summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18877-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18877-8.txt')
-rw-r--r--18877-8.txt4767
1 files changed, 4767 insertions, 0 deletions
diff --git a/18877-8.txt b/18877-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ad6f939
--- /dev/null
+++ b/18877-8.txt
@@ -0,0 +1,4767 @@
+Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: In het Schemeruur
+
+Author: P. Louwerse and Jan Sluijters
+
+Release Date: July 20, 2006 [EBook #18877]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ In het Schemeruur
+
+ Vertellingen voor het jonge volkje
+
+ Door
+
+ P. Louwerse
+
+
+
+ Geïllustreerd door Jan Sluijters
+
+
+
+ Derde, verbeterde druk
+ Amsterdam
+ H. J. W. Becht
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+JAN MET DE PIJP.
+
+
+Midden tusschen de huizen van het dorpje Schootwerve lag een
+allerliefst tuintje, dat door een heg van hulst van den weg
+afgescheiden lag. Dat tuintje zag er keurig net onderhouden
+uit. Tusschen de perkjes, die allerlei vormen hadden, slingerden
+zich paadjes, die met schelpzand bedekt waren. De perkjes zelf waren
+omringd door een laag hegje van steekpalm en versierd met allerlei
+soorten van zaaibloemen.
+
+Het grootste perk, dat in het midden lag, was een zoogenaamd tapijtbed,
+dat er met zijn veelkleurige bloemen uitzag als een groote, heel groote
+lappendeken, waardoor middenin een mannetje gekropen was. Dat mannetje
+was een pop van aardewerk en stelde een rookenden Moor voor. Vroeger
+had hij voor een tabakswinkel gestaan, maar toen hij bij de een of
+andere gelegenheid zijn rechterhand, die de pijp vasthield, gebroken
+had, was hij bij een uitdrager verzeild, en bij dezen had de eigenaar
+van het tuintje den invalide gekocht. De timmerman van het dorp,
+een echte knutselaar, had den steenen Moor een houten hand en pijp
+gegeven en deze met draadnagels aan zijn lichaam vastgemaakt.
+
+En zoo stond daar de rookende Moor den heelen zomer midden tusschen
+de bloemen. Kwam het najaar aan, dan werd hij op den zolder gebracht
+en eerst in April, na goed afgestoft, geveegd en opgeverfd te zijn,
+kwam hij, den eersten zomerschen dag den besten, weer te voorschijn.
+
+Roepen op andere plaatsen de jongens elkaar toe, als ze den
+koekoek voor het eerst in het jaar hebben gehoord: "Ik heb den
+koekoek gehoord!" hier riepen alle jonge Schootwervers: "Ik heb Jan
+met de pijp gezien!" Want Jan met de pijp was de bijnaam van den
+opgelapten Moor. Ja, de vrouw van den smid zou niet eer aan de groote
+voorjaarsschoonmaak beginnen, vóór zij wist, dat Jan met de pijp van
+den zolder in den tuin gekomen was.
+
+Achter het tuintje stond een ouderwetsch huis. De muren waren van
+onder tot boven begroeid met klimop en het was er zoo rustig en stil,
+dat verscheidene vogeltjes het waagden hun nestjes in de altijd groene
+takken te maken.
+
+Het huis zelf had een groote voorkamer, een zijvertrekje, een
+tuinkamer en een keuken. Boven waren nog een paar kamers en drie
+slaapvertrekken. Tusschen de voor- en de tuinkamer was een alkoof en
+hierin sliep de eigenaar van het huis, de oude heer Van Laeken.
+
+Wie de oude heer Van Laeken was, zal ik jelui eens even vertellen.
+
+Met Nieuwejaar van het jaar 1800 was hij te Antwerpen geboren, waar
+zijn vader magazijnmeester was. De menschen hadden fatsoenlijk hun
+brood, maar toen Napoleon beval, dat er geen Engelsche schepen meer in
+de havens mochten komen om voortbrengselen uit Oost en West binnen te
+brengen, toen was er in het magazijn van den rijken koopman, bij wien
+Van Laeken's vader in dienst was, geen magazijnmeester meer noodig;
+want het pakhuis was ledig.
+
+Nu stond bittere armoede voor de deur.
+
+De oude Van Laeken kon goed rekenen, schrijven en lezen, maar van
+een ambacht verstond hij niets. Zijn eenig zoontje moest terstond
+van school af, hoewel het ventje nog maar elf jaar oud was, en zijn
+twee zusjes, die reeds bij een Franschen meester waren, werden ook
+thuis gehaald.
+
+"Als je nu nog leeren wilt, dan moet je jezelf maar oefenen en als je
+met het een of ander niet voort kunt, vraag er mij dan maar naar en,
+als ik kan, dan zal ik je helpen!" zei vader.
+
+Maar van dat leeren kwam niet veel; want wie wat verdienen kon met
+werken of boodschappen doen, die moest er maar op uit.
+
+Toen George, zoo heette de jongen, zag, dat hij met boodschappen doen
+het niet heel ver in de wereld brengen zou, zag hij naar alle kanten
+uit, of hij niet iets kon vinden waarmede hij een eerlijk stuk brood
+verdienen kon.
+
+Zoo liep hij eens tegen den avond langs de kade toen een zeeman op
+hem afkwam en vroeg: "Wat zoek je, jongen?"
+
+"Ik zoek werk! Ik wil een ambacht leeren!" antwoordde George.
+
+"En wat wil je leeren?"
+
+"Daar geef ik niet om, als het maar iets is waarmee ik mijn brood
+verdienen kan!"
+
+"Je bent een onverschillige jongen," zei de zeeman.
+
+"Dat is niet waar," antwoordde George. "Nu heb ik twaalf ambachten
+en dertien ongelukken. Dat wordt nooit wat goeds! Ik wil één ambacht
+leeren!"
+
+"Nu, nu, het was zoo erg niet gemeend, manneke! Weet je wat ik ben?"
+
+"Matroos?"
+
+"Neen!"
+
+"Stuurman of hofmeester dan?"
+
+"Ook al niet! Ik ben scheepstimmerman aan boord van een oorlogsschip."
+
+"En is dat een goed ambacht?"
+
+"Dat zou ik wel gelooven. Z. M. de Keizer zorgt goed voor zijn
+manschappen. Er is maar één Napoleon!"
+
+"Dat zeg je! Maar zou ik dat scheepstimmeren ook kunnen leeren?"
+
+"Waarom niet? Zou jij het bij mij aan boord willen leeren? Ik was er
+juist op uit een jongen te zoeken!"
+
+George's oogen glinsterden en den zeeman bij den arm vattend, zei hij:
+"Ga mee naar vader en moeder en doe een goed woordje voor me!"
+
+De man voldeed hieraan gaarne en.... veertien dagen later was George
+aan boord van _La France_, een prachtig linieschip.
+
+In den scheepstimmerman, meester Barend, zooals hij door de Hollandsche
+matrozen genoemd werd, vond George een goed leermeester en een warm
+vriend. Jarenlang, ook nog na den val van Napoleon, voeren ze samen,
+doch na 1825 niet meer ten oorlog, maar ter koopvaardij.
+
+Eindelijk was meester Barend zoo gelukkig een erfenis te krijgen
+en daar zijn dienstjaren juist verloopen waren, ging hij uit den
+zeedienst en vestigde zich als scheepstimmerman in de stad, waar
+hij zijn vriend en makker George bij zich nam. George had de eerste
+drie jaren aan boord van _La France_ niet alleen zijn vak geleerd,
+maar daar de betrekking van schrijver door een gewezen schoolmeester
+vervuld werd, en deze in zijn ledigen tijd gaarne nog wat deed, had
+George van hem geleerd wat hij, door het ongeluk van zijn vader, in
+Antwerpen niet had kunnen leeren. George schreef een goede hand en
+wist van het Fransch en Engelsch zooveel, dat hij deze beide talen,
+zonder grove fouten te maken, lezen, spreken en schrijven kon. Deze
+kennis kwam hem nu uitmuntend te pas. Hij hield boek en meester
+Barend zorgde, dat het volk op de werf zijn plicht deed. Het gevolg
+hiervan was, dat de scheepmakerij in bloei toenam en toen meester
+Barend op 62-jarigen leeftijd aan een slepende ziekte overleed,
+was George van Laeken eigenaar van de geheele zaak. Meester Barend,
+die op de geheele wereld geen familie meer had, had kort voor zijn
+dood alles aan George vermaakt.
+
+Hadden George's ouders nu nog geleefd, dan had hij voor hen kunnen
+zorgen, maar ze waren in 1812 kort na elkaar gestorven, en zijn
+zusters waren de wijde wereld ingegaan, zonder eenig spoor van zich
+achter te laten.
+
+Oude buren verzekerden, dat ze met de vrouw van den gewezen maire
+(burgemeester) van Antwerpen waren medegegaan naar Frankrijk.
+
+Twintig jaar lang bleef George scheepstimmermansbaas, maar toen besloot
+hij stilletjes te gaan leven. Hij zocht daarom een vriendelijk gelegen
+plaatsje en vond dat in Schootwerve. Hij kocht daar een groot stuk
+duingrond, liet er een huisje bouwen en legde er, met heel veel moeite
+en voor heel veel geld, een mooi tuintje aan. Achter zijn huis had
+hij berken en dwergeiken laten planten en die tierden daar uitmuntend.
+
+Toen hij ongeveer een jaar of tien te Schootwerve met een huishoudster
+geleefd had, kwam op zekeren dag de burgemeester bij hem om te vragen,
+of hij ook nog familie in Antwerpen had.
+
+Nu, wat zou mijnheer Van Laeken zeggen? Hij wist niet beter dan
+van neen.
+
+"Ik heb anders vanmiddag een brief gekregen uit Antwerpen waarin
+me gevraagd werd, of bij mij op het dorp niet een zekere George van
+Laeken woonde. Daar waren twee kleine meisjes te Antwerpen gekomen met
+een brief waarin stond, dat haar grootmoeder een zuster was geweest
+van George van Laeken, die als scheepmakersleerling in Franschen
+dienst gegaan was. Die grootmoeder had daar in Frankrijk haar man,
+haar dochter en haar schoonzoon zien sterven en toen zij voelde dat
+ze ook niet lang meer leven zou, had ze aan de twee kinderen van haar
+dochter een brief gegeven om dien aan den burgemeester van Antwerpen
+te brengen, als ze gestorven zou zijn. Kort daarop stierf ze; haar
+geringe bezitting werd verkocht en in gezelschap van den pastoor van
+het dorp waren ze naar Antwerpen gegaan!"
+
+"Nu," zei mijnheer Van Laeken, "dat kan best waar zijn. Ik zal naar
+Antwerpen gaan en de zaak onderzoeken!"
+
+Drie weken later kwam de oude heer te Schootwerve terug met twee
+meisjes bij zich. Ze waren tweelingen en heetten Helena en Anna.
+
+Voor die nichtjes was hij alles, en waar hij haar pleizier kon
+doen, daar deed hij het, en zij toonden dat ze die liefde ten volle
+verdienden.
+
+Die meisjes kregen weldra vriendinnetjes en menigmaal was er
+kinderfeest in huis, op welk feest ook de broertjes van de
+vriendinnetjes mochten komen.
+
+Eindelijk maakte de oude heer met al de jongelui de volgende
+afspraak. "Iedere week zal ik aan den hoofdonderwijzer vragen wie
+er de heele week goed opgepast heeft en zij nu, op wie hij niets
+te zeggen heeft, mogen Zaterdags bij me komen, dan zal ik hun een
+vertelling doen!"
+
+Dat werd natuurlijk goedgevonden en den volgenden Zaterdag was de
+oude man door wel dertig kinderen omringd. Een stuk of acht jongens,
+echte belhamels, hadden om hun slecht gedrag niet mogen komen, en
+die waren hierover zóó boos, dat ze mijnheer Van Laeken allerlei
+leelijke namen gaven, en op het laatst hem bijna niet anders kenden,
+dan onder den naam van "_Jan met de Pijp_."
+
+"Wel," zei de vriendelijke oude heer, toen hij dat hoorde, "ze noemen
+me _Jan met de Pijp_, best, heel best!" Hierop was hij naar de stad
+gegaan, had zijn portret laten maken en veertien dagen later gingen
+meer dan dertig kinderen naar huis, en ieder had een keurig nette
+afbeelding van den goeden man in den zak.
+
+Ik heb het geluk gehad zulk een portret meester te worden, en als
+je nu weten wilt, hoe mijnheer George van Laeken er als _Jan met
+de Pijp_ uitziet, bekijk dan maar eens het prentje in dit boek, dan
+weet je het. Hij lijkt sprekend. En als je hem nu goed bekeken hebt,
+lees dan maar verder wat hier in dit boekje staat. De vertellingen,
+die ik uit zijn mond opgevangen heb, staan hierin, en ik twijfel geen
+oogenblik of ze zullen je wel bevallen.
+
+
+
+
+
+NAAR ZEE.
+
+
+Het was vroeg in het voorjaar van 1817 en we lagen met onze korvet,
+dat is een soort van oorlogsschip moet je weten, te Vlissingen in het
+dok. Het was meer dan noodig, dat we die haven binnengeloopen waren;
+want _De Windhond_, zoo heette ons schip, had het vorig jaar nogal
+wat geleden, toen we den Algerijnen den mantel uitgeborsteld hadden,
+dat de wol er afvloog. We moesten in het droogdok, maar die het eerst
+komt, het eerst maalt, dat was ook hier waar; want niet minder dan
+zes schepen waren ons voor. Als die klaar waren werd het onze beurt.
+
+Zulk een leven aan den wal is voor Janmaat het onplezierigste wat er
+wezen kan. We verveelden ons vreeselijk en dikwijls dacht ik, als ik
+zoo naar de groote beelden keek, die boven het beeldenhuis staan:
+"We hebben nu op het oogenblik veel weg van die steen en dingen
+daarboven! Is dat een leven?"
+
+We hadden een bovenstbesten kommandant. Hij hield van zijn volk, en
+zijn volk hield van hem. Waar hij ons maar pleizier kon doen, daar deed
+hij het, zoodat we menigmaal verlof kregen om eens te gaan wandelen.
+
+Ik weet niet of je op het eiland Walcheren bekend zijt. Denkelijk wel
+niet en daarom wil ik je even zeggen, dat het een der mooiste streken
+van ons land is. Weiland, bouwland, buitenplaatsen, vriendelijk
+gelegen dorpjes, mooi aangelegde wegen, mooie duinstreken, zware
+dijken en zee wisselen elkander af.
+
+Geen wonder, dat we dan ook altijd van de vergunning om te wandelen
+gaarne gebruik maakten en wel zorgden, dat er nooit klachten over ons
+kwamen. Want, zie je, dan wisten we, als er een veldwachter aan boord
+van _De Windhond_ kwam om te klagen, dat een der matrozen hier of
+daar wat gedaan had, dat niet in den haak was, dan zat er wat op. De
+minste straf was een maand dekarrest, dat wil zooveel zeggen als een
+maand lang aan boord blijven.
+
+Zooals ik daar straks al zei, het was vroeg in het voorjaar toen we
+in het dok kwamen te liggen. We hadden een koude, schrale Februari en
+Maart was nog een beetje erger. Op de timmerwerf van de schepen was
+werk in overvloed, maar al de andere ambachten wachtten op het mooie
+weer om te beginnen; vooral hadden de metselaars het kwaad, bitter
+kwaad. In het najaar was het werk vroeg gedaan geweest en nu duurde
+het zoo lang eer ze weer beginnen konden met wat te gaan verdienen.
+
+Voor ons kwam het er evenwel niet zoo erg op aan; we ondervonden
+alleen het onaangename van de koude, maar voor het overige hadden
+we er geen hinder van. Spek en gort kregen we meer dan we lustten,
+en dikwijls gebeurde het, dat de bakmaats den bak met gort niet leeg
+konden krijgen.
+
+Eens op een morgen, dat ik zoo aan den valreep naar de beelden van het
+beeldenhuis en dan weer naar de beweging op straat stond te kijken,
+zag ik twee jongetjes door de modder van de pasgevallen watersneeuw
+loopen. Ze zagen er schraaltjes uit. De kleertjes, die ze aan het lijf
+hadden, waren brandhelder, maar dun, dun, o, men kon de ribbetjes,
+die er onder zaten, bijna tellen. Gezond zagen ze er ook niet uit;
+de oudste had lange, zwarte haren en daardoor kwam zijn mager
+gezichtje nog veel meer uit. Zijn oogen kropen bijna weg, alsof ze
+zich schaamden, dat ze boven een paar zulke magere wangen staken,
+en de wijde pijpen van de broek woeien met den wind zoo achteruit,
+dat men de beentjes, zoo dun als talhoutjes, er in kon zien zitten.
+
+En toch scheen dat kereltje geen verdriet te hebben; want onderwijl
+zijn jonger broertje, dat er iets beter uitzag en die ook betere
+kleertjes aanhad, liep te huilen, floot hij een deuntje.
+
+"Jongens," dacht ik, "vanmorgen hebben we wel een bak half vol met
+gort overgehouden, er is nog een stuk spek in ook, wie weet of die
+kleine snuiters dat niet graag hebben zouden!"
+
+"Wat sta je daar als een baliekluiver de straatsteenen te
+tellen?" vroeg opeens iemand, die achter me stond.
+
+Het was onze kommandant; ik keerde me om, sloeg de voorste vingers
+van mijn rechterhand tegen mijn wollen muts en zei: "Ik keek naar
+die twee arme kinderen, kommandant, en ik dacht ... ik dacht ..."
+
+"Nu, wat dacht je?"
+
+"Ik dacht, kommandant, dat die arme zielen misschien de gort wel
+zouden lusten, die wij vanmorgen hebben overgehouden!"
+
+"Wel, vraag het dan, kerel! Van mij heb je permissie!" antwoordde hij.
+
+"Alstublieft, kommandant," zei ik, liep de loopplank af en haalde de
+jongens, die op hun sukkeldrafje al een heel eind ver geloopen waren,
+spoedig in.
+
+"Hei, hei!" riep ik.
+
+De kinderen keken om en toen ze mij zagen wenken stonden ze stil.
+
+"Heb jelui soms ook honger?" vroeg ik.
+
+"Ik heb mijn buik vol gefloten, maar mijn broertje kan niet fluiten
+en die denkt nu zijn buik vol te kunnen huilen; maar dat schijnt hem
+niet te gelukken!" zei de oudste.
+
+"Lust je ook gort met spek?" vroeg ik weer.
+
+"Die niet lust is dood! Ik lust alles!" antwoordde hij.
+
+"Best, ga dan maar met me mee, dan kan je bij ons aan boord
+schaften. Hallo, frisch op maar! Wie van jelui beiden er het eerste
+is krijgt het meeste."
+
+Rrrt, daar ging de kleinste, loop je niet, zoo heb je niet! als een
+kogel uit eene draaibas! De oudste deed het niet en kwam langzaam
+achteraan slenteren.
+
+"Wat," riep ik hem toe, "kan jij niet loopen?"
+
+"Neen, mijn broertje wint het altijd van me," zei hij en kwam wel
+een paar minuten later aan boord dan zijn broertje en ik.
+
+Weldra zaten we tusschendeks, ik op zij, en die twee plat op de
+planken met den bak tusschen zich in.
+
+"Jij mag twee prikken tegen dat ik er een neem, Jan," zei de oudste;
+"jij hebt het gewonnen, jij mag dus het meeste!"
+
+En, verbazend, wat at die kleine! Zulk eten heb ik nooit gezien! Maar
+toch kon hij alles niet op en er bleef nog heel wat over. Zoodra Jan
+den lepel neerlegde deed Tom, zoo heette de ander, het ook.
+
+"Nu, Tom," sprak meester Barend, die er ook bij gekomen was, "nu Tom,
+heb jij zoo'n kleine maag?"
+
+"Welneen," antwoordde hij, "maar ik heb ze al vol gefloten en ... en
+thuis, weet u ... thuis ..."
+
+"Nu, thuis?"
+
+"Ja, vader en moeder en de twee kleintjes kunnen ook niet fluiten!"
+
+Ik keerde me om, zag meester Barend aan en ... dat had ik nog nooit
+gezien, meester Barend kreeg opeens zulke natte oogen, alsof hij
+zwaar verkouden was en niezen moest en het niet kon.
+
+"Te weerga, jongen, eet!" riep hij. "Eet, zeg ik je! Jij bent een
+jongen, hoor! Je bent van de stof waaruit onze Lieve Heer de engelen
+gemaakt heeft! Eet, zeg ik je! Die daar thuis zijn en niet fluiten
+kunnen, krijgen van mij en mijn kameraads een bak vol! Toe kerel,
+eet, eet dan!"
+
+Maar zie eens aan! In plaats van nu opnieuw toe te tasten, vloog de
+lange lummel zijn broertje om den hals en begon hardop te huilen,
+en daar huilen een aanstekelijke ziekte is, begon Jan ook. Dat was
+me een mooi gezicht! Twee huilende kwajongens en een schaftbak met
+gort en spek er naast.
+
+"Mag ik ook weten wat hier te doen is, meester Barend?" vroeg de
+kommandant.
+
+"Wij hebben hier een jongen gevonden met een groot hart in 't lijf,
+kommandant," antwoordde meester Barend en, terwijl hij vertelde wat
+die oudste jongen zoo al gezegd en gedaan had, kwamen een paar groote
+tranen langs zijn wangen rollen.
+
+"Dat is mooi, dat is heel mooi," sprak de kommandant. "Eer die jongens
+van boord gaan, moeten ze eens even bij mij in de kajuit komen!"
+
+Wat de kommandant met deze jongens besprak, kwam ik natuurlijk niet te
+weten, althans dien dag niet. Maar dat is zeker, dat ze meer van boord
+rolden dan liepen, en dat ze voortaan elken morgen om de overgeschoten
+gort kwamen. Zoo werden we langzamerhand bekenden.
+
+Intusschen werd het in Juni ook onze beurt in het droogdok te gaan
+liggen, dat is te zeggen, het schip, weet je, maar wij niet. Zoolang
+_De Windhond_ daar lag, gingen wij aan boord van de _Neptunus_, een
+oud linieschip, dat daar al sinds jaar en dag in het dok gelegen en
+nooit zee gezien had. Op zoo'n schip, dat volstrekt geen tuigage had,
+hadden we nog veel minder te doen dan op _De Windhond_, zoodat de
+kommandant ons gaarne vergunning gaf met meester Barend eens een
+rijtoertje te gaan maken.
