diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:54:21 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:54:21 -0700 |
| commit | 508a0e3677ee0c828f987c7542261ef96cfa8300 (patch) | |
| tree | 612831be30a7940b9fb3cb6ea22e8fcd555d659d | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18877-8.txt | 4767 | ||||
| -rw-r--r-- | 18877-8.zip | bin | 0 -> 75564 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h.zip | bin | 0 -> 923112 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/18877-h.htm | 5362 | ||||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/frontcover.jpg | bin | 0 -> 56055 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/logo.gif | bin | 0 -> 9992 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p01.jpg | bin | 0 -> 74328 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p02.jpg | bin | 0 -> 91086 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p03.jpg | bin | 0 -> 105606 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p04.jpg | bin | 0 -> 124513 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p05.jpg | bin | 0 -> 90380 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p06.jpg | bin | 0 -> 88553 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p07.jpg | bin | 0 -> 82454 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/p08.jpg | bin | 0 -> 108539 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/script-g.gif | bin | 0 -> 314 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/script-k.gif | bin | 0 -> 374 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/script-m.gif | bin | 0 -> 330 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18877-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 9035 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
21 files changed, 10145 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18877-8.txt b/18877-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ad6f939 --- /dev/null +++ b/18877-8.txt @@ -0,0 +1,4767 @@ +Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: In het Schemeruur + +Author: P. Louwerse and Jan Sluijters + +Release Date: July 20, 2006 [EBook #18877] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + + In het Schemeruur + + Vertellingen voor het jonge volkje + + Door + + P. Louwerse + + + + Geïllustreerd door Jan Sluijters + + + + Derde, verbeterde druk + Amsterdam + H. J. W. Becht + + + + + + + + + + +JAN MET DE PIJP. + + +Midden tusschen de huizen van het dorpje Schootwerve lag een +allerliefst tuintje, dat door een heg van hulst van den weg +afgescheiden lag. Dat tuintje zag er keurig net onderhouden +uit. Tusschen de perkjes, die allerlei vormen hadden, slingerden +zich paadjes, die met schelpzand bedekt waren. De perkjes zelf waren +omringd door een laag hegje van steekpalm en versierd met allerlei +soorten van zaaibloemen. + +Het grootste perk, dat in het midden lag, was een zoogenaamd tapijtbed, +dat er met zijn veelkleurige bloemen uitzag als een groote, heel groote +lappendeken, waardoor middenin een mannetje gekropen was. Dat mannetje +was een pop van aardewerk en stelde een rookenden Moor voor. Vroeger +had hij voor een tabakswinkel gestaan, maar toen hij bij de een of +andere gelegenheid zijn rechterhand, die de pijp vasthield, gebroken +had, was hij bij een uitdrager verzeild, en bij dezen had de eigenaar +van het tuintje den invalide gekocht. De timmerman van het dorp, +een echte knutselaar, had den steenen Moor een houten hand en pijp +gegeven en deze met draadnagels aan zijn lichaam vastgemaakt. + +En zoo stond daar de rookende Moor den heelen zomer midden tusschen +de bloemen. Kwam het najaar aan, dan werd hij op den zolder gebracht +en eerst in April, na goed afgestoft, geveegd en opgeverfd te zijn, +kwam hij, den eersten zomerschen dag den besten, weer te voorschijn. + +Roepen op andere plaatsen de jongens elkaar toe, als ze den +koekoek voor het eerst in het jaar hebben gehoord: "Ik heb den +koekoek gehoord!" hier riepen alle jonge Schootwervers: "Ik heb Jan +met de pijp gezien!" Want Jan met de pijp was de bijnaam van den +opgelapten Moor. Ja, de vrouw van den smid zou niet eer aan de groote +voorjaarsschoonmaak beginnen, vóór zij wist, dat Jan met de pijp van +den zolder in den tuin gekomen was. + +Achter het tuintje stond een ouderwetsch huis. De muren waren van +onder tot boven begroeid met klimop en het was er zoo rustig en stil, +dat verscheidene vogeltjes het waagden hun nestjes in de altijd groene +takken te maken. + +Het huis zelf had een groote voorkamer, een zijvertrekje, een +tuinkamer en een keuken. Boven waren nog een paar kamers en drie +slaapvertrekken. Tusschen de voor- en de tuinkamer was een alkoof en +hierin sliep de eigenaar van het huis, de oude heer Van Laeken. + +Wie de oude heer Van Laeken was, zal ik jelui eens even vertellen. + +Met Nieuwejaar van het jaar 1800 was hij te Antwerpen geboren, waar +zijn vader magazijnmeester was. De menschen hadden fatsoenlijk hun +brood, maar toen Napoleon beval, dat er geen Engelsche schepen meer in +de havens mochten komen om voortbrengselen uit Oost en West binnen te +brengen, toen was er in het magazijn van den rijken koopman, bij wien +Van Laeken's vader in dienst was, geen magazijnmeester meer noodig; +want het pakhuis was ledig. + +Nu stond bittere armoede voor de deur. + +De oude Van Laeken kon goed rekenen, schrijven en lezen, maar van +een ambacht verstond hij niets. Zijn eenig zoontje moest terstond +van school af, hoewel het ventje nog maar elf jaar oud was, en zijn +twee zusjes, die reeds bij een Franschen meester waren, werden ook +thuis gehaald. + +"Als je nu nog leeren wilt, dan moet je jezelf maar oefenen en als je +met het een of ander niet voort kunt, vraag er mij dan maar naar en, +als ik kan, dan zal ik je helpen!" zei vader. + +Maar van dat leeren kwam niet veel; want wie wat verdienen kon met +werken of boodschappen doen, die moest er maar op uit. + +Toen George, zoo heette de jongen, zag, dat hij met boodschappen doen +het niet heel ver in de wereld brengen zou, zag hij naar alle kanten +uit, of hij niet iets kon vinden waarmede hij een eerlijk stuk brood +verdienen kon. + +Zoo liep hij eens tegen den avond langs de kade toen een zeeman op +hem afkwam en vroeg: "Wat zoek je, jongen?" + +"Ik zoek werk! Ik wil een ambacht leeren!" antwoordde George. + +"En wat wil je leeren?" + +"Daar geef ik niet om, als het maar iets is waarmee ik mijn brood +verdienen kan!" + +"Je bent een onverschillige jongen," zei de zeeman. + +"Dat is niet waar," antwoordde George. "Nu heb ik twaalf ambachten +en dertien ongelukken. Dat wordt nooit wat goeds! Ik wil één ambacht +leeren!" + +"Nu, nu, het was zoo erg niet gemeend, manneke! Weet je wat ik ben?" + +"Matroos?" + +"Neen!" + +"Stuurman of hofmeester dan?" + +"Ook al niet! Ik ben scheepstimmerman aan boord van een oorlogsschip." + +"En is dat een goed ambacht?" + +"Dat zou ik wel gelooven. Z. M. de Keizer zorgt goed voor zijn +manschappen. Er is maar één Napoleon!" + +"Dat zeg je! Maar zou ik dat scheepstimmeren ook kunnen leeren?" + +"Waarom niet? Zou jij het bij mij aan boord willen leeren? Ik was er +juist op uit een jongen te zoeken!" + +George's oogen glinsterden en den zeeman bij den arm vattend, zei hij: +"Ga mee naar vader en moeder en doe een goed woordje voor me!" + +De man voldeed hieraan gaarne en.... veertien dagen later was George +aan boord van _La France_, een prachtig linieschip. + +In den scheepstimmerman, meester Barend, zooals hij door de Hollandsche +matrozen genoemd werd, vond George een goed leermeester en een warm +vriend. Jarenlang, ook nog na den val van Napoleon, voeren ze samen, +doch na 1825 niet meer ten oorlog, maar ter koopvaardij. + +Eindelijk was meester Barend zoo gelukkig een erfenis te krijgen +en daar zijn dienstjaren juist verloopen waren, ging hij uit den +zeedienst en vestigde zich als scheepstimmerman in de stad, waar +hij zijn vriend en makker George bij zich nam. George had de eerste +drie jaren aan boord van _La France_ niet alleen zijn vak geleerd, +maar daar de betrekking van schrijver door een gewezen schoolmeester +vervuld werd, en deze in zijn ledigen tijd gaarne nog wat deed, had +George van hem geleerd wat hij, door het ongeluk van zijn vader, in +Antwerpen niet had kunnen leeren. George schreef een goede hand en +wist van het Fransch en Engelsch zooveel, dat hij deze beide talen, +zonder grove fouten te maken, lezen, spreken en schrijven kon. Deze +kennis kwam hem nu uitmuntend te pas. Hij hield boek en meester +Barend zorgde, dat het volk op de werf zijn plicht deed. Het gevolg +hiervan was, dat de scheepmakerij in bloei toenam en toen meester +Barend op 62-jarigen leeftijd aan een slepende ziekte overleed, +was George van Laeken eigenaar van de geheele zaak. Meester Barend, +die op de geheele wereld geen familie meer had, had kort voor zijn +dood alles aan George vermaakt. + +Hadden George's ouders nu nog geleefd, dan had hij voor hen kunnen +zorgen, maar ze waren in 1812 kort na elkaar gestorven, en zijn +zusters waren de wijde wereld ingegaan, zonder eenig spoor van zich +achter te laten. + +Oude buren verzekerden, dat ze met de vrouw van den gewezen maire +(burgemeester) van Antwerpen waren medegegaan naar Frankrijk. + +Twintig jaar lang bleef George scheepstimmermansbaas, maar toen besloot +hij stilletjes te gaan leven. Hij zocht daarom een vriendelijk gelegen +plaatsje en vond dat in Schootwerve. Hij kocht daar een groot stuk +duingrond, liet er een huisje bouwen en legde er, met heel veel moeite +en voor heel veel geld, een mooi tuintje aan. Achter zijn huis had +hij berken en dwergeiken laten planten en die tierden daar uitmuntend. + +Toen hij ongeveer een jaar of tien te Schootwerve met een huishoudster +geleefd had, kwam op zekeren dag de burgemeester bij hem om te vragen, +of hij ook nog familie in Antwerpen had. + +Nu, wat zou mijnheer Van Laeken zeggen? Hij wist niet beter dan +van neen. + +"Ik heb anders vanmiddag een brief gekregen uit Antwerpen waarin +me gevraagd werd, of bij mij op het dorp niet een zekere George van +Laeken woonde. Daar waren twee kleine meisjes te Antwerpen gekomen met +een brief waarin stond, dat haar grootmoeder een zuster was geweest +van George van Laeken, die als scheepmakersleerling in Franschen +dienst gegaan was. Die grootmoeder had daar in Frankrijk haar man, +haar dochter en haar schoonzoon zien sterven en toen zij voelde dat +ze ook niet lang meer leven zou, had ze aan de twee kinderen van haar +dochter een brief gegeven om dien aan den burgemeester van Antwerpen +te brengen, als ze gestorven zou zijn. Kort daarop stierf ze; haar +geringe bezitting werd verkocht en in gezelschap van den pastoor van +het dorp waren ze naar Antwerpen gegaan!" + +"Nu," zei mijnheer Van Laeken, "dat kan best waar zijn. Ik zal naar +Antwerpen gaan en de zaak onderzoeken!" + +Drie weken later kwam de oude heer te Schootwerve terug met twee +meisjes bij zich. Ze waren tweelingen en heetten Helena en Anna. + +Voor die nichtjes was hij alles, en waar hij haar pleizier kon +doen, daar deed hij het, en zij toonden dat ze die liefde ten volle +verdienden. + +Die meisjes kregen weldra vriendinnetjes en menigmaal was er +kinderfeest in huis, op welk feest ook de broertjes van de +vriendinnetjes mochten komen. + +Eindelijk maakte de oude heer met al de jongelui de volgende +afspraak. "Iedere week zal ik aan den hoofdonderwijzer vragen wie +er de heele week goed opgepast heeft en zij nu, op wie hij niets +te zeggen heeft, mogen Zaterdags bij me komen, dan zal ik hun een +vertelling doen!" + +Dat werd natuurlijk goedgevonden en den volgenden Zaterdag was de +oude man door wel dertig kinderen omringd. Een stuk of acht jongens, +echte belhamels, hadden om hun slecht gedrag niet mogen komen, en +die waren hierover zóó boos, dat ze mijnheer Van Laeken allerlei +leelijke namen gaven, en op het laatst hem bijna niet anders kenden, +dan onder den naam van "_Jan met de Pijp_." + +"Wel," zei de vriendelijke oude heer, toen hij dat hoorde, "ze noemen +me _Jan met de Pijp_, best, heel best!" Hierop was hij naar de stad +gegaan, had zijn portret laten maken en veertien dagen later gingen +meer dan dertig kinderen naar huis, en ieder had een keurig nette +afbeelding van den goeden man in den zak. + +Ik heb het geluk gehad zulk een portret meester te worden, en als +je nu weten wilt, hoe mijnheer George van Laeken er als _Jan met +de Pijp_ uitziet, bekijk dan maar eens het prentje in dit boek, dan +weet je het. Hij lijkt sprekend. En als je hem nu goed bekeken hebt, +lees dan maar verder wat hier in dit boekje staat. De vertellingen, +die ik uit zijn mond opgevangen heb, staan hierin, en ik twijfel geen +oogenblik of ze zullen je wel bevallen. + + + + + +NAAR ZEE. + + +Het was vroeg in het voorjaar van 1817 en we lagen met onze korvet, +dat is een soort van oorlogsschip moet je weten, te Vlissingen in het +dok. Het was meer dan noodig, dat we die haven binnengeloopen waren; +want _De Windhond_, zoo heette ons schip, had het vorig jaar nogal +wat geleden, toen we den Algerijnen den mantel uitgeborsteld hadden, +dat de wol er afvloog. We moesten in het droogdok, maar die het eerst +komt, het eerst maalt, dat was ook hier waar; want niet minder dan +zes schepen waren ons voor. Als die klaar waren werd het onze beurt. + +Zulk een leven aan den wal is voor Janmaat het onplezierigste wat er +wezen kan. We verveelden ons vreeselijk en dikwijls dacht ik, als ik +zoo naar de groote beelden keek, die boven het beeldenhuis staan: +"We hebben nu op het oogenblik veel weg van die steen en dingen +daarboven! Is dat een leven?" + +We hadden een bovenstbesten kommandant. Hij hield van zijn volk, en +zijn volk hield van hem. Waar hij ons maar pleizier kon doen, daar deed +hij het, zoodat we menigmaal verlof kregen om eens te gaan wandelen. + +Ik weet niet of je op het eiland Walcheren bekend zijt. Denkelijk wel +niet en daarom wil ik je even zeggen, dat het een der mooiste streken +van ons land is. Weiland, bouwland, buitenplaatsen, vriendelijk +gelegen dorpjes, mooi aangelegde wegen, mooie duinstreken, zware +dijken en zee wisselen elkander af. + +Geen wonder, dat we dan ook altijd van de vergunning om te wandelen +gaarne gebruik maakten en wel zorgden, dat er nooit klachten over ons +kwamen. Want, zie je, dan wisten we, als er een veldwachter aan boord +van _De Windhond_ kwam om te klagen, dat een der matrozen hier of +daar wat gedaan had, dat niet in den haak was, dan zat er wat op. De +minste straf was een maand dekarrest, dat wil zooveel zeggen als een +maand lang aan boord blijven. + +Zooals ik daar straks al zei, het was vroeg in het voorjaar toen we +in het dok kwamen te liggen. We hadden een koude, schrale Februari en +Maart was nog een beetje erger. Op de timmerwerf van de schepen was +werk in overvloed, maar al de andere ambachten wachtten op het mooie +weer om te beginnen; vooral hadden de metselaars het kwaad, bitter +kwaad. In het najaar was het werk vroeg gedaan geweest en nu duurde +het zoo lang eer ze weer beginnen konden met wat te gaan verdienen. + +Voor ons kwam het er evenwel niet zoo erg op aan; we ondervonden +alleen het onaangename van de koude, maar voor het overige hadden +we er geen hinder van. Spek en gort kregen we meer dan we lustten, +en dikwijls gebeurde het, dat de bakmaats den bak met gort niet leeg +konden krijgen. + +Eens op een morgen, dat ik zoo aan den valreep naar de beelden van het +beeldenhuis en dan weer naar de beweging op straat stond te kijken, +zag ik twee jongetjes door de modder van de pasgevallen watersneeuw +loopen. Ze zagen er schraaltjes uit. De kleertjes, die ze aan het lijf +hadden, waren brandhelder, maar dun, dun, o, men kon de ribbetjes, +die er onder zaten, bijna tellen. Gezond zagen ze er ook niet uit; +de oudste had lange, zwarte haren en daardoor kwam zijn mager +gezichtje nog veel meer uit. Zijn oogen kropen bijna weg, alsof ze +zich schaamden, dat ze boven een paar zulke magere wangen staken, +en de wijde pijpen van de broek woeien met den wind zoo achteruit, +dat men de beentjes, zoo dun als talhoutjes, er in kon zien zitten. + +En toch scheen dat kereltje geen verdriet te hebben; want onderwijl +zijn jonger broertje, dat er iets beter uitzag en die ook betere +kleertjes aanhad, liep te huilen, floot hij een deuntje. + +"Jongens," dacht ik, "vanmorgen hebben we wel een bak half vol met +gort overgehouden, er is nog een stuk spek in ook, wie weet of die +kleine snuiters dat niet graag hebben zouden!" + +"Wat sta je daar als een baliekluiver de straatsteenen te +tellen?" vroeg opeens iemand, die achter me stond. + +Het was onze kommandant; ik keerde me om, sloeg de voorste vingers +van mijn rechterhand tegen mijn wollen muts en zei: "Ik keek naar +die twee arme kinderen, kommandant, en ik dacht ... ik dacht ..." + +"Nu, wat dacht je?" + +"Ik dacht, kommandant, dat die arme zielen misschien de gort wel +zouden lusten, die wij vanmorgen hebben overgehouden!" + +"Wel, vraag het dan, kerel! Van mij heb je permissie!" antwoordde hij. + +"Alstublieft, kommandant," zei ik, liep de loopplank af en haalde de +jongens, die op hun sukkeldrafje al een heel eind ver geloopen waren, +spoedig in. + +"Hei, hei!" riep ik. + +De kinderen keken om en toen ze mij zagen wenken stonden ze stil. + +"Heb jelui soms ook honger?" vroeg ik. + +"Ik heb mijn buik vol gefloten, maar mijn broertje kan niet fluiten +en die denkt nu zijn buik vol te kunnen huilen; maar dat schijnt hem +niet te gelukken!" zei de oudste. + +"Lust je ook gort met spek?" vroeg ik weer. + +"Die niet lust is dood! Ik lust alles!" antwoordde hij. + +"Best, ga dan maar met me mee, dan kan je bij ons aan boord +schaften. Hallo, frisch op maar! Wie van jelui beiden er het eerste +is krijgt het meeste." + +Rrrt, daar ging de kleinste, loop je niet, zoo heb je niet! als een +kogel uit eene draaibas! De oudste deed het niet en kwam langzaam +achteraan slenteren. + +"Wat," riep ik hem toe, "kan jij niet loopen?" + +"Neen, mijn broertje wint het altijd van me," zei hij en kwam wel +een paar minuten later aan boord dan zijn broertje en ik. + +Weldra zaten we tusschendeks, ik op zij, en die twee plat op de +planken met den bak tusschen zich in. + +"Jij mag twee prikken tegen dat ik er een neem, Jan," zei de oudste; +"jij hebt het gewonnen, jij mag dus het meeste!" + +En, verbazend, wat at die kleine! Zulk eten heb ik nooit gezien! Maar +toch kon hij alles niet op en er bleef nog heel wat over. Zoodra Jan +den lepel neerlegde deed Tom, zoo heette de ander, het ook. + +"Nu, Tom," sprak meester Barend, die er ook bij gekomen was, "nu Tom, +heb jij zoo'n kleine maag?" + +"Welneen," antwoordde hij, "maar ik heb ze al vol gefloten en ... en +thuis, weet u ... thuis ..." + +"Nu, thuis?" + +"Ja, vader en moeder en de twee kleintjes kunnen ook niet fluiten!" + +Ik keerde me om, zag meester Barend aan en ... dat had ik nog nooit +gezien, meester Barend kreeg opeens zulke natte oogen, alsof hij +zwaar verkouden was en niezen moest en het niet kon. + +"Te weerga, jongen, eet!" riep hij. "Eet, zeg ik je! Jij bent een +jongen, hoor! Je bent van de stof waaruit onze Lieve Heer de engelen +gemaakt heeft! Eet, zeg ik je! Die daar thuis zijn en niet fluiten +kunnen, krijgen van mij en mijn kameraads een bak vol! Toe kerel, +eet, eet dan!" + +Maar zie eens aan! In plaats van nu opnieuw toe te tasten, vloog de +lange lummel zijn broertje om den hals en begon hardop te huilen, +en daar huilen een aanstekelijke ziekte is, begon Jan ook. Dat was +me een mooi gezicht! Twee huilende kwajongens en een schaftbak met +gort en spek er naast. + +"Mag ik ook weten wat hier te doen is, meester Barend?" vroeg de +kommandant. + +"Wij hebben hier een jongen gevonden met een groot hart in 't lijf, +kommandant," antwoordde meester Barend en, terwijl hij vertelde wat +die oudste jongen zoo al gezegd en gedaan had, kwamen een paar groote +tranen langs zijn wangen rollen. + +"Dat is mooi, dat is heel mooi," sprak de kommandant. "Eer die jongens +van boord gaan, moeten ze eens even bij mij in de kajuit komen!" + +Wat de kommandant met deze jongens besprak, kwam ik natuurlijk niet te +weten, althans dien dag niet. Maar dat is zeker, dat ze meer van boord +rolden dan liepen, en dat ze voortaan elken morgen om de overgeschoten +gort kwamen. Zoo werden we langzamerhand bekenden. + +Intusschen werd het in Juni ook onze beurt in het droogdok te gaan +liggen, dat is te zeggen, het schip, weet je, maar wij niet. Zoolang +_De Windhond_ daar lag, gingen wij aan boord van de _Neptunus_, een +oud linieschip, dat daar al sinds jaar en dag in het dok gelegen en +nooit zee gezien had. Op zoo'n schip, dat volstrekt geen tuigage had, +hadden we nog veel minder te doen dan op _De Windhond_, zoodat de +kommandant ons gaarne vergunning gaf met meester Barend eens een +rijtoertje te gaan maken. + +Wij hadden een prettigen dag en kwamen tegen den avond langs Koudekerke +terug. + +"Weet je wat, jongens," zei meester Barend, "het zitten en rijden +begint me te vervelen. Ik stel voor, den wagen naar Vlissingen leeg +terug te laten rijden, en dan gaan we van hier naar de duinen om zoo +langs het strand naar huis te gaan!" + +De anderen hadden evenwel geen zin in het loopen, en daarom reden +er vijf mee en meester Barend en ik gingen loopen. Na bijna twee uur +gewandeld te hebben, we waren nog verdwaald geweest op den koop toe, +kwamen we zoowat een groot uur van Vlissingen af op het strand. Er woei +een stevige bries en dat beviel ons; want we waren niet weinig warm. + +Toen we zoo omstreeks een half uur geloopen hadden riep meester +Barend opeens: "Kijk eens, George, zijn daar ginds geen jongens aan +het zwemmen?" + +Ik keek op en zag ze ook; maar zwemmen deden ze niet. Ze schenen maar +wat in het water te loopen spelen. + +"De lange lummel daar mag wel voorzichtig zijn," sprak meester +Barend. "Er gaat hier een sterke eb en de kwajongen waagt zich veel +te ver! Pas op, straks kunnen we nog gaan zwemmen om hem te redden." + +Toen we nader kwamen zagen we wat er aan de hand was. Op de eb +dreef een heel klein scheepje, waarmee ze gespeeld hadden, doch dat +omgeslagen was, al verder en verder zee in. + +"Ik weet al wie het zijn," zei ik na een poosje. "Die lange daar +met zijn stroohoed op is Tom, en die met dat mutsje, is Jan van den +metselaar uit de Vrouwenstraat. Zeker aan het spelen!" + +"Mooi spelen!" bromde meester Barend. "Ze leggen het er op toe om te +verdrinken. Als hij nog wat verder gaat, dan ... daar gaat hij al, +daar gaat hij al!" Hierop zette meester Barend de holle handen voor +zijn mond en schreeuwde, evenals door een scheepsroeper: "Hei!" + +Tom zag op en Barend wenkte hem, dat hij terug zou komen. + +Maar dat terugkomen was gauwer gezegd dan gedaan. Er ging een sterke +stroom en eer Tom er op verdacht was, daar ging hij. + +"Help! Help!" schreeuwde hij. + +"Heb ik het niet gezegd?" riep Barend, "dat geeft vanavond nog een +bad!" en zoo als hij dat gezegd had, liep hij langs den kortsten weg +dwars door het water heen. + +Tom dreef met den stroom al verder af en, was meester Barend niet +een baas in het zwemmen geweest, dan had Tom zijn onderneming om het +drijvende scheepje weer terug te krijgen, met den dood moeten bekoopen. + +Onderwijl mijn oude kameraad zich met het redden van den +onvoorzichtigen Tom bezighield, had ik Jan op het droge gebracht, +en daar ik wel kans zag het scheepje nog te krijgen, ging ik opnieuw +te water, om van mijn zijde ook wat te doen. + +Barend kwam op hetzelfde oogenblik met Tom aan wal, als ik met het +scheepje, maar ik zou liever het scheepje dan Tom geweest zijn; want +die kreeg van Barend een ongemakkelijk pak voor de natte broek. Dat +deed hij nu niet om den armen jongen te straffen, maar alleen om den +schrik er uit te slaan. + +Wij zagen er met ons viertjes keurig mooi uit. We waren heelemaal +nat en, al was het nu ook al in Juni, toch kan ik niet zeggen, dat +zulk een nat pak zoo heel plezierig en verkwikkend was. We beefden +van koude, en toen wij 's avonds in kooi lagen, konden we er ons nog +maar niet diep genoeg in rollen om toch maar warm te worden. + +Een paar dagen later liepen meester Barend en ik eens langs den +Nieuwendijk te wandelen toen er een metselaar op ons afkwam. + +"Meester Barend," zei hij, "ik bedank u wel voor het redden van mijn +jongen, hoor! Hij was er bijna geweest!" + +"Ja," antwoordde Barend, "hij zal nu vooreerst wel geen scheepjes +meer laten varen; hij zal er wel schrik van gezet hebben!" + +"Schrik van gezet hebben? Schrik van gezet hebben?" riep de man. "Lieve +schepsel, dat lijkt er niet naar. Hebben die kwajongens vanmiddag +het alweer niet gedaan? Ik kan hen maar niet van het water houden; +zóó ben ik de deur uit en zijn zij de straat op, of, jawel, op het +Hoofd, op het Rondeel, op het Dok, op de Kaai, nu hier, dan daar, +maar altijd om of bij het water!" + +"Dan zullen ze zeeman moeten worden, vriend!" zei Barend. + +"Ja, dat roepen ze allebei. Als ik vraag: Tom, wat moet je worden? dan +is het: Naar zee, vader! en doe ik diezelfde vraag aan Jan, dan is het: +Naar zee, vader!" + +"Wel, stuur ze dan naar het wachtschip, vriend!" + +"Naar het wachtschip? Wel, voor geen nog zooveel! Ze kunnen worden wat +ze willen, als ze maar aan den wal blijven! Want, een zeemansleven, +geen leven!" + +"Zeker om daar 's winters gebrek te lijden, hé?" zei Barend, die +wat boos werd. "Je hebt gelijk, man, groot gelijk! Als ik jou was, +dan liet ik ze metselaar worden en anders aschman of zoo iets! Dan +heb je altijd volop werk, je verdient veel geld, en eten, drinken, +vuur, licht, kleeren en al wat je maar wilt, heb je volop. Ik zeg ook: +een zeemansleven, geen leven!" + +"Neen, meester Barend, niet omdat jelui geen eten of drinken of goede +kleeren hebt, daarom niet; maar,--maar,--och, ik zal het u maar zeggen: +ik ben bang, dat er van die twee aan boord niet veel goeds groeit. Als +al het zeevolk was, zooals meester Barend en hier de deze,"--hij +wees op mij,--"dan zou ik zeggen: Ga naar zee, jongens, en je zult +wat worden. Maar nu,--neen, mijn vrouw zou het ook niet willen hebben!" + +Toen de arme metselaar dat gezegd had, stond meester Barend een +poosje in gedachten. Eindelijk zei hij: "En als ik nu eens aan onzen +kommandant vroeg of de jongens bij ons aan boord mochten komen, dan +zouden mijn jonge vriend George en ik een oogje op die twee houden +en, misschien, misschien, dat er een paar ferme zeelui uit je jongens +groeiden! Wil je hebben, dat ik het vraag?" + +De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: "Als u dat +doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!" + +Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord +van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, maar daar ze +een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat +hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen wat niet onplezierig was. + +Op den 31sten Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal +hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water +als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar +lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen tegen +de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten. + +We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed; +zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk niemendal +te doen. + +Maar spoedig kwam er een vijand, op wien we niet gerekend hadden en +waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen +zulk een vijand helpen geen kanonnen of scherpe sabels. De eerste, +die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij +vreeselijk ziek en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij +er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij +hem te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens +aan stierf! Ik was toch nog zoo jong! + +Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij +dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven konden. Ze +hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als +een vader gezorgd. + +"Tom," zei de dokter eens, "Tom, weet je wel, dat de gele koorts een +besmettelijke ziekte is, hé?" + +Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had. + +"Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan +verzorgen! Waag je leven niet, hé!" + +"Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en +gezorgd, dat mijn broertje en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden +hem toch liever oppassen!" + +"Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het +mij onverschillig, hé!" + +Onder ons, we noemden den dokter altijd "meneertje Hé," omdat hij, als +hij wat zei, altijd eindigde met "hé!"--Toen dan "meneertje Hé" bij den +kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze: +"Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar kunnen zijn en het zou +jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!" + +De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het +ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, dat een +moeder niet beter op haar kind kon passen. + +Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader +het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde. + +Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof +het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren +verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein +besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld +waren, aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch +drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt +en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in +het gezicht zou zijn. + +"Wel, Tom," zei ik op zekeren dag, "zie je niets?" + +"Ja," was het antwoord, "ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen +wat het is!" Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip loopen +en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat +Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een wolk, +die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen; +het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap +tegen het want. + +"Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze +zee zegt zoo iets!" riep meester Barend. + +Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die +storm nu komen moest. + +"Bravo!" riep nu de kommandant, "dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg +kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te bieden!" + +Intusschen was in minder dan tien minuten tijds de heele westelijke +hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit +gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er +zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden +wat los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er +in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed. + +Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel +het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon zooeven +was ondergegaan. + +Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En +drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in +het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren +vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en +de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: "Komt het nog niet?" + +Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat +er uit alle monden een: "Hè!" klonk en de slag, die er op volgde, +geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog +sterker! Dit was het begin van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit +heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal +waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen +kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd +langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan.... + +"Hij komt, jongens, hij komt!" riep hij onverwachts. + +"Wie, meester Barend, wie komt er?" vroegen wij alle drie te gelijk. + +"De orkaan, kinderen, de orkaan!" was zijn antwoord, en pas had hij +dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even, +de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen, +de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde +rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en... + +Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval +van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de +eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester +Barend uitschreeuwde: "Man over boord!" + +"Man over boord!" riep men aan alle kanten. + +Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we +werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk +bij meester Barend aankwam en hem vroeg: "Wie is er over boord +geslagen?" wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan +meester Barend vastklemde en uitriep: "Jan, meester Barend, red Jan +toch! Jan! Jan!" + +Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te +water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan in +een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd +een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp +mes doormidden gesneden werd. + +Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te +bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de +fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven; +de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren op zijde geschoven; +stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en +nog veel meer, lagen overal langs het dek verspreid, en nog was er +geen kijk op om een en ander te herstellen; want al was de orkaan +voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede +te worstelen, en eerst den derden dag kwam het weer tot zichzelf, +en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao +konden voortzetten, ja of neen. Maar daar was geen denken aan. Alles +was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met +ons ontredderd schip het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel +moeite mocht ons dat gelukken. + +Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te +hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat waren we; +maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had +geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, die de grootste +grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht. + +"Tom," zei ik, "je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke +gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!" + +"Zeg, George," antwoordde hij, "heb je ooit een broer verloren, en dat +nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, als ik thuis +kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!" + +Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte +me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. Tom zou van +verdriet sterven, of.... + +"Zoo," zei de stuurman, "die Deensche bark ziet er ook lief uit; die +heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar wat weerga, +wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!" + +Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den +stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin vier mannen klommen, +die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.--Ze legden het +voorzichtig neer, namen de riemen op en roeiden naar ons schip. + +Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in +gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. Hieraan +werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons.... + +Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte +haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel. + +Jan was weer bij ons aan boord. Wel was hij zwaar gekwetst en had +hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet +herstellen zou. + +Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was, +dat ze dien knaap hadden kunnen redden. + +Toen vertelde de man dit: + +"Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een +storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. De golf +sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg +was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk in ons want +verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem +er uit en dachten eerst dat hij dood was, maar onze scheepsdokter +onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken, +zijn rechterarm gekneusd en over heel zijn lichaam had hij bulten en +schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen +wij hem van welk schip hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat +hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman, +Spanjaard of Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: 'Drinken, +drinken!' Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel +spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het Nederlandsche oorlogsschip +_De Windhond_ diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was, +namen we het besluit hem hier aan boord te brengen." + +"En daar heb jelui goed aan gedaan," antwoordde de kommandant en +gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun vaartuig +terugroeiden. + +Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been +nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen van allen +als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste. + +En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan +maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je dan vraagt: +"Van wie is deze werf?" dan zullen de werklieden je zeggen: "Ze is +van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten Thomas en Jan Epelaere. En +goed,--er leven er geen beter op de wereld.--Ze hebben vroeger ter +zee gevaren, maar...." + +Verder behoeven we niets meer te hooren; je weet de rest!" + +Dit was de eerste vertelling van Jan met de Pijp. + + + + + +DE WEG NAAR DE GEVANGENIS. + + +"Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de +gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!" zoo riep op zekeren +Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer +Van Laeken achter in den tuin kwam, waar reeds het geheele gezelschap +vergaderd was. + +"Wie, Herman? Wie?" vroegen terstond eenige meisjes en jongens. + +"Wel, Govert de Plinte!" + +"O die!" riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: "is het anders niet?" + +"En wie is die Govert de Plinte, Herman?" vroeg mijnheer Van Laeken. + +"Dat is...." riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan, +legde de oude heer met een: "Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar +niet samen praten,--ik vraag het aan Herman," dien driftigen mondjes +het zwijgen op. + +"Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel +een half uur van hier midden in het land woont. Op school was hij +zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis, +dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben wilde. O, +meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte +zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met kleurkrijt gestolen, +dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den +lessenaar gezet en het vergeten mede te nemen toen ik naar huis ging!" + +"Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid," riep +Jan van den timmerman. + +"En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school +moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!" zei een ander +en een derde voegde er bij: "Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi +Faber-potlood gekaapt!" + +Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben +als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: "Stop maar, ik weet genoeg +van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet +meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis gebracht is. Van zulk +een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een +paar deugnieten te vertellen, waarmee het niet veel beter afgeloopen +is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen. + +Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat +hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor mij een school +gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat +ook veel geld, dat had vader er wel voor over; want hij zei altijd: +"een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak +met geld. Geld kunnen ze een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd +zit, daar moeten ze afblijven!" + +Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die +wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. Nu spreekt +het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd +zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat wel moest. Geheele dagen +was hij soms van huis en daar hij veel van zijn kinderen hield, gaf hij +om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis +was. En Henri en Jacques,--zoo heetten de jongens,--waren slim. Ze +wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja, +ze wisten zich zóó mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat +ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls +klachten over de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde, +dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei: +"Ze schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het +is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik die lui wel +eens terechtzetten." + +Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander +wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was. + +Hoe ze zich bedrogen! + +Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde, +zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was in een +krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer +beter zou worden. + +Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was, +en door haar neef al eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou +moeten, als ze weer over zijn "arme, lieve kinderen" klagen kwam, +had ze besloten te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde. + +Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet +weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het die oude vrouw +niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens +verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten en goeden ouden dag te hebben. + +En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze +wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. Gelukkig +was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat +ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats van te slapen. En +dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven, +dan moet hij 's nachts slapen en geen andere dingen doen. + +Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin, +die ongehuwd was en een goede school had. + +"Weet je wat," zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten, +den schrijnwerker, die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de +broers klagen kwam, "weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede +school! De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen +heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van mijn +school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet +beterden. Daarom vraag ik je op den man af: Wil je je jongens nu +straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?" + +"Neen," sprak baas Daelhouten kortaf, "neen, ik straf mijn kinderen +niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van al wat er +leelijks gebeurt de schuld geeft." + +"Zooals je wilt!" antwoordde monsieur Levin, "zooals je wilt; maar +dan heb ik je ook wat te zeggen!" + +"En dat is?" vroeg baas Daelhouten. + +"Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen, +want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!" + +Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: "Och wat, +dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! Als hij zoo met +alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij +leven moet! Morgen stuur ik ze toch!" + +Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang +niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur Levin had liever +armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen +morgen Henri en Jacques stilletjes naar hun plaats gegaan waren, +riep monsieur hen voor de klasse en zei: "Hoor eens, jongeheertjes, +je vader schijnt niet begrepen te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik +wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!" + +In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven, +dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die een groot +huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een +man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en toen Henri en Jacques +thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had, +lachte de vader en zei: "Gelukkig, dat er meer scholen zijn en ook +nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan +die verwaande Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!" + +Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden +veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek was, dat hij doof +was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet, +dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht spraken en dan gaf hij ons +wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden. + +Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de +schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons binnen. + +"Goeden morgen, monsieur Gozewinus," zei hij met een beweging of keizer +Napoleon zijn adjudant was, "goeden morgen, monsieur Gozewinus! Hier +heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin, +maar die man had me te veel noten op zijn zang en hij had het altijd +op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel +niet, of u zult er anders over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons +brave en vlugge jongens zijn!" + +Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden +prijzen, keken we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach, +toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en +Henri, de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een +schop van zijn broer kreeg. + +Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast +zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij hen zou zetten, +viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf +ik hem de grootste plaats en zei, dat, als hij geen grift of pen had, +hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en +dat ik koopman wilde worden. Ik vroeg hem of hij 's middags tusschen +schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij 's avonds bij me +kwam spelen. Op alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me +vertelde, dat ik 's avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude +tante dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote +houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat was +ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik 's avonds thuis +kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten en 's nachts +droomde ik, dat ik boven in het pakhuis van zijn vader uit een stuk +mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden. + +Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde, +maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude tante en nog zoo +vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk +gelachen zou hebben. + +Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde. + +"Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof +is," zei Jacques stilletjes tegen me.--Met die vlasschuit bedoelde +hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan +een gewone menschenneus uitgevallen was. + +Ik knikte van ja. + +"Dan zullen we een grap hebben," zei hij. + +"Zeg eens, jongeheer Daelhouten," riep monsieur, "noem de eilanden +eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen." + +En daar begon hij: "Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood, +Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!" + +Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en daarom schoten wij allen +in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had, +dat hij ze niet goed had opgenoemd en zei: "Als ik je wel verstaan +heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb +je gevraagd naar de eilanden boven Duitschland en Nederland, waarvan +de meeste boven de Zuiderzee liggen." + +"O, meent u die!" riep Jacques met het brutaalste gezicht van de +wereld, "jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney, +Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, +Texel!" + +"Best, jongen, best! Dat gaat goed!" zei monsieur en vervolgde: +"En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!" + +"Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland," fluisterde Jacques, +terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de jongen, die +aan den anderen kant zat, het best hooren konden. + +Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek +hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en mochten geen +beurt meer hebben. + +Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: "Dat is jouw schuld, dat +wij een slechte aanteekening gekregen hebben. Als je dat nog eens +doet zal ik de waarheid zeggen en...." + +"Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!" zei Jacques. "Ik +bedank voor zoo'n vriendschap!" + +Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques +gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon ik zulke +zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: "Zeg, +kom je straks bij ons spelen?" + +Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden. + +"Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri +brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade geven!" + +"Dat zal prettig zijn," zei ik. + +"Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!" + +"Geld? Ik heb geen geld!" + +"Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen, +anders kan je wel wegblijven!" Nadat hij dit gezegd had ging hij heen. + +Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf +was er baas over. Iedere week kreeg ik er van vader een schelling +in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch +woordenboek. Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik +was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar +boven ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik +het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven moest +gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog +toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide hem uit het raam +en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart. + +Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een +gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, dat ik iets +gedaan had dat niet goed was. + +"Wat ben je toch een domme jongen, George," zei ik tot mijzelf. "Als +vader vraagt: 'Waar is de spaarpot?' dan ga ik hem zoogenaamd halen; +ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij +gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!" + +Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor +het huis van den schrijnwerker. Jacques stond me al op te wachten +en het eerste wat hij vroeg, was: "Wel, heb je geld?" + +Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was +bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik twee schellingen +en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot +weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad had, had ik er weer alles +in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan +kunnen dienen om nog eens te gaan dobbelen,--ja, wat nu? + +Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen +juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. Er was geen +haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles +hetzelfde behalve dat er geen groote G op stond. + +Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor +mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste letters +van onzen voornaam gesneden. + +Goede raad was duur; wat zou ik doen? + +Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot +te koopen. + +Zonder te vragen: "Hoeveel kost die spaarpot?" zei ik: "Och, geef +mij dien spaarpot eens!" + +"Asjeblief," zei de winkelier, zette er een op de toonbank en +vervolgde: "veertien stuivers!" + +Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den +winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus drie +schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee +en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. Ik meende +voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch +mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, ik had daarenboven nog +twee stuivers minder dan toen ik heenging. + +Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den +nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies eender +van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en +wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even groot geweest. + +Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar. + +Als ik er nu maar die G op krijgen kon. + +Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een +lade. Als moeder maar eens wegging! + +Klingeling---klingeling! + +Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer. + +Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders +pennemes naar boven. + +Nu aan het snijden. + +Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep +me langs het voorhoofd. + +Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader, +maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield, dan kon +ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den +spaarpot van Mina en daar stond een M op. + +Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al +zijn leven! Daarop stond een K. + +Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een +drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een G zijn. + +Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een G te maken. Had ik die G +maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een +_G_ en nu zat ik met dien leelijken, langen staart. In vrede, dan maar +een héél groote G. Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had; +want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes. + +Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik? + +"Wat voer je toch daar boven uit, George?" vroeg moeder. + +"Ik leer mijn les, moeder," riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die +leugen tot achter de ooren rood werd. + +"Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens +naar den kruidenier om rijst, gauw!" + +Alle ongelukken opeens! + +In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op, +zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken pennemes in +den zak en ging naar beneden. + +"Een pond," zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef +staan, zei ze: "Nu, waar wacht je op?" + +"Op een flesch, moeder!" + +"Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een +flesch gehaald?" + +"O ja," zei ik, "het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het +hoekje, hé?" + +Wierhoeve was een smid, moet je weten. + +"Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den +smid halen!--Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad gedaan?" + +Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg: +"Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!" + +"Goed, ga dan maar heen!" zei ze. + +Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer +thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon te vragen. + +Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik +begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van in. De letters +dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo +fel te kloppen, dat ik er raar van werd. + +Als hij zijn pennemes maar niet noodig had. + +"Vader," zei moeder, toen ze in de kamer kwam, "ik moet je eens wat +zeggen. Kom eens even hier!" + +Vader stond op en ging met moeder in de gang. + +Ik voelde dat ze het daar achter de deur over mij hadden en ik begon +nog akeliger te worden. + +Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik +later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik die boterhammen +binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote +brokken in mijn keel bleven zitten. + +Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan. + +"Je moet eens even blijven zitten, George!" zei vader. + +Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te +schreien. + +"Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel +eens eerlijk, wat is er gebeurd?" vroeg vader en zette den spaarpot +op de tafel. + +Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was. + +Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen, +toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig te snikken +en greep vaders hand. + +"Je zult je ziek maken, George," sprak vader. "Vertel maar eerlijk +wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de +twaalf schellingen gebleven zijn! Je ziet, ik weet al veel!" + +Ja, vader wist veel en daarom--neen, liegen kon ik niet, ik vertelde +hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee en dertig +duiten op de tafel. + +"Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het +eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis of bij monsieur +Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend +Jacques! Die jongen zal een kerel van je maken! Nacht, George!" + +Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig. + +Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden, +als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden vader gedankt, +als op dien avond. + +Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar +andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, dat ik niemendal +met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor +den neus, zoodat deze begon te bloeden. + +Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen +wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, dat ik daardoor op +het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles. + +"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur. + +"Blijven zitten, Jacques!" riep Henri uit de andere klasse zijn broer +toe en deze verroerde zich niet. + +"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur nogmaals. + +"Niet doen, hoor!" riep Henri weer en Jacques deed het ook niet. + +Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong +uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, en monsieur +brutaal aanziende, schreeuwde hij: "Blijf af!" + +Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven. + +Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den +ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, zoo waar, +de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar +het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, waarover we verbaasd +stonden, pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en +Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende +kinderen, in een hoekje bij den schoorsteen. + +"Vanmiddag blijven zitten, kwajongens," zei hij en begon toen weer +aan het werk, alsof er niets gebeurd was. + +Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit +hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht had. Van dien +dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem, +als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem nog even lief als vroeger. + +Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens +staan zonder iets anders te zeggen dan: "Over een half uur kom ik terug +en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!" + +Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had +en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, neen, +dat had hij niet vermoed. + +Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam +uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te komen? + +"Wacht," zei Henri, "hier achter deze heining maar!" + +Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil. + +Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de +hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in het sleutelgat +en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit +te barsten. Daar ging de deur open en, snel als de wind liep Henri er +heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur +Gozewinus zat gevangen. + +"Wie brutaal is, wint de halve wereld," zei Henri en nam Jacques mee +naar de achterdeur van monsieurs tuin. + +"Wat moet jelui?" vroeg de meid. + +"Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien +aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!" + +De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open. + +We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg +afgetrokken. + +De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet. + +"Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?" vroeg ik. + +"Den weg op naar de gevangenis, mannetje," was het antwoord, dat ik +niet begreep. + +Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei +naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, als monsieur zelf +het zei. + +"Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?" fluisterde een jongen +me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van monsieur om +vreemd op te zien. + +"Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en +Jacques in de gevangenis zijn?" + +"Uzelf monsieur!" antwoordde ik. + +"Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg +naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als ze zoo voortgaan, +dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren, +dat ze nog in de gevangenis kwamen ook!" + +Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur +sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; ik was nog +niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was. + +Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op +school gebeurd was. + +"Zoo," zei vader, "dat jongetje zal het ver brengen!" + +"Jawel, vader, maar er zijn er twee!" + +"Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!" + +"Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!" + +"Ik hoop het, jongen, ik hoop het!" + +Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne +lesje genoeg. + +En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het +leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme moeder +vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis +gestorven. + + + +De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd +en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter zei: "Maar, +meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet +veel beter en misschien nog wel erger afgeloopen is dan met Govert +de Plinte!" + +"Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?" + +"Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen +als met die twee." + +"Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En +dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje kan er nog mee door, +maar herinner je altijd het versje: + + + + Och, bedenk het, jongensstreken + Worden licht'lijk mansgebreken." + + + + + +HOE FRANS DOOR DE WERELD KWAM. + + +"Frans, Frans!" + +"Ja, moeder, ik kom!" + +Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te +krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden. + +Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan +zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk niet. Het was +een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het +was zeer laag van verdieping en in een hoek stonden stoelen en tafels, +stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door +elkander. De roode steenen vloer geleek veel op een modderzee, te +midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in +de andere hand en een emmer water aan de voeten. + +Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat +tegen den Zondag haar huisje schoon was. + +Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon +uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden niet meedeed, +maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen +prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren mochten lap op lap staan, +zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op +nahield, dat kon men Frans best aanzien; want zijn haren zaten netjes +en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met +plezier naar keek. + +Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei: +"Wat is het, moeder?" + +"Buurman is zooeven aan de deur geweest!" + +"Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren +neus?" + +"Ja, Frans!" + +"En wat moest die hebben, moeder?" + +"Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!" + +"Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in." + +"Kom, kom, jongen, het is of je bang voor den nieuwen buurman bent! Dat +is toch niet zoo?" + +"Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond +en die heeft me gezegd, dat hij zoo'n akelige vent is, die altijd +maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?" + +"Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat +die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als je me plezier +wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch +maar leelijke dingen van hem!" + +"Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens +alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De heele buurt noemde +hem "den Beer." + +"Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je +buurman niet anders noemt dan "meneer Moerdijk", begrepen?" + +"Ja, moeder!" + +"Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer +wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!" + +Frans beloofde dit en ging. + +Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand +door de gang aankomen. De deur ging open en een oude vrouw met een +vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde. + +"Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde +doen, juffrouw!" + +"O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!" + +"Ja, juffrouw!" + +"Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen, +dat je er bent! Voeten vegen, hoor!" + +Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer, +en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te zien hoe +kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal, +dat het vrouwtje gezegd had: "Voeten vegen, hoor!" Maar lang tijd had +Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open +en zei: "Meneer, hier is het jongetje van hiernaast!" + +"Goed," klonk het, "laat den slungel maar achter komen!" + +"Zie je," dacht Frans, "dat die vent wel verdient Beer genoemd te +worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. Als hijzelf +maar geen slungel is!" + +Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan +de deur. + +"Binnen!" riep een barre stem. + +Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en +luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag Frans niet. Hij +zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat. + +Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was +in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd boven +een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon, +van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde zak om de magere +leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels. + +"Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?" zei hij en sloeg zijn +donkerzwarte oogen op Frans. + +"Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?" vroeg deze. + +"Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif +dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan eens netjes op +alles, wat ik je vraag!" + +Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra bij den ouden heer aan tafel, +en toen had het volgende gesprek plaats. + +"Hoe heet je, jongen?" + +"Ik heet Frans Jacobsen, meneer!" + +"Zoo, en wat is je vader?" + +"Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!" + +"Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?" + +"Ja, meneer, hij moest 's nachts op den toren zijn, en als het +heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een klarinet +'Wilhelmus' blazen!" + +De oude heer glimlachte en zei: "O zoo, hij was dus torenwachter? En +wat is hij nu?" + +"Hij is al vier jaar dood, meneer!" + +"Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?" + +"Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!" + +"Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga +je school?" + +"Ik ga niet school, meneer!" + +"Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan +al goed lezen, rekenen en schrijven?" + +"Ik heb nooit school gegaan, meneer!" + +"Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?" + +"Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!" + +"Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!" + +"Jawel, meneer, maar...." + +"Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij +moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar straks toch +zoo op te zagen?" + +"Ik, meneer?" + +"Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te +kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat was zóó mooi, +dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon +te mauwen!" + +"O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool +van grootvader!" + +"Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?" + +"Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!" + +"Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?" + +"Jawel, meneer!" + +Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van +de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, dat het een +kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij +nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen te gelijk aan. + +Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk +had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel niet zeggen +en zweeg dus. + +"Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!" + +"Het is leelijk, meneer!" antwoordde Frans. + +De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar +toen hij nu weer vroeg: "Is dat mooi of leelijk?" riep Frans: "Dat +is mooi, meneer!" + +Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te +spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans de tranen +in de oogen sprongen. + +"Wel?" vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap +stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen. + +"Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!" riep Frans. + +Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: "Mooi, +zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt gehuild. Goed, +goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je +moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap voor me doen in +de Zilverstraat!" + +Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij +weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: "Als hij een goed gehoor heeft, +dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of +geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!" + +En wat wilde hij nu doen? + +Dat zullen we zien. + +De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer +Moerdijk een paar uren werken; want "Aaltje, de meid wordt wat oud," +had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij +al elf jaar oud was en nog bij kinderen van vijf jaar moest zitten +om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen, +en hij beet er zóó goed doorheen, dat hij twee jaar later al in de +hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als +hij thuis was, hielp mijnheer Moerdijk hem altijd aan zijn lessen, +zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was. + +Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen. + +Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: "Hoor eens, Frans, ik +hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je daar niet +meer aan?" + +"Ik heb geen tijd, meneer," antwoordde Frans. + +"Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht, +wat je worden moet?" + +"Neen, meneer!" + +"Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen +wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?" + +Frans' oogen schitterden, en zijn "ja, meneer!" kwam er zóó blij uit, +dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij wel meende, +wat hij zei. + +"Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen +met de noten te leeren!" + +"O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar +zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?" + +"Dat komt er op aan wat het is, manneke!" + +"Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd, +als u niet thuis was!" + +"Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren +komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!" + +De oude man bracht Frans voor de piano en zei: "Speel!" + +"Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?" + +"Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen +hebben?" + +"Dat dikke, meneer!" + +Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls +had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd de bladen +omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van +wist, had hij altijd bij het einde van ieder blad gezegd: "Keer om!" + +Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn +stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. Op het +laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje +rukte en uitriep: "Van wien heb je dat zoo geleerd, jongen?" + +"Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als +de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb ik alles +onthouden en...." + +"Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is +onbegrijpelijk!" En hierop liep hij de kamer eenige malen rond, +telkens uitroepende: "Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!" + +Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij +zeggen zou. + +"Weet je wat, jongen, wacht hier even!" zei mijnheer en verdween in +een zijkamer. + +Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes +aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: "Ga mee, +Frans!" en deze volgde gewillig. + +Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op +een pleintje voor een groot gebouw stilstonden. + +"Wat staat daar boven de deur?" vroeg mijnheer Moerdijk en wees met +zijn stok naar het gebouw. + +"Muziekschool, meneer!" was het antwoord. + +"Precies! Nu, hier moeten we zijn!" hervatte de oude heer en schelde +aan. + +Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje, +waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden baard en +knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde. + +Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er +tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat wel een half +uur duurde. + +Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het +zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde meneer: +"Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind +ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de wereld. Zoodra ik +merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit, +kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus de boodschap, begrepen? En nu, +morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje +hiernaast zal openstaan, en je zult er wel meer jongens binnen zien +gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!" + +Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter +beiden dicht. + +Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo al dag aan dag met Frans +voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen, +dat de blonde heer Frans niet behoefde weg te zenden. De arme knaap +werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen. + +Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal +hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde hem dat +erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje +verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, neen, dat +niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest +alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam hij het besluit, +ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde. + +Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren +mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat deze toch al +zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te +denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen zou, toen hij op +zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker +tegenkwam, die hem vroeg: "Garçon, jij mij kan zek, waar woont die +monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!" + +Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier +tijd had, en daarom zei hij: "Ga maar mee, meneer, ik zal u er +brengen!" + +Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een +gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij niet meer +van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn +knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. Frans vond dat +ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens +vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, dan zou hij ... ja, als dat +eens kon ... dan ... + +Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over +beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. Reeds had +de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg +aan te schellen toen Frans zich omkeerde en zei: "Meneer!" + +"Eh, watte?" + +Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te +vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans 's avonds bij +hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond +werd er tusschen die twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden. + +Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren +wil en den wil heeft, die komt er wel. + +Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu +ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en al haperde er +hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil +kan men bergen verzetten. Dat ondervonden deze twee ook. + +Den 13den Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud +worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? Ik +zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch +te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd op, toen Frans hem +zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was, +met hem Fransch begon te spreken! De tranen kwamen hem in de oogen +en de goedige oude legde zijn hand op Frans' hoofd en zei: "Je bent +een flinke jongen! Je moeder kan plezier aan je beleven!" + +En werd dit woord bewaarheid? + +Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde +man erbarmelijk op een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat +voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren, +liet duidelijk zien, wat hij aan de menschen vroeg. + +Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan +te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets meer te +verdienen dan een stukje droog brood. + +Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met +een dame voorbij. + +"Och," zei de dame, "kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe, +geef hem wat!" + +De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld. + +"Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil +ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!" zei de heer. + +"O, als u ook spelen kunt, graag!" was het antwoord en de viool +ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den rijken +heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars, +en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer voorbijging zonder +te blijven staan luisteren. + +Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, maar dezen heer +kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar +zoo stond te spelen. + +Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het +nog nooit gehoord en.... klink-klank,--klink-klank--het goud- en +zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk +en te schreien van blijdschap. + +Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en +zeide: "Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je nu maar thuis +brengen, vriend!" + +"O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die +groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent...." + +"Ssst!" zei de heer en verwijderde zich snel met de dame. + +En weet je wat de dame zei? + +Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem: +"Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank je +ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal +je zegenen!" + +"Zeg, man, wie was die vioolspeler?" vroeg een heer, die in een mooie +koets zat en ook stil had laten houden. + +"Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!" antwoordde +de blinde. + +"Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig +pond voor!" liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat de blinde +voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument +gaarne afstond. + +Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was, +en waren vijf menschen overgelukkig. + +De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in +een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige. + +En de andere vier, wie waren die? + +In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen +zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel. + +Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de +Haarlemsche courant te spellen. + +Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde +ze uit de korf zonder zorg, maar.... + +Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken +moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, dat ze haar +jongen kon laten schoolgaan! + +Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was +braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een moed, +die zeeën konden leegmalen! + +En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog +iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en nooit vergeten +zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen +vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die het eenvoudige muschje +voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn. + +Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster +geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd mee. En +overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant +voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er zich den geheelen dag +mee bezig kon houden. + +"The Times, sir!" zei een knecht, die binnentrad. + +De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die +vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte en begon +te lezen. + +Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de +oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn sigaar vallen, +en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: "Vrouw Jacobsen, +dat is een bericht! Lieve Vader in den Hemel, dat is een bericht, dat +me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!" + +"Maar wat, wat is er dan toch?" vroeg de vrouw bevende. + +"Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het +Engelsch staat. + +"Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval +plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar dag aan +dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde, +dat men op die oude kast nog wat anders kon doen dan zagen. Doch zie, +vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel +van een vreemden heer, die op dezelfde viool zoo heerlijk speelde, +dat ieder verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in +de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud en +zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw +tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter aan het meesterlijk +spel en zei: 'God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!'" + +"Wie, wie, wat, wat zeg je?" schreeuwde de oude vrouw. "Mijn, mijn +Frans, mijn eigen Frans?" + +"Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die...." + +Andermaal ging de deur open en.... + +"Dag moeder, dag meneer Moerdijk!" zeiden de heer en de dame, die +binnentraden. + +"Lieve, lieve Frans!" riep de oude vrouw. "O, mijn jongen, wat maak +je me gelukkig!" + +"God zegene je, Frans!" sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen +uit zijn oogen.--zegene je!--Jongen, jongen, wat een gelukkige dag!" + +"Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier +wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover de lui hier, naar +ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten +staat. U beiden hebt me gelukkig gemaakt, waarom mag ik anderen nu +ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is +mijn viool: we zullen samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!" + +De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist. + +Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er +eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. En +dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven. + +Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en +mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar het orkest. De +zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het +gegons en gebrom bleef aanhouden en niemand acht sloeg op den heer, +die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij +het orkest verdween. Het zou misschien een andere muzikant zijn; +dien avond speelden er nog meer. + +Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer +stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: "Stilte!" Dadelijk +was alles stil. + +"Mee, ouwentje, mee!" zei de heer, die de lord was, die de viool +gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest. + +"Dames en heeren," dus begon de lord, "dezen man zult u wel kennen! Hij +is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer Jacobsen +gespeeld heeft!" + +Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe. + +"En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist +een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. Zie, +ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten +graveer en: 'Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen.' Blinde +John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil, +kan dat straks bij het verlaten der zaal in een bus doen. Al wat +er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor +Blinden John! Dat had ik te zeggen! Stil, stil, daar komt de meester!" + +Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens +stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar met de +grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige +woorden de prachtige vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten +instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er +gehoord. Wat de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand, +maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet +hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was, +maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare hart. + +Eindelijk legde hij de viool neer en--zonder de goedkeuring van +het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het orkest +om--zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden +te danken, die den armen torenwachterszoon zoo over- en overgelukkig +had gemaakt. + +Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten +worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord zijn hoed +moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu +zelfs niet meer naar een gesticht te gaan. + +Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren, +zul je vanzelf wel begrijpen. + +En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit +geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet uit zijn en +dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden. + + + + + +MET GOEDEN WIL EN EEN WEINIG HULP. + + + +I. + + +De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen +geslagen. + +De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen +wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en steeg, op +stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon: + + + "En aan hun oogjes zie je 't aan, + Dat zij wat graag naar school toe gaan!"