + +Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener +machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige +deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele +machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen. + +Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of +kleine zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt +worden. + +Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan +voortspruiten uit een onbeduidend wondje van zoo’n klein deeltje. + +Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst, +ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der +tragedie, den dood! + +Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats +binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen. + +Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der +vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een +gelijke uitwerking hebben? + +Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet +plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging! + +Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje +op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer +geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor! +Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei +ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, +en dat alles uitsluitend gevolg der beweging! + +Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door +den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat +zij echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond +in een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, +wie waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking +tallooze andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal +gemakkelijk inzien, dat eerst van den mechanistischen geneesheer +afdoende middelen hiertegen te verwachten zijn; wat al ontdekkingen +zullen haar ontstaan te danken hebben aan het in verband brengen der +ziekteverschijnselen met de oorzaken der stoornissen in den +bloedsomloop en de regels voor het overwinnen van den weerstand, het +herstellen der veerkrachtige beweging en het versterken der +hartwerking! + +Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons +lichaam doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid +uit niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is +uwe inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, +die gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert! + +Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte, +zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in +zijne schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp +van ons aller onwetendheid tot uiting gebracht werd! + +Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest +of van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het +wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert? + +Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in +ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en +dat _deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen. + +Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_ +mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is, +zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van +_lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken +en zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken +wil. + +Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten +oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt. + +Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders +hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet +onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij +laden, dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, +listiglijk ontweken te hebben. + +Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle +philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening +der geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt +hebben? Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en +proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde +slechts schaadt! + +Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij +slechts gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker +aanhangers zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; +dit leert ons de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden +over geneeskundige onderwerpen geschreven hebben. + +Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen +verbeelding opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens +uit de hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die +beginselen hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te +verklaren, blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; +en nu is het juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische +methode, die dat duidelijk aangetoond heeft. + +De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn, +kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is +uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor +hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen +van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen +geeft. + +Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en +alle onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid +hieromtrent onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen +doen, ontdekt kan worden. + +Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep +van Mechanisten, die tot de school van CARTESIUS behooren, ernstig in +het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan verkeerd +hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk lichaam te +richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen berusten, maar +zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen beoefende +wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten worden +uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van den +mensch leert. + +Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, +zooals ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik +bewijzen voor dien laster. + +Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren, +dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur +als geneesheer kan maken. + +Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben! + +Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de +Geneeskunde, maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis +der Mechanica. + +Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten +opzichte van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een +Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde. + +Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering +duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die +gelijke ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is +om zijne wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de +regelen der Mechanica vertrouwd is. + +Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven +worde, wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, +zal ik U een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij +steeds als een ideaal voor oogen zweeft. + +Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor +zijne geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige +beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de +inrichting van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere +voorwerpen kunnen uitgeoefend worden. + +Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze +tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van +onduidelijke, ware van onware voorstellingen te onderscheiden; +tegelijkertijd zal hij, gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, +zich de zoo hoog noodige voorzichtigheid eigen maken. + +Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet +samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en +ontwijfelbare oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om +de verschillende eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar +vloeibaarheid, elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek +uitvoerig behandelt, nader te bestudeeren. + +Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe +over, de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene +uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken, +versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische, +mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de +werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten +en andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat. + +Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de +gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt. + +Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige +onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van +levend geopende dieren. + +Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid, +de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de +buigzaamheid en veerkrachtigheid der vaten. + +Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door +hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem +reeds van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen +eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen. + +Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de +vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft +uitgebreid, zien wij hem gebruik maken. + +Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane +ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van +den bouw van het menschelijk lichaam. + +Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke +hij zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem +Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met +behulp van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. +Eindelijk zal hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde +gegevens een volledig overzicht kunnen verschaffen van alle +verschijnselen, die het lichaam in gezonden toestand te aanschouwen +geeft. + +Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf +verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van +den normalen lichaamstoestand! + +Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk +nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen +samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der +Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk +gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in +die gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming +daarin ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit +afgeleid kunnen worden. + +Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze +maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der +verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling +vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al +deze onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen +dier oorzaken zal kunnen vormen. + +Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne +studiën dezen weg volgt! + +En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk +vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit +welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen +grondslag uitmaakt? + +Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn, +die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar +erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt? + +Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk +nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare +methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik +vallende oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk +lichaam uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze +zintuigen waarneembaar zijn? + +Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw +merkbaar zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit +belangrijke voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die +zij maakt, een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten +grondslag vormt, waarop verder voortgebouwd kan worden. + +Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen +geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal +strevend. + +Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den +tempel van AESCULAPIUS! + +Thans doorvorscht hij de Tafelen van HIPPOCRATES en de zoo betrouwbare +geschriften der Grieken! + +Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers +vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke +gegevens te vinden is! + +Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij +pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren +ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens +verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de +uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus +opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat +gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze +regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden +resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte +een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der +verschillende ziekten. + +En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste +beeld van den volmaakten geneesheer! + +Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der +Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond. + +Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, +dat beeld te evenaren, mij daarnaar te richten. + +Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding +toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne +krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de +geneeskunde onderwees. + +Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden +ijverig na te streven. + +Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme +verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden +woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik +voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied +trachten af te dwingen. + +Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze +wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn +ongestoord welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen +beeld van den idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af +aandachtig beschouwen en er bewondering voor opvatten. + +Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten +van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft! + +Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen +voor hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde. + +Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe +medemenschen kan maken. + +Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor +de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op +aarde het geluk bestaanbaar is! + +Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen +vurigen geest beteugele! + +Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van +PANACEA[5] voert. + + [Voetnoot 5: PANACEA („Alheelster“) is de naam van een der dochters + van AESCULAPIUS. (Vertaler).] + +Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend; +met groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het +einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun +voorbeeld! + +Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der +geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de +Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische +wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden. + + [Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus + en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding + maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze hunner + genezing. (Vertaler).] + + [Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van GALENUS van Pergamum en + HIPPOCRATES van Cos. (Vertaler).] + +Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk +gemak in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde +bloot te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige +vraagstukken toe te passen. + +Het is VOLDER, een man, die naar het oordeel der besten onder ons +geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven onzen +lof verheven is! + +Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne +openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel +verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd +ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en +oprecht voor oogen houden. + +Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe +studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote +mannen volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs +te leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek. + +Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te +vervullen, zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en +de waarnemingen der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten +bijeen te verzamelen, waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen +onderzoekingen, die ik geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, +toegerust met al deze gegevens, met behulp van de door mij zoo +uitbundig geprezen Mechanica, het onze bij te dragen tot den opbouw +der medische wetenschap! + +Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne +gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van +het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het +zoo mogelijk voleinden! + +Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij +ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken +aanleg en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten +worden, in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen. + +De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen +deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal +blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, +wanneer de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool +meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen. + +Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, +zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren +Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe +bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel +mogen onderwerpen. + + [Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden + toegesproken. (Vertaler).] + +Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven +geest behagen zal kunnen scheppen. + +Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet +minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U +verplicht gevoel, metterdaad te toonen! + +Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen +en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne +werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door +hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog +meer ijver geprikkeld. + +Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het +mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere +gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij +bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat. + +Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest +ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, +hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle +gunstbejag stuit op haar af. + +Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet +van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen +onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol +getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort +te gaan! + +Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij +eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en +volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil +ik U slechts het volgende plechtig beloven! + +Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van +den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden! + +Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, +dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij +haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te +verwerven. + +Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat +gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen +blijken! + + + IK HEB GEZEGD. + + + * * * * * + * * * * + + +_Nobilissimis et Splendidissimis Viris_ +ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS, + + _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_ + CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT, + +D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer, +Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris +Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris +Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro. +Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae +et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad +Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc. + + Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek, + Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste + lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke + orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde + Nederlanden, gouverneur van ’s Hertogenbosch, buitengewoon gezant + bij H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst + van Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz. + +D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in ’s Grevelsregt, Supremae +Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc. + + Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van ’s Grevelsregt, voorzitter + van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz. + +D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae +in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos +Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum +Alblasserwaarde, etc. etc. + + Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en + afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van + Alblasserwaarde, enz. enz. + +Eorumque collegis, +_Amplissimis, Gravissimisque Viris_, + + _Den Edel Achtbaren Heeren_ + +D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et +Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario, + +D. CONRADO RUYSCH, JCto. + +D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto. + +D. PETRO VAN DORP. + + Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en + secretaris van het college van Curatoren. + + Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH, + + Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN, + + Den Heere PIETER VAN DORP, + +Hanc Orationem +Ea, qua par est, veneratione +Sacrat +Virtuti, et Nomini Eorum +Devotissimus + + draagt deze redevoering + met verschuldigden eerbied op + de hun toegewijde + +HERMANNUS BOERHAAVE. + + HERMAN BOERHAAVE. + + + + +HERMANNI BOERHAAVE +De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina +ORATIO. + + REDEVOERING + van + HERMAN BOERHAAVE + over + Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde. + +Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel +deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici +appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux, +Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni +aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et +insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam! + + Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid, + hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe + waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten + genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner + wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen + aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men + niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde + in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een + wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne + alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke + grenst? + +Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique +principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi +inventi. + + Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan + ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en + ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn. + +Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti +rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium +vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu +dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe +supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur +immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento. + + Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen + op het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts + eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld + zijn, voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders + ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller + wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij, + op zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend + heeft, die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij + het te danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de + beweegkracht zij, waarover wij beschikken. + +Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris +disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices, +sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In +sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo +censetur. + + Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire, + wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor + andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen, + als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van + dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof + nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk, + opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij + niets goeds vermag tot stand te brengen. + +Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo +medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim. +Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim, +si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum +esse summum, necessitatem maximam_. + + Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de + waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik + gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur + voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting + als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal + duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde + van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_. + +Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed +reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata +dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati +sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa +veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet +et odia. + + Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke + rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit + echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo + welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds + lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit + deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus + terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar + hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, + het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en + aandacht vergt hij van zijne hoorders. + +Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos +tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam. +Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori +propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus +rite deduxerit. + + Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de + Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige + tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard + echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur + voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze + algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. + + Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso accurate +omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non dabit +conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. Ab hac +ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus pollet; +adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est. + + Daar deze immers voortgesproten is uit de samenvatting van die + eigenschappen, welke alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige + uitsluiting van alles, wat het eene lichaam van het andere + onderscheidt, zal daaruit met nog zoo logische redeneering geen + enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden, die over den + bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En toch hangt + juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere + werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van + deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is. + +Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari +conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem +in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit, +nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque +effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria +rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem, +collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet. + + Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te + bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn + anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den + eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze + voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met + de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder + heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van + de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te + onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne + eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij + haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen + waarneembaar is. + +Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein +Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici +possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam. +Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus +certa, neque minus apta usui erunt. + + Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten + langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar + voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met + behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch + zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder + waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene. + +Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae +cujusdam machinae constructionem reseret, clavis. + + Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere + inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen. + +Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti, +quam contemplamur, Universitati rerum. + + Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het + menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons + omringende natuur. + +Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si +seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus, +diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus +conflatum. + + Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat + het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met + wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in + vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is + uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er + doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden. + +Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit +plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane +evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt. +Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum +partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem +deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici +speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie +exhibetur. + + Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het + vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen + voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der + mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de + onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, + dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische + beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding + verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het + menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont + er derhalve alle eigenschappen van. + +Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina +explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non +quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine +finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares. + + Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen + zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige + behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door + zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste + gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke + eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene + oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven + grond uitgekozen zijn. + +Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando +majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in +minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his, +majoribusque naturam demonstrans. + + Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de + ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door + den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na + te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen + hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop, + hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg + overeenkomen. + + Sed et liquidorum scientia revelavit multa, quae humorum per vasa +nostra circumactorum ingenium, impetum, directionemque determinant. +Quare, aut ex omnibus his nihil lege scientiae deduci poterit unquam, +aut soli mechanicae in cognoscendo, adeoque et in gubernando corpore +humano palma tribuenda erit. + + Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren doen + kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der + door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal + aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang + moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het + naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men + misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs + wetenschappelijken weg niets valt af te leiden. + +Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis +observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive +emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet, +quis asseret? + + Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk + waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt + of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met + elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars + kan worden afgeleid? + +Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane +pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur, +palam facit. + + Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote + traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste + geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten. + +Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere +quae forte solus non possit. + + Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den + goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar + voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort + schieten. + +Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens +quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae +corporea rectius excutiat, artem. + + Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit + genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen + opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht + hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere + wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen + der lichamen uit te vorschen. + + Id qui aggreditur, necessarium est ut statuat rerum naturam optime +explicari per ea principia, quae a quaesita rei natura maxime aliena +sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata veri indagandi methodo +longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque se intricat absurdis, +ut, nulla ejus ratione habita, propositum demonstratum putem. + + Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet hebben, + dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van zulke + grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen, + en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de + onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke + ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter + zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat + ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen + mag achten. + +Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab +usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex +plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito. + + Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te + zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot + instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht + van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid + der menschen. + +Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus +ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus +mederi cura est. + + Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de + zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle + beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim + gebruik maken. + +Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis +allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati +defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius +rei praeprimis necessaria habentur. + + Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen + zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te + brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische + schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet + worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak + zelve meen niet achterwege te mogen laten. + +Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam +beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales +esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima +circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus +fugiat, vel laniones norunt. + + Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is + en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te + behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen + loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het + grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij + niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de + slagers. + + Neque minus vulgatum, a corde exortum unum horum truncum explicari +in ramos laterales, figura trunci similes, eadem ratione et divisos +rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut truncus recta pergens, +in loco divisionis majori plerunque capacitate aperiatur quam rami, qui +ad latera trivii hujus porriguntur. + + Niet minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van deze + kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die met + den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich op + hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij echter + deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht doorloopende + hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk een wijder + opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringendezijtakken. + + Sinuoso autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum +latera ad infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur, +hujusque Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem, +observarunt a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus +applicuere Medicis. + + Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, dat + de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal plaatsen + wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen invloed + uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor weinige + jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden stellingen der + wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben toegepast. + +Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales +Adorandus nostrae machinae Faber! + + Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende + kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme + deze buigzame kanalen gevormd! + +Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine +voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca +cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem +propria sponte restituere queant. + + Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder + gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun + tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te + keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra + dit opgehouden heeft ze uit te zetten. + +Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut +firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas +hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages +resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida +pererrant. + + MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der + slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een + stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe + kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons + het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze + dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden + voortgedreven, te doorloopen hebben. + +Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini! + + Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in + Zijn werk openbaart, is wel het volgende. + +Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine +porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum, +horumque sinus mutata constituunt figura. + + De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en + die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting, + zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante + veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne + boezems. + +Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis +ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae, +comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum detexit. + + Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het + microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der + lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken + toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten + en planten aan het licht gebracht heeft. + +Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur +plurima. + + Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen + enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter + verdichting. + +Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica +descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in +similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices +cylindricos retis structura in se mutuo patent. + + Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk + voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is, + bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig + en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen + van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van + cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het + geheel er als een net uitziet. + +Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes +effectus quos sanguini arteriæ præstant, tantum pendere ab hac earum +fabrica? + + Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan + niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts + bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting? + +Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos, +et demonstrandos esse? + + En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze + werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn? + +Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, quæ +vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet? + + Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze + zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die + alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden, + systematisch uiteen te zetten? + +Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatoriæ virtutis +calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis +demonstrare queat; solus ergo Mechanicus. + + Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige + beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de + kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een + menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander + dan de Werktuigkundige. + +Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteriæ, brevis certe +levisque attentionis præmium Scientia erit totius fere humani corporis. + + Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de + zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna + het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en + geringe inspanning van onzen geest. + +Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo +arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his +recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis. + + Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft, + zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de + roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere, + kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen. + +En veram vasis lymphatici ideam! + + Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat! + +Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, qui +emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero +liquidiori orbatum vehat. + + Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden + stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het + dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren. + +Ecce venarum genuinam originem! + + Ziedaar den waren oorsprong der aderen! + +Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova +per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut +novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum +repraesentare discat. + + Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door + het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat + er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar + zóó dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt. + +Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in +recessu recondunt! + + De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel + schoons bergen zij niet in zich. + +Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano +affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos, +tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam. + + Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze + tot één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht + daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol + dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van + een klier voor U. + +Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor, +simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem. + + Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het + orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan + echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn + toegeschreven. + +Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi! +Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima +perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus +quam demonstras! + + U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd + hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke + inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te + toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts + door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt! + +Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere +corpus constat! + + En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat + immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren! + +Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur +ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis +moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis. + + De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons + nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande + uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever, + milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd. + +Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum +glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris, +quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte. +Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis dubitat, +nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique +nondum illuxere? + + Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen + van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het + embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten + nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare + afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de + vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan + behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke + geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS? + +Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic +se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae +artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis +nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso, +villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis +dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans +amplius soloque inflatum spiritu. + + Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende + beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de + meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst + zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit + kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu + eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan + een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een + uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat + kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is. + + [Voetnoot 1: Met „geest“, de vertaling van het Latijnsche + „spiritus“, is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens + Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen + gevonden wordt (Vertaler).] + +Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui +hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis. + + Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst + recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE + bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van + CARTESIUS. + +Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis +elasticos, sphaeroïdeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici; +horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic +arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis. + + Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen + verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die + afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte + wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn + echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van + lymphvaten. + +Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis +machina simplici adeo perficitur apparatu! + + Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo + kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo + eenvoudige inrichting tot stand gebracht? + +Certe non fit alio. + + Het is stellig niet anders. + +Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem! + + Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien! + +Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum, +quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae +eundem praestare possent, simplicissimum sit. + + De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde + opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft + van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het + voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en + tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het + eenvoudigst is. + +Quid tandem ex hisce concludemus? + + Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken? + +Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint +vasa liquidis coërcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis, +et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura, +duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere +queant. + + Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks + vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen + te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te + verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische + instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid + hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te + dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren. + +Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim +explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem +sequutus est Babyloniorum, Ægyptiorum, Graecorumque choro, cum integra, +quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse. + + Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe + waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste + bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo + vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche + schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij + volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets + anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen + ontdekken. + +Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse +nunquam. + + De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der + ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen. + +Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et +Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui +singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum, +Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium; his jungite +juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in +abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri +estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa alia. + + Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde, + diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en + MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam + verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR, + BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude + meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken; + voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de + ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die + tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden, + dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun + onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde + bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken. + +Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in +aeternum verba dare? + + Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en + ons maar steeds wat op de mouw speldt? + +Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis, +metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis +locus, causa, necessitas? + + Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen, + chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is + hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen? + +Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit. + + Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar + verzonnen verschijnselen. + +Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua +solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum +effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus +sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur. + + Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun + gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste + wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt. + + Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_ + uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts + _hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar + de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien + heeft. + +Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, demonstratio. + + Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_ + wetenschap ervaren Meester geleverd wordt. + +Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel +simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid +vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo? + + U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, + wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het + hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het + waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht. + +Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et +inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad +exceptionen, directionemque radii sonori? + + Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het + midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden + breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor + het opvangen en richten der geluidsgolven? + +Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora +ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras +formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et +dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in +vilissimo quoque animalium fabricae? + + Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de + richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de + velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat + daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging + gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van + deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op + dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont? + +Nunc daedalei labyrinthi, conchæ, vestibuli, duplicis in cochlea +turbinata spirae, loci ovalis et rotundæ fenestræ, tot inquam +miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae +Divina manus, date rationem. + + Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de + schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het + kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van + zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de + zeer harde rots heeft uitgehouwen. + +Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni +prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo. + + Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een + diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult + kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, + welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen. + +De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de +fluidis subnectam. + + Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het + ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen + toevoeg. + +Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu +sanitas absolvitur. + + Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker + onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt. + +Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et +agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur, +rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit, +efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico +patent per experimenta indagandi. + + Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke + voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, + door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo + één enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof + en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en + vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof + afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs + experimenteelen weg kunnen opgespoord worden. + +Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano; +unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum +scientiam, quae usum rei praestet idoneum. + + Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik + hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze + kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver + gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren. + +At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque +communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero +elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum +gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria +sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta +efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde oriantur. + + Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan + nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle + vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, + de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en + adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de + voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling + onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot, + dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk + lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin + behoeft gezocht te worden. + +Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is +absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis. + + Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een + systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk + van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde. + +Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum +poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis est? + + En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen + kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet + vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo + ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde? + +Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi, +affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta +reperit Theoremata. + + Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door + gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der + zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de + praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft. + +Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit, +singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole +patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica? + + Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring + der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof + op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de + zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der + wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan + wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden? + +Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii, +Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit. + + Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten + overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI, + MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand. + +O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in +Pulcherrima hac Speculatione! + + Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de + nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder + licht lieten schijnen. + +Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri +Mathematice docti! + + Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle + richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen + duidelijkheid te doen kennen! + +Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent +mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus +exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum +hactenus. + + Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de + algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap + op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten + tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare + andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd. + +Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem +ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum +explicare conati sunt. + + Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de + zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de + werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, + een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een + belachelijk daglicht geplaatst hebben. + +Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui +Aquilegum regulas ignorat. + + En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan + begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde. + +Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam +praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi, +sectamque condunt. + + Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig, + zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed + maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2] + noemen. + + [Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten. + In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen + chemie en alchimie. (Vertaler).] + +Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae +singulares eorum virtutes absolvunt? + + Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen + afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen? + +An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes conflictus, +putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim +unquam? + + Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de + ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de + wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring + kunnen vinden in de wetten der Mechanica? + +Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum +adhibeat. + + Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik + reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden. + +Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium. + + Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne + hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen. + +Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam +singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile +quidpiam producunt. + + Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer + beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op + zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor + onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient + rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij + plaats hadden. + +Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum +Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium. + + De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische + wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide + reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand + doet. + +Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem +ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam. + + De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, + waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen + geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die + gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden. + +Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu +omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant! + + Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de + hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op + beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat + der medische wetenschap in bezit te hebben! + +Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri +ex communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt +expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum +factis plerumque, pervulgato palam documento est. + + Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand, + meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene + eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld + hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht, + twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig + verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder + waargenomen feit. + +Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas +inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et +sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni +condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando et insulso +fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina +stimulant. + + De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam + dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan + soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van + vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch, + groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen + voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen + hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten. + + [Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. + (Vertaler).] + +Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per +annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant +corpusculis. + + Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid + van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de + andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid + kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij + hunne vochten verzadigen. + +Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae, +et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque +particulae virtuti, actiones vitae deberi. + + Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de + levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den + algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen + ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden + openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich + zelf? + +Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis +et Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat +quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et +defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo. + + Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te + vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en + dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS + omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte + door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een + voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden + men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard + aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten. + + [Voetnoot 4: Een van BACO’s werken draagt den titel: „Historia + vitae et mortis“. (Vertaler).] + +Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto, +venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per +vulnera, revixisse Juvenem testatur. + + Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies + uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in + zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder + verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het + leven teruggebracht werd. + +Sed quid verbis opus in re clara? + + Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich + zelf spreekt. + +Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum +sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra +incolumis huic Urbi praestatur sanitas! + + Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren, + wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer + stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt! + +Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida +inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta, +diluere crassa, leviora solidare? + + Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze malen + genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te + lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen + meer stevigheid te geven? + +Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii +genium attendere cogimur. + + Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te + wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de + geheimzinnige werking van het kwikzilver! + +Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum +poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt. + + Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben, + passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met + verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde + methoden toe. + +Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium +suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut +cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices. + + Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde + eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die + deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, + dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen + moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is. + +Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur, +evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas. + + Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn + van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel + duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in + het oog springen. + +Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus cadaver. + + Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die + beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons. + +Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum +cernimus. + + Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen + bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam. + +Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet. + + Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel + zijn eigen oogen willen gelooven. + +Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo +perturbatus in animi cecidit deliquium. + + Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde + stroomend bloed in zwijm gevallen is. + +Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati +sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens +motus. + + Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste + en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden + worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop + brengt, ontbreekt er aan. + +Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies +fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita. + + Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van + dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in + beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle + droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter + dan voorheen, terug. + +Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis, +naturalis et humana simul redit actio. + + En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur, + de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek + menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder. + +Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei +spiritusve nascitur aut perit? + + Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een + opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig + beginsel? + +Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa +ipsa redditur. + + Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien + wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren. + +Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam +excitat tepor. + + Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, + die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte + behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug + te keeren. + +Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam +claritatem, certis saepe diffidit. + + Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der + waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te + nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij + berusten. + +Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis +exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio. + + Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende + feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld + te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het + laboratorium van Hooke. + +Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum +pulmonibus cito reviviscit. + + Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat + zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden + blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren. + +Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus +Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice +vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere. + + Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons + het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den + grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang + overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig + te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van + vocht in de aderen. + +Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non +evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt, +vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane +moventur et agunt vicissim agitatione? + + Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er + tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons + leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van + het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten? + +Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et +demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo +cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae. + + Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer + beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en + in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en + vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en + systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het + gebied der Mechanica gerekend worden. + +Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant +fermentorum Patroni. + + Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de + voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing + en zegevierenden jubel aanleiding geeft. + +Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus +ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti +valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis +reperiunda datur. + + Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen + door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der + beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan + dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke + en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting + aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen. + +Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper +derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus, +dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum. + + Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van + de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet + worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf + bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en + vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der + vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft. + +Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui +speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et +expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam, +processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae +continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam. + + Hij, die den wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems + tot zijn kamers, en den samenhang dier deelen aandachtig heeft + gadegeslagen, alsook de hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen + van het bloed, dat uit het hart in de slagaderen stroomt, uit deze + naar het merg der hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en + aderen en zoo weder terug naar het hart, zal de voortzetting van het + levensproces niet anders trachten te verklaren dan uit de mechanische + werking der ingewanden. + +Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare, +unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse causam. + + Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te + bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam + elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt. + +Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem +praestant, quam noster fingit animus. + + Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat + voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid. + +Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo +creditur. + + De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn + veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt. + +Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae. + + De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij + zelven meenen. + +Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset +humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere +principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem. + + Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was, + indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen, + voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de + mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens + onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer + eenvoudige beginselen voortvloeit. + +Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet +quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium +operae mutatio in nobis fiat. + + De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één + enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige + en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in + ons lichaam tot stand komt. + +Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo, +cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica +arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis +cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant. + + Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een + microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel + door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven + wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige + samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op + hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen + dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te + stroomen. + +Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari +ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde +repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est. + + Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa + verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg + nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu + eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont + zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende + uitspansel. + +Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate +fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur. + + Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in + vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, + die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen + hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande. + +Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet, +simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti +signo omnia haec fieri. + + En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische + processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles + uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de + veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot + stand komt. + +Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an +Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi +Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per +quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis +consummatione perfectus Aquilex. + + Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, + een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en + niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam + werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus + gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang + vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde. + +Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et indubitatis +sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum +intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum +exempli citare decet. + + Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de + Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en + betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, + die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, + dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op + dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn. + +Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus, +Borellus. + + Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich + bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient. + +Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et +Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus. + + Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit + de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en + voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS + heeft opgelost. + +Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata +proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum +Pitcarnius. + + Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer + hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde + geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd. + +Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et +Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata. + + Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS + en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND + over het oor en het gehoor. + +Constabit an prosit Medico Mechanice! + + Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der + Geneeskunde ten goede komt! + +Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur +in Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu +patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica +tulit. + + Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien + Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun + eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang + wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der + philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden. + +Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de +Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae +frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela. + + Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan + toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd + worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de + practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der + Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend. + +Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant +simul, satis non video. + + Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe + spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan, + vermag ik niet te begrijpen. + +Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, quae ex +proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit. + + Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der + geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de + naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven + van den gezonden mensch. + +Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis, +curandisque morbis auxilia suppeditare optima. + + Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig + bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de + beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten. + +Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae +deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque +comprehendet. + + Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig + kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong + en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen. + +Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is +idoneus, qui ei occurrat, est habendus. + + Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak + eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden + worden, om die ziekte te bestrijden? + +Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index, +errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille, +qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia invenit. + + Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt, + zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen + der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis + heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de + verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot + herstel aan de hand doet. + +Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda +Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex. + + Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde + door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het + practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht. + +Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam +fatetur. + + Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde + erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk. + +Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod +manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat +vestra sit aestimatio. + + Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om + zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat + zijn naam ontleent aan het „met de hand genezen“; oordeelt zelf, of de + chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan. + +Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis +imbutus Medicus inveniet? + + Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van + gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is + met de Werktuigkunde? + +Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos +imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant, +acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum. + + De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien + zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde, + voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het + waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo + teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die + er vaak een groote verwoesting in aanrichten. + +Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum +reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae +facies? + + Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met + wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de + oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot + zekerheid gebracht heeft. + +Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi +medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum. + + Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad + door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den + patiënt onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke + behandeling onnoodig geoordeeld wordt. + +Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel +potus medicati haustu! + + Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een + verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te + willen genezen! + +Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria +regulae definiunt Hugenianae! + + Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen + door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke + afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden. + +Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica, +intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis +Commentarios. + + Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de + praktijk der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen + met HUYGENS’ werken over het opheffen der gezichtsstoringen te leeren + verstaan. + +Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi +fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris +Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo, +cujus proprietas assumta problema limitaverat. + + Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen + de anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen + lettend op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, + weldra door louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat + slechts voor die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het + licht gebrachte eigenaardigheid de kern van het probleem had + uitgemaakt. + +Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum +vitri figurati supplemento farcit. + + Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en + het onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen + van een bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt. + +En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis +Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus. + + Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen + van de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen + van geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij + oplevert en het succes, dat er mede te bereiken valt. + +Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur +tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed +aeterna scientia medica. + + Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal + gaan behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand + wel zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit + komen van eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis + gegrondvest en vrij van verzinselen, niet ten allen tijde + veranderlijk, maar eeuwig dezelfde zal zijn. + +Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum +adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis +subjici Mechanicis. + + Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op + de afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige + ziekten en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen + een gunstige invloed geoefend kan worden. + +Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus +quaeritur. + + Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit + resultaat wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat + het nog niet bereikt is. + +Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores. + + Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige + beoordeelaars. + +Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco +tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus +junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare? + + Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige + Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig + gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden + hebben, waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van + drieduizend jaren met vereende krachten nog zelfs geen begin van + uitvoering hebben kunnen geven? + +Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex +exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum +sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam +absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis quaerat. + + Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de + eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde + deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van + den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel + in normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste + gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen, + dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste + stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal + hebben? + +Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is, +rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere _ut plurimum_ a +vitiato ejus per vasa transfluxu. + + Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar + iets tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat + ziekten, die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg + de meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale + strooming dier vloeistof door de vaten. + +Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus +experimentis, docent. + + Dit leeren ons de waarnemingen van HIPPOCRATES, vergeleken met die van + SANCTORIUS en met de dagelijks door ons waargenomen verschijnselen. + +Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel +contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu, +spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet _plerunque_, qui vitae, +sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus. + + En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de + verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven, + hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te + aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de + strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een + krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der + vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of + minderen graad van dichtheid. + +Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse +gratia _inprimis_, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos docet +contemplatio. + + Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige + werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te + stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven + genoemde oorzaken der ziekten wegnemen. + +Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione +sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam +Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur +sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi +rationem. + + Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de + verhandelingen van BELLINI over de aderlating, de prikkels en de + samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd + hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op + volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de + verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de + wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien + opstellen. + +Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores +esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam +ullus Medicorum cogitat. + + Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te + spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde + ziekten eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig + geneesheer vermoedt. + +Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et +contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit. + + Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener + machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige + deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele + machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen. + +Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli +fibrilla in corpore sanissimo. + + Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of + kleine zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt + worden. + +Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam +multiplex cohors! + + Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan + voortspruiten uit een onbeduidend wondje van zoo’n klein deeltje. + +Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio +et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors. + + Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst, + ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der + tragedie, den dood! + +Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit. + + Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats + binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen. + +Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina +similia peragere? + + Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der + vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een + gelijke uitwerking hebben? + +Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano! + + Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet + plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging! + +In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens +insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille +morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a +solo motu oriundae. + + Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje + op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer + geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor! + Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei + ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, + en dat alles uitsluitend gevolg der beweging! + +Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati +propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos +reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo +infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet +exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia: + + Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door + den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat + zij echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond + in een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, + wie waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking + tallooze andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal + gemakkelijk inzien, dat eerst van den mechanistischen geneesheer + afdoende middelen hiertegen te verwachten zijn; + + ex causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae, +restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi +phaenomenis quid non invenietur tandem? + + wat al ontdekkingen zullen haar ontstaan te danken hebben aan + het in verband brengen der ziekteverschijnselen met de oorzaken der + stoornissen in den bloedsomloop en de regels voor het overwinnen van + den weerstand, het herstellen der veerkrachtige beweging en het + versterken der hartwerking! + +At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non +Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot +irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis +spes. + + Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons + lichaam doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid + uit niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is + uwe inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, + die gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert! + +Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae +calamitatem eadem deploraret querela! + + Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte, + zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in + zijne schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp + van ons aller onwetendheid tot uiting gebracht werd! + +Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod +corpus constituit vel mentem? + + Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest + of van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het + wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert? + +Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum +quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae obediens. + + Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in + ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en + dat _deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen. + +Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, quum hac +insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque +dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat? + + Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_ + mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is, + zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van + _lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken + en zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken + wil. + +Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio. + + Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten + oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt. + +Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne +declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico. + + Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders + hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet + onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij + laden, dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, + listiglijk ontweken te hebben. + +Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti +fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non +esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et experimento. + + Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle + philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening + der geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt + hebben? Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en + proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde + slechts schaadt! + +Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi +titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere +medicis, volumina. + + Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij + slechts gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker + aanhangers zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; + dit leert ons de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden + over geneeskundige onderwerpen geschreven hebben. + +Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis +satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in +illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse +ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio. + + Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen + verbeelding opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens + uit de hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die + beginselen hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te + verklaren, blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; + en nu is het juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische + methode, die dat duidelijk aangetoond heeft. + +Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius +illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium, +quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum. + + De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn, + kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is + uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor + hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen + van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen + geeft. + +Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu +veritatem nunquam sic detectum iri. + + Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en + alle onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid + hieromtrent onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen + doen, ontdekt kan worden. + +Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi +Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum +negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent, +sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa +dein artis elementa applicata Mechanica conderent. + + Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep + van Mechanisten, die tot de school van CARTESIUS behooren, ernstig in + het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan verkeerd + hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk lichaam te + richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen berusten, maar + zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen beoefende + wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten worden + uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van den + mensch leert. + +At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam, +exempla ignominiae citent exspecto. + + Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, + zooals ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik + bewijzen voor dien laster. + +Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus, +accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum. + + Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren, + dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur + als geneesheer kan maken. + +Quo enim talis pertinet Oratio? + + Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben! + +Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam desidero. + + Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de + Geneeskunde, maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis + der Mechanica. + +Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis +curandis qui post habet, insaniet. + + Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten + opzichte van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een + Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde. + +Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui +Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum +sumserat Oratio. + + Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering + duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die + gelijke ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is + om zijne wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de + regelen der Mechanica vertrouwd is. + +Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi, +interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus +imago animo obversatur meo, Medici. + + Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven + worde, wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, + zal ik U een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij + steeds als een ideaal voor oogen zweeft. + +Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens, +tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum, +Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in +alia corpora, Virium. + + Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor + zijne geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige + beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de + inrichting van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere + voorwerpen kunnen uitgeoefend worden. + +His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab +obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo +conciliare prudentiam. + + Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze + tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van + onduidelijke, ware van onware voorstellingen te onderscheiden; + tegelijkertijd zal hij, gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, + zich de zoo hoog noodige voorzichtigheid eigen maken. + +Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris, +clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui +fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in +fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat. + + Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet + samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en + ontwijfelbare oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om + de verschillende eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar + vloeibaarheid, elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek + uitvoerig behandelt, nader te bestudeeren. + +Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa +rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et +Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aëris, Salium, et aliorum +maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones. + + Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe + over, de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene + uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken, + versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische, + mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de + werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten + en andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat. + +Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet. + + Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de + gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt. + +Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium +corpora brutorum aperta tacitus circumfert. + + Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige + onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van + levend geopende dieren. + +Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus, +curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem. + + Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid, + de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de + buigzaamheid en veerkrachtigheid der vaten. + +Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet +cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium virtutes. + + Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door + hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem + reeds van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen + eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen. + +Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus +recentiorum industria pomoeria extendit anatomes. + + Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de + vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft + uitgebreid, zien wij hem gebruik maken. + +Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum +accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem. + + Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane + ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van + den bouw van het menschelijk lichaam. + +Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis, +Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et +extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in +sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam evolvit. + + Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke + hij zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem + Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met + behulp van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. + Eindelijk zal hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde + gegevens een volledig overzicht kunnen verschaffen van alle + verschijnselen, die het lichaam in gezonden toestand te aanschouwen + geeft. + +En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat! + + Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf + verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van + den normalen lichaamstoestand! + +Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio +Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu +festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi +patent. + + Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk + nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen + samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der + Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk + gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in + die gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming + daarin ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit + afgeleid kunnen worden. + +Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole +collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur, +firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem. + + Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze + maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der + verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling + vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al + deze onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen + dier oorzaken zal kunnen vormen. + +Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia? + + Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne + studiën dezen weg volgt! + +Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex +cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum? + + En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk + vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit + welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen + grondslag uitmaakt? + +Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia, +castigatissima caute procedit fide? + + Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn, + die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar + erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt? + +Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris, +et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae +proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem +accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam? + + Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk + nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare + methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik + vallende oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk + lichaam uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze + zintuigen waarneembaar zijn? + +Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel +minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi +immutabilis causa. + + Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw + merkbaar zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit + belangrijke voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die + zij maakt, een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten + grondslag vormt, waarop verder voortgebouwd kan worden. + +Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima +picturae parte adumbratum. + + Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen + geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal + strevend. + +In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa Æsculapii penetralia! + + Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den + tempel van AESCULAPIUS! + +En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta! + + Thans doorvorscht hij de Tafelen van HIPPOCRATES en de zoo betrouwbare + geschriften der Grieken! + +Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret +mellis medicati. + + Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers + vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke + gegevens te vinden is! + +Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis +arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et +remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus +addiscens; tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et +his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique +curationemque morborum firmet. + + Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij + pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren + ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens + verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de + uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus + opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat + gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze + regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden + resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte + een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der + verschillende ziekten. + +En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem! + + En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste + beeld van den volmaakten geneesheer! + +Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me +animus, evictum. + + Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der + Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond. + +Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam +feci. + + Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, + dat beeld te evenaren, mij daarnaar te richten. + +Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium +summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate +vestra Musagetae Illust. medicinam docui. + + Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding + toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne + krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de + geneeskunde onderwees. + +Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam. + + Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden + ijverig na te streven. + +Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis, +sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita, +commendare affectabo. + + Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme + verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden + woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik + voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied + trachten af te dwingen. + +Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua +incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici +contemplati primis miremini ab annis. + + Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze + wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn + ongestoord welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen + beeld van den idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af + aandachtig beschouwen en er bewondering voor opvatten. + +Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis +formosi, salutares hominibus audiatis genii! + + Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten + van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft! + +Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam +Medica Sapientia. + + Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen + voor hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde. + +Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios +reddere vos possit. + + Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe + medemenschen kan maken. + +Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus +effectu beatus his in terris nemo carere poterit! + + Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor + de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op + aarde het geluk bestaanbaar is! + +Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum! + + Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen + vurigen geest beteugele! + +Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via. + + Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van + PANACEA[5] voert. + + [Voetnoot 5: PANACEA („Alheelster“) is de naam van een der + dochters van AESCULAPIUS. (Vertaler).] + +Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta, +perrupere fortes, Vos alacres sequamini! + + Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend; + met groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het + einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun + voorbeeld! + +Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores longe +Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, Pergamenae +tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca. + + Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der + geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de + Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische + wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden. + + [Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus + en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die + melding maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze + hunner genezing. (Vertaler).] + + [Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van GALENUS van Pergamum en + HIPPOCRATES van Cos. (Vertaler).] + +Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui +sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret, +Volderum. + + Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk + gemak in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde + bloot te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige + vraagstukken toe te passen. + +Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe +majorem Virum! + + Het is VOLDER, een man, die naar het oordeel der besten onder ons + geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven onzen + lof verheven is! + +Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice +hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et +candide meminero. + + Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne + openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel + verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd + ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en + oprecht voor oogen houden. + +Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse +censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare +commodum opere ipso testari possim. + + Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe + studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote + mannen volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs + te leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek. + +Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt, +observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices +arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti +slatione, vires dederit Deus! + + Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te + vervullen, zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en + de waarnemingen der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten + bijeen te verzamelen, waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen + onderzoekingen, die ik geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, + toegerust met al deze gegevens, met behulp van de door mij zoo + uitbundig geprezen Mechanica, het onze bij te dragen tot den opbouw + der medische wetenschap! + +Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici +hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus +opus! + + Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne + gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van + het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het + zoo mogelijk voleinden! + +Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae +facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate +certe cedam nulli. + + Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij + ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken + aanleg en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten + worden, in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen. + +Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam +profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii +felicitas claritate famae plures alliciat. + + De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen + deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal + blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, + wanneer de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool + meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen. + +Hoc enim votum illud est, _Illustrissimi Curatores, Amplissimi Coss._, +cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in Academia +gestarum rationem Vobis reddere audebo. + + Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, + zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren + Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe + bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel + mogen onderwerpen. + + [Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden + toegesproken. (Vertaler).] + +Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium. + + Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven + geest behagen zal kunnen scheppen. + +Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre +me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias! + + Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet + minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U + verplicht gevoel, metterdaad te toonen! + +Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum +adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem +excitastis denuo. + + Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen + en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne + werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door + hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog + meer ijver geprikkeld. + +Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris +eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri +favoris integritatem. + + Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het + mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere + gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij + bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat. + +Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia +meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni. + + Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest + ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, + hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle + gunstbejag stuit op haar af. + +Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero, +quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam alacrior! + + Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet + van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen + onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol + getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort + te gaan! + +Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et +Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo! + + Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij + eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en + volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil + ik U slechts het volgende plechtig beloven! + +Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam +sedulus! + + Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van + den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden! + +Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me +facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem. + + Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, + dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij + haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te + verwerven. + +Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii +aequitatem Orbi ipse comprobem! + + Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat + gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen + blijken! + + +DIXI. + + IK HEB GEZEGD. + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + + Hieronymi Davidis Gaubii + + ORATIO + INAUGURALIS + + Qua Ostenditur + + CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE + INSERENDAM + + Habita XXI. Maji MDCCXXXI. + + Quum publicum Chemiam praelegendi munus in Academia + Lugduno-Batava auspicaretur. + + + [Illustration / Illustratie] + + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS + + Medicinae Doctor. + + Ejusdem et Chemiae et Collegii Practico-Medici + + in ACADEMIA BATAVA, quae LEIDAE est, + PROFESSOR ORDINARIUS + + [Script unclear: printer’s name?] + [Tekst onduidelijk: naam van de drukker?] + + + INAUGUREELE REDE + + van + + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, + + Waarin Wordt Aangetoond, + dat de Scheikunde met recht een plaats + verdient onder de Akademische + Wetenschappen, + + Gehouden op den 21sten Mei 1731, + + Toen Hij het Openbare Ambt van het Houden van +Voordrachten over de Scheikunde aan de Leidsche Akademie + Plechtig Aanvaardde + + + * * * * * + * * * * + + + _Illustrissimis et Nobilissimis Viris_ + ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE + CURATORIBUS, + +JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam, +Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc. + +Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae +ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato +etc. etc. + +JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis +Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi, +Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc. + +ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis +senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum +Hollandiae adscripto, etc. etc. + + + EORUMQUE COLLEGIS + _Amplissimis, Gravissimisque Viris_ + _Civitatis Lugdunensis Consulibus_. + +ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi. + +DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D. + +HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D. + +GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D. + + Nec Non Viro Spectatissimo + +DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: +Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis. + + + L.M.Q.D. + Hanc Orationem + Virtuti et Gloriae Eorum + Devotissimus + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + + + + Hieronymi Davidis Gaubii + + ORATIO + INAUGURALIS + + Qua Ostenditur + +CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM + + +Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit +mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus +insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in +me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia +alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt +animum. + +Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum +officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod +Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab +Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae +aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec +studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per +verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet. + +Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi +inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata +forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae, +Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem? Nihil +profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit, supellex; alius +plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia ratione +constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui appropriatae; +erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis operibus, ad +praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; innumerae vasorum, +materie et figura discrepantium, species; carbonum cespitumque acervus +nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, spathulae, folles, +forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel regendo requiruntur. Haec +inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; sed atras +carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, cineribus, +fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare metalla; jam +vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita committere +corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira; illinc, calore moderato, +rerum virtutes, exacto ad numerum stillicidio, elicere; electas alibi, +tepore naturali, unire arctius et digerere; verbo: totum inter furnos +defixum, excitando, applicando, moderando igne occupatissimum, hujus in +corpora efficaciam modis omnibus explorare. Hoc opus est, hic labor ejus +unicus. + +Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones: +vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed +oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis +extorquetur. + +Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in +spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis +sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam? +Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica +Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique +hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque +horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit +trepido, facilem merebitur veniam. + +Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus +fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium +mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta +prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi +juventus forte addidisset. + +Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum +refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta +iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos +ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus +nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis, +quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris +etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit +nemine. + +Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor, +officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum +ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum +ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe +obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae +eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam +gratias, vel veniam impetraturus, supplicem. + +Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici, +docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque +hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis +potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola +conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat +splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit +disciplina. + +Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti +Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie +mei constabit ratio et veritas? + +Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, _Nobilitate_ impertit +hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex +natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet +in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui. +Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri dignitatem, +pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis deductam ejus +originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot numeraverit, +quantosque sui cultores exponunt, parum interim de utilitate soliciti, +qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, dulcia, aut quibusvis +clara sectatorum nominibus: externa enim isthaec sunt, et veram potius +ornant _Nobilitatem_, quam constituunt. Utile mensura est, illam qua +metitur, verum qui rebus pretium statuere solus novit, sapiens. + +Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato, +vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur. +Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique +facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus +antecellit. Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat +sanitatem: ea namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; +deficiens una praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit +excolendum, ars dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia; +una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis +humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium +dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, +et jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente. + +Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc +sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae? +opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum +principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum +itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum +perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae, +debitum in Academiis locum obtinuere. + +Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta +sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in +scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris +causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam, +videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat +habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae. + +Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc +rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab +impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab +otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans, +vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui +penitius eam introspicere dignaretur: atqui externam ejus faciem +monstrosam adeo deformemque reddiderat cultorum et ruditas et malitia, +ab interioribus ut perlustrandis deterrerentur Eruditi, eodem haec, si +non pejori de luto esse conficta, rati. Frustra ergo suam oravit causam +Chemia talibus coram Arbitris qui praejudicata obcaecati opinione, et +usus ejus eximios, et summam necessitatem praetervidentes, sententiam +prius tulerant, quam cognovissent. Factum hinc, a publico ut Sapientum +commercio exclusa, privatorum exerceret manus atque ingenia, varias sub +variis passa fatorum vicissitudines, nec forte unquam Academicos in +suggestus emersura, nisi, quem nacta tandem est, causae patronum, an +rabulam potius? Eremitam fortuna major quam prudentia secundasset: hic +enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod autoritate +rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, bullato id +verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum insolentia, +igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe adeo felici, +ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede potiretur, vel +ipsis contradicentium cineribus inaedificata. Hanc autem quamvis vi +partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa paulo post fundatoris ejus +tyrannide, rursus pessum dederit impatiens cogi, litteratorum gens +liberrima; id tamen inde Chemiae boni accesserat, quod durante isthac +statione sua, propior Eruditis posita, nonnullos horum, vividissimis +quibusdam radiis, per offusas sibi quisquiliarum tenebras evibratis, +latentis intus foecundissimi luminis sui potuerit commonefacere: quo +equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium se +accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus +obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito +Orbi produxere intuendam. Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, +tum demum, quae personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita +faciei, adeo pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in +scholas adoptata, strenue coleretur. + +Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi, +ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam +necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis, +Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque +ullo sine taedio detineat. Utique, si sola contemplemur bona, quibus +quascunque fere artes manuales, humanae vitae commodis inservientes, +perfundit Chemia, quot, quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret +enumerantem: minima tamen haec, et pro parergis tantum aestimanda. +Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera +primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit; +illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in +profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina +conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda. + +Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc +rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium +hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati +satisfactum arbitrabor. + +Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque +causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia +appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus +hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci +potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare +singulis: quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus +corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed +tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta; +corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo +limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae +conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula +a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise +corpus, et non aliud: inde clarissime liquet, communes illas Materiae +dotes non modo, sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias +Physicae esse considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout +vere existunt, vel existere possunt, contemplatur. + +Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis +sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt, +quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum +quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus +emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales, +si a generalibus. + +Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis +corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura +fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil +opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis +universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam, +quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest, +haec quin ita sese habeant! Detegit attentior observatio innumera certe +in corporibus adeo penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole +vix quidquam commune videantur habere, nisi solum, cui inhaerent +utraque, subjectum: talia autem incognita si quis ex universali +illo Geometrarum conceptu, utut accuratissimo, a priori eruere, aut +cognitorum etiam ex hoc rationem exsculpere postulet, nae is et operae +simul et olei jacturam sero doleat! + +Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his +potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur. +Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad +intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est. +Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel +Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia: +proprietates autem et vires corporeae in se primitus imperceptibiles +latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, qui determinatae +ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem simul exhibent, +adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei effectorum +supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur. Haecque adeo sola +superest indagandis corporum singularibus via retrograda; dum alteram +illam, quae a priori haec investigat, humano ingenio imperviam prorsus +Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc rerum scrutator experimentis +prius quam ratiociniis insudat, sensuum adminiculo sua examinat objecta, +horum peculiares animadvertit effectus, quos sponte sua vel praevio +tentata consilio ediderint; corpora corporibus adplicat, rursumque ab +invicem removet, ut, qui e solis, quique e conjunctis fluant motus, +experiatur; tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis +quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori +demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore +patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: +parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere +scientes. + +Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi +flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit +me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim, +quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus. + +Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae +opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt +considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud +est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen. Quidquid +Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid protrudit +Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid denique +Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere omne, +modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia sistit +examini, rimatur, penetrat: penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque +in illis vulgaria, facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, +tanquam se indigna, aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua +quaerens, sublimiora, abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima +principia, prima elementa perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura +pretio suos labores. + +Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia +aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata +solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant +instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi. Igne +utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto sunt +efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his +arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter +se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant +in profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient, +effringentur, patebunt. + +Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit +tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et +vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si +navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore +quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem +experimentis? Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum +aliud esse nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo +pollet ipse, motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis +ejus, per plures gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu +potest: unde certe quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, +ejus ope abditissimas quasque corporum affectiones enucleandi. Istis +enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem propriam +solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, mutat, +partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim combinat, +proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, adeoque nudis +usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte adjuti attingere +potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae scrutatori? Quid +utilius? Quid magis necessarium? + +Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea +excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit +vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint +bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et +_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra +agnoscunt secula; an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda +singularium corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam +ad Chemiam recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa +naturam ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera +colorum, saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque +subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi +attractili, id omne Chemicis debetur experimentis. + +Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae +experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non +formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet +de jure Academico, qui uni movet. + +At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine +tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in +detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum +cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis +fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta, +suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat +nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso +involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem +esse, verissime cecinerit Poeta. + +Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri, +plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano +simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum, +aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens +adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet +errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba +dispersit? His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum +specie allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria +primi periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id +saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae +tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de +Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum +cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris +obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur. + +Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: +aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum +testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo +corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et +accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti, +varia instituunt experimenta; horum dein singulos quosque eventus +sensibiles, bona fide, notant, et ex his demum liquidissime perspectis, +et sibi invicem collatis, severitate Mathematica eliciunt, quae clara et +individua sequela inde deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, +quae pro veritatibus et Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. +Quid vero est, si non haec certitudo est? + +Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, +rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. +Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum +Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter +ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu +derivandam. + +Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: +haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur; +nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum +daretur affinitas. + +Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc +individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium +vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine +suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla +alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem +actiones, quam distinctissime perspectas postulat: quum autem hisce +indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, Chemia potissimum omnem +suam et unice et felicissime impendat operam; hac sine mancam fore +mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod mox, ac plebi +erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum splendore +fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes pertraxerit +Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, horum deliciae. +Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, communem +sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, pro +parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit tantopere, +omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae pomoeriis +indefessam dederit. Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, +aut flocci aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: +quamcunque enim hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa +quae in operis versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros +clamat Chemiae usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe +necessarium exemplis docet infiniris. + +Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso, +constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin +esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine +oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas +Anatomica: sola id liquido docet Chemia. Undenam vero fluidorum ejus +singularis indoles et propriae innotescunt vires? Excepta enim +generaliori liquidorum idea, aliud illis simile frustra quaesiveris +extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa etiam inter se quam +diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola opitulatur; haec +est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus: Sanguinis naturam mediam +nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad calorem naturali majorem, facile +coagulum; Bilis indolem saponaceam; Salivae, succi Pancreatici, Lymphae +temperiem, facultates, et innumera alia nesciremus, abfuisset Chemia. +Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? +Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et +Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem +salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem +humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum +apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat. + +Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri, +iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et +symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros +salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam +indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset? Quis fontem Acidi +aut putridi oleosi, in primis viis, Hypochondriacis tam molesti? Quis +Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, et Vesica Urinaria proventum? Quis +cariei ossium, adjunctique foetoris causam? Quis tetras stagnantium +humorum degenerationes in tenacitatem corneam, aut summam putredinem, +acrimoniamve corrosivam? Quis denique caloris et frigoris, circulationis +auctae vel diminutae varias in permutandis humoribus vires tam pulchre +in lucem ponere potuisset, nisi Chemia praetulisset facem? + +Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem +derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia, +usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne +luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus +indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest. Latet +vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti est, exactum +de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud infantibus, veneni +instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, dulcem quod vitae +fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere. Si solis Medicis +Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de Sudore, de Urinis et +Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius tamen est involvere +silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat nausea. + +Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et +Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini +accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere +utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic +quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae, +ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus. Ortum hic +error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes complurium +suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut arti inesse +crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi delicta luant; +nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad sanitatis +tutelam, morborumque propulsionem opera meruit. Quid enim? Nonne ejus +artificio esculentorum et potulentorum, aquarum, Vinorum, Cerevisiarum +natura, virtutes et vitia cognoscuntur optime? Nonne Thermarum illa, +Acidularum, aliorumque fontium, vi Medicata insignium, elementa, +compositionem et facultates tam liquido manifestat, ut vel imitetur, et +naturalium defectum arte factis suppleat, haud minoris fere efficaciae? +Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in unoquoque +id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, sine +analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas Mortalium +aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit Chemia? +Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum +inventionis gloriam illa sibi vendicat? Taceo benignissimam ejus operam, +qua lethalem nonnullorum corporum ferociam, laudabili adeo eventu, +cicuravit, e venenis ut remedia evaserint tutissima aeque ac +efficacissima. Praetereo singularem ejus, in Medicamentorum viribus +acuendis, extrahendis, in compendium reducendis, et sub alia et alia +gratiori forma exhibendis, dexteritatem: si enim singula, pro dignitate, +nunc prosequi susciperem, dies dicentem deficeret. Videte, quae +illustris Boylaeus, quae Bellinus, Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, +aliique laboribus suis Chemicis in Medicina praestitere: verum quid ad +exteros provocare opus? Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur +scripta, nunquam periturae credidistis memoriae acta praestantissima +Viri vere Magni, quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! +sospitemque: volvite haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri +omni exceptione majora. + +Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima +inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae +partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac +mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro +inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum, +quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret. + +Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est +argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures +dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae +nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur. + +Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse +ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat +operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam. +Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit +Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam +qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat +naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in +Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit. + +Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam +addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis, +ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis +composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo +commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta +methodi? ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare +occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet, +antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat +prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente +differat? Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et +superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat +ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum +sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere +conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese +accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus. + +Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam! +Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato +intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt +profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi, +finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident +sero et dolent. Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur +Chemia, foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo +sorduit, invisa ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein +Eruditus Orbis, una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit +falsissimarum opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus +propagatas, contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: +Optimarum rerum abusus pessimi. + +Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit +tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice +doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res +ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere +credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia, +et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias, +errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit +inventis, solidissimis veritatibus. + +Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne, +horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam, +quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo +speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium +tentamine, palaestra fugiam imbellis. + +Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem, +cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile +instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur. + +Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam +fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, +quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem, +Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam, +indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius +opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam, +_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_? + +Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum +NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS, +Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui +tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia, +huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et +officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere, +postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde +exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum +tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator +merito laudetur omnibus. + +Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum +subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties +attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis +praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus. +Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum, +tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis +rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito? + +Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione +habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum +Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At +enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc +dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis +fortunae suae incurius. Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, +hi tamen stimuli haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar +favoris plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: +animum denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis +indoles, qua ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil +exigitis. His adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud +nunc auspicor. + +Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae +memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria +pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo +denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id +promovendis Academiae commodis unice sacrabo. + +Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non +poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium +scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE +PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae +abundantiam, toto ex animo, apprecor. + +Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima +hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis +Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter +discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat +subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At +temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum +commodis inservitura. Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. +Probabitis itaque ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi +exhibiturum, nec sane a fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a +latente in praecordiis honestae gloriae igniculo profectum. Juvat +magnorum Virorum ad exempla componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo +conspicabor, et, dum nunquam dabitur assequi, saltem ex intervallo +sequar. Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero +vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim +beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae +cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam. + +Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium +applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et +privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate +Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum +devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria. + +Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME ’S GRAVESANDE! +publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore +inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non +sis dedignatus. + +Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari +opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per +aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe +obstrictissimum nunquam non comperies. + +Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem, +mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si +qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id +omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam +prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim. Solam Te penes +addiscere praxim animus erat, studiisque meis Academicis imponere +coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis defoecatissimae Tuae +doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox tantopere rapuit, +ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, ad quamcunque +pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, haurire +sategerim avidissimus. Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi +relicti angustiam, ut ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. +Sive itaque vernam dici speciem, amabilissimis horti divitiis mira +suavitate exponendis, dicares, jucundo Botanices studio discipulorum +animos tanto redditurus alacriores ad laborum magis arduorum +tolerantiam; seu inter furnos desudans, ad secretissimos Chemiae +recessus viam monstrares, certo castigatissimae methodi filo tutissimam +pariter ac facillimam; seu exacta ad normam Mathematicam stabilires +Theoriae Medicae fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos +dogmata, medendi methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam +potissimum diei partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi +consecraveram. Totum ergo Tuum est, si quid isthac mea industria +profeci: Tu ejus omnem fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus +agnosco, poterat id solum Tibi me mille modis in aeternum devincire. + +Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis +humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque +tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras +visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae +gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis, +aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi +vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus. + +Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam +debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo +apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri, +hoc sim honore ornatus. Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, +quam quibus unquam dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe +gratissimam horumce agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc +tanquam in tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; +et certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, +quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat +modestia, meusque pudor. + +Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et +operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem, +quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis, +quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at +quanto Viro! succedo: Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi +praeiveris, omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, +haud aequis passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio +sociata decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, +id saltem fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus +quidem, at non indecorus tamen, inhaeream. + +Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et +Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat +Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus +amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc +animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos +desudate! Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis, +viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo +ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus +ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta +penetraturi. Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. +Si quid in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; +Vobis id omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum +mihi summa, is laborum finis erit unicus. + + + DIXI. + + +[Errata: + +JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori + _text reads „senatorl“_ + +utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam + _text reads „utillissimam“_ + +qua lethalem nonnullorum corporum ferociam + _text reads „nonnulorum“_ + +tuti et felices in artis adyta penetraturi + _text reads „penetraruri“_] + + + * * * * * + * * * * * + + + Aan de zeer doorluchte en edele mannen, + curatoren der Leidsche Akademie, + +JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek, +Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de +Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland, +afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz., + +JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid +van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der +burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz., + +AREND BRUNO’SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid +van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter +hoogmogende Staten van Holland, enz. enz., + +en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, +burgemeesters der stad Leiden, + +ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der +burgemeesters, + +DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten, + +HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten, + +GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten, + +Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de +beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer +doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters, + + draagt gaarne en naar verdienste + deze redevoering op + de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen + zeer verknochte dienaar + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + + + + INAUGUREELE REDE + van + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, + + Waarin Wordt Aangetoond, + dat de Scheikunde met recht een plaats + verdient onder de Akademische + Wetenschappen, + + +Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en +vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans +beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan +gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; +de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft +plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed +door een even groote verbijstering als bezorgdheid. + +Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een +scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard +van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel +ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en +VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat +van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de +Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om +een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen +der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk +en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid, +door proeven wijsgeerig redeneeren leert. + + [Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)] + +Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige +werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een +opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van +schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen +der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een +spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]? Niets +voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich voordoet, is +geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: verschillende +rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere wijze zijn +saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van het vuur +uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel gevuld +met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, die +weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; tallooze +soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een hoop +kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het +gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen +en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur òf te onderhouden òf +te regelen. Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij +zijn katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool +in zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, +bedekt met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen +vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende +vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste +voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra +in een vlammenbrakenden strijd zullen storten; aan den anderen kant +door een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept +door het druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij +een andere gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben +geroepen door een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en +afdeelt; in één woord: hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend, +zich slechts bezighoudend met het aanwakkeren, toepassen en regelen +van het vuur, de werking daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen +nagaat. Dit is zijn werk, hiervoor spant hij zich alleen in. + + [Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)] + +Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen +van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen +der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en +niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de +getuigenissen van feiten ontwrongen. + +Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit +de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een +plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen +weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de +meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een +redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste +staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in +tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering +van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen, +die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een +wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in +zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men +hem vergeeft. + +Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: +en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te +steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer +goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt +om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed +mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te +wagen, misschien zou geven. + +Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over, +waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, +hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, +die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te +voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder +naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands +krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt +getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het +vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter +gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk +persoon ooit van de hand gewezen. + +Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het +onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en +uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te +toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de +Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met +aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen +welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij +gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw +goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om +toegeeflijkheid te smeeken. + +De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien, +openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te +onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die +voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden +bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of +wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de +wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de +bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een +zekeren glans van adeldom. + +Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware +kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de +Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de +waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast +staan? + + [Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: σπᾶν = (uit elkaar) + trekken en ἀγείρειν = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die + scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)] + +De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof +schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van +één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders +kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde +wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan +de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut. Voorzeker +zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje te verdienen, +die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen toonen, zich +verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk uiteenzetten, hoe +haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan worden, en het +buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of hoeveel en hoe +groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich ondertusschen +weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles niets wil +zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen ook van +volgelingen; want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den +waren adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, +waarnaar degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast +te stellen, de wijze, haar afmeet. + + [Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina III, + 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)] + +Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een +mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke +maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar +echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die +wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, +of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de +andere uit. Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die +zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest +gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, +dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. +Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt +de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de +overige wetenschappen toe; met haar eene helft toch houdt zij zich +bezig met het beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt +zij aan het uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten +opzichte van de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen +hebben dus, als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en +met het burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen +verzette. + +Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk +uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende +wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. +Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten +zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten +slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze +dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot +aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in +den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook +door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden +en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen. + +Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom +heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren +van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen +aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van +die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal +zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de +rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met +de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden +met de beoefenaars. + +Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en +aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw +slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in +discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol +gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur, +rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van +lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich +verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen. +Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar +beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en +afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden +afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit +dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus de +Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, die +verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone +voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het +hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de +zaak hadden genomen. Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare +verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren +bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende +lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt zou +hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter geluk +dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door dik +en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] had +ten dienste gestaan. Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde +voor die verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten +gedaan worden door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van +feiten, te beproeven door een systeem van bullen vol met de meest +beuzelachtige woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend +karakter begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in +elk geval een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat +vermetel pogen in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel +veroverde, die zelfs juist op de asch der tegenstanders werd +opgericht. Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op +zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij +van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende +volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft +omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, +dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van +beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door +eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende +duisternis van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst +vruchtbare licht, dat in haar binnenste verscholen was. En weldra, +door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot +een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van +bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee +zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar +in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten +schouwspel voor de beschaafde wereld. Toen dan heeft de Scheikunde, +thans schitterend met haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die +vermomd zoo zeer had mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante, +de geleerden zoo voor zich weten in te nemen, dat zij haar waardig +keurden om onder hun scholen opgenomen met allen ijver te worden +beoefend. + + [Voetnoot 5: „Inter Pyracmonas.“ „Pyracmon“ is in de mythologie + naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus, + samengesteld uit πῦρ = vuur en ἄκμων = aanbeeld. (Vertaler.)] + + [Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600 + regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn + regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den + tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet + sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? (Vertaler.)] + +En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de +Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van +vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want +zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo +alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer +gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en +als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de +minste verveling. Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, +waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen +voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve +hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou +te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer +weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen. De +voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die, +welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de +gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij +ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste +heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de +wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is +zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste +verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden. + +Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden +grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter +staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig +bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor +houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam +te bewijzen. + +Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, +hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak +teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze +wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel +der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op +alles, wat onder het begrip „lichaam“ valt, of daartoe herleid kan +worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het +bijzonder eigen. Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, +die in het bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der +lichamen, in de natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar +slechts een beeld van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van +een theorie, de lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op +zichzelf staande dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, +behalve dat dat algemeene begrip „Materie“ op hen van toepassing is, +ook nog bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene +van het andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist +dat lichaam is en geen ander: daardoor is het helder en klaar, dat +niet slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste +plaats die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp +zijn van de Physische studie, daar deze immers de lichamen door de +natuur geschapen beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen +bestaan. + +De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij +geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit +deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen +voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van +haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn +voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar +daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn +voortgekomen. + +Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat +een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van +een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de +physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig +hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware +algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest +nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar +hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is! Een meer oplettende +beschouwing ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door +en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene +karakter dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het +voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken, +wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der +wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou +verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer zij +bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over +zijn verlies aan moeite beklagen! + +Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het +allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is +gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig +onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet +dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak +uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen. +Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen +vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der +zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen. De +eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven verborgen, +daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij brengen echter +uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en die, in +vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die wijze +tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij +iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te +meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard. En deze van het een op het +andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de +eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien +anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar +en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand. +Derhalve spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in +voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen +onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun +eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens +een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen +bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke +bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd +zijn, voortvloeien. Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit +deze gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig +vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der +lichamen en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk +nooit en nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker +geopenbaard, dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben +zij het niet ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er +tegen beter weten in geen acht op sloegen. + +Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, +dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van +zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische +wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, +brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, +hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band. + +Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het +werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna +alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische +studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde +kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen +afzonderlijk. Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der +aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de +vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten +slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder +Natuur koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan +openbaren aan de zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, +onderwerpt de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt +zij. Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend +neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk +voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer +onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf +het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend, +navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste +grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs +alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben. + +Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze +wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het +andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij +stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit +ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te +voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van +behandelen op allerlei wijzen afwisselt. Zij bedienen zich van het +vuur, het meest beweeglijke en krachtige element; zeer sterke +splitsingsmiddelen staan ten dienste, afgemeten naar den aard der +oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat is dan voor die dingen +moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van een lichaam maar met +een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten zijn ingewanden +zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst zijn, laten zijn +krachten in de onderste diepte verborgen zitten; waarlijk onder het +beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit elkaar springen, +opengebroken worden, aan het daglicht treden. + +Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen +aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht +naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht. +Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken, +welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk +machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan +wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de +aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat +het niets anders was dan beweging. Maar het vuur is ook zeer geschikt +om de beweging, waarin zijn eigen kracht is gelegen, aan andere +lichamen mee te deelen en zijn geweld kan op verscheidene +tusschenliggende graden kunstmatig versterkt of verminderd worden, al +naar men het verkiest. Daardoor ontstaat voorzeker voor den physioloog +de hoogst gewenschte gelegenheid om met de hulp daarvan de meest +verborgen eigenschappen der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden +na te gaan. Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen +tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in +het bijzonder eigen is, schudt ze tot in ’t merg door elkaar, roept +hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de +samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden +een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen +in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat +dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij +geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen +bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit? +Wat nuttiger? Wat noodiger? + + [Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats Heraclitus + van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben. (Vertaler.)] + +Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der +feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke +groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is +op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit +later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden +die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON. +Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden +in de geheimen der Natuur. En zagen soms de voorbijgegane nog +scherpzinniger dan zij? deze echter nemen bij het ontdekken van den +aard der lichamen, bij het opsporen van de hun eigen krachten haast +tot niets anders hun toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke +duurzame en schoone vondst betrekking hebbende op den aard van het +vuur, van hitte, licht en koude, al wat bekend is geworden over het +ware karakter van kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der +aardbevingen, en van het vuur, dat zich op verschillende plaatsen +onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme van lichamen en hun +aantrekkingskracht, dit alles is men aan scheikundige proeven +verschuldigd. + +De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te +breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw +saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar +voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide +betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het +aan één betwist. + +Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. „Zacht +wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en +zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? +Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen +waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met +oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde +hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over +niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene +dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware +dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo +zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig +koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert“. + +Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van +dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, +van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij +waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden; +maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk +openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de +vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de +wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende +dier pseudoscheikundigen heeft verbreid? Omdat het dezen schandelijk +toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook anderen +tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen in +dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid +te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een +gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat +onder den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en +bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets +van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig +zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of +naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware +regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten. + + [Voetnoot 8: TERENTIUS’ Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)] + +De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te +schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs +is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der +oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier +beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift +der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste +nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle +verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend; vervolgens +teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst +nadat zij daarin een volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met +elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid +die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde +uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de +ware beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen +erkennen. In waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is? + +Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden +worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige +beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest +verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in ’t kort de +voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten +nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze +een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan +niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de +Scheikunde beschikt. + +Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de +beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, +waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en +de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet +nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed. + +De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het +menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel +op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van +andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te +wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. +Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo +eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de +bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op +elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden. Daar nu aan het nasporen +hiervan de Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij +uitstek en met veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet +in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn? +Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het +gemeen onttrokken te hebben onder de geletterden in aanzien begon te +komen, thans stralend in haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer +alle zonen der Geneeskunde er toe heeft gebracht haar lief te hebben +en te beoefenen, dat zij in de allereerste plaats van hen het werk, +van hen de lust is geworden. Ja nog meer; vervolgens ook in de +Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich een gemeenschappelijk doel +met deze aangenomen en is toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar +verreweg haar grootste deel gesierd geworden. Daarin dan schepte zij +zulk een behagen, dat zij terstond onvermoeid met alle +krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft om de landpalen van +hare bondgenoote uit te zetten. En voorwaar slechts iemand, die geen +kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of van geringe +waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk +gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door +bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist +met de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de +ontelbare diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel +voorbeelden, dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is +tot haar eigen volmaking. + +Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, +beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, +dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het +menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel +bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden +wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast +is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen +de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid. Waardoor wel worden de +bijzondere aard van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten +daarvan bekend? Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van +vloeistoffen zal men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk +buiten de grenzen van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder +elkaar zoo verschillend als maar mogelijk is. Hier schiet de +Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan +wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken weten, verschuldigd +zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt en noch zuurachtig +noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij +een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig karakter van de +gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het speeksel, van +het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen zouden wij +niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware. Waartoe zal ik +nu gewag maken der functies, die met haar bijstand schitterend zijn +blootgelegd? Het inwendig oplossen der spijzen in de eerste wegen, het +daaruit voortkomen van het chylus- en melksap, de noodzakelijkheid van +spijs en drank en de begeerte daarnaar, het ontstaan der zouten en +zwavelachtige deelen uit het opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, +de merkwaardige verandering der vochten door de krachten van den +kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig +passend verklaard, voor wie het meer heldere licht der scheikunde nog +niet had geschenen. + +Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der +Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog +zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der +ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde +alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het +wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke +zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het +andere voorkomt? Wie de bron van het zuur of van de olieachtige +bedorven stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is +voor de miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de +nieren en de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen +en van den stank, die er mee gepaard gaat? Wie het vieze overgaan van +stilstaande vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke +ontbinding of inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den +verschillenden invloed van hitte en koude, van het vermeerderen of +verminderen der circulatie op het veranderen van vochten zoo schoon in +het licht hebben kunnen stellen, als niet de Scheikunde met haar +fakkel was vooraangegaan? + +Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het +grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook +haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. +Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de +ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen +toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht +krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek. Hem blijft de ware +natuur der voedstermelk verborgen, voor wien de Scheikunde iets +verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover een zuiver oordeel +te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de ongelukkige kinderen +een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig veel folteringen en den +dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven juist de zoete +gezondheid en wasdom had moeten geven. Als ik als geneeskundige nu +alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier zeer veel te zeggen +overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende soorten van urine +en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen te hullen, opdat +niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, een walging +bevange. + +Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde, +de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel +uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich +gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger +dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, +al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij +zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen +beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele +beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap +overschreed. Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der +kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun +uitvindingen daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in +hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus +zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de +Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door +zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het +verdrijven van ziekten verdiend heeft. Want wat is het geval? Leert +men niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen +van eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier +uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en +eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om +haar geneeskracht, zóó duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het +ontbreken van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig +vervaardigde, die bijna geen geringere uitwerking hebben? De +grondstoffen, krachten, de wijze van werken der geneesmiddelen en, wat +toch wel in elk dat is, waarin de grootste macht schuilt, ontgaan den +scherpzinnigste zonder scheikundige analyse. Waartoe zou ik nu melding +maken van die veelvuldige kwalen der stervelingen, wier behoorlijke +geneesmethode alleen de Scheikunde aan de hand doet? Waartoe zou ik de +ontelbare geneesmiddelen van een uitgezochte voortreffelijkheid +opsommen, welke uitgevonden te hebben zij zich beroemt? Ik zwijg nog +van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee zij de vreeselijke, +doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten onschadelijk te +maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van vergiften +geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid de +uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om de +krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te +brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens +weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen. Want als ik op mij +nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou de dag +voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchte BOYLE, wat +BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door hun scheikundige werken +in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. Maar waartoe is het +noodig een beroep te doen op buitenlanders? Onsterfelijke geschriften +bevinden zich in uw aller handen, onvergankelijk hebt gij in uw +geheugen geprent de voortreffelijke daden van den waarlijk grooten +man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in leven--o moge hij dat +lang blijven!--en in welstand zien. Slaat deze geschriften telkens +en telkens weer op en gij zult daarin getuigenissen van het gezegde +vinden, die boven elke bedenking verheven zijn. + +Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de +diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe +ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke +onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het +is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke +voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar +ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_ +allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden +afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen +hangt. + +Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, +moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal +overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere +hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele +wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij +in de lijst van deze worden opgenomen. + +Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan +weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een +zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen +wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig +van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus +te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de +volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus +zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne +smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de +schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets +lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van +haar te heeten. + +Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een +zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, +indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond +voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur +zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van +hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is +verscholen? Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede +methode zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een +onderzoek van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, +bijzondere eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, +voordat hij zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn +onderwerp? Eerst leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene +natuur is, hoeveel het verschilt van den geest. Hij moet laten +voorafgaan een onderzoek naar de algemeene krachten en eigenschappen +en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat hij in de ingewanden +doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die nauwkeurigheid, +waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij hij ook niet +onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens een juiste +redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en leerstellingen af te +leiden, en eerst van deze toerusting voorzien gorde hij zich aan tot +den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten zal plukken, die hem +nimmer zullen berouwen. + +Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen +vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij +overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen +verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de +binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een +wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te +laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen, +onwetendheid, en armoede. Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de +Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd +behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en +fabeltjes, zóó in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en +verdacht was. Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld +tegelijk met de edelste wetenschap dien afschuwelijken vloek van +geheel valsche meeningen ontving, die zich vandaar over ongeveer elk +soort van wetenschap uitbreidde met een bijna niet te keeren +besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van de beste +dingen is het misbruik het ergst. + + [Voetnoot 9: „more andabatarum“. Andabatae, gladiatoren die streden + in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)] + + [Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn liefde + vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd draaiend + rad werd gebonden. (Vertaler.)] + +Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar +beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de +verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig +onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de +natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in +haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan +verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat +vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, +zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit +haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar +ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen +en de meest onbetwistbare waarheden. + +Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de +vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te +goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog +dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor +ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig +vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven. + +Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, +dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, +beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit +Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die +dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten. + +En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb +laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden +voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is +voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door +de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel +als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de +hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee +door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht +namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat +belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele +wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische +wetenschappen?_ + +Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te +zamen met uw zeer edele collega’s, de zeer aanzienlijke burgemeesters +van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, +dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel +waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor +deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt +ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, +dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest +eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar +uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een +verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht +zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht +door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde. + +Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat +ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien +onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo +dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over +het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft +moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en +eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden +jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend +geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer +moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde +gunst? + +Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te +houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het +volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus +toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel +van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan +den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild +honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren +om den groei van zijn fortuin. Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn +geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van +die prikkels. Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw +bijzonder gunstige meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt +opgevat. Moed gaf mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een +edelaardigen geest, waardoor gij niets verder van een jongeling +verlangt, dan de jeugdige krachten reiken. Door deze omstandigheden er +toe gebracht heb ik mijn ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard +ik het nu plechtig. + +De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn +geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik +die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten +goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden +arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam +schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en +alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden. + +Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien +weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben +aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al +het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der +Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en +onbevlekt geluk van ganscher harte toe. + +Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, +schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder +twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van +sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap +van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw +zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet +voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke +den studiebelangen ten goede zal komen. Niemand leert kennen, wat hij +vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze +onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal +verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in +hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in +de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij +een genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te +worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren +aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te +halen, zal ik u tenminste met een tusschenruimte volgen. Daardoor +juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere voetsporen +vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten af te +dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij behouden, +dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting betoonend, waarop +de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met eerbied tegen u zal +blijven opzien. + +Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde +onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, +dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij +mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt +gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals +de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor +zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen. + +Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige ’s +GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij +het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels +uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden. + +Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij +met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van +het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en +oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in +de hoogste mate erkentelijk is. + +U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste +plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den +ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig +talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening +in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie +andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een +gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen. +Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn +Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den +rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd, +of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer +verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij +in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide, +op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste +graagte in te drinken. Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de +kortheid van den mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, +dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen +lentedag besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den +Hortus op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de +aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te +boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het +zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen +schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren +leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk +was; hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens den +wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma’s der +praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, u volgde +ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best door mij +was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel uw +verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand +gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak +maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op +duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten. + +Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de +onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen +grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn +Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland +was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het +uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden +vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls +als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een +onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende +goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de +heilzaamste raadgevingen te schenken. + +Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet +staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite +verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij +zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt +geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding +heb genoten. Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat +ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, +aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste +dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier +nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk +dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij +hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van +ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt +mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel. + +Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner +krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u +dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit +werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te +aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze +raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. Als +gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen +hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij, +jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal +kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te +trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard +aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste +die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar +kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos. + +U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel +aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de +Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw +studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. +Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, +dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. +Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, +en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. Door +bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder +duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, den +vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde +methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste +weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als +leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen +der wetenschap binnen te dringen. Aan u bied ik mijzelf als begeleider +aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige +krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die +dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën +te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het +eenige doel mijner moeiten. + + + IK HEB GEZEGD. + + +[Errata: + +... verscheidene van hun uitvindingen ... + _origineel: „uitvingen“_ ] + + + * * * * * + * * * * + + +_Illustrissimis et Nobilissimis Viris_ +ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE CURATORIBUS, + + Aan de zeer doorluchte en edele mannen, + curatoren der Leidsche Akademie, + +JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam, +Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc. + +Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae +ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato +etc. etc. + + JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek, + Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de + Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland, + afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz., + +JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis +Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi, +Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc. + + JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid + van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der + burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz., + +ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis +senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum +Hollandiae adscripto, etc. etc. + + AREND BRUNO’SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid + van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter + hoogmogende Staten van Holland, enz. enz., + +EORUMQUE COLLEGIS +_Amplissimis, Gravissimisque Viris_ +_Civitatis Lugdunensis Consulibus_. + + en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, + burgemeesters der stad Leiden, + +ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi. + +DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D. + +HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D. + +GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D. + + ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der + burgemeesters, + + DANIËL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten, + + HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten, + + GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten, + +Nec Non Viro Spectatissimo + +DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: +Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis. + + Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de + beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer + doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters, + +L.M.Q.D. +Hanc Orationem +Virtuti et Gloriae Eorum +Devotissimus +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + draagt gaarne en naar verdienste + deze redevoering op + de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen + zeer verknochte dienaar + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + +Hieronymi Davidis Gaubii +ORATIO INAUGURALIS + + INAUGUREELE REDE + van + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, + +Qua Ostenditur +CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM + + Waarin Wordt Aangetoond, + dat de Scheikunde met recht een plaats verdient + onder de Akademische Wetenschappen, + + +Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit +mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus +insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in +me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia +alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt +animum. + + Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en + vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans + beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan + gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; + de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft + plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed + door een even groote verbijstering als bezorgdheid. + +Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum +officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod +Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab +Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae +aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec +studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per +verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet. + + Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een + scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard + van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel + ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en + VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat + van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de + Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om + een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen + der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk + en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid, + door proeven wijsgeerig redeneeren leert. + + [Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)] + +Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi +inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata +forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae, +Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem? + + Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige + werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een + opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van + schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen + der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een + spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]? + + [Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)] + + Nihil profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit, +supellex; alius plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia +ratione constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui +appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis +operibus, ad praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; +innumerae vasorum, materie et figura discrepantium, species; carbonum +cespitumque acervus nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, +spathulae, folles, forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel +regendo requiruntur. + + Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich + voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: + verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere + wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte + van het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, + geheel gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap + vervaardigd, die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid + te brengen; tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante + verschilt; een hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de + hand zijn voor het gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, + blaasbalgen, tangen en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur + òf te onderhouden òf te regelen. + + Haec inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; +sed atras carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, +cineribus, fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare +metalla; jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita +committere corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira; + + Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn + katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in + zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt + met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen + vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende + vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste + voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich + dra in een vlammenbrakenden strijd zullen storten; + + illinc, calore moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum +stillicidio, elicere; electas alibi, tepore naturali, unire arctius et +digerere; verbo: totum inter furnos defixum, excitando, applicando, +moderando igne occupatissimum, hujus in corpora efficaciam modis omnibus +explorare. Hoc opus est, hic labor ejus unicus. + + aan den anderen kant door een matige warmte de vermogens der + stoffen te voorschijn roept door het druppelen van water naar een + bepaald getal te regelen; en bij een andere gelegenheid die vermogens + na ze te voorschijn te hebben geroepen door een natuurlijke lauwe + temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in één woord: hoe hij geheel + tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend met het + aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking daarvan + op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk, + hiervoor spant hij zich alleen in. + +Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones: +vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed +oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis +extorquetur. + + Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen + van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen + der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en + niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de + getuigenissen van feiten ontwrongen. + +Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in +spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis +sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam? +Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica +Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique +hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque +horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit +trepido, facilem merebitur veniam. + + Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit + de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een + plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen + weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de + meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een + redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste + staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in + tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering + van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen, + die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een + wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in + zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men + hem vergeeft. + +Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus +fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium +mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta +prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi +juventus forte addidisset. + + Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: + en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te + steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer + goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt + om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed + mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te + wagen, misschien zou geven. + +Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum +refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta +iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos +ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus +nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis, +quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris +etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit +nemine. + + Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over, + waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, + hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, + die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te + voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder + naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands + krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt + getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het + vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter + gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk + persoon ooit van de hand gewezen. + +Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor, +officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum +ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum +ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe +obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae +eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam +gratias, vel veniam impetraturus, supplicem. + + Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het + onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en + uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te + toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de + Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met + aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen + welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij + gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw + goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om + toegeeflijkheid te smeeken. + +Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici, +docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque +hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis +potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola +conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat +splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit +disciplina. + + De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien, + openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te + onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die + voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden + bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of + wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de + wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de + bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een + zekeren glans van adeldom. + +Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti +Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie +mei constabit ratio et veritas? + + Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware + kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de + Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de + waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast + staan? + + [Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: σπᾶν = (uit elkaar) + trekken en ἀγείρειν = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die + scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)] + +Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, _Nobilitate_ impertit +hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex +natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet +in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui. + + De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof + schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van + één dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders + kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde + wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan + de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut. + + Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri +dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis +deductam ejus originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot +numeraverit, quantosque sui cultores exponunt, parum interim de +utilitate soliciti, qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, +dulcia, aut quibusvis clara sectatorum nominibus: + + Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje + te verdienen, die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen + toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk + uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan + worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of + hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich + ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch + alles niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door + welke namen ook van volgelingen; + + externa enim isthaec sunt, et veram potius ornant _Nobilitatem_, +quam constituunt. Utile mensura est, illam qua metitur, verum qui rebus +pretium statuere solus novit, sapiens. + + want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren + adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar + degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te + stellen, de wijze, haar afmeet. + + [Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina + III, 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)] + +Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato, +vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur. +Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique +facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus +antecellit. + + Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een + mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke + maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar + echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die + wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, + of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de + andere uit. + + Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat sanitatem: ea +namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; deficiens una +praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars +dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia; + + Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die + zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest + gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, + dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. + Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt + de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de + overige wetenschappen toe; + + una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis +humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium +dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, et +jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente. + + met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het + beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het + uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van + de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus, + als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het + burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen + verzette. + +Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc +sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae? +opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum +principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum +itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum +perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae, +debitum in Academiis locum obtinuere. + + Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk + uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende + wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. + Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten + zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten + slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze + dienen. Daar derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot + aanbeveling strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in + den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook + door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden + en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen. + +Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta +sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in +scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris +causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam, +videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat +habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae. + + Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom + heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren + van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen + aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van + die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal + zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de + rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met + de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden + met de beoefenaars. + +Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc +rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab +impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab +otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans, +vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui +penitius eam introspicere dignaretur: + + Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en + aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw + slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in + discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol + gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur, + rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van + lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich + verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen. + + [Voetnoot 5: „Inter Pyracmonas.“ „Pyracmon“ is in de mythologie + naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus, + samengesteld uit πῦρ = vuur en ἄκμων = aanbeeld. (Vertaler.)] + + atqui externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat +cultorum et ruditas et malitia, ab interioribus ut perlustrandis +deterrerentur Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta, +rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris qui +praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam +necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam +cognovissent. + + Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar + beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning zóó monsterlijk en + afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden + afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit + dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus + de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, + die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone + voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het + hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de + zaak hadden genomen. + + Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio exclusa, privatorum +exerceret manus atque ingenia, varias sub variis passa fatorum +vicissitudines, nec forte unquam Academicos in suggestus emersura, nisi, +quem nacta tandem est, causae patronum, an rabulam potius? Eremitam +fortuna major quam prudentia secundasset: + + Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare verkeer met + geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren bezig + hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende + lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt + zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter + geluk dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door + dik en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] + had ten dienste gestaan. + + [Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600 + regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn + regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den + tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet + sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? + (Vertaler.)] + + hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod +autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, +bullato id verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum +insolentia, igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe +adeo felici, ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede +potiretur, vel ipsis contradicentium cineribus inaedificata. + + Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die + verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden + door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te + beproeven door een systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige + woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend karakter + begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval + een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen + in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel veroverde, die zelfs + juist op de asch der tegenstanders werd opgericht. + + Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa +paulo post fundatoris ejus tyrannide, rursus pessum dederit impatiens +cogi, litteratorum gens liberrima; id tamen inde Chemiae boni +accesserat, quod durante isthac statione sua, propior Eruditis posita, +nonnullos horum, vividissimis quibusdam radiis, per offusas sibi +quisquiliarum tenebras evibratis, latentis intus foecundissimi luminis +sui potuerit commonefacere: + + Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op zwakken + grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij van zijn + oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende volk der + geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft omvergeworpen, + was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, dat zij, + zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van beschaafde + lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door eenige zeer + heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis van + nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare + licht, dat in haar binnenste verscholen was. + + quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium +se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus +obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito Orbi +produxere intuendam. + + En weldra, door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij + zich inderdaad tot een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand + het masker van bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van + onkunde, waarmee zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, + eindelijk haar in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht + gebracht ten schouwspel voor de beschaafde wereld. + + Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, tum demum, quae +personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita faciei, adeo +pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in scholas +adoptata, strenue coleretur. + + Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met haar eigen + stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had mishaagd, + hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor zich + weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun scholen + opgenomen met allen ijver te worden beoefend. + +Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi, +ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam +necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis, +Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque +ullo sine taedio detineat. + + En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de + Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van + vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want + zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo + alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer + gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en + als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de + minste verveling. + + Utique, si sola contemplemur bona, quibus quascunque fere artes +manuales, humanae vitae commodis inservientes, perfundit Chemia, quot, +quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec, +et pro parergis tantum aestimanda. + + Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, waarmee de + Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen voor de + gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve hoe groot + is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou te kort + zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer weinig + beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen. + + Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera +primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit; +illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in +profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina +conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda. + + De voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is + edeler, die, welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit + houdt zij de gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren + is, geeft zij ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in + de binnenste heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare + werkzaamheid de wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; + dien ten gevolge is zij zoowel met de wijsbegeerte als met de + geneeskunde ten nauwste verbonden en niet zonder nadeelen daarvan + te scheiden. + +Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc +rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium +hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati +satisfactum arbitrabor. + + Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden + grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter + staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig + bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor + houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam + te bewijzen. + +Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque +causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia +appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus +hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci +potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare +singulis: + + Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, + hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak + teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze + wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel + der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op + alles, wat onder het begrip „lichaam“ valt, of daartoe herleid kan + worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het + bijzonder eigen. + + quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus +corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed +tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta; +corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo +limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae +conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula +a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise +corpus, et non aliud: + + Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het + bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de + natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld + van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de + lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande + dingen zijn, d.w.z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, behalve dat dat + algemeene begrip „Materie“ op hen van toepassing is, ook nog + bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het + andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist dat + lichaam is en geen ander: + + inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes non modo, +sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias Physicae esse +considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout vere existunt, +vel existere possunt, contemplatur. + + daardoor is het helder en klaar, dat niet slechts die algemeene + gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats die, welke elk lichaam + afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de Physische studie, + daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen beschouwt, naar + dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan. + +Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis +sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt, +quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum +quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus +emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales, +si a generalibus. + + De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij + geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit + deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen + voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van + haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn + voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar + daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn + voortgekomen. + +Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis +corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura +fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil +opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis +universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam, +quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest, +haec quin ita sese habeant! + + Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat + een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van + een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de + physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig + hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware + algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest + nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar + hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is! + + Detegit attentior observatio innumera certe in corporibus adeo +penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole vix quidquam commune +videantur habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia +autem incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut +accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem +exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero +doleat! + + Een meer oplettende beschouwing ontdekt in de lichamen zeker +tallooze dingen, die zoo door en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, +dat zij met het algemeene karakter dier lichamen bijna niets gemeen +hebben, behalve alleen het voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu +iemand deze zaken, wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene +opvatting der wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a +priori zou verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer +zij bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over +zijn verlies aan moeite beklagen! + +Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his +potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur. +Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad +intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est. +Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel +Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia: + + Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het + allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is + gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig + onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet + dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak + uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen. + Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen + vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest door middel der + zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde oordeelen. + + proprietates autem et vires corporeae in se primitus +imperceptibiles latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, +qui determinatae ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem +simul exhibent, adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei +effectorum supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur. + + De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven + verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij + brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen + en die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op + die wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker + bij iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des + te meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard. + + Haecque adeo sola superest indagandis corporum singularibus via +retrograda; dum alteram illam, quae a priori haec investigat, humano +ingenio imperviam prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc +rerum scrutator experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum +adminiculo sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus, +quos sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora +corporibus adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis, +quique e conjunctis fluant motus, experiatur; + + En deze van het een op het andere terugvoerende weg blijft + geheel alleen over om de eigenaardigheden der lichamen op te sporen, + daar de natuur dien anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, + geheel onbegaanbaar en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het + menschelijk verstand. Derhalve spant de volijverige navorscher van die + zaken zich eerder in voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van + zijn zintuigen onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt + op hun eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij + volgens een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt + lichamen bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, + welke bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij + vereenigd zijn, voortvloeien. + + tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis +quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori +demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore +patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: +parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere +scientes. + + Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze gegevens, + die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig vergeleken +heeft, + de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen en hun +bijzondere + gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en nimmer hebben de + verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, dan toen men + dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet ver + gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten + in geen acht op sloegen. + +Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi +flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit +me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim, +quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus. + + Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, + dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van + zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische + wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, + brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, + hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band. + +Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae +opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt +considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud +est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen. + + Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het + werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna + alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische + studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde + kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen + afzonderlijk. + + Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid +protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid +denique Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere +omne, modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia +sistit examini, rimatur, penetrat: + + Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der aarde + wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de vruchtbare + aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten slotte, tot + het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur koestert + en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan openbaren aan de + zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt de + Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij. + + penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria, +facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna, +aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora, +abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa +perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores. + + Zij dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend + neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk + voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer + onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf + het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend, + navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste + grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs + alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben. + +Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia +aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata +solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant +instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi. + + Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze + wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het + andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij + stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit + ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te + voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van + behandelen op allerlei wijzen afwisselt. + + Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto +sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his +arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter +se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant in +profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient, +effringentur, patebunt. + + Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke en + krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste, + afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen). + Wat is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de + deeltjes van een lichaam maar met een stalen band onder elkaar + verbonden zijn, laten zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen + metalen muur verschanst zijn, laten zijn krachten in de onderste + diepte verborgen zitten; waarlijk onder het beuken van dergelijke + stormrammen zullen zij uit elkaar springen, opengebroken worden, aan + het daglicht treden. + +Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit +tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et +vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si +navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore +quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem +experimentis? + + Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen + aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun kracht + naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht. + Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken, + welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk + machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan + wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de + aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat + het niets anders was dan beweging. + + [Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats + Heraclitus van Ephesus ±500 v. Chr op het oog te hebben. + (Vertaler.)] + + Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum aliud esse +nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo pollet ipse, +motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis ejus, per plures +gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe +quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas +quasque corporum affectiones enucleandi. + + Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin zijn + eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn + geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig + versterkt of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor + ontstaat voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte + gelegenheid om met de hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen + der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan. + + Istis enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem +propriam solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, +mutat, partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim +combinat, proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, +adeoque nudis usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte +adjuti attingere potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae +scrutatori? Quid utilius? Quid magis necessarium? + + Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen + tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in + het bijzonder eigen is, schudt ze tot in ’t merg door elkaar, roept + hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de + samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden + een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen + in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat + dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij + geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen + bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit? + Wat nuttiger? Wat noodiger? + +Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea +excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit +vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint +bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et +_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra +agnoscunt secula; + + Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der + feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke + groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is + op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit + later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden + die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON. + Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden + in de geheimen der Natuur. + + an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda singularium +corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam +recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa naturam +ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum, +saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque +subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi +attractili, id omne Chemicis debetur experimentis. + + En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger dan zij? deze + echter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het + opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun + toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone + vondst betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht + en koude, al wat bekend is geworden over het ware karakter van + kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van + het vuur, dat zich op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt; + omtrent het magnetisme van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit + alles is men aan scheikundige proeven verschuldigd. + +Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae +experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non +formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet +de jure Academico, qui uni movet. + + De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te + breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw + saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar + voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide + betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het + aan één betwist. + +At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine +tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in +detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum +cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis +fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta, +suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat +nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso +involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem +esse, verissime cecinerit Poeta. + + Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. „Zacht + wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en + zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? + Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen + waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met + oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde + hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over + niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene + dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware + dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo + zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig + koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert“. + +Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri, +plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano +simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum, +aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens +adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet +errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba +dispersit? + + Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van + dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, + van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij + waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden; + maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk + openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de + vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de + wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende + dier pseudoscheikundigen heeft verbreid? + + [Voetnoot 8: TERENTIUS’ Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)] + + His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum specie +allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria primi +periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id +saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae +tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de +Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum +cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris +obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur. + + Omdat het dezen schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te + hebben, lokken zij daarom ook anderen tot zich door schoonschijnende + sier van woorden en wikkelen hen in dezelfde dwalingen en, daar zij + het eerst door hun eigen onwetendheid te gronde zijn gegaan, trekken + zij hun volgelingen met zich in een gemeenschappelijk verderf, waarbij + zij tenminste dit bereiken, dat onder den opgestapelden hoop, de een + boven op den ander, de oorzaak en bewerker van den eersten val bedekt + wordt. Zij bezitten voorwaar niets van de Scheikunde behalve den naam, + dien zij zelfs ook niet waardig zijn, daar zij slechts luisterend naar + de begeerten van hun zinnen of naar monsters van hypothesen in een + waanzinnig brein geboren, de ware regels der wetenschap noch weten + noch zich er naar richten. + +Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: +aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum +testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo +corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et +accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti, +varia instituunt experimenta; + + De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te + schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs + is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der + oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier + beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift + der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste + nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle + verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend; + + horum dein singulos quosque eventus sensibiles, bona fide, notant, +et ex his demum liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis, +severitate Mathematica eliciunt, quae clara et individua sequela inde +deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et +Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec +certitudo est? + + vervolgens teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten + eerlijk op en eerst nadat zij daarin een volkomen helder inzicht + hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit + met wiskundige strengheid die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke + en onafgebroken volgorde uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is + het, niets anders, wat de ware beoefenaars der Scheikunde als + waarheden en leerstellingen erkennen. In waarheid wat is zekerheid, + indien dat het niet is? + +Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, +rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. +Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum +Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter +ac maxime necessariam præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu +derivandam. + + Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden + worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige + beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest + verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in ’t kort de + voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten + nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze + een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan + niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de + Scheikunde beschikt. + +Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: +haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur; +nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum +daretur affinitas. + + Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de + beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, + waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en + de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet + nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed. + +Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc +individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium +vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine +suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla +alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem +actiones, quam distinctissime perspectas postulat: + + De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het + menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel + op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van + andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te + wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. + Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo + eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de + bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op + elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden. + + quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, +Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime impendat operam; +hac sine mancam fore mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod +mox, ac plebi erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum +splendore fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes +pertraxerit Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, +horum deliciae. + + Daar nu aan het nasporen hiervan de Scheikunde vooral boven alle + overige wetenschappen bij uitstek en met veel succes al haar moeite + besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel + en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde + weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te hebben onder de + geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in haar eigen + oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde er toe + heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de + allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden. + + Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, +communem sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, +pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit +tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae +pomoeriis indefessam dederit. + + Ja nog meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft + zij voor zich een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is + toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel + gesierd geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij + terstond onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan + gegeven heeft om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten. + + Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, aut flocci +aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: quamcunque enim +hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa quae in operis +versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros clamat Chemiae +usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe necessarium +exemplis docet infiniris. + + En voorwaar slechts iemand, die geen kennis van zaken heeft, + zal die dingen weinig noemen of van geringe waarde, die daaruit de + Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk gedeelte van haar men + ook moge nagaan, hetzij dat, wat door bespiegeling wordt volbracht, + hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met de uitoefening van het werk + zelf, beide getuigen luide van de ontelbare diensten der Scheikunde; + beide leeren door oneindig veel voorbeelden, dat de samenwerking met + deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen volmaking. + +Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso, +constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin +esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine +oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas +Anatomica: sola id liquido docet Chemia. + + Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, + beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, + dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het + menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel + bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden + wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast + is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen + de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid. + + Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae +innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud illis +simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa +etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola +opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus: + + Waardoor wel worden de bijzondere aard van de vochten in het + lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? Want met uitzondering + van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal men tevergeefs + zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen van het + dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo verschillend + als maar mogelijk is. + + Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad +calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis indolem saponaceam; +Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, facultates, et innumera +alia nesciremus, abfuisset Chemia. + + Hier schiet de Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt + hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken + weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt + en noch zuurachtig noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het + serum daarvan bij een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig + karakter van de gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het + speeksel, van het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen + zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware. + + Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? +Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et +Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem +salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem +humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum +apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat. + + Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met haar + bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der + spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus- + en melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte + daarnaar, het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het + opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering + der vochten door de krachten van den kringloop (om nog andere dingen + voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig passend verklaard, voor wie het + meer heldere licht der scheikunde nog niet had geschenen. + +Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri, +iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et +symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros +salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam +indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset? + + Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der + Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog + zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der + ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde + alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het + wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke + zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het + andere voorkomt? + + Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis, +Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, +et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique foetoris +causam? + + Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven stof, + die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de + miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en + de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den + stank, die er mee gepaard gaat? + + Quis tetras stagnantium humorum degenerationes in tenacitatem +corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve corrosivam? Quis denique +caloris et frigoris, circulationis auctae vel diminutae varias in +permutandis humoribus vires tam pulchre in lucem ponere potuisset, nisi +Chemia praetulisset facem? + + Wie het vieze overgaan van stilstaande vochten in een + hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of inbijtende + scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van hitte + en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op het + veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen stellen, + als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan? + +Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem +derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia, +usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne +luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus +indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest. + + Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het + grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook + haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. + Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de + ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen + toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht + krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek. + + Latet vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti +est, exactum de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud +infantibus, veneni instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, +dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere. + + Hem blijft de ware natuur der voedstermelk verborgen, voor wien + de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover + een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dát zoo dikwijls voor de + ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig + veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven + juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten geven. + + Si solis Medicis Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de +Sudore, de Urinis et Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius +tamen est involvere silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat +nausea. + + Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak, + zou hier zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet, + verschillende soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is + in stilzwijgen te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die + dingen te hooren, een walging bevange. + +Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et +Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini +accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere +utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic +quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae, +ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus. + + Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde, + de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel + uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich + gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger + dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, + al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij + zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen + beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele + beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap + overschreed. + + Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes +complurium suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut +arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi +delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad +sanitatis tutelam, morborumque propulsionem opera meruit. + + Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der kunstenaars, + die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun uitvindingen + daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in hun begrensde + kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus zelf de + misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de + Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door + zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het + verdrijven van ziekten verdiend heeft. + + Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum et potulentorum, +aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes et vitia cognoscuntur +optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, aliorumque fontium, vi +Medicata insignium, elementa, compositionem et facultates tam liquido +manifestat, ut vel imitetur, et naturalium defectum arte factis +suppleat, haud minoris fere efficaciae? + + Want wat is het geval? Leert men niet door haar kunst den + aard, de goede en slechte eigenschappen van eet- en drinkwaren, van + verschillende soorten water, wijn en bier uitstekend kennen? Openbaart + zij niet de elementen, samenstelling en eigenschappen van warme, + zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar geneeskracht, zóó + duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken van natuurlijke + wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna geen + geringere uitwerking hebben? + + Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in +unoquoque id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, +sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas +Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit +Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum +inventionis gloriam illa sibi vendicat? + + De grondstoffen, krachten, de wijze van werken der + geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de grootste + macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige + analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen + der stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde + aan de hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een + uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben + zij zich beroemt? + + Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalem nonnullorum corporum +ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia +evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem ejus, +in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium +reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, dexteritatem: + + Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee + zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten + onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van + vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid + de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om + de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te + brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens + weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen. + + si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, dies +dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae Bellinus, +Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis Chemicis in +Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare opus? + + Want als ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste + na te gaan, zou de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de + doorluchte BOYLE, wat BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door + hun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. + Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders? + + Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, nunquam +periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri vere Magni, +quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! sospitemque: volvite +haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri omni exceptione +majora. + + Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen, + onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke + daden van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier + tegenwoordig in leven--o moge hij dat lang blijven!--en in welstand + zien. Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult + daarin getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking + verheven zijn. + +Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima +inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae +partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac +mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro +inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum, +quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret. + + Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de + diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe + ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke + onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het + is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke + voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar + ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_ + allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden + afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen + hangt. + +Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est +argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures +dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae +nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur. + + Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, + moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal + overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere + hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele + wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij + in de lijst van deze worden opgenomen. + +Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse +ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat +operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam. +Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit +Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam +qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat +naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in +Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit. + + Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan + weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een + zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen + wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig + van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus + te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de + volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus + zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne + smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de + schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets + lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van + haar te heeten. + +Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam +addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis, +ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis +composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo +commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta +methodi? + + Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een + zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, + indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond + voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur + zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van + hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is + verscholen? + + ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare +occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet, +antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat +prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente +differat? + + Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode + zóó weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek + van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere + eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij + zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst + leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is, + hoeveel het verschilt van den geest. + + Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et +superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat +ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum +sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere +conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese +accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus. + + Hij moet laten voorafgaan een onderzoek naar de algemeene + krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat + hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die + nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij + hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens + een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en + leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting voorzien + gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten + zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen. + +Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam! +Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato +intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt +profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi, +finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident +sero et dolent. + + Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen + vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij + overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen + verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de + binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een + wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te + laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen, + onwetendheid, en armoede. + + [Voetnoot 9: „more andabatarum“. Andabatae, gladiatoren die + streden in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)] + + [Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn + liefde vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd + draaiend rad werd gebonden. (Vertaler.)] + + Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur Chemia, +foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa +ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis, +una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum +opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas, +contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: Optimarum +rerum abusus pessimi. + + Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de Scheikunde eens, + zoolang zij door hun ongewasschen handen werd behandeld, ontsierd + door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, zóó in het slijk + geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. Zij zijn het, + van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de edelste + wetenschap dien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen + ontving, die zich vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap + uitbreidde met een bijna niet te keeren besmetting. Hier werd dat + bekende gezegde bewaarheid: Van de beste dingen is het misbruik het + ergst. + +Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit +tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice +doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res +ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere +credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia, +et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias, +errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit +inventis, solidissimis veritatibus. + + Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar + beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de + verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig + onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de + natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in + haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan + verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat + vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, + zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit + haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar + ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen + en de meest onbetwistbare waarheden. + +Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne, +horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam, +quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo +speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium +tentamine, palaestra fugiam imbellis. + + Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de + vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te + goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog + dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor + ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig + vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven. + +Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem, +cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile +instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur. + + Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, + dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, + beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit + Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die + dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten. + +Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam +fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, +quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem, +Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam, +indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius +opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam, +_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_? + + En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb + laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden + voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is + voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door + de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel + als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de + hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee + door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht + namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat + belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele + wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische + wetenschappen?_ + +Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum +NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS, +Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui +tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia, +huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et +officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere, +postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde +exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum +tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator +merito laudetur omnibus. + + Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te + zamen met uw zeer edele collega’s, de zeer aanzienlijke burgemeesters + van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, + dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel + waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor + deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt + ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, + dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest + eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar + uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een + verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht + zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht + door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde. + +Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum +subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties +attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis +praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus. +Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum, +tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis +rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito? + + Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat + ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien + onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo + dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over + het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft + moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en + eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden + jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend + geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer + moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde + gunst? + +Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione +habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum +Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At +enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc +dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis +fortunae suae incurius. + + Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te + houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het + volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus + toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel + van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan + den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild + honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren + om den groei van zijn fortuin. + + Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, hi tamen stimuli +haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar favoris +plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: animum +denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis indoles, qua +ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His +adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor. + + Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn geringe krachten + erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van die prikkels. + Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige + meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt opgevat. Moed gaf + mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest, + waardoor gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige + krachten reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn + ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig. + +Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae +memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria +pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo +denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id +promovendis Academiae commodis unice sacrabo. + + De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn + geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik + die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten + goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden + arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam + schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en + alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden. + +Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non +poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium +scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE +PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae +abundantiam, toto ex animo, apprecor. + + Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien + weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben + aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al + het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der + Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en + onbevlekt geluk van ganscher harte toe. + +Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima +hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis +Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter +discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat +subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At +temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum +commodis inservitura. + + Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, + schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder + twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van + sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap + van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw + zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet + voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke + den studiebelangen ten goede zal komen. + + Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque +ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a +fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis +honestae gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla +componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum nunquam +dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar. + + Niemand leert kennen, wat hij vermag, indien hij niet de proef + neemt. Gij zult derhalve deze onderneming van mij goedkeuren, die mij + de kennis van mijzelf zal verschaffen, en die waarlijk niet haar + oorsprong heeft in hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van + verwijderd ben, maar in de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke + roemzucht. Het is mij een genot tegenover de voorbeelden van groote + mannen geplaatst te worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij + uitgaat, van achteren aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal + gegeven worden u in te halen, zal ik u tenminste met een + tusschenruimte volgen. + + Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero +vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim +beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae +cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam. + + Daardoor juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere + voetsporen vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten + af te dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij + behouden, dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting + betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met + eerbied tegen u zal blijven opzien. + +Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium +applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et +privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate +Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum +devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria. + + Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde + onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, + dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij + mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt + gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals + de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor + zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen. + +Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME ’S GRAVESANDE! +publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore +inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non +sis dedignatus. + + Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige ’s + GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij + het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels + uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden. + +Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari +opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per +aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe +obstrictissimum nunquam non comperies. + + Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij + met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van + het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en + oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in + de hoogste mate erkentelijk is. + +Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem, +mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si +qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id +omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam +prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim. + + U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste + plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den + ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig + talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening + in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie + andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een + gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen. + + Solam Te penes addiscere praxim animus erat, studiisque meis +Academicis imponere coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis +defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox +tantopere rapuit, ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, +ad quamcunque pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, +haurire sategerim avidissimus. + + Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn + Akademische studiën te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den + rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd, + of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer + verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij + in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide, + op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste + graagte in te drinken. + + Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti angustiam, ut +ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. Sive itaque vernam dici +speciem, amabilissimis horti divitiis mira suavitate exponendis, +dicares, jucundo Botanices studio discipulorum animos tanto redditurus +alacriores ad laborum magis arduorum tolerantiam; seu inter furnos +desudans, ad secretissimos Chemiae recessus viam monstrares, certo +castigatissimae methodi filo tutissimam pariter ac facillimam; + + Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de kortheid van den + mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd + van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen lentedag + besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den Hortus + op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de + aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te + boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het + zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen + schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren + leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk + was; + + seu exacta ad normam Mathematicam stabilires Theoriae Medicae +fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos dogmata, medendi +methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam potissimum diei +partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum +ergo Tuum est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem +fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id +solum Tibi me mille modis in aeternum devincire. + + hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens + den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma’s + der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, + u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best + door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel + uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand + gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak + maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op + duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten. + +Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis +humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque +tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras +visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae +gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis, +aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi +vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus. + + Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de + onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen + grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn + Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland + was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het + uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden + vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls + als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een + onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende + goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de + heilzaamste raadgevingen te schenken. + +Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam +debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo +apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri, +hoc sim honore ornatus. + + Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij + niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite + verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij + zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt + geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding + heb genoten. + + Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam +dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumce +agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in tabella +suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et certus crede, +omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, quam procul absim ab +ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat modestia, meusque pudor. + + Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat ooit + eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard + daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid, + en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk + als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer, + en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe + zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van + ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen + verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel. + +Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et +operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem, +quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis, +quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at +quanto Viro! succedo: + + Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner + krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u + dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit + werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te + aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze + raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. + + Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi praeiveris, +omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, haud aequis +passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata +decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem +fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non +indecorus tamen, inhaeream. + + Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo + vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed + zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met + gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het + krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u + uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap + heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw + voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar + toch niet geheel roemloos. + +Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et +Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat +Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus +amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc +animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos +desudate! + + U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel + aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de + Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw + studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. + Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, + dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. + Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, + en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. + + Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis, +viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo +ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus +ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta +penetraturi. + + Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, + onder duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, + den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde + beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij + naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend + hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de + heiligdommen der wetenschap binnen te dringen. + + Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid +in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id +omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum mihi +summa, is laborum finis erit unicus. + + Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat + wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid + of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan + u wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral + het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten. + + +DIXI. + + IK HEB GEZEGD. + + +[Errata: + +JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori + _text reads „senatorl“_ + +utilissimam pariter ac maxime necessariam præstat operam + _text reads „utillissimam“_ + +qua lethalem nonnullorum corporum ferociam + _text reads „nonnulorum“_ + +tuti et felices in artis adyta penetraturi + _text reads „penetraruri“_] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + DE HARMONIE + + van het + + DIERLIJKE LEVEN + + de openbaring van wetten. + + + Inwijdingsrede, bij het Aanvaarden van het + Hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche + Hoogeschool + + door + + Dr. F. C. DONDERS. + + Uitgesproken 28 Januarij 1848. + + + + +VOORBERICHT. + + +Wij lezen bij den voortreffelijken Henle, dat, in de physiologie en +vooral in de pathologie van het dierlijke leven, de teleologische +beschouwingswijze (vragende naar het doel der verschijnselen) zich nog +bijna overal krachtig doet gelden--en wie geen vreemdeling is in deze +wetenschappen, staat gereed, die uitspraak te beamen. + +Immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat +van _doelmatig_ bestempeld: teleologische betoogen ook vindt men als +bewijsgronden in het midden gebragt en erkend, ja! in plaats van de +_op te sporen oorzaak_, wordt het _onderstelde doel_ tot „_verklaring_“ +der verschijnselen ingeroepen. Of ziet men niet, zelfs door sommige +Coryphaeën in de wetenschap, eene teleologische levenskracht, eene +heelkracht der natuur, aan duizenden, _van de meest verschillende +oorsaken afhankelijke_, verschijnselen _ten gronde gelegd_? + +Reeds vroeger (Gids 1846, bl. 893 e.v.) heb ik de teleologische +beschouwingswijze--als ontbloot van absoluten grond, en hierom +willekeurig en onwetenschappelijk--met een enkel woord bestreden. Het +onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer uitvoerige +behandeling, en, om deszelfs algemeene strekking, tevens bijzonder +geschikt voor eene openlijke rede. + +Ik stelde mij hierom voor, hetzelve, bij gelegenheid der aanvaarding van +het hoogleeraarsambt, nader te behandelen,--en vooreerst te betoogen, +dat, wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook geenszins +loochenen, eene _leer_ van het doel nimmer _wetenschap_ worden kan, en +derhalve op het natuurkundig gebied niet mag worden geduld;--ten anderen +te doen zien, dat--waar, bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie +van het dierlijke leven, de, als ware het, aangeboren neiging van den +mensch tot anthropomorphismus het _doel_ als de _oorzaak_ ons wil +opdringen--het opsporen der wetten van wording, naar de oorzakelijke +methode, niettemin mogelijk blijft;--en eindelijk had ik willen +aantoonen, hoe, schier in elke wetenschap der natuur, dwalingen +en bekrompene beschouwingen uit de teleologische zienswijze zijn +ontsproten, die ook thans nog, inzonderheid op het gebied der +physiologie--bij name die van het ziekelijke leven, de verdere +ontwikkeling belemmeren, en met het stellig karakter van wetenschap +geenszins strooken. + +Voor dit laatste gedeelte echter, waaruit het duidelijkst de +noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid, om de teleologie van het +natuurkundig terrein te weren, ontbrak mij ditmaal de tijd. Elders +hoop ik dien later te vinden. + +Mogen ook zij, wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene +afwijken, deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen, en verder ook +niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken! + + DE SCHRIJVER. + + + Edelgrootachtbare heeren curatoren der Utrechtsche Hoogeschool! + + Weledelgestrenge heer secretaris van het collegie der curatoren! + + Hooggeleerde heeren, waarde ambtgenooten! en weledele zeer geleerde + heeren lectoren! + + Die met het bestuur van dit gewest of deze stad of met de handhaving + des regts zijt belast, mannen reeds door stand en werkkring + eerwaardig! + + Weleerwaarde heeren, bedienaars van de Godsdienst! + + Weledele zeer geleerde heeren doctoren der verschillende faculteiten! + + Aanzienlijke schaar van jongelingen, die u aan de beoefening der + wetenschappen toewijdt! + + En voorts gij allen, die ons met uwe tegenwoordigheid vereert, zeer + gewenschte toehoorders! + + +Werwaarts wij in de natuur onze oogen rigten, alom erkennen wij +verband, schier overal orde en harmonie. Elk punt op het uitgestrekte +veld is een deel van het groote organismus, een schakel der onafzienbare +keten, die noch begin noch einde kent, en in wezen ondeelbaar is. + +Zóó innig is de band, die al ’t bestaande zamenvlecht! + +Bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte, waarin de verbeelding schier +weigert onze woorden te volgen, daar treedt ons, tusschen duizenden van +hemelbollen, het zonnestelsel als een geheel van orde en majesteit te +gemoet, dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering. Niet alleen zien wij +de planeten door de zon, als door een hoogere magt, aan hare banen +geketend; maar tevens weten wij, dat ook elke stoornis, van den +wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk, vereffend wordt, +vóór zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen. + +De aarde, met hare duizenden van voortbrengselen, is volmaakt +geëvenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel. Haar afstand +van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige +ontwikkeling van planten en dieren, aan het vereischte licht, om de +Natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden, zonder door te +hellen gloed onze oogen te verblinden. + +De dampkring, die onze planeet omhult, vindt tot bodem _hier_ den vasten +grond, welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die zee van +lucht, _daar_ den wijden oceaan, die de diepten der aardkorst vereffent; +en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede voor de ontwikkeling +en het leven van het heir van voorwerpen, die ze bewonen. + +Voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den +dampkring op, en valt ginds, als vruchtbare regen, op den dorstenden +grond. Dit water behoeven de planten. Maar zij putten ook uit denzelfden +bodem de onbewerktuigde stoffen, niet regtstreeks door den regen +aangevoerd;--en van de hooge bergen stort zich het water, rijk beladen +met de bestanddeelen der verweerde rotsen, naar beneden, en drenkt +hiermede het land, waardoor het kronkelend naar den oceaan terugvloeit. + +Zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur; zoo wordt +ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven. + +Nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide rijken +der levende natuur. Vereenigd door de dampkringslucht, waaruit beide +putten en die in beide haar voedsel vindt, voorzien zij wederkeerig in +elkanders behoeften. De dieren ontwikkelen het koolstofzuur, dat de +planten als voedsel aan den dampkring ontleenen; de planten staan in +de zuurstof de levenslucht af voor het dier,--en zóó is voor beide de +dampkring een eeuwige, onuitputtelijke bron. + +Nimmer is hij in rust. Van de oppervlakte der aarde, waar de lucht +aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is, stijgt zij +naar boven, om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld; en door +onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig +bewaard, beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling +van planten en dieren. + +Het is de taak van den natuuronderzoeker, de betrekking tusschen al +de verschijnselen der natuur op te sporen. Die taak is even schoon +als verheffend. In de harmonie, die hem des te levendiger in de oogen +schittert, hoe ruimer en meer omvattend zijn blik wordt, verschijnt hem +de natuur als een volmaakt geëvenredigd, organisch geheel. Het genot, +uit hare aanschouwing geboren, is een krachtige prikkel voor zijnen +navorschenden geest. Steeds door harmonische indrukken opgewekt, en in +zijne werking geleid en bepaald, wordt die geest zelf meer en meer aan +harmonie deelachtig. Zóó ontwikkelt natuurbeschouwing bij hem een waar +gevoel voor het schoone en goede. Zóó kan zij de grondslag worden eener +verheven wijsgeerige moraal. + +En toch--de kennis dier harmonie is niet het rustpunt van zijn streven. +Hij wil indringen in hare oorzaken, opklimmen tot haren grond. Hij +voelt zich gedrongen, te vragen naar de wetten, die aan de ontwikkeling +der harmonie ten gronde liggen, en wil ze in die wetten erkennen als +noodzakelijk. De eeuwig onveranderlijke eigenschappen der grondstoffen +en der grondkrachten op te sporen, en aan te wijzen, hoe elk +natuurverschijnsel uit deze eigenschappen noodwendig voortvloeit, +zietdaar het ideaal van zijn streven, het toppunt zijner kennis! + +Wij weten, dat dit ideaal geenszins bereikt is; maar wij weten evenzeer, +dat er belangrijke schreden op den weg tot verwezenlijking gedaan zijn. + +De sterrekundige toont aan, dat de wetten van traagheid en aantrekking, +die slechts de uitdrukking zijn van de onveranderlijke eigenschappen der +stof, de hemelbollen aan hunne banen kluisteren; en uit de betrekking +tusschen de loopbanen en de omloopstijden der onderscheidene planeten +leert de wiskunde hem onfeilbaar besluiten, dat elke stoornis zich +noodwendig moet vereffenen, dat de orde van het zonnestelsel tot in de +verste tijden onomstootelijk verzekerd is. + +De natuurkundige kent de oorzaken van het opstijgen der waterdampen, van +het condenseren dier dampen in den atmosfeer: en in het neerstorten van +den regen, zoo wel als in de kracht, waarmede het zeewaarts stroomende +water zijne voren in de aarde groeft, ziet hij het noodwendig +uitvloeisel van dezelfde eigenschap der stof, die de banen der +hemelbollen bepaalt. Het verweren der rotsen, het doordringen van hare +bestanddeelen tot aan de wortels der planten, dit alles is in vaste +natuurwetten als noodwendig aangetoond. + +De meteoroloog geeft rekenschap van het opstijgen der lucht, en kent +de oorzaken der stroomen, die de zamenstelling des dampkrings alom +gelijkmatig bewaren,--ja! ’t geheele zoo wisselvallig spel der elementen +is door hem teruggebragt tot ééne hoogste oorzaak: ongelijke verdeeling +van warmte. + +Eindelijk de geoloog, die de gesteldheid der aardkorst onderzoekt, komt +op onwankelbare gronden tot het besluit, dat de aarde, vóór onafzienbare +tijden, als eene gloeijende zee door het wereldruim zweefde; en, +steunende op wetten, die weder niets anders zijn, dan de eeuwige +eigenschappen der stoffen en krachten, erkent hij, dat zij noodwendig al +de gedaanteverwisselingen moest doorloopen, waarvan de huidige toestand +harer korst, als een onfeilbaar geschiedboek, getuigt.--Kortom! de +wetenschap leert, dat de geheele stoffelijke wereld door den ijzeren +schepter der noodwendigheid beheerscht wordt! + +Niet overal echter is deze waarheid even diep en krachtig doorgedrongen. +Niet overal is de behoefte even levendig ontwaakt, om tot den grond op +te klimmen der erkende harmonie. In de bewerktuigde wereld treedt zij, +bij eene onuitputtelijke verscheidenheid, zoo rijk, zoo ingewikkeld, +zoo schoon en boeijend op, dat men wel niet zoo gemakkelijk van haar +kon afscheid nemen. De geest, verrukt door schoonheid en genot, duizelde +bij het denkbeeld, om tot de oorzaken op te klimmen, waardoor zooveel +harmonie tot stand kwam. Zoo gaf hier de volheid harer pracht voedsel +aan eene beschouwingswijze, die overal elders reeds lang voor eene +juistere had moeten onderdoen. + +Buiten de levende natuur toch erkent men, zoo als ik u aantoonde, niets +dan wetten, niets dan noodzakelijkheid. Zoo legt de geoloog, om, bij de +geschiedenis der Aarde van de verschijnselen tot de werkende oorzaken +op te klimmen, de overtuiging ten gronde, dat van al de opvolgende +veranderingen der aarde de voorwaarden reeds aan de vroegste perioden +van haar bestaan verbonden waren;--en hoe meer zijn onderzoek zich +uitbreidt, des te minder wordt die overtuiging beschaamd. Wil hij de +verschillende lagen der vaste aardkorst, de verdeeling van water en +vast land over hare oppervlakte, de afwisseling van bergen en dalen, de +rivieren en bronnen, en zoo vele andere verschijnselen, (voor zoo verre +de levende natuur vreemd aan derzelver ontstaan is,) in hunne wording +toelichten, hij beroept zich slechts op wetten, hem door de sterrekunde, +de natuur- en scheikunde aan de hand gedaan, en ziet hieruit al die +verschijnselen met noodzakelijkheid geboren worden. + +Planten en dieren daarentegen beschouwt men veelal niet als geworden, +maar als gevormd; niet als eene ontwikkeling der natuur naar bepaalde +wetten, maar als de voortbrengselen eener nieuwe schepping; niet als +de verwerkelijking van hetgeen in de eigenschappen der grondstoffen en +grondkrachten reeds besloten lag, maar als naar een wel beraamd plan, in +harmonie met de overige natuur, eerst later door eene hoogste Wijsheid +tot stand gebragt. + +Dit anthropomorphismus leidde tot eene vergelijking van planten en +dieren met de kunstigste voortbrengselen van ’s menschen hand: de deelen +heeft men hierom werktuigen, de verschijnselen verrigtingen en het +geheel een organismus genoemd. Men vroeg niet: waardoor kwamen zij +tot stand? maar bepaalde zich bij elk werktuig tot de vraag: waartoe +dient het? waartoe is het bestemd? En even als in een werktuig, door +menschelijk vernuft tot stand gebragt, waande men den grond, de oorzaak +van het bestaan, te kennen, waar men dacht, de bestemming of het doel +te hebben geraden. Zoo antwoordde men op de vraag: _waartoe_? en zag +hierbij over het hoofd, dat het _waardoor_? onbeantwoord bleef. Gij ziet +het: men plaatste zich op een teleologisch standpunt. + +Ik laat aan de wijsbegeerte de beslissing over, of men het regt heeft, +in de natuur van een doel te spreken: maar ik wilde u hier reeds doen +opmerken, dat men in de wetenschap van het leven afgeweken is van den +weg, die in de overige natuur-wetenschappen zoo veel dieper in den +oorzakelijken zamenhang der verschijnselen liet doordringen. En toch +schijnt die weg mij ook hier de éénige, die tot hoogere waarheid leidt. +Indien de harmonie van het dierlijk organismus, die aan het besluit tot +een doel ten gronde ligt, volgens bepaalde wetten tot stand komt, dan is +zij de openbaring dier wetten. Dan wil men die wetten vaststellen en op +deze de noodzakelijkheid der harmonie gronden, in plaats van zich met +een nooit bewijsbaar doel als grond te vergenoegen. Eene poging hiertoe +is het doel mijner rede. Ik zal trachten de noodwendigheid der harmonie +van het dierlijk leven uit de wetten aan te toonen, krachtens welke die +harmonie tot stand komt. + + +Wanneer ik de harmonie in de geheele bewerktuigde wereld even noodwendig +acht, als de orde in den sterrenhemel, dan spreek ik hiermede geenszins +het vonnis uit over den natuurvorscher, die, zonder naar den grond te +vragen, zich bloot de kennis dier harmonische betrekking ten doel stelt. +Integendeel,--ik heb het reeds gezegd,--ik acht die kennis hoog. Zij ook +alleen kan ons opvoeren tot de oorzaken, die der harmonie ten gronde +liggen. Maar wanneer men uit de harmonische betrekking besluit tot +een doel, en, in den waan van hiermede den grond gevonden te hebben, +het doel tot verklaring der verschijnselen inroept, of zelfs de +mogelijkheid der verschijnselen aan het doel ten toets brengt, dan meen +ik die rigting ernstig te moeten wraken. Zij sluit het onderzoek uit +naar den grond, en wiegt het zoo noodige bewustzijn onzer onkunde met +schijnkennis in slaap. + +Het teleologisch standpunt blijft daarenboven altijd een betrekkelijk. +Men denke zich ’t heelal door eene alwijze Almagt met een bepaald doel +tot stand gebragt: wie is vermetel genoeg, zich op het standpunt van +God te plaatsen? En welk standpunt zullen wij dàn kiezen?--Het dier, +dat zijn’ vijand ten prooi valt, moge in diens oog aan zijne bestemming +beantwoorden, in zijn eigen oog valt het als slagtoffer van het noodlot. +Maar gij wilt u plaatsen op het standpunt van mensch:--Welnu! wanneer +gij, als mensch, duizenden verschijnselen in de natuur doelmatig roemt, +wees dan consequent, en noem ondoelmatig, wat niet met uwe menschelijke +inzigten strookt. Hebt gij u het regt aangematigd, naar uwe inzigten +over doelmatigheid te oordeelen, dan hebt gij het regt verbeurd, u op +de ondoorgrondelijke wegen der Voorzienigheid te beroepen, waar gij het +doel in uwe oogen miskend ziet. En wie zal het wagen, waar jeugdige +en veel belovende kracht onder het geweld eener moorddadige ziekte +bezwijkt, waar door geweldige aardbevingen in eene enkele minuut +duizenden van menschenlevens vernietigd worden, waar in den mislukten +oogst millioenen onzer natuurgenooten eene toekomst lezen van honger en +ellende,--wie, vraag ik, zal het wagen, bij dergelijke verschijnselen, +een doel te willen raden?--Gij vraagt hier naar den grond. Gij wilt de +oorzaken dier verschijnselen kennen, welke gij rampen noemt. Welnu! +verlaat dan ook het teleologische standpunt, en tracht niet tot het +doel, maar tot den grond door te dringen, waar gij in de verschijnselen +orde erkent en harmonie: want gene als deze zijn verschijnselen +derzelfde natuur; en die u welgevallig zijn, zij berusten op geene +andere wetten, dan die gezondheid en leven u bedreigen. + + +Wanneer ik eene poging waag, om de wetten vast te stellen, waarnaar +de harmonie van het dierlijk organismus zich ontwikkelt en handhaaft, +dan verwacht gij geenszins in deze wetten verwezenlijkt te vinden, +wat ik u als het ideaal van ons streven voorstelde. Dit is nog slechts +in eene enkele der natuur-wetenschappen bereikt: in de sterrekunde, +die,--hoeveel haar descriptief gedeelte nog te wenschen overlate,--zoo +wel van hare scherpte in waarneming als volmaaktheid in theorie de +schitterendste bewijzen gaf. Maar toch ook deze wetenschap leerde de +verschijnselen van haar gebied tot wetten terugbrengen, vóór zij den +grond dier wetten in de eigenschappen der stof doorzag. Het wetboek +was door Kepler geschreven, vóór het genie van Newton deszelfs geest +verklaarde. Door Kepler waren de banen en omloopstijden der planeten +aan wetten gebonden, vóór Newton de noodzakelijkheid dier wetten grondde +in ééne hoogste wet, en hiermeê tevens den sleutel gaf van hetgeen de +waarneming afwijkends van de wetten van Kepler had aangetoond of verder +zou aantoonen. + +Dit nu is de weg voor elke andere wetenschap der natuur. Door het +opklimmen tot hoogere en hoogere wetten naderen wij den eindpaal, +waarnaar wij streven. Slechts trapsgewijze is hij te bereiken. Het is +waar, wanneer wij de wetten kunnen vaststellen, naar welke de harmonie +van het dierlijk leven zich ontwikkelt, dan mag die harmonie nog +geenszins verklaard heeten: eene verklaring, die iets anders zijn zou +dan eene hoogste wet, dat is eene standvastige eigenschap van stof of +kracht, kan noch mag ons geheel bevredigen. Maar wanneer men, op grond +hiervan, met eenig regt zou kunnen beweren, dat door het vaststellen van +wetten eener lagere orde de zwarigheid slechts verplaatst en niet wordt +opgeheven, dan vergete men niet, dat het eene verplaatsing is nader bij +het doel, en dat elke sport van den langen ladder even onvermijdelijk +is. + + +Vóór wij de wetten toetsen, die aan de harmonie van het dierlijk leven +ten gronde liggen, moeten wij een’ blik werpen op die harmonie zelve. +Reeds terstond springt ons in het oog, dat zij eene tweeledige is. Zij +openbaart zich eensdeels in de betrekking van het organismus tot de +invloeden, waaraan het is blootgesteld, anderdeels in zijne betrekking +tot de levensbehoeften, naauw verbonden met die zijner zamenstellende +deelen tot elkander. In beide opzigten streeft zij onophoudelijk eene +hoogere volmaking te gemoet. + +Beschouwen wij eerst de betrekking van het organismus tot sommige +invloeden. + +De geheele aarde, hoe verschillend de temperatuur zij van hare +oppervlakte, is met dierlijke wezens bevolkt. Van de tropische gewesten +af, waar, onder de brandende zon in het zenith, de temperatuur der lucht +zelfs de bloedwarmte kan overtreffen, tot in de oorden van eeuwig sneeuw +en ijs, overal treedt dierlijk leven ons tegemoet. Maar onder elk +klimaat, onder elke temperatuur zijn het andere geslachten, andere +soorten; en zoowel de rijke en prachtige Fauna der keerkringsgewesten, +als de ijsbeer en het rendier van het Noorden, eischen voor gezondheid +en leven juist die temperatuur, waaraan zij zijn blootgesteld. Waar dan +ook geene werktuigelijke hinderpalen aan eene onbeperkte verspreiding +in den weg stonden, was verschil in warmtegraad voldoende, om een’ +onoverkomelijken grensmuur op te trekken. Duidelijk zien wij dit vooral +in het lama, dat op de verhevene weivlakten van Chili en Peru tot meer +dan 4000 ellen boven de oppervlakte der zee leeft en zich tot ver in +Patagonie heeft verspreid, maar noch in Brazilië noch in Mexico wordt +aangetroffen. De voor zijne organisatie te hooge temperatuur der lagere +streken, die het had moeten doortrekken, om deze landen te bereiken, +trad als beletsel op. Evenzoo staat de koude der toppen van de +Cordilleras als scheidsmuur daar tusschen vele soorten van dieren, +inzonderheid van insekten.--Waar daarentegen werktuigelijke hinderpalen +de verspreiding langs de isothermen beperkten, heeft de mensch, door +zijne tusschenkomst, slechts die hinderpalen te overwinnen, om een nieuw +gebied van verspreiding te openen. Dit bewijzen ons de paarden en +runderen, die, door de Spanjaarden naar Amerika overgebragt, zich aldaar +in het ontelbare vermenigvuldigd hebben. Maar, wildet gij de noordelijke +dieren naar het zuiden, de zuidelijke naar het noorden overplanten, gij +zoudt uwe poging verijdeld zien. Het rendier, volkomen gehard tegen de +lange en strenge winters van Lapland, brengt te Petersburg den zomer +reeds kwijnende door, en bezwijkt spoedig onder den invloed der warmte +van een meer gematigd klimaat. En in hetzelfde oord sterft de aap aan +longtering, en kan de slang alleen door koestering en verwarming het +ellendig plantenleven rekken, waartoe zij door de koude onzer gewesten +gedoemd is. + +De mensch althans, meent gij, maakt eene uitzondering. Hij, als +wereldburger, bewoont met enkele hem gevolgde huisdieren schier de +geheele oppervlakte der aarde, en leeft bij de grootste verscheidenheid +van temperatuur.--Ik zou u kunnen wijzen op het tal van middelen, +waardoor zijn vindingrijk vernuft aan felle koude en brandende hitte +leerde afbreuk doen; maar liever vraag ik u, of niet evenzeer de Neger +als de Laplander het best beantwoordt aan den invloed der temperatuur +van het oord zijner bewoning. Het is u niet onbekend, hoe vaak +verhuizing naar een vreemd klimaat leven en gezondheid kost. _Waar_ +is het,--en die regel is algemeen,--dat, onder de verschillende +hemelstreken, de organisatie van menschen en dieren harmonisch +beantwoordt aan de heerschende temperatuur. Vanwaar die harmonie? Mogen +wij ze, op het natuurkundig standpunt, voor verklaard houden, met in +haar een wijs doel te erkennen van den Schepper, die hier deze, daar +gene dieren in het aanzijn riep?--Gewis niet! + +Even harmonisch is het verband tusschen de gevoeligheid van het oog en +de sterkte van het licht. Reeds merkte ik op, hoe het zonlicht de +luisterrijke pracht der natuur voor ons oog toegankelijk maakt, zonder +het door zijnen glans te verblinden. Maar ziet de nachtelijke dieren! +Zij bezitten eene gevoeligheid van oog, die hen wel is waar het daglicht +moet doen schuwen, maar die juist hen in staat stelt, hunne prooi te +zien en met zekerheid te bemagtigen, waar voor ons enkel duisternis +heerscht. Heerlijke doelmatigheid! moge de teleoloog hierbij in +bewondering uitroepen: hij wane niet, met dien uitroep tot de oorzaak +van het verband te zijn opgeklommen. + +De dampkring, eene noodwendige voorwaarde van het dierlijk leven, oefent +eenen tweeledigen invloed op het organismus: eenen werktuigelijken door +zijne drukking, eenen scheikundigen door zijne zamenstelling. In beide +opzigten is de organisatie van het dier hieraan harmonisch geëvenredigd. +In de ijlere lucht, die de hoogste bergtoppen omringt, wordt vaak de +moedige reiziger door de lastigste verschijnselen gekweld. Zijne aderen +zwellen op; het bloed dringt hem uit lippen, mond en neus, zelfs uit het +bindvlies zijner oogen. Bij versnelden pols en ademhaling voegt zich +duizeligheid, onmagt of slaapzucht; en hij wordt door eene loomheid +overvallen, die, op haar hoogste punt gekomen, volgens getuigenis +van de Saussure, hem eene enkele schrede weigeren zou, om het +dringendst gevaar te ontvlieden. Zoo zinkt hij moedeloos, afgemat, +neder;--en trots boven zijn hoofd verheffen zich de arend en de condor, +en zweven in statige vlugt door den nog dunneren dampkring. + +Niet minder beantwoordt het organismus aan de zamenstelling der lucht, +waaraan het is blootgesteld. Plaats een dier, dat den frisschen +dampkring met ons deelt, in een mengsel, hiervan merkelijk in +zamenstelling onderscheiden, gij zult het onfeilbaar zien bezwijken. +Maar evenzeer zoudt gij het leven vernietigen van den worm, die in de +vochten van het darmkanaal voedsel vindt en lucht om te leven, zoo gij +hem overbragt in den vrijen dampkring; de scheikundige invloed van dezen +is vijandig aan zijne organisatie. + +Merkwaardig ook vooral is de harmonische betrekking tusschen het +organismus van elk dier, en het voedsel tot zijne instandhouding. Overal +is het dier juist door datgene als omringd, wat voor zijne voeding het +geschiktste is. Terwijl de natuur duizenderlei schadelijke stoffen +oplevert, die, in het organismus gevoerd, gezondheid en leven bedreigen, +is er onder de talrijke bestanddeelen onzer natuurlijke voedsels geen +enkel, welks invloed zich verderfelijk toont. Wederkeerig zegt men, dat +sommige dieren zich ongestraft voeden met stoffen, die voor anderen +doodelijk zijn; en het is eene erkende waarheid, dat plantetende dieren, +die zoo ligtelijk giftplanten in hun voedsel zullen gemengd vinden, +hiervan zonder eenige nadeelige uitwerking hoeveelheden verdragen, +waartegen het leven van vleeschetende dieren niet bestand is. Maar deze, +zegt de teleoloog, zijn door hunne levenswijze tegen het opnemen van +plantaardige vergiften genoegzaam gewaarborgd; en zij hadden dus geene +behoefte aan diezelfde ongevoeligheid. Wacht U, hierin eene verklaring +te zien! + +Nog een derde punt in de verhouding van het dierlijk organismus tot +de voedsels verdient allezins onze aandacht. Het is niemand onbekend, +dat van de dieren zich eenigen met plantaardige, anderen met dierlijke +zelfstandigheden voeden, terwijl eindelijk een niet gering aantal zich +van gemengd voedsel bedient. Met dit verschil nu van voedsel, waartoe +het dier door zijne levenswijze en geheele organisatie als gedwongen +is, verkeert het darmkanaal in de heerlijkste overeenstemming. Dierlijke +stoffen behoeven, na opgelost te zijn, naauwelijks verandering te +ondergaan, om als geschikte bestanddeelen in het bloed te worden +opgenomen; de meeste plantaardige daarentegen eischen eene langere +inwerking van het spijsverteringsvocht;--van dierlijke stoffen is eene +betrekkelijk geringe hoeveelheid tot herstelling van het verlorene +benoodigd; van plantaardige zelfstandigheden worden hiertoe integendeel +grootere massas gevorderd: en juist hieraan geëvenredigd bezitten de +vleeschetende dieren een korter en eenvoudiger, de plantetende een +langer en meer zamengesteld spijsverteringskanaal, terwijl de mensen en +de overige dieren, die zich van gemengd voedsel bedienen, in dit opzigt +het midden houden. Treffende harmonie, inderdaad!.... Is het rekenschap +geven van dit verband, wanneer wij zeggen: deze dieren verkregen een +korter, gene een langer darmkanaal, opdat elk zou beantwoorden aan den +aard van zijn voedsel?--Geenszins! + +Ik zou de voorbeelden van harmonie tusschen het dierlijk organismus +en de invloeden, waaraan het voortdurend is blootgesteld, tot in het +ontelbare kunnen vermenigvuldigen; maar reeds hoor ik u veeleer vragen +naar den grond dier harmonie. Immers ik heb ze genoemd wettig en +noodwendig. Gij hebt dus regt, meer te eischen, dan op het menschelijk +standpunt hierin een wijs en verstandig doel te zien aangetoond. Gij +wilt weten, hoe zij tot stand kwam, hoe zij zich handhaaft. Eene enkele +wet geeft er u rekenschap van: _Elk dierlijk wezen wordt door de +invloeden, waaraan het duurzaam is blootgesteld, in zijne organisatie +zoodanig gewijzigd, dat het aan die invloeden harmonisch beantwoordt_. + + +Die wet klinkt u bekend;--zij is zulks in waarheid. Duizenden malen hebt +gij het woord _gewoonte_ uitgesproken, maar veelligt zijn’ diepen zin +niet altijd wel doorgrond. Gij hebt haar genoemd eene tweede natuur. +Ik noem haar de natuur zelve. Wanneer wij erkennen als wet,--dat is: +als eeuwige waarheid, voor het verledene als voor het heden en de +toekomst,--dat de aard en zamenstelling van elk bewerktuigd wezen +gewijzigd wordt door de invloeden, waaraan het blootstaat, dan moeten +wij met noodzakelijkheid besluiten, dat, bij de allengsche ontwikkeling +van dierlijke wezens op de oppervlakte onzer planeet, de gesteldheid der +onderscheiden kiemen door de invloeden, dat is door de omstandigheden, +is bepaald geworden, en dat trapswijze verandering dier omstandigheden +tot gedurige wijzigingen, welligt tot splitsing in thans onderscheiden +soorten heeft aanleiding gegeven, zóó evenwel, dat, in elke periode, de +organisatie der dierlijke wezens aan de invloeden van buiten harmonisch +geëvenredigd bleef. + +Maar toetsen wij de vastgestelde wet aan de verschijnselen; en laat ons +zien, of zij werkelijk rekenschap geeft van de harmonie, door deze zoo +luide en krachtig verkondigd. + +In de eerste plaats wees ik u op de betrekking tusschen het dierlijk +organismus en de uitwendige temperatuur. Niets gemakkelijker dan te +bewijzen, dat deze betrekking noodwendig voortvloeit uit genoemde +wet. Vooreerst is het in de hoogste mate waarschijnlijk, dat alle +menschenrassen uit één en denzelfden stam zijn ontsproten en zich, uit +eene bepaalde streek, over het grootste gedeelte der aarde verspreid +hebben. En thans zien wij de organisatie van elke verscheidenheid +harmonisch beantwoorden aan het klimaat, waaronder zij leeft. Hoe ware +dit mogelijk, wanneer die organisatie niet allengs ware gewijzigd +geworden, naar gelang ze aan eene andere temperatuur werd +blootgesteld?--Of mogt gij twijfelen aan den oorsprong van alle +menschenrassen uit denzelfden stam, dan heb ik u slechts het zoogenoemde +acclimateren te herinneren. Wat is dit anders, dan eene wijziging van +het organismus onder den invloed eener vreemde luchtstreek, eene +wijziging in dien zin, dat het beantwoordt aan de heerschende +temperatuur en de overige invloeden, aan dit klimaat verbonden?--Ik zou +u voorts kunnen wijzen op de uitersten van temperatuur, waaraan zoo +velen zich door den aard van hun beroep leerden gewennen; maar gij +behoeft slechts uw eigene ondervinding te raadplegen. Als na dagen +van strenge vorst de thermometer ook slechts weinige graden boven het +vriespunt rijst, spreken wij reeds van eene zoele lucht; en in het +najaar, bij eene veel hoogere temperatuur, rillen wij niet zelden van +koude. Eenige dagen, in eene warme kamer doorgebragt, zijn voldoende, +om ons voor de frissche buitenlucht gevoeliger te maken; en wie, van +zijne jeugd aan, tegen koude gehard is, stelt zich veilig bloot aan het +guurste jaargetijde. Zoo krachtig doet zich hier de invloed der gewoonte +gevoelen. En wanneer wij nu overwegen, dat de kiem van elke diersoort +onder eene bepaalde temperatuur gelegd werd, dat zich elke soort onder +eene bepaalde temperatuur hooger en hooger ontwikkelde, dat daarenboven +elke wijziging in die temperatuur en in hare afwisselingen als +onmerkbaar plaats greep, dan zien wij in, dat de harmonie tusschen het +dierlijk organismus en de temperatuur, waaraan het is blootgesteld, +noodzakelijk tot stand kwam, dat zij aan de wet van gewoonte gebonden +is. + +Even wettig is die harmonie ten opzigte van het licht. Snel en +gemakkelijk gewent zich het oog aan zeer verschillende graden; telkens +wordt deszelfs gevoeligheid hiernaar gewijzigd. Komen wij uit het +heldere daglicht in een vertrek, waar slechts weinige stralen toegang +vinden, dan onderscheiden wij aanvankelijk niets; het is alsof wij door +eene volslagen duisternis omgeven zijn. Maar weldra ontdekt gij enkele +voorwerpen; zij worden duidelijker en duidelijker, en eindelijk zijt gij +in staat, daar, waar het u volstrekt duister scheen, al het omringende +te herkennen en u vrij en ongedwongen te bewegen. Doch wildet gij u nu +weder eensklaps in het volle daglicht verplaatsen, het zou u door zijn’ +hellen glans verblinden. Eene pijnlijke lichtschuwheid sluit nu +krampachtig uwe oogen; en eerst na eenigen tijd keert het vermogen +terug, om bij dit licht duidelijk te zien en te onderscheiden.--De +snelheid van dit accommodatie-vermogen van het oog voor verschillende +lichtsterkte staat in een naauw verband met de snelle en belangrijke +afwisselingen dier sterkte, waaraan wij van nature blootstaan. Zijn wij +langen tijd aan deze afwisselingen onttrokken, dan verliest het oog, +alweder krachtens de wet van gewoonte, het gezegde vermogen. Dit is +gebleken bij gevangenen, die, jarenlang van het daglicht beroofd, in +eene bijna volslagen duisternis leerden zien en onderscheiden; doch wier +optische gevoeligheid hierbij zoodanig was toegenomen, dat zij niet dan +met de uiterste omzigtigheid allengs aan een sterkeren lichtprikkel +mogten worden blootgesteld. Gij ziet: zij waren nachtdieren geworden. En +is het dus niet wettig, dat zoodanige dieren, die, zoolang het zonlicht +de aarde beschijnt, in diepen slaap gedompeld liggen,--is het niet +wettig, vraag ik, dat deze dieren dagblind zijn, en dat de gevoeligheid +van hun netvlies aan het duistere van den nacht beantwoordt? Mij dunkt, +gij ziet de noodwendigheid in van het harmonisch verband, dat ik u hier +deed opmerken. + +Volmaakt hetzelfde is van toepassing op den tweeledigen invloed des +dampkrings. Reeds komen de lastige verschijnselen, die uit de ijlere +lucht, hoog boven het oppervlak der zee, voortvloeijen, bij geoefende +bergbeklimmers eerst op eene meer aanzienlijke hoogte voor, of wel deze +blijven hiervan bijna geheel verschoond. Maar duidelijker blijkt, hoe +zeer ook in dit opzigt de wet van gewoonte hare regten doet gelden, +wanneer wij ons herinneren, dat op onderscheidene hooge punten der +aarde bloeijende volkstammen gevestigd zijn, waar de reiziger uit lagere +streken niet altijd tegen den schadelijken invloed der ijlere lucht +beveiligd is. Bijaldien nu de waarneming leert, dat de organisatie van +den mensch zich zoo wel aan eene hoogere,--getuige de mijnwerker,--als +aan eene lagere drukking kan gewennen, dan maakt gij zelf het besluit, +dat de organisatie der dieren, zoo wel in de diepte der zee als in de +hoogere streken van den dampkring, noodwendig moet beantwoorden aan de +drukking, waaronder zij leven. Staat niet de wijde, ruime borst van den +bewoner der Andes in innig verband met de dunnere lucht, die hij ademt, +en heeft zijne borst zich niet juist onder dien invloed zoo krachtig +ontwikkeld? + +Ook aan een merkelijk verschil in zamenstelling der dampkringslucht +kan het dierlijk organismus zich gewennen. Sanctorius verhaalt, dat +een gevangene, die 20 achtereenvolgende jaren in den onzuiveren +dampkring eens kerkers had doorgebragt, de frissche buitenlucht niet +meer kon inademen, en dat zijne gezondheid eerst terugkeerde, toen hij +weder in denzelfden kerker geplaatst werd. En hoe zeer wijkt ook niet de +zamenstelling der lucht, die de mijnwerker ademt, van die des dampkrings +af, waarin wij leven! Leblanc vond in de lucht der mijnen van +Poullaouen en Huelgoat tot 3 pCt. ja zelfs 4 pCt. koolstofzuur, eene +hoeveelheid, die het koolzuur-gehalte der door ons uitgeademde lucht +nabijkomt; en, wanneer wij zien, dat in andere mijnen het licht zelfs in +sommige gevallen wordt uitgedoofd, dan mogen wij besluiten, dat in de +hier aanwezige lucht, die de mijnwerker voor eene korte poos ongestraft +kan inademen, het koolzuur-gehalte nog aanmerkelijk hooger stijgt. + +Wij naderen tot de voedsels. Harmonisch, zagen wij, beantwoorden de +voortbrengselen van elk land aan de behoeften zijner dieren. Zullen wij +dit verband voor verklaard houden, met hierin de wijze voorzorg der +Voorzienigheid te bewonderen? Of zullen wij erkennen, dat dierlijk leven +onbestaanbaar ware, en, bestond het, onvermijdelijk ten eenemale moest +worden uitgeroeid, waar die voortbrengselen ontbraken? Mij dunkt, het +laatste eischt ons natuurkundig standpunt.--Dat voorts het gewone +voedsel van elk dier aan zijne organisatie beantwoordt, en geene aan het +organismus vijandige stoffen bevat, is onbetwistbaar een noodwendig +uitvloeisel der wet van gewoonte. De wilde van Australië leeft van +ongekookten visch, de Laplander van het vleesch zijner rendieren, de +Tartaar van de melk zijner paarden, de arme Ier van aardappelen, zoo +ze in overvloed groeijen; zij kunnen hierbij allen betrekkelijk gezond +zijn, maar zouden zeker niet straffeloos onderling van voedsel kunnen +verwisselen. Zoo vinden ook wij vooral in onze granen de bestanddeelen +vertegenwoordigd van ons ligchaam; want--onder den voortdurenden invloed +dier granen is ons ligchaam geworden, wat het is. Zonder die granen, +waren wij niet, wie wij zijn. Wij beantwoorden aan die granen, omdat wij +mede zijn uit die granen. En zeer opmerkelijk inderdaad is het, dat de +voornaamste onzer graansoorten zich hoogst waarschijnlijk met en deels +door den mensch over de aardoppervlakte hebben verspreid, uit de +streken, het eerst door menschen bewoond. + +Doch vanwaar die mindere gevoeligheid der plantetende dieren voor +verdoovende vergiften?--Het is bekend, dat het dierlijk organismus +zich aan groote hoeveelheden van verdoovende stoffen gewennen kan. +Zelfs in Engeland treft men, naar de getuigenis van Christison niet zoo +geheel zeldzaam opiophagen aan, die, zonder blijkbaar nadeelig gevolg, +jaren achtereen verscheidene oncen laudanum daags gebruiken; eene gift +van ¼ once zou, gewis, bij elk onzer in den doodslaap eindigen. En +kan ik u niet bijna allen als getuigen oproepen, dat ook de tabak door +gewoonte zijne vergiftige eigenschappen verliest?--Neemt gij nu in +aanmerking, dat de plantetende dieren zeer ligt eene zekere hoeveelheid +narcotische deelen in hun gewone voedsel aantreffen, terwijl de +vleeschetende hieraan nimmer zijn blootgesteld, dan hebt gij den sleutel +der harmonie, die zich ook hier niet verloochenen kon. + +Gewis trok ook het merkwaardig verband tusschen de lengte van het +darmkanaal en den aard van ’t gebruikte voedsel in hooge mate uwe +aandacht. De oplossing is niet moeijelijk. De aard van het voedsel +bepaalt, namelijk, de lengte van het darmkanaal. De kat is, zooals gij +weet, een vleeschetend dier. De mensch gewende de huiskat aan gemengd +voedsel. En vergelijk nu het darmkanaal van deze met dat der wilde +kat, gij zult het aanmerkelijk langer vinden, niettegenstaande beider +oorsprong dezelfde is. Dit eene voorbeeld zij voldoende tot bewijs, dat +de aard van het voedsel de lengte van het darmkanaal bepaalt, en dat, +gevolgelijk, bij elk dier eene juiste verhouding van beide noodwendig +is. + + +Zietdaar in enkele voorbeelden U den grond aangetoond der harmonie +tusschen het dierlijk organismus en de invloeden van buiten. Geeft de +wet van gewoonte rekenschap van dien band? Ik durf de beslissing veilig +aan u overlaten.--Uit de ontelbare voorbeelden koos ik slechts enkelen. +Ik hadde u kunnen wijzen op het verdikken der opperheid door wrijving en +drukking, op het gewennen aan eene drooge en vochtige lucht, aan stoffen +van verschillenden reuk of smaak, aan allerlei geluiden, op den invloed, +dien verandering van klimaat op den broeitijd uitoefent enz., en +hierdoor rekenschap kunnen geven van de harmonische betrekking tot de +buitenwereld, die het dierenrijk ook in deze opzigten vertoont. Doch ik +achtte het aangehaalde toereikend voor mijn doel. Gij stemt met mij in, +dat de gezegde harmonie eene noodwendige, eene wettige is. Gij ziet +haar onverbiddelijk tot stand gebragt, onder den invloed der werkende +oorzaken. En waar het rijk van deze gevestigd is, daar althans is der +teleologie de schepter ontwrongen. + + +Maar, mogt ik vragen, heeft dit harmonisch verband zijn toppunt van +volmaaktheid bereikt? + +Ik aarzel niet, hierop een ontkennend antwoord te geven. De harmonie +_is_ niet. Zij ontwikkelt zich; zij wordt. Zij streeft voortdurend naar +eene volmaaktheid, die zij nimmer bereikt. Dit gebiedt reeds de wet, die +aan hare ontwikkeling ten gronde ligt, en de ervaring bekrachtigt het +met haar zegel. Overweegt het zelven. Wanneer de invloeden, die onze +organisatie wijzigen, niet volmaakt bestendig zijn,--en zij zijn het +nimmer,--dan kan ook onze organisatie niet in volmaakte overeenstemming +wezen met deze invloeden. Zij blijft, in zekeren zin, bij deze ten +achter. Immers niet op het oogenblik der inwerking kan zich de +organisatie wijzigen: zij behoeft hiertoe tijd; en inmiddels is reeds +weêr een nieuwe prikkel daar, die zijnen wijzigenden invloed doet +gelden. Vanhier eene ingewikkelde reeks van invloeden en werkingen, die +men te vergeefs, in al hare bijzonderheden, zou trachten te ontleden. +Elke nieuwe invloed heeft te strijden met de organisatie, dat is met het +produkt der voorafgegane invloeden. Is derzelver afwisseling niet te +groot, dan valt die kamp niet zwaar. Daarenboven heeft de vatbaarheid +voor accommodatie zich des te meer ontwikkeld, naarmate het organismus +aan meer verscheidenheid van invloed was blootgesteld. Maar is de +prikkel meer vreemd en ongewoon, dan grijpt hij dieper in, en brengt +verschijnselen voort, die wij stoornisssen noemen, omdat zij niet +strooken met onze begrippen van harmonie. Deze stoornissen nu kunnen van +dien aard zijn, dat de physische voorwaarden van het harmonisch verband +tusschen de verschillende ligchaamsdeelen worden opgeheven. Thans is het +leven niet langer bestaanbaar, en allengs treedt een andere toestand, +die van ontbinding in. Grenzen dan ook tusschen leven en dood bestaan +slechts voor den oppervlakkigen beschouwer. Het eindigen van het leven +aan den laatsten ademtogt te verbinden, verraadt gebrek aan inzigt in +hetgeen aan het leven ten gronde ligt. De bewegingen tot ademhaling +nemen een einde; en eenige uren later is van ontbinding nog geen spoor +te zien, maar de toestand van elk ligchaamsdeel is toch een geheel +andere geworden. Nu eerst heeft de spier haar zamentrekkend vermogen +geheel verloren; nu eerst is alle werkdadigheid van het zenuwstelsel +vernietigd. Door duizenden van overgangen maakt de stofwisseling in de +weefsels, die aan ’t gezonde leven ten gronde ligt, plaats voor die +wisseling, welke wij ontbinding noemen; en al deze verschijnselen, +leven, stoornis, ontbinding, zijn even noodwendig en volgen elkander +wettig op. + +Zoo geeft dezelfde wet, waarop de harmonische betrekking tusschen het +dierlijk organismus en de uitwendige invloeden berust, tevens rekenschap +van de onvolmaaktheden, die haar aankleven. Wil daarentegen de teleoloog +deze onvolmaaktheden in zijne beschouwingswijze opnemen, dan velt hij +zijn eigen vonnis. Of zou hij, op het natuurkundig standpunt, de +stoornissen onzer bewerktuiging als de tuchtroede willen beschouwen +eens goeden Vaders, tot onze zedelijke verbetering? + + +Maar nog van eene andere zijde van het dierlijk organismus schittert +ons de prachtigste harmonie in het oog. Ik bedoel: in de betrekking +tot zijne levensbehoeften en in die zijner zamenstellende deelen +tot elkander. De tijd gedoogt niet, u ook deze even uitvoerig te +schilderen: trouwens, zij staat levendig genoeg u voor den geest. De +teleogie, die hier vooral de bouwstoffen vergaderde voor haren tempel, +is nimmer in gebreke gebleven, ze u op zegevierenden toon voor oogen te +stellen. Wie bewonderde niet vaak, met hooge ingenomenheid, de treffende +evenredigheid tusschen de eigenschappen en vermogens van elk dier en +deszelfs levenswijze en levensbehoeften? De kracht, de vlugheid en +juistheid van elk zijner bewegingen, de scherpte en het doordringend +vermogen zijner zintuigen, ja de oneindige verscheidenheid van neigingen +en vermogens, die men met den naam van instinct pleegt te bestempelen, +alles beantwoordt harmonisch aan de behoeften van elk dier, en verzekert +de instandhouding van het individu en de voortplanting der soort! + +Altijd en overal ligt aan de verrigting de bouw ten gronde. Ook deze, +bij gevolg, moet aan de behoeften beantwoorden, waar de verrigtingen +hieraan harmonisch geëvenredigd zijn: en zoo worden wij als van zelve +gewezen op de harmonische betrekking tusschen de zamenstellende deelen +van hetzelfde organismus. In dit opzigt zou elk dier, welke plaats het +in de rij der wezens moge innemen, ons breede stof ter beschouwing +opleveren. Springt niet overal de volmaaktste evenredigheid ons in het +oog tusschen de passieve en actieve organen van beweging? Bezit het +hoofdorgaan des bloedsomloops niet altijd de vereischte kracht, om het +levensvocht door het geheele ligchaam rond te voeren? Zijn niet juist +menigvuldige verbindingen en vlechten tusschen de bloedvaatstammen daar +voorhanden, waar het ligtst hinderpalen dreigend zich konden opdoen? +Wat meer is,--terwijl de zintuigen en de geheele oppervlakte van het +ligchaam als wakkere wachters voor de indrukken der buitenwereld +openstaan, en deze aan het bewustzijn mededeelen, staat, in al de +organen van het voedingsleven, het gevoel op zóó lagen trap, dat wij +noch van de zamentrekkingen van het hart, noch van de bewegingen van +maag en darmkanaal, noch van den prikkel en de wrijving der vochten, +waaraan beide zijn blootgesteld, eenige de minste kennis krijgen. Ziet +gij niet,--roept de teleoloog u toe,--waartoe dit dient? Zóó alleen was +de werking van uwen geest vrij en onbelemmerd; zóó alleen werd hij +nimmer afgetrokken in de waarneming der buitenwereld; zóó alleen kon +hij zich ongestoord verheffen tot in hoogere sferen.--Gij erkent die +harmonie; gij ziet er, op het menschelijk standpunt, zelfs het +doelmatige van in. Maar gij verlangt meer. Gij wilt van deze en van zoo +vele andere verschijnselen den grond kennen. Gij wilt zien aangetoond, +dat zij aan wetten gebonden, dat zij noodwendig zijn. Gij wilt weten, +waardoor zij tot stand kwamen, en hoe zij zich handhaven. Ik wijs U op +de wet van oefening: _Elk orgaan, elk ligchaamsdeel wordt onder den +duurzamen invloed van den wil of van andere omstandigheden zoodanig +gewijzigd, dat het beantwoordt aan hetgeen de wil of de omstandigheden +van hetzelve eischen_. + +Toetsen wij deze wet aan de verschijnselen, dan zal tevens blijken, dat +zij rekenschap geeft van die harmonische betrekking, waarop wij een’ +vlugtigen blik wierpen. + +De schoonste overeenstemming bemerkten wij tusschen de levensbehoeften +van elk dier en de kracht, de vlugheid en juistheid zijner bewegingen. +Maar komt u hierbij niet onmiddellijk voor den geest, dat, door +oefening, onze krachten, tegelijk met de spier zelve, ontwikkeld worden? +Hebt gij den geoefende niet vaak bewegingen, voor ons volstrekt +onuitvoerbaar, met eene vlugheid en juistheid zien volbrengen, die aan +het ongeloofelijke grensden? Ik zag een meisje, bij ’t welk het gemis +der bovenste ledematen aangeboren was, met hare voeten, oorspronkelijk +als de onze gevormd, allerlei handwerk verrigten. ’t Was alsof de voeten +in handen herschapen waren. Zóó vermogend is de invloed der oefening! En +bedenkt men nu, dat bij elk dier de oefening steeds bepaald wordt door +de levenswijze en levensbehoeften, dan heeft men slechts dieper in het +verledene terug te zien,--en men is overtuigd, dat, op grond der wet van +oefening, kracht, vlugheid en juistheid van beweging zich harmonisch +geëvenredigd aan de levenswijze en levensbehoeften van elk dier moesten +ontwikkelen. + +Nergens evenwel vinden wij het vermogen der oefening sterker uitgedrukt +dan in de zintuigen. Bij den blindgeborene zijn gehoor, gevoel en reuk +tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding ontwikkeld, dat zij +voor een groot deel in het verlies van het edelste der zintuigen +voorzien. In eene stip aan den horizon, die het ongeoefend oog ontgaat, +erkent de zeeman een schip in volle zeilen; en wie zich daarentegen bij +voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen bezig houdt, en +hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de ruimte door te +dringen, wapent allengs zijn oog met een natuurlijk vergrootglas. Door +oefening wijzigen zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen, +en zij moeten dus bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften: want +door deze werd de oefening bepaald. Weder derhalve gaf de wet van +oefening u den sleutel tot de harmonie! + +Maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig gevolg +der omstandigheden. De vermogens en eigenschappen, die men hiertoe +pleegt te brengen, ontwikkelen zich door oefening;--zij worden verdoofd, +zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk stellen. Men +zegge derhalve niet: aan deze diersoort werd dit of dat instinct +gegeven, omdat hare levenswijze dit vorderde,--bij gene ontbreekt het, +omdat zij hieraan geene behoefte had; maar men erkenne, dat het zich bij +deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen, doordat de omstandigheden +deszelfs oefening medebragten, en dat het bij gene wettig onbestaanbaar +is, wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer aanleiding gaf. + +Wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende deelen +van hetzelfde organismus onderscheiden; maar ook dit berust op dezelfde +wet, de wet van oefening. Oefening is dan evenwel in een’ ruimeren zin +genomen, namelijk: als de verhoogde verrigting en voeding van een +bepaald ligchaamsdeel, niet slechts voor zoo ver die onder den invloed +van den wil plaats grijpen, maar door eenen gewijzigden toestand, van +welk orgaan ook, te weeg gebragt. + +Door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de +passieve en actieve organen van beweging;--immers de bewegelijkheid van +elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking. Op +denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het +hart aan den weêrstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden; want die +weêrstand juist is het, die de kracht van het hart bepaalt. Wilt gij +hiervan het bewijs? Waar de weêrstand ziekelijk verhoogd wordt, ontstaat +overvoeding van het hart; en kondet gij van het thans onstuimig +kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale +dikte terugbrengen, gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet +zien bezwijken. Blijkt hieruit, dat verhoogde weêrstand de werking van +het hart opwekt, dan immers moet, krachtens de wet van de oefening, de +ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den +weêrstand beantwoorden. + +Moeijelijker schijnt het, het noodzakelijk bestaan te betoogen der +menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen, juist op zulke +plaatsen, waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen. En +toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig. De +belemmeringen, namelijk, tot welker overwinning de verbindingen en +vlechten, naar de teleologische beschouwingswijze, doelmatig bestemd +zijn, zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en +verbindingen. Wij zien ze hierdoor, onder zekere omstandigheden, +als onder onze oogen gevormd worden. Wordt een hoofdstam gedrukt, +onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt, dan worden de +naauwelijks zigtbare takjes, waardoor zoo wel de slagaderlijke als +aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen, +tot grootere stammen uitgezet, die nu, bij wijze van vlecht, eenen +collateralen bloedsomloop voortbrengen. Vandaar dan ook in het aderlijk +stelsel, waar belemmeringen menigvuldiger zijn, een grooter aantal dier +verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke. + +Maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere +gevoeligheid der voedingsorganen, waardoor aan onze hoogere vermogens +eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt?--Reeds deed ik u +opmerken, hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd +wordt, hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt. Het +afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van +het invallend licht: en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der +buitenwereld als gesloten, wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding +den vrijen teugel laten, of ons geheel verdiepen in een vraagstuk, dat +al onze inspanning vordert. Worden hierdoor de zintuigen als verlamd, +hoeveel meer moet, bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der +zintuigen zelve, uit gebrek aan oefening, het gevoel zijn verdoofd +geworden in die deelen, welke ons geene indrukken van de buitenwereld +overbragten, die onze belangstelling konden opwekken. Zeer opmerkelijk +gewis is het, dat, naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld +zijn, het zenuwstelsel, dat het voedingsleven beheerscht, als een meer +zelfstandig, afgescheiden gedeelte optreedt. Maar, wat meer is, het +bewustzijn herneemt, ook in de organen der voedingsverrigtingen, voor +een deel zijne regten, zoodra het geoefend wordt. Schier elk orgaan, dat +wij ons, wanneer ook zonder eenigen grond, als ziekelijk voorstellen, +wordt gevoelig, doordat wij onze gedachten nu op dit deel als +concentreren, en zoo gevoel en bewustzijn oefenen, zoo verre zij tot +dit deel betrekking hebben. Vooral is dit duidelijk ten opzigte van +het hart. Het klopt onophoudelijk in onze borst; doch in den normalen +toestand worden wij niets hiervan gewaar, tenzij wij, in den valschen +waan van aan een hartsgebrek te lijden, den hartslag altijd en altijd +naauwlettend gadeslaan. Dat eeuwige kloppen wordt dan op het laatst +ondragelijk, al is de slag niet sterker dan bij een’ gezond mensch. Wie +immer zich inbeeldde, door hartziekte te zijn aangetast,--en hun getal +is niet zoo gering,--heeft hieronder bitter geleden.--Maar genoeg, om u +te doen zien, dat de hoogere ontwikkeling der geestvermogens, zoowel als +de zintuigelijke indrukken, aan de oefening van het gevoel in de organen +van het voedingsleven in den weg staan, en dat, bij gevolg, de geringe +gevoeligheid van deze eene noodwendige is. + +Zoo geeft de wet van oefening, straks uitgesproken, evenzeer +rekenschap van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne +levensbehoeften, als van den band, die de verschillende ligchaamsdeelen +tot één organismus zamenvlecht. + + +Gewis ontging het uwe aandacht niet, mijne Geëerde Hoorders! dat er een +naauw verband bestaat tusschen de beide wetten, die der harmonie ten +gronde liggen: de wetten, die ik kortheidshalve die van _gewoonte_ en +_oefening_ noemde. Waar de eerste haren invloed doet gelden, wordt zij +onderschraagd door de laatste. Krachtens de wet van gewoonte, wordt elk +orgaan door den invloed, waaraan het regtstreeks is blootgesteld, +primitief gewijzigd. Dit orgaan staat nu evenwel niet geïsoleerd; het +hangt innig zamen met de overige deelen van het organismus. Wat is dus +het noodzakelijk gevolg van die primitieve wijziging? Wijziging van al +de overige ligchaamsdeelen,--welker werking namelijk òf opgewekt òf +onderdrukt wordt,--en alzoo, krachtens de wet van oefening, eene hieraan +geëvenredigde ontwikkeling van elk dier deelen. Door deze harmonische +zamenwerking der wetten van gewoonte en oefening beantwoorden nu alle +ligchaamsdeelen, ook die, welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking +blootstaan, aan de invloeden der buitenwereld, en wordt tevens de +harmonie tusschen de verschillende organen bij voortduring gehandhaafd. + +Doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk +uitgangspunt. In den wil vinden wij eene tweede, magtige drijfveêr van +oefening, die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den +toestel voor willekeurige beweging doet gelden, en van hier op het +geheele organismus terugwerkt. Deze oefening moet alzoo onderscheiden +worden van die, welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige +invloeden. Is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde +invloeden noodwendig tot stand gekomen, en wordt deszelfs wil, bij elke +omstandigheid, door de organisatie volstrekt bepaald, dan is de wil, die +als drijfveêr van oefening optreedt, zelve het noodwendig uitvloeisel +van verwijderde invloeden; en wij zouden, in hetgeen hij op de oefening +vermag, slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten +zien. + +Doch het is mijn voornemen niet, thans dieper in den grond en in het +verband dier wetten door te dringen. Genoeg, dat wij deze wetten +onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt, en ons zoo geregtigd zagen +tot het besluit: dat de harmonie, die ons de dierenwereld predikt, aan +wetten gebonden--noodwendig is. + + +En toch--het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn--op zich zelven waren de +genoemde wetten hier nog ontoereikend. Schier bij elk voorbeeld moesten +wij stilzwijgend eene derde wet vooronderstellen,--eene wet, zonder +welke de harmonie nimmer eene hoogere volmaking konde te gemoet streven, +zonder welke wij den klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het +dierlijk organismus en de buitenwereld, ja! zonder welke misschien alle +dierlijk leven vroeger of later voor het geweld van buiten zou moeten +zwichten. Reeds spreekt gij ze met mij uit. Het is de wet van +erfelijkheid: _De toestand van het voorgeslacht plant zich telkens op +het nageslacht over; de toestand der ouders wordt telkens aangeboren in +de kinderen_. Zietdaar de wet, die in het geslacht bestendigt, wat +gewoonte en oefening gewrocht hebben. Zietdaar den grondslag der +klimmende volmaking in de Schepping. + +Zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen? Weder kan +ik mij op uw eigene ervaring beroepen. Hoe dikwijls zaagt gij den +ligchaamsbouw, de gelaatstrekken, de kleur, den gang, de stem, ja zelfs +het gemoed, de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders +in de kinderen weêrspiegeld! De Romeinen hadden reeds hunne _naseones_ +en _labeones_; en ook thans is de dikke lip eene erfelijke eigenschap in +het Oostenrijksche Huis. + +Doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen. Immers de ontelbare +verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen +daar van de wet van erfelijkheid. De variëteiten van elke soort, zijn, +zelfs veelal in de historische tijden, door verscheidenheid van +invloeden en levenswijze tot stand gebragt; en wij zien ze thans met +gelijke juistheid voortgeplant, als den oorspronkelijken typus. Bij +vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren +worden, die aan de beide ouders herinneren, zoodat ook hierin de wet van +erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart. + +Reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet +de gelukkigste partij getrokken. Men verlangt runderen, door vorm en +neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee, sterke +ossen, geschikt voor den landbouw, en koeijen, die ruime hoeveelheden +goede melk leveren. De eigenschappen, tot deze verschillende doeleinden +vereischt, schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten, en +zijn dus niet allen, in hoogen graad ontwikkeld, in hetzelfde ras te +verkrijgen. Maar reeds sedert lang is het gelukt, kunstmatig rassen +te vormen, die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij +uitnemendheid beantwoorden. En welken weg sloeg men hiertoe in? +Telkens bestemde men tot voortplanting die dieren, waarin de verlangde +eigenschappen, onder omstandigheden van welken aard dan ook, bijzonder +ontwikkeld waren, en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker +en sterker overgeplant. Eene eervolle plaats in de geschiedenis der +veeteelt komt Bakewell toe; omdat hij van de reeds lang bekende +wet van erfelijkheid (het _like begets like_, zoo als hij gewoon was te +zeggen) het eerst eene consequente toepassing maakte. Zóó legde hij den +grond tot een eigen ras van runderen, bijzonder voordeelig en geschikt +voor slagtvee, ’t welk men een’ tijd lang op hoogen prijs stelde, en +slechts daarom niet als een zuiver, onvermengd ras bewaard heeft, +wijl Bakewell zijn doel te goed, en hierdoor te zeer ten nadeele der +in andere opzigten wenschelijke eigenschappen, bereikt had. Zóó ook +stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen (_Dishley +Breed, New Leicester Breed_), welks wol in sommige opzigten voor die van +andere moge onderdoen, doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit, van +op veel jeugdigeren leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te +kunnen worden vetgemest, en hierom ook thans nog tot de meest geachte en +algemeen verspreide rassen in Groot-Brittanie geteld wordt. + +Uit een en ander is voldoende gebleken, dat de door verschil van +invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht +overplanten, en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid +verkrijgen, dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen. +Wanneer wij nu zien, dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden +des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven, +naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatiën +onveranderd bleven, dan is er niets gewaagds in het besluit, dat aan +eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden, over ontelbare +generatiën, de grootere vastheid van typus, die wij thans aan elke +soort toekennen, is toe te schrijven. En zeker bestond die meerdere +bestendigheid van omstandigheden, zoolang de verspreiding van elke thans +erkende soort meer beperkt bleef, en door tusschenkomst van den mensch +minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze. + +Vragen wij nu, in welke diersoorten, op grond der ontwikkelde wetten, +de meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden, dan +kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: vooreerst in den mensch, die, +bij zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij +het groote verschil in levenswijze en beschaving, wel het meest aan +wijziging in organisatie moest blootstaan: maar daarenboven in alle +diersoorten, die, door den mensch aan den natuurstaat onttrokken, aan +vreemde invloeden, aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld. En +zoo is het ook. Behoef ik meer te doen, dan u op de ontelbare zoo zeer +onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen, om u hiervan te +overtuigen? + +Hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien, dat elke door het individu +verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant, dan behoeft +dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten opzichte +der voorbeelden, die wij tot staving der wetten van gewoonte en oefening +hebben aangevoerd. Het zij mij evenwel vergund, nog op enkele van deze +uwe aandacht te vestigen. + +Wanneer Parry ons verhaalt, dat hij, op zijne reis naar den +Noord-pool, in eene temperatuur, waarbij het kwikzilver bevriest, een’ +zuigeling in de open lucht aan de borst zijner moeder zag, kan het dan +nog aan twijfel onderhevig zijn, dat het vermogen, om aan koude te +weêrstaan, eene aangeboren eigenschap is van den bewoner van het +Noorden? Wanneer wij zien, dat het darmkanaal der jonggeboren huiskat +eene betrekkelijk grootere lengte heeft, dan dat van jonge vleeschetende +dieren, zijn wij dan niet overtuigd, dat de geschiktheid der organisatie +voor het gebruik van gemengd voedsel hier wordt aangeboren?--En wat +leert ons de geschiedenis van het tabaksgebruik? Thans moge het dengene, +die zich aan dit vergift gewennen wil, hoogstens nog eenige benaauwde +uren of dagen kosten:--toen in weêrwil der bedreigde straffen en den +heftigen tegenstand, zelfs door Pausen en Keizers geboden, het gebruik +van den tabak zich eerst door Europa begon te verspreiden, waren de +verschijnselen bij de eerste proeven oneindig heviger, en schijnt zelfs +menig onvoorzigtige rooker zijn’ zonderlingen lust met den dood bekocht +te hebben. Onze ouders rookten, onze voorouders rookten,--en thans is, +gij ziet het, de gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren. + +Om u vervolgens te doen opmerken, hoe de door invloeden en oefening +verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel, hoe de kracht en +snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant, breng +ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest. +En van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende +zintuigen leveren onderscheidene volkeren,--van een aangeboren verschil +in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familiën, bijzonder in de +steden, het overtuigendst bewijs. + +Zoo zou ik van elke harmonische eigenschap, die wij, krachtens de +wetten van gewoonte en oefening, zagen tot stand komen, de voortplanting +op het nageslacht door voorbeelden kunnen staven, en hierdoor de +noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder’ +grondslagen vestigen. Ik wil mij echter, kortheidshalve, bepalen tot +de instinctmatige vermogens. Bij de wet van oefening heb ik mij omtrent +dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden, naardien het mij +gemakkelijker scheen, u de kracht der oefening, door verscheidene +geslachten voortgeplant--en als ware het vermenigvuldigd--aanschouwelijk +te maken, dan in het leven van een enkel individu. En hierom mogt ik +deze hier niet met stilzwijgen voorbijgaan. Weder de hond levert ons het +sprekendst bewijs van den invloed der oefening ook op de instinctmatige +vermogens. Het lijdt geen’ twijfel, of bij de oorspronkelijke soort, +waarvan al onze honden afstammen, bestond één en hetzelfde instinct. +En thans, welk een verscheidenheid! Schier elk ras heeft ook ten +dezen opzigte zijne eigendommelijkheden. Behoef ik u te wijzen op +de instinctmatige vermogens van den herders- of jagershond, van den +bloeddog of van den New-foundlander?--Van waar nu die verscheidenheid? +Het antwoord is niet moeijelijk. De mensch heeft door kunstmatige +oefening het een of ander instinct bij den hond meer en meer ontwikkeld, +en door de wet van erfelijkheid werd dit instinct bestendigd. Overwin +bij een’ hond den tegenzin, om te water te gaan, gij zult hiermede +bij de jongen reeds veel minder te kampen hebben. Wilt gij andere +voorbeelden? Frederic Cuvier verhaalt, dat in zoodanige streken, waar +den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd, de jongen, reeds de +eerste maal, dat zij het nest verlaten, eene omzigtigheid aan den +dag leggen, die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken +zou.--Voorts weten wij, dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn’ +vijand. Men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud. Maar +het dier, welks voorgeslachten niet vervolgd werden, de vogels op een +onbewoond eiland, vlugten niet; zij zijn zoo argeloos, dat zij zich met +de hand laten vangen. Na weinige generatien echter is hun het instinct +om te vlugten reeds aangeboren. Alzoo: de vervolging door den vijand +heeft het instinct om te vlugten, volgens de wet van oefening, +ontwikkeld; en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort. +Gij ziet: het aanwezen van dit instinct, als dat van elk ander, is het +noodwendig gevolg der omstandigheden, die deszelfs oefening uitlokten, +en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden. + +Hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt, wanneer +op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan, leert ons reeds het temmen +der dieren. Nimmer zullen de jongen van een getemd dier de wreedheid en +wildheid aan den dag leggen, die zijnen voorouders eigen waren. Maar nog +opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der natuurlijkste +instincten bij onze inlandsche runderen. Overal, waar het de gewoonte +is, het kalf bij de koe te laten zuigen, bestaat hiertoe bij beide de +grootste behoefte. Zij schreeuwen zich half dood, zoo als Sturm +zich uitdrukt, wanneer men ze van elkander scheidt. De koe, die +dagenlang zoo onrustig zich gedraagt, dat een vreemde niet zonder gevaar +ze zou naderen, spant al hare krachten in, om los te breken; en het kalf +zoekt, verscheidene weken, bijna onophoudelijk naar de uijer, alles +aanvattende, om er aan te zuigen. Bij onze inlandsche koeijen +daarentegen, welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen +verwijderd worden, is de moederliefde, als ware het, uitgedoofd. Wordt +het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt, dan gedraagt zich de +moeder volmaakt rustig, en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig +verwijderen, terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in +veel geringere mate opdoen. + + +Zietdaar, mijne Geëerde Hoorders! de drie wetten ontwikkeld, die aan de +harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen. Naar de wetten +van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot +stand gebragt; naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht +bestendigd, wat door gewoonte en oefening in het individu gewrocht was. + +Die harmonie erkent gij dus als noodwendig: want zij is aan wetten +gebonden, en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde +gehoorzaamheid. Wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie, +hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap; want in de +onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur, waarop hare +uitspraken gegrond zijn, staat met onuitwischbare letteren geschreven: +_gewoonte_, _oefening_, _erfelijkheid_. + +Het is evenwel niet genoeg, de noodwendigheid der harmonie uit deze +wetten te herleiden; ons streven moet het zijn, die wetten zelve dieper +te doorgronden. Reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de +wetenschap over de oorzaken der verschijnselen, welke wij tot de wetten +van gewoonte en oefening terugbragten: en zoo, opklimmende van oorzaak +tot oorzaak, zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te +verliezen, naderen wij, langzaam wel is waar, maar met vasten tred, +het ideale standpunt, van waar men alle verschijnselen der natuur met +noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten +konde zien voortvloeijen. + +Wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld, hij +plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten. +Hier verstomt de wetenschap der Natuur; hier staan hare grenzen. Zij +verloochent haar karakter, wanneer zij ook den grond dier eigenschappen +kennen wil. Zij overschrijdt hare regten, wanneer zij den staf durft +breken, over wie hier grond en doel vereenzelvigen. + +En, wanneer eens door eene alwijze Almagt die stoffen en krachten +met een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen, en in hare +eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd, +dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze aderen,--maar +het is een doel, dat buiten de wetenschap ligt der Natuur. + + +Van mijne taak heb ik het deel volbragt, door de wet mij opgelegd. +Een ander deel, waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen, blijft +te vervullen over.--Het eerst rigt ik mij tot U, Edel Groot Achtbare +Heeren Curatoren! die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der +Hoogeschool, aan uwe hooge zorgen toevertrouwd. Steeds uw blikken gerigt +op den vooruitgang der Wetenschappen en op den toestand der Hoogeschool, +is het uw heilig streven, dezen aan de eischen van gene te doen +beantwoorden. Het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan,--en gij hoordet +het telkens door zaakkundige mannen rondom u uitspreken,--dat de +geneeskundige wetenschappen, terwijl zij meer het karakter en den geest +der natuurkundige aannamen, zich op ruimer en ruimer gebied vestigden. +Dit eischte in uw oog dan ook ruimere voorziening in het onderwijs; +en de betrekking, waarin ik thans sta tot de Hoogeschool, strekt ten +bewijze, dat gij niet geaarzeld hebt, tot stand te brengen, wat +uwe overtuiging u als wenschelijk had voorgespiegeld. Mij hebt +Gij geroepen,--en onze geëerbiedigde Koning heeft uwe keuze +bekrachtigd,--niet zoo zeer om eene taak op mij te nemen, die vroeger +op andere schouders rustte, dan om naast den werkkring van ijverige +Ambtgenooten mij, als leeraar, een’ weg te banen op het uitgebreid +gebied der geneeskundige wetenschappen.--Gij zult geene klagte van mij +vernemen, Edel Groot Achtbare Heeren! dat mijn werkkring hier te beperkt +is: integendeel, ik spreek het opentlijk uit, dat men nog aan meer dan +één’ nieuw Ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen, +die ook thans nog onvervuld moet blijven. Maar, vergeeft het mij, zoo +ik u toch op eene schaduwzijde wijzen moet: ik bedoel het verbroken +evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap, die gij door +uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen, +en de nog onveranderde wettelijke vereischten, voor wie den graad +van Doctor in die wetenschap verlangt. In Nederland worden thans +nog geneeskundige studien volbragt, zonder dat de grondslagen der +physiologie van den gezonden en van den zieken mensch, de weefselleer +en de ziektekundige ontleedkunde, tot de verpligte lessen behooren. +In Nederland worden thans nog wettig Doctoren gecreëerd in de genees-, +heel- en verloskunde, zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde +wetenschappen worden gevorderd.--Ik koester met vertrouwende gerustheid +den wensch, dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke blijven, +tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te dragen. + +Maar reeds week ik te ver af van de gevoelens, die mij bezielden, toen +ik mij tot u wendde. Indien ik plegtig verklaar, dat aan de loopbaan, +die gij voor mij geopend hebt, het geluk mijns levens innig verbonden +is, dat de later van u ontvangene blijken van welwillende belangstelling +eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed, en dat mijn hart warm +en erkentelijk is, dan hebt gij den maatstaf der dankbaarheid, die mij +jegens u bezielen moet. + +Maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn geluk: +het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend. Het zou overbodig +zijn, en gewis mij weinig passen, over uwe groote verdiensten voor deze +Hoogeschool uit te weiden: alleen op de getuigenis van hen, die het +langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben, kondt gij eenigen +prijs stellen,--en dát ontbrak u nimmer. Maar ik voel mij toch gedrongen +u te zeggen, dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate vereert, +naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de Hoogeschool +in zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn afgedrukt; ja! dat +ik er trotsch op ben, door u tot eene betrekking te zijn voorgedragen, +waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest staat. Ik heb mij +als levensdoel gesteld, aan uw vereerend vertrouwen naar mijne krachten +waardiglijk te beantwoorden. Geene poging hiertoe zal onbeproefd +blijven; maar dikwijls, ik gevoel het, zal ik uwe welwillende +ondersteuning hiertoe moeten inroepen. Reeds hebt gij mij geleerd, dit +met vertrouwen te doen,--en door uwe handelingen mij den wensch in den +mond gelegd, dat gij nog eene lange reeks van jaren, altijd even ijverig +bijgestaan door uwen hooggeschatten, wakkeren Secretaris, aan het +welzijn der Hooggeschool uwe goede zorgen moogt toewijden. + + +Ook tot u, Weledele Hooggeleerde Heeren, waarde Ambtgenooten, en Zeer +Geleerde Heeren Lectoren! rigt ik mij met volle vertrouwen. Doorloop ik +uwe rijen, dan ontdek ik mannen, die, grijs geworden in wetenschap en +letterroem, mij hooge achting, diep ontzag inboezemen; maar ik zie ook +onder u geëerde Leermeesters, die mij altijd met heusche welwillendheid +den weg tot wetenschap hebben aangewezen,--vrienden, die mij met hunnen +omgang vereerden, vóór ik hen als Ambtgenooten mogt begroeten; en in +u allen herken ik ambtgenooten, die mij welwillend zijt te gemoet +getreden, toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste. + +Ik wierp met u een’ blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk +leven,--en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend. Maar +een hooger beginsel ademt de harmonie, waarmede gij eenparig streeft +naar hetzelfde verheven doel: want, in dit streven kent gij geene +wetten, ziet gij geene noodzakelijkheid. Gij gevoelt: het geschiedt met +bewustzijn, het berust op vrije wilsbepaling.--Thans ben ik geroepen, +om mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van den mensch te +vereenigen. Die taak rust zwaar mij op de schouders. Mijne beste +pogingen, om hierin harmonisch met u zamen te stemmen, zou ik gewis +dikwijls zien verijdeld, wanneer gij niet steeds gereed stondet, mij +welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken. Dit zij hierom de +bede, tot u allen gerigt--de bede, waarmede ik mij dringend, maar ook +vol vertrouwen, wende tot de leermeesters mijner academiejaren, die ook +later nimmer ophielden, mij voor te lichten op het pad der wetenschap. + + +Maar ik zie onder u nog een’ vriend, een’ leermeester van latere jaren, +wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap, wiens geest +kracht heeft en moed, wiens hart gloeit voor wat goed en edel is. +Ik weet het, Mulder! gij zijt afkeerig van openlijk huldebetoon. +Wierook-walmen stijgen niet tot u op. Maar mag het hulde heeten, wanneer +ik zeg, dat gij nimmer hebt opgehouden, mijn’ blik in de natuur en in de +menschenwereld te verruimen, dat gij altijd en overal mijne belangen met +vurigen ijver hebt behartigd, dat, wanneer ik, door leed of angst +geprangd, naar een’ vriend omzag, gij aan mijne zijde stondt!... +Neen! hulde mag het niet heeten, waar, voor sprekende feiten, zwakke +woorden in de plaats treden.--Ik gevoel het, Mulder! ik heb noch den +geest krachtig, noch het hart warm genoeg, om beide bij u te bevredigen; +maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid, die mij bezielen--en +gij zult ook de kleine bron niet versmaden, wanneer ze u frisch en +helder water biedt. + + +Hartelijk verheugt het mij, ook u hier te zien, Wel Edelgestrenge, +Zeer Geleerde Heeren! die ik, nog kort geleden, de eer had, mijne +Ambtgenooten te noemen. Ik wist het, dat gij een levendig deel naamt in +de mij te beurt gevallen onderscheiding; en uwe tegenwoordigheid op deze +plaats is mij hiervan een nieuw bewijs. De vijf volle jaren waarin wij +onze krachten tot één doel zamenspanden, waren de gewigtigsten mijns +levens. Aan deze, en voor een groot deel aan U, ben ik mijne +wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd. Ik herdenk het met +zoo veel voldoening, hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd, +hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting, +hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden, dat ik met vrienden leefde. +Hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts, die zich nimmer +verloochende; en, mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd +zijn,--de heilige band, die tot de minste sporen van misverstand en +tweedragt steeds uit ons midden weerde, blijve ook thans hechter dan +immer gesloten! + + +Ten slotte wend ik mij tot u, Aanzienlijke Schaar van Jongelingen! +want aan u is mijn volgend leven toegewijd. Ik ben geroepen, om u voor +te gaan op den weg tot wetenschap; en zucht tot kennis brandt in u +allen. Ziet! zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons +geboren.--Zoekt gij bij mij de veelomvattende kennis en grondige +geleerdheid, die wij vereeren en hoogschatten alleen in mannen, +wier leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was, ik moet u +teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het ondersteunen +uwer pogingen, ijver en lust om u nuttig te zijn, ik bied ze u van +ganscher harte aan. En wij kunnen immers gezamenlijk het veld onzer +kennis uitbreiden. Gij toch, die u toewijdt aan de beoefening der +natuurkundige wetenschappen, waaronder ik ook de geneeskundige begrepen +acht, gij weet het, hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen. De +kennis, die gij verlangt, ligt in de voorwerpen en verschijnselen der +natuur opgesloten: zintuigelijke waarneming van deze is de éénige wijze, +waarop zij te verkrijgen is. Van de stelling uitgaande, dat niets wat +waarneembaar is, wordt gekend, vóór het is waargenomen, moet het steeds +mijn streven zijn, u de voorwerpen en verschijnselen der Natuur +waarneembaar voor te stellen. En zóó immers is ons de gelegenheid +gegeven, gezamenlijk kennis op te doen. Ik wil niet tot u spreken als +een boek, en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek; maar +ik zal trachten, uwe zintuigen te scherpen, en ze met uwen geest in +nader verband te brengen. Gij moet leeren zien, hooren, ruiken, proeven +en tasten; en gij moet het bewustzijn hebben, dat gij met deze vermogens +tot ware kennis kunt geraken. Daarin bestaat het groote geheim, om +zelfstandig te worden. Hebt gij de indrukken zelf uit de natuur +opgezameld, gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen. Die kennis is dan +uw eigendom, dien niemand u kan betwisten; en op dien grond zijt gij nu +zelfstandig. + +Geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring, dan iets te mogen +bijdragen, om u tot die zelfstandigheid te vormen. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by +Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM *** + +***** This file should be named 19072-0.txt or 19072-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/0/7/19072/ + +Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands +Team and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive/Canadian +Libraries.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/19072-0.zip b/19072-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..75fb96b --- /dev/null +++ b/19072-0.zip diff --git a/19072-8.txt b/19072-8.txt new file mode 100644 index 0000000..392df22 --- /dev/null +++ b/19072-8.txt @@ -0,0 +1,16177 @@ +The Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by +Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Opuscula Selecta Neerlandicorum + Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde + +Author: Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, +Herman Boerhaave, Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +Editor: Hector Treub + +Translator: L. Hillesum, W. Julius, L. Hillesum and A. H. Kan + +Release Date: August 18, 2006 [EBook #19072] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM *** + + + + +Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands +Team and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive/Canadian +Libraries.) + + + + + + [Transcriber's Note: + + Spelling and capitalization are as in the original. + De spelling en de hoofdletters zijn gehandhaafd als in het origineel. + + Greek words have been transliterated and placed between +marks+. + Griekse woorden zijn getranslitereerd en tussen +tekens+ geplaatst. + + The six individual articles are separated by three rows of asterisks. + + The Latin texts-- Erasmus, Boerhave and Gaubius-- are given in three + independent versions, separated by two rows of asterisks: + + Latin alone + Dutch translation alone + Latin and Dutch interlocked] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + OPUSCULA SELECTA + + NEERLANDICORUM + + DE ARTE MEDICA + + + + + Fasciculus Primus + + quem + + Curatores Miscellaneorum + quae vocantur + Nederlandsch Tijdschrift + voor Geneeskunde + + collegerunt et ediderunt + ad celebrandam + Seriem quinquagesimam + in lucem nuper editam + + Quaenam insint scripta + proxima pagina docebit + + Amstelodami + Apud F. van Rossen + MCMVII + + + Erasmus + Swammerdam + Van Leeuwenhoek + Boerhaave + Gaubius + Donders + + + + +INHOUD. + Blz. + +TER INLEIDING IX + +DESIDERIUS ERASMUS, Encomium artis medic 1 + +DESIDERIUS ERASMUS, De lof der geneeskunde 1 + +ANTONI VAN LEEUWENHOEK, Den waaragtigen omloop des + Bloeds, als mede dat de Arterien en Ven gecontinueerde + Bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt 45 + +JAN SWAMMERDAM, Proefnemingen van de particuliere + bewegingen der spieren van den Kikvorsch, die in het + gemeen op alle de bewegingen der spieren in de + menschen en beesten toegepast worden 69 + +HERMANNUS BOERHAAVE, De usu ratiocinii mechanici in + medicina 98 + +HERMAN BOERHAAVE, Het nut der mechanistische methode in + de geneeskunde 99 + +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Oratio inauguralis qua + ostenditur chemiam artibus academicis jure esse + inserendam 170 + +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, Inaugureele rede, waarin wordt + aangetoond, dat de scheikunde met recht een plaats + verdient onder de akademische wetenschappen 171 + +F. C. DONDERS, De harmonie van het dierlijke leven de + openbaring van wetten 229 + + + + +TER INLEIDING. + + +Den 1sten Januari 1907 heeft het Nederlandsch Tijdschrift voor +Geneeskunde 50 jaren bestaan. In Mei 1901 besloot de algemeene +vergadering der Vereeniging: _Nederlandsch Tijdschrift voor +Geneeskunde_, op voorstel der Redactie, den lezers van het Tijdschrift +bij gelegenheid van dit jubileum eene feestuitgave aan te bieden. Deze +feestuitgave zou betrekking hebben op de geschiedenis der geneeskunde. +De zorg voor de voorbereiding dier uitgave werd opgedragen aan eene +commissie, bestaande uit de heeren B. J. STOKVIS, W. KOSTER (Utrecht), +C. E. DANILS, H. TREUB en de beide toenmalige redacteuren-grant +M. STRAUB en P. MUNTENDAM. + +De geheimen van onze commissie-vergaderingen te verklappen is allerminst +mijn bedoeling. Maar iets wil ik en moet ik toch zeggen. Dit n.l., dat, +wanneer niet de drie eerstgenoemde, klassiek geschoolde commissieleden +er geweest waren, en met name wanneer niet STOKVIS zijne groote +belezenheid en zijn eeuwig jeugdig enthousiasme aan onze taak had doen +ten goede komen, er van dit boek bitter weinig terechtgekomen zou zijn. +Want n ding stond, na de eerste voorloopige besprekingen, al spoedig +bij ons allen vast: wij moesten de feestuitgave doen bestaan in +herdrukken van Nederlandsche klassieke schrijvers over geneeskunde. Maar +wie moest onder de klassieken, en wat van hun werk gekozen worden? En +hoe moest het uitgegeven worden? Vragen die, tendeele althans, slechts +beantwoord konden worden door hen, die de klassieken kenden. Toen dan +ook omtrent het "hoe" beslist was, dat de feestuitgave geen bloemlezing, +maar een bundel van zooveel mogelijk op zich zelf staande stukken zou +zijn, kwamen de drie genoemde kenners der klassieken met verschillende +werken aan, waaruit de commissie na kennismaking zou kunnen kiezen. + +Moeilijke bezigheid, voorwaar! Gelukkig, wij zijn Hollanders, wij waren +in commissie vereenigd en wij hadden dus het recht, om niet te zeggen +de nationale plicht met bedachtzaamheid voorttegaan. Zoo waren wij dan +ook nog slechts nauwelijks tot eene definitieve keuze gekomen, toen in +September 1902 STOKVIS ons ontviel. Wanneer ons werk, gelijk wij hopen, +ten slotte bruikbaar is geworden, dan zij hier gezegd, dat dit in de +allereerste plaats te danken is aan het initiatief en de krachtige +medewerking van STOKVIS. + +De commissie was zoo gelukkig in zijn plaats door de algemeene +vergadering benoemd te zien de heer C. A. PEKELHARING, die aan hare +verdere werkzaamheden een zeer actief deel heeft genomen. + +Besloten werd tot een herdruk van vier redevoeringen. De eerste is van +ERASMUS (1467-1536). De groote humanist, schoon zelf geen medicus, heeft +toch in eene oratie den lof der geneeskunst verkondigd. En, waarlijk, +beter lofredenaar kon de geneeskunst moeilijk verlangen. Zoo uitbundig +is zelfs hier en daar zijn loftuiting, dat men, gedachtig aan den +schrijftrant van den auteur van den lof der zotheid, geneigd is zich nu +en dan af te vragen, of niet meer zachte ironie dan welgemeende lof uit +ERASMUS' woorden spreekt. Toch zal men bij doorlezing van dit weinig +bekende geschrift van den geleerden Rotterdammer bespeuren, dat het +hem met den lof, deze moge dan overdreven zijn, ernst is, daar hij niet +nalaat de slechte geneeskunst-oefenaars te vermanen. Hoe weinig het oude +stuk nog verouderd is, blijkt wel uit wat hij o.a. zegt: + +"De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed +gebouwde personen met elkander lieten huwen, die maakten, dat men +alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en +turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen +verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemien +voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor +de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden." + +Immers dit kon nu nog, helaas! goeddeels dienst doen als politieke +wenschlijst voor een medicus. + +De tweede redevoering is van BOERHAAVE (1668-1738), en door hem gehouden +ter gelegenheid, dat de curatoren der Leidsche hoogeschool hem, door +eene traktementsverhooging, hadden weerhouden naar Groningen te gaan. Al +had het particularisme dier dagen niets anders goeds uitgewerkt dan ons +dit heldere en logische betoog omtrent de waarde der iatromechanica te +bezorgen, dan mochten wij het nog dankbaar zijn. Als men BOERHAAVE's +klare taal leest, die zijn gedachtengang zoo scherp weergeeft, waarin +geen argument te weinig en nauwelijks een woord te veel is, dan begrijpt +men den grooten invloed door BOERHAAVE als leermeester uitgeoefend. + +Versterkt wordt deze indruk door de volgende redevoering, die van +GAUBIUS (1705-1780), wiens gezwollen welsprekendheid BOERHAAVE's +eenvoudige duidelijkheid beter doet uitkomen. Evenwel, niet om, doch +ondanks deze tegenstelling werd Gaubius' werk door ons gekozen. Immers +ziet men af van de voor ons minder smakelijke rhetorische versierselen, +dan geeft het betoog van GAUBIUS, op zichzelf voor dien tijd van +groot gewicht, tevens een eigenaardig beeld van de snel wisselende +geneeskundige opvattingen. Nog geen dertig jaar toch na BOERHAAVE's +enthousiaste verdediging der iatromechanica komt, op zijne plaats en in +zijn tegenwoordigheid, de door hem aangewezen leerling de waarde der +scheikunde als wetenschap en in het bijzonder hare waarde voor de +geneeskunst bepleiten. + +Als vierde in de rij der oraties komt die van DONDERS (1818-1889), +over de harmonie in het dierlijke leven; de oratie, waarmede hij zijn +loopbaan als hoogleeraar aanving. Een waardige evenknie van het stuk +van BOERHAAVE, waarin met goed gekozen argumenten en in keurige taal de +teleologie als wetenschap wordt aangevallen en betoogd wordt, dat het +"waartoe" geen antwoord geven kan op de vraag naar het "waardoor", +terwijl toch slechts deze laatste vraag voor den wetenschappelijken +vooruitgang belang heeft. + +Tusschen ERASMUS en BOERHAAVE komen de herdrukken van onderzoekingen +van VAN LEEUWENHOEK en van SWAMMERDAM. Onafhankelijk van de hem +klaarblijkelijk onbekende ontdekking der capillairen door MALPIGHI +(1661), gaf LEEUWENHOEK (1632-1723) HARVEY's leer van den bloeds omloop +een krachtdadigen steun door het, met behulp van zijn mikroskoop, +geleverde bewijs dat: "De Arterin en Venae gecontinueerde Bloedvaten +zijn"; een bewijs, dat hij in gemoedelijke taal, doch met groote +helderheid geeft. Met z groote helderheid, dat men verbaasd staat, +dat de eenvoudige Delftenaar, als buitenstaander van de officiele +wetenschap, om geloofd te worden zich moest beroepen op het getuigenis +o.a. van "d'Heer Mr. ANTONI HEINSIUS, Raad en Pensionaris dezer Stad, +voor desen Extraordinaris Envoy aan zijn Koninklijke Majesteit van +Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen Staat aan het Hoff van zijn +Koningl. Majesteit van Engeland." + +Het stuk van JAN SWAMMERDAM (1637-1680) geeft ten slotte een goed +voorbeeld van diens experimenteertalent. Immers, zoowel zijn proef over +de uitgesneden, doch in verbinding met de zenuw gelaten kikvorschspier, +als die met het door lucht gevulde hart, kunnen ter demonstratie van +dat talent dienen; ook al is de eerste, die doet zien dat bij den +spiercontractie verwekkenden zenuwinvloed niets ponderabels van de zenuw +naar de spier overgaat, bewijzender dan de tweede, die dienen moet om te +betoogen, dat het spiervolume bij de contractie niet toe- doch afneemt. + +De commissie meende met deze keuze een geschikten aanvang te maken van +eene publicatie van Nederlandsche klassieken en zij hoopt en vertrouwt, +dat daarmede de stoot tot verdere analoge herdrukken gegeven zal zijn. + +Maar, zal zulk een herdruk nut hebben, dan dient, voor de meerderheid +der Nederlandsche geneeskundigen, het Latijn door Nederlandsch vervangen +te worden. En, zal de publicatie nut hebben om ook in het buitenland den +naam der oudere Nederlandsche schrijvers op geneeskundig gebied in eere +te houden, dan moeten er ook vertalingen in vreemde talen bij zijn. Deze +overweging stelde de commissie voor een nieuwe moeielijkheid, die des te +grooter werd, toen de algemeene vergadering besloot, dat niet n, doch +drie vreemde talen zouden gekozen worden. Onder de commissieleden was +geen LITTR, noch een ERMERINS en de zorg voor vertalingen in Fransch, +Engelsch of Duitsch durfden zij evenmin op zich te nemen. Zoo heeft dan +de commissie de hulp van anderen, meerendeels niet-medici, ingeroepen en +bepaalde zich haar werk in hoofdzaak tot de specifiek medische correctie +van het vertaalwerk. + +Zij was zoo gelukkig de hulp te verkrijgen van den heer L. HILLESUM voor +de vertaling van de redevoering van ERASMUS in het Nederlandsch, van den +heer C. GRONDHOUT voor de vertaling dierzelfde redevoering en van de +verhandeling van ANTONI VAN LEEUWENHOEK in het Engelsch, van den heer +MAURICE PERNOT voor de Fransche vertalingen der oraties van BOERHAAVE +en GAUBIUS, van de heeren W. JULIUS en L. HILLESUM voor de Nederlandsche +vertaling van BOERHAAVE, van den heer A. H. KAN voor die van GAUBIUS en +van den heer E. HUMMELSHEIM voor de vertaling der redevoering van +DONDERS in het Duitsch. Haar medelid, de heer DANILS, wiens +bibliographische speurzin zich nooit verloochent, vond een weinig +bekende Duitsche uitgave van SWAMMERDAM's "Bijbel der Natuur" (Leipzig +1752), waaraan de commissie de benoodigde vertaling van diens +verhandeling kon ontleenen. + +Het is der commissie een plicht, maar een genoegen tevens, aan al dezen +haren medewerkers hier oprechten dank te betuigen en hulde te brengen +voor den zoo nauwgezet uitgevoerden arbeid. + +Wanneer ik ten slotte nog gememoreerd heb, dat het typografisch werk +voor den feestbundel afkomstig is van de firma DE ROEVER KRBER & +BAKELS, dat de portretten, voor zoover bestaande, in lichtdruk zijn +gereproduceerd door de firma SENEFELDER, die ook de platen bij +VAN LEEUWENHOEK's en SWAMMERDAM's stukken in photolithographie +reproduceerde, en dat de band en het titelblad ontworpen zijn door den +heer J. B. HEUKELOM, dan behoef ik daarvoor geen dank uit te spreken, +want de dank voor hun werk zal hun onmiddellijk gebracht worden door +elken beschouwer van het boek. + + _In opdracht en in naam der commissie ter + voorbereiding dezer feestuitgave,_ + + HECTOR TREUB. + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + +[Transcriber's Note: + +Sidenotes to the Latin text have been collected at the beginning to +act as a table of contents. Those that appear at the beginning of a +paragraph, along with a few others that function as explanatory notes, +have also been kept in their original places. + +Footnotes to the Latin text were added by the transcriber, using +information in the parallel Dutch text.] + + + [Illustration/Illustratie: + + IMAGOERASMIROTERODA + MIABALBERTODVREROAD + VIVAMEFFIGIEMDELINIATA + + +TNKREITTԷTASUNGRAMMATADEIXEI+ + + MDXXVI + + A/D] + + + + + ENCOMIUM ARTIS MEDIC + + Desiderio Erasmo Roterodamo Autore. + + + DE LOF DER GENEESKUNDE + + van + + Desiderius Erasmus. + + + * * * * * + * * * * + + +_Erasmus Roterodamus_ +_D. Henrico Afinio Lyrano_ + _insigni Medico_ + _S.D._ + +Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus +oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae +declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare +medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur. + +Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur +aliud nostra necessitudine dignius. + +Bene vale. + +Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII. + + + + +[Sidenotes: + +_Attentio._ +_Propositio._ +_Laudandi ratio per comparationem._ +_Dignitas et autoritas medicinae._ + _Inventio artis._ + _Torquet exemplum in suum commodum._ +_A difficultate._ + _Longum hyperbaton._ + _Divina res medicina._ + _Laus ab effectu._ + _Ars medicorum et mortuos excitare credita est._ + _Initium vitae medicis debetur._ + _Ab utilitate perpetua._ +_Senectam remoratur ars medicorum._ +_Totum hominem curat medicus._ + _Temperaturam corporis emendat medicus._ + _A simili._ + _Plato._ +_Principibus maxime necessarius medicus._ + _Ab exemplo._ + _Honos habitus medicinae._ + _Honora medicum._ +_A similibus._ +_Sanitatis custos medicus._ + _Exempla._ + _Christus non aegrotavit._ + _Confutatio._ + _Donum curationis._ +_Exemplum._ + _Detorquet._ +_Quibus culta medicina._ + _Moses._ + _Orpheus._ + _Homerus._ + _Moly._ + _Nepenthes._ + _Machaon._ + _Paeon._ + _Chiron._ +_Christus ipse medicus._ + _Paulus medicus._ + _Raphael._ +_A simili._ + _Seleucides._ +_A quaestu._ +_Confutatio._ + _Ex Aristophane._ + _Proverbium._ +_Epilogus._ ] + + + + + DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI + IN LAUDEM ARTIS MEDIC. + + + [Sidenote: _Attentio._] + +Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, +hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari +facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est +fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi +satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur +infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit +effugere. + + [Sidenote: _Propositio._] + +Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni +encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, +admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque +censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem +adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, +quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas) medicae facultatis +dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non dicam explicare, quod +prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo perstringere, ac +veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae opes, per +transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus. + + [Sidenote: _Laudandi ratio per comparationem._] + +Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino +praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate +commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis +praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam +parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato +more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum +contumelia depraedicare. Quin illud magis metuendum, ne domesticas +illius dotes, ne germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana +conditione maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel +aliena contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum +praestigiis sit attollenda. [Sidenote: +gnm+.] Mediocrium est +formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; +res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse. + + [Sidenote: _Dignitas et autoritas medicinae._] + +Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non +magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. +Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam +dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, +velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) +singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, aut certe divinis +honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, quem Illyrici +numinis instar receptum Herculi in honoribus aequarunt. Non equidem +probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium laudo, quippe +quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico nullum satis +dignum praemium persolvi posse. + + [Sidenote: _A difficultate._] + +Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis +diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, +studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne +quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, +discrimina. Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim +fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium +quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas +in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; +exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, +quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur. +Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, +tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. +Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, +luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso +morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit +in corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, +saepenumero venenum erit, quod in remedium datur. Ne quid interim +commemorem saepe fallaces morborum notas, sive coloris habitum spectes, +sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam observes, velut hoc +agentibus malis, ut hostem medicum fallant et imponant. Tantum undique +sese offundit difficultatum, ut mihi difficile sit omnes vel oratione +prosequi. + +Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, +obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac +penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex +omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis +denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, +atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab +ipsis sideribus petere. Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua +viribus animi adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad +salutem universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus +homine maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur? Absit invidia +verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue praedicare. Non me jacto, +sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam proprium dei munus est, +certe datam tueri, jamque fugientem retinere, deo proximum fateamur +oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos soli deo proprium esse +volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut credula, ita gratissima. +Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab Orco +in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, +comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus +catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, +vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant. +Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis est. +Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe +(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra +fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit. +Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert utrum +anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in corpore +sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici +suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur? An non +pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum servare? Atqui +permultos nominatim recenset Plinius libro historiae mundanae septimo, +qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies complusculos +revixerint. + + [Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is + "balis".] + +Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod +quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus, +cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam +verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi +praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum +solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia. Neque +desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. Hic qui +mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam revocat, +nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus est? Quot +censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum solertia +morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie +mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem +haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi +rationem reperisset? Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul +et nascens salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum +arti vitam debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur +abortus, dum mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum +pariendi facultas datur. [Sidenote: +paroimia+] Quod si vere dictum est +illud Deus est juvare mortalem, profecto mea sententia aut nusquam locum +habebit illud nobile Graecorum adagium +anthrpos anthrpou daimonion+, +aut in medico fido proboque locum habebit, qui non juvat modo verum +etiam servat. An non igitur ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac +ipse prope vita indignus, qui medicinam alteram secundum deum, vitae +parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet, non honoret, non +suspiciat, non veneretur? Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. +Nam reliquis quidem artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate +mortalium omnis vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus +prosperam adesse valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi +medicus ciborum salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, +quam Graeci diaetam vocant, rationem doceat? + + [Sidenote: _Senectam remoratur ars medicorum._] + +Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam +mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum +multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia +senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent +aliquot huius rei testes. + + [Sidenote: _Totum hominem curat medicus._] + +Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit, +imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a +corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se +cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim +corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt. +Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae irae, +fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, temperandae +Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut si vivere +velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a vitiorum +colluvie repurget? Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope +pharmaceutica bilem atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri +spiritus fulcit, mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae +domicilium sarcit, totumque animi habitum commutat in melius, nonne per +exteriorem, ut vocant, hominem, et interiorem servat? Qui phreneticum, +lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum restituit, nonne totum +restituit hominem? Theologus efficit ut homines a vitiis resipiscant, at +medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. Frustra ille medicus sit +animae, si jam fugerit anima, cui paratur antidotus. Cum impium hominem +subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia quaedam praesentanea +pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de castiganda cogitare vita, +hunc qui restituit, alioquin infeliciter in suis sceleribus sepeliendum, +nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab inferis revocat? In eum certe +locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si velit, aeternam mortem +fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui suadentem non audiat? +Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram bilem repurgarit? + +Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab +animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori +illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae +mentis a corporis habitu pendeat. Permultos homines infelix corporis +temperatura, quam Graeci modo +krasin+ modo +sustma+ vocant, velut +invitos ac reclamantes, ad peccandum pertrahit, dum animus insessor +frustra moderatur habenas, frustra subdit calcaria, sed equum +ferocientem in praecipitium sequi cogitur. Animus videt, animus audit +sed si oculos occuparit glaucoma, si aurium meatus crassus humor +obsederit, frustra vim suam habet animus. Odit animus, irascitur animus, +at vitiosus humor mentis organa obsidens in causa est, ut oderis, quem +amore dignum judices, irasceris cui nolis irasci. Philosophiae summam in +hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi pareant affectus, atque ad eam +rem praecipuus est adjutor medicus, hoc agens ut ea pars hominis vigeat +sapiatque, cuius arbitrio geruntur, quaecunque cum laude geruntur. +Si hominis vocabulo censentur indigni, qui pecudum ritu rapiuntur +cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona ex parte debemus medicis. + + [Sidenote: _Principibus maxime necessarius medicus._] + +Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est +beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est +obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum +tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui +sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua +neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit. Si Caligulae +fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac venenorum scrinia in +perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam sane causam publica +consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, ne princeps usquam +gentium agat absque medicis. Proinde cordati principes nulli unquam arti +plus honoris habuerunt, quam medicinae. Quandoquidem Erasistratus (ut +reliquos taceam) Aristotelis ex filia nepos, ob Antiochum regem sanatum, +centum talentis donatus est a Ptolemaeo huius filio. Quin et divinae +literae jubent medico suum haberi honorem, non tantum ob utilitatem, +verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros benemeritos ingratitudo sit, +in medicum impietas, quippe qui tamquam beneficii divini adjutor, id +arte sua tuetur, quod optimum nobis et carissimum largitus est deus, +videlicet vitam. + + [Sidenote: _A similibus._] + +Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse +quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties +debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. +Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non +magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae +hostibus quotidie depugnat? Reges ceu deos suspicimus, quia vitae +necisque jus habere creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe +vitam non aliter dare possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum +servare dicuntur latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam +dare possunt, quam corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem +accedit medici beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, +cura, fideque sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis? Aliis +in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis animique +periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid in +homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid aliud, +id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id servat, +sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter hominem, +et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia debetur +medico. + + [Sidenote: _Sanitatis custos medicus._] + +Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit +aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? +Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad +licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat. Quid enim hic notissima +referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, Platonem, Catonem censorium, +Antonium, Castorem, cumque his innumerabiles, quorum plerique medicinae +observatione, vitam ab omni morbo liberam neque fatiscente ingenii +vigore, neque concussa memoriae soliditate, neque fractis aut +labefactatis sensibus, ultra centesimum annum prorogarunt? An non +istuc est immortalitatis, quam speramus, hic iam nunc imaginem quandam +exhibere? Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus +assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. +Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos +principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum +nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, +aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe +praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas. Nec +enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam impudenter +solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, somniantes +Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille infirmitatem +vel animi tentationem, vel quod vero propius est, improborum hominum +molestam insectationem appellet. Atque idem ille Paulus, inter +apostolicas dotes, donum curationis recensuit. + +Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et +Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro +medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, +partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium +facientibus. O nova dignitas medicinae. Agitur de capite hominis, et +judicis sententia pendet ex medici praejudicio. Summi pontificis pietas, +si quid indulget, in nonnullis non aliter indulget, nisi medicorum +accedat calculus. Atque in decretis Romanus pontifex episcopum eum, qui +delatus fuerat tamquam foedo immanique morbo obnoxius, ex medicae rei +judicio censet aut amovendum episcopatu, aut suo loco restituendum. +Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod faciendum +est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc est artis +et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, velut +ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante. Quin ii +quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e corporibus humanis +exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his morbis, qui +secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque vitiant, et adeo +daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis medicis discerni +non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut fertur illorum +varia natura, qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus +intimis animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In +cuius rei fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, +quaeso ut me patienter audiatis. + + [Sidenote: _Exemplum._] + +Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste +quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus +in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice +loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus +rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam? At is hominem +facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus sibi, teutonice nec +loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere daemoniacum fuisse +contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat artem, cui +compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in restituenda +vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum ministrae, tum +aemulae. Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, +quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea +praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non +credit. + + [Sidenote: _Quibus culta medicina._] + +Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et +spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis +ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus +praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses +ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse +creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla +prodidisse legitur. Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum +fons, plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. +Is et Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, +efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac +Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat +in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat. Porro +Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte praestantes, +saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum heroibus, +verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet +subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, +atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae +ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, +huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: +[Sidenote: +iatros gar anr polln antaxios alln+] Unum medicum pluris +habendum, quam caeterorum hominum permultos. Rursum alibi medicum ita +notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, palam testans id quod res est, +hanc artem non una aut altera disciplina, sed omnium artium cognitione +circuloque, tum praeter exactum ingenium, multo etiam rerum usu +constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem quandam tribuebat +antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen reliquisse legitur. Atque +ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem censorium, +Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel studiis, vel +negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde regnum, alioqui +locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum miraculum, quam rei +medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum declaravit, qui artis +huius commentationes, et exemplaria, effectusque in arcanis reliquit, +ut autor est Plinius. Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine +celebratur. Nunc fere regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. +At olim populi Romani principibus nihil magis erat curae, quam ut ex +longinquo novis importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo +illi tum orbis domino aliud erat munus gratius. + + [Sidenote: _Christus ipse medicus._] + +Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese +non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus +est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum +Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum +illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum +adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum +insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille +nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur. Neque +deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc usum rebus +a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, mandans ut +hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes inquit, morbis +illorum, et ungentes oleo. Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum +vini praescribit usum, ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne +palam medici partibus utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum +Raphael angelus Tobiae caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit +apud arcanarum rerum studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, +cuius cognomento divinae illae mentes insigniuntur. + +Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam +oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu +perversissima hominum judicia. + +Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne +quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id +quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, +in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur +alienum judicium. Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi +paucis contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe +partem eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat +quemquam nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, +sed ab improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur. + + [Sidenote: _A simili._] + +Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile +fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae +utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut +hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum +illae ingruente bruma devolant. At quanto sincerior amicus medicus, qui +Seleucidum avium exemplo, quas narrant nusquam a Casii montis incolis +conspici, nisi cum illarum praesidio est opus, adversus vim locustarum +fruges vastantium, rebus integris ac laetis nusquam sese ingerit, in +periculis, in his casibus, in quibus uxor ac liberi saepe deserunt +hominem, velut in phrenesi, phthiriasi, in peste solus medicus +constanter adest, et adest non inutili officio, quemadmodum plerique +caeterorum, sed adest opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum +morbo dimicans, nonnunquam suo quoque periculo. Et o plus quam ingratos, +qui talis amici officio servati, jam depulso periculo medicum odisse +possunt, ac non potius parentis vice colunt ac venerantur. Vulgarem +amicum, qui subinde salutat obvium, ad coenam rogant, qui latus claudit, +officio pensant, et talem amicum ubi desierint egere, aversantur? Et ob +hoc ipsum aversantur, quod intelligant illius officio nullam meritis +parem gratiam rependi posse. + +Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec +optimo cuique viro discenda est. + +[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et +haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant. +Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans, +plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui +pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum +ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest +incolumis possessio, nisi valet possessor? Proinde leges priscorum, cum +nondum quaestus et ambitio corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, +ut corpora civium essent valida, robusta, beneque temperata. Ea +res partim pendet a nativitate, partim ab educatione, partim ab +exercitamentis, et victus ratione, nonnihil etiam ab aedificiorum modo. +Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora jungebant +matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui balnea +publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges +sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam +excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum +venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes +fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si +tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum. + +Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit +administrari.] + + [Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased): + + The text printed in brackets does not appear in the editions of + Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus + (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of + Erasmus' works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected + edition by Clericus (Leiden 1703).] + + [Sidenote: _A quaestu._] + +Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque +metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit +aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim +ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea. +Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab +Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur. +Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum servatori +capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia depugnabant? Quid ego +nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, Albutios, quibus Romae +tum apud principem, tum apud populum immodicum quaestum fuisse refert +Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis aetatibus repetimus, quasi +non hodie cuique complures succurrant, quos haec ars ad Croesi opes +evexerit? + +Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat, +esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina +quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita +rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut +alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis +damnari possit. + +Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor +frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum +quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur +viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud +Graecorum proverbium, +to technion h pasa g trephei+. + + [Sidenote: _Confutatio._] + +Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum +esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut +quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum +est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur. +Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et invitos. +Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille +moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem +ingratitudinem. + +Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres +audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni +non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum +professionem non ferret homo mere Romanus. Isque tantum tribuit +experientiae, ut artem esse noluerit, sed idem universam Graecorum +philosophiam ex urbe pellendam censuit. Existimabat homo durus, ad +purgandum hominis corpus sufficere brassicam et crebros vomitus, et +tamen ille ipse medicorum hostis observatione medicinae, in extremam +usque senectutem robur infractum tutatus scribitur. + +Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine +magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum +impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt +facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter +pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit. Quasi vero +felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, turgescere cervisia, +sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est oratione refellere, +cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant arti, mox podagra +contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, caecutientes ante +senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, exemplo Stesichori, +seram canunt palinodiam miseri. Et tamen his licet indignissimis, artis +bonitas non gravatur esse praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex +vetere comoedia scommate, vocent medicos +skatophagous+. Quasi vero non +isto nomine vel praecipue laudari mereantur, qui quo subveniant hominum +calamitatibus, ex illa sua sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. +Quod si medicis tantum esset supercilii, quantum istis est procacitatis, +liceret passim impune mori. Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus +commune, ut bene faciat ac male audiat. + +Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt, +cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena +ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male +consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam +detorquere? Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae +ac piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta +professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus +optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui +censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus, +quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant. +Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum dari +Graecorum proverbio, +polloi boukentai pauroi de te gs arotres+. +Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates +sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque +tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi +conspicimus. + +Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut +difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod +initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes +summatim complecti. + + [Sidenote: _Epilogus._] + +Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam +omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius +inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non +alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit. Si magni fiunt, quae +summis viris probantur, haec summos reges, haec primates non solum +delectavit, verum etiam illustravit. Si difficilia quae sunt, ea sunt +et pulchra, nihil hac operosius, quae tot disciplinis, tantarum rerum +pervestigatione usuque constat. Si dignitate rem aestimamus, quid +excellentius, quam ad dei benignitatem proxime accedere? Si facultate, +quid potentius aut efficacius quam totum hominem certo exitio periturum +sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque necessarium atque id +sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, quid honestius, quam +servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus neque maior est, neque +latius patet. Si compendio, aut haec in primis frugifera sit oportet, +aut ingratissimi mortales. + +Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc +pulcherrimo genere professionis excellere. + +Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc +nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes +est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo +mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi. + + + Dixi. + + +[Errata noted by Transcriber: + +[Sidenote] +Laudandi ratio + _text reads_ Laudandiratio +propter arctissimam amborum inter se cognationem + _text reads_ intet se +[Sidenote] +Honora medicum. + _text reads_ honara +[Sidenote] ++iatros gar anr polln antaxios alln+ + _spelling "iatros" as in original_ +Timetheo suo + _spelling as in original_ +qui mutatis aedificiis + _text reads_ aedifiiciis ] + + + * * * * * + * * * * + + + _Erasmus van Rotterdam + aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1] + den voortreffelijken medicus._ + + +Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam +mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik +mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over +"den lof der geneeskunde". Terstond besloot ik de niet zeer goede +redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door +Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge +vinden. + +Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid +jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal +gegeven worden. + +Het ga U wel. + +LEUVEN, den 13den Maart, 1518. + + [Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).] + + + + +REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE. + + +Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en +zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer +verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid +begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik +noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal +weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren +zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal +ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna +goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een +alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord +is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken. + +Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer +voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een +jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie +van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd +en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe +aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw +gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding +wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven, de +waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische +wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat +een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in +het kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten +van een zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter +tralin, aan de blikken der studenten te vertoonen. + +Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in +het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan +voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. +Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo +voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare +vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij +het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen +tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te +doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht +plaatst. Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg +zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en +aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver +achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan +verwijderd, dat zij f door vernedering van andere wetenschappen, f +door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet +opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid +kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer +kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in +waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven. + +In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere +wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons +leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der +geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom z bewonderd, +hare toepassing als een z groote weldaad ondervonden, dat hare +uitvinders f geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo +en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten +gevolge van n enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst, +f ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, zooals bij +voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god opnamen en op +dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik natuurlijk niet +goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs ik hun gevoel +en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op die wijze tot +uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren geneesheer nooit +te groote belooning geschonken kan worden. + +Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid +van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil +in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en +levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden +kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen +van de overige geneesmiddelen; vervolgens, hoevele soorten van ziekten +er bestaan, waarvan er volgens Plinius driehonderd met name zijn +overgeleverd, nog daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, +waarvan hij het oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar +eens een voorbeeld te noemen, weet, hoeveel variteiten de naam koorts +alleen inhoudt; en zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er +dagelijks bijkomen, en wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge +afspraak den strijd met onze wetenschap hadden aangebonden, om +nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen van +vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten gevolge +heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet eens +medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, val, +fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, welke +gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der ziekten; +indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er verbonden +is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk +moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als +geneesmiddel toedient; terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de +dikwijls bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur +beschouwt of de teekens der urine onderzoekt of den polsslag +waarneemt, daar het den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op +toeleggen, om haar vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; +als men dit alles nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel +moeielijkheden op, dat ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen +opsommen. + +Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig +te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te +onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na +doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten +de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden, +struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de +vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame +geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan +zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren +te ontleenen; deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo +moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen +en zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil +van het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het +algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te +zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand +gebracht worden? Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij +geoorloofd dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te +verkondigen. Ik verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. +Immers, hoewel het schenken van het leven slechts een voorrecht +van de godheid is, zoo moet men toch toegeven, dat dit leven te +kunnen beschermen en vast te houden, als het ons wil ontvlieden, +de goddelijke macht zeer nabij komt. Ofschoon zelfs niet het +eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend aan God toeschrijven, door de +ouden aan het gebied der geneeskunde onttrokken werd, die daardoor wel +hun lichtgeloovigheid, maar toch ook hun groote dankbaarheid toonden. +Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de zoon van +Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het leven +teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die +gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over +wien reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, +van den brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De +geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een +leeuw en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven +teruggebracht zijn door een kruid, dat "halis"[2] heet. Ook getuigt +Juba, dat in Afrika door middel van een kruid iemand weer in het +leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om bekommeren, als +er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof sloegen; toch +vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de geneeskunde, +hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, tot +de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog +buitengewoon is. Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan +het leven teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de +godheid opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden +teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de +kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg +van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en, +reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden? Of komt +het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen herleven of +iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En toch noemt +Plinius in het zevende boek van zijn "Historia Naturalis" zeer velen +met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis gedragen te +zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na verscheidene +dagen, weder herleefden. + + [Voetnoot 2: In Plinius staat "balis" (Vertaler).] + +Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven +heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze +wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den +Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch +niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. +Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, +als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij +voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, +diepe onmacht, verlamming en beroerte. In iederen tijd en bij ieder +volk zijn hier voorbeelden van te vinden. Moet nu niet hij, die +den overrompelenden dood door zijn kunst verdrijft, die het +leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen tijde als een +welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel menschen +zijn niet vr hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door de +schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard +der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven niet heden +ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet geboren +zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen tegen de +gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. Ja, reeds +aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk met +het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp +der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken +hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een +ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht +om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid +tot baren gegeven wordt. En hoewel er terecht gezegd is: "slechts God +kan den mensch helpen", vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende +Grieksche spreuk "de eene mensch is de god van den anderen", zoo +ergens, hare toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken +geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij +dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven +niet waard, die de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, +beschermster, behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief +heeft, hoogacht en met bewondering en eerbied tot haar opziet? Wier +hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle overige +wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde, +gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust +het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen +ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten +verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat +kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen +heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van +onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde? + +Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan +ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt +hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval +geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de +zoogenaamde "quinta essentia" de gebreken des ouderdoms, als een +kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; +er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven. + +Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des +menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen +mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar +het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe +verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen +gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar +beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. Wie spoort +den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot onthouding, +soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van droefheid, +het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde en het +maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg den +zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat +vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden? Hoe +dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het +voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de +verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der +hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den +verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt +in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg? +Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk +ook den innerlijken? Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, +razernij, apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, +geeft hij niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? +De theoloog bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot +bezinning komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek +daartoe in staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer +stichten, als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds +ontvloden is. Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een +verlamming, beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat +onmiddellijk den dood ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan +benemen nog vrdat hij den tijd heeft, om aan verbetering van zijn +levensgedrag te denken, kan men dan niet van hem, die dezen geneest, +welke anders ellendig onder den last zijner misdaden moest begraven +worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel +uit het schimmenrijk teruggebracht heeft? In ieder geval plaatst hij +hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu zelf in zijn macht +heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. Wat zal de +theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet hooren kan? +Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien niet eerst +de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft? + +Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige +deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van +de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en +zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede +geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid +afhankelijk. Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der +lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer +systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en +terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen +wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de +zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te +volgen. De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar +verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt +zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de +ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van +den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw +liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij +niet zoudt willen vertoornd zijn. Plato erkent, dat de gansche +philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan +de rede moeten gehoorzamen. En nu is het voornamelijk de geneesheer, +die daartoe medewerkt, zich hierop toeleggend, dat dit deel van den +mensch krachtig en vol inzicht zij, naar welks goedvinden alles +geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht wordt. Terwijl zij den +naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich evenals de dieren +door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het voor een goed deel +aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn. + +Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het +bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe +grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt +bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van +dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote +verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van n +zoo'n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: "Gij +raast, o vorst, kom tot bezinning!", als hem niet de arts door zijn +kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven +heeft. Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in +zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en +vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is +het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik +geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben +verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan +de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen), +een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus +door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. Ja, ook de +Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem toekomende +eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens zijne +onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons +verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het +niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer +goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als het ware +God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het beste en +dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven. + +Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin +van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, +mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen +verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens nmaal verschuldigd +zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den +vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger +mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden +van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? Wij zien tot +koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij willekeurig +kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel kunnen +dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat zij het +leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, zooals wij +ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken hebben, +wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin kunnen zij +toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel dichter +bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den +geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door +zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods +terugtrekt? Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar +hem, wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, +in het leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er +groots in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en +dergelijke, op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, +aangezien zij datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen +zelfs niet kunnen bestaan. Als alles er voor den mensch is en de +mensch zelf door den geneesheer behouden blijft, dan moet den +geneesheer voor alles dank geweten worden. + +Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan +zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid f +herstelt f beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van +ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, +zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der +geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. Want waartoe +behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van Pythagoras, +Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor[3] en talloozen +met hen, van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde +zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en +zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het +gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan +honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een +beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen? +Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze +onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon +sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde +Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook +in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna +allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, +gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te +beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat +zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. Want men moet, naar +ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom als onbeschaamd +tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt uitgeoefend, waar +zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen +leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, +wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. En diezelfde Paulus +heeft onder de gaven, die aan de Apostelen geschonken waren, ook de +gave der genezing geteld. + + [Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vr Christus, + onder wiens leiding Plinius botanische studin maakte. (Vert.).] + +Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor +verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich +vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in +quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in +eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! Een +menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af +van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade +verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer +gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een bisschop +beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke ziekte te +lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te hebben, tot +verwijdering of handhaving van den bisschop. Eveneens schrijft de +goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen zijn wil, naar den +raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook zegt hij terecht, +dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is het loon voor +zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden aan hem, die +het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als iemand, die +wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt. Ja zelfs ook zij, +die door tooverformulieren booze duivels uit menschelijke lichamen +drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, bij voorbeeld bij +die ziekten, die op geheime wijze de werking van het eene of +andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door de +aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door +zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het +duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende +soorten van duivelen bestaan), die ook door medische behandeling +kunnen aangetast worden, of dat de ziekte zich zoo diep in de +schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat zij op het lichaam geen +betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot staving dezer bewering +uit de tallooze voorbeelden n, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, +verzoek ik U, mij geduldig te willen aanhooren. + +In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd +beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, +Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van +wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin +bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke +taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit +gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs +niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten +was? En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te +verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen +sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat +hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot +nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze +duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen +terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze +geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht +ware. En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten +toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer +voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door +het meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke +krachten geacht worden. + +Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen +nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, +goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte +raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde +gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt +immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan +naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en +ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze +Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de +geneeskracht der kruiden. Homerus zelf, zonder tegenspraak de +voortreffelijkste bron voor alle geesten, maakt herhaaldelijk +melding van kruiden en prijst zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft +ons immers ook het kruid "moly" beschreven, dat volgens Plinius +het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel tegen +vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius toeschrijft +en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door Circe +gereikten tooverdrank. Hij duidt ook aan, dat "nepenthes" (letterl. +"smarteloos") bij den maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen +heeft, leed en droefenis te verdrijven. Voorts noemt hij dikwijls met +eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius als uitmuntende in deze +kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar ook de goden, naar +zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij wil er dit mee +aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der geneesheeren +behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en dood van +alle overigen beschikken, in hunne macht is. Ja, diezelfde dichter +heeft in het elfde boek van de Ilias de uitoefening van dit beroep +door verreweg de schoonste lofspraak verheerlijkt, waar hij zegt, dat +n arts meer waard is dan vele andere menschen tezamen. Elders +wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles onderricht is, +hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de +geneeskunde niet berust op de eene of andere wetenschap, maar op den +geheelen kring van alle wetenschappen en niet alleen op theoretische +kennis maar ook op practische ervaring in vele zaken. De beroemde +Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere mate van +goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een bekend +boek over den aard der kruiden achtergelaten. Nu wil ik Plato, +Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden en Varro maar +met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap ijverig +bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts +spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer +door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn +wonderbaarlijke kennis van n en twintig talen als wel door zijn +geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een +waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, +voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende +kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap +gevonden zijn. Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift +zijn naam. Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke +eigenschappen: spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar +oudtijds legden zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets +zoozeer toe als op de bevordering der geneeskunde door het invoeren +van kruiden uit ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de +wereld beheerschte, was geen geschenk aangenamer. + +Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, +geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor +wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, +zegt, dat "zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel +bevinden", terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat +gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde +bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog +aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; +niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van +ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de +geneesheer naar vermogen na. Bovendien bezitten ook zij eene +goddelijke macht, namelijk die van genezing aan te brengen door middel +van krachten, die tot dit doel door God den dingen ingeschapen zijn. +In hoofdzaak bestond ook daarin het reisgeld, waarmede Hij de +apostelen voorzag, hun opdragend, terstond door dezen liefdedienst +hunne gastheeren aan zich te verplichten "door", zoo luiden Zijne +woorden, "hunne ziekten te genezen en hen met olie te zalven". +Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn +voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke +uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons daarover +verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der mystiek +de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van de +blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde +wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden! + + [Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, + waarvan het eerste rapha, "genezen" en het tweede el, "goddelijk + wezen" beteekent. (Vert.)] + +De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze +wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder +onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen! + +Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen +valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval +toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; +hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, +wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken +vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid +gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van +anderen. En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap +slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun +geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat +gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door +iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de +moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de +kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte +geneesheeren. + +Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de +vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En +diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in +tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl +het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in +ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het +land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe +oprechter vriend is echter niet de geneesheer. Evenals de "Seleucides" +genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de bewoners van het +Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan wanneer zij hunne +hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, die hun gewassen +vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale en gelukkige +omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, waarin +vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij +waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij, +en niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar +als redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte +kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven. Zijn zij dan niet +meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid van zulk een +vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den geneesheer +kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en hoogachten? +Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een toevallige +ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel eens +vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend +wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze +afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen +belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te +wegen. + +Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het +meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle +uitstekende mannen geleerd worden. + +[5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, +plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. +Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de +daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard +der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, +dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams +gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben +vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want +wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de +bezitter niet wel is? Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen +heb- en eerzucht nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de +lichamen der burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. +Dit hangt deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van +de opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van +de inrichting der woningen. De taak van den geneesheer vervulden de +wetgevers, die slechts goed gebouwde personen met elkander lieten +huwen, die eischten, dat men alleen volkomen gezonde minnen in dienst +nam, die openbare baden en turnplaatsen instelden, wetten tegen de +weelde maakten, door het doen verbouwen van huizen en het droogleggen +van moerassen, epidemien voorkwamen en er voor waakten, dat geen +spijzen of dranken, die voor de gezondheid gevaar opleverden, verkocht +werden. Maar heden ten dage meenen de vorsten, dat zij er niet mee te +maken hebben, of voor wijnen vergiften verkocht worden, of er door +aangestoken graan of bedorven visch zoovele ziekten onder het volk +verspreid worden. + +Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der +geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.] + + [Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] + geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel + 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook + in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de + eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus' werken van Beatus + Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van + Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)] + +Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever +afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen +zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te +verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij +geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was +ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, +zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik +reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door +Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven +belooningen begiftigd zijn. Doch welke belooning is dan ten slotte +niet gering te noemen, betaald aan den redder van een leven, voor +welks behoud zooveel duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe +nog te noemen de Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie +Plinius vertelt, dat zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als +onder de burgers ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven +wij nog die voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, +alsof niet ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest +staan, die door dit beroep ware Croesussen zijn geworden. + +Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in +uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst +gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager +inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde +onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij +er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op +ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch +helpt dikwijls n enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den +kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend +kan veroordeeld worden. + +Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld +te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de +Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De +medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld +door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep +meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: "de +geheele aarde voedt het ambacht." + +Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier +zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn +verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een +broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om +tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit +hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te +ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, +aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. Een uitstekend +geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen den wil van den +patint. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van een god niet +erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij behoort +volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone +ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet. + +Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap +zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook +tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel +de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, +maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, +waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen. +Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe, +dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan +ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den +Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie +uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het +menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En +toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming +der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn +krachten onverzwakt behouden heeft. + +Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van +straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede +geneesheeren geerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet +alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever +de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote +macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. +Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het +spreekwoord: "wie medisch leeft, leeft ellendig". Alsof het een groot +geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, zich uit te putten +door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik of ten gevolge van +uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat behoeven wij nog +deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf door het verzaken +van de voorschriften der geneeskunde voldoende gestraft worden, daar +zij weldra door podagra worden gekweld, door verlamming getroffen, +vroegtijdig het verstand verliezen, vr den ouderdom zwak van gezicht +worden en dan eindelijk, maar te laat, in hunne ellende op de wijze +van Stesichorus hunnen laster herroepen[6]. En toch maakt die goede +wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij het volstrekt niet +waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen noemen, met een +scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de geneesheeren "dreketers". +Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen te worden, dat zij, om de +wonden der menschheid te heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven +sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen +eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die lieden hen +vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen kunnen +laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten gemeen, dat +het goed handelt, maar een slechten naam heeft. + + [Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien + hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door + het dichten van een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)] + +Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor +geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er +zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die +uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker +dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te +lasteren? Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken +moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den +godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo +heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker +dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij +dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie +niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige +plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. Ook ik wenschte, +dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen en dat onder +hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: "velen zijn +ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers". Ik wenschte, dat allen +die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep +vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige +woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om +niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al +zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten. + +Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een +grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput +te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, +gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der +geneeskunde in het kort samen te vatten. + +Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid +aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de +noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem +erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. +Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan +geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen. +Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring +van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap +strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen +tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets +oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer +moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel +kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als +wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de +goddelijke genade het dichtst nabij te komen? Naar haar vermogen, wat +is machtiger of rijker aan resultaten dan een geheelen mensch, wien +een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf terug te geven? Naar +hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de wetenschap, zonder +welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien wij een zaak naar +hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het +menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar nut, geen +zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij eindelijk het +financiel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest +winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid verloren +heeft. + +U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het +voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten. + +U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst +toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, +aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt +uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op +meer dan gewone wijze ten heil zult strekken. + + Ik heb gezegd. + + + * * * * * + * * * * + + +_Erasmus Roterodamus +D. Henrico Afinio Lyrano + insigni Medico + S. D._ + + _Erasmus van Rotterdam + aan Dr. Henricus Afinius van Lier,[1] + den voortreffelijken medicus._ + + [Voetnoot 1: Een stad in Brabant (Vertaler).] + +Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in manus +oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem artis medicae +declamata; continuo visum est orationem non optimam optimo dicare +medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum centuriis commendetur. + + Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde AFINIUS, kwam + mij eene redevoering in handen, die lang geleden door mij, toen ik + mijne krachten nog aan allerlei beproefde, vervaardigd was over + "den lof der geneeskunde". Terstond besloot ik de niet zeer goede + redevoering aan den zeer goeden medicus op te dragen, opdat zij, door + Uwen naam versierd, in de gelederen der studenten haren weg moge + vinden. + +Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum dabitur +aliud nostra necessitudine dignius. + + Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid + jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal + gegeven worden. + +Bene vale. + + Het ga U wel. + +Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII. + + LEUVEN, den 13den Maart, 1518. + + + + +DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDIC. + + REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER GENEESKUNDE. + + +[_Attentio._] + +Quo saepius est ars medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, +hoc ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari +facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est +fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi +satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur +infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit +effugere. + + Hoe vaker de lof der geneeskunde van deze plaats in doorwrochte en + zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer + verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid + begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik + noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal + weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren + zult krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal + ons gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna + goddelijke onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een + alledaagsche redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord + is, niet kunnen nalaten bij het auditorium verveling op te wekken. + +[_Propositio._] + +Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni +encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, +admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque +censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem +adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, +quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas) + + Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer + voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een + jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie + van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd + en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe + aandacht en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw + gezag deze eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding + wilt volgen, zal ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven, + + medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, +non dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim +modo perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam +reginae opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere +conspectibus. + + de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid + der medische wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te + ontwikkelen, wat een oneindig werk zou zijn, maar, slechts de + hoofdzaken aanrakende, in het kort te behandelen, en, evenals de + dicht opeengehoopte schatten van een zeer rijke koningin, slechts + vluchtigjes, als het ware achter tralin, aan de blikken der studenten + te vertoonen. + +[_Laudandi ratio per comparationem._] + +Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino +praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate +commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam praeclaris ingeniis +praedicata, semper tamen novam laudum suarum materiam, ingeniis etiam +parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil necesse sit, eam vulgato +more invidiosis illis contentionibus, non sine caeterarum disciplinarum +contumelia depraedicare. + + Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in + het geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan + voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. + Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen door zoo + voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder vruchtbare + vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat men bij + het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te nemen + tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te + doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht + plaatst. + + Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne +germanam ac nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione +maiorem, mortalis oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena +contumelia, vel asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum +praestigiis sit attollenda. [Sidenote: +gnm+.] Mediocrium est +formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis commendari; +res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis ostendisse. + + Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg + zal kunnen vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en + aangeboren grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver + achter zich laat, voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan + verwijderd, dat zij f door vernedering van andere wetenschappen, f + door gekunstelde rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet + opgevijzeld worden. Slechts gestalten van middelmatige schoonheid + kunnen alleen door vergelijking met leelijke of door den opschik harer + kleeding indruk op ons maken; dingen, die door zich zelve en in + waarheid uitblinken, mag men ook bloot aan aller blikken prijsgeven. + +[_Dignitas et autoritas medicinae._] + +Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non +magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. +Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam +dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, +velut Apollo, et huius filius Aesculapius, imo (quod ait Plinius) +singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, + + In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere + wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons + leven bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der + geneeskunde werd in den ouden tijd door het menschdom z bewonderd, + hare toepassing als een z groote weldaad ondervonden, dat hare + uitvinders f geheel en al voor goden werden gehouden, zooals Apollo + en diens zoon Aesculapius en zelfs, naar Plinius zegt, sommigen ten + gevolge van n enkele uitvinding onder de goden werden geplaatst, + + aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut +Asclepiades, quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus +aequarunt. Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac +iudicium laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto +fidoque medico nullum satis dignum praemium persolvi posse. + + f ten minste goddelijke vereering zijn waardig gekeurd, + zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als een god + opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden. Nu keur ik + natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, toch prijs + ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht begrepen en op + die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en betrouwbaren + geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan worden. + +[_A difficultate._] + +Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis +diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, +studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum (ne +quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, +discrimina. + + Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid + van menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil + in leeftijd, geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en + levenswijze; welke oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden + kruiden, die elk op een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen + van de overige geneesmiddelen; + + Tum quot sint morborum genera, quae trecenta nominatim fuisse +prodita scribit Plinius, exceptis generum partibus, quarum omnium quam +nullus sit numerus, facile perpendet, qui tantum norit, quot formas in +se febris vocabulum complectatur, ut ex uno caetera aestimentur; +exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque secus accrescunt, quam +si de composito cum arte nostra bellum suscepisse videantur. + + vervolgens, hoevele soorten van ziekten er bestaan, waarvan er + volgens Plinius driehonderd met name zijn overgeleverd, nog + daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, waarvan hij het + oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens een voorbeeld + te noemen, weet, hoeveel variteiten de naam koorts alleen inhoudt; en + zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks bijkomen, en + wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak den strijd + met onze wetenschap hadden aangebonden, + + Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, +tot sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. +Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, +luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso +morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in +corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, +saepenumero venenum erit, quod in remedium datur. + + om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen + van vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten + gevolge heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet + eens medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, + val, fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, + welke gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der + ziekten; indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er + verbonden is met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk + moet kennen, daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als + geneesmiddel toedient; + + Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive +coloris habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam +observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et +imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile +sit omnes vel oratione prosequi. + + terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls + bedriegelijke symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of + de teekens der urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het + den schijn heeft, alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar + vijand, den arts, te bedriegen en te misleiden; als men dit alles + nagaat, dan doen zich van alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat + ik die zelfs bezwaarlijk alle zou kunnen opsommen. + +Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, +obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac +penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex +omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis +denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, +atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab +ipsis sideribus petere. + + Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig + te bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te + onderzoeken, de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na + doorgedrongen te zijn in de ingewanden der aarde en van alle kanten + de geheimen der geheele natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden, + struiken, boomen, dieren, edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de + vergiften voor alle kwalen van het menschelijk leven werkzame + geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis van hun passend gebruik aan + zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, ja zelfs ook aan de sterren + te ontleenen; + + Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi +adipisci, tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem +universi mortalium generis in commune proferre, nonne prorsus homine +maius ac plane divinum quiddam fuisse videtur? + + deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo + moeielijke onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en + zoo talrijke zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van + het menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het + algemeen te maken; schijnt dat niet het werk van een god geweest te + zijn, te grootsch dan dat het door menschen had kunnen tot stand + gebracht worden? + + Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue +praedicare. Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam +proprium dei munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere, +deo proximum fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos +soli deo proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut +credula, ita gratissima. + + Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd + dat, wat zoo onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik + verhef mijzelf niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het + schenken van het leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo + moet men toch toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te + houden, als het ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij + komt. Ofschoon zelfs niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend + aan God toeschrijven, door de ouden aan het gebied der geneeskunde + onttrokken werd, die daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook + hun groote dankbaarheid toonden. + + Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab +Orco in lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, +comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus +catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, +vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin[*] nominant. + + [Footnote: The Dutch translation notes that the word in Pliny is + "balis".] + + Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de + zoon van Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het + leven teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die + gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien + reeds de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den + brandstapel weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De + geschiedschrijver Xanthus verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw + en een man, dien Draco had laten ombrengen, weder tot het leven + teruggebracht zijn door een kruid, dat "halis"[2] heet. + + [Voetnoot 2: In Plinius staat "balis" (Vertaler).] + + Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis +est. Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe +(quod agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra +fidem veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit. + + Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid + iemand weer in het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om + bekommeren, als er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof + sloegen; toch vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de + geneeskunde, hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, + tot de erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog + buitengewoon is. + + Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert +utrum anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in +corpore sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici +suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur? + + Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven + teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid + opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden + teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de + kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg + van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en, + reeds op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden? + + An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum +servare? Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae +mundanae septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies +complusculos revixerint. + + Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen + herleven of iemand, die weldra zal sterven, in het leven te houden? En + toch noemt Plinius in het zevende boek van zijn "Historia Naturalis" + zeer velen met name op, die, na reeds ter begrafenis uit hun huis + gedragen te zijn, deels op den brandstapel zelf, deels eerst na + verscheidene dagen, weder herleefden. + +Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod +quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus, +cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam +verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi +praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum +solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia. + + Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven + heeft. Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze + wetenschap dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den + Algoede te danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch + niemand, dat mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. + Verscheidene ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, + als niet de geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij + voorbeeld de verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, + diepe onmacht, verlamming en beroerte. + + Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. +Hic qui mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam +revocat, nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus +est? Quot censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum +solertia morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? Quot hodie +mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, nisi eadem +haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et obstetricandi +rationem reperisset? + + In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te + vinden. Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst + verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te + allen tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden? + Hoeveel menschen zijn niet vr hun tijd ten grave gedaald, toen nog + niet door de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten + en de aard der geneesmiddelen doorgrond waren? Hoeveel duizenden leven + niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk wel, die zelfs niet + geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap zoovele middelen + tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had uitgevonden. + + Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens +salutarem medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam +debet, et qui nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum +mulieri seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi +facultas datur. + + Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende + tegelijk met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de + heilzame hulp der geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het + leven te danken hij, die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar + door haar een ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der + vrouw de kracht om het zaad te ontvangen en bij zich te houden + verleend en gelegenheid tot baren gegeven wordt. + +[Sidenote: +paroimia+] + + Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto +mea sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium ++anthrpos anthrpou daimonion+, aut in medico fido proboque locum +habebit, qui non juvat modo verum etiam servat. An non igitur +ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac ipse prope vita indignus, +qui medicinam alteram secundum deum, vitae parentem, tutricem, +servatricem, vindicem non amet, non honoret, non suspiciat, non +veneretur? + + En hoewel er terecht gezegd is: "slechts God kan den mensch + helpen", vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche + spreuk "de eene mensch is de god van den anderen", zoo ergens, hare + toepassing bij den betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet + alleen helpt, maar ook behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder + dan de ondankbaarheid zelve en bijna het leven niet waard, die de + geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster, + behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht + en met bewondering en eerbied tot haar opziet? + + Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem +artibus nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis +vita constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse +valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum +salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci +diaetam vocant, rationem doceat? + + Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van + alle overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen + tijde, gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter + berust het geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er + geen ziekten waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten + verheugen, hoe zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat + kunnen houden, indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen + heilzame en schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van + onze geheele levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde? + +[_Senectam remoratur ars medicorum._] + +Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam +mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum +multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia +senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent +aliquot huius rei testes. + + Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan + ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt + hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval + geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de + zoogenaamde "quinta essentia" de gebreken des ouderdoms, als een + kleed, dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; + er zijn eenigen, die dat door hun getuigenis staven. + +[_Totum hominem curat medicus._] + +Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit, +imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a +corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum intet se +cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita vicissim +corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam extinguunt. + + Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des + menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen + mensch, al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar + het lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe + verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen + gelden op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar + beurt de kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel. + + Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae +irae, fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, +temperandae Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut +si vivere velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a +vitiorum colluvie repurget? + + Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot + onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van + droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de + liefde en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met + beter gevolg den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de + medische hulp baat vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel + harer ondeugden? + + Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem +atram minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit, +mentis organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium sarcit, +totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, ut +vocant, hominem, et interiorem servat? + + Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, + hetzij door het voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, + versterkt de verslappende krachten van het hart, ondersteunt de + functies der hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den + verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt + in de geheele zielsgesteldheid eene verandering ten goede teweeg? + Behoudt hij niet door wat men noemt den uiterlijken mensen tegelijk + ook den innerlijken? + + Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum +restituit, nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a +vitiis resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. +Frustra ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur +antidotus. + + Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij, + apoplexie of tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij + niet den geheelen mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog + bewerkt, dat de menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning + komen, maar de geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in + staat zijn. Gene kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten, + als de ziel, voor welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden + is. + + Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia +quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de +castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in +suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab +inferis revocat? + + Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming, + beroerte of ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood + ten gevolge kan hebben, die hem het leven kan benemen nog vrdat hij + den tijd heeft, om aan verbetering van zijn levensgedrag te denken, + kan men dan niet van hem, die dezen geneest, welke anders ellendig + onder den last zijner misdaden moest begraven worden, eenigermate + zeggen, dat hij zoowel zijn lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk + teruggebracht heeft? + + In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si +velit, aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui +suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram +bilem repurgarit? + + In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat + hij het nu zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood + te ontkomen. Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als + deze hem niet hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen + bewegen, indien niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid + gezuiverd heeft? + +Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab +animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori +illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae +mentis a corporis habitu pendeat. + + Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige + deugden, waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van + de ziel afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en + zich goed- of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede + geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid + afhankelijk. + + Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci +modo +krasin+ modo +sustma+ vocant, velut invitos ac reclamantes, ad +peccandum pertrahit, dum animus insessor frustra moderatur habenas, +frustra subdit calcaria, sed equum ferocientem in praecipitium sequi +cogitur. + + Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der + lichaamsvochten, die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer + systema (samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en + terwijl zij zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen + wonende ziel, tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de + zijden drukkend, gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te + volgen. + + Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si +aurium meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus. +Odit animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis organa obsidens +in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, irasceris cui nolis +irasci. + + De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar + verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt + zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de + ziel is toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van + den geest gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw + liefde waardig moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij + niet zoudt willen vertoornd zijn. + + Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi +pareant affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc +agens ut ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur, +quaecunque cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni, +qui pecudum ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona +ex parte debemus medicis. + + Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop + neerkomt, dat de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen. + En nu is het voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich + hierop toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht + zij, naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze + verricht wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht + worden, die zich evenals de dieren door hun begeerten laten + meesleepen, hebben wij het voor een goed deel aan de geneeskundigen te + danken, zoo wij dien naam wel waardig zijn. + +[_Principibus maxime necessarius medicus._] + +Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est +beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est +obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum +tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui +sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua +neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit. + + Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het + bijzonder, ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe + grooter weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt + bij een vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van + dien aard blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote + verwarring wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van n + zoo'n mensch. Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: "Gij + raast, o vorst, kom tot bezinning!", als hem niet de arts door zijn + kunst, zonder dat hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven + heeft. + + Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac +venenorum scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam +sane causam publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, +ne princeps usquam gentium agat absque medicis. Proinde cordati +principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam medicinae. +Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex filia +nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a +Ptolemaeo huius filio. + + Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij + in zijn waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en + vergiften tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is + het om die reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik + geworden, dat ieder vorst zijn lijfarts heeft. Daarom hebben + verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer bewezen dan aan + de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de overigen te zwijgen), + een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen van koning Antiochus + door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten beloond. + + Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non +tantum ob utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros +benemeritos ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe qui tamquam +beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum nobis et +carissimum largitus est deus, videlicet vitam. + + Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer + de hem toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar + ook wegens zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich + jegens ons verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, + namelijk het niet erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den + geneesheer goddeloosheid genoemd mag worden. Hij immers beschermt, als + het ware God bijstand verleenende bij het schenken Zijner genade, het + beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, d.i. het leven. + +[_A similibus._] + +Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse +quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties +debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. +Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non +magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae +hostibus quotidie depugnat? + + Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin + van hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, + mijns inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen + verschuldigd zijn, wat wij onzen ouders hoogstens nmaal verschuldigd + zijn. Wij behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den + vijand van onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger + mate verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden + van ons leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert? + + Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere +creduntur, qui tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare +possunt, nisi quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur +latrones, si quem non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam +corporis. At quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici +beneficium, hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque +sua, velut ex ipsis mortis faucibus retrahentis? + + Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat + zij willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon + zij wel kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze + beweren, dat zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet + ontnemen, zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven + geschonken hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in + dien zin kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des + lichaams. Hoeveel dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de + weldaad van den geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld + bestemd, door zijn kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den + muil des doods terugtrekt? + + Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis +animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid +in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid +aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id +servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter +hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia +debetur medico. + + Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, + wanneer hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het + leven houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots + in den mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, + op rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij + datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen + bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den + geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank + geweten worden. + +[_Sanitatis custos medicus._] + +Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit +aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? +Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad +licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat. + + Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan + zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid f + herstelt f beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van + ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, + zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der + geneeskundigen, die het leven een langen duur verschaft. + + Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, +Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his +innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni +morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae +soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum +annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic +iam nunc imaginem quandam exhibere? + + Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te + noemen van Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, + Castor[3] en talloozen met hen, van wie de meesten door hun eerbied + voor de geneeskunde zonder eenige ziekte, zonder verzwakking hunner + geestvermogens en zonder dat de sterkte van hun geheugen geschokt werd + of zij het gebruik hunner zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, + meer dan honderd jaar geleefd hebben? Of is dat niet ons nog op deze + wereld een beeld vertoonen van de onsterfelijkheid, die wij + hiernamaals hopen? + + [Voetnoot 3: IJverig botanicus uit de eerste eeuw vr Christus, + onder wiens leiding Plinius botanische studin maakte. (Vert.).] + + Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus +assumpsit, mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. +Crucem non horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos +principem nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum +nemo fere non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, +aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe +praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas. + + Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze + onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon + sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde + Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook + in dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna + allen een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, + gedood zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te + beurt gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat + zij door hunne gelukzaligheid bereikt hebben. + + Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam +impudenter solent illud objicere: Virtus in infirmitate perficitur, +somniantes Paulum gravi capitis dolori fuisse obnoxium, cum ille +infirmitatem vel animi tentationem, vel quod vero propius est, +improborum hominum molestam insectationem appellet. Atque idem ille +Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis recensuit. + + Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons + even dom als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte + wordt uitgeoefend, waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus + aan zware hoofdpijnen leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene + beproeving van de ziel of, wat juister is, eene kwelling der boozen + noemt. En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen + geschonken waren, ook de gave der genezing geteld. + +Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et +Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro +medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, +partuum ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium +facientibus. O nova dignitas medicinae. + + Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor + verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich + vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in + quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in + eenige huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! + + Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici +praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non +aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis +Romanus pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo +immanique morbo obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum +episcopatu, aut suo loco restituendum. + + Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des + rechters hangt af van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De + pauselijke genade verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding + na een geneesheer gehoord te hebben. Zoo besluit de paus, in geval een + bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke en vreeselijke + ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies ingewonnen te + hebben, tot verwijdering of handhaving van den bisschop. + + Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod +faciendum est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc +est artis et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, +velut ab injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante. + + Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, + ook tegen zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet + worden. Ook zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde + eerbewijs, dat is het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld + moet ontnomen worden aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij + beschouwd moet worden als iemand, die wederrechtelijk eens anders + eigendom in bezit houdt. + + Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e +corporibus humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his +morbis, qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque +vitiant, et adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis +medicis discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut +fertur illorum varia natura, + + Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit + menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, + bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het + eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door + de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door + zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het + duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende + soorten van duivelen bestaan), + + qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis +animi recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei +fidem, dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me +patienter audiatis. + + die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of + dat de ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft + ingedrongen, dat zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. + Terwijl ik U tot staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden + n, dat ik zelf beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te + willen aanhooren. + +[_Exemplum._] + +Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste +quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus +in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice +loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus +rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam? + + In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd + beroemd geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, + Phlyarius genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van + wormen in een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin + bestaande, dat hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke + taal hij, naar met zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit + gekend had. Wie, die onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs + niet een eed op hebben durven doen, dat deze man door duivelen bezeten + was? + + At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus +sibi, teutonice nec loquebatur, nec intelligebat. Quod si quis hunc vere +daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel maxime medicorum illustrat +artem, cui compertum est et daemones impios parere, quemadmodum in +restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae virtutis tum +ministrae, tum aemulae. + + En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te + verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen + sprak noch verstond de man meer Duitsch. Indien men nu beweert, dat + hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit geval der geneeskunde tot + nog grooter roem, daar het dan bewezen zou zijn, dat ook de booze + duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen + terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze + geesten zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht + ware. + + Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, +quorum ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea +praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non +credit. + + En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan + tooverkunsten toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een + roem en eer voor onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, + die door het meerendeel der menschheid buiten het bereik der + menschelijke krachten geacht worden. + +[_Quibus culta medicina._] + +Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et +spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis +ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus +praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior. Siquidem Moses +ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos suos distinxisse +creditur. Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla +prodidisse legitur. + + Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen + nog niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, + goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte + raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde + gelegen liggen en geene andere was den menschen welkomer. Men neemt + immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan + naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en + ongeoorloofde heeft ingedeeld. Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze + Grieksche oudheid, het een en ander heeft overgeleverd omtrent de + geneeskracht der kruiden. + + Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons, +plurimus est et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum. Is et +Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, +efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac +Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens. Idem nepenthes indicat +in conviviis adhibendum, quod moerorem tristitiamque discutiat. + + Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron + voor alle geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst + zeer vaak de geneeskunde. Hij heeft ons immers ook het kruid "moly" + beschreven, dat volgens Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden + en een afdoend middel tegen vergiftiging is, welks ontdekking de + dichter aan Mercurius toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses + beschermt tegen den hem door Circe gereikten tooverdrank. Hij duidt + ook aan, dat "nepenthes" (letterl. "smarteloos") bij den maaltijd moet + gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis te + verdrijven. + + Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte +praestantes, saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum +heroibus, verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet +subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, +atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae +ac necis habere videntur. Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, +huius artis professionem longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: +[Sidenote: +iatros gar anr polln antaxios alln+] Unum medicum pluris +habendum, quam caeterorum hominum permultos. + + Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en + Podalirius als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de + helden maar ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp + verleenden. Hij wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten + den bijstand der geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, + die over leven en dood van alle overigen beschikken, in hunne macht + is. Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de + uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak + verheerlijkt, waar hij zegt, dat n arts meer waard is dan vele + andere menschen tezamen. + + Rursum alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, +palam testans id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina, +sed omnium artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium, +multo etiam rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem +quandam tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen +reliquisse legitur. + + Elders wederom noemt hij den geneesheer iemand, die in alles + onderricht is, hiermede openlijk getuigende, wat ook werkelijk het + geval is, dat de geneeskunde niet berust op de eene of andere + wetenschap, maar op den geheelen kring van alle wetenschappen en niet + alleen op theoretische kennis maar ook op practische ervaring in vele + zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, wien de oudheid een zekere + mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar wij vermeld vinden, een + bekend boek over den aard der kruiden achtergelaten. + + Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem +censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel +studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde +regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum +miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum +declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque +in arcanis reliquit, ut autor est Plinius. + + Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato + den Ouden en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze + wetenschap ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch + ik zal slechts spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet + zoozeer door zijn, overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn + wonderbaarlijke kennis van n en twintig talen als wel door zijn + geneeskundige bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een + waarlijk groot man stempelde, daar medische verhandelingen, + voorbeelden en beschrijvingen van de werking van verschillende + kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in zijn geheime nalatenschap + gevonden zijn. + + Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere +regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani +principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis +importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis +domino aliud erat munus gratius. + + Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. + Tegenwoordig beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: + spelen, jagen en zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden + zich de bestuurders van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als + op de bevordering der geneeskunde door het invoeren van kruiden uit + ver verwijderde streken, en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, + was geen geschenk aangenamer. + +[_Christus ipse medicus._] + +Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese +non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus +est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum +Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum +illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum +adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum +insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille +nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur. + + Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, + geeft zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor + wijsgeer, maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, + zegt, dat "zij geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel + bevinden", terwijl Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat + gieten en met speeksel, met aarde vermengd, de oogen van een blinde + bestrijkt. Juist door dit middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog + aan de wereld onbekend was, de genegenheid en de liefde der menschen; + niet door goud, noch door heerschappij, maar door het genezen van + ziekten. Wat Hij door Zijnen wil deed, immers een God, volgt de + geneesheer naar vermogen na. + + Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc +usum rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit Apostolos, +mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, medentes +inquit, morbis illorum, et ungentes oleo. + + Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die + van genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel + door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin + het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, + terstond door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te + verplichten "door", zoo luiden Zijne woorden, "hunne ziekten te + genezen en hen met olie te zalven". + + Paulus ille magnus dum Timetheo suo modicum vini praescribit usum, +ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam medici partibus +utitur? Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae +caecitati medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum +studiosos? O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento +divinae illae mentes insigniuntur. + + Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van + wijn voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen + openlijke uitoefening van de geneeskunde? Maar waarom zouden wij ons + daarover verwonderen bij een apostel, als volgens de beoefenaars der + mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend heeft aan het genezen van + de blindheid van Tobias?[4] O hemelsche en in waarheid gewijde + wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden! + + [Voetnoot 4: De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee + woorden, waarvan het eerste rapha, "genezen" en het tweede el, + "goddelijkwezen" beteekent. (Vert.)] + +Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam +oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu +perversissima hominum judicia. + + De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze + wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder + onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen! + +Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne +quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id +quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, +in negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur +alienum judicium. + + Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen + valsche van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval + toch slechts in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; + hij streeft er echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, + wat hij heeft, kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken + vertrouwt hij anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid + gaat, volgt hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van + anderen. + + Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis +contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem +eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam +nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab +improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur. + + En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap + slechts aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun + geheele leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat + gedeelte, hetwelk over het behoud der gezondheid handelt, door + iedereen gekend te worden. Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de + moeielijkheid hierbij voor een groot deel voortspruit, niet uit de + kunst zelve maar uit de onwetendheid of eerzucht van slechte + geneesheeren. + +[_A simili._] + +Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile +fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae +utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut +hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus adversis, quemadmodum +illae ingruente bruma devolant. + + Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de + vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En + diegene wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in + tegen- als in voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl + het gros der vrienden in gelukkige omstandigheden trouw blijft, in + ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het + land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe + oprechter vriend is echter niet de geneesheer. + + At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo, +quas narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum +praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus +integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus, +in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi, +phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non +inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest +opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans, +nonnunquam suo quoque periculo. + + Evenals de "Seleucides" genaamde vogels, naar verhaald wordt, + door de bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden, + dan wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van + sprinkhanen, die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich + nooit in normale en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van + gevaar, in die gevallen, waarin vrouw en kinderen dikwijls den man + verlaten, bij voorbeeld bij waanzin, luizenziekte of pest, staat hij + alleen hem voortdurend bij, en niet alleen, zooals de meeste anderen, + met onnuttige diensten, maar als redder, om het leven van den in + gevaar verkeerende met de ziekte kampend, soms ook met gevaar voor + zijn eigen leven. + + Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam +depulso periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice +colunt ac venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium, +ad coenam rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum +ubi desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod +intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi posse. + + Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de + dienstvaardigheid van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het + gevaar geweken is, den geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als + een vader vereeren en hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van + tijd tot tijd bij een toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter + maaltijd, hem, die hen wel eens vergezelt, overladen zij met + hoffelijkheid, maar een zoodanig vriend wordt, zoodra zij hem niet + meer noodig hebben, versmaad? Terwijl deze afkeer eigenlijk juist + daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat geen belooning ooit groot + genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te wegen. + +Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec +optimo cuique viro discenda est. + + Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het + meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle + uitstekende mannen geleerd worden. + +[*][Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et +haud scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant. +Quid prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans, +plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui +pereat census, si perit prospera corporis valetudo? Prisci qui bonorum +ordines digesserunt, primas tribuunt bonae valetudini. Quid enim prodest +incolumis possessio, nisi valet possessor? + + [5][Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, + plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. + Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de + daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard + der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, + dat niemand zijn vermogen verliest, als de gezondheid des lichaams + gesloopt wordt? De ouden, die een rangorde der goederen hebben + vastgesteld, plaatsten bovenaan op de lijst een goede gezondheid. Want + wat nut is het, dat het bezit in ongeschonden staat verkeert, als de + bezitter niet wel is? + + Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio +corrupisset omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent +valida, robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate, +partim ab educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione, +nonnihil etiam ab aedificiorum modo. + + Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht + nog niet alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der + burgers gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt + deels af van de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de + opvoeding, lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de + inrichting der woningen. + + Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora +jungebant matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui +balnea publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges +sumptuarias, qui mutatis aedificiis, qui siccatis paludibus pestilentiam +excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut poculentum +venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie principes +fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur venena, si +tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in publicum. + + De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts + goed gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat + men alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden + en turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het + doen verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemien + voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor + de gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage + meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen + vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven + visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden. + +Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit +administrari.] + + Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der + geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.] + + [Footnote to this passage in Dutch translation (paraphrased): + The text printed in brackets does not appear in the editions of + Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus + (Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of + Erasmus' works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected + edition by Clericus (Leiden 1703).] + + [Voetnoot 5: De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [] + geplaatst zijn, komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel + 1518, noch in die van Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook + in die van Joannes Petrejus (Neurenberg 1525), maar wel in de + eerste gezamenlijke uitgave van Erasmus' werken van Beatus + Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste gezamenlijke uitgave van + Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)] + +[_A quaestu._] + +Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque +metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit +aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim +ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea. +Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab +Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati leguntur. + + Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever + afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen + zij bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te + verheven om naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij + geen der andere wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was + ooit meer winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, + zich een vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik + reeds vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door + Alexander den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven + belooningen begiftigd zijn. + + Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum +servatori capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia +depugnabant? Quid ego nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, +Albutios, quibus Romae tum apud principem, tum apud populum immodicum +quaestum fuisse refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis +aetatibus repetimus, quasi non hodie cuique complures succurrant, quos +haec ars ad Croesi opes evexerit? + + Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen, + betaald aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel + duizenden soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de + Cassii, Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat + zij te Rome zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers + ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die + voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet + ieder uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door + dit beroep ware Croesussen zijn geworden. + +Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat, +esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina +quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita +rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut +alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis +damnari possit. + + Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in + uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst + gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager + inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde + onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij + er ook in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op + ontelbare kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch + helpt dikwijls n enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den + kost. Het is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend + kan veroordeeld worden. + +Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor +frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum +quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur +viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud +Graecorum proverbium, +to technion h pasa g trephei+. + + Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld + te verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de + Sarmaten, een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De + medicus is overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld + door zijn waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep + meer van toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: "de + geheele aarde voedt het ambacht." + +[_Confutatio._] + +Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum +esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut +quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum +est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur. + + Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier + zelf aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn + verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een + broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, + om tot kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. + Dit hoort thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te + ondankbaar, haar alleen van den haar toekomenden dank te berooven, + aan welke nooit genoeg dank vergolden kan worden. + + Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et +invitos. Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille +moratur mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem +ingratitudinem. + + Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos, + desnoods tegen den wil van den patint. Maar het is goddeloosheid, + voor de weldaad van een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel + niet om loon, maar gij behoort volgens de wet gestraft te worden + wegens uw buitengewone ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet. + +Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres +audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. Catoni +non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum +professionem non ferret homo mere Romanus. + + Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap + zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook + tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond wordt. Cato beviel + de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich zelve veroordeelde, + maar omdat een onvervalscht Romein als hij de aanmatigende wijze, + waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, niet kon verdragen. + + Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed +idem universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit. +Existimabat homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam +et crebros vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione +medicinae, in extremam usque senectutem robur infractum tutatus +scribitur. + + Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde + toe, dat hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan + ons van hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den + Romeinschen senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie + uit Rome te verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het + menschelijk lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En + toch lezen wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming + der medische voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn + krachten onverzwakt behouden heeft. + +Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine +magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum +impune, verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt +facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter +pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit. + + Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van + straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede + geneesheeren geerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet + alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever + de menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote + macht, dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. + Tot vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het + spreekwoord: "wie medisch leeft, leeft ellendig". + + Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, +turgescere cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est +oratione refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant +arti, mox podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, +caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, +exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri. + + Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te + worden, zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig + biergebruik of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand + te worden. Wat behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te + bestrijden, die zelf door het verzaken van de voorschriften der + geneeskunde voldoende gestraft worden, daar zij weldra door podagra + worden gekweld, door verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand + verliezen, vr den ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk, + maar te laat, in hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen + laster herroepen[6]. + + [Voetnoot 6: De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, + doordien hij Helena gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en + later doorhet dichten van een palinodie het weer teruggekregen + hebben. (Vert).] + + Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse +praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate, +vocent medicos +skatophagous+. Quasi vero non isto nomine vel praecipue +laudari mereantur, qui quo subveniant hominum calamitatibus, ex illa sua +sublimitate sese ad haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset +supercilii, quantum istis est procacitatis, liceret passim impune mori. +Verum habet hoc ars nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac +male audiat. + + En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen, + ofschoon zij het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te + helpen. Sommigen noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie + ontleend, de geneesheeren "dreketers". Verdienen zij dan niet juist + daarom geprezen te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te + heelen, zich verwaardigen, uit hun verheven sfeer tot het vuil af te + dalen? Als de hoogmoed van de geneeskundigen eens zoo groot was als de + onbeschoftheid, waarmee die lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo + maar straffeloos, de menschen kunnen laten omkomen. Doch ons beroep + heeft dit met goede vorsten gemeen, dat het goed handelt, maar een + slechten naam heeft. + +Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt, +cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena +ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male +consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam +detorquere? + + Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor + geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er + zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die + uit gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker + dan op grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te + lasteren? + + Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac +piratae, sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta +professio est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus +optandum, omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui +censeantur hoc digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus, +quod nonnulli sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant. + + Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken + moordenaars en roovers; maar wat heeft dit te maken met den + godsdienst, die op zich zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo + heilig, of er zijn eenige misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker + dringend te wenschen, dat alle vorsten van dien aard zijn, dat zij + dien naam ook ten volle verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie + niet veroordeeld worden, omdat er onder den vorstelijken titel eenige + plunderaars en vijanden van den staat rondloopen. + + Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum +dari Graecorum proverbio, +polloi boukentai pauroi de te gs arotres+. +Optarim ab omnibus eam praestari sanctimoniam, quam Hippocrates +sacramento verbis solennibus concepto a professoribus exigit. Neque +tamen huc non enitendum est nobis, si id a plerisque negligi +conspicimus. + + Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam + konden dragen en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche + spreuk: "velen zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers". Ik + wenschte, dat allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening + van hun beroep vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in + plechtige woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen + reden, om niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te + streven, al zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten. + +Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut +difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod +initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes +summatim complecti. + + Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een + grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput + te raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, + gestand te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der + geneeskunde in het kort samen te vatten. + +[_Epilogus._] + +Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam +omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius +inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit honos, non +alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit. + + Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid + aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de + noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem + erlangt, de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. + Als de eer, die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, aan + geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen. + + Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges, +haec primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si +difficilia quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot +disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate +rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime +accedere? + + Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de + goedkeuring van aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer + wetenschap strekte den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen + niet alleen tot genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke + iets oplevert, maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met + meer moeite gepaard dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel + kennis, op het onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als + wij een zaak naar hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de + goddelijke genade het dichtst nabij te komen? + + Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem +certo exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque +necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, +quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus +neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis +frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales. + + Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten + dan een geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan + zich zelf terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo + onmisbaar als de wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte + mogelijk is? Indien wij een zaak naar hare zedelijke deugd + beoordeelen, wat staat moreel hooger dan het menschelijk geslacht in + het leven te houden? Naar haar nut, geen zaak sticht grooter nut en in + wijder kring. Indien wij eindelijk het financiel voordeel tot + maatstaf nemen, dan is zij wel het allermeest winstgevend, indien de + menschheid niet alle dankbaarheid verloren heeft. + +Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc +pulcherrimo genere professionis excellere. + + U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het + voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten. + +Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc +nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes +est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo +mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi. + + U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst + toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, + aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt + uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op + meer dan gewone wijze ten heil zult strekken. + + + Dixi. + + Ik heb gezegd. + + +[Errata in Latin text noted by Transcriber: + +[Sidenote] +Laudandi ratio + _text reads "Laudandiratio"_ +propter arctissimam amborum inter se cognationem + _text reads "intet se"_ +[Sidenote] +Honora medicum. + _text reads "Honara"_ +[Sidenote] ++iatros gar anr polln antaxios alln+ + _spelling "iatros" as in original_ +Timetheo suo + _spelling as in original_ +qui mutatis aedificiis + _text reads "aedifiiciis"_] + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + +[Illustratie: + +ANTONI VAN LEEUWENHOEK + +LID VAN DE KONINGHLYKE SOCIETEIT IN LONDON + +_GEBOREN TOT DELFT. A. 1632_ + + _Daer leeft een aerdigh Man een wardigh Man en gauw + Die wisse wondren teelt en heeft Natur in 't nauw + Doorkruypt all haer geheim en opent all haer Sloten + + Syn Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten + Noch kan ontschieten dit's die dappre man niet maer + Siet scherp toe die hem soeckt 't gelyckt hem of hy 't waer_ + + _J. Verkolje pinx. fec. et exc. A. 1686_] + + + + + Den Waaragtigen + + Omloop des Bloeds, + + _Als mede dat_ + + DE ARTERIEN EN VEN + + Gecontinueerde BLOED-VATEN zijn, + + _Klaar voor de oogen gestelt._ + + + Verhandelt in een BRIEF, geschreven aan de + Koninglijke Societeit tot Londen. + + door + + ANTONI VAN LEEUWENHOEK, + Lid van deselve SOCIETEYT. + + + + + Antony van Leeuwenhoeks + + 65. MISSIVE, + + Vanden 7. September 1688. + + +HANDELENDE + +_Van tweederley soort van Kikvorsschen. Uyt wat deelen der selver + eyeren bestaan. Dat uyt die eyeren Wormen komen. Van wat maakzel + die Wormen zyn. De circulatie van het bloed op ses distincte + plaatsen aan het hooft van dese Wormen. Continuele schielyke + voortstotinge, die het bloed van het hert ontfangt. Ommeloop + van het bloed op veel plaatsen in de staart van de Kikvors-worm. + Hetgene men Arterien en Venae noemt, zijn gecontinueerde + bloed-vaten. Arterien en Venae die dwers over malkanderen loopen. + De ommeloop geschied in de dunste bloed-vaten. De Circulatie van + het bloed, in kleyne en groote Kikvorsschen. Hoe in een Arterie + het bloed te rug quam loopen, en wat de oorsaak daar van was. De + ommeloop van het bloed in een kleyn Visje, en in desselfs staart + vier-en-dertig byzondere ommeloopen: Ende in het zelvige mede seer + naakt voor de oogen gestelt dat Arterien en Venae gecontinueerde + bloedvaten syn. In een nagel grootte van onse huyd geschieden wel + duysent ommeloopen van bloed. De deeltjens die het bloed in de + Vissen root maken, zyn platte ovale deeltjens. Wat Heeren, onder + andere, de waaragtige Circulatie van het bloed hebben gezien._ + + +Hoog-Edele HEEREN, enz. + +Myn laatste alder-onderdanigsten aan hare Hoog-Edele is geweest den 24. +der voorledene Maand, waar in ik kome te handelen, van de angel van de +Mugge, namelijk dat de selve angel uyt de koker genomen zynde, in vier +distincte angels bestaat. Dat ik Linde Boomen hebbe geplant, welkers +wortels in de lucht tot takken wassen, ende de takken in de aarde tot +wortels zyn geworden. Dat in yder welgemaakte Garst of Tarw al een +Koorn-air geformeert is. + +_Hier nevens gaan weder eenige van mijne geringe Observatien._ + +Wy hebben hier te lande twederley soort van Kikvorsschen; de eerste +soort, die wy seer overvloedig ontrent onse Stad plegen te hebben, +werden ordinair Kikvorsschen genoemt. Welke sedert eenige jaren hier +seer weynig zyn geweest, uyt oorsaak, beeld ik my in, dat onse +stilstaande kleyne water-grachten, na verloop van eenige jaren, met een +ongediert van sekere kleyne vis (daar wy voor desen niet van geweten +hebben, soo veel my bekent is) die wy Stekel-baarsjens noemen, sijn als +vervult geworden, die de Kikvorsschen als die nog wormen waren, hebben +verslonden. + +De kuyt of eyeren van dese Kikvorsschen heb ik in de kleyne +water-gragten, die onse weyden of velden van een separeren, somtyds in +soo een groote menigte byeen zien leggen, dat de superfitie van het +water voor een groot gedeelte beset was. + +De tweede soort van Vorsschen die men hier gemenelijk Worken noemt, die +zyn in veel minder getal, ende die zyn grooter, en ook starker in 't +voortspringen; welkers achter-lijven of dikste van de achter-pooten by +de France Natie voor goede spijs gebruykt werd. Op dese laatste soort +heb ik veel-maal mijn gedagten laten gaan, eensdeels om dat ik die noyt +en hadde gezien dat die verzameld waren; ende ten anderen, om dat ik +noyt haar Eyeren ofte kuyt en hadde gezien. + +Maar nu op den 29. Mey kome ik wederom in een Weyde, daar in ik sedert +eenige jaren tot mijn vermaak dikmaal hebbe gaan wandelen, en geen +gedachten hebbende tot de kuyt of eyeren van de Kikvorschen, om dat de +tijd van het eyer-leggen van de eerste Kikvorschen al lang verloopen +was, soo gaa ik op het geschreeuw, dat dese Kikvorschen, anders Worken +geseit, soo by dag als nacht in groote hitte doen, aan, en ik beelde my +in dat ik eenige eyeren aan eenig groen gewas, in 't water sag leggen, +gelijk het inderdaat ook was. + +Dese eyeren en zijn op verre na soo wel, in 't water leggende, niet te +kennen, als die van onse gemene Kikvorschen, om dat de lijmachtige +stoffe minder in het water uitsteekt, en ook soo veel niet en is. + +Ik liet dan eenig groen gewas daar dese eyeren aan vast saten, aan mijn +huys brengen, en ik leide die, in twee besondere aardepotten, in ons +gemene gracht-water, en ik examineerde alsdoen de eyeren door het +vergrootglas, en sag dat die meest alle aan de eene zijde bruyn waren, +ende dat de ander zijde ofte de wederhelft geelachtig was. Doch als ik +de geseide eyeren des anderen daags 's morgens wederom besag, bevond ik +dat de geelachtigheid meest weg was, ende dat maar een weinig plaats die +couleur was behoudende: waar uyt ik een besluit maakte, dat dese eyeren +niet lang uit de Kikvorschen geweest waren. + +Vorders nam ik verscheide eyeren uit de heldere lijmachtige stoffe, en +ik bevond doorgaans dat dese lijmachtige stoffe, die haar noch in twee +distincte rontten scheen te separeren, seer stark en taay was, soo dat +die niet als met ontstukken-scheuringe van het rechte Ey en konde +gescheiden worden; en als ik op het aldersachtst daar mede handelde, soo +en behield het ey niet meer zijn rondigheid, maar het berstte en +scheurde als noch van malkanderen. Ik hebbe van dese eyeren verscheide +achter den anderen (als ik die van haar lijmachtige stoffe daar in +deselve lagen, hadde ontbloot) geexamineert, ende gezien dat het dunne +omwindsel meest bestond uit zwarte stipjens, over-een-komende met de +knobbelagtige deelen die het zegreyn-leer heeft. + +Vorders bestont het ey, soo veel my bleek, uit een weinig (in 't oog) +waterige vogt, en een onbegrijpelyk groot getal van globulen; welke +globulen yder weder bestond uit een groot getal van kleinder globulen, +die yder in 't midden een grooter globule hadde, soo dat yder eerste +globule wel een ey, met een seer kleine doir verbeelde. + +De figuur van veele van dese eyeren veranderden van dag tot dag: want +die wierden in plaats van rond, langachtig: daar wierden kleine staarten +geformeert. Ook scheent my toe dat ik hoofden zag. + +Ik opende van dag tot dag veel van dese eyeren, ja selfs op den sevenden +dag dat ik de eyeren in mijn huis hadde gehad, als wanneer eenige wormen +of jonge Kikvorschen al soo verre gekomen waren, dat die zig beweegden. +Maar al wat ik zag dat waren niet dan globulen, en schoon ik de jonge +Kikvorsch-worm opende, op die tijd als hy uit zijn lijmachtige stoffe +was gearbeid, en door het water swom, aan de welke ik, geheel zijnde, +de rugge-graat ook konde bekennen, soo en konde ik deselve, ontstukken +snijdende, geen ingewanden, veel min aderen of zenuwen bekennen. + +Het scheen my als doen noch toe dat het het gantsche ligchaam van dat +Dier, uit geen andere deelen en was gemaakt dan uit globulen, en wel +voornamentlijk de buik die geelachtig was, zijnde gemaakt uit dat +gedeelte van het ey dat geel was gebleven, en nu tot de buik was +geworden. Dit quam my vreemd voor, dat ik in soo een groot schepsel, dat +ik voor mijn gezigt doode, geen vaten of zenuwen en konde bekennen. + +Na alle dese mijne Observatien die ik ontrent dese eyeren hebbe gedaan, +konde ik geen ander besluit maken, als dat de lijmachtige stofte die om +het ey leit, alleen geschapen is, om het inleggende ey te bewaren, ende +te beschermen, even gelijk de schillen of schalen van de eyeren van het +gevogelte, het wit en doir bewaren en beschermen. + +En gelijk wy zien dat het ey van een hoen of ander gevogelte gantsch +over gaat tot het Kieken, uitgesonderd alleen de schors van het ey, en +het vlies dat tegen de schors aan sit, en welke beide de binne-stoffe +van het ey bewaard hebben, even soo, segge ik, gaat het gantsche ey tot +de Kikvorsch over, ende de taye lijmachtige stoffe, die om het ey heeft +geseten, die blijven in wesen. Soo dat ik van het Kikvorsch-ey kan +seggen, het gene ik van de Vogel-eyeren gezeit hebbe; te weten, dat het +gantsche Kikvorsch-ey alleen geschapen is, om het dierken uit het +mannelijk zaad te voeden en groot te maken, tot dat het voor zig selven +kan voedsel soeken. + +Als ik sag de menigvuldige lucht-bellekens die in dese lijmachtige +stoffe waren, nam ik in gedagten, dat die alleen geschapen waren, om de +eyeren als dese Kikvorschen in 't water groente mogt ontbreeken, om de +zelve daar aan te hegten, dat die dan door behulp van de lugtbellen, op +de superfitie van het water soude konnen drijven, om de warmte van de +lugt te hebben, ende daar door als uitgebroeid te werden. + +Ik heb dese jonge Worken, of Kikvorschen, jong zijnde, verscheyden malen +geobserveert, en om dat ik wist dat de Heer _Doctor Swammerdam_ daar van +geschreven hadde, zyn Observatien nagezien, die in zyn uitlegginge pag. +35, onder andere dus spreekt. + +_Het tweede getal verbeeld de manier op welke het Vorschen-jong, het +genoemde teer en dunne vlies, waar in het op de wijse der bloedeloose +dierkens, in de vierde ordre voorgesteld, verborgen is; komt af te +stroopen. Soo dat het selve midden in zyn verwydert, ende in het +ingedronge water, uytgedyde voedsel, als een swart en dik-hoofdig +Wurmken sig vertoont. Dan 't geen gemenelyk voor het hooft genomen werd, +is het geheele lighaam te samen, als den onvergelykelyken Harveus seer +wel aanteekent._ + +Dat nu _Harveus_ of _Swammerdam_ aan de jonge Kikvorsen soo als hy van +het ey tot een worm is geworden, geen hooft en heeft gezien, sal +apparent zyn, om dat zy deselvige niet door het vergrootglas +geobserveert hebben. + +Fig. 1 werd het ey van een Kikvors of work vertoont, soo als het in zyn +omleggende tay en slijmerige vogt leyt, en wanneer het soo verre +toegenomen is, dat het zig beweegt, soo is de staart van het Dierken +noch in de vocht wat krom gebogen. + +Fig. 2 vertoont de grootte van het Dierken, soo als het zyn volkome +grootte uit het ey heeft ontfangen, ende soo verre gekomen was, dat het +selvige door het water konde swemmen, het welke by my daar uytgenomen +zijnde; op een glas was geleyd, ende also was gestorven, ende gedroogt. + +Fig. 3 A B C D E F. vertoont het zelvige Dierke, soo het den Teykenaar +door het Vergroot-glas heeft gesien, aan het welke men hier distinct het +hoofd van het verdere lichamen kan onderscheiden, als hier met A B F. +werd aangewesen. + +F E. is de buik van het Dierken, die geelachtig is, gelijk ik hier +vooren geseid hebbe, dat yder ey een geelagtig stipje behoud, welk +stipje de buik van het Dierken werd. Doch dese buik en is soo niet +geteikent, als die sig quam te vertoonen, want die was soo geborsten en +van een gescheurd, dat die niet dan uit groote globulen en scheen te +bestaan. + +Met C D E. werd aangewesen de staart van het Dierken, Waar in men seer +naakt de graat konde bekennen, die hier ook soo verre is afgeteikent als +den Teikenaar die konde zien, en schoon ik veel maal de staart van dese +Dierkens, daar de graat haar in vertoonde van malkanderen separeerde, +soo konde ik egter aldaar dan geen andere deelen bekennen dan globulen. + +Dese Dierkens of Vorschen-wormen, maken een seer starke beweginge met +haar staart, als sy voortswemmen, en soo ras als de beweginge van haar +staart komt op te houden, soo sinken sy schielijk na de grond, waar uyt +dan blijkt, dat sy veel stof-swaarder zijn, dan het water selfs is. Doch +dese Dierkens is wederom ingeschapen, dat sy haar met haar hoofd (noch +klein zynde) aan een glas konnen vast hechten, soo dat sy aan alle +dingen die in 't water zyn, konnen vast blijven, en alsoo rusten, sonder +dat hare lichamen op de grond komen te leggen. + +Vorders heb ik een Kikvorsch-worm, soo als die in 't water leefde, en +sich aan het glas hadde vast gehegt, voor het vergrootglas gestelt, ende +deselvige alsoo den Teykenaar in de hand gegeven, om af te teikenen het +gene hy quam te zien. + +Fig. 4. G H I K L M N O P Q R S. vertoont de Kikvors-worm, soo als hy +levent in 't water aan het glas sig hadde vast gehegt, en met de buik na +het gesigt toe geplaatst was, en welke Worm maar eenige uren daar te +vooren uyt sijn slym, daar in hy hadde gelegen, was uyt geswommen. + +Met L M N O P. werd aangewesen het hooft. Ende met H I R S. werd +aangewesen, de buik; ende met G H S. de staart. Bovenop het hooft van +dit Dierken vertoont sig een gedeelte van de huyt, die haar dikte boven +de andere huyt is uytstekende, soo dat ik hier gedagten hadde of dit +niet een gedeelte van de huyt was, waar mede het gantsche Lighaam van +het Dierke op nieuw soude bekleet werden, als hier met M N O. werd +aangewesen. + +Met T. werd aangewesen de mont, die ik niet en hebbe konnen sien, dat +het Dierke, dus jonge sijnde, beweegde. V V. sijn twee bruyne plekken op +het hoofd van het Dierke die in dit seer rond waren (daar deselve in +andere Dierkens op verre na die ronte niet en hadde) en by eenige wel +voor de oogen souden aangesien worden. Dog de oogen en konnen in +soodanigen gedaante niet gesien werden, om dat die dus van ons gesigt +afstaan. I K L. ende P Q R. sijn ses doorschijnende uythangende deelen, +die aan yder sijde van het hoofd drie sijn. + +Dese deelen sijn alleen de oorsaak dat ik de Kikvors-worm hebbe laten +afteykenen: want in yder van dese deelen sag ik met een groot vermaak +seer distinct de ommeloop van het bloet, het welke uyt die deelen die +naast het lighaam lagen wierd voortgestooten na de buytenste sijde van +de selve, en volbrengende alsoo een continule seer schielijke +omloopinge. Deze omloopinge en hadde geen egale beweginge, maar die +wierd in seer korten tijd, ende dat continueel, op nieuw met een seer +schielijke voortstootinge te weeg gebragt; en eer dat dese seer +schielijke voortstootinge geschiede, souden wy (by aldien wy geen +continule verheffinge in de loop hadden gesien) geoordeelt hebben, +datter een stilstant van loop op soude gevolgt hebben; dog de loop van +'t bloet en begonde niet te vertragen, of daar quam op nieuw weder een +seer schielijke verheffinge van een voortstootinge: soo datter in 't +bloet van dit Dier, een continuele voortlopinge geschiede: en als ik met +een naeuwkeurige opmerkinge de korten tijd waar in yder voortstootinge +op nieuw geschiede, tragte af te meten; moet ik seggen; dat een vaardige +mond, soo ras geen hondert soude tellen, of daar geschiede in dese +bloet-vaaten wel hondert schielijke voortstootinge van bloet. Hier uyt +stelde ik vast, dat soo menigmaal als dese seer schielijke +voortstootinge wierd te wege gebragt, dat soo menigmaal het bloet uyt +het Hert wierd gestooten. Ja ik sag deze beweginge soo net (dat alle de +voortstootinge van het bloed uyt het Hert, ende de overgang van de +Arterien, daar die in malkanderen vereenigen, tot inde Vena) geschieden, +als ik, of ymand anders, sig eenigsins soude konnen imagineren. + +Dit gesigt, tot mijn over groot vermaak veelmaal hebbende beschoud, +wilde ik niet verbergen; maar hebbe het selve aan vijf voorname Heeren +vertoont; die my verklaarden noyt iets van my gesien te hebben, dat soo +waardig was geweest te aanschouwen. Ik moet hier nog byvoegen, dat soo +dit bloet een egale dunne vogt hadde geweest, wy het selvige onmogelijk +souden hebben konnen bekennen: maar nu het bloet bestond uyt een seer +heldere vogt, vermengt soo het in 't oog scheen met kleinder en grooter +globulen, die, al-hoe-wel geen couleur en hadden, egter seer klaar +konden gesien werden, soo was de bekentenisse van den ommeloop soo veel +te naakter. + +Als dese Worm-kikvorschen eenige dagen out waaren geworden, soo en konde +ik geen van alle dese ses uythangende deelen (daar in yder van deselve +de ommeloop van 't bloet geschiede) meer sien, maar als dan scheen het +my toe dat die met een huyt waren overtrokken. + +Ik konde ook als doen aan yder sijde van het hoofd, wel soo een seer +schielijke beweginge (als hier vooren is geseit) sien, maar ik konde +geen ommeloop van het bloet gewaar werden. So dat ik als doen ook geen +hoofd van het lighaam meer en konde onderscheiden, want dat scheen aan +malkanderen te sijn vereenigt. Wanneer dese Worm-kikvorschen, omtrent +agt a thien dagen out waren, en omtrent tweemaal in groote waren +toegenomen, soo sag ik dat haar mond met op en toedoen, so een +schielijke continueele beweginge hadde, als ik hier vooren geseit hebbe +van de beweginge van het bloet: en als doen waren de tanden boven en +onder in de mond sodanig uytgewassen, dat ik die perfect konde sien: +Dese tanden waren in soo groote menigte, en stonden in sodanigen ordre, +als een rije tanden staan, in de mond van een vis die wy een zeehaye +noemen. + +Met dese mijne observatien heb ik my niet vergenoegt gehouden, maar ik +hebbe alle mijne kragten ingespannen, omme de geseide ommeloop des +bloets te vervolgen, en hebbe dese Wormkikvorssen, agt a thien dagen out +sijnde, op alle bedenkelyke manieren geobserveert, en hebbe van binnen +in 't lighaam sien bewegen een klein deeltje, dat ik my imagineerde het +hert te sijn, als wanneer ook de stoffe die in het selvige was, en daar +uyt wierd voortgestoten, al een roode couleur begonde aan te nemen. Dit +deel, dat ik voor het hert aan sag, hadde zoodanige schielijke beweginge +als ik geseit hebbe dat inde bloet-aderen geschiede. Voorts soo dikmaal +als ik sag dat dit gepresumeerde hert, sig beweegde, soo menigmaal +wierden ook de oogen van het Dier een weinig bewogen: soo dat ik my +inbeelde dat de beweginge van de oogen alleen van de beweginge van het +hert en mond afhingen. Welke oogen, soo in uytpuylende ronte, als in +swartigheid in 't midden, my ook soo naakt voor quamen, als eenige oogen +van een klein Dier, ons aan het bloote oog konnen vertoonen. + +Wanneer ik de buyk van soodanigen Dier als dan quam te openen, sag ik +dat de darmen gevolt waren met een bruynagtige stoffe, ende dat die in +een ronte lagen geschikt. + +Als ik quam tot het examineren van de staart van dese kleine Worm, soo +overtrof dat vermakelyk gesigt alle de beschouwingen, die myn oogen van +haar leven hadden gesien; want hier ontdekten ik meer dan vijftig +ommelopen van bloet, op bysondere plaatsen, als ik het dierken maar tot +myn genoegen in 't water levende, en stil leggende, voor het +vergroot-glas konde brengen. Want ik sag niet alleen dat het bloet op +veel plaatsen door seer dunne vaatjens uyt het midden van de staart +wierd gevoert na de buytekant van de selve; maar dat yder soodanig +bloet-vat, sig met een kromte boog, en het bloet weder voerde na het +binnenste of dikste van de staart, om het selvige weder soo na het hert +te voeren. Soo dat my hier bleek dat de bloet-vaten die wy in dit Dier +sien, en de Arterien en Venae noemen; maar een ende de selve bloet-vaten +sijn; alleen, datse soo lang Arterien konnen genaamt werden, als sy het +bloet tot in de uyterste deelen van de kleyne vaten voeren; ende Venae, +als de selve het bloet weder voeren na het Hert. Als by exempel, ik sie +veel bloed-vaatjens in de staart van de Kikvorsworm, die haar loop +hebben als Fig. 5. A B C. waar van A. en C. na de graat van de staart +sig strekken, of geplaatst leit; ende B. leit gestrekt na de uyterste +deelen van de staart. A B. voert het bloed van het hert af; ende B C. +voert het bloet weder na het hert toe: en dus konnen wy seggen, dat het +bloet-vat A B C. een Arterie ende een Vena is, want wy konnen dit +geseide bloet-vat niet verder een Arterie noemen, als soo verre als hy +het bloet weg stoot, of op het verste in de selve voert, dat is hier van +A. tot B; ende wy konnen of moeten B C. een Vena noemen, om dat het +bloet van B. tot C. weder na het Hert gevoert werd. Ende dus blijkt het +ons hier dat Arterie ende Vena een ende deselvige continule vaten zijn. + +Daar ik de ommeloop van het bloet in de Aderen dus quam te sien, waren +de Aderen, niet wyder, als dat een enkel deeltjen bloed (dat in dit +gesigt globulen schenen, daar het nogtans platte ovale deeltjens sijn, +als voor desen geseit) daar sonder hinder door konde passeren. Dog op +een ander tijd sag ik dat de deeltjens bloet om de dunte van de +Bloet-ader, in een lang rond veranderde: en wanneer ik het Dierke buyten +het water bragt, en soo verre quam dat het begonde te sterven, sag ik +dat het bloet inde dunste Arterien, somtijds stil bleef staan; en als in +de selve Ader het bloet op nieuw wierd voortgestoten, sag ik dan dat +verscheide deeltjens bloet, wel tweemaal soo lang wierden uytgerekt, als +de breette van soodanig deeltjen, ende dat die dan aan beide de eynden +spits schenen. Op een ander plaats sag ik dat het bloedt sig uit een +dikker Arterie in twe takken verdeelde: als by voorbeeld: Ik sag de +Arterie Fig. 6A. D E. die sig in twee takken verspreide, als in E. en +yder van dese takken, boog in de ronte met een bogt; als met E F. en +E G. werd aangewesen. Soo wy nu stellen dat D E F. ende D E G. Arterien +sijn, om dat die het bloet van het Hert afvoeren, so moet volgen, dat +F H. en G I K. Venae sijn, om dat die beyde het bloet na het Hert +voeren. + +Nu heb ik ook te gelyk gesien, dat een weinig van K. een andere kleynder +of dunder Arterie lag, die met M L. werd aangewesen. Dese laatste +Arterie vereenigde in de Vena I K. soo dat de Arterien D E G. ende M L. +beyde te samen vereenigde in de Vena I K. In somma in de Fig. 6A. is +H F. een Vena. D E F. ende D E G. sijn Arterien. G I K. ende K I L. sijn +Venae, ende M L. is een Arterie, en nogtans konnen wy seggen, dat het +een continuel vat is. + +Op een andere plaats heb ik gesien dat drie van de dunste Arterien, +die yder met een bogt omlopende, alle drie op een punct weder te samen +quamen, ende aldaar een bloet-vat of Vena uit maakten: en by gevolg +was dit bloet-vat soo wyt als van de drie geseide Arterien. Dese drie +distincte vaten nu met haar rondagtigen ommetrek, waar in de circulatie +geschiede, en besloegen geen meer plaats, of een sant grootte soude de +selve konnen bedekt hebben. + +Ook is my verscheide malen voorgekomen, dat een Arterie dwars of +kruyselings over een Vena quam te loopen, ten ware men yder sijn +bysondere loop niet distinct hadde konnen onderscheiden, soo souden +veele wel geoordeelt hebben, dat de circulatie aldaar wierd te wege +gebragt, ende dit sag ik niet alleen in de alderkleinste vaten, maar in +vaten die wel tienmaal dikker waren als daar de ommeloop geschiede. + +Dese overdwars lopende bloet-vaten, sijn my voor desen veel te vooren +gekomen, als ik in andere Dieren de vereeningen van de Arterien en Venae +tragte te ontdekken; dog alsoo het by my vast stond dat de ommeloop van +het bloet, niet in de vaten die groot waren, moste geschieden; maar in +de kleinste of dunste bloetvaten: want soo sulx anders was, so stel ik +vast dat alle de delen van het lighaam niet gevoet soude konnen werden. +En also voor my die ontdekkingen onnaspeurelyk scheenen, soo heb ik +sedert eenige jaren myne ondersoekingen daar ontrent gestaakt. Soo wy +dan nu seer naakt voor onse oogen sien dat het overgaan van het bloet +uyt de Arterien in de Venae, in de Kikvors-worm, in geen andere +bloet-vaten geschiet, als in soodanige die soo dun sijn, dat maar een +enkel deeltje bloet te gelijk kan doorgestoten werden; soo konnen wy nu +wel vaststellen, dat het selve in onse lighamen, en in alle Dieren op +soodanigen manier werd te weeg gebragt. En dit soo sijnde, soo is ons +onmogelyk den overgang van het bloet uyt de Arterien inde Venae, in ons +lighaam of andere dieren te ontdekken; eensdeels, om dat wanneer een +enkel globule bloet in een aderke leggende, geen couleur en heeft: ende +ten anderen, om dat het bloet in de bloet-vaten, als wy dat ondersoek +doen, stil staat. + +Ik hebbe voor desen geseit, dat de delen of globulen van het bloet, die +het selvige root maken, soo klein syn, dat thien hondert duysent deelen +of globulen, soo groot niet en sijn, als een grof sand is: en over sulks +konnen wy ons wel inbeelden, de hoekleinheid van de bloetvaten waar in +den ommeloop geschiet. + +Dese verhaalde observatien en heb ik niet eenmaal gesien, maar die tot +myn overgroot vermaak verscheide malen hervat, ende dat t'elkens in +bysondere Wormen, ende by na doorgaans een ende deselve uytkomst gehad. +Dog het gene ook aanmerkenswaardig was, dat was, dat in dese geseide +seer kleyne vaaten, die op het verst van het Hert geplaatst lagen, als +hier in 't eynde van de staart, dat daar op verre na soo een schielyke +en harde voortstotinge niet geschiede, als wel in de vaten naast het +Hert gelegen. Dog alhoewel de continueele loop hier mede distinct te +bekennen was, soo konde men egter seer klaar sien dat 'er by yder +voortstotinge van het Hert, een weinig rasser loop geschiede. + +Wanneer ik myn oog liet gaan in de lengte en op het dikste van de +staart, soo konde ik seer klaar bekennen dat aan yder syde van het +staart-been, of graat, een groote Arterie was, daar door 't bloet na 't +eynde of lengte van de staart wierde gevoert, en sig in die lengte in +verscheide kleyne takken verspreide. + +Als ik een weinig ter sijden van dese Arterien na de buytekant van de +staart af sag, ontdekten ik aldaar twee groote Vena, die het bloet weder +opwaarts na het Hert voerden; ende daar benevens sag ik dat in dese +groote Vena uyt verscheide kleyne Venae het bloet wierd ingestort. In 't +kort, ik sag hier myn volkome vergenoeginge ontrent den ommeloop van het +bloet, alsoo my in 't minste niets voorquam waar aan ik behoefde te +twijfelen. Ja ik sag dat in het kleyn gedeelte van de staart, het bloet +der Aderen meer dan in vyf-en-twintig distincte Aders circuleerde. Boven +de geseide Aderen ontdekte ik nog in de staart een onbegrypelyk getal +van andere Aderen met haar takken, die sig eyndelyk in soodanige kleyne +takken verdeelde, dat die het gesigt ontweeken. Dese Aderen quamen mede +voort uyt het dikste van de staart, en hoe nauwkeurig ik ook toesag, soo +en konde ik egter geen de minste loop inde selvige ontdekken, schoon +dese vaten veel dikker waren, als daar ik den ommeloop van het bloet in +sag. Waar uyt ik in gedagten nam, of alle dese vaten niet wel senuwen +mogten zyn. + +Ik en hebbe dit gesigt mede voor my alleen niet willen behouden, maar +dat selvige aan twee voorname geleerde Heeren laten sien; niet alleen +dat ik haar toonde dat het bloet uyt de groote Arterie, na het eynde van +de staart wierd gevoert, ende dat daar benevens weder een grote Vena +lag, die het bloet continueel na het Hert voerde; maar ik liet haar op +verscheide plaatsen sien, hoe het bloet in de kleinste vaten na de +buytenkant van de staart wierd gevoert, ende van daar door de geseide +Aderen weder te rugge quam, en gevoert wierde na het binnenste van de +staart. + +Vorders heb ik de jonge Kikvorssen op die tyd als sy van een worm, tot +een Kikvors waren geworden, en soo verre waren gekomen, dat sy door de +velden sprongen, geobserveert, ende in deselve mede ontdekt, een +overgroot getal van kleyne bloet-vaten, die continueel door kromme +bogten ommelopende, die vaten maakten, die wy Arterien en Venae noemen: +sulks dat my hier mede seer klaar bleek dat de Arterien en Venae, een +ende deselve doorgaande bloetvaten waren. Dog alderklaarst, ende +aldermeest, quamen my die te vooren, op het eynde van de uytstekende +delen van de poten, die wy wel vingers mogen noemen. Welke delen de +kikvors aan yder voorste poot vier heeft, ende aan yder agter-poot vyf. + +Dese bloet-vaten die wy den naam van Arterien en Venae geven (daar het +nogtans een ende deselve bloet-vaten sijn) waren op het eynde van dese +vingers in een seer groote menigte, en yder hadde een ronde bogt, waar +door men den bysonderen loop van yder vat onmogelyk konde navolgen. Alle +dese vaten waren so kleyn of dun dat'er niet meer dan een deeltje bloet +te gelyk door konde passeren. Dog wanneer ik dese vingers ontrent het +eerste of tweede lid examineerde, daar vonde ik de bloet-vaten, die wy +Arterien en Venae noemen, grooter, ja soodanig dat het bloet in die +vaten al een rode couleur hadde. + +Dese jonge Kikvorssen, en heb ik niet by stukken geexamineert; maar die +in haar geheel voor het vergroot-glas gestelt, ende sijn my de geseide +bloet-vaten te voren gekomen, soo als ik die nu hebbe beschreven. Dese +doorloop ofte ommeloop van het bloet heb ik soo aan twee voorname Heeren +laten sien, die de selvige niet dan met groote verwondering beschoude. +En voornamentlyk, als sy de delen van het bloet, die het selvige root +maken, in soodanige dunne vaatjens (met groote snelheit sagen loopen) +dat'er maar enkelde deeltjens bloet agter den anderen door konden +passeren. + +Vorders heb ik laten vangen van de grootste slag van Kikvorssen, die wy +Worken noemen. Dese heb ik mede in haar geheel gelaten, ende in deselve +(met de vingers voor het vergroot-glas gebragt hebbende) heb ik mede de +ommeloop van het bloet gesien; dog seer beswaarlyk: en ten ware ik die +eerst in de jonge Kikvors hadde ontdekt, het soude my onmogelyk geweest +hebben, dat ik de loop van het bloet, in de kleynste vaten soude hebben +konnen zien. + +Dog wanneer ik dese groote Kikvorssen op andere deelen van het lighaam +beschoude, heb ik in de selve seer distinct de ommeloop van 't bloed +konnen zien. + +Ik hebbe onder andere eens gesien, dat het bloet in een Arterie (die soo +groot of wyt was dat'er drie deeltjens bloet te gelyk door konden +passeren) te rugge, of contrarie syn eerste loop quam te lopen; dog dese +te rugge loop en duurde niet langer, dan dat wy het getal van vier +souden konnen tellen ende na die tyd liep het bloet weder zyn ordinairen +en voorgaanden loop. + +Als by exempel het bloet sag ik loopen in een groote Arterie als by +Fig. 6B. N R O P. en gevoert van N. na O. uyt dese Arterie quam een tak +of kleine Arterie als hier boven verhaalt is. Nu geschiede het voor myn +gesigt, dat het bloet in de Arterie P Q. niet alleen schielyk in sijn +loop quam op te houden, maar het quam ook van Q. na P. te rug loopen, en +storte het bloed in de Arterie N R O P. De oorsaak hier van beelde ik my +in, kan geweest zijn, of dat het bloet in de kleinste Arterien P Q. of +in de kleindere takken, waar in deselve P Q. is verdeelt, door een +kleyne verstoppinge, is tegen gehouden geworden: of dat de muscul of +zenuwe, naast dese kleyne vaatjens gelegen, deselvige so geparst of +gedrukt hebben, dat de loop daar door is verhindert geworden: waar door +niet alleen een stilstant van loop, maar ook een te rugge loop van het +bloet in de groote Arterie die daar digte by was, veroorsaakt is +geworden. Want na het passeren van de geseide korte tyd, nam het bloet +weder sijn voorgaande vaardige loop. + +Op een andere plaats heb ik gesien dat den loop van het bloet in +diergelijke Arterie, in korten tijd seer vertraagde, ende dat daar op +wederom in de selvige Arterie, een schielijke voortstootinge volgde; +doch kort op die voortstootinge volgde wel weder een trager loop; ook +wel een seer korte stilstand. Dese voortstotinge en vertraginge van +loop, geschiede wel vijf sesmaal agter den anderen, ende daar op +volgde weder een continule vaardige voortgang, ende dit alles geschiede +in soodanigen korten tyd, dat men geen tien woorden souden konnen +gesproken hebben. + +Ik hebbe verscheide maal de Kikvors-wormen uit de water-gragt laten +opvangen, en onder dit vangen waren drie vier seer kleyne Visjens, die +een weinig langer waren als de Kikvors-worm is, als deselve van een Ey +tot een Worm is geworden. De huit van dese visjens was met swarte +stipjens beset, welke eenige ook verbeelden sterrekens. + +Ik oordeelde dat dese visjens niet groot wierden, om dat ik noit +zoodanige maaksels gelyk my die door het microscope voor quamen, met het +bloote oog gesien hadden. Ik heb in 't eerst een van dese Visjens +geobserveert, maar daar inne als doen niet konnen sien het geene +noterens waardig was. + +Dese Visjens hebbe ik na dat die ontrent veertien dagen op myn Comptoir +onder de kikvors-wormen in 't leven gebleven, (ende in die tyd al in +grootte waren toegenomen) weder op nieuw geobserveert, omme was het +mogelijk de circulatie ende het overgaan van het bloet uit de Arterien +in de Venae in de selvige mede te sien, en hebbe eindelijk in de staart +digte by de uyterste staartvinne, een groot bloet-vat, dat een Arterie +was, het bloet sien voeren na het einde van de staart, ende digte by dat +bloet-vat, lag weder een groote Vena, waar in het Bloed weder na het +hert wierde gevoert, welke beyde bloet-vaten in de lengte van de staart +lagen gestrekt. + +Als ik myn oog liet gaan op de staart-vin, die het uiterste van de +staart uitmaakt, soo konde ik aldaar mede seer klaar sien, dat aan ieder +sijde van die beentjens (die de stijfte aan de staart-vinne geven) een +seer dunne Arterie en Vena liepen, want ik konde seer klaar ieders loop +bekennen, dog beswaarder als in de Kikvors-Worm: eensdeels om dat dit +visje met desselfs staart weinig stil lag; ende ten anderen, om dat de +deeltjens bloet (die ik in dese observatien niet anders als voor globule +konde aansien) veel kleynder waren als in de Kikvors-worm. Dese laatste +bloet-vaatjens waren ook soo klein, dat maar een enkel deeltje bloet +daar door konde passeren, en ten ware dese geseide delen bloet, niet uit +de dunne vogt, daar in die als drijven, (die by eenige de weyagtige +stoffe van het bloet genaamt werd) uitstaken, wy souden geensins de loop +van het bloet konnen ontdekken. + +Alhoewel ik de loop van het bloet soo in de Arterien als Venae, seer +distinct konde sien, soo was het egter my onmogelijk, hoe naauw ik +toesag, de plaatsen of eynden van de Arterien ende het begin van de +Venae te sien. Dog als ik naderhand met het eenigste of laatste Visje +dat ik nog behouden hadde, op een ander manier als met de voorgaande +quam te handelen; sag ik tot myn overgroot genoegen, seer naakt, niet +alleen op een, maar doorgaans op verscheide plaatsen, de circulatie van +het bloet: want aan yder sijde van de hier vooren verhaalde beentjens +(die de starkte aan de vinnen geven) liep yder Arterie met een klein +bogtje om, en maakten aldaar het begin van de Vena. + +Wanneer ik quam te sien op de staart van het visje, alwaar de +staart-vinne haar begin neemt, daar sag ik met groote verwondering, hoe +dat de groote Arterie sig aldaar, in de geseide seer dunne vaatjens of +Arterien, verspreide, en hoe dat vele van de dunne Venae van de +staart-vinne hier digte by, weder in de groote Venae te samen quamen +loopen. In 't kort, hier was sulken beweginge van het bloet, dat uyt de +dikke Arterie na het uyterste eynde van de staart, en staart-vinne +vloeide, of gestoten wierde, ende het geene uyt veel kleine Venae, na de +groote Vena weder te rug quam, dat het onbegrijpelyk was. + +Wanneer ik myn oog liet gaan op beyde de buytenste kanten van de staart, +daar de korte beentjens van de staart-vinne haar begin nemen, daar sag +ik dat veel van de kleinste Venae te samen liepen of vereenigden, en +maakten aldaar een grooter Vena uyt. Dog dit seer aangenaam gesigt en +duurde niet lang, want ik hadde het Visje uit het water genomen, en +alsoo schielyk voor myn gesigt gebragt, en in sulken geval vertraagde de +loop van het bloet in de uiterste deelen van het lighaam, minder als in +een menuit tijds. + +Na die tijd heb ik selfs van die soort van Visjens gaan vangen, om dat +ik met dit schoon gesigt van een Visje niet vergenoegt en was, en hebbe +doorgaans een ende deselve uitkomst gehad. + +Vorders heb ik waargenomen dat de groote Arterie (waar uit veele kleine +Arterien haar oorspronk hadden) ende de groote Vena, (waar in het bloet +uyt veele kleine Venae wierd ingestort) digte of nevens den anderen in +de lengte van de Vis geplaatst lagen; digt aan het graat-beentje van de +Vis; te weten, niet na de bovenste ofte rugge sijde van het +graat-beentje, maar na het onderste gedeelte van het graat-beentje, +sonder dat ik na de rugge sijde van het graat-been, geen het minste +groot bloet-vat konde ontdekken. In de geseide groote Arterie konde ik +doorgaans op nieuw de voortstootinge of verheffinge van een rasser loop, +die het bloet van het Hert ontfangt, bekennen: dog in de alder-dunste +Arterien, en konde ik in de loop van het bloet geen veranderinge gewaar +werden, want daar was de loop seer egaal. En gelyk ik geseit hebbe dat +in de dunste vaten geen couleur en was, soo konde ik egter klaar +bekennen, dat in de groote Arterie en Vena [die seer na aan het eynde +van de staart lagen] het bloet root was. + +Omme nu de hoegrootheid van het geseide Visje daar in ik de circulatie +van het bloet mede hebbe ontdekt, heb ik het selvige laten afteikenen, +soo groot als het ons in het bloote oog te vooren komt, als hier met +Fig. 7 is afgeteikent. + +Fig. 8. Vertoont mede de hoegrootheid van zoo een Visje dat ik op nieuw +hadde wesen vangen, dog de meeste waren kleinder, en onder agt thien +had ik'er maar een dat wat grooter was. + +Ik hebbe een Visje voor het vergroot glas gestelt, ende geordonneert dat +den Teikenaar alles soude teikenen dat hy quam te sien; het welke hier +met Fig. 9. A B C D E F G H I K L M N. is aangewesen. + +B C. verbeelt het oog van de Vis, dat my soo groot en volmaakt doorgaans +voorquam, als of wy met ons bloote oog een schelvisoog beschouden. Dog +alsoo het Visje meer dan een gansche dag hadde doot geweest, ende in die +tyd het hooft, ende oog, meer als de andere deelen van het lighaam was +ingedroogt, heeft het den Teikenaar niet beter konnen sien. + +Tusschen C D. waren op de rugge verscheide korte uytstekende deelen. + +D E. is een vinne digte by de staart gelegen. + +F G H I K. is de staart-vinne waar in men telt seventien beentjens, daar +van der drie met G H I. werden aangewesen. Dese beentjens die de styfte +of starkte aan de staart-vinne geven, waren met ledekens verzien, en ik +sag ook dat die uyt lange deeltjens [dat na alle aparentie holle pypjens +sijn] waren te samen gestelt. + +Ik konde ook te gelyk sien, dat het vlies of vel, dat dese beentjes +overdekten, en het meerendeel van de staart-vinne uytmaakten, mede uyt +lange deelen was te samen gestelt, dog alle dese deelen en heeft den +Teikenaar niet konnen sien, om dat deselvige met het sterven van het +Visje, het gesigt ontweken waren. + +L M. is mede een vinne digte by de staart aan het onderste deel van het +lighaam. + +N A. is de mond die in 't droogen seer wyd is open gebleven, daar het +Visje anders, wanneer het leeft, continueel de mond, ende dat seer ras +agter den anderen, maar een weinig op en toe doet. + +Ik hebbe hier vooren geseit, hoe dat ik aan yder sijde van het beentje, +dat voor een gedeelte de staartvinne uytmaakt, seer klaar de Circulatie +van het bloet konde bekennen; soo dat tusschen yder beentje twee +distincte ommegangen geschieden. Sulx dat dan in de vinne van de staart +geschiede vierendertig bysondere ommegangen, dat is, daar waren in de +vinne van de staart van soo een kleyn Visje, agtensestig bloet-vaten, te +weten vierendertig Arterien, en gelyk getal van venae, ende dat behalven +de bloet-vaten die nog in 't kortste van de selve vinne mogten leggen, +als ontrent F. of K. daar op ik geen agtinge en hebbe gegeven. + +Omme nu de circulatie die in de staart-vinne geschiede beter aan te +wysen, heb ik een gedeelte van een vin-beentje grooter laten afteikenen, +als hier met Fig. 10. O P Q R. werd aangewesen. + +Aan welk been seer digt aan yder sijde heen loopt een Arterie die hier +beyde werden aangewesen met S T. ende W X. in welke bloed-vaten ik hebbe +laten teykenen die deeltjens bloet die haar als rond vertoonen. + +Dit bloet met een vaardige loop van S. na T. volbragt hebbende, keerde +met gelijke snelte van T. weder te rug na V. soo dat S T. een Arterie +is, ende T V. een Vena, en nogtans is het een gecontinueert, ende +doorgaande bloet-vat. Soo was het insgelijks gelegen met de bloet-vaten +aan de ander sijde van het beentje als W X Y. Dog dese Arterie en Vena +en lagen soo wyd niet van den anderen, als hier naar advenant is +afgebeeld, maar die lagen op veel plaatsen soo digt nevens den anderen, +dat Arterie en Vena malkanderen raakten. + +Op andere plaatsen en selfs in de vinne D E. ende L M. heb ik het bloet +soo in de Arterien als Venae, mede niet alleen sien loopen, maar daar +inne hebbe ik ook de ommeloop konnen bekennen, als in de staarte-vinne +is geseit. + +De geseide ommeloop van het bloet in het verhaalde kleine Visje, hebbe +ik aan twee voorname Geleerde Heeren bekent gemaakt, die haar seer +genegen toonde om deel te mogen hebben van dat gesigt, dat ik haar +toestont, en hebbe verscheide Visjens, sodanig voor het vergroot-glas +gebragt, dat sy seer distinct, in verscheide bysondere vaten te gelyk, +de ommeloop van het bloet, met groote verwondering en opmerkinge +aansagen. + +Sien wy nu in de staart-vinne van soo een klein Visje, als hier met +Fig. 7 of Fig. 8 werd aangewesen, vier-en-dertig bysondere circulatien +van bloet, wat een onbedenkelyke groote menigte van circulatien moeten +daar dan niet wel geschieden in ons lighaam. 't Welk zoo sijnde, zoo +hebben wy ons nu niet meer te verwonderen, dat als wy met een naalde of +ander klein werktuyg ons komen te quetsen, dat daar bloet uyt komt. + +Ja ik verseker my uyt de geseide observatien, dat in de plaats of spatie +van een nagel van onse hand groote op onse voorste vinger, of ik mag wel +seggen in onze geheele huyt, doorgaans meer dan duysent besondere +ommeloopen van het bloet geschieden. + +Na myne voorgaande observatien heb ik myn gedagten laten gaan op onse +gemene Rivier-vis, namentlyk op de Voorn en Braassem, omme, was het +mogelyk, in de selvige mede de circulatie van het bloet te sien. Ik +hebbe dan jonge Voorn en Braassem genomen, die ik oordeelde dat twee +jaar out was, dese heb ik met haar hoofden om laag in 't water gestelt, +ende der selver staarten buyten het water laten komen, opdat de Visschen +haar hoofden of kaken soude konnen bewegen, ende dat dus de circulatie +van het bloet geen hinder aangedaan mogte werden, maar sijn volkome loop +voor eenigen tijd continueren. + +Alsoo het nu onmogelijk is dat wy de circulatie van het bloet in eenige +andere deelen van dese Visschen souden konnen sien, als in de vinnen van +deselvige, om dat haar lighamen met schobbens bezet sijn, soo heb ik +alleen de staart-vinne doorsogt, om dat die de bequaamste was, en hebbe +in de selvige seer klaar gesien, een groote menigte van bloet-vaten, die +mede soo dun waren, dat maar een enkel deeltje bloet daar te gelyk konde +door passeren, ende daar benevens sag ik de vaaten, waar in het bloet na +de uyterste deelen van de staart-vinne wierd gestooten, ende andere, +waar door het bloet weder te rug quam, sonder dat ik nogtans konde +vernemen of bekennen, de uyterste deelen van de Arterien en Venae, want +als ik na het uyterste eynde van de staart-vinne, die met het gesigt +wilde vervolgen, soo verloor ik, en Arterien en Venae uit het gesigt. + +My is meer als eenmaal te vooren gekomen, dat het my toe scheen dat een +Arterie, die niet wyder was als dat een enkel deeltje bloet te gelyk +daar door konde passeren, quam te verstoppen; 't welk aldus toeging, te +weten, dat bloet, na dat het eenige malen door de Arterie als met gewelt +voortgedreven was, schielyk een weinig te rug quam, en in sijn eerste en +ordinare cours als gestuit wierd. Waar op het dan gebeurde, dat dat +bloet een andere cours (niet verre van het eerst gewesene vat) nam, en +volvoerde aldaar onverhinderlyk sijn loop, alleen met dit onderscheid +dat het soo vaardig niet en liep. Dit siende, stelde ik vast, dat den +veranderden cours, die het bloet hier quam te nemen, niet geschiede door +een bloet-vat dat een rok of menbrane hadde, maar dat het bloet alleen +met gewelt, een Canaaltje hadde gemaakt. + +Ik hebbe voor desen geseit dat alle de deeltjens bloet die het selvige +root maken, soo van Vissen als van Vogelen uyt platte ovale deeltjens +bestaan, die my in de voorgaande geseide observatien, rond voor quamen, +waar van alleen de oorsaak is, dat ik in die ontdekkingen, soodanige +vergrootende glasen niet en hebbe konnen gebruyken, als tot het distinct +sien van de bloet-deelen wel vereist wierde. + +Dog in de laatst geseide nieuwe bloet-loop, konde ik sien, dat de +deeltjens bloet, die het selvige root maken, plat waren. Ja ik sag niet +alleen dat die plat waren, maar ik sag daar benevens ook, dat die langer +als breet waren. + +Dat my nu die deeltjens in soo verscheide veranderingen van Figuren voor +quamen, dat was om dat die deelen in haar loop dikmaals als omwentelden: +want het geene de eene oogenblik op sijde voor het gesigt lag, lag weder +na een weinig voortgang daar voor voor met een platte sijde: wederom een +ander deeltje bloet wierd in een hair-breet voortgaan, in sijn lengte +omgeworpen. In somma, ik sag hier soo veel omkeringen van de platte +deeltjens bloet, als ik my soude konnen magineren. Dit net gesigt quam +my eensdeels te vooren, om dat die spatie waar in de loop van het bloet +geschiede, soo doorschynende voor myn gesigt quam, als of de deeltjens +bloet in een glase pypje hadde voortgeloopen. Ende ten anderen konde ik +van de deeltjens bloet soo veel te beter oordelen, om dat my bekent was, +dat de deeltjens van het bloet, die het in de Vissen root maken, platte +ovale deeltjens waren. + +Hebben wy nu geluk gehad (daar wy na verlangt hebben, en waar na wy veel +jaren soo nu als dan seer naarstig, dog te vergeefs, gesogt hebben) dat +wy nu soo naakt de ommeloop van het bloet, ende den doorgang van het +selvige uyt de Arterie in de Vena in de voorverhaalde Kikvors en +Visschen, hebben voor de oogen gestelt, soo sullen wy egter daar op niet +rusten, maar ons devoir doen om het selvige ook in andere Dieren na te +speuren, ende, is 't doenlyk, insgelyks ie ontdekken. + +Eer ik afscheide vinde ik my genootsaakt hier by te voegen, dat ik, +weinig tyd geleden, verhalende aan seker Hoog Leeraar in de Medicine, +myne ontdekkinge ontrent de circulatie van het bloet, dese Heer tot my +seide, als men van myne observatien quam te spreken, en se tot +bevestinge van eenige saaken te allegeren, dat 'er veelmaal wierd +geantwoord; moeten wy het geloven om dat het Leeuwenhoek seit; wat +sekerheid hebben wy daar van? Waarom dan dien Heer my aanmaande, +en seide, dat ik wel soude doen, dat ik een attestatie van eenige +voorname Personen, die ooggetuigen mogten sijn geweest, van dese myne +ontdekkingen behoorde te produceren, op dat ik desen aangaande minder +tegenspreekens mogte lyden. + +Het is wel waar, dat ik uyt besondere speculatie tot nog toe in myne +brieven niemant met name en hebbe genoemt, van die geene die met my +eenige van de remarcabelste dingen met haar oogen hebben gesien, door 't +behulp van myne microscopien, maar alleen in 't generaal gesegt, dat ik +sommige Heeren van kennis en oordeel, Liefhebbers van de natuurkunde, +deselve hadde voorgehouden. + +Maar dewyle dat ik nu verneme dat meer geloof aan myn seggen sal gegeven +werden, wanneer ik de name kome te specificeren van die geene die de +voorverhaalde circulatie ofte ommeloop van het bloed ten deele hebben +gesien, van het geene ik nu aan hare Hoog Edelen hebbe overgeschreven +ende ontdekt, so sal ik geen swarigheid maken, in plaats van veele, +soodanige hier te noemen, die ik vertrouwe dat wel het meeste geloof +sullen meriteren. Als daar sijn _d'Heer Cornelius 's-Gravesande, Med: +Doct: en ordinaris Voorleser in de Anatomie en Chirurgie_, als mede +_Raad ende oud Schepen deser Stad; d'Heer Mr. Cornelius Valensis, mede +Raad ende oud Schepen, als boven; d'Heer Mr. Antoni Heinsius, Raad en +Pensionaris deser Stad, voor desen Extraordinaris Envoy aan zijn +Koninklijke Majesteit van Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen +Staat aan het Hoff van zijn Koningl: Majesteit van Engeland_. Dese +Heeren die ik gewoon ben veele van myne ontdekkingen te communiceren, +heb ik nevens andere de waaragtige circulatie van het bloet laten sien, +soo klaar als of wy de beweginge van het water in een lopende Rivier met +onse blote oogen aanschoude. + +Hier hebt gy Hoog-Edele Heeren myne observatien ontrent de circulatie +van het bloet, soo als ik die van tyd tot tyd op het papier hebbe +gestelt; en na het voltrekken deses, heb ik nog verscheide observatien +ontrent de circulatie van het bloet gedaan, en tot myn groot genoegen, +de ommeloop van het selvige in vier besondere levende schepsels my voor +de oogen gestelt, en alsoo dit groote lichamen sijn, in vergelykinge van +de voorgaande, soo heb ik egter middelen bedagt, waar door ik hier na de +circulatie van het bloet in een van dese groote schepsels, aan andere +seer klaar sal konnen toonen, waar van in toekomende breder, en ik sal +onder des blyven, + + _Hoog-Edele Heeren, enz._ + + ANTONI VAN LEEUWENHOEK. + + +[Erratum: + +F G H I K. is de staart-vinne + _text: T G H ... _ ] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + PROEFNEMINGEN + + van + + de particuliere beweeging der Spieren + in de Kikvorsch, + +die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren + in de menschen en beesten toegepast worden. + + Uit: + + "DE BIJBEL DER NATUURE", + + door + + JAN SWAMMERDAM. + + + + +_Proefnemingen van de particuliere beweeging der spieren in de + kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren + in de menschen en beesten toegepast worden._ + + +Hoe gewigtig en ook moejelyk het is, om de waare beweegingen der Spieren +te verklaaren, dat blykt ons uyt de menigvuldigheid der experimenten, +dewelke de gaauste verstanden daar van tyt tot tyt omtrent gedaan +hebben; sonder dat men tot nog toe de waare oorsaak daar van heeft +kunnen ontdekken; waar daar ook de seer groote nuttigheid ende +gewigtigheid der kennis, die uyt deese wetenschap sou volgen, tot nog +toe in de donkere windelen der onwetendheid geinvolveert is. En dit is +de reeden, dewelke my beweegt, om eenige experimenten, die ik al over +lang omtrent deese saak gedaan heb, in het ligt te geeven, en alsoo ik +die van een seer groote consequentie en gewigt oordeel, soo sou ookmyn +versoek zijn, om die ernstig te willen naadenken, en op den toetsteen +der waarheid te stellen. + +Omtrent de structuur en de beweeging der Spieren is het seer opmerkelyk +om te weeten, hoe dog eygentlyk de Senuw daar meede vereenigt is, wat +structuur hij daar binnen in heeft, en hoe syn loop, ingank, midden, +distributie en eynde is, met dan wat voor communicatie dat hy ook met de +beweegende Vesels heeft, en wat werking hy in deselve veroorsaakt: gelyk +dan ook, wat eygentlyk die subtiele materie is, die buyten alle dispuut +door de Senuw tot de Spier gevoert wort. Maar dit alles is nog op ver na +niet genoeg tot deese kennis, alsoo men ook de structuur der Vliesen, +soo om als binnen in de Spier, met dan haare subtile Veselkens, die van +de eene beweegende Vesel tot de andere, en ook tussen beyde, als een fyn +geweefsel loopen, diende te kennen: gelyk ook het maaksel van de Ader en +Slagader, en haare waaragtige gesteltenissen, binnen in de Spier: en wat +daar vorder nog tot de kennis van de structuur der beweegende Vesels +behoort. Dat alles nog donker en onbekent is; en mogelyk niet sal bekent +worden, ten sy men al syn tyt alleen op deese saak kwam aan te leggen, +en syn alderuyterste neerstigheid daar toe gebruykte: want sekerlyk den +yver en neerstigheid ontdekken alles. Maar wat my belangt, van alles wat +ik in de Anatomie tot nog toe heb voorgestelt, daar kan ik niet van +seggen, dat ik nog oit een saak tot die perfectie uytgevoert heb, daar +ik sekerlyk van weet, dat men se sou toe kunnen brengen: maar dan most +ik al myn leeven in een eenige ontdekking verslyten. Dat ik onnodig +oordeel, om dat ik ook sekerlyk weet, dat als ik al ten eynde gekomen +was, ik niet als myn onwetentheid sou vinden. En daarom heb ik liever +verscheyde saken willen verhandelen, dan een eenige, op dat de Werken +GODS niet verhoolen souden blyven, om een weynig meer of minder kennis, +die men van deselve sou mogen hebben: alsoo onse waaragtige weetenschap +alleen bestaat, in dat we GOD wel weeten te beminnen. + +Ik bevinde dan omtrent alle de voorige opgestelde saken nog seer veele +en onoplosselyke verborgentheeden: en niet tegenstaande dat de +uytmuntende Anatomicus de H. STENONIS, daar seer veele naukeurigheeden +omtrent ontdekt heeft, soo is hy in het midden van syn loop blyven +steeken. En veel minder kan men sig voldoen omtrent de beweeging en +werking, dewelke die subtiele geest in de Spier veroorsaakt, die +geduurig door de Senuw daar invloeyt: als synde dit een saak, die onder +oneyndige duysterheeden verborgen is. Egter alsoo ik omtrent deese +beweging der Spieren al vry eenige experimenten nu en dan gedaan hebbe, +soo sal ik de principaalste tegenswoordig voorstellen, en die het +oordeel der verstandige onderwerpen. + +Het is een saak van een eeuwige waarheid, en seer groote consideratie, +dat ten welken tyde men de Senuwen der levende lichaamen aanroert, dat +men terstont in de Spieren, waar naa toe sy loopen, een merkelijke +beweeging siet veroorsaakt, dewelke van de natuurelyke contractie der +selve niet verscheelt. Waarom soo men de Senuwen, by exempel, van het +Middelrif in een levendig geopende Hont, sagtelyk met de punt van een +seer fyne naalt komt te prikkelen, te steeken, of met een weynig vuur, +en ingedronge of scherpe wateren, komt te irriteeren, soo sal men +datelyk het Middelrif syn natuurelyke functie sien volvoeren, sig +contraheeren, van verwulfd vlak worden, en sig uyt de Borst te beweegen, +en de Ingewanden van de Buyk uytwaarts te stooten: en men sal het de +Borst naa die proportie sien dilateeren, naa dewelke dat het in syn +contractie regter wort, en sig verder uyt de Borst extendeert. + +Dit is een seer aardig en ook vermakelyk experiment, soo om de +wonderlyke beweeging, die men in die gecomponeerde Spier dan siet, als +meede om dat het selve experiment in het selve subject veelmaals kan +herhaalt worden, soo men maar de Middelrifts-Zenuwen, daar se in haar +begintsel langs het Hartesakje heen loopen, komt te irriteeren, en soo +allenkskens tot de tweede, derde, ende vierde irritatie, naa onderen +komt voort te gaan, tot daar sy ingeplant worden. + +Nu, niet alleen omtrent dat deel, maar ook omtrent alle de vordere +spieragtige deelen van het lichaam des Diers, kan men dit experiment +seer ligt omtrent de Zenuw in het werk stellen. Waarom ons ook dikmaals +gebeurt, in de levende Sectien der Dieren, als wy de Zenuwen met een mes +doorsnyden of raaken, dat we seer notable beweegingen in de onderhorige +Spieren gewaar worden. Gelyk de H. STENONIS ook diergelyks yets Myolog. +spec. pag. 78 en 79. edit. Janss. aangetekent heeft. Wanneer ik hem te +vooren een seer out en bekent experiment van my in de Kikvorschen +getoont hadt. En dit siet men niet alleen in de viervoetige Dieren te +geschieden, maar ook in de Vogelen en Visschen; en bysonderlyk in de +Rog, die seer sterke beweegingen in syne Spieren herneemt, als men syne +Senuwen irriteert. + +Op de fondamenten van deese beweegingen, die in de Spieren veroorsaakt +worden, als men haare Senuwen alleen raakt of irriteert: soo heb ik +dikmaals voorgenoomen, om ook op die wyse de Senuwen der Ingewanden aan +te raaken, alwaar ik hier en daar seer merkelyke vleesagtige Vesels +vernoomen heb: gelyk als ik ook wilde doen omtrent de Senuen, die naa de +Nieren gaan, naa de Leever, de Milt, de Longen, de Teelleeden, en andere +partyen, waar omtrent, maar voornamelyk de Nieren, ik haast niet en +twyfel, of men sal daar merkelyke contractien veroorsaakt sien te +worden; en alsoo door dit experiment veel nader tot het ware gebruyk +deeser deelen indringen: dan de tyt daar toe heeft my tot nog toe +ontbrooken. Waarom het my voor tegenswoordig genoeg is, dit met een +enkel woort te hebben aangeweesen, om ook andere occasie te geeven, dit +verder naa te soeken, alsoo de Natuur door een gemeenen arbeyt moet +ondersogt worden; en ook, om dat een persoon alleen niet als seer weynig +kan uytvoeren, omtrent saken die oneyndig syn. + +Maar hier dient men nu aan te merken, dat in de Dieren, die het heetste +bloet hebben, dese bewegingen der Spieren soo opmerkelyk niet en syn, +of liever soo lang niet en continueeren, als wel in die Dieren, die met +kouder bloet begaaft syn, als daar syn de Visschen, en veele andere +water Dieren, het sy met veel, met weynig, of sonder Voeten, of ook in +die te gelyk op het lant en in het water leeven. En waar omtrent ik in +de Kikvorsch deese myne experimenten voornamentlyk genoomen heb. Want in +deese Dierkens sijn de Senuwen seer sigtbaar, en sy kunnen ligt ontdekt +ende ontbloot worden. En het Ruggemerg, als ook de Hersenen die hebben +dit in de Vorsschen particulier, dat er als een vloeybaar sout, in +rokken beslooten synde, en met Bloedvaten doorweeven wordende, overal en +omtrent aanlegt; soo dat het ook in de bolligheyd der Wervelbeenderen +bevonden wort, als ook in het Bekkeneel selve. De couleur daar van is +als een blinkende perel; en het leyt in gedaante van knoopkens langs de +rey der Wervelbeenderen en de Rug, daar het seer ligt geobserveert wort. +Dit naturel sout bruyst seer sterk, wanneer het met een zuure vogt +vermengt wort. De substantie daar van komt seer over een met dat +greynagtig en stenig poeyer, dat in de hoofden van de Zee-Honden +Carcharias genoemt gevonden wort, en voor de Herssenen van die Visschen +door een onverstant in de Winkels verkogt wort. Want het is niet als een +steen of kalkagtige materie, die, even als de steen der Baarsen in de +Baars, ook soo in het Hooft van de Hond Carcharias geplaatst wort. +Diergelyk een poeyer heb ik in het Hooft van de Rog ondekt, dat meede +seer sterk met zuur opbruyst, en waarom ik oordeel, dat daar meede een +Alkalisch gelyk sout in is: gelyk ook in de steenkens, die men +Kreeftogen noemt. En hoewel deese substantie in de Vorschen vloeybaar +als een water is, soo droogt sy dadelyk op, door de warmte van de hant +of vingers, dan nooit soo hart, of men kan se seer ligt tusschen de +tippen der Vingeren, tot een fyn poeyer vryven; gelyk dat ook omtrent +die kalkagtige en vloeybaare materie in de Rog plaats heeft. Of nu dit +sout eenig gebruyk in de Medicynen heeft, of hebben kan, dat sou de +ervarentheyd moeten leeren, tot nog toe is het my onbekent. Maar ik keer +weer tot de Spieren. + +Het is dan een seer aardig en nut experiment, als men een der grootste +Spieren van een Vorsch uit de Dye separeert, en die met syn aanhangende +Zenuw prepareert, dat deselve ongekwetst is. Dit gedaan hebbende, soo +vat men de Spier aan weersyden by syne Peesen _a a_, en als men dan de +neerhangende Senuw met een schaarken of iets anders irriteert _b_, soo +doet men de Spieren syn voorige en verloore beweeging weer herhaalen. +Waarom ook dadelyk de Spier sig contraheerende, de twee handen, die syne +Peesen vatten, als te samen by een komt te trekken, gelyk ik al in het +jaar 1658 dat aan syn Doorlugtigheid, den tegenwoordig regerenden Hertog +van Toscanen, kwam te vertoonen, wanneer hy my seer onverdient geliefde +te besoeken. En dit experiment kan men soo menigmaal met deselve Spier +herhaalen, als de Senuw nog maar ergens ongekwetst is. Waar door men hem +syn contractie soo meenigmaal kan doen herhaalen, als het ons geleegen +komt. + +Maar soo men nu wil sien, en dat heel distinct, tot welken graad de +Spier in syn contractie sig komt te verdikken, en hoe ver dat syne +Peesen te samen getrokken worden; soo moet men hem door een glase pypken +losselyk heen steeken _a_, en in de plaats dat men de twee Peesen met de +Vingeren vast hielt, soo dient men daar twee fyne naalden door te +steeken _b b_, die men, niet te vast en niet te los, in een stuksken +kurk met haare punten moet vast maaken. Als men dan de Senuw irriteert +_c_, soo siet men, dat de Spier, door syn verwekte contractie, de +hoofden der naalden sal uyt haar plaats naa malkanderen toe beweegen +_d d_, en binnen in de glase pyp sal men het lichaam van de Spier selfs +sig merkelyk sien verdikken _e_, en het gansche pypken te vervullen, +stotende de lugt uyt syn plaats. Tot dat hy in syn contractie +ophoudende, de naalden weer in haar plaats springen, en dat het lichaam +van de Spier weer van het pypken afwykt, soo dat hy tussen hem en het +pypken een ope passagie voor de lugt laat. Maar soo men nu de Spier aan +syn selfs laat, of dat men hem in kout water met al de verhaalde toestel +set, soo sal men hem, haast op deselve wys, ook allengskens sien +contraheeren, en ten laatsten hem soo merkelyk in een sien krimpen, dat +hy de gansche middelste holte van het pypken sal vervullen. + +Als men nu deese voorige experimenten wel considereert, en alsoo ernstig +let op de force der contractie, of de beweeging van de Spier, dewelke hy +yder ogenblik herneemt, als syne Senuw op nieuw geirriteert word; soo +sou men kunnen vraagen: of daar tusschen de Senuw en de Spier wel een +andere communicatie nodig was, als alleen deese simpele roering, +irritatie, of beweeging? En alsoo ook in de Dieren, die heter Bloet +hebben, deese selve beweeging in de onderhoorige Spieren veroorsaakt +wort, als men haare Senuwen raakt: soo sou men deselve vraag kunnen +doen: namelyk, of daar door ook wel tusschen de Hersenen, en het Merg, +en tusschen die der Senuwen en de Spieren een andere communicatie, als +deese irritatie nodig was? want in wat voor Dieren dat het syn, daar ik +dat in getenteert heb, daar contraheeren haar de Spieren altyt, als men +het beginsel des Mergs, of ook de uytgaande Senuwen maar roert. + +Soo dat ik wil seggen, of men niet wel geheel sou kunnen verwerpen, dat +daar uyt de Hersenen een spiritueele substantie, tot de beweeging der +Spieren nootsakelyk, sou plaatselyk moeten afschieten, en dat soo +veerdig, geswint, en radt, dat deese nieuwe geesten de voorige +voortdryvende, in een ogenblik, in de alderuytersten van het lichaam, +op het minste gebieden der wil, of andersins ook wel natuurlyk moesten, +en soude konnen present syn. + +Ik en twyfel hier niet, of die geenen, dewelke de contractien der +Spieren stellen, door opblaasing, opbruyssing, en een uytgedagte +uytsettende beweeging te geschieden, sullen my hier in geheel tegens +vallen, en my voorwerpen, dat men ook in de contractie van de Spieren +deese opblaasing, of verdikking der bewegende Vesels, ogenschynelyk sien +kan. En ook, dat alle de spieragtige deelen al reede vol geesten syn, +soo dat daar maar een weynig dierlyke geesten nodig syn, om deese of die +Spieren op te blaasen, en door contractie te doen opspannen; gelyk het +oog ons leert. + +Maar alsoo deese gevoelens geheel te gront vallen, als men aanmerkt, hoe +veel maal door een simple aanporring, opwekking, of irritatie der Senuw +alleen, de Spier haar beweeging in myn voorgestelt experiment verkrygt, +en dat selfs, daar de Senuw al lang is afgesneeden geweest, en de +geposeerde dierlyke geesten vervlogen of verswakt syn, en haar werking +alreede gedaan hebben; houdende ook de communicatie met de Hersenen en +het Merg op: soo sou ik wel eens wenschen, dat men ernstig +considereerde, dat het door geene experimenten kan beweesen worden, dat +daar ooit eenige materie, in een bevattelyke substantie, door de Zenuwen +tot de Spieren afvloeyt. Want daar gaat niet als een seer geswinde +beweeging door, die soo seer snel is, dat sy kwalyk de naam verdient van +een momentelyke beweeging genaemt te worden. En daarom soo is die geest, +die beweegde of die subtile materie, die in een ogenblik door de Senuen +tot de Spieren voortgaat, met alle reden te vergelyken, met die snelle +voortgedreeve beweeging, dewelke door een lange mast of balk gaat, daar +men aan de eene syde met de vinger opknipt, en die men, bykans op het +selve ogenblik, aan de andere syde gewaar wort, als men daar syn oor +tegen aan leyt: soo dat se ook in onse Spieren selfs verscheyde +beweegingen door de Senuwen veroorsaakt: gelijk diegeene betoonen +kunnen, die dit rare, hoewel gemeene experiment, wel considereeren. + +Doet hier nu by, dat van meer gewigt is, dat de Spieren selfs, als se +gecontraheert worden, in het alderminste niet opgeblaasen, of dikker +worden, maar dat zij veel eer ontswellen; hoewel nogtans dat haare +bewegende Vesels een andere situatie aanneemen, of om eygentlyker te +spreeken, digter in malkanderen in een gaan. Gelyk diergelyk iets in een +lange en platte te samengedrukte spons te sien is, dewelke door die +samenparssing dikker en vaster wort, hoewel hy selfs een veel minder +plaats beslaat. Soo dat ik uit veele reedenen, die ik vervolgens sal +voorstellen, niet onbillyk kan besluyten, dat het korter worden en in +malkanderen krimpen, der bewegende vesels van een spier, waar door de +selve een kleender plaats beslaat; eygentlyk syn waare actie of +contractie is, die seer verkeert opblaasing, opswelling, enz. genoemt +wort. + +En hoe sou het ook mogelyk kunnen syn, dat een Spier sou opblaasen? daar +hy bestaat uyt sulke subtiele draatkens die haast het oog ontvlieden, en +die nog uit klootkens samengesteld worden? En wat materie sou het dog +kunnen weesen, om dese opblaasing te maaken, die meede door sulke +subtiele draden, daar de Senuen uyt gemaakt worden, sou moeten passeren; +soo dat dese draden haast van gelijken onsigtbaar zyn, wanneer men haar +naukeurig, sonder te kwetsen, examineert? Het geen ook klaar blykt, als +men den oorspronk der Senuen uyt het Merg considereert, dewelke daar ter +plaatse soo subtiel syn, en soo naauw van het dikke Hersenvlies +omvangen, dat daar door die opening haast geen fyn glase hayrpypken kan +passeren. Wat voor een subtiele geest sou daar dan door dezelve opening +moeten heen dringen, die nog in zijn geheel van het uytgaande +Senuwdraatken, dat daar in omvangen is, geslooten wort? En nogtans +stellen dese Autheuren niet alleen, maar sy willen selver, dat daar een +voedende materie door dese Senuen sou passeren; die sommige soo dik +maaken als het wit van een Ey; dat by my soo grof is, dat het niet +meriteert beantwoort te woorden. En alsoo weynig ook de uytgedagte +opbruissing, tusschen de geesten en het Bloet, dat de Spier sou +opblaasen: hoewel de maniere van de opblaasing t' eenemaal stryt met de +bekende structuur der spier. + +Het stryt ook ganschelyk tegens de opblaasing, en de invloejing der +geposeerde geesten, dat men klaar siet, wanneer een Spier door gesneeden +wort, en syne bewegende vesels van een verdeelt, dat egter alle die +delen haar datelyk weer als natuurlyk beweegen, soo wanneer maar de +Senuw aangeroert wort: het welk experiment men onder anderen ook in de +Kikvorsch neemen kan, en in verscheyde andere Dieren, die in het water +leeven, en bysonderlyk in de Eendvogel. + +Uyt alle welke experimenten my dan schynt niet onbillyk te volgen, dat +daar niet als een simpele en natuurlyke roering of irritatie der Senuen, +tot de beweeging der Spieren nootsakelyk is: het sy dan dat die in de +Hersenen, in het Merg, of ergens anders syn oorspronk neemt. + +Waarom men ook in veele Dieren siet, dat, soo draa het beginsel van het +Ruggemerg in het Bekkeneel geroert wort, dat haar dadelyk alle de +onderleggende Spieren beweegen. Dat meede geschiet omtrent alle de +takken der Senuen, die men, uit het Merg gaande, maar aanroert: hoewel +dat 'er op die tyt dan maar eenige en particuliere Spieren beweegt +worden, of die, daar de gerriteerde Senuw in gedistribueert wort. En +daar wel op te letten is, men bemerkt noit op die tyt, dat 'er door het +bovenste deel der Senuw een opklimmende beweeging door deselve +veroorsaakt wort in de Spieren, die uyt deselve Senuw wat hoger haare +takken ontfangen. Maar men ondervint klaar, dat de kragt, die de +irritatie, door de Senuw, in de Spier maakt, altyt uyt de grootste +takken in de kleenen, en soo geduurig neerwaarts gaat. Dat contrarie in +de gevoelige beweegingen is, daar het gevoelen, door de Senuen, sonder +twyffel opwaarts klimt. Soo dat dan, om een Spier te beweegen, de Senuw +altyt moet geroert worden op die plaats, de welke boven de Spier of syn +inplanting is; want de beweeging klimt niet opwaarts, maar altyt +neerwaarts. + +Men sou hier nu kunnen vragen, waar ik het begin van dese natuurlyke +irritatie, porring, of aanprikkeling tot beweeging, door de Senuw in de +Spieren, sou komen te plaatsen: want gelochent synde, dat daar geen +sienelyke, vloeybare, nog opblasende Geesten, plaatselyk door de Senuen +beweegt worden; maar dat daar ter contrarie, alleen een sekere +ogenblikkelyke opwekking, om de Spieren te beweegen, nodig is, en die by +my veel subtielder als de geposeerde Geesten is: soo volgt, dat deselve +niet alleen een beginsel moet hebben, maar dat 'er die beweging +overvoerende kragt door de Senuen tot de Spieren seer nootwendig is. Het +geen ik ook niet lochen, om dat de ervarentheid dat sigtbaar ende +kragtig leert. + +Soo dat my dunkt hier op gevoegelyk geantwoort te kunnen worden, dat de +oorspronk deser beweeging voornamelyk in het begintsel van het Ruggemerg +is, en dan vorder in alle de Senuen van het Lichaam te gelyk; en dat +soodanigh, dat het Merg en alle de Senuen te samen geduurig en +perpetueel geirriteert worden, om een bewegende kragt aan alle de +Spieren van het gantsche lichaam toe te senden. Want daar wel op te +letten is, ik maake gantsch geen onderscheyt tusschen de natuurlyke, +of van selfs geschiedende samentrekking der Spieren, en tusschen die, +dewelke vrywillig geschiet; alwaar ik niet als dit toevallig onderscheyt +aanmerk, dat alle de Spieren, die wy vrywillig beweegen, dat wy die niet +als door een contrarie determinatie beweegen. Waarom dan, het geen +wesentlyk in alle de Spieren, haar contractie is, altyt de natuurlyke +contractie is. En daarom cesseert in ons, en in alle Dieren de +vrywillige beweeging, of sy wort over en weer, als de tegen overstaande +Spieren ontbreeken, of dat die malkanderen in kragt overwinnen; als ik +in myn Boek van de Ademhaling alreede heb aangeweesen. En wy souden in +der eeuwigheid ons niet vrywillig kunnen beweegen, als wy de kragt niet +hadden, om de natuurlyke beweeging der tegen overstaande Spieren tot de +tegenoverstaande syde te determineeren. Maar de tegenoverstaande Spieren +ontbreekende, soo syn alle de bewegingen onser Spieren geduurig en +natuurlyk. Als omtrent veele Spieragtige deelen van ons lichaam te sien +is, daar wy gansch geen magt over hebben, om die te beweegen: ten sy het +geen daar in bevat word ons aldaar dient, in de plaats van +tegenoverstaande Spieren, en dat de selve onse Spieren eerstelyk +gedilateert hebbende, wy dan door een contrarie determinatie de kragt +verkrygen, om deselve naa onse wil te beweegen. Maar andersins soo rust +alles in een geduurige contractie, die nimmermeer ophoud. + +Maar om nu, soo veel my mogelyk is, de oorspronk van dese natuurelyke en +geduurige contractie der Spieren aan te wysen: soo is myn gevoelen, dat +het selve geschiet, door het geduurig indringen van het slagaderlyke +Bloet in het Merg en de Senuen, het welk haar dan geduurig beweegt, +opwekt, en als aanport, om die kragt gestadig, en terstont tot de +Spieren over te voeren, en haar tot 'er onophoudelyke contractie bequaam +te maaken. Waar toe dan alle Senuen, geene uytgesondert, soo veele +Slagaders naa haar proportie hebben, als de Hersenen of het Ruggemerg +selve. En ik oordeel nog, dat men dit selve seer ligt door een +experiment sou kunnen ondervinden; dat ik te _weeg_ wilde brengen, om +door de een of andere Slagader, het Merg een vogtigheid in te spuyten, +en dan neerstig waar te nemen, of daar geen beweeging in de Spieren +veroorsaakt wiert. Waarom ik ernstig versoek dog te willen letten op die +wonderbarelyke beweeging en kragt, die een Spier verkrygt, als syn Senuw +maar het minste geport wort, het sy dan door wat middel dat hy geraakt, +beweegt, of geirriteert wort. + +Maar het is nu tyt om verder te gaan, en om door een naukeurig +experiment te bewysen, selfs aan het gesigt, dat een Spier in syn +contractie niet opswelt, of sig opblaasende, daar door dikker wort, en +bygevolg geen grooter plaats beslaat: maar ter contrarie, dat hy veel +eer, en dat sigtbaarlyk ontswelt, en alsoo in syn actie of contractie +synde, minder plaats beslaat, als wanneer hij geextendeert synde komt +als te rusten. Ik seg als te rusten; want dat een Spier oit in het +geheel van syn beweeging sou ophouden, dat kan ik niet bevinden, dat hy +immermeer in het leven doet; maar hy beweegt sig dan alleen soo sterk +niet. Of wel hy hersamelt syn tegenstrevende kragt, om sig een ogenblik +daar naa soo veel te sterker daar door te contraheeren. Als in de +beweeging van het Hert en syn Oorken, in de Kikvorsch klaar te sien is. +Daar men het Bloet, dat van de omtrek des lichaams in den omloop des +Bloeds weerkomt, (en in het Oorken siet bewoogen te worden) even als de +tegenoverstaande Spier van het Oorken moet aanmerken, die haar +dilateert; en het Oorken selve is de tegenoverstaande Spier van het +Hart, dewelke door het Bloet, dat zy in het Hart uytstoot, wederom het +Hert dilateert: en waar uyt dese wonderlyk, herhaalde, en geduurig +gecontinueerde klopping des Harts syn oorspronk neemt; dat ook +t'eenemaal natuurlyk en noodsakelyk is; alsoo dese twee Spieren, +namentlyk het Oorken en het Hart van een ongelyke grootte ende kraght +syn, waar door haar beweeging ook nootsaakelyk over en weer is. En sy +sou in het geheel ophouden, indien het Oorken soo vast en van sulke +kragt was, als het Hert: want daar de tegenoverstaande Spieren in het +lichaam gelyk syn, daar is de beweeging der Spieren onopmerklyk, en +alles staat in balans, tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt, +die de eene Spier wat sterker als de andere doet beweegen, en onse +leeden alsoo roeren: dat uyt verscheyde oorsaken komen kan; die dese +determinatien te weeg brengen. + +Als by exempel, wanneer men een hayr uyt syn Hooft neemt, en dat ses of +agt dubbelt te samen vouwt, en dat men ymant, die ons niet en siet, syn +vel in de hals daar meede heel saft irriteert, soo heb ik dikmaals +gesien, dat de beweeging van de tegenoverstaande Spieren van de Arm en +Hant gedetermineert wierden, soo dat de Persoon, datelyk en sonder veel +attentie, syn hant op die plaats, daar hy de kitteling gevoelde, kwam te +beweegen, en die ook heel vermakelyk te krauwen, selfs tot root wordens +toe, beeldende sig mogelyk in, dat daar een Luys of Vloy sat. En als ik +cesseerde in die irritatie, soo bleef de Arm ende de Hant in rust, om +dat nu de natuurlyke irritatie in alle de Spieren egaal was. Als men dit +experiment in de slapende Honden of Katten doet, soo siet men van +gelyken, dat 'er ook terstont een determinate beweeging komt in de +Spieren, die haar huyt beweegen, dewelke sy dan seer aardig rimpelen, en +het Hayr als te berge setten, of doen oprysen, en somtyts sal men haar +ook al slapende de ooren sien schudden. Waar uyt men voor een kleen +staalken siet, op wat wyse ook onse Spieren, sonder groote attentie +van de wil, nogtans vrywillig beweegt worden, door yets dat bequaam +is, om haare natuurlyke beweeging der tegenoverstaande Spieren, na de +tegenoverstaande syde, te determineeren. + +Maar om nu een seker experiment te geeven, van dat de Spier in syne +samentrekking niet opgeblasen wort, maar minder plaats beslaat, soo moet +men een seer radde ende frissche Kikvorsch nemen, en deselve vaardig +geopent hebbende, het Hert ontdekken, en het Hartesakje met de nagelen +der Vingeren daar van afbreeken: dit gedaan hebbende, soo moet men den +eenen of anderen Ader of Slagader verkiesen, die groot genoeg is, die +men openen moet; en daar een Pypken van Glas, dat fyn genoeg is, +ingebragt hebbende, soo kan men daar door alle de Aderen en Slagaderen +des lichaams, en by gevolg ook het Hert seer ligtelyk opblasen. Want als +ik in het voorgaande gesegt heb, soo obsteeren hier de Longen niet. + +Het Hert aldus met lugt opgevult synde, soo moet men dat met syn Oorken +door een fyn draatken behendig afbinden, en uyt het lichaam snyden. Het +welk gedaan synde, soo is het nodig een glaase spuytken by der hant te +hebben, dat in een fyn Pypken moet uytgerekt syn, op syn eene eynde. +Voorts moet men het opgeblase Hart met syn Oorken boven op de vlakte van +de Suyger leggen, en dat met malkanderen in het glase spuytken steeken, +vullende ondertusschen syn uytgerekt Pypken, met een seer kleen +droppelken water, of water en Bloet, om het te beeter te sien. + +Dit nu alles soo omsigtig, als mogelyk is, volbragt hebbende, soo sal +men sien, wanneer het Hert _a_ sig binnen in het glaase Spuytken _bb_ +contraheert; dat dan het droppelken water, 't geen boven aan in het +Pypken geplaatst is _c_, sal merkelyk ende verwonderlyk nederdaalen, tot +aan syn begintsel, daar het uyt de Spuyt syn oorspronk neemt _d_ en als +het Hert sig weer dilateert, soo sal men distinct sien, dat het +neergedaalde droppelken _d_, weer sal om hoog bewoogen worden, tot de +plaats _c_, daar het van daan is bewoogen geweest. + +Het welk experiment ons infallibel leert, dat in de contractie van de +Spier van het Hert, niet alleen alle de bewegende vesels van het selve +haar in malkanderen sluyten, en vaster ende dikker worden, maar dat het +nog daar en booven een veel minder plaats komt te beslaan, als te vooren +in syn dilatatie. + +Dat dan ook de reeden is, waarom de droppel water _c_ naa beneden +beweegt wort _d_, en datse het in een sig samentrekkend Hert nootsakelyk +moet volgen. Daar dit droppelken _c_ ter contrarie, indien daar op +deselve tyt als het Hert sig contraheerde, een opblasing, opswelling of +verwyding van geesten binnen geschiede, niet neerwaarts tot de spuyt +_d_, maar om hoog en opwaarts in het Pypken _e_, nootsaakelyk moest +bewoogen worden. + +Maar dit niet geschiedende, en het contrarie sigtbaarlyk gebeurende, soo +kan ik als een onweersprekelyk vaste waarheid voorstellen; dat de Spier +van het Hert in syne contractie een merkelyk mindere plaats beslaat, als +in syn dilatatie: en ook dat daar geen van de gesupposeerde geesten +inkomen, die men tot nog toe gemeent heeft, dat het Hert of de Spier +daar van opblaasden in syn samentrekkende beweeging. + +Soo men nu hier by een Kikvorsch levendig opent, en men let op de +beweeging van syn Hert ende het Oorken, soo sal men bevinden, datse +inkrimpt en kleender wort: en als wederom, het Hert sig op syn beurt +contraheert, soo sal men het van gelyken sien inkrimpen, kleender worden +en in sig selven intrekken. Waar uyt blyken sal, dat tusschen dese twee +contractien van het Hert, het sy binnen, het sy buyten de spuit, gansch +geen onderscheyt is, als alleen dat het Hert buyten de Spuit met Bloet +gevult is, en dat het binnen in de Spuit met lugt opgevult is. + +En omtrent dit tweede valt nu bysonderlyk aan te merken, wat daar in het +Hert gebeurt, wanneer het sig dilateert, en dan ook wat daar geschiet, +als het sig weer contraheert. Omtrent de dilatatie van het Hert soo siet +men heel distinct, dat het Oorken sig eerst begint te contraheeren: waar +op men voorts de lugt daar siet uyt bewoogen te worden, en in het Hert +overgevoert. Het geen te weeg brengt, dat het Hert merkelyk uytgespannen +wort, en sig in de Spuit vertoont, als of het vol bellekens en blaaskens +was, en ook soo wort het bleeker, doorlugtig, en ongelyk van facie, dat +syn oorspronk neemt, om dat de beweegende Vesels en vleesige +pylaargewyse draaden overal niet even dik syn, waar door de eene plaats +van het Hert, tusschen de pylaargewyse draaden, meerder door de +ingeperste lugt uytgeset wort, als de andere: waar op dan volgt, dat het +droppelken water in het glaase pypken synde, opwaarts bewoogen wort. + +Maar de beweegende Vesels van het Hert, sig weer samentrekkende, soo +siet men eerst, dat het Hert sig sluyt ende kleender wort: voorts siet +men, dat het de lugt weer in syn Oorken perst, waar op het terstont +roder en min doorschynende wort, en in sig selfs intrekkende sig weer +van een gelyke facie vertoont. En alsoo het op die tyt al de lugt, die +daar binnen in geblasen is geworden, niet in het Oorken kan perssen, soo +sluyten syne bewegende Vesels haar soo ongemeen sterk in malkanderen, +dat selfs de lugt, die daar binnen in is, op die tyt verdikt wordt. Waar +op dan volgt, alsoo het Hert nu minder plaats beslaat, dat het +droppelken water, dat in het Pypken van het glase spuytken is, +nederwaarts gedrukt wort. + +En dit selve heeft ook plaats in het Hert, dat natuurlyk met bloet +gevult is geworden, 't geen de omringende lugt wegstoot, als het in syn +dilatatie door het bloet wort uytgespannen: en als het sig weer +samentrekt, en het bloet uyt sig stoot, soo wort het verkleent, en het +wort van de lugt naa proportie soo veel ingevolgt, als het in sig selven +intrekt: daar wel op te letten is, alsoo het seer sigtbaar in het leeven +is. Ook verdikt sig het bloet eenigsins, wanneer als het Hert, sig +selven daar sterk om toetrekt, en het met gewelt uitdryft. En als +weederom het Hert, door het nieuw ingestorte bloet, gedilateert wort, +soo wordt ook het bloet eenigsins verdunt: waar meede dat dese +natuurelyke actie van het Hert en het bloet, met de actie van het Hert +en de lugt in dit experiment, over een komen. En hoewel men sou mogen +tegenwerpen, dat 'er natuurelyk in het leeven geen lugt tot het Hert +nadert, nog dat deselve daar van weg gestooten wort; soo blykt dat heel +contrarie in de Gyrinus, daar men het kloppent Hert de uyterlyke huyt +siet beweegen, die dan het Hert in de klopping wykt en involgt; dat +deselve saak is, als of de lugt immediaat tot het Hert naderde: en soo +moet dit ook van alle andere Dieren verstaan worden, die Longen of Kuwen +hebben, en alwaar de Borst beweegelyk is: ja het heeft ook sonder alle +twyfel plaats in alle de beweegingen der Spieren. + +Soo men nu een Hart uyt de Kikvorsch neemt, dat niet opgeblasen is, maar +enkelyk uyt het lichaam gesneeden, en dat men het selve op de beschreeve +manier in de glase spuyt plaatst, soo sal men van gelyken sien, dat het +nederdalen van het droppelken water daar ook soo geschiet; maar op ver +naa soo opmerkelyk niet, als in het opgeblaase Hart; hoewel egter dat +het water op deselve wys syn beweging naa beneeden sal neemen, als het +Hert sig contraheert. En de ervarentheid heeft my ook geleert, dat +veeltyts dese nederdaling van het droppelken water soo weynig is, dat +het niet als door een Vergrootglas is te bemerken. Het geen syn +oorspronk neemt, door dien het Hert in syn contractie ten deele blyft, +en dat het door het Oorken niet geextendeert wort, dewelke ook daar toe +onbequaam is, alsoo het geen Bloet nog lugt dan voortdryft, om het Hert +te dilateeren. Waarom het dan ook nootsakelyk is, dat de contractie soo +veel kleender is, en de beweeging in de droppel soo veel minder om te +observeeren. Maar soo men op die tyt maar het Oorken alleen opblaast, +en dat sy door haar contractie de lugt in het Hert perst, soo is dit +experiment kennelyker. + +Maar of men nu een Spier selfs wilde neemen, in de plaats van Hert, soo +kan men procederen, als in de agtste figuur van my afgebeelt is: alwaar +het glase Spuytken _a_ de Spier van binnen _b_ in sig besluyt, synde syn +byhangende Senuw, sonder te quetsen of te perssen, in een samen geboogen +en subtiel silver draatken _cc_ gevat, het welk ik dan doe passeren door +het oog van een koperdraat, dat op de suyger van de Spuyt vast +gesoldeert is _d_. Dit alles soo bestelt hebbende, soo moet men een +droppelken water _e_ in het fyne Pypken van de Spuyt, door een subtiele +tregterken laaten loopen: en als men het silverdraat langsaam met de +hand _f_ door het koper ringeken, tusschen de suyger en het glas van de +Spuyt doortrekt, tot dat de Senuw daar tusschen in komt geirriteert te +worden; soo siet men, dat dese Spier op deselve wys contraheert, als van +het opgeblasen Hert gesegt is; en dat ook de droppel water sig meede +eenigsins naa beneden beweegt, sonder datse opwaarts beweegt wordt. Dan +dit experiment is seer teer, en daar moeten soo veele omstandigheeden +omtrent waargenoomen worden, dat het selfs verdrietig is. Waarom ik een, +dat ligter is, heb uytgedagt. + +Het selve bestaat, in dat men een glaase Spuytken neemt _a_, dat met een +Diamant omtrent syn spitze eynde door gedrilt is _b_. Waar door men de +gesepareerde Senuw van de Spier moet plaatsen _c_: maar alsoo de lugt +door die opening heel ligt, als men hem tot contractie irriteert, kan +passeeren, dat het neerdalen van het droppelken water belet; soo is het +voor al nodig, de opening van het Glas, daar de Senuw door gepasseert +is, te sluyten: dat men met wat vislym en styfsel seer gevoegelyk doen +kan. Dan om de waarheid te seggen, het droppelken water word soo weynig +neerwaarts ook in dit experiment bewogen, dat het haast onopmerkelyk is. +Waarom dan om dit experiment te doen, niet beter als het Hert is, dat +een redelyk langen tyt, en genoegsaam in syn beweeging continueert, die +het eens ontfangen heeft, tot dat deselve verdwynt. + +En soo men de oorsaaken aanmerkt, waarom dit experiment soo sensibel, +omtrent de Spier, als wel omtrent het Hert, niet en is: soo vind ik die +te bestaan, in dat daar geen tegenoverstaande Spier omtrent is, die hem +van buyten dilateert, of ook geen ingedreeve Bloet, dat de Bloetvaten +uytset, en hem op die wys van inwendig ook een weynig extendeert. Dat +alles seer nodige vereystens syn, om een volmaakte contractie van een +Spier te hebben. + +Maar de experimenten, die over eenigen tyt bygebragt syn, dat het Bloet +tot de contractie der Spieren nootwendig is, die syn van gansch geen +gewight, alsoo het principaalste argument daar van is de toebinding van +de groote Slagader, volgens de manier van de Heer STENONIS, dat daar +niet te pas komt, als maar een Argument synde, dat niet als in syn +eerste aansien ons sou kunnen overreden. Want soo men wel aanmerkt, dat +de Wervelbeenen, verscheyde Senuen, en selfs het Ruggemerg, die alle in +de Bant van de Heer STENONIS begreepen worden, op die tyt te samen +werden gedrukt en geforceert; soo volgt daar van selve uyt, dat daar +niets determinatifs uyt kan beslooten worden. En veel minder nog uyt het +experiment, waar door het Bloet uyt de Spieren, door het indryven van +water, gespuyt wort, dat t'eenemaal de bewegende Vesels der Spieren +kwetst: en daarom soo is dit rouwe experiment niet als voor een +onbedagte redencaveling te agten, die geen fondament heeft, als maar om +het eerste experiment van de Heer STENONIS te bevestigen. Daarom moet +men gewigtiger argumenten hebben, om een saak van gewigt te bewysen: +gelyk men dat omtrent de Slagaders in de Dye, en in die van de +Kikvorsch, toe te binden, sou kunnen experimenteeren. + +De Heer STENO is seer voorsigtigh geweest, in dat hy sig heeft +onthouden, van de manier te determineren, op welke dat de beweeging der +Spieren geschiede; en daarom heeft hy het ook voor onseker geoordeelt, +dat deselve sou geschieden door een invloejing van een nieuwe materie. +Maar naa dat ik hem myne voorgestelde experimenten, nu eenige jaaren +geleeden synde, getoont had, soo heeft hy my determinatief gesegt, dat +hy nu dorst staande houden, dat 'er in de contractie der Spieren geen +nieuwe materie ingevoert wiert; soo dat wy in dit gewigtig point +t'eenemaal accordeeren. + +En ik kan nu ook makkelyk uyt de gewigtigheid van myne voorgestelde +experimenten staande houden, dat een spier in syn contractie niet +opblaast of opswelt, door de gesupposeerde invloejende en opbruisschende +dierlyke geesten; maar dat een Spier in syn contractie veel eer +ontswelt, of om myne gedagten beter uyt te drukken, dat hij minder +plaats beslaat. + +En dit blykt meer als kennelyk, wanneer het Hart met lugt, in plaats van +met bloet, gevult is, of ook dat het ongevult en leeg is. Alwaar dan +omtrent het eerste verscheyde Zaaken in aanmerking komen, die alle in de +contractie der Spieren kunnen plaats hebben. Als 1. dat de lugt inwendig +in het Hert gecondenseert of in een geperst wort. Ten 2. dat dan de lugt +rontsom het Hert gedilateert wort. Ten 3. dat de Vesels van het Hert, +in die actie, dan seer vast komen in een te sluyten, haare holligheeden +tusschen beyden toegedrukt te worden; en soo daar eenige lugt tusschen +beyden is, dat deselve daar uyt komt bewoogen te worden. Het welk alles +als dan voornamelyk blykt, wanneer het Hert als voor een ogenblik in syn +contractie ophoud. Wanneer ten 4. de inwendige lugt in het Hert weer +verdunt wort. Ten 5. de uytwendige verdikt, of van syn plaats gestooten. +En ten 6. dat de Vesels van het Hert weer uytgerekt of gedilateert +worden. + +Maar alsoo men my kan voorwerpen, dat dit tegennatuurlyk is, soo kan ik +daar op antwoorden, dat ik ook somtyts wel lugt in de Herten der +Menschen, die even gesturven waren, heb aangemerkt. Maar alsoo dit meede +niet ordinaar is, soo moet men in de plaats van de lugt, die in het Hert +van my gestelt wort, het Bloet neemen, dat in de contractie van het Hert +aldaar geschud, verdikt, en uytgestooten wort, als ook het Bloet, dat in +de Kroonaders van het Hert selfs is, en dat aldaar uytgedrukt wort; +waarom het Hert ook op die tyt merkelyk bleeker wort. Ten anderen, als +het Hert soo in syn selven inkrimpt, soo heeft de verdunning van de +uytwendige lugt meede syn plaats, en eyndelyk soo sluyten de beweegende +Vesels van het Hert dan meede vast in malkanderen, als dadelyk van het +opgeblase Hert gesegt is: en welkers contrarie men ook hier in de +volgende dilatatie van het Hert moet considereeren. + +Uyt alle het welke dan blykt, dat daar vry meerder saaken in de +contractien der Spieren moeten geconsidereert worden, als tot nog toe +gedaan is. Synde voor al wel in aanmerking te neemen, hoe sterk dat de +bewegende Vesels der Spieren in haare contractie in een krimpen, soo dat +ik se wel bykans driemaal dikker in sommige Dieren op die tyt heb sien +worden, als wanneer sy in haare geduurige en naturelyke contractie +waren. Waar door dan alle haare inhoud, die in de vaten, dewelke daar +door liepen, ingevloeit was, met kragt uytgeperst wierd. Waarom ook een +gecontraheerde Spier in een bloetryk Dier veel bleeker is, als een +Spier, die niet gecontraheert is, als ook van de Heer STENONIS is +aangemerkt. + +En soo is dit ook de reeden, dat de gedetermineerde, of de gereitereerde +naturelyke beweegingen der Spieren, een kennelyke warmte aan het lichaam +veroorsaaken, door dien sy het Bloet door over snelle contractien uyt +haar stootende, de gansche massa bloeds soo veel te veerdiger beweeging +en circulatie toebrengen. Het welk de Chirurgyns, alleen door haar +ervarentheid, wel weten te pas te brengen in het Aderlaaten; wanneer sy +ymant een stok of iets diergelyks in de hant geeven, om die met de hant +omdrayende, en de Spieren beweegende, daar door het Bloet snelder uyt de +Aderen te doen loopen. Dat ook de imaginatie selfs doen kan, die van +gelyken onse Spieren op verscheyde wysen determineert, naa dat men sig +droevige of vermakelyke objecten voorstelt, die het Hert sluyten of +samen trekken en dilateeren. + +En ik heb selfs een jongen te Leyden in het Gasthuys gekent, van wiens +voeten het gegangreneerde vel en vleesch effen gesepareert waaren, +dewelke, als het hem beliefde, een groote quantiteyt Bloets door de ope +wonde, alleen door de beweeging syner Spieren, kon uytdrukken; sonder +dat hy syn aassem inhield. Gelyk dat ook in de beweegingen van veele +Dieren te sien is, welkers Bloet snelder uyt de wonde loopt, als sy haar +roeren, dan als sy stil leggen; hoewel sy selfs geen Longen hebben. + +En dit gaat soo verre, dat selfs de vermoeytheid hier in bestaat, soo +dat de Spieren door het overvloedig Bloet geforceert, en onbekwaam tot +haar contractie worden: dat ik de eerstemaal heb geobserveert, wanneer +ik glas aan de lamp kwam te blasen, waar door myne Wangspieren soo dik +van het Bloet opswollen, dat ik ten laatsten geen kragt meer hadt, om +die te contraheeren, en de lugt daar door uyt de Mont te blaasen. + +Het is wonderbaarlyk in de Insecten, dewelke des Winters, alsoo haar +bloet en vogtigheid als in de Vaten stolt en als bevriest, dan ook alle +de beweegingen haarer Spieren verliesen, soo dat haare leeden en voeten +in dat postuur blyven staan, als men se, sonder haar te forceeren, dan +uytwaarts buygt: en men siet, dat dese beweeging haar niet eerder weder +gegeven wort, voor dat de Lugt gematigder is; of dat men se by het vuur +brengt, daar een kleene warmte haar doet als herleeven, beweegen, +roeren, jaa lopen en vliegen: tot dat haar bloet en vogten weer een +weynig daar naa verdikt worden, dat haar onbeweegelyk maakt op een +nieuw. In dat vermaarde Kruydje roer my niet heb ik ook aangemerkt, dat +het in de Herfstmaanden sig vry minder beweegt, als in de Somertyt. + +Maar mogt ymand vraagen, wat veroorsaakt nu eygentlyk de naturelyke +gedetermineerde, of ook de kunstige en uytwendige irritatie der Senuen +binnen in de Spier? Alsoo men daar niet van kan seggen, dat daar een +sensible materie, als de Senuw geraakt wort, tot de Spier over passeert, +of daar plaatselyk in beweegt wort; maar dat de Spier ter contrarie een +materie uyt sig stoot, en een minder plaats beslaat. + +Sekerlyk dat is een harde en swaare questie, en mogelyk niet te +solveren, als uyt de gansche kennis van de waaragtige structuur der +Spier selve, die my nog onbekent is, en seer verre te soeken. Daarom sal +ik hier handelen, gelyk men met het gebruyk van het Oog gedaan heeft, +welkers manier, hoe het gesigt geschiet, men sonder het Oog waarlyk te +kennen, heeft aangeweesen. Daarom soo het my geoorloft was door een +rouwe gelykenis de saak te verklaren, ik sou seggen, dat het in dese +gelegentheid ging, gelyk met ymant, die seer sagt de Saadkokers van +Kruidje Roer my niet van Dodoneus, of de andere Balsamita van Fabius +Columna kwam aan te raaken, het welk door twee a drie senuw en +kruidagtige Veselkens gedilateert of gextendeert synde, dan door die +momentelyke irritatie de kragt verkrygt, om sig seer schielyk en geswint +te contraheeren. En in der daat, indien dese Veselkens die haar soo +schielyk contraheeren, self eer haar saat ryp is, niet in een kronkelden +en weg sprongen, maar datse, gelyk het in een gekrompe leder, haar weer +lieten dilateeren, en op een nieuw door irritatie te samen trokken; men +sou daar omtrent een seer raar voorbeelt van een Spier vinden, wiens +voorname actie in een contractie bestaat, die op de dilatatie volgt: +waar door dat de contractie, en niet de dilatatie, het eygentlyke +officie der Spieren is: dewelke haar geduurig, selfs naa de doot der +Dieren, tragten te contraheeren, jaa ik heb ondervonden, dat een Spier, +die ik eenige jaaren in een Balsem bewaart had, sig nog contraheerde, +wanneer ik hem naderhant in de selve Balsem opkookte. + +Maar dese gelykenissen daar latende; soo staat dit experiment +onweersprekelyk vast, dat als de Senuw van een Spier geroert wort, dat +dan ook dadelyk de Spier geroert wort. En alsoo ik heb aangewesen, dat +de Spier in syn contractie minder plaats beslaat, als in syn dilatatie, +soo volgt daar ook onweerspreekelyk uyt, dat daar dan geen nieuwe +opblaasende materie invloeyt; en dat het een onbevattelyk subtielder +materie moet syn, die op dat ogenblik, sulk een wonderbarelyke beweeging +daar in veroorsaakt. Sonder dat men seggen kan, datse yets anders in de +Spier doet, als de wint, een vinger, een stoksken, of een borstel, tot +de samentrekkende Saadkoker van het Kruidje roer my niet doet, om haare +Veselkens te doen contraheeren. + +Waar uyt ik dan oordeel te volgen, als boven alreede gesegt is, dat als +een Senuw geduurig geirriteert wort, dat dan ook de Spier in een +geduurige contractie, of ten minsten in een gestadige tragting en +renttentie tot deselve sou weesen. Als ik voor deesen in myn Tractaat +van de Ademhaaling heb aangeweesen. En ik nu terstont wat klaarder sal +openen, door een manier voor te stellen, waar door men de geduurige +beweegingen der Spieren eenigsins kan considereeren. + +Maar eer ik daar toe kom, en te gelyk dit discours eyndige, soo is het +seer nodig aan te merken en te sien, op wat manier de Spieren gestelt +syn, eer sy haar ooit beweegt hebben. Het welk voornamelyk omtrent de +Insecten te bespeuren is, en omtrent de begintselen der Spieren in +grooter Dieren, alwaar men dan siet, datse meesten tyt in een gedrongen +syn, en van couleur wit en vliesagtig; synde heel in haar begintsel als +uyt geleyagtige vogtigheeden bestaande. In de Insecten is dit seer +aanmerkelyk, datse in die tyt, wanneer het Dier een andere gestalte sal +aanneemen, als onsigtbaar syn, en in een geringe tyt seer toenemen en +aangroeyen, dat ook gansche leedematen doen, als voornamelyk omtrent de +Beenen en haare Spieren geschiet, die men verwonderlyk siet aangroeyen, +en door ingedronge vogtigheeden of bloet uytgeset te worden, even als +met een opspanning van overtollige vogtigheeden. Waar door dan die +deelen met 'er tyt, als tegens haar natuur, uytgerekt en als een Boog +gespannen worden: dat voornamelyk in de Insecten plaats heeft, welkers +Spieren ook veel langer beweegen, als die van eenige andere Dieren, +selfs naa dat het Hooft al eenige dagen van het lichaam gesneeden is +geweest. En men siet ook, dat als se uyt haare afgelegde huit breeken, +dat dan ook haare lichamen seer schielyk groot en uytgespannen worden. +Dat ook naa proportie stant grypt in de Dieren, die een heter bloet +hebben. En het geen te weeg brengt, dat haare Spieren sig soo veel te +sterker dan weer tragten te contraheeren, en in sig selven te krimpen. +Ook siet men klaarlyk, dat als de Spieren haar nu beginnen te beweegen, +datse door het bloet, dat zig inwendig indringt, en haar voor een +gedeelte dilateert, veel roder worden, en datse door de Bloetvaten, die +haar door loopen, en haar bewegende Vesels uytrekken, meerder werden +uytgeset. + +Waar uyt blykt, dat in alle de contractien der Spieren een dilatatie +moet voorgaan, die ik driesins stelle, als eerstelyk, in natuurelyke en +vrywillige samentrekkingen der Spieren door het ingedronge Bloet, dat +haar voor een gedeelte dilateert. Ten tweeden in naturelyke +samentrekkingen door de inhoud, die de beweegende Vesels uytrekt en +dilateert, waar door haar nog meerder Bloet ingevoert wort, en sy tot +haar contractie gedisponeert worden. Ten derden in vrywillige +samentrekkingen, door de determinatie van de tegenoverstaande Spieren, +die omtrent de tegengestelde Spieren het selve effect doen, dat de +inhoud doet omtrent de Spieren, die haar naturelyk beweegen. + +Maar wat nu die subtiele materie, die door de Zenuen in de Spieren +geduurig invloeit, tot haare contractien doet; en of sy de bewegende +Vesels aanstoot, en eenige Bloetvaten, die van de Senuen in de Spier +omwonden worden, opent; of wel, datse haar met het Bloet vermengende, +dat schielyk doet opwellen, opbruisschen, en de eerste beweeging geeft, +om weer uyt de Spieren gedreeven te worden, soo dat daar in een ogenblik +de contractie van de bewegende Vesels op volgt; van dat alles kan ik +niets determineren. Soo dat ik het selve, om verder naa te denken, daar +late. + +Maar wat de vordere saaken van my voorgestelt aangaat, daar omtrent meen +ik met een goet fondament te kunnen vast stellen. 