+
+Wij hadden een prettigen dag en kwamen tegen den avond langs Koudekerke
+terug.
+
+"Weet je wat, jongens," zei meester Barend, "het zitten en rijden
+begint me te vervelen. Ik stel voor, den wagen naar Vlissingen leeg
+terug te laten rijden, en dan gaan we van hier naar de duinen om zoo
+langs het strand naar huis te gaan!"
+
+De anderen hadden evenwel geen zin in het loopen, en daarom reden
+er vijf mee en meester Barend en ik gingen loopen. Na bijna twee uur
+gewandeld te hebben, we waren nog verdwaald geweest op den koop toe,
+kwamen we zoowat een groot uur van Vlissingen af op het strand. Er woei
+een stevige bries en dat beviel ons; want we waren niet weinig warm.
+
+Toen we zoo omstreeks een half uur geloopen hadden riep meester
+Barend opeens: "Kijk eens, George, zijn daar ginds geen jongens aan
+het zwemmen?"
+
+Ik keek op en zag ze ook; maar zwemmen deden ze niet. Ze schenen maar
+wat in het water te loopen spelen.
+
+"De lange lummel daar mag wel voorzichtig zijn," sprak meester
+Barend. "Er gaat hier een sterke eb en de kwajongen waagt zich veel
+te ver! Pas op, straks kunnen we nog gaan zwemmen om hem te redden."
+
+Toen we nader kwamen zagen we wat er aan de hand was. Op de eb
+dreef een heel klein scheepje, waarmee ze gespeeld hadden, doch dat
+omgeslagen was, al verder en verder zee in.
+
+"Ik weet al wie het zijn," zei ik na een poosje. "Die lange daar
+met zijn stroohoed op is Tom, en die met dat mutsje, is Jan van den
+metselaar uit de Vrouwenstraat. Zeker aan het spelen!"
+
+"Mooi spelen!" bromde meester Barend. "Ze leggen het er op toe om te
+verdrinken. Als hij nog wat verder gaat, dan ... daar gaat hij al,
+daar gaat hij al!" Hierop zette meester Barend de holle handen voor
+zijn mond en schreeuwde, evenals door een scheepsroeper: "Hei!"
+
+Tom zag op en Barend wenkte hem, dat hij terug zou komen.
+
+Maar dat terugkomen was gauwer gezegd dan gedaan. Er ging een sterke
+stroom en eer Tom er op verdacht was, daar ging hij.
+
+"Help! Help!" schreeuwde hij.
+
+"Heb ik het niet gezegd?" riep Barend, "dat geeft vanavond nog een
+bad!" en zoo als hij dat gezegd had, liep hij langs den kortsten weg
+dwars door het water heen.
+
+Tom dreef met den stroom al verder af en, was meester Barend niet
+een baas in het zwemmen geweest, dan had Tom zijn onderneming om het
+drijvende scheepje weer terug te krijgen, met den dood moeten bekoopen.
+
+Onderwijl mijn oude kameraad zich met het redden van den
+onvoorzichtigen Tom bezighield, had ik Jan op het droge gebracht,
+en daar ik wel kans zag het scheepje nog te krijgen, ging ik opnieuw
+te water, om van mijn zijde ook wat te doen.
+
+Barend kwam op hetzelfde oogenblik met Tom aan wal, als ik met het
+scheepje, maar ik zou liever het scheepje dan Tom geweest zijn; want
+die kreeg van Barend een ongemakkelijk pak voor de natte broek. Dat
+deed hij nu niet om den armen jongen te straffen, maar alleen om den
+schrik er uit te slaan.
+
+Wij zagen er met ons viertjes keurig mooi uit. We waren heelemaal
+nat en, al was het nu ook al in Juni, toch kan ik niet zeggen, dat
+zulk een nat pak zoo heel plezierig en verkwikkend was. We beefden
+van koude, en toen wij 's avonds in kooi lagen, konden we er ons nog
+maar niet diep genoeg in rollen om toch maar warm te worden.
+
+Een paar dagen later liepen meester Barend en ik eens langs den
+Nieuwendijk te wandelen toen er een metselaar op ons afkwam.
+
+"Meester Barend," zei hij, "ik bedank u wel voor het redden van mijn
+jongen, hoor! Hij was er bijna geweest!"
+
+"Ja," antwoordde Barend, "hij zal nu vooreerst wel geen scheepjes
+meer laten varen; hij zal er wel schrik van gezet hebben!"
+
+"Schrik van gezet hebben? Schrik van gezet hebben?" riep de man. "Lieve
+schepsel, dat lijkt er niet naar. Hebben die kwajongens vanmiddag
+het alweer niet gedaan? Ik kan hen maar niet van het water houden;
+zóó ben ik de deur uit en zijn zij de straat op, of, jawel, op het
+Hoofd, op het Rondeel, op het Dok, op de Kaai, nu hier, dan daar,
+maar altijd om of bij het water!"
+
+"Dan zullen ze zeeman moeten worden, vriend!" zei Barend.
+
+"Ja, dat roepen ze allebei. Als ik vraag: Tom, wat moet je worden? dan
+is het: Naar zee, vader! en doe ik diezelfde vraag aan Jan, dan is het:
+Naar zee, vader!"
+
+"Wel, stuur ze dan naar het wachtschip, vriend!"
+
+"Naar het wachtschip? Wel, voor geen nog zooveel! Ze kunnen worden wat
+ze willen, als ze maar aan den wal blijven! Want, een zeemansleven,
+geen leven!"
+
+"Zeker om daar 's winters gebrek te lijden, hé?" zei Barend, die
+wat boos werd. "Je hebt gelijk, man, groot gelijk! Als ik jou was,
+dan liet ik ze metselaar worden en anders aschman of zoo iets! Dan
+heb je altijd volop werk, je verdient veel geld, en eten, drinken,
+vuur, licht, kleeren en al wat je maar wilt, heb je volop. Ik zeg ook:
+een zeemansleven, geen leven!"
+
+"Neen, meester Barend, niet omdat jelui geen eten of drinken of goede
+kleeren hebt, daarom niet; maar,--maar,--och, ik zal het u maar zeggen:
+ik ben bang, dat er van die twee aan boord niet veel goeds groeit. Als
+al het zeevolk was, zooals meester Barend en hier de deze,"--hij
+wees op mij,--"dan zou ik zeggen: Ga naar zee, jongens, en je zult
+wat worden. Maar nu,--neen, mijn vrouw zou het ook niet willen hebben!"
+
+Toen de arme metselaar dat gezegd had, stond meester Barend een
+poosje in gedachten. Eindelijk zei hij: "En als ik nu eens aan onzen
+kommandant vroeg of de jongens bij ons aan boord mochten komen, dan
+zouden mijn jonge vriend George en ik een oogje op die twee houden
+en, misschien, misschien, dat er een paar ferme zeelui uit je jongens
+groeiden! Wil je hebben, dat ik het vraag?"
+
+De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: "Als u dat
+doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!"
+
+Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord
+van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, maar daar ze
+een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat
+hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen wat niet onplezierig was.
+
+Op den 31sten Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal
+hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water
+als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar
+lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen tegen
+de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten.
+
+We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed;
+zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk niemendal
+te doen.
+
+Maar spoedig kwam er een vijand, op wien we niet gerekend hadden en
+waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen
+zulk een vijand helpen geen kanonnen of scherpe sabels. De eerste,
+die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij
+vreeselijk ziek en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij
+er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij
+hem te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens
+aan stierf! Ik was toch nog zoo jong!
+
+Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij
+dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven konden. Ze
+hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als
+een vader gezorgd.
+
+"Tom," zei de dokter eens, "Tom, weet je wel, dat de gele koorts een
+besmettelijke ziekte is, hé?"
+
+Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had.
+
+"Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan
+verzorgen! Waag je leven niet, hé!"
+
+"Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en
+gezorgd, dat mijn broertje en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden
+hem toch liever oppassen!"
+
+"Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het
+mij onverschillig, hé!"
+
+Onder ons, we noemden den dokter altijd "meneertje Hé," omdat hij, als
+hij wat zei, altijd eindigde met "hé!"--Toen dan "meneertje Hé" bij den
+kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze:
+"Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar kunnen zijn en het zou
+jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!"
+
+De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het
+ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, dat een
+moeder niet beter op haar kind kon passen.
+
+Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader
+het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde.
+
+Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof
+het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren
+verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein
+besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld
+waren, aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch
+drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt
+en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in
+het gezicht zou zijn.
+
+"Wel, Tom," zei ik op zekeren dag, "zie je niets?"
+
+"Ja," was het antwoord, "ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen
+wat het is!" Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip loopen
+en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat
+Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een wolk,
+die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen;
+het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap
+tegen het want.
+
+"Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze
+zee zegt zoo iets!" riep meester Barend.
+
+Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die
+storm nu komen moest.
+
+"Bravo!" riep nu de kommandant, "dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg
+kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te bieden!"
+
+Intusschen was in minder dan tien minuten tijds de heele westelijke
+hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit
+gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er
+zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden
+wat los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er
+in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed.
+
+Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel
+het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon zooeven
+was ondergegaan.
+
+Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En
+drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in
+het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren
+vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en
+de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: "Komt het nog niet?"
+
+Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat
+er uit alle monden een: "Hè!" klonk en de slag, die er op volgde,
+geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog
+sterker! Dit was het begin van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit
+heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal
+waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen
+kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd
+langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan....
+
+"Hij komt, jongens, hij komt!" riep hij onverwachts.
+
+"Wie, meester Barend, wie komt er?" vroegen wij alle drie te gelijk.
+
+"De orkaan, kinderen, de orkaan!" was zijn antwoord, en pas had hij
+dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even,
+de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen,
+de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde
+rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en...
+
+Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval
+van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de
+eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester
+Barend uitschreeuwde: "Man over boord!"
+
+"Man over boord!" riep men aan alle kanten.
+
+Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we
+werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk
+bij meester Barend aankwam en hem vroeg: "Wie is er over boord
+geslagen?" wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan
+meester Barend vastklemde en uitriep: "Jan, meester Barend, red Jan
+toch! Jan! Jan!"
+
+Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te
+water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan in
+een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd
+een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp
+mes doormidden gesneden werd.
+
+Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te
+bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de
+fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven;
+de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren op zijde geschoven;
+stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en
+nog veel meer, lagen overal langs het dek verspreid, en nog was er
+geen kijk op om een en ander te herstellen; want al was de orkaan
+voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede
+te worstelen, en eerst den derden dag kwam het weer tot zichzelf,
+en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao
+konden voortzetten, ja of neen. Maar daar was geen denken aan. Alles
+was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met
+ons ontredderd schip het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel
+moeite mocht ons dat gelukken.
+
+Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te
+hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat waren we;
+maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had
+geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, die de grootste
+grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht.
+
+"Tom," zei ik, "je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke
+gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!"
+
+"Zeg, George," antwoordde hij, "heb je ooit een broer verloren, en dat
+nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, als ik thuis
+kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!"
+
+Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte
+me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. Tom zou van
+verdriet sterven, of....
+
+"Zoo," zei de stuurman, "die Deensche bark ziet er ook lief uit; die
+heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar wat weerga,
+wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!"
+
+Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den
+stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin vier mannen klommen,
+die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.--Ze legden het
+voorzichtig neer, namen de riemen op en roeiden naar ons schip.
+
+Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in
+gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. Hieraan
+werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons....
+
+Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte
+haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel.
+
+Jan was weer bij ons aan boord. Wel was hij zwaar gekwetst en had
+hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet
+herstellen zou.
+
+Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was,
+dat ze dien knaap hadden kunnen redden.
+
+Toen vertelde de man dit:
+
+"Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een
+storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. De golf
+sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg
+was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk in ons want
+verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem
+er uit en dachten eerst dat hij dood was, maar onze scheepsdokter
+onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken,
+zijn rechterarm gekneusd en over heel zijn lichaam had hij bulten en
+schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen
+wij hem van welk schip hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat
+hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman,
+Spanjaard of Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: 'Drinken,
+drinken!' Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel
+spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het Nederlandsche oorlogsschip
+_De Windhond_ diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was,
+namen we het besluit hem hier aan boord te brengen."
+
+"En daar heb jelui goed aan gedaan," antwoordde de kommandant en
+gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun vaartuig
+terugroeiden.
+
+Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been
+nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen van allen
+als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste.
+
+En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan
+maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je dan vraagt:
+"Van wie is deze werf?" dan zullen de werklieden je zeggen: "Ze is
+van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten Thomas en Jan Epelaere. En
+goed,--er leven er geen beter op de wereld.--Ze hebben vroeger ter
+zee gevaren, maar...."
+
+Verder behoeven we niets meer te hooren; je weet de rest!"
+
+Dit was de eerste vertelling van Jan met de Pijp.
+
+
+
+
+
+DE WEG NAAR DE GEVANGENIS.
+
+
+"Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de
+gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!" zoo riep op zekeren
+Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer
+Van Laeken achter in den tuin kwam, waar reeds het geheele gezelschap
+vergaderd was.
+
+"Wie, Herman? Wie?" vroegen terstond eenige meisjes en jongens.
+
+"Wel, Govert de Plinte!"
+
+"O die!" riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: "is het anders niet?"
+
+"En wie is die Govert de Plinte, Herman?" vroeg mijnheer Van Laeken.
+
+"Dat is...." riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan,
+legde de oude heer met een: "Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar
+niet samen praten,--ik vraag het aan Herman," dien driftigen mondjes
+het zwijgen op.
+
+"Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel
+een half uur van hier midden in het land woont. Op school was hij
+zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis,
+dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben wilde. O,
+meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte
+zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met kleurkrijt gestolen,
+dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den
+lessenaar gezet en het vergeten mede te nemen toen ik naar huis ging!"
+
+"Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid," riep
+Jan van den timmerman.
+
+"En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school
+moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!" zei een ander
+en een derde voegde er bij: "Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi
+Faber-potlood gekaapt!"
+
+Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben
+als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: "Stop maar, ik weet genoeg
+van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet
+meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis gebracht is. Van zulk
+een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een
+paar deugnieten te vertellen, waarmee het niet veel beter afgeloopen
+is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen.
+
+Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat
+hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor mij een school
+gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat
+ook veel geld, dat had vader er wel voor over; want hij zei altijd:
+"een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak
+met geld. Geld kunnen ze een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd
+zit, daar moeten ze afblijven!"
+
+Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die
+wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. Nu spreekt
+het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd
+zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat wel moest. Geheele dagen
+was hij soms van huis en daar hij veel van zijn kinderen hield, gaf hij
+om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis
+was. En Henri en Jacques,--zoo heetten de jongens,--waren slim. Ze
+wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja,
+ze wisten zich zóó mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat
+ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls
+klachten over de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde,
+dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei:
+"Ze schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het
+is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik die lui wel
+eens terechtzetten."
+
+Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander
+wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was.
+
+Hoe ze zich bedrogen!
+
+Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde,
+zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was in een
+krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer
+beter zou worden.
+
+Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was,
+en door haar neef al eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou
+moeten, als ze weer over zijn "arme, lieve kinderen" klagen kwam,
+had ze besloten te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde.
+
+Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet
+weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het die oude vrouw
+niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens
+verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten en goeden ouden dag te hebben.
+
+En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze
+wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. Gelukkig
+was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat
+ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats van te slapen. En
+dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven,
+dan moet hij 's nachts slapen en geen andere dingen doen.
+
+Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin,
+die ongehuwd was en een goede school had.
+
+"Weet je wat," zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten,
+den schrijnwerker, die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de
+broers klagen kwam, "weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede
+school! De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen
+heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van mijn
+school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet
+beterden. Daarom vraag ik je op den man af: Wil je je jongens nu
+straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?"
+
+"Neen," sprak baas Daelhouten kortaf, "neen, ik straf mijn kinderen
+niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van al wat er
+leelijks gebeurt de schuld geeft."
+
+"Zooals je wilt!" antwoordde monsieur Levin, "zooals je wilt; maar
+dan heb ik je ook wat te zeggen!"
+
+"En dat is?" vroeg baas Daelhouten.
+
+"Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen,
+want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!"
+
+Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: "Och wat,
+dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! Als hij zoo met
+alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij
+leven moet! Morgen stuur ik ze toch!"
+
+Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang
+niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur Levin had liever
+armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen
+morgen Henri en Jacques stilletjes naar hun plaats gegaan waren,
+riep monsieur hen voor de klasse en zei: "Hoor eens, jongeheertjes,
+je vader schijnt niet begrepen te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik
+wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!"
+
+In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven,
+dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die een groot
+huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een
+man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en toen Henri en Jacques
+thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had,
+lachte de vader en zei: "Gelukkig, dat er meer scholen zijn en ook
+nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan
+die verwaande Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!"
+
+Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden
+veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek was, dat hij doof
+was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet,
+dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht spraken en dan gaf hij ons
+wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden.
+
+Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de
+schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons binnen.
+
+"Goeden morgen, monsieur Gozewinus," zei hij met een beweging of keizer
+Napoleon zijn adjudant was, "goeden morgen, monsieur Gozewinus! Hier
+heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin,
+maar die man had me te veel noten op zijn zang en hij had het altijd
+op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel
+niet, of u zult er anders over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons
+brave en vlugge jongens zijn!"
+
+Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden
+prijzen, keken we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach,
+toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en
+Henri, de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een
+schop van zijn broer kreeg.
+
+Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast
+zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij hen zou zetten,
+viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf
+ik hem de grootste plaats en zei, dat, als hij geen grift of pen had,
+hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en
+dat ik koopman wilde worden. Ik vroeg hem of hij 's middags tusschen
+schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij 's avonds bij me
+kwam spelen. Op alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me
+vertelde, dat ik 's avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude
+tante dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote
+houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat was
+ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik 's avonds thuis
+kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten en 's nachts
+droomde ik, dat ik boven in het pakhuis van zijn vader uit een stuk
+mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden.
+
+Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde,
+maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude tante en nog zoo
+vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk
+gelachen zou hebben.
+
+Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde.
+
+"Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof
+is," zei Jacques stilletjes tegen me.--Met die vlasschuit bedoelde
+hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan
+een gewone menschenneus uitgevallen was.
+
+Ik knikte van ja.
+
+"Dan zullen we een grap hebben," zei hij.
+
+"Zeg eens, jongeheer Daelhouten," riep monsieur, "noem de eilanden
+eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen."
+
+En daar begon hij: "Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood,
+Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!"
+
+Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en daarom schoten wij allen
+in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had,
+dat hij ze niet goed had opgenoemd en zei: "Als ik je wel verstaan
+heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb
+je gevraagd naar de eilanden boven Duitschland en Nederland, waarvan
+de meeste boven de Zuiderzee liggen."
+
+"O, meent u die!" riep Jacques met het brutaalste gezicht van de
+wereld, "jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney,
+Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland,
+Texel!"
+
+"Best, jongen, best! Dat gaat goed!" zei monsieur en vervolgde:
+"En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!"
+
+"Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland," fluisterde Jacques,
+terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de jongen, die
+aan den anderen kant zat, het best hooren konden.
+
+Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek
+hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en mochten geen
+beurt meer hebben.
+
+Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: "Dat is jouw schuld, dat
+wij een slechte aanteekening gekregen hebben. Als je dat nog eens
+doet zal ik de waarheid zeggen en...."
+
+"Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!" zei Jacques. "Ik
+bedank voor zoo'n vriendschap!"
+
+Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques
+gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon ik zulke
+zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: "Zeg,
+kom je straks bij ons spelen?"
+
+Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden.
+
+"Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri
+brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade geven!"
+
+"Dat zal prettig zijn," zei ik.
+
+"Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!"
+
+"Geld? Ik heb geen geld!"
+
+"Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen,
+anders kan je wel wegblijven!" Nadat hij dit gezegd had ging hij heen.
+
+Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf
+was er baas over. Iedere week kreeg ik er van vader een schelling
+in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch
+woordenboek. Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik
+was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar
+boven ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik
+het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven moest
+gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog
+toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide hem uit het raam
+en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart.
+
+Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een
+gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, dat ik iets
+gedaan had dat niet goed was.
+
+"Wat ben je toch een domme jongen, George," zei ik tot mijzelf. "Als
+vader vraagt: 'Waar is de spaarpot?' dan ga ik hem zoogenaamd halen;
+ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij
+gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!"
+
+Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor
+het huis van den schrijnwerker. Jacques stond me al op te wachten
+en het eerste wat hij vroeg, was: "Wel, heb je geld?"
+
+Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was
+bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik twee schellingen
+en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot
+weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad had, had ik er weer alles
+in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan
+kunnen dienen om nog eens te gaan dobbelen,--ja, wat nu?
+
+Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen
+juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. Er was geen
+haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles
+hetzelfde behalve dat er geen groote G op stond.
+
+Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor
+mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste letters
+van onzen voornaam gesneden.
+
+Goede raad was duur; wat zou ik doen?
+
+Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot
+te koopen.
+
+Zonder te vragen: "Hoeveel kost die spaarpot?" zei ik: "Och, geef
+mij dien spaarpot eens!"
+
+"Asjeblief," zei de winkelier, zette er een op de toonbank en
+vervolgde: "veertien stuivers!"
+
+Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den
+winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus drie
+schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee
+en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. Ik meende
+voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch
+mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, ik had daarenboven nog
+twee stuivers minder dan toen ik heenging.
+
+Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den
+nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies eender
+van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en
+wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even groot geweest.
+
+Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar.
+
+Als ik er nu maar die G op krijgen kon.
+
+Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een
+lade. Als moeder maar eens wegging!
+
+Klingeling---klingeling!
+
+Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer.
+
+Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders
+pennemes naar boven.
+
+Nu aan het snijden.
+
+Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep
+me langs het voorhoofd.
+
+Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader,
+maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield, dan kon
+ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den
+spaarpot van Mina en daar stond een M op.
+
+Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al
+zijn leven! Daarop stond een K.