-- + + +Nu en dan slechts zag men er nog een, die misschien vóór schooltijd +voor moeder nog een boodschap gedaan had, of die door de zon van acht +uur uit het bed gejaagd was, zoo hard hij kon naar school draven, +om dan toch niet àl te laat te komen. + +Niet ver van den toren, en dicht bij de bloemmarkt, was de +stads-apotheek en, als er geen bijzondere ziekten in de stad +heerschten, dan ging de deur van dat gebouw eerst te negen uren open. + +Ondertusschen was het er nu al kwartier over. De menigte voor de deur +werd al grooter en grooter, en toch hoorde men daarbinnen nog volstrekt +geen beweging. Het spreekt vanzelf, dat er onder die wachtende menschen +al heel spoedig gemor ontstond, en eindelijk verstoutte er zich één +eens ferm aan de schel te trekken. + +Hij, die dat deed, was een opgeschoten jongen van een jaar of tien, +die, toen de klok nog geen negen geslagen had, al voor de deur +stond. Met angstig en ongeduldig gebaar had hij al verscheidene +keeren naar het wijzerbord van den toren gezien, en telkens zag hij +dat de minuutwijzer, hoe langzaam dan ook, voortging. Eerst stond hij +op één, toen, op twee, wat later op drie en het speelde daar boven +"kwartier-over";--nu stond hij al bijna op vier! + +Men kon het hem zoo aanzien, dat hij er lang niet plezierig onder was. + +Geen wonder, hij behoorde ook tot de kinderen, die daar straks +stoeiend en spelend naar school waren gegaan. Ook _zijn_ plaats was in +de school! Wat zou de meester nu wel zeggen? Hij was nooit "zoo maar" +om het een of ander thuis gebleven; ja, hij was zelfs nog nooit te +laat gekomen. En nu al haast tien minuten voor halftien! + +Neen, hij kon niet langer wachten, het was hem onmogelijk: hij zou +maar eens schellen. + +Nu was er aan die apotheek een bijzonder soort van schelknop, een +nieuwe, zooals er toen nog geen tweede in de stad was. Men moest er +niet aan trekken, maar op drukken. + +Dat wist onze knaap niet, en tot zijn grooten schrik ging de schel +hard over, toen hij, nogal driftig, de hand op den knop legde. + +"Nu, als ze dat daarbinnen niet hooren, dan slapen ze zoo vast als +marmotten in den winter," zei een der mannen. + +"Het heeft geholpen ook. Hoor maar, daar komen ze al," sprak een ander. + +En ja, ze kwamen dan toch eindelijk. + +Driftig werden de luiken geopend, en nog driftiger werd de deur +opengesmeten. + +"Wie, voor den drommel, maakt hier zoo'n vreeselijk leven? Het lijkt +of er brand is! Kan jelui dan niet wachten tot een fatsoenlijk mensch +zichzelven aangekleed heeft? Wie heeft er gescheld?" + +Dit alles riep in één adem een dik en groot heer met vreeselijken baard +en knevel, en hij keek zoo grimmig en leelijk, alsof hij grooten trek +had al die menschen zoo maar ineens op te eten. + +Niemand sprak echter en daarom schreeuwde hij nog eens: "Ik wil +weten wie er daar zooeven de brandklok geluid heeft! Heb je het +niet gehoord?" + +"Ik heb het gedaan, meneer! Ik moest om negen uren op school zijn en +het speelt daar al voorslag van half tien!" zei de knaap en zag den +heer vrijmoedig aan. + +"Mooi, brandklokluider, dan zal ik jou ditmaal eens allerlaatst +helpen, verstaan? Dat maakt een kabaal, alsof ze hun drankje met goud +betalen! Je weet toch wel, dat je het hier voor niemendal krijgt, +en dat je dan zooveel praats niet hebben mag! Zeg, kwajongen?" + +"Maar, meneer, ik moet naar school! Ik...." + +"Houd je mond, straatbengel!" riep de booze apotheker en nam het +recept aan van een vrouw, die dichtbij stond. + +Sapperloot, wat maakte hij een geweld met dien ijzeren stamper in +dien koperen vijzel! Wat werd de knecht toegesnauwd, als hij niet gauw +genoeg de poeders in papiertjes vouwde, doosjes aangaf, kurkjes op de +fleschjes deed of pillen draaide. De man speelde: haast-je, rep-je, +en toch was het niet goed. + +Nummer één was geholpen, nummer twee ook, eindelijk zelfs nummer negen, +en nog altijd stond de arme jongen met het recept in de handen te +wachten. Reeds lang had de klok tien geslagen, en met het slaan van +tien, kwamen er misschien wel evenveel, misschien ook nog meer tranen +uit zijn oogen rollen. + +Af en toe kwamen er menschen bij en gingen er af. + +Het was half elf. + +De wreede apotheker hield vol met hen, die het laatst gekomen waren, +het eerst te helpen. + +"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg opeens een vriendelijke stem, +dicht bij den knaap. + +De jongen keek op en zag een zonderling gekleed man voor zich +staan. Lange, grijze haren golfden van onder een blauwe slaapmuts op +den rug, die voor een gedeelte met een rooden zakdoek bedekt was. Een +reistaschje hing over de jas. In de rechterhand hield hij een dikken +en knoestigen doornstok en de voeten staken in groote geverfde klompen. + +"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg hij nog eens en zoo mogelijk +nog vriendelijker dan daar straks. + +Snikkend en fluisterend vertelde de knaap alles wat er gebeurd was. + +"Is het anders niet?" hervatte de oude. "Wacht, ik zal eens maken, +dat je geholpen wordt. Geef je receptje maar eens hier!" + +Het jongetje gaf het over, en nu drong de man door de vóór hem staande +menschen, stak de hand, met het recept er in, door het loket, en geen +vijf minuten later kwam hij terug en gaf het drankje over. + +"Zie je wel, vent, wie arm is, moet slim zijn," zei de man en tegelijk +stopte hij met het drankje, den knaap een dubbeltje in de hand. + +"Toe, toe, maak maar voort! Dat dubbeltje is voor je lang +wachten!" hervatte de oude toen het jongetje hem vreemd aankeek. + +Die vriendelijke, oude man en dat dubbeltje verzoetten voor hem +eenigszins de nare gedachte, dat hij nu, buiten zijn schuld, niet +naar school kon. + +Zonder te kijken naar een paar honden, die om een weggeworpen been +vochten, snelde hij den hoek om langs de bloemmarkt.... + +Hé, wat stonden daar mooie bloemen! + +Geraniums, fuchsia's, rozen, petunia's, aäronskelken, reseda's.... + +En moeder zag zoo graag een reseda! Ze hield er zoo van, en nu ze +ziek was en niet naar de markt kon om een potje te koopen, was er +nog niets van gekomen. + +Hij liep wat minder snel en bekeek de lange rijen met bloemen. + +Het dubbeltje danste in zijn zak. + +Neen, de verzoeking was te groot; hij kon niet voort; hij moest even +blijven staan en kijken. + +"Wat noodig, manneke?" vroeg een vrouw. + +"Hoe duur is de reseda?" bracht de knaap er met moeite uit. + +"De mooiste kosten vijftien centen; de andere een +dubbeltje!" antwoordde de vrouw. + +"Geef er mij dan een van een dubbeltje," zei de jongen, die nog nooit +scheen gehoord te hebben van overvragen of afdingen. + +Of deze vrouw nu overvraagd had, en of ze ook liet afdingen, kijk, +dat weet ik zoo precies niet; maar de leelijkste gaf ze hem toch niet, +dat weet ik wel. + +In een ommezien was nu de knaap met zijn drankje en reseda-plantje +thuis. + +"Willem, Willem, wat ben je lang weggebleven! Hoe komt dat?" klonk +een zachte stem uit de bedstede hem tegen toen hij thuis kwam. + +De knaap, die, zooals we hooren, Willem heette, vertelde haarfijn +alles wat er met hem in die twee uren gebeurd was, en liet haar ook +het potje met reseda zien. + +"Kan ik nu nog naar school, moeder?" vroeg hij. + +"Ja, kind, het is wel jammer; maar ik zou het niet doen. Het is al elf +uur en om half twaalf gaat de school uit! Het is de moeite niet meer!" + +"Ja maar, moeder, wat zal ik dan vanmiddag wel tegen den meester +zeggen?" + +"De waarheid, Willem!" + +"En als meester me dan eens niet gelooven wil?" + +"Heb je dan wel eens gelogen, mijn kind?" vroeg de moeder nu. + +"Neen, moeder, maar...." + +"Stil maar, jongen, stil maar! Je gaat vanmiddag naar school en je +vertelt net alles wat er gebeurd is. Je doet er niets af en niets +bij. Neem nu het prentenboek, dat je bij het laatste school-examen +gekregen hebt, en lees er dan maar wat in, dan doe je toch wat," +zei moeder, die een lepelvol van het drankje innam en weer ging liggen. + +Mietje, de eenige zuster, die Willem had, was een meisje van veertien +jaren, die nu gedurende de ziekte van haar moeder, zoo goed en zoo +kwaad het ging, het huishouden waarnam. Had ze geweten, dat haar +broertje zoo lang zou moeten wachten, dan zou ze zelf wel naar de +apotheek gegaan zijn; want haar moeder was nu zóó ziek niet, of ze kon +wel een oogenblik alleen zijn. Want, zie je, _zij_ zou niet gescheld, +of het althans zoo hard niet gedaan hebben. Ze kende dien knop wel; +ze zou ook zoo vroeg niet gegaan zijn, en zoo voort. Maar aardig +en vriendelijk vond ze het toch van dien vreemden, ouden man! En +voor de reseda zou ze zorgen, dat was vast. Zoo ging het mondje van +Mietje, terwijl ze in het zijkamertje bezig was met den middagpot +gereed te maken, zoodat er van Willems lezen ook al niet zoo heel +veel terechtkwam. + +Even na het slaan van twaalven kwam de vader, een breed geschouderde +opperman, thuis. Deze hoorde ook wat er gebeurd was, doch daar hij +zelf niet lezen of schrijven kon, begreep hij niet, dat Willem zóó +iets zich zoo aantrekken kon. + +"Was het anders niet?--Over een half jaar moest hij toch van +school af. Had hij, als vader, zijn zin gekregen, dan had de +jongen verleden jaar de school al verlaten. Hij kon hem toen bij +een schoenmakersbaasje, als loopjongen, voor een halven gulden in +de week gekregen hebben. Jammer genoeg; want iedere week een halven +gulden meer is toch ook geen kleinigheid! Met nog een kwartje er bij +was het juist de huishuur! En wat beteekende al dat leeren? Hijzelf +kende immers geen _a_ voor een _b_, en hij had toch altijd te eten, +'s zomers van hetgeen hij verdiende, en 's winters van de bedeeling!" + +"Och, vader, houd toch op met dat geleuter over de school," riep de +moeder. "Doe me het pleizier en zwijg ervan!" + +"Nu, ik zal zwijgen!" was het antwoord en kort daarop ging hij, +na een pijpje opgestoken te hebben, de deur uit. + +'s Middags kwam Willem in de school. Hij vertelde de waarheid, +heelemaal de waarheid! Maar meester was een streng man en maakte met +niemand eenig onderscheid. Hij nam zijn schoollijst en Willem kreeg +één aanteekening van willekeurig schoolverzuim. + + + + +II. + + +Het was misschien een maand later en op een mooien Donderdagmiddag, +dat er aan het spoorwegstation heel wat drukte en beweging was. Wel +honderdtwintig kinderen waren onder geleide van twaalf onderwijzers +in den trein gestapt om te R. den dierentuin te gaan bezichtigen. + +En waar kwamen die honderdtwintig kinderen vandaan? + +Ik zal het je zeggen. + +In de stad waarin Willem woonde, waren eenige heeren op de armenscholen +gekomen en hadden gezegd: + +"Meneer, al de kinderen die gedurende een geheel jaar geen enkelen keer +voor willekeurig schoolverzuim zijn aangeteekend, moet u eens opgeven!" + +"Dat wil ik wel doen, heeren," antwoordde Willems onderwijzer. "Maar +welk plan heeft u daarmee?" + +"Wel," zei toen een, "om de kinderen voor dat trouwe schoolbezoek te +beloonen, zullen wij ze den dierentuin te R. eens laten zien!" + +Dat vonden al de onderwijzers goed en de kinderen natuurlijk ook. + +Willem ging op school D. en toen de hoofdonderwijzer vertelde wat +er gebeuren zou, noemde hij veertien namen op van kinderen, die het +geheele jaar lang geen enkelen keer "zoo maar" waren thuis gebleven. + +De veertien namen waren genoemd,--meester noemde ze nog eens, het +papier werd gevouwen.... Ach, Willem was er niet bij! + +Hij stond op de lijst voor één keer willekeurig schoolverzuim, dat +wist hij. + +Maar kon hij dat helpen? + +Was dat zijn schuld? + +Neen, die poets had die man uit de stadsapotheek hem gebakken, en +toen hij de school uitging kon hij niet nalaten, eens even naar de +apotheek te gaan. + +Om dien boozen man kwaad te doen? + +Neen, dát niet; maar als hij hem zag dan zou hij zijn tong toch wel +eens tegen hem uitsteken, weet je! + +Zoo'n leelijke vent! + +De man was niet in de apotheek, en met een boos hoofd ging Willem nu +maar naar huis. + +Vader kwam dien middag niet thuis eten. Hij was buiten de stad op een +karwei en Mietje moest hem zijn potje maar brengen. Ze zou op verzoek +van moeder, die nu weer beter was, van dat pleizierreisje van sommige +kinderen maar geen woord spreken; want hij zou er misschien aanleiding +in vinden om Willem maar van school te nemen. + +Het middagmaal was afgeloopen en baloorig ging Willem de straat +op. Zou hij naar school gaan? + +"Neen," bromde hij, "nu blijf ik vanmiddag eens stilletjes +thuis! Hebben die andere jongens en meisjes pret, ik wil het ook +hebben!" + +Zoo in zichzelven pratend, liep hij maar verder en verder tot dicht +bij het station. + +Lieve schepsel, hoor eens wat een gejuich! Wat een gejoel! + +Jawel, daar zingen ze al: + + + "Wilhelmus van Nassauen!" + + +De tranen kwamen onzen knaap in de oogen toen hij dat hoorde, en +schreiend zette hij zich op een bank. + +"Daar heb je warempel dien huilebalk alweer!" riep plotseling een stem +dicht bij hem, en opkijkend, ontdekte Willem denzelfden ouden man, +die een maand geleden zoo vriendelijk voor hem geweest was. + +Hij droeg nog precies dezelfde kleeren en was nog niemendal veranderd. + +"En wat scheelt er nu weer aan?" vroeg de oude. + +"Niets! Niemendal! Neen, niets!" antwoordde Willem, keerde zich om +en draaide hem zijn rug toe. + +"Wel, wat een vriendelijke jongen is dat geworden," zei de oude. "Kom, +ik ga een beetje naast hem zitten!" + +Hij deed het, doch zette zijn dikken doornstok dwars over Willems +beenen heen, zoodat deze, die eerst hard wilde wegloopen, er nu op +bleef kijken, als een haan op een krijtstreep. + +"Hoor eens, maatje, ik wed, dat ik weet wat er aan hapert! Wil ik er +eens naar raden, zeg?" + +"Neen! neen!" + +"Wel, hoor me nu zoo'n stijfkop eens aan! Dat is zoo kortaf als +een gebroken pijpesteeltje. Ja, ja, vanmiddag zeker spinnekoppen of +oorwurmen gevangen, is het niet?" + +"Neen! Houd op met plagen!" + +"Of zure karnemelk gegeten?" hervatte de oude. + +Of Willem nu wilde of niet, daar hielp niets aan; hij moest schreien +en lachen te gelijk. + +"Aha," zei de man, "het zonnetje schijnt en het regent! Nu ga ik +raden! Huil je ook omdat je niet met dat troepje jongens en meisjes +mee mag? Zeg?" + +Het ijs was gebroken. Willem begon opnieuw te schreien, zei eindelijk: +"ja!" en toen de vriendelijke man hem vroeg hoe dat gekomen was, +vertelde Willem weer de heele geschiedenis. + +"Zoo, zoo!" hervatte de oude man, "zit de vork zóó in den steel? En +nu heb je vanmiddag zeker vacantie?" + +Willem durfde niet liegen en eindelijk kwam het er uit, dat hij +stilletjes uit school wilde blijven. + +"Dat is goed! Daar doe je wijs aan!" zei de man. + +Willem keek hem aan, alsof hij vragen wilde: "Nu fop je me toch?" + +"Neen maar, dat is dan toch eens heel verstandig van je, hoor! Nu +moet je net eens thuis blijven en niet school komen, dan doe je den +meester schade en je zelf voordeel; want er is voor jongens geen betere +plaats op de wereld dan de straat. Ze leeren er liegen, luieren, +vloeken, bedriegen, kwaaddoen en ik weet niet wat al meer! Nu, nu, +waar moet je nu weer heen?" + +Onderwijl die oude man zoo sprak was Willem opgestaan en wilde +wegloopen. + +"Nu zeg, waar moet je heen?" + +"Naar school, meneer! Och toe, laat me maar gaan, als ik hard loop, +dan kom ik nog niet te laat!" + +"Zoo? Nu, je bent verstandiger dan ik dacht! Maar zeg, heb je +Zaterdagmiddag ook school?" + +"Neen, meneer!" + +"Moet je dan ook boodschappen doen?" + +"Neen, meneer! Ik mag altijd den heelen Zaterdagmiddag spelen!" + +"Best. Ik woon een half uurtje hier vandaan aan den straatweg. Het +eerste huis aan je linkerhand, als je den tol voorbij bent. Kom je +me Zaterdagmiddag dan eens opzoeken om eens wat met me te praten?" + +"Ja, meneer, graag, heel graag," riep Willem, en als een pijl uit +den boog snelde hij heen. + +Hij kwam juist nog bijtijds op school en weinig middagen waren er +geweest, dat hij zóóveel geleerd had. + +Wat hunkerde hij naar dien Zaterdag! En toen die dag er was, wat was +hij toen blij! + +Alsof hij dicht bij het tolhek den Brijberg uit Luilekkerland zou +vinden, zoo vroolijk ging hij er heen, en toen hij nog geen kwartier +geloopen had, kwam hij den ouden man al tegen. + +"Ik dacht: ik zal mijn vriendje maar tegemoet gaan; hij moest anders +eens verdwalen," zei hij en begon toen over allerlei dingen te praten. + +Eindelijk kwamen ze bij een aardig huisje. + +"Ziezoo," zei de oude, "hier woon ik! Kijk nu maar eens op de deur, +dan weet je hoe ik heet en wat ik ben!" + +Willem keek op, en las van een koperen plaatje, dat op de deur +geschroefd was: G. _Balsem_, _Veearts_. + +Het aardige huisje zag er van binnen nog netter uit dan van buiten, +en het tuintje, dat er achter lag, was een lust om te zien, zoo netjes +als het er uitzag. Mooier bloemen waren er zelfs op de bloemmarkt +niet te vinden. + +En terwijl ze daar samen in den tuin zaten, vertelde mijnheer Balsem, +dat hij in zijn jeugd een heel arme jongen was geweest, die niet al +te best wilde oppassen. In plaats van naar school te gaan, bleef hij +heel dikwijls stilletjes op straat loopen, en daar leerde hij zooveel, +dat hij, toen hij negentien jaar oud was, als koloniaal naar de West +kon gaan. Hij werd oppasser bij een kapitein, en dat was gelukkig een +bovenstbeste man, die den jongen Balsem op het goede pad terugbracht +en hem zelfs heel goed leerde lezen, schrijven en rekenen. Eens in een +ledige kamer, die zoowat tot pakhuis gebruikt werd, snuffelend, vond +hij een boek, waarboven stond: _De verstandige veehouder_. In zijn +ledige uren las hij er in, en eens toen het paard van een luitenant +niet wel was, had hij het geluk het dier te genezen. Van dien tijd +af was er geen paard of koe in den omtrek ongesteld, of Balsem werd +er bij gehaald, en dikwijls wist hij met eenvoudige middelen de +dieren beter te maken. Toen zijn tijd om was en hij weer naar huis +kon gaan, had hij een aardig sommetje bespaard. Zijn ouders waren in +dien tijd gestorven, en daar niemand in zijn geboorteplaats veel met +hem ophad, ging hij hier wonen, schroefde het koperen plaatje, dat +er nóg op was, aan zijn deur, en begon in het vaderland als veearts +van meet af aan. In zijn ledige uren, die hij in het begin veel had, +las hij allerlei boeken over de ziekten van het vee, en eer er twee +jaren verliepen, noemden al de boeren in den omtrek hem: _den knappen +veearts_. En, dat bracht hem voordeel aan ook. Hij kreeg het verbazend +druk en verdiende veel geld. Later trouwde hij en kreeg twee zoons, die +nu zelf al getrouwd waren. "Kijk," dus eindigde hij zijn vertelling, +"daar ginder in dat boerenhuis met dat roode pannendak, daar woont +mijn oudste zoon Jan. Hij is boer en het gaat hem goed. Mijn jongste +zoon is paardenarts bij de dragonders en hem gaat het ook goed." + +Nog altijd zat Willem te luisteren of de oude man nog meer zou +vertellen. + +Deze deed het echter niet, maar vroeg eensklaps: "En wat zal jij +worden, kameraad?" + +"Ik weet het niet," antwoordde Willem, "maar ik zou wel bloemist +willen worden; want ik houd veel van bloemen!" + +En hierop vertelde hij, hoe hij voor dat dubbeltje een reseda-plantje +voor zijn moeder gekocht had, en hoe mooi dat bloeide. + +"Nu maar, dat is allemaal niemendal," zei Balsem. "Schoolgaan is in +de eerste jaren nog maar de boodschap; want het gaat tegenwoordig +niet meer, manneke, om met weinig te weten in de wereld vooruit te +komen. Toen _ik_ jong was, kon dat nog, dat zie je; want o, ik weet +zoo bitter weinig, en toch ben ik rijk geworden. Maar, als ik nu nog +eens van meet af aan moest beginnen, en ik wist niet meer dan ik nu +weet, dan werd ik misschien ook nog opperman, net als je vader!" + +Toen Balsem zoo een en ander verteld had, ging hij met Willem wat +in den tuin wandelen en leerde hem nog heel wat van sommige bloemen, +waarvan de knaap nog nooit gehoord had, en toen hij naar huis ging, +gaf hij hem een boek mee om er wat in te lezen. Iederen Zaterdag +mocht hij bij hem komen, en als hij niet thuis was, zou de oude +vrouw er toch zijn, dan kon hij die vertellen wat hij gelezen had, +en zij zou hem dan wel een ander boek geven. + +Zoo gingen de zomer, de herfst en de winter voorbij;--zoo werd +het Maart. + +"Wat scheelt er nu weer aan, jongen?" vroeg Balsem, toen Willem met +roodgeweende oogen op een Zaterdagmiddag bij hem kwam. + +"Och, meneer, ik moet van school af!" + +"Van school af, jij? En hoe oud ben je?" + +"Twaalf jaar, meneer!" + +"En wat moet je dan gaan doen?" + +"Vader heeft me bij zijn baas gedaan, en overmorgen moet ik al beginnen +met steenenbikken." + +"Maar dat wil ik niet hebben. Is je vader thuis?" + +"Neen, meneer; maar morgenochtend wel!" + +"Best, dan kom ik zelf morgen eens met je vader praten, hoor! Ik heb +nu geen tijd; want ik moet naar mijn zoon; want die heeft twee zieke +koeien. Hier, dit boek heb ik voor je gereedgelegd, lees er maar veel +in. Dag, Willem!" + +"Dag, meneer!" antwoordde de kleine steenenbikker, en ging naar huis. + +Den anderen dag kwam Balsem bij Willems vader, doch hoe mooi de +brave en verstandige veearts ook sprak, de opperman wilde niet +toegeven. Willem moest van de school af en Maandag aan het werk. Hij +was het nu al lang zat om voor zulk een grooten jongen nog langer te +werken. Hij kon den kost best zelf verdienen, ja, dat kon hij. + +Toen mijnheer Balsem thuis kwam, was de eerste vraag, die hij zijn +vrouw deed: "Zeg eens, Bet, zou je er veel tegen hebben, als ik een +loopjongen in huis nam?" + +"Maar, wat haal je nu toch in je hoofd? Ben je dan van plan zoo iets +te doen, Gerard?" + +"Van plan, van plan,--als je er erg tegen opziet, dan doe ik het niet, +dat is eenvoudig." + +"Maar waartoe heb je dan een loopjongen noodig? Heb je het nu zooveel +drukker dan vroeger, en komen de boeren zelf de medicijnen niet +meer halen?" + +"Och ja, vrouw, maar.... wacht, ga zitten, dan zal ik je eens alles +van a tot z vertellen," hernam Balsem en begon zijn vrouw nu mede +te deelen wat er met den armen Willem stond te gebeuren. Toen hij +geëindigd had, besloot hij met te vragen: + +"Nu, wat zeg je ervan?" + +"Laat den jongen komen, Gerard! Ik wil hem ook helpen," was het +antwoord. + +Na het eten ging de veearts weer naar Willems ouders, om, zooals +hij dacht, niet alleen de laatsten, maar bovenal Willem gelukkig te +maken. Doch toen hij op het zolderkamertje kwam, vond hij den opperman +in geen al te best humeur. + +Voor den middag was hij ergens geweest, waar hij, door van iets +veel te drinken, een warm hoofd gekregen had, en toen hij naar huis +ging, meende hij, dat de huizen dansten of, erger nog, op zijn hoofd +wilden vallen. Hij had erg op zijn vrouw en kinderen gegromd. Het +eten was weer niet gaar, had hij gezegd en toen de tafel afgenomen +werd, gaf hij Mietje een slag, omdat ze zoo'n leven met de borden +maakte. Hij knorde op de duiven van zijn buurman, omdat die onder +het vliegen zoo met de vleugels klapperden. Hij gromde op de honden, +die langs de straat liepen te blaffen. Hij schopte een stoel omver, +omdat hij er tegen aanliep, ja, hij was zelfs boos op de zon, omdat +die zoo warm scheen, en al zulke gekke dingen meer. + +"En wat heb je me nu weer te vertellen?" vroeg hij aan Balsem toen +deze boven kwam. + +De veearts zei het hem. + +Onze opperman was nu nog zóó raar niet, of hij begreep wel, dat Willem +veel beter af zou zijn, als hij bij Balsem kwam, dan als hij bij +den metselaar steenen ging bikken; doch hij had het nu vandaag zich +eens in het hoofd gezet, een dwarsdrijver te zijn en daarom zei hij, +toen Balsem zweeg: + +"Zeg eens, sinjeur de paardendokter, ik wilde wel, dat je mij en +mijn geheele familie met rust liet! Ik heb je niet geroepen, en, +kort en goed, ik zeg je, dat Willem metselaar zal en moet worden, +begrepen? Meer heb ik je niet te zeggen!" + +Nu de oude man voor al zijn goeddoen nog zoo leelijk behandeld werd, +was hij ook wel wat boos geworden, doch hij was te verstandig om met +den man te gaan kibbelen, en daarom ging hij zonder iets te zeggen weg. + +Beneden aan de trap vond hij Willem. + +"Pas maar braaf op, mijn jongen, en kom zoo nu en dan, als je tijd +hebt, nog eens bij me aan, zal je?" zei Balsem en gaf den knaap +de hand. + +Den anderen dag was Willem aan het steenen bikken, en een enkelen keer +aan het kalk maken. O, wat had hij er een hekel aan, en wat vorderde +het werk slecht! + +Maar de week ging om en het werd weer Zondag. + +"Waar ga je heen, Willem?" vroeg vader, die weer boos was op de +stoelen, op de duiven, op de honden en op de zon. + +"Ik ga naar meneer Balsem!" zei Willem. + +"Blijf thuis!" was het korte bevel, dat de jongen kreeg en toen deze er +iets tegen inbrengen wilde, hernam zijn vader: "Nu, en _ik_ zeg, dat je +er niet heen mág. Vandaag niet, morgen niet, en nooit meer! Begrepen?" + +"Maar, vader, ik heb meneer beloofd, dat ik komen zou!" + +"En ik zeg je, dat je niet gaat, gehoord?" was het nijdige antwoord. + +"Maar ik mag toch wel op straat loopen?" + +"Daar geef ik niet om, maar naar dien paardendokter mag je niet," +zei de vader nogmaals, trapte nog gauw een paar stoelen omver, bromde +op de zon, omdat ze zoo fel scheen en ging liggen slapen. + +Willem liep de trappen af en ging de straat op. + +Ja, maar hij bleef daar niet. Hij sloop langs de huizen tot hij op +de Bloemmarkt was, en liep toen wat hij loopen kon, den straatweg +op naar zijn ouden vriend; maar, och, toen hij dezen vertelde, dat +hij eigenlijk van zijn vader niet mocht, en dat hij maar stilletjes +gekomen was, toen zei de brave veearts: "Het spijt me, Willem, dat ik +je wegsturen moet. Wel zou ik graag weer een uurtje met je praten; maar +dat kan nu niet! Je mag je vader niet ongehoorzaam zijn. Dag, Willem!" + +De knaap had er niet veel zin in, doch Balsem duwde hem zachtjes de +deur uit en zei nog: "En als je nu weer zonder vergunning van je vader +hier komt, dan zou ik genoodzaakt zijn het zelf aan je vader te komen +vertellen. Gehoorzaamheid gaat boven alles, Willem! Dag, kerel!" + +Willem kon maar niet begrijpen, dat hij hieraan verkeerd gedaan had, en +dacht nu, dat die oude veearts hem ook al afviel, en daarom bromde hij +in zichzelf: "Best, ik zal niet meer bij dien Balsem komen! Pfff! Wat +geef ik er om?" + +"Ik heb toch medelijden met den armen jongen, Gerard," had juffrouw +Balsem gezegd toen Willem weg was, "en, als ik in jouw plaats geweest +was, zou ik hem niet weggestuurd hebben!" + +"Ik heb ook medelijden met hem, vrouw," was het antwoord, "maar +kinderen moeten niet te lichtvaardig vader of moeder ongehoorzaam +zijn. Als er wat goeds in den jongen zit, dan zal tóch wel alles +terechtkomen." + +"Jawel; maar als hij nu eens een kwajongen wordt, als zoovele anderen, +wat dan?" + +"Hoor eens, vrouw, daarvoor zal ik trachten te zorgen!" zei Balsem en +ging weer naar zijn kleine apotheek om daar eenige medicijnen klaar +te maken, die zoo op het oogenblik zouden gehaald worden. + +En hoe ging het met Willem? + +Wel, in zijn booze bui zocht hij nog dienzelfden Zondag eenige jongens +op, die ook zoo wat op een ambacht waren. Hij probeerde met hen mee +te doen aan leelijke dingen; maar hij had te veel gelezen en van den +ouden Balsem te veel goeds geleerd, om er pret in te hebben. + +Toen hij nu 's avonds naar bed ging, was hij op zijn manier ook eens +boos, ja, boos op iedereen. Hij gooide ook met stoelen en deuren, +precies zooals zijn vader dat een paar keeren gedaan had. Maar +het meest was hij boos op zichzelf. Waarom? Och, dat wist hij zelf +niet recht; maar het is heusch waar, hoor, hij was op zichzelf heel +erg boos. + + + + +III. + + +De eene week na de andere ging voorbij. Dat gaat altijd zoo. Of men +boos of goed, vroolijk of bedroefd is, daaraan stoort zich de tijd +niet: die loopt maar door. Het was dan ook al heel spoedig najaar +en daar de zomer niet zeer voorspoedig geweest was, liep het meeste +werkvolk nu al zonder werk. + +Onze opperman had al lang gedaan gekregen, en Willem ook, zoodat die +twee nu met pakjesdragen en wegwijzen zoo wat den kost verdienden. + +Zoo liep Willem weer eens op een donkeren en regenachtigen Octoberdag +door de straten en ook voorbij de stads-apotheek. + +Daar werd tegen de ruiten getikt en toen de knaap opkeek, wenkte de +apotheker hem, dat hij eens binnen moest komen. + +Het was dezelfde man, die eens zoo onverdiend op hem gegromd had, +en die hem zoo lang liet wachten. Willem was die geschiedenis nog +wel niet vergeten; maar hij kon toch niet altijd boos blijven ook, +zoodat hij zonder dralen de apotheek binnenstapte. + +"Moet je naar je winkel, jongen?" vroeg de apotheker. + +"Ik heb geen winkel, meneer!" antwoordde Willem. + +"Zoo! Wil je een boodschap voor me doen?" + +"Jawel, meneer!" + +"Mooi! Breng dit pakje kruiden dan eens bij mijnheer Balsem, den +veearts, die dicht bij den tol woont!" + +De apotheker wilde hem nu beduiden hoe hij loopen moest om er te +komen, doch Willem zei, dat hij het best wist; want dat hij er vroeger +dikwijls geweest was. + +"Zooveel te beter," zei de apotheker. "Hij zal je antwoord geven, +waarop je wachten moet. Komaan, laat eens zien, of je goed boodschappen +doen kunt!" + +"Als ik geld verdienen kan, dan geeft vader er niet om waar ik loop," +dacht Willem en stapte den weg op naar den tol. + +Toch had hij er niet veel lust in; want na dien Zondag had hij +mijnheer Balsem maar tweemaal gezien en ongelukkig beide keeren, +dat hij bezig was met kwaaddoen. + +Maar kom, wat gaf hij er om, als hij maar een dubbeltje kon +verdienen! Het kon immers ook best gebeuren, dat