1. Dat alle Spieren +natuurelyk, dat is eer sy haar actie oit gedaan hebben, gecontraheert +syn. Ten 2. dat haare contractie voor een gedeelte cesseert en als +ophout, door de vogten van bloet of diergelyke, die tot haar door de +Vaten inwendig ingevoert worden. Waar door sy dan, als door een eerste +oorsaak, eenigermaten uytgespannen of gedilateert worden, blyvende nog +in haar contractie: maar waar door evenwel de omringende lugt naa die +proportie uyt syn plaats gestooten en op een gedrongen word, naa de +welke sy gexpandeert syn. Ten 3. dat tot het volkomen uytspannen of +dilateren der Spieren, als een tweede oorsaak seer veel doet, de inhoud +der Ingewanden, bollvgheden, en pypkens des lichaams, daar de bewegende +vesels om heen loopen, dat in de naturelyke bewegingen plaats heeft: +en dan ook bysonderlyk de contrarie determinatie der tegenoverstaande +Spieren, dat in de vrywillige beweegingen stant grypt; alsoo de +beweegende vesels door beyde dese oorsaaken, en in beyde dese +verschillig geplaatste Spieren, merkelyk uytgespannen worden, en de +Bloetvaten derselve gedisponeert, om nog een veel groter quantiteyt +bloets in haar te ontfangen, als ook om haar weer te sterker te +contraheeren: synde nu volkomen gedilateert. En dat ten 4. soo veel te +meer, alsoo de weg gestooten en verdikte lugt, die geduurig tot syn +dilatatie door het evenwigt der lugt bewoogen word, de Spieren 900 veel +meerder komt aan te persen, om haar eerste en natuurelyke contractien, +daar sy van selver ook nu toe bewoogen worden, weer te herneemen. Waar +by dan komende ten 5. de geduurige en natuurelyke irritatien, die door +de Senuwen in de bewegende Vesels der Spieren selfs verwekt worden, en +waar door se tot haare contractien gestaadig door het circulerende bloet +aangeport worden, dat het begin des Ruggemergs en alle de Senuen +onophoudelyk door de Slagaderen word ingeperst; of ook door de +uytwendige objecten, die het bloet verscheydelyk komen te beweegen, aan +het begin des Mergs en de Senuen word gecommuniceert: Soo worden ten 6. +de Spieren nootsakelyk gedisponeert en als gedwongen, om haar eerste en +natuurelyke contractie weer te herneemen, het sy dat die natuurlyk of +vrywillig syn. Waar uyt ik dan ten 7. als een nootsakelyk gevolg kom +vast te stellen, dat in alle weerkeerige contractien der Spieren, als +dan haare inhoud weer uyt de selve komt uytgeperst te worden: alsoo de +uytgerekte bewegende vesels dan weer tot malkanderen koomen in te +dringen, en digt in een te sluyten; even al eens gelyk sy voor haare +dilatatien waaren. Waarom sy dan nootsakelyk een kleender plaats +beslaan, niettegenstaande men siet, dat daar eenige zwellingen in de +Spieren komen te ontstaan, dewelke alleen uyt die in een krimping haarer +bewegende vesels haar oorspronk neemen: hoewel dat men de oorsaak daar +van tot nog toe aan een opblaasing toegeschreeven heeft, die men +eygentlyk een ontswelling moest noemen. Waar uyt ik dan ten 8. vaststel, +dat alle de actin der Spieren in haare contractien bestaan, dat is in +de wederkeering tot die figuur en dispositie, die sy voor haar dilatatie +hadden. Waar door dan als de Spieren op deselve wys, of ook door haar +inhoud, of de tegenoverstaande Spieren, weer gedilateert, of tot de +tegenoverstaande syde gedetermineert worden, sy haare contractien +geduurig maaken: het sy in natuurelyke of in vrywillige bewegingen. + +En hoewel nogtans dat dit in het generaal, en bysonderlyk syn stant +grypt omtrent de natuurelyke beweegingen der Spieren, soo siet men +egter, dat het ook in de vrywillige beweegingen derselve syn plaats +heeft, en dat niet tegenstaande, hoewel de toestemming der wil in de +vrywillige bewegingen der Spieren vereyst word. Door reden, dat men +in alle vrywillige beweegingen der Spieren siet, dat daar altyt een +inwendige of uytwendige oorsaak en object nodig is, dat de contractie +der tegenoverstaande Spieren tot de tegenoverstaande syde moet +determineeren. + +En alsoo valt het dan ligt te begrijpen, door dien alle Spieren in de +staat van een geduurige contractie syn, dat daar niet als de minste +determinatie maar nodig is, het sy uyt wat oorsaak dat die spruyt, om +haar het lichaam te doen beweegen, te verplaatsen, voort te gaan, en op +andere oneyndige manieren meer te doen roeren. + +Dat niet alleen omtrent de natuurelyke beweegingen seer kennelyk is, als +in de contractie van de Oogappel blykt, die haar door haare Spieren op +het selve ogenblik sluyt en dilateert, naa dat het Oog meer of minder +van het ligt geirriteert word; gelyk men dat ook siet omtrent de +beweegende vesels der Darmen, die naa proportie haar geduurig +contraheeren en weer dilateeren, na dat de inhoud daar minder of meerder +in is, en op welke tyt de eene beweeging de ander aldaar vervangt, als +de baaren der zee doen, die malkanderen volgen: + +Maar selfs blykt het ook, dat 'er oneyndigmaal een naturelyke contractie +plaats heeft in de Spieren, die wy vrywillig seggen te beweegen: als in +het gaan, staan, het beweegen onser Armen, enz. blykt: die wy duysent en +duysentmaal roeren, sonder dat de wil daar eenige attentie toe heeft. +En op die wys sullen wy door een uytwendig object, als we met een ander +wandelen, veelmaal ymand groeten, om dat ons geselschap syn hoet +afneemt, of dat ons dat uytwendig object beweegt; sonder dat wy weeten, +wie wy gegroet hebben, of selfs dat wy die actie hebben gedaan. Soo dat +het schynt, dat onse contractien der Spieren al soo natuurelyk syn, en +geduurig door de eene oorsaak, die daar heeft doen beweegen, tot een +tweede en derde beweeging gebragt worden: als dat onse memorie +plaatselyk is, en door het eene subject op het andere komt te denken; +dat tot het oneyndige voortgaat. + +Op de selve wys, als we by het vuur sitten, soo retireren wy ons, door +de force van het irriterende object, daar van daan, en wy herstellen +onse leedematen, door veele beweegingen, sonder de minste attentie van +onse wil; soo dat het schynt, dat wy ons selfs ook niet vrywillig +beweegen, ten sy de wil selfs syn object heeft, en dat alsoo haare +beweeging een tweede veroorsaakt. Want de vlam te groot synde soo +sluyten wy onse oogleeden, of wy verdrayen ons hooft, en wy maken +alderhande andere soorten van beweegingen, na dat de objecten ons daar +toe irriteeren. + +Dat alles voor een genoegsaam bewys kan dienen, dat selfs onse Spieren, +waar door wy ons vrywillig beweegen, ook altyt natuurelyk bewoogen +worden, en dat daar niet als een inwendig of uytwendig beginsel, +oorsaak, object enz. noodig is, om die te determineeren; en selfs dat +dit beginsel tot de determinatie eerstelyk in ons moet voorgaan, eer wy +ons vrywillig beweegen. Al was het maar een invallende of verwekte +gedagte, dat selfs soo ver gaat, dat wy des nagts, door een simpele +droom of magische phantasy, ons roeren, beweegen, uyt het bed loopen, +schreeuwen en te roepen koomen; dat dan alles nergens door geschiet, als +dat wy daar door onse Spieren, die alreede in actie syn, maar contrarie +determineeren. En selfs observeert men dese dingen omtrent de +zelvswillige of natuurelyke beweegingen; hoewel die seer weynig als in +seekere opsigten van ons kunnen gedetermineert worden: want gelyk in het +begin gesegt is, onse wil heeft seer weynig magt om die Spieren te +determineeren, daar geen tegenoverstaande Spieren syn: en indien ons die +niet gegeven waren; wy souden in der waarheid de onroerlyke Planten, en +de Bomen, die haar niet beweegen, gelyk syn. + +Het geen ons dan alles klaarlyk leert, dat daar oneyndige saken in de +contractien der Spieren te samen lopen, en dat de gansche machine van +ons lichaam, en de elementen die ons omringen, dienen gekent te worden, +sal men een eenige Spier en syn actie regt expliceeren. En seker de +lugt, het ingenomen Voetsel, het Bloet, de Herssenen, het Merg, de +Senuwen, en die subtiele Materie, die in een ogenblik tot de beweegende +vesels overgevoert word, moeten hier alle in geconsidereert worden, en +nog meerder; sal men eyndelyk eens tot de klaare waarheid komen. Wat my +belangt, ik beken, dat ik yets getragt heb om te seggen, maar ik weet +ook, dat ik gehandelt heb, als of ik de heldere stralen van de Son met +een houte kool heb willen afmaalen; soo dat in myn Verhandeling geen +andere glans is, als die sy verkrygen sal, door het heldere ligt der +waarheid, dat deselve daar in te syner tyt, sal openbaaren. Het geen als +dan weesen sal, soo wanneer alle dese dingen door gelukkiger verstanden +ontdekt syn. En dat sal gewisselyk gebeuren, indien wy de natuur tot +GODS eer, en niet tot onse eyge en verwaande glorie ondersoeken. En als +dan sal men ook soo veel vergenoegen en eygen behaagen in die brandende +lust van schryven niet vinden: alsoo het werken tot GODS eer een bedryf +is, dat tegens alle de bewegingen van onsen verdurven aart stuyt, +dewelke altyt soekt gepreesen en geflatteert te weesen; en de naam te +hebben, van wel te hebben geschreeven, dat ik ook oordeel een ydelheid +der ydelheeden te syn, om dat de waarheid alleen ons fondament en onsen +roem moet weesen. Maar wie sal die uytvinden, daar wy selfs soo onwetent +in dese sigtbaare saaken syn? Waarom ik dan besluit, dat alle goede en +waaragtige wetenschappen en ontdekkingen milde gaven GODS syn, die hy +geeft aan wie het hem belieft, en die hy op syn tyt ontdekt. Wat ik nu +voorts van de Senuwen aangemerkt hebbe, dat is in de uytleggingen van +het Tractaat van de Neushoornige Schalbyter te vinden. + + E Y N D E. + + + + +Tab. XLIX. Verklaart. + + [Transcriber's Note: + + The heading "Tab. XLIX." does not appear on the Figures page. + Het opschrift "Tab. XLIX." is niet te zien op de pagina met + Illustraties.] + + +Fig. V. + +De beweging van een Spier in de Kikvorsen. + +_aa._ De twee Peesen van een Spier, met de vingeren gevat. + +_b._ De neerhangende Senuw geroert synde, waar door de Spier sig samen + trekkende, de twee handen als te samen trekt. + + +Fig. VI. + +De manier, hoe de Spier sig als verdikt in syn samentrekking. + +_a._ Een glase Pypken, daar de Spier doorgetrokken is. + +_bb._ Twee naalden door syne Peesen gestooken. + +_c._ De Senuw aangeroert: + +_dd._ Waar door de naalden _bb._, uyt haar plaats bewogen worden tot + _dd._ + +_e._ Soo dat de Spier de glase Pyp in haar midden door syn contractie + komt te vullen. + + +Fig. VII. + +De manier, hoe het Hart in syn contractie minder plaats beslaat. + +_a._ Het Hart sig contraherende, daar het in een glase spuyt op de + suyger geplaatst is. + +_bb._ De glase Spuyt. + +_c._ Een droppelken water in het Pypken van die Spuyt, dat op de + contractie van het Hart nederdaalt. + +_d._ De plaats in het Pypken, waar by aangeweesen wort, hoe laag het + droppelken _c._, als dan neerwaarts bewogen wort. + + +Fig. VIII. + +De manier, hoe een Spier in syn samentrekking minder plaats beslaat. + +_a._ De Spuyt. + +_b._ De Spier. + +_c._ De Silverdraat, daar de Senuw in gevat is. + +_d._ Een Koperdraat van boven met een oogken, daar de Silverdraat door + passeert. + +_e._ Een droppelken Water in het pypken van de Spuyt. + +_f._ De Hant die de Senuw roert, en waar door de Spier, als hy sig + samentrekt, het droppelken _e._ een weynig naar beneden beweegt. + + +Fig. IX. + +Dit vorige op een ander manier vertoont. + +_a._ De Spuyt van glas. + +_b._ Een gaatken in de Spuyt gedrilt. + +_c._ De Senuw die door dit gaatken getrokken is. + + +[Illustratie: Fig. IX] + +[Illustratie: Fig. V, Fig. VI] + +[Illustratie: Fig. VII] + +[Illustratie: Fig. VIII] + + +[Erratum: + +tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt + _text: een nienwe_ ] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + Hermanni Boerhaave + + DE USU RATIOCINII MECHANICI IN MEDICINA + + ORATIO + + Habita In Auditorio Magno + XXIV. Septembris. + MDCCIII. + + Cum Tertii Suae Stationis Anni + Labores Auspicaretur. + + + [Illustration / Illustratie] + + + REDEVOERING + + van + HERMAN BOERHAAVE + + over + Het nut der Mechanistische + Methode in de Geneeskunde, + + Door Hem Gehouden In Het Groot-Auditorium + Der Rijks-Universiteit Te Leiden, + + op den 24sten September 1703, + + Bij Den Aanvang Van Zijn Derde Ambtsjaar. + + + * * * * * + * * * * + + + _Nobilissimis et Splendidissimis Viris_ + ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS, + +D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer, +Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris +Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris +Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro. +Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae +et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad +Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc. + +D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in 's Grevelsregt, Supremae +Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc. + +D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae +in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos +Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum +Alblasserwaarde, etc. etc. + + Eorumque collegis, + _Amplissimis, Gravissimisque Viris_, + +D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et +Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario, + +D. CONRADO RUYSCH, JCto. + +D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto. + +D. PETRO VAN DORP. + + Hanc Orationem + Ea, qua par est, veneratione + Sacrat + Virtuti, et Nomini Eorum + Devotissimus + + HERMANNUS BOERHAAVE. + + + + +HERMANNI BOERHAAVE + +De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina + +ORATIO. + + +Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel +deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici +appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux, +Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni +aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et +insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam! + +Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique +principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi +inventi. + +Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti +rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium +vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu +dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe +supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur +immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento. + +Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris +disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices, +sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In +sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo +censetur. + +Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo +medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim. +Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim, +si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum +esse summum, necessitatem maximam_. + +Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed +reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata +dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati +sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa +veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet +et odia. + +Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos +tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam. +Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori +propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus +rite deduxerit. Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso +accurate omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non +dabit conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. +Ab hac ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus +pollet; adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est. + +Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari +conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem +in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit, +nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque +effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria +rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem, +collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet. + +Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein +Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici +possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam. +Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus +certa, neque minus apta usui erunt. + +Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae +cujusdam machinae constructionem reseret, clavis. + +Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti, +quam contemplamur, Universitati rerum. + +Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si +seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus, +diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus +conflatum. + +Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit +plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane +evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt. +Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum +partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem +deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici +speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie +exhibetur. + +Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina +explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non +quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine +finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares. + +Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando +majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in +minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his, +majoribusque naturam demonstrans. Sed et liquidorum scientia revelavit +multa, quae humorum per vasa nostra circumactorum ingenium, impetum, +directionemque determinant. Quare, aut ex omnibus his nihil lege +scientiae deduci poterit unquam, aut soli mechanicae in cognoscendo, +adeoque et in gubernando corpore humano palma tribuenda erit. + +Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis +observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive +emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet, +quis asseret? + +Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane +pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur, +palam facit. + +Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere +quae forte solus non possit. + +Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens +quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae +corporea rectius excutiat, artem. Id qui aggreditur, necessarium est ut +statuat rerum naturam optime explicari per ea principia, quae a quaesita +rei natura maxime aliena sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata +veri indagandi methodo longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque +se intricat absurdis, ut, nulla ejus ratione habita, propositum +demonstratum putem. + +Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab +usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex +plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito. + +Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus +ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus +mederi cura est. + +Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis +allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati +defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius +rei praeprimis necessaria habentur. + +Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam +beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales +esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima +circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus +fugiat, vel laniones norunt. Neque minus vulgatum, a corde exortum unum +horum truncum explicari in ramos laterales, figura trunci similes, eadem +ratione et divisos rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut +truncus recta pergens, in loco divisionis majori plerunque capacitate +aperiatur quam rami, qui ad latera trivii hujus porriguntur. Sinuoso +autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum latera ad +infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur, hujusque +Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem, observarunt +a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus applicuere +Medicis. + +Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales +Adorandus nostrae machinae Faber! + +Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine +voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca +cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem +propria sponte restituere queant. + +Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut +firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas +hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages +resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida +pererrant. + +Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini! + +Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine +porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum, +horumque sinus mutata constituunt figura. + +Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis +ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae, +comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum detexit. + +Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur +plurima. + +Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica +descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in +similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices +cylindricos retis structura in se mutuo patent. + +Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes +effectus quos sanguini arteri prstant, tantum pendere ab hac earum +fabrica? + +Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos, +et demonstrandos esse? + +Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, qu +vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet? + +Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatori virtutis +calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis +demonstrare queat; solus ergo Mechanicus. + +Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteri, brevis certe +levisque attentionis prmium Scientia erit totius fere humani corporis. + +Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo +arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his +recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis. + +En veram vasis lymphatici ideam! + +Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, qui +emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero +liquidiori orbatum vehat. + +Ecce venarum genuinam originem! + +Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova +per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut +novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum +repraesentare discat. + +Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in +recessu recondunt! + +Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano +affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos, +tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam. + +Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor, +simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem. + +Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi! +Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima +perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus +quam demonstras! + +Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere +corpus constat! + +Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur +ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis +moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis. + +Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum +glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris, +quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte. +Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis dubitat, +nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique +nondum illuxere? + +Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic +se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae +artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis +nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso, +villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis +dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans +amplius soloque inflatum spiritu. + +Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui +hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis. + +Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis +elasticos, sphaerodeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici; +horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic +arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis. + +Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis +machina simplici adeo perficitur apparatu! + +Certe non fit alio. + +Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem! + +Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum, +quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae +eundem praestare possent, simplicissimum sit. + +Quid tandem ex hisce concludemus? + +Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint +vasa liquidis corcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis, +et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura, +duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere +queant. + +Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim +explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem +sequutus est Babyloniorum, gyptiorum, Graecorumque choro, cum integra, +quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse. + +Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse +nunquam. + +Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et +Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui +singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum, +Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium; his jungite +juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in +abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri +estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa alia. + +Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in +aeternum verba dare? + +Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis, +metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis +locus, causa, necessitas? + +Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit. + +Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua +solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum +effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus +sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur. + +Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, demonstratio. + +Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel +simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid +vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo? + +Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et +inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad +exceptionen, directionemque radii sonori? + +Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora +ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras +formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et +dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in +vilissimo quoque animalium fabricae? + +Nunc daedalei labyrinthi, conch, vestibuli, duplicis in cochlea +turbinata spirae, loci ovalis et rotund fenestr, tot inquam +miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae +Divina manus, date rationem. + +Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni +prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo. + +De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de +fluidis subnectam. + +Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu +sanitas absolvitur. + +Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et +agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur, +rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit, +efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico +patent per experimenta indagandi. + +Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano; +unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum +scientiam, quae usum rei praestet idoneum. + +At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque +communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero +elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum +gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria +sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta +efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde oriantur. + +Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is +absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis. + +Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum +poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis est? + +Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi, +affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta +reperit Theoremata. + +Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit, +singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole +patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica? + +Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii, +Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit. + +O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in +Pulcherrima hac Speculatione! + +Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri +Mathematice docti! + +Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent +mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus +exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum +hactenus. + +Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem +ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum +explicare conati sunt. + +Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui +Aquilegum regulas ignorat. + +Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam +praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi, +sectamque condunt. + +Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae +singulares eorum virtutes absolvunt? + +An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes conflictus, +putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim +unquam? + +Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum +adhibeat. + +Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium. + +Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam +singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile +quidpiam producunt. + +Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum +Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium. + +Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem +ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam. + +Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu +omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant! + +Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri +ex communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt +expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum +factis plerumque, pervulgato palam documento est. + +Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas +inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et +sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni +condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando et insulso +fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina +stimulant. + +Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per +annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant +corpusculis. + +Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae, +et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque +particulae virtuti, actiones vitae deberi. + +Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis +et Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat +quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et +defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo. + +Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto, +venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per +vulnera, revixisse Juvenem testatur. + +Sed quid verbis opus in re clara? + +Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum +sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra +incolumis huic Urbi praestatur sanitas! + +Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida +inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta, +diluere crassa, leviora solidare? + +Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii +genium attendere cogimur. + +Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum +poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt. + +Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium +suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut +cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices. + +Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur, +evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas. + +Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus cadaver. + +Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum +cernimus. + +Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet. + +Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo +perturbatus in animi cecidit deliquium. + +Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati +sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens +motus. + +Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies +fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita. + +Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis, +naturalis et humana simul redit actio. + +Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei +spiritusve nascitur aut perit? + +Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa +ipsa redditur. + +Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam +excitat tepor. + +Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam +claritatem, certis saepe diffidit. + +Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis +exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio. + +Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum +pulmonibus cito reviviscit. + +Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus +Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice +vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere. + +Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non +evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt, +vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane +moventur et agunt vicissim agitatione? + +Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et +demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo +cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae. + +Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant +fermentorum Patroni. + +Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus +ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti +valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis +reperiunda datur. + +Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper +derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus, +dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum. + +Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui +speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et +expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam, +processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae +continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam. + +Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare, +unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse causam. + +Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem +praestant, quam noster fingit animus. + +Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo +creditur. + +Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae. + +Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset +humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere +principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem. + +Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet +quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium +operae mutatio in nobis fiat. + +Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo, +cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica +arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis +cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant. + +Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari +ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde +repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est. + +Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate +fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur. + +Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet, +simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti +signo omnia haec fieri. + +Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an +Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi +Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per +quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis +consummatione perfectus Aquilex. + +Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et indubitatis +sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum +intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum +exempli citare decet. + +Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus, +Borellus. + +Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et +Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus. + +Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata +proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum +Pitcarnius. + +Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et +Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata. + +Constabit an prosit Medico Mechanice! + +Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur +in Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu +patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica +tulit. + +Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de +Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae +frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela. + +Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant +simul, satis non video. + +Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, quae ex +proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit. + +Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis, +curandisque morbis auxilia suppeditare optima. + +Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae +deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque +comprehendet. + +Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is +idoneus, qui ei occurrat, est habendus. + +Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index, +errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille, +qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia invenit. + +Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda +Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex. + +Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam +fatetur. + +Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod +manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat +vestra sit aestimatio. + +Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis +imbutus Medicus inveniet? + +Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos +imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant, +acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum. + +Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum +reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae +facies? + +Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi +medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum. + +Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel +potus medicati haustu! + +Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria +regulae definiunt Hugenianae! + +Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica, +intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis +Commentarios. + +Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi +fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris +Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo, +cujus proprietas assumta problema limitaverat. + +Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum +vitri figurati supplemento farcit. + +En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis +Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus. + +Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur +tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed +aeterna scientia medica. + +Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum +adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis +subjici Mechanicis. + +Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus +quaeritur. + +Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores. + +Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco +tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus +junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare? + +Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex +exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum +sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam +absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis quaerat. + +Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is, +rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere _ut plurimum_ a +vitiato ejus per vasa transfluxu. + +Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus +experimentis, docent. + +Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel +contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu, +spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet _plerunque_, qui vitae, +sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus. + +Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse +gratia _inprimis_, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos docet +contemplatio. + +Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione +sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam +Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur +sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi +rationem. + +Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores +esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam +ullus Medicorum cogitat. + +Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et +contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit. + +Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli +fibrilla in corpore sanissimo. + +Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam +multiplex cohors! + +Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio +et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors. + +Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit. + +Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina +similia peragere? + +Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano! + +In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens +insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille +morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a +solo motu oriundae. + +Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati +propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos +reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo +infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet +exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia: ex +causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae, +restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi +phaenomenis quid non invenietur tandem? + +At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non +Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot +irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis +spes. + +Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae +calamitatem eadem deploraret querela! + +Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod +corpus constituit vel mentem? + +Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum +quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae obediens. + +Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, quum hac +insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque +dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat? + +Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio. + +Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne +declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico. + +Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti +fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non +esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et experimento. + +Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi +titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere +medicis, volumina. + +Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis +satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in +illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse +ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio. + +Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius +illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium, +quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum. + +Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu +veritatem nunquam sic detectum iri. + +Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi +Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum +negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent, +sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa +dein artis elementa applicata Mechanica conderent. + +At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam, +exempla ignominiae citent exspecto. + +Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus, +accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum. + +Quo enim talis pertinet Oratio? + +Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam desidero. + +Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis +curandis qui post habet, insaniet. + +Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui +Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum +sumserat Oratio. + +Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi, +interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus +imago animo obversatur meo, Medici. + +Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens, +tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum, +Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in +alia corpora, Virium. + +His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab +obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo +conciliare prudentiam. + +Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris, +clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui +fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in +fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat. + +Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa +rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et +Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aris, Salium, et aliorum +maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones. + +Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet. + +Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium +corpora brutorum aperta tacitus circumfert. + +Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus, +curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem. + +Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet +cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium virtutes. + +Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus +recentiorum industria pomoeria extendit anatomes. + +Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum +accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem. + +Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis, +Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et +extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in +sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam evolvit. + +En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat! + +Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio +Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu +festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi +patent. + +Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole +collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur, +firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem. + +Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia? + +Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex +cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum? + +Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia, +castigatissima caute procedit fide? + +Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris, +et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae +proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem +accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam? + +Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel +minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi +immutabilis causa. + +Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima +picturae parte adumbratum. + +In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa sculapii penetralia! + +En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta! + +Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret +mellis medicati. + +Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis +arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et +remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus +addiscens; tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et +his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique +curationemque morborum firmet. + +En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem! + +Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me +animus, evictum. + +Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam +feci. + +Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium +summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate +vestra Musagetae Illust. medicinam docui. + +Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam. + +Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis, +sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita, +commendare affectabo. + +Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua +incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici +contemplati primis miremini ab annis. + +Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis +formosi, salutares hominibus audiatis genii! + +Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam +Medica Sapientia. + +Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios +reddere vos possit. + +Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus +effectu beatus his in terris nemo carere poterit! + +Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum! + +Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via. + +Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta, +perrupere fortes, Vos alacres sequamini! + +Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores longe +Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, Pergamenae +tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca. + +Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui +sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret, +Volderum. + +Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe +majorem Virum! + +Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice +hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et +candide meminero. + +Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse +censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare +commodum opere ipso testari possim. + +Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt, +observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices +arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti +slatione, vires dederit Deus! + +Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici +hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus +opus! + +Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae +facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate +certe cedam nulli. + +Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam +profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii +felicitas claritate famae plures alliciat. + +Hoc enim votum illud est, _Illustrissimi Curatores, Amplissimi Coss._, +cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in Academia +gestarum rationem Vobis reddere audebo. + +Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium. + +Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre +me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias! + +Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum +adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem +excitastis denuo. + +Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris +eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri +favoris integritatem. + +Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia +meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni. + +Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero, +quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam alacrior! + +Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et +Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo! + +Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam +sedulus! + +Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me +facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem. + +Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii +aequitatem Orbi ipse comprobem! + + DIXI. + + + * * * * * + * * * * + + + _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_ + CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT, + +Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek, +Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste +lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke +orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde +Nederlanden, gouverneur van 's Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij +H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst van +Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz. + +Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van 's Grevelsregt, voorzitter +van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz. + +Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en +afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van +Alblasserwaarde, enz. enz. + + _Den Edel Achtbaren Heeren_ + +Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en +secretaris van het college van Curatoren. + +Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH, + +Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN, + +Den Heere PIETER VAN DORP, + + draagt deze redevoering + met verschuldigden eerbied op + de hun toegewijde + + HERMAN BOERHAAVE. + + + + +REDEVOERING + +van + +HERMAN BOERHAAVE + +over + +Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde. + +Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid, +hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe +waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten +genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner +wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen +aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men +niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde +in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een +wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne +alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke +grenst? + +Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan +ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en +ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn. + +Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire, +wetenschappen erkend. Z algemeen wordt zij gevierd als eene voor +andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen, +als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van +dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof +nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk, +opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij +niets goeds vermag tot stand te brengen. + +Deze meening is nu echter mijns inziens z geheel en al bezijden de +waarheid en tevens z verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik +gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur +voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting +als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal +duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde +van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_. + +Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke +rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit +echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo +welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds +lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit +deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus +terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar +hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, +het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en +aandacht vergt hij van zijne hoorders. + +Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de +Wiskundigen gegeven is, acht ik z evident, dat ik van niemand eenige +tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard +echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur +voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze +algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. Daar deze immers +voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke +alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles, +wat het eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog +zoo logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid +worden, die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering +geeft. En toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere +of geringere werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de +kennis van deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde +onbestaanbaar is. + +Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te +bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn +anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den +eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze +voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met +de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder +heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van +de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te +onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ne +eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij +haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen +waarneembaar is. + +Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten +langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar +voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met +behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch +zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder +waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene. + +Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere +inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen. + +Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het +menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons +omringende natuur. + +Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat +het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met +wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in +vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is +uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er +doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden. + +Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het +vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen +voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der +mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de +onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, +dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische +beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding +verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het +menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont +er derhalve alle eigenschappen van. + +Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen +zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige +behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door +zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste +gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke +eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene +oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven +grond uitgekozen zijn. + +Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de +ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door +den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na +te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen +hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop, +hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg +overeenkomen. Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele +factoren doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de +richting der door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. +Derhalve zal aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de +voorrang moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook +bij het naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij +men misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs +wetenschappelijken weg niets valt af te leiden. + +Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk +waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt +of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met +elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars +kan worden afgeleid? + +Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote +traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste +geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten. + +Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den +goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar +voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort +schieten. + +Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit +genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen +opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht +hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere +wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen +der lichamen uit te vorschen. Wie dat poogt te doen, moet zich in het +hoofd gezet hebben, dat de aard der dingen het best kan worden +opgespoord door van zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het +meest tegen indruischen, en door zoodanige personen, die het sterkst +afwijken van de onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als +de eenige, welke ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds +daardoor echter zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden +verstrikken, dat ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne +stelling bewezen mag achten. + +Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te +zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot +instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht +van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid +der menschen. + +Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de +zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle +beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim +gebruik maken. + +Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen +zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te +brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische +schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet +worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak +zelve meen niet achterwege te mogen laten. + +Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is +en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te +behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen +loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het +grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte z klein wordt, dat hij +niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de +slagers. Niet minder algemeen bekend is het, dat n hoofdstam van +deze kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die +met den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich +op hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij +echter deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht +doorloopende hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk +een wijder opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende +zijtakken. Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, +dat de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal +plaatsen wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen +invloed uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor +weinige jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden +stellingen der wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben +toegepast. + +Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende +kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme +deze buigzame kanalen gevormd! + +Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder +gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun +tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te +keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra +dit opgehouden heeft ze uit te zetten. + +MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der +slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een +stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe +kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons +het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze +dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden +voortgedreven, te doorloopen hebben. + +Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in +Zijn werk openbaart, is wel het volgende. + +De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en +die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting, +zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante +veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne +boezems. + +Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het +microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der +lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken +toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten +en planten aan het licht gebracht heeft. + +Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen +enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter +verdichting. + +Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk +voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is, +bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig +en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen +van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van +cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het +geheel er als een net uitziet. + +Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan +niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts +bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting? + +En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze +werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn? + +Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze +zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die +alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden, +systematisch uiteen te zetten? + +Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige +beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de +kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een +menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander +dan de Werktuigkundige. + +Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de +zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna +het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en +geringe inspanning van onzen geest. + +Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft, +zendt zij cylindervormige buizen uit, die z nauw zijn, dat zij de +roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere, +kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen. + +Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat! + +Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden +stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het +dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren. + +Ziedaar den waren oorsprong der aderen! + +Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door +het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat +er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar +z dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt. + +De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel +schoons bergen zij niet in zich. + +Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze +tot n geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht +daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol +dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van +een klier voor U. + +Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het +orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan +echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn +toegeschreven. + +U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd +hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke +inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te +toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts +door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt! + +En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat +immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren! + +De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons +nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande +uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever, +milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd. + +Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen +van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het +embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten +nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare +afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de +vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan +behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke +geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS? + +Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende +beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de +meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst +zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit +kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu +eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan +een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een +uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat +kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is. + + [Voetnoot 1: Met "geest", de vertaling van het Latijnsche + "spiritus", is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens + Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen + gevonden wordt (Vertaler).] + +Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst +recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE +bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van +CARTESIUS. + +Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen +verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die +afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte +wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn +echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van +lymphvaten. + +Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo +kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo +eenvoudige inrichting tot stand gebracht? + +Het is stellig niet anders. + +Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien! + +De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde +opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft +van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het +voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en +tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het +eenvoudigst is. + +Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken? + +Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks +vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen +te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te +verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische +instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid +hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te +dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren. + +Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe +waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste +bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo +vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche +schare van Babylonirs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij +volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets +anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen +ontdekken. + +De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der +ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen. + +Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde, +diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en +MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam +verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR, +BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude +meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken; +voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de +ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die +tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden, +dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun +onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde +bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken. + +Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en +ons maar steeds wat op de mouw speldt? + +Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen, +chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is +hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen? + +Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar +verzonnen verschijnselen. + +Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun +gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste +wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt. + +Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_ +uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts +_hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar +de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien +heeft. + +Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_ +wetenschap ervaren Meester geleverd wordt. + +U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, +wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het +hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het +waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht. + +Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het +midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden +breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor +het opvangen en richten der geluidsgolven? + +Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de +richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de +velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat +daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging +gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van +deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op +dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont? + +Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de +schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het +kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van +zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de +zeer harde rots heeft uitgehouwen. + +Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een +diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult +kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, +welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen. + +Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het +ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen +toevoeg. + +Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker +onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt. + +Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke +voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, +door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo +n enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof +en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en +vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof +afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs +experimenteelen weg kunnen opgespoord worden. + +Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik +hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze +kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zver +gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren. + +Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan +nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle +vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, +de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en +adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de +voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling +onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is z groot, +dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk +lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin +behoeft gezocht te worden. + +Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een +systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk +van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde. + +En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen +kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet +vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo +ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde? + +Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door +gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der +zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de +praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft. + +Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring +der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof +op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de +zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der +wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan +wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden? + +Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten +overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI, +MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand. + +Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de +nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder +licht lieten schijnen. + +Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle +richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen +duidelijkheid te doen kennen! + +Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de +algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap +op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten +tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare +andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd. + +Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de +zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de +werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, +een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een +belachelijk daglicht geplaatst hebben. + +En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan +begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde. + +Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig, +zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed +maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2] +noemen. + + [Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten. + In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen + chemie en alchimie. (Vertaler).] + +Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen +afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen? + +Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de +ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de +wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring +kunnen vinden in de wetten der Mechanica? + +Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik +reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden. + +Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne +hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen. + +Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer +beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op +zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor +onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient +rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij +plaats hadden. + +De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische +wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide +reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand +doet. + +De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, +waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen +geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die +gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden. + +Doch zelfs indien dit wl het geval ware, ook dan nog was de +hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op +beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat +der medische wetenschap in bezit te hebben! + +Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand, +meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene +eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld +hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht, +twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig +verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder +waargenomen feit. + +De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam +dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan +soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van +vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch, +groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen +voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen +hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten. + + [Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).] + +Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid +van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de +andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid +kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij +hunne vochten verzadigen. + +Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de +levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den +algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen +ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden +openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich +zelf? + +Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te +vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en +dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS +omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte +door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een +voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden +men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard +aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten. + + [Voetnoot 4: Een van BACO's werken draagt den titel: "Historia + vitae et mortis". (Vertaler).] + +Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies +uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in +zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder +verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het +leven teruggebracht werd. + +Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die z voor zich +zelf spreekt. + +Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren, +wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer +stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt! + +Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patinten tallooze malen +genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te +lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen +meer stevigheid te geven? + +Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te +wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de +geheimzinnige werking van het kwikzilver! + +Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben, +passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met +verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde +methoden toe. + +Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde +eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die +deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, +dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen +moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is. + +Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn +van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel +duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in +het oog springen. + +Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die +beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons. + +Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen +bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam. + +Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel +zijn eigen oogen willen gelooven. + +Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde +stroomend bloed in zwijm gevallen is. + +Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste +en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden +worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop +brengt, ontbreekt er aan. + +Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van +dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in +beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle +droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter +dan voorheen, terug. + +En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur, +de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek +menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder. + +Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een +opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig +beginsel? + +Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien +wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren. + +Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, +die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte +behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug +te keeren. + +Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der +waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te +nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij +berusten. + +Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende +feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld +te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het +laboratorium van Hooke. + +Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat +zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden +blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren. + +Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons +het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den +grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang +overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig +te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van +vocht in de aderen. + +Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er +tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons +leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van +het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten? + +Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer +beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en +in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en +vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en +systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het +gebied der Mechanica gerekend worden. + +Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de +voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing +en zegevierenden jubel aanleiding geeft. + +Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen +door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der +beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan +dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke +en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting +aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen. + +Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van +de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet +worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf +bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en +vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der +vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft. Hij, die den +wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en +den samenhang dier deelen aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de +hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit +het hart in de slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der +hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder +terug naar het hart, zal de voortzetting van het levensproces niet +anders trachten te verklaren dan uit de mechanische werking der +ingewanden. + +Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te +bewijzen, dat uit slechts n enkelen hartslag in een gezond lichaam +elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt. + +Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat +voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid. + +De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn +veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt. + +De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij +zelven meenen. + +Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was, +indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen, +voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de +mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens +onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer +eenvoudige beginselen voortvloeit. + +De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit n +enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige +en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in +ons lichaam tot stand komt. + +Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een +microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel +door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven +wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige +samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op +hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen +dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te +stroomen. + +Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa +verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg +nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu +eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont +zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende +uitspansel. + +Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in +vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, +die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen +hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande. + +En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische +processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles +uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de +veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot +stand komt. + +Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, +een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en +niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam +werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus +gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang +vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde. + +Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de +Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en +betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, +die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, +dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op +dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn. + +Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich +bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient. + +Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit +de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en +voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS +heeft opgelost. + +Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer +hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde +geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd. + +Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS +en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND +over het oor en het gehoor. + +Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der +Geneeskunde ten goede komt! + +Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien +Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun +eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang +wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorien der +philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden. + +Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan +toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd +worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de +practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der +Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend. + +Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe +spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan, +vermag ik niet te begrijpen. + +Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der +geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de +naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven +van den gezonden mensch. + +Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig +bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de +beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten. + +Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig +kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong +en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen. + +Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak +eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden +worden, om die ziekte te bestrijden? + +Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt, +zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen +der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis +heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de +verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot +herstel aan de hand doet. + +Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde +door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het +practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht. + +Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde +erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk. + +Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om +zijn uitgebreide toepassing hooggeerde deel onzer wetenschap, dat +zijn naam ontleent aan het "met de hand genezen"; oordeelt zelf, of de +chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan. + +Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van +gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is +met de Werktuigkunde? + +De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien +zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde, +voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het +waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo +teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die +er vaak een groote verwoesting in aanrichten. + +Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met +wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de +oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot +zekerheid gebracht heeft. + +Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad +door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den +patint onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke +behandeling onnoodig geoordeeld wordt. + +Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een +verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te +willen genezen! + +Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen +door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke +afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden. + +Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de +praktijk der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen +met HUYGENS' werken over het opheffen der gezichtsstoringen te leeren +verstaan. + +Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen +de anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen +lettend op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, +weldra door louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat +slechts voor die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het +licht gebrachte eigenaardigheid de kern van het probleem had +uitgemaakt. + +Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en +het onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen +van een bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt. + +Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen +van de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen +van geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij +oplevert en het succes, dat er mede te bereiken valt. + +Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal +gaan behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand +wel zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit +komen van eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis +gegrondvest en vrij van verzinselen, niet ten allen tijde +veranderlijk, maar eeuwig dezelfde zal zijn. + +Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op +de afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige +ziekten en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen +een gunstige invloed geoefend kan worden. + +Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit +resultaat wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat +het nog niet bereikt is. + +Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige +beoordeelaars. + +Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige +Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig +gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden +hebben, waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van +drieduizend jaren met vereende krachten nog zelfs geen begin van +uitvoering hebben kunnen geven? + +Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de +eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde +deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van +den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel +in normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste +gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen, +dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste +stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal +hebben? + +Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar +iets tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat +ziekten, die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg +de meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale +strooming dier vloeistof door de vaten. + +Dit leeren ons de waarnemingen van HIPPOCRATES, vergeleken met die van +SANCTORIUS en met de dagelijks door ons waargenomen verschijnselen. + +En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de +verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven, +hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te +aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de +strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een +krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der +vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of +minderen graad van dichtheid. + +Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige +werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patinten plegen te +stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven +genoemde oorzaken der ziekten wegnemen. + +Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de +verhandelingen van BELLINI over de aderlating, de prikkels en de +samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd +hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op +volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de +verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de +wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien +opstellen. + +Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te +spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde +ziekten eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig +geneesheer vermoedt. + +Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van n deel eener +machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige +deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele +machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen. + +Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of +kleine zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt +worden. + +Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan +voortspruiten uit een onbeduidend wondje van zoo'n klein deeltje. + +Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst, +ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der +tragedie, den dood! + +Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats +binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen. + +Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der +vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een +gelijke uitwerking hebben? + +Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet +plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging! + +Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje +op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer +geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor! +Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei +ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, +en dat alles uitsluitend gevolg der beweging! + +Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door +den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat +zij echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond +in een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, +wie waargenomen heeft, dat van n enkele onbeduidende afwijking +tallooze andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal +gemakkelijk inzien, dat eerst van den mechanistischen geneesheer +afdoende middelen hiertegen te verwachten zijn; wat al ontdekkingen +zullen haar ontstaan te danken hebben aan het in verband brengen der +ziekteverschijnselen met de oorzaken der stoornissen in den +bloedsomloop en de regels voor het overwinnen van den weerstand, het +herstellen der veerkrachtige beweging en het versterken der +hartwerking! + +Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons +lichaam doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid +uit niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is +uwe inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, +die gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert! + +Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte, +zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in +zijne schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp +van ons aller onwetendheid tot uiting gebracht werd! + +Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest +of van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het +wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert? + +Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in +ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en +dat _deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen. + +Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_ +mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is, +zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van +_lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken +en zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken +wil. + +Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten +oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt. + +Toch komt het mij voor, dat ik op n punt, waaraan mijn tegenstanders +hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet +onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij +laden, dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, +listiglijk ontweken te hebben. + +Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle +philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening +der geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt +hebben? Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en +proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde +slechts schaadt! + +Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij +slechts gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker +aanhangers zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; +dit leert ons de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden +over geneeskundige onderwerpen geschreven hebben. + +Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen +verbeelding opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens +uit de hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die +beginselen hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te +verklaren, blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; +en nu is het juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische +methode, die dat duidelijk aangetoond heeft. + +De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn, +kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is +uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor +hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen +van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen +geeft. + +Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en +alle onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid +hieromtrent onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen +doen, ontdekt kan worden. + +Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep +van Mechanisten, die tot de school van CARTESIUS behooren, ernstig in +het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan verkeerd +hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk lichaam te +richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen berusten, maar +zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen beoefende +wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten worden +uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van den +mensch leert. + +Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, +zooals ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik +bewijzen voor dien laster. + +Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren, +dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur +als geneesheer kan maken. + +Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben! + +Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de +Geneeskunde, maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis +der Mechanica. + +Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten +opzichte van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een +Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde. + +Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering +duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die +gelijke ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is +om zijne wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de +regelen der Mechanica vertrouwd is. + +Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven +worde, wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, +zal ik U een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij +steeds als een ideaal voor oogen zweeft. + +Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor +zijne geneeskundige studin, geheel en al verdiept in de wiskundige +beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de +inrichting van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere +voorwerpen kunnen uitgeoefend worden. + +Terwijl hij door deze studin zijnen geest oefent, kunnen hem deze +tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van +onduidelijke, ware van onware voorstellingen te onderscheiden; +tegelijkertijd zal hij, gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, +zich de zoo hoog noodige voorzichtigheid eigen maken. + +Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet +samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en +ontwijfelbare oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om +de verschillende eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar +vloeibaarheid, elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek +uitvoerig behandelt, nader te bestudeeren. + +Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe +over, de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene +uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken, +versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische, +mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de +werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten +en andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat. + +Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de +gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt. + +Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige +onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van +levend geopende dieren. + +Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid, +de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de +buigzaamheid en veerkrachtigheid der vaten. + +Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door +hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem +reeds van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen +eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen. + +Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de +vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft +uitgebreid, zien wij hem gebruik maken. + +Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane +ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van +den bouw van het menschelijk lichaam. + +Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke +hij zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem +Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met +behulp van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. +Eindelijk zal hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde +gegevens een volledig overzicht kunnen verschaffen van alle +verschijnselen, die het lichaam in gezonden toestand te aanschouwen +geeft. + +Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf +verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van +den normalen lichaamstoestand! + +Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk +nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen +samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der +Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk +gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in +die gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming +daarin ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit +afgeleid kunnen worden. + +Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze +maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der +verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling +vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al +deze onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen +dier oorzaken zal kunnen vormen. + +Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne +studin dezen weg volgt! + +En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk +vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit +welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen +grondslag uitmaakt? + +Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn, +die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar +erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt? + +Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk +nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare +methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik +vallende oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk +lichaam uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze +zintuigen waarneembaar zijn? + +Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw +merkbaar zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit +belangrijke voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die +zij maakt, een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten +grondslag vormt, waarop verder voortgebouwd kan worden. + +Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen +geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal +strevend. + +Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den +tempel van AESCULAPIUS! + +Thans doorvorscht hij de Tafelen van HIPPOCRATES en de zoo betrouwbare +geschriften der Grieken! + +Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers +vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke +gegevens te vinden is! + +Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij +pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren +ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens +verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de +uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus +opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat +gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze +regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden +resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte +een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der +verschillende ziekten. + +En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste +beeld van den volmaakten geneesheer! + +Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der +Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond. + +Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, +dat beeld te evenaren, mij daarnaar te richten. + +Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding +toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne +krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de +geneeskunde onderwees. + +Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden +ijverig na te streven. + +Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme +verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden +woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik +voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied +trachten af te dwingen. + +Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze +wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn +ongestoord welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen +beeld van den idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af +aandachtig beschouwen en er bewondering voor opvatten. + +Kwijt u z van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten +van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft! + +Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen +voor hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde. + +Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe +medemenschen kan maken. + +Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor +de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op +aarde het geluk bestaanbaar is! + +Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen +vurigen geest beteugele! + +Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van +PANACEA[5] voert. + + [Voetnoot 5: PANACEA ("Alheelster") is de naam van een der dochters + van AESCULAPIUS. (Vertaler).] + +Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geffend; +met groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het +einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun +voorbeeld! + +Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der +geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de +Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische +wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden. + + [Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus + en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding + maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze hunner + genezing. (Vertaler).] + + [Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van GALENUS van Pergamum en + HIPPOCRATES van Cos. (Vertaler).] + +Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk +gemak in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde +bloot te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige +vraagstukken toe te passen. + +Het is VOLDER, een man, die naar het oordeel der besten onder ons +geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven onzen +lof verheven is! + +Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne +openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel +verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd +ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en +oprecht voor oogen houden. + +Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe +studin kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote +mannen volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs +te leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek. + +Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te +vervullen, zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en +de waarnemingen der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten +bijeen te verzamelen, waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen +onderzoekingen, die ik geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, +toegerust met al deze gegevens, met behulp van de door mij zoo +uitbundig geprezen Mechanica, het onze bij te dragen tot den opbouw +der medische wetenschap! + +Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne +gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van +het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het +zoo mogelijk voleinden! + +Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij +ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken +aanleg en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten +worden, in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen. + +De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen +deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal +blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, +wanneer de roep van den voorspoed uwer studin aan deze hoogeschool +meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen. + +Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, +zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren +Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe +bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel +mogen onderwerpen. + + [Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden + toegesproken. (Vertaler).] + +Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven +geest behagen zal kunnen scheppen. + +Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet +minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U +verplicht gevoel, metterdaad te toonen! + +Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen +en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne +werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door +hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog +meer ijver geprikkeld. + +Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ne, die volgens het +mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere +gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij +bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat. + +Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest +ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, +hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle +gunstbejag stuit op haar af. + +Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet +van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen +onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol +getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort +te gaan! + +Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij +eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en +volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil +ik U slechts het volgende plechtig beloven! + +Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van +den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden! + +Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, +dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij +haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te +verwerven. + +Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat +gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen +blijken! + + + IK HEB GEZEGD. + + + * * * * * + * * * * + + +_Nobilissimis et Splendidissimis Viris_ +ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS, + + _Den Edel Groot Achtbaren Heeren_ + CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT, + +D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer, +Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris +Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris +Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro. +Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae +et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad +Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc. + + Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek, + Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste + lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke + orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde + Nederlanden, gouverneur van 's Hertogenbosch, buitengewoon gezant + bij H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst + van Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz. + +D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in 's Grevelsregt, Supremae +Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc. + + Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van 's Grevelsregt, voorzitter + van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz. + +D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae +in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos +Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum +Alblasserwaarde, etc. etc. + + Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en + afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van + Alblasserwaarde, enz. enz. + +Eorumque collegis, +_Amplissimis, Gravissimisque Viris_, + + _Den Edel Achtbaren Heeren_ + +D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et +Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario, + +D. CONRADO RUYSCH, JCto. + +D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto. + +D. PETRO VAN DORP. + + Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en + secretaris van het college van Curatoren. + + Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH, + + Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN, + + Den Heere PIETER VAN DORP, + +Hanc Orationem +Ea, qua par est, veneratione +Sacrat +Virtuti, et Nomini Eorum +Devotissimus + + draagt deze redevoering + met verschuldigden eerbied op + de hun toegewijde + +HERMANNUS BOERHAAVE. + + HERMAN BOERHAAVE. + + + + +HERMANNI BOERHAAVE +De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina +ORATIO. + + REDEVOERING + van + HERMAN BOERHAAVE + over + Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde. + +Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel +deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici +appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux, +Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni +aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et +insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam! + + Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid, + hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe + waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten + genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner + wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen + aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men + niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde + in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een + wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne + alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke + grenst? + +Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique +principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi +inventi. + + Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan + ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en + ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn. + +Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti +rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium +vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu +dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe +supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur +immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento. + + Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen + op het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts + eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld + zijn, voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders + ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller + wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij, + op zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend + heeft, die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij + het te danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de + beweegkracht zij, waarover wij beschikken. + +Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris +disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices, +sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In +sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo +censetur. + + Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire, + wetenschappen erkend. Z algemeen wordt zij gevierd als eene voor + andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen, + als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van + dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof + nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk, + opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij + niets goeds vermag tot stand te brengen. + +Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo +medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim. +Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim, +si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum +esse summum, necessitatem maximam_. + + Deze meening is nu echter mijns inziens z geheel en al bezijden de + waarheid en tevens z verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik + gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur + voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting + als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal + duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde + van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_. + +Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed +reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata +dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati +sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa +veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet +et odia. + + Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke + rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit + echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo + welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds + lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit + deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus + terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar + hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, + het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en + aandacht vergt hij van zijne hoorders. + +Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos +tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam. +Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori +propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus +rite deduxerit. + + Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de + Wiskundigen gegeven is, acht ik z evident, dat ik van niemand eenige + tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard + echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur + voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze + algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden. + + Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso accurate +omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non dabit +conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. Ab hac +ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus pollet; +adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est. + + Daar deze immers voortgesproten is uit de samenvatting van die + eigenschappen, welke alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige + uitsluiting van alles, wat het eene lichaam van het andere + onderscheidt, zal daaruit met nog zoo logische redeneering geen + enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden, die over den + bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En toch hangt + juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere + werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van + deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is. + +Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari +conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem +in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit, +nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque +effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria +rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem, +collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet. + + Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te + bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn + anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den + eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze + voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met + de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder + heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van + de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te + onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ne + eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij + haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen + waarneembaar is. + +Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein +Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici +possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam. +Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus +certa, neque minus apta usui erunt. + + Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten + langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar + voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met + behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch + zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder + waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene. + +Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae +cujusdam machinae constructionem reseret, clavis. + + Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere + inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen. + +Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti, +quam contemplamur, Universitati rerum. + + Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het + menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons + omringende natuur. + +Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si +seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus, +diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus +conflatum. + + Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat + het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met + wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in + vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is + uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er + doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden. + +Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit +plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane +evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt. +Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum +partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem +deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici +speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie +exhibetur. + + Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het + vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen + voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der + mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de + onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, + dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische + beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding + verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het + menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont + er derhalve alle eigenschappen van. + +Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina +explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non +quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine +finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares. + + Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen + zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige + behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door + zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste + gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke + eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene + oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven + grond uitgekozen zijn. + +Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando +majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in +minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his, +majoribusque naturam demonstrans. + + Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de + ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door + den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na + te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen + hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop, + hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg + overeenkomen. + + Sed et liquidorum scientia revelavit multa, quae humorum per vasa +nostra circumactorum ingenium, impetum, directionemque determinant. +Quare, aut ex omnibus his nihil lege scientiae deduci poterit unquam, +aut soli mechanicae in cognoscendo, adeoque et in gubernando corpore +humano palma tribuenda erit. + + Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren doen + kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der + door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal + aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang + moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het + naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men + misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs + wetenschappelijken weg niets valt af te leiden. + +Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis +observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive +emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet, +quis asseret? + + Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk + waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt + of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met + elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars + kan worden afgeleid? + +Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane +pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur, +palam facit. + + Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote + traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste + geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten. + +Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere +quae forte solus non possit. + + Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den + goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar + voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort + schieten. + +Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens +quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae +corporea rectius excutiat, artem. + + Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit + genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen + opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht + hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere + wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen + der lichamen uit te vorschen. + + Id qui aggreditur, necessarium est ut statuat rerum naturam optime +explicari per ea principia, quae a quaesita rei natura maxime aliena +sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata veri indagandi methodo +longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque se intricat absurdis, +ut, nulla ejus ratione habita, propositum demonstratum putem. + + Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet hebben, + dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van zulke + grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen, + en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de + onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke + ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter + zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat + ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen + mag achten. + +Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab +usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex +plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito. + + Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te + zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot + instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht + van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid + der menschen. + +Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus +ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus +mederi cura est. + + Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de + zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle + beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim + gebruik maken. + +Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis +allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati +defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius +rei praeprimis necessaria habentur. + + Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen + zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te + brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische + schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet + worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak + zelve meen niet achterwege te mogen laten. + +Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam +beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales +esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima +circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus +fugiat, vel laniones norunt. + + Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is + en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te + behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen + loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het + grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte z klein wordt, dat hij + niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de + slagers. + + Neque minus vulgatum, a corde exortum unum horum truncum explicari +in ramos laterales, figura trunci similes, eadem ratione et divisos +rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut truncus recta pergens, +in loco divisionis majori plerunque capacitate aperiatur quam rami, qui +ad latera trivii hujus porriguntur. + + Niet minder algemeen bekend is het, dat n hoofdstam van deze + kanalen, van het hart uitgaande, zich in zijtakken splitst, die met + den hoofdstam gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich op + hun beurt splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij echter + deze eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht doorloopende + hoofdstam ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk een wijder + opening vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringendezijtakken. + + Sinuoso autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum +latera ad infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur, +hujusque Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem, +observarunt a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus +applicuere Medicis. + + Dat echter al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, dat + de zich zijdelings vertakkende buizen op een oneindig aantal plaatsen + wijde hoeken vormen en dat deze windingen een buitengewonen invloed + uitoefenen op de doorstrooming van het bloed, is eerst voor weinige + jaren ontdekt door hen, die de scherpzinnig gevonden stellingen der + wiskunde op geneeskundige vraagstukken hebben toegepast. + +Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales +Adorandus nostrae machinae Faber! + + Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende + kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme + deze buigzame kanalen gevormd! + +Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine +voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca +cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem +propria sponte restituere queant. + + Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder + gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun + tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te + keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra + dit opgehouden heeft ze uit te zetten. + +Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut +firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas +hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages +resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida +pererrant. + + MALPIGHI was echter de eerste, die zag, dat de laatste uiteinden der + slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als in een + stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe + kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons + het eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze + dwaalwegen, welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden + voortgedreven, te doorloopen hebben. + +Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini! + + Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in + Zijn werk openbaart, is wel het volgende. + +Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine +porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum, +horumque sinus mutata constituunt figura. + + De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en + die zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting, + zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante + veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne + boezems. + +Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis +ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae, +comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum detexit. + + Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het + microscoop, het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting der + lijken met kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken + toestand en eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten + en planten aan het licht gebracht heeft. + +Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur +plurima. + + Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen + enkel; al wat er verder van verteld wordt, berust op louter + verdichting. + +Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica +descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in +similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices +cylindricos retis structura in se mutuo patent. + + Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk + voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is, + bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig + en gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen + van denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van + cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het + geheel er als een net uitziet. + +Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes +effectus quos sanguini arteri prstant, tantum pendere ab hac earum +fabrica? + + Indien het nu waar is--en niets is meer waar dan dat--volgt daar dan + niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts + bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting? + +Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos, +et demonstrandos esse? + + En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze + werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn? + +Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, qu +vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet? + + Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze + zaak uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die + alleen reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden, + systematisch uiteen te zetten? + +Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatori virtutis +calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis +demonstrare queat; solus ergo Mechanicus. + + Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige + beschouwing van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de + kunst verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een + menigte belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander + dan de Werktuigkundige. + +Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteri, brevis certe +levisque attentionis prmium Scientia erit totius fere humani corporis. + + Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de + zoo uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna + het geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en + geringe inspanning van onzen geest. + +Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo +arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his +recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis. + + Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft, + zendt zij cylindervormige buizen uit, die z nauw zijn, dat zij de + roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere, + kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen. + +En veram vasis lymphatici ideam! + + Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat! + +Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, qui +emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero +liquidiori orbatum vehat. + + Ter zelfder plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden + stam uit, die, van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het + dikkere, roode, van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren. + +Ecce venarum genuinam originem! + + Ziedaar den waren oorsprong der aderen! + +Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova +per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut +novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum +repraesentare discat. + + Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door + het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat + er ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar + z dat de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt. + +Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in +recessu recondunt! + + De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel + schoons bergen zij niet in zich. + +Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano +affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos, +tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam. + + Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze + tot n geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht + daar zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol + dit alles vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van + een klier voor U. + +Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor, +simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem. + + Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het + orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan + echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn + toegeschreven. + +Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi! +Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima +perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus +quam demonstras! + + U echter, groote MALPIGHI, die alle hersenschimmen voorgoed verjaagd + hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke + inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te + toonen, dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts + door de boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt! + +Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere +corpus constat! + + En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat + immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren! + +Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur +ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis +moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis. + + De hersenen, die reeds HIPPOCRATES een klier had genoemd, worden ons + nu door het penseel van MALPIGHI geschilderd als een massa, bestaande + uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en afvoerkanalen. Lever, + milt en nieren zijn slechts uit klieren opgebouwd. + +Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum +glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris, +quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte. +Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis dubitat, +nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique +nondum illuxere? + + Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen + van cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het + embryo, de woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten + nectars, dien de jonggeborenen drinken, vertoonen zich door hare + afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de + vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan + behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke + geschriften van MALPIGHI, KERKRING en HAVERS? + +Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic +se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae +artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis +nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso, +villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis +dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans +amplius soloque inflatum spiritu. + + Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende + beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de + meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst + zeer duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit + kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu + eigenlijk haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan + een ruim maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een + uiterst nauw nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat + kanaal, waaruit het voorkomt en slechts met geest[1] gevuld is. + + [Voetnoot 1: Met "geest", de vertaling van het Latijnsche + "spiritus", is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens + Boerhaave en andere oude geneeskundigen in spieren en zenuwen + gevonden wordt (Vertaler).] + +Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui +hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis. + + Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst + recht inzien, indien men de hydraulische proeven van MARIOTTE + bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van + CARTESIUS. + +Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis +elasticos, sphaerodeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici; +horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic +arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis. + + Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen + verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die + afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte + wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn + echter--en dit is een onoplosbaar raadsel--bijna geheel verstoken van + lymphvaten. + +Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis +machina simplici adeo perficitur apparatu! + + Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo + kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo + eenvoudige inrichting tot stand gebracht? + +Certe non fit alio. + + Het is stellig niet anders. + +Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem! + + Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien! + +Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum, +quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae +eundem praestare possent, simplicissimum sit. + + De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde + opvatting: _hij_ heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft + van _hem_, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het + voortbrengen der verlangde werking het meest geschikt en + tegelijkertijd onder alle, die deze kunnen voortbrengen, het + eenvoudigst is. + +Quid tandem ex hisce concludemus? + + Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken? + +Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint +vasa liquidis corcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis, +et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura, +duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere +queant. + + Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks + vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen + te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te + verdeelen, bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische + instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid + hunner verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te + dienen als bepaalde bewegingen uit te voeren. + +Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim +explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem +sequutus est Babyloniorum, gyptiorum, Graecorumque choro, cum integra, +quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse. + + Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe + waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste + bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo + vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat HIPPOCRATES met de gansche + schare van Babylonirs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen hij + volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets + anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen + ontdekken. + +Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse +nunquam. + + De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der + ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen. + +Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et +Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui +singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum, +Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium; his jungite +juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in +abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri +estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa alia. + + Raadpleegt VESALIUS, die de ontleedkunde in nieuwe banen leidde, + diens mededingers EUSTACHIUS en FALLOPIUS, vervolgens ook HARVEY en + MALPIGHI, die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam + verworven hebben, voorts ASELLIUS, PECQUET, BARTHOLINUS, DATHIR, + BELLINI, GLISSON, WHARTON en WILLIS, die elk op hunne beurt oude + meeningen voor nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken; + voegt bij dezen LEAL en LOUWER, die de wetten der mechanica op de + ontleedkunde toepasten, en eindelijk HOOKE, POUWER en LEEUWENHOEK, die + tot de diepste verborgenheden zijn doorgedrongen, en ge zult vinden, + dat zij met al hunne wetenschap, met alle middelen, welke hun bij hun + onderzoek ten dienste stonden, geene andere dan de twee genoemde + bestanddeelen van het menschelijk lichaam hebben kunnen ontdekken. + +Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in +aeternum verba dare? + + Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en + ons maar steeds wat op de mouw speldt? + +Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis, +metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis +locus, causa, necessitas? + + Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen, + chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is + hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele verdichtselen? + +Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit. + + Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar + verzonnen verschijnselen. + +Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua +solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum +effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus +sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur. + + Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam als hun + gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste + wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt. + + Derhalve verdienen _zij_ alleen gehoor, moeten slechts _hunne_ + uitspraken geraadpleegd, slechts _hunne_ beginselen aanvaard, slechts + _hunne_ methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt naar + de werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien + heeft. + +Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, demonstratio. + + Slechts _dat_ betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in _deze_ + wetenschap ervaren Meester geleverd wordt. + +Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel +simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid +vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo? + + U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, + wat de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het + hoornvlies, wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het + waterachtig vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht. + +Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et +inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad +exceptionen, directionemque radii sonori? + + Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het + midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden + breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor + het opvangen en richten der geluidsgolven? + +Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora +ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras +formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et +dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in +vilissimo quoque animalium fabricae? + + Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de + richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de + velerlei krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat + daaraan vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging + gebracht wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van + deze inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op + dezelfde wijze en even ingewikkeld vertoont? + +Nunc daedalei labyrinthi, conch, vestibuli, duplicis in cochlea +turbinata spirae, loci ovalis et rotund fenestr, tot inquam +miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae +Divina manus, date rationem. + + Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de + schelp, van het voorportaal, van de dubbele winding van het + kegelvormig slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van + zoovele wonderen van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de + zeer harde rots heeft uitgehouwen. + +Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni +prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo. + + Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een + diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult + kunnen begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, + welke hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen. + +De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de +fluidis subnectam. + + Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het + ligt in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen + toevoeg. + +Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu +sanitas absolvitur. + + Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van welker + onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt. + +Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et +agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur, +rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit, +efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico +patent per experimenta indagandi. + + Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke + voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, + door welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo + n enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof + en al zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en + vorm. Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof + afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs + experimenteelen weg kunnen opgespoord worden. + +Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano; +unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum +scientiam, quae usum rei praestet idoneum. + + Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik + hier niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze + kennis der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zver + gevorderd is, dat zij reeds practische resultaten kan opleveren. + +At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque +communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero +elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum +gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria +sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta +efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde oriantur. + + Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan + nemen wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle + vochten op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, + de verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en + adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de + voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling + onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is z groot, + dat de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk + lichaam in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin + behoeft gezocht te worden. + +Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is +absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis. + + Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een + systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk + van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde. + +Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum +poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis est? + + En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen + kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet + vertrouwd is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo + ingewikkelde onderdeel der Werktuigkunde? + +Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi, +affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta +reperit Theoremata. + + Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door + gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der + zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de + praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft. + +Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit, +singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole +patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica? + + Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring + der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof + op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de + zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der + wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan + wij ook in het dagelijksch leven nut ondervinden? + +Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii, +Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit. + + Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten + overtuigen, neme de werken van ARCHIMEDES, CARTESIUS, STEVIN, BORELLI, + MARIOTTE, HUYGENS, NEWTON en BELLINI ter hand. + +O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in +Pulcherrima hac Speculatione! + + Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de + nog onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder + licht lieten schijnen. + +Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri +Mathematice docti! + + Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle + richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen + duidelijkheid te doen kennen! + +Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent +mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus +exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum +hactenus. + + Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de + algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap + op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten + tijd rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare + andere hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd. + +Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem +ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum +explicare conati sunt. + + Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de + zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de + werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, + een zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een + belachelijk daglicht geplaatst hebben. + +Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui +Aquilegum regulas ignorat. + + En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan + begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde. + +Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam +praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi, +sectamque condunt. + + Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig, + zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed + maken, die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar HERMES[2] + noemen. + + [Voetnoot 2: HERMES TRISMEGISTUS is de patroon der alchimisten. + In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt tusschen + chemie en alchimie. (Vertaler).] + +Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae +singulares eorum virtutes absolvunt? + + Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen + afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen? + +An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes conflictus, +putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim +unquam? + + Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor de + ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de + wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring + kunnen vinden in de wetten der Mechanica? + +Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum +adhibeat. + + Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik + reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden. + +Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium. + + Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne + hoorders, de juistheid ervan te beoordeelen. + +Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam +singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile +quidpiam producunt. + + Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer + beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op + zichzelf staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor + onze zintuigen waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient + rekening te houden met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij + plaats hadden. + +Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum +Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium. + + De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische + wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide + reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand + doet. + +Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem +ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam. + + De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, + waaronder deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen + geval is zij in staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die + gegevens verdere conclusies getrokken kunnen worden. + +Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu +omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant! + + Doch zelfs indien dit wl het geval ware, ook dan nog was de + hoovaardij van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op + beroemen, enkel door de beoefening der scheikunde den geheelen schat + der medische wetenschap in bezit te hebben! + +Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri +ex communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt +expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum +factis plerumque, pervulgato palam documento est. + + Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand, + meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene + eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld + hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht, + twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig + verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder + waargenomen feit. + +Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas +inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et +sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni +condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando et insulso +fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina +stimulant. + + De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam + dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner[3]; deze, aan + soberen kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van + vruchten en meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, visch, + groenten en met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen + voeden zich met laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen + hunne ingewanden met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten. + + [Voetnoot 3: Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. + (Vertaler).] + +Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per +annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant +corpusculis. + + Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid + van voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de + andere categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid + kunnen behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij + hunne vochten verzadigen. + +Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae, +et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque +particulae virtuti, actiones vitae deberi. + + Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de + levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den + algemeenen aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen + ontvouwd is en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden + openbaart, dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich + zelf? + +Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis +et Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat +quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et +defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo. + + Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te + vinden is in de meesterwerken van BACO van Verulam over leven en + dood[4], door de vrijzinnige voorschriften, die HIPPOCRATES en CELSUS + omtrent de voeding van gezonde personen gegeven hebben, en ten slotte + door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons leert, dan zal ik u een + voorbeeld aanhalen, ontleend aan LOUWER, een man, aan wiens woorden + men, wegens zijn buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard + aan een helder oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten. + + [Voetnoot 4: Een van BACO's werken draagt den titel: "Historia + vitae et mortis". (Vertaler).] + +Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto, +venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per +vulnera, revixisse Juvenem testatur. + + Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies + uitgeputte jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in + zijne aderen werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder + verandering van kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het + leven teruggebracht werd. + +Sed quid verbis opus in re clara? + + Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die z voor zich + zelf spreekt. + +Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum +sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra +incolumis huic Urbi praestatur sanitas! + + Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren, + wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer + stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt! + +Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida +inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta, +diluere crassa, leviora solidare? + + Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patinten tallooze malen + genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te + lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen + meer stevigheid te geven? + +Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii +genium attendere cogimur. + + Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te + wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de + geheimzinnige werking van het kwikzilver! + +Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum +poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt. + + Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben, + passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met + verzaking van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde + methoden toe. + +Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium +suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut +cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices. + + Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde + eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die + deze naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, + dat de kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen + moet blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is. + +Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur, +evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas. + + Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn + van het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel + duidelijker zal de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in + het oog springen. + +Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus cadaver. + + Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die + beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons. + +Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum +cernimus. + + Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen + bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam. + +Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet. + + Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel + zijn eigen oogen willen gelooven. + +Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo +perturbatus in animi cecidit deliquium. + + Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde + stroomend bloed in zwijm gevallen is. + +Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati +sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens +motus. + + Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste + en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden + worden, zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop + brengt, ontbreekt er aan. + +Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies +fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita. + + Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van + dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in + beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle + droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter + dan voorheen, terug. + +Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis, +naturalis et humana simul redit actio. + + En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur, + de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek + menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder. + +Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei +spiritusve nascitur aut perit? + + Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een + opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig + beginsel? + +Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa +ipsa redditur. + + Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien + wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren. + +Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam +excitat tepor. + + Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, + die, door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte + behoeven blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug + te keeren. + +Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam +claritatem, certis saepe diffidit. + + Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der + waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te + nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij + berusten. + +Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis +exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio. + + Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende + feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld + te staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het + laboratorium van Hooke. + +Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum +pulmonibus cito reviviscit. + + Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat + zijn longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden + blaasbalg opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren. + +Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus +Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice +vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere. + + Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons + het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den + grooten Glisson wenden. Ziet, hoe hij in het lijk van een reeds lang + overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen kunstmatig + te voorschijn roept door het door middel van een blaas inspuiten van + vocht in de aderen. + +Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non +evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt, +vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane +moventur et agunt vicissim agitatione? + + Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten--en men zou er + tallooze kunnen opsommen--niet voldoende, dat ongeveer alles, wat ons + leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van + het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten? + +Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et +demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo +cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae. + + Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer + beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen doorzien en + in dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en + vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en + systematisch uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het + gebied der Mechanica gerekend worden. + +Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant +fermentorum Patroni. + + Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de + voorstanders van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing + en zegevierenden jubel aanleiding geeft. + +Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus +ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti +valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis +reperiunda datur. + + Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen + door de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der + beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan + dus slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke + en vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting + aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen. + +Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper +derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus, +dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum. + + Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van + de beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet + worden; dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf + bevindt, door de koestering der moeder wordt gaande gehouden en + vervolgens, na de geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der + vaste lichaamsdeelen haren voortgang te danken heeft. + +Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui +speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et +expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam, +processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae +continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam. + + Hij, die den wonderlijken bouw van het hart, van zijn boezems + tot zijn kamers, en den samenhang dier deelen aandachtig heeft + gadegeslagen, alsook de hieruit noodwendig voortspruitende bewegingen + van het bloed, dat uit het hart in de slagaderen stroomt, uit deze + naar het merg der hersenen, de aanhangsels, de zenuwen, spieren en + aderen en zoo weder terug naar het hart, zal de voortzetting van het + levensproces niet anders trachten te verklaren dan uit de mechanische + werking der ingewanden. + +Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare, +unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse causam. + + Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te + bewijzen, dat uit slechts n enkelen hartslag in een gezond lichaam + elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt. + +Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem +praestant, quam noster fingit animus. + + Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat + voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid. + +Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo +creditur. + + De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn + veel eenvoudiger dan men algemeen aanneemt. + +Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae. + + De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij + zelven meenen. + +Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset +humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere +principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem. + + Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was, + indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den aard der vloeistoffen, + voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de + mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens + onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer + eenvoudige beginselen voortvloeit. + +Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet +quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium +operae mutatio in nobis fiat. + + De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit n + enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige + en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in + ons lichaam tot stand komt. + +Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo, +cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica +arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis +cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant. + + Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een + microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel + door den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven + wordt en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige + samentrekking der slagader een weinig teruggedreven wordt. Op + hetzelfde oogenblik houdt de hartslag op en vallen de hartkleppen + dicht, om het bloed daardoor gelegenheid te geven, om terug te + stroomen. + +Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari +ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde +repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est. + + Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa + verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg + nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu + eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont + zich even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende + uitspansel. + +Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate +fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur. + + Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in + vloeistoffen, onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, + die zich vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen + hebben dezelfde oorzaak als de voorgaande. + +Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet, +simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti +signo omnia haec fieri. + + En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische + processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles + uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de + veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot + stand komt. + +Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an +Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi +Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per +quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis +consummatione perfectus Aquilex. + + Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, + een twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en + niet veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam + werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus + gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang + vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde. + +Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et indubitatis +sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum +intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum +exempli citare decet. + + Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de + Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en + betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, + die nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, + dan behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op + dit gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn. + +Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus, +Borellus. + + Men bestudeere aandachtig de geschriften van BORELLI, waarin deze zich + bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica bedient. + +Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et +Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus. + + Men leze na, welke ingewikkelde problemen BELLINI, een geleerde uit + de school van BORELLI, met toepassing van dezelfde beginselen en + voortbouwend op de ontdekkingen van MALPIGHI, als een tweede OEDIPUS + heeft opgelost. + +Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata +proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum +Pitcarnius. + + Vervolgens ook de problemen, die PITCAIRN, weleer een sieraad dezer + hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der genoemde + geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en opgehelderd. + +Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et +Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata. + + Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van SCHEINER, CARTESIUS + en HUYGENS over het oog en die van KIRCHER, SCHELHAMMER en MORLAND + over het oor en het gehoor. + +Constabit an prosit Medico Mechanice! + + Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der + Geneeskunde ten goede komt! + +Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur +in Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu +patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica +tulit. + + Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien + Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun + eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang + wordt voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorien der + philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden. + +Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de +Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae +frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela. + + Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan + toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd + worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de + practische uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der + Mechanica door de meeste menschen ten stelligste ontkend. + +Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant +simul, satis non video. + + Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe + spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan, + vermag ik niet te begrijpen. + +Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, quae ex +proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit. + + Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie der + geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de + naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven + van den gezonden mensch. + +Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis, +curandisque morbis auxilia suppeditare optima. + + Is deze definitie juist--en ik geloof niet, dat iemand er eenig + bezwaar tegen zal hebben,--dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de + beste hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten. + +Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae +deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque +comprehendet. + + Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig + kent, zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong + en het wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen. + +Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is +idoneus, qui ei occurrat, est habendus. + + Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak + eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden + worden, om die ziekte te bestrijden? + +Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index, +errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille, +qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia invenit. + + Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt, + zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen + der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis + heeft van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de + verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot + herstel aan de hand doet. + +Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda +Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex. + + Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde + door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het + practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht. + +Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam +fatetur. + + Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde + erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk. + +Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod +manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat +vestra sit aestimatio. + + Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om + zijn uitgebreide toepassing hooggeerde deel onzer wetenschap, dat + zijn naam ontleent aan het "met de hand genezen"; oordeelt zelf, of de + chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan. + +Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis +imbutus Medicus inveniet? + + Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van + gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is + met de Werktuigkunde? + +Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos +imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant, +acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum. + + De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien + zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde, + voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het + waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo + teere oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die + er vaak een groote verwoesting in aanrichten. + +Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum +reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae +facies? + + Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, sedert WILLIS met + wiskundig inzicht den zetel van dit verschijnsel in het netvlies en de + oorzaak er van in de slagaderen gezocht en PITCAIRN dit vermoeden tot + zekerheid gebracht heeft. + +Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi +medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum. + + Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad + door aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den + patint onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke + behandeling onnoodig geoordeeld wordt. + +Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel +potus medicati haustu! + + Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een + verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te + willen genezen! + +Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria +regulae definiunt Hugenianae! + + Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen + door brillen, welke naar de voorschriften van HUYGENS voor elke + afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden. + +Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica, +intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis +Commentarios. + + Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de + praktijk der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen + met HUYGENS' werken over het opheffen der gezichtsstoringen te leeren + verstaan. + +Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi +fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris +Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo, +cujus proprietas assumta problema limitaverat. + + Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen + de anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen + lettend op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, + weldra door louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat + slechts voor die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het + licht gebrachte eigenaardigheid de kern van het probleem had + uitgemaakt. + +Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum +vitri figurati supplemento farcit. + + Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en + het onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen + van een bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt. + +En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis +Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus. + + Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen + van de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen + van geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij + oplevert en het succes, dat er mede te bereiken valt. + +Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur +tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed +aeterna scientia medica. + + Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal + gaan behandelen--en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand + wel zoover zal brengen--dan zullen wij eindelijk eens in het bezit + komen van eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis + gegrondvest en vrij van verzinselen, niet ten allen tijde + veranderlijk, maar eeuwig dezelfde zal zijn. + +Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum +adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis +subjici Mechanicis. + + Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op + de afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige + ziekten en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen + een gunstige invloed geoefend kan worden. + +Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus +quaeritur. + + Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit + resultaat wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat + het nog niet bereikt is. + +Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores. + + Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige + beoordeelaars. + +Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco +tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus +junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare? + + Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige + Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig + gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden + hebben, waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van + drieduizend jaren met vereende krachten nog zelfs geen begin van + uitvoering hebben kunnen geven? + +Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex +exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum +sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam +absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis quaerat. + + Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de + eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde + deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van + den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel + in normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste + gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen, + dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste + stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal + hebben? + +Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is, +rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere _ut plurimum_ a +vitiato ejus per vasa transfluxu. + + Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar + iets tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat + ziekten, die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg + de meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale + strooming dier vloeistof door de vaten. + +Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus +experimentis, docent. + + Dit leeren ons de waarnemingen van HIPPOCRATES, vergeleken met die van + SANCTORIUS en met de dagelijks door ons waargenomen verschijnselen. + +Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel +contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu, +spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet _plerunque_, qui vitae, +sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus. + + En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de + verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven, + hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te + aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de + strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een + krampachtige samentrekking der vaten of in afwijkingen der + vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of + minderen graad van dichtheid. + +Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse +gratia _inprimis_, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos docet +contemplatio. + + Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige + werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patinten plegen te + stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven + genoemde oorzaken der ziekten wegnemen. + +Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione +sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam +Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur +sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi +rationem. + + Men vergelijke de gulden waarnemingen van Sydenham met de + verhandelingen van BELLINI over de aderlating, de prikkels en de + samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd + hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op + volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de + verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de + wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien + opstellen. + +Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores +esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam +ullus Medicorum cogitat. + + Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te + spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde + ziekten eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig + geneesheer vermoedt. + +Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et +contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit. + + Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van n deel eener + machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige + deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele + machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen. + +Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli +fibrilla in corpore sanissimo. + + Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of + kleine zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt + worden. + +Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam +multiplex cohors! + + Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan + voortspruiten uit een onbeduidend wondje van zoo'n klein deeltje. + +Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio +et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors. + + Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst, + ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der + tragedie, den dood! + +Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit. + + Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats + binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen. + +Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina +similia peragere? + + Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der + vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een + gelijke uitwerking hebben? + +Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano! + + Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet + plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging! + +In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens +insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille +morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a +solo motu oriundae. + + Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in een bootje + op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer + geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor! + Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei + ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, + en dat alles uitsluitend gevolg der beweging! + +Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati +propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos +reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo +infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet +exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia: + + Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door + den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat + zij echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond + in een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, + wie waargenomen heeft, dat van n enkele onbeduidende afwijking + tallooze andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal + gemakkelijk inzien, dat eerst van den mechanistischen geneesheer + afdoende middelen hiertegen te verwachten zijn; + + ex causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae, +restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi +phaenomenis quid non invenietur tandem? + + wat al ontdekkingen zullen haar ontstaan te danken hebben aan + het in verband brengen der ziekteverschijnselen met de oorzaken der + stoornissen in den bloedsomloop en de regels voor het overwinnen van + den weerstand, het herstellen der veerkrachtige beweging en het + versterken der hartwerking! + +At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non +Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot +irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis +spes. + + Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons + lichaam doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid + uit niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is + uwe inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, + die gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert! + +Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae +calamitatem eadem deploraret querela! + + Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte, + zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in + zijne schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp + van ons aller onwetendheid tot uiting gebracht werd! + +Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod +corpus constituit vel mentem? + + Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest + of van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het + wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert? + +Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum +quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae obediens. + + Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in + ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en + dat _deze_ dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen. + +Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, quum hac +insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque +dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat? + + Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering _niet_ + mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer gegeven is, + zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van + _lichamelijken_ aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te onderzoeken + en zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken + wil. + +Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio. + + Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten + oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt. + +Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne +declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico. + + Toch komt het mij voor, dat ik op n punt, waaraan mijn tegenstanders + hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet + onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij + laden, dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, + listiglijk ontweken te hebben. + +Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti +fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non +esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et experimento. + + Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle + philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening + der geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt + hebben? Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en + proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde + slechts schaadt! + +Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi +titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere +medicis, volumina. + + Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij + slechts gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker + aanhangers zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; + dit leert ons de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden + over geneeskundige onderwerpen geschreven hebben. + +Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis +satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in +illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse +ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio. + + Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen + verbeelding opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens + uit de hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die + beginselen hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te + verklaren, blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; + en nu is het juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische + methode, die dat duidelijk aangetoond heeft. + +Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius +illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium, +quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum. + + De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn, + kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is + uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor + hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen + van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen + geeft. + +Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu +veritatem nunquam sic detectum iri. + + Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in aantal en + alle onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid + hieromtrent onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen + doen, ontdekt kan worden. + +Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi +Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum +negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent, +sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa +dein artis elementa applicata Mechanica conderent. + + Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep + van Mechanisten, die tot de school van CARTESIUS behooren, ernstig in + het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan verkeerd + hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk lichaam te + richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen berusten, maar + zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen beoefende + wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten worden + uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van den + mensch leert. + +At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam, +exempla ignominiae citent exspecto. + + Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, + zooals ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik + bewijzen voor dien laster. + +Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus, +accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum. + + Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren, + dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur + als geneesheer kan maken. + +Quo enim talis pertinet Oratio? + + Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben! + +Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam desidero. + + Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de + Geneeskunde, maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis + der Mechanica. + +Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis +curandis qui post habet, insaniet. + + Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten + opzichte van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een + Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde. + +Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui +Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum +sumserat Oratio. + + Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering + duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die + gelijke ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is + om zijne wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de + regelen der Mechanica vertrouwd is. + +Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi, +interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus +imago animo obversatur meo, Medici. + + Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven + worde, wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, + zal ik U een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij + steeds als een ideaal voor oogen zweeft. + +Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens, +tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum, +Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in +alia corpora, Virium. + + Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor + zijne geneeskundige studin, geheel en al verdiept in de wiskundige + beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de + inrichting van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere + voorwerpen kunnen uitgeoefend worden. + +His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab +obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo +conciliare prudentiam. + + Terwijl hij door deze studin zijnen geest oefent, kunnen hem deze + tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van + onduidelijke, ware van onware voorstellingen te onderscheiden; + tegelijkertijd zal hij, gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, + zich de zoo hoog noodige voorzichtigheid eigen maken. + +Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris, +clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui +fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in +fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat. + + Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet + samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en + ontwijfelbare oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om + de verschillende eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar + vloeibaarheid, elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek + uitvoerig behandelt, nader te bestudeeren. + +Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa +rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et +Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aris, Salium, et aliorum +maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones. + + Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe + over, de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene + uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken, + versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische, + mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de + werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten + en andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat. + +Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet. + + Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de + gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt. + +Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium +corpora brutorum aperta tacitus circumfert. + + Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige + onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van + levend geopende dieren. + +Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus, +curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem. + + Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid, + de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de + buigzaamheid en veerkrachtigheid der vaten. + +Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet +cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium virtutes. + + Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door + hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem + reeds van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen + eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen. + +Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus +recentiorum industria pomoeria extendit anatomes. + + Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de + vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft + uitgebreid, zien wij hem gebruik maken. + +Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum +accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem. + + Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane + ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van + den bouw van het menschelijk lichaam. + +Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis, +Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et +extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in +sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam evolvit. + + Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke + hij zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem + Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met + behulp van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. + Eindelijk zal hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde + gegevens een volledig overzicht kunnen verschaffen van alle + verschijnselen, die het lichaam in gezonden toestand te aanschouwen + geeft. + +En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat! + + Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf + verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van + den normalen lichaamstoestand! + +Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio +Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu +festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi +patent. + + Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk + nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen + samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der + Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk + gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in + die gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming + daarin ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit + afgeleid kunnen worden. + +Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole +collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur, +firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem. + + Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze + maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der + verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling + vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al + deze onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen + dier oorzaken zal kunnen vormen. + +Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia? + + Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne + studin dezen weg volgt! + +Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex +cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum? + + En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk + vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit + welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen + grondslag uitmaakt? + +Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia, +castigatissima caute procedit fide? + + Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn, + die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar + erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt? + +Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris, +et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae +proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem +accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam? + + Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor de praktijk + nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare + methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik + vallende oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk + lichaam uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze + zintuigen waarneembaar zijn? + +Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel +minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi +immutabilis causa. + + Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw + merkbaar zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit + belangrijke voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die + zij maakt, een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten + grondslag vormt, waarop verder voortgebouwd kan worden. + +Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima +picturae parte adumbratum. + + Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen + geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal + strevend. + +In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa sculapii penetralia! + + Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den + tempel van AESCULAPIUS! + +En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta! + + Thans doorvorscht hij de Tafelen van HIPPOCRATES en de zoo betrouwbare + geschriften der Grieken! + +Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret +mellis medicati. + + Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers + vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke + gegevens te vinden is! + +Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis +arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et +remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus +addiscens; tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et +his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique +curationemque morborum firmet. + + Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij + pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren + ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens + verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de + uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus + opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat + gebied; eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze + regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden + resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte + een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der + verschillende ziekten. + +En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem! + + En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste + beeld van den volmaakten geneesheer! + +Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me +animus, evictum. + + Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der + Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond. + +Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam +feci. + + Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, + dat beeld te evenaren, mij daarnaar te richten. + +Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium +summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate +vestra Musagetae Illust. medicinam docui. + + Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan mijne leiding + toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne + krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de + geneeskunde onderwees. + +Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam. + + Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden + ijverig na te streven. + +Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis, +sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita, +commendare affectabo. + + Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme + verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden + woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik + voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied + trachten af te dwingen. + +Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua +incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici +contemplati primis miremini ab annis. + + Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze + wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn + ongestoord welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen + beeld van den idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af + aandachtig beschouwen en er bewondering voor opvatten. + +Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis +formosi, salutares hominibus audiatis genii! + + Kwijt u z van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten + van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid verwerft! + +Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam +Medica Sapientia. + + Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen + voor hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde. + +Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios +reddere vos possit. + + Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe + medemenschen kan maken. + +Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus +effectu beatus his in terris nemo carere poterit! + + Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor + de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op + aarde het geluk bestaanbaar is! + +Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum! + + Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen + vurigen geest beteugele! + +Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via. + + Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van + PANACEA[5] voert. + + [Voetnoot 5: PANACEA ("Alheelster") is de naam van een der + dochters van AESCULAPIUS. (Vertaler).] + +Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta, +perrupere fortes, Vos alacres sequamini! + + Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geffend; + met groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het + einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun + voorbeeld! + +Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores longe +Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, Pergamenae +tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca. + + Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het gebied der + geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de + Epidaurische zuilen[6], de Pergameensche boekrollen[7], de Cnidische + wanden[6] en de Coische bladen[7] opleverden. + + [Voetnoot 6: Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus + en op de wanden van dien te Cnidus stonden opschriften, die + melding maakten van verschillende ziektegevallen en de wijze + hunner genezing. (Vertaler).] + + [Voetnoot 7: Bedoeld zijn de werken van GALENUS van Pergamum en + HIPPOCRATES van Cos. (Vertaler).] + +Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui +sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret, +Volderum. + + Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk + gemak in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde + bloot te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige + vraagstukken toe te passen. + +Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe +majorem Virum! + + Het is VOLDER, een man, die naar het oordeel der besten onder ons + geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven onzen + lof verheven is! + +Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice +hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et +candide meminero. + + Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne + openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel + verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd + ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en + oprecht voor oogen houden. + +Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse +censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare +commodum opere ipso testari possim. + + Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe + studin kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote + mannen volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs + te leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek. + +Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt, +observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices +arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti +slatione, vires dederit Deus! + + Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te + vervullen, zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en + de waarnemingen der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten + bijeen te verzamelen, waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen + onderzoekingen, die ik geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, + toegerust met al deze gegevens, met behulp van de door mij zoo + uitbundig geprezen Mechanica, het onze bij te dragen tot den opbouw + der medische wetenschap! + +Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici +hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus +opus! + + Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne + gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van + het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het + zoo mogelijk voleinden! + +Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae +facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate +certe cedam nulli. + + Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht in mij + ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken + aanleg en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten + worden, in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen. + +Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam +profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii +felicitas claritate famae plures alliciat. + + De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen + deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal + blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, + wanneer de roep van den voorspoed uwer studin aan deze hoogeschool + meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen. + +Hoc enim votum illud est, _Illustrissimi Curatores, Amplissimi Coss._, +cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in Academia +gestarum rationem Vobis reddere audebo. + + Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, + zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren + Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe + bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel + mogen onderwerpen. + + [Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden + toegesproken. (Vertaler).] + +Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium. + + Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven + geest behagen zal kunnen scheppen. + +Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre +me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias! + + Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet + minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U + verplicht gevoel, metterdaad te toonen! + +Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum +adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem +excitastis denuo. + + Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen + en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne + werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door + hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog + meer ijver geprikkeld. + +Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris +eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri +favoris integritatem. + + Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ne, die volgens het + mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere + gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij + bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat. + +Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia +meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni. + + Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest + ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, + hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle + gunstbejag stuit op haar af. + +Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero, +quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam alacrior! + + Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet + van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen + onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol + getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort + te gaan! + +Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et +Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo! + + Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij + eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en + volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil + ik U slechts het volgende plechtig beloven! + +Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam +sedulus! + + Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van + den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden! + +Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me +facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem. + + Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, + dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij + haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te + verwerven. + +Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii +aequitatem Orbi ipse comprobem! + + Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat + gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen + blijken! + + +DIXI. + + IK HEB GEZEGD. + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + + Hieronymi Davidis Gaubii + + ORATIO + INAUGURALIS + + Qua Ostenditur + + CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE + INSERENDAM + + Habita XXI. Maji MDCCXXXI. + + Quum publicum Chemiam praelegendi munus in Academia + Lugduno-Batava auspicaretur. + + + [Illustration / Illustratie] + + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS + + Medicinae Doctor. + + Ejusdem et Chemiae et Collegii Practico-Medici + + in ACADEMIA BATAVA, quae LEIDAE est, + PROFESSOR ORDINARIUS + + [Script unclear: printer's name?] + [Tekst onduidelijk: naam van de drukker?] + + + INAUGUREELE REDE + + van + + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, + + Waarin Wordt Aangetoond, + dat de Scheikunde met recht een plaats + verdient onder de Akademische + Wetenschappen, + + Gehouden op den 21sten Mei 1731, + + Toen Hij het Openbare Ambt van het Houden van +Voordrachten over de Scheikunde aan de Leidsche Akademie + Plechtig Aanvaardde + + + * * * * * + * * * * + + + _Illustrissimis et Nobilissimis Viris_ + ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE + CURATORIBUS, + +JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam, +Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc. + +Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae +ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato +etc. etc. + +JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis +Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi, +Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc. + +ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis +senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum Hollandiae +adscripto, etc. etc. + + + EORUMQUE COLLEGIS + _Amplissimis, Gravissimisque Viris_ + _Civitatis Lugdunensis Consulibus_. + +ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi. + +DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D. + +HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D. + +GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D. + + Nec Non Viro Spectatissimo + +DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: +Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis. + + + L.M.Q.D. + Hanc Orationem + Virtuti et Gloriae Eorum + Devotissimus + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + + + + Hieronymi Davidis Gaubii + + ORATIO + INAUGURALIS + + Qua Ostenditur + +CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM + + +Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit +mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus +insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in +me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia +alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt +animum. + +Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum +officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod +Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab +Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae +aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec +studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per +verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet. + +Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi +inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata +forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae, +Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem? Nihil +profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit, supellex; alius +plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia ratione +constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui appropriatae; +erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis operibus, ad +praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; innumerae vasorum, +materie et figura discrepantium, species; carbonum cespitumque acervus +nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, spathulae, folles, +forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel regendo requiruntur. Haec +inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; sed atras +carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, cineribus, +fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare metalla; jam +vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita committere +corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira; illinc, calore moderato, +rerum virtutes, exacto ad numerum stillicidio, elicere; electas alibi, +tepore naturali, unire arctius et digerere; verbo: totum inter furnos +defixum, excitando, applicando, moderando igne occupatissimum, hujus in +corpora efficaciam modis omnibus explorare. Hoc opus est, hic labor ejus +unicus. + +Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones: +vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed +oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis +extorquetur. + +Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in +spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis +sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam? +Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica +Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique +hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque +horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit +trepido, facilem merebitur veniam. + +Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus +fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium +mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta +prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi +juventus forte addidisset. + +Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum +refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta +iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos +ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus +nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis, +quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris +etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit +nemine. + +Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor, +officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum +ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum +ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe +obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae +eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam +gratias, vel veniam impetraturus, supplicem. + +Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici, +docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque +hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis +potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola +conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat +splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit +disciplina. + +Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti +Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie +mei constabit ratio et veritas? + +Virtus sola atque unica, si Potae habenda fides, _Nobilitate_ impertit +hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex +natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet +in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui. +Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri dignitatem, +pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis deductam ejus +originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot numeraverit, +quantosque sui cultores exponunt, parum interim de utilitate soliciti, +qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, dulcia, aut quibusvis +clara sectatorum nominibus: externa enim isthaec sunt, et veram potius +ornant _Nobilitatem_, quam constituunt. Utile mensura est, illam qua +metitur, verum qui rebus pretium statuere solus novit, sapiens. + +Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato, +vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur. +Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique +facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus +antecellit. Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat +sanitatem: ea namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; +deficiens una praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit +excolendum, ars dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia; +una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis +humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium +dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, +et jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente. + +Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc +sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae? +opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum +principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum +itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum +perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae, +debitum in Academiis locum obtinuere. + +Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta +sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in +scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris +causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam, +videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat +habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae. + +Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc +rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab +impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab +otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans, +vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui +penitius eam introspicere dignaretur: atqui externam ejus faciem +monstrosam adeo deformemque reddiderat cultorum et ruditas et malitia, +ab interioribus ut perlustrandis deterrerentur Eruditi, eodem haec, si +non pejori de luto esse conficta, rati. Frustra ergo suam oravit causam +Chemia talibus coram Arbitris qui praejudicata obcaecati opinione, et +usus ejus eximios, et summam necessitatem praetervidentes, sententiam +prius tulerant, quam cognovissent. Factum hinc, a publico ut Sapientum +commercio exclusa, privatorum exerceret manus atque ingenia, varias sub +variis passa fatorum vicissitudines, nec forte unquam Academicos in +suggestus emersura, nisi, quem nacta tandem est, causae patronum, an +rabulam potius? Eremitam fortuna major quam prudentia secundasset: hic +enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod autoritate +rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, bullato id +verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum insolentia, +igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe adeo felici, +ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede potiretur, vel +ipsis contradicentium cineribus inaedificata. Hanc autem quamvis vi +partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa paulo post fundatoris ejus +tyrannide, rursus pessum dederit impatiens cogi, litteratorum gens +liberrima; id tamen inde Chemiae boni accesserat, quod durante isthac +statione sua, propior Eruditis posita, nonnullos horum, vividissimis +quibusdam radiis, per offusas sibi quisquiliarum tenebras evibratis, +latentis intus foecundissimi luminis sui potuerit commonefacere: quo +equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium se +accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus +obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito +Orbi produxere intuendam. Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, +tum demum, quae personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita +faciei, adeo pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in +scholas adoptata, strenue coleretur. + +Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi, +ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam +necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis, +Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque +ullo sine taedio detineat. Utique, si sola contemplemur bona, quibus +quascunque fere artes manuales, humanae vitae commodis inservientes, +perfundit Chemia, quot, quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret +enumerantem: minima tamen haec, et pro parergis tantum aestimanda. +Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera +primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit; +illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in +profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina +conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda. + +Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc +rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium +hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati +satisfactum arbitrabor. + +Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque +causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia +appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus +hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci +potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare +singulis: quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus +corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed +tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta; +corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo +limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae +conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula +a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise +corpus, et non aliud: inde clarissime liquet, communes illas Materiae +dotes non modo, sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias +Physicae esse considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout +vere existunt, vel existere possunt, contemplatur. + +Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis +sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt, +quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum +quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus +emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales, +si a generalibus. + +Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis +corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura +fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil +opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis +universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam, +quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest, +haec quin ita sese habeant! Detegit attentior observatio innumera certe +in corporibus adeo penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole +vix quidquam commune videantur habere, nisi solum, cui inhaerent +utraque, subjectum: talia autem incognita si quis ex universali +illo Geometrarum conceptu, utut accuratissimo, a priori eruere, aut +cognitorum etiam ex hoc rationem exsculpere postulet, nae is et operae +simul et olei jacturam sero doleat! + +Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his +potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur. +Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad +intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est. +Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel +Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia: +proprietates autem et vires corporeae in se primitus imperceptibiles +latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, qui determinatae +ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem simul exhibent, +adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei effectorum +supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur. Haecque adeo sola +superest indagandis corporum singularibus via retrograda; dum alteram +illam, quae a priori haec investigat, humano ingenio imperviam prorsus +Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc rerum scrutator experimentis +prius quam ratiociniis insudat, sensuum adminiculo sua examinat objecta, +horum peculiares animadvertit effectus, quos sponte sua vel praevio +tentata consilio ediderint; corpora corporibus adplicat, rursumque ab +invicem removet, ut, qui e solis, quique e conjunctis fluant motus, +experiatur; tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis +quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori +demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore +patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: +parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere +scientes. + +Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi +flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit +me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim, +quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus. + +Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae +opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt +considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud +est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen. Quidquid +Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid protrudit +Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid denique +Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere omne, +modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia sistit +examini, rimatur, penetrat: penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque +in illis vulgaria, facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, +tanquam se indigna, aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua +quaerens, sublimiora, abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima +principia, prima elementa perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura +pretio suos labores. + +Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia +aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata +solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant +instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi. Igne +utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto sunt +efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his +arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter +se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant +in profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient, +effringentur, patebunt. + +Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit +tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et +vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si +navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore +quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem +experimentis? Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum +aliud esse nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo +pollet ipse, motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis +ejus, per plures gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu +potest: unde certe quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, +ejus ope abditissimas quasque corporum affectiones enucleandi. Istis +enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem propriam +solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, mutat, +partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim combinat, +proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, adeoque nudis +usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte adjuti attingere +potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae scrutatori? Quid +utilius? Quid magis necessarium? + +Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea +excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit +vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint +bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et +_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra +agnoscunt secula; an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda +singularium corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam +ad Chemiam recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa +naturam ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera +colorum, saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque +subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi +attractili, id omne Chemicis debetur experimentis. + +Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae +experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non +formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet +de jure Academico, qui uni movet. + +At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine +tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in +detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum +cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis +fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta, +suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat +nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso +involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem +esse, verissime cecinerit Poeta. + +Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri, +plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano +simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum, +aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens +adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet +errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba +dispersit? His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum +specie allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria +primi periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id +saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae +tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de +Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum +cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris +obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur. + +Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: +aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum +testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo +corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et +accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti, +varia instituunt experimenta; horum dein singulos quosque eventus +sensibiles, bona fide, notant, et ex his demum liquidissime perspectis, +et sibi invicem collatis, severitate Mathematica eliciunt, quae clara et +individua sequela inde deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, +quae pro veritatibus et Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. +Quid vero est, si non haec certitudo est? + +Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, +rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. +Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum +Medicae, hujus qu curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter +ac maxime necessariam prstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu +derivandam. + +Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: +haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur; +nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum +daretur affinitas. + +Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc +individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium +vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine +suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla +alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem +actiones, quam distinctissime perspectas postulat: quum autem hisce +indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, Chemia potissimum omnem +suam et unice et felicissime impendat operam; hac sine mancam fore +mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod mox, ac plebi +erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum splendore +fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes pertraxerit +Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, horum deliciae. +Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, communem +sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, pro +parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit tantopere, +omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae pomoeriis +indefessam dederit. Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, +aut flocci aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: +quamcunque enim hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa +quae in operis versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros +clamat Chemiae usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe +necessarium exemplis docet infiniris. + +Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso, +constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin +esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine +oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas +Anatomica: sola id liquido docet Chemia. Undenam vero fluidorum ejus +singularis indoles et propriae innotescunt vires? Excepta enim +generaliori liquidorum idea, aliud illis simile frustra quaesiveris +extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa etiam inter se quam +diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola opitulatur; haec +est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus: Sanguinis naturam mediam +nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad calorem naturali majorem, facile +coagulum; Bilis indolem saponaceam; Salivae, succi Pancreatici, Lymphae +temperiem, facultates, et innumera alia nesciremus, abfuisset Chemia. +Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? +Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et +Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem +salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem +humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum +apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat. + +Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri, +iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et +symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros +salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam +indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset? Quis fontem Acidi +aut putridi oleosi, in primis viis, Hypochondriacis tam molesti? Quis +Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, et Vesica Urinaria proventum? Quis +cariei ossium, adjunctique foetoris causam? Quis tetras stagnantium +humorum degenerationes in tenacitatem corneam, aut summam putredinem, +acrimoniamve corrosivam? Quis denique caloris et frigoris, circulationis +auctae vel diminutae varias in permutandis humoribus vires tam pulchre +in lucem ponere potuisset, nisi Chemia praetulisset facem? + +Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem +derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia, +usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne +luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus +indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest. Latet +vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti est, exactum +de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud infantibus, veneni +instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, dulcem quod vitae +fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere. Si solis Medicis +Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de Sudore, de Urinis et +Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius tamen est involvere +silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat nausea. + +Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et +Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini +accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere +utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic +quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae, +ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus. Ortum hic +error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes complurium +suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut arti inesse +crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi delicta luant; +nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad sanitatis +tutelam, morborumque propulsionem opera meruit. Quid enim? Nonne ejus +artificio esculentorum et potulentorum, aquarum, Vinorum, Cerevisiarum +natura, virtutes et vitia cognoscuntur optime? Nonne Thermarum illa, +Acidularum, aliorumque fontium, vi Medicata insignium, elementa, +compositionem et facultates tam liquido manifestat, ut vel imitetur, et +naturalium defectum arte factis suppleat, haud minoris fere efficaciae? +Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in unoquoque +id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, sine +analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas Mortalium +aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit Chemia? +Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum +inventionis gloriam illa sibi vendicat? Taceo benignissimam ejus operam, +qua lethalem nonnullorum corporum ferociam, laudabili adeo eventu, +cicuravit, e venenis ut remedia evaserint tutissima aeque ac +efficacissima. Praetereo singularem ejus, in Medicamentorum viribus +acuendis, extrahendis, in compendium reducendis, et sub alia et alia +gratiori forma exhibendis, dexteritatem: si enim singula, pro dignitate, +nunc prosequi susciperem, dies dicentem deficeret. Videte, quae +illustris Boylaeus, quae Bellinus, Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, +aliique laboribus suis Chemicis in Medicina praestitere: verum quid ad +exteros provocare opus? Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur +scripta, nunquam periturae credidistis memoriae acta praestantissima +Viri vere Magni, quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! +sospitemque: volvite haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri +omni exceptione majora. + +Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima +inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae +partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac +mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro +inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum, +quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret. + +Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est +argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures +dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae +nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur. + +Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse +ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat +operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam. +Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit +Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam +qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat +naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in +Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit. + +Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam +addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis, +ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis +composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo +commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta +methodi? ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare +occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet, +antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat +prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente +differat? Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et +superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat +ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum +sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere +conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese +accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus. + +Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam! +Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato +intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt +profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi, +finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident +sero et dolent. Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur +Chemia, foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo +sorduit, invisa ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein +Eruditus Orbis, una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit +falsissimarum opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus +propagatas, contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: +Optimarum rerum abusus pessimi. + +Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit +tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice +doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res +ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere +credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia, +et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias, +errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit +inventis, solidissimis veritatibus. + +Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne, +horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam, +quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo +speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium +tentamine, palaestra fugiam imbellis. + +Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem, +cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile +instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur. + +Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam +fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, +quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem, +Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam, +indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius +opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam, +_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_? + +Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum +NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS, +Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui +tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia, +huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et +officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere, +postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde +exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum +tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator +merito laudetur omnibus. + +Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum +subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties +attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis +praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus. +Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum, +tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis +rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito? + +Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione +habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum +Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At +enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc +dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis +fortunae suae incurius. Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, +hi tamen stimuli haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar +favoris plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: +animum denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis +indoles, qua ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil +exigitis. His adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud +nunc auspicor. + +Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae +memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria +pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo +denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id +promovendis Academiae commodis unice sacrabo. + +Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non +poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium +scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE +PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae +abundantiam, toto ex animo, apprecor. + +Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima +hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis +Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter +discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat +subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At +temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum +commodis inservitura. Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. +Probabitis itaque ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi +exhibiturum, nec sane a fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a +latente in praecordiis honestae gloriae igniculo profectum. Juvat +magnorum Virorum ad exempla componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo +conspicabor, et, dum nunquam dabitur assequi, saltem ex intervallo +sequar. Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero +vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim +beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae +cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam. + +Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium +applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et +privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate +Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum +devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria. + +Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME 'S GRAVESANDE! +publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore +inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non +sis dedignatus. + +Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari +opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per +aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe +obstrictissimum nunquam non comperies. + +Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem, +mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si +qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id +omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam +prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim. Solam Te penes +addiscere praxim animus erat, studiisque meis Academicis imponere +coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis defoecatissimae Tuae +doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox tantopere rapuit, +ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, ad quamcunque +pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, haurire +sategerim avidissimus. Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi +relicti angustiam, ut ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. +Sive itaque vernam dici speciem, amabilissimis horti divitiis mira +suavitate exponendis, dicares, jucundo Botanices studio discipulorum +animos tanto redditurus alacriores ad laborum magis arduorum +tolerantiam; seu inter furnos desudans, ad secretissimos Chemiae +recessus viam monstrares, certo castigatissimae methodi filo tutissimam +pariter ac facillimam; seu exacta ad normam Mathematicam stabilires +Theoriae Medicae fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos +dogmata, medendi methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam +potissimum diei partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi +consecraveram. Totum ergo Tuum est, si quid isthac mea industria +profeci: Tu ejus omnem fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus +agnosco, poterat id solum Tibi me mille modis in aeternum devincire. + +Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis +humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque +tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras +visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae +gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis, +aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi +vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus. + +Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam +debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo +apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri, +hoc sim honore ornatus. Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, +quam quibus unquam dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe +gratissimam horumce agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc +tanquam in tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; +et certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, +quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat +modestia, meusque pudor. + +Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et +operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem, +quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis, +quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at +quanto Viro! succedo: Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi +praeiveris, omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, +haud aequis passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio +sociata decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, +id saltem fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus +quidem, at non indecorus tamen, inhaeream. + +Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et +Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat +Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus +amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc +animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos +desudate! Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis, +viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo +ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus +ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta +penetraturi. Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. +Si quid in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; +Vobis id omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum +mihi summa, is laborum finis erit unicus. + + + DIXI. + + +[Errata: + +JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori + _text reads "senatorl"_ + +utilissimam pariter ac maxime necessariam prstat operam + _text reads "utillissimam"_ + +qua lethalem nonnullorum corporum ferociam + _text reads "nonnulorum"_ + +tuti et felices in artis adyta penetraturi + _text reads "penetraruri"_] + + + * * * * * + * * * * * + + + Aan de zeer doorluchte en edele mannen, + curatoren der Leidsche Akademie, + +JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek, +Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de +Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland, +afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz., + +JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid +van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der +burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz., + +AREND BRUNO'SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid +van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter +hoogmogende Staten van Holland, enz. enz., + +en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, +burgemeesters der stad Leiden, + +ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der +burgemeesters, + +DANIL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten, + +HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten, + +GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten, + +Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de +beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer +doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters, + + draagt gaarne en naar verdienste + deze redevoering op + de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen + zeer verknochte dienaar + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + + + + INAUGUREELE REDE + van + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, + + Waarin Wordt Aangetoond, + dat de Scheikunde met recht een plaats + verdient onder de Akademische + Wetenschappen, + + +Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en +vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans +beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan +gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; +de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft +plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed +door een even groote verbijstering als bezorgdheid. + +Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een +scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard +van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel +ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en +VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat +van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de +Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om +een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen +der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk +en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid, +door proeven wijsgeerig redeneeren leert. + + [Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)] + +Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige +werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een +opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van +schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen +der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een +spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]? Niets +voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich voordoet, is +geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: verschillende +rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere wijze zijn +saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van het vuur +uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel gevuld +met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, die +weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; tallooze +soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een hoop +kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het +gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen +en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur f te onderhouden f +te regelen. Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij +zijn katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool +in zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, +bedekt met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen +vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende +vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste +voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra +in een vlammenbrakenden strijd zullen storten; aan den anderen kant +door een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept +door het druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij +een andere gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben +geroepen door een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en +afdeelt; in n woord: hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend, +zich slechts bezighoudend met het aanwakkeren, toepassen en regelen +van het vuur, de werking daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen +nagaat. Dit is zijn werk, hiervoor spant hij zich alleen in. + + [Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)] + +Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen +van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen +der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en +niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de +getuigenissen van feiten ontwrongen. + +Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit +de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een +plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen +weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de +meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een +redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste +staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in +tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering +van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen, +die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een +wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in +zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men +hem vergeeft. + +Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: +en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te +steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer +goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt +om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed +mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te +wagen, misschien zou geven. + +Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts n ding over, +waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, +hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, +die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te +voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder +naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands +krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt +getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het +vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter +gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk +persoon ooit van de hand gewezen. + +Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het +onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en +uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te +toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de +Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met +aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen +welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij +gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw +goedgunstigheid verwezen worden, om die f dank te zeggen f om +toegeeflijkheid te smeeken. + +De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien, +openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te +onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die +voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden +bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of +wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de +wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de +bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een +zekeren glans van adeldom. + +Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware +kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de +Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de +waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast +staan? + + [Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: +span+ = (uit elkaar) + trekken en +ageirein+ = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die + scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)] + +De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof +schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van +n dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders +kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde +wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan +de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut. Voorzeker +zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje te verdienen, +die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen toonen, zich +verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk uiteenzetten, hoe +haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan worden, en het +buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of hoeveel en hoe +groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich ondertusschen +weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles niets wil +zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen ook van +volgelingen; want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den +waren adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, +waarnaar degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast +te stellen, de wijze, haar afmeet. + + [Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina III, + 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)] + +Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een +mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke +maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar +echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die +wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, +of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de +andere uit. Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die +zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest +gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, +dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. +Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt +de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de +overige wetenschappen toe; met haar eene helft toch houdt zij zich +bezig met het beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt +zij aan het uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten +opzichte van de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen +hebben dus, als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en +met het burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen +verzette. + +Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk +uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende +wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. +Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten +zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten +slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze +dienen. Daar derhalve n het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot +aanbeveling strekt, n het feit, dat ze ter volmaking der eersten in +den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook +door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden +en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen. + +Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom +heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren +van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen +aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van +die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal +zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de +rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met +de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden +met de beoefenaars. + +Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en +aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw +slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in +discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol +gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur, +rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van +lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich +verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen. +Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar +beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning z monsterlijk en +afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden +afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit +dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus de +Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, die +verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone +voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het +hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de +zaak hadden genomen. Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare +verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren +bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende +lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt zou +hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter geluk +dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door dik +en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] had +ten dienste gestaan. Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde +voor die verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten +gedaan worden door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van +feiten, te beproeven door een systeem van bullen vol met de meest +beuzelachtige woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend +karakter begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in +elk geval een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat +vermetel pogen in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel +veroverde, die zelfs juist op de asch der tegenstanders werd +opgericht. Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op +zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij +van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende +volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft +omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, +dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van +beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door +eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende +duisternis van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst +vruchtbare licht, dat in haar binnenste verscholen was. En weldra, +door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot +een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van +bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee +zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar +in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten +schouwspel voor de beschaafde wereld. Toen dan heeft de Scheikunde, +thans schitterend met haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die +vermomd zoo zeer had mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante, +de geleerden zoo voor zich weten in te nemen, dat zij haar waardig +keurden om onder hun scholen opgenomen met allen ijver te worden +beoefend. + + [Voetnoot 5: "Inter Pyracmonas." "Pyracmon" is in de mythologie + naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus, + samengesteld uit +pur+ = vuur en +akmn+ = aanbeeld. (Vertaler.)] + + [Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die 1600 + regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn + regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den + tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet + sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? (Vertaler.)] + +En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de +Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van +vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want +zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo +alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer +gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en +als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de +minste verveling. Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, +waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen +voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve +hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou +te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer +weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen. De +voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die, +welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de +gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij +ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste +heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de +wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is +zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste +verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden. + +Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden +grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter +staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig +bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor +houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam +te bewijzen. + +Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, +hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak +teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze +wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel +der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op +alles, wat onder het begrip "lichaam" valt, of daartoe herleid kan +worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het +bijzonder eigen. Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, +die in het bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der +lichamen, in de natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar +slechts een beeld van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van +een theorie, de lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op +zichzelf staande dingen zijn, d.w.z. z begrensd en bepaald, dat zij, +behalve dat dat algemeene begrip "Materie" op hen van toepassing is, +ook nog bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene +van het andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist +dat lichaam is en geen ander: daardoor is het helder en klaar, dat +niet slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste +plaats die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp +zijn van de Physische studie, daar deze immers de lichamen door de +natuur geschapen beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen +bestaan. + +De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij +geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit +deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen +voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van +haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn +voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar +daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn +voortgekomen. + +Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat +een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van +een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de +physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig +hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware +algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest +nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar +hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is! Een meer oplettende +beschouwing ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door +en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene +karakter dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het +voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken, +wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der +wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou +verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer zij +bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over +zijn verlies aan moeite beklagen! + +Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het +allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is +gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig +onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet +dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak +uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen. +Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen +vormt, behoort f tot de verschijnselen, dien geest door middel der +zintuigen meegedeeld, f tot de daaruit, gevormde oordeelen. De +eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven verborgen, +daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij brengen echter +uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en die, in +vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die wijze +tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij +iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te +meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard. En deze van het een op het +andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de +eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien +anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar +en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand. +Derhalve spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in +voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen +onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun +eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens +een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen +bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke +bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd +zijn, voortvloeien. Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit +deze gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig +vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der +lichamen en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk +nooit en nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker +geopenbaard, dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben +zij het niet ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er +tegen beter weten in geen acht op sloegen. + +Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, +dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van +zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische +wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, +brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, +hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band. + +Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het +werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna +alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische +studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde +kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen +afzonderlijk. Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der +aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de +vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten +slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder +Natuur koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich f kan +openbaren aan de zintuigen f kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, +onderwerpt de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt +zij. Zij dringt er in door, herhaal ik, z ver, dat zij minachtend +neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk +voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer +onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf +het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend, +navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste +grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs +alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben. + +Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze +wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het +andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij +stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit +ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te +voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van +behandelen op allerlei wijzen afwisselt. Zij bedienen zich van het +vuur, het meest beweeglijke en krachtige element; zeer sterke +splitsingsmiddelen staan ten dienste, afgemeten naar den aard der +oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat is dan voor die dingen +moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van een lichaam maar met +een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten zijn ingewanden +zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst zijn, laten zijn +krachten in de onderste diepte verborgen zitten; waarlijk onder het +beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit elkaar springen, +opengebroken worden, aan het daglicht treden. + +Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen +aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt n al hun kracht +naar buiten n worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht. +Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken, +welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk +machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan +wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de +aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat +het niets anders was dan beweging. Maar het vuur is ook zeer geschikt +om de beweging, waarin zijn eigen kracht is gelegen, aan andere +lichamen mee te deelen en zijn geweld kan op verscheidene +tusschenliggende graden kunstmatig versterkt of verminderd worden, al +naar men het verkiest. Daardoor ontstaat voorzeker voor den physioloog +de hoogst gewenschte gelegenheid om met de hulp daarvan de meest +verborgen eigenschappen der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden +na te gaan. Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen +tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in +het bijzonder eigen is, schudt ze tot in 't merg door elkaar, roept +hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de +samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden +een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen +in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat +dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij +geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen +bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit? +Wat nuttiger? Wat noodiger? + + [Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats Heraclitus + van Ephesus 500 v. Chr op het oog te hebben. (Vertaler.)] + +Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der +feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke +groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is +op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit +later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden +die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON. +Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden +in de geheimen der Natuur. En zagen soms de voorbijgegane nog +scherpzinniger dan zij? deze echter nemen bij het ontdekken van den +aard der lichamen, bij het opsporen van de hun eigen krachten haast +tot niets anders hun toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke +duurzame en schoone vondst betrekking hebbende op den aard van het +vuur, van hitte, licht en koude, al wat bekend is geworden over het +ware karakter van kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der +aardbevingen, en van het vuur, dat zich op verschillende plaatsen +onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme van lichamen en hun +aantrekkingskracht, dit alles is men aan scheikundige proeven +verschuldigd. + +De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te +breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte z nauw +saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar +voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide +betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het +aan n betwist. + +Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. "Zacht +wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en +zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? +Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen +waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met +oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde +hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over +niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene +dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware +dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo +zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig +koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert". + +Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van +dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, +van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij +waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden; +maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk +openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de +vierschaar spant, z onverstandig of z verdorven, dat hij de +wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende +dier pseudoscheikundigen heeft verbreid? Omdat het dezen schandelijk +toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook anderen +tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen in +dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid +te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een +gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat +onder den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en +bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets +van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig +zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of +naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware +regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten. + + [Voetnoot 8: TERENTIUS' Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)] + +De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te +schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs +is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der +oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier +beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift +der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste +nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle +verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend; vervolgens +teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst +nadat zij daarin een volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met +elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid +die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde +uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de +ware beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen +erkennen. In waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is? + +Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden +worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige +beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest +verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in 't kort de +voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten +nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze +een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan +niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de +Scheikunde beschikt. + +Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de +beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, +waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en +de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet +nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed. + +De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het +menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel +op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van +andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te +wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. +Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo +eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de +bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op +elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden. Daar nu aan het nasporen +hiervan de Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij +uitstek en met veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet +in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn? +Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het +gemeen onttrokken te hebben onder de geletterden in aanzien begon te +komen, thans stralend in haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer +alle zonen der Geneeskunde er toe heeft gebracht haar lief te hebben +en te beoefenen, dat zij in de allereerste plaats van hen het werk, +van hen de lust is geworden. Ja nog meer; vervolgens ook in de +Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich een gemeenschappelijk doel +met deze aangenomen en is toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar +verreweg haar grootste deel gesierd geworden. Daarin dan schepte zij +zulk een behagen, dat zij terstond onvermoeid met alle +krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft om de landpalen van +hare bondgenoote uit te zetten. En voorwaar slechts iemand, die geen +kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of van geringe +waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk +gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door +bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist +met de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de +ontelbare diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel +voorbeelden, dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is +tot haar eigen volmaking. + +Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, +beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, +dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het +menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel +bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden +wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast +is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen +de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid. Waardoor wel worden de +bijzondere aard van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten +daarvan bekend? Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van +vloeistoffen zal men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk +buiten de grenzen van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder +elkaar zoo verschillend als maar mogelijk is. Hier schiet de +Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan +wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken weten, verschuldigd +zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt en noch zuurachtig +noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij +een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig karakter van de +gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het speeksel, van +het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen zouden wij +niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware. Waartoe zal ik +nu gewag maken der functies, die met haar bijstand schitterend zijn +blootgelegd? Het inwendig oplossen der spijzen in de eerste wegen, het +daaruit voortkomen van het chylus- en melksap, de noodzakelijkheid van +spijs en drank en de begeerte daarnaar, het ontstaan der zouten en +zwavelachtige deelen uit het opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, +de merkwaardige verandering der vochten door de krachten van den +kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig +passend verklaard, voor wie het meer heldere licht der scheikunde nog +niet had geschenen. + +Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der +Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog +zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der +ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde +alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het +wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke +zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het +andere voorkomt? Wie de bron van het zuur of van de olieachtige +bedorven stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is +voor de miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de +nieren en de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen +en van den stank, die er mee gepaard gaat? Wie het vieze overgaan van +stilstaande vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke +ontbinding of inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den +verschillenden invloed van hitte en koude, van het vermeerderen of +verminderen der circulatie op het veranderen van vochten zoo schoon in +het licht hebben kunnen stellen, als niet de Scheikunde met haar +fakkel was vooraangegaan? + +Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het +grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook +haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. +Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de +ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen +toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht +krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek. Hem blijft de ware +natuur der voedstermelk verborgen, voor wien de Scheikunde iets +verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover een zuiver oordeel +te kunnen vellen! daar dt zoo dikwijls voor de ongelukkige kinderen +een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig veel folteringen en den +dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven juist de zoete +gezondheid en wasdom had moeten geven. Als ik als geneeskundige nu +alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier zeer veel te zeggen +overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende soorten van urine +en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen te hullen, opdat +niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, een walging +bevange. + +Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde, +de Hygine en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel +uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich +gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger +dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, +al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij +zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen +beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele +beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap +overschreed. Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der +kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun +uitvindingen daardoor z in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in +hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus +zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de +Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door +zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het +verdrijven van ziekten verdiend heeft. Want wat is het geval? Leert +men niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen +van eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier +uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en +eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om +haar geneeskracht, z duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het +ontbreken van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig +vervaardigde, die bijna geen geringere uitwerking hebben? De +grondstoffen, krachten, de wijze van werken der geneesmiddelen en, wat +toch wel in elk dat is, waarin de grootste macht schuilt, ontgaan den +scherpzinnigste zonder scheikundige analyse. Waartoe zou ik nu melding +maken van die veelvuldige kwalen der stervelingen, wier behoorlijke +geneesmethode alleen de Scheikunde aan de hand doet? Waartoe zou ik de +ontelbare geneesmiddelen van een uitgezochte voortreffelijkheid +opsommen, welke uitgevonden te hebben zij zich beroemt? Ik zwijg nog +van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee zij de vreeselijke, +doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten onschadelijk te +maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van vergiften +geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid de +uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om de +krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te +brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens +weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen. Want als ik op mij +nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou de dag +voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchte BOYLE, wat +BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door hun scheikundige werken +in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. Maar waartoe is het +noodig een beroep te doen op buitenlanders? Onsterfelijke geschriften +bevinden zich in uw aller handen, onvergankelijk hebt gij in uw +geheugen geprent de voortreffelijke daden van den waarlijk grooten +man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in leven--o moge hij dat +lang blijven!--en in welstand zien. Slaat deze geschriften telkens +en telkens weer op en gij zult daarin getuigenissen van het gezegde +vinden, die boven elke bedenking verheven zijn. + +Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de +diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe +ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke +onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het +is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke +voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar +ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_ +allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden +afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen +hangt. + +Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, +moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal +overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere +hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele +wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij +in de lijst van deze worden opgenomen. + +Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan +weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een +zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen +wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig +van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus +te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de +volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus +zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne +smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de +schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets +lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van +haar te heeten. + +Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een +zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, +indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond +voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur +zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van +hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is +verscholen? Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede +methode z weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een +onderzoek van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, +bijzondere eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, +voordat hij zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn +onderwerp? Eerst leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene +natuur is, hoeveel het verschilt van den geest. Hij moet laten +voorafgaan een onderzoek naar de algemeene krachten en eigenschappen +en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat hij in de ingewanden +doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die nauwkeurigheid, +waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij hij ook niet +onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens een juiste +redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en leerstellingen af te +leiden, en eerst van deze toerusting voorzien gorde hij zich aan tot +den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten zal plukken, die hem +nimmer zullen berouwen. + +Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen +vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij +overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen +verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de +binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een +wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te +laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen, +onwetendheid, en armoede. Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de +Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd +behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en +fabeltjes, z in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en +verdacht was. Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld +tegelijk met de edelste wetenschap dien afschuwelijken vloek van +geheel valsche meeningen ontving, die zich vandaar over ongeveer elk +soort van wetenschap uitbreidde met een bijna niet te keeren +besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van de beste +dingen is het misbruik het ergst. + + [Voetnoot 9: "more andabatarum". Andabatae, gladiatoren die streden + in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)] + + [Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn liefde + vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd draaiend + rad werd gebonden. (Vertaler.)] + +Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar +beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de +verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig +onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de +natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in +haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan +verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat +vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, +zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit +haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar +ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen +en de meest onbetwistbare waarheden. + +Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de +vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te +goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog +dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor +ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig +vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven. + +Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, +dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, +beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit +Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die +dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten. + +En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb +laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden +voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is +voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door +de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel +als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de +hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee +door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweerlei opzicht +namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat +belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele +wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische +wetenschappen?_ + +Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te +zamen met uw zeer edele collega's, de zeer aanzienlijke burgemeesters +van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, +dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel +waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor +deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt +ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, +dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest +eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar +uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een +verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht +zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht +door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde. + +Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat +ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien +onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo +dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over +het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft +moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en +eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden +jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend +geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer +moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde +gunst? + +Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te +houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het +volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus +toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel +van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan +den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild +honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren +om den groei van zijn fortuin. Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn +geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van +die prikkels. Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw +bijzonder gunstige meening, die gij omtrent mij en mijn studin hebt +opgevat. Moed gaf mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een +edelaardigen geest, waardoor gij niets verder van een jongeling +verlangt, dan de jeugdige krachten reiken. Door deze omstandigheden er +toe gebracht heb ik mijn ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard +ik het nu plechtig. + +De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn +geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik +die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten +goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden +arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam +schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en +alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden. + +Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien +weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben +aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al +het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der +Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en +onbevlekt geluk van ganscher harte toe. + +Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, +schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder +twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van +sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap +van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw +zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet +voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke +den studiebelangen ten goede zal komen. Niemand leert kennen, wat hij +vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze +onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal +verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in +hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in +de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij +een genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te +worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren +aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te +halen, zal ik u tenminste met een tusschenruimte volgen. Daardoor +juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere voetsporen +vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten af te +dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij behouden, +dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting betoonend, waarop +de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met eerbied tegen u zal +blijven opzien. + +Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde +onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, +dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij +mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt +gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals +de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor +zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen. + +Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige 's +GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij +het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels +uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden. + +Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij +met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van +het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en +oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in +de hoogste mate erkentelijk is. + +U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste +plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den +ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig +talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening +in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie +andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een +gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen. +Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn +Akademische studin te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den +rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd, +of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer +verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij +in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide, +op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste +graagte in te drinken. Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de +kortheid van den mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, +dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen +lentedag besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den +Hortus op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de +aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te +boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het +zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen +schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren +leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk +was; hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens den +wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma's der +praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, u volgde +ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best door mij +was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel uw +verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand +gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak +maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op +duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten. + +Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de +onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen +grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn +Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland +was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het +uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden +vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls +als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een +onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende +goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de +heilzaamste raadgevingen te schenken. + +Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet +staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite +verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij +zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt +geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding +heb genoten. Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat +ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, +aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste +dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier +nu openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk +dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij +hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van +ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt +mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel. + +Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner +krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u +dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit +werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te +aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze +raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. Als +gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen +hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij, +jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal +kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te +trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard +aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste +die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar +kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos. + +U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel +aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de +Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw +studin is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. +Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, +dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. +Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, +en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. Door +bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder +duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, den +vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde beproefde +methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij naar zijn beste +weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend hem als +leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de heiligdommen +der wetenschap binnen te dringen. Aan u bied ik mijzelf als begeleider +aan en, indien gij dat wilt, als raadgever. Indien ik over eenige +krachten, dienstvaardigheid of verstand kan beschikken, gebruikt die +dan, zooals gij verkiest. Aan u wijd ik dit alles toe. Want uw studin +te bevorderen, dat is vooral het toppunt mijner wenschen, dat is het +eenige doel mijner moeiten. + + + IK HEB GEZEGD. + + +[Errata: + +... verscheidene van hun uitvindingen ... + _origineel: "uitvingen"_ ] + + + * * * * * + * * * * + + +_Illustrissimis et Nobilissimis Viris_ +ACADEMIAE LUGDUNA-BATAVAE CURATORIBUS, + + Aan de zeer doorluchte en edele mannen, + curatoren der Leidsche Akademie, + +JOHANNI HENRICO, COMITI DE WASSENAER, Domino de Opdam, +Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc. + +Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae +ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato +etc. etc. + + JOHANNES HENDRIK, GRAAF VAN WASSENAER, heer van Opdam, Hensbroek, + Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. enz. ridder van de + Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van Holland, + afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz., + +JOHANNI TRIP, J.U.D. Toparchae in Berkenrode, civitatis +Amstelaedamensis senatori, cum maxime consulum praesidi, +Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. etc. + + JOHANNES TRIP, doctor in de beide rechten, drost in Berkenrode, lid + van den raad van de stad Amsterdam, op dit oogenblik voorzitter der + burgemeesters, bewindhebber der O.-I. Compagnie, enz. enz., + +ARENTIO BRUNONIS, VAN DER DUSSEN, J.U.D. Reipublicae Delphensis +senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum Hollandiae +adscripto, etc. etc. + + AREND BRUNO'SZOON VAN DER DUSSEN, doctor in de beide rechten, lid + van den raad der stad Delft en oud-burgemeester, afgevaardigde ter + hoogmogende Staten van Holland, enz. enz., + +EORUMQUE COLLEGIS +_Amplissimis, Gravissimisque Viris_ +_Civitatis Lugdunensis Consulibus_. + + en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, + burgemeesters der stad Leiden, + +ABRAHAMO HOOGENHOUCK, J.U.D. Consulum praesidi. + +DANIELI VAN ALPHEN, J.U.D. + +HENRICO VAN WILLIGEN, J.U.D. + +GERHARDO EMILIO VAN HOOGEVEEN J.U.D. + + ABRAHAM HOOGENHOUCK, doctor in de beide rechten, voorzitter der + burgemeesters, + + DANIL VAN ALPHEN, doctor in de beide rechten, + + HENDRIK VAN WILLIGEN, doctor in de beide rechten, + + GERHARD EMILE VAN HOOGEVEEN, doctor in de beide rechten, + +Nec Non Viro Spectatissimo + +DAVIDI VAN ROYEN, J.U.D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: +Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis. + + Ook aan den zeer voortreffelijken heer DAVID VAN ROYEN, doctor in de + beide rechten, secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer + doorluchte curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters, + +L.M.Q.D. +Hanc Orationem +Virtuti et Gloriae Eorum +Devotissimus +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + draagt gaarne en naar verdienste + deze redevoering op + de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen + zeer verknochte dienaar + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS. + + +Hieronymi Davidis Gaubii +ORATIO INAUGURALIS + + INAUGUREELE REDE + van + HIERONYMUS DAVID GAUBIUS, + +Qua Ostenditur +CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE INSERENDAM + + Waarin Wordt Aangetoond, + dat de Scheikunde met recht een plaats verdient + onder de Akademische Wetenschappen, + + +Si quae unquam, in scena vitae meae, magna mihi et peregrina obvenit +mearum rerum vicissitudo, ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus +insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque omnium conversa in +me ora atque oculi; munus inconsuetum; nova prorsus sunt omnia: omnia +alienam subito adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt +animum. + + Indien mij ooit op het schouwtooneel mijns levens een groote en + vreemde lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans + beleef. De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan + gebruikelijk is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; + de taak is mij vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft + plotseling een vreemd voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed + door een even groote verbijstering als bezorgdheid. + +Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, et quidem, dum +officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero majus uspiam, quam quod +Mercurium inter et Vulcanum est, datur discrimen? An Artium ulla ab +Oratoriae elegantiis abest longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae +aspera, laboriosa, styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec +studens, nec accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per +verba, sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet. + + Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een + scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard + van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel + ergens grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen MERCURIUS[1] en + VULCANUS bestaat? Of is er wel een der wetenschappen, die verder staat + van de bevalligheden der welsprekendheid dan de Scheikunde? de + Scheikunde, zeg ik, die, ruw en altijd bezig, zich niet bekommerend om + een meer gepolijsten stijl, zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen + der welsprekendheid als er voor geschikt, geheel opgaat in haar werk + en haar beoefenaars niet door woorden maar door het vuur de wijsheid, + door proeven wijsgeerig redeneeren leert. + + [Voetnoot 1: God der welsprekendheid. (Vertaler.)] + +Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid putatis ibi +inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis pulchre ordinata +forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae monumenta Eloquentiae, +Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum Tulliana voce resonantem? + + Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige + werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een + opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van + schrijvers netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen + der oude welsprekendheid zoo gewenscht voor de redenaars, of een + spreekgestoelte weergalmend van de stem eens TULLIUS[2]? + + [Voetnoot 2: M. Tullius Cicero. (Vertaler.)] + + Nihil profecto horum: alia omnino est, quae hic occurrit, +supellex; alius plane apparatus: variae nimirum furnorum alia atque alia +ratione constructorum, series, sustentando cuilibet ignis gradui +appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, quam plurimis artis +operibus, ad praeparanda nova mox rursum inservituris, adimpleta; +innumerae vasorum, materie et figura discrepantium, species; carbonum +cespitumque acervus nunquam defecturus; praesto ad usum cola, cribra, +spathulae, folles, forcipes, et si quae alia vel alendo igni, vel +regendo requiruntur. + + Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier zich + voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: + verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere + wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte + van het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, + geheel gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap + vervaardigd, die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid + te brengen; tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante + verschilt; een hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de + hand zijn voor het gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, + blaasbalgen, tangen en al het andere, dat vereischt wordt om het vuur + f te onderhouden f te regelen. + + Haec inter artificem videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; +sed atras carbone manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, +cineribus, fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare +metalla; jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita +committere corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira; + + Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn + katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in + zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt + met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen + vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende + vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste + voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich + dra in een vlammenbrakenden strijd zullen storten; + + illinc, calore moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum +stillicidio, elicere; electas alibi, tepore naturali, unire arctius et +digerere; verbo: totum inter furnos defixum, excitando, applicando, +moderando igne occupatissimum, hujus in corpora efficaciam modis omnibus +explorare. Hoc opus est, hic labor ejus unicus. + + aan den anderen kant door een matige warmte de vermogens der + stoffen te voorschijn roept door het druppelen van water naar een + bepaald getal te regelen; en bij een andere gelegenheid die vermogens + na ze te voorschijn te hebben geroepen door een natuurlijke lauwe + temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in n woord: hoe hij geheel + tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend met het + aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking daarvan + op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk, + hiervoor spant hij zich alleen in. + +Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi locutiones: +vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic demulcentur, sed +oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum testimoniis +extorquetur. + + Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen + van de eeuw van AUGUSTUS; tevergeefs naar de bekoorlijke aanlokselen + der redekunst. Niet de ooren worden hier gestreeld maar de oogen: en + niet door woorden wordt instemming gewonnen, maar door de + getuigenissen van feiten ontwrongen. + +Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani officina in +spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in suggestum, solis +sacratum politissimis sermonibus, Oratoris sustinere cogitur provinciam? +Quid materiei creditis suppetere? Dum coram Principibus in republica +Viris, in consessu sapientissimorum Professorum, in conspectu denique +hominum in omni scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque +horum ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit +trepido, facilem merebitur veniam. + + Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit + de vuile werkplaats van VULCANUS in het daglicht getrokken naar een + plaats, op welke aller blikken zijn gevestigd, van zijn fornuizen + weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat slechts gewijd is aan de + meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen ziet het werk van een + redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, dat hem ten dienste + staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te spreken in + tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de vergadering + van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van menschen, + die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over een + wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij in + zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat men + hem vergeeft. + +Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, quibus +fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe nota virium +mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus publicis inepta +prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod audax omnia aggredi +juventus forte addidisset. + + Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: + en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te + steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer + goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt + om iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed + mij ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te + wagen, misschien zou geven. + +Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum +refugii praebet, singularis Vestra, A.O.O. benevolentia, toties experta +iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit munus. Facit haec, Vos +ea esse judicii lenitate, suo ut quemque modulo metiti, majora viribus +nequaquam exigatis: quod quidem aliis dum generose adeo exhibuistis, +quidni a Vobis et mihi pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris +etiam momenti rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit +nemine. + + Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts n ding over, + waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, + hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, + die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te + voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder + naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands + krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt + getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het + vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter + gewicht pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk + persoon ooit van de hand gewezen. + +Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod auspicor, +officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. Conabor nimirum +ostendere, _Chemiam Artibus Academicis jure esse inserendam_. Quod dum +ago, faciles in audiendo pariter et judicando Vos praebeatis mihi, enixe +obsecro: uterque enim seu felix fuerit, seu sinister Orationis meae +eventus, Vestrum me semper ad favorem allegabit, huic ut vel referam +gratias, vel veniam impetraturus, supplicem. + + Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het + onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en + uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te + toonen, _dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de + Akademische wetenschappen_. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met + aandrang, dat gij u in het luisteren even als in het beoordeelen + welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner redevoering zij + gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds tot uw + goedgunstigheid verwezen worden, om die f dank te zeggen f om + toegeeflijkheid te smeeken. + +Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt publici, +docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus dicati, iisque +hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus iste finis +potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua in his schola +conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, _Nobilitatis_ quodam emineat +splendore necesse est, in Academiis quae pedem figere voluerit +disciplina. + + De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld zien, + openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en kunsten te + onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van die + voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden + bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of + wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de + wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de + bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een + zekeren glans van adeldom. + +Quodsi igitur vera hujusce _Nobilitatis_ insignia, palam exposita, Arti +Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne propositi hodie +mei constabit ratio et veritas? + + Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware + kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de + Spagyrische wetenschap[3] toekomen, zal dan niet de goede grond en de + waarheid van hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast + staan? + + [Voetnoot 3: Als afleiding wordt opgegeven: +span+ = (uit elkaar) + trekken en +ageirein+ = vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die + scheidt en vereenigt, zou dus bedoeld worden. (Vertaler.)] + +Virtus sola atque unica, si Potae habenda fides, _Nobilitate_ impertit +hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam ex +natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem ratione obtinet +in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, heic detur usui. + + De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter[4] moeten geloof + schenken, verleent den mensch adeldom. Maar deze is niet de gave van + n dag, noch is die de ware, zoo dikwijls als hij uit niets anders + kan bewezen worden dan uit de afkomst. Hetzelfde echter is op dezelfde + wijze het geval bij de wetenschappen, slechts moet dat, wat daar aan + de deugd is toegekend, hier worden toegekend aan het nut. + + Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis ostensuri +dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi a seculis +deductam ejus originem, objective et operum miram jucunditatem, aut quot +numeraverit, quantosque sui cultores exponunt, parum interim de +utilitate soliciti, qua sine tamen sordent omnia, antiqua fuerint, +dulcia, aut quibusvis clara sectatorum nominibus: + + Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een lauwerkransje + te verdienen, die, als zij de waardigheid van een wetenschap willen + toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij zakelijk + uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid kan + worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of + hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich + ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch + alles niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door + welke namen ook van volgelingen; + + externa enim isthaec sunt, et veram potius ornant _Nobilitatem_, +quam constituunt. Utile mensura est, illam qua metitur, verum qui rebus +pretium statuere solus novit, sapiens. + + want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren + adeldom op dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar + degeen, die alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te + stellen, de wijze, haar afmeet. + + [Voetnoot 4: Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina + III, 2, 17 volgg. op het oog. (Vertaler.)] + +Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum spectato, +vel humanae societati, ea demum disciplina jure _Nobilis_ habetur. +Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae recti bonique +facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique aliis omnibus +antecellit. + + Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een + mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke + maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar + echter het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die + wetenschap, die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, + of haar verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de + andere uit. + + Neque tamen hac multo inferior, quae corporis curat sanitatem: ea +namque magis optabile quidquam vix datur mortalibus; deficiens una +praegravat animum et deprimit. Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars +dicitur Medica: priori studet cum caeteris Philosophia; + + Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die + zorgt voor de gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest + gewenschte, dat aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, + dan maakt zij meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. + Die kunst, die het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt + de Geneeskunde genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de + overige wetenschappen toe; + + una sui parte moderandis occupata affectibus, alteram extendendis +humanae intelligentiae limitibus in cognitione rerum existentium +dedicans: utramque ergo _Nobilissimam_ suo recepere gremio Academiae, et +jure civitatis donarunt, ne ipso quidem livore contradicente. + + met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het + beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het + uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van + de kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus, + als de edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het + burgerrecht begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen + verzette. + +Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et varias hinc +sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae an ministrae? +opera singulae inter se diversissima, ad eundem tamen ultimum finem, cum +principe, sub qua militant, scientia communem, omnes collineant. Quum +itaque et has sunt quamlibet commendet usus, et summa ad priorum +perfectionem necessitas, hinc _Nobiles_ etiam ab Eruditis jure habitae, +debitum in Academiis locum obtinuere. + + Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk + uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende + wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. + Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten + zeerste verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten + slotte, dat ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze + dienen. Daar derhalve n het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot + aanbeveling strekt, n het feit, dat ze ter volmaking der eersten in + den hoogsten graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook + door de beschaafde lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden + en hebben zij de haar toekomende plaats aan de Akademies verkregen. + +Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec experta +sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui culturam in +scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris hujus justo acrioris +causam vix determinaverim: si tamen, quod vero est simillimum, dicam, +videntur ipsius Artis in se spectatae ignari, Artificum duntaxat +habuisse rationem judices, quorum ex arbitrio tum pendebant Academiae. + + Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom + heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet dan na het voeren + van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij mocht beoefenen + aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk de reden van + die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik echter zal + zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, dat de + rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, onbekend met + de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening hebben gehouden + met de beoefenaars. + +Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato hoc +rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et obscurata ab +impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena periculis; ab +otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, sordes spirans, +vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare potuit, nisi, qui +penitius eam introspicere dignaretur: + + Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en + aanbeeldvuurwerkers[5], eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw + slag van menschen, vervolgens door bedriegers misvormd en in + discrediet gebracht, op zich zelf afstootend, vol moeilijkheden, vol + gevaren, van rustige bespiegelingen ver verwijderd, ademend in vuur, + rook, asch en vuil, kon zich bezwaarlijk door eenigen schijn van + lieflijkheid bij iemand aangenaam maken, tenzij bij diengene, die zich + verwaardigde dieper met zijn blik in haar binnenste door te dringen. + + [Voetnoot 5: "Inter Pyracmonas." "Pyracmon" is in de mythologie + naam van een Cycloop werkzaam in de smidse van Vulcanus, + samengesteld uit +pur+ = vuur en +akmn+ = aanbeeld. (Vertaler.)] + + atqui externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat +cultorum et ruditas et malitia, ab interioribus ut perlustrandis +deterrerentur Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta, +rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris qui +praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam +necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam +cognovissent. + + Maar zoowel de ruwheid als de schelmerij van degenen, die haar + beoefenden, hadden haar uiterlijke verschijning z monsterlijk en + afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde lieden er van werden + afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, dat die uit + dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs heeft dus + de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters bepleit, + die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de buitengewone + voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid over het + hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van de + zaak hadden genomen. + + Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio exclusa, privatorum +exerceret manus atque ingenia, varias sub variis passa fatorum +vicissitudines, nec forte unquam Academicos in suggestus emersura, nisi, +quem nacta tandem est, causae patronum, an rabulam potius? Eremitam +fortuna major quam prudentia secundasset: + + Daardoor is het gekomen, dat zij van het openbare verkeer met + geleerden uitgesloten, handen en hoofden van particulieren bezig + hield, waarbij zij onder verschillende personen verschillende + lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich opgewerkt + zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een grooter + geluk dan verstand dien advocaat--of moest ik liever verdediger door + dik en dun zeggen?--dien zij eindelijk heeft gekregen, EREMITA[6] + had ten dienste gestaan. + + [Voetnoot 6: Keizer Rudolf II van Duitschland, die 1600 + regeerde, stelde zulk een belang in de alchemie, dat hij er zijn + regeeringsplichten voor verwaarloosde. Hem werd de naam van den + tweeden Hermes Trismegistus gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet + sterk is in orthographie, hem soms met Eremita bedoeld? + (Vertaler.)] + + hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, captus, quod +autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis agendum fuisset, +bullato id verborum nugacissimorum apparatu, mox vero, qua erat morum +insolentia, igne etiam et armis tentare non dubitavit, successu certe +adeo felici, ut ausu hocce temerario intrusa in Academias Chemia sede +potiretur, vel ipsis contradicentium cineribus inaedificata. + + Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die + verdrukte wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden + door het gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te + beproeven door een systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige + woorden, weldra echter, wat bij zijn niets ontziend karakter + begrijpelijk was, zelfs te vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval + een dergelijk succes had, dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen + in de Akademies gedrongen, daar zich een zetel veroverde, die zelfs + juist op de asch der tegenstanders werd opgericht. + + Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque hinc nixam pede, repressa +paulo post fundatoris ejus tyrannide, rursus pessum dederit impatiens +cogi, litteratorum gens liberrima; id tamen inde Chemiae boni +accesserat, quod durante isthac statione sua, propior Eruditis posita, +nonnullos horum, vividissimis quibusdam radiis, per offusas sibi +quisquiliarum tenebras evibratis, latentis intus foecundissimi luminis +sui potuerit commonefacere: + + Hoewel verder dezen met geweld verworven en daarom op zwakken + grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de dwingelandij van zijn + oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde blakende volk der + geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft omvergeworpen, + was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, dat zij, + zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van beschaafde + lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door eenige zeer + heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis van + nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare + licht, dat in haar binnenste verscholen was. + + quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium +se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, quibus +obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, Erudito Orbi +produxere intuendam. + + En weldra, door die waarneming er toe aangespoord, hebben zij + zich inderdaad tot een verder onderzoek aangegord en na langzamerhand + het masker van bedriegerijen te hebben weggenomen en de nevels van + onkunde, waarmee zij werd omsluierd, te hebben doorbroken, hebben zij, + eindelijk haar in haar naaktheid begroetend, haar aan het daglicht + gebracht ten schouwspel voor de beschaafde wereld. + + Tum ergo propriis jam refulgens radiis Chemia, tum demum, quae +personata displicuerat tantopere, nativae suae reddita faciei, adeo +pellexit Sapientes, dignam ut reputaverint, ipsorum quae in scholas +adoptata, strenue coleretur. + + Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met haar eigen + stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had mishaagd, + hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor zich + weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun scholen + opgenomen met allen ijver te worden beoefend. + +Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, nisi, +ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: tam +necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet oblectamentis, +Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem pertractumque +ullo sine taedio detineat. + + En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de + Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van + vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want + zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo + alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer + gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en + als hij eenmaal daartoe gebracht is, hem geboeid houdt zonder de + minste verveling. + + Utique, si sola contemplemur bona, quibus quascunque fere artes +manuales, humanae vitae commodis inservientes, perfundit Chemia, quot, +quaeso, et quanta sunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec, +et pro parergis tantum aestimanda. + + Zeker als wij alleen op de voordeelen acht slaan, waarmee de + Scheikunde nagenoeg alle soorten van handwerk, die dienen voor de + gemakken van het menschelijk leven, kwistig bedeelt, eilieve hoe groot + is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn zij! De dag zou te kort + zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen van zeer weinig + beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen. + + Nobilior est, quam menti, utilior, quam corpori praestat, opera +primaria: huic namque illibatam tuetur sanitatem, amissamque restituit; +illi vero brevissimam monstrat in adyta Naturae viam, latentisque in +profundo veri mira felix aperit, Philosophiae hinc et Medicina +conjunctissima, nec sine detrimento inde separanda. + + De voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is + edeler, die, welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit + houdt zij de gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren + is, geeft zij ze weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in + de binnenste heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare + werkzaamheid de wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; + dien ten gevolge is zij zoowel met de wijsbegeerte als met de + geneeskunde ten nauwste verbonden en niet zonder nadeelen daarvan + te scheiden. + +Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc +rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium +hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis meae Themati +satisfactum arbitrabor. + + Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder voldoenden + grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen aanvoeren ter + staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een prachtig + bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er voor + houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering voornam + te bewijzen. + +Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas quaeque +causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec eorum scientia +appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae pars non minima. Ejus +hinc objectum est, quidquid conceptum corporis ingreditur, aut eo reduci +potest, sive illud commune sit omnibus corporibus, sive peculiare +singulis: + + Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, + hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak + teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze + wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel + der Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op + alles, wat onder het begrip "lichaam" valt, of daartoe herleid kan + worden, hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het + bijzonder eigen. + + quum enim Materia indefinita, solis gaudens proprietatibus +corporeis generalibus, in rerum natura non detur, nec dari possit; sed +tantum sit idea intelligentiae, clarioris doctrinae gratia efficta; +corpora autem, quae re existunt, omnia individua sint, id est, adeo +limitata et determinata, ut, praeter universalem illum Materiae +conceptum, involvant peculiares etiam alias affectiones, quibus singula +a singulis distinguuntur, et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise +corpus, et non aliud: + + Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het + bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de + natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld + van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de + lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande + dingen zijn, d.w.z. z begrensd en bepaald, dat zij, behalve dat dat + algemeene begrip "Materie" op hen van toepassing is, ook nog + bijzondere andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het + andere onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist dat + lichaam is en geen ander: + + inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes non modo, +sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias Physicae esse +considerationis, utpote, quae corpora naturalia, prout vere existunt, +vel existere possunt, contemplatur. + + daardoor is het helder en klaar, dat niet slechts die algemeene + gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats die, welke elk lichaam + afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de Physische studie, + daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen beschouwt, naar + dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan. + +Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus producendis +sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam ex causis, fluunt, +quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc determinatam suarum +quilibet causarum naturam sequentes, si singularibus a viribus +emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, et contra generales, +si a generalibus. + + De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover zij + geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit + deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen + voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van + haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn + voortgekomen, ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar + daarentegen algemeen, als zij uit algemeene krachten zijn + voortgekomen. + +Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis +corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura +fundaretur; jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil +opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam corporis +universalem dedere omnium verissimam, et methodum simul exactissimam, +quaecunque in illa continentur, eliciendi. At vero quam procul abest, +haec quin ita sese habeant! + + Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat + een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van + een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de + physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig + hebben om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware + algemeene voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest + nauwkeurige methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar + hoeveel scheelt het inderdaad, dat dit zoo is! + + Detegit attentior observatio innumera certe in corporibus adeo +penitus peculiaria, ut cum generali illorum indole vix quidquam commune +videantur habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia +autem incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut +accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem +exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero +doleat! + + Een meer oplettende beschouwing ontdekt in de lichamen zeker +tallooze dingen, die zoo door en door eigenaardig zijn, dat het schijnt, +dat zij met het algemeene karakter dier lichamen bijna niets gemeen +hebben, behalve alleen het voorwerp, waaraan beide eigen zijn. Indien nu +iemand deze zaken, wanneer zij onbekend zijn, uit die algemeene +opvatting der wiskunstenaars, hoe uiterst nauwkeurig ze ook zij, a +priori zou verlangen af te leiden of ook de reden van die zaken, wanneer +zij bekend zijn, daaruit op te maken, voorwaar die zou zich te laat over +zijn verlies aan moeite beklagen! + +Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; quum in his +potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus distinguuntur. +Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, quae a data causae idea ad +intellectum effectus progreditur, sed prorsus alia incedendum via est. +Nimirum quidquid de corporibus vere concipit mens, id omne vel +Phoenomena sunt ipsi per sensus communicata, vel formata inde judicia: + + Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het + allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is + gelegen, waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig + onderscheiden. Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet + dien weg betreden, die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak + uitgaand, leidt tot begrip van de uitwerking, maar een geheel anderen. + Immers elke juiste opvatting, die de geest zich omtrent de lichamen + vormt, behoort f tot de verschijnselen, dien geest door middel der + zintuigen meegedeeld, f tot de daaruit, gevormde oordeelen. + + proprietates autem et vires corporeae in se primitus +imperceptibiles latent; effectus tamen producunt sensibus apparentes, +qui determinatae ipsarum naturae proportionales, hujus hinc cognitionem +simul exhibent, adeo, ut quo ditior fuerit observatorum cujusque rei +effectorum supellex, eo de ejus indole plus certi resciatur. + + De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven + verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij + brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen + en die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op + die wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker + bij iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des + te meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard. + + Haecque adeo sola superest indagandis corporum singularibus via +retrograda; dum alteram illam, quae a priori haec investigat, humano +ingenio imperviam prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc +rerum scrutator experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum +adminiculo sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus, +quos sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora +corporibus adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis, +quique e conjunctis fluant motus, experiatur; + + En deze van het een op het andere terugvoerende weg blijft + geheel alleen over om de eigenaardigheden der lichamen op te sporen, + daar de natuur dien anderen weg, die ze a priori tracht te ontdekken, + geheel onbegaanbaar en ontoegankelijk heeft gemaakt voor het + menschelijk verstand. Derhalve spant de volijverige navorscher van die + zaken zich eerder in voor proeven dan voor redeneeringen, met hulp van + zijn zintuigen onderzoekt hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt + op hun eigenaardige uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij + volgens een voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt + lichamen bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, + welke bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij + vereenigd zijn, voortvloeien. + + tum vero ex hisce gnaviter collectis, sibique mutuo collatis +quaesitam corporum naturam propriam et singulares dotes a posteriori +demum determinare haud infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore +patuere clarius Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: +parum in Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere +scientes. + + Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze gegevens, + die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig vergeleken +heeft, + de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen en hun +bijzondere + gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en nimmer hebben de + verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, dan toen men + dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet ver + gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten + in geen acht op sloegen. + +Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae quasi +flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: reducit +me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso docens affatim, +quam sit propinqua ambarum cognatio, quam indissolubilis nexus. + + Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, + dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van + zelf heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische + wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, + brengt mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, + hoe nauw beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band. + +Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est Chemiae +opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae Physicae sunt +considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? Imo vero vix aliud +est Chemiae propositum, quam corporum particularium examen. + + Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet bijna het + werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak bijna + alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de physische + studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de Scheikunde + kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen + afzonderlijk. + + Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus excoquitur; quidquid +protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda tellus; quidquid +denique Animantium ubivis fovet alitque alma parens Natura; id fere +omne, modo vel sensibus manifestari vel capi vasis queat, suo Chemia +sistit examini, rimatur, penetrat: + + Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der aarde + wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de vruchtbare + aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten slotte, tot + het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur koestert + en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich f kan openbaren aan de + zintuigen f kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt de + Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij. + + penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria, +facillime obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna, +aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora, +abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa +perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores. + + Zij dringt er in door, herhaal ik, z ver, dat zij minachtend + neerziend op al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk + voordoet of er slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer + onwaardig, dit aan andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf + het meer moeilijke, het meer verhevene en verborgene opzoekend, + navorscht de in het binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste + grondbeginselen, de eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs + alleen en geen anderen haar moeiten veil te hebben. + +Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora alia +aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, coagulata +solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos excitant +instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos encheiresi. + + Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze + wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het + andere en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij + stollen en gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit + ontstaan, nemen zij waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te + voorschijn door zeer krachtige instrumenten, waarbij de manier van + behandelen op allerlei wijzen afwisselt. + + Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua praesto +sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. Quid autem his +arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae corporis Adamantino inter +se vinculo; sint ejus viscera aere vel triplici praemunita; lateant in +profundissimo vires; talium profecto arietum impetu dissilient, +effringentur, patebunt. + + Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke en + krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste, + afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen). + Wat is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de + deeltjes van een lichaam maar met een stalen band onder elkaar + verbonden zijn, laten zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen + metalen muur verschanst zijn, laten zijn krachten in de onderste + diepte verborgen zitten; waarlijk onder het beuken van dergelijke + stormrammen zullen zij uit elkaar springen, opengebroken worden, aan + het daglicht treden. + +Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui venit +tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, et +vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis si +navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut potentiore +quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam captis per Ignem +experimentis? + + Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is alleen + aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt n al hun kracht + naar buiten n worden alle mogelijke afwisselingen te weeg gebracht. + Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te onderzoeken, + welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van welk + machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan + wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de + aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen[7] geloofd hebben, dat + het niets anders was dan beweging. + + [Voetnoot 7: Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats + Heraclitus van Ephesus 500 v. Chr op het oog te hebben. + (Vertaler.)] + + Cujus equidem adeo mobilis est natura, ut praeter motum aliud esse +nihil, Viri Sapientes crediderint. Est vero et Ignis, quo pollet ipse, +motum aliis communicare corporibus paratissimus; et vis ejus, per plures +gradus intermedios, intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe +quam optatissima nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas +quasque corporum affectiones enucleandi. + + Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin zijn + eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn + geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig + versterkt of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor + ontstaat voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte + gelegenheid om met de hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen + der lichamen tot in de kleinste bijzonderheden na te gaan. + + Istis enim applicatus, simul ea in motum ciet, in agilitatem +propriam solicitat, medullitus concutit, vires eorum evocat, auget, +mutat, partes constituentes a se mutuo separat, separatas sigillatim +combinat, proprias rursus harum virtutes in actum lucemque deducit, +adeoque nudis usurpanda sensibus praebet, quae alia quacunque arte +adjuti attingere potuissent nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae +scrutatori? Quid utilius? Quid magis necessarium? + + Want wanneer het bij deze wordt aangewend, brengt het hen + tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de beweging, die hun in + het bijzonder eigen is, schudt ze tot in 't merg door elkaar, roept + hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, scheidt de + samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar gescheiden + een voor een, brengt wederom de vermogens van die verschillende deelen + in het bijzonder in werking en aan het licht en maakt zelfs, dat + dingen kunnen worden waargenomen louter door de zintuigen, die zij + geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit hadden kunnen + bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer dan dit? + Wat nuttiger? Wat noodiger? + +Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in immensam mea +excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui misere adeo deperierit +vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes sit. Omnium instar sint +bina illa fulgentissima Magnae Britanniae Lumina, _Boyleus_ et +_Newtonus_: quibus certe haud perspicaciores Naturae Mystas nostra +agnoscunt secula; + + Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der + feiten aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke + groeie. Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is + op de oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit + later tijd dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden + die beide zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, BOYLE en NEWTON. + Hen erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden + in de geheimen der Natuur. + + an vero videre retroacta? Hi tamen in detegenda singularium +corporum indole, in eruendis propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam +recurrunt. Quidquid fere inventum est solidi et pulchri circa naturam +ignis, caloris, lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum, +saporum, odorum indole; quidquid de motuum terrae, igniumque +subterraneorum causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi +attractili, id omne Chemicis debetur experimentis. + + En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger dan zij? deze + echter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het + opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun + toevlucht dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone + vondst betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht + en koude, al wat bekend is geworden over het ware karakter van + kleuren, smaken, geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van + het vuur, dat zich op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt; + omtrent het magnetisme van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit + alles is men aan scheikundige proeven verschuldigd. + +Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae +experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus mentem non +formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique litem movet +de jure Academico, qui uni movet. + + De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te + breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte z nauw + saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar + voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide + betwist _hij_ het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die het + aan n betwist. + +At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! Hanccine +tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem esse in +detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum veritatum +cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, historiolis +fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam usque offerta, +suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter arcana crepat +nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, non tamen nisi denso +involuta peplo exhibet; adeo, ut auram quamvis fide Chemica tutiorem +esse, verissime cecinerit Poeta. + + Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. "Zacht + wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en + zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? + Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen + waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met + oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde + hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over + niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene + dingen, die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware + dingen laat zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo + zelfs, dat zeer terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig + koeltje eerder te vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert". + +Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus libri, +plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi Terentiano +simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; sin falsum, +aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero ecquis imprudens +adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem judex, Arti ut imputet +errores, delira quos et fraudulenta horumce Pseudochemicorum turba +dispersit? + + Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van + dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, + van wie een groot deel gelijk aan dien slaaf[8] bij TERENTIUS, wat zij + waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te houden; + maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het onmiddelijk + openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak de + vierschaar spant, z onverstandig of z verdorven, dat hij de + wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige bedriegersbende + dier pseudoscheikundigen heeft verbreid? + + [Voetnoot 8: TERENTIUS' Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. (Vertaler.)] + + His quia turpe videtur errasse solos, fucata hinc verborum specie +allectos quoque alios iisdem implicant erroribus, et, dum propria primi +periere ignorantia, sequentes in commune secum trahunt exitium; id +saltem adsecuti, quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae +tegatur ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de +Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat sensuum +cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium monstris +obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas conformentur. + + Omdat het dezen schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te + hebben, lokken zij daarom ook anderen tot zich door schoonschijnende + sier van woorden en wikkelen hen in dezelfde dwalingen en, daar zij + het eerst door hun eigen onwetendheid te gronde zijn gegaan, trekken + zij hun volgelingen met zich in een gemeenschappelijk verderf, waarbij + zij tenminste dit bereiken, dat onder den opgestapelden hoop, de een + boven op den ander, de oorzaak en bewerker van den eersten val bedekt + wordt. Zij bezitten voorwaar niets van de Scheikunde behalve den naam, + dien zij zelfs ook niet waardig zijn, daar zij slechts luisterend naar + de begeerten van hun zinnen of naar monsters van hypothesen in een + waanzinnig brein geboren, de ware regels der wetenschap noch weten + noch zich er naar richten. + +Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: +aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit oculorum +testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus primo +corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, et +accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam ducem secuti, +varia instituunt experimenta; + + De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te + schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs + is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der + oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier + beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift + der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste + nauwkeurigheid en de meest zorgvuldige waarneming van alle + verschijnselen, hierbij de natuur als leidsvrouw volgend; + + horum dein singulos quosque eventus sensibiles, bona fide, notant, +et ex his demum liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis, +severitate Mathematica eliciunt, quae clara et individua sequela inde +deduci possunt: haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et +Theorematis agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec +certitudo est? + + vervolgens teekenen zij telkens de waarneembare uitkomsten + eerlijk op en eerst nadat zij daarin een volkomen helder inzicht + hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken hebben, maken zij daaruit + met wiskundige strengheid die gevolgtrekkingen, die er in duidelijke + en onafgebroken volgorde uit kunnen worden afgeleid. En dit eerst is + het, niets anders, wat de ware beoefenaars der Scheikunde als + waarheden en leerstellingen erkennen. In waarheid wat is zekerheid, + indien dat het niet is? + +Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, +rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. +Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, Arti dum +Medicae, hujus qu curam gerit, artissime sociata, utilissimam pariter +ac maxime necessariam prstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu +derivandam. + + Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden + worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige + beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest + verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in 't kort de + voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten + nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze + een buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan + niets anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de + Scheikunde beschikt. + +Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: +haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et Chemiae nectitur; +nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior adhuc ambarum +daretur affinitas. + + Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de + beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, + waardoor zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en + de uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet + nog een nauwer verwantschap van beide zich voordeed. + +Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, vivens, hinc +individuum, singularissimum, cui definitas aliorum corporum singularium +vires, determinatis sub conditionibus applicando, requisitas in fine +suo mutationes imprimit: tota ergo versatur in singularibus, et si ulla +alia, certe haec virtutes corporum peculiares, et in se invicem +actiones, quam distinctissime perspectas postulat: + + De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het + menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel + op zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van + andere op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te + wenden die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. + Zij houdt zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo + eenige andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de + bijzondere vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op + elkaar zoo duidelijk mogelijk gekend worden. + + quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque Artibus, +Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime impendat operam; +hac sine mancam fore mutilamque quis non videt Medicinam? Hinc est, quod +mox, ac plebi erepta, Litteratos inter coepit vigere, nativo suo tum +splendore fulgens, Chemia, adeo in sui amorem et culturam omnes +pertraxerit Medicinae filios, horum ut praeprimis facta fuerit opus, +horum deliciae. + + Daar nu aan het nasporen hiervan de Scheikunde vooral boven alle + overige wetenschappen bij uitstek en met veel succes al haar moeite + besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder haar de Geneeskunde kreupel + en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te danken, dat de Scheikunde + weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te hebben onder de + geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in haar eigen + oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde er toe + heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de + allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden. + + Quid? Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, +communem sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, +pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi placuit +tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae suae +pomoeriis indefessam dederit. + + Ja nog meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft + zij voor zich een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is + toen met den nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel + gesierd geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij + terstond onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan + gegeven heeft om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten. + + Nec profecto, nisi ignarus rerum, pauca ea dixerit, aut flocci +aestimanda, quae inde in Medicinam redundarunt, bona: quamcunque enim +hujus partem, seu speculatione quae absolvitur, seu ipsa quae in operis +versatur exercitatione, percurras; utraque innumeros clamat Chemiae +usus; utraque consortium ejus ad sui perfectionem summe necessarium +exemplis docet infiniris. + + En voorwaar slechts iemand, die geen kennis van zaken heeft, + zal die dingen weinig noemen of van geringe waarde, die daaruit de + Geneeskunde ten goede zijn gekomen. Immers welk gedeelte van haar men + ook moge nagaan, hetzij dat, wat door bespiegeling wordt volbracht, + hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met de uitoefening van het werk + zelf, beide getuigen luide van de ontelbare diensten der Scheikunde; + beide leeren door oneindig veel voorbeelden, dat de samenwerking met + deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen volmaking. + +Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, quaeso, +constitit, firmarum corporis humani partium Elementum ultimum et basin +esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, medio glutine +oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo certe non progreditur subtilitas +Anatomica: sola id liquido docet Chemia. + + Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, + beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, + dat het laatste element en de basis der vaste deelen van het + menschelijk lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel + bestanddeel bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden + wordt door een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast + is? Zoo ver komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen + de Scheikunde leert dit met volkomen zekerheid. + + Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae +innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud illis +simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo sunt ipsa +etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: Chemia sola +opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, debemus: + + Waardoor wel worden de bijzondere aard van de vochten in het + lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? Want met uitzondering + van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal men tevergeefs + zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen van het + dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo verschillend + als maar mogelijk is. + + Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; Seri ejus, ad +calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis indolem saponaceam; +Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, facultates, et innumera +alia nesciremus, abfuisset Chemia. + + Hier schiet de Hygrostatica te kort; alleen de Scheikunde biedt + hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, wat wij van die zaken + weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, die het midden houdt + en noch zuurachtig noch alcalisch is, het gemakkelijk stollen van het + serum daarvan bij een hitte grooter dan de natuurlijke, het zeepachtig + karakter van de gal, de juiste samenstelling en eigenschappen van het + speeksel, van het pancreassap en der lymphe en tallooze andere dingen + zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er niet geweest ware. + + Quid nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? +Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi et +Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; originem +salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; insignem +humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) parum +apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum adfulserat. + + Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met haar + bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der + spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus- + en melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte + daarnaar, het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het + opnemen van vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering + der vochten door de krachten van den kringloop (om nog andere dingen + voorbij te gaan) hebben _zij_ weinig passend verklaard, voor wie het + meer heldere licht der scheikunde nog niet had geschenen. + +Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; innumeri, +iique impeditissimi occurrunt, circa morborum causas, naturam et +symptomata, nodi, quibus solvendis unica par est Chemia. Quis miros +salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, Lue Venerea ortus, variam +indolem, alia ex aliis effecta unquam pervidisset? + + Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der + Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog + zeer ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der + ziekten, den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde + alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het + wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke + zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het + andere voorkomt? + + Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis, +Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, Renibus, +et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique foetoris +causam? + + Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven stof, + die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de + miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en + de urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den + stank, die er mee gepaard gaat? + + Quis tetras stagnantium humorum degenerationes in tenacitatem +corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve corrosivam? Quis denique +caloris et frigoris, circulationis auctae vel diminutae varias in +permutandis humoribus vires tam pulchre in lucem ponere potuisset, nisi +Chemia praetulisset facem? + + Wie het vieze overgaan van stilstaande vochten in een + hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of inbijtende + scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van hitte + en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op het + veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen stellen, + als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan? + +Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam partem +derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in illas confert Chemia, +usus. Exempla in promptu sunt uberrima: Sanguis de vena missus nonne +luculentum internae dispositionis praebet indicium? At veram ejus +indolem, nisi examine Chemico, perspicere nemo distincte potest. + + Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het + grootste deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook + haar de voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. + Overvloed van voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de + ader gelaten niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen + toestand? Maar in den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht + krijgen tenzij door een scheikundig onderzoek. + + Latet vera Lactis nutricum natura, quem Chemia latet. At quanti +est, exactum de hoc judicium fere posse! Dum toties miseris illud +infantibus, veneni instar, infinitorum cruciatuum, mortisque fit causa, +dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem et incrementum debebat addere. + + Hem blijft de ware natuur der voedstermelk verborgen, voor wien + de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is het waard, daarover + een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dt zoo dikwijls voor de + ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is van oneindig + veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig gekoesterd leven + juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten geven. + + Si solis Medicis Medicus nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de +Sudore, de Urinis et Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius +tamen est involvere silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat +nausea. + + Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak, + zou hier zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet, + verschillende soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is + in stilzwijgen te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die + dingen te hooren, een walging bevange. + +Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine et +Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini +accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid fere +utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut ne sic +quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, ipsos Naturae, +ne dicam Artis limites vanis transgressa pollicitationibus. + + Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der Geneeskunde, + de Hygine en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in adel + uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich + gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger + dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, + al het goede, dat zij heeft, met zulk een oprechte toeneiging, dat zij + zelfs op die manier zich zelf niet scheen te voldoen en dingen + beproefde, die haar krachten te boven gingen, waarbij zij met ijdele + beloften de grenzen zelf der Natuur, om niet te zeggen der wetenschap + overschreed. + + Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram videntes +complurium suorum inventorum energiam, incitabantur eousque, finitae ut +arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae commisere, sua ipsi +delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus denegetur, collata quam ad +sanitatis tutelam, morborumque propulsionem opera meruit. + + Deze dwaling is ontstaan uit de onwetendheid der kunstenaars, + die ziende de wonderbare kracht van verscheidene van hun uitvindingen + daardoor z in vuur geraakten, dat zij meenden, dat in hun begrensde + kunst onbegrensde dingen besloten waren. Laten die dus zelf de + misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom niet aan de + Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien zij door + zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het + verdrijven van ziekten verdiend heeft. + + Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum et potulentorum, +aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes et vitia cognoscuntur +optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, aliorumque fontium, vi +Medicata insignium, elementa, compositionem et facultates tam liquido +manifestat, ut vel imitetur, et naturalium defectum arte factis +suppleat, haud minoris fere efficaciae? + + Want wat is het geval? Leert men niet door haar kunst den + aard, de goede en slechte eigenschappen van eet- en drinkwaren, van + verschillende soorten water, wijn en bier uitstekend kennen? Openbaart + zij niet de elementen, samenstelling en eigenschappen van warme, + zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar geneeskracht, z + duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken van natuurlijke + wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna geen + geringere uitwerking hebben? + + Medicamentorum principia, vires, agendi modus, et quidnam in +unoquoque id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, +sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas illas +Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum sola suggerit +Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis medicamina, quorum +inventionis gloriam illa sibi vendicat? + + De grondstoffen, krachten, de wijze van werken der + geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de grootste + macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige + analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen + der stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde + aan de hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een + uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben + zij zich beroemt? + + Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalem nonnullorum corporum +ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia +evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem ejus, +in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium +reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, dexteritatem: + + Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, waarmee + zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft weten + onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij van + vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen veiligheid + de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere geschiktheid om + de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te voorschijn te + brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om ze telkens + weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen. + + si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, dies +dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae Bellinus, +Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis Chemicis in +Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare opus? + + Want als ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste + na te gaan, zou de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de + doorluchte BOYLE, wat BELLINI, BOHN, STAHL, HOFFMAN en anderen door + hun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. + Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders? + + Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, nunquam +periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri vere Magni, +quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! sospitemque: volvite +haec atque revolvite, dictorum testimonia inventuri omni exceptione +majora. + + Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen, + onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke + daden van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier + tegenwoordig in leven--o moge hij dat lang blijven!--en in welstand + zien. Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult + daarin getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking + verheven zijn. + +Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima +inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque Medicinae +partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam necessariam ab hac +mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. Nec quis jam porro +inficiatur minime segregandam illam esse a numero Artium Academicarum, +quae binis harum tam arcto vinculo cohaeret. + + Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de + diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe + ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke + onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het + is duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke + voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar + ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat _zij_ + allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden + afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen + hangt. + +Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud adhuc est +argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, alias complures +dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo disciplinae +nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo inserantur. + + Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, + moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal + overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere + hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele + wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij + in de lijst van deze worden opgenomen. + +Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile esse +ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis praestat +operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur reciprocam. +Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum evadat, bonus sit +Chemicus oportet; ita non minus bonum decet esse Physicum, ad plenam +qui Chemiae notitiam adspirat: ultra vulgus sapiat, emunctis accedat +naribus, et imbutam artibus ingenuis habeat mentem necesse est, qui in +Chemia laudabile praestare quidquam, et verus ejus cultor audire gestit. + + Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan + weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een + zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen + wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig + van haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus + te brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de + volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus + zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne + smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de + schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets + lofwaardigs verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van + haar te heeten. + +Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae cujusdam +addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis nondum cognitis, +ad singularia mox pedem promovet? Nonne a simplicioribus ad magis +composita, a facillime obviis ad abstrusa, Naturae ipsius ordo +commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum nota sunt bonae praecepta +methodi? + + Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig is een + zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, + indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond + voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur + zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van + hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is + verscholen? + + ad corporum ut singularium descendere examen, horum investigare +occultas vires, affectiones proprias, effecta peculiaria attentet, +antequam universalem objecti sui ideam sibi comparaverit. Addiscat +prius, quid sit corpus? Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente +differat? + + Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode + z weinig bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek + van afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere + eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij + zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst + leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is, + hoeveel het verschilt van den geest. + + Virium praemittat et proprietatum communium indaginem; et +superficiem ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat +ea, qua decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum +sit ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere +conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, operi sese +accingat Chemico, fructus inde non poenitendos adsecuturus. + + Hij moet laten voorafgaan een onderzoek naar de algemeene + krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte beschouwen, voordat + hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst verstaan, met die + nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. Ten slotte zij + hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit gegevens volgens + een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te maken en + leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting voorzien + gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij vruchten + zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen. + +Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et operam! +Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; et emendato +intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta irrumpunt +profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem pro Junone amplexi, +finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, paupertate coronatum vident +sero et dolent. + + Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen + vergeefsche moeite. Want als blindemannen[9] voortgaande, stooten zij + overal tegen aan en, daar zij van het zuivere licht van het begrijpen + verstoken zijn, bazelen zij des te erger hoe dieper zij in de + binnenste heiligdommen der Scheikunde doordringen en eindelijk, een + wolk in plaats van Juno[10] omhelsd hebbend, zien zij tot hun smart te + laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met dwalingen, + onwetendheid, en armoede. + + [Voetnoot 9: "more andabatarum". Andabatae, gladiatoren die + streden in een helm zonder kijkgaten. (Vertaler.)] + + [Voetnoot 10: Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn + liefde vervolgde en tot zijn straf in de onderwereld op een altijd + draaiend rad werd gebonden. (Vertaler.)] + + Hi sunt, quorum illotis olim manibus dum tractabatur Chemia, +foedissimis deturpata errorum et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa +ut Sapientibus et suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis, +una cum Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum +opinionum pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas, +contagio vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: Optimarum +rerum abusus pessimi. + + Zij zijn het, die gemaakt hebben, dat de Scheikunde eens, + zoolang zij door hun ongewasschen handen werd behandeld, ontsierd + door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, z in het slijk + geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. Zij zijn het, + van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de edelste + wetenschap dien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen + ontving, die zich vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap + uitbreidde met een bijna niet te keeren besmetting. Hier werd dat + bekende gezegde bewaarheid: Van de beste dingen is het misbruik het + ergst. + +Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum contigit +tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, viros Mathematice +doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam ducem secuti, res +ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de iis judicare, quam praepostere +credere maluerunt, mox sordibus detersis, aliam adepta faciem Chemia, +et quibus scatebat ipsa, et qui inde in alias irrepserant scientias, +errores non expunxit solum; sed horum etiam locum amplissimis supplevit +inventis, solidissimis veritatibus. + + Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar + beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de + verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig + onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de + natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in + haar wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan + verkeerdelijk gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat + vuil te hebben afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, + zoowel de dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit + haar in andere wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar + ook de plaats daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen + en de meest onbetwistbare waarheden. + +Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari diutius; ne, +horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, tantillum etiam, +quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in munere hocce meo +speraveram successum, prorsus abjiciam, et, nedum facto virium +tentamine, palaestra fugiam imbellis. + + Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de + vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te + goed inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog + dat weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor + ik nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig + vlucht uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven. + +Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi superiorem, +cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum supellectile +instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse objici videbantur. + + Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, + dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, + beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit + Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die + dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten. + +Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito paratam +fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, +quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus insignem, +Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe necessariam, +indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae ut illius +opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo minus concludam, +_Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis jure esse inserendam_? + + En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb + laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden + voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is + voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door + de schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel + als aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de + hoogste noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee + door een onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweerlei opzicht + namelijk, dat deze zich van haar hulp bedienen, en omgekeerd. Wat + belet mij ten slotte te besluiten, _dat de Scheikunde, een edele + wetenschap, met recht een plaats verdient onder de Akademische + wetenschappen?_ + +Vestra igitur, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE BATAVAE CURATORES, una cum +NOBILISSIMIS VESTRIS COLLEGIS, AMPLISSIMIS HUJUS URBIS CONSULIBUS, +Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima hac, cui +tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia praeestis, Academia, +huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, sedem statueritis, et +officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc volueritis diu frigere, +postquam impetrata, quam petiverat, missione honorificentissima, inde +exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni plusquam Herculeam laborum +tolerantiam, eo certe provectus in Arte, verus ut Chemiae Restaurator +merito laudetur omnibus. + + Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te + zamen met uw zeer edele collega's, de zeer aanzienlijke burgemeesters + van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, + dat gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel + waardigheid en met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor + deze wetenschap een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt + ingesteld en eene werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, + dat gij niet gewild hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest + eervolle ontslag te hebben verkregen, waarom hij had gevraagd, daar + uit was getreden de man, die wegens de verbinding van een + verbijsterende geleerdheid met een meer dan Herkulische werkkracht + zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft bereikt, dat hij terecht + door allen wordt geprezen als de ware hernieuwer der Scheikunde. + +Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec promeritum +subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; id equidem quoties +attenta mente perpendo toties immensum, quo Vestra meritis meis +praeponderat clementia, momentum attonitus miror, veneror humillimus. +Juvenem namque, alienigenam, nullo dum ingenii dato specimine notum, +tanto quod condecorare honore, gratiosissime sitis dignati, cuinam magis +rei adscribam, quam immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito? + + Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat + ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien + onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo + dikwijls ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over + het kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft + moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en + eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden + jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend + geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer + moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde + gunst? + +Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae ratione +habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, post tantum +Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes mihi affulget. At +enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis abjecto, qui hinc +dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, torpeat, nascentis +fortunae suae incurius. + + Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te + houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het + volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus + toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch _hij_ moet wel geheel + van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die aan + den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild + honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren + om den groei van zijn fortuin. + + Me sane, ut ut exiguas probe agnoverim vires, hi tamen stimuli +haud pupugere insensilem: novum insuper admovit calcar favoris +plenissima Vestra, de me meisque studiis concepta, opinio: animum +denique addidit consueta Vobis et propria generosae mentis indoles, qua +ultra, quam juveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His +adductus conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor. + + Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn geringe krachten + erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van die prikkels. + Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige + meening, die gij omtrent mij en mijn studin hebt opgevat. Moed gaf + mij tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest, + waardoor gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige + krachten reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn + ambt aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig. + +Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me munificentiae +memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane indignus videar. Industria +pensabo vires, ingenium assiduitate, labore indefesso aetatem, animo +denique fulciam corpus, et quidquid in utroque est vigoris, totum id +promovendis Academiae commodis unice sacrabo. + + De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn + geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik + die niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten + goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden + arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam + schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en + alleen aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden. + +Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos non +poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum omnium +scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, ILLUSTRISSIMI ACADEMIAE +PROCERES, perpetuam salutis omnigenae et felicitatis intaminatae +abundantiam, toto ex animo, apprecor. + + Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien + weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben + aangenomen. Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al + het goede. Van Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der + Akademie, een bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en + onbevlekt geluk van ganscher harte toe. + +Ad vos me converto, CELEBERRIMI PROFESSORES! Vos alloquor, Clarissima +hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio procul, juvenem, plurimis +Vestrum incognitum, nonnulis autem, sexennio vix elapso, inter +discipulos numeratum, eo procedere temeritatis, haec ut conscendat +subsellia, Vestris sacra doctissimis vocibus, Vestris oraculis. At +temeritatem ne putate, quae justa tantum aemulatio est, studiorum +commodis inservitura. + + Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, + schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder + twijfel, dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van + sommigen ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap + van driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw + zeer geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet + voor driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke + den studiebelangen ten goede zal komen. + + Quid quisque possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque +ausum huncce meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a +fastu, a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis +honestae gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla +componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum nunquam +dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar. + + Niemand leert kennen, wat hij vermag, indien hij niet de proef + neemt. Gij zult derhalve deze onderneming van mij goedkeuren, die mij + de kennis van mijzelf zal verschaffen, en die waarlijk niet haar + oorsprong heeft in hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van + verwijderd ben, maar in de in mijn hart verborgen vlam van betamelijke + roemzucht. Het is mij een genot tegenover de voorbeelden van groote + mannen geplaatst te worden. U derhalve zal ik, zooals gij voor mij + uitgaat, van achteren aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal + gegeven worden u in te halen, zal ik u tenminste met een + tusschenruimte volgen. + + Quo ipso Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero +vestigia, quae gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim +beneficii ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae +cultu, pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam. + + Daardoor juist zal ik zonder uw weg te versperren toch zekere + voetsporen vinden, die mijn schreden zullen leiden en zullen beletten + af te dwalen. Intusschen zal die weldaad zulk een invloed op mij + behouden, dat ik u alle mogelijke eer bewijzend en hoogachting + betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, u recht geven, met + eerbied tegen u zal blijven opzien. + +Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto cum omnium +applausu, panditis, VIRI FAMIGERATISSIMI! Vobis, dum et publica me et +privata voce formavistis, omnibus et singulis, jubente ita pietate +Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum me in aeternum +devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria. + + Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde + onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, + dat ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij + mij zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt + gevormd, met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals + de dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor + zal de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen. + +Est hinc, cur Tibi, VIR ACUTISSIME, PERSPICACISSIME 'S GRAVESANDE! +publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me labore +inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis imbuere non +sis dedignatus. + + Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige 's + GRAVESANDE, hier nu openlijk den u toekomenden dank breng, omdat gij + het niet beneden u hebt geacht mij ook particulier in de vaste regels + uwer wiskundige Wijsbegeerte in te wijden. + +Tu quoque, ANATOMICORUM DEXTERRIME, SUBTILISSIME ALBINE! Qui, pari +opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem per +aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi meum longe +obstrictissimum nunquam non comperies. + + Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige ALBINUS, die mij + met gelijke moeite de absoluut noodzakelijke kennis van den bouw van + het menschelijk lichaam met de grootste bekwaamheid door ooren en + oogen hebt bijgebracht, steeds zult gij bevinden, dat mijn hart u in + de hoogste mate erkentelijk is. + +Te vero, CELEBERRIME BOERHAVI! Te cumprimis ni sigillatim hic compellem, +mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim est in me ingenii, si +qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis exercitatio, Tibi ego id +omne soli debeo. Tres alias frequentaveram Tyro Academias, antequam +prospera huc advectus fortuna, Tuo ab ore pependerim. + + U echter, zeer beroemde BOERHAAVE, als ik u hier niet in de eerste + plaats afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den + ondankbaarsten der stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig + talent bezit, eenige bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening + in de Scheikunde, dan ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie + andere Akademies had ik als nieuweling bezocht, voordat ik door een + gelukkige lotsbestiering hier aangekomen, aan uw lippen heb gehangen. + + Solam Te penes addiscere praxim animus erat, studiisque meis +Academicis imponere coronidem: sed vixdum primis gustaveram labiis +defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, cum summa ejus dulcedo me mox +tantopere rapuit, ut quidquid vel publicis vel privatis in lectionibus, +ad quamcunque pertinens Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, +haurire sategerim avidissimus. + + Ik was voornemens alleen de praktijk bij u te leeren en mijn + Akademische studin te besluiten. Maar nauwelijks had ik nog met den + rand mijner lippen de nectar van uw kristalhelder onderricht geproefd, + of de buitengewoon lieflijke smaak daarvan heeft mij dra zoozeer + verleid, dat ik voldoende werk had om alwat hetzij in openbare hetzij + in besloten voorlezingen als honig uit uw mond te voorschijn vloeide, + op welk deel der Geneeskunde het ook betrekking had, met de grootste + graagte in te drinken. + + Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti angustiam, ut +ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. Sive itaque vernam dici +speciem, amabilissimis horti divitiis mira suavitate exponendis, +dicares, jucundo Botanices studio discipulorum animos tanto redditurus +alacriores ad laborum magis arduorum tolerantiam; seu inter furnos +desudans, ad secretissimos Chemiae recessus viam monstrares, certo +castigatissimae methodi filo tutissimam pariter ac facillimam; + + Tot mijn smart zag ik namelijk dat ik wegens de kortheid van den + mij nog overgebleven tijd eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd + van u heen zou gaan! Hetzij gij derhalve een schoonen lentedag + besteeddet aan het verklaren der lieflijke rijkdommen van den Hortus + op een bewonderenswaardig aantrekkelijke wijze, om zoo door de + aangename studie der Botanie uw leerlingen des te meer lust in te + boezemen om zich moeilijker arbeid te getroosten, hetzij gij in het + zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen tot de meest afgelegen + schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die door den zekeren + leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als gemakkelijk + was; + + seu exacta ad normam Mathematicam stabilires Theoriae Medicae +fundamenta, quibus mox inaedificares immota Praxeos dogmata, medendi +methodum felicissimum; Te ego secutus undique, illam potissimum diei +partem optime a me collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum +ergo Tuum est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem +fructum, jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id +solum Tibi me mille modis in aeternum devincire. + + hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde volgens + den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke dogma's + der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te bouwen, + u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag het best + door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve geheel + uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot stand + gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht aanspraak + maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds op + duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten. + +Tu vero, VIR MAXIME! cujus immensa eruditione non minor est singularis +humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: dum eo quoque +tempore, quo post exactum vitae Academicae curriculum vel exteras +visurus regiones, peregre profectus eram; vel praxeos exercendae +gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; quoties aut literis, +aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, miro semper favore mihi +vacare, et saluberrima suppeditare consilia non es dedignatus. + + Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de + onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen + grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn + Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland + was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het + uitoefenen der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden + vertoefde, het niet beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls + als ik zoo vermetel was hetzij per brief hetzij persoonlijk in een + onderhoud uw hulp in te roepen, steeds met een verbazende + goedgunstigheid u ter mijner beschikking te stellen en mij de + heilzaamste raadgevingen te schenken. + +Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: nam Tibi etiam +debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. Tu, quod benignum adeo +apud Proceres de me judicium tuleris, effecisti, ut huic admotus muneri, +hoc sim honore ornatus. + + Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij + niet staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite + verschuldigd, die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij + zulk een welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt + geveld, dat ik tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding + heb genoten. + + Dum igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam +dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumce +agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in tabella +suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et certus crede, +omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, quam procul absim ab +ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua vetat modestia, meusque pudor. + + Daar ik dus te veel verplichting jegens u heb, dan dat ooit + eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te kwijten, aanvaard + daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste dankbaarheid, + en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu openlijk + als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk dankoffer, + en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij hiertoe + zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van + ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen + verbiedt mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel. + +Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas virium, et +operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, velis eodem, +quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, et Tuis, +quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis adesse. Tibi, at +quanto Viro! succedo: + + Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner + krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u + dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit + werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te + aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze + raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik op. + + Tu viae, quam toties trivisti, peritissimus, nisi praeiveris, +omnem despondeo animum: manu igitur me prehende juvenem, haud aequis +passibus Te secuturum; dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata +decumana industria provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem +fac ut laudis consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non +indecorus tamen, inhaeream. + + Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo + vele malen hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed + zinken. Vat mij, jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met + gelijke schreden zal kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het + krankzinnig zou zijn te trachten die hoogte te bereiken, waartoe u + uw geweldige ijver gepaard aan een goddelijk talent in de wetenschap + heeft gebracht, ik tenminste die lof mij verwerf, dat ik uw + voetstappen blijf drukken, wel is waar kruipend vorderend maar + toch niet geheel roemloos. + +Vos denique, PRAESTANTISSIMI JUVENES! Vos, sacrata Philosophiae et +Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam se dedicat +Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si quo igitur ejus +amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, erigite nunc +animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, et mecum ad hos +desudate! + + U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel + aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de + Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw + studin is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. + Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, + dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. + Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, + en werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns. + + Suprahumano labore, sedulitate indefessa, sexcentis periculis, +viam ante difficillimam expedivit Chemicorum Summus BOERHAVIUS, et, quo +ipse usus est filo probatissimo, idem bona nobis fide porrigit: hujus +ergo tenaces, Illum sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta +penetraturi. + + Door bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, + onder duizend gevaren heeft BOERHAAVE, de opperste der scheikundigen, + den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en diezelfde + beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft hij + naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan vasthoudend + hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes in de + heiligdommen der wetenschap binnen te dringen. + + Vobis ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid +in me est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id +omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum mihi +summa, is laborum finis erit unicus. + + Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat + wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid + of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan + u wijd ik dit alles toe. Want uw studin te bevorderen, dat is vooral + het toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten. + + +DIXI. + + IK HEB GEZEGD. + + +[Errata: + +JOHANNI TRIP ... civitatis Amstelaedamensis senatori + _text reads "senatorl"_ + +utilissimam pariter ac maxime necessariam prstat operam + _text reads "utillissimam"_ + +qua lethalem nonnullorum corporum ferociam + _text reads "nonnulorum"_ + +tuti et felices in artis adyta penetraturi + _text reads "penetraruri"_] + + + * * * * * + * * * * + * * * * * + + + DE HARMONIE + + van het + + DIERLIJKE LEVEN + + de openbaring van wetten. + + + Inwijdingsrede, bij het Aanvaarden van het + Hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche + Hoogeschool + + door + + Dr. F. C. DONDERS. + + Uitgesproken 28 Januarij 1848. + + + + +VOORBERICHT. + + +Wij lezen bij den voortreffelijken Henle, dat, in de physiologie en +vooral in de pathologie van het dierlijke leven, de teleologische +beschouwingswijze (vragende naar het doel der verschijnselen) zich nog +bijna overal krachtig doet gelden--en wie geen vreemdeling is in deze +wetenschappen, staat gereed, die uitspraak te beamen. + +Immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat +van _doelmatig_ bestempeld: teleologische betoogen ook vindt men als +bewijsgronden in het midden gebragt en erkend, ja! in plaats van de +_op te sporen oorzaak_, wordt het _onderstelde doel_ tot "_verklaring_" +der verschijnselen ingeroepen. Of ziet men niet, zelfs door sommige +Coryphaen in de wetenschap, eene teleologische levenskracht, eene +heelkracht der natuur, aan duizenden, _van de meest verschillende +oorsaken afhankelijke_, verschijnselen _ten gronde gelegd_? + +Reeds vroeger (Gids 1846, bl. 893 e.v.) heb ik de teleologische +beschouwingswijze--als ontbloot van absoluten grond, en hierom +willekeurig en onwetenschappelijk--met een enkel woord bestreden. Het +onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer uitvoerige +behandeling, en, om deszelfs algemeene strekking, tevens bijzonder +geschikt voor eene openlijke rede. + +Ik stelde mij hierom voor, hetzelve, bij gelegenheid der aanvaarding van +het hoogleeraarsambt, nader te behandelen,--en vooreerst te betoogen, +dat, wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook geenszins +loochenen, eene _leer_ van het doel nimmer _wetenschap_ worden kan, en +derhalve op het natuurkundig gebied niet mag worden geduld;--ten anderen +te doen zien, dat--waar, bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie +van het dierlijke leven, de, als ware het, aangeboren neiging van den +mensch tot anthropomorphismus het _doel_ als de _oorzaak_ ons wil +opdringen--het opsporen der wetten van wording, naar de oorzakelijke +methode, niettemin mogelijk blijft;--en eindelijk had ik willen +aantoonen, hoe, schier in elke wetenschap der natuur, dwalingen +en bekrompene beschouwingen uit de teleologische zienswijze zijn +ontsproten, die ook thans nog, inzonderheid op het gebied der +physiologie--bij name die van het ziekelijke leven, de verdere +ontwikkeling belemmeren, en met het stellig karakter van wetenschap +geenszins strooken. + +Voor dit laatste gedeelte echter, waaruit het duidelijkst de +noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid, om de teleologie van het +natuurkundig terrein te weren, ontbrak mij ditmaal de tijd. Elders +hoop ik dien later te vinden. + +Mogen ook zij, wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene +afwijken, deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen, en verder ook +niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken! + + DE SCHRIJVER. + + + Edelgrootachtbare heeren curatoren der Utrechtsche Hoogeschool! + + Weledelgestrenge heer secretaris van het collegie der curatoren! + + Hooggeleerde heeren, waarde ambtgenooten! en weledele zeer geleerde + heeren lectoren! + + Die met het bestuur van dit gewest of deze stad of met de handhaving + des regts zijt belast, mannen reeds door stand en werkkring + eerwaardig! + + Weleerwaarde heeren, bedienaars van de Godsdienst! + + Weledele zeer geleerde heeren doctoren der verschillende faculteiten! + + Aanzienlijke schaar van jongelingen, die u aan de beoefening der + wetenschappen toewijdt! + + En voorts gij allen, die ons met uwe tegenwoordigheid vereert, zeer + gewenschte toehoorders! + + +Werwaarts wij in de natuur onze oogen rigten, alom erkennen wij +verband, schier overal orde en harmonie. Elk punt op het uitgestrekte +veld is een deel van het groote organismus, een schakel der onafzienbare +keten, die noch begin noch einde kent, en in wezen ondeelbaar is. + +Z innig is de band, die al 't bestaande zamenvlecht! + +Bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte, waarin de verbeelding schier +weigert onze woorden te volgen, daar treedt ons, tusschen duizenden van +hemelbollen, het zonnestelsel als een geheel van orde en majesteit te +gemoet, dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering. Niet alleen zien wij +de planeten door de zon, als door een hoogere magt, aan hare banen +geketend; maar tevens weten wij, dat ook elke stoornis, van den +wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk, vereffend wordt, +vr zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen. + +De aarde, met hare duizenden van voortbrengselen, is volmaakt +gevenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel. Haar afstand +van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige +ontwikkeling van planten en dieren, aan het vereischte licht, om de +Natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden, zonder door te +hellen gloed onze oogen te verblinden. + +De dampkring, die onze planeet omhult, vindt tot bodem _hier_ den vasten +grond, welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die zee van +lucht, _daar_ den wijden oceaan, die de diepten der aardkorst vereffent; +en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede voor de ontwikkeling +en het leven van het heir van voorwerpen, die ze bewonen. + +Voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den +dampkring op, en valt ginds, als vruchtbare regen, op den dorstenden +grond. Dit water behoeven de planten. Maar zij putten ook uit denzelfden +bodem de onbewerktuigde stoffen, niet regtstreeks door den regen +aangevoerd;--en van de hooge bergen stort zich het water, rijk beladen +met de bestanddeelen der verweerde rotsen, naar beneden, en drenkt +hiermede het land, waardoor het kronkelend naar den oceaan terugvloeit. + +Zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur; zoo wordt +ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven. + +Nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide rijken +der levende natuur. Vereenigd door de dampkringslucht, waaruit beide +putten en die in beide haar voedsel vindt, voorzien zij wederkeerig in +elkanders behoeften. De dieren ontwikkelen het koolstofzuur, dat de +planten als voedsel aan den dampkring ontleenen; de planten staan in +de zuurstof de levenslucht af voor het dier,--en z is voor beide de +dampkring een eeuwige, onuitputtelijke bron. + +Nimmer is hij in rust. Van de oppervlakte der aarde, waar de lucht +aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is, stijgt zij +naar boven, om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld; en door +onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig +bewaard, beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling +van planten en dieren. + +Het is de taak van den natuuronderzoeker, de betrekking tusschen al +de verschijnselen der natuur op te sporen. Die taak is even schoon +als verheffend. In de harmonie, die hem des te levendiger in de oogen +schittert, hoe ruimer en meer omvattend zijn blik wordt, verschijnt hem +de natuur als een volmaakt gevenredigd, organisch geheel. Het genot, +uit hare aanschouwing geboren, is een krachtige prikkel voor zijnen +navorschenden geest. Steeds door harmonische indrukken opgewekt, en in +zijne werking geleid en bepaald, wordt die geest zelf meer en meer aan +harmonie deelachtig. Z ontwikkelt natuurbeschouwing bij hem een waar +gevoel voor het schoone en goede. Z kan zij de grondslag worden eener +verheven wijsgeerige moraal. + +En toch--de kennis dier harmonie is niet het rustpunt van zijn streven. +Hij wil indringen in hare oorzaken, opklimmen tot haren grond. Hij +voelt zich gedrongen, te vragen naar de wetten, die aan de ontwikkeling +der harmonie ten gronde liggen, en wil ze in die wetten erkennen als +noodzakelijk. De eeuwig onveranderlijke eigenschappen der grondstoffen +en der grondkrachten op te sporen, en aan te wijzen, hoe elk +natuurverschijnsel uit deze eigenschappen noodwendig voortvloeit, +zietdaar het ideaal van zijn streven, het toppunt zijner kennis! + +Wij weten, dat dit ideaal geenszins bereikt is; maar wij weten evenzeer, +dat er belangrijke schreden op den weg tot verwezenlijking gedaan zijn. + +De sterrekundige toont aan, dat de wetten van traagheid en aantrekking, +die slechts de uitdrukking zijn van de onveranderlijke eigenschappen der +stof, de hemelbollen aan hunne banen kluisteren; en uit de betrekking +tusschen de loopbanen en de omloopstijden der onderscheidene planeten +leert de wiskunde hem onfeilbaar besluiten, dat elke stoornis zich +noodwendig moet vereffenen, dat de orde van het zonnestelsel tot in de +verste tijden onomstootelijk verzekerd is. + +De natuurkundige kent de oorzaken van het opstijgen der waterdampen, van +het condenseren dier dampen in den atmosfeer: en in het neerstorten van +den regen, zoo wel als in de kracht, waarmede het zeewaarts stroomende +water zijne voren in de aarde groeft, ziet hij het noodwendig +uitvloeisel van dezelfde eigenschap der stof, die de banen der +hemelbollen bepaalt. Het verweren der rotsen, het doordringen van hare +bestanddeelen tot aan de wortels der planten, dit alles is in vaste +natuurwetten als noodwendig aangetoond. + +De meteoroloog geeft rekenschap van het opstijgen der lucht, en kent +de oorzaken der stroomen, die de zamenstelling des dampkrings alom +gelijkmatig bewaren,--ja! 't geheele zoo wisselvallig spel der elementen +is door hem teruggebragt tot ne hoogste oorzaak: ongelijke verdeeling +van warmte. + +Eindelijk de geoloog, die de gesteldheid der aardkorst onderzoekt, komt +op onwankelbare gronden tot het besluit, dat de aarde, vr onafzienbare +tijden, als eene gloeijende zee door het wereldruim zweefde; en, +steunende op wetten, die weder niets anders zijn, dan de eeuwige +eigenschappen der stoffen en krachten, erkent hij, dat zij noodwendig al +de gedaanteverwisselingen moest doorloopen, waarvan de huidige toestand +harer korst, als een onfeilbaar geschiedboek, getuigt.--Kortom! de +wetenschap leert, dat de geheele stoffelijke wereld door den ijzeren +schepter der noodwendigheid beheerscht wordt! + +Niet overal echter is deze waarheid even diep en krachtig doorgedrongen. +Niet overal is de behoefte even levendig ontwaakt, om tot den grond op +te klimmen der erkende harmonie. In de bewerktuigde wereld treedt zij, +bij eene onuitputtelijke verscheidenheid, zoo rijk, zoo ingewikkeld, +zoo schoon en boeijend op, dat men wel niet zoo gemakkelijk van haar +kon afscheid nemen. De geest, verrukt door schoonheid en genot, duizelde +bij het denkbeeld, om tot de oorzaken op te klimmen, waardoor zooveel +harmonie tot stand kwam. Zoo gaf hier de volheid harer pracht voedsel +aan eene beschouwingswijze, die overal elders reeds lang voor eene +juistere had moeten onderdoen. + +Buiten de levende natuur toch erkent men, zoo als ik u aantoonde, niets +dan wetten, niets dan noodzakelijkheid. Zoo legt de geoloog, om, bij de +geschiedenis der Aarde van de verschijnselen tot de werkende oorzaken +op te klimmen, de overtuiging ten gronde, dat van al de opvolgende +veranderingen der aarde de voorwaarden reeds aan de vroegste perioden +van haar bestaan verbonden waren;--en hoe meer zijn onderzoek zich +uitbreidt, des te minder wordt die overtuiging beschaamd. Wil hij de +verschillende lagen der vaste aardkorst, de verdeeling van water en +vast land over hare oppervlakte, de afwisseling van bergen en dalen, de +rivieren en bronnen, en zoo vele andere verschijnselen, (voor zoo verre +de levende natuur vreemd aan derzelver ontstaan is,) in hunne wording +toelichten, hij beroept zich slechts op wetten, hem door de sterrekunde, +de natuur- en scheikunde aan de hand gedaan, en ziet hieruit al die +verschijnselen met noodzakelijkheid geboren worden. + +Planten en dieren daarentegen beschouwt men veelal niet als geworden, +maar als gevormd; niet als eene ontwikkeling der natuur naar bepaalde +wetten, maar als de voortbrengselen eener nieuwe schepping; niet als +de verwerkelijking van hetgeen in de eigenschappen der grondstoffen en +grondkrachten reeds besloten lag, maar als naar een wel beraamd plan, in +harmonie met de overige natuur, eerst later door eene hoogste Wijsheid +tot stand gebragt. + +Dit anthropomorphismus leidde tot eene vergelijking van planten en +dieren met de kunstigste voortbrengselen van 's menschen hand: de deelen +heeft men hierom werktuigen, de verschijnselen verrigtingen en het +geheel een organismus genoemd. Men vroeg niet: waardoor kwamen zij +tot stand? maar bepaalde zich bij elk werktuig tot de vraag: waartoe +dient het? waartoe is het bestemd? En even als in een werktuig, door +menschelijk vernuft tot stand gebragt, waande men den grond, de oorzaak +van het bestaan, te kennen, waar men dacht, de bestemming of het doel +te hebben geraden. Zoo antwoordde men op de vraag: _waartoe_? en zag +hierbij over het hoofd, dat het _waardoor_? onbeantwoord bleef. Gij ziet +het: men plaatste zich op een teleologisch standpunt. + +Ik laat aan de wijsbegeerte de beslissing over, of men het regt heeft, +in de natuur van een doel te spreken: maar ik wilde u hier reeds doen +opmerken, dat men in de wetenschap van het leven afgeweken is van den +weg, die in de overige natuur-wetenschappen zoo veel dieper in den +oorzakelijken zamenhang der verschijnselen liet doordringen. En toch +schijnt die weg mij ook hier de nige, die tot hoogere waarheid leidt. +Indien de harmonie van het dierlijk organismus, die aan het besluit tot +een doel ten gronde ligt, volgens bepaalde wetten tot stand komt, dan is +zij de openbaring dier wetten. Dan wil men die wetten vaststellen en op +deze de noodzakelijkheid der harmonie gronden, in plaats van zich met +een nooit bewijsbaar doel als grond te vergenoegen. Eene poging hiertoe +is het doel mijner rede. Ik zal trachten de noodwendigheid der harmonie +van het dierlijk leven uit de wetten aan te toonen, krachtens welke die +harmonie tot stand komt. + + +Wanneer ik de harmonie in de geheele bewerktuigde wereld even noodwendig +acht, als de orde in den sterrenhemel, dan spreek ik hiermede geenszins +het vonnis uit over den natuurvorscher, die, zonder naar den grond te +vragen, zich bloot de kennis dier harmonische betrekking ten doel stelt. +Integendeel,--ik heb het reeds gezegd,--ik acht die kennis hoog. Zij ook +alleen kan ons opvoeren tot de oorzaken, die der harmonie ten gronde +liggen. Maar wanneer men uit de harmonische betrekking besluit tot +een doel, en, in den waan van hiermede den grond gevonden te hebben, +het doel tot verklaring der verschijnselen inroept, of zelfs de +mogelijkheid der verschijnselen aan het doel ten toets brengt, dan meen +ik die rigting ernstig te moeten wraken. Zij sluit het onderzoek uit +naar den grond, en wiegt het zoo noodige bewustzijn onzer onkunde met +schijnkennis in slaap. + +Het teleologisch standpunt blijft daarenboven altijd een betrekkelijk. +Men denke zich 't heelal door eene alwijze Almagt met een bepaald doel +tot stand gebragt: wie is vermetel genoeg, zich op het standpunt van +God te plaatsen? En welk standpunt zullen wij dn kiezen?