+
+Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een
+drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een G zijn.
+
+Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een G te maken. Had ik die G
+maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een
+_G_ en nu zat ik met dien leelijken, langen staart. In vrede, dan maar
+een héél groote G. Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had;
+want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes.
+
+Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik?
+
+"Wat voer je toch daar boven uit, George?" vroeg moeder.
+
+"Ik leer mijn les, moeder," riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die
+leugen tot achter de ooren rood werd.
+
+"Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens
+naar den kruidenier om rijst, gauw!"
+
+Alle ongelukken opeens!
+
+In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op,
+zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken pennemes in
+den zak en ging naar beneden.
+
+"Een pond," zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef
+staan, zei ze: "Nu, waar wacht je op?"
+
+"Op een flesch, moeder!"
+
+"Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een
+flesch gehaald?"
+
+"O ja," zei ik, "het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het
+hoekje, hé?"
+
+Wierhoeve was een smid, moet je weten.
+
+"Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den
+smid halen!--Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad gedaan?"
+
+Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg:
+"Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!"
+
+"Goed, ga dan maar heen!" zei ze.
+
+Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer
+thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon te vragen.
+
+Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik
+begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van in. De letters
+dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo
+fel te kloppen, dat ik er raar van werd.
+
+Als hij zijn pennemes maar niet noodig had.
+
+"Vader," zei moeder, toen ze in de kamer kwam, "ik moet je eens wat
+zeggen. Kom eens even hier!"
+
+Vader stond op en ging met moeder in de gang.
+
+Ik voelde dat ze het daar achter de deur over mij hadden en ik begon
+nog akeliger te worden.
+
+Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik
+later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik die boterhammen
+binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote
+brokken in mijn keel bleven zitten.
+
+Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan.
+
+"Je moet eens even blijven zitten, George!" zei vader.
+
+Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te
+schreien.
+
+"Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel
+eens eerlijk, wat is er gebeurd?" vroeg vader en zette den spaarpot
+op de tafel.
+
+Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was.
+
+Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen,
+toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig te snikken
+en greep vaders hand.
+
+"Je zult je ziek maken, George," sprak vader. "Vertel maar eerlijk
+wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de
+twaalf schellingen gebleven zijn! Je ziet, ik weet al veel!"
+
+Ja, vader wist veel en daarom--neen, liegen kon ik niet, ik vertelde
+hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee en dertig
+duiten op de tafel.
+
+"Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het
+eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis of bij monsieur
+Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend
+Jacques! Die jongen zal een kerel van je maken! Nacht, George!"
+
+Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig.
+
+Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden,
+als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden vader gedankt,
+als op dien avond.
+
+Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar
+andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, dat ik niemendal
+met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor
+den neus, zoodat deze begon te bloeden.
+
+Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen
+wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, dat ik daardoor op
+het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles.
+
+"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur.
+
+"Blijven zitten, Jacques!" riep Henri uit de andere klasse zijn broer
+toe en deze verroerde zich niet.
+
+"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur nogmaals.
+
+"Niet doen, hoor!" riep Henri weer en Jacques deed het ook niet.
+
+Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong
+uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, en monsieur
+brutaal aanziende, schreeuwde hij: "Blijf af!"
+
+Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven.
+
+Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den
+ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, zoo waar,
+de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar
+het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, waarover we verbaasd
+stonden, pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en
+Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende
+kinderen, in een hoekje bij den schoorsteen.
+
+"Vanmiddag blijven zitten, kwajongens," zei hij en begon toen weer
+aan het werk, alsof er niets gebeurd was.
+
+Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit
+hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht had. Van dien
+dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem,
+als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem nog even lief als vroeger.
+
+Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens
+staan zonder iets anders te zeggen dan: "Over een half uur kom ik terug
+en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!"
+
+Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had
+en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, neen,
+dat had hij niet vermoed.
+
+Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam
+uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te komen?
+
+"Wacht," zei Henri, "hier achter deze heining maar!"
+
+Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil.
+
+Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de
+hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in het sleutelgat
+en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit
+te barsten. Daar ging de deur open en, snel als de wind liep Henri er
+heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur
+Gozewinus zat gevangen.
+
+"Wie brutaal is, wint de halve wereld," zei Henri en nam Jacques mee
+naar de achterdeur van monsieurs tuin.
+
+"Wat moet jelui?" vroeg de meid.
+
+"Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien
+aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!"
+
+De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open.
+
+We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg
+afgetrokken.
+
+De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet.
+
+"Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?" vroeg ik.
+
+"Den weg op naar de gevangenis, mannetje," was het antwoord, dat ik
+niet begreep.
+
+Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei
+naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, als monsieur zelf
+het zei.
+
+"Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?" fluisterde een jongen
+me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van monsieur om
+vreemd op te zien.
+
+"Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en
+Jacques in de gevangenis zijn?"
+
+"Uzelf monsieur!" antwoordde ik.
+
+"Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg
+naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als ze zoo voortgaan,
+dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren,
+dat ze nog in de gevangenis kwamen ook!"
+
+Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur
+sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; ik was nog
+niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was.
+
+Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op
+school gebeurd was.
+
+"Zoo," zei vader, "dat jongetje zal het ver brengen!"
+
+"Jawel, vader, maar er zijn er twee!"
+
+"Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!"
+
+"Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!"
+
+"Ik hoop het, jongen, ik hoop het!"
+
+Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne
+lesje genoeg.
+
+En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het
+leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme moeder
+vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis
+gestorven.
+
+
+
+De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd
+en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter zei: "Maar,
+meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet
+veel beter en misschien nog wel erger afgeloopen is dan met Govert
+de Plinte!"
+
+"Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?"
+
+"Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen
+als met die twee."
+
+"Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En
+dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje kan er nog mee door,
+maar herinner je altijd het versje:
+
+
+
+ Och, bedenk het, jongensstreken
+ Worden licht'lijk mansgebreken."
+
+
+
+
+
+HOE FRANS DOOR DE WERELD KWAM.
+
+
+"Frans, Frans!"
+
+"Ja, moeder, ik kom!"
+
+Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te
+krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden.
+
+Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan
+zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk niet. Het was
+een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het
+was zeer laag van verdieping en in een hoek stonden stoelen en tafels,
+stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door
+elkander. De roode steenen vloer geleek veel op een modderzee, te
+midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in
+de andere hand en een emmer water aan de voeten.
+
+Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat
+tegen den Zondag haar huisje schoon was.
+
+Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon
+uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden niet meedeed,
+maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen
+prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren mochten lap op lap staan,
+zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op
+nahield, dat kon men Frans best aanzien; want zijn haren zaten netjes
+en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met
+plezier naar keek.
+
+Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei:
+"Wat is het, moeder?"
+
+"Buurman is zooeven aan de deur geweest!"
+
+"Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren
+neus?"
+
+"Ja, Frans!"
+
+"En wat moest die hebben, moeder?"
+
+"Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!"
+
+"Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in."
+
+"Kom, kom, jongen, het is of je bang voor den nieuwen buurman bent! Dat
+is toch niet zoo?"
+
+"Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond
+en die heeft me gezegd, dat hij zoo'n akelige vent is, die altijd
+maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?"
+
+"Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat
+die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als je me plezier
+wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch
+maar leelijke dingen van hem!"
+
+"Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens
+alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De heele buurt noemde
+hem "den Beer."
+
+"Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je
+buurman niet anders noemt dan "meneer Moerdijk", begrepen?"
+
+"Ja, moeder!"
+
+"Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer
+wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!"
+
+Frans beloofde dit en ging.
+
+Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand
+door de gang aankomen. De deur ging open en een oude vrouw met een
+vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde.
+
+"Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde
+doen, juffrouw!"
+
+"O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!"
+
+"Ja, juffrouw!"
+
+"Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen,
+dat je er bent! Voeten vegen, hoor!"
+
+Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer,
+en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te zien hoe
+kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal,
+dat het vrouwtje gezegd had: "Voeten vegen, hoor!" Maar lang tijd had
+Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open
+en zei: "Meneer, hier is het jongetje van hiernaast!"
+
+"Goed," klonk het, "laat den slungel maar achter komen!"
+
+"Zie je," dacht Frans, "dat die vent wel verdient Beer genoemd te
+worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. Als hijzelf
+maar geen slungel is!"
+
+Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan
+de deur.
+
+"Binnen!" riep een barre stem.
+
+Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en
+luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag Frans niet. Hij
+zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat.
+
+Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was
+in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd boven
+een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon,
+van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde zak om de magere
+leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels.
+
+"Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?" zei hij en sloeg zijn
+donkerzwarte oogen op Frans.
+
+"Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?" vroeg deze.
+
+"Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif
+dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan eens netjes op
+alles, wat ik je vraag!"
+
+Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra bij den ouden heer aan tafel,
+en toen had het volgende gesprek plaats.
+
+"Hoe heet je, jongen?"
+
+"Ik heet Frans Jacobsen, meneer!"
+
+"Zoo, en wat is je vader?"
+
+"Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!"
+
+"Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?"
+
+"Ja, meneer, hij moest 's nachts op den toren zijn, en als het
+heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een klarinet
+'Wilhelmus' blazen!"
+
+De oude heer glimlachte en zei: "O zoo, hij was dus torenwachter? En
+wat is hij nu?"
+
+"Hij is al vier jaar dood, meneer!"
+
+"Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?"
+
+"Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!"
+
+"Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga
+je school?"
+
+"Ik ga niet school, meneer!"
+
+"Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan
+al goed lezen, rekenen en schrijven?"
+
+"Ik heb nooit school gegaan, meneer!"
+
+"Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?"
+
+"Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!"
+
+"Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!"
+
+"Jawel, meneer, maar...."
+
+"Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij
+moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar straks toch
+zoo op te zagen?"
+
+"Ik, meneer?"
+
+"Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te
+kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat was zóó mooi,
+dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon
+te mauwen!"
+
+"O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool
+van grootvader!"
+
+"Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?"
+
+"Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!"
+
+"Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?"
+
+"Jawel, meneer!"
+
+Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van
+de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, dat het een
+kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij
+nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen te gelijk aan.
+
+Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk
+had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel niet zeggen
+en zweeg dus.
+
+"Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!"
+
+"Het is leelijk, meneer!" antwoordde Frans.
+
+De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar
+toen hij nu weer vroeg: "Is dat mooi of leelijk?" riep Frans: "Dat
+is mooi, meneer!"
+
+Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te
+spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans de tranen
+in de oogen sprongen.
+
+"Wel?" vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap
+stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen.
+
+"Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!" riep Frans.
+
+Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: "Mooi,
+zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt gehuild. Goed,
+goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je
+moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap voor me doen in
+de Zilverstraat!"
+
+Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij
+weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: "Als hij een goed gehoor heeft,
+dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of
+geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!"
+
+En wat wilde hij nu doen?
+
+Dat zullen we zien.
+
+De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer
+Moerdijk een paar uren werken; want "Aaltje, de meid wordt wat oud,"
+had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij
+al elf jaar oud was en nog bij kinderen van vijf jaar moest zitten
+om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen,
+en hij beet er zóó goed doorheen, dat hij twee jaar later al in de
+hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als
+hij thuis was, hielp mijnheer Moerdijk hem altijd aan zijn lessen,
+zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was.
+
+Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen.
+
+Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: "Hoor eens, Frans, ik
+hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je daar niet
+meer aan?"
+
+"Ik heb geen tijd, meneer," antwoordde Frans.
+
+"Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht,
+wat je worden moet?"
+
+"Neen, meneer!"
+
+"Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen
+wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?"
+
+Frans' oogen schitterden, en zijn "ja, meneer!" kwam er zóó blij uit,
+dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij wel meende,
+wat hij zei.
+
+"Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen
+met de noten te leeren!"
+
+"O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar
+zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?"
+
+"Dat komt er op aan wat het is, manneke!"
+
+"Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd,
+als u niet thuis was!"
+
+"Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren
+komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!"
+
+De oude man bracht Frans voor de piano en zei: "Speel!"
+
+"Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?"
+
+"Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen
+hebben?"
+
+"Dat dikke, meneer!"
+
+Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls
+had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd de bladen
+omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van
+wist, had hij altijd bij het einde van ieder blad gezegd: "Keer om!"
+
+Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn
+stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. Op het
+laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje
+rukte en uitriep: "Van wien heb je dat zoo geleerd, jongen?"
+
+"Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als
+de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb ik alles
+onthouden en...."
+
+"Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is
+onbegrijpelijk!" En hierop liep hij de kamer eenige malen rond,
+telkens uitroepende: "Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!"
+
+Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij
+zeggen zou.
+
+"Weet je wat, jongen, wacht hier even!" zei mijnheer en verdween in
+een zijkamer.
+
+Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes
+aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: "Ga mee,
+Frans!" en deze volgde gewillig.
+
+Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op
+een pleintje voor een groot gebouw stilstonden.
+
+"Wat staat daar boven de deur?" vroeg mijnheer Moerdijk en wees met
+zijn stok naar het gebouw.
+
+"Muziekschool, meneer!" was het antwoord.
+
+"Precies! Nu, hier moeten we zijn!" hervatte de oude heer en schelde
+aan.
+
+Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje,
+waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden baard en
+knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde.
+
+Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er
+tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat wel een half
+uur duurde.
+
+Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het
+zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde meneer:
+"Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind
+ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de wereld. Zoodra ik
+merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit,
+kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus de boodschap, begrepen? En nu,
+morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje
+hiernaast zal openstaan, en je zult er wel meer jongens binnen zien
+gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!"
+
+Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter
+beiden dicht.
+
+Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo al dag aan dag met Frans
+voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen,
+dat de blonde heer Frans niet behoefde weg te zenden. De arme knaap
+werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen.
+
+Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal
+hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde hem dat
+erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje
+verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, neen, dat
+niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest
+alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam hij het besluit,
+ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde.
+
+Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren
+mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat deze toch al
+zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te
+denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen zou, toen hij op
+zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker
+tegenkwam, die hem vroeg: "Garçon, jij mij kan zek, waar woont die
+monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!"
+
+Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier
+tijd had, en daarom zei hij: "Ga maar mee, meneer, ik zal u er
+brengen!"
+
+Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een
+gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij niet meer
+van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn
+knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. Frans vond dat
+ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens
+vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, dan zou hij ... ja, als dat
+eens kon ... dan ...
+
+Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over
+beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. Reeds had
+de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg
+aan te schellen toen Frans zich omkeerde en zei: "Meneer!"
+
+"Eh, watte?"
+
+Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te
+vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans 's avonds bij
+hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond
+werd er tusschen die twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden.
+
+Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren
+wil en den wil heeft, die komt er wel.
+
+Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu
+ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en al haperde er
+hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil
+kan men bergen verzetten. Dat ondervonden deze twee ook.
+
+Den 13den Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud
+worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? Ik
+zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch
+te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd op, toen Frans hem
+zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was,
+met hem Fransch begon te spreken! De tranen kwamen hem in de oogen
+en de goedige oude legde zijn hand op Frans' hoofd en zei: "Je bent
+een flinke jongen! Je moeder kan plezier aan je beleven!"
+
+En werd dit woord bewaarheid?
+
+Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde
+man erbarmelijk op een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat
+voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren,
+liet duidelijk zien, wat hij aan de menschen vroeg.
+
+Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan
+te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets meer te
+verdienen dan een stukje droog brood.
+
+Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met
+een dame voorbij.
+
+"Och," zei de dame, "kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe,
+geef hem wat!"
+
+De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld.
+
+"Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil
+ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!" zei de heer.
+
+"O, als u ook spelen kunt, graag!" was het antwoord en de viool
+ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den rijken
+heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars,
+en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer voorbijging zonder
+te blijven staan luisteren.
+
+Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, maar dezen heer
+kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar
+zoo stond te spelen.
+
+Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het
+nog nooit gehoord en.... klink-klank,--klink-klank--het goud- en
+zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk
+en te schreien van blijdschap.
+
+Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en
+zeide: "Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je nu maar thuis
+brengen, vriend!"
+
+"O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die
+groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent...."
+
+"Ssst!" zei de heer en verwijderde zich snel met de dame.
+
+En weet je wat de dame zei?
+
+Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem:
+"Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank je
+ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal
+je zegenen!"
+
+"Zeg, man, wie was die vioolspeler?" vroeg een heer, die in een mooie
+koets zat en ook stil had laten houden.
+
+"Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!" antwoordde
+de blinde.
+
+"Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig
+pond voor!" liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat de blinde
+voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument
+gaarne afstond.
+
+Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was,
+en waren vijf menschen overgelukkig.
+
+De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in
+een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige.
+
+En de andere vier, wie waren die?
+
+In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen
+zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel.
+
+Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de
+Haarlemsche courant te spellen.
+
+Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde
+ze uit de korf zonder zorg, maar....
+
+Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken
+moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, dat ze haar
+jongen kon laten schoolgaan!
+
+Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was
+braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een moed,
+die zeeën konden leegmalen!
+
+En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog
+iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en nooit vergeten
+zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen
+vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die het eenvoudige muschje
+voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn.
+
+Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster
+geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd mee. En
+overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant
+voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er zich den geheelen dag
+mee bezig kon houden.
+
+"The Times, sir!" zei een knecht, die binnentrad.
+
+De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die
+vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte en begon
+te lezen.
+
+Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de
+oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn sigaar vallen,
+en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: "Vrouw Jacobsen,
+dat is een bericht! Lieve Vader in den Hemel, dat is een bericht, dat
+me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!"
+
+"Maar wat, wat is er dan toch?" vroeg de vrouw bevende.
+
+"Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het
+Engelsch staat.
+
+"Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval
+plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar dag aan
+dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde,
+dat men op die oude kast nog wat anders kon doen dan zagen. Doch zie,
+vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel
+van een vreemden heer, die op dezelfde viool zoo heerlijk speelde,
+dat ieder verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in
+de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud en
+zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw
+tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter aan het meesterlijk
+spel en zei: 'God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!'"
+
+"Wie, wie, wat, wat zeg je?" schreeuwde de oude vrouw. "Mijn, mijn
+Frans, mijn eigen Frans?"
+
+"Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die...."
+
+Andermaal ging de deur open en....
+
+"Dag moeder, dag meneer Moerdijk!" zeiden de heer en de dame, die
+binnentraden.
+
+"Lieve, lieve Frans!" riep de oude vrouw. "O, mijn jongen, wat maak
+je me gelukkig!"
+
+"God zegene je, Frans!" sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen
+uit zijn oogen.--zegene je!--Jongen, jongen, wat een gelukkige dag!"
+
+"Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier
+wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover de lui hier, naar
+ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten
+staat. U beiden hebt me gelukkig gemaakt, waarom mag ik anderen nu
+ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is
+mijn viool: we zullen samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!"
+
+De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist.
+
+Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er
+eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. En
+dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven.
+
+Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en
+mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar het orkest. De
+zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het
+gegons en gebrom bleef aanhouden en niemand acht sloeg op den heer,
+die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij
+het orkest verdween. Het zou misschien een andere muzikant zijn;
+dien avond speelden er nog meer.
+
+Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer
+stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: "Stilte!" Dadelijk
+was alles stil.
+
+"Mee, ouwentje, mee!" zei de heer, die de lord was, die de viool
+gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest.
+
+"Dames en heeren," dus begon de lord, "dezen man zult u wel kennen! Hij
+is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer Jacobsen
+gespeeld heeft!"
+
+Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe.
+
+"En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist
+een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. Zie,
+ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten
+graveer en: 'Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen.' Blinde
+John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil,
+kan dat straks bij het verlaten der zaal in een bus doen. Al wat
+er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor
+Blinden John! Dat had ik te zeggen! Stil, stil, daar komt de meester!"
+
+Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens
+stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar met de
+grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige
+woorden de prachtige vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten
+instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er
+gehoord. Wat de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand,
+maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet
+hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was,
+maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare hart.
+
+Eindelijk legde hij de viool neer en--zonder de goedkeuring van
+het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het orkest
+om--zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden
+te danken, die den armen torenwachterszoon zoo over- en overgelukkig
+had gemaakt.
+
+Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten
+worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord zijn hoed
+moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu
+zelfs niet meer naar een gesticht te gaan.
+
+Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren,
+zul je vanzelf wel begrijpen.
+
+En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit
+geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet uit zijn en
+dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden.
+
+
+
+
+
+MET GOEDEN WIL EN EEN WEINIG HULP.
+
+
+
+I.
+
+
+De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen
+geslagen.
+
+De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen
+wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en steeg, op
+stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon:
+
+
+ "En aan hun oogjes zie je 't aan,
+ Dat zij wat graag naar school toe gaan!"--
+
+
+Nu en dan slechts zag men er nog een, die misschien vóór schooltijd
+voor moeder nog een boodschap gedaan had, of die door de zon van acht
+uur uit het bed gejaagd was, zoo hard hij kon naar school draven,
+om dan toch niet àl te laat te komen.
+
+Niet ver van den toren, en dicht bij de bloemmarkt, was de
+stads-apotheek en, als er geen bijzondere ziekten in de stad
+heerschten, dan ging de deur van dat gebouw eerst te negen uren open.
+
+Ondertusschen was het er nu al kwartier over. De menigte voor de deur
+werd al grooter en grooter, en toch hoorde men daarbinnen nog volstrekt
+geen beweging. Het spreekt vanzelf, dat er onder die wachtende menschen
+al heel spoedig gemor ontstond, en eindelijk verstoutte er zich één
+eens ferm aan de schel te trekken.
+
+Hij, die dat deed, was een opgeschoten jongen van een jaar of tien,
+die, toen de klok nog geen negen geslagen had, al voor de deur
+stond. Met angstig en ongeduldig gebaar had hij al verscheidene
+keeren naar het wijzerbord van den toren gezien, en telkens zag hij
+dat de minuutwijzer, hoe langzaam dan ook, voortging. Eerst stond hij
+op één, toen, op twee, wat later op drie en het speelde daar boven
+"kwartier-over";--nu stond hij al bijna op vier!
+
+Men kon het hem zoo aanzien, dat hij er lang niet plezierig onder was.
+
+Geen wonder, hij behoorde ook tot de kinderen, die daar straks
+stoeiend en spelend naar school waren gegaan. Ook _zijn_ plaats was in
+de school! Wat zou de meester nu wel zeggen? Hij was nooit "zoo maar"
+om het een of ander thuis gebleven; ja, hij was zelfs nog nooit te
+laat gekomen. En nu al haast tien minuten voor halftien!