hij niet thuis +was! Zijn vrouw wist er toch niets van. + +Mijnheer Balsem was echter wel thuis, doch zei niet veel. Hij maakte +het pakje open; bekeek de kruiden, die er in waren, las het briefje, +dat er bovenop lag en zei toen: + +"Wacht even, Willem, ik zal je antwoord meegeven!" + +Hé, wat duurde dat lang! Wel een half uur. Maar eindelijk was hij +klaar. Willem kreeg den brief met de boodschap, om dien aan den +apotheker te geven, en toen hij de deur uitging, vroeg de oude man +enkel: "En heb je me soms niets meer te zeggen, Willem?" + +"Neen, meneer!" antwoordde deze. + +"Goed! Dag, Willem!" klonk het en de deur viel toe. + +Toen de apotheker den langen brief gelezen had, zei deze: "Hier is +een kwartje voor je moeite en vraag aan je vader of je van den winter +hier mag komen om boodschappen te doen, zal je?" + +"Jawel, meneer," riep de knaap en spoedde zich heen om moeder te +vertellen, dat hij een goeden dag had gehad. + +De vader had er ditmaal niets tegen. Hij gaf er niet om wat Willem +deed, als hij maar kwartjes thuis bracht. + +In dien brief, dien Willem had meegebracht, had de oude heer Balsem +aan zijn vriend, den apotheker, een en ander van dien jongen verteld, +en hem verzocht of hij ook een oogje op hem wilde houden. Nu weet ik +zeker, dat de meesten van mijn lezertjes meenen, dat ze eens recht +boos op dien kwaden apotheker mogen zijn; maar ik geloof, dat ze het +wel eens glad mis konden hebben. + +Op dien morgen toen hij Willem zoo erg toesnauwde, deed hij leelijk, +heel leelijk zelfs, dat is zoo. Maar een mensch kan wel eens boos zijn, +en iets verkeerds doen zonder dat hij daarom slecht is. + +Jelui bent immers ook wel eens boos geweest, wed ik, ja, wellicht +ook wel eens op je ouders, is het niet? + +Nu, weest maar eerlijk en zegt gerust, dat het waar is; want daarom ben +jelui nog niet _slecht_. En wil ik eens zeggen, waarom niet? Wel, omdat +je er naderhand berouw van hadt, en.... omdat je het nooit meer deedt. + +Ben jelui nu nog boos op dien apotheker? + +Ja, nog wel wat. + +Nu, wel wát, dat is nogal zooveel niet. + +Den anderen dag stond Willem achter in het pakhuis fleschjes te +spoelen, en toen hij hiermee klaar was, moest hij in een grooten +ijzeren vijzel rabarber-wortel stampen. Iederen dag was er werk +voor hem. + +Maar, nu eens was er veel, dan weer weinig te doen. Dat wist de +apotheker ook wel en daarom had hij gezegd: "Lees je graag, ventje?" + +"Ja, meneer!" + +"Zoo! En waarvan het liefst?" + +"Van bloemen, meneer!" + +"Goed, daar houd ik ook veel van! Dan moet je straks maar eens met +me meegaan naar mijn boekenkast, dan kun je zeggen wat je hebben +wilt!" zei de apotheker, en hij deed het ook. Ongemerkt gaf hij hem +langzamerhand minder werk en toen het midden in den winter was, en +er heel weinig zieken waren, nam hij Willem op zekeren dag eens naar +een bloemist mede. Jongens, dat was mooi! + +Daar buiten lag alles onder de sneeuw; over het water lag een dikke +ijskorst; al de boomen stonden kaal en geen bloempje, ja, zelfs geen +groen grassprietje was ergens te zien. En hier in die bloemenkas! Het +was er heerlijk warm, evenals in Mei. De bloemen stonden te bloeien, +en boven in de kas hingen zelfs tusschen de donkere wijngaardbladeren, +kleine trosjes druiven in den bloei. Willems oogen schitterden van +vergenoegen, en toen de apotheker hem vroeg of hij wel bloemist zou +willen worden, zei hij: "O, graag, heel graag, meneer!" + +"Nu, vraag dan maar hier aan dezen heer of je tuinjongen bij hem +worden mag," zei de apotheker. + +"Och," sprak thans de bloemist, "eigenlijk heb ik geen jongen +noodig. Ik kan het best met mijn werkvolk af. Maar, als hij er nu +zoo bijzonder veel lust in heeft, dan wil ik het wel eens met hem +probeeren. Verleden jaar had ik ook een jongen; maar dien heb ik +weggejaagd, omdat hij lui was en streken uithaalde. Als hij dat nu +ook maar niet doet, dan zal het wel gaan. Maar werken, manneke, +werken is nummer één, en uit de boeken lezen hoe je werken moet, +en waaróm je zoo doet, dat is nummer twee. Het een gaat niet zonder +het ander. Nu, zeg op! Wat denk je ervan?" + +Willem dacht er natuurlijk goed over en hij beloofde zijn best te +zullen doen. + +"Goed, als deze meneer,"--hij wees op den apotheker,--"die een +goed vriend van me is, je missen kan, dan moet je morgen maar +komen. Gegroet!" zei de bloemist en ging heen. + +In het naar huis gaan begon Willem zich te bedenken, dat hij misschien +wel wat gauw "ja" had gezegd en dat zijn vader het mogelijk wel +niet zou willen hebben; maar de apotheker stelde hem gerust en zei, +dat hij wel niet zooveel bij den bloemist zou verdienen als bij hem; +maar als Willem 's avonds klaar was, moest hij maar bij hem komen, +dan kon hij hem ook nog wat laten doen, en dan zou hij in de week +wel evenveel thuis brengen als anders. + +De opperman had er weer niets tegen, zoodat Willem eindelijk het vak +mocht leeren waarin hij altijd zooveel lust had gehad. + +En jongens, wat werkte hij! Zoo koud kon het niet wezen, dat hij er +last van had. Hij werd, wat men wel eens zegt, een rechte werkezel, +en als hij 's avonds thuis kwam, had hij altijd nog wat te doen; want +het kleine kamertje waarin het eten gekookt werd,--het was eigenlijk +maar een hok,--stond vol met potten waarin hij stekjes gestoken had. + +Zonder het erg te laten uitkomen, begon zijn vader er zelf pret in +te krijgen, en eens op een avond toen Willem thuis kwam, vond hij +zijn bloemen al begoten en uitmuntend verzorgd. + +"Dat heeft vader gedaan," zei Mietje toen haar broer er haar naar +vroeg. + +Eens op een Zondag, dat het erg vuil weer was, had vader geen lust +om uit te gaan en dan weer zoo raar thuis te komen. + +"Als je me wat voorleest, Willem, blijf ik bij de kachel zitten," +zei vader. + +Willem keek vreemd op. + +Vader wilde hebben, dat hem wat werd vóórgelezen! Hoe was dàt mogelijk? + +Moeder zei niets; maar de goede ziel had groote tranen in haar oogen. + +Ik heb wel eens hooren vertellen, dat tranen óók wat zeggen, +jullie ook? + +Zou je me dan ook kunnen uitleggen wat die tranen in moeders oogen +vertelden? + +Bedenk je eens! + +Het boek, dat Willem voor zichzelf las, was een tuinboek en daaraan +zou zijn vader weinig gehad hebben. Daarom nam hij wat anders, en wel +het leven van Michiel Adriaensz. de Ruyter. Wel vijf Zondagmiddagen had +Willem noodig om het uit te lezen, doch toen hij klaar was, zei vader: + +"Hm, hm, die Michiel heeft het met goed op te passen en veel te leeren +dan heel ver gebracht!" + +"Ja, dat heeft hij wél, vader!" + +"Nu, jongen, pas jij dan ook maar goed op, wie weet wat je dan nog +wordt!" hernam de opperman en kleedde zich aan om naar de avondkerk +te gaan. + +Zijn vrouw stond vreemd te kijken. Zelf ging zij er iederen Zondag +heen, doch haar man was in de laatste vier of vijf jaar niet meer in +de kerk geweest. Ze zei evenwel niemendal; maar dacht zooveel te meer. + +De klok begon te luiden. + +"Ik ga naar de kerk, man!" zei ze. + +Haar man keek haar aan en zei: "Wacht dan wat, ik ga ook eens mee." + +Ze keek hem vragend aan. + +"Ja, ja," zei hij, "ik heb veel te lang geleefd, alsof ik niemendal +met onzen Lieven Heer te maken had. Ik hoop mijn leven te beteren, +vrouw! Onze Lieve Heer zal mij wel kracht geven om tegen al het kwaad +te vechten." + +Hierop gingen ze samen naar de kerk, en--dat bleef voortaan zoo, +al staken zijn vroegere vrienden er ook den gek mede. + + + +Het is zes jaar later. + +Op de Bloemmarkt staat een man van omstreeks vijftig jaren bloemen +te verkoopen. + +Het is Willems vader en hij is geen opperman meer. + +De oude heer Balsem heeft naast zijn huisje nog een andere woning +laten bouwen, en hierin woont Willem met zijn ouders en zijn zuster. + +Achter die woning is een flinke kweektuin voor bloemen, en tegen +het huis staat een glazen kas om er de bloemen 's winters in over +te houden. + +Willem is nog altijd bij den bloemist; maar als hij 's avonds thuis +komt, doet hij het fijne werk in zijn eigen tuin. Zijn vader doet +het grove, en hij doet dat graag, vooral als de oude heer Balsem, met +wien hij nu goede vrienden is, hem helpt, of zegt hoe hij doen moet. + +Des Zondags bromt hij ook niet meer op de duiven of op de honden. Hij +is niet boos meer op het lieve zonnetje en de stoelen smijt hij ook +al niet meer omver. Ja, hij zou zelfs pret in zijn leven hebben, +als hij maar.... lezen kon. Hij heeft nog geprobeerd het te leeren; +maar dat ging niet. Het was veel te moeilijk voor hem en toen heeft +hij het maar opgegeven. + +En, als je soms zoo eens met buurman Balsem over die luitjes praat, +dan zegt hij: "Ja, ja, met wat hulp en goeden wil en vertrouwen op +den goeden God, kan men in de wereld wel vooruitkomen!" + +Wie den goeden wil had, dat weet je, nietwaar, mijn vriendjes, en +wie Willem en zijn ouders zoo goed geholpen hebben, dat zul je ook +wel weten. + +En.... heeft de een of ander van jelui soms plan om het óók eens te +beproeven of de veearts waarheid sprak? Zeg? + +Je zult er geen berouw van hebben, hoor! + + + + + +WERKEN BETER DAN BEDELEN. + + +Midden in het gebergte lag een alleraardigst dorpje, dat bewoond +werd door Alpenherders en gemzenjagers. Het lag ook heelemaal van +den grooten weg af, zoodat men er maar hoogstzelden een vreemdeling +zag. Als er een kind geboren was, dan wisten ze er allen wat van te +vertellen; ze wisten hoe het heeten zou, ja, wat het worden moest +zelfs. Was het een jongetje en was de vader Alpenherder, dan zou +het kind dat óók eens worden. Was de vader gemzenjager, dan wist +men vooruit, dat er uit den jongen, als hij maar groot werd, ook een +gemzenjager groeien zou. + +Yan één jongen hadden ze dat echter niet kunnen voorspellen; want +zijn vader was geen herder en ook geen jager. + +"Zwarte Pietro," zooals hij in de wandeling genoemd werd, was eens op +een zomeravond met zijn vrouw in het dorp gekomen en had in de kleine +herberg gevraagd of er hier in het dorp niet een huisje te huur was. + +"Jawel, vreemdeling," antwoordde de herbergier; "maar het is heel +afgelegen en wel een half uur buiten het dorp, de bergen in!" + +In vroegere tijden had een hertog de gewoonte gehad, om een paar +keer in het jaar hier te komen jagen en, om te kunnen uitrusten, als +hij vermoeid van de jacht was, had hij dat kleine huisje daar laten +zetten. Toen hij later niet meer kwam, had hij tegen den dorpsschout +gezegd: "Dat jachthuisje geef ik aan het dorp. Je kunt het verhuren, +als je wilt!" + +Maar niemand wilde zoo ver van het dorp wonen en daardoor kwam het, +dat het jaren lang ledig stond en nog nooit bewoond was geweest, +toen de vreemdeling met zijn vrouw in het dorpje kwam. + +Uit de papieren, die de man bij zich had, bleek dat hij van beroep +ketellapper was, en dat hij het laatst te Milaan was geweest, waar de +papieren door het hoofd van de politie onderteekend waren voor "goed." + +De dorpsschout maakte dan ook volstrekt geen zwarigheid om het huisje +aan Pietro, den ketellapper, te verhuren, en reeds den anderen dag +betrok hij het. + +Waar ze op sliepen, op zaten of kookten, dat begreep niemand; want de +ezel, dien ze bij zich hadden, droeg enkel wat gereedschap, een ketel, +een volgeladen mand en een paar groote, ledige zakken. + +Doch dat ging niemand aan; als de nieuwe inwoners van het dorpje +maar brave lieden waren, dan was het goed. Zijzelven moesten maar +zien hoe ze zich behielpen. + +In den loop van denzelfden dag, dat het jachthuisje door hen betrokken +was, kwam hij reeds bij de menschen aan de huizen rond, om te vragen +of ze geen ketels te lappen, geen aardewerk te krammen, geen klokken +schoon te maken, geen stoelen te matten of geen geweren te herstellen +hadden. Hij scheen dus van beroep nog meer dan ketellapper te zijn +en iedereen, die hem wat gegeven had om te maken, kreeg het spoedig +en goed afgewerkt weder thuis. + +Maar het dorpje was te klein om er op den duur werk genoeg te vinden, +en daarom zag men Pietro dikwijls voor dag en voor dauw met zijn +ezel, die het gereedschap droeg, uit het dorp gaan, om op heel andere +plaatsen werk te zoeken. + +Toen hij er zoo omstreeks een jaar gewoond had, vernam men in het +dorpje, dat hij den vorigen dag een zoontje gekregen had, dat hij +Luigi noemen zou. + +Maar, wat moest Luigi worden? + +Ja, dat wist Pietro zelf nog niet. Als hij acht jaar oud was, dan +was het tijd genoeg om er eens over te gaan praten. + +Daarvan begreep niemand iets. Hoe konden er ooit ouders gevonden +worden, die bij de geboorte van een jongen niet al aanstonds wisten, +wat hij worden moest? + +Intusschen werd de kleine Luigi ouder en grooter. + +Zijn moeder bracht hem wel eens een enkele maal mee, als ze +boodschappen in het dorp moest doen, doch voor het overige zag men +het kind nooit. + +Andere jongens en meisjes gingen op hun zesde jaar al naar de +dorpsschool; maar Luigi was al acht jaar oud geworden en van schoolgaan +was nog geen sprake. + +Dat was wel ongelukkig; want een mensch, die, als hij groot is, +niet lezen, schrijven of rekenen kan, is al zeer te beklagen. + +Eens bracht Pietro een aap uit de stad mee. + +Hijzelf naaide voor het dier een broekje en een jasje, en maakte van +bordpapier een schako. + +De kleine Luigi had razend veel pret met het dier, en leerde hem in +minder dan een maand allerlei kunstjes. + +Had de jongen echter geweten, wat van zijn ijver het gevolg zou zijn, +hij had misschien met het leeren van die kunstjes geen begin gemaakt. + +"Wel, Luigi, wat kan je aap zoo al?" vroeg Pietro op zekeren avond, +een week of vier nadat hij het beest had thuis gebracht. + +"O, vader, hij kan heel beleefd groeten. Alles wat ik hem geef, pakt +hij aan met zijn rechter voorpoot. Als ik zeg: 'klim', dan klimt hij; +zeg ik: 'ga dood liggen!' dan ligt hij zoo stil als een muisje, en +zeg ik: 'Sim, hoe doen de kindertjes, die pret hebben?' dan gaat hij +dansen en in de handen klappen. Hij kan koffie malen, een geweertje +afschieten, touwtje springen, en nog veel meer." + +"Nu, dat is al meer dan genoeg. Je kunt er zoo best je kost mee +verdienen!" antwoordde Pietro, en toen Luigi hem met groote oogen +verwonderd aankeek, vervolgde hij: "Ja, ja, jongen, je bent een paar +maanden geleden al acht jaar geworden. Het is nu meer dan tijd dat +je ons huis uit-, en de wijde wereld ingaat!" + +"Ga je dan mee, vader?" vroeg Luigi eenigszins beschroomd en verlegen; +want vader sprak zoo bar. + +"Ben je wel dwaas, jongen? Je gaat alleen!" + +"Voor hoe lang, vader?" + +"Wel, hoor me nu zulk een lompen jongen eens aan! Misschien voor twee +of drie jaar, misschien ook wel voor altijd!" + +"Maar mag ik dan nooit terugkomen, vader?" + +"Ja, als je je zakken vol met geld hebt, anders kunnen we je best +missen!" + +De moeder sprak geen woord; maar toch geloof ik, dat zij, als ze doen +kon wat ze wilde, niet zoo leelijk zou doen als haar man; want nu en +dan pinkte zij stilletjes een traan weg. + +De arme jongen! + +Veertien dagen later bracht Pietro, toen hij 's morgens vroeg met +zijn ezel uitreed om de naburige dorpen te bezoeken, onzen Luigi tot +aan den grooten straatweg. + +Toen ze daar gekomen waren zei de vader: + +"Nu, Luigi, ik ga hier links af. Jij moet maar altijd rechtdoor loopen, +dan kom je, als je stevig doorstapt, tegen den middag in een groote +stad. Bij de poort begin je maar terstond met Sim kunstjes te laten +doen en voor het geld, dat je daarvoor krijgt, koop je maar dadelijk +eten. Begrepen?" + +"Maar, vader, als ze me nu eens geen geld geven?" + +"Dan ga je bij de boeren buiten de stad maar een stuk brood bedelen en +vragen of je 's nachts in de schuur mag slapen. En nu, ik ga weg. Zorg +maar, dat je gauw je zakken vol geld hebt, hoor!" + +Zonder iets meer te zeggen ging Pietro heen en liet zijn zoontje staan. + +Deze keek met betraande oogen zijn vader na en ging, toen hij hem +niet meer zag, den weg op. + +Hij liep maar al rechtuit en telkens als hij voorbij een huis kwam, +moest Sim zijn kunstjes vertoonen. Sommige menschen gaven hem wat, +anderen weer niet. Slechts langzaam vorderde hij, en eerst tegen den +avond kwam hij in de groote stad. + +Hier zou hij geld, veel geld krijgen; want kijk eens, wat rijden daar +mooie koetsen! Wat loopen daar prachtig gekleede heeren en dames! Als +ieder maar één cent gaf, dan zou hij spoedig de zakken vol geld hebben, +en kon hij naar zijn huis terugkeeren. + +Dat dacht hij, ja, maar die rijke menschen reden en wandelden hem +voorbij, zonder hem ook maar even aan te zien. Slechts nu en dan +smeet er een hem een klein, heel klein koperen geldstukje toe. + +Ach, dien avond sliep Luigi voor het eerst van zijn leven op een hoop +stroo onder een poort! + +Hij had ternauwernood zooveel geld verzameld om een droog stuk brood +te koopen. En, toen hij niet wist waarheen, was hij maar op een hoop +stroo neergevallen, en daar sliep hij nu in gezelschap van zijn vriend +Sim, die hem, toen hij schreide, met de zwarte, kleine handen over +het gelaat gestreken had. + +Het is veertien dagen later. + +Wat een drukte en beweging is daar ginds aan het spoorwegstation! + +Wat zou er te doen zijn? + +Wel, een grooten dief heeft men aangebracht. Iedereen wil den man zien, +die al zooveel kwaad gedaan heeft, en voor wien men nu niet meer bang +behoeft te wezen. + +Maar met dien booswicht hebben we niets te maken, wel met den +boevenwagen waarin hij per spoor hierheen gebracht werd. + +Op het perron stond Luigi met zijn aap, en daar hij hier in deze groote +stad al zoo lang gezworven had, zonder zooveel te verdienen, dat hij +iets kon overhouden, besloot hij naar een andere plaats te gaan, die +ongeveer zes uur verder lag. Maar, hoe daar te komen? Hij had al in +twee dagen geen brood gekocht, in de hoop dan zooveel te besparen, +dat hij het reisgeld op het spoor betalen kon. Met dat geld nu was +hij thans naar het station gegaan, en aan een man met een glimmende +pet op, vroeg hij of hij voor dat geld wel mee kon rijden naar Trient. + +De spoorwegbeambte zag het weinigje geld, begon hard te lachen en zei: +"Ben je wel dwaas, jongen? Voor geen tienmaal zooveel." + +Den armen knaap stond het schreien nader dan het lachen. Hij had er +nu toch twee dagen lang bijna niets voor gegeten! + +De spoorwegbeambte evenwel had pret in de onnoozelheid van den knaap, +en vertelde het nu eens aan den een, dan aan den ander. + +In het eind hoorde de stations-chef het ook. Deze had medelijden met +Luigi en zei tegen den conducteur: "Je neemt immers den boevenwagen +weer mee terug?" + +"Jawel, meneer!" was het antwoord. + +"Welnu, laat den jongen de reis dan daarin maken!" hernam de goedige +man, en stopte onzen Luigi bij een broodje nog een paar geldstukjes +in de hand. + +Weldra zat hij nu in den donkeren, grooten wagen, waarin alleen een +venstertje van boven eenig licht bracht. + +"Goede reis," riep de conducteur hem toe en sloot de deur. + +Daar hoorde Luigi een langgerekt gefluit, toen kreeg de wagen een +schok, en hij voelde dat hij vooruitging. Of het snel of langzaam ging, +dat wist hij niet; want hij kon niets zien. Van tijd tot tijd hoorde +hij het fluiten weer, en hij meende, dat hij er nu zijn zou. Maar dan +begon het gerommel en gestamp opnieuw. Dat duurde lang en hij begon +al spijt te krijgen, dat hij meegereden was, toen hij andermaal het +fluitje van de locomotief hoorde. Een oogenblik later werd de deur +opengedaan en een andere man dan die hem erin gelaten had, zei: +"Je kan er uitkomen, mannetje!" + +Sim moest weer dadelijk beginnen met zijn kunsten te vertoonen; +maar het scheen wel, dat de menschen hier nog minder mild waren dan +te Verona, waar hij vandaan kwam. Reeds begon de avond te vallen, +toen hij nog zoo goed als niets gekregen had, en hij zag al hier en +daar uit, of hij niet een geschikte plaats vond om er den nacht door +te brengen, doch te vergeefs. + +Moedeloos zette hij zich op een stoep neer en begon van de droge +broodkorst, die hij van Verona medegebracht had, te eten, toen een +jongen bij hem kwam staan. + +"Kom je uit Tyrol?" vroeg hij. + +Luigi schudde het hoofd. + +"Waar kom je dan vandaan?" + +"Uit Verona!" + +"En wat kom je hier doen?" + +"Ik laat Sim kunsten maken." + +"Zoo, en heb je al veel verdiend?" + +"Hier? Neen, bijna nog niemendal!" + +"Dat wil ik wel gelooven; de menschen geven hier niet. De boeren daar +buiten zijn veel beter. Waarom ga je niet bij de boeren? + +"Ik wist het niet, dat die zoo mild waren. Zou ik daar mijn zakken +gauw vol geld hebben?" + +"Misschien wel in een week. Ga jij morgen maar gerust den boer op, +hoor!" zei de vreemde jongen en ging heen. + +Dien nacht sliep Luigi alweer maar in een oude poort, die door de +vrachtlieden gebruikt werd om er hun karren in te zetten. + +Den anderen morgen al heel vroeg ging hij de poort en de stad uit. + +Het was een eenzame weg, en hij was misschien wel al een uur +voortgegaan zonder iemand te ontmoeten, of een huis te zien. + +Intusschen begon de zon heel fel te schijnen en het werd brandend +heet. Den vorigen dag al had hij zijn voeten op de straten van Trient +open geloopen, en deze begonnen hem nu verschrikkelijk zeer te doen. + +Daar kwam hij eensklaps aan een driesprong. + +De eene weg liep tegen de bergen op; de andere door het dal en de +derde door het bosch. + +Om tegen de hitte der zon beveiligd te zijn, koos hij den laatsten. + +Maar ach, de weg werd al smaller en smaller, en eindigde op het laatst +in een aantal voetpaden. Een er van sloeg hij op goed geluk in; maar +hoe hij ook zocht en uitkeek, nergens zag hij menschen of huizen. Ach, +niets anders dan boomen en nog eens boomen! + +Wel besloot hij nu terug te keeren, en den weg door het dal te nemen, +doch hij verdwaalde op de kleine paden al meer en meer. Hoe licht +Sim ook woog, hij werd den jongen veel te zwaar om te dragen, en bij +iederen stap, dien hij deed, had hij het wel kunnen uitschreeuwen +van de pijn. + +Eindelijk hoorde hij hetzelfde schelle gefluit als dat, hetwelk hem +zoo verveeld en haast bang gemaakt had, toen hij in den boevenwagen +op het spoor zat. + +Hij keek op, en ja, daar ginds zag hij over een breed water een steenen +brug, en met vreeselijk geweld kwam er een spoortrein over rollen. + +Doch op dien weg kon hij weer niet komen; want een andere snelvlietende +beek scheidde hem er heelemaal van. + +Moedeloos zette hij zich bij het frissche, heldere water neer. Zijn +dorst had hij spoedig bevredigd en thans trok hij de oude kousen uit, +om in het koele water zijn brandend heete voeten te verkwikken. Uit +zijn ransel haalde hij een paar lappen, die hij trachtte er om heen +te winden. + +Onderwijl hij daar zoo zat en van pijn en verdriet huilde, hield Sim +zich met wat anders bezig. Toen zijn baas den ransel had geopend om +er zwachtels uit te halen, liet hij hem open staan ook, en al dadelijk +vielen de oogen van den aap op het brood, dat er in lag. + +Spoedig had hij het beet en begon er van te eten, en reeds had hij het +meer dan half op, toen Luigi omkeek en Sim zoo bezig zag. Het beest +wist zeker, dat hij kwaad deed; want het brood in den mond stekend, +klom hij er, zoo schielijk hij kon, mede in een boom. Welke lieve +namen Luigi hem ook gaf, de aap trok maar leelijke gezichten en klom +nog hooger. + +Plotseling echter hoorde Luigi een schot en, eer hij tijd had om te +zien wie dat loste, tuimelde Sim uit den boom en viel dood aan zijn +voeten neder. + +Daar kraakten de takken en een man, gekleed in een jas met koperen +knoopen, trad met een geweer onder den arm en een sabel op zijde, +te voorschijn. Een groote hond sprong hem achterna. + +"Was dat jouw aap, jongen?" vroeg hij. + +Luigi kon den vreemdeling nauwelijks verstaan, doch hij begreep hem +toch wel, en zei daarom: "Jawel, meneer, dat was mijn aap!" + +"En wat zit je hier te doen?" vroeg de man weer. + +Luigi vertelde hem alles en wees op zijn voeten. + +"Een mooie geschiedenis," bromde de jager. "Daar schiet ik je +kostwinner dood, en ik zit met jou opgescheept! Maar zeg, wil je +werken?" + +De arme knaap antwoordde, dat hij wel werken wilde, maar het nooit +geleerd had. + +Dat kon de man, die een houtvester was, maar niet gelooven en daarom +zei hij: "Och wat, niet werken kunnen! Alle menschen kunnen werken! Ga +maar mee!" + +Luigi droogde zijn voeten af, trok de oude kousen en schoenen aan, +en, na den dooden aap opgenomen te hebben, strompelde hij den +houtvester na. + +Toen ze zoo ongeveer een kwartier geloopen hadden, kwamen ze aan een +alleraardigste woning. Voor de deur zat een jonge vrouw en op het +grasperk liepen drie kinderen te spelen. + +"Vrouw," riep de houtvester, "ik breng hier een jongen mee, die niet +werken kan; maar die honger heeft. Heb je wat te eten voor hem?" + +De vrouw was dadelijk bereid, het hem te geven. + +Onder het eten begonnen de houtvester en zijn vrouw den knaap allerlei +vragen te doen, en de eerste schaterde het uit van lachen toen Luigi +vertelde, dat hij niet thuis mocht komen vóór hij de zakken vol +geld had; maar toen hij daarna ook vertelde, dat hij niet lezen of +schrijven kon, ja, zelfs nog nooit gebeden had, riep hij uit: + +"Vrouw, heb je ooit van je leven zulke menschen gezien? Dat leert hun +kinderen niet lezen, schrijven, rekenen, bidden of werken! Mijn hemel, +jongen hoe kun je dan je zakken vol geld krijgen?" + +Luigi tastte dapper toe en ondertusschen spraken de man en de vrouw +wat met elkander af. + +Toen alles op was, legde Luigi den lepel neer. + +"Zoo, heeft het je gesmaakt?" vroeg de jager. + +"Heerlijk, meneer!" + +"Goed, en zou je zóó heerlijk wel driemaal op een dag willen eten?" + +"O, wat graag, meneer!" + +"Best, dat kan je hier doen! Je mag een week bij ons blijven. In +den kleinen stal hier achter zal mijn vrouw een slaapplaats voor je +gereedmaken. Maar, als ik je het dan leer, zou je dan willen werken?" + +"Jawel meneer!" gaf Luigi ten antwoord. + +"Kom, ga dan alvast maar mee, dan zal ik je aardappelen leeren delven +en gras snijden; want ik heb zes geiten, weet je, en voor die dieren +moet jij dan zorgen." + +Luigi ging met den houtvester mee en deze deed hem een en ander van +het werk voor. + +De knaap was niet dom en had spoedig den slag er van beet. Zijn dooden +aap begroef hij in het bosch. + +Toen de week om was vroeg de houtvester hoe het hem beviel, en of +hij bij hem wilde blijven. + +"Jawel, meneer, maar, maar...." + +"Nu, wat maar, jongen, spreek maar zooals je het meent!" zei de man. + +"Maar, meneer, ik zou zoo graag gauw, heel gauw mijn zakken vol +geld hebben!" + +"Aha! Jawel, ik dacht wel dat er zoo iets komen zou. Maar, hoor eens, +beste jongen, dat zijn maar praatjes van je vader geweest om van je +af te komen. Heb je met je aap wel ooit zooveel verdiend, dat je goed +eten kon krijgen en een bed om op te slapen?" + +Luigi moest hierop zwijgen; want het was waar, en daarom vervolgde +zijn vriendelijke baas: "Zonder werken, mijn jongen, kan je geen +rooden penning overhouden! Je moet tegenwoordig in de wereld zoo +wat van alles kunnen doen, en dan is het nog een geluk, als je volop +je brood verdient. Maar, dat wil ik je wel zeggen, als je het werk, +dat je hier doen moet, altijd zoo goed afmaakt als in de afgeloopen +week, dan zal je bij mij ook geld verdienen en nog goede kleeren +bovendien. Zeg, heb je er lust in?" + +Luigi bedacht zich geen oogenblik, maar zei dadelijk met een vroolijk +gelaat: "Jawel meneer! Dat doe ik heel graag!" + +Acht jaren zijn sinds verloopen en Luigi is nu een knaap van zeventien +jaren. Nog heeft hij zijn zakken niet vol met geld, maar toch al +een aardig spaarpotje. En dan heeft hij nog iets, dat eigenlijk meer +waard is dan zakken vol met geld. Hij heeft in al dien tijd heel wat +aangeleerd. Hij kan nu bidden en werken en, als de winterdagen kort en +de avonden lang waren, leerde de houtvester hem ook lezen, schrijven +en rekenen. Hij heeft nuttige kennis opgedaan, en.... kennis is macht. + +Zoons heeft de houtvester niet, en daarom hebben ze al eens verteld, +dat de vreemde knaap veel kans heeft, om, als zijn pleegvader oud +geworden is, houtvester in zijn plaats te worden. Wanneer men dat den +goeden man zoo eens vertelt, dat begint hij te lachen en gewoonlijk +zegt hij dan: "De jongen zou het verdienen ook!" + +Maar zijn ouders, hoor ik je vragen? + +Ja, kinderen, ik heb gehoord, dat in dienzelfden boevenwagen, waarin +Luigi eens van Verona naar Trient reed, zijn ouders ook gezeten +hebben. Maar niet om er weer uitgelaten te worden evenals hun zoon, +doch om van het station af naar de gevangenis gebracht te worden. Men +vertelde heel leelijke en vreeselijke dingen van die lieden. + +Nu, dat is niet te verwonderen ook. Van ouders, die zoo leelijk met +hun kinderen handelen, verwacht ik nooit veel goeds. + +Luigi weet evenwel niet beter, of ze zijn beiden gestorven, en dit +is maar goed ook; want het moet voor een kind al heel treurig zijn, +als hij zijn ouders niet thuis, maar in de gevangenis heeft wonen. + +En hier aan het slot dezer vertelling heb ik een wensch voor jelui +en die is deze: + +Ik hoop, dat de Lieve Heer jelui allen eenmaal op dezelfde eerlijke +wijze het dagelijksch brood doe vinden, en dat je van jullie kant +niet alleen zult zeggen: "werken is beter dan bedelen," maar ook: +"het geluk zit niet in zakken vol goud." + + + + + +DE BAVIAAN. + + +"Kijk, kijk, die moet er ook wezen! Wat maait hij met zijn beenen! Het +lijkt wel of het roeiriemen zijn! En wat zwaait hij met zijn armen! Het +is of hij aanstonds op den hol zal gaan! Dat is een gekke vent! Zie +je hem wel, Douwes?" + +"Och, jij met je geschreeuw, zwijg toch! Straks poetst die oppasser +met zijn lederen helm en sabel