--Het dier, +dat zijn' vijand ten prooi valt, moge in diens oog aan zijne bestemming +beantwoorden, in zijn eigen oog valt het als slagtoffer van het noodlot. +Maar gij wilt u plaatsen op het standpunt van mensch:--Welnu! wanneer +gij, als mensch, duizenden verschijnselen in de natuur doelmatig roemt, +wees dan consequent, en noem ondoelmatig, wat niet met uwe menschelijke +inzigten strookt. Hebt gij u het regt aangematigd, naar uwe inzigten +over doelmatigheid te oordeelen, dan hebt gij het regt verbeurd, u op +de ondoorgrondelijke wegen der Voorzienigheid te beroepen, waar gij het +doel in uwe oogen miskend ziet. En wie zal het wagen, waar jeugdige +en veel belovende kracht onder het geweld eener moorddadige ziekte +bezwijkt, waar door geweldige aardbevingen in eene enkele minuut +duizenden van menschenlevens vernietigd worden, waar in den mislukten +oogst millioenen onzer natuurgenooten eene toekomst lezen van honger en +ellende,--wie, vraag ik, zal het wagen, bij dergelijke verschijnselen, +een doel te willen raden?--Gij vraagt hier naar den grond. Gij wilt de +oorzaken dier verschijnselen kennen, welke gij rampen noemt. Welnu! +verlaat dan ook het teleologische standpunt, en tracht niet tot het +doel, maar tot den grond door te dringen, waar gij in de verschijnselen +orde erkent en harmonie: want gene als deze zijn verschijnselen +derzelfde natuur; en die u welgevallig zijn, zij berusten op geene +andere wetten, dan die gezondheid en leven u bedreigen. + + +Wanneer ik eene poging waag, om de wetten vast te stellen, waarnaar +de harmonie van het dierlijk organismus zich ontwikkelt en handhaaft, +dan verwacht gij geenszins in deze wetten verwezenlijkt te vinden, +wat ik u als het ideaal van ons streven voorstelde. Dit is nog slechts +in eene enkele der natuur-wetenschappen bereikt: in de sterrekunde, +die,--hoeveel haar descriptief gedeelte nog te wenschen overlate,--zoo +wel van hare scherpte in waarneming als volmaaktheid in theorie de +schitterendste bewijzen gaf. Maar toch ook deze wetenschap leerde de +verschijnselen van haar gebied tot wetten terugbrengen, vr zij den +grond dier wetten in de eigenschappen der stof doorzag. Het wetboek +was door Kepler geschreven, vr het genie van Newton deszelfs geest +verklaarde. Door Kepler waren de banen en omloopstijden der planeten +aan wetten gebonden, vr Newton de noodzakelijkheid dier wetten grondde +in ne hoogste wet, en hierme tevens den sleutel gaf van hetgeen de +waarneming afwijkends van de wetten van Kepler had aangetoond of verder +zou aantoonen. + +Dit nu is de weg voor elke andere wetenschap der natuur. Door het +opklimmen tot hoogere en hoogere wetten naderen wij den eindpaal, +waarnaar wij streven. Slechts trapsgewijze is hij te bereiken. Het is +waar, wanneer wij de wetten kunnen vaststellen, naar welke de harmonie +van het dierlijk leven zich ontwikkelt, dan mag die harmonie nog +geenszins verklaard heeten: eene verklaring, die iets anders zijn zou +dan eene hoogste wet, dat is eene standvastige eigenschap van stof of +kracht, kan noch mag ons geheel bevredigen. Maar wanneer men, op grond +hiervan, met eenig regt zou kunnen beweren, dat door het vaststellen van +wetten eener lagere orde de zwarigheid slechts verplaatst en niet wordt +opgeheven, dan vergete men niet, dat het eene verplaatsing is nader bij +het doel, en dat elke sport van den langen ladder even onvermijdelijk +is. + + +Vr wij de wetten toetsen, die aan de harmonie van het dierlijk leven +ten gronde liggen, moeten wij een' blik werpen op die harmonie zelve. +Reeds terstond springt ons in het oog, dat zij eene tweeledige is. Zij +openbaart zich eensdeels in de betrekking van het organismus tot de +invloeden, waaraan het is blootgesteld, anderdeels in zijne betrekking +tot de levensbehoeften, naauw verbonden met die zijner zamenstellende +deelen tot elkander. In beide opzigten streeft zij onophoudelijk eene +hoogere volmaking te gemoet. + +Beschouwen wij eerst de betrekking van het organismus tot sommige +invloeden. + +De geheele aarde, hoe verschillend de temperatuur zij van hare +oppervlakte, is met dierlijke wezens bevolkt. Van de tropische gewesten +af, waar, onder de brandende zon in het zenith, de temperatuur der lucht +zelfs de bloedwarmte kan overtreffen, tot in de oorden van eeuwig sneeuw +en ijs, overal treedt dierlijk leven ons tegemoet. Maar onder elk +klimaat, onder elke temperatuur zijn het andere geslachten, andere +soorten; en zoowel de rijke en prachtige Fauna der keerkringsgewesten, +als de ijsbeer en het rendier van het Noorden, eischen voor gezondheid +en leven juist die temperatuur, waaraan zij zijn blootgesteld. Waar dan +ook geene werktuigelijke hinderpalen aan eene onbeperkte verspreiding +in den weg stonden, was verschil in warmtegraad voldoende, om een' +onoverkomelijken grensmuur op te trekken. Duidelijk zien wij dit vooral +in het lama, dat op de verhevene weivlakten van Chili en Peru tot meer +dan 4000 ellen boven de oppervlakte der zee leeft en zich tot ver in +Patagonie heeft verspreid, maar noch in Brazili noch in Mexico wordt +aangetroffen. De voor zijne organisatie te hooge temperatuur der lagere +streken, die het had moeten doortrekken, om deze landen te bereiken, +trad als beletsel op. Evenzoo staat de koude der toppen van de +Cordilleras als scheidsmuur daar tusschen vele soorten van dieren, +inzonderheid van insekten.--Waar daarentegen werktuigelijke hinderpalen +de verspreiding langs de isothermen beperkten, heeft de mensch, door +zijne tusschenkomst, slechts die hinderpalen te overwinnen, om een nieuw +gebied van verspreiding te openen. Dit bewijzen ons de paarden en +runderen, die, door de Spanjaarden naar Amerika overgebragt, zich aldaar +in het ontelbare vermenigvuldigd hebben. Maar, wildet gij de noordelijke +dieren naar het zuiden, de zuidelijke naar het noorden overplanten, gij +zoudt uwe poging verijdeld zien. Het rendier, volkomen gehard tegen de +lange en strenge winters van Lapland, brengt te Petersburg den zomer +reeds kwijnende door, en bezwijkt spoedig onder den invloed der warmte +van een meer gematigd klimaat. En in hetzelfde oord sterft de aap aan +longtering, en kan de slang alleen door koestering en verwarming het +ellendig plantenleven rekken, waartoe zij door de koude onzer gewesten +gedoemd is. + +De mensch althans, meent gij, maakt eene uitzondering. Hij, als +wereldburger, bewoont met enkele hem gevolgde huisdieren schier de +geheele oppervlakte der aarde, en leeft bij de grootste verscheidenheid +van temperatuur.--Ik zou u kunnen wijzen op het tal van middelen, +waardoor zijn vindingrijk vernuft aan felle koude en brandende hitte +leerde afbreuk doen; maar liever vraag ik u, of niet evenzeer de Neger +als de Laplander het best beantwoordt aan den invloed der temperatuur +van het oord zijner bewoning. Het is u niet onbekend, hoe vaak +verhuizing naar een vreemd klimaat leven en gezondheid kost. _Waar_ +is het,--en die regel is algemeen,--dat, onder de verschillende +hemelstreken, de organisatie van menschen en dieren harmonisch +beantwoordt aan de heerschende temperatuur. Vanwaar die harmonie? Mogen +wij ze, op het natuurkundig standpunt, voor verklaard houden, met in +haar een wijs doel te erkennen van den Schepper, die hier deze, daar +gene dieren in het aanzijn riep?--Gewis niet! + +Even harmonisch is het verband tusschen de gevoeligheid van het oog en +de sterkte van het licht. Reeds merkte ik op, hoe het zonlicht de +luisterrijke pracht der natuur voor ons oog toegankelijk maakt, zonder +het door zijnen glans te verblinden. Maar ziet de nachtelijke dieren! +Zij bezitten eene gevoeligheid van oog, die hen wel is waar het daglicht +moet doen schuwen, maar die juist hen in staat stelt, hunne prooi te +zien en met zekerheid te bemagtigen, waar voor ons enkel duisternis +heerscht. Heerlijke doelmatigheid! moge de teleoloog hierbij in +bewondering uitroepen: hij wane niet, met dien uitroep tot de oorzaak +van het verband te zijn opgeklommen. + +De dampkring, eene noodwendige voorwaarde van het dierlijk leven, oefent +eenen tweeledigen invloed op het organismus: eenen werktuigelijken door +zijne drukking, eenen scheikundigen door zijne zamenstelling. In beide +opzigten is de organisatie van het dier hieraan harmonisch gevenredigd. +In de ijlere lucht, die de hoogste bergtoppen omringt, wordt vaak de +moedige reiziger door de lastigste verschijnselen gekweld. Zijne aderen +zwellen op; het bloed dringt hem uit lippen, mond en neus, zelfs uit het +bindvlies zijner oogen. Bij versnelden pols en ademhaling voegt zich +duizeligheid, onmagt of slaapzucht; en hij wordt door eene loomheid +overvallen, die, op haar hoogste punt gekomen, volgens getuigenis +van de Saussure, hem eene enkele schrede weigeren zou, om het +dringendst gevaar te ontvlieden. Zoo zinkt hij moedeloos, afgemat, +neder;--en trots boven zijn hoofd verheffen zich de arend en de condor, +en zweven in statige vlugt door den nog dunneren dampkring. + +Niet minder beantwoordt het organismus aan de zamenstelling der lucht, +waaraan het is blootgesteld. Plaats een dier, dat den frisschen +dampkring met ons deelt, in een mengsel, hiervan merkelijk in +zamenstelling onderscheiden, gij zult het onfeilbaar zien bezwijken. +Maar evenzeer zoudt gij het leven vernietigen van den worm, die in de +vochten van het darmkanaal voedsel vindt en lucht om te leven, zoo gij +hem overbragt in den vrijen dampkring; de scheikundige invloed van dezen +is vijandig aan zijne organisatie. + +Merkwaardig ook vooral is de harmonische betrekking tusschen het +organismus van elk dier, en het voedsel tot zijne instandhouding. Overal +is het dier juist door datgene als omringd, wat voor zijne voeding het +geschiktste is. Terwijl de natuur duizenderlei schadelijke stoffen +oplevert, die, in het organismus gevoerd, gezondheid en leven bedreigen, +is er onder de talrijke bestanddeelen onzer natuurlijke voedsels geen +enkel, welks invloed zich verderfelijk toont. Wederkeerig zegt men, dat +sommige dieren zich ongestraft voeden met stoffen, die voor anderen +doodelijk zijn; en het is eene erkende waarheid, dat plantetende dieren, +die zoo ligtelijk giftplanten in hun voedsel zullen gemengd vinden, +hiervan zonder eenige nadeelige uitwerking hoeveelheden verdragen, +waartegen het leven van vleeschetende dieren niet bestand is. Maar deze, +zegt de teleoloog, zijn door hunne levenswijze tegen het opnemen van +plantaardige vergiften genoegzaam gewaarborgd; en zij hadden dus geene +behoefte aan diezelfde ongevoeligheid. Wacht U, hierin eene verklaring +te zien! + +Nog een derde punt in de verhouding van het dierlijk organismus tot +de voedsels verdient allezins onze aandacht. Het is niemand onbekend, +dat van de dieren zich eenigen met plantaardige, anderen met dierlijke +zelfstandigheden voeden, terwijl eindelijk een niet gering aantal zich +van gemengd voedsel bedient. Met dit verschil nu van voedsel, waartoe +het dier door zijne levenswijze en geheele organisatie als gedwongen +is, verkeert het darmkanaal in de heerlijkste overeenstemming. Dierlijke +stoffen behoeven, na opgelost te zijn, naauwelijks verandering te +ondergaan, om als geschikte bestanddeelen in het bloed te worden +opgenomen; de meeste plantaardige daarentegen eischen eene langere +inwerking van het spijsverteringsvocht;--van dierlijke stoffen is eene +betrekkelijk geringe hoeveelheid tot herstelling van het verlorene +benoodigd; van plantaardige zelfstandigheden worden hiertoe integendeel +grootere massas gevorderd: en juist hieraan gevenredigd bezitten de +vleeschetende dieren een korter en eenvoudiger, de plantetende een +langer en meer zamengesteld spijsverteringskanaal, terwijl de mensen en +de overige dieren, die zich van gemengd voedsel bedienen, in dit opzigt +het midden houden. Treffende harmonie, inderdaad!.... Is het rekenschap +geven van dit verband, wanneer wij zeggen: deze dieren verkregen een +korter, gene een langer darmkanaal, opdat elk zou beantwoorden aan den +aard van zijn voedsel?--Geenszins! + +Ik zou de voorbeelden van harmonie tusschen het dierlijk organismus +en de invloeden, waaraan het voortdurend is blootgesteld, tot in het +ontelbare kunnen vermenigvuldigen; maar reeds hoor ik u veeleer vragen +naar den grond dier harmonie. Immers ik heb ze genoemd wettig en +noodwendig. Gij hebt dus regt, meer te eischen, dan op het menschelijk +standpunt hierin een wijs en verstandig doel te zien aangetoond. Gij +wilt weten, hoe zij tot stand kwam, hoe zij zich handhaaft. Eene enkele +wet geeft er u rekenschap van: _Elk dierlijk wezen wordt door de +invloeden, waaraan het duurzaam is blootgesteld, in zijne organisatie +zoodanig gewijzigd, dat het aan die invloeden harmonisch beantwoordt_. + + +Die wet klinkt u bekend;--zij is zulks in waarheid. Duizenden malen hebt +gij het woord _gewoonte_ uitgesproken, maar veelligt zijn' diepen zin +niet altijd wel doorgrond. Gij hebt haar genoemd eene tweede natuur. +Ik noem haar de natuur zelve. Wanneer wij erkennen als wet,--dat is: +als eeuwige waarheid, voor het verledene als voor het heden en de +toekomst,--dat de aard en zamenstelling van elk bewerktuigd wezen +gewijzigd wordt door de invloeden, waaraan het blootstaat, dan moeten +wij met noodzakelijkheid besluiten, dat, bij de allengsche ontwikkeling +van dierlijke wezens op de oppervlakte onzer planeet, de gesteldheid der +onderscheiden kiemen door de invloeden, dat is door de omstandigheden, +is bepaald geworden, en dat trapswijze verandering dier omstandigheden +tot gedurige wijzigingen, welligt tot splitsing in thans onderscheiden +soorten heeft aanleiding gegeven, z evenwel, dat, in elke periode, de +organisatie der dierlijke wezens aan de invloeden van buiten harmonisch +gevenredigd bleef. + +Maar toetsen wij de vastgestelde wet aan de verschijnselen; en laat ons +zien, of zij werkelijk rekenschap geeft van de harmonie, door deze zoo +luide en krachtig verkondigd. + +In de eerste plaats wees ik u op de betrekking tusschen het dierlijk +organismus en de uitwendige temperatuur. Niets gemakkelijker dan te +bewijzen, dat deze betrekking noodwendig voortvloeit uit genoemde +wet. Vooreerst is het in de hoogste mate waarschijnlijk, dat alle +menschenrassen uit n en denzelfden stam zijn ontsproten en zich, uit +eene bepaalde streek, over het grootste gedeelte der aarde verspreid +hebben. En thans zien wij de organisatie van elke verscheidenheid +harmonisch beantwoorden aan het klimaat, waaronder zij leeft. Hoe ware +dit mogelijk, wanneer die organisatie niet allengs ware gewijzigd +geworden, naar gelang ze aan eene andere temperatuur werd +blootgesteld?--Of mogt gij twijfelen aan den oorsprong van alle +menschenrassen uit denzelfden stam, dan heb ik u slechts het zoogenoemde +acclimateren te herinneren. Wat is dit anders, dan eene wijziging van +het organismus onder den invloed eener vreemde luchtstreek, eene +wijziging in dien zin, dat het beantwoordt aan de heerschende +temperatuur en de overige invloeden, aan dit klimaat verbonden?--Ik zou +u voorts kunnen wijzen op de uitersten van temperatuur, waaraan zoo +velen zich door den aard van hun beroep leerden gewennen; maar gij +behoeft slechts uw eigene ondervinding te raadplegen. Als na dagen +van strenge vorst de thermometer ook slechts weinige graden boven het +vriespunt rijst, spreken wij reeds van eene zoele lucht; en in het +najaar, bij eene veel hoogere temperatuur, rillen wij niet zelden van +koude. Eenige dagen, in eene warme kamer doorgebragt, zijn voldoende, +om ons voor de frissche buitenlucht gevoeliger te maken; en wie, van +zijne jeugd aan, tegen koude gehard is, stelt zich veilig bloot aan het +guurste jaargetijde. Zoo krachtig doet zich hier de invloed der gewoonte +gevoelen. En wanneer wij nu overwegen, dat de kiem van elke diersoort +onder eene bepaalde temperatuur gelegd werd, dat zich elke soort onder +eene bepaalde temperatuur hooger en hooger ontwikkelde, dat daarenboven +elke wijziging in die temperatuur en in hare afwisselingen als +onmerkbaar plaats greep, dan zien wij in, dat de harmonie tusschen het +dierlijk organismus en de temperatuur, waaraan het is blootgesteld, +noodzakelijk tot stand kwam, dat zij aan de wet van gewoonte gebonden +is. + +Even wettig is die harmonie ten opzigte van het licht. Snel en +gemakkelijk gewent zich het oog aan zeer verschillende graden; telkens +wordt deszelfs gevoeligheid hiernaar gewijzigd. Komen wij uit het +heldere daglicht in een vertrek, waar slechts weinige stralen toegang +vinden, dan onderscheiden wij aanvankelijk niets; het is alsof wij door +eene volslagen duisternis omgeven zijn. Maar weldra ontdekt gij enkele +voorwerpen; zij worden duidelijker en duidelijker, en eindelijk zijt gij +in staat, daar, waar het u volstrekt duister scheen, al het omringende +te herkennen en u vrij en ongedwongen te bewegen. Doch wildet gij u nu +weder eensklaps in het volle daglicht verplaatsen, het zou u door zijn' +hellen glans verblinden. Eene pijnlijke lichtschuwheid sluit nu +krampachtig uwe oogen; en eerst na eenigen tijd keert het vermogen +terug, om bij dit licht duidelijk te zien en te onderscheiden.--De +snelheid van dit accommodatie-vermogen van het oog voor verschillende +lichtsterkte staat in een naauw verband met de snelle en belangrijke +afwisselingen dier sterkte, waaraan wij van nature blootstaan. Zijn wij +langen tijd aan deze afwisselingen onttrokken, dan verliest het oog, +alweder krachtens de wet van gewoonte, het gezegde vermogen. Dit is +gebleken bij gevangenen, die, jarenlang van het daglicht beroofd, in +eene bijna volslagen duisternis leerden zien en onderscheiden; doch wier +optische gevoeligheid hierbij zoodanig was toegenomen, dat zij niet dan +met de uiterste omzigtigheid allengs aan een sterkeren lichtprikkel +mogten worden blootgesteld. Gij ziet: zij waren nachtdieren geworden. En +is het dus niet wettig, dat zoodanige dieren, die, zoolang het zonlicht +de aarde beschijnt, in diepen slaap gedompeld liggen,--is het niet +wettig, vraag ik, dat deze dieren dagblind zijn, en dat de gevoeligheid +van hun netvlies aan het duistere van den nacht beantwoordt? Mij dunkt, +gij ziet de noodwendigheid in van het harmonisch verband, dat ik u hier +deed opmerken. + +Volmaakt hetzelfde is van toepassing op den tweeledigen invloed des +dampkrings. Reeds komen de lastige verschijnselen, die uit de ijlere +lucht, hoog boven het oppervlak der zee, voortvloeijen, bij geoefende +bergbeklimmers eerst op eene meer aanzienlijke hoogte voor, of wel deze +blijven hiervan bijna geheel verschoond. Maar duidelijker blijkt, hoe +zeer ook in dit opzigt de wet van gewoonte hare regten doet gelden, +wanneer wij ons herinneren, dat op onderscheidene hooge punten der +aarde bloeijende volkstammen gevestigd zijn, waar de reiziger uit lagere +streken niet altijd tegen den schadelijken invloed der ijlere lucht +beveiligd is. Bijaldien nu de waarneming leert, dat de organisatie van +den mensch zich zoo wel aan eene hoogere,--getuige de mijnwerker,--als +aan eene lagere drukking kan gewennen, dan maakt gij zelf het besluit, +dat de organisatie der dieren, zoo wel in de diepte der zee als in de +hoogere streken van den dampkring, noodwendig moet beantwoorden aan de +drukking, waaronder zij leven. Staat niet de wijde, ruime borst van den +bewoner der Andes in innig verband met de dunnere lucht, die hij ademt, +en heeft zijne borst zich niet juist onder dien invloed zoo krachtig +ontwikkeld? + +Ook aan een merkelijk verschil in zamenstelling der dampkringslucht +kan het dierlijk organismus zich gewennen. Sanctorius verhaalt, dat +een gevangene, die 20 achtereenvolgende jaren in den onzuiveren +dampkring eens kerkers had doorgebragt, de frissche buitenlucht niet +meer kon inademen, en dat zijne gezondheid eerst terugkeerde, toen hij +weder in denzelfden kerker geplaatst werd. En hoe zeer wijkt ook niet de +zamenstelling der lucht, die de mijnwerker ademt, van die des dampkrings +af, waarin wij leven! Leblanc vond in de lucht der mijnen van +Poullaouen en Huelgoat tot 3 pCt. ja zelfs 4 pCt. koolstofzuur, eene +hoeveelheid, die het koolzuur-gehalte der door ons uitgeademde lucht +nabijkomt; en, wanneer wij zien, dat in andere mijnen het licht zelfs in +sommige gevallen wordt uitgedoofd, dan mogen wij besluiten, dat in de +hier aanwezige lucht, die de mijnwerker voor eene korte poos ongestraft +kan inademen, het koolzuur-gehalte nog aanmerkelijk hooger stijgt. + +Wij naderen tot de voedsels. Harmonisch, zagen wij, beantwoorden de +voortbrengselen van elk land aan de behoeften zijner dieren. Zullen wij +dit verband voor verklaard houden, met hierin de wijze voorzorg der +Voorzienigheid te bewonderen? Of zullen wij erkennen, dat dierlijk leven +onbestaanbaar ware, en, bestond het, onvermijdelijk ten eenemale moest +worden uitgeroeid, waar die voortbrengselen ontbraken? Mij dunkt, het +laatste eischt ons natuurkundig standpunt.--Dat voorts het gewone +voedsel van elk dier aan zijne organisatie beantwoordt, en geene aan het +organismus vijandige stoffen bevat, is onbetwistbaar een noodwendig +uitvloeisel der wet van gewoonte. De wilde van Australi leeft van +ongekookten visch, de Laplander van het vleesch zijner rendieren, de +Tartaar van de melk zijner paarden, de arme Ier van aardappelen, zoo +ze in overvloed groeijen; zij kunnen hierbij allen betrekkelijk gezond +zijn, maar zouden zeker niet straffeloos onderling van voedsel kunnen +verwisselen. Zoo vinden ook wij vooral in onze granen de bestanddeelen +vertegenwoordigd van ons ligchaam; want--onder den voortdurenden invloed +dier granen is ons ligchaam geworden, wat het is. Zonder die granen, +waren wij niet, wie wij zijn. Wij beantwoorden aan die granen, omdat wij +mede zijn uit die granen. En zeer opmerkelijk inderdaad is het, dat de +voornaamste onzer graansoorten zich hoogst waarschijnlijk met en deels +door den mensch over de aardoppervlakte hebben verspreid, uit de +streken, het eerst door menschen bewoond. + +Doch vanwaar die mindere gevoeligheid der plantetende dieren voor +verdoovende vergiften?--Het is bekend, dat het dierlijk organismus +zich aan groote hoeveelheden van verdoovende stoffen gewennen kan. +Zelfs in Engeland treft men, naar de getuigenis van Christison niet zoo +geheel zeldzaam opiophagen aan, die, zonder blijkbaar nadeelig gevolg, +jaren achtereen verscheidene oncen laudanum daags gebruiken; eene gift +van 1/4 once zou, gewis, bij elk onzer in den doodslaap eindigen. En +kan ik u niet bijna allen als getuigen oproepen, dat ook de tabak door +gewoonte zijne vergiftige eigenschappen verliest?--Neemt gij nu in +aanmerking, dat de plantetende dieren zeer ligt eene zekere hoeveelheid +narcotische deelen in hun gewone voedsel aantreffen, terwijl de +vleeschetende hieraan nimmer zijn blootgesteld, dan hebt gij den sleutel +der harmonie, die zich ook hier niet verloochenen kon. + +Gewis trok ook het merkwaardig verband tusschen de lengte van het +darmkanaal en den aard van 't gebruikte voedsel in hooge mate uwe +aandacht. De oplossing is niet moeijelijk. De aard van het voedsel +bepaalt, namelijk, de lengte van het darmkanaal. De kat is, zooals gij +weet, een vleeschetend dier. De mensch gewende de huiskat aan gemengd +voedsel. En vergelijk nu het darmkanaal van deze met dat der wilde +kat, gij zult het aanmerkelijk langer vinden, niettegenstaande beider +oorsprong dezelfde is. Dit eene voorbeeld zij voldoende tot bewijs, dat +de aard van het voedsel de lengte van het darmkanaal bepaalt, en dat, +gevolgelijk, bij elk dier eene juiste verhouding van beide noodwendig +is. + + +Zietdaar in enkele voorbeelden U den grond aangetoond der harmonie +tusschen het dierlijk organismus en de invloeden van buiten. Geeft de +wet van gewoonte rekenschap van dien band? Ik durf de beslissing veilig +aan u overlaten.--Uit de ontelbare voorbeelden koos ik slechts enkelen. +Ik hadde u kunnen wijzen op het verdikken der opperheid door wrijving en +drukking, op het gewennen aan eene drooge en vochtige lucht, aan stoffen +van verschillenden reuk of smaak, aan allerlei geluiden, op den invloed, +dien verandering van klimaat op den broeitijd uitoefent enz., en +hierdoor rekenschap kunnen geven van de harmonische betrekking tot de +buitenwereld, die het dierenrijk ook in deze opzigten vertoont. Doch ik +achtte het aangehaalde toereikend voor mijn doel. Gij stemt met mij in, +dat de gezegde harmonie eene noodwendige, eene wettige is. Gij ziet +haar onverbiddelijk tot stand gebragt, onder den invloed der werkende +oorzaken. En waar het rijk van deze gevestigd is, daar althans is der +teleologie de schepter ontwrongen. + + +Maar, mogt ik vragen, heeft dit harmonisch verband zijn toppunt van +volmaaktheid bereikt? + +Ik aarzel niet, hierop een ontkennend antwoord te geven. De harmonie +_is_ niet. Zij ontwikkelt zich; zij wordt. Zij streeft voortdurend naar +eene volmaaktheid, die zij nimmer bereikt. Dit gebiedt reeds de wet, die +aan hare ontwikkeling ten gronde ligt, en de ervaring bekrachtigt het +met haar zegel. Overweegt het zelven. Wanneer de invloeden, die onze +organisatie wijzigen, niet volmaakt bestendig zijn,--en zij zijn het +nimmer,--dan kan ook onze organisatie niet in volmaakte overeenstemming +wezen met deze invloeden. Zij blijft, in zekeren zin, bij deze ten +achter. Immers niet op het oogenblik der inwerking kan zich de +organisatie wijzigen: zij behoeft hiertoe tijd; en inmiddels is reeds +wer een nieuwe prikkel daar, die zijnen wijzigenden invloed doet +gelden. Vanhier eene ingewikkelde reeks van invloeden en werkingen, die +men te vergeefs, in al hare bijzonderheden, zou trachten te ontleden. +Elke nieuwe invloed heeft te strijden met de organisatie, dat is met het +produkt der voorafgegane invloeden. Is derzelver afwisseling niet te +groot, dan valt die kamp niet zwaar. Daarenboven heeft de vatbaarheid +voor accommodatie zich des te meer ontwikkeld, naarmate het organismus +aan meer verscheidenheid van invloed was blootgesteld. Maar is de +prikkel meer vreemd en ongewoon, dan grijpt hij dieper in, en brengt +verschijnselen voort, die wij stoornisssen noemen, omdat zij niet +strooken met onze begrippen van harmonie. Deze stoornissen nu kunnen van +dien aard zijn, dat de physische voorwaarden van het harmonisch verband +tusschen de verschillende ligchaamsdeelen worden opgeheven. Thans is het +leven niet langer bestaanbaar, en allengs treedt een andere toestand, +die van ontbinding in. Grenzen dan ook tusschen leven en dood bestaan +slechts voor den oppervlakkigen beschouwer. Het eindigen van het leven +aan den laatsten ademtogt te verbinden, verraadt gebrek aan inzigt in +hetgeen aan het leven ten gronde ligt. De bewegingen tot ademhaling +nemen een einde; en eenige uren later is van ontbinding nog geen spoor +te zien, maar de toestand van elk ligchaamsdeel is toch een geheel +andere geworden. Nu eerst heeft de spier haar zamentrekkend vermogen +geheel verloren; nu eerst is alle werkdadigheid van het zenuwstelsel +vernietigd. Door duizenden van overgangen maakt de stofwisseling in de +weefsels, die aan 't gezonde leven ten gronde ligt, plaats voor die +wisseling, welke wij ontbinding noemen; en al deze verschijnselen, +leven, stoornis, ontbinding, zijn even noodwendig en volgen elkander +wettig op. + +Zoo geeft dezelfde wet, waarop de harmonische betrekking tusschen het +dierlijk organismus en de uitwendige invloeden berust, tevens rekenschap +van de onvolmaaktheden, die haar aankleven. Wil daarentegen de teleoloog +deze onvolmaaktheden in zijne beschouwingswijze opnemen, dan velt hij +zijn eigen vonnis. Of zou hij, op het natuurkundig standpunt, de +stoornissen onzer bewerktuiging als de tuchtroede willen beschouwen +eens goeden Vaders, tot onze zedelijke verbetering? + + +Maar nog van eene andere zijde van het dierlijk organismus schittert +ons de prachtigste harmonie in het oog. Ik bedoel: in de betrekking +tot zijne levensbehoeften en in die zijner zamenstellende deelen +tot elkander. De tijd gedoogt niet, u ook deze even uitvoerig te +schilderen: trouwens, zij staat levendig genoeg u voor den geest. De +teleogie, die hier vooral de bouwstoffen vergaderde voor haren tempel, +is nimmer in gebreke gebleven, ze u op zegevierenden toon voor oogen te +stellen. Wie bewonderde niet vaak, met hooge ingenomenheid, de treffende +evenredigheid tusschen de eigenschappen en vermogens van elk dier en +deszelfs levenswijze en levensbehoeften? De kracht, de vlugheid en +juistheid van elk zijner bewegingen, de scherpte en het doordringend +vermogen zijner zintuigen, ja de oneindige verscheidenheid van neigingen +en vermogens, die men met den naam van instinct pleegt te bestempelen, +alles beantwoordt harmonisch aan de behoeften van elk dier, en verzekert +de instandhouding van het individu en de voortplanting der soort! + +Altijd en overal ligt aan de verrigting de bouw ten gronde. Ook deze, +bij gevolg, moet aan de behoeften beantwoorden, waar de verrigtingen +hieraan harmonisch gevenredigd zijn: en zoo worden wij als van zelve +gewezen op de harmonische betrekking tusschen de zamenstellende deelen +van hetzelfde organismus. In dit opzigt zou elk dier, welke plaats het +in de rij der wezens moge innemen, ons breede stof ter beschouwing +opleveren. Springt niet overal de volmaaktste evenredigheid ons in het +oog tusschen de passieve en actieve organen van beweging? Bezit het +hoofdorgaan des bloedsomloops niet altijd de vereischte kracht, om het +levensvocht door het geheele ligchaam rond te voeren? Zijn niet juist +menigvuldige verbindingen en vlechten tusschen de bloedvaatstammen daar +voorhanden, waar het ligtst hinderpalen dreigend zich konden opdoen? +Wat meer is,--terwijl de zintuigen en de geheele oppervlakte van het +ligchaam als wakkere wachters voor de indrukken der buitenwereld +openstaan, en deze aan het bewustzijn mededeelen, staat, in al de +organen van het voedingsleven, het gevoel op z lagen trap, dat wij +noch van de zamentrekkingen van het hart, noch van de bewegingen van +maag en darmkanaal, noch van den prikkel en de wrijving der vochten, +waaraan beide zijn blootgesteld, eenige de minste kennis krijgen. Ziet +gij niet,--roept de teleoloog u toe,--waartoe dit dient? Z alleen was +de werking van uwen geest vrij en onbelemmerd; z alleen werd hij +nimmer afgetrokken in de waarneming der buitenwereld; z alleen kon +hij zich ongestoord verheffen tot in hoogere sferen.--Gij erkent die +harmonie; gij ziet er, op het menschelijk standpunt, zelfs het +doelmatige van in. Maar gij verlangt meer. Gij wilt van deze en van zoo +vele andere verschijnselen den grond kennen. Gij wilt zien aangetoond, +dat zij aan wetten gebonden, dat zij noodwendig zijn. Gij wilt weten, +waardoor zij tot stand kwamen, en hoe zij zich handhaven. Ik wijs U op +de wet van oefening: _Elk orgaan, elk ligchaamsdeel wordt onder den +duurzamen invloed van den wil of van andere omstandigheden zoodanig +gewijzigd, dat het beantwoordt aan hetgeen de wil of de omstandigheden +van hetzelve eischen_. + +Toetsen wij deze wet aan de verschijnselen, dan zal tevens blijken, dat +zij rekenschap geeft van die harmonische betrekking, waarop wij een' +vlugtigen blik wierpen. + +De schoonste overeenstemming bemerkten wij tusschen de levensbehoeften +van elk dier en de kracht, de vlugheid en juistheid zijner bewegingen. +Maar komt u hierbij niet onmiddellijk voor den geest, dat, door +oefening, onze krachten, tegelijk met de spier zelve, ontwikkeld worden? +Hebt gij den geoefende niet vaak bewegingen, voor ons volstrekt +onuitvoerbaar, met eene vlugheid en juistheid zien volbrengen, die aan +het ongeloofelijke grensden? Ik zag een meisje, bij 't welk het gemis +der bovenste ledematen aangeboren was, met hare voeten, oorspronkelijk +als de onze gevormd, allerlei handwerk verrigten. 't Was alsof de voeten +in handen herschapen waren. Z vermogend is de invloed der oefening! En +bedenkt men nu, dat bij elk dier de oefening steeds bepaald wordt door +de levenswijze en levensbehoeften, dan heeft men slechts dieper in het +verledene terug te zien,--en men is overtuigd, dat, op grond der wet van +oefening, kracht, vlugheid en juistheid van beweging zich harmonisch +gevenredigd aan de levenswijze en levensbehoeften van elk dier moesten +ontwikkelen. + +Nergens evenwel vinden wij het vermogen der oefening sterker uitgedrukt +dan in de zintuigen. Bij den blindgeborene zijn gehoor, gevoel en reuk +tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding ontwikkeld, dat zij +voor een groot deel in het verlies van het edelste der zintuigen +voorzien. In eene stip aan den horizon, die het ongeoefend oog ontgaat, +erkent de zeeman een schip in volle zeilen; en wie zich daarentegen bij +voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen bezig houdt, en +hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de ruimte door te +dringen, wapent allengs zijn oog met een natuurlijk vergrootglas. Door +oefening wijzigen zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen, +en zij moeten dus bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften: want +door deze werd de oefening bepaald. Weder derhalve gaf de wet van +oefening u den sleutel tot de harmonie! + +Maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig gevolg +der omstandigheden. De vermogens en eigenschappen, die men hiertoe +pleegt te brengen, ontwikkelen zich door oefening;--zij worden verdoofd, +zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk stellen. Men +zegge derhalve niet: aan deze diersoort werd dit of dat instinct +gegeven, omdat hare levenswijze dit vorderde,--bij gene ontbreekt het, +omdat zij hieraan geene behoefte had; maar men erkenne, dat het zich bij +deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen, doordat de omstandigheden +deszelfs oefening medebragten, en dat het bij gene wettig onbestaanbaar +is, wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer aanleiding gaf. + +Wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende deelen +van hetzelfde organismus onderscheiden; maar ook dit berust op dezelfde +wet, de wet van oefening. Oefening is dan evenwel in een' ruimeren zin +genomen, namelijk: als de verhoogde verrigting en voeding van een +bepaald ligchaamsdeel, niet slechts voor zoo ver die onder den invloed +van den wil plaats grijpen, maar door eenen gewijzigden toestand, van +welk orgaan ook, te weeg gebragt. + +Door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de +passieve en actieve organen van beweging;--immers de bewegelijkheid van +elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking. Op +denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het +hart aan den werstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden; want die +werstand juist is het, die de kracht van het hart bepaalt. Wilt gij +hiervan het bewijs? Waar de werstand ziekelijk verhoogd wordt, ontstaat +overvoeding van het hart; en kondet gij van het thans onstuimig +kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale +dikte terugbrengen, gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet +zien bezwijken. Blijkt hieruit, dat verhoogde werstand de werking van +het hart opwekt, dan immers moet, krachtens de wet van de oefening, de +ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den +werstand beantwoorden. + +Moeijelijker schijnt het, het noodzakelijk bestaan te betoogen der +menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen, juist op zulke +plaatsen, waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen. En +toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig. De +belemmeringen, namelijk, tot welker overwinning de verbindingen en +vlechten, naar de teleologische beschouwingswijze, doelmatig bestemd +zijn, zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en +verbindingen. Wij zien ze hierdoor, onder zekere omstandigheden, +als onder onze oogen gevormd worden. Wordt een hoofdstam gedrukt, +onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt, dan worden de +naauwelijks zigtbare takjes, waardoor zoo wel de slagaderlijke als +aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen, +tot grootere stammen uitgezet, die nu, bij wijze van vlecht, eenen +collateralen bloedsomloop voortbrengen. Vandaar dan ook in het aderlijk +stelsel, waar belemmeringen menigvuldiger zijn, een grooter aantal dier +verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke. + +Maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere +gevoeligheid der voedingsorganen, waardoor aan onze hoogere vermogens +eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt?--Reeds deed ik u +opmerken, hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd +wordt, hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt. Het +afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van +het invallend licht: en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der +buitenwereld als gesloten, wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding +den vrijen teugel laten, of ons geheel verdiepen in een vraagstuk, dat +al onze inspanning vordert. Worden hierdoor de zintuigen als verlamd, +hoeveel meer moet, bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der +zintuigen zelve, uit gebrek aan oefening, het gevoel zijn verdoofd +geworden in die deelen, welke ons geene indrukken van de buitenwereld +overbragten, die onze belangstelling konden opwekken. Zeer opmerkelijk +gewis is het, dat, naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld +zijn, het zenuwstelsel, dat het voedingsleven beheerscht, als een meer +zelfstandig, afgescheiden gedeelte optreedt. Maar, wat meer is, het +bewustzijn herneemt, ook in de organen der voedingsverrigtingen, voor +een deel zijne regten, zoodra het geoefend wordt. Schier elk orgaan, dat +wij ons, wanneer ook zonder eenigen grond, als ziekelijk voorstellen, +wordt gevoelig, doordat wij onze gedachten nu op dit deel als +concentreren, en zoo gevoel en bewustzijn oefenen, zoo verre zij tot +dit deel betrekking hebben. Vooral is dit duidelijk ten opzigte van +het hart. Het klopt onophoudelijk in onze borst; doch in den normalen +toestand worden wij niets hiervan gewaar, tenzij wij, in den valschen +waan van aan een hartsgebrek te lijden, den hartslag altijd en altijd +naauwlettend gadeslaan. Dat eeuwige kloppen wordt dan op het laatst +ondragelijk, al is de slag niet sterker dan bij een' gezond mensch. Wie +immer zich inbeeldde, door hartziekte te zijn aangetast,--en hun getal +is niet zoo gering,--heeft hieronder bitter geleden.--Maar genoeg, om u +te doen zien, dat de hoogere ontwikkeling der geestvermogens, zoowel als +de zintuigelijke indrukken, aan de oefening van het gevoel in de organen +van het voedingsleven in den weg staan, en dat, bij gevolg, de geringe +gevoeligheid van deze eene noodwendige is. + +Zoo geeft de wet van oefening, straks uitgesproken, evenzeer +rekenschap van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne +levensbehoeften, als van den band, die de verschillende ligchaamsdeelen +tot n organismus zamenvlecht. + + +Gewis ontging het uwe aandacht niet, mijne Geerde Hoorders! dat er een +naauw verband bestaat tusschen de beide wetten, die der harmonie ten +gronde liggen: de wetten, die ik kortheidshalve die van _gewoonte_ en +_oefening_ noemde. Waar de eerste haren invloed doet gelden, wordt zij +onderschraagd door de laatste. Krachtens de wet van gewoonte, wordt elk +orgaan door den invloed, waaraan het regtstreeks is blootgesteld, +primitief gewijzigd. Dit orgaan staat nu evenwel niet gesoleerd; het +hangt innig zamen met de overige deelen van het organismus. Wat is dus +het noodzakelijk gevolg van die primitieve wijziging? Wijziging van al +de overige ligchaamsdeelen,--welker werking namelijk f opgewekt f +onderdrukt wordt,--en alzoo, krachtens de wet van oefening, eene hieraan +gevenredigde ontwikkeling van elk dier deelen. Door deze harmonische +zamenwerking der wetten van gewoonte en oefening beantwoorden nu alle +ligchaamsdeelen, ook die, welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking +blootstaan, aan de invloeden der buitenwereld, en wordt tevens de +harmonie tusschen de verschillende organen bij voortduring gehandhaafd. + +Doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk +uitgangspunt. In den wil vinden wij eene tweede, magtige drijfver van +oefening, die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den +toestel voor willekeurige beweging doet gelden, en van hier op het +geheele organismus terugwerkt. Deze oefening moet alzoo onderscheiden +worden van die, welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige +invloeden. Is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde +invloeden noodwendig tot stand gekomen, en wordt deszelfs wil, bij elke +omstandigheid, door de organisatie volstrekt bepaald, dan is de wil, die +als drijfver van oefening optreedt, zelve het noodwendig uitvloeisel +van verwijderde invloeden; en wij zouden, in hetgeen hij op de oefening +vermag, slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten +zien. + +Doch het is mijn voornemen niet, thans dieper in den grond en in het +verband dier wetten door te dringen. Genoeg, dat wij deze wetten +onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt, en ons zoo geregtigd zagen +tot het besluit: dat de harmonie, die ons de dierenwereld predikt, aan +wetten gebonden--noodwendig is. + + +En toch--het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn--op zich zelven waren de +genoemde wetten hier nog ontoereikend. Schier bij elk voorbeeld moesten +wij stilzwijgend eene derde wet vooronderstellen,--eene wet, zonder +welke de harmonie nimmer eene hoogere volmaking konde te gemoet streven, +zonder welke wij den klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het +dierlijk organismus en de buitenwereld, ja! zonder welke misschien alle +dierlijk leven vroeger of later voor het geweld van buiten zou moeten +zwichten. Reeds spreekt gij ze met mij uit. Het is de wet van +erfelijkheid: _De toestand van het voorgeslacht plant zich telkens op +het nageslacht over; de toestand der ouders wordt telkens aangeboren in +de kinderen_. Zietdaar de wet, die in het geslacht bestendigt, wat +gewoonte en oefening gewrocht hebben. Zietdaar den grondslag der +klimmende volmaking in de Schepping. + +Zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen? Weder kan +ik mij op uw eigene ervaring beroepen. Hoe dikwijls zaagt gij den +ligchaamsbouw, de gelaatstrekken, de kleur, den gang, de stem, ja zelfs +het gemoed, de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders +in de kinderen werspiegeld! De Romeinen hadden reeds hunne _naseones_ +en _labeones_; en ook thans is de dikke lip eene erfelijke eigenschap in +het Oostenrijksche Huis. + +Doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen. Immers de ontelbare +verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen +daar van de wet van erfelijkheid. De variteiten van elke soort, zijn, +zelfs veelal in de historische tijden, door verscheidenheid van +invloeden en levenswijze tot stand gebragt; en wij zien ze thans met +gelijke juistheid voortgeplant, als den oorspronkelijken typus. Bij +vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren +worden, die aan de beide ouders herinneren, zoodat ook hierin de wet van +erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart. + +Reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet +de gelukkigste partij getrokken. Men verlangt runderen, door vorm en +neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee, sterke +ossen, geschikt voor den landbouw, en koeijen, die ruime hoeveelheden +goede melk leveren. De eigenschappen, tot deze verschillende doeleinden +vereischt, schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten, en +zijn dus niet allen, in hoogen graad ontwikkeld, in hetzelfde ras te +verkrijgen. Maar reeds sedert lang is het gelukt, kunstmatig rassen +te vormen, die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij +uitnemendheid beantwoorden. En welken weg sloeg men hiertoe in? +Telkens bestemde men tot voortplanting die dieren, waarin de verlangde +eigenschappen, onder omstandigheden van welken aard dan ook, bijzonder +ontwikkeld waren, en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker +en sterker overgeplant. Eene eervolle plaats in de geschiedenis der +veeteelt komt Bakewell toe; omdat hij van de reeds lang bekende +wet van erfelijkheid (het _like begets like_, zoo als hij gewoon was te +zeggen) het eerst eene consequente toepassing maakte. Z legde hij den +grond tot een eigen ras van runderen, bijzonder voordeelig en geschikt +voor slagtvee, 't welk men een' tijd lang op hoogen prijs stelde, en +slechts daarom niet als een zuiver, onvermengd ras bewaard heeft, +wijl Bakewell zijn doel te goed, en hierdoor te zeer ten nadeele der +in andere opzigten wenschelijke eigenschappen, bereikt had. Z ook +stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen (_Dishley +Breed, New Leicester Breed_), welks wol in sommige opzigten voor die van +andere moge onderdoen, doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit, van +op veel jeugdigeren leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te +kunnen worden vetgemest, en hierom ook thans nog tot de meest geachte en +algemeen verspreide rassen in Groot-Brittanie geteld wordt. + +Uit een en ander is voldoende gebleken, dat de door verschil van +invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht +overplanten, en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid +verkrijgen, dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen. +Wanneer wij nu zien, dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden +des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven, +naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatin +onveranderd bleven, dan is er niets gewaagds in het besluit, dat aan +eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden, over ontelbare +generatin, de grootere vastheid van typus, die wij thans aan elke +soort toekennen, is toe te schrijven. En zeker bestond die meerdere +bestendigheid van omstandigheden, zoolang de verspreiding van elke thans +erkende soort meer beperkt bleef, en door tusschenkomst van den mensch +minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze. + +Vragen wij nu, in welke diersoorten, op grond der ontwikkelde wetten, +de meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden, dan +kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: vooreerst in den mensch, die, +bij zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij +het groote verschil in levenswijze en beschaving, wel het meest aan +wijziging in organisatie moest blootstaan: maar daarenboven in alle +diersoorten, die, door den mensch aan den natuurstaat onttrokken, aan +vreemde invloeden, aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld. En +zoo is het ook. Behoef ik meer te doen, dan u op de ontelbare zoo zeer +onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen, om u hiervan te +overtuigen? + +Hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien, dat elke door het individu +verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant, dan behoeft +dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten opzichte +der voorbeelden, die wij tot staving der wetten van gewoonte en oefening +hebben aangevoerd. Het zij mij evenwel vergund, nog op enkele van deze +uwe aandacht te vestigen. + +Wanneer Parry ons verhaalt, dat hij, op zijne reis naar den +Noord-pool, in eene temperatuur, waarbij het kwikzilver bevriest, een' +zuigeling in de open lucht aan de borst zijner moeder zag, kan het dan +nog aan twijfel onderhevig zijn, dat het vermogen, om aan koude te +werstaan, eene aangeboren eigenschap is van den bewoner van het +Noorden? Wanneer wij zien, dat het darmkanaal der jonggeboren huiskat +eene betrekkelijk grootere lengte heeft, dan dat van jonge vleeschetende +dieren, zijn wij dan niet overtuigd, dat de geschiktheid der organisatie +voor het gebruik van gemengd voedsel hier wordt aangeboren?--En wat +leert ons de geschiedenis van het tabaksgebruik? Thans moge het dengene, +die zich aan dit vergift gewennen wil, hoogstens nog eenige benaauwde +uren of dagen kosten:--toen in werwil der bedreigde straffen en den +heftigen tegenstand, zelfs door Pausen en Keizers geboden, het gebruik +van den tabak zich eerst door Europa begon te verspreiden, waren de +verschijnselen bij de eerste proeven oneindig heviger, en schijnt zelfs +menig onvoorzigtige rooker zijn' zonderlingen lust met den dood bekocht +te hebben. Onze ouders rookten, onze voorouders rookten,--en thans is, +gij ziet het, de gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren. + +Om u vervolgens te doen opmerken, hoe de door invloeden en oefening +verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel, hoe de kracht en +snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant, breng +ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest. +En van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende +zintuigen leveren onderscheidene volkeren,--van een aangeboren verschil +in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familin, bijzonder in de +steden, het overtuigendst bewijs. + +Zoo zou ik van elke harmonische eigenschap, die wij, krachtens de +wetten van gewoonte en oefening, zagen tot stand komen, de voortplanting +op het nageslacht door voorbeelden kunnen staven, en hierdoor de +noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder' +grondslagen vestigen. Ik wil mij echter, kortheidshalve, bepalen tot +de instinctmatige vermogens. Bij de wet van oefening heb ik mij omtrent +dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden, naardien het mij +gemakkelijker scheen, u de kracht der oefening, door verscheidene +geslachten voortgeplant--en als ware het vermenigvuldigd--aanschouwelijk +te maken, dan in het leven van een enkel individu. En hierom mogt ik +deze hier niet met stilzwijgen voorbijgaan. Weder de hond levert ons het +sprekendst bewijs van den invloed der oefening ook op de instinctmatige +vermogens. Het lijdt geen' twijfel, of bij de oorspronkelijke soort, +waarvan al onze honden afstammen, bestond n en hetzelfde instinct. +En thans, welk een verscheidenheid! Schier elk ras heeft ook ten +dezen opzigte zijne eigendommelijkheden. Behoef ik u te wijzen op +de instinctmatige vermogens van den herders- of jagershond, van den +bloeddog of van den New-foundlander?--Van waar nu die verscheidenheid? +Het antwoord is niet moeijelijk. De mensch heeft door kunstmatige +oefening het een of ander instinct bij den hond meer en meer ontwikkeld, +en door de wet van erfelijkheid werd dit instinct bestendigd. Overwin +bij een' hond den tegenzin, om te water te gaan, gij zult hiermede +bij de jongen reeds veel minder te kampen hebben. Wilt gij andere +voorbeelden? Frederic Cuvier verhaalt, dat in zoodanige streken, waar +den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd, de jongen, reeds de +eerste maal, dat zij het nest verlaten, eene omzigtigheid aan den +dag leggen, die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken +zou.--Voorts weten wij, dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn' +vijand. Men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud. Maar +het dier, welks voorgeslachten niet vervolgd werden, de vogels op een +onbewoond eiland, vlugten niet; zij zijn zoo argeloos, dat zij zich met +de hand laten vangen. Na weinige generatien echter is hun het instinct +om te vlugten reeds aangeboren. Alzoo: de vervolging door den vijand +heeft het instinct om te vlugten, volgens de wet van oefening, +ontwikkeld; en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort. +Gij ziet: het aanwezen van dit instinct, als dat van elk ander, is het +noodwendig gevolg der omstandigheden, die deszelfs oefening uitlokten, +en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden. + +Hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt, wanneer +op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan, leert ons reeds het temmen +der dieren. Nimmer zullen de jongen van een getemd dier de wreedheid en +wildheid aan den dag leggen, die zijnen voorouders eigen waren. Maar nog +opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der natuurlijkste +instincten bij onze inlandsche runderen. Overal, waar het de gewoonte +is, het kalf bij de koe te laten zuigen, bestaat hiertoe bij beide de +grootste behoefte. Zij schreeuwen zich half dood, zoo als Sturm +zich uitdrukt, wanneer men ze van elkander scheidt. De koe, die +dagenlang zoo onrustig zich gedraagt, dat een vreemde niet zonder gevaar +ze zou naderen, spant al hare krachten in, om los te breken; en het kalf +zoekt, verscheidene weken, bijna onophoudelijk naar de uijer, alles +aanvattende, om er aan te zuigen. Bij onze inlandsche koeijen +daarentegen, welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen +verwijderd worden, is de moederliefde, als ware het, uitgedoofd. Wordt +het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt, dan gedraagt zich de +moeder volmaakt rustig, en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig +verwijderen, terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in +veel geringere mate opdoen. + + +Zietdaar, mijne Geerde Hoorders! de drie wetten ontwikkeld, die aan de +harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen. Naar de wetten +van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot +stand gebragt; naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht +bestendigd, wat door gewoonte en oefening in het individu gewrocht was. + +Die harmonie erkent gij dus als noodwendig: want zij is aan wetten +gebonden, en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde +gehoorzaamheid. Wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie, +hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap; want in de +onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur, waarop hare +uitspraken gegrond zijn, staat met onuitwischbare letteren geschreven: +_gewoonte_, _oefening_, _erfelijkheid_. + +Het is evenwel niet genoeg, de noodwendigheid der harmonie uit deze +wetten te herleiden; ons streven moet het zijn, die wetten zelve dieper +te doorgronden. Reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de +wetenschap over de oorzaken der verschijnselen, welke wij tot de wetten +van gewoonte en oefening terugbragten: en zoo, opklimmende van oorzaak +tot oorzaak, zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te +verliezen, naderen wij, langzaam wel is waar, maar met vasten tred, +het ideale standpunt, van waar men alle verschijnselen der natuur met +noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten +konde zien voortvloeijen. + +Wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld, hij +plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten. +Hier verstomt de wetenschap der Natuur; hier staan hare grenzen. Zij +verloochent haar karakter, wanneer zij ook den grond dier eigenschappen +kennen wil. Zij overschrijdt hare regten, wanneer zij den staf durft +breken, over wie hier grond en doel vereenzelvigen. + +En, wanneer eens door eene alwijze Almagt die stoffen en krachten +met een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen, en in hare +eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd, +dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze aderen,--maar +het is een doel, dat buiten de wetenschap ligt der Natuur. + + +Van mijne taak heb ik het deel volbragt, door de wet mij opgelegd. +Een ander deel, waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen, blijft +te vervullen over.--Het eerst rigt ik mij tot U, Edel Groot Achtbare +Heeren Curatoren! die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der +Hoogeschool, aan uwe hooge zorgen toevertrouwd. Steeds uw blikken gerigt +op den vooruitgang der Wetenschappen en op den toestand der Hoogeschool, +is het uw heilig streven, dezen aan de eischen van gene te doen +beantwoorden. Het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan,--en gij hoordet +het telkens door zaakkundige mannen rondom u uitspreken,--dat de +geneeskundige wetenschappen, terwijl zij meer het karakter en den geest +der natuurkundige aannamen, zich op ruimer en ruimer gebied vestigden. +Dit eischte in uw oog dan ook ruimere voorziening in het onderwijs; +en de betrekking, waarin ik thans sta tot de Hoogeschool, strekt ten +bewijze, dat gij niet geaarzeld hebt, tot stand te brengen, wat +uwe overtuiging u als wenschelijk had voorgespiegeld. Mij hebt +Gij geroepen,--en onze geerbiedigde Koning heeft uwe keuze +bekrachtigd,--niet zoo zeer om eene taak op mij te nemen, die vroeger +op andere schouders rustte, dan om naast den werkkring van ijverige +Ambtgenooten mij, als leeraar, een' weg te banen op het uitgebreid +gebied der geneeskundige wetenschappen.--Gij zult geene klagte van mij +vernemen, Edel Groot Achtbare Heeren! dat mijn werkkring hier te beperkt +is: integendeel, ik spreek het opentlijk uit, dat men nog aan meer dan +n' nieuw Ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen, +die ook thans nog onvervuld moet blijven. Maar, vergeeft het mij, zoo +ik u toch op eene schaduwzijde wijzen moet: ik bedoel het verbroken +evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap, die gij door +uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen, +en de nog onveranderde wettelijke vereischten, voor wie den graad +van Doctor in die wetenschap verlangt. In Nederland worden thans +nog geneeskundige studien volbragt, zonder dat de grondslagen der +physiologie van den gezonden en van den zieken mensch, de weefselleer +en de ziektekundige ontleedkunde, tot de verpligte lessen behooren. +In Nederland worden thans nog wettig Doctoren gecreerd in de genees-, +heel- en verloskunde, zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde +wetenschappen worden gevorderd.--Ik koester met vertrouwende gerustheid +den wensch, dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke blijven, +tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te dragen. + +Maar reeds week ik te ver af van de gevoelens, die mij bezielden, toen +ik mij tot u wendde. Indien ik plegtig verklaar, dat aan de loopbaan, +die gij voor mij geopend hebt, het geluk mijns levens innig verbonden +is, dat de later van u ontvangene blijken van welwillende belangstelling +eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed, en dat mijn hart warm +en erkentelijk is, dan hebt gij den maatstaf der dankbaarheid, die mij +jegens u bezielen moet. + +Maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn geluk: +het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend. Het zou overbodig +zijn, en gewis mij weinig passen, over uwe groote verdiensten voor deze +Hoogeschool uit te weiden: alleen op de getuigenis van hen, die het +langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben, kondt gij eenigen +prijs stellen,--en dt ontbrak u nimmer. Maar ik voel mij toch gedrongen +u te zeggen, dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate vereert, +naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de Hoogeschool +in zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn afgedrukt; ja! dat +ik er trotsch op ben, door u tot eene betrekking te zijn voorgedragen, +waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest staat. Ik heb mij +als levensdoel gesteld, aan uw vereerend vertrouwen naar mijne krachten +waardiglijk te beantwoorden. Geene poging hiertoe zal onbeproefd +blijven; maar dikwijls, ik gevoel het, zal ik uwe welwillende +ondersteuning hiertoe moeten inroepen. Reeds hebt gij mij geleerd, dit +met vertrouwen te doen,--en door uwe handelingen mij den wensch in den +mond gelegd, dat gij nog eene lange reeks van jaren, altijd even ijverig +bijgestaan door uwen hooggeschatten, wakkeren Secretaris, aan het +welzijn der Hooggeschool uwe goede zorgen moogt toewijden. + + +Ook tot u, Weledele Hooggeleerde Heeren, waarde Ambtgenooten, en Zeer +Geleerde Heeren Lectoren! rigt ik mij met volle vertrouwen. Doorloop ik +uwe rijen, dan ontdek ik mannen, die, grijs geworden in wetenschap en +letterroem, mij hooge achting, diep ontzag inboezemen; maar ik zie ook +onder u geerde Leermeesters, die mij altijd met heusche welwillendheid +den weg tot wetenschap hebben aangewezen,--vrienden, die mij met hunnen +omgang vereerden, vr ik hen als Ambtgenooten mogt begroeten; en in +u allen herken ik ambtgenooten, die mij welwillend zijt te gemoet +getreden, toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste. + +Ik wierp met u een' blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk +leven,--en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend. Maar +een hooger beginsel ademt de harmonie, waarmede gij eenparig streeft +naar hetzelfde verheven doel: want, in dit streven kent gij geene +wetten, ziet gij geene noodzakelijkheid. Gij gevoelt: het geschiedt met +bewustzijn, het berust op vrije wilsbepaling.--Thans ben ik geroepen, +om mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van den mensch te +vereenigen. Die taak rust zwaar mij op de schouders. Mijne beste +pogingen, om hierin harmonisch met u zamen te stemmen, zou ik gewis +dikwijls zien verijdeld, wanneer gij niet steeds gereed stondet, mij +welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken. Dit zij hierom de +bede, tot u allen gerigt--de bede, waarmede ik mij dringend, maar ook +vol vertrouwen, wende tot de leermeesters mijner academiejaren, die ook +later nimmer ophielden, mij voor te lichten op het pad der wetenschap. + + +Maar ik zie onder u nog een' vriend, een' leermeester van latere jaren, +wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap, wiens geest +kracht heeft en moed, wiens hart gloeit voor wat goed en edel is. +Ik weet het, Mulder! gij zijt afkeerig van openlijk huldebetoon. +Wierook-walmen stijgen niet tot u op. Maar mag het hulde heeten, wanneer +ik zeg, dat gij nimmer hebt opgehouden, mijn' blik in de natuur en in de +menschenwereld te verruimen, dat gij altijd en overal mijne belangen met +vurigen ijver hebt behartigd, dat, wanneer ik, door leed of angst +geprangd, naar een' vriend omzag, gij aan mijne zijde stondt!... +Neen! hulde mag het niet heeten, waar, voor sprekende feiten, zwakke +woorden in de plaats treden.--Ik gevoel het, Mulder! ik heb noch den +geest krachtig, noch het hart warm genoeg, om beide bij u te bevredigen; +maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid, die mij bezielen--en +gij zult ook de kleine bron niet versmaden, wanneer ze u frisch en +helder water biedt. + + +Hartelijk verheugt het mij, ook u hier te zien, Wel Edelgestrenge, +Zeer Geleerde Heeren! die ik, nog kort geleden, de eer had, mijne +Ambtgenooten te noemen. Ik wist het, dat gij een levendig deel naamt in +de mij te beurt gevallen onderscheiding; en uwe tegenwoordigheid op deze +plaats is mij hiervan een nieuw bewijs. De vijf volle jaren waarin wij +onze krachten tot n doel zamenspanden, waren de gewigtigsten mijns +levens. Aan deze, en voor een groot deel aan U, ben ik mijne +wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd. Ik herdenk het met +zoo veel voldoening, hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd, +hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting, +hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden, dat ik met vrienden leefde. +Hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts, die zich nimmer +verloochende; en, mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd +zijn,--de heilige band, die tot de minste sporen van misverstand en +tweedragt steeds uit ons midden weerde, blijve ook thans hechter dan +immer gesloten! + + +Ten slotte wend ik mij tot u, Aanzienlijke Schaar van Jongelingen! +want aan u is mijn volgend leven toegewijd. Ik ben geroepen, om u voor +te gaan op den weg tot wetenschap; en zucht tot kennis brandt in u +allen. Ziet! zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons +geboren.--Zoekt gij bij mij de veelomvattende kennis en grondige +geleerdheid, die wij vereeren en hoogschatten alleen in mannen, +wier leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was, ik moet u +teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het ondersteunen +uwer pogingen, ijver en lust om u nuttig te zijn, ik bied ze u van +ganscher harte aan. En wij kunnen immers gezamenlijk het veld onzer +kennis uitbreiden. Gij toch, die u toewijdt aan de beoefening der +natuurkundige wetenschappen, waaronder ik ook de geneeskundige begrepen +acht, gij weet het, hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen. De +kennis, die gij verlangt, ligt in de voorwerpen en verschijnselen der +natuur opgesloten: zintuigelijke waarneming van deze is de nige wijze, +waarop zij te verkrijgen is. Van de stelling uitgaande, dat niets wat +waarneembaar is, wordt gekend, vr het is waargenomen, moet het steeds +mijn streven zijn, u de voorwerpen en verschijnselen der Natuur +waarneembaar voor te stellen. En z immers is ons de gelegenheid +gegeven, gezamenlijk kennis op te doen. Ik wil niet tot u spreken als +een boek, en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek; maar +ik zal trachten, uwe zintuigen te scherpen, en ze met uwen geest in +nader verband te brengen. Gij moet leeren zien, hooren, ruiken, proeven +en tasten; en gij moet het bewustzijn hebben, dat gij met deze vermogens +tot ware kennis kunt geraken. Daarin bestaat het groote geheim, om +zelfstandig te worden. Hebt gij de indrukken zelf uit de natuur +opgezameld, gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen. Die kennis is dan +uw eigendom, dien niemand u kan betwisten; en op dien grond zijt gij nu +zelfstandig. + +Geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring, dan iets te mogen +bijdragen, om u tot die zelfstandigheid te vormen. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by +Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM *** + +***** This file should be named 19072-8.txt or 19072-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/0/7/19072/ + +Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands +Team and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive/Canadian +Libraries.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/19072-8.zip b/19072-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f69c4bb --- /dev/null +++ b/19072-8.zip diff --git a/19072-h.zip b/19072-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e42bb02 --- /dev/null +++ b/19072-h.zip diff --git a/19072-h/19072-h.htm b/19072-h/19072-h.htm new file mode 100644 index 0000000..72c60c9 --- /dev/null +++ b/19072-h/19072-h.htm @@ -0,0 +1,15979 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> +<head> +<title>Opuscula Selecta</title> +<meta http-equiv = "Content-Type" content = "text/html; +charset=utf-8"> + +<style type = "text/css"> + +body {margin-left: 10%; margin-right: 10%;} + +hr {width: 80%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} +hr.mid {width: 50%;} +hr.tiny {width: 20%;} + +img {margin: 0em;} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 {text-align: center; font-style: normal; +font-weight: normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; +margin-bottom: 0em;} + +h1 {font-size: 200%;} +h2 {font-size: 150%;} +h3 {font-size: 125%;} +h4 {font-size: 115%;} +h5 {font-size: 100%;} +h6 {font-size: 90%;} + +p, div, blockquote {margin-top: .5em; margin-bottom: 0em; +line-height: 1.2;} + +div.righthalf {margin-left: 40%;} + +p.illustration {text-align: center; margin-top: 1em; +margin-bottom: 1em;} +p.inset1 {margin-left: 20%;} +p.inset2 {margin-left: 40%;} +p.hanging {margin-left: 1em; text-indent: -1em;} +p.hanging.inset {margin-left: 3em;} + +p.space {margin-top: 1.5em;} +p.nospace {margin-top: 0em;} + +.footnote {font-size: 95%; margin-right: 2em; margin-left: 2em;} +a.tag {text-decoration: none; vertical-align: .3em; font-size: 80%; +line-height: 0em;} +a.toc {text-decoration: none;} + +/* tables */ + +table {margin-left: auto; margin-right: auto; margin-top: 1em; +margin-bottom: 1em;} +table.parallel {margin-left: -3%; margin-right: -3%;} + +td {vertical-align: top; text-align: left; padding: .1em .5em;} +td p.hanging {margin-top: 0em;} + +td.sidenote {font-size: 90%; font-style: italic; padding-left: 0em; +padding-top: .2em;} +td.sidenote.space {padding-top: 1em;} + +td.tablehead {text-align: center; font-size: 110%; padding-top: .5em;} + +td.number {text-align: right; vertical-align: bottom;} +td.letter {text-align: right; vertical-align: top; font-style: italic;} +td.number.left {padding-right: .5em;} +td.number.right {padding-left: .5em;} + +.pictop, .picbottom {float: left; clear: left; padding: 0em; +margin-top: 0em; margin-left: 0em; margin-right: .5em;} +.picbottom {margin-bottom: .5em;} + +.caption {font-size: 85%; line-height: 1.5em;} +.hidden {display: none;} + +.chapter {margin-top: 4em;} +.section {margin-top: 2em;} + +.figfloat {float: right; clear: right; margin-top: .2em;} + +.smallroman {font-size: 0.8em;} +.smallcaps {font-variant: small-caps;} +.extended {letter-spacing: 0.2em;} +.boldf {font-weight: bold;} +.ital {font-style: italic;} +.sans {font-family: sans-serif;} +.greek {border-bottom: thin dotted #999;} + +ins.correction {text-decoration: none; border-bottom: thin dotted red;} + +.pagenum {position: absolute; font-size: 95%; font-weight: normal; +font-style: normal; font-variant: small-caps; text-align: right; +right: 4%; text-indent: 0em; color: #666; background-color: inherit;} +.pagenum.latin {right: 94%;} +.pagenum.dutch {right: 3%;} + +.mynote {background-color: #DDE; color: #000; padding: .5em; +margin: 1em 5em; font-family: sans-serif; font-size: 95%;} + +</style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by +Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Opuscula Selecta Neerlandicorum + Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde + +Author: Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +Editor: Hector Treub + +Translator: L. Hillesum, W. Julius, L. Hillesum and A. H. Kan + +Release Date: August 18, 2006 [EBook #19072] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM *** + + + + +Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands +Team and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive/Canadian +Libraries.) + + + + + + +</pre> + + +<!--png 005--> + +<p class = "mynote"> +De spelling en de hoofdletters zijn gehandhaafd als in het origineel. +<br> +Een aantal typografische fouten is gecorrigeerd. Ze zijn met +<ins class = "correction" title = "op deze manier">popups</ins> +aangegeven. Van de Griekse woorden is de +transliteratie op dezelfde wijze aangegeven: <span class = "greek" +title = "touto">τοῦτο</span>.<br> +<br> +Spelling and capitalization are as in the original.<br> +A few typographical errors have been corrected. They have been marked +with <ins class = "correction" title = "like this">popups</ins>. +Greek words are similarly transliterated: +<span class = "greek" title = "touto">τοῦτο</span>. +</p> + + +<h1>OPUSCULA SELECTA<br> + +NEERLANDICORUM<br> + +DE ARTE MEDICA</h1> + + +<!--png 006--> +<hr> + +<!--png 007--> +<p class = "illustration"> +<a name = "titlepage"> </a><br> +<img src = "images/titlepage.png" width = "332" height = "544" +alt = "title page"><br> +<br> +<a href = "#titletext">[Text]</a> +</p> + + + +<!--png 008--> + +<hr class = "mid"> + +<span class = "pagenum">vii</span> +<a name = "pagevii" id = "pagevii"> </a> +<!--png 009--> +<h4>INHOUD.</h4> + +<table> +<tr> +<td></td> +<td class = "number">Blz.</td> +</tr> + +<tr> +<td><span class = "smallcaps">Ter inleiding</span></td> +<td class = "number smallcaps"><a class = "toc" href = +"#pageix">ix</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Desiderius Erasmus</span>, +Encomium artis medicæ</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page1">1</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Desiderius Erasmus</span>, +De lof der geneeskunde</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page1">1</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Antoni van Leeuwenhoek</span>, +Den waaragtigen omloop des Bloeds, als mede dat de Arterien en Venæ +gecontinueerde Bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page45">45</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Jan Swammerdam</span>, +Proefnemingen van de particuliere bewegingen der spieren van den +Kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren in de +menschen en beesten toegepast worden</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page69">69</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Hermannus Boerhaave</span>, +De usu ratiocinii mechanici in medicina</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page98">98</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Herman Boerhaave</span>, +Het nut der mechanistische methode in de geneeskunde</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page99">99</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Hieronymus David Gaubius</span>, Oratio +inauguralis qua ostenditur chemiam artibus academicis jure esse +inserendam</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page170">170</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Hieronymus David Gaubius</span>, +Inaugureele rede, waarin wordt aangetoond, dat de scheikunde met recht +een plaats verdient onder de akademische wetenschappen</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page171">171</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">F. C. Donders</span>, +De harmonie van het dierlijke leven de openbaring van wetten</p> +</td> +<td class = "number"><a class = "toc" href = "#page229">229</a></td> +</tr> + +</table> + + +<!--png 010--> + +<hr class = "mid"> + +<span class = "pagenum">ix</span> +<a name = "pageix" id = "pageix"> </a> +<!--png 011--> + +<h4>TER INLEIDING.</h4> + + +<p>Den 1<sup>sten</sup> Januari 1907 heeft het Nederlandsch Tijdschrift +voor Geneeskunde 50 jaren bestaan. In Mei 1901 besloot de algemeene +vergadering der Vereeniging: <i>Nederlandsch Tijdschrift voor +Geneeskunde</i>, op voorstel der Redactie, den lezers van het +Tijdschrift bij gelegenheid van dit jubileum eene feestuitgave aan te +bieden. Deze feestuitgave zou betrekking hebben op de geschiedenis der +geneeskunde. De zorg voor de voorbereiding dier uitgave werd opgedragen +aan eene commissie, bestaande uit de heeren <span class = +"smallcaps">B. J. Stokvis</span>, <span class = "smallcaps">W. +Koster</span> (Utrecht), <span class = "smallcaps">C. E. +Daniëls</span>, <span class = "smallcaps">H. Treub</span> en de +beide toenmalige redacteuren-gérant <span class = +"smallcaps">M. Straub</span> en <span class = +"smallcaps">P. Muntendam</span>.</p> + +<p>De geheimen van onze commissie-vergaderingen te verklappen is +allerminst mijn bedoeling. Maar iets wil ik en moet ik toch zeggen. Dit +n. l., dat, wanneer niet de drie eerstgenoemde, klassiek geschoolde +commissieleden er geweest waren, en met name wanneer niet <span class = +"smallcaps">Stokvis</span> zijne groote belezenheid en zijn eeuwig +jeugdig enthousiasme aan onze taak had doen ten goede komen, er van dit +boek bitter weinig terechtgekomen zou zijn. Want één ding stond, na de +eerste voorloopige besprekingen, al spoedig bij ons allen vast: wij +moesten de feestuitgave doen bestaan in herdrukken van Nederlandsche +klassieke schrijvers over geneeskunde. Maar wie moest onder de +klassieken, en wat van hun werk gekozen worden? En hoe moest het +uitgegeven worden? Vragen die, tendeele althans, slechts beantwoord +konden worden door hen, die de klassieken kenden. Toen dan ook omtrent +het „hoe“ beslist was, dat de feestuitgave geen bloemlezing, maar een +bundel van zooveel mogelijk op zich zelf staande stukken zou zijn, +kwamen de drie genoemde kenners der klassieken met verschillende werken +aan, waaruit de commissie na kennismaking zou kunnen kiezen.</p> + +<p>Moeilijke bezigheid, voorwaar! Gelukkig, wij zijn Hollanders, wij +waren in commissie vereenigd en wij hadden dus het recht, om niet te +zeggen de nationale plicht met bedachtzaamheid voorttegaan. Zoo waren +wij dan ook nog slechts nauwelijks tot eene definitieve keuze gekomen, +toen in September 1902 <span class = "smallcaps">Stokvis</span> ons +ontviel. Wanneer ons werk, gelijk wij hopen, ten slotte bruikbaar is +geworden, dan zij hier gezegd, dat dit in de allereerste plaats te +danken is aan het initiatief en de krachtige medewerking van <span class += "smallcaps">Stokvis</span>.</p> + +<p>De commissie was zoo gelukkig in zijn plaats door de algemeene +vergadering benoemd te zien de heer <span class = "smallcaps">C. A. +Pekelharing</span>, die aan hare verdere werkzaamheden een zeer actief +deel heeft genomen.</p> + +<p><span class = "pagenum">x</span> +<a name = "pagex" id = "pagex"> </a> +<!--png 012--> +Besloten werd tot een herdruk van vier redevoeringen. De eerste is van +<span class = "smallcaps">Erasmus</span> (1467-1536). De groote +humanist, schoon zelf geen medicus, heeft toch in eene oratie den lof +der geneeskunst verkondigd. En, waarlijk, beter lofredenaar kon de +geneeskunst moeilijk verlangen. Zoo uitbundig is zelfs hier en daar zijn +loftuiting, dat men, gedachtig aan den schrijftrant van den auteur van +den lof der zotheid, geneigd is zich nu en dan af te vragen, of niet +meer zachte ironie dan welgemeende lof uit <span class = +"smallcaps">Erasmus’</span> woorden spreekt. Toch zal men bij doorlezing +van dit weinig bekende geschrift van den geleerden Rotterdammer +bespeuren, dat het hem met den lof, deze moge dan overdreven zijn, ernst +is, daar hij niet nalaat de slechte geneeskunst-oefenaars te vermanen. +Hoe weinig het oude stuk nog verouderd is, blijkt wel uit wat hij +o. a. zegt:</p> + +<p>„De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed +gebouwde personen met elkander lieten huwen, die maakten, dat men alleen +volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en +turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen +verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën +voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor de +gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden.“</p> + +<p>Immers dit kon nu nog, helaas! goeddeels dienst doen als politieke +wenschlijst voor een medicus.</p> + +<p>De tweede redevoering is van <span class = +"smallcaps">Boerhaave</span> (1668-1738), en door hem gehouden ter +gelegenheid, dat de curatoren der Leidsche hoogeschool hem, door eene +traktementsverhooging, hadden weerhouden naar Groningen te gaan. Al had +het particularisme dier dagen niets anders goeds uitgewerkt dan ons dit +heldere en logische betoog omtrent de waarde der iatromechanica te +bezorgen, dan mochten wij het nog dankbaar zijn. Als men <span class = +"smallcaps">Boerhaave</span>’s klare taal leest, die zijn gedachtengang +zoo scherp weergeeft, waarin geen argument te weinig en nauwelijks een +woord te veel is, dan begrijpt men den grooten invloed door <span class += "smallcaps">Boerhaave</span> als leermeester uitgeoefend.</p> + +<p>Versterkt wordt deze indruk door de volgende redevoering, die van +<span class = "smallcaps">Gaubius</span> (1705-1780), wiens gezwollen +welsprekendheid <span class = "smallcaps">Boerhaave</span>’s eenvoudige +duidelijkheid beter doet uitkomen. Evenwel, niet om, doch ondanks deze +tegenstelling werd <span class = "smallcaps">Gaubius’</span> werk door +ons gekozen. Immers ziet men af van de voor ons minder smakelijke +rhetorische versierselen, dan geeft het betoog van +<span class = "smallcaps">Gaubius</span>, op zichzelf voor dien tijd +van groot gewicht, tevens een eigenaardig beeld van de snel +wisselende geneeskundige opvattingen. Nog geen dertig jaar toch na +<span class = "smallcaps">Boerhaave</span>’s enthousiaste verdediging +der iatromechanica komt, op zijne plaats en in zijn tegenwoordigheid, de +door hem aangewezen leerling de waarde der scheikunde als wetenschap en +in het bijzonder hare waarde voor de geneeskunst bepleiten.</p> + +<p>Als vierde in de rij der oraties komt die van +<span class = "smallcaps">Donders</span> (1818-1889), over de +harmonie in het dierlijke leven; de oratie, waarmede hij zijn loopbaan +als hoogleeraar aanving. Een waardige evenknie van het stuk van +<span class = "smallcaps">Boerhaave</span>, waarin met goed gekozen +argumenten en in keurige taal de teleologie als wetenschap wordt +aangevallen en betoogd wordt, dat het „waartoe“ geen +<span class = "pagenum">xi</span> +<a name = "pagexi" id = "pagexi"> </a> +<!--png 013--> +antwoord geven kan op de vraag naar het „waardoor“, terwijl toch slechts +deze laatste vraag voor den wetenschappelijken vooruitgang belang +heeft.</p> + +<p>Tusschen <span class = "smallcaps">Erasmus</span> en +<span class = "smallcaps">Boerhaave</span> komen de herdrukken van +onderzoekingen van <span class = "smallcaps">van Leeuwenhoek</span> +en van <span class = "smallcaps">Swammerdam</span>. Onafhankelijk +van de hem klaarblijkelijk onbekende ontdekking der capillairen door +<span class = "smallcaps">Malpighi</span> (1661), gaf +<span class = "smallcaps">Leeuwenhoek</span> (1632-1723) +<span class = "smallcaps">Harvey</span>’s leer van den bloeds omloop een +krachtdadigen steun door het, met behulp van zijn mikroskoop, geleverde +bewijs dat: „De Arteriën en Venae gecontinueerde Bloedvaten zijn“; een +bewijs, dat hij in gemoedelijke taal, doch met groote helderheid geeft. +Met zóó groote helderheid, dat men verbaasd staat, dat de eenvoudige +Delftenaar, als buitenstaander van de officiëele wetenschap, om geloofd +te worden zich moest beroepen op het getuigenis o. a. van „d’Heer +Mr. <span class = "smallcaps">Antoni Heinsius</span>, Raad en +Pensionaris dezer Stad, voor desen Extraordinaris Envoyé aan zijn +Koninklijke Majesteit van Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen +Staat aan het Hoff van zijn Koningl. Majesteit van Engeland.“</p> + +<p>Het stuk van <span class = "smallcaps">Jan Swammerdam</span> +(1637-1680) geeft ten slotte een goed voorbeeld van diens +experimenteertalent. Immers, zoowel zijn proef over de uitgesneden, doch +in verbinding met de zenuw gelaten kikvorschspier, als die met het door +lucht gevulde hart, kunnen ter demonstratie van dat talent dienen; ook +al is de eerste, die doet zien dat bij den spiercontractie verwekkenden +zenuwinvloed niets ponderabels van de zenuw naar de spier overgaat, +bewijzender dan de tweede, die dienen moet om te betoogen, dat het +spiervolume bij de contractie niet toe- doch afneemt.</p> + +<p>De commissie meende met deze keuze een geschikten aanvang te maken +van eene publicatie van Nederlandsche klassieken en zij hoopt en +vertrouwt, dat daarmede de stoot tot verdere analoge herdrukken gegeven +zal zijn.</p> + +<p>Maar, zal zulk een herdruk nut hebben, dan dient, voor de meerderheid +der Nederlandsche geneeskundigen, het Latijn door Nederlandsch vervangen +te worden. En, zal de publicatie nut hebben om ook in het buitenland den +naam der oudere Nederlandsche schrijvers op geneeskundig gebied in eere +te houden, dan moeten er ook vertalingen in vreemde talen bij zijn. Deze +overweging stelde de commissie voor een nieuwe moeielijkheid, die des te +grooter werd, toen de algemeene vergadering besloot, dat niet één, doch +drie vreemde talen zouden gekozen worden. Onder de commissieleden was +geen <span class = "smallcaps">Littré</span>, noch een <span class = +"smallcaps">Ermerins</span> en de zorg voor vertalingen in Fransch, +Engelsch of Duitsch durfden zij evenmin op zich te nemen. Zoo heeft dan +de commissie de hulp van anderen, meerendeels niet-medici, ingeroepen en +bepaalde zich haar werk in hoofdzaak tot de specifiek medische correctie +van het vertaalwerk.</p> + +<p>Zij was zoo gelukkig de hulp te verkrijgen van den heer <span class = +"smallcaps">L. Hillesum</span> voor de vertaling van de redevoering +van <span class = "smallcaps">Erasmus</span> in het Nederlandsch, van +den heer <span class = "smallcaps">C. Grondhout</span> voor de +vertaling dierzelfde redevoering en van de verhandeling van <span class += "smallcaps">Antoni van Leeuwenhoek</span> in het Engelsch, van den +heer <span class = "smallcaps">Maurice Pernot</span> voor de Fransche +vertalingen der oraties van <span class = "smallcaps">Boerhaave</span> +en <span class = "smallcaps">Gaubius</span>, van de heeren <span class = +"smallcaps">W. Julius</span> en <span class = +"smallcaps">L. Hillesum</span> voor de Nederlandsche vertaling van +<span class = "smallcaps">Boerhaave</span>, van den heer <span class = +"smallcaps">A. H. Kan</span> voor die van <span class = +"smallcaps">Gaubius</span> en van den heer <span class = "smallcaps">E. +Hummelsheim</span> voor de vertaling der redevoering van <span class = +"smallcaps">Donders</span> +<span class = "pagenum">xii</span> +<a name = "pagexii" id = "pagexii"> </a> +<!--png 014--> +in het Duitsch. Haar medelid, de heer <span class = +"smallcaps">Daniëls</span>, wiens bibliographische speurzin zich nooit +verloochent, vond een weinig bekende Duitsche uitgave van <span class = +"smallcaps">Swammerdam</span>’s „Bijbel der Natuur“ (Leipzig 1752), +waaraan de commissie de benoodigde vertaling van diens verhandeling kon +ontleenen.</p> + +<p>Het is der commissie een plicht, maar een genoegen tevens, aan al +dezen haren medewerkers hier oprechten dank te betuigen en hulde te +brengen voor den zoo nauwgezet uitgevoerden arbeid.</p> + +<p>Wanneer ik ten slotte nog gememoreerd heb, dat het typografisch werk +voor den feestbundel afkomstig is van de firma <span class = +"smallcaps">de Roever Kröber & Bakels</span>, dat de portretten, +voor zoover bestaande, in lichtdruk zijn gereproduceerd door de firma +<span class = "smallcaps">Senefelder</span>, die ook de platen bij <span +class = "smallcaps">van Leeuwenhoek</span>’s en <span class = +"smallcaps">Swammerdam</span>’s stukken in photolithographie +reproduceerde, en dat de band en het titelblad ontworpen zijn door den +heer <span class = "smallcaps">J. B. Heukelom</span>, dan behoef ik +daarvoor geen dank uit te spreken, want de dank voor hun werk zal hun +onmiddellijk gebracht worden door elken beschouwer van het boek.</p> + +<p class = "inset1"> +<i>In opdracht en in naam der commissie ter<br> +voorbereiding dezer feestuitgave,</i></p> + +<p class = "inset2"> +HECTOR TREUB.</p> + +<hr class = "mid"> + +<p align = "center"><a name = "titletext" href = "#titlepage">[Title +page]</a></p> + +<p align = "center">OPUSCULA SELECTA · +NEERLANDICORUM · +DE ARTE MEDICA</p> + +<p align = "center">Fasciculus Primus · +quem · +Curatores Miscellaneorum · +quae vocantur · +Nederlandsch Tijdschrift · +voor Geneeskunde · +collegerunt et ediderunt · +ad celebrandam · +Seriem quinquagesimam · +in lucem nuper editam ·· +Quaenam insint scripta · +proxima pagina docebit ·· +Amstelodami · +Apud F. van Rossen · +MCMVII</p> + +<p align = "center">Erasmus · +Swammerdam · +Van Leeuwenhoek · +Boerhaave · +Gaubius · +Donders</p> + +<hr class = "chapter"> + +<!--png 015--> + + +<!--png 016--> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/erasmus.jpg" width = "378" height = "486" +alt = "Erasmus"><br> +<br> +<span class = "caption">IMAGO·ERASMI·ROTERODAMI<br> +AB·ALBERTO·DVRERO·AD<br> +VIVAM·EFFIGIEM·DELINIATA<br> +ΤΗΝ·ΚΡΕΙΤΤΩ·ΤΑ·ΣΥΓΓΡΑΜΜΑΤΑ·ΔΕΙΞΕΙ<br> +MDXXVI</span><br> +[AD]</p> + +<hr class = "section mid"> + +<span class = "pagenum">1</span> +<a name = "page1"> </a> +<!--png 017--> +<h1>ENCOMIUM ARTIS MEDICÆ</h1> + +<h4>DESIDERIO ERASMO ROTERODAMO AUTORE.</h4> + + + + +<h1 class = "section">DE LOF DER GENEESKUNDE</h1> + +<h6>VAN</h6> + +<h4 class = "extended">DESIDERIUS ERASMUS.</h4> + + +<hr class = "mid section"> + +<table class = "parallel"> +<tr> +<td width = "50%"> +<span class = "pagenum latin">2</span> +<a name = "page2"> </a> +<!--png 018--> +<p><i>Erasmus Roterodamus</i></p> +<p><i>D. Henrico Afinio Lyrano</i></p> +<p class = "inset1"><i>insigni Medico</i></p> +<p class = "inset2"><i>S. D.</i></p> +</td> + +<td> +<span class = "pagenum dutch">3</span> +<a name = "page3"> </a> +<!--png 019--> +<p class = "inset1"><i>Erasmus van Rotterdam</i></p> +<p class = "inset1"><i>aan Dr. Henricus Afinius van Lier,<a class = +"tag" name = "tag1_1" href = "#note1_1">1</a></i></p> +<p class = "inset2"><i>den voortreffelijken medicus.</i></p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p>Nuper dum bibliothecam recenseo, doctissime Afini, venit in +manus oratio quaedam olim mihi nihil non experienti, in laudem +artis medicae declamata; continuo visum est orationem non optimam +optimo dicare medico, ut vel tui nominis lenocinio studiosorum +centuriis commendetur.</p> +</td> +<td> +<p>Toen ik onlangs mijne bibliotheek nazag, zeer geleerde <span class = +"smallcaps">Afinius</span>, kwam mij eene redevoering in handen, die +lang geleden door mij, toen ik mijne krachten nog aan allerlei +beproefde, vervaardigd was over „den lof der geneeskunde“. Terstond +besloot ik de niet zeer goede redevoering aan den zeer goeden medicus op +te dragen, opdat zij, door Uwen naam versierd, in de gelederen der +studenten haren weg moge vinden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p>Erit hoc interim mei in te animi qualecunque documentum, dum +dabitur aliud nostra necessitudine dignius.</p> + +<p>Bene vale.</p> + +<p>Lovanii tertio Idus Martias Anno MDXVIII.</p> +</td> + +<td> +<p>Aanvaard intusschen dit blijk, hoe gering ook, van mijne genegenheid +jegens U, totdat U een ander, onze vriendschap meer waardig, zal gegeven +worden.</p> + +<p>Het ga U wel.</p> + +<p><span class = "smallcaps">Leuven</span>, den 13<sup>den</sup> Maart, +1518.</p> + +</td> +</tr> +</table> + +<hr class = "mid"> + +<table class = "parallel"> +<tr> +<td colspan = "2"> +<span class = "pagenum latin">4</span> +<a name = "page4"> </a> +<!--png 020--> +<h4>DECLAMATIO ERASMI ROTERODAMI IN LAUDEM ARTIS MEDICÆ.</h4> +</td> + +<td> +<span class = "pagenum dutch">5</span> +<a name = "page5"> </a> +<!--png 021--> +<h4>REDEVOERING VAN ERASMUS VAN ROTTERDAM OVER DEN LOF DER +GENEESKUNDE.</h4> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2">Attentio.</td> +<td></td> +</tr> + +<tr> +<td width = "5%"></td> <!--sidenote--> +<td> +<p> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/q_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "Q: Quo" title = "Q: Quo"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">Q</span>uo saepius est ars +medicinae, meditatis et elaboratis orationibus, hoc +ex loco, apud plerosque vestrum praedicata, idque a viris singulari +facundia praeditis, auditores celeberrimi, hoc mihi sane minus est +fiduciae, me vel tantae rei, vel aurium vestrarum expectationi +satisfacturum. Neque enim rem prope divinam nostra facile assequetur +infantia, neque vulgaris oratio de re toties audita taedium possit +effugere. +</p> +</td> +<td width = "50%"><!--translation--> +<p> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/h_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "H: Hoe" title = "H: Hoe"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">H</span>oe vaker de lof der geneeskunde +van deze plaats in doorwrochte en +zorgvuldig bewerkte redevoeringen ten aanhoore van de meesten Uwer +verkondigd is, en wel door mannen met buitengewone welsprekendheid +begaafd, des te meer, hoogaanzienlijke toehoorders, vrees ik, dat ik +noch door mijne voordracht aan een zoo gewichtig onderwerp recht zal +weten te doen, noch aan Uwe verwachting van hetgeen Gij te hooren zult +krijgen zal kunnen beantwoorden. Want aan den eenen kant zal ons +gebrekkig redenaarstalent niet licht de hoogte van dit bijna goddelijke +onderwerp bereiken, aan den anderen kant zal een alledaagsche +redevoering over iets, dat reeds zoo dikwijls gehoord is, niet kunnen +nalaten bij het auditorium verveling op te wekken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Propositio.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Desniettegenstaande zal ook ik, om een heilzame gewoonte onzer +voorouders niet te verzaken, die van oordeel waren, dat door een +jaarlijks uit te spreken lofrede de gemoederen der jeugd tot de studie +van en bewondering en liefde voor deze wetenschap opgewekt, aangevuurd +en ontvlamd moesten worden, indien Gij mijne voordracht met Uwe aandacht +en welwillendheid wilt steunen, indien Gij hem, wien Uw gezag deze +eervolle taak heeft opgedragen, met oprechte toewijding wilt volgen, zal +ook ik naar mijne zwakke krachten beproeven,</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Verumtamen ne salutari maiorum instituto videar deesse, qui solenni +encomio juventutis animos ad huius praeclarae scientiae studium, +admirationem, amorem, excitandos, accendendos, inflammandosque +censuerunt, experiar et ipse pro mea virili (siquidem me dicentem +adjutabit vestra tum attentio, tum humanitas, favore candido prosequens, +quem ad hoc muneris vestra adegit autoritas)</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +medicae facultatis dignitatem, autoritatem, usum, necessitatem, non +dicam explicare, quod prorsus infiniti fuerit negotii, sed summatim modo +perstringere, ac veluti confertissimas locupletissimae cujuspiam reginae +opes, per transennam (ut aiunt) studiosorum exhibere conspectibus. +</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +de waardigheid, den invloed, het nut en de noodwendigheid der medische +wetenschap, wel niet in alle onderdeelen voor U te ontwikkelen, wat een +oneindig werk zou zijn, maar, slechts de hoofdzaken aanrakende, in het +kort te behandelen, en, evenals de dicht opeengehoopte schatten van een +zeer rijke koningin, slechts vluchtigjes, als het ware achter traliën, +aan de blikken der studenten te vertoonen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"><ins class = "correction" +title = "text: ‘Laudandiratio’">Laudandi ratio</ins> +per comparationem.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Haar grootste lof bestaat nu in de eerste plaats daarin, dat zij in het +geheel geen lofspraken noodig heeft, daar zij zich zelve meer dan +voldoende den menschen door haar nut en onmisbaarheid aanbeveelt. +Vervolgens, dat zij, hoewel reeds zoovele malen +<span class = "pagenum dutch">7</span> +<a name = "page7"> </a> +<!--png 023--> +door zoo voortreffelijke geesten geprezen, toch ook aan minder +vruchtbare vernuften steeds weer nieuwe stof tot prijzen biedt, zoodat +men bij het zingen van haar lof volstrekt niet zijn toevlucht behoeft te +nemen tot het gewone hatelijke middel, door dit namelijk op die wijze te +doen, dat men de overige wetenschappen in een minder gunstig daglicht +plaatst.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Cuius quidem ea vel praecipua laus est, primum quod nullis omnino +praeconiis indiget, ipsa abunde per se vel utilitate, vel necessitate +commendata mortalibus. Deinde quod toties iam a tam +<span class = "pagenum latin">6</span> +<a name = "page6" id = "page6"> </a> +<!--png 022--> +praeclaris ingeniis praedicata, semper tamen novam laudum suarum +materiam, ingeniis etiam parum foecundis ex sese suppeditat, ut nihil +necesse sit, eam vulgato more invidiosis illis contentionibus, non sine +caeterarum disciplinarum contumelia depraedicare. +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quin illud magis metuendum, ne domesticas illius dotes, ne germanam ac +nativam amplitudinem, ne majestatem humana conditione maiorem, mortalis +oratio non assequatur. Tantum abest, ut vel aliena contumelia, vel +asciticiis Rhetorum fucis, aut amplificationum praestigiis sit +attollenda.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Veeleer is dit te vreezen, dat de mensch geen woorden genoeg zal kunnen +vinden, om de haar eigene gaven, hare natuurlijke en aangeboren +grootheid, hare verhevenheid, die het menschelijke ver achter zich laat, +voldoende weer te geven. Zooverre is het ervan verwijderd, dat zij òf +door vernedering van andere wetenschappen, òf door gekunstelde +rhetorische opsmukking of valsche overdrijving moet opgevijzeld +worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +<span class = "greek" title = "gnômê.">γνώμη.</span></td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Slechts gestalten van middelmatige schoonheid kunnen alleen door +vergelijking met leelijke of door den opschik harer kleeding indruk op +ons maken; dingen, die door zich zelve en in waarheid uitblinken, mag +men ook bloot aan aller blikken prijsgeven.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Mediocrium est formarum, deformiorum comparatione, aut cultus lenociniis +commendari; res per se vereque praeclaras, satis est vel nudas oculis +ostendisse. +</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Dignitas et autoritas medicinae.<br> +Inventio artis.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +In de eerste plaats dan (om ter zake te komen) waren wel ook de andere +wetenschappen, daar alle de eene of andere geriefelijkheid aan ons leven +bezorgden, oudtijds in hooge eere. Maar de uitvinding der geneeskunde +werd in den ouden tijd door het menschdom zóó bewonderd, hare toepassing +als een zóó groote weldaad ondervonden, dat hare uitvinders òf geheel en +al voor goden werden gehouden, zooals Apollo en diens zoon Aesculapius +en zelfs,</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Iam primum enim (ut ad rem festinemus) reliquae artes quoniam nulla non +magnam aliquam vitae commoditatem attulit, summo quidem in pretio fuere. +Verum medicinae quondam tam admirabilis fuit humano generi inventio, tam +dulcis experientia, ut eius autores, aut plane pro diis habiti sint, +velut Apollo, et huius filius Aesculapius,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +imo (quod ait Plinius) singula quosdam inventa deorum numero addiderunt, +aut certe divinis honoribus digni sint existimati, velut Asclepiades, +quem Illyrici numinis instar receptum Herculi in honoribus +aequarunt.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +naar Plinius zegt, sommigen ten gevolge van één enkele uitvinding onder +de goden werden geplaatst, òf ten minste goddelijke vereering zijn +waardig gekeurd, zooals bij voorbeeld Asclepiades, dien de Illyriers als +een god opnamen en op dezelfde wijze als Hercules vereerden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Torquet exemplum in suum commodum.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Nu keur ik natuurlijk niet goed, wat de ouden ten dezen gedaan hebben, +toch prijs ik hun gevoel en hun oordeel. Zij hebben immers terecht +begrepen en op die wijze tot uiting gebracht, dat aan een kundigen en +betrouwbaren geneesheer nooit te groote belooning geschonken kan +worden.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Non equidem probo quod fecit antiquitas, affectum sane ac iudicium +laudo, quippe quae recte et senserit et declararit, docto fidoque medico +nullum satis dignum praemium persolvi posse.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +A difficultate.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Immers, wanneer men nagaat, een hoe veelvuldige verscheidenheid van +menschelijke lichamen er is, veroorzaakt door het verschil in leeftijd, +geslacht, landstreek, klimaat, opvoeding, bedrijf en levenswijze; welke +oneindige verschillen er zijn in zooveel duizenden kruiden, die elk op +een andere plaats groeien, om nog maar te zwijgen van de overige +geneesmiddelen;</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Etenim si quis secum reputet, quam multiplex in corporibus humanis +diversitas, quanta ex aetatibus, sexu, regionibus, coelo, educatione, +studiis, usu varietas, quam infinita in tot milibus herbarum +(ne quid interim dicam de caeteris remediis) quae alibi aliae nascuntur, +discrimina.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Tum quot sint morborum genera, quae +<span class = "pagenum latin">8</span> +<a name = "page8" id = "page8"> </a> +<!--png 024--> +trecenta nominatim fuisse prodita scribit Plinius, exceptis generum +partibus, quarum omnium quam nullus sit numerus, facile perpendet, qui +tantum norit, quot formas in se febris vocabulum complectatur, ut ex uno +caetera aestimentur; exceptis his, qui quotidie novi accrescunt, neque +secus accrescunt, quam si de composito cum arte nostra bellum suscepisse +videantur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +vervolgens, hoevele soorten +<span class = "pagenum dutch">9</span> +<a name = "page9"> </a> +<!--png 025--> +van ziekten er bestaan, waarvan er volgens Plinius driehonderd met name +zijn overgeleverd, nog daargelaten de onderverdeelingen dier soorten, +waarvan hij het oneindige aantal licht zal bevroeden, die, om maar eens +een voorbeeld te noemen, weet, hoeveel variëteiten de naam koorts alleen +inhoudt; en zonder te letten op de nieuwe ziekten, die er dagelijks +bijkomen, en wel in zulke mate, alsof zij volgens onderlinge afspraak +den strijd met onze wetenschap hadden aangebonden, +</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Longum hyperbaton.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +om nog niet eens te spreken van de meer dan duizend gevallen van +vergiftiging, waarvan iedere soort een bijzonderen dood ten gevolge +heeft en dus een afzonderlijk geneesmiddel vereischt; nog niet eens +medegerekend de dagelijks voorkomende gevallen van struikeling, val, +fractuur, brandwonde, verstuiking, verwonding en dergelijke, welke +gevallen bijna even sterk in aantal zijn als de menigte der ziekten; +indien men eindelijk overweegt, hoe groote moeielijkheid er verbonden is +met het waarnemen der hemellichamen, die men noodzakelijk moet kennen, +daar anders dikwijls vergift zal zijn, wat men als geneesmiddel +toedient;</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Exceptis venenorum plus mille periculis, quorum quot species sunt, tot +sunt mortis genera, totidem remediorum differentias flagitantia. +Exceptis casibus quotidianis lapsuum, ruinarum, ruptionum, adustionum, +luxationum, vulnerum, atque his consimilium, quae prope cum ipso +morborum agmine ex aequo certant. Denique qui cogitet, quanta sit in +corporum coelestium observatione difficultas, quae nisi cognoris, +saepenumero venenum erit, quod in remedium datur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ne quid interim commemorem saepe fallaces morborum notas, sive coloris +habitum spectes, sive lotii signa rimeris, sive pulsus harmoniam +observes, velut hoc agentibus malis, ut hostem medicum fallant et +imponant. Tantum undique sese offundit difficultatum, ut mihi difficile +sit omnes vel oratione prosequi.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +terwijl ik maar met stilzwijgen voorbijga de dikwijls bedriegelijke +symptomen van ziekten, hetzij men de kleur beschouwt of de teekens der +urine onderzoekt of den polsslag waarneemt, daar het den schijn heeft, +alsof de ziekten er zich op toeleggen, om haar vijand, den arts, te +bedriegen en te misleiden; als men dit alles nagaat, dan doen zich van +alle kanten zooveel moeielijkheden op, dat ik die zelfs bezwaarlijk alle +zou kunnen opsommen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Sed ut dicere coeperam, has omnes rerum varietates studio persequi, +obscuritates ingenio assequi, difficultates industria pervincere, ac +penetratis terrae fibris, excussis undique totius naturae arcanis, ex +omnibus herbis, fruticibus, arboribus, animantibus, gemmis, ex ipsis +denique venenis, cunctis humanae vitae malis efficacia quaerere remedia, +atque horum opportunum usum ex tot autoribus, tot disciplinis, imo et ab +ipsis sideribus petere.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar, om voort te gaan, al deze verschillende zaken ijverig te +bestudeeren, de duistere punten daarin met het verstand te onderzoeken, +de moeielijkheden door vlijt te overwinnen en, na doorgedrongen te zijn +in de ingewanden der aarde en van alle kanten de geheimen der geheele +natuur doorzocht te hebben, uit alle kruiden, struiken, boomen, dieren, +edelgesteenten, ten slotte zelfs uit de vergiften voor alle kwalen van +het menschelijk leven werkzame geneesmiddelen te verkrijgen en de kennis +van hun passend gebruik aan zooveel schrijvers, zooveel wetenschappen, +ja zelfs ook aan de sterren te ontleenen;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Divina res medicina.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +deze zoo verborgen dingen met zorg uit te vorschen, zoo moeielijke +onderwerpen door de kracht van het verstand te begrijpen en zoo talrijke +zaken met het geheugen te omvatten; die voor het heil van het +menschelijk geslacht zoo onmisbare zaken tot bezit van het algemeen te +maken; schijnt dat +<span class = "pagenum dutch">11</span> +<a name = "page11"> </a> +<!--png 027--> +niet het werk van een god geweest te zijn, te grootsch dan dat het door +menschen had kunnen tot stand gebracht worden?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Haec inquam, tam abdita rimari cura, tam ardua viribus animi adipisci, +tam multa memoria complecti, tam necessaria ad salutem universi +mortalium generis in +<span class = "pagenum latin">10</span> +<a name = "page10" id = "page10"> </a> +<!--png 026--> +commune proferre, nonne prorsus homine maius ac plane divinum quiddam +fuisse videtur?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Laus ab effectu.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Men duide mijne woorden niet euvel; het zij mij geoorloofd dat, wat zoo +onweersprekelijk waar is, ronduit te verkondigen. Ik verhef mijzelf +niet, maar alleen de wetenschap. Immers, hoewel het schenken van het +leven slechts een voorrecht van de godheid is, zoo moet men toch +toegeven, dat dit leven te kunnen beschermen en vast te houden, als het +ons wil ontvlieden, de goddelijke macht zeer nabij komt. Ofschoon zelfs +niet het eerstgenoemde, hetwelk wij uitsluitend aan God toeschrijven, +door de ouden aan het gebied der geneeskunde onttrokken werd, die +daardoor wel hun lichtgeloovigheid, maar toch ook hun groote +dankbaarheid toonden.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Absit invidia verbis. Liceat id quod vero verius est ingenue praedicare. +Non me jacto, sed artem ipsam effero. Etenim si dare vitam proprium dei +munus est, certe datam tueri, jamque fugientem retinere, deo proximum +fateamur oportet. Quamquam ne prius quidem illud, quod nos soli deo +proprium esse volumus, medicorum arti detraxit antiquitas, ut credula, +ita gratissima.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Ars medicorum et mortuos excitare credita est.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Zoo meenden zij, dat door de hulp van Aesculapius Castor, de zoon van +Tyndareus, en verscheidenen na hem uit de onderwereld in het leven +teruggekeerd zijn. Wij lezen, dat Asclepiades een persoon, die +gestorven, ter begrafenis uit zijn huis gedragen was en over wien reeds +de gebruikelijke lijkklachten waren uitgesproken, van den brandstapel +weg levend naar huis teruggevoerd heeft. De geschiedschrijver Xanthus +verhaalt, dat een gedood jong van een leeuw en een man, dien Draco had +laten ombrengen, weder tot het leven teruggebracht zijn door een kruid, +dat „halis“<a class = "tag" name = "tag1_2" href = "#note1_2">2</a> +heet.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Nam Aesculapii quidem ope Tyndaridam, et post eum complures ab Orco in +lucem redisse credidit. Asclepiades hominem exanimatum, elatum, +comploratumque ab rogo domum vivum reduxisse legitur. Xanthus historicus +catulum leonis occisum, praeterea et hominem, quem Draco occiderat, +vitae redditum fuisse, posteris prodidit, herba quam halin<a class = +"tag" href = "#note1_2">2</a> nominant.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ad haec Juba, in Africa quendam herba revocatum ad vitam, testis est. +Neque vero laboraverim, si sint apud quos haec fide careant. Certe (quod +agimus) admirationem artis tanto magis implent, quanto magis supra fidem +veri sunt, et immensum esse fateri cogunt id quod vero supersit.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ook getuigt Juba, dat in Afrika door middel van een kruid iemand weer in +het leven teruggeroepen is. Nu zou ik mij er weinig om bekommeren, als +er menschen waren, die aan deze verhalen geen geloof sloegen; toch +vervullen zij ons met des te meer bewondering voor de geneeskunde, +hoemeer zij ons, niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid, tot de +erkentenis dwingen, dat wat er waars aan overblijft toch nog +buitengewoon is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quamquam quantum ad eum attinet, qui vitae redditur, quid refert utrum +anima denuo in artus relictos divinitus reponatur, an penitus in corpore +sepulta, morbique victoris oppressa viribus, arte curaque medici +suscitetur atque eliciatur, iamque certo migratura retineatur?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hoewel, wat voor onderscheid is er voor hem, die aan het leven +teruggegeven wordt, of de levensgeesten door werking van de godheid +opnieuw in de ledematen, die zij reeds verlaten hadden, worden +teruggebracht, dan wel of zij, diep in het lichaam begraven en door de +kracht der overweldigende ziekte onderdrukt, door de kunst en de zorg +van den geneesheer ondersteund en voor den dag gebracht worden en, reeds +op het punt te wijken, op hun plaats worden gehouden?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +An non pene paria sunt mortuum restituere, et mox moriturum servare? +<span class = "pagenum latin">12</span> +<a name = "page12" id = "page12"> </a> +<!--png 028--> +Atqui permultos nominatim recenset Plinius libro historiae mundanae +septimo, qui iam elati partim in ipso rogo, partim post dies +complusculos revixerint.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Of komt het niet ongeveer op hetzelfde neer, een doode te doen herleven +of iemand, +<span class = "pagenum dutch">13</span> +<a name = "page13"> </a> +<!--png 029--> +die weldra zal sterven, in het leven te houden? En toch noemt Plinius in +het zevende boek van zijn „Historia Naturalis“ zeer velen met name op, +die, na reeds ter begrafenis uit hun huis gedragen te zijn, deels op den +brandstapel zelf, deels eerst na verscheidene dagen, weder +herleefden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Miraculum est, quod paucis dedit casus. Et non magis mirandum, quod +quotidie multis largitur ars nostra? Etiamsi hanc deo Opt. Max. debemus, +cui nihil non debemus, ne quis haec a me putet arrogantius dicta quam +verius. Complurium morborum ea vis est, ut certa mors sint, nisi +praesens adsit medicus, veluti stupor is, qui mulieribus potissimum +solet accidere, veluti syncopis profunda, paralysis, apoplexia.</p> +</td> +<td> +<p> +Een wonder noemt men datgene, wat het toeval aan weinigen gegeven heeft. +Maar is dan niet veeleer een wonder te noemen, wat onze wetenschap +dagelijks aan velen verleent? En ofschoon wij deze aan den Algoede te +danken hebben, Wien wij alles verschuldigd zijn, meene toch niemand, dat +mijne woorden meer aanmatiging dan waarheid bevatten. Verscheidene +ziekten zijn van dien aard, dat er een wisse dood volgt, als niet de +geneesheer onmiddellijk hulp verleent, zooals bij voorbeeld de +verdooving, die vooral vrouwen pleegt te overvallen, diepe onmacht, +verlamming en beroerte.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Neque desunt ulli vel seculo, vel genti sua in hanc rem exempla. Hic qui +mortem ingruentem arte sua depellit, qui vitam subito oppressam revocat, +nonne ceu numen quoddam dextrum ac propitium semper habendus est? Quot +censes homines ante diem sepultos fuisse priusquam medicorum solertia +morborum vires, et remediorum naturas deprehenderat? +</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +In iederen tijd en bij ieder volk zijn hier voorbeelden van te vinden. +Moet nu niet hij, die den overrompelenden dood door zijn kunst +verdrijft, die het leven, plotseling overmeesterd, terugroept, te allen +tijde als een welwillende en genadige godheid beschouwd worden? Hoeveel +menschen zijn niet vóór hun tijd ten grave gedaald, toen nog niet door +de schranderheid der geneeskundigen de werkingen der ziekten en de aard +der geneesmiddelen doorgrond waren?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Initium vitae medicis debetur.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Hoeveel duizenden leven niet heden ten dage en bevinden zich lichamelijk +wel, die zelfs niet geboren zouden zijn, als niet diezelfde wetenschap +zoovele middelen tegen de gevaren der geboorte en de verloskunde had +uitgevonden.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quot hodie mortalium milia vivunt, valentque, qui ne nati quidem essent, +nisi eadem haec ars, et tot nascendi discriminibus remedia, et +obstetricandi rationem reperisset?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Adeo statim in ipso vitae limine, et pariens simul et nascens salutarem +medicorum opem miserabili voce implorat. Horum arti vitam debet, et qui +nondum vitam accepit, dum per eam prohibentur abortus, dum mulieri +seminis recipiendi retinendique vis confertur, dum pariendi facultas +datur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ja, reeds aanstonds op den drempel des levens roept de barende tegelijk +met het wicht, dat geboren wordt, met klagende stem de heilzame hulp der +geneeskundigen in. Aan hunne kunst heeft ook het leven te danken hij, +die het leven nog niet eens ontvangen heeft, daar door haar een +ontijdige bevalling verhinderd wordt, en zoodoende der vrouw de kracht +om het zaad te ontvangen en bij zich te houden verleend en gelegenheid +tot baren gegeven wordt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +<span class = "greek" title = "paroimia">παροιμία</span></td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +En hoewel er terecht gezegd is: „slechts God kan den mensch helpen“, +vindt toch voorzeker mijns inziens de bekende Grieksche spreuk „de eene +mensch is de god van den anderen“, zoo ergens, hare toepassing bij den +betrouwbaren en deugdelijken geneesheer, die niet alleen helpt, maar ook +behoudt. Of schijnt hij dan niet ondankbaarder dan de ondankbaarheid +zelve en bijna het leven niet waard, die +<span class = "pagenum dutch">15</span> +<a name = "page15"> </a> +<!--png 031--> +de geneeskunde, welke naast God de voortbrengster, beschermster, +behoudster en verdedigster van ons leven is, niet lief heeft, hoogacht +en met bewondering en eerbied tot haar opziet?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quod si vere dictum est illud Deus est juvare mortalem, profecto mea +sententia aut nusquam locum habebit illud nobile Graecorum adagium <span +class = "greek" title = +"anthrôpos anthrôpou daimonion">ἄνθρωπος άνθρώπου δαιμόνιον</span>, aut +in medico fido proboque locum habebit, qui non juvat modo verum etiam +servat. An non igitur ingratitudine ipsa videatur ingratior, ac ipse +prope vita indignus, qui medicinam alteram secundum deum, vitae +<span class = "pagenum latin">14</span> +<a name = "page14" id = "page14"> </a> +<!--png 030--> +parentem, tutricem, servatricem, vindicem non amet, non honoret, non +suspiciat, non veneretur?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Ab utilitate perpetua.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Wier hulp allen immers te allen tijde noodig hebben? Want van alle +overige wetenschappen behoeven wij niet allen, noch ook te allen tijde, +gebruik te maken. Op de toepassing van deze wetenschap echter berust het +geheele leven der stervelingen. Want gesteld eens, dat er geen ziekten +waren, dat allen zich in een goede gezondheid mochten verheugen, hoe +zouden wij desniettegenstaande deze in goeden staat kunnen houden, +indien niet de geneesheer ons het onderscheid tusschen heilzame en +schadelijke voedingsmiddelen en de juiste inrichting van onze geheele +levenswijze, die de Grieken dieet noemen, leerde?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Cuius praesidiis nunquam ulli non est opus. Nam reliquis quidem artibus +nec semper nec omnes egemus. Huius utilitate mortalium omnis vita +constat. Nam fac abesse morbos, fac omnibus prosperam adesse +valetudinem, tamen hanc qui poterimus tueri, nisi medicus ciborum +salutarium ac noxiorum discrimen, nisi totius victus, quam Graeci +diaetam vocant, rationem doceat?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Senectam remoratur ars medicorum.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Een zware last voor de menschen is de ouderdom, dien men evenmin kan +ontloopen als den dood zelf. Maar door de hulp der geneeskundigen komt +hij voor velen later en veel dragelijker dan zonder deze het geval +geweest ware. Want het is geen legende, dat de mensch door de +zoogenaamde „quinta essentia“ de gebreken des ouderdoms, als een kleed, +dat afgelegd wordt, kan verdrijven en zijn jeugd herkrijgen; er zijn +eenigen, die dat door hun getuigenis staven.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Grave mortalibus est onus senecta, quam non magis licet effugere quam +mortem ipsam. Atque ea medicorum opera multis contingit, tum serius, tum +multo etiam levior. Neque enim fabula est, quinta, quam vocant, essentia +senio depulso hominem velut abjecto exuvio rejuvenescere, cum extent +aliquot huius rei testes.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Totum hominem curat medicus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Maar niet alleen voor het lichaam, hetwelk het geringste deel des +menschen is, draagt de geneesheer zorg, neen, voor den geheelen mensch, +al neemt de geneesheer niet zooals de godgeleerde de ziel maar het +lichaam als uitgangspunt. Evenals immers wegens beider zeer nauwe +verwantschap en verbinding de gebreken der ziel hun invloed doen gelden +op het lichaam, zoo belemmeren de ziekten des lichaams op haar beurt de +kracht der ziel of vernietigen die zelfs geheel.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Neque vero corporis tantum, quae vilior hominis pars est, curam gerit, +imo totius hominis curam agit, etiamsi Theologus ab animo, medicus a +corpore sumat initium. Siquidem propter arctissimam amborum +<ins class = "correction" title = "text: ‘intet’">inter</ins> +se cognationem et copulam, ut animi vitia redundant in corpus, ita +vicissim corporis morbi animae vigorem aut impediunt, aut etiam +extinguunt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quis aeque pertinax suasor abstinentiae, sobrietatis, moderandae irae, +fugiendae tristitiae, vitandae crapulae, amoris abjiciendi, temperandae +Veneris, atque medicus? Quis efficacius suadet aegroto, ut si vivere +velit, et salutarem experiri medici opem, prius animum a vitiorum +colluvie repurget?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Wie spoort den mensch zoo hardnekkig als de geneesheer aan tot +onthouding, soberheid, het matigen van den toorn, het ontvluchten van +droefheid, het vermijden van dronkenschap, het laten varen van de liefde +en het maat houden in geslachtelijken omgang? Wie raadt met beter gevolg +den zieke aan, als hij wil blijven leven en bij de medische hulp baat +vinden, eerst zijne ziel te zuiveren van den poel harer ondeugden?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Idem quoties vel diaetetica ratione, vel ope pharmaceutica bilem atram +minuit, labantes cordis vires reficit, cerebri spiritus fulcit, mentis +organa purgat, ingenium emendat, memoriae domicilium +<span class = "pagenum latin">16</span> +<a name = "page16" id = "page16"> </a> +<!--png 032--> +sarcit, totumque animi habitum commutat in melius, nonne per exteriorem, +ut vocant, hominem, et interiorem servat?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hoe dikwijls niet vermindert hij ook de zwartgalligheid, hetzij door het +voorschrijven van een bepaald dieet of geneesmiddelen, versterkt de +verslappende krachten van het hart, ondersteunt de functies der +hersenen, zuivert de organen van den geest, verbetert den +verstandelijken aanleg, herstelt den zetel van het geheugen en brengt in +de geheele zielsgesteldheid +<span class = "pagenum dutch">17</span> +<a name = "page17"> </a> +<!--png 033--> +eene verandering ten goede teweeg? Behoudt hij niet door wat men noemt +den uiterlijken mensen tegelijk ook den innerlijken?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Qui phreneticum, lethargicum, maniacum, sideratum, lymphatum restituit, +nonne totum restituit hominem? Theologus efficit ut homines a vitiis +resipiscant, at medicus efficit, ut sit qui possit resipiscere. Frustra +ille medicus sit animae, si jam fugerit anima, cui paratur +antidotus.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hij, die een lijder aan waanzin, slaapziekte, razernij, apoplexie of +tijdelijke verstandsverbijstering geneest, geeft hij niet den geheelen +mensch weder aan de maatschappij terug? De theoloog bewerkt, dat de +menschen van hunne misdrijven weder tot bezinning komen, maar de +geneesheer zorgt er voor, dat zij physiek daartoe in staat zijn. Gene +kan als geneesheer der ziel geen nut meer stichten, als de ziel, voor +welke een tegengift bereid wordt, reeds ontvloden is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Cum impium hominem subito corripuit paralysis, apoplexia, aut alia +quaedam praesentanea pestis, quae vitam prius adimat, quam vacet de +castiganda cogitare vita, hunc qui restituit, alioquin infeliciter in +suis sceleribus sepeliendum, nonne quodammodo tum corpus, tum animum ab +inferis revocat?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Wanneer een goddeloos mensch plotseling door een verlamming, beroerte of +ander ongeval getroffen wordt, dat onmiddellijk den dood ten gevolge kan +hebben, die hem het leven kan benemen nog vóórdat hij den tijd heeft, om +aan verbetering van zijn levensgedrag te denken, kan men dan niet van +hem, die dezen geneest, welke anders ellendig onder den last zijner +misdaden moest begraven worden, eenigermate zeggen, dat hij zoowel zijn +lichaam als zijn ziel uit het schimmenrijk teruggebracht heeft?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +In eum certe locum reponit hominem, ut ei in manu jam sit, si velit, +aeternam mortem fugere. Quid suadebit lethargico Theologus, qui +suadentem non audiat? Quid movebit phreneticum, nisi medicus prius atram +bilem repurgarit?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +In ieder geval plaatst hij hem toch in zulk een toestand, dat hij het nu +zelf in zijn macht heeft, indien hij wil, den eeuwigen dood te ontkomen. +Wat zal de theoloog den slaapzieke kunnen aanraden, als deze hem niet +hooren kan? Hoe zal hij den waanzinnige tot iets kunnen bewegen, indien +niet eerst de geneesheer hem van zwartgalligheid gezuiverd heeft?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Pietas caeteraeque virtutes, quibus Christiana constat felicitas, ab +animo potissimum pendent, haud infitior. Caeterum quoniam is corpori +illigatus, corporeis organis velit nolit utitur, fit ut bona pars bonae +mentis a corporis habitu pendeat.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik loochen volstrekt niet, dat de barmhartigheid en de overige deugden, +waarop de Christelijke zaligheid berust, hoofdzakelijk van de ziel +afhangen, maar aangezien deze aan het lichaam gebonden is en zich goed- +of kwaadschiks van de lichaamsorganen bedient, is een goede +geestestoestand voor een zeer groot deel van de lichaamsgesteldheid +afhankelijk.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Temperaturam corporis emendat medicus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Zeer vele menschen drijft een ongelukkige menging der lichaamsvochten, +die de Grieken nu eens crasis (menging), dan weer systema +(samenstelling) noemen, als het ware tegen hunnen wil en terwijl zij +zich verzetten, tot zonde voort, terwijl de daarbinnen wonende ziel, +tevergeefs de teugels aantrekkend en de sporen in de zijden drukkend, +gedwongen wordt, het hollende paard in den afgrond te volgen.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Permultos homines infelix corporis temperatura, quam Graeci modo +<span class = "greek" title = "krasin">κρᾶσιν</span> +modo <span class = "greek" title = "sustêma">σύστημα</span> +vocant, velut invitos ac reclamantes, ad peccandum pertrahit, dum animus +insessor frustra moderatur habenas, frustra subdit calcaria, sed equum +ferocientem in praecipitium sequi cogitur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +A simili.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +De ziel ziet en hoort wel, maar wanneer de oogen door de staar +verduisterd of de toegangen van het gehoor door een dik vocht verstopt +zijn, dan baat de ziel het bezit dier vermogens niet. De ziel haat, de +ziel is +<span class = "pagenum dutch">19</span> +<a name = "page19"> </a> +<!--png 035--> +toornig, maar het bedorven vocht, dat zich op de organen van den geest +gezeteld heeft, is oorzaak, dat gij hem haat, dien ge uw liefde waardig +moest keuren, en vertoornd zijt op hem, op wien gij niet zoudt willen +vertoornd zijn.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Animus videt, animus audit sed si oculos occuparit glaucoma, si aurium +meatus crassus humor obsederit, frustra vim suam habet animus. Odit +animus, irascitur animus, at vitiosus humor mentis +<span class = "pagenum latin">18</span> +<a name = "page18" id = "page18"> </a> +<!--png 034--> +organa obsidens in causa est, ut oderis, quem amore dignum judices, +irasceris cui nolis irasci.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Plato.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Plato erkent, dat de gansche philosophie eigenlijk daarop neerkomt, dat +de gemoedsaandoeningen aan de rede moeten gehoorzamen. En nu is het +voornamelijk de geneesheer, die daartoe medewerkt, zich hierop +toeleggend, dat dit deel van den mensch krachtig en vol inzicht zij, +naar welks goedvinden alles geschiedt, wat op lofwaardige wijze verricht +wordt. Terwijl zij den naam van mensch onwaardig geacht worden, die zich +evenals de dieren door hun begeerten laten meesleepen, hebben wij het +voor een goed deel aan de geneeskundigen te danken, zoo wij dien naam +wel waardig zijn.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Philosophiae summam in hoc sitam esse fatetur Plato, si rationi pareant +affectus, atque ad eam rem praecipuus est adjutor medicus, hoc agens ut +ea pars hominis vigeat sapiatque, cuius arbitrio geruntur, quaecunque +cum laude geruntur. Si hominis vocabulo censentur indigni, qui pecudum +ritu rapiuntur cupiditatibus, huius nominis dignitatem bona ex parte +debemus medicis.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Principibus maxime necessarius medicus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Als dit nu reeds van het grootste belang is voor ieder in het bijzonder, +ook indien men slechts een particulier persoon is, een hoe grooter +weldaad is het dan niet, wanneer dit resultaat verkregen wordt bij een +vorst. Geen maatschappelijke positie is zoozeer aan rampen van dien aard +blootgesteld als die van machtige koningen. Een hoe groote verwarring +wordt niet gesticht door de abnormale hersenen van één zoo’n mensch. +Tevergeefs zullen zijne raadslieden hem toeroepen: „Gij raast, o vorst, +kom tot bezinning!“, als hem niet de arts door zijn kunst, zonder dat +hij het wil of merkt, zijn verstand teruggegeven heeft.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Id cum maximum sit in singulis ac privatis, quanto praeclarius est +beneficium, cum id praestatur in principe? Nulla fortuna magis est +obnoxia malis huiusmodi, quam felicissimorum regum. Quos autem rerum +tumultus ciet unius homunculi vitiatum cerebrum? Frustra reclament qui +sunt a consiliis, furis o princeps, ad te redi, ni medicus arte sua +neque volenti, neque sentienti suam mentem reddiderit.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Ab exemplo.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Als Caligula een betrouwbaren arts bezeten had, dan ware hij in zijn +waanzin niet gekomen tot het gebruik van kastjes met dolken en vergiften +tot verderf van het menschelijke geslacht. Ongetwijfeld is het om die +reden bij alle volken der aarde tot een algemeen gebruik geworden, dat +ieder vorst zijn lijfarts heeft.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Si Caligulae fidus adfuisset medicus, non usque ad pugionum ac venenorum +scrinia in perniciem humani generis insanisset. Atque ob eam sane causam +publica consuetudine receptum est apud omnes orbis nationes, ne princeps +usquam gentium agat absque medicis.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Honos habitus medicinae.<br> +<ins class = "correction" title = "text: ‘Honara’">Honora</ins> +medicum.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Daarom hebben verstandige vorsten aan geen wetenschap ooit meer eer +bewezen dan aan de geneeskunde. Zoo werd Erasistratus (om van de +overigen te zwijgen), een kleinzoon van Aristoteles, wegens het genezen +van koning Antiochus door diens zoon Ptolemeus met honderd talenten +beloond.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Proinde cordati principes nulli unquam arti plus honoris habuerunt, quam +medicinae. Quandoquidem Erasistratus (ut reliquos taceam) Aristotelis ex +filia nepos, ob Antiochum regem sanatum, centum talentis donatus est a +Ptolemaeo huius filio.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quin et divinae literae jubent medico suum haberi honorem, non tantum ob +utilitatem, verum etiam ob necessitatem, ut in caeteros benemeritos +ingratitudo sit, in medicum impietas, quippe +<span class = "pagenum latin">20</span> +<a name = "page20" id = "page20"> </a> +<!--png 036--> +qui tamquam beneficii divini adjutor, id arte sua tuetur, quod optimum +nobis et carissimum largitus est deus, videlicet vitam.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ja, ook de Heilige Schrift schrijft ons voor, den geneesheer de hem +toekomende eer te bewijzen, niet alleen wegens zijn nut, maar ook wegens +zijne onmisbaarheid, zoodat wat tegenover anderen, die zich jegens ons +verdienstelijk gemaakt hebben, ondankbaarheid heet, namelijk het niet +erkentelijk zijn voor hunne weldaden, tegenover den geneesheer +goddeloosheid genoemd mag worden. Hij +<span class = "pagenum dutch">21</span> +<a name = "page21"> </a> +<!--png 037--> +immers beschermt, als het ware God bijstand verleenende bij het schenken +Zijner genade, het beste en dierbaarste, dat God ons gegeven heeft, +d. i. +het leven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +A similibus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Aan onze ouders hebben wij alles te danken, daar wij in zekeren zin van +hen het geschenk des levens ontvangen hebben. Veel meer zijn wij, mijns +inziens, den geneesheer verplicht, wien wij zoovele malen verschuldigd +zijn, wat wij onzen ouders hoogstens éénmaal verschuldigd zijn. Wij +behooren met kinderlijke liefde hem aan te hangen, die den vijand van +onzen hals weert, maar zijn wij dat dan niet in veel hooger mate +verplicht tegenover den geneesheer, die met zoovele doodvijanden van ons +leven dagelijks een hardnekkigen strijd voert?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Parentibus nihil non debemus, quod per hos vitae munus accepisse +quodammodo videmur. Plus mea sententia debetur medico, cui toties +debemus, quod parentibus semel dumtaxat debemus, si tamen illis debemus. +Pietatem debemus ei, qui hostem a cervicibus depulit, et medico non +magis debemus, qui pro nobis servandis cum tot capitalibus vitae +hostibus quotidie depugnat?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Reges ceu deos suspicimus, quia vitae necisque jus habere creduntur, qui +tamen ut possint occidere, certe vitam non aliter dare possunt, nisi +quatenus non eripiunt, quemadmodum servare dicuntur latrones, si quem +non jugulent, nec aliam tamen vitam dare possunt, quam corporis. At +quanto propius ad divinam benignitatem accedit medici beneficium, +hominem iam inferis destinatum arte, ingenio, cura, fideque sua, velut +ex ipsis mortis faucibus retrahentis?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Wij zien tot koningen op als tot goden, omdat wij meenen, dat zij +willekeurig kunnen beschikken over leven en dood; maar ofschoon zij wel +kunnen dooden, kan men toch van hen op geen andere wijze beweren, dat +zij het leven schenken, dan in dien zin, dat zij het niet ontnemen, +zooals wij ook van roovers zeggen, dat zij iemand het leven geschonken +hebben, wanneer zij hem niet hebben vermoord. En zelfs in dien zin +kunnen zij toch niet anders schenken dan het leven des lichaams. Hoeveel +dichter bij de goddelijke mildheid komt dan niet de weldaad van den +geneesheer, die een mensch, reeds voor de onderwereld bestemd, door zijn +kunst, vernuft, zorg en trouw als het ware uit den muil des doods +terugtrekt?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Aliis in rebus profuisse sit officium, caeterum in certo corporis +animique periculo servasse, plus quam pietas est. Adde his quod quicquid +in homine magnum est, eruditio, virtus, naturae dotes, aut si quid +aliud, id omne medicorum arti acceptum feramus oportet, quatenus id +servat, sine quo ne reliqua quidem queant subsistere. Si omnia propter +hominem, et hominem ipsum servat medicus, nimirum omnium nomine gratia +debetur medico.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Iemand in andere zaken bijstaan is hulpvaardigheid, maar hem, wanneer +hij in dreigend gevaar voor ziel en lichaam verkeert, in het leven +houden, is meer dan genade. Voeg daarbij, dat al wat er groots in den +mensch is, zijn kennis, deugd, natuurlijke gaven en dergelijke, op +rekening der geneeskunde dient geschreven te worden, aangezien zij +datgene beschermt, zonder hetwelk de overige dingen zelfs niet kunnen +bestaan. Als alles er voor den mensch is en de mensch zelf door den +geneesheer behouden blijft, dan moet den geneesheer voor alles dank +geweten worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Sanitatis custos medicus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Als men van hem, die door ziekten geteisterd wordt, eigenlijk niet kan +zeggen, dat hij leeft, en de geneesheer het is, die de gezondheid òf +herstelt òf beschut, past het ons dan niet, hem als den oorsprong van +ons leven te erkennen? Indien de onsterfelijkheid iets begeerlijks is, +zoo wordt zij toch zooveel mogelijk nagestreefd door den ijver der +geneeskundigen, die het leven een langen duur +<span class = "pagenum dutch">23</span> +<a name = "page23"> </a> +<!--png 039--> +verschaft.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Si non vivit, qui vivit morbis obnoxius, et vitam salubrem aut reddit +aut tuetur medicus, an non convenit hunc ceu vitae parentem agnoscere? +Si res exoptanda est immortalitas, hanc medicorum industria, quoad +licet, meditatur, quae vitam in longum prorogat.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Exempla.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Want waartoe behoef ik de algemeen bekende voorbeelden te noemen van +Pythagoras, Chrysippus, Plato, Cato den Ouden, Antonius, Castor<a class += "tag" name = "tag1_3" href = "#note1_3">3</a> en talloozen met hen, +van wie de meesten door hun eerbied voor de geneeskunde zonder eenige +ziekte, zonder verzwakking hunner geestvermogens en zonder dat de +sterkte van hun geheugen geschokt werd of zij het gebruik hunner +zintuigen geheel of gedeeltelijk verloren, meer dan honderd jaar geleefd +hebben? Of is dat niet ons nog op deze wereld een beeld vertoonen van de +onsterfelijkheid, die wij hiernamaals hopen?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +<span class = "pagenum latin">22</span> +<a name = "page22" id = "page22"> </a> +<!--png 038--> +Quid enim hic notissima referam exempla, Pythagoram, Chrysippum, +Platonem, Catonem censorium, Antonium, Castorem, cumque his +innumerabiles, quorum plerique medicinae observatione, vitam ab omni +morbo liberam neque fatiscente ingenii vigore, neque concussa memoriae +soliditate, neque fractis aut labefactatis sensibus, ultra centesimum +annum prorogarunt? An non istuc est immortalitatis, quam speramus, hic +iam nunc imaginem quandam exhibere?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Christus non aegrotavit.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Christus zelf, de hoogverheven bewerker en redder van onze +onsterfelijkheid, nam een lichamelijk hulsel aan, dat, ofschoon +sterfelijk, toch aan geen ziekten was blootgesteld. Het kruis schuwde +Hij niet, wel ziekten. Is het nu niet iets heerlijks, onzen Heer ook in +dezen, naar vermogen, na te volgen? Van de apostelen, die bijna allen +een lang leven gehad hebben, lezen wij wel, dat zij vermoord, gedood +zijn, niet dat zij ziek zijn geweest. Hoe hun dat nu ook te beurt +gevallen is, de geneeskunde bewerkt voor ons hetzelfde als wat zij door +hunne gelukzaligheid bereikt hebben.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Christus ipse immortalitatis autor ac vindex unicus corpus assumpsit, +mortale quidem illud, sed tamen nullis morbis obnoxium. Crucem non +horruit, morbos horruit. An non pulcherrimum fuerit, nos principem +nostrum in hoc quoque pro viribus imitari? Apostolos, quorum nemo fere +non multam vixit aetatem, caesos legimus, interfectos legimus, +aegrotasse non legimus. Quocunque pacto hoc illis contigit, certe +praestat idem ars medicorum, quod illis praestitit sua felicitas.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Nec enim audiendos arbitror, qui nobis non minus indocte, quam +impudenter solent illud objicere:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Want men moet, naar ik meen, naar hen niet luisteren, die ons even dom +als onbeschaamd tegenwerpen, dat deugd gewoonlijk in ziekte wordt +uitgeoefend, </p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Confutatio.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +waar zij zonder eenigen grond gelooven, dat Paulus aan zware hoofdpijnen +leed, terwijl hij toch juist de ziekte eene beproeving van de ziel of, +wat juister is, eene kwelling der boozen noemt. </p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Virtus in infirmitate perficitur, somniantes Paulum gravi capitis dolori +fuisse obnoxium, cum ille infirmitatem vel animi tentationem, vel quod +vero propius est, improborum hominum molestam insectationem +appellet.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Donum curationis.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +En diezelfde Paulus heeft onder de gaven, die aan de Apostelen +geschonken waren, ook de gave der genezing geteld.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Atque idem ille Paulus, inter apostolicas dotes, donum curationis +recensuit.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Iam auget et illud non levi argumento medicinae gloriam, quod et +Caesarearum legum majestas, et pontificiarum autoritas sese ultro +medicorum judicio submittit, velut in quaestionibus pubertatum, partuum +ac veneficiorum. Item in quaestionibus aliquot ad matrimonium +facientibus. O nova dignitas medicinae.</p> +</td> +<td> +<p> +Ook wordt de roem der geneeskunde in geen geringe mate hierdoor +verhoogd, dat het verheven keizerlijk en pontificaal recht zich +vrijwillig aan het oordeel der geneeskundigen onderwerpt, zooals in +quaesties van manbaarheid, geboorte en vergiftiging, eveneens in eenige +huwelijksquaesties. O nieuwe waardigheid der geneeskunde! </p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Agitur de capite hominis, et judicis sententia pendet ex medici +praejudicio. Summi pontificis pietas, si quid indulget, in nonnullis non +aliter indulget, nisi medicorum accedat calculus. Atque in decretis +Romanus +<span class = "pagenum latin">24</span> +<a name = "page24" id = "page24"> </a> +<!--png 040--> +pontifex episcopum eum, qui delatus fuerat tamquam foedo immanique morbo +obnoxius, ex medicae rei judicio censet aut amovendum episcopatu, aut +suo loco restituendum.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Een menschenleven staat op het spel en het oordeel des rechters hangt af +van de voorafgaande uitspraak van den geneesheer! De pauselijke genade +verleent in enkele gevallen slechts kwijtschelding na een geneesheer +gehoord te hebben. Zoo besluit +<span class = "pagenum dutch">25</span> +<a name = "page25"> </a> +<!--png 041--> +de paus, in geval een bisschop beschuldigd wordt, aan eene afschuwelijke +en vreeselijke ziekte te lijden, eerst na een geneeskundig advies +ingewonnen te hebben, tot verwijdering of handhaving van den +bisschop.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Divus item Augustinus ex medicorum consilio fieri jubet, quod faciendum +est, etiamsi nolit aegrotus. Idem honorem medico debitum, hoc est artis +et industriae praemium, recte eripi scribit ab eo qui detinet, velut ab +injusto possessore et quod alienum est mala fide occupante.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Eveneens schrijft de goddelijke Augustinus voor, dat de zieke, ook tegen +zijn wil, naar den raad van den geneesheer behandeld moet worden. Ook +zegt hij terecht, dat het den geneesheer verschuldigde eerbewijs, dat is +het loon voor zijn kunst en inspanning, met geweld moet ontnomen worden +aan hem, die het weigert te voldoen, daar hij beschouwd moet worden als +iemand, die wederrechtelijk eens anders eigendom in bezit houdt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quin ii quoque, qui conceptis precaminibus, daemones impios e corporibus +humanis exigunt, non raro in consilium adhibent, velut in his morbis, +qui secretis rationibus quaedam sensuum organa spiritusque vitiant, et +adeo daemoniacam speciem imitantur, ut nisi a peritissimis medicis +discerni non queant, sive sunt crassiores aliqui daemones, ut fertur +illorum varia natura,</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ja zelfs ook zij, die door tooverformulieren booze duivels uit +menschelijke lichamen drijven, raadplegen den geneesheer niet zelden, +bij voorbeeld bij die ziekten, die op geheime wijze de werking van het +eene of andere zintuig verstoren en zoozeer den schijn wekken van door +de aanwezigheid van duivels veroorzaakt te zijn, dat zij slechts door +zeer bekwame geneeskundigen kunnen onderscheiden worden, hetzij het +duivelen van grover soort zijn (men weet immers, dat er verschillende +soorten van duivelen bestaan),</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +qui medicam etiam opem sentiant, sive morbus adeo penitus intimis animi +recessibus insidet, ut a corpore videatur alienus. In cuius rei fidem, +dum ex innumeris mihi compertum exemplum refero, quaeso ut me patienter +audiatis.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +die ook door medische behandeling kunnen aangetast worden, of dat de +ziekte zich zoo diep in de schuilhoeken der ziel heeft ingedrongen, dat +zij op het lichaam geen betrekking schijnt te hebben. Terwijl ik U tot +staving dezer bewering uit de tallooze voorbeelden één, dat ik zelf +beleefd heb, verhaal, verzoek ik U, mij geduldig te willen +aanhooren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Exemplum.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +In mijn jeugd heb ik omgang gehad met Panaceus, een wijd en zijd beroemd +geneesheer; deze heeft in mijn tegenwoordigheid een man, Phlyarius +genaamd, afkomstig uit Spoleto, genezen, die ten gevolge van wormen in +een geheel nieuwe soort van waanzin vervallen was, daarin bestaande, dat +hij gedurende zijn ziekte goed Duitsch sprak, welke taal hij, naar met +zekerheid vaststond, in normalen toestand nooit gekend had. Wie, die +onervaren was in de geneeskunde, zou er zelfs niet een eed op hebben +durven doen, dat deze man door duivelen bezeten was?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Panaceum celeberrimi nominis medicum adolescens colui, is me teste +quendam restituit, nomine Phlyarium, patria Spoletanum, qui ex vermibus +in novum maniae genus inciderat, ita ut in morbo probe teutonice +loqueretur, quod (uti constabat) sanus nunquam potuerat. Quis imperitus +rei medicae non hunc daemoniacum vel dejerasset etiam?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +At is hominem facili paratoque remedio menti reddidit. Redditus sibi, +teutonice nec loquebatur, nec intelligebat.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En toch gaf deze arts hem door een eenvoudig en gemakkelijk te +verkrijgen geneesmiddel weer het verstand terug; tot bezinning gekomen +sprak noch verstond de man meer Duitsch.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Detorquet.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Indien men nu beweert, dat hij inderdaad bezeten was, dan strekt dit +geval der geneeskunde tot nog grooter roem, daar het dan bewezen zou +zijn, dat ook de +<span class = "pagenum dutch">27</span> +<a name = "page27"> </a> +<!--png 043--> +booze duivels haar gehoorzaamden en zij derhalve niet alleen in het doen +terugkeeren van het leven, maar ook in het uitdrijven van booze geesten +zoowel de dienares als de mededingster der goddelijke macht ware.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quod si quis hunc vere daemoniacum fuisse contendat, ea sane res vel +maxime medicorum illustrat artem, cui compertum est et daemones impios +parere, +<span class = "pagenum latin">26</span> +<a name = "page26" id = "page26"> </a> +<!--png 042--> +quemadmodum in restituenda vita, ita et in exigendis spiritibus divinae +virtutis tum ministrae, tum aemulae.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Neque vero deerant, qui factum hoc magicis artibus tribuebant, quorum +ego calumniam arti nostrae gloriae laudique verto, per quam ea +praestantur, quae vulgus hominum humanis viribus praestari posse non +credit.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En inderdaad waren er toen ook, die deze daad aan tooverkunsten +toeschreven; maar juist dien laster beschouw ik als een roem en eer voor +onze wetenschap, welke op resultaten te wijzen heeft, die door het +meerendeel der menschheid buiten het bereik der menschelijke krachten +geacht worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Quibus culta medicina.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Met het volste recht derhalve lieten zich in den ouden tijd, toen nog +niet alles door lage gewinzucht en vuile lusten bezoedeld was, +goddelijke en hoogverheven mannen, machtige koningen en doorluchte +raadsheeren het meest van alle wetenschappen aan de geneeskunde gelegen +liggen en geene andere was den menschen welkomer.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Optimo igitur jure priscis seculis, cum nondum sordidi quaestus et +spurcae voluptates vitiassent omnia, medendi ars inter omnes una divinis +ac summatibus viris, opulentissimis regibus, clarissimis senatoribus +praecipue cordi fuit, nec alia mortalium generi gratior.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Moses.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Men neemt immers aan, dat de groote Mozes naar geen anderen maatstaf dan +naar dien der medische wetenschap de spijzen in geoorloofde en +ongeoorloofde heeft ingedeeld.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Siquidem Moses ille magnus, non alia ratione quam artis medicae, cibos +suos distinxisse creditur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Orpheus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Wij lezen, dat Orpheus, uit de grijze Grieksche oudheid, het een en +ander heeft overgeleverd omtrent de geneeskracht der kruiden.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Orpheus, Graecorum vetustissimus, de viribus herbarum nonnulla +prodidisse legitur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Homerus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Homerus zelf, zonder tegenspraak de voortreffelijkste bron voor alle +geesten, maakt herhaaldelijk melding van kruiden en prijst zeer vaak de +geneeskunde.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Homerus ipse, citra controversiam, unicus ingeniorum fons, plurimus est +et in herbarum commemoratione, et in laude medicorum.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Moly.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Hij heeft ons immers ook het kruid „moly“ beschreven, dat volgens +Plinius het voortreffelijkste van alle kruiden en een afdoend middel +tegen vergiftiging is, welks ontdekking de dichter aan Mercurius +toeschrijft en waarmee hij zijn Ulysses beschermt tegen den hem door +Circe gereikten tooverdrank.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Is et Moly nobis depinxit, herbarum omnium (teste Plinio) laudatissimam, +efficacem adversus veneficia, cuius inventionem Mercurio tribuit, hac +Ulyssem suum adversus Circes pocula praemuniens.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Nepenthes.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Hij duidt ook aan, dat „nepenthes“ (letterl. „smarteloos“) bij den +maaltijd moet gebruikt worden, dat het vermogen heeft, leed en droefenis +te verdrijven.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Idem nepenthes indicat in conviviis adhibendum, quod moerorem +tristitiamque discutiat.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Machaon. Paeon. Chiron.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Voorts noemt hij dikwijls met eere Machaon, Paeon, Chiron en Podalirius +als uitmuntende in deze kunst, waardoor zij niet alleen de helden maar +ook de goden, naar zijn dichterlijke voorstelling, hulp verleenden. Hij +wil er dit mee aanduiden, dat ook de grootste vorsten den bijstand der +geneesheeren behoeven en dat zelfs het leven van hen, die over leven en +dood van alle overigen beschikken, in hunne macht is. </p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Porro Machaonem, Paeonem, Chironem, Podalirium, ut hac arte praestantes, +saepicule non sine honore commemorat, quorum arte non solum heroibus, +verum ipsis etiam diis subventum esse fingit, illud videlicet +subindicans, summis etiam principibus medicorum praesidiis opus esse, +atque horum vitam medicis in manu esse, qui in caeteros omnes jus vitae +ac necis habere videntur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +<span class = "greek" title = +"iatros [sic] gar anêr pollôn antaxios allôn">ἰατρὸς γὰρ ἀνὴρ πολλῶν +ἀντάξιος ἄλλων</span></td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Ja, diezelfde dichter heeft in het elfde boek van de Ilias de +uitoefening van dit beroep door verreweg de schoonste lofspraak +verheerlijkt, waar hij zegt, dat één arts meer waard is dan vele andere +menschen tezamen.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quid quod idem Poeta libro Iliados undecimo, huius artis professionem +longe pulcherrimo nobilitavit elogio, cum ait: Unum medicum pluris +habendum, quam caeterorum hominum permultos.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Rursum +<span class = "pagenum latin">28</span> +<a name = "page28" id = "page28"> </a> +<!--png 044--> +alibi medicum ita notat, ut dicat eum eruditum in omnibus, palam testans +id quod res est, hanc artem non una aut altera disciplina, sed omnium +artium cognitione circuloque, tum praeter exactum ingenium, multo etiam +rerum usu constare. Pythagoras ille Samius, cui divinitatem quandam +tribuebat antiquitas, de naturis herbarum nobile volumen reliquisse +legitur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Elders wederom noemt hij den +<span class = "pagenum dutch">29</span> +<a name = "page29"> </a> +<!--png 045--> +geneesheer iemand, die in alles onderricht is, hiermede openlijk +getuigende, wat ook werkelijk het geval is, dat de geneeskunde niet +berust op de eene of andere wetenschap, maar op den geheelen kring van +alle wetenschappen en niet alleen op theoretische kennis maar ook op +practische ervaring in vele zaken. De beroemde Pythagoras van Samos, +wien de oudheid een zekere mate van goddelijkheid toekende, heeft, naar +wij vermeld vinden, een bekend boek over den aard der kruiden +achtergelaten. </p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Atque ut Platonem, Aristotelem, Theophrastum, Chrysippum, Catonem +censorium, Varronem praeteream, quibus studio fuit hanc artem suis vel +studiis, vel negotiis admiscere, Mithridatem Ponti regem, non perinde +regnum, alioqui locupletissimum, non tam unius et viginti linguarum +miraculum, quam rei medicae peritia nobilitavit, vereque magnum virum +declaravit, qui artis huius commentationes, et exemplaria, effectusque +in arcanis reliquit, ut autor est Plinius.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Nu wil ik Plato, Aristoteles, Theophrastus, Chrysippus, Cato den Ouden +en Varro maar met stilzwijgen voorbijgaan, die allen deze wetenschap +ijverig bestudeerd of ook practisch beoefend hebben, doch ik zal slechts +spreken over Mithridates, koning van Pontus, die niet zoozeer door zijn, +overigens zeer machtige, heerschappij of door zijn wonderbaarlijke +kennis van één en twintig talen als wel door zijn geneeskundige +bekwaamheid beroemd is geworden, welke hem tot een waarlijk groot man +stempelde, daar medische verhandelingen, voorbeelden en beschrijvingen +van de werking van verschillende kruiden, naar Plinius ons meedeelt, in +zijn geheime nalatenschap gevonden zijn.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Cuius et hodie nobile theriacae genus nomine celebratur. Nunc fere +regium habetur, aleam ludere, venari, nugas agere. At olim populi Romani +principibus nihil magis erat curae, quam ut ex longinquo novis +importandis herbis, rem medicam adjuvarent, neque populo illi tum orbis +domino aliud erat munus gratius.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Nog heden ten dage draagt een bekend tegengift zijn naam. Tegenwoordig +beschouwt men algemeen als koninklijke eigenschappen: spelen, jagen en +zich met beuzelingen ophouden. Maar oudtijds legden zich de bestuurders +van het Romeinsche rijk op niets zoozeer toe als op de bevordering der +geneeskunde door het invoeren van kruiden uit ver verwijderde streken, +en dit volk, dat toen de wereld beheerschte, was geen geschenk +aangenamer.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Christus ipse medicus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Ja, Christus zelf, de grondlegger en vorst van alle wetenschappen, geeft +zich niet uit voor rechtsgeleerde, noch voor rhetor, noch voor wijsgeer, +maar voor geneesheer, daar Hij, van Zichzelf sprekende, zegt, dat „zij +geenen medicijnmeester van noode hebben, die zich wel bevinden“, terwijl +Hij den Samaritaan olie en wijn op wonden laat gieten en met speeksel, +met aarde vermengd, de oogen van een blinde bestrijkt. Juist door dit +middel won Hij langzamerhand, toen Hij nog aan de wereld onbekend was, +de genegenheid en de liefde der menschen; niet door goud, noch door +heerschappij, maar door het genezen van ziekten. Wat Hij door Zijnen wil +deed, immers een God, volgt de geneesheer naar vermogen na.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quid quod Christus ipse, disciplinarum omnium et autor et princeps, sese +non Iureconsultum, non Rhetorem, non Philosophum, sed Medicum professus +est, dum de se loquens negat opus esse medico iis, qui bene habeant, dum +Samaritanus vulneribus oleum ac vinum infundit, dum sputum terrae mixtum +illinit oculis caeci. Quid quod idem hac potissimum commendatione, cum +adhuc orbi esset ignotus, sese paulatim in animos atque affectus hominum +insinuavit, non auro, non imperiis, sed morborum remediis? Quod ille +nutu fecit, nempe deus, hoc medicus pro virili sua cura imitatur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Neque deest his quoque divina vis, nimirum medendi viribus in hunc usum +rebus a deo inditis. Nec alio viatico magis instruxit +<span class = "pagenum latin">30</span> +<a name = "page30" id = "page30"> </a> +<!--png 046--> +Apostolos, mandans ut hoc protinus officio sibi devincirent hospitem, +medentes inquit, morbis illorum, et ungentes oleo.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Bovendien bezitten ook zij eene goddelijke macht, namelijk die van +genezing aan te brengen door middel van krachten, die tot dit doel +<span class = "pagenum dutch">31</span> +<a name = "page31"> </a> +<!--png 047--> +door God den dingen ingeschapen zijn. In hoofdzaak bestond ook daarin +het reisgeld, waarmede Hij de apostelen voorzag, hun opdragend, terstond +door dezen liefdedienst hunne gastheeren aan zich te verplichten „door“, +zoo luiden Zijne woorden, „hunne ziekten te genezen en hen met olie te +zalven“.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Paulus medicus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Als de groote Paulus zijnen Timotheus een matig gebruik van wijn +voorschrijft, om zijn zwakke maag te versterken, is dat geen openlijke +uitoefening van de geneeskunde?</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Paulus ille magnus dum <ins class = "correction" +title = "spelling as in original">Timetheo</ins> suo modicum vini +praescribit usum, ad fulciendam stomachi imbecillitatem, nonne palam +medici partibus utitur?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Raphael.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Maar waarom zouden wij ons daarover verwonderen bij een apostel, als +volgens de beoefenaars der mystiek de engel Raphael zijn naam ontleend +heeft aan het genezen van de blindheid van Tobias?<a class = "tag" name += "tag1_4" href = "#note1_4">4</a> O hemelsche en in waarheid +gewijde wetenschap, naar welke goddelijke geesten genoemd worden!</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Sed quid hoc mirum in Apostolo, cum Raphael angelus Tobiae caecitati +medicans hinc nomen etiam invenerit apud arcanarum rerum studiosos? +O coelestem vereque sacram disciplinam, cuius cognomento divinae +illae mentes insigniuntur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Inter mortales alii alias artes vel discunt, vel profitentur, hanc unam +oportebat ab omnibus disci, quae nulli non est necessaria. Sed o heu +perversissima hominum judicia.</p> +</td> +<td> +<p> +De eene mensen leert dit, de ander dat vak of oefent het uit; deze +wetenschap diende door allen gekend te worden, daar zij voor ieder +onmisbaar is. Maar ach! allerverkeerdst oordeel der stervelingen!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Nemo nescire sustinet, quis nummus legitimus sit, quis adulterinus, ne +quid fallatur in re vilissima, nec scire studio est, quibus modis id +quod habet optimum tueatur. In numismate non credit alienis oculis, in +negotio vitae ac sanitatis, clausis quod dicitur oculis, sequitur +alienum judicium.</p> +</td> +<td> +<p> +Er is niemand, die het niet vreeselijk zou vinden, als hij geen valsche +van echte munt kon onderscheiden, terwijl hij in dit geval toch slechts +in iets zeer minderwaardigs zou kunnen bedrogen worden; hij streeft er +echter niet naar, te weten te komen, hoe hij het beste, wat hij heeft, +kan beschermen. Bij het beoordeelen van geldstukken vertrouwt hij +anderer oogen niet, doch waar het om leven en gezondheid gaat, volgt +hij, zooals men dat noemt, blindelings het oordeel van anderen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quod si totius artis absoluta cognitio non potest nisi paucis +contingere, qui totam vitam huic uni studio dedicarunt, certe partem +eam, quae ad tuendam valetudinem pertinet, non conveniebat quemquam +nescire. Etiam si bona pars difficultatis, non ab ipsa arte, sed ab +improborum medicorum vel inscitia, vel ambitione proficiscatur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En ofschoon nu de volmaakte kennis van die geheele wetenschap slechts +aan de weinigen kan ten deel vallen, die daaraan alleen hun geheele +leven gewijd hebben, zoo behoorde toch ten minste dat gedeelte, hetwelk +over het behoud der gezondheid handelt, door iedereen gekend te worden. +Hoewel het niet te ontkennen valt, dat de moeielijkheid hierbij voor een +groot deel voortspruit, niet uit de kunst zelve maar uit de onwetendheid +of eerzucht van slechte geneesheeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +A simili.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Te allen tijde, zelfs bij wilde en barbaarsche volken, werd de +vriendschap voor iets verhevens en eerbiedwaardigs gehouden. En diegene +wordt als een uitstekend vriend beschouwd, die evenmin in tegen- als in +voorspoed zijn vrienden in den steek laat, terwijl het gros der vrienden +in gelukkige omstandigheden trouw blijft, +<span class = "pagenum dutch">33</span> +<a name = "page33"> </a> +<!--png 049--> +in ongelukkige verdwijnt, evenals de zwaluwen gedurende den zomer in het +land zijn, maar bij het invallen van den winter wegvliegen. Een hoe +oprechter vriend is echter niet de geneesheer. </p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Semper apud efferas etiam ac barbaras nationes sanctum ac venerabile +fuit amicitiae nomen. Atque is egregius habetur amicus, qui se fortunae +utriusque comitem sociumque praebeat, quod vulgus amicorum velut +hirundines aestate, rebus secundis adsunt, rebus +<span class = "pagenum latin">32</span> +<a name = "page32" id = "page32"> </a> +<!--png 048--> +adversis, quemadmodum illae ingruente bruma devolant.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Seleucides.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Evenals de „Seleucides“ genaamde vogels, naar verhaald wordt, door de +bewoners van het Casische gebergte nooit anders gezien worden, dan +wanneer zij hunne hulp noodig hebben tegen de zwermen van sprinkhanen, +die hun gewassen vernielen, zoo vertoont ook hij zich nooit in normale +en gelukkige omstandigheden, maar in tijden van gevaar, in die gevallen, +waarin vrouw en kinderen dikwijls den man verlaten, bij voorbeeld bij +waanzin, luizenziekte of pest, staat hij alleen hem voortdurend bij, en +niet alleen, zooals de meeste anderen, met onnuttige diensten, maar als +redder, om het leven van den in gevaar verkeerende met de ziekte +kampend, soms ook met gevaar voor zijn eigen leven.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +At quanto sincerior amicus medicus, qui Seleucidum avium exemplo, quas +narrant nusquam a Casii montis incolis conspici, nisi cum illarum +praesidio est opus, adversus vim locustarum fruges vastantium, rebus +integris ac laetis nusquam sese ingerit, in periculis, in his casibus, +in quibus uxor ac liberi saepe deserunt hominem, velut in phrenesi, +phthiriasi, in peste solus medicus constanter adest, et adest non +inutili officio, quemadmodum plerique caeterorum, sed adest +opitulaturus, adest pro capite periclitantis cum morbo dimicans, +nonnunquam suo quoque periculo.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Et o plus quam ingratos, qui talis amici officio servati, jam depulso +periculo medicum odisse possunt, ac non potius parentis vice colunt ac +venerantur. Vulgarem amicum, qui subinde salutat obvium, ad coenam +rogant, qui latus claudit, officio pensant, et talem amicum ubi +desierint egere, aversantur? Et ob hoc ipsum aversantur, quod +intelligant illius officio nullam meritis parem gratiam rependi +posse.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Zijn zij dan niet meer dan ondankbaar, die, door de dienstvaardigheid +van zulk een vriend gered, al aanstonds nadat het gevaar geweken is, den +geneesheer kunnen haten en hem niet veeleer als een vader vereeren en +hoogachten? Een alledaagsch vriend, die hen van tijd tot tijd bij een +toevallige ontmoeting groet, noodigen zij ter maaltijd, hem, die hen wel +eens vergezelt, overladen zij met hoffelijkheid, maar een zoodanig +vriend wordt, zoodra zij hem niet meer noodig hebben, versmaad? Terwijl +deze afkeer eigenlijk juist daaruit voortspruit, dat zij inzien, dat +geen belooning ooit groot genoeg kan zijn, om tegen hun diensten op te +wegen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Quod si is optimus vir est, qui maxime prodest Reipublicae, ars haec +optimo cuique viro discenda est.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar hij de voortreffelijkste genoemd kan worden, die den staat het +meest ten nutte is, zoo moest deze wetenschap eigenlijk door alle +uitstekende mannen geleerd worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +<a class = "tag" href = "#note1_5">5</a> +[Siquidem inter munia profani magistratus non minima portio est, et haud +scio an praecipua, dare operam, ut corpora civium bene habeant. Quid +prodest depulisse hostem a moenibus, si pestilentia intus grassans, +plures tollit quam sublaturus erat gladius? Quid refert curasse ne cui +pereat census, si perit prospera corporis +<span class = "pagenum latin">34</span> +<a name = "page34" id = "page34"> </a> +<!--png 050--> +valetudo? Prisci qui bonorum ordines digesserunt, primas tribuunt bonae +valetudini. Quid enim prodest incolumis possessio, nisi valet +possessor?</p> +</td> +<td> +<p> +<a class = "tag" name = "tag1_5" href = "#note1_5">5</a> +[Het is immers niet de geringste, en misschien wel de voornaamste, +plicht der wereldlijke overheid te zorgen, dat de burgers gezond zijn. +Wat baat het, den vijand van de muren verdreven te hebben, wanneer de +daarbinnen heerschende epidemie meer personen wegmaait dan het zwaard +der vijanden zou gedood hebben? Wat geeft het, er voor te zorgen, dat +niemand zijn vermogen +<span class = "pagenum dutch">35</span> +<a name = "page35"> </a> +<!--png 051--> +verliest, als de gezondheid des lichaams gesloopt wordt? De ouden, die +een rangorde der goederen hebben vastgesteld, plaatsten bovenaan op de +lijst een goede gezondheid. Want wat nut is het, dat het bezit in +ongeschonden staat verkeert, als de bezitter niet wel is? </p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Proinde leges priscorum, cum nondum quaestus et ambitio corrupisset +omnia, potissimum huc spectabant, ut corpora civium essent valida, +robusta, beneque temperata. Ea res partim pendet a nativitate, partim ab +educatione, partim ab exercitamentis, et victus ratione, nonnihil etiam +ab aedificiorum modo.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daarom lette de wetgeving bij de ouden, toen heb- en eerzucht nog niet +alles bedorven hadden, vooral daarop, dat de lichamen der burgers +gezond, krachtig en evenredig ontwikkeld waren. Dit hangt deels af van +de aangeboren lichaamsgesteldheid, deels van de opvoeding, +lichaamsoefeningen, voedingswijze en ook eenigszins van de inrichting +der woningen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Nimirum medici fungebantur officio, qui bene temperata corpora jungebant +matrimonio, qui nutrices adhibebant integrae valetudinis, qui balnea +publica, qui publica gymnasmata instituebant, qui ferebant leges +sumptuarias, qui mutatis <ins class = "correction" +title = "text: ‘aedifiiciis’">aedificiis</ins>, qui siccatis paludibus +pestilentiam excludebant, qui in hoc vigilabant, ne quid esculentum aut +poculentum venderetur, quod laederet corporum incolumitatem. Et hodie +principes fere nihil ad se pertinere credunt, si pro vinis vendantur +venena, si tritico vitiato, si putribus piscibus tot morbi invehantur in +publicum.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +De taak van den geneesheer vervulden de wetgevers, die slechts goed +gebouwde personen met elkander lieten huwen, die eischten, dat men +alleen volkomen gezonde minnen in dienst nam, die openbare baden en +turnplaatsen instelden, wetten tegen de weelde maakten, door het doen +verbouwen van huizen en het droogleggen van moerassen, epidemieën +voorkwamen en er voor waakten, dat geen spijzen of dranken, die voor de +gezondheid gevaar opleverden, verkocht werden. Maar heden ten dage +meenen de vorsten, dat zij er niet mee te maken hebben, of voor wijnen +vergiften verkocht worden, of er door aangestoken graan of bedorven +visch zoovele ziekten onder het volk verspreid worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Adeo nulla vitae pars est, quae citra medicinae praesidia recte possit +administrari.]</p> +</td> +<td> +<p> +Er is letterlijk geen deel van het leven, dat zonder de hulp der +geneeskunde behoorlijk kan geregeld worden.]</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +A quaestu.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Indien er eindelijk menschen zijn, die de waarde der dingen liever +afmeten naar het voordeel en de winst, die zij opleveren, dan zullen zij +bevinden, dat ook in dit opzicht de geneeskunde, ofschoon te verheven om +naar dergelijke overwegingen beoordeeld te worden, bij geen der andere +wetenschappen ten achter staat. Want geen andere was ooit meer +winstgevend en stelde hare beoefenaars zoo snel in staat, zich een +vermogen te verwerven. Wij lezen, dat Erasistratus, dien ik reeds +vroeger vermeld heb, door koning Ptolemeus, en Critobolus door Alexander +den Grooten met buitengewone, nauwelijks te gelooven belooningen +begiftigd zijn. </p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Iam vero si qui sint, qui rerum pretia malint utilitate quaestuque +metiri (licet haec ars divinior est, quam ut huiusmodi rationibus sit +aestimanda) ne hac quidem parte cuiquam aliarum cedit artium. Neque enim +ulla magis fuit frugifera, et ad rem subito parandam aeque praesentanea. +Erasistratus cuius ante memini, a rege Ptolemaeo, Critobolus ab +Alexandro magno, praemiis ingentibus ac vix credendis donati +leguntur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quamquam quod tandem praemium non exiguum videatur, repensum servatori +capitis, pro cuius unius salute tot hominum millia depugnabant? Quid ego +nunc commemorem Cassios, Carpitanos, Aruncios, Albutios, quibus Romae +tum apud principem, tum apud populum immodicum quaestum fuisse +<span class = "pagenum latin">36</span> +<a name = "page36" id = "page36"> </a> +<!--png 052--> +refert Plinius? Quanquam quid nos haec ex priscis aetatibus repetimus, +quasi non hodie cuique complures succurrant, quos haec ars ad Croesi +opes evexerit?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Doch welke belooning is dan ten slotte niet gering te noemen, betaald +aan den redder van een leven, voor welks behoud zooveel duizenden +soldaten voortdurend streden? Waartoe nog te noemen de Cassii, +Carpitani, Aruncii en Albutii, van wie Plinius vertelt, dat zij te Rome +zoowel aan het keizerlijk hof als onder de burgers +<span class = "pagenum dutch">37</span> +<a name = "page37"> </a> +<!--png 053--> +ontzaglijk veel geld verdienden? Doch waarom behoeven wij nog die +voorbeelden uit het grijze verleden weder op te halen, alsof niet ieder +uit zijn eigen tijd verscheidenen voor den geest staan, die door dit +beroep ware Croesussen zijn geworden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Rhetorica aut Poetica non alit nisi insignem. Musicus ni praecellat, +esurit. Iureconsulto tenuis proventus est, ni sit eximius. Sola medicina +quomodocunque doctum alit ac tuetur. Innumeris disciplinis, infinita +rerum cognitione constat res medica, et tamen frequenter unum aut +alterum remedium alit idiotam. Tantum abest, ut haec ars sterilitatis +damnari possit.</p> +</td> +<td> +<p> +Van de rhetoriek en de dichtkunst kan slechts hij leven, die er in +uitmunt. Een musicus, die het niet tot een groote hoogte in zijn kunst +gebracht heeft, lijdt honger. Een rechtsgeleerde heeft maar een mager +inkomen, als hij niet voortreffelijk is. Slechts de geneeskunde +onderhoudt en beschermt haren beoefenaar, hoe weinig bedreven hij er ook +in moge zijn. De medische wetenschap berust wel is waar op ontelbare +kundigheden en de kennis van een oneindig aantal zaken; toch helpt +dikwijls één enkel geneesmiddel een stumper in het vak aan den kost. Het +is er dus verre vandaan, dat dit beroep als onwinstgevend kan +veroordeeld worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Adde quod caeterarum artium non ubique paratus est quaestus. Rhetor +frigebit apud Sarmatas, juris Caesarei peritus apud Britannos. Medicum +quoquo terrarum sese contulerit suus comitatur honos, suum sequitur +viaticum, ut in nullam disciplinam verius competat vulgatissimum illud +Graecorum proverbium, <span class = "greek" title = +"to technion hê pasa gê trephei">τὸ τέχνιον ἡ πᾶσα γῆ τρέφει</span>.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar komt nog bij, dat met de overige beroepen niet overal geld te +verdienen is. Een rhetor zal een koele ontvangst vinden bij de Sarmaten, +een kenner van het keizerlijk recht bij de Britten. De medicus is +overal, waar ter wereld hij zich ook heen begeve, vergezeld door zijn +waardigheid en van reisgeld voorzien, zoodat op geen beroep meer van +toepassing is het alom bekende Grieksche spreekwoord: „de geheele aarde +voedt het ambacht.“</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Confutatio.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Maar juist daarover spreekt Plinius (ik weet niet zeker of hij hier zelf +aan het woord is of de meening van anderen weergeeft) zijn +verontwaardiging uit, dat het uitoefenen der geneeskunde een +broodwinning is. Ik stem toe, dat deze wetenschap te hoog staat, om tot +kostwinning te dienen of tot middel om zich te verrijken. Dit hoort +thuis bij de alledaagsche beroepen. Maar het ware al te ondankbaar, haar +alleen van den haar toekomenden dank te berooven, aan welke nooit genoeg +dank vergolden kan worden.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Sed hoc ipsum indignatur Plinius, aut certe apud hunc alii, quaestum +esse medicinae professionem. Maior est, fateor, haec facultas quam ut +quaestui lucroque serviat, sordidarum id est artium. Sed nimis ingratum +est, eam solam sua fraudare gratia, cui nulla par gratia rependitur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Egregius medicus ceu numen quoddam, servat gratis, servat et invitos. +Sed impietas est, non agnoscere numinis beneficium. Nihil ille moratur +mercedem, tu tamen dignus qui legibus mulcteris ob insignem +ingratitudinem.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Een uitstekend geneesheer helpt als een god kosteloos, desnoods tegen +den wil van den patiënt. Maar het is goddeloosheid, voor de weldaad van +een god niet erkentelijk te zijn. Hij geeft wel niet om loon, maar gij +behoort volgens de wet gestraft te worden wegens uw buitengewone +ondankbaarheid, als gij het hem niet voldoet.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Iam haudquaquam me fugit, hanc egregiam artem et olim apud veteres +audisse male, et hodie apud indoctos quosdam male audire. +<span class = "pagenum latin">38</span> +<a name = "page38" id = "page38"> </a> +<!--png 054--> +Catoni non placuit, non quod rem damnaret, sed quod ambitiosam Graecorum +professionem non ferret homo mere Romanus.</p> +</td> +<td> +<p> +Het is mij volstrekt niet onbekend, dat deze uitmuntende wetenschap +zoowel voorheen bij de ouden in een kwaden roep stond, als ook +tegenwoordig door sommige onwetende lieden gehoond +<span class = "pagenum dutch">39</span> +<a name = "page39"> </a> +<!--png 055--> +wordt. Cato beviel de geneeskunde niet, niet omdat hij haar op zich +zelve veroordeelde, maar omdat een onvervalscht Romein als hij de +aanmatigende wijze, waarop de Grieken haar in zijn dagen uitoefenden, +niet kon verdragen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Isque tantum tribuit experientiae, ut artem esse noluerit, sed idem +universam Graecorum philosophiam ex urbe pellendam censuit. Existimabat +homo durus, ad purgandum hominis corpus sufficere brassicam et crebros +vomitus, et tamen ille ipse medicorum hostis observatione medicinae, in +extremam usque senectutem robur infractum tutatus scribitur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hij kende aan de ervaring op dat gebied zulk een hooge waarde toe, dat +hij der geneeskunde den naam van wetenschap ontzegde. Dat kan ons van +hem te minder verwonderen, daar hij het ook was, die in den Romeinschen +senaat het voorstel deed, de geheele Grieksche philosophie uit Rome te +verbannen. De stoere man meende, dat tot zuivering van het menschelijk +lichaam kool en menigvuldige brakingen voldoende waren. En toch lezen +wij van dien vijand der artsen, dat hij door inachtneming der medische +voorschriften tot het einde van zijn lang leven zijn krachten onverzwakt +behouden heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Solis, inquiunt, medicis summa occidendi impunitas est. At hoc nomine +magis suspiciendi boni medici, quibus cum in manu sit, non solum impune, +verum etiam mercede occidere, tamen servare malunt. Quod possunt +facultatis est, quod nolunt probitatis. Decantatur iam passim inter +pocula temulentorum adagium, Qui medice vivit, misere vivit.</p> +</td> +<td> +<p> +Alleen de geneesheeren, zegt men, hebben het onbeperkte recht van +straffeloos te dooden. Maar juist uit dien hoofde moeten goede +geneesheeren geëerd worden, daar zij, terwijl het hun vrijstaat, niet +alleen ongestraft maar zelfs tegen belooning te dooden, toch liever de +menschen willen redden. Dat zij kunnen dooden, bewijst hun groote macht, +dat zij het niet willen, getuigt voor hun rechtschapenheid. Tot +vervelens toe hoort men overal in dronken gezelschappen het spreekwoord: +„wie medisch leeft, leeft ellendig“.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Quasi vero felicitas sit, distendi crapula, rumpi Venere, turgescere +cervisia, sepeliri somno. Sed istos Sycophantas quid opus est oratione +refellere, cum ipsi petulantiae suae satis magnas poenas dant arti, mox +podagra contorti, paralysi stupidi, desipiscentes ante tempus, +caecutientes ante senectutem, iamque prius vituperatae medicinae, +exemplo Stesichori, seram canunt palinodiam miseri.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Alsof het een groot geluk is, door een wijnroes geradbraakt te worden, +zich uit te putten door ontucht, op te zwellen van onmatig biergebruik +of ten gevolge van uitspattingen door den slaap overmand te worden. Wat +behoeven wij nog deze lasteraars met woorden te bestrijden, die zelf +door het verzaken van de voorschriften der geneeskunde voldoende +gestraft worden, daar zij weldra door podagra worden gekweld, door +verlamming getroffen, vroegtijdig het verstand verliezen, vóór den +ouderdom zwak van gezicht worden en dan eindelijk, maar te laat, in +hunne ellende op de wijze van Stesichorus hunnen laster herroepen<a +class = "tag" name = "tag1_6" href = "#note1_6">6</a>.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Ex Aristophane.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +En toch maakt die goede wetenschap geen bezwaar ook dezen, ofschoon zij +het volstrekt niet waard zijn, zooveel mogelijk te helpen. Sommigen +noemen, met een scheldwoord aan de oude comedie ontleend, de +geneesheeren „dreketers“. Verdienen zij dan niet juist daarom geprezen +te worden, dat zij, om de wonden der menschheid te heelen, zich +verwaardigen, uit +<span class = "pagenum dutch">41</span> +<a name = "page41"> </a> +<!--png 057--> +hun verheven sfeer tot het vuil af te dalen? Als de hoogmoed van de +geneeskundigen eens zoo groot was als de onbeschoftheid, waarmee die +lieden hen vervolgen, dan zouden zij, zoo maar straffeloos, de menschen +kunnen laten omkomen. Doch ons beroep heeft dit met goede vorsten +gemeen, dat het goed handelt, maar een slechten naam heeft.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Et tamen his licet indignissimis, artis bonitas non gravatur esse +praesidio, quantum licet. Sunt qui, mutuato ex vetere comoedia scommate, +vocent medicos +<span class = "greek" title = "skatophagous">σκατοφάγους</span>. Quasi +vero non isto nomine vel praecipue laudari mereantur, qui quo subveniant +hominum calamitatibus, ex illa sua sublimitate sese ad +<span class = "pagenum latin">40</span> +<a name = "page40" id = "page40"> </a> +<!--png 056--> +haec sordida dejiciant. Quod si medicis tantum esset supercilii, quantum +istis est procacitatis, liceret passim impune mori. Verum habet hoc ars +nostra cum bonis regibus commune, ut bene faciat ac male audiat.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Quod si maxime sunt, ut sunt in hoc ordine, qui se pro medicis gerunt, +cum nihil minus sint quam medici. Si sunt qui pro remediis venena +ministrant, si sunt qui ob quaestum et ambitionem aegrotis male +consulunt, quid iniquius est, quam hominum vitia in artis calumniam +detorquere?</p> +</td> +<td> +<p> +Al zijn er nu ook lieden, zooals zij er inderdaad zijn, die zich voor +geneeskundigen uitgeven, terwijl zij niets minder dan dat zijn; als er +zijn, die vergiften voor geneesmiddelen toedienen; als er zijn, die uit +gewin- of eerzucht zieken slechten raad geven, wat is onbillijker dan op +grond van fouten van enkele individuen het geheele beroep te +lasteren?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Sunt et inter sacerdotes adulteri, inter monachos homicidae ac piratae, +sed quid hoc ad religionem per se optimam? Nulla tam sancta professio +est, quae non alat sceleratos aliquot. Votis quidem omnibus optandum, +omnes principes eiusmodi esse, cuiusmodi decet esse, qui censeantur hoc +digni nomine. Nec tamen ideo damnandus est principatus, quod nonnulli +sub eo titulo praedones reique publicae hostes agant.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ook onder de priesters zijn echtbrekers, onder de monniken moordenaars +en roovers; maar wat heeft dit te maken met den godsdienst, die op zich +zelf zoo voortreffelijk is? Geen beroep is zoo heilig, of er zijn eenige +misdadigers die het uitoefenen. Het is zeker dringend te wenschen, dat +alle vorsten van dien aard zijn, dat zij dien naam ook ten volle +verdienen. Maar toch moet daarom de monarchie niet veroordeeld worden, +omdat er onder den vorstelijken titel eenige plunderaars en vijanden van +den staat rondloopen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote" colspan = "2"> +Proverbium.</td> +<td rowspan = "2"> +<p class = "nospace"> +Ook ik wenschte, dat alle geneesheeren met recht dien naam konden dragen +en dat onder hen geen toepassing kon vinden de Grieksche spreuk: „velen +zijn ossendrijvers, maar weinigen landbeploegers“. Ik wenschte, dat +allen die angstvallige nauwgezetheid in de uitoefening van hun beroep +vertoonden, tot welke Hippocrates de artsen door een in plechtige +woorden vervatten eed verplichtte. Toch is er voor ons geen reden, om +niet met alle macht naar de bereiking van deze hoogte te streven, al +zien wij ook, dat dit door zeer velen wordt nagelaten.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Optarim et ipse medicos omnes vere medicos esse, nec in his locum dari +Graecorum proverbio, <span class = "greek" +title = "polloi boukentai pauroi de te gês arotêres">πολλοὶ βουκένται +παῦροι δέ τε γῆς ἀροτῆρες</span>. Optarim ab omnibus eam praestari +sanctimoniam, quam Hippocrates sacramento verbis solennibus concepto a +professoribus exigit. Neque tamen huc non enitendum est nobis, si id a +plerisque negligi conspicimus.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Sed quoniam huius argumenti tanta est ubertas, viri praestantissimi, ut +difficillimum sit in eo dicendi finem invenire, ne non praestem quod +initio sum pollicitus, tempestivum arbitror, universas eius laudes +summatim complecti.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar daar dit onderwerp, hoogaanzienlijke vergadering, van zulk een +grooten omvang is, dat het moeilijk zou zijn, hierover ooit uitgeput te +raken, acht ik, om de belofte, in den aanhef mijner rede gedaan, gestand +te doen, nu den tijd gekomen, om den geheelen lof der geneeskunde in het +kort samen te vatten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "sidenote space" colspan = "2"> +Epilogus.</td> +<td rowspan = "2"> +<p> +Immers, terwijl zeer vele zaken zich alleen door hare oudheid +aanbevelen, is deze wetenschap het allereerst ontdekt door de +noodwendigheid. Als eene wetenschap door haar grondleggers roem erlangt, +de uitvinding van deze is altijd aan de goden toegeschreven. Als de eer, +die een zaak te beurt valt, haar aanzien verhoogt, +<span class = "pagenum dutch">43</span> +<a name = "page43"> </a> +<!--png 059--> +aan geene andere is zoo algemeen en zoo lang goddelijke eer bewezen.</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Etenim si permultas res sola commendat antiquitas, hanc artem primam +omnium reperit necessitas. Si scientiam autores illustrant, huius +inventio semper diis attributa est. Si quid autoritatis addit +<span class = "pagenum latin">42</span> +<a name = "page42" id = "page42"> </a> +<!--png 058--> +honos, non alia tam passim ac tam diu divinos honores meruit.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Si magni fiunt, quae summis viris probantur, haec summos reges, haec +primates non solum delectavit, verum etiam illustravit. Si difficilia +quae sunt, ea sunt et pulchra, nihil hac operosius, quae tot +disciplinis, tantarum rerum pervestigatione usuque constat. Si dignitate +rem aestimamus, quid excellentius, quam ad dei benignitatem proxime +accedere?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Indien die dingen op hoogen prijs gesteld worden, die de goedkeuring van +aanzienlijke mannen wegdragen, het bestudeeren dezer wetenschap strekte +den machtigsten vorsten, den voornaamsten personen niet alleen tot +genoegen maar ook tot roem. Als de moeilijkheid, welke iets oplevert, +maatstaf is voor de schoonheid ervan, niets gaat met meer moeite gepaard +dan de beoefening der geneeskunde, die op zooveel kennis, op het +onderzoek van en ervaring in zoovele zaken berust. Als wij een zaak naar +hare waarde beoordeelen, wat staat hooger dan de goddelijke genade het +dichtst nabij te komen?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "nospace"> +Si facultate, quid potentius aut efficacius quam totum hominem certo +exitio periturum sibi posse restituere? Si necessitate, quid aeque +necessarium atque id sine quo nec vivere, nec nasci licet? Si virtute, +quid honestius, quam servare genus humanum? Si utilitate, nullius usus +neque maior est, neque latius patet. Si compendio, aut haec in primis +frugifera sit oportet, aut ingratissimi mortales.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Naar haar vermogen, wat is machtiger of rijker aan resultaten dan een +geheelen mensch, wien een zekere dood te wachten staat, aan zich zelf +terug te geven? Naar hare noodwendigheid, wat is zoo onmisbaar als de +wetenschap, zonder welke noch leven, noch geboorte mogelijk is? Indien +wij een zaak naar hare zedelijke deugd beoordeelen, wat staat moreel +hooger dan het menschelijk geslacht in het leven te houden? Naar haar +nut, geen zaak sticht grooter nut en in wijder kring. Indien wij +eindelijk het financiëel voordeel tot maatstaf nemen, dan is zij wel het +allermeest winstgevend, indien de menschheid niet alle dankbaarheid +verloren heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Vobis igitur magnopere gratulor, eximii viri, quibus contingit in hoc +pulcherrimo genere professionis excellere.</p> +</td> +<td> +<p> +U wensch ik dus ten zeerste geluk, voortreffelijke mannen, die het +voorrecht hebt, in dat allerschoonste vak uit te munten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p> +Vos adhortor, optimi juvenes, hanc toto pectore complectimini, in hanc +nervis omnibus incumbite, quae vobis decus, gloriam, autoritatem, opes +est conciliatura, per quam vos vicissim amicis, patriae, atque adeo +mortalium generi non mediocrem utilitatem estis allaturi.</p> +</td> +<td> +<p> +U, beste jongelingen, geef ik den raad: legt u hierop met volle borst +toe, wijdt U met al uwe krachten aan deze wetenschap, die U eer, roem, +aanzien en vermogen zal doen verwerven en door welke gij op Uw beurt +uwen vrienden, uw vaderland, ja, het geheele menschelijke geslacht op +meer dan gewone wijze ten heil zult strekken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td></td> +<td> +<p class = "inset1">Dixi.</p> +</td> +<td> +<p class = "inset1">Ik heb gezegd.</p> +</td> +</tr> +</table> + +<hr class = "mid"> + +<h4>Annotationes / Voetnoten</h4> + +<p class = "footnote"><a name = "note1_1" href = "#tag1_1">1.</a> +Een stad in Brabant (Vertaler).</p> + +<p class = "footnote sans"><a name = "note1_2" href = "#tag1_2">2.</a> +The word in Pliny is “balis”. [<i>From Dutch footnote.</i>]</p> + +<p class = "footnote"><a href = "#tag1_2">2.</a> +In Plinius staat „balis“ (Vertaler).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note1_3" href = "#tag1_3">3.</a> +IJverig botanicus uit de eerste eeuw vóór Christus, onder wiens leiding +Plinius botanische studiën maakte. (Vert.).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note1_4" href = "#tag1_4">4.</a> +De Hebreeuwsche naam Raphael bestaat uit twee woorden, waarvan het +eerste rapha, „genezen“ en het tweede el, „goddelijk wezen“ beteekent. +(Vert.)</p> + +<p class = "footnote sans"><a name = "note1_5" href = "#tag1_5">5.</a> +The text printed in brackets [ ] does not appear in the editions of +Frobenius (Basel 1518), Hillenius (Antwerp 1523), or Petrejus +(Nuremberg 1525). It does appear in the first collected edition of +Erasmus’ works by Rhenanus (Basel 1540) and in the best collected +edition by Clericus (Leiden 1703). [<i>From Dutch footnote.</i>]</p> + +<p class = "footnote"><a href = "#tag1_5">5.</a> +De woorden, die nu volgen en tusschen haakjes [ ] geplaatst zijn, +komen niet voor in de uitgave van Frobenius Bazel 1518, noch in die van +Mich. Hillenius (Antwerpen 1523), noch ook in die van Joannes Petrejus +(Neurenberg 1525), maar wel in de eerste gezamenlijke uitgave van +Erasmus’ werken van Beatus Rhenanus (Bazel 1540) en in de beste +gezamenlijke uitgave van Joannes Clericus (Leiden 1703). (Vert.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note1_6" href = "#tag1_6">6.</a> +De lyrische dichter Stesichorus zou namelijk, doordien hij Helena +gesmaad had, van het gezicht beroofd zijn en later door het dichten van +een palinodie het weer teruggekregen hebben. (Vert.)</p> + +<hr class = "chapter"> + +<!--png 060--> + +<!--png 061--> + +<a name = "page44"> </a> +<!--png 062--> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/leeuwen/leeuwenhoek.jpg" width = "379" height = "525" +alt = "Antoni van Leeuwenhoek"></p> + +<h4 class = "extended">ANTONI VAN LEEUWENHOEK</h4> + +<h6>LID VAN DE KONINGHLYKE SOCIETEIT IN LONDON<br> +<i>GEBOREN TOT DELFT. A. 1632</i></h6> + +<p align = "center"> +<a href = "#leeuwen_note" name = "leeuwen_tag">[Volledige tekst]</a> +</p> + +<hr class = "mid section"> + +<span class = "pagenum">45</span> +<a name = "page45"> </a> +<!--png 063--> + +<h4 class = "section">Den Waaragtigen</h4> + +<h1 class = "boldf">Omloop des Bloeds,</h1> + +<h6 class = "ital">Als mede dat</h6> + +<h3>DE ARTERIEN EN VENÆ</h3> + +<h6>Gecontinueerde <span class = "extended">BLOED-VATEN</span> +zijn,</h6> + +<h6 class = "section ital">Klaar voor de oogen gestelt.</h6> + +<h6 class = "section">Verhandelt in een <span class = +"extended">BRIEF</span>, geschreven aan de</h6> + +<h4 class = "boldf">Koninglijke Societeit tot Londen.</h4> + +<h6 class = "section">DOOR</h6> + +<br> + +<h4 class = "smallcaps">Antoni van Leeuwenhoek,</h4> + +<h5>Lid van deselve <span class = "smallcaps">Societeyt</span>.</h5> + + +<span class = "pagenum">46</span> +<a name = "page46"> </a> +<!--png 064--> + +<hr class = "mid section"> + +<span class = "pagenum">47</span> +<a name = "page47"> </a> +<!--png 065--> + +<h4 class = "section">Antony van Leeuwenhoeks</h4> + +<h1>65. <span class = "extended">MISSIV</span>E,</h1> + +<h6>Vanden 7. September 1688.</h6> + +<h5 class = "smallcaps extended">Handelende</h5> + +<p class = "hanging"> +<i>Van tweederley soort van Kikvorsschen. Uyt wat deelen der selver +eyeren bestaan. Dat uyt die eyeren Wormen komen. Van wat maakzel die +Wormen zyn. De circulatie van het bloed op ses distincte plaatsen aan +het hooft van dese Wormen. Continuele schielyke voortstotinge, die het +bloed van het hert ontfangt. Ommeloop van het bloed op veel plaatsen in +de staart van de Kikvors-worm. Hetgene men Arterien en Venae noemt, zijn +gecontinueerde bloed-vaten. Arterien en Venae die dwers over malkanderen +loopen. De ommeloop geschied in de dunste bloed-vaten. De Circulatie van +het bloed, in kleyne en groote Kikvorsschen. Hoe in een Arterie het +bloed te rug quam loopen, en wat de oorsaak daar van was. De ommeloop +van het bloed in een kleyn Visje, en in desselfs staart vier-en-dertig +byzondere ommeloopen: Ende in het zelvige mede seer naakt voor de oogen +gestelt dat Arterien en Venae gecontinueerde bloedvaten syn. In een +nagel grootte van onse huyd geschieden wel duysent ommeloopen van bloed. +De deeltjens die het bloed in de Vissen root maken, zyn platte ovale +deeltjens. Wat Heeren, onder andere, de waaragtige Circulatie van het +bloed hebben gezien.</i></p> + + +<h4 class = "section">Hoog-Edele HEEREN, enz.</h4> + +<p><span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/m_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "M: Myn" title = "M: Myn"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">M</span>yn laatste +alder-onderdanigsten aan hare Hoog-Edele is geweest den 24. +der voorledene Maand, waar in ik kome te handelen, van de angel van de +Mugge, namelijk dat de selve angel uyt de koker genomen zynde, in vier +distincte angels bestaat. Dat ik Linde Boomen hebbe geplant, welkers +wortels in de lucht tot takken wassen, ende de takken in de aarde tot +wortels zyn geworden. Dat in yder welgemaakte Garst of Tarw al een +Koorn-air geformeert is.</p> + +<p><i>Hier nevens gaan weder eenige van mijne geringe +Observatien.</i></p> + +<p>Wy hebben hier te lande twederley soort van Kikvorsschen; +<span class = "pagenum">48</span> +<a name = "page48"> </a> +<!--png 066--> +de eerste soort, die wy seer overvloedig ontrent onse Stad plegen te +hebben, werden ordinair Kikvorsschen genoemt. Welke sedert eenige jaren +hier seer weynig zyn geweest, uyt oorsaak, beeld ik my in, dat onse +stilstaande kleyne water-grachten, na verloop van eenige jaren, met een +ongediert van sekere kleyne vis (daar wy voor desen niet van geweten +hebben, soo veel my bekent is) die wy Stekel-baarsjens noemen, sijn als +vervult geworden, die de Kikvorsschen als die nog wormen waren, hebben +verslonden.</p> + +<p>De kuyt of eyeren van dese Kikvorsschen heb ik in de kleyne +water-gragten, die onse weyden of velden van een separeren, somtyds in +soo een groote menigte byeen zien leggen, dat de superfitie van het +water voor een groot gedeelte beset was.</p> + +<p>De tweede soort van Vorsschen die men hier gemenelijk Worken noemt, +die zyn in veel minder getal, ende die zyn grooter, en ook starker in ’t +voortspringen; welkers achter-lijven of dikste van de achter-pooten by +de France Natie voor goede spijs gebruykt werd. Op dese laatste soort +heb ik veel-maal mijn gedagten laten gaan, eensdeels om dat ik die noyt +en hadde gezien dat die verzameld waren; ende ten anderen, om dat ik +noyt haar Eyeren ofte kuyt en hadde gezien.</p> + +<p>Maar nu op den 29. Mey kome ik wederom in een Weyde, daar in ik +sedert eenige jaren tot mijn vermaak dikmaal hebbe gaan wandelen, en +geen gedachten hebbende tot de kuyt of eyeren van de Kikvorschen, om dat +de tijd van het eyer-leggen van de eerste Kikvorschen al lang verloopen +was, soo gaa ik op het geschreeuw, dat dese Kikvorschen, anders Worken +geseit, soo by dag als nacht in groote hitte doen, aan, en ik beelde my +in dat ik eenige eyeren aan eenig groen gewas, in ’t water sag leggen, +gelijk het inderdaat ook was.</p> + +<p>Dese eyeren en zijn op verre na soo wel, in ’t water leggende, niet +te kennen, als die van onse gemene Kikvorschen, om dat de lijmachtige +stoffe minder in het water uitsteekt, en ook soo veel niet +en is.</p> + +<p>Ik liet dan eenig groen gewas daar dese eyeren aan vast saten, aan +mijn huys brengen, en ik leide die, in twee besondere aardepotten, in +ons gemene gracht-water, en ik examineerde alsdoen de eyeren door het +vergrootglas, en sag dat die meest alle aan de eene zijde bruyn waren, +ende dat de ander zijde ofte de wederhelft +<span class = "pagenum">49</span> +<a name = "page49"> </a> +<!--png 067--> +geelachtig was. Doch als ik de geseide eyeren des anderen daags ’s +morgens wederom besag, bevond ik dat de geelachtigheid meest weg was, +ende dat maar een weinig plaats die couleur was behoudende: waar uyt ik +een besluit maakte, dat dese eyeren niet lang uit de Kikvorschen geweest +waren.</p> + +<p>Vorders nam ik verscheide eyeren uit de heldere lijmachtige stoffe, +en ik bevond doorgaans dat dese lijmachtige stoffe, die haar noch in +twee distincte rontten scheen te separeren, seer stark en taay was, soo +dat die niet als met ontstukken-scheuringe van het rechte Ey en konde +gescheiden worden; en als ik op het aldersachtst daar mede handelde, soo +en behield het ey niet meer zijn rondigheid, maar het berstte en +scheurde als noch van malkanderen. Ik hebbe van dese eyeren verscheide +achter den anderen (als ik die van haar lijmachtige stoffe daar in +deselve lagen, hadde ontbloot) geexamineert, ende gezien dat het dunne +omwindsel meest bestond uit zwarte stipjens, over-een-komende met de +knobbelagtige deelen die het zegreyn-leer heeft.</p> + +<p>Vorders bestont het ey, soo veel my bleek, uit een weinig (in ’t oog) +waterige vogt, en een onbegrijpelyk groot getal van globulen; welke +globulen yder weder bestond uit een groot getal van kleinder globulen, +die yder in ’t midden een grooter globule hadde, soo dat yder eerste +globule wel een ey, met een seer kleine doir verbeelde.</p> + +<p>De figuur van veele van dese eyeren veranderden van dag tot dag: want +die wierden in plaats van rond, langachtig: daar wierden kleine staarten +geformeert. Ook scheent my toe dat ik hoofden zag.</p> + +<p>Ik opende van dag tot dag veel van dese eyeren, ja selfs op den +sevenden dag dat ik de eyeren in mijn huis hadde gehad, als wanneer +eenige wormen of jonge Kikvorschen al soo verre gekomen waren, dat die +zig beweegden. Maar al wat ik zag dat waren niet dan globulen, en schoon +ik de jonge Kikvorsch-worm opende, op die tijd als hy uit zijn +lijmachtige stoffe was gearbeid, en door het water swom, aan de welke +ik, geheel zijnde, de rugge-graat ook konde bekennen, soo en konde ik +deselve, ontstukken snijdende, geen ingewanden, veel min aderen of +zenuwen bekennen.</p> + +<p>Het scheen my als doen noch toe dat het het gantsche ligchaam van dat +Dier, uit geen andere deelen en was gemaakt dan uit globulen, en wel +voornamentlijk de buik die geelachtig was, zijnde gemaakt uit dat +gedeelte van het ey dat geel was gebleven, en nu +<span class = "pagenum">50</span> +<a name = "page50"> </a> +<!--png 068--> +tot de buik was geworden. Dit quam my vreemd voor, dat ik in soo een +groot schepsel, dat ik voor mijn gezigt doode, geen vaten of zenuwen en +konde bekennen.</p> + +<p>Na alle dese mijne Observatien die ik ontrent dese eyeren hebbe +gedaan, konde ik geen ander besluit maken, als dat de lijmachtige stofte +die om het ey leit, alleen geschapen is, om het inleggende ey te +bewaren, ende te beschermen, even gelijk de schillen of schalen van de +eyeren van het gevogelte, het wit en doir bewaren en beschermen.</p> + +<p>En gelijk wy zien dat het ey van een hoen of ander gevogelte gantsch +over gaat tot het Kieken, uitgesonderd alleen de schors van het ey, en +het vlies dat tegen de schors aan sit, en welke beide de binne-stoffe +van het ey bewaard hebben, even soo, segge ik, gaat het gantsche ey tot +de Kikvorsch over, ende de taye lijmachtige stoffe, die om het ey heeft +geseten, die blijven in wesen. Soo dat ik van het Kikvorsch-ey kan +seggen, het gene ik van de Vogel-eyeren gezeit hebbe; te weten, dat het +gantsche Kikvorsch-ey alleen geschapen is, om het dierken uit het +mannelijk zaad te voeden en groot te maken, tot dat het voor zig selven +kan voedsel soeken.</p> + +<p>Als ik sag de menigvuldige lucht-bellekens die in dese lijmachtige +stoffe waren, nam ik in gedagten, dat die alleen geschapen waren, om de +eyeren als dese Kikvorschen in ’t water groente mogt ontbreeken, om de +zelve daar aan te hegten, dat die dan door behulp van de lugtbellen, op +de superfitie van het water soude konnen drijven, om de warmte van de +lugt te hebben, ende daar door als uitgebroeid te werden.</p> + +<p>Ik heb dese jonge Worken, of Kikvorschen, jong zijnde, verscheyden +malen geobserveert, en om dat ik wist dat de Heer <i>Doctor +Swammerdam</i> daar van geschreven hadde, zyn Observatien nagezien, die +in zyn uitlegginge pag. 35, onder andere dus spreekt.</p> + +<p><i>Het tweede getal verbeeld de manier op welke het Vorschen-jong, +het genoemde teer en dunne vlies, waar in het op de wijse der +bloedeloose dierkens, in de vierde ordre voorgesteld, verborgen is; komt +af te stroopen. Soo dat het selve midden in zyn verwydert, ende in het +ingedronge water, uytgedyde voedsel, als een swart en dik-hoofdig +Wurmken sig vertoont. Dan ’t geen gemenelyk voor het hooft genomen werd, +is het geheele lighaam te samen, als den onvergelykelyken Harveus seer +wel aanteekent.</i></p> + +<p><span class = "pagenum">51</span> +<a name = "page51"> </a> +<!--png 069--> +Dat nu <i>Harveus</i> of <i>Swammerdam</i> aan de jonge Kikvorsen soo +als hy van het ey tot een worm is geworden, geen hooft en heeft gezien, +sal apparent zyn, om dat zy deselvige niet door het vergrootglas +geobserveert hebben.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig1.jpg" width = "64" height = "56" +alt = "Figure 1"> +</span> +Fig. 1 werd het ey van een Kikvors of work vertoont, soo als het in zyn +omleggende tay en slijmerige vogt leyt, en wanneer het soo verre +toegenomen is, dat het zig beweegt, soo is de staart van het Dierken +noch in de vocht wat krom gebogen.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig2.jpg" width = "69" height = "45" +alt = "Figure 2"> +</span> +Fig. 2 vertoont de grootte van het Dierken, soo als het zyn volkome +grootte uit het ey heeft ontfangen, ende soo verre gekomen was, dat het +selvige door het water konde swemmen, het welke by my daar uytgenomen +zijnde; op een glas was geleyd, ende also was gestorven, ende +gedroogt.</p> + +<p>Fig. 3 A B C D E F. vertoont het zelvige Dierke, soo het den +Teykenaar door het Vergroot-glas heeft gesien, aan het welke men hier +distinct het hoofd van het verdere lichamen kan onderscheiden, als hier +met A B F. werd aangewesen.</p> + +<p>F E. is de buik van het Dierken, die geelachtig is, gelijk ik hier +vooren geseid hebbe, dat yder ey een geelagtig stipje behoud, welk +stipje de buik van het Dierken werd. Doch dese buik en is soo niet +geteikent, als die sig quam te vertoonen, want die was soo geborsten en +van een gescheurd, dat die niet dan uit groote globulen en scheen te +bestaan.</p> + +<p>Met C D E. werd aangewesen de staart van het Dierken, Waar in men +seer naakt de graat konde bekennen, die hier ook soo verre is +afgeteikent als den Teikenaar die konde zien, en schoon ik veel maal de +staart van dese Dierkens, daar de graat haar in vertoonde van +malkanderen separeerde, soo konde ik egter aldaar dan geen andere deelen +bekennen dan globulen.</p> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/leeuwen/fig3.jpg" width = "506" height = "142" +alt = "Figure 3"> +</p> + +<p>Dese Dierkens of Vorschen-wormen, maken een seer starke beweginge met +haar staart, als sy voortswemmen, en soo ras als de beweginge van haar +staart komt op te houden, soo sinken sy schielijk na de grond, waar uyt +dan blijkt, dat sy veel stof-swaarder zijn, dan het water selfs is. Doch +dese Dierkens is wederom ingeschapen, dat sy haar met haar hoofd (noch +klein zynde) aan een glas konnen vast hechten, soo dat sy aan alle +dingen die in ’t water zyn, konnen vast blijven, en alsoo rusten, sonder +dat hare lichamen op de grond komen te leggen.</p> + +<p><span class = "pagenum">52</span> +<a name = "page52"> </a> +<!--png 070--> +Vorders heb ik een Kikvorsch-worm, soo als die in ’t water leefde, en +sich aan het glas hadde vast gehegt, voor het vergrootglas gestelt, ende +deselvige alsoo den Teykenaar in de hand gegeven, om af te teikenen het +gene hy quam te zien.</p> + +<p>Fig. 4. G H I K L M N O P Q R S. vertoont de Kikvors-worm, soo +als hy levent in ’t water aan het glas sig hadde vast gehegt, en met de +buik na het gesigt toe geplaatst was, en welke Worm maar eenige uren +daar te vooren uyt sijn slym, daar in hy hadde gelegen, was uyt +geswommen.</p> + +<p>Met L M N O P. werd aangewesen het hooft. Ende met H I R S. +werd aangewesen, de buik; ende met G H S. de staart. Bovenop +het hooft van dit Dierken vertoont sig een gedeelte van de huyt, die +haar dikte boven de andere huyt is uytstekende, soo dat ik hier gedagten +hadde of dit niet een gedeelte van de huyt was, waar mede het gantsche +Lighaam van het Dierke op nieuw soude bekleet werden, als hier met +M N O. werd aangewesen.</p> + +<p>Met T. werd aangewesen de mont, die ik niet en hebbe konnen sien, dat +het Dierke, dus jonge sijnde, beweegde. V V. sijn twee bruyne +plekken op het hoofd van het Dierke die in dit seer rond waren (daar +deselve in andere Dierkens op verre na die ronte niet en hadde) en by +eenige wel voor de oogen souden aangesien worden. Dog de oogen en konnen +in soodanigen gedaante niet gesien werden, om dat die dus van ons gesigt +afstaan. I K L. ende P Q R. sijn ses doorschijnende +uythangende deelen, die aan yder sijde van het hoofd drie sijn.</p> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/leeuwen/fig4.jpg" width = "488" height = "124" +alt = "Figure 4"> +</p> + +<p>Dese deelen sijn alleen de oorsaak dat ik de Kikvors-worm hebbe laten +afteykenen: want in yder van dese deelen sag ik met een groot vermaak +seer distinct de ommeloop van het bloet, het welke uyt die deelen die +naast het lighaam lagen wierd voortgestooten na de buytenste sijde van +de selve, en volbrengende alsoo een continuële seer schielijke +omloopinge. Deze omloopinge en hadde geen egale beweginge, maar die +wierd in seer korten tijd, ende dat continueel, op nieuw met een seer +schielijke voortstootinge te weeg gebragt; en eer dat dese seer +schielijke voortstootinge geschiede, souden wy (by aldien wy geen +continuële verheffinge in de loop hadden gesien) geoordeelt hebben, +datter een stilstant van loop op soude gevolgt hebben; dog de loop van +’t bloet en begonde niet te vertragen, of daar quam op nieuw +<span class = "pagenum">53</span> +<a name = "page53"> </a> +<!--png 071--> +weder een seer schielijke verheffinge van een voortstootinge: soo datter +in ’t bloet van dit Dier, een continuele voortlopinge geschiede: en als +ik met een naeuwkeurige opmerkinge de korten tijd waar in yder +voortstootinge op nieuw geschiede, tragte af te meten; moet ik seggen; +dat een vaardige mond, soo ras geen hondert soude tellen, of daar +geschiede in dese bloet-vaaten wel hondert schielijke voortstootinge van +bloet. Hier uyt stelde ik vast, dat soo menigmaal als dese seer +schielijke voortstootinge wierd te wege gebragt, dat soo menigmaal het +bloet uyt het Hert wierd gestooten. Ja ik sag deze beweginge soo net +(dat alle de voortstootinge van het bloed uyt het Hert, ende de overgang +van de Arterien, daar die in malkanderen vereenigen, tot inde Vena) +geschieden, als ik, of ymand anders, sig eenigsins soude konnen +imagineren.</p> + +<p>Dit gesigt, tot mijn over groot vermaak veelmaal hebbende beschoud, +wilde ik niet verbergen; maar hebbe het selve aan vijf voorname Heeren +vertoont; die my verklaarden noyt iets van my gesien te hebben, dat soo +waardig was geweest te aanschouwen. Ik moet hier nog byvoegen, dat soo +dit bloet een egale dunne vogt hadde geweest, wy het selvige onmogelijk +souden hebben konnen bekennen: maar nu het bloet bestond uyt een seer +heldere vogt, vermengt soo het in ’t oog scheen met kleinder en grooter +globulen, die, al-hoe-wel geen couleur en hadden, egter seer klaar +konden gesien werden, soo was de bekentenisse van den ommeloop soo veel +te naakter.</p> + +<p>Als dese Worm-kikvorschen eenige dagen out waaren geworden, soo en +konde ik geen van alle dese ses uythangende deelen (daar in yder van +deselve de ommeloop van ’t bloet geschiede) meer sien, maar als dan +scheen het my toe dat die met een huyt waren overtrokken.</p> + +<p>Ik konde ook als doen aan yder sijde van het hoofd, wel soo een seer +schielijke beweginge (als hier vooren is geseit) sien, maar ik konde +geen ommeloop van het bloet gewaar werden. So dat ik als doen ook geen +hoofd van het lighaam meer en konde onderscheiden, want dat scheen aan +malkanderen te sijn vereenigt. Wanneer dese Worm-kikvorschen, omtrent +agt a thien dagen out waren, en omtrent tweemaal in groote waren +toegenomen, soo sag ik dat haar mond met op en toedoen, so een +schielijke continueele beweginge hadde, als ik hier vooren geseit hebbe +van de beweginge +<span class = "pagenum">54</span> +<a name = "page54"> </a> +<!--png 072--> +van het bloet: en als doen waren de tanden boven en onder in de mond +sodanig uytgewassen, dat ik die perfect konde sien: Dese tanden waren in +soo groote menigte, en stonden in sodanigen ordre, als een rije tanden +staan, in de mond van een vis die wy een zeehaye noemen.</p> + +<p>Met dese mijne observatien heb ik my niet vergenoegt gehouden, maar +ik hebbe alle mijne kragten ingespannen, omme de geseide ommeloop des +bloets te vervolgen, en hebbe dese Wormkikvorssen, agt a thien dagen out +sijnde, op alle bedenkelyke manieren geobserveert, en hebbe van binnen +in ’t lighaam sien bewegen een klein deeltje, dat ik my imagineerde het +hert te sijn, als wanneer ook de stoffe die in het selvige was, en daar +uyt wierd voortgestoten, al een roode couleur begonde aan te nemen. Dit +deel, dat ik voor het hert aan sag, hadde zoodanige schielijke beweginge +als ik geseit hebbe dat inde bloet-aderen geschiede. Voorts soo dikmaal +als ik sag dat dit gepresumeerde hert, sig beweegde, soo menigmaal +wierden ook de oogen van het Dier een weinig bewogen: soo dat ik my +inbeelde dat de beweginge van de oogen alleen van de beweginge van het +hert en mond afhingen. Welke oogen, soo in uytpuylende ronte, als in +swartigheid in ’t midden, my ook soo naakt voor quamen, als eenige oogen +van een klein Dier, ons aan het bloote oog konnen vertoonen.</p> + +<p>Wanneer ik de buyk van soodanigen Dier als dan quam te openen, sag ik +dat de darmen gevolt waren met een bruynagtige stoffe, ende dat die in +een ronte lagen geschikt.</p> + +<p> +Als ik quam tot het examineren van de staart van dese kleine Worm, soo +overtrof dat vermakelyk gesigt alle de beschouwingen, die myn oogen van +haar leven hadden gesien; want hier ontdekten ik meer dan vijftig +ommelopen van bloet, op bysondere plaatsen, als ik het dierken maar tot +myn genoegen in ’t water levende, en stil leggende, voor het +vergroot-glas konde brengen. Want ik sag niet alleen dat het bloet op +veel plaatsen door seer dunne vaatjens uyt het midden van de staart +wierd gevoert na de buytekant van de selve; maar dat yder soodanig +bloet-vat, sig met een kromte boog, en het bloet weder voerde na het +binnenste of dikste van de staart, om het selvige weder soo na het hert +te voeren. Soo dat my hier bleek dat de bloet-vaten die wy in dit Dier +sien, en de Arterien en Venae noemen; maar een ende de selve bloet-vaten +<span class = "pagenum">55</span> +<a name = "page55"> </a> +<!--png 073--> +sijn; alleen, datse soo lang Arterien konnen genaamt werden, als sy het +bloet tot in de uyterste deelen van de kleyne vaten voeren; ende Venae, +als de selve het bloet weder voeren na het Hert. +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig5.jpg" width = "68" height = "123" +alt = "Figure 5"> +</span> +Als by exempel, ik sie veel bloed-vaatjens in de staart van de +Kikvorsworm, die haar loop hebben als Fig. 5. A B C. waar +van A. en C. na de graat van de staart sig strekken, of geplaatst leit; +ende B. leit gestrekt na de uyterste deelen van de staart. A B. +voert het bloed van het hert af; ende B C. voert het bloet weder na +het hert toe: en dus konnen wy seggen, dat het bloet-vat +A B C. een Arterie ende een Vena is, want wy konnen dit +geseide bloet-vat niet verder een Arterie noemen, als soo verre als hy +het bloet weg stoot, of op het verste in de selve voert, dat is hier van +A. tot B; ende wy konnen of moeten B C. een Vena noemen, om dat het +bloet van B. tot C. weder na het Hert gevoert werd. Ende dus blijkt het +ons hier dat Arterie ende Vena een ende deselvige continuële vaten +zijn.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig6a.jpg" width = "186" height = "166" +alt = "Figure 6A"> +</span> +Daar ik de ommeloop van het bloet in de Aderen dus quam te sien, waren +de Aderen, niet wyder, als dat een enkel deeltjen bloed (dat in dit +gesigt globulen schenen, daar het nogtans platte ovale deeltjens sijn, +als voor desen geseit) daar sonder hinder door konde passeren. Dog op +een ander tijd sag ik dat de deeltjens bloet om de dunte van de +Bloet-ader, in een lang rond veranderde: en wanneer ik het Dierke buyten +het water bragt, en soo verre quam dat het begonde te sterven, sag ik +dat het bloet inde dunste Arterien, somtijds stil bleef staan; en als in +de selve Ader het bloet op nieuw wierd voortgestoten, sag ik dan dat +verscheide deeltjens bloet, wel tweemaal soo lang wierden uytgerekt, als +de breette van soodanig deeltjen, ende dat die dan aan beide de eynden +spits schenen. Op een ander plaats sag ik dat het bloedt sig uit een +dikker Arterie in twe takken verdeelde: als by voorbeeld: Ik sag de +Arterie Fig. 6A. D E. die sig in twee takken verspreide, als +in E. en yder van dese takken, boog in de ronte met een bogt; als met +E F. en E G. werd aangewesen. Soo wy nu stellen dat +D E F. ende D E G. Arterien sijn, om dat die het +bloet van het Hert afvoeren, so moet volgen, dat F H. en +G I K. Venae sijn, om dat die beyde het bloet na het Hert +voeren.</p> + +<p>Nu heb ik ook te gelyk gesien, dat een weinig van K. een andere +kleynder of dunder Arterie lag, die met M L. werd aangewesen. +<span class = "pagenum">56</span> +<a name = "page56"> </a> +<!--png 074--> +Dese laatste Arterie vereenigde in de Vena I K. soo dat de Arterien +D E G. ende M L. beyde te samen vereenigde in de Vena +I K. In somma in de Fig. 6A. is H F. een Vena. +D E F. ende D E G. sijn Arterien. G I K. +ende K I L. sijn Venae, ende M L. is een Arterie, en +nogtans konnen wy seggen, dat het een continuëel vat is.</p> + +<p>Op een andere plaats heb ik gesien dat drie van de dunste Arterien, +die yder met een bogt omlopende, alle drie op een punct weder te samen +quamen, ende aldaar een bloet-vat of Vena uit maakten: en by gevolg was +dit bloet-vat soo wyt als van de drie geseide Arterien. Dese drie +distincte vaten nu met haar rondagtigen ommetrek, waar in de circulatie +geschiede, en besloegen geen meer plaats, of een sant grootte soude de +selve konnen bedekt hebben.</p> + +<p>Ook is my verscheide malen voorgekomen, dat een Arterie dwars of +kruyselings over een Vena quam te loopen, ten ware men yder sijn +bysondere loop niet distinct hadde konnen onderscheiden, soo souden +veele wel geoordeelt hebben, dat de circulatie aldaar wierd te wege +gebragt, ende dit sag ik niet alleen in de alderkleinste vaten, maar in +vaten die wel tienmaal dikker waren als daar de ommeloop geschiede.</p> + +<p>Dese overdwars lopende bloet-vaten, sijn my voor desen veel te vooren +gekomen, als ik in andere Dieren de vereeningen van de Arterien en Venae +tragte te ontdekken; dog alsoo het by my vast stond dat de ommeloop van +het bloet, niet in de vaten die groot waren, moste geschieden; maar in +de kleinste of dunste bloetvaten: want soo sulx anders was, so stel ik +vast dat alle de delen van het lighaam niet gevoet soude konnen werden. +En also voor my die ontdekkingen onnaspeurelyk scheenen, soo heb ik +sedert eenige jaren myne ondersoekingen daar ontrent gestaakt. Soo wy +dan nu seer naakt voor onse oogen sien dat het overgaan van het bloet +uyt de Arterien in de Venae, in de Kikvors-worm, in geen andere +bloet-vaten geschiet, als in soodanige die soo dun sijn, dat maar een +enkel deeltje bloet te gelijk kan doorgestoten werden; soo konnen wy nu +wel vaststellen, dat het selve in onse lighamen, en in alle Dieren op +soodanigen manier werd te weeg gebragt. En dit soo sijnde, soo is ons +onmogelyk den overgang van het bloet uyt de Arterien inde Venae, in ons +lighaam of andere dieren te ontdekken; eensdeels, om dat wanneer een +enkel globule bloet +<span class = "pagenum">57</span> +<a name = "page57"> </a> +<!--png 075--> +in een aderke leggende, geen couleur en heeft: ende ten anderen, om dat +het bloet in de bloet-vaten, als wy dat ondersoek doen, stil staat.</p> + +<p>Ik hebbe voor desen geseit, dat de delen of globulen van het bloet, +die het selvige root maken, soo klein syn, dat thien hondert duysent +deelen of globulen, soo groot niet en sijn, als een grof sand is: en +over sulks konnen wy ons wel inbeelden, de hoekleinheid van de +bloetvaten waar in den ommeloop geschiet.</p> + +<p>Dese verhaalde observatien en heb ik niet eenmaal gesien, maar die +tot myn overgroot vermaak verscheide malen hervat, ende dat t’elkens in +bysondere Wormen, ende by na doorgaans een ende deselve uytkomst gehad. +Dog het gene ook aanmerkenswaardig was, dat was, dat in dese geseide +seer kleyne vaaten, die op het verst van het Hert geplaatst lagen, als +hier in ’t eynde van de staart, dat daar op verre na soo een schielyke +en harde voortstotinge niet geschiede, als wel in de vaten naast het +Hert gelegen. Dog alhoewel de continueele loop hier mede distinct te +bekennen was, soo konde men egter seer klaar sien dat ’er by yder +voortstotinge van het Hert, een weinig rasser loop geschiede.</p> + +<p>Wanneer ik myn oog liet gaan in de lengte en op het dikste van de +staart, soo konde ik seer klaar bekennen dat aan yder syde van het +staart-been, of graat, een groote Arterie was, daar door ’t bloet na ’t +eynde of lengte van de staart wierde gevoert, en sig in die lengte in +verscheide kleyne takken verspreide.</p> + +<p>Als ik een weinig ter sijden van dese Arterien na de buytekant van de +staart af sag, ontdekten ik aldaar twee groote Vena, die het bloet weder +opwaarts na het Hert voerden; ende daar benevens sag ik dat in dese +groote Vena uyt verscheide kleyne Venae het bloet wierd ingestort. In ’t +kort, ik sag hier myn volkome vergenoeginge ontrent den ommeloop van het +bloet, alsoo my in ’t minste niets voorquam waar aan ik behoefde te +twijfelen. Ja ik sag dat in het kleyn gedeelte van de staart, het bloet +der Aderen meer dan in vyf-en-twintig distincte Aders circuleerde. Boven +de geseide Aderen ontdekte ik nog in de staart een onbegrypelyk getal +van andere Aderen met haar takken, die sig eyndelyk in soodanige kleyne +takken verdeelde, dat die het gesigt ontweeken. Dese Aderen quamen mede +voort uyt het dikste van de staart, en hoe nauwkeurig ik ook toesag, soo +en konde ik egter geen de minste loop +<span class = "pagenum">58</span> +<a name = "page58"> </a> +<!--png 076--> +inde selvige ontdekken, schoon dese vaten veel dikker waren, als daar ik +den ommeloop van het bloet in sag. Waar uyt ik in gedagten nam, of alle +dese vaten niet wel senuwen mogten zyn.</p> + +<p>Ik en hebbe dit gesigt mede voor my alleen niet willen behouden, maar +dat selvige aan twee voorname geleerde Heeren laten sien; niet alleen +dat ik haar toonde dat het bloet uyt de groote Arterie, na het eynde van +de staart wierd gevoert, ende dat daar benevens weder een grote Vena +lag, die het bloet continueel na het Hert voerde; maar ik liet haar op +verscheide plaatsen sien, hoe het bloet in de kleinste vaten na de +buytenkant van de staart wierd gevoert, ende van daar door de geseide +Aderen weder te rugge quam, en gevoert wierde na het binnenste van de +staart.</p> + +<p>Vorders heb ik de jonge Kikvorssen op die tyd als sy van een worm, +tot een Kikvors waren geworden, en soo verre waren gekomen, dat sy door +de velden sprongen, geobserveert, ende in deselve mede ontdekt, een +overgroot getal van kleyne bloet-vaten, die continueel door kromme +bogten ommelopende, die vaten maakten, die wy Arterien en Venae noemen: +sulks dat my hier mede seer klaar bleek dat de Arterien en Venae, een +ende deselve doorgaande bloetvaten waren. Dog alderklaarst, ende +aldermeest, quamen my die te vooren, op het eynde van de uytstekende +delen van de poten, die wy wel vingers mogen noemen. Welke delen de +kikvors aan yder voorste poot vier heeft, ende aan yder +agter-poot vyf.</p> + +<p>Dese bloet-vaten die wy den naam van Arterien en Venae geven (daar +het nogtans een ende deselve bloet-vaten sijn) waren op het eynde van +dese vingers in een seer groote menigte, en yder hadde een ronde bogt, +waar door men den bysonderen loop van yder vat onmogelyk konde navolgen. +Alle dese vaten waren so kleyn of dun dat’er niet meer dan een deeltje +bloet te gelyk door konde passeren. Dog wanneer ik dese vingers ontrent +het eerste of tweede lid examineerde, daar vonde ik de bloet-vaten, die +wy Arterien en Venae noemen, grooter, ja soodanig dat het bloet in die +vaten al een rode couleur hadde.</p> + +<p>Dese jonge Kikvorssen, en heb ik niet by stukken geexamineert; maar +die in haar geheel voor het vergroot-glas gestelt, ende sijn my de +geseide bloet-vaten te voren gekomen, soo als ik die nu hebbe +beschreven. Dese doorloop ofte ommeloop van het bloet heb ik soo aan +twee voorname Heeren laten sien, die de selvige +<span class = "pagenum">59</span> +<a name = "page59"> </a> +<!--png 077--> +niet dan met groote verwondering beschoude. En voornamentlyk, als sy de +delen van het bloet, die het selvige root maken, in soodanige dunne +vaatjens (met groote snelheit sagen loopen) dat’er maar enkelde +deeltjens bloet agter den anderen door konden passeren.</p> + +<p>Vorders heb ik laten vangen van de grootste slag van Kikvorssen, die +wy Worken noemen. Dese heb ik mede in haar geheel gelaten, ende in +deselve (met de vingers voor het vergroot-glas gebragt hebbende) heb ik +mede de ommeloop van het bloet gesien; dog seer beswaarlyk: en ten ware +ik die eerst in de jonge Kikvors hadde ontdekt, het soude my onmogelyk +geweest hebben, dat ik de loop van het bloet, in de kleynste vaten soude +hebben konnen zien.</p> + +<p>Dog wanneer ik dese groote Kikvorssen op andere deelen van het +lighaam beschoude, heb ik in de selve seer distinct de ommeloop van ’t +bloed konnen zien.</p> + +<p>Ik hebbe onder andere eens gesien, dat het bloet in een Arterie (die +soo groot of wyt was dat’er drie deeltjens bloet te gelyk door konden +passeren) te rugge, of contrarie syn eerste loop quam te lopen; dog dese +te rugge loop en duurde niet langer, dan dat wy het getal van vier +souden konnen tellen ende na die tyd liep het bloet weder zyn ordinairen +en voorgaanden loop.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig6b.jpg" width = "178" height = "195" +alt = "Figure 6B"> +</span> +Als by exempel het bloet sag ik loopen in een groote Arterie als by +Fig. 6B. N R O P. en gevoert van N. na O. uyt dese +Arterie quam een tak of kleine Arterie als hier boven verhaalt is. Nu +geschiede het voor myn gesigt, dat het bloet in de Arterie P Q. +niet alleen schielyk in sijn loop quam op te houden, maar het quam ook +van Q. na P. te rug loopen, en storte het bloed in de Arterie N R +O P. De oorsaak hier van beelde ik my in, kan geweest zijn, of dat +het bloet in de kleinste Arterien P Q. of in de kleindere takken, +waar in deselve P Q. is verdeelt, door een kleyne verstoppinge, is +tegen gehouden geworden: of dat de muscul of zenuwe, naast dese kleyne +vaatjens gelegen, deselvige so geparst of gedrukt hebben, dat de loop +daar door is verhindert geworden: waar door niet alleen een stilstant +van loop, maar ook een te rugge loop van het bloet in de groote Arterie +die daar digte by was, veroorsaakt is geworden. Want na het passeren van +de geseide korte tyd, nam het bloet weder sijn voorgaande vaardige +loop.</p> + +<p>Op een andere plaats heb ik gesien dat den loop van het bloet in +diergelijke Arterie, in korten tijd seer vertraagde, ende dat daar +<span class = "pagenum">60</span> +<a name = "page60"> </a> +<!--png 078--> +op wederom in de selvige Arterie, een schielijke voortstootinge volgde; +doch kort op die voortstootinge volgde wel weder een trager loop; ook +wel een seer korte stilstand. Dese voortstotinge en vertraginge van +loop, geschiede wel vijf à sesmaal agter den anderen, ende daar op +volgde weder een continuële vaardige voortgang, ende dit alles geschiede +in soodanigen korten tyd, dat men geen tien woorden souden konnen +gesproken hebben.</p> + +<p>Ik hebbe verscheide maal de Kikvors-wormen uit de water-gragt laten +opvangen, en onder dit vangen waren drie à vier seer kleyne Visjens, die +een weinig langer waren als de Kikvors-worm is, als deselve van een Ey +tot een Worm is geworden. De huit van dese visjens was met swarte +stipjens beset, welke eenige ook verbeelden sterrekens.</p> + +<p>Ik oordeelde dat dese visjens niet groot wierden, om dat ik noit +zoodanige maaksels gelyk my die door het microscope voor quamen, met het +bloote oog gesien hadden. Ik heb in ’t eerst een van dese Visjens +geobserveert, maar daar inne als doen niet konnen sien het geene +noterens waardig was.</p> + +<p>Dese Visjens hebbe ik na dat die ontrent veertien dagen op myn +Comptoir onder de kikvors-wormen in ’t leven gebleven, (ende in die tyd +al in grootte waren toegenomen) weder op nieuw geobserveert, omme was +het mogelijk de circulatie ende het overgaan van het bloet uit de +Arterien in de Venae in de selvige mede te sien, en hebbe eindelijk in +de staart digte by de uyterste staartvinne, een groot bloet-vat, dat een +Arterie was, het bloet sien voeren na het einde van de staart, ende +digte by dat bloet-vat, lag weder een groote Vena, waar in het Bloed +weder na het hert wierde gevoert, welke beyde bloet-vaten in de lengte +van de staart lagen gestrekt.</p> + +<p>Als ik myn oog liet gaan op de staart-vin, die het uiterste van de +staart uitmaakt, soo konde ik aldaar mede seer klaar sien, dat aan ieder +sijde van die beentjens (die de stijfte aan de staart-vinne geven) een +seer dunne Arterie en Vena liepen, want ik konde seer klaar ieders loop +bekennen, dog beswaarder als in de Kikvors-Worm: eensdeels om dat dit +visje met desselfs staart weinig stil lag; ende ten anderen, om dat de +deeltjens bloet (die ik in dese observatien niet anders als voor globule +konde aansien) veel kleynder waren als in de Kikvors-worm. Dese laatste +bloet-vaatjens +<span class = "pagenum">61</span> +<a name = "page61"> </a> +<!--png 079--> +waren ook soo klein, dat maar een enkel deeltje bloet daar door konde +passeren, en ten ware dese geseide delen bloet, niet uit de dunne vogt, +daar in die als drijven, (die by eenige de weyagtige stoffe van het +bloet genaamt werd) uitstaken, wy souden geensins de loop van het bloet +konnen ontdekken.</p> + +<p>Alhoewel ik de loop van het bloet soo in de Arterien als Venae, seer +distinct konde sien, soo was het egter my onmogelijk, hoe naauw ik +toesag, de plaatsen of eynden van de Arterien ende het begin van de +Venae te sien. Dog als ik naderhand met het eenigste of laatste Visje +dat ik nog behouden hadde, op een ander manier als met de voorgaande +quam te handelen; sag ik tot myn overgroot genoegen, seer naakt, niet +alleen op een, maar doorgaans op verscheide plaatsen, de circulatie van +het bloet: want aan yder sijde van de hier vooren verhaalde beentjens +(die de starkte aan de vinnen geven) liep yder Arterie met een klein +bogtje om, en maakten aldaar het begin van de Vena.</p> + +<p>Wanneer ik quam te sien op de staart van het visje, alwaar de +staart-vinne haar begin neemt, daar sag ik met groote verwondering, hoe +dat de groote Arterie sig aldaar, in de geseide seer dunne vaatjens of +Arterien, verspreide, en hoe dat vele van de dunne Venae van de +staart-vinne hier digte by, weder in de groote Venae te samen quamen +loopen. In ’t kort, hier was sulken beweginge van het bloet, dat uyt de +dikke Arterie na het uyterste eynde van de staart, en staart-vinne +vloeide, of gestoten wierde, ende het geene uyt veel kleine Venae, na de +groote Vena weder te rug quam, dat het onbegrijpelyk was.</p> + +<p>Wanneer ik myn oog liet gaan op beyde de buytenste kanten van de +staart, daar de korte beentjens van de staart-vinne haar begin nemen, +daar sag ik dat veel van de kleinste Venae te samen liepen of +vereenigden, en maakten aldaar een grooter Vena uyt. Dog dit seer +aangenaam gesigt en duurde niet lang, want ik hadde het Visje uit het +water genomen, en alsoo schielyk voor myn gesigt gebragt, en in sulken +geval vertraagde de loop van het bloet in de uiterste deelen van het +lighaam, minder als in een menuit tijds.</p> + +<p>Na die tijd heb ik selfs van die soort van Visjens gaan vangen, om +dat ik met dit schoon gesigt van een Visje niet vergenoegt en was, en +hebbe doorgaans een ende deselve uitkomst gehad.</p> + +<p>Vorders heb ik waargenomen dat de groote Arterie (waar uit +<span class = "pagenum">62</span> +<a name = "page62"> </a> +<!--png 080--> +veele kleine Arterien haar oorspronk hadden) ende de groote Vena, (waar +in het bloet uyt veele kleine Venae wierd ingestort) digte of nevens den +anderen in de lengte van de Vis geplaatst lagen; digt aan het +graat-beentje van de Vis; te weten, niet na de bovenste ofte rugge sijde +van het graat-beentje, maar na het onderste gedeelte van het +graat-beentje, sonder dat ik na de rugge sijde van het graat-been, geen +het minste groot bloet-vat konde ontdekken. In de geseide groote Arterie +konde ik doorgaans op nieuw de voortstootinge of verheffinge van een +rasser loop, die het bloet van het Hert ontfangt, bekennen: dog in de +alder-dunste Arterien, en konde ik in de loop van het bloet geen +veranderinge gewaar werden, want daar was de loop seer egaal. En gelyk +ik geseit hebbe dat in de dunste vaten geen couleur en was, soo konde ik +egter klaar bekennen, dat in de groote Arterie en Vena [die seer na aan +het eynde van de staart lagen] het bloet root was.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig7.jpg" width = "110" height = "38" +alt = "Figure 7"> +</span> +Omme nu de hoegrootheid van het geseide Visje daar in ik de circulatie +van het bloet mede hebbe ontdekt, heb ik het selvige laten afteikenen, +soo groot als het ons in het bloote oog te vooren komt, als hier met +Fig. 7 is afgeteikent.