+
+Neen, hij kon niet langer wachten, het was hem onmogelijk: hij zou
+maar eens schellen.
+
+Nu was er aan die apotheek een bijzonder soort van schelknop, een
+nieuwe, zooals er toen nog geen tweede in de stad was. Men moest er
+niet aan trekken, maar op drukken.
+
+Dat wist onze knaap niet, en tot zijn grooten schrik ging de schel
+hard over, toen hij, nogal driftig, de hand op den knop legde.
+
+"Nu, als ze dat daarbinnen niet hooren, dan slapen ze zoo vast als
+marmotten in den winter," zei een der mannen.
+
+"Het heeft geholpen ook. Hoor maar, daar komen ze al," sprak een ander.
+
+En ja, ze kwamen dan toch eindelijk.
+
+Driftig werden de luiken geopend, en nog driftiger werd de deur
+opengesmeten.
+
+"Wie, voor den drommel, maakt hier zoo'n vreeselijk leven? Het lijkt
+of er brand is! Kan jelui dan niet wachten tot een fatsoenlijk mensch
+zichzelven aangekleed heeft? Wie heeft er gescheld?"
+
+Dit alles riep in één adem een dik en groot heer met vreeselijken baard
+en knevel, en hij keek zoo grimmig en leelijk, alsof hij grooten trek
+had al die menschen zoo maar ineens op te eten.
+
+Niemand sprak echter en daarom schreeuwde hij nog eens: "Ik wil
+weten wie er daar zooeven de brandklok geluid heeft! Heb je het
+niet gehoord?"
+
+"Ik heb het gedaan, meneer! Ik moest om negen uren op school zijn en
+het speelt daar al voorslag van half tien!" zei de knaap en zag den
+heer vrijmoedig aan.
+
+"Mooi, brandklokluider, dan zal ik jou ditmaal eens allerlaatst
+helpen, verstaan? Dat maakt een kabaal, alsof ze hun drankje met goud
+betalen! Je weet toch wel, dat je het hier voor niemendal krijgt,
+en dat je dan zooveel praats niet hebben mag! Zeg, kwajongen?"
+
+"Maar, meneer, ik moet naar school! Ik...."
+
+"Houd je mond, straatbengel!" riep de booze apotheker en nam het
+recept aan van een vrouw, die dichtbij stond.
+
+Sapperloot, wat maakte hij een geweld met dien ijzeren stamper in
+dien koperen vijzel! Wat werd de knecht toegesnauwd, als hij niet gauw
+genoeg de poeders in papiertjes vouwde, doosjes aangaf, kurkjes op de
+fleschjes deed of pillen draaide. De man speelde: haast-je, rep-je,
+en toch was het niet goed.
+
+Nummer één was geholpen, nummer twee ook, eindelijk zelfs nummer negen,
+en nog altijd stond de arme jongen met het recept in de handen te
+wachten. Reeds lang had de klok tien geslagen, en met het slaan van
+tien, kwamen er misschien wel evenveel, misschien ook nog meer tranen
+uit zijn oogen rollen.
+
+Af en toe kwamen er menschen bij en gingen er af.
+
+Het was half elf.
+
+De wreede apotheker hield vol met hen, die het laatst gekomen waren,
+het eerst te helpen.
+
+"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg opeens een vriendelijke stem,
+dicht bij den knaap.
+
+De jongen keek op en zag een zonderling gekleed man voor zich
+staan. Lange, grijze haren golfden van onder een blauwe slaapmuts op
+den rug, die voor een gedeelte met een rooden zakdoek bedekt was. Een
+reistaschje hing over de jas. In de rechterhand hield hij een dikken
+en knoestigen doornstok en de voeten staken in groote geverfde klompen.
+
+"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg hij nog eens en zoo mogelijk
+nog vriendelijker dan daar straks.
+
+Snikkend en fluisterend vertelde de knaap alles wat er gebeurd was.
+
+"Is het anders niet?" hervatte de oude. "Wacht, ik zal eens maken,
+dat je geholpen wordt. Geef je receptje maar eens hier!"
+
+Het jongetje gaf het over, en nu drong de man door de vóór hem staande
+menschen, stak de hand, met het recept er in, door het loket, en geen
+vijf minuten later kwam hij terug en gaf het drankje over.
+
+"Zie je wel, vent, wie arm is, moet slim zijn," zei de man en tegelijk
+stopte hij met het drankje, den knaap een dubbeltje in de hand.
+
+"Toe, toe, maak maar voort! Dat dubbeltje is voor je lang
+wachten!" hervatte de oude toen het jongetje hem vreemd aankeek.
+
+Die vriendelijke, oude man en dat dubbeltje verzoetten voor hem
+eenigszins de nare gedachte, dat hij nu, buiten zijn schuld, niet
+naar school kon.
+
+Zonder te kijken naar een paar honden, die om een weggeworpen been
+vochten, snelde hij den hoek om langs de bloemmarkt....
+
+Hé, wat stonden daar mooie bloemen!
+
+Geraniums, fuchsia's, rozen, petunia's, aäronskelken, reseda's....
+
+En moeder zag zoo graag een reseda! Ze hield er zoo van, en nu ze
+ziek was en niet naar de markt kon om een potje te koopen, was er
+nog niets van gekomen.
+
+Hij liep wat minder snel en bekeek de lange rijen met bloemen.
+
+Het dubbeltje danste in zijn zak.
+
+Neen, de verzoeking was te groot; hij kon niet voort; hij moest even
+blijven staan en kijken.
+
+"Wat noodig, manneke?" vroeg een vrouw.
+
+"Hoe duur is de reseda?" bracht de knaap er met moeite uit.
+
+"De mooiste kosten vijftien centen; de andere een
+dubbeltje!" antwoordde de vrouw.
+
+"Geef er mij dan een van een dubbeltje," zei de jongen, die nog nooit
+scheen gehoord te hebben van overvragen of afdingen.
+
+Of deze vrouw nu overvraagd had, en of ze ook liet afdingen, kijk,
+dat weet ik zoo precies niet; maar de leelijkste gaf ze hem toch niet,
+dat weet ik wel.
+
+In een ommezien was nu de knaap met zijn drankje en reseda-plantje
+thuis.
+
+"Willem, Willem, wat ben je lang weggebleven! Hoe komt dat?" klonk
+een zachte stem uit de bedstede hem tegen toen hij thuis kwam.
+
+De knaap, die, zooals we hooren, Willem heette, vertelde haarfijn
+alles wat er met hem in die twee uren gebeurd was, en liet haar ook
+het potje met reseda zien.
+
+"Kan ik nu nog naar school, moeder?" vroeg hij.
+
+"Ja, kind, het is wel jammer; maar ik zou het niet doen. Het is al elf
+uur en om half twaalf gaat de school uit! Het is de moeite niet meer!"
+
+"Ja maar, moeder, wat zal ik dan vanmiddag wel tegen den meester
+zeggen?"
+
+"De waarheid, Willem!"
+
+"En als meester me dan eens niet gelooven wil?"
+
+"Heb je dan wel eens gelogen, mijn kind?" vroeg de moeder nu.
+
+"Neen, moeder, maar...."
+
+"Stil maar, jongen, stil maar! Je gaat vanmiddag naar school en je
+vertelt net alles wat er gebeurd is. Je doet er niets af en niets
+bij. Neem nu het prentenboek, dat je bij het laatste school-examen
+gekregen hebt, en lees er dan maar wat in, dan doe je toch wat,"
+zei moeder, die een lepelvol van het drankje innam en weer ging liggen.
+
+Mietje, de eenige zuster, die Willem had, was een meisje van veertien
+jaren, die nu gedurende de ziekte van haar moeder, zoo goed en zoo
+kwaad het ging, het huishouden waarnam. Had ze geweten, dat haar
+broertje zoo lang zou moeten wachten, dan zou ze zelf wel naar de
+apotheek gegaan zijn; want haar moeder was nu zóó ziek niet, of ze kon
+wel een oogenblik alleen zijn. Want, zie je, _zij_ zou niet gescheld,
+of het althans zoo hard niet gedaan hebben. Ze kende dien knop wel;
+ze zou ook zoo vroeg niet gegaan zijn, en zoo voort. Maar aardig
+en vriendelijk vond ze het toch van dien vreemden, ouden man! En
+voor de reseda zou ze zorgen, dat was vast. Zoo ging het mondje van
+Mietje, terwijl ze in het zijkamertje bezig was met den middagpot
+gereed te maken, zoodat er van Willems lezen ook al niet zoo heel
+veel terechtkwam.
+
+Even na het slaan van twaalven kwam de vader, een breed geschouderde
+opperman, thuis. Deze hoorde ook wat er gebeurd was, doch daar hij
+zelf niet lezen of schrijven kon, begreep hij niet, dat Willem zóó
+iets zich zoo aantrekken kon.
+
+"Was het anders niet?--Over een half jaar moest hij toch van
+school af. Had hij, als vader, zijn zin gekregen, dan had de
+jongen verleden jaar de school al verlaten. Hij kon hem toen bij
+een schoenmakersbaasje, als loopjongen, voor een halven gulden in
+de week gekregen hebben. Jammer genoeg; want iedere week een halven
+gulden meer is toch ook geen kleinigheid! Met nog een kwartje er bij
+was het juist de huishuur! En wat beteekende al dat leeren? Hijzelf
+kende immers geen _a_ voor een _b_, en hij had toch altijd te eten,
+'s zomers van hetgeen hij verdiende, en 's winters van de bedeeling!"
+
+"Och, vader, houd toch op met dat geleuter over de school," riep de
+moeder. "Doe me het pleizier en zwijg ervan!"
+
+"Nu, ik zal zwijgen!" was het antwoord en kort daarop ging hij,
+na een pijpje opgestoken te hebben, de deur uit.
+
+'s Middags kwam Willem in de school. Hij vertelde de waarheid,
+heelemaal de waarheid! Maar meester was een streng man en maakte met
+niemand eenig onderscheid. Hij nam zijn schoollijst en Willem kreeg
+één aanteekening van willekeurig schoolverzuim.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Het was misschien een maand later en op een mooien Donderdagmiddag,
+dat er aan het spoorwegstation heel wat drukte en beweging was. Wel
+honderdtwintig kinderen waren onder geleide van twaalf onderwijzers
+in den trein gestapt om te R. den dierentuin te gaan bezichtigen.
+
+En waar kwamen die honderdtwintig kinderen vandaan?
+
+Ik zal het je zeggen.
+
+In de stad waarin Willem woonde, waren eenige heeren op de armenscholen
+gekomen en hadden gezegd:
+
+"Meneer, al de kinderen die gedurende een geheel jaar geen enkelen keer
+voor willekeurig schoolverzuim zijn aangeteekend, moet u eens opgeven!"
+
+"Dat wil ik wel doen, heeren," antwoordde Willems onderwijzer. "Maar
+welk plan heeft u daarmee?"
+
+"Wel," zei toen een, "om de kinderen voor dat trouwe schoolbezoek te
+beloonen, zullen wij ze den dierentuin te R. eens laten zien!"
+
+Dat vonden al de onderwijzers goed en de kinderen natuurlijk ook.
+
+Willem ging op school D. en toen de hoofdonderwijzer vertelde wat
+er gebeuren zou, noemde hij veertien namen op van kinderen, die het
+geheele jaar lang geen enkelen keer "zoo maar" waren thuis gebleven.
+
+De veertien namen waren genoemd,--meester noemde ze nog eens, het
+papier werd gevouwen.... Ach, Willem was er niet bij!
+
+Hij stond op de lijst voor één keer willekeurig schoolverzuim, dat
+wist hij.
+
+Maar kon hij dat helpen?
+
+Was dat zijn schuld?
+
+Neen, die poets had die man uit de stadsapotheek hem gebakken, en
+toen hij de school uitging kon hij niet nalaten, eens even naar de
+apotheek te gaan.
+
+Om dien boozen man kwaad te doen?
+
+Neen, dát niet; maar als hij hem zag dan zou hij zijn tong toch wel
+eens tegen hem uitsteken, weet je!
+
+Zoo'n leelijke vent!
+
+De man was niet in de apotheek, en met een boos hoofd ging Willem nu
+maar naar huis.
+
+Vader kwam dien middag niet thuis eten. Hij was buiten de stad op een
+karwei en Mietje moest hem zijn potje maar brengen. Ze zou op verzoek
+van moeder, die nu weer beter was, van dat pleizierreisje van sommige
+kinderen maar geen woord spreken; want hij zou er misschien aanleiding
+in vinden om Willem maar van school te nemen.
+
+Het middagmaal was afgeloopen en baloorig ging Willem de straat
+op. Zou hij naar school gaan?
+
+"Neen," bromde hij, "nu blijf ik vanmiddag eens stilletjes
+thuis! Hebben die andere jongens en meisjes pret, ik wil het ook
+hebben!"
+
+Zoo in zichzelven pratend, liep hij maar verder en verder tot dicht
+bij het station.
+
+Lieve schepsel, hoor eens wat een gejuich! Wat een gejoel!
+
+Jawel, daar zingen ze al:
+
+
+ "Wilhelmus van Nassauen!"
+
+
+De tranen kwamen onzen knaap in de oogen toen hij dat hoorde, en
+schreiend zette hij zich op een bank.
+
+"Daar heb je warempel dien huilebalk alweer!" riep plotseling een stem
+dicht bij hem, en opkijkend, ontdekte Willem denzelfden ouden man,
+die een maand geleden zoo vriendelijk voor hem geweest was.
+
+Hij droeg nog precies dezelfde kleeren en was nog niemendal veranderd.
+
+"En wat scheelt er nu weer aan?" vroeg de oude.
+
+"Niets! Niemendal! Neen, niets!" antwoordde Willem, keerde zich om
+en draaide hem zijn rug toe.
+
+"Wel, wat een vriendelijke jongen is dat geworden," zei de oude. "Kom,
+ik ga een beetje naast hem zitten!"
+
+Hij deed het, doch zette zijn dikken doornstok dwars over Willems
+beenen heen, zoodat deze, die eerst hard wilde wegloopen, er nu op
+bleef kijken, als een haan op een krijtstreep.
+
+"Hoor eens, maatje, ik wed, dat ik weet wat er aan hapert! Wil ik er
+eens naar raden, zeg?"
+
+"Neen! neen!"
+
+"Wel, hoor me nu zoo'n stijfkop eens aan! Dat is zoo kortaf als
+een gebroken pijpesteeltje. Ja, ja, vanmiddag zeker spinnekoppen of
+oorwurmen gevangen, is het niet?"
+
+"Neen! Houd op met plagen!"
+
+"Of zure karnemelk gegeten?" hervatte de oude.
+
+Of Willem nu wilde of niet, daar hielp niets aan; hij moest schreien
+en lachen te gelijk.
+
+"Aha," zei de man, "het zonnetje schijnt en het regent! Nu ga ik
+raden! Huil je ook omdat je niet met dat troepje jongens en meisjes
+mee mag? Zeg?"
+
+Het ijs was gebroken. Willem begon opnieuw te schreien, zei eindelijk:
+"ja!" en toen de vriendelijke man hem vroeg hoe dat gekomen was,
+vertelde Willem weer de heele geschiedenis.
+
+"Zoo, zoo!" hervatte de oude man, "zit de vork zóó in den steel? En
+nu heb je vanmiddag zeker vacantie?"
+
+Willem durfde niet liegen en eindelijk kwam het er uit, dat hij
+stilletjes uit school wilde blijven.
+
+"Dat is goed! Daar doe je wijs aan!" zei de man.
+
+Willem keek hem aan, alsof hij vragen wilde: "Nu fop je me toch?"
+
+"Neen maar, dat is dan toch eens heel verstandig van je, hoor! Nu
+moet je net eens thuis blijven en niet school komen, dan doe je den
+meester schade en je zelf voordeel; want er is voor jongens geen betere
+plaats op de wereld dan de straat. Ze leeren er liegen, luieren,
+vloeken, bedriegen, kwaaddoen en ik weet niet wat al meer! Nu, nu,
+waar moet je nu weer heen?"
+
+Onderwijl die oude man zoo sprak was Willem opgestaan en wilde
+wegloopen.
+
+"Nu zeg, waar moet je heen?"
+
+"Naar school, meneer! Och toe, laat me maar gaan, als ik hard loop,
+dan kom ik nog niet te laat!"
+
+"Zoo? Nu, je bent verstandiger dan ik dacht! Maar zeg, heb je
+Zaterdagmiddag ook school?"
+
+"Neen, meneer!"
+
+"Moet je dan ook boodschappen doen?"
+
+"Neen, meneer! Ik mag altijd den heelen Zaterdagmiddag spelen!"
+
+"Best. Ik woon een half uurtje hier vandaan aan den straatweg. Het
+eerste huis aan je linkerhand, als je den tol voorbij bent. Kom je
+me Zaterdagmiddag dan eens opzoeken om eens wat met me te praten?"
+
+"Ja, meneer, graag, heel graag," riep Willem, en als een pijl uit
+den boog snelde hij heen.
+
+Hij kwam juist nog bijtijds op school en weinig middagen waren er
+geweest, dat hij zóóveel geleerd had.
+
+Wat hunkerde hij naar dien Zaterdag! En toen die dag er was, wat was
+hij toen blij!
+
+Alsof hij dicht bij het tolhek den Brijberg uit Luilekkerland zou
+vinden, zoo vroolijk ging hij er heen, en toen hij nog geen kwartier
+geloopen had, kwam hij den ouden man al tegen.
+
+"Ik dacht: ik zal mijn vriendje maar tegemoet gaan; hij moest anders
+eens verdwalen," zei hij en begon toen over allerlei dingen te praten.
+
+Eindelijk kwamen ze bij een aardig huisje.
+
+"Ziezoo," zei de oude, "hier woon ik! Kijk nu maar eens op de deur,
+dan weet je hoe ik heet en wat ik ben!"
+
+Willem keek op, en las van een koperen plaatje, dat op de deur
+geschroefd was: G. _Balsem_, _Veearts_.
+
+Het aardige huisje zag er van binnen nog netter uit dan van buiten,
+en het tuintje, dat er achter lag, was een lust om te zien, zoo netjes
+als het er uitzag. Mooier bloemen waren er zelfs op de bloemmarkt
+niet te vinden.
+
+En terwijl ze daar samen in den tuin zaten, vertelde mijnheer Balsem,
+dat hij in zijn jeugd een heel arme jongen was geweest, die niet al
+te best wilde oppassen. In plaats van naar school te gaan, bleef hij
+heel dikwijls stilletjes op straat loopen, en daar leerde hij zooveel,
+dat hij, toen hij negentien jaar oud was, als koloniaal naar de West
+kon gaan. Hij werd oppasser bij een kapitein, en dat was gelukkig een
+bovenstbeste man, die den jongen Balsem op het goede pad terugbracht
+en hem zelfs heel goed leerde lezen, schrijven en rekenen. Eens in een
+ledige kamer, die zoowat tot pakhuis gebruikt werd, snuffelend, vond
+hij een boek, waarboven stond: _De verstandige veehouder_. In zijn
+ledige uren las hij er in, en eens toen het paard van een luitenant
+niet wel was, had hij het geluk het dier te genezen. Van dien tijd
+af was er geen paard of koe in den omtrek ongesteld, of Balsem werd
+er bij gehaald, en dikwijls wist hij met eenvoudige middelen de
+dieren beter te maken. Toen zijn tijd om was en hij weer naar huis
+kon gaan, had hij een aardig sommetje bespaard. Zijn ouders waren in
+dien tijd gestorven, en daar niemand in zijn geboorteplaats veel met
+hem ophad, ging hij hier wonen, schroefde het koperen plaatje, dat
+er nóg op was, aan zijn deur, en begon in het vaderland als veearts
+van meet af aan. In zijn ledige uren, die hij in het begin veel had,
+las hij allerlei boeken over de ziekten van het vee, en eer er twee
+jaren verliepen, noemden al de boeren in den omtrek hem: _den knappen
+veearts_. En, dat bracht hem voordeel aan ook. Hij kreeg het verbazend
+druk en verdiende veel geld. Later trouwde hij en kreeg twee zoons, die
+nu zelf al getrouwd waren. "Kijk," dus eindigde hij zijn vertelling,
+"daar ginder in dat boerenhuis met dat roode pannendak, daar woont
+mijn oudste zoon Jan. Hij is boer en het gaat hem goed. Mijn jongste
+zoon is paardenarts bij de dragonders en hem gaat het ook goed."
+
+Nog altijd zat Willem te luisteren of de oude man nog meer zou
+vertellen.
+
+Deze deed het echter niet, maar vroeg eensklaps: "En wat zal jij
+worden, kameraad?"
+
+"Ik weet het niet," antwoordde Willem, "maar ik zou wel bloemist
+willen worden; want ik houd veel van bloemen!"
+
+En hierop vertelde hij, hoe hij voor dat dubbeltje een reseda-plantje
+voor zijn moeder gekocht had, en hoe mooi dat bloeide.
+
+"Nu maar, dat is allemaal niemendal," zei Balsem. "Schoolgaan is in
+de eerste jaren nog maar de boodschap; want het gaat tegenwoordig
+niet meer, manneke, om met weinig te weten in de wereld vooruit te
+komen. Toen _ik_ jong was, kon dat nog, dat zie je; want o, ik weet
+zoo bitter weinig, en toch ben ik rijk geworden. Maar, als ik nu nog
+eens van meet af aan moest beginnen, en ik wist niet meer dan ik nu
+weet, dan werd ik misschien ook nog opperman, net als je vader!"
+
+Toen Balsem zoo een en ander verteld had, ging hij met Willem wat
+in den tuin wandelen en leerde hem nog heel wat van sommige bloemen,
+waarvan de knaap nog nooit gehoord had, en toen hij naar huis ging,
+gaf hij hem een boek mee om er wat in te lezen. Iederen Zaterdag
+mocht hij bij hem komen, en als hij niet thuis was, zou de oude
+vrouw er toch zijn, dan kon hij die vertellen wat hij gelezen had,
+en zij zou hem dan wel een ander boek geven.
+
+Zoo gingen de zomer, de herfst en de winter voorbij;--zoo werd
+het Maart.