op zijde, ons nog weg! Wat zeg jij er +van, Huibert?" + +"Wat ik er van zeg? Dat er hier voor ons toch zooveel niet te zien +is. Ik ga er uit en buiten op het plein wat vangballetje spelen. Kijk +eens wat een mooie bal, Douwes!" riep de derde en duwde zijn makker, +die eigenlijk een heel anderen weg uitzag, een grooten elastieken +bal onder den neus. + +"Och, loop, jij met je bal! Ik blijf hier, George, en het is een +knappe jongen, die me er vandaan krijgt!" antwoordde Douwes. + +Dit gesprek werd gevoerd bij een gebouw van den dierentuin, waarin +allerlei opgezette dieren bewaard werden. Het was kermis en de directie +van die diergaarde wilde den vreemdelingen en onbemiddelden burgers +ook wel eens wat laten kijken, en daarom stond dien dag voor een +onnoozele vijfentwintig cents het hek open. + +En, er werd druk gebruik van gemaakt ook. + +Matrozen, die van de lange reis teruggekeerd waren en nu in het +vaderland het zuur verdiende geld bijna zoo goed als gingen opmaken; +soldaten, die niet veel te missen hadden en toch ook wel eens wat zien +wilden; kindermeisjes met kleine kinderen op den arm, die bang werden; +heeren en dames, die van buiten de stad kwamen en oude vrouwtjes uit +een hofje, alles woelde en wriemelde door elkander. + +Tusschen het gedrang aan de poort was het Douwes, Huibert en George +gelukt om, zonder de entree te betalen, toch binnen te komen, en +als echte stads-kwajongens dachten ze er geen oogenblik aan, dat ze +heel leelijk deden, en dat ze wel eens op een gevoelige wijze konden +weggejaagd worden. + +Overal waar ze kwamen hadden ze het hoogste woord, en als ze het +konden gedaan krijgen, dan hielden ze vooral de menschen, die van +buiten kwamen, braaf voor den gek. + +Zoo hadden ze bij de apenkooi tegen een ouden zeeman, die er heusch +heel leelijk uitzag, gezegd: + +"Baas, is die baviaan daar je broertje of je zoontje?" + +Ze waren hierop schielijk weggeloopen; maar Douwes was nog niet vlug +genoeg geweest, want hij had van den zeeman nog een fermen draai om +zijn ooren opgeloopen. + +"Baviaan, leelijke baviaan!" riepen de drie jongens, toen ze zoo ver +waren, dat hij hen toch niet meer krijgen kon. + +"Wel foei, dat waren dan toch eens echte kwajongens!" denk jelui zeker. + +Ja, wat zal ik je daarop antwoorden? Ik hoop maar, dat je nog nooit zoo +iets zult gedaan hebben, en het ook nooit doen zult! Anders.... Doch +laten we nu weer maar naar ons ondeugend drietal terugkeeren. + +Alleen Douwes had dan gezegd, dat hij hier blijven wilde. Waarom, +dat wist hij zelf niet; hij keek tóch nergens naar. + +"Hoor je het, Huibert, hoor je het? Douwes blijft hier en wil niet +meespelen. Wat 'n brave jongen toch, hé?" riep George op tergenden +toon. + +"O, hij is vast bang, dat hij den Baviaan weer ergens zien zal, +en dat wil hij liever niet," antwoordde Huibert. + +Toen hij dit gezegd had, werd hij door een dikken heer tegen het +lijf geloopen, en achter zich kijkend om te zien wie dat deed, zag +hij, achter een langen rekruut, den man staan over wien ze zooeven +gesproken hadden. + +"Ik zie iemand met een wollen muts op. Op die wollen muts is een +kwastje, en onderaan een randje van rood, wit en blauw. Wie zou dat +zijn, Douwes?" zei hij. + +Douwes keek ook om en zag den man, dien hij had uitgescholden, en van +wien hij een klap om de ooren gekregen had, ook staan. Hij stond te +lachen, omdat niet ver van hem af, een kind op den arm van een meisje +uit benauwdheid hard begon te huilen. + +"Nu blijft Douwes nog hier," sarde Huibert. + +"Neen, neen, laten we maar gauw maken, dat we wegkomen! Ga je mee naar +de Markt, daar is Dassie met zijn honden- en apenspel. Dat is veel +mooier dan hier!" zei Douwes en trok zijn kameraads mede naar buiten. + +Het kostte onzen jongens nogal moeite om uit het hek te komen; +want zóó dom waren ze toch niet, of ze begrepen, dat de portier, +hen ziende, wel zou kunnen nagaan, dat zij geen jongens waren om een +kwartje entree te betalen. + +Doch ze wisten ook hier hun kans zóó goed waar te nemen, dat ze er +ongemerkt uit konden komen, en spoedig daarop stonden ze op de Markt +voor het honden- en apenspel. Wat ze daar zoo al uitvoerden, wil +ik liever maar niet vertellen, want dat was ook al niet veel moois, +dat begrijp je wel. + +Liever willen we kennis maken met den leelijken zeeman. + +Zie, daar komt hij het hek uit. + +Ja, het is waar! Hij is foeileelijk en heusch niet veel mooier dan +een baviaan. + +Welke dikke lippen! Welk een stompe neus! Wat rare oogen! En wat +loopt hij "sjok-sjok" langs de straat! Het is of hij dronken is. + +Nu maar, dan kijk je toch verkeerd, hoor! De man is volstrekt niet +dronken, en we kunnen hem gerust volgen ook. Als wij hem maar niet +uitschelden, zal hij ons geen kwaad doen. + +Kijk, daar slaat hij links af en loopt de Maansteeg in. + +Dat is geen mooie straat. Allemaal groentewinkels en +water-en-vuur-huizen. + +Wat hindert dàt? Daar kunnen ook wel goede menschen wonen, zou ik +zoo meenen. + +"Dag, grootvader! Ben je daar al?" roept een klein meisje, dat den +ouden zeeman te gemoet komt en hem bij de hand vat. "Grootmoeder +slaapt nog, en het eten is bijna klaar. Ik ben blij, dat je terugkomt!" + +"Zoo, Leentje, was je bang, meid?" + +"Neen, grootvader; maar het is hier zoo stil in de steeg! Al de +menschen zijn naar de kermis." + +"Nu, als grootmoeder wakker is, en je hebt de tafel afgenomen, +dan wed ik, dat je wel met me mee mag. Kijk, dat heb ik alvast voor +je gekocht!" + +Dit zeggend, haalde de man uit zijn jaszak een alleraardigst +speldenkussentje en een naaldenkokertje, die allebei keurig mooi met +schelpjes opgelegd waren. + +"Is het goed, lieve meid?" vroeg hij. + +Leentje stond te dansen van blijdschap, en den ouden man om den +hals vallend, zag zij niet, dat hij zoo verschrikkelijk leelijk was, +maar gaf hem drie frissche zoenen. + +"Nu, nu, je bent een beste meid, hoor!" zei grootvader en stapte met +Leentje het kleine en armoedige huisje aan het eind van de Maansteeg +binnen. + +Het zag er armoedig maar knapjes uit. Wat blinken kon, blonk, en +wat helder en schoon kon zijn, was niet vuil, maar bij de sneeuw af, +zoo wit. + +En hier woonde nu Jochem Pels met zijn vrouw, die echter in den +laatsten tijd wat sukkelde. Daarom was Jochem naar zijn zoon gegaan, en +had hem gevraagd of Leentje, op een na het oudste van zijn kinderen, +grootmoeder wat in het huishouden mocht helpen. De zoon deed dat +natuurlijk graag, en zoo komt het, dat we op dezen mooien kermisdag +Leentje Pels bij grootvader in de Maansteeg, en niet bij haar vader +in de Turflaan vinden. Na afloop van het middageten knapte Leentje +zich wat op, om met grootvader naar de kermis te gaan. Grootmoeder +was nu opgestaan, en op het oogenblik iets beter. + +Hé, wat keek Leentje op de kermis rond! Wat was er veel, waarvan ze +zelfs den naam niet wist! + +Ze kwam haast oogen te kort! + +Dat was vooral bij een groote speelgoedkraam het geval. + +Onverwachts hoorde ze echter eenige jongens schreeuwen; "Baviaan, +leelijke baviaan!" en naar den kant ziende, vanwaar de stemmen kwamen, +zag ze drie jongens, die hard lachend achter de kraam liepen, en aan +de andere zijde weer voor den dag kwamen. + +"Baviaan, leelijke baviaan!" riepen ze nogmaals. + +Eén der jongens kende ze wel. Het was Douwes Vlinder, die vroeger +ook in de Turflaan gewoond had; maar wie de twee andere waren, dat +wist ze niet. Ze had hen nooit gezien. + +De oude Pels deed net, alsof hij niets gehoord had en ging met Leentje +verder de kermis op. + +Toen ze weer thuis waren, vroeg Leentje: "Maar, grootvader, wat is +een baviaan?" + +"Dat is een groote, leelijke aap!" was het antwoord. + +"Maar was er dan bij die kraam een baviaan? Ik heb er geen gezien!" + +"Och, dat riepen die jongens maar om iemand uit te schelden!" was +het antwoord, en hij zei er verder maar liever niets van. + +Den anderen dag ging Leentje in den vroegen voormiddag een boodschap +doen. + +Daar zag ze Douwes loopen en dadelijk dacht ze weer aan den baviaan. + +"Douwes, Douwes!" riep ze. + +De jongen keek om en vroeg: "Wat moet je?" + +"Toen ik gisteren met grootvader bij die speelgoedkraam stond, riep +je met je drieën: 'baviaan'! Waar was die dan, zeg?" + +"Zoo, was dat jouw grootvader?" antwoordde Douwes. "Wel, dat riepen +we tegen hem." + +"Maar grootvader is toch geen aap?" riep Leentje verwonderd uit. + +"Neen, maar hij lijkt er toch veel op. Of is hij niet leelijk +genoeg?" riep Douwes en ging weer verder. + +--"Grootvader net een baviaan, omdat hij zoo leelijk is! Wel, dat heb +ik nog nooit gezien! Ik vind hem zelfs wel mooi, en.... hij is toch +zoo goed, o, zoo goed," sprak het kind in zichzelf. Ze begreep er +niets van, en het is geen wonder, dat ze bij grootvader terugkomend, +hem, heel onschuldig, dadelijk alles vroeg. + +"Och ja, lieverdje," sprak de oude man, "ik ben leelijk, heel +leelijk, mijn hartje! Ik ben zoo geworden toen ik een buurvrouw uit +een brandend huis gehaald heb. Geheel mijn gezicht was verbrand en +ik werd doodziek. Toen ik beter was en in den spiegel keek, kende +ik mijzelf niet, zoo leelijk was ik geworden. En daarom riepen die +jongens, toen ze me zagen, 'baviaan'! Begrepen?" + +"Ja, grootvader, maar dat is toch heel leelijk van die jongens, niet?" + +"Zeker, beste meid; maar ik hoop, dat ze later wel zullen leeren +begrijpen, dat een leelijk mensch toch ook een mensch is, en even +goed en braaf kan zijn, als de mooiste man of vrouw!" + +Leentje keek haar grootvader nog eens aan en zei toen: + +"Maar, stellig, grootvadertje, u is heusch niet leelijk! Dat zeg ik" + +"Ja, kind, ik ben het wel; maar dat kan _jij_ niet zien!" + +"En waarom niet, hé?" + +"Omdat je zooveel van me houdt, engel!" antwoordde de man en gaf +toen de zoenen, die hij den vorigen dag van haar gekregen had, wel +driedubbel terug. + + + +De kramen zijn afgebroken en nergens meer te zien! + +In heel de stad is het weer alles, zooals vóór de kermis. + +De scholen zijn ook weer begonnen, doch Douwes, George en Huibert, +die het leeren nog hard noodig hebben, vinden het straatloopen +pleizieriger, en zijn dus maar stilletjes uit school gebleven. + +"Zeg, Douwes, wat zullen we gaan doen?" vraagt Huibert op zekeren dag. + +"Op de wallen spelen!" antwoordt George. + +"Ben je wel dwaas?" roept Douwes, "op den wal spelen, waar iedereen +loopt en ons zien kan! Neen, ik ga buiten in den Vliet bij de +sluisdeuren vischjes vangen. Daar ziet geen mensch ons, en toch kunnen +wij de klok hooren slaan; want, we moeten op ons uurtje passen, weet +je! Als we kwartier voor twaalven naar huis gaan, dan weten vader en +moeder niemendal." + +"En waarmee wil je visschen?" vroeg George. + +"Wel, we binden onzen zakdoek aan een stok, dan hebben wij een +schepnetje. Eergisteren heb ik wel dertig stekelbaarsjes gevangen. Twee +leven er nog, die zwemmen thuis in de waschtobbe." + +Zoo iets stond den twee jongens aan en het was geen kwartier later, +of ze waren alle drie bij de sluisdeuren. + +Die sluis was in 1784 gemetseld, en hoewel de deuren in dien langen +tijd vast wel vernieuwd zullen zijn, toch waren ze niet te best +meer. Aan den eenen kant was het water veel lager dan aan den anderen +kant in den Vliet; het water sijpelde evenwel door de deuren heen, +en kwam in de ondiepe vaart. Hier was geen visch. Neen, maar aan +de andere zijde, in den Vliet! Voornamelijk in de hoeken en op het +plekje waar een lek was, daar wemelde het van stekelbaarsjes. Dat +zou een goede vangst geven! + +Hé, wat zoog dat water! De zakdoeken werden heelemaal tegen de deuren +gedrukt. Hierdoor vingen ze al bijzonder weinig. + +"Wacht," riep Douwes, "ik ga midden over de sluisdeuren hangen, +dan vang ik zeker. Maar dàn doe ik het aan den anderen kant." + +"Pas op, dat je er niet invalt!" waarschuwde George. + +"Och loop! Denk je dan, dat ik mij niet kan vasthouden? En bovendien, +ik kan heel goed zwemmen," riep Douwes en kroop langs een der +sluisdeuren naar het midden. + +Onderwijl hij daar zoo lag, hoorden de beide andere jongens het geluid +van roeiriemen in het water. + +"Ga eens kijken wie daar komt!" zei George. + +Huibert klauterde naar boven en gluurde door het lange gras heen naar +den Vliet. + +"O jongens," riep hij, "het is de Baviaan! Gauw, Douwes, gauw, +kom hier!" + +En Douwes kwam, maar toen hij bijna aan het kantje was, gleed hij +uit en plofte in het water. + +O, hij kon zwemmen, zie je, dat was minder! Als hij maar aan den kant +was eer de Baviaan kwam! + +Maar Douwes had gepocht toen hij zei, dat hij zwemmen kon. Er was +niemendal van aan en hij plompte in het water van belang. + +Pels hoorde het; roeide er heen en nam Douwes in zijn schuitje. + +George en Huibert liepen hard weg, en zagen uit de verte toe wat de +Baviaan Douwes toch wel doen zou. + +Maar hij deed hem niets. Hij roeide eenvoudig naar den wal, zette +Douwes op den kant en zei alleen: "Wees voortaan voorzichtiger, +manneke, als je bij de sluisdeuren gaat visschen, in plaats van naar +school te gaan, zooals je moet!" + +Druipnat en met beschaamde wangen stond Douwes aan den oever, en wist +niet wat hij doen moest. + +De Baviaan roeide verder en toen hij uit het gezicht was, kwamen +George en Huibert aanloopen om te vernemen, wat de leelijke vent hem +gedaan of gezegd had. + +Douwes vertelde het hun; maar voegde er dadelijk bij: "Wat moet ik +nu doen? Ik kan toch zoo maar niet naar huis gaan!" + +"Wel neen, dat hoeft ook niet! Het is nog maar half tien. Je trekt +je kleeren uit en laat ze drogen. Anders zit er niet op!" zei George. + +Douwes begreep, dat dit nog het beste was, en zijn kleederen +uittrekkend, wrong hij die eerst uit en legde ze toen te drogen. + +Gelukkig was het zomer, en toen hij ze kwartier voor twaalven weer +aantrok, kon men er bijna niets meer van zien. + +Daar kwam hij dan nog eens goed af! Dat had hij nu in het geheel +niet gedacht, hoor! Hij had al vast op een pak slaag van den Baviaan +gerekend, en nu hij dàt misgeloopen was, meende hij dat alles wel +goed zou gaan! + +Ja, dat meende hij. Maar het kon toch wel eens anders wezen, nietwaar? + +Precies op klokslag van twaalven kwam Douwes thuis. + +Het was etenstijd en Douwes ging op zijn gewone plaats naast moeder +zitten. + +"Wat is er toch een rare lucht in huis!" zei ze en keek overal rond +of ze ook wat zag. + +"Ik ruik niemendal!" antwoordde vader. + +"En ik ook niet!" zei Douwes. + +"Net modder! Heb je soms op straat in de modder getrapt?" vroeg moeder +weer en zag haar zoon aan. + +"Neen, moeder, ik ben naar school geweest!" gaf de jongen ten antwoord. + +"Maar daarom kan je toch wel in de modder trappen! Nu zou ik haast +gelooven, dat je er stilletjes uitgebleven bent," hernam zij. + +"Neen, ik ben naar school geweest, hoor! Vraag het maar aan George +en Huibert!" + +"Ja, dat zijn ook lieve jongens! Maar kijk eens, vader, Douwes heeft +kroos in zijn haar zitten en aan een knoop van zijn jas ook!" hervatte +moeder. + +Douwes wilde een nieuwe leugen verzinnen; maar eer hij daartoe kwam, +zei vader: "Waarom zit je zoo te jokken, kwajongen? Je hebt in de +sloot gelegen! Kijk maar, het eendenkroos zit nog in je haar. Spreek +op, hoe komt dat?" + +"Ik heb in het gras gerold en het is gras," bromde Douwes, doch +vader verstond geen gekscheren en ging na afloop van het eten naar +school. Juist toen ze den hoek van de Vinkestraat, waarin de school +stond, insloegen, liepen ze bijna den Baviaan tegen het lijf. + +"Hei, hei, Vlinder, je loopt me haast omver! Man, wat heb je een +haast!" zei Pels, die Vlinder goed kende. + +O, wat werd Douwes benauwd! Het zweet brak hem van angst naar alle +kanten uit. Als de oude nu maar niet vertelde, dat hij en zijn twee +kameraads hem altijd uitscholden, dan was het nog minder. Dat hij +stil uit school gebleven en in het water gevallen was, wist vader nu +toch al! + +"Ja, Pels, ik moet mijn jongen naar school brengen. Hij is vanmorgen +stilletjes thuis gebleven en op den koop toe in het water gevallen." + +"Zoo, is dat je jongen?" vroeg Pels. + +"Ja! Ken je hem?" was het antwoord. + +"Ik heb hem wel eens meer gezien; maar ik wist niet, dat het je zoon +was. Hoe heet hij?" + +"Douwes!" + +"Zoo, zeker naar zijn grootvader?" + +"Ja!" + +"Nu, als hij dan maar half zoo braaf wordt, als die oude man was, +dan zal het best met hem schikken." + +"Ja, vader was een braaf mensch," zuchtte Vlinder; maar naar den +toren ziende, bemerkte hij, dat het al laat geworden was en zei daarom: + +"Nu, Pels, ik moet weg. Maar zeg, wanneer kom je me toch eens +opzoeken?" + +"Als ik maar weet waar je woont!" antwoordde Pels. + +"Hoe is het, weet je dat niet meer? Ik woon in het Kaneel-slop, Nº. 8!" + +"O zoo, woon je daar? Nu, ben je vanavond zoo omstreeks acht uur thuis, +dan kom ik een uurtje praten!" + +"Dat is goed, ik zal je wachten!" zei Vlinder en ging met Douwes +naar school. + +Maar meester had geen lust om den jongen, zooals hij er uitzag, +tusschen de andere kinderen te zetten, en daarom vroeg hij of Vlinder +het goedvond, dat hij hem maar heel den middag bij den spekslager +naast het varkenshok zette. + +Vader had er niets tegen, en zie, den ganschen middag stond Douwes +bij het varkenshok met de lei in de handen; want ledig staan mocht +hij niet. Honderdmaal moest hij keurig netjes op de lei schrijven: +_Soort zoekt soort_! + +Douwes had er in het eerst niet veel lust in; hij legde zijn lei op +den grond en begon de varkens te bekijken. + +"Ben ik dan een varken?" bromde hij. "Waarom laat meester me schrijven: +_soort zoekt soort_? Hij scheldt me niet uit, neen, dat doet hij niet; +maar het is toch langs het kantje af!" + +En zoo redeneerde hij al voort, tot hij ten laatste aan den Baviaan +dacht. + +"Dien leelijken vent heb ik uitgescholden, dat is waar, maar hij +geleek toch meer op een baviaan dan ik op een varken gelijk!" + +Wacht, daar stond een emmer met schoon water. Net een spiegel! Als +hij er eens in keek, dan zou hij toch eens goed kunnen zien, dat hij +geen varken was. + +Juist was hij bezig met kijken, toen een kweekeling kwam om zijn +strafregels te zien. + +Hij had er nog niet één. + +"Nu, Douwes, dan komen er vijfentwintig bij, heeft de bovenmeester +gezegd!" zei de kweekeling en ging heen. + +Nog een poosje bleef Douwes staan, doch hij begon te bedenken, dat +hij er nog wel eens vijfentwintig bij kon krijgen, en daarom besloot +hij maar bedaard aan het werk te gaan. + +"_Soort zoekt soort_," het stond er honderd vijfentwintig maal toen +de klok vier uur geslagen had en meester op de plaats kwam. + +Douwes moest nu in de school. Al de kinderen waren weg. + +Wat zou er gebeuren? + +"Hij moet niet probeeren me te slaan," dacht de brutale knaap, +"want dan zal ik het den Burgemeester gaan vertellen, en dan zal hij +leelijk tegen de lamp loopen!" + +Maar meester sloeg niet. Hij legde een pen voor Douwes neer en zei: +"Komaan, manneke, nu zullen we al het werk, dat we vanmorgen hier +onder schooltijd gedaan hebben, met ons beitjes eens na schooltijd +doen. Vindt je het goed?" + +Neen, Douwes vond het niet goed. Hij vond het zelfs gemeen en slecht; +maar tegenpruttelen durfde hij niet. + +Om zeven uur ging Douwes naar huis met de boodschap, dat hij +morgenmiddag van hetzelfde laken een pak zou hebben, als hij weer +niet school kwam en vischjes ging vangen. + +Toen hij thuis kwam, vond hij zoowaar den Baviaan al op vader zitten +wachten. + +Dat was evenwel zoo afgesproken; want toen Vlinder naar zijn werk +ging, stond Pels hem op te wachten en vroeg hem, of hij het goedvond, +dat hij vanavond een beetje vroeger kwam om wat met Douwes te praten. + +Vader had dit uitmuntend gevonden. + +"Zoo, Douwes, kom je nu pas uit school?" begon hij. "Ik heb gehoord, +dat je moeder je schoon goed wil laten aantrekken, en daar je vader +toch eerst te acht uur thuis komt, heb ik er wat op verzonnen. We +zullen samen naar de badinrichting gaan, en daar eens een bad +nemen. Dat zal je heelemaal opknappen. Ga je mee?" + +Douwes had er maar half lust in; maar moeder stopte hem zijn schoon +goed, in een doek geknoopt, in de handen, en de twee gingen heen. + +Toen ze klaar waren, kende Douwes zichzelven niet. Het was, alsof +hij een andere jongen geworden was, zoo vreemd gevoelde hij zich. + +Dat kwam vooreerst door het frissche bad en dan, neen maar, als hij +dien ouden Pels zoo eens aankeek, dan was die man toch zoo leelijk +niet! + +En wat praatte hij aardig! Hij sprak over geen schelden, of over geen +stil-uit-school-blijven, niets van dat! Hij had het over heel andere +zaken, en toen hij thuis kwam had hij spijt, dat vader nu met Pels +praten ging. + +Eindelijk ging de oude zeeman heen, doch toen hij de kruk van de deur +al vast had, zei hij: "Wat ik zeggen wil, Douwes, ik ga morgenmiddag +om vijf uur in de plassen buiten de stad visschen. Als je mee wilt, +en je mag van je ouders, dan moet je maken, dat je op dat uur bij de +sluis bent! En als je kameraads ook mee willen, en hun ouders hebben +er niets tegen, dan breng je ze maar mee, hoor! Gegroet!" + +In den vroegen morgen van den volgenden dag zocht Douwes zijn twee +kameraads op. Hij vertelde hun alles wat er gebeurd was en ook dat +ze vanavond mee mochten gaan visschen, als vader of moeder er niets +tegen hadden. + +Wel stonden Huibert en George gek te kijken; maar Douwes wist zooveel +van den ouden Pels te vertellen, dat ze besloten verlof te vragen om +mee te gaan. + +Natuurlijk moesten ze dan ook naar school; want anders liep het +heelemaal mis. + +Meester zei niets en keek de drie luitjes zoo nu en dan maar eens +even aan. + +Hé, ze hadden nog nooit zoo veel gewerkt en, om de waarheid te zeggen, +ze vonden het toch wel prettig. + +Doch toen 's middags om vier uur de school uitging en meester kortaf +beval, dat ze alle drie zouden blijven zitten, zie, toen keken ze +toch niet heel vriendelijk en ze meenden, dat ze heel onrechtvaardig +behandeld werden. + +Doch meester had volstrekt geen plan om de jongens te straffen; +hij wilde hen eens ernstig over dat stil uit school blijven +onderhouden. Hoe hij het aanlegde heb ik nimmer vernomen, maar een +buurvrouw, die voor het raam stond, dat op het schoolplein uitzag, +had de knapen alle drie zien schreien, toen ze een kwartiertje later +dan de andere kinderen uit school kwamen. + +"Heb je slaag gehad, jongens?" vroeg ze. + +"Neen!" was het korte antwoord. + +"Wat scheelt er dan aan?" hernam ze weer; want ze was wat nieuwsgierig +uitgevallen. + +De jongens gaven haar echter geen antwoord en gingen bedaard verder. + +Te vijf uur waren ze bij de sluis. Ze behoefden niet lang te wachten; +want spoedig was Pels er ook. + +Hij kwam met zijn roeibootje naar den wal en zei: "Stap maar in, +jongens!" + +Dat lieten ze zich geen tweemaal zeggen.--Weldra waren ze nu met hun +vieren in de boot, en de oude Pels trok nog zoo stevig aan de riemen, +dat een voetganger, die nogal goed doorstapte en langs het smalle +jaagpad liep, het bootje niet bij kon houden. + +En toen ze op de plassen kwamen, wat hadden ze toen een pret! + +Wat wist die oude man aardige geschiedenisjes te vertellen. En wat +werd er veel gevangen! + +De avond was om eer ze het wisten, en toen ze tegen het donker weer +bij de sluis aan wal stapten, riep Pels: "Nu, jongens, tot overmorgen, +hoor! Wel te rusten!" + +Nauwelijks was Pels met zijn bootje den hoek omgedraaid of Douwes zei: + +"Wat zeg je nu van den Baviaan?" + +"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Huibert, "maar we moeten hem toch +niet meer uitschelden, wel?" + +"Neen, want hij is veel te goed, en overmorgen mogen we weer +mee!" sprak George. + +Nu, overmorgen kwam, en ze gingen weer op de plassen. + +Ze dachten er niet meer aan om hem Baviaan te noemen, en toen ze +later eens bij hem aan huis kwamen, was het ook de oude Pels, die +hun leerde wat ze doen moesten om braaf en gelukkig te worden. Nooit +meer verzuimden ze de school, en meester had altijd pleizier van +deze jongens. + +Nu zijn ze alle drie onder dienst geweest en verdienen hun eigen +brood; maar nog altijd is de oude Pels hun beste vriend, en als ze +eens een uurtje vrij hebben, en het weer zóó is, dat ze niet weten +waar ze loopen zullen, dan kan men hen altijd in zeker huisje van de +Maansteeg vinden. + +Onlangs kwamen ze er weer uit en toen zei Douwes tot Huibert en George: + +"Leelijk is hij, leelijk als de nacht! Hij is waarlijk nog net een +baviaan; maar hij is _goed_, _verstandig_ en _braaf_, dat zegt meer, +zou ik denken!" + +"Dat gelooven wij ook!" antwoordden de andere twee. + +De oude Pels leefde nog verscheidene jaren en werd zelfs +overgrootvader; want Douwes was met Leentje getrouwd en had drie +kindertjes, die niets liever deden dan met grootvader spelen. Daartoe +had de oude man ook overvloed van tijd; want Douwes, die, door goed +leeren en goed oppassen, meesterknecht in een groote smederij werd +en goed geld verdiende, wilde niet hebben, dat de brave man, die hem +eigenlijk gelukkig gemaakt had, op zijn ouden dag moest werken voor +den kost. Hij leefde dus vergenoegd bij zijn kleinkinderen, en toen +hij eindelijk gestorven was, zeiden de menschen: "Hij was een aap +van buiten, maar een engel van binnen!" + + + + + + + + + + + +Van P. Louwerse verscheen bij den uitgever van dit boek op hetzelfde +formaat en geheel op dezelfde manier uitgevoerd, voor jongens en +meisjes van 8-12 jaar: + + + Jan met de Pijp + Ver van Huis + Tante Poes + Hier is wat + Is er nog plaats voor + Vertelavonden + De Kerstwagen + + +_Alle Fraai Geïllustreerd door Jan Sluijters_. + +Prijs in geïllustreerd omslag 50 cents. Gebonden in fraai linnen +stempelband 75 cents. _Bij den Uitgever van dit boek verscheen ook_: + +Serie fraaie boeken voor jongens en meisjes van 8-10 jaar: + +P. J. en SUZE ANDRIESSEN. + + + Aan het strand. + Sinterklaasavond. + Het Kransje. + Greta en Meta. + Een dagje bij vrouw Aaltje. + Elsje van den Bezembinder. + Anne's Kanarietje. + Slordig Jansje. + Het verdwaalde kind. + De gebroken vaas. + De Gevolgen der ongehoorzaamheid. + Mina de snoepster. + Een brutaal Meisje. + Op de Kostschool. + De Savoyaard en zijn aapje. + Vijf Kersen aan een steel. + De pleegkinderen van den orgelman. + Vacantiedagen. + Hoe raar een bal soms rollen kan. + De twaalfde verjaardag. + Een Zaterdagmiddag in het bosch. + + +TINE VAN BERKEN. + + + Robbedoes. + Heintje Pochhans. + De geschiedenis van een broodtrommeltje. + Lachebekje. + Ons troepje. + Laura's opstel. + Driftkopje. + Jongens die rooken. + Twee Vacantiedagen. + Hedwigs Sint-Nicolaasfeest. + Hollandsche Spartanen. + Plaaggeest. + Uit logeeren. + Hesters gebrek. + Jonge vechtersbazen. + Het album van Dora Jemelle. + Alfreds gedragboekje. + Een Buurjongetje. + + +Elk boek met twee fraaie platen. + +Prijs in geïllustreerd omslag 35 CENTS. Gebonden in rijk vergulden +linnen band 50 CENTS. + +P. J. ANDRIESSEN, + + + Sneeuwklokjes. + Heide en veld. + Uit ons Dorp. + Uit Stad en Dorp. + Klimop. + Het Klaverblad. + Bosch en Duin. + + +TINE VAN BERKEN, + + + Meidorens. + Wilde Wingerd. + Kleine Menschen. + Met z'n drieën. + Onder ons. + Regen en Zonneschijn. + + +Elk der bovenstaande prachtige dikke boeken, bevat drie verhalen met +zes platen en is gebonden in fraaien linnen stempelband. + +Prijs f 0.90 ingenaaid en f 1.25 in prachtband. + + +Bij den uitgever van dit boek verscheen ook: + +"ONS CLUBJE" + + + + + +BIBLIOTHEEK VOOR MEISJES + +Prijs per deel f 0.90--in prachtband f 1.25. + +Het groote succes, dat zoowel hier te lande als in het buitenland +aan Series Kinderboeken onder een gezamenlijken titel te beurt viel, +gaf aanleiding tot de uitgave van "_Ons Clubje_", _Bibliotheek voor +Meisjes_. + +Dat ook deze serie door het publiek, reeds bij het verschijnen van +het eerste deel, met ingenomenheid is begroet, valt gemakkelijk te +verklaren. Wat toch maakt de aantrekkelijkheid van zulk een serie +uit? Dat de kinderen vroegtijdig den grondslag leeren leggen tot een +kleine boekerij, en dat de wensch om elke serie compleet te bezitten +hun orde en netheid leert ten opzichte van hun boeken. + +"_Ons Clubje_" nu komt deze goede eigenschappen nog met een aantal +vermeerderen, en wel om de volgende redenen. + +1º. "_Ons Clubje" overtreft in pracht van uitvoering alles wat tot +nu toe in dat genre verscheen_. De _buitengewoon goed geslaagde +bandteekening_ geeft elk deel een cachet, dat bijna geen ander +kinderboek bezit. Het _artistieke, welverzorgde uiterlijk van "Ons +Clubje"_ heeft ten gevolge, dat den kinderen reeds vroeg eerbied en +zin voor het schoone wordt ingeprent, dat zij de waarde van een mooi +voorwerp voor dagelijksch gebruik leeren kennen. + +2º. "_Ons Clubje_" geeft slechts _degelijke en gezonde lectuur_, +waarvan _opvoedende kracht_ uitgaat, en die in de eerste plaats +_echt-kinderlijk_ is. "_Ons Clubje_" kweekt liefde en smaak bij onze +kinderen aan voor een mooi, goed boek. + +_In "Ons Clubje" verscheen tot heden_: + + + I. _Fransje Elswoudt_, door TRUIDA KOK. + II. _Emma van Bergen_, door P. J. ANDRIESSEN, 5e dr. + III. _Vera_, door SUZE ANDRIESSEN, 3e druk. + IV. _Paulette_, door E. DE PRESSENSÉ, 2e druk. + V. _De Buren, van mevrouw Bertrand_, door E. DE PRESSENSÉ, + 2e druk. + VI. _Mooie Bruno_, door TINE VAN BERKEN, 2e druk. + VII. _Marie en Pauline_, door P. J. ANDRIESSEN, 7e druk. + VIII. _Van een Grootmoeder en zeven Kleinkinderen_, door TINE + VAN BERKEN, 2e druk. + + + + +GOED EN GOEDKOOP. + +Wilhelmina-Bibliotheek + +voor JONGENS en MEISJES. + +Elk boek prachtig geïllustreerd en gebonden in fraaien +stempelband. Prijs per deel f 0.90.