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/leeuwen/fig8.jpg" width = "112" height = "36" +alt = "Figure 8"> +</span> +Fig. 8. Vertoont mede de hoegrootheid van zoo een Visje dat ik op nieuw +hadde wesen vangen, dog de meeste waren kleinder, en onder agt à thien +had ik’er maar een dat wat grooter was.</p> + +<p>Ik hebbe een Visje voor het vergroot glas gestelt, ende geordonneert +dat den Teikenaar alles soude teikenen dat hy quam te sien; het welke +hier met Fig. 9. A B C D E F G H I K L M N. is +aangewesen.</p> + +<p class = "illustration"> +<a href = "images/leeuwen/foldout.jpg"> +<img src = "images/leeuwen/fig9thumb.jpg" width = "565" height = "112" +alt = "Figure 9"></a> +</p> + +<p>B C. verbeelt het oog van de Vis, dat my soo groot en volmaakt +doorgaans voorquam, als of wy met ons bloote oog een schelvisoog +beschouden. Dog alsoo het Visje meer dan een gansche dag hadde doot +geweest, ende in die tyd het hooft, ende oog, meer als de andere deelen +van het lighaam was ingedroogt, heeft het den Teikenaar niet beter +konnen sien.</p> + +<p>Tusschen C D. waren op de rugge verscheide korte uytstekende +deelen.</p> + +<p>D E. is een vinne digte by de staart gelegen.</p> + +<p><ins class = "correction" title = "text: ’T G H’">F G H</ins> I K. is +de staart-vinne waar in men telt seventien beentjens, daar van der drie +met G H I. werden aangewesen. Dese beentjens die de styfte of +starkte aan de staart-vinne geven, waren +<span class = "pagenum">63</span> +<a name = "page63"> </a> +<!--png 081--> +met ledekens verzien, en ik sag ook dat die uyt lange deeltjens [dat na +alle aparentie holle pypjens sijn] waren te samen gestelt.</p> + +<p>Ik konde ook te gelyk sien, dat het vlies of vel, dat dese beentjes +overdekten, en het meerendeel van de staart-vinne uytmaakten, mede uyt +lange deelen was te samen gestelt, dog alle dese deelen en heeft den +Teikenaar niet konnen sien, om dat deselvige met het sterven van het +Visje, het gesigt ontweken waren.</p> + +<p>L M. is mede een vinne digte by de staart aan het onderste deel van +het lighaam.</p> + +<p>N A. is de mond die in ’t droogen seer wyd is open gebleven, daar het +Visje anders, wanneer het leeft, continueel de mond, ende dat seer ras +agter den anderen, maar een weinig op en toe doet.</p> + +<p>Ik hebbe hier vooren geseit, hoe dat ik aan yder sijde van het +beentje, dat voor een gedeelte de staartvinne uytmaakt, seer klaar de +Circulatie van het bloet konde bekennen; soo dat tusschen yder beentje +twee distincte ommegangen geschieden. Sulx dat dan in de vinne van de +staart geschiede vierendertig bysondere ommegangen, dat is, daar waren +in de vinne van de staart van soo een kleyn Visje, agtensestig +bloet-vaten, te weten vierendertig Arterien, en gelyk getal van venae, +ende dat behalven de bloet-vaten die nog in ’t kortste van de selve +vinne mogten leggen, als ontrent F. of K. daar op ik geen agtinge en +hebbe gegeven.</p> + +<p>Omme nu de circulatie die in de staart-vinne geschiede beter aan te +wysen, heb ik een gedeelte van een vin-beentje grooter laten afteikenen, +als hier met Fig. 10. O P Q R. werd aangewesen.</p> + +<p>Aan welk been seer digt aan yder sijde heen loopt een Arterie die +hier beyde werden aangewesen met S T. ende W X. in welke +bloed-vaten ik hebbe laten teykenen die deeltjens bloet die haar als +rond vertoonen.</p> + +<p>Dit bloet met een vaardige loop van S. na T. volbragt hebbende, +keerde met gelijke snelte van T. weder te rug na V. soo dat S T. +een Arterie is, ende T V. een Vena, en nogtans is het een +gecontinueert, ende doorgaande bloet-vat. Soo was het insgelijks gelegen +met de bloet-vaten aan de ander sijde van het beentje als +W X Y. Dog dese Arterie en Vena en lagen soo wyd niet van den +anderen, als hier naar advenant is afgebeeld, maar die lagen op veel +plaatsen soo digt nevens den anderen, dat Arterie en Vena malkanderen +raakten.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">64</span> +<a name = "page64"> </a> +<!--png 082--> +Op andere plaatsen en selfs in de vinne D E. ende L M. heb ik +het bloet soo in de Arterien als Venae, mede niet alleen sien loopen, +maar daar inne hebbe ik ook de ommeloop konnen bekennen, als in de +staarte-vinne is geseit.</p> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/leeuwen/fig10.jpg" width = "512" height = "176" +alt = "Figure 10"> +</p> + +<p>De geseide ommeloop van het bloet in het verhaalde kleine Visje, +hebbe ik aan twee voorname Geleerde Heeren bekent gemaakt, die haar seer +genegen toonde om deel te mogen hebben van dat gesigt, dat ik haar +toestont, en hebbe verscheide Visjens, sodanig voor het vergroot-glas +gebragt, dat sy seer distinct, in verscheide bysondere vaten te gelyk, +de ommeloop van het bloet, met groote verwondering en opmerkinge +aansagen.</p> + +<p>Sien wy nu in de staart-vinne van soo een klein Visje, als hier met +Fig. 7 of Fig. 8 werd aangewesen, vier-en-dertig bysondere +circulatien van bloet, wat een onbedenkelyke groote menigte van +circulatien moeten daar dan niet wel geschieden in ons lighaam. ’t Welk +zoo sijnde, zoo hebben wy ons nu niet meer te verwonderen, dat als wy +met een naalde of ander klein werktuyg ons komen te quetsen, dat daar +bloet uyt komt.</p> + +<p>Ja ik verseker my uyt de geseide observatien, dat in de plaats of +spatie van een nagel van onse hand groote op onse voorste vinger, of ik +mag wel seggen in onze geheele huyt, doorgaans meer dan duysent +besondere ommeloopen van het bloet geschieden.</p> + +<p>Na myne voorgaande observatien heb ik myn gedagten laten gaan op onse +gemene Rivier-vis, namentlyk op de Voorn en Braassem, omme, was het +mogelyk, in de selvige mede de circulatie van het bloet te sien. Ik +hebbe dan jonge Voorn en Braassem genomen, die ik oordeelde dat twee +jaar out was, dese heb ik met haar hoofden om laag in ’t water gestelt, +ende der selver staarten buyten het water laten komen, opdat de Visschen +haar hoofden of kaken soude konnen bewegen, ende dat dus de circulatie +van het bloet geen hinder aangedaan mogte werden, maar sijn volkome loop +voor eenigen tijd continueren.</p> + +<p>Alsoo het nu onmogelijk is dat wy de circulatie van het bloet in +eenige andere deelen van dese Visschen souden konnen sien, als in de +vinnen van deselvige, om dat haar lighamen met schobbens bezet sijn, soo +heb ik alleen de staart-vinne doorsogt, om dat die de bequaamste was, en +hebbe in de selvige seer klaar gesien, een groote menigte van +bloet-vaten, die mede soo dun waren, dat +<span class = "pagenum">65</span> +<a name = "page65"> </a> +<!--png 083--> +maar een enkel deeltje bloet daar te gelyk konde door passeren, ende +daar benevens sag ik de vaaten, waar in het bloet na de uyterste deelen +van de staart-vinne wierd gestooten, ende andere, waar door het bloet +weder te rug quam, sonder dat ik nogtans konde vernemen of bekennen, de +uyterste deelen van de Arterien en Venae, want als ik na het uyterste +eynde van de staart-vinne, die met het gesigt wilde vervolgen, soo +verloor ik, en Arterien en Venae uit het gesigt.</p> + +<p>My is meer als eenmaal te vooren gekomen, dat het my toe scheen dat +een Arterie, die niet wyder was als dat een enkel deeltje bloet te gelyk +daar door konde passeren, quam te verstoppen; ’t welk aldus toeging, te +weten, dat bloet, na dat het eenige malen door de Arterie als met gewelt +voortgedreven was, schielyk een weinig te rug quam, en in sijn eerste en +ordinare cours als gestuit wierd. Waar op het dan gebeurde, dat dat +bloet een andere cours (niet verre van het eerst gewesene vat) nam, en +volvoerde aldaar onverhinderlyk sijn loop, alleen met dit onderscheid +dat het soo vaardig niet en liep. Dit siende, stelde ik vast, dat den +veranderden cours, die het bloet hier quam te nemen, niet geschiede door +een bloet-vat dat een rok of menbrane hadde, maar dat het bloet alleen +met gewelt, een Canaaltje hadde gemaakt.</p> + +<p>Ik hebbe voor desen geseit dat alle de deeltjens bloet die het +selvige root maken, soo van Vissen als van Vogelen uyt platte ovale +deeltjens bestaan, die my in de voorgaande geseide observatien, rond +voor quamen, waar van alleen de oorsaak is, dat ik in die ontdekkingen, +soodanige vergrootende glasen niet en hebbe konnen gebruyken, als tot +het distinct sien van de bloet-deelen wel vereist wierde.</p> + +<p>Dog in de laatst geseide nieuwe bloet-loop, konde ik sien, dat de +deeltjens bloet, die het selvige root maken, plat waren. Ja ik sag niet +alleen dat die plat waren, maar ik sag daar benevens ook, dat die langer +als breet waren.</p> + +<p>Dat my nu die deeltjens in soo verscheide veranderingen van Figuren +voor quamen, dat was om dat die deelen in haar loop dikmaals als +omwentelden: want het geene de eene oogenblik op sijde voor het gesigt +lag, lag weder na een weinig voortgang daar voor voor met een platte +sijde: wederom een ander deeltje bloet wierd in een hair-breet +voortgaan, in sijn lengte omgeworpen. In +<span class = "pagenum">66</span> +<a name = "page66"> </a> +<!--png 084--> +somma, ik sag hier soo veel omkeringen van de platte deeltjens bloet, +als ik my soude konnen magineren. Dit net gesigt quam my eensdeels te +vooren, om dat die spatie waar in de loop van het bloet geschiede, soo +doorschynende voor myn gesigt quam, als of de deeltjens bloet in een +glase pypje hadde voortgeloopen. Ende ten anderen konde ik van de +deeltjens bloet soo veel te beter oordelen, om dat my bekent was, dat de +deeltjens van het bloet, die het in de Vissen root maken, platte ovale +deeltjens waren.</p> + +<p>Hebben wy nu geluk gehad (daar wy na verlangt hebben, en waar na wy +veel jaren soo nu als dan seer naarstig, dog te vergeefs, gesogt hebben) +dat wy nu soo naakt de ommeloop van het bloet, ende den doorgang van het +selvige uyt de Arterie in de Vena in de voorverhaalde Kikvors en +Visschen, hebben voor de oogen gestelt, soo sullen wy egter daar op niet +rusten, maar ons devoir doen om het selvige ook in andere Dieren na te +speuren, ende, is ’t doenlyk, insgelyks ie ontdekken.</p> + +<p>Eer ik afscheide vinde ik my genootsaakt hier by te voegen, dat ik, +weinig tyd geleden, verhalende aan seker Hoog Leeraar in de Medicine, +myne ontdekkinge ontrent de circulatie van het bloet, dese Heer tot my +seide, als men van myne observatien quam te spreken, en se tot +bevestinge van eenige saaken te allegeren, dat ’er veelmaal wierd +geantwoord; moeten wy het geloven om dat het Leeuwenhoek seit; wat +sekerheid hebben wy daar van? Waarom dan dien Heer my aanmaande, en +seide, dat ik wel soude doen, dat ik een attestatie van eenige voorname +Personen, die ooggetuigen mogten sijn geweest, van dese myne +ontdekkingen behoorde te produceren, op dat ik desen aangaande minder +tegenspreekens mogte lyden.</p> + +<p>Het is wel waar, dat ik uyt besondere speculatie tot nog toe in myne +brieven niemant met name en hebbe genoemt, van die geene die met my +eenige van de remarcabelste dingen met haar oogen hebben gesien, door ’t +behulp van myne microscopien, maar alleen in ’t generaal gesegt, dat ik +sommige Heeren van kennis en oordeel, Liefhebbers van de natuurkunde, +deselve hadde voorgehouden.</p> + +<p>Maar dewyle dat ik nu verneme dat meer geloof aan myn seggen sal +gegeven werden, wanneer ik de name kome te specificeren van die geene +die de voorverhaalde circulatie ofte ommeloop van het bloed ten deele +hebben gesien, van het geene ik nu +<span class = "pagenum">67</span> +<a name = "page67"> </a> +<!--png 085--> +aan hare Hoog Edelen hebbe overgeschreven ende ontdekt, so sal ik geen +swarigheid maken, in plaats van veele, soodanige hier te noemen, die ik +vertrouwe dat wel het meeste geloof sullen meriteren. Als daar sijn +<i>d’Heer Cornelius ’s-Gravesande, Med: Doct: en ordinaris Voorleser in +de Anatomie en Chirurgie</i>, als mede <i>Raad ende oud Schepen deser +Stad; d’Heer Mr. Cornelius Valensis, mede Raad ende oud Schepen, als +boven; d’Heer Mr. Antoni Heinsius, Raad en Pensionaris deser Stad, voor +desen Extraordinaris Envoyé aan zijn Koninklijke Majesteit van +Vrankrijk, en onlangs Commissaris van desen Staat aan het Hoff van zijn +Koningl: Majesteit van Engeland</i>. Dese Heeren die ik gewoon ben veele +van myne ontdekkingen te communiceren, heb ik nevens andere de +waaragtige circulatie van het bloet laten sien, soo klaar als of wy de +beweginge van het water in een lopende Rivier met onse blote oogen +aanschoude.</p> + +<p>Hier hebt gy Hoog-Edele Heeren myne observatien ontrent de circulatie +van het bloet, soo als ik die van tyd tot tyd op het papier hebbe +gestelt; en na het voltrekken deses, heb ik nog verscheide observatien +ontrent de circulatie van het bloet gedaan, en tot myn groot genoegen, +de ommeloop van het selvige in vier besondere levende schepsels my voor +de oogen gestelt, en alsoo dit groote lichamen sijn, in vergelykinge van +de voorgaande, soo heb ik egter middelen bedagt, waar door ik hier na de +circulatie van het bloet in een van dese groote schepsels, aan andere +seer klaar sal konnen toonen, waar van in toekomende breder, en ik sal +onder des blyven,</p> + +<p align = "center"> +<i>Hoog-Edele Heeren, enz.</i></p> + +<p align = "right"> +ANTONI VAN LEEUWENHOEK.</p> + +<hr class = "mid"> + +<p class = "mynote" align = "center"> +<a name = "leeuwen_note" href = "#leeuwen_tag"> * </a> +[Tekst onder het portret]<br> +door Konstantyn Huygens:</p> + +<p> +<i>Daer leeft een aerdigh Man, een wardigh Man en gauw<br> +Die wisse wondren teelt en heeft Natur in ’t nauw<br> +Doorkruypt all haer geheim en opent all haer Sloten<br> +<br> +Syn Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten<br> +Noch kan ontschieten dit’s die dappre man niet maer<br> +Siet scherp toe die hem soeckt ’t gelyckt hem of hy ’t waer.</i><br> +<br> +<i>J. Verkolje pinx. fec. et exc. A. 1686</i> +</p> + +<hr class = "tiny"> + +<p class = "mynote"> +The Figures were originally shown as a four-page foldout:<br> +De Illustraties waren oorspronkelijk te zien op een 4 pagina’s groot +uitvouwblad: +</p> + +<p class = "illustration"> +<a href = "images/leeuwen/foldout.jpg"> +<img src = "images/leeuwen/foldout_thumb.jpg" width = "449" height = +"194" +alt = "foldout thumbnail"></a> +</p> + + +<hr class = "chapter"> + +<a name = "page68"> </a> +<!--png 086--> + +<span class = "pagenum">69</span> +<a name = "page69"> </a> +<!--png 087--> +<h2 class = "boldf">Proefnemingen</h2> + +<h6>VAN</h6> + +<h4 class = "boldf">de particuliere beweeging der Spieren<br> +in de Kikvorsch,</h4> + +<h6 class = "boldf">die in het gemeen op alle de bewegingen der +spieren<br> +in de menschen en beesten toegepast worden.</h6> + +<br> + +<h6>— UIT: —</h6> + +<br> + +<h4>„DE BIJBEL DER NATUURE”,</h4> + +<h6>DOOR</h6> + +<h4 class = "boldf">JAN SWAMMERDAM.</h4> + + +<span class = "pagenum">70</span> +<a name = "page70"> </a> +<!--png 088--> + +<hr class = "section mid"> + +<span class = "pagenum">71</span> +<a name = "page71"> </a> +<!--png 089--> + +<p class = "section hanging"> +<i>Proefnemingen van de particuliere beweeging der spieren in de +kikvorsch, die in het gemeen op alle de bewegingen der spieren in de +menschen en beesten toegepast worden.</i></p> + + +<p><span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/h_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "H: Hoe" title = "H: Hoe"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">H</span>oe +gewigtig en ook moejelyk het is, om de waare beweegingen der Spieren +te verklaaren, dat blykt ons uyt de menigvuldigheid der experimenten, +dewelke de gaauste verstanden daar van tyt tot tyt omtrent gedaan +hebben; sonder dat men tot nog toe de waare oorsaak daar van heeft +kunnen ontdekken; waar daar ook de seer groote nuttigheid ende +gewigtigheid der kennis, die uyt deese wetenschap sou volgen, tot nog +toe in de donkere windelen der onwetendheid geinvolveert is. En dit is +de reeden, dewelke my beweegt, om eenige experimenten, die ik al over +lang omtrent deese saak gedaan heb, in het ligt te geeven, en alsoo ik +die van een seer groote consequentie en gewigt oordeel, soo sou ookmyn +versoek zijn, om die ernstig te willen naadenken, en op den toetsteen +der waarheid te stellen.</p> + +<p>Omtrent de structuur en de beweeging der Spieren is het seer +opmerkelyk om te weeten, hoe dog eygentlyk de Senuw daar meede vereenigt +is, wat structuur hij daar binnen in heeft, en hoe syn loop, ingank, +midden, distributie en eynde is, met dan wat voor communicatie dat hy +ook met de beweegende Vesels heeft, en wat werking hy in deselve +veroorsaakt: gelyk dan ook, wat eygentlyk die subtiele materie is, die +buyten alle dispuut door de Senuw tot de Spier gevoert wort. Maar dit +alles is nog op ver na niet genoeg tot deese kennis, alsoo men ook de +structuur der Vliesen, soo om als binnen in de Spier, met dan haare +subtile Veselkens, die van de eene beweegende Vesel tot de andere, en +ook tussen beyde, als een fyn geweefsel loopen, diende te kennen: gelyk +ook het maaksel van de Ader en Slagader, en haare waaragtige +gesteltenissen, binnen in de Spier: en wat daar vorder nog tot de kennis +van de structuur der beweegende Vesels behoort. Dat alles nog donker en +onbekent is; en mogelyk niet sal bekent worden, ten sy men al syn tyt +alleen op deese saak kwam aan te leggen, en syn alderuyterste +neerstigheid daar toe gebruykte: want sekerlyk den yver en neerstigheid +ontdekken alles. Maar wat my belangt, van alles wat ik in de Anatomie +tot nog toe heb voorgestelt, +<span class = "pagenum">72</span> +<a name = "page72"> </a> +<!--png 090--> +daar kan ik niet van seggen, dat ik nog oit een saak tot die perfectie +uytgevoert heb, daar ik sekerlyk van weet, dat men se sou toe kunnen +brengen: maar dan most ik al myn leeven in een eenige ontdekking +verslyten. Dat ik onnodig oordeel, om dat ik ook sekerlyk weet, dat als +ik al ten eynde gekomen was, ik niet als myn onwetentheid sou vinden. En +daarom heb ik liever verscheyde saken willen verhandelen, dan een +eenige, op dat de Werken GODS niet verhoolen souden blyven, om een +weynig meer of minder kennis, die men van deselve sou mogen hebben: +alsoo onse waaragtige weetenschap alleen bestaat, in dat we GOD wel +weeten te beminnen.</p> + +<p>Ik bevinde dan omtrent alle de voorige opgestelde saken nog seer +veele en onoplosselyke verborgentheeden: en niet tegenstaande dat de +uytmuntende Anatomicus de H. <span class = "smallcaps">Stenonis</span>, +daar seer veele naukeurigheeden omtrent ontdekt heeft, soo is hy in het +midden van syn loop blyven steeken. En veel minder kan men sig voldoen +omtrent de beweeging en werking, dewelke die subtiele geest in de Spier +veroorsaakt, die geduurig door de Senuw daar invloeyt: als synde dit een +saak, die onder oneyndige duysterheeden verborgen is. Egter alsoo ik +omtrent deese beweging der Spieren al vry eenige experimenten nu en dan +gedaan hebbe, soo sal ik de principaalste tegenswoordig voorstellen, en +die het oordeel der verstandige onderwerpen.</p> + +<p>Het is een saak van een eeuwige waarheid, en seer groote +consideratie, dat ten welken tyde men de Senuwen der levende lichaamen +aanroert, dat men terstont in de Spieren, waar naa toe sy loopen, een +merkelijke beweeging siet veroorsaakt, dewelke van de natuurelyke +contractie der selve niet verscheelt. Waarom soo men de Senuwen, by +exempel, van het Middelrif in een levendig geopende Hont, sagtelyk met +de punt van een seer fyne naalt komt te prikkelen, te steeken, of met +een weynig vuur, en ingedronge of scherpe wateren, komt te irriteeren, +soo sal men datelyk het Middelrif syn natuurelyke functie sien +volvoeren, sig contraheeren, van verwulfd vlak worden, en sig uyt de +Borst te beweegen, en de Ingewanden van de Buyk uytwaarts te stooten: en +men sal het de Borst naa die proportie sien dilateeren, naa dewelke dat +het in syn contractie regter wort, en sig verder uyt de Borst +extendeert.</p> + +<p>Dit is een seer aardig en ook vermakelyk experiment, soo om +<span class = "pagenum">73</span> +<a name = "page73"> </a> +<!--png 091--> +de wonderlyke beweeging, die men in die gecomponeerde Spier dan siet, +als meede om dat het selve experiment in het selve subject veelmaals kan +herhaalt worden, soo men maar de Middelrifts-Zenuwen, daar se in haar +begintsel langs het Hartesakje heen loopen, komt te irriteeren, en soo +allenkskens tot de tweede, derde, ende vierde irritatie, naa onderen +komt voort te gaan, tot daar sy ingeplant worden.</p> + +<p>Nu, niet alleen omtrent dat deel, maar ook omtrent alle de vordere +spieragtige deelen van het lichaam des Diers, kan men dit experiment +seer ligt omtrent de Zenuw in het werk stellen. Waarom ons ook dikmaals +gebeurt, in de levende Sectien der Dieren, als wy de Zenuwen met een mes +doorsnyden of raaken, dat we seer notable beweegingen in de onderhorige +Spieren gewaar worden. Gelyk de H. <span class = +"smallcaps">Stenonis</span> ook diergelyks yets Myolog. spec. pag. 78 en +79. edit. Janss. aangetekent heeft. Wanneer ik hem te vooren een seer +out en bekent experiment van my in de Kikvorschen getoont hadt. En dit +siet men niet alleen in de viervoetige Dieren te geschieden, maar ook in +de Vogelen en Visschen; en bysonderlyk in de Rog, die seer sterke +beweegingen in syne Spieren herneemt, als men syne Senuwen +irriteert.</p> + +<p>Op de fondamenten van deese beweegingen, die in de Spieren +veroorsaakt worden, als men haare Senuwen alleen raakt of irriteert: soo +heb ik dikmaals voorgenoomen, om ook op die wyse de Senuwen der +Ingewanden aan te raaken, alwaar ik hier en daar seer merkelyke +vleesagtige Vesels vernoomen heb: gelyk als ik ook wilde doen omtrent de +Senuen, die naa de Nieren gaan, naa de Leever, de Milt, de Longen, de +Teelleeden, en andere partyen, waar omtrent, maar voornamelyk de Nieren, +ik haast niet en twyfel, of men sal daar merkelyke contractien +veroorsaakt sien te worden; en alsoo door dit experiment veel nader tot +het ware gebruyk deeser deelen indringen: dan de tyt daar toe heeft my +tot nog toe ontbrooken. Waarom het my voor tegenswoordig genoeg is, dit +met een enkel woort te hebben aangeweesen, om ook andere occasie te +geeven, dit verder naa te soeken, alsoo de Natuur door een gemeenen +arbeyt moet ondersogt worden; en ook, om dat een persoon alleen niet als +seer weynig kan uytvoeren, omtrent saken die oneyndig syn.</p> + +<p>Maar hier dient men nu aan te merken, dat in de Dieren, die +<span class = "pagenum">74</span> +<a name = "page74"> </a> +<!--png 092--> +het heetste bloet hebben, dese bewegingen der Spieren soo opmerkelyk +niet en syn, of liever soo lang niet en continueeren, als wel in die +Dieren, die met kouder bloet begaaft syn, als daar syn de Visschen, en +veele andere water Dieren, het sy met veel, met weynig, of sonder +Voeten, of ook in die te gelyk op het lant en in het water leeven. En +waar omtrent ik in de Kikvorsch deese myne experimenten voornamentlyk +genoomen heb. Want in deese Dierkens sijn de Senuwen seer sigtbaar, en +sy kunnen ligt ontdekt ende ontbloot worden. En het Ruggemerg, als ook +de Hersenen die hebben dit in de Vorsschen particulier, dat er als een +vloeybaar sout, in rokken beslooten synde, en met Bloedvaten doorweeven +wordende, overal en omtrent aanlegt; soo dat het ook in de bolligheyd +der Wervelbeenderen bevonden wort, als ook in het Bekkeneel selve. De +couleur daar van is als een blinkende perel; en het leyt in gedaante van +knoopkens langs de rey der Wervelbeenderen en de Rug, daar het seer ligt +geobserveert wort. Dit naturel sout bruyst seer sterk, wanneer het met +een zuure vogt vermengt wort. De substantie daar van komt seer over een +met dat greynagtig en stenig poeyer, dat in de hoofden van de Zee-Honden +Carcharias genoemt gevonden wort, en voor de Herssenen van die Visschen +door een onverstant in de Winkels verkogt wort. Want het is niet als een +steen of kalkagtige materie, die, even als de steen der Baarsen in de +Baars, ook soo in het Hooft van de Hond Carcharias geplaatst wort. +Diergelyk een poeyer heb ik in het Hooft van de Rog ondekt, dat meede +seer sterk met zuur opbruyst, en waarom ik oordeel, dat daar meede een +Alkalisch gelyk sout in is: gelyk ook in de steenkens, die men +Kreeftogen noemt. En hoewel deese substantie in de Vorschen vloeybaar +als een water is, soo droogt sy dadelyk op, door de warmte van de hant +of vingers, dan nooit soo hart, of men kan se seer ligt tusschen de +tippen der Vingeren, tot een fyn poeyer vryven; gelyk dat ook omtrent +die kalkagtige en vloeybaare materie in de Rog plaats heeft. Of nu dit +sout eenig gebruyk in de Medicynen heeft, of hebben kan, dat sou de +ervarentheyd moeten leeren, tot nog toe is het my onbekent. Maar ik keer +weer tot de Spieren.</p> + +<p>Het is dan een seer aardig en nut experiment, als men een der +grootste Spieren van een Vorsch uit de Dye separeert, en die met syn +aanhangende Zenuw prepareert, dat deselve ongekwetst +<span class = "pagenum">75</span> +<a name = "page75"> </a> +<!--png 093--> +is. Dit gedaan hebbende, soo vat men de Spier aan weersyden by syne +Peesen <i>a a</i>, en als men dan de neerhangende Senuw met een +schaarken of iets anders irriteert <i>b</i>, soo doet men de Spieren syn +voorige en verloore beweeging weer herhaalen. Waarom ook dadelyk de +Spier sig contraheerende, de twee handen, die syne Peesen vatten, als te +samen by een komt te trekken, gelyk ik al in het jaar 1658 dat aan syn +Doorlugtigheid, den tegenwoordig regerenden Hertog van Toscanen, kwam te +vertoonen, wanneer hy my seer onverdient geliefde te besoeken. En dit +experiment kan men soo menigmaal met deselve Spier herhaalen, als de +Senuw nog maar ergens ongekwetst is. Waar door men hem syn contractie +soo meenigmaal kan doen herhaalen, als het ons geleegen komt.</p> + +<p>Maar soo men nu wil sien, en dat heel distinct, tot welken graad de +Spier in syn contractie sig komt te verdikken, en hoe ver dat syne +Peesen te samen getrokken worden; soo moet men hem door een glase pypken +losselyk heen steeken <i>a</i>, en in de plaats dat men de twee Peesen +met de Vingeren vast hielt, soo dient men daar twee fyne naalden door te +steeken <i>b b</i>, die men, niet te vast en niet te los, in een +stuksken kurk met haare punten moet vast maaken. Als men dan de Senuw +irriteert <i>c</i>, soo siet men, dat de Spier, door syn verwekte +contractie, de hoofden der naalden sal uyt haar plaats naa malkanderen +toe beweegen <i>d d</i>, en binnen in de glase pyp sal men het +lichaam van de Spier selfs sig merkelyk sien verdikken <i>e</i>, en het +gansche pypken te vervullen, stotende de lugt uyt syn plaats. Tot dat hy +in syn contractie ophoudende, de naalden weer in haar plaats springen, +en dat het lichaam van de Spier weer van het pypken afwykt, soo dat hy +tussen hem en het pypken een ope passagie voor de lugt laat. Maar soo +men nu de Spier aan syn selfs laat, of dat men hem in kout water met al +de verhaalde toestel set, soo sal men hem, haast op deselve wys, ook +allengskens sien contraheeren, en ten laatsten hem soo merkelyk in een +sien krimpen, dat hy de gansche middelste holte van het pypken sal +vervullen.</p> + +<p>Als men nu deese voorige experimenten wel considereert, en alsoo +ernstig let op de force der contractie, of de beweeging van de Spier, +dewelke hy yder ogenblik herneemt, als syne Senuw op nieuw geirriteert +word; soo sou men kunnen vraagen: of daar tusschen de Senuw en de Spier +wel een andere communicatie +<span class = "pagenum">76</span> +<a name = "page76"> </a> +<!--png 094--> +nodig was, als alleen deese simpele roering, irritatie, of beweeging? En +alsoo ook in de Dieren, die heter Bloet hebben, deese selve beweeging in +de onderhoorige Spieren veroorsaakt wort, als men haare Senuwen raakt: +soo sou men deselve vraag kunnen doen: namelyk, of daar door ook wel +tusschen de Hersenen, en het Merg, en tusschen die der Senuwen en de +Spieren een andere communicatie, als deese irritatie nodig was? want in +wat voor Dieren dat het syn, daar ik dat in getenteert heb, daar +contraheeren haar de Spieren altyt, als men het beginsel des Mergs, of +ook de uytgaande Senuwen maar roert.</p> + +<p>Soo dat ik wil seggen, of men niet wel geheel sou kunnen verwerpen, +dat daar uyt de Hersenen een spiritueele substantie, tot de beweeging +der Spieren nootsakelyk, sou plaatselyk moeten afschieten, en dat soo +veerdig, geswint, en radt, dat deese nieuwe geesten de voorige +voortdryvende, in een ogenblik, in de alderuytersten van het lichaam, op +het minste gebieden der wil, of andersins ook wel natuurlyk moesten, en +soude konnen present syn.</p> + +<p>Ik en twyfel hier niet, of die geenen, dewelke de contractien der +Spieren stellen, door opblaasing, opbruyssing, en een uytgedagte +uytsettende beweeging te geschieden, sullen my hier in geheel tegens +vallen, en my voorwerpen, dat men ook in de contractie van de Spieren +deese opblaasing, of verdikking der bewegende Vesels, ogenschynelyk sien +kan. En ook, dat alle de spieragtige deelen al reede vol geesten syn, +soo dat daar maar een weynig dierlyke geesten nodig syn, om deese of die +Spieren op te blaasen, en door contractie te doen opspannen; gelyk het +oog ons leert.</p> + +<p>Maar alsoo deese gevoelens geheel te gront vallen, als men aanmerkt, +hoe veel maal door een simple aanporring, opwekking, of irritatie der +Senuw alleen, de Spier haar beweeging in myn voorgestelt experiment +verkrygt, en dat selfs, daar de Senuw al lang is afgesneeden geweest, en +de geposeerde dierlyke geesten vervlogen of verswakt syn, en haar +werking alreede gedaan hebben; houdende ook de communicatie met de +Hersenen en het Merg op: soo sou ik wel eens wenschen, dat men ernstig +considereerde, dat het door geene experimenten kan beweesen worden, dat +daar ooit eenige materie, in een bevattelyke substantie, door de Zenuwen +tot de Spieren afvloeyt. Want daar gaat niet als een seer geswinde +beweeging door, die soo seer snel is, dat sy kwalyk de naam +<span class = "pagenum">77</span> +<a name = "page77"> </a> +<!--png 095--> +verdient van een momentelyke beweeging genaemt te worden. En daarom soo +is die geest, die beweegde of die subtile materie, die in een ogenblik +door de Senuen tot de Spieren voortgaat, met alle reden te vergelyken, +met die snelle voortgedreeve beweeging, dewelke door een lange mast of +balk gaat, daar men aan de eene syde met de vinger opknipt, en die men, +bykans op het selve ogenblik, aan de andere syde gewaar wort, als men +daar syn oor tegen aan leyt: soo dat se ook in onse Spieren selfs +verscheyde beweegingen door de Senuwen veroorsaakt: gelijk diegeene +betoonen kunnen, die dit rare, hoewel gemeene experiment, wel +considereeren.</p> + +<p>Doet hier nu by, dat van meer gewigt is, dat de Spieren selfs, als se +gecontraheert worden, in het alderminste niet opgeblaasen, of dikker +worden, maar dat zij veel eer ontswellen; hoewel nogtans dat haare +bewegende Vesels een andere situatie aanneemen, of om eygentlyker te +spreeken, digter in malkanderen in een gaan. Gelyk diergelyk iets in een +lange en platte te samengedrukte spons te sien is, dewelke door die +samenparssing dikker en vaster wort, hoewel hy selfs een veel minder +plaats beslaat. Soo dat ik uit veele reedenen, die ik vervolgens sal +voorstellen, niet onbillyk kan besluyten, dat het korter worden en in +malkanderen krimpen, der bewegende vesels van een spier, waar door de +selve een kleender plaats beslaat; eygentlyk syn waare actie of +contractie is, die seer verkeert opblaasing, opswelling, enz. genoemt +wort.</p> + +<p>En hoe sou het ook mogelyk kunnen syn, dat een Spier sou opblaasen? +daar hy bestaat uyt sulke subtiele draatkens die haast het oog +ontvlieden, en die nog uit klootkens samengesteld worden? En wat materie +sou het dog kunnen weesen, om dese opblaasing te maaken, die meede door +sulke subtiele draden, daar de Senuen uyt gemaakt worden, sou moeten +passeren; soo dat dese draden haast van gelijken onsigtbaar zyn, wanneer +men haar naukeurig, sonder te kwetsen, examineert? Het geen ook klaar +blykt, als men den oorspronk der Senuen uyt het Merg considereert, +dewelke daar ter plaatse soo subtiel syn, en soo naauw van het dikke +Hersenvlies omvangen, dat daar door die opening haast geen fyn glase +hayrpypken kan passeren. Wat voor een subtiele geest sou daar dan door +dezelve opening moeten heen dringen, die nog in zijn geheel van het +uytgaande Senuwdraatken, dat daar in omvangen is, geslooten wort? En +nogtans stellen dese Autheuren niet alleen, +<span class = "pagenum">78</span> +<a name = "page78"> </a> +<!--png 096--> +maar sy willen selver, dat daar een voedende materie door dese Senuen +sou passeren; die sommige soo dik maaken als het wit van een Ey; dat by +my soo grof is, dat het niet meriteert beantwoort te woorden. En alsoo +weynig ook de uytgedagte opbruissing, tusschen de geesten en het Bloet, +dat de Spier sou opblaasen: hoewel de maniere van de opblaasing t’ +eenemaal stryt met de bekende structuur der spier.</p> + +<p>Het stryt ook ganschelyk tegens de opblaasing, en de invloejing der +geposeerde geesten, dat men klaar siet, wanneer een Spier door gesneeden +wort, en syne bewegende vesels van een verdeelt, dat egter alle die +delen haar datelyk weer als natuurlyk beweegen, soo wanneer maar de +Senuw aangeroert wort: het welk experiment men onder anderen ook in de +Kikvorsch neemen kan, en in verscheyde andere Dieren, die in het water +leeven, en bysonderlyk in de Eendvogel.</p> + +<p>Uyt alle welke experimenten my dan schynt niet onbillyk te volgen, +dat daar niet als een simpele en natuurlyke roering of irritatie der +Senuen, tot de beweeging der Spieren nootsakelyk is: het sy dan dat die +in de Hersenen, in het Merg, of ergens anders syn oorspronk neemt.</p> + +<p>Waarom men ook in veele Dieren siet, dat, soo draa het beginsel van +het Ruggemerg in het Bekkeneel geroert wort, dat haar dadelyk alle de +onderleggende Spieren beweegen. Dat meede geschiet omtrent alle de +takken der Senuen, die men, uit het Merg gaande, maar aanroert: hoewel +dat ’er op die tyt dan maar eenige en particuliere Spieren beweegt +worden, of die, daar de geïrriteerde Senuw in gedistribueert wort. En +daar wel op te letten is, men bemerkt noit op die tyt, dat ’er door het +bovenste deel der Senuw een opklimmende beweeging door deselve +veroorsaakt wort in de Spieren, die uyt deselve Senuw wat hoger haare +takken ontfangen. Maar men ondervint klaar, dat de kragt, die de +irritatie, door de Senuw, in de Spier maakt, altyt uyt de grootste +takken in de kleenen, en soo geduurig neerwaarts gaat. Dat contrarie in +de gevoelige beweegingen is, daar het gevoelen, door de Senuen, sonder +twyffel opwaarts klimt. Soo dat dan, om een Spier te beweegen, de Senuw +altyt moet geroert worden op die plaats, de welke boven de Spier of syn +inplanting is; want de beweeging klimt niet opwaarts, maar altyt +neerwaarts.</p> + +<p><span class = "pagenum">79</span> +<a name = "page79"> </a> +<!--png 097--> +Men sou hier nu kunnen vragen, waar ik het begin van dese natuurlyke +irritatie, porring, of aanprikkeling tot beweeging, door de Senuw in de +Spieren, sou komen te plaatsen: want gelochent synde, dat daar geen +sienelyke, vloeybare, nog opblasende Geesten, plaatselyk door de Senuen +beweegt worden; maar dat daar ter contrarie, alleen een sekere +ogenblikkelyke opwekking, om de Spieren te beweegen, nodig is, en die by +my veel subtielder als de geposeerde Geesten is: soo volgt, dat deselve +niet alleen een beginsel moet hebben, maar dat ’er die beweging +overvoerende kragt door de Senuen tot de Spieren seer nootwendig is. Het +geen ik ook niet lochen, om dat de ervarentheid dat sigtbaar ende +kragtig leert.</p> + +<p>Soo dat my dunkt hier op gevoegelyk geantwoort te kunnen worden, dat +de oorspronk deser beweeging voornamelyk in het begintsel van het +Ruggemerg is, en dan vorder in alle de Senuen van het Lichaam te gelyk; +en dat soodanigh, dat het Merg en alle de Senuen te samen geduurig en +perpetueel geirriteert worden, om een bewegende kragt aan alle de +Spieren van het gantsche lichaam toe te senden. Want daar wel op te +letten is, ik maake gantsch geen onderscheyt tusschen de natuurlyke, of +van selfs geschiedende samentrekking der Spieren, en tusschen die, +dewelke vrywillig geschiet; alwaar ik niet als dit toevallig onderscheyt +aanmerk, dat alle de Spieren, die wy vrywillig beweegen, dat wy die niet +als door een contrarie determinatie beweegen. Waarom dan, het geen +wesentlyk in alle de Spieren, haar contractie is, altyt de natuurlyke +contractie is. En daarom cesseert in ons, en in alle Dieren de +vrywillige beweeging, of sy wort over en weer, als de tegen overstaande +Spieren ontbreeken, of dat die malkanderen in kragt overwinnen; als ik +in myn Boek van de Ademhaling alreede heb aangeweesen. En wy souden in +der eeuwigheid ons niet vrywillig kunnen beweegen, als wy de kragt niet +hadden, om de natuurlyke beweeging der tegen overstaande Spieren tot de +tegenoverstaande syde te determineeren. Maar de tegenoverstaande Spieren +ontbreekende, soo syn alle de bewegingen onser Spieren geduurig en +natuurlyk. Als omtrent veele Spieragtige deelen van ons lichaam te sien +is, daar wy gansch geen magt over hebben, om die te beweegen: ten sy het +geen daar in bevat word ons aldaar dient, in de plaats van +tegenoverstaande Spieren, en dat +<span class = "pagenum">80</span> +<a name = "page80"> </a> +<!--png 098--> +de selve onse Spieren eerstelyk gedilateert hebbende, wy dan door een +contrarie determinatie de kragt verkrygen, om deselve naa onse wil te +beweegen. Maar andersins soo rust alles in een geduurige contractie, die +nimmermeer ophoud.</p> + +<p>Maar om nu, soo veel my mogelyk is, de oorspronk van dese natuurelyke +en geduurige contractie der Spieren aan te wysen: soo is myn gevoelen, +dat het selve geschiet, door het geduurig indringen van het slagaderlyke +Bloet in het Merg en de Senuen, het welk haar dan geduurig beweegt, +opwekt, en als aanport, om die kragt gestadig, en terstont tot de +Spieren over te voeren, en haar tot ’er onophoudelyke contractie bequaam +te maaken. Waar toe dan alle Senuen, geene uytgesondert, soo veele +Slagaders naa haar proportie hebben, als de Hersenen of het Ruggemerg +selve. En ik oordeel nog, dat men dit selve seer ligt door een +experiment sou kunnen ondervinden; dat ik te <i>weeg</i> wilde brengen, +om door de een of andere Slagader, het Merg een vogtigheid in te +spuyten, en dan neerstig waar te nemen, of daar geen beweeging in de +Spieren veroorsaakt wiert. Waarom ik ernstig versoek dog te willen +letten op die wonderbarelyke beweeging en kragt, die een Spier verkrygt, +als syn Senuw maar het minste geport wort, het sy dan door wat middel +dat hy geraakt, beweegt, of geirriteert wort.</p> + +<p>Maar het is nu tyt om verder te gaan, en om door een naukeurig +experiment te bewysen, selfs aan het gesigt, dat een Spier in syn +contractie niet opswelt, of sig opblaasende, daar door dikker wort, en +bygevolg geen grooter plaats beslaat: maar ter contrarie, dat hy veel +eer, en dat sigtbaarlyk ontswelt, en alsoo in syn actie of contractie +synde, minder plaats beslaat, als wanneer hij geextendeert synde komt +als te rusten. Ik seg als te rusten; want dat een Spier oit in het +geheel van syn beweeging sou ophouden, dat kan ik niet bevinden, dat hy +immermeer in het leven doet; maar hy beweegt sig dan alleen soo sterk +niet. Of wel hy hersamelt syn tegenstrevende kragt, om sig een ogenblik +daar naa soo veel te sterker daar door te contraheeren. Als in de +beweeging van het Hert en syn Oorken, in de Kikvorsch klaar te sien is. +Daar men het Bloet, dat van de omtrek des lichaams in den omloop des +Bloeds weerkomt, (en in het Oorken siet bewoogen te worden) even als de +tegenoverstaande Spier van het Oorken moet aanmerken, die haar +dilateert; en het Oorken selve is de tegenoverstaande +<span class = "pagenum">81</span> +<a name = "page81"> </a> +<!--png 099--> +Spier van het Hart, dewelke door het Bloet, dat zy in het Hart uytstoot, +wederom het Hert dilateert: en waar uyt dese wonderlyk, herhaalde, en +geduurig gecontinueerde klopping des Harts syn oorspronk neemt; dat ook +t’eenemaal natuurlyk en noodsakelyk is; alsoo dese twee Spieren, +namentlyk het Oorken en het Hart van een ongelyke grootte ende kraght +syn, waar door haar beweeging ook nootsaakelyk over en weer is. En sy +sou in het geheel ophouden, indien het Oorken soo vast en van sulke +kragt was, als het Hert: want daar de tegenoverstaande Spieren in het +lichaam gelyk syn, daar is de beweeging der Spieren onopmerklyk, en +alles staat in balans, tot soo lang daar een <ins class = "correction" +title = "text: ’nienwe’">nieuwe</ins> determinatie komt, die de eene +Spier wat sterker als de andere doet beweegen, en onse leeden alsoo +roeren: dat uyt verscheyde oorsaken komen kan; die dese determinatien te +weeg brengen.</p> + +<p>Als by exempel, wanneer men een hayr uyt syn Hooft neemt, en dat ses +of agt dubbelt te samen vouwt, en dat men ymant, die ons niet en siet, +syn vel in de hals daar meede heel saft irriteert, soo heb ik dikmaals +gesien, dat de beweeging van de tegenoverstaande Spieren van de Arm en +Hant gedetermineert wierden, soo dat de Persoon, datelyk en sonder veel +attentie, syn hant op die plaats, daar hy de kitteling gevoelde, kwam te +beweegen, en die ook heel vermakelyk te krauwen, selfs tot root wordens +toe, beeldende sig mogelyk in, dat daar een Luys of Vloy sat. En als ik +cesseerde in die irritatie, soo bleef de Arm ende de Hant in rust, om +dat nu de natuurlyke irritatie in alle de Spieren egaal was. Als men dit +experiment in de slapende Honden of Katten doet, soo siet men van +gelyken, dat ’er ook terstont een determinate beweeging komt in de +Spieren, die haar huyt beweegen, dewelke sy dan seer aardig rimpelen, en +het Hayr als te berge setten, of doen oprysen, en somtyts sal men haar +ook al slapende de ooren sien schudden. Waar uyt men voor een kleen +staalken siet, op wat wyse ook onse Spieren, sonder groote attentie van +de wil, nogtans vrywillig beweegt worden, door yets dat bequaam is, om +haare natuurlyke beweeging der tegenoverstaande Spieren, na de +tegenoverstaande syde, te determineeren.</p> + +<p>Maar om nu een seker experiment te geeven, van dat de Spier in syne +samentrekking niet opgeblasen wort, maar minder plaats beslaat, soo moet +men een seer radde ende frissche Kikvorsch +<span class = "pagenum">82</span> +<a name = "page82"> </a> +<!--png 100--> +nemen, en deselve vaardig geopent hebbende, het Hert ontdekken, en het +Hartesakje met de nagelen der Vingeren daar van afbreeken: dit gedaan +hebbende, soo moet men den eenen of anderen Ader of Slagader verkiesen, +die groot genoeg is, die men openen moet; en daar een Pypken van Glas, +dat fyn genoeg is, ingebragt hebbende, soo kan men daar door alle de +Aderen en Slagaderen des lichaams, en by gevolg ook het Hert seer +ligtelyk opblasen. Want als ik in het voorgaande gesegt heb, soo +obsteeren hier de Longen niet.</p> + +<p>Het Hert aldus met lugt opgevult synde, soo moet men dat met syn +Oorken door een fyn draatken behendig afbinden, en uyt het lichaam +snyden. Het welk gedaan synde, soo is het nodig een glaase spuytken by +der hant te hebben, dat in een fyn Pypken moet uytgerekt syn, op syn +eene eynde. Voorts moet men het opgeblase Hart met syn Oorken boven op +de vlakte van de Suyger leggen, en dat met malkanderen in het glase +spuytken steeken, vullende ondertusschen syn uytgerekt Pypken, met een +seer kleen droppelken water, of water en Bloet, om het te beeter te +sien.</p> + +<p>Dit nu alles soo omsigtig, als mogelyk is, volbragt hebbende, soo sal +men sien, wanneer het Hert <i>a</i> sig binnen in het glaase Spuytken +<i>bb</i> contraheert; dat dan het droppelken water, ’t geen boven aan +in het Pypken geplaatst is <i>c</i>, sal merkelyk ende verwonderlyk +nederdaalen, tot aan syn begintsel, daar het uyt de Spuyt syn oorspronk +neemt <i>d</i> en als het Hert sig weer dilateert, soo sal men distinct +sien, dat het neergedaalde droppelken <i>d</i>, weer sal om hoog +bewoogen worden, tot de plaats <i>c</i>, daar het van daan is bewoogen +geweest.</p> + +<p>Het welk experiment ons infallibel leert, dat in de contractie van de +Spier van het Hert, niet alleen alle de bewegende vesels van het selve +haar in malkanderen sluyten, en vaster ende dikker worden, maar dat het +nog daar en booven een veel minder plaats komt te beslaan, als te vooren +in syn dilatatie.</p> + +<p>Dat dan ook de reeden is, waarom de droppel water <i>c</i> naa +beneden beweegt wort <i>d</i>, en datse het in een sig samentrekkend +Hert nootsakelyk moet volgen. Daar dit droppelken <i>c</i> ter +contrarie, indien daar op deselve tyt als het Hert sig contraheerde, een +opblasing, opswelling of verwyding van geesten binnen geschiede, niet +neerwaarts tot de spuyt <i>d</i>, maar om hoog en opwaarts in het Pypken +<i>e</i>, nootsaakelyk moest bewoogen worden.</p> + +<p><span class = "pagenum">83</span> +<a name = "page83"> </a> +<!--png 101--> +Maar dit niet geschiedende, en het contrarie sigtbaarlyk gebeurende, soo +kan ik als een onweersprekelyk vaste waarheid voorstellen; dat de Spier +van het Hert in syne contractie een merkelyk mindere plaats beslaat, als +in syn dilatatie: en ook dat daar geen van de gesupposeerde geesten +inkomen, die men tot nog toe gemeent heeft, dat het Hert of de Spier +daar van opblaasden in syn samentrekkende beweeging.</p> + +<p>Soo men nu hier by een Kikvorsch levendig opent, en men let op de +beweeging van syn Hert ende het Oorken, soo sal men bevinden, datse +inkrimpt en kleender wort: en als wederom, het Hert sig op syn beurt +contraheert, soo sal men het van gelyken sien inkrimpen, kleender worden +en in sig selven intrekken. Waar uyt blyken sal, dat tusschen dese twee +contractien van het Hert, het sy binnen, het sy buyten de spuit, gansch +geen onderscheyt is, als alleen dat het Hert buyten de Spuit met Bloet +gevult is, en dat het binnen in de Spuit met lugt opgevult is.</p> + +<p>En omtrent dit tweede valt nu bysonderlyk aan te merken, wat daar in +het Hert gebeurt, wanneer het sig dilateert, en dan ook wat daar +geschiet, als het sig weer contraheert. Omtrent de dilatatie van het +Hert soo siet men heel distinct, dat het Oorken sig eerst begint te +contraheeren: waar op men voorts de lugt daar siet uyt bewoogen te +worden, en in het Hert overgevoert. Het geen te weeg brengt, dat het +Hert merkelyk uytgespannen wort, en sig in de Spuit vertoont, als of het +vol bellekens en blaaskens was, en ook soo wort het bleeker, doorlugtig, +en ongelyk van facie, dat syn oorspronk neemt, om dat de beweegende +Vesels en vleesige pylaargewyse draaden overal niet even dik syn, waar +door de eene plaats van het Hert, tusschen de pylaargewyse draaden, +meerder door de ingeperste lugt uytgeset wort, als de andere: waar op +dan volgt, dat het droppelken water in het glaase pypken synde, opwaarts +bewoogen wort.</p> + +<p>Maar de beweegende Vesels van het Hert, sig weer samentrekkende, soo +siet men eerst, dat het Hert sig sluyt ende kleender wort: voorts siet +men, dat het de lugt weer in syn Oorken perst, waar op het terstont +roder en min doorschynende wort, en in sig selfs intrekkende sig weer +van een gelyke facie vertoont. En alsoo het op die tyt al de lugt, die +daar binnen in geblasen is geworden, niet in het Oorken kan perssen, soo +sluyten syne bewegende +<span class = "pagenum">84</span> +<a name = "page84"> </a> +<!--png 102--> +Vesels haar soo ongemeen sterk in malkanderen, dat selfs de lugt, die +daar binnen in is, op die tyt verdikt wordt. Waar op dan volgt, alsoo +het Hert nu minder plaats beslaat, dat het droppelken water, dat in het +Pypken van het glase spuytken is, nederwaarts gedrukt wort.</p> + +<p>En dit selve heeft ook plaats in het Hert, dat natuurlyk met bloet +gevult is geworden, ’t geen de omringende lugt wegstoot, als het in syn +dilatatie door het bloet wort uytgespannen: en als het sig weer +samentrekt, en het bloet uyt sig stoot, soo wort het verkleent, en het +wort van de lugt naa proportie soo veel ingevolgt, als het in sig selven +intrekt: daar wel op te letten is, alsoo het seer sigtbaar in het leeven +is. Ook verdikt sig het bloet eenigsins, wanneer als het Hert, sig +selven daar sterk om toetrekt, en het met gewelt uitdryft. En als +weederom het Hert, door het nieuw ingestorte bloet, gedilateert wort, +soo wordt ook het bloet eenigsins verdunt: waar meede dat dese +natuurelyke actie van het Hert en het bloet, met de actie van het Hert +en de lugt in dit experiment, over een komen. En hoewel men sou mogen +tegenwerpen, dat ’er natuurelyk in het leeven geen lugt tot het Hert +nadert, nog dat deselve daar van weg gestooten wort; soo blykt dat heel +contrarie in de Gyrinus, daar men het kloppent Hert de uyterlyke huyt +siet beweegen, die dan het Hert in de klopping wykt en involgt; dat +deselve saak is, als of de lugt immediaat tot het Hert naderde: en soo +moet dit ook van alle andere Dieren verstaan worden, die Longen of Kuwen +hebben, en alwaar de Borst beweegelyk is: ja het heeft ook sonder alle +twyfel plaats in alle de beweegingen der Spieren.</p> + +<p>Soo men nu een Hart uyt de Kikvorsch neemt, dat niet opgeblasen is, +maar enkelyk uyt het lichaam gesneeden, en dat men het selve op de +beschreeve manier in de glase spuyt plaatst, soo sal men van gelyken +sien, dat het nederdalen van het droppelken water daar ook soo geschiet; +maar op ver naa soo opmerkelyk niet, als in het opgeblaase Hart; hoewel +egter dat het water op deselve wys syn beweging naa beneeden sal neemen, +als het Hert sig contraheert. En de ervarentheid heeft my ook geleert, +dat veeltyts dese nederdaling van het droppelken water soo weynig is, +dat het niet als door een Vergrootglas is te bemerken. Het geen syn +oorspronk neemt, door dien het Hert in syn contractie ten +<span class = "pagenum">85</span> +<a name = "page85"> </a> +<!--png 103--> +deele blyft, en dat het door het Oorken niet geextendeert wort, dewelke +ook daar toe onbequaam is, alsoo het geen Bloet nog lugt dan voortdryft, +om het Hert te dilateeren. Waarom het dan ook nootsakelyk is, dat de +contractie soo veel kleender is, en de beweeging in de droppel soo veel +minder om te observeeren. Maar soo men op die tyt maar het Oorken alleen +opblaast, en dat sy door haar contractie de lugt in het Hert perst, soo +is dit experiment kennelyker.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/swammer/fig8.jpg" width = "190" height = "430" +alt = "Figure VIII"> +</span> +Maar of men nu een Spier selfs wilde neemen, in de plaats van Hert, soo +kan men procederen, als in de agtste figuur van my afgebeelt is: alwaar +het glase Spuytken <i>a</i> de Spier van binnen <i>b</i> in sig besluyt, +synde syn byhangende Senuw, sonder te quetsen of te perssen, in een +samen geboogen en subtiel silver draatken <i>cc</i> gevat, het welk ik +dan doe passeren door het oog van een koperdraat, dat op de suyger van +de Spuyt vast gesoldeert is <i>d</i>. Dit alles soo bestelt hebbende, +soo moet men een droppelken water <i>e</i> in het fyne Pypken van de +Spuyt, door een subtiele tregterken laaten loopen: en als men het +silverdraat langsaam met de hand <i>f</i> door het koper ringeken, +tusschen de suyger en het glas van de Spuyt doortrekt, tot dat de Senuw +daar tusschen in komt geirriteert te worden; soo siet men, dat dese +Spier op deselve wys contraheert, als van het opgeblasen Hert gesegt is; +en dat ook de droppel water sig meede eenigsins naa beneden beweegt, +sonder datse opwaarts beweegt wordt. Dan dit experiment is seer teer, en +daar moeten soo veele omstandigheeden omtrent waargenoomen worden, dat +het selfs verdrietig is. Waarom ik een, dat ligter is, heb +uytgedagt.</p> + +<p> +<span class = "figfloat"> +<img src = "images/swammer/fig9.jpg" width = "139" height = "276" +alt = "Figure IX"> +</span> +Het selve bestaat, in dat men een glaase Spuytken neemt <i>a</i>, dat +met een Diamant omtrent syn spitze eynde door gedrilt is <i>b</i>. Waar +door men de gesepareerde Senuw van de Spier moet plaatsen <i>c</i>: maar +alsoo de lugt door die opening heel ligt, als men hem tot contractie +irriteert, kan passeeren, dat het neerdalen van het droppelken water +belet; soo is het voor al nodig, de opening van het Glas, daar de Senuw +door gepasseert is, te sluyten: dat men met wat vislym en styfsel seer +gevoegelyk doen kan. Dan om de waarheid te seggen, het droppelken water +word soo weynig neerwaarts ook in dit experiment bewogen, dat het haast +onopmerkelyk is. Waarom dan om dit experiment te doen, niet beter als +het Hert +<span class = "pagenum">86</span> +<a name = "page86"> </a> +<!--png 104--> +is, dat een redelyk langen tyt, en genoegsaam in syn beweeging +continueert, die het eens ontfangen heeft, tot dat deselve verdwynt.</p> + +<p>En soo men de oorsaaken aanmerkt, waarom dit experiment soo sensibel, +omtrent de Spier, als wel omtrent het Hert, niet en is: soo vind ik die +te bestaan, in dat daar geen tegenoverstaande Spier omtrent is, die hem +van buyten dilateert, of ook geen ingedreeve Bloet, dat de Bloetvaten +uytset, en hem op die wys van inwendig ook een weynig extendeert. Dat +alles seer nodige vereystens syn, om een volmaakte contractie van een +Spier te hebben.</p> + +<p>Maar de experimenten, die over eenigen tyt bygebragt syn, dat het +Bloet tot de contractie der Spieren nootwendig is, die syn van gansch +geen gewight, alsoo het principaalste argument daar van is de toebinding +van de groote Slagader, volgens de manier van de Heer <span class = +"smallcaps">Stenonis</span>, dat daar niet te pas komt, als maar een +Argument synde, dat niet als in syn eerste aansien ons sou kunnen +overreden. Want soo men wel aanmerkt, dat de Wervelbeenen, verscheyde +Senuen, en selfs het Ruggemerg, die alle in de Bant van de Heer <span +class = "smallcaps">Stenonis</span> begreepen worden, op die tyt te +samen werden gedrukt en geforceert; soo volgt daar van selve uyt, dat +daar niets determinatifs uyt kan beslooten worden. En veel minder nog +uyt het experiment, waar door het Bloet uyt de Spieren, door het +indryven van water, gespuyt wort, dat t’eenemaal de bewegende Vesels der +Spieren kwetst: en daarom soo is dit rouwe experiment niet als voor een +onbedagte redencaveling te agten, die geen fondament heeft, als maar om +het eerste experiment van de Heer <span class = +"smallcaps">Stenonis</span> te bevestigen. Daarom moet men gewigtiger +argumenten hebben, om een saak van gewigt te bewysen: gelyk men dat +omtrent de Slagaders in de Dye, en in die van de Kikvorsch, toe te +binden, sou kunnen experimenteeren.</p> + +<p>De Heer <span class = "smallcaps">Steno</span> is seer voorsigtigh +geweest, in dat hy sig heeft onthouden, van de manier te determineren, +op welke dat de beweeging der Spieren geschiede; en daarom heeft hy het +ook voor onseker geoordeelt, dat deselve sou geschieden door een +invloejing van een nieuwe materie. Maar naa dat ik hem myne voorgestelde +experimenten, nu eenige jaaren geleeden synde, getoont had, soo heeft hy +my determinatief gesegt, dat hy nu dorst staande houden, dat ’er in de +contractie der Spieren geen nieuwe materie ingevoert wiert; soo dat wy +in dit gewigtig point t’eenemaal accordeeren.</p> + +<p><span class = "pagenum">87</span> +<a name = "page87"> </a> +<!--png 105--> +En ik kan nu ook makkelyk uyt de gewigtigheid van myne voorgestelde +experimenten staande houden, dat een spier in syn contractie niet +opblaast of opswelt, door de gesupposeerde invloejende en opbruisschende +dierlyke geesten; maar dat een Spier in syn contractie veel eer +ontswelt, of om myne gedagten beter uyt te drukken, dat hij minder +plaats beslaat.</p> + +<p>En dit blykt meer als kennelyk, wanneer het Hart met lugt, in plaats +van met bloet, gevult is, of ook dat het ongevult en leeg is. Alwaar dan +omtrent het eerste verscheyde Zaaken in aanmerking komen, die alle in de +contractie der Spieren kunnen plaats hebben. Als 1. dat de lugt +inwendig in het Hert gecondenseert of in een geperst wort. Ten 2. dat +dan de lugt rontsom het Hert gedilateert wort. Ten 3. dat de Vesels van +het Hert, in die actie, dan seer vast komen in een te sluyten, haare +holligheeden tusschen beyden toegedrukt te worden; en soo daar eenige +lugt tusschen beyden is, dat deselve daar uyt komt bewoogen te worden. +Het welk alles als dan voornamelyk blykt, wanneer het Hert als voor een +ogenblik in syn contractie ophoud. Wanneer ten 4. de inwendige lugt in +het Hert weer verdunt wort. Ten 5. de uytwendige verdikt, of van syn +plaats gestooten. En ten 6. dat de Vesels van het Hert weer uytgerekt of +gedilateert worden.</p> + +<p>Maar alsoo men my kan voorwerpen, dat dit tegennatuurlyk is, soo kan +ik daar op antwoorden, dat ik ook somtyts wel lugt in de Herten der +Menschen, die even gesturven waren, heb aangemerkt. Maar alsoo dit meede +niet ordinaar is, soo moet men in de plaats van de lugt, die in het Hert +van my gestelt wort, het Bloet neemen, dat in de contractie van het Hert +aldaar geschud, verdikt, en uytgestooten wort, als ook het Bloet, dat in +de Kroonaders van het Hert selfs is, en dat aldaar uytgedrukt wort; +waarom het Hert ook op die tyt merkelyk bleeker wort. Ten anderen, als +het Hert soo in syn selven inkrimpt, soo heeft de verdunning van de +uytwendige lugt meede syn plaats, en eyndelyk soo sluyten de beweegende +Vesels van het Hert dan meede vast in malkanderen, als dadelyk van het +opgeblase Hert gesegt is: en welkers contrarie men ook hier in de +volgende dilatatie van het Hert moet considereeren.</p> + +<p>Uyt alle het welke dan blykt, dat daar vry meerder saaken in de +contractien der Spieren moeten geconsidereert worden, als tot +<span class = "pagenum">88</span> +<a name = "page88"> </a> +<!--png 106--> +nog toe gedaan is. Synde voor al wel in aanmerking te neemen, hoe sterk +dat de bewegende Vesels der Spieren in haare contractie in een krimpen, +soo dat ik se wel bykans driemaal dikker in sommige Dieren op die tyt +heb sien worden, als wanneer sy in haare geduurige en naturelyke +contractie waren. Waar door dan alle haare inhoud, die in de vaten, +dewelke daar door liepen, ingevloeit was, met kragt uytgeperst wierd. +Waarom ook een gecontraheerde Spier in een bloetryk Dier veel bleeker +is, als een Spier, die niet gecontraheert is, als ook van de Heer <span +class = "smallcaps">Stenonis</span> is aangemerkt.</p> + +<p>En soo is dit ook de reeden, dat de gedetermineerde, of de +gereitereerde naturelyke beweegingen der Spieren, een kennelyke warmte +aan het lichaam veroorsaaken, door dien sy het Bloet door over snelle +contractien uyt haar stootende, de gansche massa bloeds soo veel te +veerdiger beweeging en circulatie toebrengen. Het welk de Chirurgyns, +alleen door haar ervarentheid, wel weten te pas te brengen in het +Aderlaaten; wanneer sy ymant een stok of iets diergelyks in de hant +geeven, om die met de hant omdrayende, en de Spieren beweegende, daar +door het Bloet snelder uyt de Aderen te doen loopen. Dat ook de +imaginatie selfs doen kan, die van gelyken onse Spieren op verscheyde +wysen determineert, naa dat men sig droevige of vermakelyke objecten +voorstelt, die het Hert sluyten of samen trekken en dilateeren.</p> + +<p>En ik heb selfs een jongen te Leyden in het Gasthuys gekent, van +wiens voeten het gegangreneerde vel en vleesch effen gesepareert waaren, +dewelke, als het hem beliefde, een groote quantiteyt Bloets door de ope +wonde, alleen door de beweeging syner Spieren, kon uytdrukken; sonder +dat hy syn aassem inhield. Gelyk dat ook in de beweegingen van veele +Dieren te sien is, welkers Bloet snelder uyt de wonde loopt, als sy haar +roeren, dan als sy stil leggen; hoewel sy selfs geen Longen hebben.</p> + +<p>En dit gaat soo verre, dat selfs de vermoeytheid hier in bestaat, soo +dat de Spieren door het overvloedig Bloet geforceert, en onbekwaam tot +haar contractie worden: dat ik de eerstemaal heb geobserveert, wanneer +ik glas aan de lamp kwam te blasen, waar door myne Wangspieren soo dik +van het Bloet opswollen, dat ik ten laatsten geen kragt meer hadt, om +die te contraheeren, en de lugt daar door uyt de Mont te blaasen.</p> + +<p><span class = "pagenum">89</span> +<a name = "page89"> </a> +<!--png 107--> +Het is wonderbaarlyk in de Insecten, dewelke des Winters, alsoo haar +bloet en vogtigheid als in de Vaten stolt en als bevriest, dan ook alle +de beweegingen haarer Spieren verliesen, soo dat haare leeden en voeten +in dat postuur blyven staan, als men se, sonder haar te forceeren, dan +uytwaarts buygt: en men siet, dat dese beweeging haar niet eerder weder +gegeven wort, voor dat de Lugt gematigder is; of dat men se by het vuur +brengt, daar een kleene warmte haar doet als herleeven, beweegen, +roeren, jaa lopen en vliegen: tot dat haar bloet en vogten weer een +weynig daar naa verdikt worden, dat haar onbeweegelyk maakt op een +nieuw. In dat vermaarde Kruydje roer my niet heb ik ook aangemerkt, dat +het in de Herfstmaanden sig vry minder beweegt, als in de Somertyt.</p> + +<p>Maar mogt ymand vraagen, wat veroorsaakt nu eygentlyk de naturelyke +gedetermineerde, of ook de kunstige en uytwendige irritatie der Senuen +binnen in de Spier? Alsoo men daar niet van kan seggen, dat daar een +sensible materie, als de Senuw geraakt wort, tot de Spier over passeert, +of daar plaatselyk in beweegt wort; maar dat de Spier ter contrarie een +materie uyt sig stoot, en een minder plaats beslaat.</p> + +<p>Sekerlyk dat is een harde en swaare questie, en mogelyk niet te +solveren, als uyt de gansche kennis van de waaragtige structuur der +Spier selve, die my nog onbekent is, en seer verre te soeken. Daarom sal +ik hier handelen, gelyk men met het gebruyk van het Oog gedaan heeft, +welkers manier, hoe het gesigt geschiet, men sonder het Oog waarlyk te +kennen, heeft aangeweesen. Daarom soo het my geoorloft was door een +rouwe gelykenis de saak te verklaren, ik sou seggen, dat het in dese +gelegentheid ging, gelyk met ymant, die seer sagt de Saadkokers van +Kruidje Roer my niet van Dodoneus, of de andere Balsamita van Fabius +Columna kwam aan te raaken, het welk door twee a drie senuw en +kruidagtige Veselkens gedilateert of geëxtendeert synde, dan door die +momentelyke irritatie de kragt verkrygt, om sig seer schielyk en geswint +te contraheeren. En in der daat, indien dese Veselkens die haar soo +schielyk contraheeren, self eer haar saat ryp is, niet in een kronkelden +en weg sprongen, maar datse, gelyk het in een gekrompe leder, haar weer +lieten dilateeren, en op een nieuw door irritatie te samen trokken; men +sou daar omtrent een seer raar +<span class = "pagenum">90</span> +<a name = "page90"> </a> +<!--png 108--> +voorbeelt van een Spier vinden, wiens voorname actie in een contractie +bestaat, die op de dilatatie volgt: waar door dat de contractie, en niet +de dilatatie, het eygentlyke officie der Spieren is: dewelke haar +geduurig, selfs naa de doot der Dieren, tragten te contraheeren, jaa ik +heb ondervonden, dat een Spier, die ik eenige jaaren in een Balsem +bewaart had, sig nog contraheerde, wanneer ik hem naderhant in de selve +Balsem opkookte.</p> + +<p>Maar dese gelykenissen daar latende; soo staat dit experiment +onweersprekelyk vast, dat als de Senuw van een Spier geroert wort, dat +dan ook dadelyk de Spier geroert wort. En alsoo ik heb aangewesen, dat +de Spier in syn contractie minder plaats beslaat, als in syn dilatatie, +soo volgt daar ook onweerspreekelyk uyt, dat daar dan geen nieuwe +opblaasende materie invloeyt; en dat het een onbevattelyk subtielder +materie moet syn, die op dat ogenblik, sulk een wonderbarelyke beweeging +daar in veroorsaakt. Sonder dat men seggen kan, datse yets anders in de +Spier doet, als de wint, een vinger, een stoksken, of een borstel, tot +de samentrekkende Saadkoker van het Kruidje roer my niet doet, om haare +Veselkens te doen contraheeren.</p> + +<p>Waar uyt ik dan oordeel te volgen, als boven alreede gesegt is, dat +als een Senuw geduurig geirriteert wort, dat dan ook de Spier in een +geduurige contractie, of ten minsten in een gestadige tragting en +renttentie tot deselve sou weesen. Als ik voor deesen in myn Tractaat +van de Ademhaaling heb aangeweesen. En ik nu terstont wat klaarder sal +openen, door een manier voor te stellen, waar door men de geduurige +beweegingen der Spieren eenigsins kan considereeren.</p> + +<p>Maar eer ik daar toe kom, en te gelyk dit discours eyndige, soo is +het seer nodig aan te merken en te sien, op wat manier de Spieren +gestelt syn, eer sy haar ooit beweegt hebben. Het welk voornamelyk +omtrent de Insecten te bespeuren is, en omtrent de begintselen der +Spieren in grooter Dieren, alwaar men dan siet, datse meesten tyt in een +gedrongen syn, en van couleur wit en vliesagtig; synde heel in haar +begintsel als uyt geleyagtige vogtigheeden bestaande. In de Insecten is +dit seer aanmerkelyk, datse in die tyt, wanneer het Dier een andere +gestalte sal aanneemen, als onsigtbaar syn, en in een geringe tyt seer +toenemen en aangroeyen, dat ook gansche leedematen doen, als voornamelyk +omtrent +<span class = "pagenum">91</span> +<a name = "page91"> </a> +<!--png 109--> +de Beenen en haare Spieren geschiet, die men verwonderlyk siet +aangroeyen, en door ingedronge vogtigheeden of bloet uytgeset te worden, +even als met een opspanning van overtollige vogtigheeden. Waar door dan +die deelen met ’er tyt, als tegens haar natuur, uytgerekt en als een +Boog gespannen worden: dat voornamelyk in de Insecten plaats heeft, +welkers Spieren ook veel langer beweegen, als die van eenige andere +Dieren, selfs naa dat het Hooft al eenige dagen van het lichaam +gesneeden is geweest. En men siet ook, dat als se uyt haare afgelegde +huit breeken, dat dan ook haare lichamen seer schielyk groot en +uytgespannen worden. Dat ook naa proportie stant grypt in de Dieren, die +een heter bloet hebben. En het geen te weeg brengt, dat haare Spieren +sig soo veel te sterker dan weer tragten te contraheeren, en in sig +selven te krimpen. Ook siet men klaarlyk, dat als de Spieren haar nu +beginnen te beweegen, datse door het bloet, dat zig inwendig indringt, +en haar voor een gedeelte dilateert, veel roder worden, en datse door de +Bloetvaten, die haar door loopen, en haar bewegende Vesels uytrekken, +meerder werden uytgeset.</p> + +<p>Waar uyt blykt, dat in alle de contractien der Spieren een dilatatie +moet voorgaan, die ik driesins stelle, als eerstelyk, in natuurelyke en +vrywillige samentrekkingen der Spieren door het ingedronge Bloet, dat +haar voor een gedeelte dilateert. Ten tweeden in naturelyke +samentrekkingen door de inhoud, die de beweegende Vesels uytrekt en +dilateert, waar door haar nog meerder Bloet ingevoert wort, en sy tot +haar contractie gedisponeert worden. Ten derden in vrywillige +samentrekkingen, door de determinatie van de tegenoverstaande Spieren, +die omtrent de tegengestelde Spieren het selve effect doen, dat de +inhoud doet omtrent de Spieren, die haar naturelyk beweegen.</p> + +<p>Maar wat nu die subtiele materie, die door de Zenuen in de Spieren +geduurig invloeit, tot haare contractien doet; en of sy de bewegende +Vesels aanstoot, en eenige Bloetvaten, die van de Senuen in de Spier +omwonden worden, opent; of wel, datse haar met het Bloet vermengende, +dat schielyk doet opwellen, opbruisschen, en de eerste beweeging geeft, +om weer uyt de Spieren gedreeven te worden, soo dat daar in een ogenblik +de contractie van de bewegende Vesels op volgt; van dat alles kan ik +niets determineren. Soo dat ik het selve, om verder naa te denken, daar +late.</p> + +<p><span class = "pagenum">92</span> +<a name = "page92"> </a> +<!--png 110--> +Maar wat de vordere saaken van my voorgestelt aangaat, daar omtrent meen +ik met een goet fondament te kunnen vast stellen. 1. Dat alle +Spieren natuurelyk, dat is eer sy haar actie oit gedaan hebben, +gecontraheert syn. Ten 2. dat haare contractie voor een gedeelte +cesseert en als ophout, door de vogten van bloet of diergelyke, die tot +haar door de Vaten inwendig ingevoert worden. Waar door sy dan, als door +een eerste oorsaak, eenigermaten uytgespannen of gedilateert worden, +blyvende nog in haar contractie: maar waar door evenwel de omringende +lugt naa die proportie uyt syn plaats gestooten en op een gedrongen +word, naa de welke sy geëxpandeert syn. Ten 3. dat tot het volkomen +uytspannen of dilateren der Spieren, als een tweede oorsaak seer veel +doet, de inhoud der Ingewanden, bollvgheden, en pypkens des lichaams, +daar de bewegende vesels om heen loopen, dat in de naturelyke bewegingen +plaats heeft: en dan ook bysonderlyk de contrarie determinatie der +tegenoverstaande Spieren, dat in de vrywillige beweegingen stant grypt; +alsoo de beweegende vesels door beyde dese oorsaaken, en in beyde dese +verschillig geplaatste Spieren, merkelyk uytgespannen worden, en de +Bloetvaten derselve gedisponeert, om nog een veel groter quantiteyt +bloets in haar te ontfangen, als ook om haar weer te sterker te +contraheeren: synde nu volkomen gedilateert. En dat ten 4. soo veel te +meer, alsoo de weg gestooten en verdikte lugt, die geduurig tot syn +dilatatie door het evenwigt der lugt bewoogen word, de Spieren 900 veel +meerder komt aan te persen, om haar eerste en natuurelyke contractien, +daar sy van selver ook nu toe bewoogen worden, weer te herneemen. Waar +by dan komende ten 5. de geduurige en natuurelyke irritatien, die door +de Senuwen in de bewegende Vesels der Spieren selfs verwekt worden, en +waar door se tot haare contractien gestaadig door het circulerende bloet +aangeport worden, dat het begin des Ruggemergs en alle de Senuen +onophoudelyk door de Slagaderen word ingeperst; of ook door de +uytwendige objecten, die het bloet verscheydelyk komen te beweegen, aan +het begin des Mergs en de Senuen word gecommuniceert: Soo worden ten 6. +de Spieren nootsakelyk gedisponeert en als gedwongen, om haar eerste en +natuurelyke contractie weer te herneemen, het sy dat die natuurlyk of +vrywillig syn. Waar uyt ik dan ten 7. als een nootsakelyk gevolg kom +vast te stellen, dat in alle weerkeerige +<span class = "pagenum">93</span> +<a name = "page93"> </a> +<!--png 111--> +contractien der Spieren, als dan haare inhoud weer uyt de selve komt +uytgeperst te worden: alsoo de uytgerekte bewegende vesels dan weer tot +malkanderen koomen in te dringen, en digt in een te sluyten; even al +eens gelyk sy voor haare dilatatien waaren. Waarom sy dan nootsakelyk +een kleender plaats beslaan, niettegenstaande men siet, dat daar eenige +zwellingen in de Spieren komen te ontstaan, dewelke alleen uyt die in +een krimping haarer bewegende vesels haar oorspronk neemen: hoewel dat +men de oorsaak daar van tot nog toe aan een opblaasing toegeschreeven +heeft, die men eygentlyk een ontswelling moest noemen. Waar uyt ik dan +ten 8. vaststel, dat alle de actiën der Spieren in haare contractien +bestaan, dat is in de wederkeering tot die figuur en dispositie, die sy +voor haar dilatatie hadden. Waar door dan als de Spieren op deselve wys, +of ook door haar inhoud, of de tegenoverstaande Spieren, weer +gedilateert, of tot de tegenoverstaande syde gedetermineert worden, sy +haare contractien geduurig maaken: het sy in natuurelyke of in +vrywillige bewegingen.</p> + +<p>En hoewel nogtans dat dit in het generaal, en bysonderlyk syn stant +grypt omtrent de natuurelyke beweegingen der Spieren, soo siet men +egter, dat het ook in de vrywillige beweegingen derselve syn plaats +heeft, en dat niet tegenstaande, hoewel de toestemming der wil in de +vrywillige bewegingen der Spieren vereyst word. Door reden, dat men in +alle vrywillige beweegingen der Spieren siet, dat daar altyt een +inwendige of uytwendige oorsaak en object nodig is, dat de contractie +der tegenoverstaande Spieren tot de tegenoverstaande syde moet +determineeren.</p> + +<p>En alsoo valt het dan ligt te begrijpen, door dien alle Spieren in de +staat van een geduurige contractie syn, dat daar niet als de minste +determinatie maar nodig is, het sy uyt wat oorsaak dat die spruyt, om +haar het lichaam te doen beweegen, te verplaatsen, voort te gaan, en op +andere oneyndige manieren meer te doen roeren.</p> + +<p>Dat niet alleen omtrent de natuurelyke beweegingen seer kennelyk is, +als in de contractie van de Oogappel blykt, die haar door haare Spieren +op het selve ogenblik sluyt en dilateert, naa dat het Oog meer of minder +van het ligt geirriteert word; gelyk men dat ook siet omtrent de +beweegende vesels der Darmen, die naa proportie haar geduurig +contraheeren en weer dilateeren, na dat de inhoud daar minder of meerder +in is, en op welke tyt de eene beweeging +<span class = "pagenum">94</span> +<a name = "page94"> </a> +<!--png 112--> +de ander aldaar vervangt, als de baaren der zee doen, die malkanderen +volgen:</p> + +<p>Maar selfs blykt het ook, dat ’er oneyndigmaal een naturelyke +contractie plaats heeft in de Spieren, die wy vrywillig seggen te +beweegen: als in het gaan, staan, het beweegen onser Armen, enz. blykt: +die wy duysent en duysentmaal roeren, sonder dat de wil daar eenige +attentie toe heeft. En op die wys sullen wy door een uytwendig object, +als we met een ander wandelen, veelmaal ymand groeten, om dat ons +geselschap syn hoet afneemt, of dat ons dat uytwendig object beweegt; +sonder dat wy weeten, wie wy gegroet hebben, of selfs dat wy die actie +hebben gedaan. Soo dat het schynt, dat onse contractien der Spieren al +soo natuurelyk syn, en geduurig door de eene oorsaak, die daar heeft +doen beweegen, tot een tweede en derde beweeging gebragt worden: als dat +onse memorie plaatselyk is, en door het eene subject op het andere komt +te denken; dat tot het oneyndige voortgaat.</p> + +<p>Op de selve wys, als we by het vuur sitten, soo retireren wy ons, +door de force van het irriterende object, daar van daan, en wy +herstellen onse leedematen, door veele beweegingen, sonder de minste +attentie van onse wil; soo dat het schynt, dat wy ons selfs ook niet +vrywillig beweegen, ten sy de wil selfs syn object heeft, en dat alsoo +haare beweeging een tweede veroorsaakt. Want de vlam te groot synde soo +sluyten wy onse oogleeden, of wy verdrayen ons hooft, en wy maken +alderhande andere soorten van beweegingen, na dat de objecten ons daar +toe irriteeren.</p> + +<p>Dat alles voor een genoegsaam bewys kan dienen, dat selfs onse +Spieren, waar door wy ons vrywillig beweegen, ook altyt natuurelyk +bewoogen worden, en dat daar niet als een inwendig of uytwendig +beginsel, oorsaak, object enz. noodig is, om die te determineeren; en +selfs dat dit beginsel tot de determinatie eerstelyk in ons moet +voorgaan, eer wy ons vrywillig beweegen. Al was het maar een invallende +of verwekte gedagte, dat selfs soo ver gaat, dat wy des nagts, door een +simpele droom of magische phantasy, ons roeren, beweegen, uyt het bed +loopen, schreeuwen en te roepen koomen; dat dan alles nergens door +geschiet, als dat wy daar door onse Spieren, die alreede in actie syn, +maar contrarie determineeren. En selfs observeert men dese dingen +omtrent de zelvswillige of natuurelyke beweegingen; hoewel die seer +weynig +<span class = "pagenum">95</span> +<a name = "page95"> </a> +<!--png 113--> +als in seekere opsigten van ons kunnen gedetermineert worden: want gelyk +in het begin gesegt is, onse wil heeft seer weynig magt om die Spieren +te determineeren, daar geen tegenoverstaande Spieren syn: en indien ons +die niet gegeven waren; wy souden in der waarheid de onroerlyke Planten, +en de Bomen, die haar niet beweegen, gelyk syn.</p> + +<p>Het geen ons dan alles klaarlyk leert, dat daar oneyndige saken in de +contractien der Spieren te samen lopen, en dat de gansche machine van +ons lichaam, en de elementen die ons omringen, dienen gekent te worden, +sal men een eenige Spier en syn actie regt expliceeren. En seker de +lugt, het ingenomen Voetsel, het Bloet, de Herssenen, het Merg, de +Senuwen, en die subtiele Materie, die in een ogenblik tot de beweegende +vesels overgevoert word, moeten hier alle in geconsidereert worden, en +nog meerder; sal men eyndelyk eens tot de klaare waarheid komen. Wat my +belangt, ik beken, dat ik yets getragt heb om te seggen, maar ik weet +ook, dat ik gehandelt heb, als of ik de heldere stralen van de Son met +een houte kool heb willen afmaalen; soo dat in myn Verhandeling geen +andere glans is, als die sy verkrygen sal, door het heldere ligt der +waarheid, dat deselve daar in te syner tyt, sal openbaaren. Het geen als +dan weesen sal, soo wanneer alle dese dingen door gelukkiger verstanden +ontdekt syn. En dat sal gewisselyk gebeuren, indien wy de natuur tot +GODS eer, en niet tot onse eyge en verwaande glorie ondersoeken. En als +dan sal men ook soo veel vergenoegen en eygen behaagen in die brandende +lust van schryven niet vinden: alsoo het werken tot GODS eer een bedryf +is, dat tegens alle de bewegingen van onsen verdurven aart stuyt, +dewelke altyt soekt gepreesen en geflatteert te weesen; en de naam te +hebben, van wel te hebben geschreeven, dat ik ook oordeel een ydelheid +der ydelheeden te syn, om dat de waarheid alleen ons fondament en onsen +roem moet weesen. Maar wie sal die uytvinden, daar wy selfs soo onwetent +in dese sigtbaare saaken syn? Waarom ik dan besluit, dat alle goede en +waaragtige wetenschappen en ontdekkingen milde gaven GODS syn, die hy +geeft aan wie het hem belieft, en die hy op syn tyt ontdekt. Wat ik nu +voorts van de Senuwen aangemerkt hebbe, dat is in de uytleggingen van +het Tractaat van de Neushoornige Schalbyter te vinden.</p> + +<h4 class = "extended">EYNDE.</h4> + +<hr class = "section mid"> + +<p class = "illustration"> <!--omit?--> +<img src = "images/swammer/figpage.jpg" width = "236" height = "507" +alt = "Figuren"> +</p> + +<span class = "pagenum">96</span> +<!-- no printed page number--> +<a name = "page96"> </a> +<!--png 114--> + +<h4 class = "section">Tab. XLIX. Verklaart.</h4> + +<p class = "mynote"> +The heading “Tab. XLIX.” does not appear on the Figures page.<br> +Het opschrift „Tab. XLIX.“ is niet te zien op de pagina met +Illustraties. +</p> + +<table> +<tr> +<td class = "tablehead" colspan = "2"> +Fig. V.<br> +De beweging van een Spier in de Kikvorsen.</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "letter">aa.</td> +<td>De twee Peesen van een Spier, met de vingeren gevat.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">b.</td> +<td>De neerhangende Senuw geroert synde, waar door de Spier sig samen +trekkende, de twee handen als te samen trekt.</td> +</tr> + +<tr><td class = "tablehead" colspan = "2"> +<img src = "images/swammer/fig5_6.jpg" width = "457" height = "206" +alt = "Figures 5, 6"> +</td></tr> + +<tr> +<td class = "tablehead" colspan = "2"> +Fig. VI.<br> +De manier, hoe de Spier sig als verdikt in syn samentrekking.</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "letter">a.</td> +<td>Een glase Pypken, daar de Spier doorgetrokken is.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">bb.</td> +<td>Twee naalden door syne Peesen gestooken.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">c.</td> +<td>De Senuw aangeroert:</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">dd.</td> +<td>Waar door de naalden <i>bb.</i>, uyt haar plaats bewogen worden tot +<i>dd.</i></td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">e.</td> +<td>Soo dat de Spier de glase Pyp in haar midden door syn contractie +komt te vullen.</td> +</tr> +</table> + +<table> +<tr> +<td class = "tablehead" colspan = "2"> +Fig. VII.<br> +De manier, hoe het Hart in syn contractie minder plaats beslaat.</td> +<td rowspan = "16"> +<img src = "images/swammer/fig7.jpg" width = "80" height = "476" +alt = "Figure VII"> +</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "letter">a.</td> +<td>Het Hart sig contraherende, daar het in een glase spuyt op de suyger +geplaatst is.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">bb.</td> +<td>De glase Spuyt.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">c.</td> +<td>Een droppelken water in het Pypken van die Spuyt, dat op de +contractie van het Hart nederdaalt.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">d.</td> +<td>De plaats in het Pypken, waar by aangeweesen wort, hoe laag het +droppelken <i>c.</i>, als dan neerwaarts bewogen wort.</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "tablehead" colspan = "2"> +Fig. VIII.<br> +De manier, hoe een Spier in syn samentrekking minder plaats +beslaat.</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "letter">a.</td> +<td>De Spuyt.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">b.</td> +<td>De Spier.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">c.</td> +<td>De Silverdraat, daar de Senuw in gevat is.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">d.</td> +<td>Een Koperdraat van boven met een oogken, daar de Silverdraat door +passeert.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">e.</td> +<td>Een droppelken Water in het pypken van de Spuyt.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">f.</td> +<td>De Hant die de Senuw roert, en waar door de Spier, als hy sig +samentrekt, het droppelken <i>e.</i> een weynig naar beneden +beweegt.</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "tablehead" colspan = "2"> +Fig. IX.<br> +Dit vorige op een ander manier vertoont.</td> +</tr> + +<tr> +<td class = "letter">a.</td> +<td>De Spuyt van glas.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">b.</td> +<td>Een gaatken in de Spuyt gedrilt.</td> +</tr> +<tr> +<td class = "letter">c.</td> +<td>De Senuw die door dit gaatken getrokken is.</td> +</tr> +</table> + +<!-- png 115 --> +<!-- Figs. V - IX on unpaginated leaf with blank back --> + +<!-- png 116 --> + + +<hr class = "chapter"> + +<a name = "page97" id = "page97"> </a> +<!--png 117--> + +<span class = "pagenum">98</span> +<a name = "page98" id = "page98"> </a> +<!--png 118--> + +<h3>HERMANNI BOERHAAVE</h3> + +<h3 class = "boldf">DE USU RATIOCINII MECHANICI<br> +IN MEDICINA</h3> + +<h1 class = "extended">ORATIO</h1> + +<h5 class = "extended">HABITA IN AUDITORIO MAGNO</h5> + +<h5>XXIV. SEPTEMBRIS.</h5> + +<h5>MDCCIII.</h5> + +<hr class = "tiny"> + +<h6>CUM TERTII SUAE STATIONIS ANNI<br> +LABORES AUSPICARETUR.</h6> + +<!--png 119--> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/boerhaave.jpg" width = "391" height = "517" +alt = "Boerhaave" title = "Boerhaave"> +</p> + +<!--png 120--> + +<span class = "pagenum">99</span> +<a name = "page99" id = "page99"> </a> +<!--png 121--> + +<h2>REDEVOERING</h2> + +<h6>VAN</h6> + +<h3>HERMAN BOERHAAVE</h3> + +<h6>OVER</h6> + +<h4 class = "boldf">HET NUT DER MECHANISTISCHE<br> +METHODE IN DE GENEESKUNDE,</h4> + +<h3>DOOR HEM GEHOUDEN IN HET GROOT-AUDITORIUM DER RIJKS-UNIVERSITEIT TE +LEIDEN,</h3> + +<h5 class = "smallcaps">op den 24<sup>sten</sup> SEPTEMBER 1703,</h5> + +<h6 class = "extended">BIJ DEN AANVANG VAN ZIJN DERDE AMBTSJAAR.</h6> + +<hr class = "section"> + +<table class = "parallel"> +<tr> +<td> +<span class = "pagenum latin">100</span> +<a name = "page100" id = "page100"> </a> +<!--png 122--> +<p class = "inset1"> +<i>Nobilissimis et Splendidissimis Viris</i><br> +<span class = "smallcaps">Academiae Batavae<br> +Curatoribus,</span> +</p> +</td> +<td> +<span class = "pagenum dutch">101</span> +<a name = "page101" id = "page101"> </a> +<!--png 123--> +<p class = "inset1"> +<i>Den Edel Groot Achtbaren Heeren</i><br> +<span class = "smallcaps">Curatoren Der<br> +Leidsche Universiteit,</span> +</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Jacobo, Baroni Wasnariae,</span> Toparchae +Opdami, Hensbroek, +Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis +Equestris Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis +Equestris Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae +Magistro. Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos +Poloniae et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et +ad Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +Den Heere <span class = "smallcaps">Jakob, baron van Wassenaer</span>, +heer van Obdam, +Hensbroek, Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., +oudste lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche +koninklijke orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde +Nederlanden, gouverneur van ís Hertogenbosch, buitengewoon gezant bij +H. H. M. M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij +Z. H. den Keurvorst van Hannover en bij onderscheidene Duitsche +vorsten, enz. enz.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Huberto Rosenboom,</span> JCto, Toparchae +in ís Grevelsregt, +Supremae Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +Den Heere Mr. <span class = "smallcaps">Hubertus Rosenboom</span>, heer +van ís Grevelsregt, +voorzitter van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Hermanno van den Honaart,</span> JCto, Viro +Consulari in Senatu +primae in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos +Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum +Alblasserwaarde, etc. etc.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +Den Heere Mr. <span class = "smallcaps">Herman van den Honaart</span>, +burgemeester van +Dordrecht en afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, +dijkgraaf van Alblasserwaarde, enz. enz.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "inset1"> +<span class = "smallcaps">Eorumque collegis,</span><br> +<i>Amplissimis, Gravissimisque Viris</i>,</p> +</td> +<td> +<p class = "inset1"> +<i>Den Edel Achtbaren Heeren</i> +</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Johanni van den Berg</span>, JCto, Consulum +hoc anno Praesidi, et +Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario,</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Conrado Ruysch,</span> JCto.</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Abrahamo van Alphen,</span> JCto.</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">D. Petro van Dorp.</span></p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +Den Heere Mr. <span class = "smallcaps">Jan van den Berg</span>, eersten +burgemeester van Leiden +en secretaris van het college van Curatoren.</p> +<p class = "hanging"> +Den Heere Mr. <span class = "smallcaps">Coenraad Ruysch</span>,</p> +<p class = "hanging"> +Den Heere Mr. <span class = "smallcaps">Abraham van Alphen</span>,</p> +<p class = "hanging"> +Den Heere <span class = "smallcaps">Pieter van Dorp</span>,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<div class = "righthalf"> +<p align = "center"> +Hanc Orationem<br> +Ea, qua par est, veneratione<br> +Sacrat<br> +Virtuti, et Nomini Eorum<br> +Devotissimus<br> +HERMANNUS BOERHAAVE.</p> +</div> +</td> + +<td> +<div class = "righthalf"> +<p align = "center"> +draagt deze redevoering<br> +met verschuldigden eerbied op<br> +de hun toegewijde<br> +HERMAN BOERHAAVE.</p> +</div> +</td> +</tr> +</table> + +<br> + +<hr class = "mid"> + +<table class = "parallel"> +<tr> +<td width = "45%"> +<span class = "pagenum latin">102</span> +<a name = "page102" id = "page102"> </a> +<!--png 124--> +<h4>HERMANNI BOERHAAVE</h4> + +<h4 class = "smallcaps">De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina</h4> + +<h4 class = "extended">ORATIO.</h4> +</td> +<td> +<span class = "pagenum dutch">103</span> +<a name = "page103" id = "page103"> </a> +<!--png 125--> + +<h4 class = "extended">REDEVOERING</h4> + +<h6>VAN</h6> + +<h4>HERMAN BOERHAAVE</h4> + +<h6>OVER</h6> + +<h5 class = "smallcaps">Het nut der Mechanistische Methode in de +Geneeskunde,</h5> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p><span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/q_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "Q: Qui" title = "Q: Qui"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">Q</span>ui corporum vires ex mole, +figura, et velocitate, vel assumtis, vel +deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici +appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux, +Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni +aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et +insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam!</p> +</td> +<td> +<p><span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/z_top.png" +width = "194" height = "159" alt = "Z: Zij" title = "Z: Zij"></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/z_bottom.png" +width = "33" height = "198" alt = ""></span>ij, die de krachten der +lichamen naar hun massa, vorm en snelheid, +hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe +waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten genoemd. +Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner wetenschap, welke +op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen aantoonden, zoozeer +de achting der weldenkenden verworven, dat men niet licht eene andere +wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde in gelijke mate in +ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een wonderbaarlijk +gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne alle verwachting te +boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke grenst?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique +principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi +inventi.</p> +</td> +<td> +<p> +Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan +ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en +ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti +rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium vero +severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu +dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe +supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur +immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento.</p> +</td> +<td> +<p> +Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen op +het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts +eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld zijn, +voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders +ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller +wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij, op +zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend heeft, +die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij het te +danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de +beweegkracht zij, waarover wij beschikken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris +disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices, +sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In +<span class = "pagenum latin">104</span> +<a name = "page104" id = "page104"> </a> +<!--png 126--> +sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo +censetur.</p> +</td> +<td> +<p> +Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire, +wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor +andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen, +<span class = "pagenum dutch">105</span> +<a name = "page105" id = "page105"> </a> +<!--png 127--> +als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van +dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof +nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk, +opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij +niets goeds vermag tot stand te brengen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo +medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim. +Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim, +si plani sermonis perspicuitate evicero, <i>Mechanices in Medicina usum +esse summum, necessitatem maximam</i>.</p> +</td> +<td> +<p> +Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de +waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik gemeend +heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur voor U te +behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting als aan +mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal duidelijk +zal hebben aangetoond, <i>dat de Mechanica voor de Geneeskunde van +buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is</i>.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed +reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata +dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati +sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa +veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet +et odia.</p> +</td> +<td> +<p> +Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke +rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit echter +niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo welbekende +strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds lang de +vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit deze slechts +der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus terstond +onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar hij, die +strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel, het moge hem +gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en aandacht vergt +hij van zijne hoorders.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos +tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam. +Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori +propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus +rite deduxerit.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de +Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige +tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard echter +van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur voordoet, +zal niemand alleen door logische redeneering uit deze algemeene +definitie der Wiskundigen kunnen afleiden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso +accurate omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non +dabit conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. Ab +hac ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus +pollet; adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daar deze immers +voortgesproten is uit de samenvatting van die eigenschappen, welke alle +lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige uitsluiting van alles, wat het +eene lichaam van het andere onderscheidt, zal daaruit met nog zoo +logische redeneering geen enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden, +die over den bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En +toch hangt juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere +werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van deze +laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">106</span> +<a name = "page106" id = "page106"> </a> +<!--png 128--> +Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari +conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem in +indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit, +nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque +effectus perspexit.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">107</span> +<a name = "page107" id = "page107"> </a> +<!--png 129--> +Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te +bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn +anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den +eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze +voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met de +zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder heeft +nagegaan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria +rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem, +collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus +patet.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van de +bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te onderzoeken +zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne +eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij haar +geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen waarneembaar +is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein +Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici +possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam. +Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus +certa, neque minus apta usui erunt.</p> +</td> +<td> +<p> +Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten +langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar +voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met +behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch zullen +de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder waar, noch +minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae +cujusdam machinae constructionem reseret, clavis.</p> +</td> +<td> +<p> +Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere +inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti, +quam contemplamur, Universitati rerum.</p> +</td> +<td> +<p> +Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het +menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons +omringende natuur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si seria +speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus, +diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus +conflatum.</p> +</td> +<td> +<p> +Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat +het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met +wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in +vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is uit +verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er doorheen +stroomende vochten in beweging gebracht worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit plures +producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane evidentia ex +mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt. Quod +confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum partium +una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem deinceps +effectum speramus. Humanum ergo verum est, +<span class = "pagenum latin">108</span> +<a name = "page108" id = "page108"> </a> +<!--png 130--> +quale Mechanici speculantur, +corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie exhibetur.</p> +</td> +<td> +<p> +Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het +vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen +voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der mechanica, +bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de onderlinge +verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit, dat, wanneer +een dezer deelen louter +<span class = "pagenum dutch">109</span> +<a name = "page109" id = "page109"> </a> +<!--png 131--> +ten gevolge der mechanische beweging vernield +of ook slechts de stevigheid der verbinding verminderd is, de vroeger +waargenomen werking stellig uitblijft. Het menschelijk lichaam is dus +een zuiver mechanisch lichaam en vertoont er derhalve alle eigenschappen +van.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina +explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non +quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine +finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares.</p> +</td> +<td> +<p> +Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen +zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige behandeling +kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door zinnelijke +waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste gegevens aan +het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke eigenschappen, die +geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene oneindige +verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven grond +uitgekozen zijn.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando +majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in +minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his, +majoribusque naturam demonstrans.</p> +</td> +<td> +<p> +Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de +ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door den +bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na te +gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen +hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop, +hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg +overeenkomen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Sed et liquidorum scientia revelavit +multa, quae humorum per vasa nostra circumactorum ingenium, impetum, +directionemque determinant. Quare, aut ex omnibus his nihil lege +scientiae deduci poterit unquam, aut soli mechanicae in cognoscendo, +adeoque et in gubernando corpore humano palma tribuenda erit.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren +doen kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der +door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal aan +geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang moeten +worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het naar onzen +wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men misschien mocht +willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs wetenschappelijken weg +niets valt af te leiden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis +observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive +emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet, +quis asseret?</p> +</td> +<td> +<p> +Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk +waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt of +ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met elkaar +in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars kan +worden afgeleid?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane +pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur, +palam facit.</p> +</td> +<td> +<p> +Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote +traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste geringschatting +voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere +quae forte solus non possit.</p> +</td> +<td> +<p> +Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den +goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar +voor te stellen, waartoe misschien <i>zijne</i> krachten alleen te kort +schieten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<span class = "pagenum latin">110</span> +<a name = "page110" id = "page110"> </a> +<!--png 132--> +<p> +Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens +quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae +corporea rectius excutiat, artem.</p> +</td> +<td> +<span class = "pagenum dutch">111</span> +<a name = "page111" id = "page111"> </a> +<!--png 133--> +<p> +Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit +genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen +opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht hiertoe +ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere wetenschap +aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen der lichamen +uit te vorschen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Id qui aggreditur, necessarium est ut +statuat rerum naturam optime explicari per ea principia, quae a quaesita +rei natura maxime aliena sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata +veri indagandi methodo longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque +se intricat absurdis, ut, nulla ejus ratione habita, propositum +demonstratum putem.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet +hebben, dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van +zulke grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen, +en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de +onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke +ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter zou +hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat ik, +zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen mag +achten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab usu +communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex +plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te zeer +afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot instemming +nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht van een +betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid der +menschen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus +ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus +mederi cura est.</p> +</td> +<td> +<p> +Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de +zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle +beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim gebruik +maken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis +allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati +defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius +rei praeprimis necessaria habentur.</p> +</td> +<td> +<p> +Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen +zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te +brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische +schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet +worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak zelve +meen niet achterwege te mogen laten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam +beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales +esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima +circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus +fugiat, vel laniones norunt.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is en +door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te +behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen +loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het grootst, +langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij niet meer +voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de slagers.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Neque minus vulgatum, a corde exortum unum +horum truncum explicari in ramos laterales, figura trunci similes, eadem +ratione et divisos rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut +truncus recta pergens, in loco +<span class = "pagenum latin">112</span> +<a name = "page112" id = "page112"> </a> +<!--png 134--> +divisionis majori plerunque capacitate +aperiatur quam rami, qui ad latera trivii hujus porriguntur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Niet +minder algemeen bekend is het, dat één hoofdstam van deze kanalen, van +het hart +<span class = "pagenum dutch">113</span> +<a name = "page113" id = "page113"> </a> +<!--png 135--> +uitgaande, zich in zijtakken splitst, die met den hoofdstam +gelijkvormig zijn en op dezelfde wijze als deze zich op hun beurt +splitsen en langzamerhand in omvang afnemen, waarbij echter deze +eigenaardigheid valt op te merken, dat de recht doorloopende hoofdstam +ter plaatse, waar hij zich vertakt, gewoonlijk een wijder opening +vertoont dan de aan dezen driesprong ontspringende zijtakken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Sinuoso +autem flexu ita haec omnia vasa curvari, ut cavitatum latera ad +infinitos numero, et magnos valde angulos ubique inflectantur, hujusque +Spirae gravissimos effectus esse in sanguinem transfluentem, observarunt +a paucis retro annis, qui Geometricas subtilitates rebus applicuere +Medicis.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Dat echter +al deze vaten zoodanige krommingen beschrijven, dat de zich zijdelings +vertakkende buizen op een oneindig aantal plaatsen wijde hoeken vormen +en dat deze windingen een buitengewonen invloed uitoefenen op de +doorstrooming van het bloed, is eerst voor weinige jaren ontdekt door +hen, die de scherpzinnig gevonden stellingen der wiskunde op +geneeskundige vraagstukken hebben toegepast.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quam mirabili vero, quam efficaci fabrica flexiles finxit hos canales +Adorandus nostrae machinae Faber!</p> +</td> +<td> +<p> +Met welk een bewonderenswaardige, met welk een doeltreffende +kunstvaardigheid heeft de aanbiddelijke Bouwmeester van ons mechanisme +deze buigzame kanalen gevormd!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Dum a premente intus liquido distendi posse sine lacerationis discrimine +voluit, eoque rursum fecit ingenio, ut humorem a dilatatione reciproca +cessantem valido cum impetu cogere, se vero in arctiorem capacitatem +propria sponte restituere queant.</p> +</td> +<td> +<p> +Hij wilde, dat zij door het tegen hunne wanden drukkende vocht zonder +gevaar voor scheuring zouden kunnen uitgezet worden en verleende hun +tevens het vermogen, tot hun vroegeren omvang vanzelf weder terug te +keeren en het vocht met een krachtigen stoot voort te stuwen, zoodra dit +opgehouden heeft ze uit te zetten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ultimos autem arteriae, hosque minutatim divisos fines in membrana, ut +firma basi, ordinari, ibique per fistulas in mutuos occursus emissas +hiare inter se, ante Malpigium viderat nemo. Ille primus ambages +resolvit et mille viarum dolos, quos pulsa in hos Maeandros liquida +pererrant.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "smallcaps">Malpighi</span> was echter de eerste, die zag, +dat de laatste +uiteinden der slagader, in zeer dunne buisjes vertakt, in een vlies, als +in een stevig omhulsel, zijn samengevoegd en daar door middel van nauwe +kanalen wederkeerig met elkander in gemeenschap staan. Hij heeft ons het +eerst den weg leeren vinden in het labyrint der tallooze dwaalwegen, +welke de vloeistoffen, langs deze kronkelpaden voortgedreven, te +doorloopen hebben.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed, o admirabilitatem maximam! o mechanismum pollicis divini!</p> +</td> +<td> +<p> +Doch het wonderbaarlijkste, waarbij zich de vinger Gods waarlijk in Zijn +werk openbaart, is wel het volgende.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tanta enim accuratione digesti ramuli aequali hic viae latitudine +porrecti et laterali progenie orbi, primordia venarum, Lymphaeductuum, +horumque sinus mutata constituunt figura.</p> +</td> +<td> +<p> +De takjes, welker loop met zoo groote zorgvuldigheid geregeld is en die +zich hier alle langs banen van gelijke breedte in rechte richting, +zonder zijdelingsche vertakkingen, voortbewegen, vormen, van gedaante +veranderend, de eerste beginselen der aderen en lymphvaten met hunne +boezems.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Haec ea sunt, quae oculi acies, microscopium, vasorum in vivis +ligaturae, hydrargyrium mortuis injectum, contemplatio figurae morbosae, +<span class = "pagenum latin">114</span> +<a name = "page114" id = "page114"> </a> +<!--png 136--> +comparatio denique brutorum, piscium, insectorum et plantarum +detexit.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat is het, wat de waarneming met het bloote oog en met het microscoop, +het afbinden der vaten bij levenden, de inspuiting +<span class = "pagenum dutch">115</span> +<a name = "page115" id = "page115"> </a> +<!--png 137--> +der lijken met +kwikzilver, de beschouwing van het lichaam in ziekelijken toestand en +eindelijk de vergelijking met dieren, visschen, insecten en planten aan +het licht gebracht heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Praeter illa in arteriis ipsis deprehenditur nihil, falso finguntur +plurima.</p> +</td> +<td> +<p> +Buiten de genoemde verschijnselen vertoonen de slagaderen er geen enkel; +al wat er verder van verteld wordt, berust op louter verdichting.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Maxima ergo corporis, eaque efficax valde ad vitam pars, Mechanica +descriptione, canalis est conicus, elasticus, inflexus, divisus in +similes minores eodem trunco ortos, qui ultimo circa vertices +cylindricos retis structura in se mutuo patent.</p> +</td> +<td> +<p> +Een zeer groot deel van het lichaam derhalve en wel dat deel, hetwelk +voor de instandhouding van het leven van het grootste belang is, +bestaat, werktuigkundig uitgedrukt, uit een kegelvormig, veerkrachtig en +gebogen kanaal, waaruit op verschillende punten kleinere kanalen van +denzelfden vorm ontspringen, die ten laatste door middel van +cylindervormige buisjes wederkeerig in elkaar uitmonden, zoodat het +geheel er als een net uitziet.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Id si verum, quod omnium profecto verissimum, nonne sequitur omnes +effectus quos sanguini arteriæ præstant, tantum pendere ab hac earum +fabrica?</p> +</td> +<td> +<p> +Indien het nu waar is—en niets is meer waar dan dat—volgt +daar dan +niet uit, dat alle werkingen van de slagaderen op het bloed slechts +bepaald worden door hare zooeven beschreven inrichting?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nonne et hoc rursum liquet, omnes ergo illos hinc solummodo petendos, et +demonstrandos esse?</p> +</td> +<td> +<p> +En ligt het voorts niet ook voor de hand, dat uit dien hoofde al deze +werkingen slechts daaruit af te leiden en te verklaren zijn?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vos nunc, qui justi sedetis hac in causa Judices, obtestor! Quis ea, quæ +vel hinc duntaxat oriuntur, verae demonstrationis ordine expediet?</p> +</td> +<td> +<p> +Nu vraag ik U, die als onpartijdige rechters geroepen zijt, in deze zaak +uitspraak te doen! Wie is in staat, de gevolgtrekkingen, die alleen +reeds uit de genoemde verschijnselen afgeleid kunnen worden, +systematisch uiteen te zetten?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Solus ille, qui figurarum contemplationi, et oscillatoriæ virtutis +calculo assuetus, callide videt, quam multa, quam gravia ex hisce solis +demonstrare queat; solus ergo Mechanicus.</p> +</td> +<td> +<p> +Ongetwijfeld slechts hij, die, vertrouwd met de nauwkeurige beschouwing +van figuren en de berekening der veranderlijke kracht, de kunst +verstaat, alleen reeds uit de boven beschreven feiten een menigte +belangrijke besluiten te trekken. En dat is toch geen ander dan de +Werktuigkundige.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed patiamur abripi nos admirabilitate hujus arteriæ, brevis certe +levisque attentionis præmium Scientia erit totius fere humani +corporis.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar laten wij ons nog een weinig verdiepen in de beschouwing van de zoo +uiterst merkwaardige slagader; niet minder dan de kennis van bijna het +geheele menschelijk lichaam zal het loon zijn voor een korte en geringe +inspanning van onzen geest.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Illa, ubi depictum antea rete constituit, tubos emittit cylindricos adeo +arctos, qui rubras cruoris sphaeras ore suo capere nequeant; unde his +recipitur tenuior tantum et excolor pars sanguinis.</p> +</td> +<td> +<p> +Zoodra de groote slagader het hierboven beschreven net gevormd heeft, +zendt zij cylindervormige buizen uit, die zóó nauw zijn, dat zij de +roode bloedlichaampjes niet doorlaten, doch slechts het dunnere, +kleurlooze bloed in zich kunnen opnemen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +En veram vasis lymphatici ideam!</p> +</td> +<td> +<p> +Daar hebt ge nu de juiste voorstelling van een lymphvat!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Eadem rursum ibidem loci arteria recto porrigit decursu truncum, +<span class = "pagenum latin">116</span> +<a name = "page116" id = "page116"> </a> +<!--png 138--> +qui +emissis Lymphaticis amplior crassiorem, rubrumque sanguinem, sero +liquidiori orbatum vehat.</p> +</td> +<td> +<p> +Ter zelfder +plaatse zendt de slagader ook een recht doorloopenden +<span class = "pagenum dutch">117</span> +<a name = "page117" id = "page117"> </a> +<!--png 139--> +stam uit, die, +van grooter omvang dan de lymphvaten, bestemd is, het dikkere, roode, +van het helderder serum ontdane bloed te vervoeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ecce venarum genuinam originem!</p> +</td> +<td> +<p> +Ziedaar den waren oorsprong der aderen!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quarum angustam primo cavitatem mox ampliorem reddit infusa ubique nova +per laterales fistulas liquidi venosi, Lymphaticique moles, prorsus ut +novum conum, similem arterioso, eique ad vertices oppositum +repraesentare discat.</p> +</td> +<td> +<p> +Deze, die in het begin zeer eng zijn, nemen allengs in omvang toe door +het van alle kanten nieuw toestroomend aderlijk en lymphvocht, zoodat er +ten laatste een nieuwe kegel, gelijk aan dien der slagader, maar zóó dat +de beide kegels elkaar met hunne toppen raken, gevormd wordt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Perfunctorie tangere quae debui, vasa, vah quae, quamque pulchra in +recessu recondunt!</p> +</td> +<td> +<p> +De vaten, die ik slechts oppervlakkig behandelen kon, ach, hoeveel +schoons bergen zij niet in zich.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Arterias, Venas, Lymphaeductus, descriptumque horum apparatum plano +affigas membranaceo, huic nervos intexas, villosque applices elasticos, +tum convolvas in glomerem, habebis glandulae fabricam.</p> +</td> +<td> +<p> +Hecht slagaderen, aderen en lymphvaten, op de boven beschreven wijze tot +één geheel vereenigd, aan een vliesachtig oppervlak vast, vlecht daar +zenuwen in en breng hier en daar veerkrachtige vezels aan, rol dit alles +vervolgens tot een kluwen op en ge hebt de inrichting van een klier voor +U.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quam quoties cogito, uberrimam mirandorum effectuum matrem contemplor, +simulque ineptissimi cujusque figmenti falso celebratam sedem.</p> +</td> +<td> +<p> +Zoo dikwijls ik hieraan denk, verdiep ik mij in de beschouwing van het +orgaan, dat zoovele wonderbaarlijke werkingen teweegbrengt, waaraan +echter ook zoovele dwaselijk verzonnen eigenschappen zijn +toegeschreven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tu vero inanes Chimaerae latebras aperiens, Tu maxime Malpigi! +Suprahumana industria, incredibili labore, atque cautissima +perspicientia, simplici hoc artificio absolvi ejus compagem, plus quam +demonstras!</p> +</td> +<td> +<p> +U echter, groote <span class = "smallcaps">Malpighi</span>, die alle +hersenschimmen voorgoed +verjaagd hebt, is het door bovenmenschelijken ijver, door ongelooflijke +inspanning en schrander doorzicht gelukt, onwederlegbaar aan te toonen, +dat de schijnbaar zoo ingewikkelde bouw eener klier slechts door de +boven beschreven eenvoudige inrichting tot stand komt!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quanti vero momenti demonstratio! glandularum enim aggregato totum fere +corpus constat!</p> +</td> +<td> +<p> +En hoe belangrijk is deze ontdekking niet! Het geheele lichaam bestaat +immers uit schier niets anders dan uit een samenstel van klieren!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Cerebrum Hippocratico oraculo glandula penicillo Malpigiano depingitur +ut ordinata ex arteriis, venis, receptaculis, emissariisque nervosis +moles. Jecur, Lien, Renes glandulis fiunt adunatis.</p> +</td> +<td> +<p> +De hersenen, die reeds <span class = "smallcaps">Hippocrates</span> een +klier had genoemd, +worden ons nu door het penseel van <span class = +"smallcaps">Malpighi</span> geschilderd als een +massa, bestaande uit slagaderen, aderen en nerveuze reservoirs en +afvoerkanalen. Lever, milt en nieren zijn slechts uit klieren +opgebouwd.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ipsa humoris genitalis officina artificiosus canalium cylindricorum +glomus. Ipsum Embryi dolium, ipsa foetus aula, ipse candidi nectaris, +quod recens nati bibunt, promus condus hac glandulosa operantur arte. +Ossa ipsa et membranas eadem fere compaginari structura quis +<span class = "pagenum latin">118</span> +<a name = "page118" id = "page118"> </a> +<!--png 140--> +dubitat, +nisi cui cedro digna et aere scripta Malpigii, Kerkringii, Havertiique +nondum illuxere?</p> +</td> +<td> +<p> +Ook de kweekplaats van het voortplantingsvocht is een kunstig kluwen van +cylindervormige kanalen. Ja, zelfs de verblijfplaats van het embryo, de +woning der ongeboren vrucht, de voorraadkamer des witten nectars, dien +de jonggeborenen drinken, vertoonen zich +<span class = "pagenum dutch">119</span> +<a name = "page119" id = "page119"> </a> +<!--png 141--> +door hare +afscheidingsprocessen als echte klieren. Dat ook de beenderen en de +vliezen ongeveer op dezelfde wijze gebouwd zijn, wie twijfelt er aan +behalve hij, die nog geen kennis genomen heeft van de onsterfelijke +geschriften van <span class = "smallcaps">Malpighi, Kerkring</span> en +<span class = "smallcaps">Havers</span>?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Lacertis tandem examinandis mentem applicuisse rogo ne poeniteat! Huic +se labori quicunque non subduxerit, nae ille subtilissimae Mechanicae +artis efficacissima instrumenta clarissime reperiet! Musculus enim omnis +nonne ex minoribus similibus componitur? Ultimus vero quid, quaeso, +villus est? Non aliud certe, quam nervosi et angustissimi canalis +dilatata, simulque attenuata pellis canali, unde oritur, cavum formans +amplius soloque inflatum spiritu.</p> +</td> +<td> +<p> +Laat mij ten slotte nog uwe aandacht mogen vragen voor eene oplettende +beschouwing der spieren! Wie zich die moeite getroost, zal in haar de +meest doelmatige instrumenten van allerfijnste mechanistische kunst zeer +duidelijk terugvinden! Is immers niet de spier in haar geheel uit +kleinere spieren van gelijken vorm samengesteld? En wat is nu eigenlijk +haar laatste bestanddeel, de vezel? Stellig niets anders dan een ruim +maar tevens zeer dun vlies, dat tot omhulsel dient voor een uiterst nauw +nerveus kanaal, een grooteren omvang heeft dan dat kanaal, waaruit het +voorkomt en slechts met geest<a class = "tag" name = "tag4_1" id = +"tag4_1" href = "#note4_1">1</a> gevuld is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hujus vero quam immensa sit machinae potentia, scite novit, qui +hydraulica Mariotti experimenta contulit Cartesii Mechanicis.</p> +</td> +<td> +<p> +Hoe reusachtig echter de kracht van dit werktuig is, leert men eerst +recht inzien, indien men de hydraulische proeven van <span class = +"smallcaps">Mariotte</span> +bestudeerd heeft in verband met de werktuigkundige verhandelingen van +<span class = "smallcaps">Cartesius</span>.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Pulmones contemplemini, diversae a caeteris structurae, saccos habebitis +elasticos, sphaeroïdeos, qui abscisso coni vocalis appenduntur vertici; +horum superficies maculis retis sanguiferi ornatur, et, quod mira hic +arcana velat, incilibus fere caret lymphaticis.</p> +</td> +<td> +<p> +Beschouwt aandachtig de longen, die in bouw van de overige organen +verschillen, en ge hebt voor u veerkrachtige, bolvormige zakken, die +afhangen van het afgeknotte uiteinde der luchtpijp; hunne oppervlakte +wordt in den vorm van een net door bloedvaten doorsneden, zij zijn +echter—en dit is een onoplosbaar raadsel—bijna geheel +verstoken van +lymphvaten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ergone, cogitatis forte, admirabilis illa, illa tam artificiosa Hominis +machina simplici adeo perficitur apparatu!</p> +</td> +<td> +<p> +Wordt derhalve, zoo hoor ik u vragen, de zoo wonderbaarlijke, de zoo +kunstige bouw van het menschelijk lichaam slechts door een zoo +eenvoudige inrichting tot stand gebracht?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Certe non fit alio.</p> +</td> +<td> +<p> +Het is stellig niet anders.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Habeat hanc, qui volet, ob simplicitatem, vilem!</p> +</td> +<td> +<p> +Moge, wie wil, er met minachting wegens zijnen eenvoud op neerzien!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Mechanice Organum id laudat, ejusque Auctorem celebrat sapientissimum, +quod quaesito effectui producendo aptissimum, simulque inter omnia, quae +eundem praestare possent, simplicissimum sit.</p> +</td> +<td> +<p> +De Werktuigkundige heeft hieromtrent een geheel tegenovergestelde +opvatting: <i>hij</i> heeft juist den hoogsten lof over voor het vernuft +van +<i>hem</i>, die een werktuig weet te vervaardigen, dat tot het +voortbrengen +der verlangde werking het meest geschikt en tegelijkertijd onder alle, +die deze kunnen voortbrengen, het eenvoudigst is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quid tandem ex hisce concludemus?</p> +</td> +<td> +<p> +Welk besluit kunnen wij nu uit dit alles trekken?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">120</span> +<a name = "page120" id = "page120"> </a> +<!--png 142--> +Corpus nempe humanum machinam esse, cujus solidae partes aliae sint +vasa liquidis coërcendis, dirigendis, mutandis, separandis, colligendis, +et excernendis apta; aliae vero instrumenta mechanica, quae figura, +duritie nexuque suo vel fulcire alia, vel definitos motus exercere +queant.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">121</span> +<a name = "page121" id = "page121"> </a> +<!--png 143--> +Het is dit, dat het menschelijk lichaam een werktuig is, van welks +vaste deelen er sommige bestaan uit vaten, geschikt om de vloeistoffen +te bevatten, te richten, van gedaante te doen veranderen, te verdeelen, +bijeen te zamelen en af te scheiden; andere uit mechanische +instrumenten, die door hunnen vorm, hunne hardheid en de vastheid hunner +verbinding in staat zijn, zoowel anderen deelen tot steun te dienen als +bepaalde bewegingen uit te voeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Peccabo in patientiam vestram vestrumque decus, si cuncta examussim +explico. Id unum bona audietis cum gratia: Hippocratem cum integro, quem +sequutus est Babyloniorum, ægyptiorum, Graecorumque choro, cum integra, +quae eum sectata est Grajorum schola duo haec, non alia detexisse.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik zou uw geduld te zeer op de proef stellen en daardoor aan uwe +waardigheid te kort doen, indien ik alles tot in de kleinste +bijzonderheden wilde uiteenzetten. Slechts dit zult gij wel zoo +vriendelijk zijn te willen aanhooren, dat <span class = +"smallcaps">Hippocrates</span> met de +gansche schare van Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken, wier voetstappen +hij volgde, en de geheele Grieksche school, die van hem uitging, niets +anders dan de beide genoemde groepen van lichaamsdeelen hebben kunnen +ontdekken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Arabas omni industria, omni anatomes cultu tertium addere potuisse +nunquam.</p> +</td> +<td> +<p> +De Arabieren hebben, hoe ijverig zij zich ook op de studie der +ontleedkunde toelegden, nooit een derde hieraan kunnen toevoegen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Instauratorem anatomes consulite Vesalium, hujus aemulos Eustachium et +Fallopium; tum immortales inventis Harvaeum et Malpigium; et hos, qui +singuli novis antiqua emendarunt Asellium, Pecquetum, Bartholinum, +Dathirium, Bellinum, Glissonium, Wharthonum et Willisium;</p> +</td> +<td> +<p> +Raadpleegt <span class = "smallcaps">Vesalius</span>, die de +ontleedkunde in nieuwe banen leidde, diens mededingers +<span class = "smallcaps">Eustachius</span> en <span class = +"smallcaps">Fallopius</span>, vervolgens ook <span class = +"smallcaps">Harvey</span> en <span class = "smallcaps">Malpighi</span>, +die zich door hunne ontdekkingen een onsterfelijken naam verworven +hebben, voorts <span class = "smallcaps">Asellius, Pecquet<a class = +"tag" name = "tag4_a" id = "tag4_a" href = "#note4_a">A</a>, +Bartholinus, Dathir, Bellini, Glisson, Wharton</span> en <span class = +"smallcaps">Willis</span>, die elk op hunne beurt oude meeningen voor +nieuwe, betere inzichten hebben doen plaats maken;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +his jungite +juxta leges mechanicas anatomicos Lealem et Louwerum, quique in +abditissima penetrarunt, Hokium, Pouwerum, Leeuwenhoekium, deprehensuri +estis omni arte, omni artis adjumento bina, quae dixi, nec inventa +alia.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +voegt bij dezen <span class = "smallcaps">Leal</span> +en <span class = "smallcaps">Louwer</span>, die de wetten der +mechanica op de ontleedkunde toepasten, en eindelijk <span class = +"smallcaps">Hooke, Pouwer</span> en <span class = +"smallcaps">Leeuwenhoek</span>, die tot de diepste verborgenheden zijn +doorgedrongen, en ge zult vinden, dat zij met al hunne wetenschap, met +alle middelen, welke hun bij hun onderzoek ten dienste stonden, geene +andere dan de twee genoemde bestanddeelen van het menschelijk lichaam +hebben kunnen ontdekken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Cur alia ergo fingere precario quempiam patiemur, nobisque imponentem in +aeternum verba dare?</p> +</td> +<td> +<p> +Waarom zouden wij dus dulden, dat men andere willekeurig verzint en ons +maar steeds wat op de mouw speldt?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ubi Elementis, qualitatibus, formis, causis chemicis, animatis, +metaphysicis, amoris et odii affectibus, ubi, inquam, tot fabulis locus, +causa, necessitas?</p> +</td> +<td> +<p> +Wat hebben wij hier te doen met elementen, hoedanigheden, vormen, +chemische, bezielde en metaphysische oorzaken, liefde en haat; waar is +hier sprake van, aanleiding tot en behoefte aan zoovele +verdichtselen?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nulla profecto vel vestigium sui hic figmenti secta invenit.</p> +</td> +<td> +<p> +Geen enkele school vond hier ook maar een spoor van de door haar +verzonnen verschijnselen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">122</span> +<a name = "page122" id = "page122"> </a> +<!--png 144--> +Soli Mechanici suum objectum hic agnoscunt, neque aliud in toto, qua +solidum est, corpore quidquam datur. Ille ergo soli audiendi, horum +effata sola consulenda, eorum principia sola imploranda, horum methodus +sola adhibenda, ubi de effectu organi perspecti quaeritur.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">123</span> +<a name = "page123" id = "page123"> </a> +<!--png 145-->Slechts de Werktuigkundigen mogen het menschelijk lichaam +als hun +gebied van onderzoek beschouwen en in dat geheele lichaam, ten minste +wat zijne vaste deelen aangaat, is niets wat daarbuiten valt.</p> +<p> +Derhalve verdienen <i>zij</i> alleen gehoor, moeten slechts <i>hunne</i> +uitspraken geraadpleegd, slechts <i>hunne</i> beginselen aanvaard, +slechts +<i>hunne</i> methode toegepast worden, wanneer onderzoek gedaan wordt +naar de +werking van een orgaan, welks bouw men reeds genoegzaam doorzien +heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sola erit firma, quae a perito in his Magistro profertur, +demonstratio.</p> +</td> +<td> +<p> +Slechts <i>dat</i> betoog zal hier van kracht zijn, dat door een in +<i>deze</i> +wetenschap ervaren Meester geleverd wordt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Agite o Viri, queis dicta forte displicent, quid facit in oculo vel +simplex illa figura corneae, quid aquae, quid crystallinae lentis, quid +vitrei humoris determinata superficies et definita spissitudo?</p> +</td> +<td> +<p> +U, o mannen, die wellicht niet instemt met mijne woorden, vraag ik, wat +de beteekenis is van den toch zoo eenvoudigen vorm van het hoornvlies, +wat die van de bepaalde oppervlakte en dichtheid van het waterachtig +vocht, van de kristallens en van het glasachtig vocht.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Enarrate quid auris externae Helices, quid meatus auditorii arctior et +inflexa in medio, latior et porrecta ad utrumque extremum via faciat ad +exceptionen, directionemque radii sonori?</p> +</td> +<td> +<p> +Zegt mij toch, wat de schelpen van het uitwendige oor en de in het +midden eenigszins nauwe en omgebogen, doch aan de beide uiteinden +breedere en recht doorloopende weg van de gehoorgang beteekenen voor het +opvangen en richten der geluidsgolven?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Membranae Tympani tenuitatem, figuram ejus ellipticam versus interiora +ossis petrae convexam, hujus mutabilem in varias curvaturae figuras +formam ope affixi et agitati suo musculo malleoli contemplemini, et +dicatis, quis effectus constantissimae hujus tamque operosae in +vilissimo quoque animalium fabricae?</p> +</td> +<td> +<p> +Beschouwt de fijnheid van het trommelvlies, zijnen elliptischen, in de +richting van de binnenzijde van het rotsbeen bollen, vorm en de velerlei +krommingen, welke het door middel van het hamertje, dat daaraan +vastgehecht is en door een afzonderlijke spier in beweging gebracht +wordt, kan aannemen, en zegt mij dan, wat de werking is van deze +inrichting, die zich zelfs bij het geringste dier steeds op dezelfde +wijze en even ingewikkeld vertoont?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nunc daedalei labyrinthi, conchæ, vestibuli, duplicis in cochlea +turbinata spirae, loci ovalis et rotundæ fenestræ, tot inquam +miraculorum mechanicorum, quae durissimae hic insculpsit petrae Divina +manus, date rationem.</p> +</td> +<td> +<p> +Wijst ons ook de strekking aan van het kunstige doolhof, van de schelp, +van het voorportaal, van de dubbele winding van het kegelvormig +slakkenhuis, van het ovale en het ronde venster, van zoovele wonderen +van mechanistische kunst, welke Gods hand hier in de zeer harde rots +heeft uitgehouwen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sine profunda Mechanices Scientia nil veri vos intellecturos, nil boni +prolaturos aliis, utamini quolibet adminiculo, audacter affirmo.</p> +</td> +<td> +<p> +Als mijne stellige overtuiging spreek ik het uit, dat gij zonder een +diepgaande kennis van de Werktuigkunde noch zelf er iets van zult kunnen +begrijpen, noch anderen iets van beteekenis er over mededeelen, welke +hulpmiddelen gij bij uw onderzoek ook moogt bezigen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +De solidis, quae dixi, pauca haec sufficiant; urget ratio ut nonnulla de +fluidis subnectam.</p> +</td> +<td> +<p> +Moge dit weinige, dat ik over de vaste stoffen zeide, volstaan; het ligt +in de rede, dat ik hieraan het een en ander over de vloeistoffen +toevoeg.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">124</span> +<a name = "page124" id = "page124"> </a> +<!--png 146--> +Haec enim illa sunt, quorum motu vita, quorum libero per vasa fluxu +sanitas absolvitur.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">125</span> +<a name = "page125" id = "page125"> </a> +<!--png 147-->Deze zijn het immers, van welker beweging het leven en van +welker +onbelemmerde strooming door de vaten de gezondheid afhangt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Illorum autem naturam exacte capit, qui minuta novit corpuscula et +agitata, quorum congeries fluidum constituit. Eorum unum si spectatur, +rationem habet solidi, adeoque mole, motu, figuraque quidquid agit, +efficit. Quare effectus, quos una fluidi pars producit, soli Mechanico +patent per experimenta indagandi.</p> +</td> +<td> +<p> +Van hare geaardheid kan echter hij alleen zich een duidelijke +voorstelling maken, die de kleine en beweeglijke lichaampjes kent, door +welker opeenhooping de vloeistof gevormd wordt. Beschouwt men zoo één +enkel lichaampje, dan vertoont het het karakter eener vaste stof en al +zijne werkingen worden derhalve bepaald door massa, beweging en vorm. +Hieruit volgt, dat de werkingen, die elk deeltje eener vloeistof +afzonderlijk teweegbrengt, slechts door den Werktuigkundige langs +experimenteelen weg kunnen opgespoord worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quod ex ante dictis quum sponte fluat sua, latiori sermone non explano; +unum hoc pronuncians, non eo usque hactenus provectam hanc liquidorum +scientiam, quae usum rei praestet idoneum.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar dit echter uit het vroeger gezegde vanzelf voortvloeit, zal ik hier +niet verder over uitweiden, maar slechts dit opmerken, dat onze kennis +der vloeistoffen, wat dit punt betreft, nog niet zóóver gevorderd is, +dat zij reeds practische resultaten kan opleveren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +At si totam fluidi molem simul spectamus, gravitas ejus fluorque +communes deprehunduntur sublunaris liquidi proprietates. Virtus vero +elastica, ponderis, spissitudinis, fluiditatis, nixusque in contactum +gradus varii, momentum impetus quo fertur, et itineris directio palmaria +sunt quae unum ab alio fluidum distinguunt. Horum vero omnium tanta +efficacia est, ut infinita, quae sanis contingunt, non aliunde +oriantur.</p> +</td> +<td> +<p> +Letten wij daarentegen op de gezamenlijke massa der vloeistof, dan nemen +wij zwaarte en strooming als de eigenschappen waar, welke alle vochten +op aarde met elkander gemeen hebben. De elasticiteit echter, de +verschillende graden van zwaarte, dichtheid, vloeibaarheid en +adhaesievermogen, de snelheid en de bewegingsrichting zijn de +voornaamste eigenschappen, waardoor de vloeistoffen zich onderling +onderscheiden. De invloed nu van al deze eigenschappen is zóó groot, dat +de oorsprong der tallooze verschijnselen, welke het menschelijk lichaam +in normalen toestand te aanschouwen geeft, slechts daarin behoeft +gezocht te worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quamobrem quicunque ex praecepto scientiae rite haec enucleat, opus is +absolvit summae ad perfectionem medicam necessitatis.</p> +</td> +<td> +<p> +Wie derhalve van dit alles op streng wetenschappelijke wijze een +systematische uiteenzetting weet te geven, verricht daarmede een werk +van het grootste belang voor de bevordering der geneeskunde.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed fidem vestram! quis proponere, explicare et demonstrare vim eorum +poterit, qui Hygrostatices, quae subtilis Mechanices pars, rudis +est?</p> +</td> +<td> +<p> +En nu vraag ik U, wie zal de beteekenis der genoemde verschijnselen +kunnen in het licht stellen, verklaren en aantoonen, die niet vertrouwd +is met de Evenwichtsleer der vloeistoffen, dat zoo ingewikkelde +onderdeel der Werktuigkunde?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Haec illa est Aquilegum scientia, quae ex assumtis, modo quas descripsi, +affectionibus ratiocinia nectens geometrica utilissima et usui apta +reperit Theoremata.</p> +</td> +<td> +<p> +Dit is de zoo vermaarde wetenschap der Waterbouwkundigen, welke, door +gebruik te maken van wiskundige berekeningen bij de bestudeering der +zooeven door mij genoemde eigenschappen, zeer nuttige en voor de +praktijk bruikbare leerstellingen gevonden heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Haec, neglecta causa physica, et cujusque particulae, quae fluit, +<span class = "pagenum latin">126</span> +<a name = "page126" id = "page126"> </a> +<!--png 148--> +singulari natura, ex his, quae sensibus per eventum in tota mole +patent, quam gravia, quam utilia vitae, methodo invenit Mathematica?</p> +</td> +<td> +<p> +Heeft zij niet, zich niet bekommerend om de natuurkundige verklaring +<span class = "pagenum dutch">127</span> +<a name = "page127" id = "page127"> </a> +<!--png 149--> +der verschijnselen, noch om de werking, die elk deeltje der vloeistof +op zichzelf uitoefent, doch slechts rekening houdend met de voor de +zintuigen waarneembare werking der geheele massa, met toepassing der +wiskundige methode hoogst belangrijke resultaten verkregen, waarvan wij +ook in het dagelijksch leven nut ondervinden?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Evolvat Archimedis, Cartesii, Stevini, Borelli, Mariotti, Hugenii, +Neutoni, et Bellini scripta, qui re, non verbis, convinci cupit.</p> +</td> +<td> +<p> +Hij, die feiten verlangt en zich niet door woorden wil laten overtuigen, +neme de werken van <span class = "smallcaps">Archimedes, +Cartesius</span>, +<span class = "smallcaps">Stevin, Borelli, Mariotte, Huygens</span>, +<span class = "smallcaps">Newton</span> en <span class = +"smallcaps">Bellini</span> ter hand.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +O quam necessaria feliciori Genio, ut revelentur, reliqua sunt in +Pulcherrima hac Speculatione!</p> +</td> +<td> +<p> +Hoezeer ware het te wenschen, dat meer bevoorrechte geesten over de nog +onopgeloste problemen op het gebied dezer wetenschap hun helder licht +lieten schijnen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hanc utinam excolant! utinam exhauriant! utinam nobis aperiant Viri +Mathematice docti!</p> +</td> +<td> +<p> +Mochten toch de Wiskundigen zich op haar toeleggen, haar in alle +richtingen doorvorschen, om ze ons ten slotte met volkomen duidelijkheid +te doen kennen!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ab hoc Eorum labore, quo generales liquidi effectus luce illustrarent +mathematica, brevi tempore plus maturi in horto medico fructus +exspectare licet, quam ab omni eo, quod aliunde in hunc congestum +hactenus.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien zij zich er toe willen zetten, de vraagstukken, rakende de +algemeene werkingen der vloeistoffen, door het licht hunner wetenschap +op te helderen, mogen wij verwachten, dat hun arbeid binnen korten tijd +rijker vrucht voor de geneeskunde zal afwerpen, dan al hare andere +hulpwetenschappen haar tot nog toe hebben opgeleverd.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Taedet quippe pudetque ineptiarum, quibus seriam prae caeteris Artem +ridiculam fecere, qui Mechanices imperiti vim liquidorum humanorum +explicare conati sunt.</p> +</td> +<td> +<p> +Wij moeten ons inderdaad ergeren en tegelijkertijd schamen over de +zotternijen, waardoor zij, die, zonder kennis der Werktuigkunde, de +werking der menschelijke lichaamsvochten trachtten uiteen te zetten, een +zoo bij uitstek ernstige wetenschap als de geneeskunde in een +belachelijk daglicht geplaatst hebben.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Et palam affirmo, vitalium actiones humorum scire posse neminem, qui +Aquilegum regulas ignorat.</p> +</td> +<td> +<p> +En ik verklaar ronduit, dat niemand de werkingen der levensvochten kan +begrijpen, die niet vertrouwd is met de wetten der Waterbouwkunde.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quae dum libertate Medica firmus assero, jurgii hic illaturos causam +praesagit animus eos, Qui, nescio qua gratia, ab Hermete nomen sibi, +sectamque condunt.</p> +</td> +<td> +<p> +Terwijl ik dit met de vrijmoedigheid, den geneesheer eigen, verkondig, +zie ik in mijne verbeelding reeds hen zich tot den strijd gereed maken, +die, ik weet niet waarom, zich en hunne school naar <span class = +"smallcaps">Hermes</span><a class = "tag" name = "tag4_2" id = "tag4_2" +href = "#note4_2">2</a> +noemen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Egone ex universali hac liquidorum doctrina deduxerim ea, quae +singulares eorum virtutes absolvunt?</p> +</td> +<td> +<p> +Zou ik uit deze algemeene leer der vloeistoffen al datgene kunnen +afleiden, wat betrekking heeft op hare bijzondere eigenschappen?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +An fermenti stabiles motus, diversorum liquidorum ferventes +<span class = "pagenum latin">128</span> +<a name = "page128" id = "page128"> </a> +<!--png 150--> +conflictus, +putredinis spontaneae mirabiles effectus ex Mechanicis explicuerim +unquam?</p> +</td> +<td> +<p> +Of zou ik voor de altijd gelijke bewegingen der gisting, voor +<span class = "pagenum dutch">129</span> +<a name = "page129" id = "page129"> </a> +<!--png 151--> +de +ziedende botsingen der verschillende vloeistoffen of voor de +wonderbaarlijke werkingen der spontane rotting ooit een verklaring +kunnen vinden in de wetten der Mechanica?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Talia objectans, eorum, quae dicta, memor, paucis, quae dicam, animum +adhibeat.</p> +</td> +<td> +<p> +Hij, die zulke tegenwerpingen maakt, moge, gedachtig aan hetgeen ik +reeds gezegd heb, ook het volgende in het oog houden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Mea enimvero sic est ratio, justa, vel secus, vestrum sit judicium.</p> +</td> +<td> +<p> +Want dit is mijne meening hieromtrent; het staat aan U, mijne hoorders, +de juistheid ervan te beoordeelen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ex experimentis Chemicorum historiam haberi posse valde limitatam +singularium eventorum, quatenus in circumstantia definita sensibile +quidpiam producunt.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik geef toe, dat de proeven der Scheikundigen een, trouwens zeer +beperkt, inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van enkele op zichzelf +staande verschijnselen, voor zoover die proeven iets voor onze zintuigen +waarneembaars opleveren, waarbij men dan nog dient rekening te houden +met de bijzondere omstandigheden, waaronder zij plaats hadden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Necessaria ergo quam maxime est Medicinae haec Ars, dum observatorum +Sylvam largitur et observandi praebet optimum compendium.</p> +</td> +<td> +<p> +De scheikunde is derhalve volstrekt onmisbaar voor de medische +wetenschap, daar zij haar de beschikking geeft over een uitgebreide +reeks van waarnemingen en de beste waarnemingsmethoden aan de hand +doet.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Data enim exhibere, horumque definire conditiones valet, regulas autem +ratiocinandi ex his Chemia dabit nunquam.</p> +</td> +<td> +<p> +De Chemie kan dus wel gegevens verschaffen en de voorwaarden, waaronder +deze verkregen zijn, duidelijk omschrijven, doch in geen geval is zij in +staat, vaste regels te geven, volgens welke uit die gegevens verdere +conclusies getrokken kunnen worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ne tamen vel sic nimis, ut solent, se efferant, qui unius Chemiae cultu +omnem Medicae Sapientiae thesaurum se possidere vani jactant!</p> +</td> +<td> +<p> +Doch zelfs indien dit wél het geval ware, ook dan nog was de hoovaardij +van hen misplaatst, die er zich maar steeds dwaselijk op beroemen, enkel +door de beoefening der scheikunde den geheelen schat der medische +wetenschap in bezit te hebben!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Enimvero plura in nobis, sani vigeamus, vel langueamus aegri, fieri ex +communibus illis liquorum proprietatibus, quas sibi sumserunt +expendendas Geometrae, quam ex insitivis, dubiis, et arte Chemicorum +factis plerumque, pervulgato palam documento est.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat immers in ons lichaam, hetzij in normalen of ziekelijken toestand, +meer verschijnselen teweeggebracht worden door de algemeene +eigenschappen der vochten, welke de wiskundigen zich tot taak gesteld +hebben te onderzoeken, dan door die, welke valschelijk verdicht, +twijfelachtig of grootendeels door de Scheikundigen zelf kunstmatig +verwekt zijn, blijkt duidelijk uit het volgende door een ieder +waargenomen feit.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Aqua naturae ariditatem alter corrigit, Falerno alter quotidie venas +inflat; fructubus hic, Cerealibusque parvo assuetus famem explet, et +sustentat Spiritum, ille carnibus, piscibus, terra natis, et omni +condimentorum varietate Apitiana onerat ventrem; alii blando +<span class = "pagenum latin">130</span> +<a name = "page130" id = "page130"> </a> +<!--png 152--> +et insulso +fere victu aluntur, alii salitis, acidis, et acribus quibusque intestina +stimulant.</p> +</td> +<td> +<p> +De een lescht zijnen dorst met water, de ander doet zijn lichaam +dagelijks opzwellen door het gebruik van Falerner<a class = "tag" name = +"tag4_3" id = "tag4_3" href = "#note4_3">3</a>; deze, aan soberen +kost gewend, stilt zijnen honger met en leeft alleen van vruchten en +meelspijzen, gene overlaadt zijne maag met vleesch, +<span class = "pagenum dutch">131</span> +<a name = "page131" id = "page131"> </a> +<!--png 153--> +visch, groenten en +met den fijnsten smaak uitgelezen kruiderijen; sommigen voeden zich met +laffe en bijna zoutelooze spijzen, anderen prikkelen hunne ingewanden +met allerlei gezouten, zure en scherpe gerechten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Multiplex adeo assumtorum varietas vitam tamen sanitatemque plures per +annos protrahit in iis, qui tamen diversis humores suos saturant +corpusculis.</p> +</td> +<td> +<p> +Toch zien wij, dat, niettegenstaande een zoo groote verscheidenheid van +voedingsstoffen, zoowel personen die tot de eene als die tot de andere +categorie behooren, gedurende vele jaren leven en gezondheid kunnen +behouden, hoe verschillend de lichamen ook zijn, waarmede zij hunne +vochten verzadigen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Liquido argumento magis communi fluidorum naturae Mechanicis explicatae, +et in ipso corpore vi viscerum productae, quam singulari cujusque +particulae virtuti, actiones vitae deberi.</p> +</td> +<td> +<p> +Wordt daardoor nu niet ten stelligste bewezen, dat de +levensverrichtingen in meerdere mate afhankelijk zijn van den algemeenen +aard der vloeistoffen, zooals die door de werktuigkundigen ontvouwd is +en zich in het lichaam zelf door de werking der ingewanden openbaart, +dan van de bijzondere eigenschappen van elk deeltje op zich zelf?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si aurea Verulamii de vita et morte monumenta, si liberae Hippocratis et +Celsi de victu sanorum leges, si usus non satis id confirmat +quotidianus, omni dignissimum fide Louwerum, sincerum mehercle et +defaecato judicio sagacem Virum vobis citabo.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien gij dit niet genoegzaam bewezen acht door hetgeen hierover te +vinden is in de meesterwerken van <span class = "smallcaps">Baco</span> +van Verulam over leven +en dood<a class = "tag" name = "tag4_4" id = "tag4_4" href = +"#note4_4">4</a>, door de vrijzinnige voorschriften, die <span class = +"smallcaps">Hippocrates</span> +en <span class = "smallcaps">Celsus</span> omtrent de voeding van +gezonde personen gegeven +hebben, en ten slotte door hetgeen de dagelijksche ondervinding ons +leert, dan zal ik u een voorbeeld aanhalen, ontleend aan +<span class = "smallcaps">Louwer</span>, een man, aan wiens woorden men, +wegens zijn +buitengewone eerlijkheid en scherpzinnigheid, gepaard aan een helder +oordeel, onvoorwaardelijk geloof moet hechten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hic enim, immani cruoris jactura exsanguem, jure carnium solo ingesto, +venis recepto, per has fluente, imo colore nec mutato effluente per +vulnera, revixisse Juvenem testatur.</p> +</td> +<td> +<p> +Deze toch verzekert, dat eens een door geweldig bloedverlies uitgeputte +jongeling enkel door het toedienen van vleeschsap, dat in zijne aderen +werd opgenomen, er doorheen stroomde en zelfs zonder verandering van +kleur weder uit de wonden te voorschijn kwam, tot het leven +teruggebracht werd.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed quid verbis opus in re clara?</p> +</td> +<td> +<p> +Doch waartoe woorden te verspillen over eene zaak, die zóó voor zich +zelf spreekt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ad Vos ego provoco, Vestram appello fidem Clarissimi Viri Medici, Quorum +sapientia huic Coronae venustatem conciliat, Quorum salutari dextra +incolumis huic Urbi praestatur sanitas!</p> +</td> +<td> +<p> +Op u beroep ik mij, uw getuigenis roep ik in, doorluchte Geneesheeren, +wier wijsheid dezen kring luister bijzet, wier zegenrijke hand dezer +stad de gave eener onverstoorde gezondheid toebedeelt!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nonne incumbit nobis, dum aegris Medicina fit, vel millies fluida +<span class = "pagenum latin">132</span> +<a name = "page132" id = "page132"> </a> +<!--png 154--> +inspissare, resolvere coacta, stagnantia movere, compescere dissoluta, +diluere crassa, leviora solidare?</p> +</td> +<td> +<p> +Zien wij ons niet bij het behandelen onzer patiënten tallooze +<span class = "pagenum dutch">133</span> +<a name = "page133" id = "page133"> </a> +<!--png 155--> +malen +genoodzaakt, al te vloeibare stoffen te verdikken, samengepakte op te +lossen, stilstaande in beweging te brengen en al te lichte stoffen meer +stevigheid te geven?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Dum rarissime ad pugnas Salium, flammas Sulphurum, vel tectum Mercurii +genium attendere cogimur.</p> +</td> +<td> +<p> +Hoe uiterst zelden daarentegen worden wij gedwongen, onze aandacht te +wijden aan den strijd der zouten, de vlammen der zwavels en de +geheimzinnige werking van het kwikzilver!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ipsi certe illi, qui mera ubique Chemica crepant, cum morbus manum +poscit, repudiatis suis, sedulo, quae laudavi, inquirunt.</p> +</td> +<td> +<p> +Ja, zelfs zij, die het maar altijd over chemische middelen hebben, +passen, als een ziekte hen dwingt handelend op te treden, met verzaking +van hun eigen leer, ijverig de zooeven door mij genoemde methoden +toe.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si ergo his fluidorum proprietatibus tot debentur, si has omnium +suffragio optime excusserint Mechanici, patet ipsa fluida vitalia ut +cognoscantur Medico, auxiliis egere Mechanices.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien het dus waar is, dat zooveel te danken is aan de genoemde +eigenschappen der vloeistoffen en de werktuigkundigen het zijn, die deze +naar aller oordeel het best onderzocht hebben, zoo volgt hieruit, dat de +kennis der levensvochten zelve voor den geneesheer verborgen moet +blijven, indien hij niet met de Mechanica vertrouwd is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Spectate jam effectus, qui ex fluentibus per vasa liquoribus oriuntur, +evidentior longe fulgebit Veritatis Mechanicae potestas.</p> +</td> +<td> +<p> +Vestigt thans eens uwe aandacht op de werkingen, die een gevolg zijn van +het stroomen der vloeistoffen door de vaten, en nog veel duidelijker zal +de groote beteekenis van de waarheden der Mechanica in het oog +springen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si enim liquida descripta in vasis depictis quiescunt habebimus +cadaver.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien toch de bovengenoemde vloeistoffen in de vaten, zooals wij die +beschreven hebben, stilstaan, dan hebben wij een lijk voor ons.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ubi vero liber his humoribus per canales conciliatur motus corpus vivum +cernimus.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien echter deze vochten zich ongehinderd door die kanalen kunnen +bewegen, aanschouwen wij een levend lichaam.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sermoni fidem quisquis meo negat, suis ut oculis credat oportet.</p> +</td> +<td> +<p> +Wie zich door mijne woorden niet wil laten overtuigen, zal toch wel zijn +eigen oogen willen gelooven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Mollem consideremus hominem, qui salientis de vulnere cruoris spectaculo +perturbatus in animi cecidit deliquium.</p> +</td> +<td> +<p> +Denkt u een gevoelig persoon, die door den aanblik van uit eene wonde +stroomend bloed in zwijm gevallen is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Mortuum videmus; sed qualem? in quo cuncta solida, quae sanitati +sufficiunt, adsunt et liquida, solus abest liquores in gyrum agens +motus.</p> +</td> +<td> +<p> +Wij zien hier een doode, maar toch geen gewoon lijk. Immers alle vaste +en vloeibare stoffen, zooals die bij een normaal mensch gevonden worden, +zijn aanwezig; slechts de beweging, die de vochten in omloop brengt, +ontbreekt er aan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Huic quacunque demum ope concutiantur nervi, ut motrix cordis materies +fluat, redit statim, depulsa tristi mortis imagine, laetior vita.</p> +</td> +<td> +<p> +Denkt U vervolgens, dat men, door welk middel dan ook, de zenuwen van +dien persoon heeft weten te prikkelen, zoodat de stof, die het hart in +beweging brengt, weer zijn gewonen loop krijgt, terstond houden alle +droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter dan +voorheen, terug.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">134</span> +<a name = "page134" id = "page134"> </a> +<!--png 156--> +Vita non modo; calor, rubor, agilitas, cogitatio, vitalis omnis, +naturalis et humana simul redit actio.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">135</span> +<a name = "page135" id = "page135"> </a> +<!--png 157--> +En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur, +de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek +menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quid hic fermenti, quid effervescentis, quid salis pugnacis, quid olei +spiritusve nascitur aut perit?</p> +</td> +<td> +<p> +Wat merken wij hier van het ontstaan of vergaan van een gisting, een +opbruising, een weerbarstig zout, van een olie- of geestachtig +beginsel?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Excepto motu, neque additur, neque demitur quidquam, vita tamen amissa +ipsa redditur.</p> +</td> +<td> +<p> +Behalve de beweging wordt er niets toegevoegd of verwijderd; toch zien +wij het leven zelf, dat reeds verloren was, wederkeeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sic aves et insecta constricta frigore hyberno, lenis statim in vitam +excitat tepor.</p> +</td> +<td> +<p> +Hetzelfde verschijnsel kunnen wij waarnemen bij vogels en insecten, die, +door de winterkoude verstijfd, slechts aan een matige warmte behoeven +blootgesteld te worden, om terstond weer tot het leven terug te +keeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed veritatis qui convictus viribus, ob ipsam argumenti vulgatam +claritatem, certis saepe diffidit.</p> +</td> +<td> +<p> +Er zijn echter menschen, die, hoewel buigend voor de kracht der +waarheid, toch vaak ook stellig vaststaande waarheden weigeren aan te +nemen wegens de te algemeene bekendheid van de feiten, waarop zij +berusten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Rariori ergo ut spectaculo firmetur, quae nimis noto patuit satis +exemplo fides, in Hokii vos officinam invitat oratio.</p> +</td> +<td> +<p> +Om nu mijne beweringen, die eigenlijk door de genoemde overbekende +feiten reeds voldoende bewezen zijn, ook door een zeldzamer voorbeeld te +staven, noodig ik U uit, met mij een kijkje te nemen in het laboratorium +van <span class = "smallcaps">Hooke</span>.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Destructo thorace mortuum animal inflatis per follem Laryngi applicatum +pulmonibus cito reviviscit.</p> +</td> +<td> +<p> +Een door vernieling der borstkas bezweken dier zien wij daar, nadat zijn +longen door middel van een aan het strottenhoofd bevestigden blaasbalg +opgeblazen zijn, spoedig tot het leven terugkeeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Attoniti miraculo vitae tam mechanicae ad magnum cito adeamus +Glissonium; en ille impulso ope vesicae in venas liquido mirifice +vitales actiones aemulafur in defuncti dudum hominis cadavere.</p> +</td> +<td> +<p> +Laten wij vervolgens, nog onder den indruk van dit schouwspel, dat ons +het leven als iets zoo werktuigelijks deed kennen, ons snel tot den +grooten <span class = "smallcaps">Glisson</span> wenden. Ziet, hoe hij +in het lijk van een reeds +lang overledene op wonderbaarlijke wijze de levensverrichtingen +kunstmatig te voorschijn roept door het door middel van een blaas +inspuiten van vocht in de aderen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Omnia haec in specimen allata, infinita enim dici possent, an non +evincunt satis, cuncta fere, quae vitam, sanitatemque nostram faciunt, +vel sequuntur, pendere a motu illo, quo humores per vasa mutua plane +moventur et agunt vicissim agitatione?</p> +</td> +<td> +<p> +Bewijzen al deze als voorbeelden aangevoerde feiten—en men zou er +tallooze kunnen opsommen—niet voldoende, dat ongeveer alles, wat +ons +leven en onze gezondheid veroorzaakt en er uit voortkomt, afhangt van +het regelmatig heen en weer stroomen der vochten door de vaten?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Cujus effectus, et leges, quum soli rite intelligant, explicent, et +demonstrent, in Pneumaticis atque Hydraulicis, Mechanici, concludo +<span class = "pagenum latin">136</span> +<a name = "page136" id = "page136"> </a> +<!--png 158--> +cuncta ergo rursum disciplinae subjecta haec Mechanicae.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar nu de Werktuigkundigen alleen het zijn, die de werkingen dezer +beweging en de wetten, waaraan zij gehoorzaamt, volkomen +<span class = "pagenum dutch">137</span> +<a name = "page137" id = "page137"> </a> +<!--png 159--> +doorzien en in +dat deel hunner wetenschap, dat Evenwichtsleer der gassen en +vloeistoffen genoemd wordt, op overtuigende wijze helder en systematisch +uiteenzetten, moet dit alles mijns inziens ook tot het gebied der +Mechanica gerekend worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hic vero ille est locus, ubi mire se jactant, ubi serio triumphant +fermentorum Patroni.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar hier zijn wij nu juist bij een punt aangeland, dat de voorstanders +van de leer der fermenten tot niet weinig zelfverheffing en +zegevierenden jubel aanleiding geeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si fluor liquorum liber per vasa vitae causa, ergo ajunt prima motus +ratio in fluido et ab eo; itaque ab interna huic agitatione, eaque forti +valde et constanti satis, qualis non nisi in excitatis fermento liquidis +reperiunda datur.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien, zoo zeggen zij, de onbelemmerde strooming der vloeistoffen door +de vaten de oorzaak van het leven is, dan is de eerste grond der +beweging in de vloeistof zelve te zoeken en in niets anders. Zij kan dus +slechts gevonden worden in de aan de vloeistof eigen, zeer sterke en +vrij gestadige beweging, een hoedanige slechts in door gisting +aangezette vloeistoffen wordt aangetroffen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sciant autem Hi, primam moti in Embryo liquidi a parentibus semper +derivandam causam, eam fotu matris continuari dum ab ea pendet foetus, +dein vero ab ipsa fabrica perennare solidorum.</p> +</td> +<td> +<p> +Hen, die zoo spreken, wil ik er aan herinneren, dat de oorsprong van de +beweging der vloeistof in het embryo bij de ouders gezocht moet worden; +dat die beweging, zoolang de vrucht zich in het moederlijf bevindt, door +de koestering der moeder wordt gaande gehouden en vervolgens, na de +geboorte, enkel en alleen aan de inrichting der vaste lichaamsdeelen +haren voortgang te danken heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Admirabilem auricularum Cordis ad ejus Thalamos structuram, nexumque qui +speculatus est, et qui hinc necessario sequuntur, alternos influentis et +expulsi liquoris motus a corde in arterias, ab his in cerebri medullam, +processus, nervos, musculosque et venas rursum, non quaeret vitae +continuatae rationem extra ipsam virtutem viscerum Mechanicam.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hij, die den wonderlijken bouw van het +hart, van zijn boezems tot zijn kamers, en den samenhang dier deelen +aandachtig heeft gadegeslagen, alsook de hieruit noodwendig +voortspruitende bewegingen van het bloed, dat uit het hart in de +slagaderen stroomt, uit deze naar het merg der hersenen, de aanhangsels, +de zenuwen, spieren en aderen en zoo weder terug naar het hart, zal de +voortzetting van het levensproces niet anders trachten te verklaren dan +uit de mechanische werking der ingewanden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Facile enim illi erit, perspicuitate certe Mathematica demonstrare, +unicum pulsum cordis datum in corpore sano sibi continuando esse +causam.</p> +</td> +<td> +<p> +Het zal hem immers gemakkelijk vallen, met wiskundige zekerheid te +bewijzen, dat uit slechts één enkelen hartslag in een gezond lichaam +elke verdere werking van het hart vanzelf voortkomt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Longe minora numero, longe simpliciora sunt, quae vitae incolumitatem +praestant, quam noster fingit animus.</p> +</td> +<td> +<p> +Veel minder in aantal en veel eenvoudiger van aard, dan wij ons dat +voorstellen, zijn de voorwaarden voor een goede gezondheid.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Leviores longe sunt rerum ingestarum in nobis mutationes, quam vulgo +creditur.</p> +</td> +<td> +<p> +De veranderingen, welke het voedsel in ons lichaam ondergaat, zijn veel +eenvoudiger dan men algemeen aanneemt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Minus compositae, quam ipsi putamus, vitae humanae causae.</p> +</td> +<td> +<p> +De oorzaken van het menschelijk leven zijn minder samengesteld dan wij +zelven meenen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si exacta structurae esset cognitio, si sensibilis probe nota esset +humorum natura, doceret cito Mechanice ex simplicissimis fluere +<span class = "pagenum latin">138</span> +<a name = "page138" id = "page138"> </a> +<!--png 160--> +principiis, quae ignota maximam nunc pariunt admirationem.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien de bouw van het menschelijk lichaam ons nauwkeurig bekend was, +indien wij volkomen waren ingelicht omtrent den +<span class = "pagenum dutch">139</span> +<a name = "page139" id = "page139"> </a> +<!--png 161--> +aard der vloeistoffen, +voor zoover die voor onze zintuigen waarneembaar is, dan zou de +mechanica ons spoedig leeren inzien, dat datgene, wat ons nu, wegens +onze onkunde, in de hoogste mate verbaasd doet staan, uit zeer +eenvoudige beginselen voortvloeit.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Dicti veritatem tam paradoxi uno ab exemplo discere licebit, ut constet +quam simplici negotio et Mechanico plane maximae quae habetur omnium +operae mutatio in nobis fiat.</p> +</td> +<td> +<p> +De waarheid dezer schijnbaar zoo paradoxe bewering kunt gij uit één +enkel voorbeeld opmaken, waaruit U zal blijken, op welk een eenvoudige +en geheel werktuigelijke wijze de allerbelangrijkste verandering in ons +lichaam tot stand komt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Pars pellucida animalis vivi microscopio aucta claro docet spectaculo, +cruorem solo cordis pulsu in extremas trudi arterias, ibi elastica +arteriae contractione retropelli aliquantulum quo momento ictus cordis +cessans, ejusque valvulae concidentes, regressui spatium laxant.</p> +</td> +<td> +<p> +Wanneer men een doorzichtig deel van een levend dier onder een +microscoop legt, dan neemt men duidelijk waar, dat het bloed enkel door +den hartslag naar het uiterste gedeelte der slagaderen gedreven wordt +en, daar aangekomen, ten gevolge van de veerkrachtige samentrekking der +slagader een weinig teruggedreven wordt. Op hetzelfde oogenblik houdt de +hartslag op en vallen de hartkleppen dicht, om het bloed daardoor +gelegenheid te geven, om terug te stroomen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Reciproco hoc impulsu et repercussu varias mole partes cruoris applicari +ubique ad diversa capacitatis hiatu oscula, intra haec recipi, vel inde +repelli, tam clare, quam coelum hoc contueri est.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat door dezen afwisselenden aandrang en terugstoot de in massa +verschillende deelen van het bloed in het geheele lichaam hunnen weg +nemen naar de monden van verschillende openingswijdte en door deze nu +eens worden opgenomen, dan weer teruggestooten, dit alles vertoont zich +even helder aan ons oog als het zich boven ons welvende uitspansel.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tum solo hoc artificio secedere sanguinem in diversa colore et tenuitate +fluida, mox in venis iterum permiscenda eadem claritate cernitur.</p> +</td> +<td> +<p> +Niet minder duidelijk zien wij het bloed zich verdeelen in vloeistoffen, +onderling verschillend in kleur en graad van dichtheid, die zich +vervolgens in de aderen weder vermengen; deze verschijnselen hebben +dezelfde oorzaak als de voorgaande.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Id vero Chemicorum conflictuum perito evidens ipsi oculi aciei apparet, +simplici impulsu aliunde dato, et vasis elatere, sine ullo fermenti +signo omnia haec fieri.</p> +</td> +<td> +<p> +En nu zal iemand, die geoefend is in het waarnemen van chemische +processen, zelfs met het bloote oog kunnen constateeren, dat dit alles +uitsluitend ten gevolge van een van elders komenden aandrang en de +veerkrachtigheid der bloedvaten, zonder eenig teeken van gisting, tot +stand komt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Defixus saepenumero in speculatione hac anceps mihi haesit animus, an +Spirantis cerneret animalis partem, an vero incilia meditatione summi +Mathematici excogitata, manu peritissimi Mechanici affabrefacta, per +quae liquores duceret, secerneret, misceretque absolutae artis +consummatione perfectus Aquilex.</p> +</td> +<td> +<p> +Vaak beving mij, terwijl ik in de beschouwing hiervan verdiept was, een +twijfel, of ik wel een deel van een levend dier voor mij zag en niet +veeleer een samenstel van kanalen, door een hoogst bekwaam +werktuigkundige naar het ontwerp van een uitstekend mathematicus +gebouwd, door welke een waterbouwkundige van den eersten rang +vloeistoffen leidde, vaneenscheidde en vermengde.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tandem vero si periculum capere juvat, an ex simplicibus et +<span class = "pagenum latin">140</span> +<a name = "page140" id = "page140"> </a> +<!--png 162--> +indubitatis +sensuum experimentis demonstrari queant per Mechanicos illa, de quorum +intellectu ante paucos annos nulla spes, Geometrico parta labore in usum +exempli citare decet.</p> +</td> +<td> +<p> +Wilt gij eindelijk door feiten in het licht gesteld zien, dat de +<span class = "pagenum dutch">141</span> +<a name = "page141" id = "page141"> </a> +<!--png 163--> +Werktuigkundigen in staat zijn, door middel van eenvoudige en +betrouwbare proeven zoodanige vraagstukken tot oplossing te brengen, die +nog maar enkele jaren geleden voor onoplosbaar gehouden werden, dan +behoef ik u slechts in herinnering te brengen, welke resultaten op dit +gebied door wiskundigen arbeid verkregen zijn.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Perpendamus, quae docet, dum Mechanicen Medicis applicat Rebus, +Borellus.</p> +</td> +<td> +<p> +Men bestudeere aandachtig de geschriften van <span class = +"smallcaps">Borelli</span>, waarin +deze zich bij de behandeling van medische vraagstukken van de Mechanica +bedient.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Evolvantur, quae ex hujus Schola sapiens, eisdem usus principiis, et +Malpigianis inventis fretus Oedipi instar extricat Bellinus.</p> +</td> +<td> +<p> +Men leze na, welke ingewikkelde problemen <span class = +"smallcaps">Bellini</span>, een geleerde +uit de school van <span class = "smallcaps">Borelli</span>, met +toepassing van dezelfde +beginselen en voortbouwend op de ontdekkingen van <span class = +"smallcaps">Malpighi</span>, als +een tweede <span class = "smallcaps">Oedipus</span> heeft opgelost.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tum quae illorum laudato excitatus labore, Orbi erudito Problemata +proposuit, demonstravitque, nobile quondam hujus Lycaei ornamentum +Pitcarnius.</p> +</td> +<td> +<p> +Vervolgens ook de problemen, die <span class = +"smallcaps">Pitcairn</span>, weleer een sieraad +dezer hoogeschool, aangespoord door het succes van den arbeid der +genoemde geleerden, aan de geleerde wereld heeft voorgelegd en +opgehelderd.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Scheineri, Cartesii, Hugenii de oculo, Kircheri, Schelhammeri, et +Morlandi de aure et auditu, scrutemur demonstrata.</p> +</td> +<td> +<p> +Laat ons ijverig navorschen de verhandelingen van <span class = +"smallcaps">Scheiner, Cartesius</span> en <span class = +"smallcaps">Huygens</span> over het oog en die van +<span class = "smallcaps">Kircher, Schelhammer</span> en <span class = +"smallcaps">Morland</span> over het oor +en het gehoor.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Constabit an prosit Medico Mechanice!</p> +</td> +<td> +<p> +Dan zal het toch zeker geen vraag meer zijn, of de Mechanica der +Geneeskunde ten goede komt!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Apparebit quid sperandum sit, si ejus a peritis Medicis invehitur in +Medicinam usus, si in exercitatione hac pergitur tamdiu, quamdiu +patientia humana tam inepta sectarum molimina in disciplina Medica +tulit.</p> +</td> +<td> +<p> +Dan zal blijken, welke resultaten te verwachten zijn, indien +Geneeskundigen, doordrongen van het nut dezer wetenschap, haar op hun +eigen gebied gaan toepassen, en indien met deze methode even lang wordt +voortgegaan als het verkondigen van de dwaze theorieën der +philosophische scholen in de medische wetenschap geduld is geworden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Haec autem vera esse, et usum habere in Medicis Mechanicen, quamdiu de +Theoria agitur, consensus erit forte facilis, tamen ne hilum bonae +frugis ipsi Artis exercitio afferre, pervolgata objicitur querela.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat het boven gezegde juist is en dat derhalve de Mechanica kan +toegepast worden op de Geneeskunde, zal wellicht door ieder beaamd +worden, zoolang er slechts sprake is van de Theorie; voor de practische +uitoefening der Geneeskunde daarentegen wordt elk nut der Mechanica door +de meeste menschen ten stelligste ontkend.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quae quidem speciosa hac distinctione prolata, qui consistere queant +simul, satis non video.</p> +</td> +<td> +<p> +Hoe de bevestiging van het eene en de ontkenning van het andere, hoe +spitsvondig deze onderscheiding ook geformuleerd is, kunnen samengaan, +vermag ik niet te begrijpen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Neque enim aliam hos intelligere Theoriam credo, nisi eam, +<span class = "pagenum latin">142</span> +<a name = "page142" id = "page142"> </a> +<!--png 164--> +quae ex +proximis causis clare docet, quae sani hominis vita sit.</p> +</td> +<td> +<p> +Want zij, die dit onderscheid maken, zullen onder de Theorie +<span class = "pagenum dutch">143</span> +<a name = "page143" id = "page143"> </a> +<!--png 165--> +der +geneeskunde toch niets anders verstaan dan de leer, die ons uit de +naaste oorzaken een helder inzicht weet te verschaffen in het leven van +den gezonden mensch.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quod si, ut oportet, admittitur, sequetur Scientiam hanc noscendis, +curandisque morbis auxilia suppeditare optima.</p> +</td> +<td> +<p> +Is deze definitie juist—en ik geloof niet, dat iemand er eenig +bezwaar +tegen zal hebben,—dan volgt hieruit, dat deze wetenschap de beste +hulpmiddelen oplevert voor het opsporen en genezen der ziekten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Causas enim qui recte novit perfectae sanitatis, ille, quoties hae +deficiunt, egregie ipsius defectus, id est morbi, originem rationemque +comprehendet.</p> +</td> +<td> +<p> +Immers hij, die de voorwaarden eener volmaakte gezondheid grondig kent, +zal ook, wanneer een of meer van deze ontbreken, den oorsprong en het +wezen der afwijking, dat is der ziekte, volkomen begrijpen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Qui autem causam aegritudinis proximam clarissime vidit, maxime is +idoneus, qui ei occurrat, est habendus.</p> +</td> +<td> +<p> +Zal nu niet hij, die het helderst inzicht heeft in de naaste oorzaak +eener ziekte, ook voor den meest geschikten persoon moeten gehouden +worden, om die ziekte te bestrijden?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Eodem sc. modo se res habet ac in horologio, cujus si deviat index, +errores imperitus notare, at corrigere ex arte nemo potest, nisi ille, +qui requisitae structurae gnarus, vitia partium hinc et remedia +invenit.</p> +</td> +<td> +<p> +Het gaat er namelijk mede als met een uurwerk; als de wijzer afwijkt, +zal ook een leek de fouten kunnen opmerken, maar ze volgens de regelen +der kunst herstellen zal niemand anders kunnen dan hij, die kennis heeft +van de inrichting van uurwerken en daardoor ziet, wat er aan de +verschillende deelen hapert, hetgeen hem wederom de middelen tot herstel +aan de hand doet.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ita nulla lucis scintilla in Theoria Medica micat, ad quam in faciunda +Medicina facem accendere non possit re peritus Artifex.</p> +</td> +<td> +<p> +Zoo kan dus aan het kleinste lichtvonkje der theoretische Geneeskunde +door een bekwaam Meester een fakkel ontstoken worden, die hem bij het +practisch uitoefenen van zijn vak voorlicht.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Adeoque qui Mechanices in Speculatione, ille ejus in usu praestantiam +fatetur.</p> +</td> +<td> +<p> +Wie derhalve het nut der Mechanica voor de theorie der Geneeskunde +erkent, doet het daarmede tevens ook voor de praktijk.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Docet hoc antiquitate nobilissima et usu ea artis pars, quae ab eo quod +manu medetur nomen gerit, quae sc. an inventis Mechanicis carere queat +vestra sit aestimatio.</p> +</td> +<td> +<p> +Dit is vooral duidelijk bij dat zoowel om zijn hoogen leeftijd als om +zijn uitgebreide toepassing hooggeëerde deel onzer wetenschap, dat zijn +naam ontleent aan het „met de hand genezen“; oordeelt zelf, of de +chirurgie de uitvindingen der Mechanica ontberen kan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Instrumenta, quibus vitia emendat, quis felicior, quam Mechanicis +imbutus Medicus inveniet?</p> +</td> +<td> +<p> +Welke medicus zal met meer geluk instrumenten tot het herstellen van +gebreken uitvinden dan een zoodanige, die door en door vertrouwd is met +de Werktuigkunde?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tenues, quae volitare putantur ante oculum, imagines, dum Matheseos +imperiti ut oriturae in aqueo humore suffusionis primordia tractant, +acerbis saepe erodunt tenellum et prava arte oculum.</p> +</td> +<td> +<p> +De ijle figuurtjes, die men wel eens voor zijn oogen meent te zien +zweven, worden door Geneesheeren, die onbedreven zijn in de Wiskunde, +voor eerste verschijnselen eener aanstaande uitstorting in het +waterachtig vocht gehouden; vandaar dan ook, dat zij het toch zoo teere +oog, ganschelijk verkeerd, met scherpe vochten behandelen, die er vaak +een groote verwoesting in aanrichten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">144</span> +<a name = "page144" id = "page144"> </a> +<!--png 166--> +Harum vero sedem reticulo, causam arteriis Geometrae consilio dum +reddit Willisius, dum demonstrat Pitcarnius, quam mutata est medelae +facies?</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">145</span> +<a name = "page145" id = "page145"> </a> +<!--png 167-->Hoe geheel anders is echter de geneeswijze geworden, +sedert +<span class = "smallcaps">Willis</span> met wiskundig inzicht den zetel +van dit verschijnsel in +het netvlies en de oorzaak er van in de slagaderen gezocht en +<span class = "smallcaps">Pitcairn</span> dit vermoeden tot zekerheid +gebracht heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Abacto externorum mordaci apparatu, misso sanguine, et solventi +medicamine tuto tollitur, vel et negligitur malum.</p> +</td> +<td> +<p> +Zonder gebruikmaking van eenig uitwendig bijtmiddel wordt het kwaad door +aderlating en toediening van een oplossend middel op voor den patiënt +onschadelijke wijze weggenomen, terwijl somtijds ook elke behandeling +onnoodig geoordeeld wordt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Oculi error a radiis male collectis quam inepte tentatur collyriis vel +potus medicati haustu!</p> +</td> +<td> +<p> +Welk een dwaasheid, een afwijking van het oog, bestaande in een +verkeerde breking der lichtstralen, met oogwaters of drankjes te willen +genezen!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quam feliciter levatur perspicillis, quae cuique vitio singulari propria +regulae definiunt Hugenianae!</p> +</td> +<td> +<p> +Op hoe afdoende wijze worden daarentegen dergelijke gebreken verholpen +door brillen, welke naar de voorschriften van <span class = +"smallcaps">Huygens</span> voor elke +afwijking in het bijzonder geschikt gemaakt kunnen worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Opto ut, qui omnem Mechanices usum ex praxi proscribunt Medica, +intelligant prius vel unius Hugenii de emendandis visus vitiis +Commentarios.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik wenschte, dat zij, die alle toepassing der Mechanica van de praktijk +der Geneeskunde willen verre houden, maar eerst eens begonnen met +<span class = "smallcaps">Huygens</span>’ werken over het opheffen der +gezichtsstoringen te leeren verstaan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Illustre enim illud Batavorum lumen, assumpta ex anatomicis oculi +fabrica, et una morbi, cui succurrere vult, proprietate, mox ex meris +Mathematicis reperit auxilium, quod usum praestat huic tantum malo, +cujus proprietas assumta problema limitaverat.</p> +</td> +<td> +<p> +Deze beroemde Nederlander heeft immers, met gebruikmaking van hetgeen de +anatomie leert over de inrichting van het oog, overigens alleen lettend +op het bijzondere karakter der ziekte, die hij genezen wil, weldra door +louter wiskundige berekeningen een hulpmiddel ontdekt, dat slechts voor +die kwaal afdoende is, welker door het onderzoek aan het licht gebrachte +eigenaardigheid de kern van het probleem had uitgemaakt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Intacto oculo, morbi effectum tollit; et inemendabilem in eo defectum +vitri figurati supplemento farcit.</p> +</td> +<td> +<p> +Zonder aan het oog te raken, heft hij de uitwerking der ziekte op en het +onherstelbaar gebrek van het oog zelve wordt door het aanbrengen van een +bijzonder gevormd glas onvoelbaar gemaakt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +En pulchra, in quibus, ut in speculo, spectatur Geometrarum in medicis +Mechanice ratiocinandi methodus, usus et successus.</p> +</td> +<td> +<p> +Ziedaar schoone voorbeelden, die een zeer duidelijk beeld vertoonen van +de mechanistische methode, door de wiskundigen bij het behandelen van +geneeskundige vraagstukken toegepast, van het nut, dat zij oplevert en +het succes, dat er mede te bereiken valt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hac via si pertractabunt omnia, ut revera sensim poterunt, habebitur +tandem certior, neque obnoxia figmentis, neque omni mutabilis hora, sed +aeterna scientia medica.</p> +</td> +<td> +<p> +Wanneer men volgens deze methode ook alle overige vraagstukken zal gaan +behandelen—en ik twijfel er niet aan, dat men het langzamerhand +wel +zoover zal brengen—dan zullen wij eindelijk eens in het bezit +komen van +eene geneeskundige wetenschap, die, op zekerder basis gegrondvest en +vrij van verzinselen, niet ten allen tijde veranderlijk, maar eeuwig +dezelfde zal zijn.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">146</span> +<a name = "page146" id = "page146"> </a> +<!--png 168--> +Non est porro quod dicat quis, nondum confirmari vitia fluidorum +adeoque internae aegritudinis causam, hujusque mitigationem auxiliis +subjici Mechanicis.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">147</span> +<a name = "page147" id = "page147"> </a> +<!--png 169--> +Men brenge nu niet hiertegen in, dat het nog niet bewezen is, dat op de +afwijkingen der vloeistoffen en dus op de oorzaken der inwendige ziekten +en hare leniging met aan de mechanica ontleende hulpmiddelen een +gunstige invloed geoefend kan worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vel enim an impossibilis fructus hic, vel an necdum acquisitus +quaeritur.</p> +</td> +<td> +<p> +Want met die opmerking wordt hetzij deze vraag bedoeld, of dit resultaat +wel ooit te bereiken valt, hetzij deze, hoe het komt, dat het nog niet +bereikt is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si posterius, iniquos habemus et molestos Censores.</p> +</td> +<td> +<p> +Wordt dit laatste bedoeld, dan hebben wij onbillijke en lastige +beoordeelaars.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quis aequo ferat animo peti, ut pauci Mechanici, qui Medicis a pauco +tempore vacarunt rebus, ea jam perfecerint, quae tribus annorum millibus +junctis viribus alii omnes vix potuerunt inchoare?</p> +</td> +<td> +<p> +Is het niet ergerlijk, te hooren eischen, dat de weinige +Werktuigkundigen, die zich eerst sedert korten tijd op geneeskundig +gebied bewegen, een zoodanig werk reeds geheel volbracht zouden hebben, +waaraan alle anderen te zamen in een tijdsverloop van drieduizend jaren +met vereende krachten nog zelfs geen begin van uitvoering hebben kunnen +geven?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Imo id omnino impossibile: quum enim Mechanices Medicis applicandae lex +exigat, ut structura solidorum, natura liquidorum, effectus horum +sensibiles in sanitate et morbis inserviant pro datis, quis tam +absurdus, qui operosissimae Artis fastigium in ejus rudimentis +quaerat.</p> +</td> +<td> +<p> +Wordt daarmede niet iets geheel onmogelijks verlangd? Daar immers de +eerste voorwaarde voor het toepassen der mechanica op de geneeskunde +deze is, dat daarbij van de kennis van den bouw der vaste deelen, van +den aard der vloeistoffen en van de verschijnselen, welke zij zoowel in +normalen als in ziekelijken toestand teweegbrengen, als van vaste +gegevens kan worden uitgegaan, is het dan niet ongerijmd, te eischen, +dat zulk een omvangrijke wetenschap, terwijl zij nog in het eerste +stadium harer ontwikkeling verkeert, reeds haar toppunt bereikt zal +hebben?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Si autem judicat quis nunquam vel quidquam hac via perfectum iri, is, +rogo, perpendat, morbi a fluido orti causam pendere <i>ut plurimum</i> a +vitiato ejus per vasa transfluxu.</p> +</td> +<td> +<p> +Is er echter iemand, die meent, dat langs dezen weg nooit ook maar iets +tot stand gebracht zal worden, dan moge hij wel bedenken, dat ziekten, +die door een der vloeistoffen veroorzaakt worden, in verreweg de +meerderheid der gevallen het gevolg zijn van een abnormale strooming +dier vloeistof door de vaten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hoc Hippocratica, si componuntur Sanctorianis et quotidiani usus +experimentis, docent.</p> +</td> +<td> +<p> +Dit leeren ons de waarnemingen van <span class = +"smallcaps">Hippocrates</span>, vergeleken met +die van <span class = "smallcaps">Sanctorius</span> en met de dagelijks +door ons waargenomen +verschijnselen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Fluxus vero impedimentum internum vel languori virtutis impellentis, vel +contractioni vasculorum convulsivae, vel liquidis copia, motu, +spissitate, aut tenuitate peccantibus adscribet <i>plerunque</i>, qui +vitae, +sanitatis, morbi, mortis et cadaverum phaenomena comparavit sedulus.</p> +</td> +<td> +<p> +En nu zal hij, die een vergelijkende studie gemaakt heeft van de +verschijnselen, welke het menschelijk lichaam zoowel bij het leven, +hetzij in gezonden of ziekelijken toestand, als bij en na den dood te +aanschouwen geeft, den innerlijken grond van zulk een stoornis in de +strooming in den regel zoeken in een verslapping der stuwkracht, een +krampachtige samentrekking der vaten of in +<span class = "pagenum dutch">149</span> +<a name = "page149" id = "page149"> </a> +<!--png 171--> +afwijkingen der +vloeistoffen, wat betreft hare hoeveelheid, beweging en meer of minderen +graad van dichtheid.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">148</span> +<a name = "page148" id = "page148"> </a> +<!--png 170--> +Quin adjumenta, quibus morborum miseriam lenimus aegris, ea prodesse +gratia <i>inprimis</i>, qua dicta malorum capita auferunt, attenta nos +docet +contemplatio.</p> +</td> +<td> +<p> +Een aandachtige beschouwing doet ons inderdaad zien, dat de gunstige +werking der middelen, door welke wij de pijn onzer patiënten plegen te +stillen, voornamelijk daaraan te danken is, dat zij de zooeven genoemde +oorzaken der ziekten wegnemen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Aurea comparentur Sydenhami observata demonstratis de missione +sanguinis, stimulis et Villo contractili Bellinianis, et, postquam +Mechanica plane ope juvare vulgata remedia constat, spes concipietur +sensim demonstrandi regulas subire posse et vires eorum et applicandi +rationem.</p> +</td> +<td> +<p> +Men vergelijke de gulden waarnemingen van <span class = +"smallcaps">Sydenham</span> met de +verhandelingen van <span class = "smallcaps">Bellini</span> over de +aderlating, de prikkels en +de samentrekbaarheid der vezels, en wanneer men daaruit zal geleerd +hebben, dat de heilzame werking der meest gewone geneesmiddelen op +volkomen mechanische wijze wordt voortgebracht, zal men wel de +verwachting durven koesteren, voor de werkingen dezer middelen en de +wijze hunner toepassing langzamerhand vaste regels te zullen zien +opstellen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vix enim me contineo, quin, praematurius forte, pronunciem simpliciores +esse, et magis Mechanicas morborum maxime compositorum causas, quam +ullus Medicorum cogitat.</p> +</td> +<td> +<p> +Nauwelijks kan ik mij bedwingen, wellicht al te voorbarig, het uit te +spreken, dat de oorzaken der oogenschijnlijk meest ingewikkelde ziekten +eenvoudiger en van meer mechanischen aard zijn dan eenig geneesheer +vermoedt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Unius enim partis minima et simplicissima labes unionis necessitate et +contagio totam saluberrimae Machinae vim subito pervertit.</p> +</td> +<td> +<p> +Immers de minste en onbeduidenste beschadiging van één deel eener +machine is in staat, tengevolge van zijne beroering met de overige +deelen en den nauwen samenhang van het geheel, op eens de geheele +machine, hoe gaaf ze overigens ook moge zijn, in de war te sturen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tenuissima acu, eaque ex purissimo Chalybe pungatur tendinis vel nervuli +fibrilla in corpore sanissimo.</p> +</td> +<td> +<p> +Laat eens in het meest gezonde lichaam een vezeltje eener pees of kleine +zenuw door een zeer fijne naald van het zuiverste staal geprikt +worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Heu quam dira ex vili vulnusculo tantillae particulae malorum, heu quam +multiplex cohors!</p> +</td> +<td> +<p> +Welk een gruwelijke opeenstapeling van kwalen ziet gij dan voortspruiten +uit een onbeduidend wondje van zoo’n klein deeltje.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Dolor, rubor, tumor, ardor, pulsatio, febris, sitis, delirium, convulsio +et horrenda tristis tragoediae catastrophe mors.</p> +</td> +<td> +<p> +Pijn, een roode, opgezwollen plek, gloeiing, klopping, koorts, dorst, +ijlhoofdigheid, stuiptrekkingen en de vreeselijke ontknooping der +tragedie, den dood!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Spina, levisve festuca membranoso infixa loco eadem brevi parit.</p> +</td> +<td> +<p> +Een doorn of fijne stroohalm verwekt, op een vliesachtige plaats +binnengedrongen, in korten tijd dezelfde verschijnselen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Et miramur venenorum spicula, pestis lanceolas, vel salium acumina +similia peragere?</p> +</td> +<td> +<p> +Waarom zouden wij er ons dan over verwonderen, dat de stekels der +vergiften, de pijlen der besmetting of de prikkels der zouten een +gelijke uitwerking hebben?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quin solo motu externo quam mirae rerum mutationes in corpore sano!</p> +</td> +<td> +<p> +Welke wonderlijke veranderingen zien wij in een gezond lichaam niet +plaats grijpen zelfs alleen ten gevolge eener uitwendige beweging!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">150</span> +<a name = "page150" id = "page150"> </a> +<!--png 172--> +In gyrum agatur, vel jactetur maris fluctibus scaphae insidens +insuetus: Quid fit? vertigo, pallor, nausea, vomitus, anxietas, mille +morborum aerumnae, mille fluidi vitalis et incredibiles mutationes a +solo motu oriundae.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">151</span> +<a name = "page151" id = "page151"> </a> +<!--png 173-->Stelt U voor, dat iemand, zonder er gewoon aan te zijn, in +een bootje +op zee door de golven in een kring rondgedreven of heen en weer +geslingerd wordt; welke verschijnselen doen zich daar niet voor! +Duizeligheid, bleekheid, misselijkheid, braking, angst, allerlei +ziekteleed, tallooze ongelooflijke afwijkingen van het levensvocht, en +dat alles uitsluitend gevolg der beweging!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Qui ergo humores integros manere novit, quamdiu vi canalium conquassati +propelluntur, qui stagnantes hos in calido, humidoque loco morbosos +reddi statim et trahere sincera scit, qui ex uno simplicique malo +infinita alia statim sequi animadvertit, facillime perspiciet +exspectanda ad haec a mechanico medico promtissima tandem auxilia:</p> +</td> +<td> +<p> +Wie derhalve weet, dat de vochten ongedeerd blijven, zoolang zij door +den druk, dien de vaten er op uitoefenen, worden voortgedreven, dat zij +echter door stil te staan op een warme en vochtige plaats terstond in +een ziekelijken toestand geraken en ook gezonde deelen aantasten, wie +waargenomen heeft, dat van één enkele onbeduidende afwijking tallooze +andere afwijkingen het onmiddellijk gevolg zijn, zal gemakkelijk inzien, +dat eerst van den mechanistischen geneesheer afdoende middelen hiertegen +te verwachten zijn;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +ex causis enim impediti fluoris, regulis superandae resistentiae, +restituendi motus elastici, augendae virtutis cordis collatis cum morbi +phaenomenis quid non invenietur tandem?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +wat al ontdekkingen zullen haar ontstaan te danken +hebben aan het in verband brengen der ziekteverschijnselen met de +oorzaken der stoornissen in den bloedsomloop en de regels voor het +overwinnen van den weerstand, het herstellen der veerkrachtige beweging +en het versterken der hartwerking!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +At enim vitam, morbos, sanitatem in nobis ex principiis fluere non +Mechanicis mentis docet in corpora potestas. Frustraneus ergo tot +irritorum conaminum labor! Vana supervacaneae Mechanicae speculationis +spes.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar, zoo werpt men mij tegen, de macht van onzen geest over ons lichaam +doet ons toch duidelijk zien, dat leven, ziekte en gezondheid uit +niet-mechanische beginselen voortvloeien. Tevergeefsch derhalve is uwe +inspanning, vergeefsch uwe pogingen! IJdel zijn de verwachtingen, die +gij van uwe nuttelooze mechanistische studie koestert!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Talia aggerens utinam rideret securus, neque communem ignorantiae +calamitatem eadem deploraret querela!</p> +</td> +<td> +<p> +Het ware te wenschen, dat hij, die dergelijke tegenwerpingen maakte, +zich slechts een onschuldig genoegen daarmede verschafte en dat in zijne +schertsend geuite klacht niet tevens de beklagenswaardige ramp van ons +aller onwetendheid tot uiting gebracht werd!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quis enim miri hujus commercii vim invenire potuit in aliquo, quod +corpus constituit vel mentem?</p> +</td> +<td> +<p> +Want wie heeft ooit in een der samenstellende deelen van onzen geest of +van ons lichaam ook maar iets kunnen ontdekken, dat voor het +wonderbaarlijk samengaan van beide een verklaring oplevert?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sciat tamen, virtutem cogitationis, simulac in corpus influit, totum +quod in eo producit, facere corporeum, adeoque legi Mechanicae +obediens.</p> +</td> +<td> +<p> +Men houde echter wel in het oog, dat alle werkingen, die onze geest in +ons lichaam teweegbrengt, van uitsluitend lichamelijken aard zijn en dat +<i>deze</i> dan toch aan de wetten der Mechanica gehoorzamen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quid refert causam mutationis primam non esse Mechanicam, +<span class = "pagenum latin">152</span> +<a name = "page152" id = "page152"> </a> +<!--png 174--> +quum hac +insuper habita, effectum, qui corporeus, cognoscere, excutere, atque +dirigere Mechanico detur Medico; quum hoc scopo sufficiat?</p> +</td> +<td> +<p> +Wat doet het er toe, dat de eerste oorzaak der verandering <i>niet</i> +<span class = "pagenum dutch">153</span> +<a name = "page153" id = "page153"> </a> +<!--png 175-->mechanisch is, als het toch den mechanistischen geneesheer +gegeven is, +zonder daarmede rekening te houden, van hare werkingen, die van +<i>lichamelijken</i> aard zijn, kennis te nemen, ze grondig te +onderzoeken en +zelfs te besturen, wat toch het eenige doel is, dat hij bereiken +wil.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Crescit nimium, pauca dum tangit leviter, Oratio.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar ik bemerk, dat mijne rede, hoewel slechts enkele punten +oppervlakkig behandelend, al te zeer in omvang toeneemt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Unum, quod palmarium jactant, quibus alia quam nobis mens est, ne +declinando subdole evitasse me suspicentur, diluendum judico.</p> +</td> +<td> +<p> +Toch komt het mij voor, dat ik op één punt, waaraan mijn tegenstanders +hun krachtigst argument ontleenen, de beweringen van dezen niet +onwederlegd mag laten; ik wil namelijk niet de verdenking op mij laden, +dit punt, door het opzettelijk niet ter sprake te brengen, listiglijk +ontweken te hebben.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Philosophos clamant et Mechanicos, ubi Medicae arti exercendae admoti +fuere unquam, sinistro semper eventu repulsos fuisse. Disputatione non +esse opus, quum artem horum Medicis nocere, re constet et +experimento.</p> +</td> +<td> +<p> +Is het niet waar, zoo roepen zij triomfantelijk uit, dat alle +philosophen en Mechanisten, die zich tot nog toe aan de uitoefening der +geneeskunde hebben gewaagd, steeds jammerlijk fiasco gemaakt hebben? +Alle verdere redetwist is dus overbodig, daar het feitelijk en +proefondervindelijk bewezen is, dat hunne wetenschap der geneeskunde +slechts schaadt!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quae verissima esse, si hos arguunt, quos in scholis superbus philosophi +titulus effert, docet historia, docent, quae de rebus conscripsere +medicis, volumina.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik geef toe, dat deze redeneering volkomen juist is, zoolang zij slechts +gericht blijft tegen hen, die tot de scholen behooren, welker aanhangers +zich den weidschen naam van philosoof hebben aangematigd; dit leert ons +de geschiedenis, dit toonen de werken, die deze lieden over +geneeskundige onderwerpen geschreven hebben.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Dum enim omnium prima rerum principia ex propriis creare cogitatis +satagunt, dein vero ex iis, quae ipsi figmenti subtilitate prius in +illis posuerant, peculiarem corporis cujusque naturam declarare, errasse +ubique docet ipsa, quam commendo, Mechanices ratio.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar zij zich immers onledig houden met het louter uit eigen verbeelding +opstellen van de beginselen aller dingen, om vervolgens uit de +hoedanigheden, die zij met groote scherpzinnigheid aan die beginselen +hebben toegedicht, den bijzonderen aard van elk lichaam te verklaren, +blijken zij natuurlijk op alle punten gedwaald te hebben; en nu is het +juist de door mij zoo warm aangeprezen mechanistische methode, die dat +duidelijk aangetoond heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Applicari rebus nequit, quam ratiocinio fecerant, conclusio, nisi prius +illa, quae pro fonte argumenti liquido assumserant, rerum singularium, +quae natae sunt, principiis esse eadem foret evictum.</p> +</td> +<td> +<p> +De gevolgtrekkingen, waartoe zij langs logischen weg gekomen zijn, +kunnen niet op de werkelijkheid toegepast worden, tenzij eerst is +uitgemaakt, dat die dingen, welke zij als een zeker uitgangspunt voor +hunne redeneeringen hebben aangemerkt, identiek zijn met de beginselen +van de afzonderlijke voorwerpen, die de natuur ons te aanschouwen +geeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">154</span> +<a name = "page154" id = "page154"> </a> +<!--png 176--> +Haec vero, quum infinita, eaque semper diversa esse queant, patet casu +veritatem nunquam sic detectum iri.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">155</span> +<a name = "page155" id = "page155"> </a> +<!--png 177-->Daar deze beginselen nu echter misschien wel oneindig in +aantal en alle +onderling verschillend zijn, zoo blijkt het, dat de waarheid hieromtrent +onmogelijk bij toeval, zooals zij zich inbeelden te kunnen doen, ontdekt +kan worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quod si considerassent sedulo, tam Scholastici dicti, quam plurimi +Mechanicorum Cartesii sequaces non fuissent arbitrati id sibi datum +negotii, ut ex fictorum principiorum praeceptis corpus humanum regerent, +sed ut ex his, quae observatio prius docuerat hominem constituere, ipsa +dein artis elementa applicata Mechanica conderent.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien dit zoowel door de zoogenaamde scholastieken als door een groep +van Mechanisten, die tot de school van <span class = +"smallcaps">Cartesius</span> behooren, +ernstig in het oog gehouden ware, dan zouden zij niet in den waan +verkeerd hebben, dat het hun tot taak gesteld was, het menschelijk +lichaam te richten naar voorschriften, die op verdichte beginselen +berusten, maar zij zouden begrepen hebben, dat de elementen der door hen +beoefende wetenschap met behulp der Mechanica door hen opgebouwd moesten +worden uit datgene, wat de waarneming ons omtrent de samenstelling van +den mensch leert.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +At si Mechanico, quem jam descripsi, Medico hanc dicunt contumeliam, +exempla ignominiae citent exspecto.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien men echter dit verwijt den mechanistischen Geneeskundige, zooals +ik U dien beschreven heb, naar het hoofd slingert, dan vraag ik bewijzen +voor dien laster.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Non equidem, qui nostri capit animi sensum, negabit ullus, +accuratissimum Mathematicum pessimum forte futurum Medicum.</p> +</td> +<td> +<p> +Natuurlijk zal niemand, men versta mij wel, zoo dwaas zijn te beweren, +dat de meest nauwgezette Wiskundige niet een allerjammerlijkst figuur +als geneesheer kan maken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quo enim talis pertinet Oratio?</p> +</td> +<td> +<p> +Wat zou zulk een bewering wel te beteekenen hebben!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Non in Mechanico Medicinae, in Medico vero Mechanices peritiam +desidero.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik verlang ook niet, dat de Mechanist verstand hebbe van de Geneeskunde, +maar omgekeerd eisen ik van den Geneeskundige kennis der Mechanica.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Usu peritum Medicum experimentis medicis defecto Mechanico in morbis +curandis qui post habet, insaniet.</p> +</td> +<td> +<p> +Het zou allerdwaast zijn, een practisch ervaren Geneesheer ten opzichte +van het genezen van ziekten te willen achterstellen bij een +Werktuigkundige, die ganschelijk onbedreven is in de geneeskunde.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed aequa instructorum experientia hunc promovendae arti meliorem, qui +Mechanicis callet prae alio praeceptis, id affirmo, id demonstrandum +sumserat Oratio.</p> +</td> +<td> +<p> +Slechts dit verklaar ik, slechts dit wilde ik door mijne redevoering +duidelijk in het licht stellen, dat van twee geneeskundigen, die gelijke +ervaring in hun vak hebben opgedaan, hij het meest geschikt is om zijne +wetenschap vooruit te brengen, die meer dan de ander met de regelen der +Mechanica vertrouwd is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ne vero, quod ubique contigisse doleo, sinistram, quae dixi, +interpretationem subeant, age describam compendio speciem illius, cujus +imago animo obversatur meo, Medici.</p> +</td> +<td> +<p> +Opdat nu echter aan mijne woorden geen scheeve uitlegging gegeven worde, +wat tot mijn grooten spijt reeds zoo dikwijls is voorgekomen, zal ik U +een korte schets geven van den Geneesheer, zooals die mij steeds als een +ideaal voor oogen zweeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Depingitur ille, ducendis studii Medici primis lineamentis incumbens, +tanquam affixus Geometricae contemplationi figurarum, Corporum, +<span class = "pagenum latin">156</span> +<a name = "page156" id = "page156"> </a> +<!--png 178--> +Ponderum, Velocitatis, Fabricae Machinarum, et, quae inde oriuntur in +alia corpora, Virium.</p> +</td> +<td> +<p> +Stelt hem U voor, bezig met het leggen van den eersten grond voor zijne +geneeskundige studiën, geheel en al verdiept in de wiskundige +<span class = "pagenum dutch">157</span> +<a name = "page157" id = "page157"> </a> +<!--png 179--> +beschouwing van figuren en lichamen, gewicht en snelheid, de inrichting +van werktuigen en de werkingen, die daarmede op andere voorwerpen kunnen +uitgeoefend worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +His dum mentem exercet, claro discit praecepto et exemplo, liquida ab +obscuris, a falsis vera secernere, et ipsa judicandi tarditate animo +conciliare prudentiam.</p> +</td> +<td> +<p> +Terwijl hij door deze studiën zijnen geest oefent, kunnen hem deze +tevens tot nauwkeurig richtsnoer dienen, om duidelijke van onduidelijke, +ware van onware voorstellingen te onderscheiden; tegelijkertijd zal hij, +gedwongen tot langzaamheid in het oordeelen, zich de zoo hoog noodige +voorzichtigheid eigen maken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ita postquam nudas simplicium corporum actiones expendere, has ex veris, +clarisque causis deducere novit, maturum habet ingenium, qui +fluididatis, Elateris, tenuitatis, ponderis, tenacitatisque in +fluentibus proprietates ab Hydrostaticis cognoscat.</p> +</td> +<td> +<p> +Nadat hij aldus geleerd heeft, de enkelvoudige werkingen der niet +samengestelde lichamen na te gaan en deze uit haar ware en ontwijfelbare +oorzaken af te leiden, is zijn geest rijp geworden, om de verschillende +eigenschappen der vloeistoffen, te weten haar vloeibaarheid, +elasticiteit, ijlheid en gewicht, die de hydrostatiek uitvoerig +behandelt, nader te bestudeeren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Jam animi vigore robustior fluidorum vires in machinas, harumque in illa +rigore addiscat Mathematico, Experimentis confirmet Hydraulicis, et +Mechanicis, Chemicis illustret, Ignis, Aquae, Aëris, Salium, et aliorum +maxime similium corporum ingenium speculatus et actiones.</p> +</td> +<td> +<p> +Daarna ga hij, zijn denkvermogen aldus gescherpt hebbende, er toe over, +de werkingen, die vloeistoffen op werktuigen en die deze op gene +uitoefenen, volgens streng mathematische methode te onderzoeken, +versterke de op die wijze opgedane kennis door hydraulische, +mechanistische en chemische proeven, terwijl hij de geaardheid en de +werkingen van het vuur, het water, de lucht, de verschillende zouten en +andere dergelijke stoffen nauwkeurig gadeslaat.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Altera mox tabulae facies sacris jam Medicis admotum exhibet.</p> +</td> +<td> +<p> +Een tweede tafereel vertoont hem ons, zich reeds bevindend binnen de +gewijde ruimte, waar de Geneeskunde zelve beoefend wordt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Oculum ibi Geometriae luce acutum ad incisa cadavera, ad spirantium +corpora brutorum aperta tacitus circumfert.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar zien wij hem zijne oogen, gescherpt en verhelderd door wiskundige +onderzoekingen, zwijgend richten op geopende lijken en op lichamen van +levend geopende dieren.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Jam vasorum structuram, figuras, firmitatem, ortum, fines, nexus, +curvaturas, flexilitatem contemplatur et elaterem.</p> +</td> +<td> +<p> +Aanstonds beschouwt hij met aandacht den bouw, de vormen, de vastheid, +de begin- en eindpunten, de verbindingen en krommingen, de buigzaamheid +en veerkrachtigheid der vaten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Excitatus spectaculi mirabilitate, mox conspecta ad eum, quo jam pollet +cognito, Mechanismum applicans, abditas detegit harum partium +virtutes.</p> +</td> +<td> +<p> +Door dit wonderlijk schouwspel geprikkeld, past hij weldra op de door +hem waargenomen verschijnselen de wetten der Mechanica, welke hem reeds +van vroeger bekend zijn, toe en ontdekt zoodoende de verborgen +eigenschappen der aanschouwde lichaamsdeelen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quam variis, pulchris, utilibusque utentem cernimus auxiliis, quibus +recentiorum industria pomoeria extendit anatomes.</p> +</td> +<td> +<p> +Van hoe verschillende, schoone en nuttige hulpmiddelen, waarmede de +vlijt der jongere geleerden de grenzen der ontleedkunde heeft +uitgebreid, zien wij hem gebruik maken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">158</span> +<a name = "page158" id = "page158"> </a> +<!--png 180--> +Aliorum certe durissimo parta labore inventa in suos usus dum +accommodat, claram sibi sistit humanae fabricae imaginem.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">159</span> +<a name = "page159" id = "page159"> </a> +<!--png 181--> +Terwijl hij zich de door anderen eerst na zeer veel inspanning gedane +ontdekkingen ten nutte maakt, vormt hij zich een duidelijk beeld van den +bouw van het menschelijk lichaam.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Cui fluidorum vitalium nectit notitiam; hanc Anatomicis, Chemicis, +Hydrostaticis, ipsiusque microscopii adjumentis in vivo corpore, et +extra illud examinat; tum mox accuratissimam omnium sensibilium, quae in +sanitate contingunt, historiam omni arte, undique comparatam +evolvit.</p> +</td> +<td> +<p> +Vervolgens zet hij zich aan de bestudeering der levensvochten, welke hij +zoowel in als buiten het levend lichaam met alle middelen, die hem +Anatomie, Chemie en Hydrostatiek ten dienste stellen, alsook met behulp +van het microscoop aan een grondig onderzoek onderwerpt. Eindelijk zal +hij zich dan door zijne van alle kanten bijeenverzamelde gegevens een +volledig overzicht kunnen verschaffen van alle verschijnselen, die het +lichaam in gezonden toestand te aanschouwen geeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +En suis instructum datis, ut sanitatis Theoriam scribat!</p> +</td> +<td> +<p> +Ziedaar iemand, die uitsluitend door de gegevens, welke hij zich zelf +verschaft heeft, in staat gesteld is tot het schrijven eener Leer van +den normalen lichaamstoestand!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ex his singulatim perspectis, expensis, comparatisque inter se, auxilio +Mechanices, severitate ordine et prudentia Geometrica, lento gradu +festinans elicit, quae in his comprehensa sensibus abduntur, rationi +patent.</p> +</td> +<td> +<p> +Met behulp van deze gegevens nu brengt hij, na eerst elk afzonderlijk +nauwkeurig onderzocht en overwogen en ze vervolgens in hun onderlingen +samenhang bestudeerd te hebben, met toepassing van de wetten der +Mechanica en met streng wiskundige regelmaat en behoedzaamheid te werk +gaande, langzaam maar zeker waarheden aan het licht, die, hoewel in die +gegevens opgesloten liggend, niet door zinnelijke waarneming daarin +ontdekt, doch slechts door logische redeneering daaruit afgeleid kunnen +worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sic proximae cujusque effectus causae indagantur, harum natura ex indole +collectorum, cognitorum et comparatorum phaenomenon indagata perficitur, +firmatur, et sensim ex horum aggregato consummatur tandem.</p> +</td> +<td> +<p> +Aldus worden de naaste oorzaken van iedere werking opgespoord; deze +maakt hij namelijk op uit den hem reeds bekenden aard der +verschijnselen, welke hij bijeenverzameld, onderzocht en onderling +vergeleken heeft, zoodat hij zich langzamerhand, als vrucht van al deze +onderzoekingen, een duidelijk en volledig beeld van het wezen dier +oorzaken zal kunnen vormen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quid speratis futurum, qui ad hanc normam sua exigit studia?</p> +</td> +<td> +<p> +Welke schoone resultaten zal hij niet kunnen bereiken, die bij zijne +studiën dezen weg volgt!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nonne immutabilis et coaeva erit haec scientia ipsi naturae humanae, ex +cujus sc. elicitur indole, in qua fundatur tantum?</p> +</td> +<td> +<p> +En zal de wetenschap, op deze wijze verkregen, niet onveranderlijk +vaststaan en even duurzaam zijn als de menschelijke natuur zelve, uit +welker innerlijk wezen zij immers is opgedolven en welke haar eenigen +grondslag uitmaakt?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nonne certa erit, quae innixa iis, quae omnes pari agnoscunt evidentia, +castigatissima caute procedit fide?</p> +</td> +<td> +<p> +Zullen de resultaten van zulk een wetenschap niet onbetwistbaar zijn, +die, slechts steunend op wat allen met gelijke beslistheid als waar +erkennen, met de strengste nauwgezetheid behoedzaam voortschrijdt?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">160</span> +<a name = "page160" id = "page160"> </a> +<!--png 182--> +Nonne definita satis et ipsis erit rebus utilis, quae certis, claris, +et sensibilibus corporis humani proprietatibus solum debet causae +proximae, quaeque nostro subjicitur imperio, inquisitionem +accuratissimam, idque via, qua erratum nunquam?</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">161</span> +<a name = "page161" id = "page161"> </a> +<!--png 183-->Zal die wetenschap niet genoegzaam betrouwbaar en ook voor +de praktijk +nuttig zijn, welke bij haar grondig en met toepassing eener onfeilbare +methode ingesteld onderzoek naar de naaste en onder ons bereik vallende +oorzaken slechts van die eigenschappen van het menschelijk lichaam +uitgaat, die stellig vaststaan en duidelijk voor onze zintuigen +waarneembaar zijn?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Lento crescet, fateor, et occulto adolescet augmento, quilibet tamen vel +minimus progressus gradus ad altiora firmus erit, et novi incrementi +immutabilis causa.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik erken, dat zij op die wijze slechts uiterst langzaam en nauw merkbaar +zal groeien en opwassen; daartegenover staat echter dit belangrijke +voordeel, dat elke, ook zelfs de geringste, vordering, die zij maakt, +een vaste schrede voorwaarts beteekent en een hechten grondslag vormt, +waarop verder voortgebouwd kan worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hoc autem labore defunctum, adspirantemque ad metam jam videte in ultima +picturae parte adumbratum.</p> +</td> +<td> +<p> +Het laatste tafereel mijner schets eindelijk vertoont U onzen +geneesheer, al dit werk reeds volbracht hebbend en naar den eindpaal +strevend.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +In ipsa nunc adyta se penetrat, in ipsa æsculapii penetralia!</p> +</td> +<td> +<p> +Nu dringt hij door tot het allerheilige, tot het binnenste van den +tempel van <span class = "smallcaps">Aesculapius</span>!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +En Tabulas Hippocraticas, fidaque Grajorum, quae scrutatur, scripta!</p> +</td> +<td> +<p> +Thans doorvorscht hij de Tafelen van <span class = +"smallcaps">Hippocrates</span> en de zoo +betrouwbare geschriften der Grieken!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Jam ex abundanti Medicorum Thesauro colligit quidquid sparsum haeret +mellis medicati.</p> +</td> +<td> +<p> +Ziet hem uit den overvloedigen schat der geneeskundige schrijvers +vlijtig bijeenverzamelen, wat er overal in hunne werken aan kostelijke +gegevens te vinden is!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hic incisa, quorum notaverat morbos, ruspatur cadavera; illic in brutis +arte factas aegritudines observat; nunc omnia morborum effecta et +remediorum ipse experimento colligens; nunc eadem ex optimis Auctoribus +addiscens;</p> +</td> +<td> +<p> +Nu eens opent hij, ten einde ze te onderzoeken, lijken, waaraan hij +pathologische afwijkingen ontdekt heeft, dan weer neemt hij bij dieren +ziekten waar, die hij kunstmatig bij deze heeft verwekt; nu eens +verzamelt hij uit eigen ervaring allerlei gegevens omtrent de +uitwerkingen van ziekten en geneesmiddelen, dan weer vult hij de aldus +opgedane kennis aan door het raadplegen van de beste schrijvers op dat +gebied;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +tandem cuncta digerens, expendensque inter se componit, et +his, quae Theoria demonstravit, comparat, unde historiam denique +curationemque morborum firmet.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +eindelijk schikt hij al deze gegevens samen, terwijl hij ze +regelt en nauwkeurig overweegt, en vergelijkt de aldus gevonden +resultaten met wat de Theorie hem geleerd heeft, zoodat hij ten slotte +een degelijk inzicht krijgt in den loop en de geneeswijze der +verschillende ziekten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +En Vobis ultima manu absolutam consummati Medici imaginem!</p> +</td> +<td> +<p> +En hiermede heb ik de laatste hand gelegd aan het voor u geschetste +beeld van den volmaakten geneesheer!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hanc Mechanicis egere auxiliis ut perficiatur, satis, ni fallit me +animus, evictum.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat deze hoogte onmogelijk bereikt kan worden zonder de studie der +Mechanica, meen ik thans genoegzaam te hebben aangetoond.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Huic consimilem me reddere, ad hanc me componere studui, ut medicinam +feci.</p> +</td> +<td> +<p> +Sinds ik mij op de studie der geneeskunde toelegde, heb ik getracht, dat +beeld te evenaren, mij daarnaar te richten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">162</span> +<a name = "page162" id = "page162"> </a> +<!--png 184--> +Ad hanc polire eorum, qui meae se committunt disciplinae, ingenium +summa ope enixus sum, dum in Vestro hoc salutis fano ex Auctoritate +vestra Musagetae Illust. medicinam docui.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">163</span> +<a name = "page163" id = "page163"> </a> +<!--png 185-->Naar dat model den geest te vormen van hen, die zich aan +mijne leiding +toevertrouwen, daartoe, Heeren Curatoren, heb ik steeds al mijne +krachten ingespannen, zoolang ik op uw gezag aan deze hoogeschool de +geneeskunde onderwees.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Eam, dum Dei munere spiro, ambitiose colere non desinam.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat ideaal zal ik, zoolang God mij het leven schenkt, niet ophouden +ijverig na te streven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Non credulitate stulta, non stupore ignari vulgi, non verbosis strophis, +sed clara demonstrationis fide Artem, cui nostra credimus capita, +commendare affectabo.</p> +</td> +<td> +<p> +Niet door partij te trekken van de dwaze lichtgeloovigheid en de domme +verbazing der onkundige menigte, niet door een verblindenden +woordenvloed, maar door duidelijke en onbetwistbare resultaten zal ik +voor de wetenschap, waaraan wij allen ons leven toevertrouwen, eerbied +trachten af te dwingen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vos Optimi Juvenes, qui illi Scientiae consecrastis pectora, a qua +incolumitatem sperat salutis Humanum Genus, Vos Picturam. Medici +contemplati primis miremini ab annis.</p> +</td> +<td> +<p> +Moogt gij, voortreffelijke jongelingen, die u met de borst op deze +wetenschap toelegt, door welke het menschelijk geslacht zijn ongestoord +welzijn hoopt verzekerd te zien, het door mij ontworpen beeld van den +idealen geneesheer reeds van uwe eerste studiejaren af aandachtig +beschouwen en er bewondering voor opvatten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ita Vos agite rem vestram, ut lineamentis, coloribusque hujus imaginis +formosi, salutares hominibus audiatis genii!</p> +</td> +<td> +<p> +Kwijt u zóó van uwe taak, dat gij u, getooid met de trekken en tinten +van dit beeld, den naam van reddende engelen der menschheid +verwerft!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nulla est, quae pulchriora laborum praemia Cultoribus persolvit, quam +Medica Sapientia.</p> +</td> +<td> +<p> +Er is geen wetenschap, die haren beoefenaren schoonere belooningen voor +hunnen arbeid ten deel doet vallen dan de Geneeskunde.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Non alia est, quae Mortalibus gratiores, magisve utiles vel necessarios +reddere vos possit.</p> +</td> +<td> +<p> +Geen andere is er, die u aangenamer, nuttiger en onmisbaarder voor uwe +medemenschen kan maken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Excitemini o generosae mentes! Excitemini pulchritudine Artis, cujus +effectu beatus his in terris nemo carere poterit!</p> +</td> +<td> +<p> +Geraakt in geestdrift, edelaardige geesten, geraakt in geestdrift voor +de schoonheid dezer kunst, zonder welker hulp voor niemand hier op aarde +het geluk bestaanbaar is!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nunquam rei difficultas calidum vestri animi retundat impetum!</p> +</td> +<td> +<p> +Dat toch nooit de moeielijkheid dezer studie de onstuimigheid van uwen +vurigen geest beteugele!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ardua est, fateor, quae ad Panaceae ducit delubra, via.</p> +</td> +<td> +<p> +Hoogst bezwaarlijk, ik erken het, is de weg, die tot het heiligdom van +<span class = "smallcaps">Panacea</span><a class = "tag" name = "tag4_5" +id = "tag4_5" href = "#note4_5">5</a> voert.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed complanavit hanc improbus aliorum labor, superarunt praerupta, +perrupere fortes, Vos alacres sequamini!</p> +</td> +<td> +<p> +Doch anderen hebben dezen door hunnen onvermoeiden arbeid geëffend; met +groote dapperheid wisten zij, alle moeilijkheden overwinnend, het +einddoel van hunnen tocht te bereiken; volgt gij nu moedig hun +voorbeeld!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hos habetis in hac Academia ad Medicinam Duces, qui ditiores +<span class = "pagenum latin">164</span> +<a name = "page164" id = "page164"> </a> +<!--png 186--> +longe Vobis explicent thesauros, quam Epidauriae olim columnae, +Pergamenae +tabulae, Cnidii parietes, vel folia largiebantur Coaca.</p> +</td> +<td> +<p> +Gij vindt in deze hoogeschool zoodanige leidslieden op het +<span class = "pagenum dutch">165</span> +<a name = "page165" id = "page165"> </a> +<!--png 187--> +gebied der +geneeskunde, die u veel rijker schatten kunnen toonen dan weleer de +Epidaurische zuilen<a class = "tag" name = "tag4_6" id = "tag4_6" href = +"#note4_6">6</a>, de Pergameensche boekrollen<a class = "tag" name = +"tag4_7" id = "tag4_7" href = "#note4_7">7</a>, de Cnidische +wanden<a class = "tag" href = "#note4_6">6</a> en de Coische bladen<a +class = "tag" href = "#note4_7">7</a> opleverden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Habetis, qui secreta quaeque Matheseos arcana incredibili perspicui +sermonis facilitate revelet, rebusque applicare Medicis praemonstret, +Volderum.</p> +</td> +<td> +<p> +Gij vindt hier iemand, die de kunst verstaat, met een ongelooflijk gemak +in duidelijke taal de meest verborgen geheimenissen der Wiskunde bloot +te leggen en die u zal leeren, deze op geneeskundige vraagstukken toe te +passen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Optimorum sane sententia natum ad haec sacra, Nostroque encomio longe +majorem Virum!</p> +</td> +<td> +<p> +Het is <span class = "smallcaps">Volder</span>, een man, die naar het +oordeel der besten onder +ons geboren schijnt voor deze gewijde taak, een man, die verre boven +onzen lof verheven is!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Cujus disciplinae liberali infinitum me debere grata memoria et publice +hic agnosco, et dum huic constabit menti sanitas ingenue semper Ego et +candide meminero.</p> +</td> +<td> +<p> +Met een van dankbaarheid vervuld gemoed spreek ik het hier gaarne +openlijk uit, dat ik aan zijne milde voorlichting oneindig veel +verschuldigd ben en steeds, ten minste zoolang ik nog helder van hoofd +ben, zal ik mij mijne groote verplichtingen jegens hem eerlijk en +oprecht voor oogen houden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Horum ergo dum lego vestigia, si quid vobis adjumenti praestare posse +censeor, praesto sum qui ita me geram, ut ex vestro meum me comparare +commodum opere ipso testari possim.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien gij nu van oordeel zijt, dat ik U tot eenigen steun bij uwe +studiën kan dienen, dan zal ik gaarne, het voetspoor dezer groote mannen +volgend, er met alle macht naar streven, metterdaad het bewijs te +leveren, dat ik mijn belang slechts in het uwe zoek.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vobiscum Veterum placita, Recentiorum et propria, si quae sunt, +observata undique indefesso labore colligere, ex his laudatae Mechanices +arte doctrinam Medicam condere non desinam, quamdiu in hac versanti +slatione, vires dederit Deus!</p> +</td> +<td> +<p> +Zoolang God mij de kracht verleent, dit ambt naar behooren te vervullen, +zal ik niet ophouden, met U de uitspraken der Ouden en de waarnemingen +der jongeren met onverdroten ijver van alle kanten bijeen te verzamelen, +waarbij ik dan nog de resultaten mijner eigen onderzoekingen, die ik +geef voor wat ze zijn, zal voegen, ten einde, toegerust met al deze +gegevens, met behulp van de door mij zoo uitbundig geprezen Mechanica, +het onze bij te dragen tot den opbouw der medische wetenschap!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Agite ergo Commilitones Studiosi totus quod commendavit sermo, felici +hujus anni Academici auspicio inchoare et perficere certatim tentemus +opus!</p> +</td> +<td> +<p> +Welaan dan, wakkere studiegenooten, laat ons het werk, waartoe mijne +gansche redevoering U aanspoorde, onder de zegenrijke begunstiging van +het thans aangebroken academisch jaar als om strijd aanvatten en het zoo +mogelijk voleinden!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vestra frequentia incitatus docentis vigor id aget, ut, qui naturae +<span class = "pagenum latin">166</span> +<a name = "page166" id = "page166"> </a> +<!--png 188--> +facultate et eruditionis plurimis postponendum me sentio, sedulitate +certe cedam nulli.</p> +</td> +<td> +<p> +Laat uwe trouwe opkomst bij mijne lessen zulk een geestkracht +<span class = "pagenum dutch">167</span> +<a name = "page167" id = "page167"> </a> +<!--png 189--> +in mij +ontvonken, dat ik, die mij volkomen bewust ben, wat natuurlijken aanleg +en geleerdheid betreft, bij zeer velen achtergesteld te moeten worden, +in ijver tenminste voor niemand zal behoeven onder te doen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Laboris autem summum habebo pretium, si vestro applausu, Vobis meam +profuisse diligentiam, orbi constet, si vestri in hoc Athenaeo studii +felicitas claritate famae plures alliciat.</p> +</td> +<td> +<p> +De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik <i>dan</i> meenen +deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal +blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is, wanneer +de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool meerderen +zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hoc enim votum illud est, <i>Illustrissimi Curatores, Amplissimi +Coss.</i>, cujus successu alacer, rerum Vestro auspicio, Vestra in +Academia gestarum rationem Vobis reddere audebo.</p> +</td> +<td> +<p> +Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn, zal ik, +Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren +Burgemeesters<a class = "tag" name = "tag4_8" id = "tag4_8" href = +"#note4_8">8</a>, de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe +bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel +mogen onderwerpen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Unum hoc dignum habebo, quo Genium Vestrum adorem, donarium.</p> +</td> +<td> +<p> +Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven +geest behagen zal kunnen scheppen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Omni sic adulationis fuco deterso, sincero certe animi candore referre +me putabo, quas Vestrae benignitati animus debet, gratias!</p> +</td> +<td> +<p> +Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet +minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U verplicht +gevoel, metterdaad te toonen!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Docendi enim admotum muneri, duoque jam meritum stipendia, exploratum +adeo, honorificis promissis et nova liberalitate nec opinantem +excitastis denuo.</p> +</td> +<td> +<p> +Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen en +gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne +werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door hoogst +vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog meer ijver +geprikkeld.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ego, ex multis, quas in Vobis veneror, virtutibus, unam prae caeteris +eximiam habendam esse a Sapientibus accepi, sinceram nempe Vestri +favoris integritatem.</p> +</td> +<td> +<p> +Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het +mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere +gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij bij +het betoonen van uwe gunst te werk gaat.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Summam dico, et Reip. literariae solam salutarem Virtutem, qua praemia +meritis, non gratiae servire jubetis, neque ambitioni.</p> +</td> +<td> +<p> +Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest ten +goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden, hebt +gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle +gunstbejag stuit op haar af.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quare benefacti pretium Vestra ex gravitate ponderans, vix mihi tempero, +quin tanti testimonii gloria animosus, quo coepi pede, pergam +alacrior!</p> +</td> +<td> +<p> +Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet van +de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen +onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol +getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort te +gaan!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">168</span> +<a name = "page168" id = "page168"> </a> +<!