+
+"Wat scheelt er nu weer aan, jongen?" vroeg Balsem, toen Willem met
+roodgeweende oogen op een Zaterdagmiddag bij hem kwam.
+
+"Och, meneer, ik moet van school af!"
+
+"Van school af, jij? En hoe oud ben je?"
+
+"Twaalf jaar, meneer!"
+
+"En wat moet je dan gaan doen?"
+
+"Vader heeft me bij zijn baas gedaan, en overmorgen moet ik al beginnen
+met steenenbikken."
+
+"Maar dat wil ik niet hebben. Is je vader thuis?"
+
+"Neen, meneer; maar morgenochtend wel!"
+
+"Best, dan kom ik zelf morgen eens met je vader praten, hoor! Ik heb
+nu geen tijd; want ik moet naar mijn zoon; want die heeft twee zieke
+koeien. Hier, dit boek heb ik voor je gereedgelegd, lees er maar veel
+in. Dag, Willem!"
+
+"Dag, meneer!" antwoordde de kleine steenenbikker, en ging naar huis.
+
+Den anderen dag kwam Balsem bij Willems vader, doch hoe mooi de
+brave en verstandige veearts ook sprak, de opperman wilde niet
+toegeven. Willem moest van de school af en Maandag aan het werk. Hij
+was het nu al lang zat om voor zulk een grooten jongen nog langer te
+werken. Hij kon den kost best zelf verdienen, ja, dat kon hij.
+
+Toen mijnheer Balsem thuis kwam, was de eerste vraag, die hij zijn
+vrouw deed: "Zeg eens, Bet, zou je er veel tegen hebben, als ik een
+loopjongen in huis nam?"
+
+"Maar, wat haal je nu toch in je hoofd? Ben je dan van plan zoo iets
+te doen, Gerard?"
+
+"Van plan, van plan,--als je er erg tegen opziet, dan doe ik het niet,
+dat is eenvoudig."
+
+"Maar waartoe heb je dan een loopjongen noodig? Heb je het nu zooveel
+drukker dan vroeger, en komen de boeren zelf de medicijnen niet
+meer halen?"
+
+"Och ja, vrouw, maar.... wacht, ga zitten, dan zal ik je eens alles
+van a tot z vertellen," hernam Balsem en begon zijn vrouw nu mede
+te deelen wat er met den armen Willem stond te gebeuren. Toen hij
+geëindigd had, besloot hij met te vragen:
+
+"Nu, wat zeg je ervan?"
+
+"Laat den jongen komen, Gerard! Ik wil hem ook helpen," was het
+antwoord.
+
+Na het eten ging de veearts weer naar Willems ouders, om, zooals
+hij dacht, niet alleen de laatsten, maar bovenal Willem gelukkig te
+maken. Doch toen hij op het zolderkamertje kwam, vond hij den opperman
+in geen al te best humeur.
+
+Voor den middag was hij ergens geweest, waar hij, door van iets
+veel te drinken, een warm hoofd gekregen had, en toen hij naar huis
+ging, meende hij, dat de huizen dansten of, erger nog, op zijn hoofd
+wilden vallen. Hij had erg op zijn vrouw en kinderen gegromd. Het
+eten was weer niet gaar, had hij gezegd en toen de tafel afgenomen
+werd, gaf hij Mietje een slag, omdat ze zoo'n leven met de borden
+maakte. Hij knorde op de duiven van zijn buurman, omdat die onder
+het vliegen zoo met de vleugels klapperden. Hij gromde op de honden,
+die langs de straat liepen te blaffen. Hij schopte een stoel omver,
+omdat hij er tegen aanliep, ja, hij was zelfs boos op de zon, omdat
+die zoo warm scheen, en al zulke gekke dingen meer.
+
+"En wat heb je me nu weer te vertellen?" vroeg hij aan Balsem toen
+deze boven kwam.
+
+De veearts zei het hem.
+
+Onze opperman was nu nog zóó raar niet, of hij begreep wel, dat Willem
+veel beter af zou zijn, als hij bij Balsem kwam, dan als hij bij
+den metselaar steenen ging bikken; doch hij had het nu vandaag zich
+eens in het hoofd gezet, een dwarsdrijver te zijn en daarom zei hij,
+toen Balsem zweeg:
+
+"Zeg eens, sinjeur de paardendokter, ik wilde wel, dat je mij en
+mijn geheele familie met rust liet! Ik heb je niet geroepen, en,
+kort en goed, ik zeg je, dat Willem metselaar zal en moet worden,
+begrepen? Meer heb ik je niet te zeggen!"
+
+Nu de oude man voor al zijn goeddoen nog zoo leelijk behandeld werd,
+was hij ook wel wat boos geworden, doch hij was te verstandig om met
+den man te gaan kibbelen, en daarom ging hij zonder iets te zeggen weg.
+
+Beneden aan de trap vond hij Willem.
+
+"Pas maar braaf op, mijn jongen, en kom zoo nu en dan, als je tijd
+hebt, nog eens bij me aan, zal je?" zei Balsem en gaf den knaap
+de hand.
+
+Den anderen dag was Willem aan het steenen bikken, en een enkelen keer
+aan het kalk maken. O, wat had hij er een hekel aan, en wat vorderde
+het werk slecht!
+
+Maar de week ging om en het werd weer Zondag.
+
+"Waar ga je heen, Willem?" vroeg vader, die weer boos was op de
+stoelen, op de duiven, op de honden en op de zon.
+
+"Ik ga naar meneer Balsem!" zei Willem.
+
+"Blijf thuis!" was het korte bevel, dat de jongen kreeg en toen deze er
+iets tegen inbrengen wilde, hernam zijn vader: "Nu, en _ik_ zeg, dat je
+er niet heen mág. Vandaag niet, morgen niet, en nooit meer! Begrepen?"
+
+"Maar, vader, ik heb meneer beloofd, dat ik komen zou!"
+
+"En ik zeg je, dat je niet gaat, gehoord?" was het nijdige antwoord.
+
+"Maar ik mag toch wel op straat loopen?"
+
+"Daar geef ik niet om, maar naar dien paardendokter mag je niet,"
+zei de vader nogmaals, trapte nog gauw een paar stoelen omver, bromde
+op de zon, omdat ze zoo fel scheen en ging liggen slapen.
+
+Willem liep de trappen af en ging de straat op.
+
+Ja, maar hij bleef daar niet. Hij sloop langs de huizen tot hij op
+de Bloemmarkt was, en liep toen wat hij loopen kon, den straatweg
+op naar zijn ouden vriend; maar, och, toen hij dezen vertelde, dat
+hij eigenlijk van zijn vader niet mocht, en dat hij maar stilletjes
+gekomen was, toen zei de brave veearts: "Het spijt me, Willem, dat ik
+je wegsturen moet. Wel zou ik graag weer een uurtje met je praten; maar
+dat kan nu niet! Je mag je vader niet ongehoorzaam zijn. Dag, Willem!"
+
+De knaap had er niet veel zin in, doch Balsem duwde hem zachtjes de
+deur uit en zei nog: "En als je nu weer zonder vergunning van je vader
+hier komt, dan zou ik genoodzaakt zijn het zelf aan je vader te komen
+vertellen. Gehoorzaamheid gaat boven alles, Willem! Dag, kerel!"
+
+Willem kon maar niet begrijpen, dat hij hieraan verkeerd gedaan had, en
+dacht nu, dat die oude veearts hem ook al afviel, en daarom bromde hij
+in zichzelf: "Best, ik zal niet meer bij dien Balsem komen! Pfff! Wat
+geef ik er om?"
+
+"Ik heb toch medelijden met den armen jongen, Gerard," had juffrouw
+Balsem gezegd toen Willem weg was, "en, als ik in jouw plaats geweest
+was, zou ik hem niet weggestuurd hebben!"
+
+"Ik heb ook medelijden met hem, vrouw," was het antwoord, "maar
+kinderen moeten niet te lichtvaardig vader of moeder ongehoorzaam
+zijn. Als er wat goeds in den jongen zit, dan zal tóch wel alles
+terechtkomen."
+
+"Jawel; maar als hij nu eens een kwajongen wordt, als zoovele anderen,
+wat dan?"
+
+"Hoor eens, vrouw, daarvoor zal ik trachten te zorgen!" zei Balsem en
+ging weer naar zijn kleine apotheek om daar eenige medicijnen klaar
+te maken, die zoo op het oogenblik zouden gehaald worden.
+
+En hoe ging het met Willem?
+
+Wel, in zijn booze bui zocht hij nog dienzelfden Zondag eenige jongens
+op, die ook zoo wat op een ambacht waren. Hij probeerde met hen mee
+te doen aan leelijke dingen; maar hij had te veel gelezen en van den
+ouden Balsem te veel goeds geleerd, om er pret in te hebben.
+
+Toen hij nu 's avonds naar bed ging, was hij op zijn manier ook eens
+boos, ja, boos op iedereen. Hij gooide ook met stoelen en deuren,
+precies zooals zijn vader dat een paar keeren gedaan had. Maar
+het meest was hij boos op zichzelf. Waarom? Och, dat wist hij zelf
+niet recht; maar het is heusch waar, hoor, hij was op zichzelf heel
+erg boos.
+
+
+
+
+III.
+
+
+De eene week na de andere ging voorbij. Dat gaat altijd zoo. Of men
+boos of goed, vroolijk of bedroefd is, daaraan stoort zich de tijd
+niet: die loopt maar door. Het was dan ook al heel spoedig najaar
+en daar de zomer niet zeer voorspoedig geweest was, liep het meeste
+werkvolk nu al zonder werk.
+
+Onze opperman had al lang gedaan gekregen, en Willem ook, zoodat die
+twee nu met pakjesdragen en wegwijzen zoo wat den kost verdienden.
+
+Zoo liep Willem weer eens op een donkeren en regenachtigen Octoberdag
+door de straten en ook voorbij de stads-apotheek.
+
+Daar werd tegen de ruiten getikt en toen de knaap opkeek, wenkte de
+apotheker hem, dat hij eens binnen moest komen.
+
+Het was dezelfde man, die eens zoo onverdiend op hem gegromd had,
+en die hem zoo lang liet wachten. Willem was die geschiedenis nog
+wel niet vergeten; maar hij kon toch niet altijd boos blijven ook,
+zoodat hij zonder dralen de apotheek binnenstapte.
+
+"Moet je naar je winkel, jongen?" vroeg de apotheker.
+
+"Ik heb geen winkel, meneer!" antwoordde Willem.
+
+"Zoo! Wil je een boodschap voor me doen?"
+
+"Jawel, meneer!"
+
+"Mooi! Breng dit pakje kruiden dan eens bij mijnheer Balsem, den
+veearts, die dicht bij den tol woont!"
+
+De apotheker wilde hem nu beduiden hoe hij loopen moest om er te
+komen, doch Willem zei, dat hij het best wist; want dat hij er vroeger
+dikwijls geweest was.
+
+"Zooveel te beter," zei de apotheker. "Hij zal je antwoord geven,
+waarop je wachten moet. Komaan, laat eens zien, of je goed boodschappen
+doen kunt!"
+
+"Als ik geld verdienen kan, dan geeft vader er niet om waar ik loop,"
+dacht Willem en stapte den weg op naar den tol.
+
+Toch had hij er niet veel lust in; want na dien Zondag had hij
+mijnheer Balsem maar tweemaal gezien en ongelukkig beide keeren,
+dat hij bezig was met kwaaddoen.
+
+Maar kom, wat gaf hij er om, als hij maar een dubbeltje kon
+verdienen! Het kon immers ook best gebeuren, dat hij niet thuis
+was! Zijn vrouw wist er toch niets van.
+
+Mijnheer Balsem was echter wel thuis, doch zei niet veel. Hij maakte
+het pakje open; bekeek de kruiden, die er in waren, las het briefje,
+dat er bovenop lag en zei toen:
+
+"Wacht even, Willem, ik zal je antwoord meegeven!"
+
+Hé, wat duurde dat lang! Wel een half uur. Maar eindelijk was hij
+klaar. Willem kreeg den brief met de boodschap, om dien aan den
+apotheker te geven, en toen hij de deur uitging, vroeg de oude man
+enkel: "En heb je me soms niets meer te zeggen, Willem?"
+
+"Neen, meneer!" antwoordde deze.
+
+"Goed! Dag, Willem!" klonk het en de deur viel toe.
+
+Toen de apotheker den langen brief gelezen had, zei deze: "Hier is
+een kwartje voor je moeite en vraag aan je vader of je van den winter
+hier mag komen om boodschappen te doen, zal je?"
+
+"Jawel, meneer," riep de knaap en spoedde zich heen om moeder te
+vertellen, dat hij een goeden dag had gehad.
+
+De vader had er ditmaal niets tegen. Hij gaf er niet om wat Willem
+deed, als hij maar kwartjes thuis bracht.
+
+In dien brief, dien Willem had meegebracht, had de oude heer Balsem
+aan zijn vriend, den apotheker, een en ander van dien jongen verteld,
+en hem verzocht of hij ook een oogje op hem wilde houden. Nu weet ik
+zeker, dat de meesten van mijn lezertjes meenen, dat ze eens recht
+boos op dien kwaden apotheker mogen zijn; maar ik geloof, dat ze het
+wel eens glad mis konden hebben.
+
+Op dien morgen toen hij Willem zoo erg toesnauwde, deed hij leelijk,
+heel leelijk zelfs, dat is zoo. Maar een mensch kan wel eens boos zijn,
+en iets verkeerds doen zonder dat hij daarom slecht is.
+
+Jelui bent immers ook wel eens boos geweest, wed ik, ja, wellicht
+ook wel eens op je ouders, is het niet?
+
+Nu, weest maar eerlijk en zegt gerust, dat het waar is; want daarom ben
+jelui nog niet _slecht_. En wil ik eens zeggen, waarom niet? Wel, omdat
+je er naderhand berouw van hadt, en.... omdat je het nooit meer deedt.
+
+Ben jelui nu nog boos op dien apotheker?
+
+Ja, nog wel wat.
+
+Nu, wel wát, dat is nogal zooveel niet.
+
+Den anderen dag stond Willem achter in het pakhuis fleschjes te
+spoelen, en toen hij hiermee klaar was, moest hij in een grooten
+ijzeren vijzel rabarber-wortel stampen. Iederen dag was er werk
+voor hem.
+
+Maar, nu eens was er veel, dan weer weinig te doen. Dat wist de
+apotheker ook wel en daarom had hij gezegd: "Lees je graag, ventje?"
+
+"Ja, meneer!"
+
+"Zoo! En waarvan het liefst?"
+
+"Van bloemen, meneer!"
+
+"Goed, daar houd ik ook veel van! Dan moet je straks maar eens met
+me meegaan naar mijn boekenkast, dan kun je zeggen wat je hebben
+wilt!" zei de apotheker, en hij deed het ook. Ongemerkt gaf hij hem
+langzamerhand minder werk en toen het midden in den winter was, en
+er heel weinig zieken waren, nam hij Willem op zekeren dag eens naar
+een bloemist mede. Jongens, dat was mooi!
+
+Daar buiten lag alles onder de sneeuw; over het water lag een dikke
+ijskorst; al de boomen stonden kaal en geen bloempje, ja, zelfs geen
+groen grassprietje was ergens te zien. En hier in die bloemenkas! Het
+was er heerlijk warm, evenals in Mei. De bloemen stonden te bloeien,
+en boven in de kas hingen zelfs tusschen de donkere wijngaardbladeren,
+kleine trosjes druiven in den bloei. Willems oogen schitterden van
+vergenoegen, en toen de apotheker hem vroeg of hij wel bloemist zou
+willen worden, zei hij: "O, graag, heel graag, meneer!"
+
+"Nu, vraag dan maar hier aan dezen heer of je tuinjongen bij hem
+worden mag," zei de apotheker.
+
+"Och," sprak thans de bloemist, "eigenlijk heb ik geen jongen
+noodig. Ik kan het best met mijn werkvolk af. Maar, als hij er nu
+zoo bijzonder veel lust in heeft, dan wil ik het wel eens met hem
+probeeren. Verleden jaar had ik ook een jongen; maar dien heb ik
+weggejaagd, omdat hij lui was en streken uithaalde. Als hij dat nu
+ook maar niet doet, dan zal het wel gaan. Maar werken, manneke,
+werken is nummer één, en uit de boeken lezen hoe je werken moet,
+en waaróm je zoo doet, dat is nummer twee. Het een gaat niet zonder
+het ander. Nu, zeg op! Wat denk je ervan?"
+
+Willem dacht er natuurlijk goed over en hij beloofde zijn best te
+zullen doen.
+
+"Goed, als deze meneer,"--hij wees op den apotheker,--"die een
+goed vriend van me is, je missen kan, dan moet je morgen maar
+komen. Gegroet!" zei de bloemist en ging heen.
+
+In het naar huis gaan begon Willem zich te bedenken, dat hij misschien
+wel wat gauw "ja" had gezegd en dat zijn vader het mogelijk wel
+niet zou willen hebben; maar de apotheker stelde hem gerust en zei,
+dat hij wel niet zooveel bij den bloemist zou verdienen als bij hem;
+maar als Willem 's avonds klaar was, moest hij maar bij hem komen,
+dan kon hij hem ook nog wat laten doen, en dan zou hij in de week
+wel evenveel thuis brengen als anders.
+
+De opperman had er weer niets tegen, zoodat Willem eindelijk het vak
+mocht leeren waarin hij altijd zooveel lust had gehad.
+
+En jongens, wat werkte hij! Zoo koud kon het niet wezen, dat hij er
+last van had. Hij werd, wat men wel eens zegt, een rechte werkezel,
+en als hij 's avonds thuis kwam, had hij altijd nog wat te doen; want
+het kleine kamertje waarin het eten gekookt werd,--het was eigenlijk
+maar een hok,--stond vol met potten waarin hij stekjes gestoken had.
+
+Zonder het erg te laten uitkomen, begon zijn vader er zelf pret in
+te krijgen, en eens op een avond toen Willem thuis kwam, vond hij
+zijn bloemen al begoten en uitmuntend verzorgd.
+
+"Dat heeft vader gedaan," zei Mietje toen haar broer er haar naar
+vroeg.
+
+Eens op een Zondag, dat het erg vuil weer was, had vader geen lust
+om uit te gaan en dan weer zoo raar thuis te komen.
+
+"Als je me wat voorleest, Willem, blijf ik bij de kachel zitten,"
+zei vader.
+
+Willem keek vreemd op.
+
+Vader wilde hebben, dat hem wat werd vóórgelezen! Hoe was dàt mogelijk?
+
+Moeder zei niets; maar de goede ziel had groote tranen in haar oogen.
+
+Ik heb wel eens hooren vertellen, dat tranen óók wat zeggen,
+jullie ook?
+
+Zou je me dan ook kunnen uitleggen wat die tranen in moeders oogen
+vertelden?
+
+Bedenk je eens!
+
+Het boek, dat Willem voor zichzelf las, was een tuinboek en daaraan
+zou zijn vader weinig gehad hebben. Daarom nam hij wat anders, en wel
+het leven van Michiel Adriaensz. de Ruyter. Wel vijf Zondagmiddagen had
+Willem noodig om het uit te lezen, doch toen hij klaar was, zei vader:
+
+"Hm, hm, die Michiel heeft het met goed op te passen en veel te leeren
+dan heel ver gebracht!"
+
+"Ja, dat heeft hij wél, vader!"
+
+"Nu, jongen, pas jij dan ook maar goed op, wie weet wat je dan nog
+wordt!" hernam de opperman en kleedde zich aan om naar de avondkerk
+te gaan.
+
+Zijn vrouw stond vreemd te kijken. Zelf ging zij er iederen Zondag
+heen, doch haar man was in de laatste vier of vijf jaar niet meer in
+de kerk geweest. Ze zei evenwel niemendal; maar dacht zooveel te meer.
+
+De klok begon te luiden.
+
+"Ik ga naar de kerk, man!" zei ze.
+
+Haar man keek haar aan en zei: "Wacht dan wat, ik ga ook eens mee."
+
+Ze keek hem vragend aan.
+
+"Ja, ja," zei hij, "ik heb veel te lang geleefd, alsof ik niemendal
+met onzen Lieven Heer te maken had. Ik hoop mijn leven te beteren,
+vrouw! Onze Lieve Heer zal mij wel kracht geven om tegen al het kwaad
+te vechten."
+
+Hierop gingen ze samen naar de kerk, en--dat bleef voortaan zoo,
+al staken zijn vroegere vrienden er ook den gek mede.
+
+
+
+Het is zes jaar later.
+
+Op de Bloemmarkt staat een man van omstreeks vijftig jaren bloemen
+te verkoopen.
+
+Het is Willems vader en hij is geen opperman meer.
+
+De oude heer Balsem heeft naast zijn huisje nog een andere woning
+laten bouwen, en hierin woont Willem met zijn ouders en zijn zuster.
+
+Achter die woning is een flinke kweektuin voor bloemen, en tegen
+het huis staat een glazen kas om er de bloemen 's winters in over
+te houden.
+
+Willem is nog altijd bij den bloemist; maar als hij 's avonds thuis
+komt, doet hij het fijne werk in zijn eigen tuin. Zijn vader doet
+het grove, en hij doet dat graag, vooral als de oude heer Balsem, met
+wien hij nu goede vrienden is, hem helpt, of zegt hoe hij doen moet.
+
+Des Zondags bromt hij ook niet meer op de duiven of op de honden. Hij
+is niet boos meer op het lieve zonnetje en de stoelen smijt hij ook
+al niet meer omver. Ja, hij zou zelfs pret in zijn leven hebben,
+als hij maar.... lezen kon. Hij heeft nog geprobeerd het te leeren;
+maar dat ging niet. Het was veel te moeilijk voor hem en toen heeft
+hij het maar opgegeven.
+
+En, als je soms zoo eens met buurman Balsem over die luitjes praat,
+dan zegt hij: "Ja, ja, met wat hulp en goeden wil en vertrouwen op
+den goeden God, kan men in de wereld wel vooruitkomen!"
+
+Wie den goeden wil had, dat weet je, nietwaar, mijn vriendjes, en
+wie Willem en zijn ouders zoo goed geholpen hebben, dat zul je ook
+wel weten.