--In prachtband f 1.25. + +_In deze Bibliotheek verscheen tot op heden_: + + + I. E. DE PRESSENSÉ, _GENOVEVA_. Tweede druk. + II. P. J. ANDRIESSEN, _DE ERFENIS EENER MOEDER_. Derde Druk. + III. E. DE PRESSENSÉ, _URSULA_. Tweede druk. + IV. A. DE GRAAFF, _TOM en JACK_, Avonturen van twee + schooljongens. + V. E. DE PRESSENSÉ, _ARME KLEINE_. Tweede druk. + VI. A. DE GRAAFF, _DE SPION OP SCHOOL_. + VIL E. DE PRESSENSÉ, _WILGENHOF_. Tweede druk. + VIII. A. DE GRAAFF, _JAAP en BEN_, Avonturen van twee + schooljongens. + IX. A. DE GRAAFF, _HET GEHEIM VAN EEN SCHOOLJONGEN_. + X. A. DE GRAAFF, _DICK EN ZIJN VRIENDEN_. + XI. A. DE GRAAFF, _JACOB DE VONDELING_. + XII. A. DE GRAAFF, _DOOR DIK EN DUN_. + XIII. A. DE GRAAFF, _JACOB RENSUM_. + + +_De Wilhelmina-Bibliotheek overtreft in pracht van uitvoering alles +wat tot nu toe in dat genre verscheen_. + +_De buitengewoon goed geslaagde bandteekening_ geeft elk deel een +cachet, dat bijna geen ander kinderboek bezit. + +Het _artistieke, wel verzorgde uiterlijk der Wilhelmina-Bibliotheek_ +heeft ten gevolge, dat den kinderen reeds vroeg eerbied en zin voor +het schoone wordt ingeprent, dat zij de waarde van een mooi voorwerp +voor dagelijksch gebruik leeren kennen. + +De _Wilhelmina-Bibliotheek_ geeft slechts _degelijke en gezonde +lectuur, waarvan opvoedende kracht uitgaat_, en die in de eerste +plaats echt-kinderlijk is. + +De _Wilhelmina-Bibliotheek_ kweekt liefde en smaak bij onze kinderen +aan voor een mooi, goed boek. + + + + + HET AARDIGSTE BOEK DAT TOT HEDEN VOOR JONGENS EN MEISJES VERSCHEEN IS + + UIT DEN KOSTSCHOOLTIJD VAN JAN VAN BEEK + + DOOR J. B. SCHUIL + + Met talrijke Humoristische teekeningen tusschen den tekst van + JAN SLUYTERS. + +Prijs ingenaaid f 2.40; in prachtband f 2.90 EENIGE BEOORDEELING. + + +Handelsblad: + +Kleurig en monter is dit kostschoolleven met zijn "geheime verbonden", +"dieventaaltjes", ontvluchtingen en andere avonturen verteld. De toon +bewijst duidelijk, dat de schrijver schik had in de dingen, die hij +beschreef en misschien nog wel eens naar een eigen kostschooltijd +terugverlangt. + + +De Nieuwe Courant: + +Wij zeggen het den uitgever in zijn prospectus na, dat dit een echt +Jongensboek is, prettig en vol afwisseling. De schrijver _J. B. Schuil_ +is in de jongenswereld voortreffelijk thuis en weet op 'n prik wat +dit wereldje boeien kan. Maar hij weet er ook een goede keuze uit te +doen en zijn verhaal zoo in te kleeden, dat het ook opvoedend werkt, +zonder den zedemeester uit te hangen. Er worden in dit boek misschien +wat veel ondeugende streken naverteld en gedeeltelijk gefantaseerd, +maar die streken van Jan hebben vaak een sympathieken achtergrond en +de uiterlijke ruwheid gaat gepaard met innerlijke fijngevoeligheid. + +Dit boek is vooral ook leerzaam voor ouders en opvoeders, die hier +menigen wenk krijgen, hoe zoogenaamde ondeugende jongens op te voeden; +hoe gemis van tact, ondoordachte bestraffing en ruwe behandeling vaak +de oorzaken zijn van het verstikken van den edelsten aanleg. + +De grappen en dwaasheden die door dit verhaal met kwistige hand zijn +gestrooid, zijn meestal geestig geïllustreerd door JAN SLUYTERS. + + +De Tijd: + +Een boek, onderhoudend en frisch geschreven, vol jongens-inzonderheid +kostschooljongensfantasie, vol echte, guitige schelmsche jongensstreken +en jeugdige ridderlijkheid. 't Is een leven van enkele jaren, doorleefd +op kostschool met haar gewichtigheden, prettige en minder prettige +weken, naar gelang de dag van vertrekken in de richting kostschool, +huis, of omgekeerd, is aangebroken; naar gelang de streepjes, zoovele +takjes aan den boom der dagen, successievelijk in kruisjes veranderen, +of een nieuw trimester begint. + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR *** + +***** This file should be named 18877-8.txt or 18877-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/8/7/18877/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/18877-8.zip b/18877-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..45a9620 --- /dev/null +++ b/18877-8.zip diff --git a/18877-h.zip b/18877-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5487d92 --- /dev/null +++ b/18877-h.zip diff --git a/18877-h/18877-h.htm b/18877-h/18877-h.htm new file mode 100644 index 0000000..a14883c --- /dev/null +++ b/18877-h/18877-h.htm @@ -0,0 +1,5362 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>In het Schemeruur</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="P. Louwerse"> +<meta name="DC.Creator" content="P. Louwerse"> +<meta name="DC.Title" content="In het Schemeruur"> +<meta name="DC.Date" content="# 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16% 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +/****** Title Page ******/ + +h1.docTitle +{ +font-size: 1.6em; +line-height: 2em; +} + +h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle +{ +text-align: center; +} + +h2.byline +{ +font-size: 1.1em; +line-height: 1.44em; +font-weight: normal; +} + +span.docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: normal; +} + +/******* Headers ******/ + +.div0 +{ +padding-bottom: 1.6em; +} + +.div1 +{ +padding-bottom: 1.44em; +} + +.div2 +{ +padding-bottom: 1.2em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-bottom: 1.0em; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-style: normal; +text-transform: none; +clear: both; +} + +h1 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h1.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h2 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h2.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h3 +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h4 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left: 10%; +margin-right: 10%; +} + +h5 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +h6 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +/****** Paragraphs ******/ + +p +{ +text-indent: 0; +} + +.alignleft +{ +text-align: left; +} + +.aligncenter +{ +text-align: center; +} + +.alignright +{ +text-align: right; +} + +.alignblock +{ +text-align: justify; +} + +p.poetry +{ +margin: 0em 10% 1.58em 10%; +} + +p.line +{ +margin: 0 10% 0 10%; +} + +p.beforeline, p.afterline +{ +margin-top: 1em; +} + +p.initial +{ +text-indent: 0em; +} + +p.argument, p.note +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +text-indent: 0em; +} + +p.argument +{ +margin: 1.58em 10% 1.58em 10%; +} + +p.quote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + +div.blockquote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + + +/****** Figures ******/ + +div.divFigure +{ +text-align: center; +} + +.floatLeft +{ +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +text-align: center; +} + +p.figure, p.legend +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} + +p.smallprint, li.smallprint +{ +font-size: 80%; +color: #666666; +} + +/* Special cases for Filipino Riddles */ + +p.question +{ +text-align: left; +margin-bottom: 0em; +} + +p.answer +{ +text-align: right; +margin-top: 0em; +} + +p.explanation +{ +margin-left: 0.9em; +margin-right: 0.9em; +font-size: smaller; +} + + +/****** Sidenotes ******/ + +.leftnote +{ +position:absolute; +left:1%; +height:0em; +width:14%; +font-size: 0.8em; +text-indent: 0em; +line-height: 1.2em; +} + +/****** Page Numbers ******/ + +.pagenum +{ +display: inline; +font-size: 70%; +text-align: right; +position: absolute; right: 1%; +padding: 0 0 0 0; +margin: 0 0 0 0; +} + +.pagenum a +{ +text-decoration: none; +} + + +/****** Footnotes ******/ + +a.noteref:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +vertical-align: 0.25em; +text-decoration: none; +} + +div.footnotes +{ +padding: 0 0 0 0; +margin-top: 1em; +} + +hr.fnsep +{ +width: 25%; +text-align: left; +margin-left: 0; +margin-right: 0; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0.5em; +margin-bottom: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align: left; +width: 2em; +} + +/****** Poetry ******/ + +div.poem +{ +text-align: left; +margin-left: 5%; +width: 90%; +position: relative; +} + +.poem h4 +{ +margin-left: 5em; +font-weight: normal; +text-decoration: underline; +} + +.poem .stanza +{ +margin-top: 1em; +} + +.poem .linenum +{ +position: absolute; +top: auto; +left: -2.5em; +margin: 0; +text-indent: 0; +font-size: 90%; +text-align: center; +width: 1.75em; +color: #777; +} + +.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; } +.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; } +.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; } +.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; } +.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; } +.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; } +.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; } +.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; } +.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; } +.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; } + + + +/****** Annotations ******/ + +span.corr +{ +border-bottom: 1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom: 1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom: 1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing: 0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant: small-caps; +} + + +/****** Anchors ******/ + +a.hidden:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.hidden +{ +text-decoration: none; +} + +hr +{ +width: 45%; +margin-top: 1em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +clear: both; +text-align: center; +height: 1px; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: In het Schemeruur + +Author: P. Louwerse and Jan Sluijters + +Release Date: July 20, 2006 [EBook #18877] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="frontmatter"><p class="div1"></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijk voorkant. In het Schemeruur door P. Louwerse."></p> +</div><p> + + +</p> +<p class="div1"></p> +<p class="aligncenter">In het Schemeruur + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/logo.gif" alt="Uitgeverslogo H. J. W. Becht. Hebt in werken bevrediging."></p> +</div><p> + +</p> +<h1 class="docTitle">In het Schemeruur</h1><br><h1 class="docTitle">Vertellingen voor het jonge volkje</h1> +<h2 class="byline">Door<br> +<span class="docAuthor">P. Louwerse</span><br> +Geïllustreerd door Jan Sluijters +</h2> +<h2 class="docImprint">Derde, verbeterde druk<br> +Amsterdam<br> +H. J. W. Becht +</h2><p class="div1"></p> +<p class="aligncenter">Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen. + + +</p> +<p class="div1"></p> +<h2>Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e111">Jan met de Pijp.</a></li> +<li><a href="#d0e244">Naar Zee.</a></li> +<li><a href="#d0e550">De Weg naar de Gevangenis.</a></li> +<li><a href="#d0e942">Hoe Frans door de Wereld kwam.</a></li> +<li><a href="#d0e1346">Met Goeden Wil en een Weinig Hulp.</a><ul> +<li><a href="#d0e1349"></a></li> +<li><a href="#d0e1520"></a></li> +<li><a href="#d0e1798"></a></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#d0e1979">Werken Beter dan Bedelen.</a></li> +<li><a href="#d0e2279">De Baviaan.</a></li> +</ul> +</div><a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">4</a>]</span><div class="bodytext"> +<p class="div1"><a id="d0e111"></a></p> +<h2>Jan met de Pijp.</h2> +<p>Midden tusschen de huizen van het dorpje Schootwerve lag een allerliefst tuintje, dat door een heg van hulst van den weg afgescheiden +lag. Dat tuintje zag er keurig net onderhouden uit. Tusschen de perkjes, die allerlei vormen hadden, slingerden zich paadjes, +die met schelpzand bedekt waren. De perkjes zelf waren omringd door een laag hegje van steekpalm en versierd met allerlei +soorten van zaaibloemen. + +</p> +<p>Het grootste perk, dat in het midden lag, was een zoogenaamd tapijtbed, dat er met zijn veelkleurige bloemen uitzag als een +groote, heel groote lappendeken, waardoor middenin een mannetje gekropen was. Dat mannetje was een pop van aardewerk en stelde +een rookenden Moor voor. Vroeger had hij voor een tabakswinkel <a id="d0e118"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e118">5</a>]</span>gestaan, maar toen hij bij de een of andere gelegenheid zijn rechterhand, die de pijp vasthield, gebroken had, was hij bij +een uitdrager verzeild, en bij dezen had de eigenaar van het tuintje den invalide gekocht. De timmerman van het dorp, een +echte knutselaar, had den steenen Moor een houten hand en pijp gegeven en deze met draadnagels aan zijn lichaam vastgemaakt. + +</p> +<p>En zoo stond daar de rookende Moor den heelen zomer midden tusschen de bloemen. Kwam het najaar aan, dan werd hij op den zolder +gebracht en eerst in April, na goed afgestoft, geveegd en opgeverfd te zijn, kwam hij, den eersten zomerschen dag den besten, +weer te voorschijn. + +</p> +<p>Roepen op andere plaatsen de jongens elkaar toe, als ze den koekoek voor het eerst in het jaar hebben gehoord: “Ik heb den +koekoek gehoord!” hier riepen alle jonge Schootwervers: “Ik heb Jan met de pijp gezien!” Want Jan met de pijp was de bijnaam +van den opgelapten Moor. Ja, de vrouw van den smid zou niet eer aan de groote voorjaarsschoonmaak beginnen, vóór zij wist, +dat Jan met de pijp van den zolder in den tuin gekomen was. +<a id="d0e124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e124">6</a>]</span></p> +<p>Achter het tuintje stond een ouderwetsch huis. De muren waren van onder tot boven begroeid met klimop en het was er zoo rustig +en stil, dat verscheidene vogeltjes het waagden hun nestjes in de altijd groene takken te maken. + +</p> +<p>Het huis zelf had een groote voorkamer, een zijvertrekje, een tuinkamer en een keuken. Boven waren nog een paar kamers en +drie slaapvertrekken. Tusschen de voor- en de tuinkamer was een alkoof en hierin sliep de eigenaar van het huis, de oude heer +Van Laeken. + +</p> +<p>Wie de oude heer Van Laeken was, zal ik jelui eens even vertellen. + +</p> +<p>Met Nieuwejaar van het jaar 1800 was hij te Antwerpen geboren, waar zijn vader magazijnmeester was. De menschen hadden fatsoenlijk +hun brood, maar toen Napoleon beval, dat er geen Engelsche schepen meer in de havens mochten komen om voortbrengselen uit +Oost en West binnen te brengen, toen was er in het magazijn van den rijken koopman, bij wien Van Laeken’s vader in dienst +was, geen magazijnmeester meer noodig; want het pakhuis was ledig. + +</p> +<p>Nu stond bittere armoede voor de deur. + +</p> +<p>De oude Van Laeken kon goed rekenen, <a id="d0e137"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e137">7</a>]</span>schrijven en lezen, maar van een ambacht verstond hij niets. Zijn eenig zoontje moest terstond van school af, hoewel het ventje +nog maar elf jaar oud was, en zijn twee zusjes, die reeds bij een Franschen meester waren, werden ook thuis gehaald. + +</p> +<p>“Als je nu nog leeren wilt, dan moet je jezelf maar oefenen en als je met het een of ander niet voort kunt, vraag er mij dan +maar naar en, als ik kan, dan zal ik je helpen!” zei vader. + +</p> +<p>Maar van dat leeren kwam niet veel; want wie wat verdienen kon met werken of boodschappen doen, die moest er maar op uit. + +</p> +<p>Toen George, zoo heette de jongen, zag, dat hij met boodschappen doen het niet heel ver in de wereld brengen zou, zag hij +naar alle kanten uit, of hij niet iets kon vinden waarmede hij een eerlijk stuk brood verdienen kon. + +</p> +<p>Zoo liep hij eens tegen den avond langs de kade toen een zeeman op hem afkwam en vroeg: “Wat zoek je, jongen?” + +</p> +<p>“Ik zoek werk! Ik wil een ambacht leeren!” antwoordde George. + +</p> +<p>“En wat wil je leeren?” +<a id="d0e151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e151">8</a>]</span></p> +<p>“Daar geef ik niet om, als het maar iets is waarmee ik mijn brood verdienen kan!” + +</p> +<p>“Je bent een onverschillige jongen,” zei de zeeman. + +</p> +<p>“Dat is niet waar,” antwoordde George. “Nu heb ik twaalf ambachten en dertien ongelukken. Dat wordt nooit wat goeds! Ik wil +één ambacht leeren!” + +</p> +<p>“Nu, nu, het was zoo erg niet gemeend, manneke! Weet je wat ik ben?” + +</p> +<p>“Matroos?” + +</p> +<p>“Neen!” + +</p> +<p>“Stuurman of hofmeester dan?” + +</p> +<p>“Ook al niet! Ik ben scheepstimmerman aan boord van een oorlogsschip.” + +</p> +<p>“En is dat een goed ambacht?” + +</p> +<p>“Dat zou ik wel gelooven. Z. M. de Keizer zorgt goed voor zijn manschappen. Er is maar één Napoleon!” + +</p> +<p>“Dat zeg je! Maar zou ik dat scheepstimmeren ook kunnen leeren?” + +</p> +<p>“Waarom niet? Zou jij het bij mij aan boord willen leeren? Ik was er juist op uit een jongen te zoeken!” + +</p> +<p>George’s oogen glinsterden en den zeeman <a id="d0e178"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e178">9</a>]</span>bij den arm vattend, zei hij: “Ga mee naar vader en moeder en doe een goed woordje voor me!” + +</p> +<p>De man voldeed hieraan gaarne en.... veertien dagen later was George aan boord van <i>La France</i>, een prachtig linieschip. + +</p> +<p>In den scheepstimmerman, meester Barend, zooals hij door de Hollandsche matrozen genoemd werd, vond George een goed leermeester +en een warm vriend. Jarenlang, ook nog na den val van Napoleon, voeren ze samen, doch na 1825 niet meer ten oorlog, maar ter +koopvaardij. + +</p> +<p>Eindelijk was meester Barend zoo gelukkig een erfenis te krijgen en daar zijn dienstjaren juist verloopen waren, ging hij +uit den zeedienst en vestigde zich als scheepstimmerman in de stad, waar hij zijn vriend en makker George bij zich nam. George +had de eerste drie jaren aan boord van <i>La France</i> niet alleen zijn vak geleerd, maar daar de betrekking van schrijver door een gewezen schoolmeester vervuld werd, en deze +in zijn ledigen tijd gaarne nog wat deed, had George van hem geleerd wat hij, door het ongeluk van zijn vader, in Antwerpen +niet had kunnen leeren. George schreef een goede hand en wist <a id="d0e192"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e192">10</a>]</span>van het Fransch en Engelsch zooveel, dat hij deze beide talen, zonder grove fouten te maken, lezen, spreken en schrijven kon. +Deze kennis kwam hem nu uitmuntend te pas. Hij hield boek en meester Barend zorgde, dat het volk op de werf zijn plicht deed. +Het gevolg hiervan was, dat de scheepmakerij in bloei toenam en toen meester Barend op 62-jarigen leeftijd aan een slepende +ziekte overleed, was George van Laeken eigenaar van de geheele zaak. Meester Barend, die op de geheele wereld geen familie +meer had, had kort voor zijn dood alles aan George vermaakt. + +</p> +<p>Hadden George’s ouders nu nog geleefd, dan had hij voor hen kunnen zorgen, maar ze waren in 1812 kort na elkaar gestorven, +en zijn zusters waren de wijde wereld ingegaan, zonder eenig spoor van zich achter te laten. + +</p> +<p>Oude buren verzekerden, dat ze met de vrouw van den gewezen maire (burgemeester) van Antwerpen waren medegegaan naar Frankrijk. + +</p> +<p>Twintig jaar lang bleef George scheepstimmermansbaas, maar toen besloot hij stilletjes te gaan leven. Hij zocht daarom een +vriendelijk gelegen plaatsje en vond dat in Schootwerve. Hij kocht daar een groot stuk duingrond, liet er een huisje <a id="d0e200"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e200">11</a>]</span>bouwen en legde er, met heel veel moeite en voor heel veel geld, een mooi tuintje aan. Achter zijn huis had hij berken en +dwergeiken laten planten en die tierden daar uitmuntend. + +</p> +<p>Toen hij ongeveer een jaar of tien te Schootwerve met een huishoudster geleefd had, kwam op zekeren dag de burgemeester bij +hem om te vragen, of hij ook nog familie in Antwerpen had. + +</p> +<p>Nu, wat zou mijnheer Van Laeken zeggen? Hij wist niet beter dan van neen. + +</p> +<p>“Ik heb anders vanmiddag een brief gekregen uit Antwerpen waarin me gevraagd werd, of bij mij op het dorp niet een zekere +George van Laeken woonde. Daar waren twee kleine meisjes te Antwerpen gekomen met een brief waarin stond, dat haar grootmoeder +een zuster was geweest van George van Laeken, die als scheepmakersleerling in Franschen dienst gegaan was. Die grootmoeder +had daar in Frankrijk haar man, haar dochter en haar schoonzoon zien sterven en toen zij voelde dat ze ook niet lang meer +leven zou, had ze aan de twee kinderen van haar dochter een brief gegeven om dien aan den burgemeester van Antwerpen te brengen, +als ze gestorven zou zijn. Kort daarop stierf ze; haar <a id="d0e208"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e208">12</a>]</span>geringe bezitting werd verkocht en in gezelschap van den pastoor van het dorp waren ze naar Antwerpen gegaan!” + +</p> +<p>“Nu,” zei mijnheer Van Laeken, “dat kan best waar zijn. Ik zal naar Antwerpen gaan en de zaak onderzoeken!” + +</p> +<p>Drie weken later kwam de oude heer te Schootwerve terug met twee meisjes bij zich. Ze waren tweelingen en heetten Helena en +Anna. + +</p> +<p>Voor die nichtjes was hij alles, en waar hij haar pleizier kon doen, daar deed hij het, en zij toonden dat ze die liefde ten +volle verdienden. + +</p> +<p>Die meisjes kregen weldra vriendinnetjes en menigmaal was er kinderfeest in huis, op welk feest ook de broertjes van de vriendinnetjes +mochten komen. + +</p> +<p>Eindelijk maakte de oude heer met al de jongelui de volgende afspraak. “Iedere week zal ik aan den hoofdonderwijzer vragen +wie er de heele week goed opgepast heeft en zij nu, op wie hij niets te zeggen heeft, mogen Zaterdags bij me komen, dan zal +ik hun een vertelling doen!” + +</p> +<p>Dat werd natuurlijk goedgevonden en den volgenden Zaterdag was de oude man door wel dertig kinderen omringd. Een stuk of acht +jongens, <a id="d0e222"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e222">13</a>]</span>echte belhamels, hadden om hun slecht gedrag niet mogen komen, en die waren hierover zóó boos, dat ze mijnheer Van Laeken +allerlei leelijke namen gaven, en op het laatst hem bijna niet anders kenden, dan onder den naam van “<i>Jan met de Pijp</i>.” + +</p> +<p>“Wel,” zei de vriendelijke oude heer, toen hij dat hoorde, “ze noemen me <i>Jan met de Pijp</i>, best, heel best!” Hierop was hij naar de stad gegaan, had zijn portret laten maken en veertien dagen later gingen meer dan +dertig kinderen naar huis, en ieder had een keurig nette afbeelding van den goeden man in den zak. + +</p> +<p>Ik heb het geluk gehad zulk een portret meester te worden, en als je nu weten wilt, hoe mijnheer George van Laeken er als +<i>Jan met de Pijp</i> uitziet, bekijk dan maar eens het prentje in dit boek, dan weet je het. Hij lijkt sprekend. En als je hem nu goed bekeken +hebt, lees dan maar verder wat hier in dit boekje staat. De vertellingen, die ik uit zijn mond opgevangen heb, staan hierin, +en ik twijfel geen oogenblik of ze zullen je wel bevallen. + +<a id="d0e237"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e237">14</a>]</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p01.jpg" alt="Jan met de Pijp"></p> +<p class="figureHead">Jan met de Pijp</p> +</div><p> + + +<a id="d0e243"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e243">15</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e244"></a></p> +<h2>Naar Zee.</h2> +<p>Het was vroeg in het voorjaar van 1817 en we lagen met onze korvet, dat is een soort van oorlogsschip moet je weten, te Vlissingen +in het dok. Het was meer dan noodig, dat we die haven binnengeloopen waren; want <i>De Windhond</i>, zoo heette ons schip, had het vorig jaar nogal wat geleden, toen we den Algerijnen den mantel uitgeborsteld hadden, dat +de wol er afvloog. We moesten in het droogdok, maar die het eerst komt, het eerst maalt, dat was ook hier waar; want niet +minder dan zes schepen waren ons voor. Als die klaar waren werd het onze beurt. + +</p> +<p>Zulk een leven aan den wal is voor Janmaat het onplezierigste wat er wezen kan. We verveelden ons vreeselijk en dikwijls dacht +ik, als ik zoo naar de groote beelden keek, die boven <a id="d0e254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e254">16</a>]</span>het beeldenhuis staan: “We hebben nu op het oogenblik veel weg van die steen en dingen daarboven! Is dat een leven?” + +</p> +<p>We hadden een bovenstbesten kommandant. Hij hield van zijn volk, en zijn volk hield van hem. Waar hij ons maar pleizier kon +doen, daar deed hij het, zoodat we menigmaal verlof kregen om eens te gaan wandelen. + +</p> +<p>Ik weet niet of je op het eiland Walcheren bekend zijt. Denkelijk wel niet en daarom wil ik je even zeggen, dat het een der +mooiste streken van ons land is. Weiland, bouwland, buitenplaatsen, vriendelijk gelegen dorpjes, mooi aangelegde wegen, mooie +duinstreken, zware dijken en zee wisselen elkander af. + +</p> +<p>Geen wonder, dat we dan ook altijd van de vergunning om te wandelen gaarne gebruik maakten en wel zorgden, dat er nooit klachten +over ons kwamen. Want, zie je, dan wisten we, als er een veldwachter aan boord van <i>De Windhond</i> kwam om te klagen, dat een der matrozen hier of daar wat gedaan had, dat niet in den haak was, dan zat er wat op. De minste +straf was een maand dekarrest, dat wil zooveel zeggen als een maand lang aan boord blijven. +<a id="d0e265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e265">17</a>]</span></p> +<p>Zooals ik daar straks al zei, het was vroeg in het voorjaar toen we in het dok kwamen te liggen. We hadden een koude, schrale +Februari en Maart was nog een beetje erger. Op de timmerwerf van de schepen was werk in overvloed, maar al de andere ambachten +wachtten op het mooie weer om te beginnen; vooral hadden de metselaars het kwaad, bitter kwaad. In het najaar was het werk +vroeg gedaan geweest en nu duurde het zoo lang eer ze weer beginnen konden met wat te gaan verdienen. + +</p> +<p>Voor ons kwam het er evenwel niet zoo erg op aan; we ondervonden alleen het onaangename van de koude, maar voor het overige +hadden we er geen hinder van. Spek en gort kregen we meer dan we lustten, en dikwijls gebeurde het, dat de bakmaats den bak +met gort niet leeg konden krijgen. + +</p> +<p>Eens op een morgen, dat ik zoo aan den valreep naar de beelden van het beeldenhuis en dan weer naar de beweging op straat +stond te kijken, zag ik twee jongetjes door de modder van de pasgevallen watersneeuw loopen. Ze zagen er schraaltjes uit. +De kleertjes, die ze aan het lijf hadden, waren brandhelder, maar dun, dun, o, <a id="d0e272"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e272">18</a>]</span>men kon de ribbetjes, die er onder zaten, bijna tellen. Gezond zagen ze er ook niet uit; de oudste had lange, zwarte haren +en daardoor kwam zijn mager gezichtje nog veel meer uit. Zijn oogen kropen bijna weg, alsof ze zich schaamden, dat ze boven +een paar zulke magere wangen staken, en de wijde pijpen van de broek woeien met den wind zoo achteruit, dat men de beentjes, +zoo dun als talhoutjes, er in kon zien zitten. + +</p> +<p>En toch scheen dat kereltje geen verdriet te hebben; want onderwijl zijn jonger broertje, dat er iets beter uitzag en die +ook betere kleertjes aanhad, liep te huilen, floot hij een deuntje. + +</p> +<p>“Jongens,” dacht ik, “vanmorgen hebben we wel een bak half vol met gort overgehouden, er is nog een stuk spek in ook, wie +weet of die kleine snuiters dat niet graag hebben zouden!” + +</p> +<p>“Wat sta je daar als een baliekluiver de straatsteenen te tellen?” vroeg opeens iemand, die achter me stond. + +</p> +<p>Het was onze kommandant; ik keerde me om, sloeg de voorste vingers van mijn rechterhand tegen mijn wollen muts en zei: “Ik +keek naar die twee arme kinderen, kommandant, en ik dacht ... ik dacht ...” +<a id="d0e282"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e282">19</a>]</span></p> +<p>“Nu, wat dacht je?” + +</p> +<p>“Ik dacht, kommandant, dat die arme zielen misschien de gort wel zouden lusten, die wij vanmorgen hebben overgehouden!” + +</p> +<p>“Wel, vraag het dan, kerel! Van mij heb je permissie!” antwoordde hij. + +</p> +<p>“Alstublieft, kommandant,” zei ik, liep de loopplank af en haalde de jongens, die op hun sukkeldrafje al een heel eind ver +geloopen waren, spoedig in. + +</p> +<p>“Hei, hei!” riep ik. + +</p> +<p>De kinderen keken om en toen ze mij zagen wenken stonden ze stil. + +</p> +<p>“Heb jelui soms ook honger?” vroeg ik. + +</p> +<p>“Ik heb mijn buik vol gefloten, maar mijn broertje kan niet fluiten en die denkt nu zijn buik vol te kunnen huilen; maar dat +schijnt hem niet te gelukken!” zei de oudste. + +</p> +<p>“Lust je ook gort met spek?” vroeg ik weer. + +</p> +<p>“Die niet lust is dood! Ik lust alles!” antwoordde hij. + +</p> +<p>“Best, ga dan maar met me mee, dan kan je bij ons aan boord schaften. Hallo, frisch op maar! Wie van jelui beiden er het eerste +is krijgt het meeste.” +<a id="d0e305"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e305">20</a>]</span></p> +<p>Rrrt, daar ging de kleinste, loop je niet, zoo heb je niet! als een kogel uit eene draaibas! De oudste deed het niet en kwam +langzaam achteraan slenteren. + +</p> +<p>“Wat,” riep ik hem toe, “kan jij niet loopen?” + +</p> +<p>“Neen, mijn broertje wint het altijd van me,” zei hij en kwam wel een paar minuten later aan boord dan zijn broertje en ik. + +</p> +<p>Weldra zaten we tusschendeks, ik op zij, en die twee plat op de planken met den bak tusschen zich in. + +</p> +<p>“Jij mag twee prikken tegen dat ik er een neem, Jan,” zei de oudste; “jij hebt het gewonnen, jij mag dus het meeste!” + +</p> +<p>En, verbazend, wat at die kleine! Zulk eten heb ik nooit gezien! Maar toch kon hij alles niet op en er bleef nog heel wat +over. Zoodra Jan den lepel neerlegde deed Tom, zoo heette de ander, het ook. + +</p> +<p>“Nu, Tom,” sprak meester Barend, die er ook bij gekomen was, “nu Tom, heb jij zoo’n kleine maag?” + +</p> +<p>“Welneen,” antwoordde hij, “maar ik heb ze al vol gefloten en ... en thuis, weet u ... thuis ...” + +</p> +<p>“Nu, thuis?” +<a id="d0e324"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e324">21</a>]</span></p> +<p>“Ja, vader en moeder en de twee kleintjes kunnen ook niet fluiten!” + +</p> +<p>Ik keerde me om, zag meester Barend aan en ... dat had ik nog nooit gezien, meester Barend kreeg opeens zulke natte oogen, +alsof hij zwaar verkouden was en niezen moest en het niet kon. + +</p> +<p>“Te weerga, jongen, eet!” riep hij. “Eet, zeg ik je! Jij bent een jongen, hoor! Je bent van de stof waaruit onze Lieve Heer +de engelen gemaakt heeft! Eet, zeg ik je! Die daar thuis zijn en niet fluiten kunnen, krijgen van mij en mijn kameraads een +bak vol! Toe kerel, eet, eet dan!” + +</p> +<p>Maar zie eens aan! In plaats van nu opnieuw toe te tasten, vloog de lange lummel zijn broertje om den hals en begon hardop +te huilen, en daar huilen een aanstekelijke ziekte is, begon Jan ook. Dat was me een mooi gezicht! Twee huilende kwajongens +en een schaftbak met gort en spek er naast. + +</p> +<p>“Mag ik ook weten wat hier te doen is, meester Barend?” vroeg de kommandant. + +</p> +<p>“Wij hebben hier een jongen gevonden met een groot hart in ’t lijf, kommandant,” antwoordde <a id="d0e337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e337">22</a>]</span>meester Barend en, terwijl hij vertelde wat die oudste jongen zoo al gezegd en gedaan had, kwamen een paar groote tranen langs +zijn wangen rollen. + +</p> +<p>“Dat is mooi, dat is heel mooi,” sprak de kommandant. “Eer die jongens van boord gaan, moeten ze eens even bij mij in de kajuit +komen!” + +</p> +<p>Wat de kommandant met deze jongens besprak, kwam ik natuurlijk niet te weten, althans dien dag niet. Maar dat is zeker, dat +ze meer van boord rolden dan liepen, en dat ze voortaan elken morgen om de overgeschoten gort kwamen. Zoo werden we langzamerhand +bekenden. + +</p> +<p>Intusschen werd het in Juni ook onze beurt in het droogdok te gaan liggen, dat is te zeggen, het schip, weet je, maar wij +niet. Zoolang <i>De Windhond</i> daar lag, gingen wij aan boord van de <i>Neptunus</i>, een oud linieschip, dat daar al sinds jaar en dag in het dok gelegen en nooit zee gezien had. Op zoo’n schip, dat volstrekt +geen tuigage had, hadden we nog veel minder te doen dan op <i>De Windhond</i>, zoodat de kommandant ons gaarne vergunning gaf met meester Barend eens een rijtoertje te gaan maken. + +</p> +<p>Wij hadden een prettigen dag en kwamen tegen den avond langs Koudekerke terug. +<a id="d0e356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e356">23</a>]</span></p> +<p>“Weet je wat, jongens,” zei meester Barend, “het zitten en rijden begint me te vervelen. Ik stel voor, den wagen naar Vlissingen +leeg terug te laten rijden, en dan gaan we van hier naar de duinen om zoo langs het strand naar huis te gaan!