--png 190--> +Verbosae ergo pompae loco, qua gratiarum actio suspecta redditur et +Sapientibus odiosa, pauca ego haec religiosus spondeo!</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">169</span> +<a name = "page169" id = "page169"> </a> +<!--png 191--> +Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij +eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en +volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil ik U +slechts het volgende plechtig beloven!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vestram Dignitatem summo venerationis cultu et obsequii semper colam +sedulus!</p> +</td> +<td> +<p> +Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van den +diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Diligens sic mea se acuet industria, ut Vestrum favorem plurimi me +facere et legitimis ultra ambire artibus, demonstrem.</p> +</td> +<td> +<p> +Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren, dat +het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij haar door +gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te verwerven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Id studebo, ut bene agendo benefici, quod de me tulistis, judicii +aequitatem Orbi ipse comprobem!</p> +</td> +<td> +<p> +Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat gij +over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen +blijken!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<h4>DIXI.</h4> +</td> +<td> +<h4>IK HEB GEZEGD.</h4> +</td> +</tr> +</table> + +<hr class = "mid"> + +<h4>Voetnoten</h4> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_1" id = "note4_1" +href = "#tag4_1">1.</a> +Met „geest“, de vertaling van het Latijnsche „spiritus“, +is bedoeld een zeer vluchtige vloeistof, die volgens <span class = +"smallcaps">Boerhaave</span> en andere oude geneeskundigen in spieren +en zenuwen gevonden wordt (Vertaler).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_2" id = "note4_2" +href = "#tag4_2">2.</a> +<span class = "smallcaps">Hermes Trismegistus</span> is de patroon der +alchimisten. In dezen tijd wordt er geen streng onderscheid gemaakt +tusschen chemie en alchimie. (Vertaler).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_3" id = "note4_3" +href = "#tag4_3">3.</a> +Een bij de Ouden gerenommeerde wijnsoort. (Vertaler).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_4" id = "note4_4" +href = "#tag4_4">4.</a> +Een van <span class = "smallcaps">Baco</span>’s werken draagt den titel: +„Historia vitae et mortis“. (Vertaler).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_5" id = "note4_5" +href = "#tag4_5">5.</a> +<span class = "smallcaps">Panacea</span> („Alheelster“) is de naam van +een der dochters van <span class = "smallcaps">Aesculapius</span>. +(Vertaler)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_6" id = "note4_6" +href = "#tag4_6">6.</a> +Op de zuilen van den Aesculapius-tempel te Epidaurus en op de wanden +van dien te Cnidus stonden opschriften, die melding maakten van +verschillende ziektegevallen en de wijze hunner genezing. (Vertaler)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_7" id = "note4_7" +href = "#tag4_7">7.</a> +Bedoeld zijn de werken van <span class = "smallcaps">Galenus</span> +van Pergamum en <span class = "smallcaps">Hippocrates</span> van Cos. +(Vertaler).</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note4_8" id = "note4_8" +href = "#tag4_8">8.</a> +Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden toegesproken. +(Vertaler)</p> + +<p class = "footnote sans"><a name = "note4_a" id = "note4_a" +href = "#tag4_a">A.</a> +De letter Q werd ondersteboven gedrukt:<br> +<img src = "images/pecquet.png" width = "166" height = "46" +alt = "Pecquet"></p> + +<hr class = "chapter"> + +<span class = "pagenum">170</span> +<a name = "page170" id = "page170"> </a> +<!--png 192--> + +<h3 class = "boldf">HIERONYMI DAVIDIS GAUBII</h3> + +<h1>ORATIO</h1> + +<h3 class ="extended">INAUGURALIS</h3> + +<h4>QUA OSTENDITUR</h4> + +<h6>CHEMIAM ARTIBUS ACADEMICIS JURE ESSE<br> +INSERENDAM</h6> + +<br> + +<h5>HABITA XXI. MAJI MDCCXXXI.</h5> + +<br> + +<h5 class = "smallcaps">Quum publicum Chemiam praelegendi munus in +Academia<br> +Lugduno-Batava auspicaretur.</h5> + +<!--png 193--> + +<p class = "illustration"> +<img src = "images/gaubius.jpg" width= "373" height = "572" +alt = "painting of Gaub" +title = "Jeroen David Gaub (Hieronymus David Gaubius)"> +</p> + +<h5>HIERONYMUS DAVID GAUBIUS<br> +Medicinae Doctor.<br> +Ejusdem et Chemiae et Collegii Practico-Medici<br> +in <span class = "smallcaps">academia batava</span>, +quae <span class = "smallcaps">leidae</span> est,<br> +<span class = "smallcaps">professor ordinarius</span></h5> + +<p align = "center"> +<a href = "images/gaubcaption.png">[Tekst onder het portret]</a></p> + +<hr class = "mid section"> + +<!--png 194--> + +<span class = "pagenum">171</span> +<a name = "page171" id = "page171"> </a> +<!--png 195--> + +<h2 class = "boldf">INAUGUREELE REDE</h2> + +<h6>VAN</h6> + +<h3>HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,</h3> + +<h6>WAARIN WORDT AANGETOOND,</h6> + +<h4>dat de Scheikunde met recht een plaats<br> +verdient onder de Akademische<br> +Wetenschappen,</h4> + +<h5>GEHOUDEN OP DEN 21<sup>STEN</sup> MEI 1731,</h5> + +<h6>TOEN HIJ HET OPENBARE AMBT VAN HET HOUDEN VAN<br> +VOORDRACHTEN OVER DE SCHEIKUNDE AAN DE LEIDSCHE AKADEMIE<br> +PLECHTIG AANVAARDDE.</h6> + +<hr class = "section"> + +<table class = "parallel"> +<tr> +<td width = "45%"> +<span class = "pagenum latin">172</span> +<a name = "page172" id = "page172"> </a> +<!--png 196--> +<p class = "hanging"> +<i>Illustrissimis et Nobilissimis Viris</i></p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Academiae Lugduna-Batavae<br> +Curatoribus</span>, +</p> +</td> +<td> +<span class = "pagenum dutch">173</span> +<a name = "page173" id = "page173"> </a> +<!--png 197--> +<p class = "hanging"> +<i>Aan de zeer doorluchte en edele mannen,</i></p> +<p class = "hanging"> +<i>curatoren der Leidsche Akademie,</i></p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Johanni Henrico, Comiti de Wassenaer</span>, +Domino de Opdam, +Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem, et lage etc. etc.</p> + +<p class = "hanging"> +Equiti ordinis Johannitici, in equestrem nobilium Hollandiae +ordinem adlecto, ad supremum foederati belgii senatum delegato +etc. etc.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Johannes Hendrik, graaf van Wassenaer</span>, +heer van Opdam, Hensbroek, Spierdyk, Zuydwyk, Kernchem en Lage, enz. +enz. ridder van de Johanniterorde, lid van de ridderschap der edelen van +Holland, afgevaardigde ter Staten-generaal enz. enz.,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Johanni Trip</span>, J. U. D. +Toparchae in Berkenrode, civitatis Amstelaedamensis <ins class = +"correction" title = "text: ‘senatorl’">senatori</ins>, cum maxime +consulum praesidi, Societatis Indiae Orientalis moderatori, etc. +etc.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Johannes Trip</span>, doctor in de beide +rechten, drost in Berkenrode, lid van den raad van de stad Amsterdam, op +dit oogenblik voorzitter der burgemeesters, bewindhebber der O.-I. +Compagnie, enz. enz.,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Arentio Brunonis, van der Dussen</span>, +J. U. D. Reipublicae Delphensis +senatori et consulari, delegatis praepotentium ordinum +Hollandiae adscripto, etc. etc.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Arend Bruno’szoon van der Dussen</span>, +doctor in de beide rechten, lid van den raad der stad Delft en +oud-burgemeester, afgevaardigde ter hoogmogende Staten van Holland, enz. +enz.,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Eorumque Collegis</span><br> +<i>Amplissimis, Gravissimisque Viris<br> +Civitatis Lugdunensis Consulibus.</i></p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +en aan hun ambtgenooten, de zeer aanzienlijke en waardige mannen, +burgemeesters der stad Leiden,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Abrahamo Hoogenhouck</span>, +J. U. D. Consulum praesidi.</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Danieli van Alphen</span>, +J. U. D.</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Henrico van Willigen</span>, +J. U. D.</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Gerhardo Emilio van Hoogeveen</span>, +J. U. D.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Abraham Hoogenhouck</span>, doctor in de beide +rechten, voorzitter der burgemeesters,</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Daniël van Alphen</span>, doctor in de beide +rechten,</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Hendrik van Willigen</span>, doctor in de +beide rechten,</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Gerhard Emile van Hoogeveen</span>, doctor in +de beide rechten,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "hanging"> +Nec Non Viro Spectatissimo</p> +<p class = "hanging"> +<span class = "smallcaps">Davidi van Royen</span>, +J. U. D. Urbis Leidensis Graphiario, Illustriss: +Curatoribus et Ampliss. Consulibus a Secretis.</p> +</td> +<td> +<p class = "hanging"> +Ook aan den zeer voortreffelijken heer <span class = +"smallcaps">David van Royen</span>, doctor in de beide rechten, +secretaris der stad Leiden, geheimschrijver der zeer doorluchte +curatoren en zeer aanzienlijke burgemeesters,</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<div class = "righthalf"> +<p align = "center"> +L. M. Q. D.<br> +Hanc Orationem<br> +Virtuti et Gloriae Eorum<br> +Devotissimus<br> +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.</p> +</div> +</td> +<td> +<div class = "righthalf"> +<p align = "center"> +draagt gaarne en naar verdienste<br> +deze redevoering op<br> +de aan hun voortreffelijke en roemrijke personen<br> +zeer verknochte dienaar<br> +HIERONYMUS DAVID GAUBIUS.</p> +</div> +</td> +</tr> +</table> + +<hr class = "mid section"> + +<table class = "parallel"> +<tr> +<td width = "45%"> +<span class = "pagenum latin">174</span> +<a name = "page174" id = "page174"> </a> +<!--png 198--> +<h4>HIERONYMI DAVIDIS GAUBII</h4> + +<h2>ORATIO</h2> + +<h4>INAUGURALIS,</h4> + +<h4 class = "smallcaps extended">Qua Ostenditur,</h4> + +<h5 class = "smallcaps">Chemiam artibus academicis jure esse +inserendam.</h5> +<hr class = "tiny"> +</td> +<td> +<span class = "pagenum dutch">175</span> +<a name = "page175" id = "page175"> </a> +<!--png 199--> + +<h2>INAUGUREELE REDE</h2> + +<h6>VAN</h6> + +<h5>HIERONYMUS DAVID GAUBIUS,</h5> + +<h6>WAARIN WORDT AANGETOOND, DAT DE SCHEIKUNDE MET<br> +RECHT EEN PLAATS VERDIENT ONDER DE<br> +AKADEMISCHE WETENSCHAPPEN.</h6> +<hr class = "tiny"> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/s_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "S: Si" title = "S: Si"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">S</span>i quae unquam, +in scena vitae meae, magna +mihi et peregrina obvenit mearum rerum vicissitudo, +ea sane est, quam hic nunc subeo. Locus +insolitus; inusitata hominum frequentia, horumque +omnium conversa in me ora atque oculi; munus inconsuetum; +nova prorsus sunt omnia: omnia alienam subito +adepta faciem, pari et stupore et solicitudine percellunt +animum.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/i_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "I: Indien" +title = "I: Indien"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">I</span>ndien mij ooit op het schouwtooneel +mijns levens een groote en vreemde +lotswisseling overkwam, dan is het wel deze, die ik hier thans beleef. +De plaats is ongewoon; de toevloed der menschen grooter dan gebruikelijk +is en van die allen zijn gelaat en oogen op mij gericht; de taak is mij +vreemd; alles is geheel en al nieuw: alles heeft plotseling een vreemd +voorkomen aangenomen en verontrust mijn gemoed door een even groote +verbijstering als bezorgdheid.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Scilicet in Academica panegyri perorare jubeor Chemicus, +et quidem, dum officii ita poscit ratio, de Chemia. An vero +majus uspiam, quam quod Mercurium inter et Vulcanum est, +datur discrimen? An Artium ulla ab Oratoriae elegantiis abest +longius, quam Chemia? Chemia, inquam! quae aspera, laboriosa, +styli incuria politioris, Eloquentiae lenociniis nec studens, nec +accommoda, tota in opere versatur, et cultores suos non per verba, +sed per ignem sapere, per experimenta Philosophari docet.</p> +</td> +<td> +<p> +Immers in een Akademische feestvergadering noodigt men mij, een +scheikundige, uit een redevoering te houden, en wel aangezien de aard +van mijn ambt dat zoo vereischt, over de Scheikunde. Of wordt wel ergens +grooter onderscheid gevonden dan, dat tusschen <span class = +"smallcaps">Mercurius</span><a class = "tag" name = "tag5_1" id = +"tag5_1" href = "#note5_1">1</a> en <span class = +"smallcaps">Vulcanus</span> bestaat? Of +is er wel een der wetenschappen, die verder staat van de bevalligheden +der welsprekendheid dan de Scheikunde? de Scheikunde, zeg ik, die, ruw +en altijd bezig, zich niet bekommerend om een meer gepolijsten stijl, +zich evenmin toeleggend op de lokmiddelen der welsprekendheid als er +voor geschikt, geheel opgaat in haar werk en haar beoefenaars niet door +woorden maar door het vuur de wijsheid, door proeven wijsgeerig +redeneeren leert.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Invisite animo saltem, si libet, officinam Chemicam! Ecquid +putatis ibi inventuros? An numerosam librorum congeriem, et suis +pulchre ordinata forulis sexcenta Autorum volumina? An priscae +monumenta Eloquentiae, Rhetoribus tam exoptata; aut suggestum +Tulliana voce resonantem?</p> +</td> +<td> +<p> +Bezoekt met den geest althans, als het u belieft, een scheikundige +werkplaats! Wat meent gij wel daar te zullen vinden? Soms een +opeenhooping van talrijke boeken en ontelbaar veel deelen van schrijvers +netjes geordend alle in hun kasten? Soms de gedenkteekenen der oude +welsprekendheid zoo gewenscht voor de +<span class = "pagenum dutch">177</span> +<a name = "page177" id = "page177"> </a> +<!--png 201--> +redenaars, of een spreekgestoelte weergalmend van de stem eens <span +class = "smallcaps">Tullius</span><a class = "tag" name = "tag5_2" id = +"tag5_2" href = "#note5_2">2</a>?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Nihil profecto horum: alia omnino est, +<span class = "pagenum latin">176</span> +<a name = "page176" id = "page176"> </a> +<!--png 200--> +quae hic occurrit, supellex; alius plane apparatus: variae nimirum +furnorum alia atque alia ratione constructorum, series, sustentando +cuilibet ignis gradui appropriatae; erecta tecto tenus loculamenta, +quam plurimis artis operibus, ad praeparanda nova mox rursum +inservituris, adimpleta; innumerae vasorum, materie et figura +discrepantium, +species; carbonum cespitumque acervus nunquam defecturus; +praesto ad usum cola, cribra, spathulae, folles, forcipes, et si quae +alia vel alendo igni, vel regendo requiruntur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Niets voorwaar van die dingen: De inrichting, die hier +zich voordoet, is geheel anders: volkomen anders zijn de hulpmiddelen: +verschillende rijen namelijk van fornuizen, die telkens weer op andere +wijze zijn saamgesteld, welke rijen geschikt zijn om iedere sterkte van +het vuur uit te houden; kastjes tot aan de zoldering opgebouwd, geheel +gevuld met zooveel mogelijk voorwerpen door de wetenschap vervaardigd, +die weldra weer moeten dienen om nieuwe in gereedheid te brengen; +tallooze soorten van vaatwerk, dat in stof en gedaante verschilt; een +hoop kolen en zoden, die nooit mag op raken; bij de hand zijn voor het +gebruik verschillende soorten van zeven, spatels, blaasbalgen, tangen en +al het andere, dat vereischt wordt om het vuur òf te onderhouden òf te +regelen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Haec inter artificem +videbitis, non otiose ad pulpita desidentem; sed atras carbone +manus, taciturna attentione, admoventem operi: fumo, cineribus, +fuligine obsitum, jam igne intensissimo durissima liquare metalla; +jam vivis urere flammis vegetabile; hinc cautissime opposita committere +corpora, flammivomos mox in conflictus ruitira;</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Te midden daarvan zult gij den meester niet werkeloos bij zijn +katheder zien neerzitten, maar hoe hij zijn handen zwart van kool in +zwijgende aandacht aan het werk slaat, hoe hij gehuld in rook, bedekt +met asch en roet nu eens met het felste vuur de hardste metalen +vloeibaar maakt, dan weer een stof uit het plantenrijk met levende +vlammen doet branden; hoe hij aan den eenen kant met de grootste +voorzichtigheid tegengestelde lichamen bij elkaar brengt, die zich dra +in een vlammenbrakenden strijd zullen storten;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +illinc, calore +moderato, rerum virtutes, exacto ad numerum stillicidio, elicere; +electas alibi, tepore naturali, unire arctius et digerere; verbo: totum +inter furnos defixum, excitando, applicando, moderando igne +occupatissimum, +hujus in corpora efficaciam modis omnibus explorare. +Hoc opus est, hic labor ejus unicus.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +aan den anderen kant door +een matige warmte de vermogens der stoffen te voorschijn roept door het +druppelen van water naar een bepaald getal te regelen; en bij een andere +gelegenheid die vermogens na ze te voorschijn te hebben geroepen door +een natuurlijke lauwe temperatuur nauwer bindt en afdeelt; in één woord: +hoe hij geheel tusschen zijn fornuizen levend, zich slechts bezighoudend +met het aanwakkeren, toepassen en regelen van het vuur, de werking +daarvan op lichamen op alle mogelijke wijzen nagaat. Dit is zijn werk, +hiervoor spant hij zich alleen in.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vane heic quaesiverit quispiam limatas Augustaei Seculi +locutiones: vanus amoena Rhetorices illectamenta. Non aures hic +demulcentur, sed oculi: nec verbis conciliatur adsensus; sed rerum +testimoniis extorquetur.</p> +</td> +<td> +<p> +Hier zou iemand tevergeefs zoeken naar de gladgevijlde spreekwijzen +van de eeuw van <span class = "smallcaps">Augustus</span>; tevergeefs +naar de bekoorlijke aanlokselen der redekunst. Niet de ooren worden hier +gestreeld maar de oogen: en niet door woorden wordt instemming gewonnen, +maar door de getuigenissen van feiten ontwrongen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<span class = "pagenum latin">178</span> +<a name = "page178" id = "page178"> </a> +<!--png 202--> +<p> +Quid ergo animi putatis esse Chemico? Ubi a sordida Vulcani +officina in spectatissimum protractus locum, a furnis evocatus in +suggestum, solis sacratum politissimis sermonibus, Oratoris +sustinere cogitur provinciam? Quid materiei creditis suppetere? +Dum coram Principibus in republica Viris, in consessu sapientissimorum +Professorum, in conspectu denique hominum in omni +scientiarum genere perfectissimorum, de Arte, plerisque horum +ignota, disserendi incumbit necessitas? Sane si aqua haeserit +trepido, facilem merebitur veniam.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">179</span> +<a name = "page179" id = "page179"> </a> +<!--png 203--> +Hoe denkt gij dan, dat een scheikundige te moede is, wanneer hij uit de +vuile werkplaats van <span class = "smallcaps">Vulcanus</span> in het +daglicht getrokken naar een plaats, op welke aller blikken zijn +gevestigd, van zijn fornuizen weggeroepen naar het spreekgestoelte, dat +slechts gewijd is aan de meest gepolijste redevoeringen, zich gedwongen +ziet het werk van een redenaar op zich te nemen! Welke stof gelooft gij, +dat hem ten dienste staat, terwijl de noodzakelijkheid op hem rust te +spreken in tegenwoordigheid van de eerste mannen in den staat, in de +vergadering van zeer wijze hoogleeraren, ten slotte onder de oogen van +menschen, die ten zeerste uitmunten in elke soort van wetenschap, over +een wetenschap, die den meesten van hen onbekend is. Inderdaad als hij +in zijn schroomvalligheid blijft steken, zal hij licht verdienen, dat +men hem vergeeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Haec vero me sors, hoc meos hodie humeros premit onus: nec, +quibus fulciar, ulla domi praesidia mihi nascuntur. Quin probe +nota virium mearum tenuitas, et naturalis mihi, utut agendis rebus +publicis inepta prorsus, verecundia id etiam animi dejicit, quod +audax omnia aggredi juventus forte addidisset.</p> +</td> +<td> +<p> +Waarlijk dit lot drukt mij, deze last drukt heden op mijn schouders: +en uit mij zelf doen zich voor mij geen hulpmiddelen op, om op te +steunen. Ja zelfs doen de geringheid mijner krachten, die ik mij zeer +goed bewust ben, en de mij ingeschapen bedeesdheid, geheel ongeschikt om +iets in het openbaar, hoe dan ook, te verrichten, zelfs dien moed mij +ontzinken, dien mij de jeugd, stoutmoedig om zich aan alles te wagen, +misschien zou geven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Undequaque igitur circumspicienti, unica demum superest, quae locum +refugii praebet, singularis Vestra, A. O. O. benevolentia, +toties experta iis, quos hoc e suggestu dicendi arduum pressit +munus. Facit haec, Vos ea esse judicii lenitate, suo ut quemque +modulo metiti, majora viribus nequaquam exigatis: quod quidem +aliis dum generose adeo exhibuistis, quidni a Vobis et mihi +pollicear ego, pro quo tot intercedunt majoris etiam momenti +rationes? Justa certe petitio repulsam ab aequo tulit nemine.</p> +</td> +<td> +<p> +Wanneer ik dus overal rondzie, blijft er slechts één ding over, +waartoe ik mijn toevlucht kan nemen. Uw buitengemeene welwillendheid, +hooggeschatte hoorders, die reeds zoo dikwijls zij ondervonden hebben, +die de moeilijke taak drukte van uit dit spreekgestoelte het woord te +voeren. Deze maakt, dat gij zoo zacht van oordeel zijt, dat gij ieder +naar zijn eigen maatstaf metend geenszins dingen eischt, die iemands +krachten te boven gaan: daar gij nu anderen dit zoo edelmoedig hebt +getoond, waarom zou ik dit dan van uw kant ook mij zelf niet in het +vooruitzicht stellen, voor wien zooveel redenen van nog grooter gewicht +pleiten? Zeker is een rechtvaardig verzoek door geen billijk persoon +ooit van de hand gewezen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quo fretus ipsi me accingo operi, cui Thema erit ex eo, quod +auspicor, officio desumptum, et Vestra non indignum celebritate. +Conabor nimirum ostendere, <i>Chemiam Artibus Academicis jure esse +inserendam</i>. Quod dum ago, faciles in audiendo pariter et judicando +Vos praebeatis mihi, enixe obsecro: uterque enim seu felix fuerit, +seu sinister Orationis meae eventus, Vestrum me semper ad favorem +<span class = "pagenum latin">180</span> +<a name = "page180" id = "page180"> </a> +<!--png 204--> +allegabit, huic ut vel referam gratias, vel veniam impetraturus, +supplicem.</p> +</td> +<td> +<p> +Hierop vertrouwend gord ik mij aan tot het werk zelf, waarvan het +onderwerp zal ontleend zijn aan dat ambt, dat ik plechtig aanvaard, en +uw geachte verzameling niet onwaardig. Ik zal namelijk trachten aan te +toonen, <i>dat de Scheikunde met recht een plaats verdient onder de +Akademische wetenschappen</i>. En terwijl ik dat doe, bezweer ik u met +aandrang, dat gij u in het luisteren even als in +<span class = "pagenum dutch">181</span> +<a name = "page181" id = "page181"> </a> +<!--png 205--> +het beoordeelen welwillend tegen mij toont. Want de afloop mijner +redevoering zij gunstig of ongunstig, in beide gevallen zal ik steeds +tot uw goedgunstigheid verwezen worden, om die óf dank te zeggen óf om +toegeeflijkheid te smeeken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Academiae ea, qua hodie constitutas lege videmus, loci sunt +publici, docendis discendisque scientiis et artibus nobilioribus +dicati, iisque hinc conditionibus et mediis instructi, quibus propositus +iste finis potest obtineri. Non ergo arti aut scientiae cuilibet sua +in his schola conceditur; sed ultra vulgi captum elevata, +<i>Nobilitatis</i> +quodam emineat splendore necesse est, in Academiis quae pedem +figere voluerit disciplina.</p> +</td> +<td> +<p> +De Akademies zijn volgens de wet, waardoor wij ze heden geregeld +zien, openbare plaatsen bestemd om de meer edele wetenschappen en +kunsten te onderwijzen en te leeren, en dien ten gevolge voorzien van +die voorwaarden en middelen, waardoor dit voorgenomen doel kan worden +bereikt. Derhalve wordt bij deze maar niet aan iedere kunst of +wetenschap een leerstoel toegestaan, maar het is noodig, dat de +wetenschap, die aan de Akademie vasten voet wil vatten, boven de +bevatting van het gemeene volk zich verheffend, uitblinke door een +zekeren glans van adeldom.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quodsi igitur vera hujusce <i>Nobilitatis</i> insignia, palam exposita, +Arti Spagyricae competere certis adstruxero documentis, nonne +propositi hodie mei constabit ratio et veritas?</p> +</td> +<td> +<p> +Bijaldien ik dus met zekere bewijzen zal aantoonen, dat de ware +kenteekenen van dien adeldom, nadat ik ze openlijk heb uiteengezet, de +Spagyrische wetenschap<a class = "tag" name = "tag5_3" id = "tag5_3" +href = "#note5_3">3</a> toekomen, zal dan niet de goede grond en de +waarheid van +hetgeen ik mij heden heb voorgesteld te bewijzen, vast staan?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Virtus sola atque unica, si Poëtae habenda fides, +<i>Nobilitate</i> impertit +hominem: nec unius haec diei dos est; nec vera, quoties praeterquam +ex natalibus, aliunde probari nequit. Idem vero et eadem +ratione obtinet in disciplinis, modo, quod ibi datum virtuti est, +heic detur usui.</p> +</td> +<td> +<p> +De deugd eenig en alleen, als wij den Dichter<a class = "tag" name = +"tag5_4" id = "tag5_4" href = "#note5_4">4</a> moeten geloof schenken, +verleent den mensch +adeldom. Maar deze is niet de gave van één dag, noch is die de ware, zoo +dikwijls als hij uit niets anders kan bewezen worden dan uit de afkomst. +Hetzelfde echter is op dezelfde wijze het geval bij de wetenschappen, +slechts moet dat, wat daar aan de deugd is toegekend, hier worden +toegekend aan het nut.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Laureolam certe quaerunt in mustaceo, qui artis +ostensuri dignitatem, pulchre hoc sibi agere videntur, primis ubi +a seculis deductam ejus originem, objective et operum miram +jucunditatem, aut quot numeraverit, quantosque sui cultores +exponunt, parum interim de utilitate soliciti, qua sine tamen +sordent omnia, antiqua fuerint, dulcia, aut quibusvis clara sectatorum +nominibus:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Voorzeker zoeken zij zich op goedkoope wijze een +lauwerkransje te verdienen, die, als zij de waardigheid van een +wetenschap willen toonen, zich verbeelden dit fraai te doen, wanneer zij +zakelijk uiteenzetten, hoe haar oorsprong uit de eerste eeuwen afgeleid +kan worden, en het buitengewone genot in de werken ervan gelegen, of +hoeveel en hoe groote beoefenaars zij heeft gesteld, terwijl zij zich +ondertusschen weinig bekommeren over het nut, zonder hetwelk toch alles +niets wil zeggen, al is het oud, aangenaam of beroemd door welke namen +ook van volgelingen;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +externa enim isthaec sunt, et veram potius ornant +<i>Nobilitatem</i>, quam constituunt. Utile mensura est, +illam qua metitur, +verum qui rebus pretium statuere solus novit, sapiens.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +<span class = "pagenum dutch">183</span> +<a name = "page183" id = "page183"> </a> +<!--png 207--> +want dit zijn uiterlijke dingen en sieren veeleer den waren adeldom op +dan dat ze hem uitmaken. Het nut is de maatstaf, waarnaar degeen, die +alleen de werkelijke waarde der dingen weet vast te stellen, de wijze, +haar afmeet.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">182</span> +<a name = "page182" id = "page182"> </a> +<!--png 206--> +Quaecunque hinc usum adfert eximium vel homini in se seorsum +spectato, vel humanae societati, ea demum disciplina jure <i>Nobilis</i> +habetur. Quum vero pars hominis melior, mens sit, hanc quae +recti bonique facit studiosam, aut veri auget perspicientia, utique +aliis omnibus antecellit.</p> +</td> +<td> +<p> +Elke wetenschap dus, die een bijzonder nut verschaft hetzij aan een +mensch afzonderlijk op zich zelf beschouwd, hetzij aan de menschelijke +maatschappij, die wordt eerst met recht voor edel gehouden. Daar echter +het beste deel van den mensch zijn geest is, zoo blinkt die wetenschap, +die dezen zich doet toeleggen op hetgeen recht en goed is, of haar +verrijkt met het inzicht der waarheid, in elk geval boven de andere +uit.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Neque tamen hac multo inferior, quae +corporis curat sanitatem: ea namque magis optabile quidquam vix +datur mortalibus; deficiens una praegravat animum et deprimit. +Hoc quae opus sibi sumsit excolendum, ars dicitur Medica: priori +studet cum caeteris Philosophia;</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Maar toch is niet veel minder dan deze die wetenschap, die zorgt voor de +gezondheid van het lichaam, want dit is wel het meest gewenschte, dat +aan de stervelingen wordt gegeven; wanneer zij kwijnt, dan maakt zij +meer dan iets anders den geest log en drukt hem terneer. Die kunst, die +het voltooien van dat werk op zich heeft genomen, wordt de Geneeskunde +genoemd: op het eerste legt zich de Wijsbegeerte met de overige +wetenschappen toe;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +una sui parte moderandis occupata +affectibus, alteram extendendis humanae intelligentiae limitibus in +cognitione rerum existentium dedicans: utramque ergo <i>Nobilissimam</i> +suo recepere gremio Academiae, et jure civitatis donarunt, ne ipso +quidem livore contradicente.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +met haar eene helft toch houdt zij zich bezig met het +beheerschen der aandoeningen, haar andere helft wijdt zij aan het +uitbreiden der grenzen van het menschelijke begrip ten opzichte van de +kennis der bestaande dingen: beide wetenschappen hebben dus, als de +edelste, de Akademies in haar schoot opgenomen en met het burgerrecht +begiftigd, zonder dat de nijd zelf zich er tegen verzette.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Habent autem ambae hae objectum patens quam latissime, et +varias hinc sub se complectuntur disciplinas, quae partesne dicendae +an ministrae? opera singulae inter se diversissima, ad eundem +tamen ultimum finem, cum principe, sub qua militant, scientia +communem, omnes collineant. Quum itaque et has sunt quamlibet +commendet usus, et summa ad priorum perfectionem necessitas, +hinc <i>Nobiles</i> etiam ab Eruditis jure habitae, debitum in Academiis +locum obtinuere.</p> +</td> +<td> +<p> +Deze beide nu hebben een arbeidsveld, dat zich zoover mogelijk +uitstrekt, en dientengevolge sluiten zij in zich verschillende +wetenschappen, die men zoowel onderdeelen als helpsters kan noemen. +Hoewel ze op zich zelf, wat haar werk betreft, onder elkaar ten zeerste +verschillen, zoo mikken zij toch alle op een zelfde wit ten slotte, dat +ze gemeen hebben met de hoofdwetenschap, waaronder ze dienen. Daar +derhalve èn het nut dezen, hoe ze ook zijn mogen, tot aanbeveling +strekt, én het feit, dat ze ter volmaking der eersten in den hoogsten +graad noodzakelijk zijn, op dien grond werden zij ook door de beschaafde +lieden met recht voor edele wetenschappen gehouden en hebben zij de haar +toekomende plaats aan de Akademies verkregen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nonne vero talis est Ars Chemica? Cur ergo duram adeo haec +experta sortem, nonnisi post plurimas agitatas lites, liberam sui +<span class = "pagenum latin">184</span> +<a name = "page184" id = "page184"> </a> +<!--png 208--> +culturam in scholis Sapientum impetrare potuit? Sane, rigoris +hujus justo acrioris causam vix determinaverim: si tamen, quod +vero est simillimum, dicam, videntur ipsius Artis in se spectatae +ignari, Artificum duntaxat habuisse rationem judices, quorum ex +arbitrio tum pendebant Academiae.</p> +</td> +<td> +<p> +Is dan voorwaar de Scheikunde niet een dergelijke wetenschap? Waarom +heeft zij dan zulk een hard lot ondervonden en niet +<span class = "pagenum dutch">185</span> +<a name = "page185" id = "page185"> </a> +<!--png 209--> +dan na het voeren van veel strijd kunnen verkrijgen, dat men haar vrij +mocht beoefenen aan de scholen der geleerden? Waarlijk, ik zou moeilijk +de reden van die al te groote strengheid kunnen bepalen: indien ik +echter zal zeggen, wat het waarschijnlijkst is, dan schijnt het mij toe, +dat de rechters, van wier goeddunken toen de Akademies afhingen, +onbekend met de wetenschap op zichzelf beschouwd, slechts rekening +hebben gehouden met de beoefenaars.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nata nimirum inter Metallarios et Pyracmonas Chemia; ab illiterato +hoc rudique hominum genere primum exercita; deturpata dein et +obscurata ab impostoribus; in se horrida, laboribus plena, plena +periculis; ab otiosis speculationibus aliena; ignem, fumos, cineres, +sordes spirans, vix ulla amoenitatis specie cuiquam se commendare +potuit, nisi, qui penitius eam introspicere dignaretur:</p> +</td> +<td> +<p> +Immers de Scheikunde geboren onder metaalbewerkers en +aanbeeldvuurwerkers<a class = "tag" name = "tag5_5" id = "tag5_5" href = +"#note5_5">5</a>, +eerst beoefend door dat ongeletterd en ruw slag van menschen, vervolgens +door bedriegers misvormd en in discrediet gebracht, op zich zelf +afstootend, vol moeilijkheden, vol gevaren, van rustige bespiegelingen +ver verwijderd, ademend in vuur, rook, asch en vuil, kon zich +bezwaarlijk door eenigen schijn van lieflijkheid bij iemand aangenaam +maken, tenzij bij diengene, die zich verwaardigde dieper met zijn blik +in haar binnenste door te dringen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +atqui +externam ejus faciem monstrosam adeo deformemque reddiderat +cultorum et ruditas et malitia, +ab interioribus ut perlustrandis deterrerentur +Eruditi, eodem haec, si non pejori de luto esse conficta, +rati. Frustra ergo suam oravit causam Chemia talibus coram Arbitris +qui praejudicata obcaecati opinione, et usus ejus eximios, et summam +necessitatem praetervidentes, sententiam prius tulerant, quam +cognovissent.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Maar zoowel de ruwheid als de +schelmerij van degenen, die haar beoefenden, hadden haar uiterlijke +verschijning zóó monsterlijk en afzichtelijk gemaakt, dat de beschaafde +lieden er van werden afgeschrikt haar kern na te sporen, in de meening, +dat die uit dezelfde, zoo niet erger, vuiligheid bestond. Tevergeefs +heeft dus de Scheikunde haar zaak tegenover dergelijke scheidsrechters +bepleit, die verblind door een vooraf opgevatte meening, zoowel de +buitengewone voordeelen, die zij bood, als haar hooge noodzakelijkheid +over het hoofd ziende, een oordeel hadden geveld, voordat zij kennis van +de zaak hadden genomen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Factum hinc, a publico ut Sapientum commercio +exclusa, privatorum exerceret manus atque ingenia, varias sub variis +passa fatorum vicissitudines, nec forte unquam Academicos in +suggestus emersura, nisi, quem nacta tandem est, causae patronum, +an rabulam potius? Eremitam fortuna major quam prudentia +secundasset:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daardoor is het gekomen, dat zij van het +openbare verkeer met geleerden uitgesloten, handen en hoofden van +particulieren bezig hield, waarbij zij onder verschillende personen +verschillende lotswisselingen te verduren had, en misschien nooit zich +opgewerkt zou hebben tot de Akademische spreekgestoelten, als niet een +grooter geluk dan verstand dien advocaat — of moest ik liever +verdediger door dik en dun zeggen? — dien zij eindelijk heeft +gekregen, <span class = "smallcaps">Eremita</span><a class = "tag" name += "tag5_6" id = "tag5_6" href = "#note5_6">6</a> had ten dienste +gestaan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +hic enim coeco gementis hujus disciplinae amore, +captus, quod autoritate rationali et luculentis rerum testimoniis +agendum fuisset, bullato id verborum nugacissimorum apparatu, +mox vero, qua erat morum insolentia, igne etiam et armis tentare +non dubitavit, successu certe adeo felici, ut ausu hocce temerario +intrusa in Academias Chemia sede potiretur, vel ipsis contradicentium +cineribus inaedificata.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +<span class = "pagenum dutch">187</span> +<a name = "page187" id = "page187"> </a> +<!--png 211--> +Deze namelijk aangegrepen door een blinde liefde voor die verdrukte +wetenschap, aarzelde niet dat, wat had moeten gedaan worden door het +gezag der rede en duidelijke bewijzen van feiten, te beproeven door een +systeem van bullen vol met de meest beuzelachtige woorden, weldra +echter, wat bij zijn niets ontziend karakter begrijpelijk was, zelfs te +vuur en te zwaard, waarbij hij in elk geval een dergelijk succes had, +dat de Scheikunde, door dat vermetel pogen in de Akademies gedrongen, +daar zich een zetel veroverde, die zelfs juist op de asch der +tegenstanders werd opgericht.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Hanc autem quamvis vi partam, infirmoque +hinc nixam pede, repressa paulo post fundatoris ejus tyrannide, +<span class = "pagenum latin">186</span> +<a name = "page186" id = "page186"> </a> +<!--png 210--> +rursus pessum dederit impatiens cogi, litteratorum gens liberrima; +id tamen inde Chemiae boni accesserat, quod durante isthac +statione sua, propior Eruditis posita, nonnullos horum, vividissimis +quibusdam radiis, per offusas sibi quisquiliarum tenebras evibratis, +latentis intus foecundissimi luminis sui potuerit commonefacere:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hoewel verder dezen met geweld verworven +en daarom op zwakken grondslag rustenden zetel, nadat kort daarop de +dwingelandij van zijn oprichter was onderdrukt, het van vrijheidsliefde +blakende volk der geletterden, dat geen dwang kan dulden, wederom heeft +omvergeworpen, was toch de Scheikunde daardoor dit ten goede gekomen, +dat zij, zoolang haar verblijf daar duurde, meer in de nabijheid van +beschaafde lieden geplaatst, de aandacht van enkelen van dezen door +eenige zeer heldere stralen, die zich door de haar omhullende duisternis +van nietigheden heenboorden, kon vestigen op het uiterst vruchtbare +licht, dat in haar binnenste verscholen was.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +quo equidem animadverso illi mox excitati, ulterius ad scrutinium +se accinxere, demtaque sensim imposturarum larva, perruptisque, +quibus obvolvebatur, ignorantiae nebulis, nudam tandem salutantes, +Erudito Orbi produxere intuendam.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En weldra, door die +waarneming er toe aangespoord, hebben zij zich inderdaad tot een verder +onderzoek aangegord en na langzamerhand het masker van bedriegerijen te +hebben weggenomen en de nevels van onkunde, waarmee zij werd omsluierd, +te hebben doorbroken, hebben zij, eindelijk haar in haar naaktheid +begroetend, haar aan het daglicht gebracht ten schouwspel voor de +beschaafde wereld.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Tum ergo propriis jam refulgens +radiis Chemia, tum demum, quae personata displicuerat tantopere, +nativae suae reddita faciei, adeo pellexit Sapientes, dignam ut +reputaverint, ipsorum quae in scholas adoptata, strenue coleretur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Toen dan heeft de Scheikunde, thans schitterend met +haar eigen stralen, toen eerst heeft zij, die vermomd zoo zeer had +mishaagd, hersteld in haar natuurlijke gedaante, de geleerden zoo voor +zich weten in te nemen, dat zij haar waardig keurden om onder hun +scholen opgenomen met allen ijver te worden beoefend.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nec sane, si fateri vera velimus, alia Chemiae opus est hedera, +nisi, ut libero a praejudiciis oculo nuda, prout in se est, adspectetur: +tam necessariis enim pollet usibus, tot jucundissimis arridet +oblectamentis, +Naturae ut curiosum sui facillime pertrahat in amorem +pertractumque ullo sine taedio detineat.</p> +</td> +<td> +<p> +En waarlijk ook als wij voor de waarheid willen uitkomen, heeft de +Scheikunde geen andere krans noodig, dan dat zij met een oog vrij van +vooroordeelen naakt, zooals zij op zich zelf is, wordt beschouwd. Want +zoo noodig zijn de toepassingen, waarin haar kracht is gelegen, zoo +alleraangenaamst de genoegens, waarmee zij ons toelacht, dat zij zeer +gemakkelijk den natuurvorscher er toe brengt haar lief te hebben, en als +hij eenmaal daartoe gebracht is, +<span class = "pagenum dutch">189</span> +<a name = "page189" id = "page189"> </a> +<!--png 213--> +hem geboeid houdt zonder de minste verveling.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Utique, si sola contemplemur +bona, quibus quascunque fere artes manuales, humanae vitae +commodis inservientes, perfundit Chemia, quot, quaeso, et quanta +<span class = "pagenum latin">188</span> +<a name = "page188" id = "page188"> </a> +<!--png 212--> +sunt! Dies deficeret enumerantem: minima tamen haec, et pro +parergis tantum aestimanda.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Zeker als wij alleen op de +voordeelen acht slaan, waarmee de Scheikunde nagenoeg alle soorten van +handwerk, die dienen voor de gemakken van het menschelijk leven, kwistig +bedeelt, eilieve hoe groot is dan niet hun aantal en hoe gewichtig zijn +zij! De dag zou te kort zijn wilde ik ze opsommen. Toch zijn die dingen +van zeer weinig beteekenis en slechts als bijzaken te beschouwen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Nobilior est, quam menti, utilior, quam +corpori praestat, opera primaria: huic namque illibatam tuetur +sanitatem, amissamque restituit; illi vero brevissimam monstrat in +adyta Naturae viam, latentisque in profundo veri mira felix aperit, +Philosophiae hinc et Medicina conjunctissima, nec sine detrimento +inde separanda.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +De +voortreffelijke dienst, dien zij den geest bewijst, is edeler, die, +welken zij het lichaam bewijst, nuttiger. Want voor dit houdt zij de +gezondheid ongedeerd in stand, en, wanneer die verloren is, geeft zij ze +weer; aan gene echter wijst zij den kortsten weg in de binnenste +heiligdommen der natuur, en ontvouwt in vruchtbare werkzaamheid de +wonderen der waarheid, die in haar diepte schuilt; dien ten gevolge is +zij zoowel met de wijsbegeerte als met de geneeskunde ten nauwste +verbonden en niet zonder nadeelen daarvan te scheiden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Id vero ne precario Vobis obtrudere velle videar, evidentis nunc +rationes proferam, quibus asserti constet veritas: est enim palmarium +hocce argumentum, quod si evicero, proposito Orationis +meae Themati satisfactum arbitrabor.</p> +</td> +<td> +<p> +Opdat het echter niet den schijn hebbe, dat ik u dit zonder +voldoenden grond wil opdringen, zal ik thans duidelijke redenen +aanvoeren ter staving van de waarheid mijner bewering. Want dit is een +prachtig bewijsmiddel; als ik dit onwederlegbaar aantoon, zal ik het er +voor houden, dat voldaan is aan hetgeen ik mij in mijn redevoering +voornam te bewijzen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Qui corporum naturalium proprietates, vires et effectus per suas +quaeque causas sciunt aut rimantur, Physici dicuntur; et haec +eorum scientia appellatur Physica, Philosophiae generatim sumtae +pars non minima. Ejus hinc objectum est, quidquid conceptum +corporis ingreditur, aut eo reduci potest, sive illud commune sit +omnibus corporibus, sive peculiare singulis:</p> +</td> +<td> +<p> +Zij, die de eigenschappen van de lichamen door de natuur geschapen, +hun krachten en uitwerkingen, alles door zijn bepaalde oorzaak +teweeggebracht, weten of nasporen, worden Physici genoemd en deze +wetenschap van hen heet Physica, zeker niet het geringste onderdeel der +Wijsbegeerte in het algemeen genomen. Derhalve richt zij zich op alles, +wat onder het begrip „lichaam“ valt, of daartoe herleid kan worden, +hetzij het allen lichamen gemeen is, hetzij enkelen in het bijzonder +eigen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +quum enim Materia +indefinita, solis gaudens proprietatibus corporeis generalibus, in +rerum natura non detur, nec dari possit; sed tantum sit idea +intelligentiae, +clarioris doctrinae gratia efficta; corpora autem, quae re +existunt, omnia individua sint, id est, adeo limitata et determinata, +ut, praeter universalem illum Materiae conceptum, involvant peculiares +etiam alias affectiones, quibus singula a singulis distinguuntur, +et quae faciunt, ut corpus sit hoc praecise corpus, et +non aliud:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daar namelijk de niet nader te omschrijven Materie, die in het +bezit is alleen van de algemeene eigenschappen der lichamen, in de +natuur niet voorkomt en ook niet kan voorkomen, maar slechts een beeld +van onzen geest is, gevormd ter verduidelijking van een theorie, de +lichamen daarentegen, die inderdaad bestaan, alle op zichzelf staande +dingen zijn, d. w. z. zóó begrensd en bepaald, dat zij, +behalve dat dat +algemeene begrip „Materie“ op hen van toepassing is, ook nog bijzondere +andere eigenschappen bezitten, waardoor het eene van het andere +onderscheiden wordt en die maken, dat een lichaam juist dat +<span class = "pagenum dutch">191</span> +<a name = "page191" id = "page191"> </a> +<!--png 215--> +lichaam is en geen ander:</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +inde clarissime liquet, communes illas Materiae dotes +non modo, sed et imprimis cuilibet corpori singulari proprias +Physicae esse considerationis, utpote, quae corpora naturalia, +prout vere existunt, vel existere possunt, contemplatur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +daardoor is het helder en klaar, dat niet +slechts die algemeene gaven der Materie, maar wel in de eerste plaats +die, welke elk lichaam afzonderlijk eigen zijn, het voorwerp zijn van de +Physische studie, daar deze immers de lichamen door de natuur geschapen +beschouwt, naar dat zij werkelijk bestaan of kunnen bestaan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">190</span> +<a name = "page190" id = "page190"> </a> +<!--png 214--> +Proprietates corporum, quatenus certis quibusdam actionibus +producendis sunt idoneae, dicuntur vires: ex his autem, tanquam +ex causis, fluunt, quoscunque observamus, effectus corporei, qui hinc +determinatam suarum quilibet causarum naturam sequentes, si +singularibus a viribus emanarunt, et ipsi necessario erunt singulares, +et contra generales, si a generalibus.</p> +</td> +<td> +<p> +De eigenschappen der lichamen worden krachten genoemd, voor zoover +zij geschikt zijn om zekere bepaalde handelingen teweeg te brengen; uit +deze vloeien verder, als uit de oorzaken, alle lichamelijke werkingen +voort, die wij waarnemen en die daardoor, ieder den bepaalden aard van +haar oorzaak volgend, zoo zij uit bijzondere krachten zijn voortgekomen, +ook zelf noodzakelijkerwijs bijzonder zijn, maar daarentegen algemeen, +als zij uit algemeene krachten zijn voortgekomen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quodsi igitur ea hic daretur simplicitas, ut peculiarium quorumvis +corporis attributorum sufficiens ratio in communi ejus natura +fundaretur; +jam equidem, praeter solam Mathematicorum operam, nil +opus esset Physico ad finem suum obtinendum: hi enim ideam +corporis universalem dedere omnium verissimam, et methodum +simul exactissimam, quaecunque in illa continentur, eliciendi. At +vero quam procul abest, haec quin ita sese habeant!</p> +</td> +<td> +<p> +Indien zich dus hierbij deze eenvoudige stand van zaken voordeed, dat +een voldoende reden voor alle mogelijke eigenaardige eigenschappen van +een lichaam gelegen was in zijn algemeene natuur, dan zou voorwaar de +physicus, behalve alleen de hulp der wiskunstenaars, niets noodig hebben +om zijn doel te bereiken. Want dezen hebben de meest ware algemeene +voorstelling van een lichaam gegeven en tevens de meest nauwkeurige +methode om daar uit te halen, al wat er in vervat is. Maar hoeveel +scheelt het inderdaad, dat dit zoo is!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Detegit attentior +observatio innumera certe in corporibus adeo penitus peculiaria, +ut cum generali illorum indole vix quidquam commune videantur +habere, nisi solum, cui inhaerent utraque, subjectum: talia autem +incognita si quis ex universali illo Geometrarum conceptu, utut +accuratissimo, a priori eruere, aut cognitorum etiam ex hoc rationem +exsculpere postulet, nae is et operae simul et olei jacturam sero +doleat!</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Een meer oplettende beschouwing +ontdekt in de lichamen zeker tallooze dingen, die zoo door en door +eigenaardig zijn, dat het schijnt, dat zij met het algemeene karakter +dier lichamen bijna niets gemeen hebben, behalve alleen het voorwerp, +waaraan beide eigen zijn. Indien nu iemand deze zaken, wanneer zij +onbekend zijn, uit die algemeene opvatting der wiskunstenaars, hoe +uiterst nauwkeurig ze ook zij, a priori zou verlangen af te leiden of +ook de reden van die zaken, wanneer zij bekend zijn, daaruit op te +maken, voorwaar die zou zich te laat over zijn verlies aan moeite +beklagen!</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Atqui maximopere tamen expedit eorundem scientia Physico; +quum in his potissimum haereat id, quo corpora a se mutuo intrinsecus +distinguuntur. Ea itaque ut evolvantur, non illa certe, +quae a data causae idea ad intellectum effectus progreditur, sed +prorsus alia incedendum via est. Nimirum quidquid de corporibus +vere concipit mens, id omne vel Phoenomena sunt ipsi per sensus +<span class = "pagenum latin">192</span> +<a name = "page192" id = "page192"> </a> +<!--png 216--> +communicata, vel formata inde judicia:</p> +</td> +<td> +<p> +Maar toch is de kennis juist van die dingen voor den physicus van het +allerhoogste belang, daar in de eerste plaats daarin datgene is gelegen, +waardoor de lichamen zich wederkeerig van elkaar inwendig onderscheiden. +Opdat die dus ontwikkeld worden, moet men zeker niet dien weg betreden, +die van een gegeven denkbeeld omtrent de oorzaak uitgaand, leidt tot +begrip van de uitwerking, maar +<span class = "pagenum dutch">193</span> +<a name = "page193" id = "page193"> </a> +<!--png 217--> +een geheel anderen. Immers elke juiste opvatting, die de geest zich +omtrent de lichamen vormt, behoort óf tot de verschijnselen, dien geest +door middel der zintuigen meegedeeld, óf tot de daaruit, gevormde +oordeelen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +proprietates autem et vires +corporeae in se primitus imperceptibiles latent; effectus tamen +producunt +sensibus apparentes, qui determinatae ipsarum naturae +proportionales, hujus hinc cognitionem simul exhibent, adeo, ut quo +ditior fuerit observatorum cujusque rei effectorum supellex, eo +de ejus indole plus certi resciatur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +De eigenschappen nu en de krachten van een lichaam blijven +verborgen, daar zij eerst op zich zelf niet waarneembaar zijn; zij +brengen echter uitwerkingen te weeg, die zich den zintuigen vertoonen en +die, in vaste verhouding staand tot haar eigen bepaalde natuur, op die +wijze tevens de kennis hiervan opleveren, zoozeer, dat, hoe rijker bij +iedere zaak het materiaal is der waargenomen uitwerkingen, men des te +meer zekerheid verkrijgt omtrent haar aard.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Haecque adeo sola superest +indagandis corporum singularibus via retrograda; dum alteram +illam, quae a priori haec investigat, humano ingenio imperviam +prorsus Natura fecit et inaccessam. Sedulus hinc rerum scrutator +experimentis prius quam ratiociniis insudat, sensuum adminiculo +sua examinat objecta, horum peculiares animadvertit effectus, quos +sponte sua vel praevio tentata consilio ediderint; corpora corporibus +adplicat, rursumque ab invicem removet, ut, qui e solis, quique e +conjunctis fluant motus, experiatur;</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En deze van het een op het +andere terugvoerende weg blijft geheel alleen over om de +eigenaardigheden der lichamen op te sporen, daar de natuur dien anderen +weg, die ze a priori tracht te ontdekken, geheel onbegaanbaar en +ontoegankelijk heeft gemaakt voor het menschelijk verstand. Derhalve +spant de volijverige navorscher van die zaken zich eerder in voor +proeven dan voor redeneeringen, met hulp van zijn zintuigen onderzoekt +hij de voorwerpen zijner studie, hij merkt op hun eigenaardige +uitwerkingen, die zij uit zich zelf of nadat zij volgens een +voorafgaande methode zijn behandeld, vertoonen; hij voegt lichamen +bijeen, en verwijdert ze weer van elkaar, opdat hij ervare, welke +bewegingen uit hen alleen en welke uit hen, wanneer zij vereenigd zijn, +voortvloeien.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +tum vero ex hisce gnaviter +collectis, sibique mutuo collatis quaesitam corporum naturam propriam +et singulares dotes a posteriori demum determinare haud +infelix praesumit. Nec sane ullo unquam tempore patuere clarius +Naturae interiora, quam quo huic institum est tramiti: parum in +Physicis profecere, hunc qui vel ignorarunt, vel neglexere scientes.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Dan eerst waagt hij het niet zonder succes uit deze +gegevens, die hij vol ijver verzameld en met elkaar wederkeerig +vergeleken heeft, de door hem gezochte eigenaardige natuur der lichamen +en hun bijzondere gaven a posteriori te bepalen. En waarlijk nooit en +nimmer hebben de verborgenheden der Natuur zich duidelijker geopenbaard, +dan toen men dit pad heeft betreden. In de Physica hebben zij het niet +ver gebracht, die hetzij dit pad niet kenden hetzij er tegen beter weten +in geen acht op sloegen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sed ecce! dum Physicis totus inhaereo, lenissimo ipsius materiae +quasi flexu, in intima Artis Spagyricae viscera me devolutum sentio: +reducit me in Chemiam, quae inde diverterat Physica; hoc ipso +docens affatim, quam sit propinqua ambarum cognatio, quam +indissolubilis nexus.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar zie! Terwijl ik geheel en al bezig ben met de Physica, merk ik, +dat ik als het ware door een zeer geringe wending, die de stof van zelf +heeft genomen, ben terecht gekomen in het hartje der Spagyrische +wetenschap; de Physica, die mij van de Scheikunde had afgebracht, brengt +mij er ook weer toe terug, daardoor juist voldoende bewijzend, hoe nauw +beider verwantschap is, hoe onverbrekelijk haar band.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Nonne enim totum hoc, quod modo diximus, unius prope est +<span class = "pagenum latin">194</span> +<a name = "page194" id = "page194"> </a> +<!--png 218--> +Chemiae opus? Nonne haec corpora singularia fere omnia, quae +Physicae sunt considerationis, speciatim evolvenda sibi sumit? +Imo vero vix aliud est Chemiae propositum, quam corporum particularium +examen.</p> +</td> +<td> +<p> +Is immers dat alles wat wij zooeven besproken hebben, niet +<span class = "pagenum dutch">195</span> +<a name = "page195" id = "page195"> </a> +<!--png 219--> +bijna het werk van de Scheikunde alleen? Stelt deze zich niet tot taak +bijna alle afzonderlijke lichamen, die het voorwerp zijn van de +physische studie, in het bijzonder te onderzoeken? Ja nog sterker, de +Scheikunde kent haast geen ander doel dan het onderzoek der lichamen +afzonderlijk.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quidquid Fossilium in imis terrae visceribus +excoquitur; quidquid protrudit Vegetabilium, divite de sinu, foecunda +tellus; quidquid denique Animantium ubivis fovet alitque alma +parens Natura; id fere omne, modo vel sensibus manifestari vel +capi vasis queat, suo Chemia sistit examini, rimatur, penetrat:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Al wat aan delfstoffen in de binnenste ingewanden der +aarde wordt uitgesmolten, al wat tot het plantenrijk behoorend de +vruchtbare aarde uit haar rijke schoot doet ontspruiten, al wat ten +slotte, tot het dierenrijk behoorend, overal de weldadige moeder Natuur +koestert en voedt, dit alles nagenoeg, mits het zich óf kan openbaren +aan de zintuigen óf kan worden opgevangen in eenig vaatwerk, onderwerpt +de Scheikunde aan haar onderzoek, doorwoelt en doordringt zij.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +penetrat, inquam, usque eo, ut quaecunque in illis vulgaria, facillime +obvia, aut extus adhaerentia despiciens, tanquam se indigna, +aliis relinquat Artibus; sibi vero magis ardua quaerens, sublimiora, +abstrusiora, intimas rerum virtutes, ultima principia, prima elementa +perscrutetur, hoc tantum, nec alio venditura pretio suos labores.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Zij +dringt er in door, herhaal ik, zóó ver, dat zij minachtend neerziend op +al wat bij die dingen gewoon is, zich zeer gemakkelijk voordoet of er +slechts uiterlijk mee in verband staat, als harer onwaardig, dit aan +andere wetenschappen overlaat maar, voor zich zelf het meer moeilijke, +het meer verhevene en verborgene opzoekend, navorscht de in het +binnenste der dingen gelegen vermogens, de laatste grondbeginselen, de +eerste elementen, vast voornemens voor dezen prijs alleen en geen +anderen haar moeiten veil te hebben.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Toto sane die hoc agunt strenui Artis hujus cultores: corpora +alia aliis adponunt, rursum ab invicem separant, soluta coagulant, +coagulata solvunt, motus inde obortos observant, mutant, novos +excitant instrumentis efficacissimis, variata in omnes modos +encheiresi.</p> +</td> +<td> +<p> +Den geheelen dag voorwaar leggen de wakkere beoefenaars van deze +wetenschap zich daarop toe: zij brengen het eene lichaam bij het andere +en scheiden ze weer van elkaar; opgeloste lichamen doen zij stollen en +gestolde lossen zij op; de bewegingen, die daaruit ontstaan, nemen zij +waar en wijzigen zij, nieuwe roepen zij te voorschijn door zeer +krachtige instrumenten, waarbij de manier van behandelen op allerlei +wijzen afwisselt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Igne utuntur, Elemento mobilissimo, validissimo: Menstrua +praesto sunt efficacissima, juxta solvendi naturam appropriata. +Quid autem his arduum? Quid inaccessum? Haereant particulae +corporis Adamantino inter se vinculo; sint ejus viscera aere vel +triplici praemunita; lateant in profundissimo vires; talium profecto +arietum impetu dissilient, effringentur, patebunt.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Zij bedienen zich van het vuur, het meest beweeglijke +en krachtige element; zeer sterke splitsingsmiddelen staan ten dienste, +afgemeten naar den aard der oplossing (die men wil bewerkstelligen). Wat +is dan voor die dingen moeilijk? Wat onbereikbaar? Laten de deeltjes van +een lichaam maar met een stalen band onder elkaar verbonden zijn, laten +zijn ingewanden zelfs achter een driedubbelen metalen muur verschanst +zijn, laten zijn krachten in de onderste diepte verborgen zitten; +waarlijk onder het beuken van dergelijke stormrammen zullen zij uit +elkaar springen, opengebroken worden, aan het daglicht treden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quidquid vel agunt corpora vel patiuntur, solo id omne motui +<span class = "pagenum latin">196</span> +<a name = "page196" id = "page196"> </a> +<!--png 220--> +venit tribuendum; per hunc et omnis eorum sese exserit efficacia, +et vicissitudines quaecunque producuntur: hisce igitur disquirendis +si navat operam Philosophus, quanam breviore poterit via, aut +potentiore quonam adminiculo sui se voti reddere compotem, quam +captis per Ignem experimentis?</p> +</td> +<td> +<p> +Al wat de lichamen hetzij doen, hetzij ondergaan, dit alles is +<span class = "pagenum dutch">197</span> +<a name = "page197" id = "page197"> </a> +<!--png 221--> +alleen aan de beweging toe te schrijven; door deze treedt én al hun +kracht naar buiten én worden alle mogelijke afwisselingen te weeg +gebracht. Indien derhalve de wijsgeer zich moeite geeft om deze te +onderzoeken, welken korteren weg zal hij dan wel kunnen inslaan of van +welk machtiger hulpmiddel zich bedienen om zijn doel te bereiken, dan +wanneer hij proeven neemt door middel van het vuur? Want voorwaar de +aard daarvan is zoo beweeglijk, dat de wijzen<a class = "tag" name = +"tag5_7" id = "tag5_7" href = "#note5_7">7</a> geloofd hebben, dat het +niets anders was +dan beweging.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Cujus equidem adeo mobilis est +natura, ut praeter motum aliud esse nihil, Viri Sapientes crediderint. +Est vero et Ignis, quo pollet ipse, motum aliis communicare corporibus +paratissimus; et vis ejus, per plures gradus intermedios, +intendi arte vel minui pro lubitu potest: unde certe quam optatissima +nascitur Physiologo opportunitas, ejus ope abditissimas quasque +corporum affectiones enucleandi.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Maar het vuur is ook zeer geschikt om de beweging, waarin +zijn eigen kracht is gelegen, aan andere lichamen mee te deelen en zijn +geweld kan op verscheidene tusschenliggende graden kunstmatig versterkt +of verminderd worden, al naar men het verkiest. Daardoor ontstaat +voorzeker voor den physioloog de hoogst gewenschte gelegenheid om met de +hulp daarvan de meest verborgen eigenschappen der lichamen tot in de +kleinste bijzonderheden na te gaan.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Istis enim applicatus, simul +ea in motum ciet, in agilitatem propriam solicitat, medullitus concutit, +vires eorum evocat, auget, mutat, partes constituentes a se +mutuo separat, separatas sigillatim combinat, proprias rursus harum +virtutes in actum lucemque deducit, adeoque nudis usurpanda +sensibus praebet, quae alia quacunque arte adjuti attingere potuissent +nunquam. Quid autem hoc jucundius Naturae scrutatori? +Quid utilius? Quid magis necessarium?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Want wanneer het bij deze wordt +aangewend, brengt het hen tegelijkertijd in beroering, wekt ze op tot de +beweging, die hun in het bijzonder eigen is, schudt ze tot in ’t merg +door elkaar, roept hun krachten te voorschijn, verhoogt en verandert ze, +scheidt de samenstellende deelen van elkaar en vereenigt de van elkaar +gescheiden een voor een, brengt wederom de vermogens van die +verschillende deelen in het bijzonder in werking en aan het licht en +maakt zelfs, dat dingen kunnen worden waargenomen louter door de +zintuigen, die zij geholpen door een andere kunst, welke dan ook, nooit +hadden kunnen bereiken. Wat is echter voor den natuurvorscher aangenamer +dan dit? Wat nuttiger? Wat noodiger?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Supersedeo horum in fidem rerum adducere testimonia, ne in +immensam mea excrescat Oratio. Latent illa neminem, nisi qui +misere adeo deperierit vetustatem, recentiorum ut in scriptis hospes +sit. Omnium instar sint bina illa fulgentissima Magnae Britanniae +Lumina, <i>Boyleus</i> et <i>Newtonus</i>: quibus certe haud +perspicaciores +Naturae Mystas nostra agnoscunt secula;</p> +</td> +<td> +<p> +Ik zie er van af om ter bevestiging hiervan de getuigenissen der feiten +aan te voeren, opdat niet mijn redevoering in het onmetelijke groeie. +Niemand zijn die onbekend, tenzij dat hij zoo akelig verzot is op de +oudheid, dat hij vreemd is aan alles, wat in geschriften uit later tijd +dateert. In plaats van dit alles mogen hier genoemd worden die beide +zeer stralende lichten aan Groot-Britannia, <span class = +"smallcaps">Boyle</span> en <span class = "smallcaps">Newton</span>. Hen +erkennen zeker onze eeuwen als de meest scherpzinnige ingewijden in de +geheimen der Natuur.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +an vero videre retroacta? +Hi tamen in detegenda singularium corporum indole, in eruendis +propriis viribus, vix alio quam ad Chemiam recurrunt. Quidquid +fere inventum est solidi et pulchri circa naturam ignis, caloris, +<span class = "pagenum latin">198</span> +<a name = "page198" id = "page198"> </a> +<!--png 222--> +lucis, frigoris; quidquid innotuit de vera colorum, saporum, odorum +indole; quidquid de motuum terrae, igniumque subterraneorum +causis; quidquid de Magnetismo corporum, et vi attractili, id omne +Chemicis debetur experimentis.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En zagen soms de voorbijgegane nog scherpzinniger +dan zij? deze +<span class = "pagenum dutch">199</span> +<a name = "page199" id = "page199"> </a> +<!--png 223--> +echter nemen bij het ontdekken van den aard der lichamen, bij het +opsporen van de hun eigen krachten haast tot niets anders hun toevlucht +dan tot de Scheikunde. Nagenoeg elke duurzame en schoone vondst +betrekking hebbende op den aard van het vuur, van hitte, licht en koude, +al wat bekend is geworden over het ware karakter van kleuren, smaken, +geuren; omtrent de oorzaken der aardbevingen, en van het vuur, dat zich +op verschillende plaatsen onder de aarde bevindt; omtrent het magnetisme +van lichamen en hun aantrekkingskracht, dit alles is men aan +scheikundige proeven verschuldigd.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Est ergo Chemia extendendis Physicis praestantissima: est Philosophiae +experimentali tam arcte copulata, ut, qui praeceptis ejus +mentem non formaverit, ineptus sit videndis Naturae arcanis. Utrique +litem movet de jure Academico, qui uni movet.</p> +</td> +<td> +<p> +De Scheikunde is dus bij uitstek geschikt om de Physica uit te +breiden: zij is met de proefondervindelijke Wijsbegeerte zóó nauw +saamgekoppeld, dat hij, die zijn geest niet gevormd heeft met haar +voorschriften, ongeschikt is de geheimen der Natuur te zien. Aan beide +betwist <i>hij</i> het recht aan de Akademie te worden onderwezen, die +het aan één betwist.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +At videor mihi audire nonnullos Vestrum objicientes: Eho! +Hanccine tu Artem tot laudabilia praestare ais opera, et tam felicem +esse in detegendis corporum virtutibus? Hanccine absconditarum +veritatum cognitione ornare animum adseris? Quae gerris anilibus, +historiolis fabulosis, confictis turbati cerebri somniis ad nauseam +usque offerta, suos his cultores impraegnat; nec aliud quid, praeter +arcana crepat nunquam visa, saepe impossibilia, et sicubi vera, +non tamen nisi denso involuta peplo exhibet; adeo, ut auram +quamvis fide Chemica tutiorem esse, verissime cecinerit Poeta.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar ik verbeeld mij sommigen van u mij te hooren tegenwerpen. „Zacht +wat! Zegt ge dat die wetenschap zooveel lofwaardige werken verricht en +zooveel succes heeft in het ontdekken van de vermogens der lichamen? +Verzekert gij, dat die den geest toerust met de kennis van verborgen +waarheden? Een wetenschap, die tot walgens toe opgepropt met +oudewijvenpraatjes, fabeltjes en droomerijen, gevormd in verwarde +hersenen, haar beoefenaars daarmee geheel en al vervult; en die over +niets anders den mond vol heeft dan over geheime, nooit geziene dingen, +die dikwijls onmogelijk zijn, en, indien zij soms al ware dingen laat +zien, dan toch slechts in een dichten sluier gehuld; zoo zelfs, dat zeer +terecht een dichter gezongen heeft, dat elk vluchtig koeltje eerder te +vertrouwen is dan, wat de Scheikunde verzekert“.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Hisce equidem haud repugno; nec inficior: pleni sunt talibus +libri, plenae Chemistarum voces, quorum pars magna servulo illi +Terentiano simillima, quae vera audivere, tacent et continent optime; +sin falsum, aut vanum, est, continuo palam faciunt. At enim vero +ecquis imprudens adeo, aut tam corruptus sederit ad hanc rem +judex, Arti ut imputet errores, delira quos et fraudulenta horumce +Pseudochemicorum turba dispersit?</p> +</td> +<td> +<p> +Dit wil ik, wat mij betreft, niet bestrijden noch ontkennen: vol van +dergelijke zaken zijn de boeken, vol de uitlatingen der Alchemisten, van +wie een groot deel gelijk aan dien slaaf<a class = "tag" name = "tag5_8" +id = "tag5_8" href = "#note5_8">8</a> bij <span class = +"smallcaps">Terentius</span>, +wat zij waars hooren, uitstekend weten te verzwijgen en verborgen te +houden; maar als iets onwaar of leugenachtig is, maken zij het +onmiddelijk openbaar. Maar waarlijk is er wel iemand, die over deze zaak +de vierschaar spant, zóó onverstandig of zóó verdorven, dat hij de +wetenschap de dwalingen aanrekent, die de krankzinnige +<span class = "pagenum dutch">201</span> +<a name = "page201" id = "page201"> </a> +<!--png 225--> +bedriegersbende dier pseudoscheikundigen heeft verbreid?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +His quia turpe videtur errasse +solos, fucata hinc verborum specie allectos quoque alios iisdem +<span class = "pagenum latin">200</span> +<a name = "page200" id = "page200"> </a> +<!--png 224--> +implicant erroribus, et, dum propria primi periere ignorantia, +sequentes in commune secum trahunt exitium; id saltem adsecuti, +quod, sub coacervata aliorum supra alios strage, primae tegatur +ruinae causa et autor. Non sane hi, praeter nomen, quidquam de +Chemia possident; ne hoc quidem digni: quum suorum duntaxat +sensuum cupiditatibus, aut malesano natis in cerebro, hypothesium +monstris obsequiosi, veras Artis regulas nec sciant, nec ad illas +conformentur.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Omdat het dezen +schandelijk toeschijnt alleen gedwaald te hebben, lokken zij daarom ook +anderen tot zich door schoonschijnende sier van woorden en wikkelen hen +in dezelfde dwalingen en, daar zij het eerst door hun eigen onwetendheid +te gronde zijn gegaan, trekken zij hun volgelingen met zich in een +gemeenschappelijk verderf, waarbij zij tenminste dit bereiken, dat onder +den opgestapelden hoop, de een boven op den ander, de oorzaak en +bewerker van den eersten val bedekt wordt. Zij bezitten voorwaar niets +van de Scheikunde behalve den naam, dien zij zelfs ook niet waardig +zijn, daar zij slechts luisterend naar de begeerten van hun zinnen of +naar monsters van hypothesen in een waanzinnig brein geboren, de ware +regels der wetenschap noch weten noch zich er naar richten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Longissime profecto abest Chemia, inanibus quin credat speculationibus: +aurium ipsarum sublesta illi fides est; solo acquiescit +oculorum testimonio. Hinc quicunque caste eam colunt, in singularibus +primo corporibus, juxta praescriptum Artis, summa exactitudine, +et accuratissima omnium phoenomenorum observatione, Naturam +ducem secuti, varia instituunt experimenta;</p> +</td> +<td> +<p> +De Scheikunde is er inderdaad zoo ver mogelijk van af geloof te +schenken aan ijdele bespiegelingen. De betrouwbaarheid der ooren zelfs +is voor haar gering; zij legt zich alleen neer bij het getuigenis der +oogen. Vandaar dat al degenen, die haar op de onvervalschte manier +beoefenen, eerst op de afzonderlijke lichamen volgens het voorschrift +der wetenschap verschillende proeven nemen met de hoogste nauwkeurigheid +en de meest zorgvuldige waarneming van alle verschijnselen, hierbij de +natuur als leidsvrouw volgend;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +horum dein singulos +quosque eventus sensibiles, bona fide, notant, et ex his demum +liquidissime perspectis, et sibi invicem collatis, severitate +Mathematica +eliciunt, quae clara et individua sequela inde deduci possunt: +haecque tandem sunt, non alia, quae pro veritatibus et Theorematis +agnoscunt veri Chemiae cultores. Quid vero est, si non haec +certitudo est?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +vervolgens teekenen zij telkens de +waarneembare uitkomsten eerlijk op en eerst nadat zij daarin een +volkomen helder inzicht hebben gekregen en ze met elkaar vergeleken +hebben, maken zij daaruit met wiskundige strengheid die +gevolgtrekkingen, die er in duidelijke en onafgebroken volgorde uit +kunnen worden afgeleid. En dit eerst is het, niets anders, wat de ware +beoefenaars der Scheikunde als waarheden en leerstellingen erkennen. In +waarheid wat is zekerheid, indien dat het niet is?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quae cum ita sint, neminem jam Vestrum dari putem, qui perneget, +rationali Chemiae exercitio mire adaugeri humanae mentis intelligentiam. +Reliquum est, ut paucis, quos corpori adfert, usus exponamus, +Arti dum Medicae, hujus quæ curam gerit, artissime sociata, +<ins class = "correction" title = +"text: ’utillissimam’">utilissimam</ins> pariter ac maxime necessariam +præstat operam, non aliunde, nisi e Chemiae penu derivandam.</p> +</td> +<td> +<p> +Daar dit zoo is, meen ik, dat er niemand meer van ulieden zal gevonden +worden, die hardnekkig blijft ontkennen, dat door een verstandige +beoefening der Scheikunde het begrip van den menschelijken geest +verbazend wordt vermeerderd. Er blijft nog over, dat wij in ’t kort de +voordeelen uiteenzetten, die zij het lichaam aanbiedt, daar zij, ten +nauwste verbonden aan de Geneeskunde, die daarvoor zorgdraagt, deze een +buitengewoon nuttige en tevens zeer noodige hulp betoont, die aan niets +anders kan ontleend worden dan aan datgene, waarover de Scheikunde +beschikt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">202</span> +<a name = "page202" id = "page202"> </a> +<!--png 226--> +Physicae Medicinam firmissime conjungi, utriusque docet contemplatio: +haec itaque, quo cum illa cohaeret vinculo, eodem et +Chemiae nectitur; nec hujus demonstratio plura exigeret, nisi propior +adhuc ambarum daretur affinitas.</p> +</td> +<td> +<p> +<span class = "pagenum dutch">203</span> +<a name = "page203" id = "page203"> </a> +<!--png 227--> +Dat de Geneeskunde zeer hecht met de Physica verbonden is, leert de +beschouwing van beide. Derhalve wordt zij met denzelfden band, waardoor +zij met gene vereenigd is, ook aan de Scheikunde gekoppeld en de +uiteenzetting daarvan zou geen woorden meer vereischen, als niet nog een +nauwer verwantschap van beide zich voordeed.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ars Medica objectum sibi primarium habet corpus humanum, +vivens, hinc individuum, singularissimum, cui definitas aliorum +corporum singularium vires, determinatis sub conditionibus applicando, +requisitas in fine suo mutationes imprimit: tota ergo versatur +in singularibus, et si ulla alia, certe haec virtutes corporum +peculiares, +et in se invicem actiones, quam distinctissime perspectas +postulat:</p> +</td> +<td> +<p> +De Geneeskunde heeft als haar eerste voorwerp van studie het +menschelijk lichaam, dat leeft en derhalve ondeelbaar, verder geheel op +zich zelf staande is, waaraan zij door er bepaalde krachten van andere +op zich zelf staande lichamen onder vaste voorwaarden op aan te wenden +die veranderingen oplegt, die voor haar doel vereischt worden. Zij houdt +zich dus geheel bezig met op zich zelf staande dingen en zoo eenige +andere wetenschap, dan heeft zij er belang bij, dat de bijzondere +vermogens der lichamen, en hun werkingen wederkeerig op elkaar zoo +duidelijk mogelijk gekend worden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +quum autem hisce indagandis, prae reliquis quibuscunque +Artibus, Chemia potissimum omnem suam et unice et felicissime +impendat operam; hac sine mancam fore mutilamque quis non +videt Medicinam? Hinc est, quod mox, ac plebi erepta, Litteratos +inter coepit vigere, nativo suo tum splendore fulgens, Chemia, +adeo in sui amorem et culturam omnes pertraxerit Medicinae filios, +horum ut praeprimis facta fuerit opus, horum deliciae.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daar nu aan het nasporen hiervan de +Scheikunde vooral boven alle overige wetenschappen bij uitstek en met +veel succes al haar moeite besteedt, wie ziet dan niet in, dat zonder +haar de Geneeskunde kreupel en gebrekkig zou zijn? Hieraan is het te +danken, dat de Scheikunde weldra en na zich aan het gemeen onttrokken te +hebben onder de geletterden in aanzien begon te komen, thans stralend in +haar eigen oorspronkelijken glans, en zoozeer alle zonen der Geneeskunde +er toe heeft gebracht haar lief te hebben en te beoefenen, dat zij in de +allereerste plaats van hen het werk, van hen de lust is geworden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quid? +Quod in ipsam quoque dein Artem Salutarem introducta, communem +sibi cum hac finem adoptaverit, novo tum nomine Jatro-Chemices, +pro parte sui longe maxima, insignita: quo quidem sibi +placuit tantopere, omni ut ilico conatu totam se promovendis sociae +suae pomoeriis indefessam dederit.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ja nog +meer; vervolgens ook in de Heilkunst zelf gebracht heeft zij voor zich +een gemeenschappelijk doel met deze aangenomen en is toen met den +nieuwen naam Iatrochemie naar verreweg haar grootste deel gesierd +geworden. Daarin dan schepte zij zulk een behagen, dat zij terstond +onvermoeid met alle krachtsinspanning zich geheel er aan gegeven heeft +om de landpalen van hare bondgenoote uit te zetten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Nec profecto, nisi ignarus rerum, +pauca ea dixerit, aut flocci aestimanda, quae inde in Medicinam +redundarunt, bona: quamcunque enim hujus partem, seu speculatione +quae absolvitur, seu ipsa quae in operis versatur exercitatione, +percurras; utraque innumeros clamat Chemiae usus; utraque consortium +ejus ad sui perfectionem summe necessarium exemplis +docet infiniris.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +En voorwaar slechts +iemand, die geen kennis van zaken heeft, zal die dingen weinig noemen of +van geringe waarde, die daaruit de Geneeskunde ten goede zijn gekomen. +Immers welk gedeelte van haar men ook moge nagaan, hetzij dat, wat door +bespiegeling wordt volbracht, hetzij dat, wat zich bezig houdt juist met +de uitoefening van het werk zelf, beide getuigen luide van de ontelbare +diensten der Scheikunde; beide leeren door oneindig veel voorbeelden, +<span class = "pagenum dutch">205</span> +<a name = "page205" id = "page205"> </a> +<!--png 229--> +dat de samenwerking met deze in de hoogste mate noodig is tot haar eigen +volmaking.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">204</span> +<a name = "page204" id = "page204"> </a> +<!--png 228--> +Physiologiam primo Medicam, si libet, contemplemur. Undenam, +quaeso, constitit, firmarum corporis humani partium Elementum +ultimum et basin esse Terram Virginem, simplicissimam, constantissimam, +medio glutine oleoso, pariter fixissimo, adunatam? Eo +certe non progreditur subtilitas Anatomica: sola id liquido docet +Chemia.</p> +</td> +<td> +<p> +Laten wij eerst de medische physiologie, als gij het goed vindt, +beschouwen. Eilieve, waardoor wel is men tot de overtuiging gekomen, dat +het laatste element en de basis der vaste deelen van het menschelijk +lichaam de maagdelijke Aarde is, die slechts uit een enkel bestanddeel +bestaand en zich zelf steeds gelijk blijvend, saamgehouden wordt door +een olieachtige lijm in haar midden, die eveneens zeer vast is? Zoo ver +komt zeker niet de scherpzinnigheid der anatomen. Alleen de Scheikunde +leert dit met volkomen zekerheid.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Undenam vero fluidorum ejus singularis indoles et propriae +innotescunt vires? Excepta enim generaliori liquidorum idea, aliud +illis simile frustra quaesiveris extra regni Animalis terminos: imo +sunt ipsa etiam inter se quam diversissima. Deficit heic Hygrostatica: +Chemia sola opitulatur; haec est, cui, quantum fere in his sapimus, +debemus:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Waardoor wel worden de bijzondere aard +van de vochten in het lichaam en eigenaardige krachten daarvan bekend? +Want met uitzondering van den meer algemeenen vorm van vloeistoffen zal +men tevergeefs zoeken naar iets anders aan hen gelijk buiten de grenzen +van het dierenrijk: ja zelfs zijn zij ook zelf onder elkaar zoo +verschillend als maar mogelijk is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Sanguinis naturam mediam nec Acidam nec Alcalinam; +Seri ejus, ad calorem naturali majorem, facile coagulum; Bilis +indolem saponaceam; Salivae, succi Pancreatici, Lymphae temperiem, +facultates, et innumera alia nesciremus, abfuisset Chemia.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hier schiet de Hygrostatica te kort; +alleen de Scheikunde biedt hulp; zij is het, aan wie wij nagenoeg alles, +wat wij van die zaken weten, verschuldigd zijn. Den aard van het bloed, +die het midden houdt en noch zuurachtig noch alcalisch is, het +gemakkelijk stollen van het serum daarvan bij een hitte grooter dan de +natuurlijke, het zeepachtig karakter van de gal, de juiste samenstelling +en eigenschappen van het speeksel, van het pancreassap en der lymphe en +tallooze andere dingen zouden wij niet weten, indien de Scheikunde er +niet geweest ware.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quid +nunc functiones memorem, hujus adminiculo pulcherrime evolutas? +Intimam alimentorum in primis viis solutionem; succi inde Chylosi +et Lactei proventum; cibi potusque necessitatem, appetentiam; +originem salium et partium sulphurearum ex ingestis fere insipidis; +insignem humorum per vires circuitus mutationem (ut alia praeteream) +parum apposite explicuere, quibus clarior Chemiae lux nondum +adfulserat.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Waartoe zal ik nu gewag maken der functies, die met +haar bijstand schitterend zijn blootgelegd? Het inwendig oplossen der +spijzen in de eerste wegen, het daaruit voortkomen van het chylus- en +melksap, de noodzakelijkheid van spijs en drank en de begeerte daarnaar, +het ontstaan der zouten en zwavelachtige deelen uit het opnemen van +vrijwel smakelooze stoffen, de merkwaardige verandering der vochten door +de krachten van den kringloop (om nog andere dingen voorbij te gaan) +hebben <i>zij</i> weinig passend verklaard, voor wie het meer heldere +licht der scheikunde nog niet had geschenen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quodsi nunc pedem promoveamus ad partem Medicinae Pathologiam; +innumeri, iique impeditissimi occurrunt, circa morborum +causas, naturam et symptomata, nodi, quibus solvendis unica par +est Chemia. Quis miros salium morbosorum in Scorbuto, Arthritide, +<span class = "pagenum latin">206</span> +<a name = "page206" id = "page206"> </a> +<!--png 230--> +Lue Venerea ortus, variam indolem, alia ex aliis effecta unquam +pervidisset?</p> +</td> +<td> +<p> +Indien wij dan nu een stap verder gaan tot het onderdeel der +Geneeskunde, de Pathologie, dan doen zich tallooze en bovendien nog zeer +ingewikkelde kwesties voor met betrekking tot de redenen der ziekten, +den aard en de verschijnselen daarvan, die de Scheikunde +<span class = "pagenum dutch">207</span> +<a name = "page207" id = "page207"> </a> +<!--png 231--> +alleen vermag op te lossen. Wie zou ooit doorzien hebben het +wonderbaarlijke ontstaan en het verschillend karakter der ziekelijke +zouten bij scheurbuik, jicht en lues Venerea, en hoe het een uit het +andere voorkomt?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quis fontem Acidi aut putridi oleosi, in primis viis, +Hypochondriacis tam molesti? Quis Calculorum in Cysti Fellea, +Renibus, et Vesica Urinaria proventum? Quis cariei ossium, adjunctique +foetoris causam?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Wie de bron van het zuur of van de olieachtige bedorven +stof, die zich in de eerste wegen bevindt en zoo lastig is voor de +miltlijders? Wie de herkomst van steenen in de galblaas, de nieren en de +urineblaas? Wie de oorzaak van het bederf van beenderen en van den +stank, die er mee gepaard gaat?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quis tetras stagnantium humorum degenerationes +in tenacitatem corneam, aut summam putredinem, acrimoniamve +corrosivam? Quis denique caloris et frigoris, circulationis +auctae vel diminutae varias in permutandis humoribus vires tam +pulchre in lucem ponere potuisset, nisi Chemia praetulisset facem?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Wie het vieze overgaan van stilstaande +vochten in een hoornachtige stijfheid of in zeer sterke ontbinding of +inbijtende scherpte? Wie ten slotte zou den verschillenden invloed van +hitte en koude, van het vermeerderen of verminderen der circulatie op +het veranderen van vochten zoo schoon in het licht hebben kunnen +stellen, als niet de Scheikunde met haar fakkel was vooraangegaan?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ex binis prioribus Medicinae partibus doctrina de Signis maximam +partem derivatur: redundant ergo in hanc etiam, quos in +illas confert Chemia, usus. Exempla in promptu sunt uberrima: +Sanguis de vena missus nonne luculentum internae dispositionis +praebet indicium? At veram ejus indolem, nisi examine Chemico, +perspicere nemo distincte potest.</p> +</td> +<td> +<p> +Uit de beide vorige onderdeelen der Geneeskunde wordt voor het grootste +deel de leer der kenteekenen afgeleid. Derhalve komen ook haar de +voordeden ten goede, die de Scheikunde aan gene bezorgt. Overvloed van +voorbeelden zijn bij de hand: verschaft het bloed uit de ader gelaten +niet een duidelijke aanwijzing omtrent den inwendigen toestand? Maar in +den waren aard daarvan kan niemand een juist inzicht krijgen tenzij door +een scheikundig onderzoek.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Latet vera Lactis nutricum natura, +quem Chemia latet. At quanti est, exactum de hoc judicium fere +posse! Dum toties miseris illud infantibus, veneni instar, infinitorum +cruciatuum, mortisque fit causa, dulcem quod vitae fomiteae, sanitatem +et incrementum debebat addere.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hem blijft de ware natuur der voedstermelk +verborgen, voor wien de Scheikunde iets verborgens is. Maar hoeveel is +het waard, daarover een zuiver oordeel te kunnen vellen! daar dát zoo +dikwijls voor de ongelukkige kinderen een vergif gelijk, de oorzaak is +van oneindig veel folteringen en den dood, wat aan hun zorgvuldig +gekoesterd leven juist de zoete gezondheid en wasdom had moeten +geven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Si solis Medicis Medicus +nunc loquerer, plurima hic de Sputis, de Sudore, de Urinis et +Alvi excrementis dicenda superessent, quae satius tamen est involvere +silentio; ne his audiendis minus adsuetos prehendat nausea.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Als ik als geneeskundige nu alleen voor geneeskundigen sprak, zou hier +zeer veel te zeggen overblijven betreffende sputum, zweet, verschillende +soorten van urine en ontlasting, die het echter beter is in stilzwijgen +te hullen, opdat niet hen, die minder gewoon zijn die dingen te hooren, +een walging bevange.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Offerunt se denique posteriores duae Medicinae partes, Hygieine +et Therapeutice; quae uti inter alias nobilissimae, propius jam fini +accedunt Medico; ita in has prae reliquis benefica Chemia, quidquid +fere utilis, quidquid habet boni, sincero adeo affectu, congessit, ut +ne sic quidem satisfecisse sibi visa, majora viribus tentaverit, +ipsos Naturae, ne dicam Artis limites vanis transgressa +pollicitationibus.</p> +</td> +<td> +<p> +Ten slotte vertoonen zich de laatste twee onderdeelen der +Geneeskunde, de Hygiëne en de Therapie. Evenals deze, boven de andere in +adel uitblinkend, al dichter naderen tot het door de Geneeskunde zich +gestelde doel, zoo betoonde zich de Scheikunde jegens haar milddadiger +dan jegens de overige en overlaadde haar met nagenoeg al het nuttige, al +het goede, dat zij heeft, met +<span class = "pagenum dutch">209</span> +<a name = "page209" id = "page209"> </a> +<!--png 233--> +zulk een oprechte toeneiging, dat zij zelfs op die manier zich zelf niet +scheen te voldoen en dingen beproefde, die haar krachten te boven +gingen, waarbij zij met ijdele beloften de grenzen zelf der Natuur, om +niet te zeggen der wetenschap overschreed.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +<span class = "pagenum latin">208</span> +<a name = "page208" id = "page208"> </a> +<!--png 232--> +Ortum hic error ab artificum duxit ignorantia, qui miram +videntes complurium suorum inventorum energiam, incitabantur +eousque, finitae ut arti inesse crederent infinita. Hi igitur, quae +commisere, sua ipsi delicta luant; nec debita ideo Chemiae laus +denegetur, collata quam ad sanitatis tutelam, morborumque propulsionem +opera meruit.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Deze dwaling is ontstaan uit +de onwetendheid der kunstenaars, die ziende de wonderbare kracht van +verscheidene van hun <ins class = "correction" title = +"text: ‘uitvingen’">uitvindingen</ins> +daardoor zóó in vuur geraakten, dat zij +meenden, dat in hun begrensde kunst onbegrensde dingen besloten waren. +Laten die dus zelf de misgrepen boeten, die zij begingen, en laat daarom +niet aan de Scheikunde de haar verschuldigde lof ontzegd worden, dien +zij door zich moeite te geven voor de bescherming der gezondheid en het +verdrijven van ziekten verdiend heeft.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quid enim? Nonne ejus artificio esculentorum +et potulentorum, aquarum, Vinorum, Cerevisiarum natura, virtutes +et vitia cognoscuntur optime? Nonne Thermarum illa, Acidularum, +aliorumque fontium, vi Medicata insignium, elementa, compositionem +et facultates tam liquido manifestat, ut vel imitetur, et naturalium +defectum arte factis suppleat, haud minoris fere efficaciae?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Want wat is het geval? Leert men +niet door haar kunst den aard, de goede en slechte eigenschappen van +eet- en drinkwaren, van verschillende soorten water, wijn en bier +uitstekend kennen? Openbaart zij niet de elementen, samenstelling en +eigenschappen van warme, zuurhoudende en andere bronnen, beroemd om haar +geneeskracht, zóó duidelijk, dat zij ze zelfs namaakt en het ontbreken +van natuurlijke wateren vergoedt door kunstmatig vervaardigde, die bijna +geen geringere uitwerking hebben?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Medicamentorum +principia, vires, agendi modus, et quidnam in unoquoque +id sit, cui maxima insidet potentia, perspicacissimum quemque, +sine analysi Chemica, fugiunt. Quid nunc commemorem plurimas +illas Mortalium aegritudines, quarum legitimam medendi methodum +sola suggerit Chemia? Quid sexcenta enumerem selectissimae virtutis +medicamina, quorum inventionis gloriam illa sibi vendicat?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +De grondstoffen, krachten, de wijze +van werken der geneesmiddelen en, wat toch wel in elk dat is, waarin de +grootste macht schuilt, ontgaan den scherpzinnigste zonder scheikundige +analyse. Waartoe zou ik nu melding maken van die veelvuldige kwalen der +stervelingen, wier behoorlijke geneesmethode alleen de Scheikunde aan de +hand doet? Waartoe zou ik de ontelbare geneesmiddelen van een +uitgezochte voortreffelijkheid opsommen, welke uitgevonden te hebben zij +zich beroemt?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Taceo benignissimam ejus operam, qua lethalem <ins class = "correction" +title = "text: ‘nonnulorum’">nonnullorum</ins> corporum +ferociam, laudabili adeo eventu, cicuravit, e venenis ut remedia +evaserint tutissima aeque ac efficacissima. Praetereo singularem +ejus, in Medicamentorum viribus acuendis, extrahendis, in compendium +reducendis, et sub alia et alia gratiori forma exhibendis, +dexteritatem:</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ik zwijg nog van haar uiterst weldadige werkzaamheid, +waarmee zij de vreeselijke, doodelijke kracht van sommige lichamen heeft +weten onschadelijk te maken met zulk een lofwaardige uitkomst, dat zij +van vergiften geneesmiddelen zijn geworden, waarvan de volkomen +veiligheid de uitwerking evenaart. Ik ga voorbij haar bijzondere +geschiktheid om de krachten der geneesmiddelen te verscherpen om ze te +voorschijn te brengen, om ze te herleiden tot een beperkten omvang en om +ze telkens weer onder een aangenamen vorm te doen verschijnen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +si enim singula, pro dignitate, nunc prosequi susciperem, +dies dicentem deficeret. Videte, quae illustris Boylaeus, quae +Bellinus, Bohnius, Stahlius, Hoffmannus, aliique laboribus suis +Chemicis in Medicina praestitere: verum quid ad exteros provocare +opus?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Want als +ik op mij nam alles thans een voor een naar verdienste na te gaan, zou +de dag voor mijn woorden te kort zijn. Ziet, wat de doorluchte <span +class = "smallcaps">Boyle</span>, wat <span class = "smallcaps">Bellini, +Bohn, Stahl, Hoffmann</span> en anderen door +<span class = "pagenum dutch">211</span> +<a name = "page211" id = "page211"> </a> +<!--png 235--> +hun scheikundige werken in de Geneeskunde hebben tot stand gebracht. +Maar waartoe is het noodig een beroep te doen op buitenlanders?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Immortalia Vestrum omnium in manibus versantur scripta, +nunquam periturae credidistis memoriae acta praestantissima Viri +vere Magni, quem fortunato coram hic contuemur vivum O diu! +sospitemque: volvite haec atque revolvite, dictorum testimonia +inventuri omni exceptione majora.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Onsterfelijke geschriften bevinden zich in uw aller handen, +onvergankelijk hebt gij in uw geheugen geprent de voortreffelijke daden +van den waarlijk grooten man, dien wij gelukkig hier tegenwoordig in +leven — o moge hij dat lang blijven! — en in welstand zien. +Slaat deze geschriften telkens en telkens weer op en gij zult daarin +getuigenissen van het gezegde vinden, die boven elke bedenking verheven +zijn.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">210</span> +<a name = "page210" id = "page210"> </a> +<!--png 234--> +Ex hisce igitur constat affatim, quanti sint usus, quot probatissima +inventa, quam innumera beneficia, quibus Chemia quascunque +Medicinae partes cumulat largissime: patuit, quam amplam, quam +necessariam ab hac mutuetur Philosophia experimentorum supellectilem. +Nec quis jam porro inficiatur minime segregandam +illam esse a numero Artium Academicarum, quae binis harum +tam arcto vinculo cohaeret.</p> +</td> +<td> +<p> +Hierdoor is dus met voldoende zekerheid bewezen, hoe groot de +diensten, hoe talrijk de algemeen gewaardeerde uitvindingen, hoe +ontelbaar de weldaden zijn, waarmee de Scheikunde alle mogelijke +onderdeelen der Geneeskunde op de meest kwistige wijze overlaadt. Het is +duidelijk geworden, welk een omvangrijke, welk een noodzakelijke +voorraad proefondervindelijke bewijzen de Wijsbegeerte aan haar +ontleent. En wel niemand zal verder meer ontkennen, dat <i>zij</i> +allerminst uit het getal der Akademische wetenschappen moet worden +afgezonderd, die met twee er van door zulk een nauwen band te zamen +hangt.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ne tamen ullus relinquatur dubitationi locus, addendum aliud +adhuc est argumentum, illos convicturum, qui forte oggesserint, +alias complures dari artes ministras, quarum licet egeant adminiculo +disciplinae nobiliores, ea tamen non est dignitas, harum ut albo +inserantur.</p> +</td> +<td> +<p> +Opdat er echter in het geheel geen plaats voor twijfel overblijve, +moet nog een ander bewijs er aan worden toegevoegd, dat hen zal +overtuigen, die misschien zullen aanvoeren, dat er verscheidene andere +hulpwetenschappen bestaan, wier aanzien, ofschoon de meer edele +wetenschappen haar bijstand behoeven, toch niet zoo groot is, dat zij in +de lijst van deze worden opgenomen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Id equidem si in Chemiam quis contorserit, sciat is, non servile +esse ejus ministerium, sed tale, ut quam Academicis scientiis +praestat operam, eandem ab his exigat vicissim, et mutuetur +reciprocam. Quemadmodum enim, ut perfectum quis in Physicum +evadat, bonus sit Chemicus oportet; ita non minus bonum decet +esse Physicum, ad plenam qui Chemiae notitiam adspirat: ultra +vulgus sapiat, emunctis accedat naribus, et imbutam artibus ingenuis +habeat mentem necesse est, qui in Chemia laudabile praestare +quidquam, et verus ejus cultor audire gestit.</p> +</td> +<td> +<p> +Indien iemand voorwaar dit op de scheikunde toepast, laat hij dan +weten, dat haar dienstbaarheid niet die van een slavin is, maar een +zoodanige, dat zij denzelfden dienst, welken zij den akademischen +wetenschappen bewijst, op haar beurt van deze eischt en wederkeerig van +haar borgt. Want evenals iemand, om het tot een volmaakt physicus te +brengen, een goed scheikundige moet zijn, zoo behoort hij, die de +volledige kennis der Scheikunde najaagt, niet minder een goed physicus +zijn. Hij moet in verstand boven den grooten hoop uitsteken, met fijne +smaak tot het werk nader treden, een geest hebben doorkneed in de +schoone kunsten en wetenschappen, die in de Scheikunde iets lofwaardigs +verlangt tot stand te brengen en een waar beoefenaar van haar te +heeten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quid enim? Nonne saltum facit maxime absonum scientiae +<span class = "pagenum latin">212</span> +<a name = "page212" id = "page212"> </a> +<!--png 236--> +cujusdam addiscendae cupidus Tyro, si generalibus illius regulis +nondum cognitis, ad singularia mox pedem promovet? Nonne a +simplicioribus ad magis composita, a facillime obviis ad abstrusa, +Naturae ipsius ordo commonstrat viam? Cuinam igitur tam parum +nota sunt bonae praecepta methodi?</p> +</td> +<td> +<p> +Want hoe kan het anders? Maakt een beginner, die begeerig +<span class = "pagenum dutch">213</span> +<a name = "page213" id = "page213"> </a> +<!--png 237--> +is een zekere wetenschap te leeren, niet een allerongerijmdsten sprong, +indien hij zonder nog de algemeene regels ervan te kennen, terstond +voortschrijdt tot de bijzonderheden? Wijst niet de orde in de natuur +zelf den weg van het meer eenvoudige naar het meer samengestelde, van +hetgeen onmiddellijk voor de hand ligt naar hetgeen diep is +verscholen?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +ad corporum ut singularium +descendere examen, horum investigare occultas vires, affectiones +proprias, effecta peculiaria attentet, antequam universalem objecti +sui ideam sibi comparaverit. Addiscat prius, quid sit corpus? +Quaenam ejus natura generalis? Quantum a mente differat?</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Aan wien dan toch zijn de voorschriften van een goede methode zóó weinig +bekend, dat hij beproeft zich te verdiepen in een onderzoek van +afzonderlijke lichamen en hun verborgen krachten, bijzondere +eigenschappen en eigenaardige uitwerkingen na te sporen, voordat hij +zich een algemeen denkbeeld heeft verschaft van zijn onderwerp? Eerst +leere hij, wat een lichaam is, wat wel zijn algemeene natuur is, hoeveel +het verschilt van den geest.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Virium +praemittat et proprietatum communium indaginem; et superficiem +ante contempletur, quam in viscera penetrat: Artem calleat ea, qua +decet, accuratione instituendi experimenta: denique nec legum sit +ignarus, quae ex datis, justo ratiocinio, legitimas docent elicere +conclusiones et Theoremata: hocque demum apparatu instructus, +operi sese accingat Chemico, fructus inde non poenitendos +adsecuturus.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Hij moet laten voorafgaan een onderzoek +naar de algemeene krachten en eigenschappen en eerst de oppervlakte +beschouwen, voordat hij in de ingewanden doordringt. Hij moet de kunst +verstaan, met die nauwkeurigheid, waarmee dat behoort, proeven te nemen. +Ten slotte zij hij ook niet onbekend met de wetten, die leeren uit +gegevens volgens een juiste redeneering de goede gevolgtrekkingen te +maken en leerstellingen af te leiden, en eerst van deze toerusting +voorzien gorde hij zich aan tot den scheikundigen arbeid, waarvan hij +vruchten zal plukken, die hem nimmer zullen berouwen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Qui vero aliter se hac in re gerunt, nae illi oleum perdant et +operam! Andabatarum enim more procedentes, impingunt undique; +et emendato intelligentiae destituti lumine, quo in Chemiae adyta +irrumpunt profundius, eo hallucinantur magis; nubemque tandem +pro Junone amplexi, finem laborum omnium, erroribus, ignorantia, +paupertate coronatum vident sero et dolent.</p> +</td> +<td> +<p> +Zij echter, die zich in deze zaak anders gedragen, waarlijk zij doen +vergeefsche moeite. Want als blindemannen<a class = "tag" name = +"tag5_9" id = "tag5_9" href = "#note5_9">9</a> voortgaande, stooten zij +overal tegen aan en, daar +zij van het zuivere licht van het begrijpen verstoken zijn, bazelen zij +des te erger hoe dieper zij in de binnenste heiligdommen der Scheikunde +doordringen en eindelijk, een wolk in plaats van Juno<a class = "tag" +name = "tag5_10" id = "tag5_10" href = "#note5_10">10</a> omhelsd +hebbend, zien zij tot hun +smart te laat, dat het eind van al hun moeiten bekroond wordt met +dwalingen, onwetendheid, en armoede.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Hi sunt, quorum illotis +olim manibus dum tractabatur Chemia, foedissimis deturpata errorum +et fabularum maculis, adeo sorduit, invisa ut Sapientibus et +suspecta esset. Hi sunt, a quibus dein Eruditus Orbis, una cum +Arte nobilissima, detestandas illas accepit falsissimarum opinionum +pestes, inde in omne fere Scientiarum genus propagatas, contagio +vix non indelebili. Verificatum hic tritum illud: +Optimarum rerum abusus pessimi.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Zij zijn het, die gemaakt hebben, +dat de Scheikunde eens, zoolang zij door hun ongewasschen handen werd +behandeld, ontsierd door de vuilste vlekken van dwalingen en fabeltjes, +zóó in het slijk geraakte, dat zij den geleerden gehaat en verdacht was. +Zij zijn het, van wie vervolgens de beschaafde wereld tegelijk met de +edelste wetenschap +<span class = "pagenum dutch">215</span> +<a name = "page215" id = "page215"> </a> +<!--png 239--> +dien afschuwelijken vloek van geheel valsche meeningen ontving, die zich +vandaar over ongeveer elk soort van wetenschap uitbreidde met een bijna +niet te keeren besmetting. Hier werd dat bekende gezegde bewaarheid: Van +de beste dingen is het misbruik het ergst.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">214</span> +<a name = "page214" id = "page214"> </a> +<!--png 238--> +Non tamen isthaec Artis sunt sed artificum: hos enim quamprimum +contigit tales esse, quales sibi postulat Artis sublimitas, +viros Mathematice doctos, qui spreta magistrorum auctoritate, Naturam +ducem secuti, res ipsas, uti in se sunt, contemplari, et de +iis judicare, quam praepostere credere maluerunt, mox sordibus +detersis, aliam adepta faciem Chemia, et quibus scatebat ipsa, et +qui inde in alias irrepserant scientias, errores non expunxit solum; +sed horum etiam locum amplissimis supplevit inventis, solidissimis +veritatibus.</p> +</td> +<td> +<p> +Dat is echter niet de schuld van de wetenschap maar van haar +beoefenaars. Immers zoodra het geviel, dat deze zoo waren, als de +verhevenheid der wetenschap voor zich eischt, mannen, wiskundig +onderlegd, die zonder zich te storen aan het gezag van meesters, de +natuur als leidsvrouw volgend, liever de zaken zelf, zooals zij in haar +wezen zijn, wilden beschouwen en daarover oordeelen dan verkeerdelijk +gelooven, heeft niet alleen de Scheikunde, na ras al dat vuil te hebben +afgewischt en een ander voorkomen te hebben gekregen, zoowel de +dwalingen, waarvan zij zelf krioelde, als die, welke uit haar in andere +wetenschappen waren geslopen, uit den weg geruimd, maar ook de plaats +daarvan weer aangevuld met de prachtigste uitvindingen en de meest +onbetwistbare waarheden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Verum desino exhibendis veri Chemici requisitis immorari +diutius; ne, horum plurima mihimet ipsi deesse nimis perspiciens, +tantillum etiam, quod mihi restat, animi, quo aliqualem adhuc in +munere hocce meo speraveram successum, prorsus abjiciam, et, +nedum facto virium tentamine, palaestra fugiam imbellis.</p> +</td> +<td> +<p> +Edoch, ik houd op langer te vertoeven bij de uiteenzetting van de +vereischten voor den waren scheikundige, opdat ik niet, maar al te goed +inziend, dat de meeste daarvan mij zelf juist ontbreken, ook nog dat +weinigje moed geheel en al verlies, dat mij nog blijft en waardoor ik +nog op eenig succes in dit mijn ambt had gehoopt, en lafhartig vlucht +uit het strijdperk zonder zelfs mijn krachten te beproeven.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ex dictis autem abunde innotescit, Chemiam captu vulgi +superiorem, cultores exigere, praeliminari scientiarum Academicarum +supellectile instructos: nec jam ulterius urgent, quae modo posse +objici videbantur.</p> +</td> +<td> +<p> +Uit hetgeen gezegd is, wordt het echter meer dan voldoende duidelijk, +dat de Scheikunde, de bevatting van het gemeen te boven gaand, +beoefenaars vereischt vooraf voorzien van een uitrusting bestaande uit +Akademische wetenschappen, en niet langer meer verontrusten haar die +dingen, die men haar nog zooeven scheen te kunnen verwijten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quare, nisi vana me eventus spes fefellit, est, cur proposito +paratam fidem suspicer: constitit enim, Artem Chemicam praeclarissimis, +quos animi pariter et corporis culturae praestat, usibus +insignem, Philosophiae et Medicinae maxime proficuam, summe +necessariam, indissolubili haerere vinculo, utrinque firmissimo, hae +ut illius opera utantur, et vice versa. Quid demum impedit, quo +minus concludam, <i>Chemiam, Artem Nobilem, Artibus Academicis +jure esse inserendam</i>?</p> +</td> +<td> +<p> +En daarom, als ik mij niet door een ijdele hoop op de uitkomst heb +laten misleiden, heb ik grond te vermoeden, dat ik geloof heb gevonden +voor hetgeen ik mij voornam te bewijzen. Want met zekerheid is +voorgesteld geworden, dat de scheikundige wetenschap uitblinkend door de +schitterende diensten, die zij zoowel aan de verzorging van de ziel als +aan die van het lichaam bewijst, van het grootste nut en de hoogste +noodzakelijkheid voor Wijsbegeerte en Geneeskunde, daarmee door een +onverbreekbaren band samenhangt, sterk in tweeërlei opzicht namelijk, +dat deze zich van haar +<span class = "pagenum dutch">217</span> +<a name = "page217" id = "page217"> </a> +<!--png 241--> +hulp bedienen, en omgekeerd. Wat belet mij ten slotte te besluiten, +<i>dat de Scheikunde, een edele wetenschap, met recht een plaats +verdient onder de Akademische wetenschappen?</i></p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">216</span> +<a name = "page216" id = "page216"> </a> +<!--png 240--> +Vestra igitur, <span class = "smallcaps">Illustrissimi +Academiae Batavae Curatores</span>, +una cum <span class = "smallcaps">Nobilissimis Vestris Collegis, +Amplissimis Hujus Urbis Consulibus</span>, +Vestra, inquam, sapientissima est cura, quod in celeberrima +hac, cui tanta cum gravitate, et inusitata adeo vigilantia +praeestis, Academia, huic quoque disciplinae, largo firmatam pretio, +sedem statueritis, et officinam, ejus exercitio aptissimam; nec hanc +volueritis diu frigere, postquam impetrata, quam petiverat, missione +honorificentissima, inde exivit Vir, ob sociatum stupendae eruditioni +plusquam Herculeam laborum tolerantiam, eo certe provectus in +Arte, verus ut Chemiae Restaurator merito laudetur omnibus.</p> +</td> +<td> +<p> +Aan u derhalve, zeer doorluchte curatoren der Bataafsche Akademie te +zamen met uw zeer edele collega’s, de zeer aanzienlijke burgemeesters +van deze stad, aan u, zeg ik, is de zeer wijze maatregel te danken, dat +gij aan deze zeer beroemde Akademie, die gij met zooveel waardigheid en +met een gansch ongewone waakzaamheid bestuurt, ook voor deze wetenschap +een leerstoel, door een ruime toelage gesteund, hebt ingesteld en eene +werkplaats zeer geschikt om haar te beoefenen, en, dat gij niet gewild +hebt, dat deze leeg stond, nadat na het meest eervolle ontslag te hebben +verkregen, waarom hij had gevraagd, daar uit was getreden de man, die +wegens de verbinding van een verbijsterende geleerdheid met een meer dan +Herkulische werkkracht zeker zulk een hoogte in de wetenschap heeft +bereikt, dat hij terecht door allen wordt geprezen als de ware +hernieuwer der Scheikunde.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Quod autem Viro huic incomparabili, nec ambientem me, nec +promeritum subadjungere Vobis visum fuerit, Atlanti Pigmaeum; +id equidem quoties attenta mente perpendo toties immensum, quo +Vestra meritis meis praeponderat clementia, momentum attonitus +miror, veneror humillimus. Juvenem namque, alienigenam, nullo +dum ingenii dato specimine notum, tanto quod condecorare honore, +gratiosissime sitis dignati, cuinam magis rei adscribam, quam +immensae Vestrae benevolentiae et favori inaudito?</p> +</td> +<td> +<p> +Wat echter het feit betreft, dat het u behaagd heeft mij, zonder dat +ik er naar dong of het verdiende, toe te voegen aan dien +onvergelijkelijken man, een pigmee aan een Atlas, voorwaar zoo dikwijls +ik dat aandachtig overweeg, sta ik in stomme verbazing over het +kolossale gewicht, dat uw goedertierenheid meer in de schaal heeft +moeten leggen dan mijn verdiensten, en ik erken het nederig en +eerbiedig. Want dat gij u allergenadigst hebt verwaardigd een vreemden +jongeling, die nog door geen enkel bewijs van talent was bekend +geworden, met zulk een eer te begiftigen, waaraan zal ik dit wel meer +moeten toeschrijven dan aan uw oneindige welwillendheid en ongehoorde +gunst?</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Temerarius equidem videri possem, quod nulla tenuitatis meae +ratione habita, hanc amplexus sim provinciam, in qua exequenda, +post tantum Praedecessorem, ne mediocris quidem applausus spes +mihi affulget. At enim inglorius plane sit oportet, animoque nimis +abjecto, qui hinc dignitate, illinc liberalissimo excitatus honorario, +torpeat, nascentis fortunae suae incurius.</p> +</td> +<td> +<p> +Voorwaar ik zou vermetel kunnen schijnen, omdat ik zonder rekening te +houden met mijn eigen kleinheid deze taak heb aanvaard, bij het +volbrengen waarvan mij zelfs niet de hoop op een middelmatig applaus +toeschittert na zulk een voorganger. Maar toch <i>hij</i> moet wel +geheel van eerzucht zijn ontbloot en al te versaagd zijn van geest, die +aan den eenen kant door de eer, aan den anderen door een zeer mild +honorarium aangespoord, onbeweeglijk blijft zonder zich te bekommeren om +den groei van zijn fortuin.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Me sane, ut ut exiguas +probe agnoverim vires, hi tamen stimuli haud pupugere insensilem: +novum insuper admovit calcar favoris plenissima Vestra, de me +meisque studiis concepta, opinio: animum denique addidit consueta +Vobis et propria generosae mentis indoles, qua ultra, quam +<span class = "pagenum latin">218</span> +<a name = "page218" id = "page218"> </a> +<!--png 242--> +juveniles pertingunt vires, a juvene nil exigitis. His adductus +conditionibus accepi munus: his fretus illud nunc auspicor.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ik zeer zeker, hoe volkomen ik ook mijn +geringe krachten erkende, was toch niet ongevoelig voor het steken van +die prikkels. +<span class = "pagenum dutch">219</span> +<a name = "page219" id = "page219"> </a> +<!--png 243--> +Bovendien strekte mij tot een nieuwen spoorslag uw bijzonder gunstige +meening, die gij omtrent mij en mijn studiën hebt opgevat. Moed gaf mij +tenslotte uw gewone inborst eigen aan een edelaardigen geest, waardoor +gij niets verder van een jongeling verlangt, dan de jeugdige krachten +reiken. Door deze omstandigheden er toe gebracht heb ik mijn ambt +aangenomen: op deze vertrouwend aanvaard ik het nu plechtig.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Faciet insculpta animo meo sempiterna hujus Vestrae in me +munificentiae memoria, omnem ut moveam lapidem, ea ne plane +indignus videar. Industria pensabo vires, ingenium assiduitate, +labore indefesso aetatem, animo denique fulciam corpus, et quidquid +in utroque est vigoris, totum id promovendis Academiae +commodis unice sacrabo.</p> +</td> +<td> +<p> +De eeuwigdurende herinnering aan uw mildheid jegens mij zal, in mijn +geest gegrift, maken, dat ik alles in het werk zal stellen, opdat ik die +niet algeheel onwaardig schijne. Door vlijt zal ik mijn krachten +goedmaken, mijn talent door gestadige toewijding, door onvermoeiden +arbeid mijn jeugd, met mijn geest ten slotte zal ik mijn lichaam +schragen en alle kracht, die in beide is, zal ik geheel eenig en alleen +aan het bevorderen der belangen van de Akademie wijden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Sic, spero, fiet, ut beneficii, a Vobis apud me collocati, Vos +non poeniteat, nec me pudeat accepti. Quod agentem juvet bonorum +omnium scaturigo inexhausta, Deus! A quo et Vobis, +<span class = "smallcaps">Illustrissimi Academiae Proceres</span>, +perpetuam salutis omnigenae et +felicitatis intaminatae abundantiam, toto ex animo, apprecor.</p> +</td> +<td> +<p> +Zoo zal het, hoop ik, geschieden, dat het noch u berouwt mij dien +weldaad te hebben bewezen, noch ik mij schaam haar te hebben aangenomen. +Moge daarbij God helpen, de onuitputtelijke bron van al het goede. Van +Hem bid ik ook u, zeer doorluchte leidslieden der Akademie, een +bestendigen overvloed aan alle mogelijke heil en onbevlekt geluk van +ganscher harte toe.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Ad vos me converto, <span class = "smallcaps">Celeberrimi +Professores</span>! Vos alloquor, +Clarissima hujus Academiae Lumina! Miramini enim, dubio +procul, juvenem, plurimis Vestrum incognitum, nonnulis autem, +sexennio vix elapso, inter discipulos numeratum, eo procedere +temeritatis, haec ut conscendat subsellia, Vestris sacra doctissimis +vocibus, Vestris oraculis. At temeritatem ne putate, quae justa +tantum aemulatio est, studiorum commodis inservitura.</p> +</td> +<td> +<p> +Tot u wend ik mij, zeer beroemde hoogleeraren, u spreek ik toe, +schitterende lichten dezer Akademie! Gij verbaast u toch zonder twijfel, +dat een jongeling, den meesten van u onbekend, die voorts van sommigen +ternauwernood zes jaar geleden de leerling was, zulk een trap van +driestheid heeft bereikt, dat hij dezen zetel bestijgt, die aan uw zeer +geleerde stemmen is gewijd, aan uw orakelspreuken. Maar wilt niet voor +driestheid houden, wat slechts een geoorloofde wedijver is, welke den +studiebelangen ten goede zal komen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quid quisque +possit, nisi tentando, non didicit. Probabitis itaque ausum huncce +meum, meimet ipsius notitiam mihi exhibiturum, nec sane a fastu, +a quo merito sum alienissimus, sed a latente in praecordiis honestae +gloriae igniculo profectum. Juvat magnorum Virorum ad exempla +componi. Vos igitur praeeuntes, a tergo conspicabor, et, dum +nunquam dabitur assequi, saltem ex intervallo sequar.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Niemand leert kennen, wat hij +vermag, indien hij niet de proef neemt. Gij zult derhalve deze +onderneming van mij goedkeuren, die mij de kennis van mijzelf zal +verschaffen, en die waarlijk niet haar oorsprong heeft in +hooghartigheid, waar ik terecht zeer ver van verwijderd ben, maar in de +in mijn hart verborgen vlam van betamelijke roemzucht. Het is mij een +genot tegenover de voorbeelden van groote mannen geplaatst te worden. +U derhalve zal ik, zooals gij voor mij uitgaat, van achteren +aanschouwen, en, terwijl het mij nooit zal gegeven worden u in te halen, +zal ik u +<span class = "pagenum dutch">221</span> +<a name = "page221" id = "page221"> </a> +<!--png 245--> +tenminste met een tusschenruimte volgen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Quo ipso +Vestram non praepediens viam, certa tamen reperero vestigia, quae +gressus dirigent meos, nec aberrare sinent. Hujus interim beneficii +ea erit apud me vis, ut omni vos honoris et observantiae cultu, +pro ea, qua estis, dignitate, venerabundus suspiciam.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daardoor juist zal ik zonder uw +weg te versperren toch zekere voetsporen vinden, die mijn schreden +zullen leiden en zullen beletten af te dwalen. Intusschen zal die +weldaad zulk een invloed op mij behouden, dat ik u alle mogelijke eer +bewijzend en hoogachting betoonend, waarop de verdiensten, die gij hebt, +u recht geven, met eerbied tegen u zal blijven opzien.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +<span class = "pagenum latin">220</span> +<a name = "page220" id = "page220"> </a> +<!--png 244--> +Vobis praesertim, qui Philosophiae et Medicinae sacra, tanto +cum omnium applausu, panditis, +<span class = "smallcaps">Viri Famigeratissimi</span>! Vobis, +dum et publica me et privata voce formavistis, omnibus et singulis, +jubente ita pietate Praeceptoribus debita, sigulari ut reverentia totum +me in aeternum devoveam, pertinax faciet acceptorum memoria.</p> +</td> +<td> +<p> +Aan u vooral, die de heiligdommen der Wijsbegeerte en der Geneeskunde +onder zulk een algemeene toejuiching ontsluit, zeer beroemde mannen, dat +ik aan u, zoowel aan allen als aan ieder afzonderlijk, daar gij mij +zoowel door uw openbaar als door uw particulier onderricht hebt gevormd, +met bijzonderen eerbied mij geheel voor altijd wijd, zooals de +dankbaarheid den leermeesters verschuldigd dat vereischt, daarvoor zal +de voortdurende herinnering aan het ontvangene zorgen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Est hinc, cur Tibi, <span class = "smallcaps">Vir Acutissime, +Perspicacissime ’s Gravesande</span>! +publicas hic nunc persolvam grates, quod et privato me +labore inconcussis Mathematicae Tuae Philosophiae praeceptis +imbuere non sis dedignatus.</p> +</td> +<td> +<p> +Zoo komt het ook, dat ik u, zeer vernuftige en scherpzinnige +’s <span class = "smallcaps">Gravesande</span>, hier nu openlijk +den u toekomenden dank breng, omdat gij het niet beneden u hebt geacht +mij ook particulier in de vaste regels uwer wiskundige Wijsbegeerte in +te wijden.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tu quoque, <span class = "smallcaps">Anatomicorum Dexterrime, +Subtilissime Albine</span>! +Qui, pari opera, necessariam adeo fabricae humani corporis cognitionem +per aures mihi et oculos infudisti solertissime, animum Tibi +meum longe obstrictissimum nunquam non comperies.</p> +</td> +<td> +<p> +Ook gij, handigste der anatomen, zeer scherpzinnige <span class = +"smallcaps">Albinus</span>, die mij met gelijke moeite de absoluut +noodzakelijke kennis van den bouw van het menschelijk lichaam met de +grootste bekwaamheid door ooren en oogen hebt bijgebracht, steeds zult +gij bevinden, dat mijn hart u in de hoogste mate +erkentelijk is.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Te vero, <span class = "smallcaps">Celeberrime Boerhavi</span>! +Te cumprimis ni sigillatim +hic compellem, mortalium ingratissimus jure habebor: si quid enim +est in me ingenii, si qua artis Medicae peritia, si qua in Chemicis +exercitatio, Tibi ego id omne soli debeo. Tres alias frequentaveram +Tyro Academias, antequam prospera huc advectus fortuna, Tuo ab +ore pependerim.</p> +</td> +<td> +<p> +U echter, zeer beroemde <span class = +"smallcaps">Boerhaave</span>, als ik u hier niet in de eerste plaats +afzonderlijk toespreek, zal men mij terecht voor den ondankbaarsten der +stervelingen houden. Indien ik namelijk eenig talent bezit, eenige +bedrevenheid in de Geneeskunde, eenige oefening in de Scheikunde, dan +ben ik dat alles u alleen verschuldigd. Drie andere Akademies had ik als +nieuweling bezocht, voordat ik door een gelukkige lotsbestiering hier +aangekomen, aan uw lippen heb gehangen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Solam Te penes addiscere praxim animus erat, +studiisque meis Academicis imponere coronidem: sed vixdum +primis gustaveram labiis defoecatissimae Tuae doctrinae nectar, +cum summa ejus dulcedo me mox tantopere rapuit, ut quidquid +vel publicis vel privatis in lectionibus, ad quamcunque pertinens +Medicinae partem, mellifluo ab ore Tuo prodiit, haurire sategerim +avidissimus.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Ik was voornemens alleen de +praktijk bij u te leeren en mijn Akademische studiën te besluiten. Maar +nauwelijks had ik nog met den rand mijner lippen de nectar van uw +kristalhelder onderricht geproefd, of de buitengewoon lieflijke smaak +daarvan heeft mij dra zoozeer verleid, dat ik voldoende werk had om +alwat hetzij in openbare hetzij in besloten voorlezingen als honig uit +uw mond te voorschijn vloeide, op welk deel der Geneeskunde het ook +betrekking +<span class = "pagenum dutch">223</span> +<a name = "page223" id = "page223"> </a> +<!--png 247--> +had, met de grootste graagte in te drinken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Dolens nimirum vidi, fore per temporis mihi relicti +angustiam, ut ablactarer citius, quam satiatus a Te recederem. +Sive itaque vernam dici speciem, amabilissimis horti divitiis mira +<span class = "pagenum latin">222</span> +<a name = "page222" id = "page222"> </a> +<!--png 246--> +suavitate exponendis, dicares, jucundo Botanices studio discipulorum +animos tanto redditurus alacriores ad laborum magis arduorum +tolerantiam; seu inter furnos desudans, ad secretissimos Chemiae +recessus viam monstrares, certo castigatissimae methodi filo tutissimam +pariter ac facillimam;</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Tot mijn smart zag ik +namelijk dat ik wegens de kortheid van den mij nog overgebleven tijd +eerder zou gespeend worden, dan ik verzadigd van u heen zou gaan! Hetzij +gij derhalve een schoonen lentedag besteeddet aan het verklaren der +lieflijke rijkdommen van den Hortus op een bewonderenswaardig +aantrekkelijke wijze, om zoo door de aangename studie der Botanie uw +leerlingen des te meer lust in te boezemen om zich moeilijker arbeid te +getroosten, hetzij gij in het zweet uws aanschijns tusschen de fornuizen +tot de meest afgelegen schuilhoeken der Scheikunde den weg weest, die +door den zekeren leiddraad van uw zoo eenvoudige methode even veilig als +gemakkelijk was;</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +seu exacta ad normam Mathematicam +stabilires Theoriae Medicae fundamenta, quibus mox inaedificares +immota Praxeos dogmata, medendi methodum felicissimum; Te +ego secutus undique, illam potissimum diei partem optime a me +collocatam credidi, quam Tibi consecraveram. Totum ergo Tuum +est, si quid isthac mea industria profeci: Tu ejus omnem fructum, +jure Tuo, a me repetis: quod dum gratus agnosco, poterat id +solum Tibi me mille modis in aeternum devincire.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +hetzij gij de grondslagen der theorie der Geneeskunde +volgens den wiskundigen regel vaststeldet om weldra de onomstootelijke +dogma’s der praktijk, de meest vruchtbare geneesmethode daarop te +bouwen, u volgde ik overal en meende, dat vooral dat deel van den dag +het best door mij was besteed, dat ik aan u had gewijd. Het is derhalve +geheel uw verdienste, indien ik met dien ijver van mij iets heb tot +stand gebracht. Gij moogt op alle vruchten daarvan met volle recht +aanspraak maken en, daar ik dit dankbaar erken, zou dit alleen mij reeds +op duizenderlei wijze voor eeuwig aan u hebben kunnen verplichten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Tu vero, <span class = "smallcaps">Vir Maxime</span>! +cujus immensa eruditione non minor +est singularis humanitas, hocce beneficium majore alio cumulasti: +dum eo quoque tempore, quo post exactum vitae Academicae +curriculum vel exteras visurus regiones, peregre profectus eram; +vel praxeos exercendae gratia, in aliis hujus Belgii urbibus morabar; +quoties aut literis, aut praesenti Te colloquio solicitavi audax, +miro semper favore mihi vacare, et saluberrima suppeditare consilia +non es dedignatus.</p> +</td> +<td> +<p> +Maar gij, o groote man, van wien de bijzondere minzaamheid de +onmetelijke geleerdheid evenaart, hebt op dien weldaad nog een anderen +grooteren laten volgen, daar gij ook in dien tijd, dat ik, na mijn +Akademischen loopbaan volbracht te hebben, hetzij naar het buitenland +was vertrokken om vreemde landen te bezoeken, hetzij tot het uitoefenen +der praktijk in andere steden hier in de Nederlanden vertoefde, het niet +beneden uw waardigheid hebt geacht, zoo dikwijls als ik zoo vermetel was +hetzij per brief hetzij persoonlijk in een onderhoud uw hulp in te +roepen, steeds met een verbazende goedgunstigheid u ter mijner +beschikking te stellen en mij de heilzaamste raadgevingen te +schenken.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Imo ne hic quidem substitit summa Tua in me benevolentia: +nam Tibi etiam debeo, quo nunc impertior, laboris mei praemium. +Tu, quod benignum adeo apud Proceres de me judicium tuleris, +effecisti, ut huic admotus muneri, hoc sim honore ornatus.</p> +</td> +<td> +<p> +Ja zelfs daar bleef uw overgroote welwillendheid jegens mij niet +staan. Want aan u ben ik ook de belooning van mijn moeite verschuldigd, +die thans mijn deel wordt. Gij hebt bewerkt, doordat gij zulk een +welwillend oordeel tegenover de leidslieden over mij hebt geveld, dat ik +tot dit ambt ben geroepen, die eervolle onderscheiding heb genoten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Dum +igitur pluribus Tibi obstringor nominibus, quam quibus unquam +dissolvendis ulla me aetas parem faciet, accipe gratissimam horumce +<span class = "pagenum latin">224</span> +<a name = "page224" id = "page224"> </a> +<!--png 248--> +agnitionem, et sempiternum, quam publice hic nunc tanquam in +tabella suspendo, memoriam in qualiscunque locum Charisterii; et +certus crede, omnibus me nervis eo adnisurum, Tibi ut monstrem, +quam procul absim ab ingrati animi crimine! Plura adjicere Tua +vetat modestia, meusque pudor.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Daar +ik dus te veel verplichting jegens u +<span class = "pagenum dutch">225</span> +<a name = "page225" id = "page225"> </a> +<!--png 249--> +heb, dan dat ooit eenige tijd het mij mogelijk zal maken mij er van te +kwijten, aanvaard daarom de erkenning daarvan, getuigend van de diepste +dankbaarheid, en de onvergankelijke herinnering daaraan, die ik hier nu +openlijk als in een gedenktafel gegrift ophang, in plaats van elk +dankoffer, en wees ervan overtuigd, dat ik met al mijn krachten mij +hiertoe zal inspannen, dat ik u toone hoever ik de beschuldiging van +ondankbaarheid van mij kan werpen. Meer hieraan toe te voegen verbiedt +mij uw bescheidenheid en mijn schaamtegevoel.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Antequam tamen Te dimittam, jubet nota mihi mearum tenuitas +virium, et operis, quod suscipio, difficultas, Te ut enixe obtester, +velis eodem, quo me huic admovisti, favore, id aggressurum sublevare, +et Tuis, quoties imploravero, sapientissimis mihi consiliis +adesse. Tibi, at quanto Viro! succedo:</p> +</td> +<td> +<p> +Voordat ik echter u verlaat, noopt mij de mij bekende zwakheid mijner +krachten en de moeilijkheid van het werk, dat ik op mij neem, dat ik u +dringend bezweer, dat gij met dezelfde gunst, waarmee gij mij tot dit +werk hebt geroepen, mij wilt steunen, nu ik op het punt sta het te +aanvaarden en, zoo dikwijls als ik er u om bid, met uw wijze +raadgevingen mij ter zijde staan. U en welk een man, volg ik +op.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Tu viae, quam toties trivisti, +peritissimus, nisi praeiveris, omnem despondeo animum: manu +igitur me prehende juvenem, haud aequis passibus Te secuturum; +dumque, quo Tua Te divino ingenio sociata decumana industria +provexit in arte, eo eniti insanientis est, id saltem fac ut laudis +consequar, Tuis quod vestigiis reptabundus quidem, at non indecorus +tamen, inhaeream.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Als gij met uw groote ervaring omtrent den weg, dien gij zoo vele malen +hebt afgelegd, mij niet voorgaat, laat ik allen moed zinken. Vat mij, +jongen man, dus bij de hand, hoewel ik u niet met gelijke schreden zal +kunnen volgen en wil maken, dat, terwijl het krankzinnig zou zijn te +trachten die hoogte te bereiken, waartoe u uw geweldige ijver gepaard +aan een goddelijk talent in de wetenschap heeft gebracht, ik tenminste +die lof mij verwerf, dat ik uw voetstappen blijf drukken, wel is waar +kruipend vorderend maar toch niet geheel roemloos.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p> +Vos denique, <span class = "smallcaps">Praestantissimi +Juvenes</span>! Vos, sacrata Philosophiae +et Medicinae Pectora, alloquor! Vestris enim usibus totam +se dedicat Chemia; vestris arctissime copulata studiis haeret. Si +quo igitur ejus amore capti, doluistis, aliquo illam tempore siluisse, +erigite nunc animos! Patet rursum officina: ardebunt furni: accedite, +et mecum ad hos desudate!</p> +</td> +<td> +<p> +U, tenslotte, voortreffelijke jongelieden, u, die u met hart en ziel +aan de Wijsbegeerte en Geneeskunde wijdt, spreek ik toe. Immers de +Scheikunde stelt zich geheel en al in dienst van uw belangen, met uw +studiën is zij ten nauwste saamgekoppeld en onafscheidelijk verbonden. +Indien gij dus soms in liefde voor haar ontstoken, het betreurd hebt, +dat zij eenigen tijd gezwegen heeft, weest dan nu weder goedsmoeds. +Wederom is de werkplaats geopend, de fornuizen zullen branden: komt, en +werkt daarbij met mij samen in het zweet uws aanschijns.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Suprahumano labore, sedulitate indefessa, +sexcentis periculis, viam ante difficillimam expedivit Chemicorum +Summus <span class = "smallcaps">Boerhavius</span>, +et, quo ipse usus est filo probatissimo, +idem bona nobis fide porrigit: hujus ergo tenaces, Illum +<span class = "pagenum latin">226</span> +<a name = "page226" id = "page226"> </a> +<!--png 250--> +sequamur ducem, tuti et felices in artis adyta <ins class = "correction" +title = "text: ‘penetraruri’">penetraturi</ins>.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Door +bovenmenschelijken arbeid, door onvermoeide werkzaamheid, onder duizend +gevaren heeft <span class = "smallcaps">Boerhaave</span>, de opperste +der scheikundigen, den vroeger zoo moeilijken weg begaanbaar gemaakt en +diezelfde beproefde methode, waarvan hij zichzelf bediend heeft, geeft +hij naar zijn beste weten ons in handen. Laten wij dus daaraan +vasthoudend hem als leidsman volgen om zoo in veiligheid en met succes +in de heiligdommen der wetenschap binnen +<span class = "pagenum dutch">227</span> +<a name = "page227" id = "page227"> </a> +<!--png 251--> +te dringen.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<p class = "nospace"> +Vobis +ego me offero comitem, et, si placet, adhortatorem. Si quid in me +est virium, officii, aut consilii, utamini eo pro lubitu; Vobis id +omne dico: Vestris enim prodesse studiis, ea demum est votorum +mihi summa, is laborum finis erit unicus.</p> +</td> +<td> +<p class = "nospace"> +Aan u bied ik mijzelf als begeleider aan en, indien gij dat +wilt, als raadgever. Indien ik over eenige krachten, dienstvaardigheid +of verstand kan beschikken, gebruikt die dan, zooals gij verkiest. Aan u +wijd ik dit alles toe. Want uw studiën te bevorderen, dat is vooral het +toppunt mijner wenschen, dat is het eenige doel mijner moeiten.</p> +</td> +</tr> + +<tr> +<td> +<h4>DIXI.</h4> +</td> +<td> +<h4>IK HEB GEZEGD.</h4> +</td> +</tr> +</table> + +<hr class = "mid"> + +<h4>Voetnoten</h4> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_1" id = "note5_1" href = +"#tag5_1">1.</a> +God der welsprekendheid. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_2" id = "note5_2" href = +"#tag5_2">2.</a> +M. Tullius Cicero. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_3" id = "note5_3" href = +"#tag5_3">3.</a> +Als afleiding wordt opgegeven: <span title = "spân">σπᾶν</span> = +(uit elkaar) trekken en <span title = "ageirein">ἀγείρειν</span> += vereenigen, verzamelen. De wetenschap, die scheidt en vereenigt, zou +dus bedoeld worden. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_4" id = "note5_4" href = +"#tag5_4">4.</a> +Mogelijk heeft hier de redenaar Horatius, Carmina III, 2, 17 volgg. op +het oog. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_5" id = "note5_5" href = +"#tag5_5">5.</a> +„Inter Pyracmonas.“ „Pyracmon“ is in de mythologie naam van een Cycloop +werkzaam in de smidse van Vulcanus, samengesteld uit <span title = +"pur">πῦρ</span> = vuur en <span title = +"akmôn">ἄκμων</span> = aanbeeld. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_6" id = "note5_6" href = +"#tag5_6">6.</a> +Keizer Rudolf II van Duitschland, die ±1600 regeerde, stelde zulk een +belang in de alchemie, dat hij er zijn regeeringsplichten voor +verwaarloosde. Hem werd de naam van den tweeden Hermes Trismegistus +gegeven. Heeft nu Gaubius, die niet sterk is in orthographie, hem soms +met Eremita bedoeld? (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_7" id = "note5_7" href = +"#tag5_7">7.</a> +Hier schijnt de redenaar in de eerste plaats Heraclitus van Ephesus ±500 +v. Chr op het oog te hebben. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_8" id = "note5_8" href = +"#tag5_8">8.</a> +<span class = "smallcaps">Terentius</span>’ Eunuchus I. 2. v. 23 en 24. +(Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_9" id = "note5_9" href = +"#tag5_9">9.</a> +„more andabatarum“. Andabatae, gladiatoren die streden in een helm +zonder kijkgaten. (Vertaler.)</p> + +<p class = "footnote"><a name = "note5_10" id = "note5_10" href = +"#tag5_10">10.</a> +Dit wordt van Ixion verteld, die Juno met zijn liefde vervolgde en tot +zijn straf in de onderwereld op een altijd draaiend rad werd gebonden. +(Vertaler.)</p> + + +<hr class = "chapter"> + + +<span class = "pagenum">228</span> +<a name = "page228" id = "page228"> </a> +<!--png 252--> + + +<!--png 253--> + +<!--png 254--> +<p class = "illustration"> +<img src = "images/donders.jpg" width = "304" height = "456" +alt = "F. C. Donders" title = "F. C. Donders"> +</p> + + +<span class = "pagenum">229</span> +<a name = "page229" id = "page229"> </a> +<!--png 255--> + +<h3 class = "section">DE HARMONIE</h3> + +<h6>VAN HET</h6> + +<h1 class = "smallcaps boldf">Dierlijke Leven</h1> + +<h5>DE OPENBARING VAN WETTEN.</h5> + +<hr class = "tiny"> + +<h5>INWIJDINGSREDE, BIJ HET AANVAARDEN VAN HET<br> +HOOGLEERAARSAMBT AAN DE UTRECHTSCHE<br> +HOOGESCHOOL</h5> + +<h6>DOOR</h6> + +<h3 class = "smallcaps">D<sup>r</sup>. F. C. DONDERS.</h3> + +<h5>UITGESPROKEN 28 JANUARIJ 1848.</h5> + +<span class = "pagenum">230</span> +<a name = "page230" id = "page230"> </a> +<!--png 256--> + +<hr class = "mid section"> + +<span class = "pagenum">231</span> +<a name = "page231" id = "page231"> </a> +<!--png 257--> + +<h4 class = "section">VOORBERICHT.</h4> + +<hr class = "tiny"> + +<p>Wij lezen bij den voortreffelijken <span class = +"smallcaps">Henle</span>, dat, in de physiologie en vooral in de +pathologie van het dierlijke leven, de teleologische beschouwingswijze +(vragende naar het doel der verschijnselen) zich nog bijna overal +krachtig doet gelden—en wie geen vreemdeling is in deze +wetenschappen, staat gereed, die uitspraak te beamen.</p> + +<p>Immers niet enkel worden de verschijnselen hier met het praedicaat +van <i>doelmatig</i> bestempeld: teleologische betoogen ook vindt men +als bewijsgronden in het midden gebragt en erkend, ja! in plaats van de +<i>op te sporen oorzaak</i>, wordt het <i>onderstelde doel</i> tot +„<i>verklaring</i>“ der verschijnselen ingeroepen. Of ziet men niet, +zelfs door sommige Coryphaeën in de wetenschap, eene teleologische +levenskracht, eene heelkracht der natuur, aan duizenden, <i>van de meest +verschillende oorsaken afhankelijke</i>, verschijnselen <i>ten gronde +gelegd?</i></p> + +<p>Reeds vroeger (Gids 1846, bl. 893 e. v.) heb ik de teleologische +beschouwingswijze—als ontbloot van absoluten grond, en hierom +willekeurig en onwetenschappelijk—met een enkel woord bestreden. +Het onderwerp evenwel scheen mij gewigtig genoeg voor eene meer +uitvoerige behandeling, en, om deszelfs algemeene strekking, tevens +bijzonder geschikt voor eene openlijke rede.</p> + +<p>Ik stelde mij hierom voor, hetzelve, bij gelegenheid der aanvaarding +van het hoogleeraarsambt, nader te behandelen,—en vooreerst te +betoogen, dat, wanneer wij het doel in de verschijnselen der natuur ook +geenszins loochenen, eene <i>leer</i> van het doel nimmer +<i>wetenschap</i> worden kan, en derhalve op het natuurkundig gebied +niet mag worden geduld;—ten anderen te doen zien, dat—waar, +bij de prachtvolle en ingewikkelde harmonie van het dierlijke leven, de, +als ware het, aangeboren neiging van den mensch tot anthropomorphismus +het <i>doel</i> als de <i>oorzaak</i> ons wil opdringen—het +opsporen der wetten van wording, naar de oorzakelijke methode, niettemin +mogelijk blijft;—en eindelijk had ik willen aantoonen, hoe, schier +in elke wetenschap der natuur, dwalingen en bekrompene beschouwingen uit +de teleologische zienswijze zijn ontsproten, die ook thans nog, +inzonderheid op het gebied der physiologie—bij name die van het +ziekelijke leven, de verdere ontwikkeling belemmeren, en met het stellig +karakter van wetenschap geenszins strooken.</p> + +<p>Voor dit laatste gedeelte echter, waaruit het duidelijkst de +noodzakelijkheid zou zijn voortgevloeid, om de teleologie van het +natuurkundig terrein te weren, ontbrak mij ditmaal de tijd. Elders hoop +ik dien later te vinden.</p> + +<p>Mogen ook zij, wier meeningen en begrippen van de hier voorgedragene +afwijken, deze bladeren zonder vooroordeel ter hand nemen, en verder ook +niemand al te ligtvaardig het vonnis er over uitspreken!</p> + +<p class = "inset2">DE SCHRIJVER.</p> + +<br> + +<span class = "pagenum">232</span> +<a name = "page232" id = "page232"> </a> +<!--png 258--> + +<p class = "section hanging inset">Edelgrootachtbare heeren +curatoren der Utrechtsche Hoogeschool!</p> + +<p class = "hanging inset">Weledelgestrenge heer secretaris van +het collegie der curatoren!</p> + +<p class = "hanging inset">Hooggeleerde heeren, waarde +ambtgenooten! en weledele zeer geleerde heeren lectoren!</p> + +<p class = "hanging inset">Die met het bestuur van dit gewest of +deze stad of met de handhaving des regts zijt belast, mannen reeds door +stand en werkkring eerwaardig!</p> + +<p class = "hanging inset">Weleerwaarde heeren, bedienaars van de +Godsdienst!</p> + +<p class = "hanging inset">Weledele zeer geleerde heeren doctoren +der verschillende faculteiten!</p> + +<p class = "hanging inset">Aanzienlijke schaar van jongelingen, +die u aan de beoefening der wetenschappen toewijdt!</p> + +<p class = "hanging inset">En voorts gij allen, die ons met uwe +tegenwoordigheid vereert, zeer gewenschte toehoorders!</p> + +<hr class = "mid section"> + +<span class = "pagenum">233</span> +<a name = "page233" id = "page233"> </a> +<!--png 259--> + +<p> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/w_top.png" +width = "195" height = "125" alt = "W: Werwaarts" +title = "W: Werwaarts"></span> +<span class = "pictop"><img src = "images/dropcaps/cap_middle.png" +width = "115" height = "46" alt = ""></span> +<span class = "picbottom"><img src = "images/dropcaps/cap_bottom.png" +width = "29" height = "186" alt = ""></span> +<span class = "hidden">W</span>erwaarts wij in de natuur onze oogen +rigten, alom erkennen wijverband, schier overal orde en harmonie. Elk +punt op het uitgestrekte veld is een deel van het groote organismus, een +schakel der onafzienbare keten, die noch begin noch einde kent, en in +wezen ondeelbaar is.</p> + +<p>Zóó innig is de band, die al ’t bestaande zamenvlecht!</p> + +<p>Bewegen wij ons in de onmetelijke ruimte, waarin de verbeelding +schier weigert onze woorden te volgen, daar treedt ons, tusschen +duizenden van hemelbollen, het zonnestelsel als een geheel van orde en +majesteit te gemoet, dat ons dwingt tot eerbiedige bewondering. Niet +alleen zien wij de planeten door de zon, als door een hoogere magt, aan +hare banen geketend; maar tevens weten wij, dat ook elke stoornis, van +den wederkeerigen invloed der planeten afhankelijk, vereffend wordt, +vóór zij de bestaande orde zou kunnen bedreigen.</p> + +<p>De aarde, met hare duizenden van voortbrengselen, is volmaakt +geëvenredigd aan de schitterende vorstin van het stelsel. Haar afstand +van de zon beantwoordt aan de vereischte warmte voor eene krachtige +ontwikkeling van planten en dieren, aan het vereischte licht, om de +Natuur in haren vollen luister ten toon te spreiden, zonder door te +hellen gloed onze oogen te verblinden.</p> + +<p>De dampkring, die onze planeet omhult, vindt tot bodem <i>hier</i> +den vasten grond, welks bergtoppen zich als ondiepten verheffen in die +zee van lucht, <i>daar</i> den wijden oceaan, die de diepten der +aardkorst vereffent; en elk dier elementen brengt al de voorwaarden mede +voor de ontwikkeling en het leven van het heir van voorwerpen, die ze +bewonen.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">234</span> +<a name = "page234" id = "page234"> </a> +<!--png 260--> +Voortdurend stijgt het water van de oppervlakte der zee in den dampkring +op, en valt ginds, als vruchtbare regen, op den dorstenden grond. Dit +water behoeven de planten. Maar zij putten ook uit denzelfden bodem de +onbewerktuigde stoffen, niet regtstreeks door den regen +aangevoerd;—en van de hooge bergen stort zich het water, rijk +beladen met de bestanddeelen der verweerde rotsen, naar beneden, en +drenkt hiermede het land, waardoor het kronkelend naar den oceaan +terugvloeit.</p> + +<p>Zoo is er zamenhang tusschen alle verschijnselen der natuur; zoo +wordt ten slotte alles dienstbaar aan de ontwikkeling van leven.</p> + +<p>Nergens evenwel is het verband treffender dan tusschen de beide +rijken der levende natuur. Vereenigd door de dampkringslucht, waaruit +beide putten en die in beide haar voedsel vindt, voorzien zij +wederkeerig in elkanders behoeften. De dieren ontwikkelen het +koolstofzuur, dat de planten als voedsel aan den dampkring ontleenen; de +planten staan in de zuurstof de levenslucht af voor het dier,—en +zóó is voor beide de dampkring een eeuwige, onuitputtelijke bron.</p> + +<p>Nimmer is hij in rust. Van de oppervlakte der aarde, waar de lucht +aan gestadige wisseling van bestanddeelen onderworpen is, stijgt zij +naar boven, om op hetzelfde oogenblik te worden aangevuld; en door +onophoudelijke stroomen wordt hare zamenstelling alom gelijkmatig +bewaard, beantwoordt alom aan de voorwaarden tot leven en ontwikkeling +van planten en dieren.</p> + +<p>Het is de taak van den natuuronderzoeker, de betrekking tusschen al +de verschijnselen der natuur op te sporen. Die taak is even schoon als +verheffend. In de harmonie, die hem des te levendiger in de oogen +schittert, hoe ruimer en meer omvattend zijn blik wordt, verschijnt hem +de natuur als een volmaakt geëvenredigd, organisch geheel. Het genot, +uit hare aanschouwing geboren, is een krachtige prikkel voor zijnen +navorschenden geest. Steeds door harmonische indrukken opgewekt, en in +zijne werking geleid en bepaald, wordt die geest zelf meer en meer aan +harmonie deelachtig. Zóó ontwikkelt natuurbeschouwing bij hem een waar +gevoel voor het schoone en goede. Zóó kan zij de grondslag worden eener +verheven wijsgeerige moraal.</p> + +<p>En toch—de kennis dier harmonie is niet het rustpunt van zijn +streven. Hij wil indringen in hare oorzaken, opklimmen tot haren +<span class = "pagenum">235</span> +<a name = "page235" id = "page235"> </a> +<!--png 261--> +grond. Hij voelt zich gedrongen, te vragen naar de wetten, die aan de +ontwikkeling der harmonie ten gronde liggen, en wil ze in die wetten +erkennen als noodzakelijk. De eeuwig onveranderlijke eigenschappen der +grondstoffen en der grondkrachten op te sporen, en aan te wijzen, hoe +elk natuurverschijnsel uit deze eigenschappen noodwendig voortvloeit, +zietdaar het ideaal van zijn streven, het toppunt zijner kennis!</p> + +<p>Wij weten, dat dit ideaal geenszins bereikt is; maar wij weten +evenzeer, dat er belangrijke schreden op den weg tot verwezenlijking +gedaan zijn.</p> + +<p>De sterrekundige toont aan, dat de wetten van traagheid en +aantrekking, die slechts de uitdrukking zijn van de onveranderlijke +eigenschappen der stof, de hemelbollen aan hunne banen kluisteren; en +uit de betrekking tusschen de loopbanen en de omloopstijden der +onderscheidene planeten leert de wiskunde hem onfeilbaar besluiten, dat +elke stoornis zich noodwendig moet vereffenen, dat de orde van het +zonnestelsel tot in de verste tijden onomstootelijk +verzekerd is.</p> + +<p>De natuurkundige kent de oorzaken van het opstijgen der waterdampen, +van het condenseren dier dampen in den atmosfeer: en in het neerstorten +van den regen, zoo wel als in de kracht, waarmede het zeewaarts +stroomende water zijne voren in de aarde groeft, ziet hij het noodwendig +uitvloeisel van dezelfde eigenschap der stof, die de banen der +hemelbollen bepaalt. Het verweren der rotsen, het doordringen van hare +bestanddeelen tot aan de wortels der planten, dit alles is in vaste +natuurwetten als noodwendig aangetoond.</p> + +<p>De meteoroloog geeft rekenschap van het opstijgen der lucht, en kent +de oorzaken der stroomen, die de zamenstelling des dampkrings alom +gelijkmatig bewaren,—ja! ’t geheele zoo wisselvallig spel der +elementen is door hem teruggebragt tot ééne hoogste oorzaak: ongelijke +verdeeling van warmte.</p> + +<p>Eindelijk de geoloog, die de gesteldheid der aardkorst onderzoekt, +komt op onwankelbare gronden tot het besluit, dat de aarde, vóór +onafzienbare tijden, als eene gloeijende zee door het wereldruim +zweefde; en, steunende op wetten, die weder niets anders zijn, dan de +eeuwige eigenschappen der stoffen en krachten, erkent hij, dat zij +noodwendig al de gedaanteverwisselingen moest doorloopen, +<span class = "pagenum">236</span> +<a name = "page236" id = "page236"> </a> +<!--png 262--> +waarvan de huidige toestand harer korst, als een onfeilbaar +geschiedboek, getuigt.—Kortom! de wetenschap leert, dat de geheele +stoffelijke wereld door den ijzeren schepter der noodwendigheid +beheerscht wordt!</p> + +<p>Niet overal echter is deze waarheid even diep en krachtig +doorgedrongen. Niet overal is de behoefte even levendig ontwaakt, om tot +den grond op te klimmen der erkende harmonie. In de bewerktuigde wereld +treedt zij, bij eene onuitputtelijke verscheidenheid, zoo rijk, zoo +ingewikkeld, zoo schoon en boeijend op, dat men wel niet zoo gemakkelijk +van haar kon afscheid nemen. De geest, verrukt door schoonheid en genot, +duizelde bij het denkbeeld, om tot de oorzaken op te klimmen, waardoor +zooveel harmonie tot stand kwam. Zoo gaf hier de volheid harer pracht +voedsel aan eene beschouwingswijze, die overal elders reeds lang voor +eene juistere had moeten onderdoen.</p> + +<p>Buiten de levende natuur toch erkent men, zoo als ik u aantoonde, +niets dan wetten, niets dan noodzakelijkheid. Zoo legt de geoloog, om, +bij de geschiedenis der Aarde van de verschijnselen tot de werkende +oorzaken op te klimmen, de overtuiging ten gronde, dat van al de +opvolgende veranderingen der aarde de voorwaarden reeds aan de vroegste +perioden van haar bestaan verbonden waren;—en hoe meer zijn +onderzoek zich uitbreidt, des te minder wordt die overtuiging beschaamd. +Wil hij de verschillende lagen der vaste aardkorst, de verdeeling van +water en vast land over hare oppervlakte, de afwisseling van bergen en +dalen, de rivieren en bronnen, en zoo vele andere verschijnselen, (voor +zoo verre de levende natuur vreemd aan derzelver ontstaan is,) in hunne +wording toelichten, hij beroept zich slechts op wetten, hem door de +sterrekunde, de natuur- en scheikunde aan de hand gedaan, en ziet +hieruit al die verschijnselen met noodzakelijkheid geboren worden.</p> + +<p>Planten en dieren daarentegen beschouwt men veelal niet als geworden, +maar als gevormd; niet als eene ontwikkeling der natuur naar bepaalde +wetten, maar als de voortbrengselen eener nieuwe schepping; niet als de +verwerkelijking van hetgeen in de eigenschappen der grondstoffen en +grondkrachten reeds besloten lag, maar als naar een wel beraamd plan, in +harmonie met de overige natuur, eerst later door eene hoogste Wijsheid +tot stand gebragt.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">237</span> +<a name = "page237" id = "page237"> </a> +<!--png 263--> +Dit anthropomorphismus leidde tot eene vergelijking van planten en +dieren met de kunstigste voortbrengselen van ’s menschen hand: de deelen +heeft men hierom werktuigen, de verschijnselen verrigtingen en het +geheel een organismus genoemd. Men vroeg niet: waardoor kwamen zij tot +stand? maar bepaalde zich bij elk werktuig tot de vraag: waartoe dient +het? waartoe is het bestemd? En even als in een werktuig, door +menschelijk vernuft tot stand gebragt, waande men den grond, de oorzaak +van het bestaan, te kennen, waar men dacht, de bestemming of het doel te +hebben geraden. Zoo antwoordde men op de vraag: <i>waartoe</i>? en zag +hierbij over het hoofd, dat het <i>waardoor</i>? onbeantwoord bleef. Gij +ziet het: men plaatste zich op een teleologisch standpunt.</p> + +<p>Ik laat aan de wijsbegeerte de beslissing over, of men het regt +heeft, in de natuur van een doel te spreken: maar ik wilde u hier reeds +doen opmerken, dat men in de wetenschap van het leven afgeweken is van +den weg, die in de overige natuur-wetenschappen zoo veel dieper in den +oorzakelijken zamenhang der verschijnselen liet doordringen. En toch +schijnt die weg mij ook hier de éénige, die tot hoogere waarheid leidt. +Indien de harmonie van het dierlijk organismus, die aan het besluit tot +een doel ten gronde ligt, volgens bepaalde wetten tot stand komt, dan is +zij de openbaring dier wetten. Dan wil men die wetten vaststellen en op +deze de noodzakelijkheid der harmonie gronden, in plaats van zich met +een nooit bewijsbaar doel als grond te vergenoegen. Eene poging hiertoe +is het doel mijner rede. Ik zal trachten de noodwendigheid der harmonie +van het dierlijk leven uit de wetten aan te toonen, krachtens welke die +harmonie tot stand komt.</p> + +<p class = "space"> +Wanneer ik de harmonie in de geheele bewerktuigde wereld even noodwendig +acht, als de orde in den sterrenhemel, dan spreek ik hiermede geenszins +het vonnis uit over den natuurvorscher, die, zonder naar den grond te +vragen, zich bloot de kennis dier harmonische betrekking ten doel stelt. +Integendeel,—ik heb het reeds gezegd,—ik acht die kennis +hoog. Zij ook alleen kan ons opvoeren tot de oorzaken, die der harmonie +ten gronde liggen. Maar wanneer men uit de harmonische betrekking +besluit tot een doel, en, in den waan van hiermede den grond gevonden te +hebben, het doel tot verklaring der verschijnselen inroept, of zelfs de +<span class = "pagenum">238</span> +<a name = "page238" id = "page238"> </a> +<!--png 264--> +mogelijkheid der verschijnselen aan het doel ten toets brengt, dan meen +ik die rigting ernstig te moeten wraken. Zij sluit het onderzoek uit +naar den grond, en wiegt het zoo noodige bewustzijn onzer onkunde met +schijnkennis in slaap.</p> + +<p>Het teleologisch standpunt blijft daarenboven altijd een +betrekkelijk. Men denke zich ’t heelal door eene alwijze Almagt met een +bepaald doel tot stand gebragt: wie is vermetel genoeg, zich op het +standpunt van God te plaatsen? En welk standpunt zullen wij dàn +kiezen?—Het dier, dat zijn’ vijand ten prooi valt, moge in diens +oog aan zijne bestemming beantwoorden, in zijn eigen oog valt het als +slagtoffer van het noodlot. Maar gij wilt u plaatsen op het standpunt +van mensch:—Welnu! wanneer gij, als mensch, duizenden +verschijnselen in de natuur doelmatig roemt, wees dan consequent, en +noem ondoelmatig, wat niet met uwe menschelijke inzigten strookt. Hebt +gij u het regt aangematigd, naar uwe inzigten over doelmatigheid te +oordeelen, dan hebt gij het regt verbeurd, u op de ondoorgrondelijke +wegen der Voorzienigheid te beroepen, waar gij het doel in uwe oogen +miskend ziet. En wie zal het wagen, waar jeugdige en veel belovende +kracht onder het geweld eener moorddadige ziekte bezwijkt, waar door +geweldige aardbevingen in eene enkele minuut duizenden van +menschenlevens vernietigd worden, waar in den mislukten oogst millioenen +onzer natuurgenooten eene toekomst lezen van honger en +ellende,—wie, vraag ik, zal het wagen, bij dergelijke +verschijnselen, een doel te willen raden?—Gij vraagt hier naar den +grond. Gij wilt de oorzaken dier verschijnselen kennen, welke gij rampen +noemt. Welnu! verlaat dan ook het teleologische standpunt, en tracht +niet tot het doel, maar tot den grond door te dringen, waar gij in de +verschijnselen orde erkent en harmonie: want gene als deze zijn +verschijnselen derzelfde natuur; en die u welgevallig zijn, zij berusten +op geene andere wetten, dan die gezondheid en leven u bedreigen.</p> + +<p class = "space"> +Wanneer ik eene poging waag, om de wetten vast te stellen, waarnaar de +harmonie van het dierlijk organismus zich ontwikkelt en handhaaft, dan +verwacht gij geenszins in deze wetten verwezenlijkt te vinden, wat ik u +als het ideaal van ons streven voorstelde. Dit is nog slechts in eene +enkele der natuur-wetenschappen bereikt: +<span class = "pagenum">239</span> +<a name = "page239" id = "page239"> </a> +<!--png 265--> +in de sterrekunde, die,—hoeveel haar descriptief gedeelte nog te +wenschen overlate,—zoo wel van hare scherpte in waarneming als +volmaaktheid in theorie de schitterendste bewijzen gaf. Maar toch ook +deze wetenschap leerde de verschijnselen van haar gebied tot wetten +terugbrengen, vóór zij den grond dier wetten in de eigenschappen der +stof doorzag. Het wetboek was door <span class = +"smallcaps">Kepler</span> geschreven, vóór het genie van <span class = +"smallcaps">Newton</span> deszelfs geest verklaarde. Door <span class = +"smallcaps">Kepler</span> waren de banen en omloopstijden der planeten +aan wetten gebonden, vóór <span class = "smallcaps">Newton</span> de +noodzakelijkheid dier wetten grondde in ééne hoogste wet, en hiermeê; +tevens den sleutel gaf van hetgeen de waarneming afwijkends van de +wetten van <span class = "smallcaps">Kepler</span> had aangetoond of +verder zou aantoonen.</p> + +<p>Dit nu is de weg voor elke andere wetenschap der natuur. Door het +opklimmen tot hoogere en hoogere wetten naderen wij den eindpaal, +waarnaar wij streven. Slechts trapsgewijze is hij te bereiken. Het is +waar, wanneer wij de wetten kunnen vaststellen, naar welke de harmonie +van het dierlijk leven zich ontwikkelt, dan mag die harmonie nog +geenszins verklaard heeten: eene verklaring, die iets anders zijn zou +dan eene hoogste wet, dat is eene standvastige eigenschap van stof of +kracht, kan noch mag ons geheel bevredigen. Maar wanneer men, op grond +hiervan, met eenig regt zou kunnen beweren, dat door het vaststellen van +wetten eener lagere orde de zwarigheid slechts verplaatst en niet wordt +opgeheven, dan vergete men niet, dat het eene verplaatsing is nader bij +het doel, en dat elke sport van den langen ladder even +onvermijdelijk is.</p> + +<p class = "space"> +Vóór wij de wetten toetsen, die aan de harmonie van het dierlijk leven +ten gronde liggen, moeten wij een’ blik werpen op die harmonie zelve. +Reeds terstond springt ons in het oog, dat zij eene tweeledige is. Zij +openbaart zich eensdeels in de betrekking van het organismus tot de +invloeden, waaraan het is blootgesteld, anderdeels in zijne betrekking +tot de levensbehoeften, naauw verbonden met die zijner zamenstellende +deelen tot elkander. In beide opzigten streeft zij onophoudelijk eene +hoogere volmaking te gemoet.</p> + +<p>Beschouwen wij eerst de betrekking van het organismus tot sommige +invloeden.</p> + +<p>De geheele aarde, hoe verschillend de temperatuur zij van hare +<span class = "pagenum">240</span> +<a name = "page240" id = "page240"> </a> +<!--png 266--> +oppervlakte, is met dierlijke wezens bevolkt. Van de tropische gewesten +af, waar, onder de brandende zon in het zenith, de temperatuur der lucht +zelfs de bloedwarmte kan overtreffen, tot in de oorden van eeuwig sneeuw +en ijs, overal treedt dierlijk leven ons tegemoet. Maar onder elk +klimaat, onder elke temperatuur zijn het andere geslachten, andere +soorten; en zoowel de rijke en prachtige Fauna der keerkringsgewesten, +als de ijsbeer en het rendier van het Noorden, eischen voor gezondheid +en leven juist die temperatuur, waaraan zij zijn blootgesteld. Waar dan +ook geene werktuigelijke hinderpalen aan eene onbeperkte verspreiding in +den weg stonden, was verschil in warmtegraad voldoende, om een’ +onoverkomelijken grensmuur op te trekken. Duidelijk zien wij dit vooral +in het lama, dat op de verhevene weivlakten van Chili en Peru tot meer +dan 4000 ellen boven de oppervlakte der zee leeft en zich tot ver in +Patagonie heeft verspreid, maar noch in Brazilië noch in Mexico wordt +aangetroffen. De voor zijne organisatie te hooge temperatuur der lagere +streken, die het had moeten doortrekken, om deze landen te bereiken, +trad als beletsel op. Evenzoo staat de koude der toppen van de +Cordilleras als scheidsmuur daar tusschen vele soorten van dieren, +inzonderheid van insekten.—Waar daarentegen werktuigelijke +hinderpalen de verspreiding langs de isothermen beperkten, heeft de +mensch, door zijne tusschenkomst, slechts die hinderpalen te overwinnen, +om een nieuw gebied van verspreiding te openen. Dit bewijzen ons de +paarden en runderen, die, door de Spanjaarden naar Amerika overgebragt, +zich aldaar in het ontelbare vermenigvuldigd hebben. Maar, wildet gij de +noordelijke dieren naar het zuiden, de zuidelijke naar het noorden +overplanten, gij zoudt uwe poging verijdeld zien. Het rendier, volkomen +gehard tegen de lange en strenge winters van Lapland, brengt te +Petersburg den zomer reeds kwijnende door, en bezwijkt spoedig onder den +invloed der warmte van een meer gematigd klimaat. En in hetzelfde oord +sterft de aap aan longtering, en kan de slang alleen door koestering en +verwarming het ellendig plantenleven rekken, waartoe zij door de koude +onzer gewesten gedoemd is.</p> + +<p>De mensch althans, meent gij, maakt eene uitzondering. Hij, als +wereldburger, bewoont met enkele hem gevolgde huisdieren schier de +geheele oppervlakte der aarde, en leeft bij de grootste verscheidenheid +van temperatuur.—Ik zou u kunnen wijzen op het tal +<span class = "pagenum">241</span> +<a name = "page241" id = "page241"> </a> +<!--png 267--> +van middelen, waardoor zijn vindingrijk vernuft aan felle koude en +brandende hitte leerde afbreuk doen; maar liever vraag ik u, of niet +evenzeer de Neger als de Laplander het best beantwoordt aan den invloed +der temperatuur van het oord zijner bewoning. Het is u niet onbekend, +hoe vaak verhuizing naar een vreemd klimaat leven en gezondheid kost. +<i>Waar</i> is het,—en die regel is algemeen,—dat, onder de +verschillende hemelstreken, de organisatie van menschen en dieren +harmonisch beantwoordt aan de heerschende temperatuur. Vanwaar die +harmonie? Mogen wij ze, op het natuurkundig standpunt, voor verklaard +houden, met in haar een wijs doel te erkennen van den Schepper, die hier +deze, daar gene dieren in het aanzijn riep?—Gewis niet!</p> + +<p>Even harmonisch is het verband tusschen de gevoeligheid van het oog +en de sterkte van het licht. Reeds merkte ik op, hoe het zonlicht de +luisterrijke pracht der natuur voor ons oog toegankelijk maakt, zonder +het door zijnen glans te verblinden. Maar ziet de nachtelijke dieren! +Zij bezitten eene gevoeligheid van oog, die hen wel is waar het daglicht +moet doen schuwen, maar die juist hen in staat stelt, hunne prooi te +zien en met zekerheid te bemagtigen, waar voor ons enkel duisternis +heerscht. Heerlijke doelmatigheid! moge de teleoloog hierbij in +bewondering uitroepen: hij wane niet, met dien uitroep tot de oorzaak +van het verband te zijn opgeklommen.</p> + +<p>De dampkring, eene noodwendige voorwaarde van het dierlijk leven, +oefent eenen tweeledigen invloed op het organismus: eenen +werktuigelijken door zijne drukking, eenen scheikundigen door zijne +zamenstelling. In beide opzigten is de organisatie van het dier hieraan +harmonisch geëvenredigd. In de ijlere lucht, die de hoogste bergtoppen +omringt, wordt vaak de moedige reiziger door de lastigste verschijnselen +gekweld. Zijne aderen zwellen op; het bloed dringt hem uit lippen, mond +en neus, zelfs uit het bindvlies zijner oogen. Bij versnelden pols en +ademhaling voegt zich duizeligheid, onmagt of slaapzucht; en hij wordt +door eene loomheid overvallen, die, op haar hoogste punt gekomen, +volgens getuigenis van <span class = "smallcaps">de Saussure</span>, hem +eene enkele schrede weigeren zou, om het dringendst gevaar te +ontvlieden. Zoo zinkt hij moedeloos, afgemat, neder;—en trots +boven zijn hoofd verheffen zich de arend en de condor, en zweven in +statige vlugt door den nog dunneren dampkring.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">242</span> +<a name = "page242" id = "page242"> </a> +<!--png 268--> +Niet minder beantwoordt het organismus aan de zamenstelling der lucht, +waaraan het is blootgesteld. Plaats een dier, dat den frisschen +dampkring met ons deelt, in een mengsel, hiervan merkelijk in +zamenstelling onderscheiden, gij zult het onfeilbaar zien bezwijken. +Maar evenzeer zoudt gij het leven vernietigen van den worm, die in de +vochten van het darmkanaal voedsel vindt en lucht om te leven, zoo gij +hem overbragt in den vrijen dampkring; de scheikundige invloed van dezen +is vijandig aan zijne organisatie.</p> + +<p>Merkwaardig ook vooral is de harmonische betrekking tusschen het +organismus van elk dier, en het voedsel tot zijne instandhouding. Overal +is het dier juist door datgene als omringd, wat voor zijne voeding het +geschiktste is. Terwijl de natuur duizenderlei schadelijke stoffen +oplevert, die, in het organismus gevoerd, gezondheid en leven bedreigen, +is er onder de talrijke bestanddeelen onzer natuurlijke voedsels geen +enkel, welks invloed zich verderfelijk toont. Wederkeerig zegt men, dat +sommige dieren zich ongestraft voeden met stoffen, die voor anderen +doodelijk zijn; en het is eene erkende waarheid, dat plantetende dieren, +die zoo ligtelijk giftplanten in hun voedsel zullen gemengd vinden, +hiervan zonder eenige nadeelige uitwerking hoeveelheden verdragen, +waartegen het leven van vleeschetende dieren niet bestand is. Maar deze, +zegt de teleoloog, zijn door hunne levenswijze tegen het opnemen van +plantaardige vergiften genoegzaam gewaarborgd; en zij hadden dus geene +behoefte aan diezelfde ongevoeligheid. Wacht U, hierin eene verklaring +te zien!</p> + +<p>Nog een derde punt in de verhouding van het dierlijk organismus tot +de voedsels verdient allezins onze aandacht. Het is niemand onbekend, +dat van de dieren zich eenigen met plantaardige, anderen met dierlijke +zelfstandigheden voeden, terwijl eindelijk een niet gering aantal zich +van gemengd voedsel bedient. Met dit verschil nu van voedsel, waartoe +het dier door zijne levenswijze en geheele organisatie als gedwongen is, +verkeert het darmkanaal in de heerlijkste overeenstemming. Dierlijke +stoffen behoeven, na opgelost te zijn, naauwelijks verandering te +ondergaan, om als geschikte bestanddeelen in het bloed te worden +opgenomen; de meeste plantaardige daarentegen eischen eene langere +inwerking van het spijsverteringsvocht;—van dierlijke stoffen is +eene betrekkelijk geringe hoeveelheid tot herstelling van het verlorene +benoodigd; van plantaardige +<span class = "pagenum">243</span> +<a name = "page243" id = "page243"> </a> +<!--png 269--> +zelfstandigheden worden hiertoe integendeel grootere massas gevorderd: +en juist hieraan geëvenredigd bezitten de vleeschetende dieren een +korter en eenvoudiger, de plantetende een langer en meer zamengesteld +spijsverteringskanaal, terwijl de mensen en de overige dieren, die zich +van gemengd voedsel bedienen, in dit opzigt het midden houden. Treffende +harmonie, inderdaad!.... Is het rekenschap geven van dit verband, +wanneer wij zeggen: deze dieren verkregen een korter, gene een langer +darmkanaal, opdat elk zou beantwoorden aan den aard van zijn +voedsel?—Geenszins!</p> + +<p>Ik zou de voorbeelden van harmonie tusschen het dierlijk organismus +en de invloeden, waaraan het voortdurend is blootgesteld, tot in het +ontelbare kunnen vermenigvuldigen; maar reeds hoor ik u veeleer vragen +naar den grond dier harmonie. Immers ik heb ze genoemd wettig en +noodwendig. Gij hebt dus regt, meer te eischen, dan op het menschelijk +standpunt hierin een wijs en verstandig doel te zien aangetoond. Gij +wilt weten, hoe zij tot stand kwam, hoe zij zich handhaaft. Eene enkele +wet geeft er u rekenschap van: <i>Elk dierlijk wezen wordt door de +invloeden, waaraan het duurzaam is blootgesteld, in zijne organisatie +zoodanig gewijzigd, dat het aan die invloeden harmonisch +beantwoordt</i>.</p> + +<p class = "space"> +Die wet klinkt u bekend;—zij is zulks in waarheid. Duizenden malen +hebt gij het woord <i>gewoonte</i> uitgesproken, maar veelligt zijn’ +diepen zin niet altijd wel doorgrond. Gij hebt haar genoemd eene tweede +natuur. Ik noem haar de natuur zelve. Wanneer wij erkennen als +wet,—dat is: als eeuwige waarheid, voor het verledene als voor het +heden en de toekomst,—dat de aard en zamenstelling van elk +bewerktuigd wezen gewijzigd wordt door de invloeden, waaraan het +blootstaat, dan moeten wij met noodzakelijkheid besluiten, dat, bij de +allengsche ontwikkeling van dierlijke wezens op de oppervlakte onzer +planeet, de gesteldheid der onderscheiden kiemen door de invloeden, dat +is door de omstandigheden, is bepaald geworden, en dat trapswijze +verandering dier omstandigheden tot gedurige wijzigingen, welligt tot +splitsing in thans onderscheiden soorten heeft aanleiding gegeven, zóó +evenwel, dat, in elke periode, de organisatie der dierlijke wezens aan +de invloeden van buiten harmonisch geëvenredigd bleef.</p> + +<p>Maar toetsen wij de vastgestelde wet aan de verschijnselen; en +<span class = "pagenum">244</span> +<a name = "page244" id = "page244"> </a> +<!--png 270--> +laat ons zien, of zij werkelijk rekenschap geeft van de harmonie, door +deze zoo luide en krachtig verkondigd.</p> + +<p>In de eerste plaats wees ik u op de betrekking tusschen het dierlijk +organismus en de uitwendige temperatuur. Niets gemakkelijker dan te +bewijzen, dat deze betrekking noodwendig voortvloeit uit genoemde wet. +Vooreerst is het in de hoogste mate waarschijnlijk, dat alle +menschenrassen uit één en denzelfden stam zijn ontsproten en zich, uit +eene bepaalde streek, over het grootste gedeelte der aarde verspreid +hebben. En thans zien wij de organisatie van elke verscheidenheid +harmonisch beantwoorden aan het klimaat, waaronder zij leeft. Hoe ware +dit mogelijk, wanneer die organisatie niet allengs ware gewijzigd +geworden, naar gelang ze aan eene andere temperatuur werd +blootgesteld?—Of mogt gij twijfelen aan den oorsprong van alle +menschenrassen uit denzelfden stam, dan heb ik u slechts het zoogenoemde +acclimateren te herinneren. Wat is dit anders, dan eene wijziging van +het organismus onder den invloed eener vreemde luchtstreek, eene +wijziging in dien zin, dat het beantwoordt aan de heerschende +temperatuur en de overige invloeden, aan dit klimaat verbonden?—Ik +zou u voorts kunnen wijzen op de uitersten van temperatuur, waaraan zoo +velen zich door den aard van hun beroep leerden gewennen; maar gij +behoeft slechts uw eigene ondervinding te raadplegen. Als na dagen van +strenge vorst de thermometer ook slechts weinige graden boven het +vriespunt rijst, spreken wij reeds van eene zoele lucht; en in het +najaar, bij eene veel hoogere temperatuur, rillen wij niet zelden van +koude. Eenige dagen, in eene warme kamer doorgebragt, zijn voldoende, om +ons voor de frissche buitenlucht gevoeliger te maken; en wie, van zijne +jeugd aan, tegen koude gehard is, stelt zich veilig bloot aan het +guurste jaargetijde. Zoo krachtig doet zich hier de invloed der gewoonte +gevoelen. En wanneer wij nu overwegen, dat de kiem van elke diersoort +onder eene bepaalde temperatuur gelegd werd, dat zich elke soort onder +eene bepaalde temperatuur hooger en hooger ontwikkelde, dat daarenboven +elke wijziging in die temperatuur en in hare afwisselingen als +onmerkbaar plaats greep, dan zien wij in, dat de harmonie tusschen het +dierlijk organismus en de temperatuur, waaraan het is blootgesteld, +noodzakelijk tot stand kwam, dat zij aan de wet van gewoonte +gebonden is.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">245</span> +<a name = "page245" id = "page245"> </a> +<!--png 271--> +Even wettig is die harmonie ten opzigte van het licht. Snel en +gemakkelijk gewent zich het oog aan zeer verschillende graden; telkens +wordt deszelfs gevoeligheid hiernaar gewijzigd. Komen wij uit het +heldere daglicht in een vertrek, waar slechts weinige stralen toegang +vinden, dan onderscheiden wij aanvankelijk niets; het is alsof wij door +eene volslagen duisternis omgeven zijn. Maar weldra ontdekt gij enkele +voorwerpen; zij worden duidelijker en duidelijker, en eindelijk zijt gij +in staat, daar, waar het u volstrekt duister scheen, al het omringende +te herkennen en u vrij en ongedwongen te bewegen. Doch wildet gij u nu +weder eensklaps in het volle daglicht verplaatsen, het zou u door zijn’ +hellen glans verblinden. Eene pijnlijke lichtschuwheid sluit nu +krampachtig uwe oogen; en eerst na eenigen tijd keert het vermogen +terug, om bij dit licht duidelijk te zien en te onderscheiden.—De +snelheid van dit accommodatie-vermogen van het oog voor verschillende +lichtsterkte staat in een naauw verband met de snelle en belangrijke +afwisselingen dier sterkte, waaraan wij van nature blootstaan. Zijn wij +langen tijd aan deze afwisselingen onttrokken, dan verliest het oog, +alweder krachtens de wet van gewoonte, het gezegde vermogen. Dit is +gebleken bij gevangenen, die, jarenlang van het daglicht beroofd, in +eene bijna volslagen duisternis leerden zien en onderscheiden; doch wier +optische gevoeligheid hierbij zoodanig was toegenomen, dat zij niet dan +met de uiterste omzigtigheid allengs aan een sterkeren lichtprikkel +mogten worden blootgesteld. Gij ziet: zij waren nachtdieren geworden. En +is het dus niet wettig, dat zoodanige dieren, die, zoolang het zonlicht +de aarde beschijnt, in diepen slaap gedompeld liggen,—is het niet +wettig, vraag ik, dat deze dieren dagblind zijn, en dat de gevoeligheid +van hun netvlies aan het duistere van den nacht beantwoordt? Mij dunkt, +gij ziet de noodwendigheid in van het harmonisch verband, dat ik u hier +deed opmerken.</p> + +<p>Volmaakt hetzelfde is van toepassing op den tweeledigen invloed des +dampkrings. Reeds komen de lastige verschijnselen, die uit de ijlere +lucht, hoog boven het oppervlak der zee, voortvloeijen, bij geoefende +bergbeklimmers eerst op eene meer aanzienlijke hoogte voor, of wel deze +blijven hiervan bijna geheel verschoond. Maar duidelijker blijkt, hoe +zeer ook in dit opzigt de wet van gewoonte hare regten doet gelden, +wanneer wij ons herinneren, dat op onderscheidene +<span class = "pagenum">246</span> +<a name = "page246" id = "page246"> </a> +<!--png 272--> +hooge punten der aarde bloeijende volkstammen gevestigd zijn, waar de +reiziger uit lagere streken niet altijd tegen den schadelijken invloed +der ijlere lucht beveiligd is. Bijaldien nu de waarneming leert, dat de +organisatie van den mensch zich zoo wel aan eene hoogere,—getuige +de mijnwerker,—als aan eene lagere drukking kan gewennen, dan +maakt gij zelf het besluit, dat de organisatie der dieren, zoo wel in de +diepte der zee als in de hoogere streken van den dampkring, noodwendig +moet beantwoorden aan de drukking, waaronder zij leven. Staat niet de +wijde, ruime borst van den bewoner der Andes in innig verband met de +dunnere lucht, die hij ademt, en heeft zijne borst zich niet juist onder +dien invloed zoo krachtig ontwikkeld?</p> + +<p>Ook aan een merkelijk verschil in zamenstelling der dampkringslucht +kan het dierlijk organismus zich gewennen. <span class = +"smallcaps">Sanctorius</span> verhaalt, dat een gevangene, die 20 +achtereenvolgende jaren in den onzuiveren dampkring eens kerkers had +doorgebragt, de frissche buitenlucht niet meer kon inademen, en dat +zijne gezondheid eerst terugkeerde, toen hij weder in denzelfden kerker +geplaatst werd. En hoe zeer wijkt ook niet de zamenstelling der lucht, +die de mijnwerker ademt, van die des dampkrings af, waarin wij leven! +<span class = "smallcaps">Leblanc</span> vond in de lucht der mijnen van +Poullaouen en Huelgoat tot 3 pCt. ja zelfs 4 pCt. koolstofzuur, eene +hoeveelheid, die het koolzuur-gehalte der door ons uitgeademde lucht +nabijkomt; en, wanneer wij zien, dat in andere mijnen het licht zelfs in +sommige gevallen wordt uitgedoofd, dan mogen wij besluiten, dat in de +hier aanwezige lucht, die de mijnwerker voor eene korte poos ongestraft +kan inademen, het koolzuur-gehalte nog aanmerkelijk hooger stijgt.</p> + +<p>Wij naderen tot de voedsels. Harmonisch, zagen wij, beantwoorden de +voortbrengselen van elk land aan de behoeften zijner dieren. Zullen wij +dit verband voor verklaard houden, met hierin de wijze voorzorg der +Voorzienigheid te bewonderen? Of zullen wij erkennen, dat dierlijk leven +onbestaanbaar ware, en, bestond het, onvermijdelijk ten eenemale moest +worden uitgeroeid, waar die voortbrengselen ontbraken? Mij dunkt, het +laatste eischt ons natuurkundig standpunt.—Dat voorts het gewone +voedsel van elk dier aan zijne organisatie beantwoordt, en geene aan het +organismus vijandige stoffen bevat, is onbetwistbaar een noodwendig +<span class = "pagenum">247</span> +<a name = "page247" id = "page247"> </a> +<!--png 273--> +uitvloeisel der wet van gewoonte. De wilde van Australië leeft van +ongekookten visch, de Laplander van het vleesch zijner rendieren, de +Tartaar van de melk zijner paarden, de arme Ier van aardappelen, zoo ze +in overvloed groeijen; zij kunnen hierbij allen betrekkelijk gezond +zijn, maar zouden zeker niet straffeloos onderling van voedsel kunnen +verwisselen. Zoo vinden ook wij vooral in onze granen de bestanddeelen +vertegenwoordigd van ons ligchaam; want—onder den voortdurenden +invloed dier granen is ons ligchaam geworden, wat het is. Zonder die +granen, waren wij niet, wie wij zijn. Wij beantwoorden aan die granen, +omdat wij mede zijn uit die granen. En zeer opmerkelijk inderdaad is +het, dat de voornaamste onzer graansoorten zich hoogst waarschijnlijk +met en deels door den mensch over de aardoppervlakte hebben verspreid, +uit de streken, het eerst door menschen bewoond.</p> + +<p>Doch vanwaar die mindere gevoeligheid der plantetende dieren voor +verdoovende vergiften?—Het is bekend, dat het dierlijk organismus +zich aan groote hoeveelheden van verdoovende stoffen gewennen kan. Zelfs +in Engeland treft men, naar de getuigenis van <span class = +"smallcaps">Christison</span> niet zoo geheel zeldzaam opiophagen aan, +die, zonder blijkbaar nadeelig gevolg, jaren achtereen verscheidene +oncen laudanum daags gebruiken; eene gift van ¼ once zou, gewis, bij +elk onzer in den doodslaap eindigen. En kan ik u niet bijna allen als +getuigen oproepen, dat ook de tabak door gewoonte zijne vergiftige +eigenschappen verliest?—Neemt gij nu in aanmerking, dat de +plantetende dieren zeer ligt eene zekere hoeveelheid narcotische deelen +in hun gewone voedsel aantreffen, terwijl de vleeschetende hieraan +nimmer zijn blootgesteld, dan hebt gij den sleutel der harmonie, die +zich ook hier niet verloochenen kon.</p> + +<p>Gewis trok ook het merkwaardig verband tusschen de lengte van het +darmkanaal en den aard van ’t gebruikte voedsel in hooge mate uwe +aandacht. De oplossing is niet moeijelijk. De aard van het voedsel +bepaalt, namelijk, de lengte van het darmkanaal. De kat is, zooals gij +weet, een vleeschetend dier. De mensch gewende de huiskat aan gemengd +voedsel. En vergelijk nu het darmkanaal van deze met dat der wilde kat, +gij zult het aanmerkelijk langer vinden, niettegenstaande beider +oorsprong dezelfde is. Dit eene voorbeeld zij voldoende tot bewijs, dat +de aard van het voedsel de lengte +<span class = "pagenum">248</span> +<a name = "page248" id = "page248"> </a> +<!--png 274--> +van het darmkanaal bepaalt, en dat, gevolgelijk, bij elk dier eene +juiste verhouding van beide noodwendig is.</p> + +<p class = "space"> +Zietdaar in enkele voorbeelden U den grond aangetoond der harmonie +tusschen het dierlijk organismus en de invloeden van buiten. Geeft de +wet van gewoonte rekenschap van dien band? Ik durf de beslissing veilig +aan u overlaten.—Uit de ontelbare voorbeelden koos ik slechts +enkelen. Ik hadde u kunnen wijzen op het verdikken der opperheid door +wrijving en drukking, op het gewennen aan eene drooge en vochtige lucht, +aan stoffen van verschillenden reuk of smaak, aan allerlei geluiden, op +den invloed, dien verandering van klimaat op den broeitijd uitoefent +enz., en hierdoor rekenschap kunnen geven van de harmonische betrekking +tot de buitenwereld, die het dierenrijk ook in deze opzigten vertoont. +Doch ik achtte het aangehaalde toereikend voor mijn doel. Gij stemt met +mij in, dat de gezegde harmonie eene noodwendige, eene wettige is. Gij +ziet haar onverbiddelijk tot stand gebragt, onder den invloed der +werkende oorzaken. En waar het rijk van deze gevestigd is, daar althans +is der teleologie de schepter ontwrongen.</p> + +<p class = "space"> +Maar, mogt ik vragen, heeft dit harmonisch verband zijn toppunt van +volmaaktheid bereikt?</p> + +<p>Ik aarzel niet, hierop een ontkennend antwoord te geven. De harmonie +<i>is</i> niet. Zij ontwikkelt zich; zij wordt. Zij streeft voortdurend +naar eene volmaaktheid, die zij nimmer bereikt. Dit gebiedt reeds de +wet, die aan hare ontwikkeling ten gronde ligt, en de ervaring +bekrachtigt het met haar zegel. Overweegt het zelven. Wanneer de +invloeden, die onze organisatie wijzigen, niet volmaakt bestendig +zijn,—en zij zijn het nimmer,—dan kan ook onze organisatie +niet in volmaakte overeenstemming wezen met deze invloeden. Zij blijft, +in zekeren zin, bij deze ten achter. Immers niet op het oogenblik der +inwerking kan zich de organisatie wijzigen: zij behoeft hiertoe tijd; en +inmiddels is reeds weêr een nieuwe prikkel daar, die zijnen wijzigenden +invloed doet gelden. Vanhier eene ingewikkelde reeks van invloeden en +werkingen, die men te vergeefs, in al hare bijzonderheden, zou trachten +te ontleden. Elke nieuwe invloed heeft te strijden met de organisatie, +dat is met het produkt +<span class = "pagenum">249</span> +<a name = "page249" id = "page249"> </a> +<!--png 275--> +der voorafgegane invloeden. Is derzelver afwisseling niet te groot, dan +valt die kamp niet zwaar. Daarenboven heeft de vatbaarheid voor +accommodatie zich des te meer ontwikkeld, naarmate het organismus aan +meer verscheidenheid van invloed was blootgesteld. Maar is de prikkel +meer vreemd en ongewoon, dan grijpt hij dieper in, en brengt +verschijnselen voort, die wij stoornisssen noemen, omdat zij niet +strooken met onze begrippen van harmonie. Deze stoornissen nu kunnen van +dien aard zijn, dat de physische voorwaarden van het harmonisch verband +tusschen de verschillende ligchaamsdeelen worden opgeheven. Thans is het +leven niet langer bestaanbaar, en allengs treedt een andere toestand, +die van ontbinding in. Grenzen dan ook tusschen leven en dood bestaan +slechts voor den oppervlakkigen beschouwer. Het eindigen van het leven +aan den laatsten ademtogt te verbinden, verraadt gebrek aan inzigt in +hetgeen aan het leven ten gronde ligt. De bewegingen tot ademhaling +nemen een einde; en eenige uren later is van ontbinding nog geen spoor +te zien, maar de toestand van elk ligchaamsdeel is toch een geheel +andere geworden. Nu eerst heeft de spier haar zamentrekkend vermogen +geheel verloren; nu eerst is alle werkdadigheid van het zenuwstelsel +vernietigd. Door duizenden van overgangen maakt de stofwisseling in de +weefsels, die aan ’t gezonde leven ten gronde ligt, plaats voor die +wisseling, welke wij ontbinding noemen; en al deze verschijnselen, +leven, stoornis, ontbinding, zijn even noodwendig en volgen elkander +wettig op.</p> + +<p>Zoo geeft dezelfde wet, waarop de harmonische betrekking tusschen het +dierlijk organismus en de uitwendige invloeden berust, tevens rekenschap +van de onvolmaaktheden, die haar aankleven. Wil daarentegen de teleoloog +deze onvolmaaktheden in zijne beschouwingswijze opnemen, dan velt hij +zijn eigen vonnis. Of zou hij, op het natuurkundig standpunt, de +stoornissen onzer bewerktuiging als de tuchtroede willen beschouwen eens +goeden Vaders, tot onze zedelijke verbetering?</p> + +<p class = "space"> +Maar nog van eene andere zijde van het dierlijk organismus schittert ons +de prachtigste harmonie in het oog. Ik bedoel: in de betrekking tot +zijne levensbehoeften en in die zijner zamenstellende deelen tot +elkander. De tijd gedoogt niet, u ook deze even uitvoerig +<span class = "pagenum">250</span> +<a name = "page250" id = "page250"> </a> +<!--png 276--> +te schilderen: trouwens, zij staat levendig genoeg u voor den geest. De +teleogie, die hier vooral de bouwstoffen vergaderde voor haren tempel, +is nimmer in gebreke gebleven, ze u op zegevierenden toon voor oogen te +stellen. Wie bewonderde niet vaak, met hooge ingenomenheid, de treffende +evenredigheid tusschen de eigenschappen en vermogens van elk dier en +deszelfs levenswijze en levensbehoeften? De kracht, de vlugheid en +juistheid van elk zijner bewegingen, de scherpte en het doordringend +vermogen zijner zintuigen, ja de oneindige verscheidenheid van neigingen +en vermogens, die men met den naam van instinct pleegt te bestempelen, +alles beantwoordt harmonisch aan de behoeften van elk dier, en verzekert +de instandhouding van het individu en de voortplanting der soort!</p> + +<p>Altijd en overal ligt aan de verrigting de bouw ten gronde. Ook deze, +bij gevolg, moet aan de behoeften beantwoorden, waar de verrigtingen +hieraan harmonisch geëvenredigd zijn: en zoo worden wij als van zelve +gewezen op de harmonische betrekking tusschen de zamenstellende deelen +van hetzelfde organismus. In dit opzigt zou elk dier, welke plaats het +in de rij der wezens moge innemen, ons breede stof ter beschouwing +opleveren. Springt niet overal de volmaaktste evenredigheid ons in het +oog tusschen de passieve en actieve organen van beweging? Bezit het +hoofdorgaan des bloedsomloops niet altijd de vereischte kracht, om het +levensvocht door het geheele ligchaam rond te voeren? Zijn niet juist +menigvuldige verbindingen en vlechten tusschen de bloedvaatstammen daar +voorhanden, waar het ligtst hinderpalen dreigend zich konden opdoen? Wat +meer is,—terwijl de zintuigen en de geheele oppervlakte van het +ligchaam als wakkere wachters voor de indrukken der buitenwereld +openstaan, en deze aan het bewustzijn mededeelen, staat, in al de +organen van het voedingsleven, het gevoel op zóó lagen trap, dat wij +noch van de zamentrekkingen van het hart, noch van de bewegingen van +maag en darmkanaal, noch van den prikkel en de wrijving der vochten, +waaraan beide zijn blootgesteld, eenige de minste kennis krijgen. Ziet +gij niet,—roept de teleoloog u toe,—waartoe dit dient? Zóó +alleen was de werking van uwen geest vrij en onbelemmerd; zóó alleen +werd hij nimmer afgetrokken in de waarneming der buitenwereld; zóó +alleen kon hij zich ongestoord verheffen tot in hoogere +sferen.—Gij erkent die harmonie; gij ziet er, op het menschelijk +standpunt, zelfs het doelmatige +<span class = "pagenum">251</span> +<a name = "page251" id = "page251"> </a> +<!--png 277--> +van in. Maar gij verlangt meer. Gij wilt van deze en van zoo vele andere +verschijnselen den grond kennen. Gij wilt zien aangetoond, dat zij aan +wetten gebonden, dat zij noodwendig zijn. Gij wilt weten, waardoor zij +tot stand kwamen, en hoe zij zich handhaven. Ik wijs U op de wet van +oefening: <i>Elk orgaan, elk ligchaamsdeel wordt onder den duurzamen +invloed van den wil of van andere omstandigheden zoodanig gewijzigd, dat +het beantwoordt aan hetgeen de wil of de omstandigheden van hetzelve +eischen</i>.</p> + +<p>Toetsen wij deze wet aan de verschijnselen, dan zal tevens blijken, +dat zij rekenschap geeft van die harmonische betrekking, waarop wij een’ +vlugtigen blik wierpen.</p> + +<p>De schoonste overeenstemming bemerkten wij tusschen de +levensbehoeften van elk dier en de kracht, de vlugheid en juistheid +zijner bewegingen. Maar komt u hierbij niet onmiddellijk voor den geest, +dat, door oefening, onze krachten, tegelijk met de spier zelve, +ontwikkeld worden? Hebt gij den geoefende niet vaak bewegingen, voor ons +volstrekt onuitvoerbaar, met eene vlugheid en juistheid zien volbrengen, +die aan het ongeloofelijke grensden? Ik zag een meisje, bij ’t welk het +gemis der bovenste ledematen aangeboren was, met hare voeten, +oorspronkelijk als de onze gevormd, allerlei handwerk verrigten. ’t Was +alsof de voeten in handen herschapen waren. Zóó vermogend is de invloed +der oefening! En bedenkt men nu, dat bij elk dier de oefening steeds +bepaald wordt door de levenswijze en levensbehoeften, dan heeft men +slechts dieper in het verledene terug te zien,—en men is +overtuigd, dat, op grond der wet van oefening, kracht, vlugheid en +juistheid van beweging zich harmonisch geëvenredigd aan de levenswijze +en levensbehoeften van elk dier moesten ontwikkelen.</p> + +<p>Nergens evenwel vinden wij het vermogen der oefening sterker +uitgedrukt dan in de zintuigen. Bij den blindgeborene zijn gehoor, +gevoel en reuk tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding +ontwikkeld, dat zij voor een groot deel in het verlies van het edelste +der zintuigen voorzien. In eene stip aan den horizon, die het ongeoefend +oog ontgaat, erkent de zeeman een schip in volle zeilen; en wie zich +daarentegen bij voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen +bezig houdt, en hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de +ruimte door te dringen, wapent allengs zijn oog met een natuurlijk +vergrootglas. Door oefening wijzigen +<span class = "pagenum">252</span> +<a name = "page252" id = "page252"> </a> +<!--png 278--> +zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen, en zij moeten dus +bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften: want door deze werd de +oefening bepaald. Weder derhalve gaf de wet van oefening u den sleutel +tot de harmonie!</p> + +<p>Maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig +gevolg der omstandigheden. De vermogens en eigenschappen, die men +hiertoe pleegt te brengen, ontwikkelen zich door oefening;—zij +worden verdoofd, zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk +stellen. Men zegge derhalve niet: aan deze diersoort werd dit of dat +instinct gegeven, omdat hare levenswijze dit vorderde,—bij gene +ontbreekt het, omdat zij hieraan geene behoefte had; maar men erkenne, +dat het zich bij deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen, doordat de +omstandigheden deszelfs oefening medebragten, en dat het bij gene wettig +onbestaanbaar is, wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer +aanleiding gaf.</p> + +<p>Wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende +deelen van hetzelfde organismus onderscheiden; maar ook dit berust op +dezelfde wet, de wet van oefening. Oefening is dan evenwel in een’ +ruimeren zin genomen, namelijk: als de verhoogde verrigting en voeding +van een bepaald ligchaamsdeel, niet slechts voor zoo ver die onder den +invloed van den wil plaats grijpen, maar door eenen gewijzigden +toestand, van welk orgaan ook, te weeg gebragt.</p> + +<p>Door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de +passieve en actieve organen van beweging;—immers de bewegelijkheid +van elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking. Op +denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het +hart aan den weêrstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden; want die +weêrstand juist is het, die de kracht van het hart bepaalt. Wilt gij +hiervan het bewijs? Waar de weêrstand ziekelijk verhoogd wordt, ontstaat +overvoeding van het hart; en kondet gij van het thans onstuimig +kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale +dikte terugbrengen, gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet +zien bezwijken. Blijkt hieruit, dat verhoogde weêrstand de werking van +het hart opwekt, dan immers moet, krachtens de wet van de oefening, de +ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den +weêrstand beantwoorden.</p> + +<p>Moeijelijker schijnt het, het noodzakelijk bestaan te betoogen der +<span class = "pagenum">253</span> +<a name = "page253" id = "page253"> </a> +<!--png 279--> +menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen, juist op zulke +plaatsen, waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen. En +toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig. De +belemmeringen, namelijk, tot welker overwinning de verbindingen en +vlechten, naar de teleologische beschouwingswijze, doelmatig bestemd +zijn, zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en +verbindingen. Wij zien ze hierdoor, onder zekere omstandigheden, als +onder onze oogen gevormd worden. Wordt een hoofdstam gedrukt, +onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt, dan worden de +naauwelijks zigtbare takjes, waardoor zoo wel de slagaderlijke als +aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen, +tot grootere stammen uitgezet, die nu, bij wijze van vlecht, eenen +collateralen bloedsomloop voortbrengen. Vandaar dan ook in het aderlijk +stelsel, waar belemmeringen menigvuldiger zijn, een grooter aantal dier +verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke.</p> + +<p>Maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere +gevoeligheid der voedingsorganen, waardoor aan onze hoogere vermogens +eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt?—Reeds deed ik u +opmerken, hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd +wordt, hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt. Het +afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van +het invallend licht: en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der +buitenwereld als gesloten, wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding +den vrijen teugel laten, of ons geheel verdiepen in een vraagstuk, dat +al onze inspanning vordert. Worden hierdoor de zintuigen als verlamd, +hoeveel meer moet, bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der +zintuigen zelve, uit gebrek aan oefening, het gevoel zijn verdoofd +geworden in die deelen, welke ons geene indrukken van de buitenwereld +overbragten, die onze belangstelling konden opwekken. Zeer opmerkelijk +gewis is het, dat, naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld +zijn, het zenuwstelsel, dat het voedingsleven beheerscht, als een meer +zelfstandig, afgescheiden gedeelte optreedt. Maar, wat meer is, het +bewustzijn herneemt, ook in de organen der voedingsverrigtingen, voor +een deel zijne regten, zoodra het geoefend wordt. Schier elk orgaan, dat +wij ons, wanneer ook zonder eenigen grond, als ziekelijk voorstellen, +wordt gevoelig, doordat wij onze +<span class = "pagenum">254</span> +<a name = "page254" id = "page254"> </a> +<!--png 280--> +gedachten nu op dit deel als concentreren, en zoo gevoel en bewustzijn +oefenen, zoo verre zij tot dit deel betrekking hebben. Vooral is dit +duidelijk ten opzigte van het hart. Het klopt onophoudelijk in onze +borst; doch in den normalen toestand worden wij niets hiervan gewaar, +tenzij wij, in den valschen waan van aan een hartsgebrek te lijden, den +hartslag altijd en altijd naauwlettend gadeslaan. Dat eeuwige kloppen +wordt dan op het laatst ondragelijk, al is de slag niet sterker dan bij +een’ gezond mensch. Wie immer zich inbeeldde, door hartziekte te zijn +aangetast,—en hun getal is niet zoo gering,—heeft hieronder +bitter geleden.—Maar genoeg, om u te doen zien, dat de hoogere +ontwikkeling der geestvermogens, zoowel als de zintuigelijke indrukken, +aan de oefening van het gevoel in de organen van het voedingsleven in +den weg staan, en dat, bij gevolg, de geringe gevoeligheid van deze eene +noodwendige is.</p> + +<p>Zoo geeft de wet van oefening, straks uitgesproken, evenzeer +rekenschap van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne +levensbehoeften, als van den band, die de verschillende ligchaamsdeelen +tot één organismus zamenvlecht.</p> + +<p class = "space"> +Gewis ontging het uwe aandacht niet, mijne Geëerde Hoorders! dat er een +naauw verband bestaat tusschen de beide wetten, die der harmonie ten +gronde liggen: de wetten, die ik kortheidshalve die van <i>gewoonte</i> +en <i>oefening</i> noemde. Waar de eerste haren invloed doet gelden, +wordt zij onderschraagd door de laatste. Krachtens de wet van gewoonte, +wordt elk orgaan door den invloed, waaraan het regtstreeks is +blootgesteld, primitief gewijzigd. Dit orgaan staat nu evenwel niet +geïsoleerd; het hangt innig zamen met de overige deelen van het +organismus. Wat is dus het noodzakelijk gevolg van die primitieve +wijziging? Wijziging van al de overige ligchaamsdeelen,—welker +werking namelijk òf opgewekt òf onderdrukt wordt,—en alzoo, +krachtens de wet van oefening, eene hieraan geëvenredigde ontwikkeling +van elk dier deelen. Door deze harmonische zamenwerking der wetten van +gewoonte en oefening beantwoorden nu alle ligchaamsdeelen, ook die, +welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking blootstaan, aan de +invloeden der buitenwereld, en wordt tevens de harmonie tusschen de +verschillende organen bij voortduring gehandhaafd.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">255</span> +<a name = "page255" id = "page255"> </a> +<!--png 281--> +Doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk +uitgangspunt. In den wil vinden wij eene tweede, magtige drijfveêr van +oefening, die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den +toestel voor willekeurige beweging doet gelden, en van hier op het +geheele organismus terugwerkt. Deze oefening moet alzoo onderscheiden +worden van die, welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige +invloeden. Is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde +invloeden noodwendig tot stand gekomen, en wordt deszelfs wil, bij elke +omstandigheid, door de organisatie volstrekt bepaald, dan is de wil, die +als drijfveêr van oefening optreedt, zelve het noodwendig uitvloeisel +van verwijderde invloeden; en wij zouden, in hetgeen hij op de oefening +vermag, slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten +zien.</p> + +<p>Doch het is mijn voornemen niet, thans dieper in den grond en in het +verband dier wetten door te dringen. Genoeg, dat wij deze wetten +onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt, en ons zoo geregtigd zagen +tot het besluit: dat de harmonie, die ons de dierenwereld predikt, aan +wetten gebonden—noodwendig is.</p> + +<p class = "space"> +En toch—het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn—op zich +zelven waren de genoemde wetten hier nog ontoereikend. Schier bij elk +voorbeeld moesten wij stilzwijgend eene derde wet +vooronderstellen,—eene wet, zonder welke de harmonie nimmer eene +hoogere volmaking konde te gemoet streven, zonder welke wij den +klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het dierlijk organismus en +de buitenwereld, ja! zonder welke misschien alle dierlijk leven vroeger +of later voor het geweld van buiten zou moeten zwichten. Reeds spreekt +gij ze met mij uit. Het is de wet van erfelijkheid: <i>De toestand van +het voorgeslacht plant zich telkens op het nageslacht over; de toestand +der ouders wordt telkens aangeboren in de kinderen</i>. Zietdaar de wet, +die in het geslacht bestendigt, wat gewoonte en oefening gewrocht +hebben. Zietdaar den grondslag der klimmende volmaking in de +Schepping.</p> + +<p>Zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen? Weder kan ik +mij op uw eigene ervaring beroepen. Hoe dikwijls zaagt gij den +ligchaamsbouw, de gelaatstrekken, de kleur, den gang, de stem, ja zelfs +het gemoed, de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders +in de kinderen weêrspiegeld! De Romeinen +<span class = "pagenum">256</span> +<a name = "page256" id = "page256"> </a> +<!--png 282--> +hadden reeds hunne <i>naseones</i> en <i>labeones</i>; en ook thans is +de dikke lip eene erfelijke eigenschap in het Oostenrijksche Huis.</p> + +<p>Doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen. Immers de ontelbare +verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen +daar van de wet van erfelijkheid. De variëteiten van elke soort, zijn, +zelfs veelal in de historische tijden, door verscheidenheid van +invloeden en levenswijze tot stand gebragt; en wij zien ze thans met +gelijke juistheid voortgeplant, als den oorspronkelijken typus. Bij +vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren +worden, die aan de beide ouders herinneren, zoodat ook hierin de wet van +erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart.</p> + +<p>Reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet de +gelukkigste partij getrokken. Men verlangt runderen, door vorm en +neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee, sterke +ossen, geschikt voor den landbouw, en koeijen, die ruime hoeveelheden +goede melk leveren. De eigenschappen, tot deze verschillende doeleinden +vereischt, schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten, en +zijn dus niet allen, in hoogen graad ontwikkeld, in hetzelfde ras te +verkrijgen. Maar reeds sedert lang is het gelukt, kunstmatig rassen te +vormen, die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij +uitnemendheid beantwoorden. En welken weg sloeg men hiertoe in? Telkens +bestemde men tot voortplanting die dieren, waarin de verlangde +eigenschappen, onder omstandigheden van welken aard dan ook, bijzonder +ontwikkeld waren, en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker +en sterker overgeplant. Eene eervolle plaats in de geschiedenis der +veeteelt komt <span class = "smallcaps">Bakewell</span> toe; omdat hij +van de reeds lang bekende wet van erfelijkheid (het <i>like begets +like</i>, zoo als hij gewoon was te zeggen) het eerst eene consequente +toepassing maakte. Zóó legde hij den grond tot een eigen ras van +runderen, bijzonder voordeelig en geschikt voor slagtvee, ’t welk men +een’ tijd lang op hoogen prijs stelde, en slechts daarom niet als een +zuiver, onvermengd ras bewaard heeft, wijl <span class = +"smallcaps">Bakewell</span> zijn doel te goed, en hierdoor te zeer ten +nadeele der in andere opzigten wenschelijke eigenschappen, bereikt had. +Zóó ook stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen +(<i>Dishley Breed, New Leicester Breed</i>), welks wol in sommige +opzigten voor die van andere moge onderdoen, +<span class = "pagenum">257</span> +<a name = "page257" id = "page257"> </a> +<!--png 283--> +doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit, van op veel jeugdigeren +leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te kunnen worden +vetgemest, en hierom ook thans nog tot de meest geachte en algemeen +verspreide rassen in Groot-Brittanie geteld wordt.</p> + +<p>Uit een en ander is voldoende gebleken, dat de door verschil van +invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht +overplanten, en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid +verkrijgen, dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen. +Wanneer wij nu zien, dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden +des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven, +naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatiën +onveranderd bleven, dan is er niets gewaagds in het besluit, dat aan +eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden, over ontelbare +generatiën, de grootere vastheid van typus, die wij thans aan elke soort +toekennen, is toe te schrijven. En zeker bestond die meerdere +bestendigheid van omstandigheden, zoolang de verspreiding van elke thans +erkende soort meer beperkt bleef, en door tusschenkomst van den mensch +minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze.</p> + +<p>Vragen wij nu, in welke diersoorten, op grond der ontwikkelde wetten, +de meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden, dan +kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: vooreerst in den mensch, die, +bij zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij het +groote verschil in levenswijze en beschaving, wel het meest aan +wijziging in organisatie moest blootstaan: maar daarenboven in alle +diersoorten, die, door den mensch aan den natuurstaat onttrokken, aan +vreemde invloeden, aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld. En +zoo is het ook. Behoef ik meer te doen, dan u op de ontelbare zoo zeer +onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen, om u hiervan te +overtuigen?</p> + +<p>Hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien, dat elke door het +individu verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant, dan +behoeft dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten +opzichte der voorbeelden, die wij tot staving der wetten van gewoonte en +oefening hebben aangevoerd. Het zij mij evenwel vergund, nog op enkele +van deze uwe aandacht te vestigen.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">258</span> +<a name = "page258" id = "page258"> </a> +<!--png 284--> +Wanneer <span class = "smallcaps">Parry</span> ons verhaalt, dat hij, op +zijne reis naar den Noord-pool, in eene temperatuur, waarbij het +kwikzilver bevriest, een’ zuigeling in de open lucht aan de borst zijner +moeder zag, kan het dan nog aan twijfel onderhevig zijn, dat het +vermogen, om aan koude te weêrstaan, eene aangeboren eigenschap is van +den bewoner van het Noorden? Wanneer wij zien, dat het darmkanaal der +jonggeboren huiskat eene betrekkelijk grootere lengte heeft, dan dat van +jonge vleeschetende dieren, zijn wij dan niet overtuigd, dat de +geschiktheid der organisatie voor het gebruik van gemengd voedsel hier +wordt aangeboren?—En wat leert ons de geschiedenis van het +tabaksgebruik? Thans moge het dengene, die zich aan dit vergift gewennen +wil, hoogstens nog eenige benaauwde uren of dagen kosten:—toen in +weêrwil der bedreigde straffen en den heftigen tegenstand, zelfs door +Pausen en Keizers geboden, het gebruik van den tabak zich eerst door +Europa begon te verspreiden, waren de verschijnselen bij de eerste +proeven oneindig heviger, en schijnt zelfs menig onvoorzigtige rooker +zijn’ zonderlingen lust met den dood bekocht te hebben. Onze ouders +rookten, onze voorouders rookten,—en thans is, gij ziet het, de +gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren.</p> + +<p>Om u vervolgens te doen opmerken, hoe de door invloeden en oefening +verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel, hoe de kracht en +snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant, breng +ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest. En +van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende +zintuigen leveren onderscheidene volkeren,—van een aangeboren +verschil in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familiën, +bijzonder in de steden, het overtuigendst bewijs.</p> + +<p>Zoo zou ik van elke harmonische eigenschap, die wij, krachtens de +wetten van gewoonte en oefening, zagen tot stand komen, de voortplanting +op het nageslacht door voorbeelden kunnen staven, en hierdoor de +noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder’ +grondslagen vestigen. Ik wil mij echter, kortheidshalve, bepalen tot de +instinctmatige vermogens. Bij de wet van oefening heb ik mij omtrent +dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden, naardien het mij +gemakkelijker scheen, u de kracht der oefening, door verscheidene +geslachten voortgeplant—en +<span class = "pagenum">259</span> +<a name = "page259" id = "page259"> </a> +<!--png 285--> +als ware het vermenigvuldigd—aanschouwelijk te maken, dan in het +leven van een enkel individu. En hierom mogt ik deze hier niet met +stilzwijgen voorbijgaan. Weder de hond levert ons het sprekendst bewijs +van den invloed der oefening ook op de instinctmatige vermogens. Het +lijdt geen’ twijfel, of bij de oorspronkelijke soort, waarvan al onze +honden afstammen, bestond één en hetzelfde instinct. En thans, welk een +verscheidenheid! Schier elk ras heeft ook ten dezen opzigte zijne +eigendommelijkheden. Behoef ik u te wijzen op de instinctmatige +vermogens van den herders- of jagershond, van den bloeddog of van den +New-foundlander?—Van waar nu die verscheidenheid? Het antwoord is +niet moeijelijk. De mensch heeft door kunstmatige oefening het een of +ander instinct bij den hond meer en meer ontwikkeld, en door de wet van +erfelijkheid werd dit instinct bestendigd. Overwin bij een’ hond den +tegenzin, om te water te gaan, gij zult hiermede bij de jongen reeds +veel minder te kampen hebben. Wilt gij andere voorbeelden? <span class = +"smallcaps">Frederic Cuvier</span> verhaalt, dat in zoodanige streken, +waar den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd, de jongen, reeds de +eerste maal, dat zij het nest verlaten, eene omzigtigheid aan den dag +leggen, die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken +zou.—Voorts weten wij, dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn’ +vijand. Men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud. Maar +het dier, welks voorgeslachten niet vervolgd werden, de vogels op een +onbewoond eiland, vlugten niet; zij zijn zoo argeloos, dat zij zich met +de hand laten vangen. Na weinige generatien echter is hun het instinct +om te vlugten reeds aangeboren. Alzoo: de vervolging door den vijand +heeft het instinct om te vlugten, volgens de wet van oefening, +ontwikkeld; en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort. Gij +ziet: het aanwezen van dit instinct, als dat van elk ander, is het +noodwendig gevolg der omstandigheden, die deszelfs oefening uitlokten, +en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden.</p> + +<p>Hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt, +wanneer op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan, leert ons reeds het +temmen der dieren. Nimmer zullen de jongen van een getemd dier de +wreedheid en wildheid aan den dag leggen, die zijnen voorouders eigen +waren. Maar nog opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der +natuurlijkste instincten bij onze inlandsche +<span class = "pagenum">260</span> +<a name = "page260" id = "page260"> </a> +<!--png 286--> +runderen. Overal, waar het de gewoonte is, het kalf bij de koe te laten +zuigen, bestaat hiertoe bij beide de grootste behoefte. Zij schreeuwen +zich half dood, zoo als <span class = "smallcaps">Sturm</span> zich +uitdrukt, wanneer men ze van elkander scheidt. De koe, die dagenlang zoo +onrustig zich gedraagt, dat een vreemde niet zonder gevaar ze zou +naderen, spant al hare krachten in, om los te breken; en het kalf zoekt, +verscheidene weken, bijna onophoudelijk naar de uijer, alles +aanvattende, om er aan te zuigen. Bij onze inlandsche koeijen +daarentegen, welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen +verwijderd worden, is de moederliefde, als ware het, uitgedoofd. Wordt +het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt, dan gedraagt zich de +moeder volmaakt rustig, en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig +verwijderen, terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in +veel geringere mate opdoen.</p> + +<p class = "space"> +Zietdaar, mijne Geëerde Hoorders! de drie wetten ontwikkeld, die aan de +harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen. Naar de wetten +van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot stand +gebragt; naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht +bestendigd, wat door gewoonte en oefening in het individu +gewrocht was.</p> + +<p>Die harmonie erkent gij dus als noodwendig: want zij is aan wetten +gebonden, en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde +gehoorzaamheid. Wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie, +hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap; want in de +onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur, waarop hare +uitspraken gegrond zijn, staat met onuitwischbare letteren geschreven: +<i>gewoonte</i>, <i>oefening</i>, <i>erfelijkheid</i>.</p> + +<p>Het is evenwel niet genoeg, de noodwendigheid der harmonie uit deze +wetten te herleiden; ons streven moet het zijn, die wetten zelve dieper +te doorgronden. Reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de +wetenschap over de oorzaken der verschijnselen, welke wij tot de wetten +van gewoonte en oefening terugbragten: en zoo, opklimmende van oorzaak +tot oorzaak, zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te +verliezen, naderen wij, langzaam wel is waar, maar met vasten tred, het +ideale standpunt, van waar men alle verschijnselen der natuur met +noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten +konde zien voortvloeijen.</p> + +<p> +<span class = "pagenum">261</span> +<a name = "page261" id = "page261"> </a> +<!--png 287--> +Wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld, hij +plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten. Hier +verstomt de wetenschap der Natuur; hier staan hare grenzen. Zij +verloochent haar karakter, wanneer zij ook den grond dier eigenschappen +kennen wil. Zij overschrijdt hare regten, wanneer zij den staf durft +breken, over wie hier grond en doel vereenzelvigen.</p> + +<p>En, wanneer eens door eene alwijze Almagt die stoffen en krachten met +een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen, en in hare +eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd, +dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze +aderen,—maar het is een doel, dat buiten de wetenschap ligt der +Natuur.</p> + +<p class = "space"> +Van mijne taak heb ik het deel volbragt, door de wet mij opgelegd. Een +ander deel, waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen, blijft te +vervullen over.—Het eerst rigt ik mij tot U, Edel Groot Achtbare +Heeren Curatoren! die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der +Hoogeschool, aan uwe hooge zorgen toevertrouwd. Steeds uw blikken gerigt +op den vooruitgang der Wetenschappen en op den toestand der Hoogeschool, +is het uw heilig streven, dezen aan de eischen van gene te doen +beantwoorden. Het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan,—en gij +hoordet het telkens door zaakkundige mannen rondom u +uitspreken,—dat de geneeskundige wetenschappen, terwijl zij meer +het karakter en den geest der natuurkundige aannamen, zich op ruimer en +ruimer gebied vestigden. Dit eischte in uw oog dan ook ruimere +voorziening in het onderwijs; en de betrekking, waarin ik thans sta tot +de Hoogeschool, strekt ten bewijze, dat gij niet geaarzeld hebt, tot +stand te brengen, wat uwe overtuiging u als wenschelijk had +voorgespiegeld. Mij hebt Gij geroepen,—en onze geëerbiedigde +Koning heeft uwe keuze bekrachtigd,—niet zoo zeer om eene taak op +mij te nemen, die vroeger op andere schouders rustte, dan om naast den +werkkring van ijverige Ambtgenooten mij, als leeraar, een’ weg te banen +op het uitgebreid gebied der geneeskundige wetenschappen.—Gij zult +geene klagte van mij vernemen, Edel Groot Achtbare Heeren! dat mijn +werkkring hier te beperkt +<span class = "pagenum">262</span> +<a name = "page262" id = "page262"> </a> +<!--png 288--> +is: integendeel, ik spreek het opentlijk uit, dat men nog aan meer dan +één’ nieuw Ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen, +die ook thans nog onvervuld moet blijven. Maar, vergeeft het mij, zoo ik +u toch op eene schaduwzijde wijzen moet: ik bedoel het verbroken +evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap, die gij door +uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen, en +de nog onveranderde wettelijke vereischten, voor wie den graad van +Doctor in die wetenschap verlangt. In Nederland worden thans nog +geneeskundige studien volbragt, zonder dat de grondslagen der +physiologie van den gezonden en van den zieken mensch, de weefselleer en +de ziektekundige ontleedkunde, tot de verpligte lessen behooren. In +Nederland worden thans nog wettig Doctoren gecreëerd in de genees-, +heel- en verloskunde, zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde +wetenschappen worden gevorderd.—Ik koester met vertrouwende +gerustheid den wensch, dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke +blijven, tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te +dragen.</p> + +<p>Maar reeds week ik te ver af van de gevoelens, die mij bezielden, +toen ik mij tot u wendde. Indien ik plegtig verklaar, dat aan de +loopbaan, die gij voor mij geopend hebt, het geluk mijns levens innig +verbonden is, dat de later van u ontvangene blijken van welwillende +belangstelling eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed, en dat +mijn hart warm en erkentelijk is, dan hebt gij den maatstaf der +dankbaarheid, die mij jegens u bezielen moet.</p> + +<p>Maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn +geluk: het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend. Het zou +overbodig zijn, en gewis mij weinig passen, over uwe groote verdiensten +voor deze Hoogeschool uit te weiden: alleen op de getuigenis van hen, +die het langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben, kondt gij +eenigen prijs stellen,—en dát ontbrak u nimmer. Maar ik voel mij +toch gedrongen u te zeggen, dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate +vereert, naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de +Hoogeschool in zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn +afgedrukt; ja! dat ik er trotsch op ben, door u tot eene betrekking te +zijn voorgedragen, waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest +staat. Ik heb mij als levensdoel gesteld, aan uw vereerend vertrouwen +<span class = "pagenum">263</span> +<a name = "page263" id = "page263"> </a> +<!--png 289--> +naar mijne krachten waardiglijk te beantwoorden. Geene poging hiertoe +zal onbeproefd blijven; maar dikwijls, ik gevoel het, zal ik uwe +welwillende ondersteuning hiertoe moeten inroepen. Reeds hebt gij mij +geleerd, dit met vertrouwen te doen,—en door uwe handelingen mij +den wensch in den mond gelegd, dat gij nog eene lange reeks van jaren, +altijd even ijverig bijgestaan door uwen hooggeschatten, wakkeren +Secretaris, aan het welzijn der Hooggeschool uwe goede zorgen moogt +toewijden.</p> + +<p class = "space"> +Ook tot u, Weledele Hooggeleerde Heeren, waarde Ambtgenooten, en Zeer +Geleerde Heeren Lectoren! rigt ik mij met volle vertrouwen. Doorloop ik +uwe rijen, dan ontdek ik mannen, die, grijs geworden in wetenschap en +letterroem, mij hooge achting, diep ontzag inboezemen; maar ik zie ook +onder u geëerde Leermeesters, die mij altijd met heusche welwillendheid +den weg tot wetenschap hebben aangewezen,—vrienden, die mij met +hunnen omgang vereerden, vóór ik hen als Ambtgenooten mogt begroeten; en +in u allen herken ik ambtgenooten, die mij welwillend zijt te gemoet +getreden, toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste.</p> + +<p>Ik wierp met u een’ blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk +leven,—en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend. +Maar een hooger beginsel ademt de harmonie, waarmede gij eenparig +streeft naar hetzelfde verheven doel: want, in dit streven kent gij +geene wetten, ziet gij geene noodzakelijkheid. Gij gevoelt: het +geschiedt met bewustzijn, het berust op vrije wilsbepaling.—Thans +ben ik geroepen, om mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van +den mensch te vereenigen. Die taak rust zwaar mij op de schouders. Mijne +beste pogingen, om hierin harmonisch met u zamen te stemmen, zou ik +gewis dikwijls zien verijdeld, wanneer gij niet steeds gereed stondet, +mij welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken. Dit zij hierom +de bede, tot u allen gerigt—de bede, waarmede ik mij dringend, +maar ook vol vertrouwen, wende tot de leermeesters mijner academiejaren, +die ook later nimmer ophielden, mij voor te lichten op het pad der +wetenschap.</p> + +<p class = "space"> +Maar ik zie onder u nog een’ vriend, een’ leermeester van latere jaren, +wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap, +<span class = "pagenum">264</span> +<a name = "page264" id = "page264"> </a> +<!--png 290--> +wiens geest kracht heeft en moed, wiens hart gloeit voor wat goed en +edel is. Ik weet het, <span class = "smallcaps">Mulder</span>! gij zijt +afkeerig van openlijk huldebetoon. Wierook-walmen stijgen niet tot u op. +Maar mag het hulde heeten, wanneer ik zeg, dat gij nimmer hebt +opgehouden, mijn’ blik in de natuur en in de menschenwereld te +verruimen, dat gij altijd en overal mijne belangen met vurigen ijver +hebt behartigd, dat, wanneer ik, door leed of angst geprangd, naar een’ +vriend omzag, gij aan mijne zijde stondt!... Neen! hulde mag het niet +heeten, waar, voor sprekende feiten, zwakke woorden in de plaats +treden.—Ik gevoel het, <span class = "smallcaps">Mulder</span>! ik +heb noch den geest krachtig, noch het hart warm genoeg, om beide bij u +te bevredigen; maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid, die +mij bezielen—en gij zult ook de kleine bron niet versmaden, +wanneer ze u frisch en helder water biedt.</p> + +<p class = "space"> +Hartelijk verheugt het mij, ook u hier te zien, Wel Edelgestrenge, Zeer +Geleerde Heeren! die ik, nog kort geleden, de eer had, mijne +Ambtgenooten te noemen. Ik wist het, dat gij een levendig deel naamt in +de mij te beurt gevallen onderscheiding; en uwe tegenwoordigheid op deze +plaats is mij hiervan een nieuw bewijs. De vijf volle jaren waarin wij +onze krachten tot één doel zamenspanden, waren de gewigtigsten mijns +levens. Aan deze, en voor een groot deel aan U, ben ik mijne +wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd. Ik herdenk het met +zoo veel voldoening, hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd, +hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting, +hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden, dat ik met vrienden leefde. +Hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts, die zich nimmer +verloochende; en, mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd +zijn,—de heilige band, die tot de minste sporen van misverstand en +tweedragt steeds uit ons midden weerde, blijve ook thans hechter dan +immer gesloten!</p> + +<p class = "space"> +Ten slotte wend ik mij tot u, Aanzienlijke Schaar van Jongelingen! want +aan u is mijn volgend leven toegewijd. Ik ben geroepen, om u voor te +gaan op den weg tot wetenschap; en zucht tot kennis brandt in u allen. +Ziet! zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons +geboren.—Zoekt gij bij mij de veelomvattende +<span class = "pagenum">265</span> +<a name = "page265" id = "page265"> </a> +<!--png 291--> +kennis en grondige geleerdheid, die wij vereeren en hoogschatten alleen +in mannen, wier leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was, ik +moet u teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het +ondersteunen uwer pogingen, ijver en lust om u nuttig te zijn, ik bied +ze u van ganscher harte aan. En wij kunnen immers gezamenlijk het veld +onzer kennis uitbreiden. Gij toch, die u toewijdt aan de beoefening der +natuurkundige wetenschappen, waaronder ik ook de geneeskundige begrepen +acht, gij weet het, hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen. De +kennis, die gij verlangt, ligt in de voorwerpen en verschijnselen der +natuur opgesloten: zintuigelijke waarneming van deze is de éénige wijze, +waarop zij te verkrijgen is. Van de stelling uitgaande, dat niets wat +waarneembaar is, wordt gekend, vóór het is waargenomen, moet het steeds +mijn streven zijn, u de voorwerpen en verschijnselen der Natuur +waarneembaar voor te stellen. En zóó immers is ons de gelegenheid +gegeven, gezamenlijk kennis op te doen. Ik wil niet tot u spreken als +een boek, en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek; maar +ik zal trachten, uwe zintuigen te scherpen, en ze met uwen geest in +nader verband te brengen. Gij moet leeren zien, hooren, ruiken, proeven +en tasten; en gij moet het bewustzijn hebben, dat gij met deze vermogens +tot ware kennis kunt geraken. Daarin bestaat het groote geheim, om +zelfstandig te worden. Hebt gij de indrukken zelf uit de natuur +opgezameld, gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen. Die kennis is dan uw +eigendom, dien niemand u kan betwisten; en op dien grond zijt gij nu +zelfstandig.</p> + +<p>Geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring, dan iets te +mogen bijdragen, om u tot die zelfstandigheid te vormen.</p> + +<hr class = "tiny chapter"> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Opuscula Selecta Neerlandicorum, by +Desiderius Erasmus, Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Herman Boerhaave, +Hieronymus David Gaubius and Franciscus Cornelis Donders + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OPUSCULA SELECTA NEERLANDICORUM *** + +***** This file should be named 19072-h.htm or 19072-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/0/7/19072/ + +Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, the Netherlands +Team and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net (This file was produced from images +generously made available by The Internet Archive/Canadian +Libraries.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> + +</html> diff --git a/19072-h/images/boerhaave.jpg b/19072-h/images/boerhaave.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8c91962 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/boerhaave.jpg diff --git a/19072-h/images/donders.jpg b/19072-h/images/donders.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9b71f7b --- /dev/null +++ b/19072-h/images/donders.jpg diff --git a/19072-h/images/dropcaps/cap_bottom.png b/19072-h/images/dropcaps/cap_bottom.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..161fe06 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/cap_bottom.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/cap_middle.png b/19072-h/images/dropcaps/cap_middle.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e6489ab --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/cap_middle.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/h_top.png b/19072-h/images/dropcaps/h_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ac8da51 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/h_top.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/i_top.png b/19072-h/images/dropcaps/i_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fc35ac9 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/i_top.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/m_top.png b/19072-h/images/dropcaps/m_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6451c9a --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/m_top.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/q_top.png b/19072-h/images/dropcaps/q_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9fd952 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/q_top.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/s_top.png b/19072-h/images/dropcaps/s_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..90e7202 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/s_top.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/w_top.png b/19072-h/images/dropcaps/w_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d150126 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/w_top.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/z_bottom.png b/19072-h/images/dropcaps/z_bottom.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..29c21a0 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/z_bottom.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/z_full.png b/19072-h/images/dropcaps/z_full.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2d87227 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/z_full.png diff --git a/19072-h/images/dropcaps/z_top.png b/19072-h/images/dropcaps/z_top.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..53c9988 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/dropcaps/z_top.png diff --git a/19072-h/images/erasmus.jpg b/19072-h/images/erasmus.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bbefab5 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/erasmus.jpg diff --git a/19072-h/images/gaubcaption.png b/19072-h/images/gaubcaption.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..48e9c14 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/gaubcaption.png diff --git a/19072-h/images/gaubius.jpg b/19072-h/images/gaubius.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9acf0b9 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/gaubius.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/caption.jpg b/19072-h/images/leeuwen/caption.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b8847dd --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/caption.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig1.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig1.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e5b5be2 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig1.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig10.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig10.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7d82c05 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig10.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig2.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig2.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..eacfa44 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig2.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig3.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig3.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8f20819 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig3.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig4.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig4.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7dddf72 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig4.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig5.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig5.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..350a806 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig5.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig6a.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig6a.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ea5833f --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig6a.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig6b.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig6b.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5be8259 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig6b.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig7.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig7.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..854f10d --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig7.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig8.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig8.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6a912d3 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig8.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/fig9thumb.jpg b/19072-h/images/leeuwen/fig9thumb.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a683132 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/fig9thumb.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/foldout.jpg b/19072-h/images/leeuwen/foldout.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..be2aad2 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/foldout.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/foldout_thumb.jpg b/19072-h/images/leeuwen/foldout_thumb.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c9a11b4 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/foldout_thumb.jpg diff --git a/19072-h/images/leeuwen/leeuwenhoek.jpg b/19072-h/images/leeuwen/leeuwenhoek.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bebadfb --- /dev/null +++ b/19072-h/images/leeuwen/leeuwenhoek.jpg diff --git a/19072-h/images/pecquet.png b/19072-h/images/pecquet.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..853676e --- /dev/null +++ b/19072-h/images/pecquet.png diff --git a/19072-h/images/swammer/fig5_6.jpg b/19072-h/images/swammer/fig5_6.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..925b248 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/swammer/fig5_6.jpg diff --git a/19072-h/images/swammer/fig7.jpg b/19072-h/images/swammer/fig7.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4b7c589 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/swammer/fig7.jpg diff --git a/19072-h/images/swammer/fig8.jpg b/19072-h/images/swammer/fig8.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a11a417 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/swammer/fig8.jpg diff --git a/19072-h/images/swammer/fig9.jpg b/19072-h/images/swammer/fig9.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c7e50a7 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/swammer/fig9.jpg diff --git a/19072-h/images/swammer/figpage.jpg b/19072-h/images/swammer/figpage.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..45a044d --- /dev/null +++ b/19072-h/images/swammer/figpage.jpg diff --git a/19072-h/images/titlepage.png b/19072-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..74052a9 --- /dev/null +++ b/19072-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..2757b55 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #19072 (https://www.gutenberg.org/ebooks/19072) |