+
+En.... heeft de een of ander van jelui soms plan om het óók eens te
+beproeven of de veearts waarheid sprak? Zeg?
+
+Je zult er geen berouw van hebben, hoor!
+
+
+
+
+
+WERKEN BETER DAN BEDELEN.
+
+
+Midden in het gebergte lag een alleraardigst dorpje, dat bewoond
+werd door Alpenherders en gemzenjagers. Het lag ook heelemaal van
+den grooten weg af, zoodat men er maar hoogstzelden een vreemdeling
+zag. Als er een kind geboren was, dan wisten ze er allen wat van te
+vertellen; ze wisten hoe het heeten zou, ja, wat het worden moest
+zelfs. Was het een jongetje en was de vader Alpenherder, dan zou
+het kind dat óók eens worden. Was de vader gemzenjager, dan wist
+men vooruit, dat er uit den jongen, als hij maar groot werd, ook een
+gemzenjager groeien zou.
+
+Yan één jongen hadden ze dat echter niet kunnen voorspellen; want
+zijn vader was geen herder en ook geen jager.
+
+"Zwarte Pietro," zooals hij in de wandeling genoemd werd, was eens op
+een zomeravond met zijn vrouw in het dorp gekomen en had in de kleine
+herberg gevraagd of er hier in het dorp niet een huisje te huur was.
+
+"Jawel, vreemdeling," antwoordde de herbergier; "maar het is heel
+afgelegen en wel een half uur buiten het dorp, de bergen in!"
+
+In vroegere tijden had een hertog de gewoonte gehad, om een paar
+keer in het jaar hier te komen jagen en, om te kunnen uitrusten, als
+hij vermoeid van de jacht was, had hij dat kleine huisje daar laten
+zetten. Toen hij later niet meer kwam, had hij tegen den dorpsschout
+gezegd: "Dat jachthuisje geef ik aan het dorp. Je kunt het verhuren,
+als je wilt!"
+
+Maar niemand wilde zoo ver van het dorp wonen en daardoor kwam het,
+dat het jaren lang ledig stond en nog nooit bewoond was geweest,
+toen de vreemdeling met zijn vrouw in het dorpje kwam.
+
+Uit de papieren, die de man bij zich had, bleek dat hij van beroep
+ketellapper was, en dat hij het laatst te Milaan was geweest, waar de
+papieren door het hoofd van de politie onderteekend waren voor "goed."
+
+De dorpsschout maakte dan ook volstrekt geen zwarigheid om het huisje
+aan Pietro, den ketellapper, te verhuren, en reeds den anderen dag
+betrok hij het.
+
+Waar ze op sliepen, op zaten of kookten, dat begreep niemand; want de
+ezel, dien ze bij zich hadden, droeg enkel wat gereedschap, een ketel,
+een volgeladen mand en een paar groote, ledige zakken.
+
+Doch dat ging niemand aan; als de nieuwe inwoners van het dorpje
+maar brave lieden waren, dan was het goed. Zijzelven moesten maar
+zien hoe ze zich behielpen.
+
+In den loop van denzelfden dag, dat het jachthuisje door hen betrokken
+was, kwam hij reeds bij de menschen aan de huizen rond, om te vragen
+of ze geen ketels te lappen, geen aardewerk te krammen, geen klokken
+schoon te maken, geen stoelen te matten of geen geweren te herstellen
+hadden. Hij scheen dus van beroep nog meer dan ketellapper te zijn
+en iedereen, die hem wat gegeven had om te maken, kreeg het spoedig
+en goed afgewerkt weder thuis.
+
+Maar het dorpje was te klein om er op den duur werk genoeg te vinden,
+en daarom zag men Pietro dikwijls voor dag en voor dauw met zijn
+ezel, die het gereedschap droeg, uit het dorp gaan, om op heel andere
+plaatsen werk te zoeken.
+
+Toen hij er zoo omstreeks een jaar gewoond had, vernam men in het
+dorpje, dat hij den vorigen dag een zoontje gekregen had, dat hij
+Luigi noemen zou.
+
+Maar, wat moest Luigi worden?
+
+Ja, dat wist Pietro zelf nog niet. Als hij acht jaar oud was, dan
+was het tijd genoeg om er eens over te gaan praten.
+
+Daarvan begreep niemand iets. Hoe konden er ooit ouders gevonden
+worden, die bij de geboorte van een jongen niet al aanstonds wisten,
+wat hij worden moest?
+
+Intusschen werd de kleine Luigi ouder en grooter.
+
+Zijn moeder bracht hem wel eens een enkele maal mee, als ze
+boodschappen in het dorp moest doen, doch voor het overige zag men
+het kind nooit.
+
+Andere jongens en meisjes gingen op hun zesde jaar al naar de
+dorpsschool; maar Luigi was al acht jaar oud geworden en van schoolgaan
+was nog geen sprake.
+
+Dat was wel ongelukkig; want een mensch, die, als hij groot is,
+niet lezen, schrijven of rekenen kan, is al zeer te beklagen.
+
+Eens bracht Pietro een aap uit de stad mee.
+
+Hijzelf naaide voor het dier een broekje en een jasje, en maakte van
+bordpapier een schako.
+
+De kleine Luigi had razend veel pret met het dier, en leerde hem in
+minder dan een maand allerlei kunstjes.
+
+Had de jongen echter geweten, wat van zijn ijver het gevolg zou zijn,
+hij had misschien met het leeren van die kunstjes geen begin gemaakt.
+
+"Wel, Luigi, wat kan je aap zoo al?" vroeg Pietro op zekeren avond,
+een week of vier nadat hij het beest had thuis gebracht.
+
+"O, vader, hij kan heel beleefd groeten. Alles wat ik hem geef, pakt
+hij aan met zijn rechter voorpoot. Als ik zeg: 'klim', dan klimt hij;
+zeg ik: 'ga dood liggen!' dan ligt hij zoo stil als een muisje, en
+zeg ik: 'Sim, hoe doen de kindertjes, die pret hebben?' dan gaat hij
+dansen en in de handen klappen. Hij kan koffie malen, een geweertje
+afschieten, touwtje springen, en nog veel meer."
+
+"Nu, dat is al meer dan genoeg. Je kunt er zoo best je kost mee
+verdienen!" antwoordde Pietro, en toen Luigi hem met groote oogen
+verwonderd aankeek, vervolgde hij: "Ja, ja, jongen, je bent een paar
+maanden geleden al acht jaar geworden. Het is nu meer dan tijd dat
+je ons huis uit-, en de wijde wereld ingaat!"
+
+"Ga je dan mee, vader?" vroeg Luigi eenigszins beschroomd en verlegen;
+want vader sprak zoo bar.
+
+"Ben je wel dwaas, jongen? Je gaat alleen!"
+
+"Voor hoe lang, vader?"
+
+"Wel, hoor me nu zulk een lompen jongen eens aan! Misschien voor twee
+of drie jaar, misschien ook wel voor altijd!"
+
+"Maar mag ik dan nooit terugkomen, vader?"
+
+"Ja, als je je zakken vol met geld hebt, anders kunnen we je best
+missen!"
+
+De moeder sprak geen woord; maar toch geloof ik, dat zij, als ze doen
+kon wat ze wilde, niet zoo leelijk zou doen als haar man; want nu en
+dan pinkte zij stilletjes een traan weg.
+
+De arme jongen!
+
+Veertien dagen later bracht Pietro, toen hij 's morgens vroeg met
+zijn ezel uitreed om de naburige dorpen te bezoeken, onzen Luigi tot
+aan den grooten straatweg.
+
+Toen ze daar gekomen waren zei de vader:
+
+"Nu, Luigi, ik ga hier links af. Jij moet maar altijd rechtdoor loopen,
+dan kom je, als je stevig doorstapt, tegen den middag in een groote
+stad. Bij de poort begin je maar terstond met Sim kunstjes te laten
+doen en voor het geld, dat je daarvoor krijgt, koop je maar dadelijk
+eten. Begrepen?"
+
+"Maar, vader, als ze me nu eens geen geld geven?"
+
+"Dan ga je bij de boeren buiten de stad maar een stuk brood bedelen en
+vragen of je 's nachts in de schuur mag slapen. En nu, ik ga weg. Zorg
+maar, dat je gauw je zakken vol geld hebt, hoor!"
+
+Zonder iets meer te zeggen ging Pietro heen en liet zijn zoontje staan.
+
+Deze keek met betraande oogen zijn vader na en ging, toen hij hem
+niet meer zag, den weg op.
+
+Hij liep maar al rechtuit en telkens als hij voorbij een huis kwam,
+moest Sim zijn kunstjes vertoonen. Sommige menschen gaven hem wat,
+anderen weer niet. Slechts langzaam vorderde hij, en eerst tegen den
+avond kwam hij in de groote stad.
+
+Hier zou hij geld, veel geld krijgen; want kijk eens, wat rijden daar
+mooie koetsen! Wat loopen daar prachtig gekleede heeren en dames! Als
+ieder maar één cent gaf, dan zou hij spoedig de zakken vol geld hebben,
+en kon hij naar zijn huis terugkeeren.
+
+Dat dacht hij, ja, maar die rijke menschen reden en wandelden hem
+voorbij, zonder hem ook maar even aan te zien. Slechts nu en dan
+smeet er een hem een klein, heel klein koperen geldstukje toe.
+
+Ach, dien avond sliep Luigi voor het eerst van zijn leven op een hoop
+stroo onder een poort!
+
+Hij had ternauwernood zooveel geld verzameld om een droog stuk brood
+te koopen. En, toen hij niet wist waarheen, was hij maar op een hoop
+stroo neergevallen, en daar sliep hij nu in gezelschap van zijn vriend
+Sim, die hem, toen hij schreide, met de zwarte, kleine handen over
+het gelaat gestreken had.
+
+Het is veertien dagen later.
+
+Wat een drukte en beweging is daar ginds aan het spoorwegstation!
+
+Wat zou er te doen zijn?
+
+Wel, een grooten dief heeft men aangebracht. Iedereen wil den man zien,
+die al zooveel kwaad gedaan heeft, en voor wien men nu niet meer bang
+behoeft te wezen.
+
+Maar met dien booswicht hebben we niets te maken, wel met den
+boevenwagen waarin hij per spoor hierheen gebracht werd.
+
+Op het perron stond Luigi met zijn aap, en daar hij hier in deze groote
+stad al zoo lang gezworven had, zonder zooveel te verdienen, dat hij
+iets kon overhouden, besloot hij naar een andere plaats te gaan, die
+ongeveer zes uur verder lag. Maar, hoe daar te komen? Hij had al in
+twee dagen geen brood gekocht, in de hoop dan zooveel te besparen,
+dat hij het reisgeld op het spoor betalen kon. Met dat geld nu was
+hij thans naar het station gegaan, en aan een man met een glimmende
+pet op, vroeg hij of hij voor dat geld wel mee kon rijden naar Trient.
+
+De spoorwegbeambte zag het weinigje geld, begon hard te lachen en zei:
+"Ben je wel dwaas, jongen? Voor geen tienmaal zooveel."
+
+Den armen knaap stond het schreien nader dan het lachen. Hij had er
+nu toch twee dagen lang bijna niets voor gegeten!
+
+De spoorwegbeambte evenwel had pret in de onnoozelheid van den knaap,
+en vertelde het nu eens aan den een, dan aan den ander.
+
+In het eind hoorde de stations-chef het ook. Deze had medelijden met
+Luigi en zei tegen den conducteur: "Je neemt immers den boevenwagen
+weer mee terug?"
+
+"Jawel, meneer!" was het antwoord.
+
+"Welnu, laat den jongen de reis dan daarin maken!" hernam de goedige
+man, en stopte onzen Luigi bij een broodje nog een paar geldstukjes
+in de hand.
+
+Weldra zat hij nu in den donkeren, grooten wagen, waarin alleen een
+venstertje van boven eenig licht bracht.
+
+"Goede reis," riep de conducteur hem toe en sloot de deur.
+
+Daar hoorde Luigi een langgerekt gefluit, toen kreeg de wagen een
+schok, en hij voelde dat hij vooruitging. Of het snel of langzaam ging,
+dat wist hij niet; want hij kon niets zien. Van tijd tot tijd hoorde
+hij het fluiten weer, en hij meende, dat hij er nu zijn zou. Maar dan
+begon het gerommel en gestamp opnieuw. Dat duurde lang en hij begon
+al spijt te krijgen, dat hij meegereden was, toen hij andermaal het
+fluitje van de locomotief hoorde. Een oogenblik later werd de deur
+opengedaan en een andere man dan die hem erin gelaten had, zei:
+"Je kan er uitkomen, mannetje!"
+
+Sim moest weer dadelijk beginnen met zijn kunsten te vertoonen;
+maar het scheen wel, dat de menschen hier nog minder mild waren dan
+te Verona, waar hij vandaan kwam. Reeds begon de avond te vallen,
+toen hij nog zoo goed als niets gekregen had, en hij zag al hier en
+daar uit, of hij niet een geschikte plaats vond om er den nacht door
+te brengen, doch te vergeefs.
+
+Moedeloos zette hij zich op een stoep neer en begon van de droge
+broodkorst, die hij van Verona medegebracht had, te eten, toen een
+jongen bij hem kwam staan.
+
+"Kom je uit Tyrol?" vroeg hij.
+
+Luigi schudde het hoofd.
+
+"Waar kom je dan vandaan?"
+
+"Uit Verona!"
+
+"En wat kom je hier doen?"
+
+"Ik laat Sim kunsten maken."
+
+"Zoo, en heb je al veel verdiend?"
+
+"Hier? Neen, bijna nog niemendal!"
+
+"Dat wil ik wel gelooven; de menschen geven hier niet. De boeren daar
+buiten zijn veel beter. Waarom ga je niet bij de boeren?
+
+"Ik wist het niet, dat die zoo mild waren. Zou ik daar mijn zakken
+gauw vol geld hebben?"
+
+"Misschien wel in een week. Ga jij morgen maar gerust den boer op,
+hoor!" zei de vreemde jongen en ging heen.
+
+Dien nacht sliep Luigi alweer maar in een oude poort, die door de
+vrachtlieden gebruikt werd om er hun karren in te zetten.
+
+Den anderen morgen al heel vroeg ging hij de poort en de stad uit.
+
+Het was een eenzame weg, en hij was misschien wel al een uur
+voortgegaan zonder iemand te ontmoeten, of een huis te zien.
+
+Intusschen begon de zon heel fel te schijnen en het werd brandend
+heet. Den vorigen dag al had hij zijn voeten op de straten van Trient
+open geloopen, en deze begonnen hem nu verschrikkelijk zeer te doen.
+
+Daar kwam hij eensklaps aan een driesprong.
+
+De eene weg liep tegen de bergen op; de andere door het dal en de
+derde door het bosch.
+
+Om tegen de hitte der zon beveiligd te zijn, koos hij den laatsten.
+
+Maar ach, de weg werd al smaller en smaller, en eindigde op het laatst
+in een aantal voetpaden. Een er van sloeg hij op goed geluk in; maar
+hoe hij ook zocht en uitkeek, nergens zag hij menschen of huizen. Ach,
+niets anders dan boomen en nog eens boomen!
+
+Wel besloot hij nu terug te keeren, en den weg door het dal te nemen,
+doch hij verdwaalde op de kleine paden al meer en meer. Hoe licht
+Sim ook woog, hij werd den jongen veel te zwaar om te dragen, en bij
+iederen stap, dien hij deed, had hij het wel kunnen uitschreeuwen
+van de pijn.
+
+Eindelijk hoorde hij hetzelfde schelle gefluit als dat, hetwelk hem
+zoo verveeld en haast bang gemaakt had, toen hij in den boevenwagen
+op het spoor zat.
+
+Hij keek op, en ja, daar ginds zag hij over een breed water een steenen
+brug, en met vreeselijk geweld kwam er een spoortrein over rollen.
+
+Doch op dien weg kon hij weer niet komen; want een andere snelvlietende
+beek scheidde hem er heelemaal van.
+
+Moedeloos zette hij zich bij het frissche, heldere water neer. Zijn
+dorst had hij spoedig bevredigd en thans trok hij de oude kousen uit,
+om in het koele water zijn brandend heete voeten te verkwikken. Uit
+zijn ransel haalde hij een paar lappen, die hij trachtte er om heen
+te winden.
+
+Onderwijl hij daar zoo zat en van pijn en verdriet huilde, hield Sim
+zich met wat anders bezig. Toen zijn baas den ransel had geopend om
+er zwachtels uit te halen, liet hij hem open staan ook, en al dadelijk
+vielen de oogen van den aap op het brood, dat er in lag.
+
+Spoedig had hij het beet en begon er van te eten, en reeds had hij het
+meer dan half op, toen Luigi omkeek en Sim zoo bezig zag. Het beest
+wist zeker, dat hij kwaad deed; want het brood in den mond stekend,
+klom hij er, zoo schielijk hij kon, mede in een boom. Welke lieve
+namen Luigi hem ook gaf, de aap trok maar leelijke gezichten en klom
+nog hooger.
+
+Plotseling echter hoorde Luigi een schot en, eer hij tijd had om te
+zien wie dat loste, tuimelde Sim uit den boom en viel dood aan zijn
+voeten neder.
+
+Daar kraakten de takken en een man, gekleed in een jas met koperen
+knoopen, trad met een geweer onder den arm en een sabel op zijde,
+te voorschijn. Een groote hond sprong hem achterna.
+
+"Was dat jouw aap, jongen?" vroeg hij.
+
+Luigi kon den vreemdeling nauwelijks verstaan, doch hij begreep hem
+toch wel, en zei daarom: "Jawel, meneer, dat was mijn aap!"
+
+"En wat zit je hier te doen?" vroeg de man weer.
+
+Luigi vertelde hem alles en wees op zijn voeten.
+
+"Een mooie geschiedenis," bromde de jager. "Daar schiet ik je
+kostwinner dood, en ik zit met jou opgescheept! Maar zeg, wil je
+werken?"
+
+De arme knaap antwoordde, dat hij wel werken wilde, maar het nooit
+geleerd had.
+
+Dat kon de man, die een houtvester was, maar niet gelooven en daarom
+zei hij: "Och wat, niet werken kunnen! Alle menschen kunnen werken! Ga
+maar mee!"
+
+Luigi droogde zijn voeten af, trok de oude kousen en schoenen aan,
+en, na den dooden aap opgenomen te hebben, strompelde hij den
+houtvester na.
+
+Toen ze zoo ongeveer een kwartier geloopen hadden, kwamen ze aan een
+alleraardigste woning. Voor de deur zat een jonge vrouw en op het
+grasperk liepen drie kinderen te spelen.
+
+"Vrouw," riep de houtvester, "ik breng hier een jongen mee, die niet
+werken kan; maar die honger heeft. Heb je wat te eten voor hem?"
+
+De vrouw was dadelijk bereid, het hem te geven.
+
+Onder het eten begonnen de houtvester en zijn vrouw den knaap allerlei
+vragen te doen, en de eerste schaterde het uit van lachen toen Luigi
+vertelde, dat hij niet thuis mocht komen vóór hij de zakken vol
+geld had; maar toen hij daarna ook vertelde, dat hij niet lezen of
+schrijven kon, ja, zelfs nog nooit gebeden had, riep hij uit:
+
+"Vrouw, heb je ooit van je leven zulke menschen gezien? Dat leert hun
+kinderen niet lezen, schrijven, rekenen, bidden of werken! Mijn hemel,
+jongen hoe kun je dan je zakken vol geld krijgen?"
+
+Luigi tastte dapper toe en ondertusschen spraken de man en de vrouw
+wat met elkander af.
+
+Toen alles op was, legde Luigi den lepel neer.
+
+"Zoo, heeft het je gesmaakt?" vroeg de jager.
+
+"Heerlijk, meneer!"
+
+"Goed, en zou je zóó heerlijk wel driemaal op een dag willen eten?"
+
+"O, wat graag, meneer!"
+
+"Best, dat kan je hier doen! Je mag een week bij ons blijven. In
+den kleinen stal hier achter zal mijn vrouw een slaapplaats voor je
+gereedmaken. Maar, als ik je het dan leer, zou je dan willen werken?"
+
+"Jawel meneer!" gaf Luigi ten antwoord.
+
+"Kom, ga dan alvast maar mee, dan zal ik je aardappelen leeren delven
+en gras snijden; want ik heb zes geiten, weet je, en voor die dieren
+moet jij dan zorgen."
+
+Luigi ging met den houtvester mee en deze deed hem een en ander van
+het werk voor.
+
+De knaap was niet dom en had spoedig den slag er van beet. Zijn dooden
+aap begroef hij in het bosch.
+
+Toen de week om was vroeg de houtvester hoe het hem beviel, en of
+hij bij hem wilde blijven.
+
+"Jawel, meneer, maar, maar...."
+
+"Nu, wat maar, jongen, spreek maar zooals je het meent!" zei de man.
+
+"Maar, meneer, ik zou zoo graag gauw, heel gauw mijn zakken vol
+geld hebben!"
+
+"Aha! Jawel, ik dacht wel dat er zoo iets komen zou. Maar, hoor eens,
+beste jongen, dat zijn maar praatjes van je vader geweest om van je
+af te komen. Heb je met je aap wel ooit zooveel verdiend, dat je goed
+eten kon krijgen en een bed om op te slapen?"
+
+Luigi moest hierop zwijgen; want het was waar, en daarom vervolgde
+zijn vriendelijke baas: "Zonder werken, mijn jongen, kan je geen
+rooden penning overhouden! Je moet tegenwoordig in de wereld zoo
+wat van alles kunnen doen, en dan is het nog een geluk, als je volop
+je brood verdient. Maar, dat wil ik je wel zeggen, als je het werk,
+dat je hier doen moet, altijd zoo goed afmaakt als in de afgeloopen
+week, dan zal je bij mij ook geld verdienen en nog goede kleeren
+bovendien. Zeg, heb je er lust in?"
+
+Luigi bedacht zich geen oogenblik, maar zei dadelijk met een vroolijk
+gelaat: "Jawel meneer! Dat doe ik heel graag!"
+
+Acht jaren zijn sinds verloopen en Luigi is nu een knaap van zeventien
+jaren. Nog heeft hij zijn zakken niet vol met geld, maar toch al
+een aardig spaarpotje. En dan heeft hij nog iets, dat eigenlijk meer
+waard is dan zakken vol met geld. Hij heeft in al dien tijd heel wat
+aangeleerd. Hij kan nu bidden en werken en, als de winterdagen kort en
+de avonden lang waren, leerde de houtvester hem ook lezen, schrijven
+en rekenen. Hij heeft nuttige kennis opgedaan, en.... kennis is macht.
+
+Zoons heeft de houtvester niet, en daarom hebben ze al eens verteld,
+dat de vreemde knaap veel kans heeft, om, als zijn pleegvader oud
+geworden is, houtvester in zijn plaats te worden. Wanneer men dat den
+goeden man zoo eens vertelt, dat begint hij te lachen en gewoonlijk
+zegt hij dan: "De jongen zou het verdienen ook!"
+
+Maar zijn ouders, hoor ik je vragen?
+
+Ja, kinderen, ik heb gehoord, dat in dienzelfden boevenwagen, waarin
+Luigi eens van Verona naar Trient reed, zijn ouders ook gezeten
+hebben. Maar niet om er weer uitgelaten te worden evenals hun zoon,
+doch om van het station af naar de gevangenis gebracht te worden. Men
+vertelde heel leelijke en vreeselijke dingen van die lieden.
+
+Nu, dat is niet te verwonderen ook. Van ouders, die zoo leelijk met
+hun kinderen handelen, verwacht ik nooit veel goeds.
+
+Luigi weet evenwel niet beter, of ze zijn beiden gestorven, en dit
+is maar goed ook; want het moet voor een kind al heel treurig zijn,
+als hij zijn ouders niet thuis, maar in de gevangenis heeft wonen.
+
+En hier aan het slot dezer vertelling heb ik een wensch voor jelui
+en die is deze:
+
+Ik hoop, dat de Lieve Heer jelui allen eenmaal op dezelfde eerlijke
+wijze het dagelijksch brood doe vinden, en dat je van jullie kant
+niet alleen zult zeggen: "werken is beter dan bedelen," maar ook:
+"het geluk zit niet in zakken vol goud."
+
+
+
+
+
+DE BAVIAAN.
+
+
+"Kijk, kijk, die moet er ook wezen! Wat maait hij met zijn beenen! Het
+lijkt wel of het roeiriemen zijn! En wat zwaait hij met zijn armen! Het
+is of hij aanstonds op den hol zal gaan! Dat is een gekke vent! Zie
+je hem wel, Douwes?"
+
+"Och, jij met je geschreeuw, zwijg toch! Straks poetst die oppasser
+met zijn lederen helm en sabel op zijde, ons nog weg! Wat zeg jij er
+van, Huibert?"
+
+"Wat ik er van zeg? Dat er hier voor ons toch zooveel niet te zien
+is. Ik ga er uit en buiten op het plein wat vangballetje spelen. Kijk
+eens wat een mooie bal, Douwes!" riep de derde en duwde zijn makker,
+die eigenlijk een heel anderen weg uitzag, een grooten elastieken
+bal onder den neus.
+
+"Och, loop, jij met je bal! Ik blijf hier, George, en het is een
+knappe jongen, die me er vandaan krijgt!" antwoordde Douwes.
+
+Dit gesprek werd gevoerd bij een gebouw van den dierentuin, waarin
+allerlei opgezette dieren bewaard werden. Het was kermis en de directie
+van die diergaarde wilde den vreemdelingen en onbemiddelden burgers
+ook wel eens wat laten kijken, en daarom stond dien dag voor een
+onnoozele vijfentwintig cents het hek open.
+
+En, er werd druk gebruik van gemaakt ook.
+
+Matrozen, die van de lange reis teruggekeerd waren en nu in het
+vaderland het zuur verdiende geld bijna zoo goed als gingen opmaken;
+soldaten, die niet veel te missen hadden en toch ook wel eens wat zien
+wilden; kindermeisjes met kleine kinderen op den arm, die bang werden;
+heeren en dames, die van buiten de stad kwamen en oude vrouwtjes uit
+een hofje, alles woelde en wriemelde door elkander.
+
+Tusschen het gedrang aan de poort was het Douwes, Huibert en George
+gelukt om, zonder de entree te betalen, toch binnen te komen, en
+als echte stads-kwajongens dachten ze er geen oogenblik aan, dat ze
+heel leelijk deden, en dat ze wel eens op een gevoelige wijze konden
+weggejaagd worden.
+
+Overal waar ze kwamen hadden ze het hoogste woord, en als ze het
+konden gedaan krijgen, dan hielden ze vooral de menschen, die van
+buiten kwamen, braaf voor den gek.
+
+Zoo hadden ze bij de apenkooi tegen een ouden zeeman, die er heusch
+heel leelijk uitzag, gezegd:
+
+"Baas, is die baviaan daar je broertje of je zoontje?"
+
+Ze waren hierop schielijk weggeloopen; maar Douwes was nog niet vlug
+genoeg geweest, want hij had van den zeeman nog een fermen draai om
+zijn ooren opgeloopen.
+
+"Baviaan, leelijke baviaan!" riepen de drie jongens, toen ze zoo ver
+waren, dat hij hen toch niet meer krijgen kon.
+
+"Wel foei, dat waren dan toch eens echte kwajongens!" denk jelui zeker.
+
+Ja, wat zal ik je daarop antwoorden? Ik hoop maar, dat je nog nooit zoo
+iets zult gedaan hebben, en het ook nooit doen zult! Anders.... Doch
+laten we nu weer maar naar ons ondeugend drietal terugkeeren.
+
+Alleen Douwes had dan gezegd, dat hij hier blijven wilde. Waarom,
+dat wist hij zelf niet; hij keek tóch nergens naar.
+
+"Hoor je het, Huibert, hoor je het? Douwes blijft hier en wil niet
+meespelen. Wat 'n brave jongen toch, hé?" riep George op tergenden
+toon.
+
+"O, hij is vast bang, dat hij den Baviaan weer ergens zien zal,
+en dat wil hij liever niet," antwoordde Huibert.
+
+Toen hij dit gezegd had, werd hij door een dikken heer tegen het
+lijf geloopen, en achter zich kijkend om te zien wie dat deed, zag
+hij, achter een langen rekruut, den man staan over wien ze zooeven
+gesproken hadden.
+
+"Ik zie iemand met een wollen muts op. Op die wollen muts is een
+kwastje, en onderaan een randje van rood, wit en blauw. Wie zou dat
+zijn, Douwes?" zei hij.
+
+Douwes keek ook om en zag den man, dien hij had uitgescholden, en van
+wien hij een klap om de ooren gekregen had, ook staan. Hij stond te
+lachen, omdat niet ver van hem af, een kind op den arm van een meisje
+uit benauwdheid hard begon te huilen.
+
+"Nu blijft Douwes nog hier," sarde Huibert.
+
+"Neen, neen, laten we maar gauw maken, dat we wegkomen! Ga je mee naar
+de Markt, daar is Dassie met zijn honden- en apenspel. Dat is veel
+mooier dan hier!" zei Douwes en trok zijn kameraads mede naar buiten.
+
+Het kostte onzen jongens nogal moeite om uit het hek te komen;
+want zóó dom waren ze toch niet, of ze begrepen, dat de portier,
+hen ziende, wel zou kunnen nagaan, dat zij geen jongens waren om een
+kwartje entree te betalen.
+
+Doch ze wisten ook hier hun kans zóó goed waar te nemen, dat ze er
+ongemerkt uit konden komen, en spoedig daarop stonden ze op de Markt
+voor het honden- en apenspel. Wat ze daar zoo al uitvoerden, wil
+ik liever maar niet vertellen, want dat was ook al niet veel moois,
+dat begrijp je wel.
+
+Liever willen we kennis maken met den leelijken zeeman.
+
+Zie, daar komt hij het hek uit.
+
+Ja, het is waar! Hij is foeileelijk en heusch niet veel mooier dan
+een baviaan.
+
+Welke dikke lippen! Welk een stompe neus! Wat rare oogen! En wat
+loopt hij "sjok-sjok" langs de straat! Het is of hij dronken is.
+
+Nu maar, dan kijk je toch verkeerd, hoor! De man is volstrekt niet
+dronken, en we kunnen hem gerust volgen ook. Als wij hem maar niet
+uitschelden, zal hij ons geen kwaad doen.
+
+Kijk, daar slaat hij links af en loopt de Maansteeg in.
+
+Dat is geen mooie straat. Allemaal groentewinkels en
+water-en-vuur-huizen.
+
+Wat hindert dàt? Daar kunnen ook wel goede menschen wonen, zou ik
+zoo meenen.
+
+"Dag, grootvader! Ben je daar al?" roept een klein meisje, dat den
+ouden zeeman te gemoet komt en hem bij de hand vat. "Grootmoeder
+slaapt nog, en het eten is bijna klaar. Ik ben blij, dat je terugkomt!"
+
+"Zoo, Leentje, was je bang, meid?"
+
+"Neen, grootvader; maar het is hier zoo stil in de steeg! Al de
+menschen zijn naar de kermis."
+
+"Nu, als grootmoeder wakker is, en je hebt de tafel afgenomen,
+dan wed ik, dat je wel met me mee mag. Kijk, dat heb ik alvast voor
+je gekocht!"
+
+Dit zeggend, haalde de man uit zijn jaszak een alleraardigst
+speldenkussentje en een naaldenkokertje, die allebei keurig mooi met
+schelpjes opgelegd waren.
+
+"Is het goed, lieve meid?" vroeg hij.
+
+Leentje stond te dansen van blijdschap, en den ouden man om den
+hals vallend, zag zij niet, dat hij zoo verschrikkelijk leelijk was,
+maar gaf hem drie frissche zoenen.
+
+"Nu, nu, je bent een beste meid, hoor!" zei grootvader en stapte met
+Leentje het kleine en armoedige huisje aan het eind van de Maansteeg
+binnen.
+
+Het zag er armoedig maar knapjes uit. Wat blinken kon, blonk, en
+wat helder en schoon kon zijn, was niet vuil, maar bij de sneeuw af,
+zoo wit.
+
+En hier woonde nu Jochem Pels met zijn vrouw, die echter in den
+laatsten tijd wat sukkelde. Daarom was Jochem naar zijn zoon gegaan, en
+had hem gevraagd of Leentje, op een na het oudste van zijn kinderen,
+grootmoeder wat in het huishouden mocht helpen. De zoon deed dat
+natuurlijk graag, en zoo komt het, dat we op dezen mooien kermisdag
+Leentje Pels bij grootvader in de Maansteeg, en niet bij haar vader
+in de Turflaan vinden. Na afloop van het middageten knapte Leentje
+zich wat op, om met grootvader naar de kermis te gaan. Grootmoeder
+was nu opgestaan, en op het oogenblik iets beter.
+
+Hé, wat keek Leentje op de kermis rond! Wat was er veel, waarvan ze
+zelfs den naam niet wist!
+
+Ze kwam haast oogen te kort!
+
+Dat was vooral bij een groote speelgoedkraam het geval.
+
+Onverwachts hoorde ze echter eenige jongens schreeuwen; "Baviaan,
+leelijke baviaan!" en naar den kant ziende, vanwaar de stemmen kwamen,
+zag ze drie jongens, die hard lachend achter de kraam liepen, en aan
+de andere zijde weer voor den dag kwamen.
+
+"Baviaan, leelijke baviaan!" riepen ze nogmaals.
+
+Eén der jongens kende ze wel. Het was Douwes Vlinder, die vroeger
+ook in de Turflaan gewoond had; maar wie de twee andere waren, dat
+wist ze niet. Ze had hen nooit gezien.
+
+De oude Pels deed net, alsof hij niets gehoord had en ging met Leentje
+verder de kermis op.
+
+Toen ze weer thuis waren, vroeg Leentje: "Maar, grootvader, wat is
+een baviaan?"
+
+"Dat is een groote, leelijke aap!" was het antwoord.
+
+"Maar was er dan bij die kraam een baviaan? Ik heb er geen gezien!"
+
+"Och, dat riepen die jongens maar om iemand uit te schelden!" was
+het antwoord, en hij zei er verder maar liever niets van.
+
+Den anderen dag ging Leentje in den vroegen voormiddag een boodschap
+doen.
+
+Daar zag ze Douwes loopen en dadelijk dacht ze weer aan den baviaan.
+
+"Douwes, Douwes!" riep ze.
+
+De jongen keek om en vroeg: "Wat moet je?"
+
+"Toen ik gisteren met grootvader bij die speelgoedkraam stond, riep
+je met je drieën: 'baviaan'! Waar was die dan, zeg?"
+
+"Zoo, was dat jouw grootvader?" antwoordde Douwes. "Wel, dat riepen
+we tegen hem."
+
+"Maar grootvader is toch geen aap?" riep Leentje verwonderd uit.
+
+"Neen, maar hij lijkt er toch veel op. Of is hij niet leelijk
+genoeg?" riep Douwes en ging weer verder.
+
+--"Grootvader net een baviaan, omdat hij zoo leelijk is! Wel, dat heb
+ik nog nooit gezien! Ik vind hem zelfs wel mooi, en.... hij is toch
+zoo goed, o, zoo goed," sprak het kind in zichzelf. Ze begreep er
+niets van, en het is geen wonder, dat ze bij grootvader terugkomend,
+hem, heel onschuldig, dadelijk alles vroeg.
+
+"Och ja, lieverdje," sprak de oude man, "ik ben leelijk, heel
+leelijk, mijn hartje! Ik ben zoo geworden toen ik een buurvrouw uit
+een brandend huis gehaald heb. Geheel mijn gezicht was verbrand en
+ik werd doodziek. Toen ik beter was en in den spiegel keek, kende
+ik mijzelf niet, zoo leelijk was ik geworden. En daarom riepen die
+jongens, toen ze me zagen, 'baviaan'! Begrepen?"
+
+"Ja, grootvader, maar dat is toch heel leelijk van die jongens, niet?"
+
+"Zeker, beste meid; maar ik hoop, dat ze later wel zullen leeren
+begrijpen, dat een leelijk mensch toch ook een mensch is, en even
+goed en braaf kan zijn, als de mooiste man of vrouw!"
+
+Leentje keek haar grootvader nog eens aan en zei toen:
+
+"Maar, stellig, grootvadertje, u is heusch niet leelijk! Dat zeg ik"
+
+"Ja, kind, ik ben het wel; maar dat kan _jij_ niet zien!"
+
+"En waarom niet, hé?"
+
+"Omdat je zooveel van me houdt, engel!" antwoordde de man en gaf
+toen de zoenen, die hij den vorigen dag van haar gekregen had, wel
+driedubbel terug.
+
+
+
+De kramen zijn afgebroken en nergens meer te zien!
+
+In heel de stad is het weer alles, zooals vóór de kermis.
+
+De scholen zijn ook weer begonnen, doch Douwes, George en Huibert,
+die het leeren nog hard noodig hebben, vinden het straatloopen
+pleizieriger, en zijn dus maar stilletjes uit school gebleven.
+
+"Zeg, Douwes, wat zullen we gaan doen?" vraagt Huibert op zekeren dag.
+
+"Op de wallen spelen!" antwoordt George.
+
+"Ben je wel dwaas?" roept Douwes, "op den wal spelen, waar iedereen
+loopt en ons zien kan! Neen, ik ga buiten in den Vliet bij de
+sluisdeuren vischjes vangen. Daar ziet geen mensch ons, en toch kunnen
+wij de klok hooren slaan; want, we moeten op ons uurtje passen, weet
+je! Als we kwartier voor twaalven naar huis gaan, dan weten vader en
+moeder niemendal."
+
+"En waarmee wil je visschen?" vroeg George.
+
+"Wel, we binden onzen zakdoek aan een stok, dan hebben wij een
+schepnetje. Eergisteren heb ik wel dertig stekelbaarsjes gevangen. Twee
+leven er nog, die zwemmen thuis in de waschtobbe."
+
+Zoo iets stond den twee jongens aan en het was geen kwartier later,
+of ze waren alle drie bij de sluisdeuren.
+
+Die sluis was in 1784 gemetseld, en hoewel de deuren in dien langen
+tijd vast wel vernieuwd zullen zijn, toch waren ze niet te best
+meer. Aan den eenen kant was het water veel lager dan aan den anderen
+kant in den Vliet; het water sijpelde evenwel door de deuren heen,
+en kwam in de ondiepe vaart. Hier was geen visch. Neen, maar aan
+de andere zijde, in den Vliet! Voornamelijk in de hoeken en op het
+plekje waar een lek was, daar wemelde het van stekelbaarsjes. Dat
+zou een goede vangst geven!
+
+Hé, wat zoog dat water! De zakdoeken werden heelemaal tegen de deuren
+gedrukt. Hierdoor vingen ze al bijzonder weinig.
+
+"Wacht," riep Douwes, "ik ga midden over de sluisdeuren hangen,
+dan vang ik zeker. Maar dàn doe ik het aan den anderen kant."
+
+"Pas op, dat je er niet invalt!" waarschuwde George.
+
+"Och loop! Denk je dan, dat ik mij niet kan vasthouden? En bovendien,
+ik kan heel goed zwemmen," riep Douwes en kroop langs een der
+sluisdeuren naar het midden.
+
+Onderwijl hij daar zoo lag, hoorden de beide andere jongens het geluid
+van roeiriemen in het water.
+
+"Ga eens kijken wie daar komt!" zei George.
+
+Huibert klauterde naar boven en gluurde door het lange gras heen naar
+den Vliet.
+
+"O jongens," riep hij, "het is de Baviaan! Gauw, Douwes, gauw,
+kom hier!"
+
+En Douwes kwam, maar toen hij bijna aan het kantje was, gleed hij
+uit en plofte in het water.
+
+O, hij kon zwemmen, zie je, dat was minder! Als hij maar aan den kant
+was eer de Baviaan kwam!
+
+Maar Douwes had gepocht toen hij zei, dat hij zwemmen kon. Er was
+niemendal van aan en hij plompte in het water van belang.
+
+Pels hoorde het; roeide er heen en nam Douwes in zijn schuitje.
+
+George en Huibert liepen hard weg, en zagen uit de verte toe wat de
+Baviaan Douwes toch wel doen zou.
+
+Maar hij deed hem niets. Hij roeide eenvoudig naar den wal, zette
+Douwes op den kant en zei alleen: "Wees voortaan voorzichtiger,
+manneke, als je bij de sluisdeuren gaat visschen, in plaats van naar
+school te gaan, zooals je moet!"
+
+Druipnat en met beschaamde wangen stond Douwes aan den oever, en wist
+niet wat hij doen moest.
+
+De Baviaan roeide verder en toen hij uit het gezicht was, kwamen
+George en Huibert aanloopen om te vernemen, wat de leelijke vent hem
+gedaan of gezegd had.
+
+Douwes vertelde het hun; maar voegde er dadelijk bij: "Wat moet ik
+nu doen? Ik kan toch zoo maar niet naar huis gaan!"
+
+"Wel neen, dat hoeft ook niet! Het is nog maar half tien. Je trekt
+je kleeren uit en laat ze drogen. Anders zit er niet op!" zei George.
+
+Douwes begreep, dat dit nog het beste was, en zijn kleederen
+uittrekkend, wrong hij die eerst uit en legde ze toen te drogen.
+
+Gelukkig was het zomer, en toen hij ze kwartier voor twaalven weer
+aantrok, kon men er bijna niets meer van zien.
+
+Daar kwam hij dan nog eens goed af! Dat had hij nu in het geheel
+niet gedacht, hoor! Hij had al vast op een pak slaag van den Baviaan
+gerekend, en nu hij dàt misgeloopen was, meende hij dat alles wel
+goed zou gaan!
+
+Ja, dat meende hij. Maar het kon toch wel eens anders wezen, nietwaar?
+
+Precies op klokslag van twaalven kwam Douwes thuis.
+
+Het was etenstijd en Douwes ging op zijn gewone plaats naast moeder
+zitten.
+
+"Wat is er toch een rare lucht in huis!" zei ze en keek overal rond
+of ze ook wat zag.
+
+"Ik ruik niemendal!" antwoordde vader.
+
+"En ik ook niet!" zei Douwes.
+
+"Net modder! Heb je soms op straat in de modder getrapt?" vroeg moeder
+weer en zag haar zoon aan.
+
+"Neen, moeder, ik ben naar school geweest!" gaf de jongen ten antwoord.
+
+"Maar daarom kan je toch wel in de modder trappen! Nu zou ik haast
+gelooven, dat je er stilletjes uitgebleven bent," hernam zij.
+
+"Neen, ik ben naar school geweest, hoor! Vraag het maar aan George
+en Huibert!"
+
+"Ja, dat zijn ook lieve jongens! Maar kijk eens, vader, Douwes heeft
+kroos in zijn haar zitten en aan een knoop van zijn jas ook!" hervatte
+moeder.
+
+Douwes wilde een nieuwe leugen verzinnen; maar eer hij daartoe kwam,
+zei vader: "Waarom zit je zoo te jokken, kwajongen? Je hebt in de
+sloot gelegen! Kijk maar, het eendenkroos zit nog in je haar. Spreek
+op, hoe komt dat?"
+
+"Ik heb in het gras gerold en het is gras," bromde Douwes, doch
+vader verstond geen gekscheren en ging na afloop van het eten naar
+school. Juist toen ze den hoek van de Vinkestraat, waarin de school
+stond, insloegen, liepen ze bijna den Baviaan tegen het lijf.
+
+"Hei, hei, Vlinder, je loopt me haast omver! Man, wat heb je een
+haast!" zei Pels, die Vlinder goed kende.
+
+O, wat werd Douwes benauwd! Het zweet brak hem van angst naar alle
+kanten uit. Als de oude nu maar niet vertelde, dat hij en zijn twee
+kameraads hem altijd uitscholden, dan was het nog minder. Dat hij
+stil uit school gebleven en in het water gevallen was, wist vader nu
+toch al!
+
+"Ja, Pels, ik moet mijn jongen naar school brengen. Hij is vanmorgen
+stilletjes thuis gebleven en op den koop toe in het water gevallen."
+
+"Zoo, is dat je jongen?" vroeg Pels.
+
+"Ja! Ken je hem?" was het antwoord.
+
+"Ik heb hem wel eens meer gezien; maar ik wist niet, dat het je zoon
+was. Hoe heet hij?"
+
+"Douwes!"
+
+"Zoo, zeker naar zijn grootvader?"
+
+"Ja!"
+
+"Nu, als hij dan maar half zoo braaf wordt, als die oude man was,
+dan zal het best met hem schikken."
+
+"Ja, vader was een braaf mensch," zuchtte Vlinder; maar naar den
+toren ziende, bemerkte hij, dat het al laat geworden was en zei daarom:
+
+"Nu, Pels, ik moet weg. Maar zeg, wanneer kom je me toch eens
+opzoeken?"
+
+"Als ik maar weet waar je woont!" antwoordde Pels.
+
+"Hoe is het, weet je dat niet meer? Ik woon in het Kaneel-slop, Nº. 8!"
+
+"O zoo, woon je daar? Nu, ben je vanavond zoo omstreeks acht uur thuis,
+dan kom ik een uurtje praten!"
+
+"Dat is goed, ik zal je wachten!" zei Vlinder en ging met Douwes
+naar school.
+
+Maar meester had geen lust om den jongen, zooals hij er uitzag,
+tusschen de andere kinderen te zetten, en daarom vroeg hij of Vlinder
+het goedvond, dat hij hem maar heel den middag bij den spekslager
+naast het varkenshok zette.
+
+Vader had er niets tegen, en zie, den ganschen middag stond Douwes
+bij het varkenshok met de lei in de handen; want ledig staan mocht
+hij niet. Honderdmaal moest hij keurig netjes op de lei schrijven:
+_Soort zoekt soort_!
+
+Douwes had er in het eerst niet veel lust in; hij legde zijn lei op
+den grond en begon de varkens te bekijken.
+
+"Ben ik dan een varken?" bromde hij. "Waarom laat meester me schrijven:
+_soort zoekt soort_? Hij scheldt me niet uit, neen, dat doet hij niet;
+maar het is toch langs het kantje af!"
+
+En zoo redeneerde hij al voort, tot hij ten laatste aan den Baviaan
+dacht.
+
+"Dien leelijken vent heb ik uitgescholden, dat is waar, maar hij
+geleek toch meer op een baviaan dan ik op een varken gelijk!"
+
+Wacht, daar stond een emmer met schoon water. Net een spiegel! Als
+hij er eens in keek, dan zou hij toch eens goed kunnen zien, dat hij
+geen varken was.
+
+Juist was hij bezig met kijken, toen een kweekeling kwam om zijn
+strafregels te zien.
+
+Hij had er nog niet één.
+
+"Nu, Douwes, dan komen er vijfentwintig bij, heeft de bovenmeester
+gezegd!" zei de kweekeling en ging heen.
+
+Nog een poosje bleef Douwes staan, doch hij begon te bedenken, dat
+hij er nog wel eens vijfentwintig bij kon krijgen, en daarom besloot
+hij maar bedaard aan het werk te gaan.
+
+"_Soort zoekt soort_," het stond er honderd vijfentwintig maal toen
+de klok vier uur geslagen had en meester op de plaats kwam.
+
+Douwes moest nu in de school. Al de kinderen waren weg.
+
+Wat zou er gebeuren?
+
+"Hij moet niet probeeren me te slaan," dacht de brutale knaap,
+"want dan zal ik het den Burgemeester gaan vertellen, en dan zal hij
+leelijk tegen de lamp loopen!"
+
+Maar meester sloeg niet. Hij legde een pen voor Douwes neer en zei:
+"Komaan, manneke, nu zullen we al het werk, dat we vanmorgen hier
+onder schooltijd gedaan hebben, met ons beitjes eens na schooltijd
+doen. Vindt je het goed?"
+
+Neen, Douwes vond het niet goed. Hij vond het zelfs gemeen en slecht;
+maar tegenpruttelen durfde hij niet.
+
+Om zeven uur ging Douwes naar huis met de boodschap, dat hij
+morgenmiddag van hetzelfde laken een pak zou hebben, als hij weer
+niet school kwam en vischjes ging vangen.
+
+Toen hij thuis kwam, vond hij zoowaar den Baviaan al op vader zitten
+wachten.
+
+Dat was evenwel zoo afgesproken; want toen Vlinder naar zijn werk
+ging, stond Pels hem op te wachten en vroeg hem, of hij het goedvond,
+dat hij vanavond een beetje vroeger kwam om wat met Douwes te praten.
+
+Vader had dit uitmuntend gevonden.
+
+"Zoo, Douwes, kom je nu pas uit school?" begon hij. "Ik heb gehoord,
+dat je moeder je schoon goed wil laten aantrekken, en daar je vader
+toch eerst te acht uur thuis komt, heb ik er wat op verzonnen. We
+zullen samen naar de badinrichting gaan, en daar eens een bad
+nemen. Dat zal je heelemaal opknappen. Ga je mee?"
+
+Douwes had er maar half lust in; maar moeder stopte hem zijn schoon
+goed, in een doek geknoopt, in de handen, en de twee gingen heen.
+
+Toen ze klaar waren, kende Douwes zichzelven niet. Het was, alsof
+hij een andere jongen geworden was, zoo vreemd gevoelde hij zich.
+
+Dat kwam vooreerst door het frissche bad en dan, neen maar, als hij
+dien ouden Pels zoo eens aankeek, dan was die man toch zoo leelijk
+niet!
+
+En wat praatte hij aardig! Hij sprak over geen schelden, of over geen
+stil-uit-school-blijven, niets van dat! Hij had het over heel andere
+zaken, en toen hij thuis kwam had hij spijt, dat vader nu met Pels
+praten ging.
+
+Eindelijk ging de oude zeeman heen, doch toen hij de kruk van de deur
+al vast had, zei hij: "Wat ik zeggen wil, Douwes, ik ga morgenmiddag
+om vijf uur in de plassen buiten de stad visschen. Als je mee wilt,
+en je mag van je ouders, dan moet je maken, dat je op dat uur bij de
+sluis bent! En als je kameraads ook mee willen, en hun ouders hebben
+er niets tegen, dan breng je ze maar mee, hoor! Gegroet!"
+
+In den vroegen morgen van den volgenden dag zocht Douwes zijn twee
+kameraads op. Hij vertelde hun alles wat er gebeurd was en ook dat
+ze vanavond mee mochten gaan visschen, als vader of moeder er niets
+tegen hadden.
+
+Wel stonden Huibert en George gek te kijken; maar Douwes wist zooveel
+van den ouden Pels te vertellen, dat ze besloten verlof te vragen om
+mee te gaan.
+
+Natuurlijk moesten ze dan ook naar school; want anders liep het
+heelemaal mis.
+
+Meester zei niets en keek de drie luitjes zoo nu en dan maar eens
+even aan.
+
+Hé, ze hadden nog nooit zoo veel gewerkt en, om de waarheid te zeggen,
+ze vonden het toch wel prettig.
+
+Doch toen 's middags om vier uur de school uitging en meester kortaf
+beval, dat ze alle drie zouden blijven zitten, zie, toen keken ze
+toch niet heel vriendelijk en ze meenden, dat ze heel onrechtvaardig
+behandeld werden.
+
+Doch meester had volstrekt geen plan om de jongens te straffen;
+hij wilde hen eens ernstig over dat stil uit school blijven
+onderhouden. Hoe hij het aanlegde heb ik nimmer vernomen, maar een
+buurvrouw, die voor het raam stond, dat op het schoolplein uitzag,
+had de knapen alle drie zien schreien, toen ze een kwartiertje later
+dan de andere kinderen uit school kwamen.
+
+"Heb je slaag gehad, jongens?" vroeg ze.
+
+"Neen!" was het korte antwoord.
+
+"Wat scheelt er dan aan?" hernam ze weer; want ze was wat nieuwsgierig
+uitgevallen.
+
+De jongens gaven haar echter geen antwoord en gingen bedaard verder.
+
+Te vijf uur waren ze bij de sluis. Ze behoefden niet lang te wachten;
+want spoedig was Pels er ook.
+
+Hij kwam met zijn roeibootje naar den wal en zei: "Stap maar in,
+jongens!"
+
+Dat lieten ze zich geen tweemaal zeggen.--Weldra waren ze nu met hun
+vieren in de boot, en de oude Pels trok nog zoo stevig aan de riemen,
+dat een voetganger, die nogal goed doorstapte en langs het smalle
+jaagpad liep, het bootje niet bij kon houden.
+
+En toen ze op de plassen kwamen, wat hadden ze toen een pret!
+
+Wat wist die oude man aardige geschiedenisjes te vertellen. En wat
+werd er veel gevangen!
+
+De avond was om eer ze het wisten, en toen ze tegen het donker weer
+bij de sluis aan wal stapten, riep Pels: "Nu, jongens, tot overmorgen,
+hoor! Wel te rusten!"
+
+Nauwelijks was Pels met zijn bootje den hoek omgedraaid of Douwes zei:
+
+"Wat zeg je nu van den Baviaan?"
+
+"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Huibert, "maar we moeten hem toch
+niet meer uitschelden, wel?"
+
+"Neen, want hij is veel te goed, en overmorgen mogen we weer
+mee!" sprak George.
+
+Nu, overmorgen kwam, en ze gingen weer op de plassen.
+
+Ze dachten er niet meer aan om hem Baviaan te noemen, en toen ze
+later eens bij hem aan huis kwamen, was het ook de oude Pels, die
+hun leerde wat ze doen moesten om braaf en gelukkig te worden. Nooit
+meer verzuimden ze de school, en meester had altijd pleizier van
+deze jongens.
+
+Nu zijn ze alle drie onder dienst geweest en verdienen hun eigen
+brood; maar nog altijd is de oude Pels hun beste vriend, en als ze
+eens een uurtje vrij hebben, en het weer zóó is, dat ze niet weten
+waar ze loopen zullen, dan kan men hen altijd in zeker huisje van de
+Maansteeg vinden.
+
+Onlangs kwamen ze er weer uit en toen zei Douwes tot Huibert en George:
+
+"Leelijk is hij, leelijk als de nacht! Hij is waarlijk nog net een
+baviaan; maar hij is _goed_, _verstandig_ en _braaf_, dat zegt meer,
+zou ik denken!"
+
+"Dat gelooven wij ook!" antwoordden de andere twee.
+
+De oude Pels leefde nog verscheidene jaren en werd zelfs
+overgrootvader; want Douwes was met Leentje getrouwd en had drie
+kindertjes, die niets liever deden dan met grootvader spelen. Daartoe
+had de oude man ook overvloed van tijd; want Douwes, die, door goed
+leeren en goed oppassen, meesterknecht in een groote smederij werd
+en goed geld verdiende, wilde niet hebben, dat de brave man, die hem
+eigenlijk gelukkig gemaakt had, op zijn ouden dag moest werken voor
+den kost. Hij leefde dus vergenoegd bij zijn kleinkinderen, en toen
+hij eindelijk gestorven was, zeiden de menschen: "Hij was een aap
+van buiten, maar een engel van binnen!"
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Van P. Louwerse verscheen bij den uitgever van dit boek op hetzelfde
+formaat en geheel op dezelfde manier uitgevoerd, voor jongens en
+meisjes van 8-12 jaar:
+
+
+ Jan met de Pijp
+ Ver van Huis
+ Tante Poes
+ Hier is wat
+ Is er nog plaats voor
+ Vertelavonden
+ De Kerstwagen
+
+
+_Alle Fraai Geïllustreerd door Jan Sluijters_.
+
+Prijs in geïllustreerd omslag 50 cents. Gebonden in fraai linnen
+stempelband 75 cents. _Bij den Uitgever van dit boek verscheen ook_:
+
+Serie fraaie boeken voor jongens en meisjes van 8-10 jaar:
+
+P. J. en SUZE ANDRIESSEN.
+
+
+ Aan het strand.
+ Sinterklaasavond.
+ Het Kransje.
+ Greta en Meta.
+ Een dagje bij vrouw Aaltje.
+ Elsje van den Bezembinder.
+ Anne's Kanarietje.
+ Slordig Jansje.
+ Het verdwaalde kind.
+ De gebroken vaas.
+ De Gevolgen der ongehoorzaamheid.
+ Mina de snoepster.
+ Een brutaal Meisje.
+ Op de Kostschool.
+ De Savoyaard en zijn aapje.
+ Vijf Kersen aan een steel.
+ De pleegkinderen van den orgelman.
+ Vacantiedagen.
+ Hoe raar een bal soms rollen kan.
+ De twaalfde verjaardag.
+ Een Zaterdagmiddag in het bosch.
+
+
+TINE VAN BERKEN.
+
+
+ Robbedoes.
+ Heintje Pochhans.
+ De geschiedenis van een broodtrommeltje.
+ Lachebekje.
+ Ons troepje.
+ Laura's opstel.
+ Driftkopje.
+ Jongens die rooken.
+ Twee Vacantiedagen.
+ Hedwigs Sint-Nicolaasfeest.
+ Hollandsche Spartanen.
+ Plaaggeest.
+ Uit logeeren.
+ Hesters gebrek.
+ Jonge vechtersbazen.
+ Het album van Dora Jemelle.
+ Alfreds gedragboekje.
+ Een Buurjongetje.
+
+
+Elk boek met twee fraaie platen.
+
+Prijs in geïllustreerd omslag 35 CENTS. Gebonden in rijk vergulden
+linnen band 50 CENTS.
+
+P. J. ANDRIESSEN,
+
+
+ Sneeuwklokjes.
+ Heide en veld.
+ Uit ons Dorp.
+ Uit Stad en Dorp.
+ Klimop.
+ Het Klaverblad.
+ Bosch en Duin.
+
+
+TINE VAN BERKEN,
+
+
+ Meidorens.
+ Wilde Wingerd.
+ Kleine Menschen.
+ Met z'n drieën.
+ Onder ons.
+ Regen en Zonneschijn.
+
+
+Elk der bovenstaande prachtige dikke boeken, bevat drie verhalen met
+zes platen en is gebonden in fraaien linnen stempelband.
+
+Prijs f 0.90 ingenaaid en f 1.25 in prachtband.
+
+
+Bij den uitgever van dit boek verscheen ook:
+
+"ONS CLUBJE"
+
+
+
+
+
+BIBLIOTHEEK VOOR MEISJES
+
+Prijs per deel f 0.90--in prachtband f 1.25.
+
+Het groote succes, dat zoowel hier te lande als in het buitenland
+aan Series Kinderboeken onder een gezamenlijken titel te beurt viel,
+gaf aanleiding tot de uitgave van "_Ons Clubje_", _Bibliotheek voor
+Meisjes_.
+
+Dat ook deze serie door het publiek, reeds bij het verschijnen van
+het eerste deel, met ingenomenheid is begroet, valt gemakkelijk te
+verklaren. Wat toch maakt de aantrekkelijkheid van zulk een serie
+uit? Dat de kinderen vroegtijdig den grondslag leeren leggen tot een
+kleine boekerij, en dat de wensch om elke serie compleet te bezitten
+hun orde en netheid leert ten opzichte van hun boeken.
+
+"_Ons Clubje_" nu komt deze goede eigenschappen nog met een aantal
+vermeerderen, en wel om de volgende redenen.
+
+1º. "_Ons Clubje" overtreft in pracht van uitvoering alles wat tot
+nu toe in dat genre verscheen_. De _buitengewoon goed geslaagde
+bandteekening_ geeft elk deel een cachet, dat bijna geen ander
+kinderboek bezit. Het _artistieke, welverzorgde uiterlijk van "Ons
+Clubje"_ heeft ten gevolge, dat den kinderen reeds vroeg eerbied en
+zin voor het schoone wordt ingeprent, dat zij de waarde van een mooi
+voorwerp voor dagelijksch gebruik leeren kennen.
+
+2º. "_Ons Clubje_" geeft slechts _degelijke en gezonde lectuur_,
+waarvan _opvoedende kracht_ uitgaat, en die in de eerste plaats
+_echt-kinderlijk_ is. "_Ons Clubje_" kweekt liefde en smaak bij onze
+kinderen aan voor een mooi, goed boek.
+
+_In "Ons Clubje" verscheen tot heden_:
+
+
+ I. _Fransje Elswoudt_, door TRUIDA KOK.
+ II. _Emma van Bergen_, door P. J. ANDRIESSEN, 5e dr.
+ III. _Vera_, door SUZE ANDRIESSEN, 3e druk.
+ IV. _Paulette_, door E. DE PRESSENSÉ, 2e druk.
+ V. _De Buren, van mevrouw Bertrand_, door E. DE PRESSENSÉ,
+ 2e druk.
+ VI. _Mooie Bruno_, door TINE VAN BERKEN, 2e druk.
+ VII. _Marie en Pauline_, door P. J. ANDRIESSEN, 7e druk.
+ VIII. _Van een Grootmoeder en zeven Kleinkinderen_, door TINE
+ VAN BERKEN, 2e druk.
+
+
+
+
+GOED EN GOEDKOOP.
+
+Wilhelmina-Bibliotheek
+
+voor JONGENS en MEISJES.
+
+Elk boek prachtig geïllustreerd en gebonden in fraaien
+stempelband. Prijs per deel f 0.90.--In prachtband f 1.25.
+
+_In deze Bibliotheek verscheen tot op heden_:
+
+
+ I. E. DE PRESSENSÉ, _GENOVEVA_. Tweede druk.
+ II. P. J. ANDRIESSEN, _DE ERFENIS EENER MOEDER_. Derde Druk.
+ III. E. DE PRESSENSÉ, _URSULA_. Tweede druk.
+ IV. A. DE GRAAFF, _TOM en JACK_, Avonturen van twee
+ schooljongens.
+ V. E. DE PRESSENSÉ, _ARME KLEINE_. Tweede druk.
+ VI. A. DE GRAAFF, _DE SPION OP SCHOOL_.
+ VIL E. DE PRESSENSÉ, _WILGENHOF_. Tweede druk.
+ VIII. A. DE GRAAFF, _JAAP en BEN_, Avonturen van twee
+ schooljongens.
+ IX. A. DE GRAAFF, _HET GEHEIM VAN EEN SCHOOLJONGEN_.
+ X. A. DE GRAAFF, _DICK EN ZIJN VRIENDEN_.
+ XI. A. DE GRAAFF, _JACOB DE VONDELING_.
+ XII. A. DE GRAAFF, _DOOR DIK EN DUN_.
+ XIII. A. DE GRAAFF, _JACOB RENSUM_.
+
+
+_De Wilhelmina-Bibliotheek overtreft in pracht van uitvoering alles
+wat tot nu toe in dat genre verscheen_.
+
+_De buitengewoon goed geslaagde bandteekening_ geeft elk deel een
+cachet, dat bijna geen ander kinderboek bezit.
+
+Het _artistieke, wel verzorgde uiterlijk der Wilhelmina-Bibliotheek_
+heeft ten gevolge, dat den kinderen reeds vroeg eerbied en zin voor
+het schoone wordt ingeprent, dat zij de waarde van een mooi voorwerp
+voor dagelijksch gebruik leeren kennen.
+
+De _Wilhelmina-Bibliotheek_ geeft slechts _degelijke en gezonde
+lectuur, waarvan opvoedende kracht uitgaat_, en die in de eerste
+plaats echt-kinderlijk is.
+
+De _Wilhelmina-Bibliotheek_ kweekt liefde en smaak bij onze kinderen
+aan voor een mooi, goed boek.
+
+
+
+
+ HET AARDIGSTE BOEK DAT TOT HEDEN VOOR JONGENS EN MEISJES VERSCHEEN IS
+
+ UIT DEN KOSTSCHOOLTIJD VAN JAN VAN BEEK
+
+ DOOR J. B. SCHUIL
+
+ Met talrijke Humoristische teekeningen tusschen den tekst van
+ JAN SLUYTERS.
+
+Prijs ingenaaid f 2.40; in prachtband f 2.90 EENIGE BEOORDEELING.
+
+
+Handelsblad:
+
+Kleurig en monter is dit kostschoolleven met zijn "geheime verbonden",
+"dieventaaltjes", ontvluchtingen en andere avonturen verteld. De toon
+bewijst duidelijk, dat de schrijver schik had in de dingen, die hij
+beschreef en misschien nog wel eens naar een eigen kostschooltijd
+terugverlangt.
+
+
+De Nieuwe Courant:
+
+Wij zeggen het den uitgever in zijn prospectus na, dat dit een echt
+Jongensboek is, prettig en vol afwisseling. De schrijver _J. B. Schuil_
+is in de jongenswereld voortreffelijk thuis en weet op 'n prik wat
+dit wereldje boeien kan. Maar hij weet er ook een goede keuze uit te
+doen en zijn verhaal zoo in te kleeden, dat het ook opvoedend werkt,
+zonder den zedemeester uit te hangen. Er worden in dit boek misschien
+wat veel ondeugende streken naverteld en gedeeltelijk gefantaseerd,
+maar die streken van Jan hebben vaak een sympathieken achtergrond en
+de uiterlijke ruwheid gaat gepaard met innerlijke fijngevoeligheid.
+
+Dit boek is vooral ook leerzaam voor ouders en opvoeders, die hier
+menigen wenk krijgen, hoe zoogenaamde ondeugende jongens op te voeden;
+hoe gemis van tact, ondoordachte bestraffing en ruwe behandeling vaak
+de oorzaken zijn van het verstikken van den edelsten aanleg.
+
+De grappen en dwaasheden die door dit verhaal met kwistige hand zijn
+gestrooid, zijn meestal geestig geïllustreerd door JAN SLUYTERS.
+
+
+De Tijd:
+
+Een boek, onderhoudend en frisch geschreven, vol jongens-inzonderheid
+kostschooljongensfantasie, vol echte, guitige schelmsche jongensstreken
+en jeugdige ridderlijkheid. 't Is een leven van enkele jaren, doorleefd
+op kostschool met haar gewichtigheden, prettige en minder prettige
+weken, naar gelang de dag van vertrekken in de richting kostschool,
+huis, of omgekeerd, is aangebroken; naar gelang de streepjes, zoovele
+takjes aan den boom der dagen, successievelijk in kruisjes veranderen,
+of een nieuw trimester begint.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR ***
+
+***** This file should be named 18877-8.txt or 18877-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/8/7/18877/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.