<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>De anderen hadden evenwel geen zin in het loopen, en daarom reden er vijf mee en meester Barend en ik gingen loopen. Na bijna +twee uur gewandeld te hebben, we waren nog verdwaald geweest op den koop toe, kwamen we zoowat een groot uur van Vlissingen +af op het strand. Er woei een stevige bries en dat beviel ons; want we waren niet weinig warm. + +</p> +<p>Toen we zoo omstreeks een half uur geloopen hadden riep meester Barend opeens: “Kijk eens, George, zijn daar ginds geen jongens +aan het zwemmen?” + +</p> +<p>Ik keek op en zag ze ook; maar zwemmen deden ze niet. Ze schenen maar wat in het water te loopen spelen. + +</p> +<p>“De lange lummel daar mag wel voorzichtig zijn,” sprak meester Barend. “Er gaat hier een sterke eb en de kwajongen waagt zich +veel te ver! Pas op, straks kunnen we nog gaan zwemmen om hem te redden.” +<a id="d0e370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e370">24</a>]</span></p> +<p>Toen we nader kwamen zagen we wat er aan de hand was. Op de eb dreef een heel klein scheepje, waarmee ze gespeeld hadden, +doch dat omgeslagen was, al verder en verder zee in. + +</p> +<p>“Ik weet al wie het zijn,” zei ik na een poosje. “Die lange daar met zijn stroohoed op is Tom, en die met dat mutsje, is Jan +van den metselaar uit de Vrouwenstraat. Zeker aan het spelen!” + +</p> +<p>“Mooi spelen!” bromde meester Barend. “Ze leggen het er op toe om te verdrinken. Als hij nog wat verder gaat, dan ... daar +gaat hij al, daar gaat hij al!” Hierop zette meester Barend de holle handen voor zijn mond en schreeuwde, evenals door een +scheepsroeper: “Hei!” + +</p> +<p>Tom zag op en Barend wenkte hem, dat hij terug zou komen. + +</p> +<p>Maar dat terugkomen was gauwer gezegd dan gedaan. Er ging een sterke stroom en eer Tom er op verdacht was, daar ging hij. + +</p> +<p>“Help! Help!” schreeuwde hij. + +</p> +<p>“Heb ik het niet gezegd?” riep Barend, “dat geeft vanavond nog een bad!” en zoo als hij dat gezegd had, liep hij langs den +kortsten weg dwars door het water heen. + +</p> +<p>Tom dreef met den stroom al verder af en, <a id="d0e387"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e387">25</a>]</span>was meester Barend niet een baas in het zwemmen geweest, dan had Tom zijn onderneming om het drijvende scheepje weer terug +te krijgen, met den dood moeten bekoopen. + +</p> +<p>Onderwijl mijn oude kameraad zich met het redden van den onvoorzichtigen Tom bezighield, had ik Jan op het droge gebracht, +en daar ik wel kans zag het scheepje nog te krijgen, ging ik opnieuw te water, om van mijn zijde ook wat te doen. + +</p> +<p>Barend kwam op hetzelfde oogenblik met Tom aan wal, als ik met het scheepje, maar ik zou liever het scheepje dan Tom geweest +zijn; want die kreeg van Barend een ongemakkelijk pak voor de natte broek. Dat deed hij nu niet om den armen jongen te straffen, +maar alleen om den schrik er uit te slaan. + +</p> +<p>Wij zagen er met ons viertjes keurig mooi uit. We waren heelemaal nat en, al was het nu ook al in Juni, toch kan ik niet zeggen, +dat zulk een nat pak zoo heel plezierig en verkwikkend was. We beefden van koude, en toen wij ’s avonds in kooi lagen, konden +we er ons nog maar niet diep genoeg in rollen om toch maar warm te worden. +<a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">26</a>]</span></p> +<p>Een paar dagen later liepen meester Barend en ik eens langs den Nieuwendijk te wandelen toen er een metselaar op ons afkwam. + +</p> +<p>“Meester Barend,” zei hij, “ik bedank u wel voor het redden van mijn jongen, hoor! Hij was er bijna geweest!” + +</p> +<p>“Ja,” antwoordde Barend, “hij zal nu vooreerst wel geen scheepjes meer laten varen; hij zal er wel schrik van gezet hebben!” + +</p> +<p>“Schrik van gezet hebben? Schrik van gezet hebben?” riep de man. “Lieve schepsel, dat lijkt er niet naar. Hebben die kwajongens +vanmiddag het alweer niet gedaan? Ik kan hen maar niet van het water houden; zóó ben ik de deur uit en zijn zij de straat +op, of, jawel, op het Hoofd, op het Rondeel, op het Dok, op de Kaai, nu hier, dan daar, maar altijd om of bij het water!” + +</p> +<p>“Dan zullen ze zeeman moeten worden, vriend!” zei Barend. + +</p> +<p>“Ja, dat roepen ze allebei. Als ik vraag: Tom, wat moet je worden? dan is het: Naar zee, vader! en doe ik diezelfde vraag +aan Jan, dan is het: Naar zee, vader!” + +</p> +<p>“Wel, stuur ze dan naar het wachtschip, vriend!” + +</p> +<p>“Naar het wachtschip? Wel, voor geen nog <a id="d0e412"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e412">27</a>]</span>zooveel! Ze kunnen worden wat ze willen, als ze maar aan den wal blijven! Want, een zeemansleven, geen leven!” + +</p> +<p>“Zeker om daar ’s winters gebrek te lijden, hé?” zei Barend, die wat boos werd. “Je hebt gelijk, man, groot gelijk! Als ik +jou was, dan liet ik ze metselaar worden en anders aschman of zoo iets! Dan heb je altijd volop werk, je verdient veel geld, +en eten, drinken, vuur, licht, kleeren en al wat je maar wilt, heb je volop. Ik zeg ook: een zeemansleven, geen leven!” + +</p> +<p>“Neen, meester Barend, niet omdat jelui geen eten of drinken of goede kleeren hebt, daarom niet; maar,—maar,—och, ik zal het +u maar zeggen: ik ben bang, dat er van die twee aan boord niet veel goeds groeit. Als al het zeevolk was, zooals meester Barend +en hier de deze,”—hij wees op mij,—“dan zou ik zeggen: Ga naar zee, jongens, en je zult wat worden. Maar nu,—neen, mijn vrouw +zou het ook niet willen hebben!” + +</p> +<p>Toen de arme metselaar dat gezegd had, stond meester Barend een poosje in gedachten. Eindelijk zei hij: “En als ik nu eens +aan onzen kommandant vroeg of de jongens bij ons aan boord mochten <a id="d0e420"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e420">28</a>]</span>komen, dan zouden mijn jonge vriend George en ik een oogje op die twee houden en, misschien, misschien, dat er een paar ferme +zeelui uit je jongens groeiden! Wil je hebben, dat ik het vraag?” + +</p> +<p>De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: “Als u dat doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!” + +</p> +<p>Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, +maar daar ze een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen +wat niet onplezierig was. + +</p> +<p>Op den 31<sup>sten</sup> Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water +als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen +tegen de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten. + +</p> +<p>We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed; zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk +niemendal te doen. + +</p> +<p>Maar spoedig kwam er een vijand, op wien <a id="d0e435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e435">29</a>]</span>we niet gerekend hadden en waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen zulk een vijand helpen geen +kanonnen of scherpe sabels. De eerste, die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij vreeselijk ziek +en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij hem +te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens aan stierf! Ik was toch nog zoo jong! + +</p> +<p>Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven +konden. Ze hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als een vader gezorgd. + +</p> +<p>“Tom,” zei de dokter eens, “Tom, weet je wel, dat de gele koorts een besmettelijke ziekte is, hé?” + +</p> +<p>Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had. + +</p> +<p>“Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan verzorgen! Waag je leven niet, hé!” + +</p> +<p>“Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en gezorgd, dat mijn broertje <a id="d0e447"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e447">30</a>]</span>en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden hem toch liever oppassen!” + +</p> +<p>“Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het mij onverschillig, hé!” + +</p> +<p>Onder ons, we noemden den dokter altijd “meneertje Hé,” omdat hij, als hij wat zei, altijd eindigde met “hé!”—Toen dan “meneertje +Hé” bij den kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze: “Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar +kunnen zijn en het zou jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!” + +</p> +<p>De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, +dat een moeder niet beter op haar kind kon passen. + +</p> +<p>Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde. + +</p> +<p>Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds +waren verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die +nog ongesteld waren, <a id="d0e459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e459">31</a>]</span>aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige +spijt en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in het gezicht zou zijn. + +</p> +<p>“Wel, Tom,” zei ik op zekeren dag, “zie je niets?” + +</p> +<p>“Ja,” was het antwoord, “ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen wat het is!” Opeens echter kwam de kommandant op het +voorschip loopen en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat Tom zag, was geen schip, geen bergtop, +geen eiland, het was een wolk, die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen; het werd bladstil. De wimpel +zakte neer en de zeilen hingen slap tegen het want. + +</p> +<p>“Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze zee zegt zoo iets!” riep meester Barend. + +</p> +<p>Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die storm nu komen moest. + +</p> +<p>“Bravo!” riep nu de kommandant, “dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te +bieden!” + +</p> +<p>Intusschen was in minder dan tien minuten <a id="d0e473"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e473">32</a>]</span>tijds de heele westelijke hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart +als leien, en onderwijl we er zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden wat los stond, hoorden +wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed. + +</p> +<p>Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof +de zon zooeven was ondergegaan. + +</p> +<p>Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; +want zelfs in het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, +dat er wat komen zou en de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: “Komt het nog niet?” + +</p> +<p>Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat er uit alle monden een: “Hè!” klonk en de slag, die er op volgde, +geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog sterker! Dit was het begin <a id="d0e481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e481">33</a>]</span>van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal waar meester +Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd langs +den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan.... + +</p> +<p>“Hij komt, jongens, hij komt!” riep hij onverwachts. + +</p> +<p>“Wie, meester Barend, wie komt er?” vroegen wij alle drie te gelijk. + +</p> +<p>“De orkaan, kinderen, de orkaan!” was zijn antwoord, en pas had hij dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog +zich even, de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen, de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, +de wimpel fladderde rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en... + +</p> +<p>Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden +we op; de eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester Barend uitschreeuwde: “Man over boord!” + +</p> +<p>“Man over boord!” riep men aan alle kanten. +<a id="d0e493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e493">34</a>]</span></p> +<p>Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk +bij meester Barend aankwam en hem vroeg: “Wie is er over boord geslagen?” wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich +aan meester Barend vastklemde en uitriep: “Jan, meester Barend, red Jan toch! Jan! Jan!” + +</p> +<p>Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, +dan in een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof +het met een scherp mes doormidden gesneden werd. + +</p> +<p>Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast +en de fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven; de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren +op zijde geschoven; stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en nog veel meer, lagen overal langs +het dek verspreid, en nog was er geen kijk op om een en ander te herstellen; want <a id="d0e500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e500">35</a>]</span>al was de orkaan voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede te worstelen, en eerst den derden dag kwam +het weer tot zichzelf, en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao konden voortzetten, ja of neen. +Maar daar was geen denken aan. Alles was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met ons ontredderd schip +het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel moeite mocht ons dat gelukken. + +</p> +<p>Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat +waren we; maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, +die de grootste grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht. + +</p> +<p>“Tom,” zei ik, “je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!” + +</p> +<p>“Zeg, George,” antwoordde hij, “heb je ooit een broer verloren, en dat nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, +als ik thuis kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!” +<a id="d0e508"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e508">36</a>]</span></p> +<p>Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. +Tom zou van verdriet sterven, of.... + +</p> +<p>“Zoo,” zei de stuurman, “die Deensche bark ziet er ook lief uit; die heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar +wat weerga, wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!” + +</p> +<p>Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin +vier mannen klommen, die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.—Ze legden het voorzichtig neer, namen de riemen op +en roeiden naar ons schip. + +</p> +<p>Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. +Hieraan werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons.... + +</p> +<p>Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p02.jpg" alt="Naar Zee!"></p> +<p class="figureHead">Naar Zee!</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Jan was weer bij ons aan boord. Wel was <a id="d0e526"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e526">38</a>]</span>hij zwaar gekwetst en had hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet herstellen zou. + +</p> +<p>Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was, dat ze dien knaap hadden kunnen redden. + +</p> +<p>Toen vertelde de man dit: + +</p> +<p>“Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. +De golf sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk +in ons want verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem er uit en dachten eerst dat hij dood was, +maar onze scheepsdokter onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken, zijn rechterarm gekneusd en over heel +zijn lichaam had hij bulten en schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen wij hem van welk schip +hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman, Spanjaard of +Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: <a id="d0e534"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e534">39</a>]</span>‘Drinken, drinken!’ Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het +Nederlandsche oorlogsschip <i>De Windhond</i> diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was, namen we het besluit hem hier aan boord te brengen.” + +</p> +<p>“En daar heb jelui goed aan gedaan,” antwoordde de kommandant en gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun +vaartuig terugroeiden. + +</p> +<p>Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen +van allen als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste. + +</p> +<p>En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je +dan vraagt: “Van wie is deze werf?” dan zullen de werklieden je zeggen: “Ze is van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten +Thomas en Jan Epelaere. En goed,—er leven er geen beter op de wereld.—Ze hebben vroeger ter zee gevaren, maar....” + +</p> +<p>Verder behoeven we niets meer te hooren; je weet de rest!” + +</p> +<p>Dit was de eerste vertelling van Jan met de Pijp. + + + +<a id="d0e549"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e549">40</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e550"></a></p> +<h2>De Weg naar de Gevangenis.</h2> +<p>“Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!” zoo riep +op zekeren Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer Van Laeken achter in den tuin kwam, waar +reeds het geheele gezelschap vergaderd was. + +</p> +<p>“Wie, Herman? Wie?” vroegen terstond eenige meisjes en jongens. + +</p> +<p>“Wel, Govert de Plinte!” + +</p> +<p>“O die!” riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: “is het anders niet?” + +</p> +<p>“En wie is die Govert de Plinte, Herman?” vroeg mijnheer Van Laeken. + +</p> +<p>“Dat is....” riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan, legde de oude heer <a id="d0e565"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e565">41</a>]</span>met een: “Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar niet samen praten,—ik vraag het aan Herman,” dien driftigen mondjes het zwijgen +op. + +</p> +<p>“Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel een half uur van hier midden in het land woont. Op school was +hij zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis, dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben +wilde. O, meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met +kleurkrijt gestolen, dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den lessenaar gezet en het vergeten +mede te nemen toen ik naar huis ging!” + +</p> +<p>“Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid,” riep Jan van den timmerman. + +</p> +<p>“En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!” zei +een ander en een derde voegde er bij: “Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi Faber-potlood gekaapt!” + +</p> +<p>Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: “Stop maar, +ik weet <a id="d0e575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e575">42</a>]</span>genoeg van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis +gebracht is. Van zulk een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een paar deugnieten te vertellen, waarmee +het niet veel beter afgeloopen is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen. + +</p> +<p>Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor +mij een school gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat ook veel geld, dat had vader er wel voor +over; want hij zei altijd: “een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak met geld. Geld kunnen ze +een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd zit, daar moeten ze afblijven!” + +</p> +<p>Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. +Nu spreekt het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat +wel moest. Geheele dagen was hij soms van huis en daar hij veel van zijn <a id="d0e581"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e581">43</a>]</span>kinderen hield, gaf hij om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis was. En Henri en Jacques,—zoo +heetten de jongens,—waren slim. Ze wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja, ze wisten zich zóó +mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls klachten over +de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde, dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei: “Ze +schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik +die lui wel eens terechtzetten.” + +</p> +<p>Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was. + +</p> +<p>Hoe ze zich bedrogen! + +</p> +<p>Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde, zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was +in een krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer beter zou worden. + +</p> +<p>Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was, en door haar neef al <a id="d0e591"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e591">44</a>]</span>eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou moeten, als ze weer over zijn “arme, lieve kinderen” klagen kwam, had ze besloten +te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde. + +</p> +<p>Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het +die oude vrouw niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten +en goeden ouden dag te hebben. + +</p> +<p>En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. +Gelukkig was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats +van te slapen. En dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven, dan moet hij ’s nachts slapen en geen +andere dingen doen. + +</p> +<p>Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin, die ongehuwd was en een goede school had. + +</p> +<p>“Weet je wat,” zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten, den schrijnwerker, <a id="d0e601"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e601">45</a>]</span>die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de broers klagen kwam, “weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede school! +De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van +mijn school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet beterden. Daarom vraag ik je op den man af: <span class="corr" title="Bron: “"></span>Wil je je jongens nu straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?” + +</p> +<p>“Neen,” sprak baas Daelhouten kortaf, “neen, ik straf mijn kinderen niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van +al wat er leelijks gebeurt de schuld geeft.” + +</p> +<p>“Zooals je wilt!” antwoordde monsieur Levin, “zooals je wilt; maar dan heb ik je ook wat te zeggen!” + +</p> +<p>“En dat is?” vroeg baas Daelhouten. + +</p> +<p>“Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen, want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!” + +</p> +<p>Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: “Och wat, dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! +Als hij zoo <a id="d0e615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e615">46</a>]</span>met alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij leven moet! Morgen stuur ik ze toch!” + +</p> +<p>Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur +Levin had liever armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen morgen Henri en Jacques stilletjes naar +hun plaats gegaan waren, riep monsieur hen voor de klasse en zei: “Hoor eens, jongeheertjes, je vader schijnt niet begrepen +te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!” + +</p> +<p>In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven, dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die +een groot huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en +toen Henri en Jacques thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had, lachte de vader en zei: “Gelukkig, +dat er meer scholen zijn en ook nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan die verwaande <a id="d0e621"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e621">47</a>]</span>Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!” + +</p> +<p>Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek +was, dat hij doof was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet, dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht +spraken en dan gaf hij ons wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden. + +</p> +<p>Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons +binnen. + +</p> +<p>“Goeden morgen, monsieur Gozewinus,” zei hij met een beweging of keizer Napoleon zijn adjudant was, “goeden morgen, monsieur +Gozewinus! Hier heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin, maar die man had me te veel noten op zijn +zang en hij had het altijd op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel niet, of u zult er anders +over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons brave en vlugge jongens zijn!” + +</p> +<p>Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden prijzen, keken <a id="d0e631"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e631">48</a>]</span>we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach, toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en Henri, +de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een schop van zijn broer kreeg. + +</p> +<p>Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij +hen zou zetten, viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf ik hem de grootste plaats en zei, dat, +als hij geen grift of pen had, hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en dat ik koopman wilde worden. +Ik vroeg hem of hij ’s middags tusschen schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij ’s avonds bij me kwam spelen. Op +alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me vertelde, dat ik ’s avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude tante +dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat +was ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik ’s avonds thuis kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten +en ’s nachts droomde ik, dat ik boven <a id="d0e635"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e635">49</a>]</span>in het pakhuis van zijn vader uit een stuk mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden. + +</p> +<p>Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde, maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude +tante en nog zoo vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk gelachen zou hebben. + +</p> +<p>Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde. + +</p> +<p>“Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof is,” zei Jacques stilletjes tegen me.—Met die vlasschuit +bedoelde hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan een gewone menschenneus uitgevallen was. + +</p> +<p>Ik knikte van ja. + +</p> +<p>“Dan zullen we een grap hebben,” zei hij. + +</p> +<p>“Zeg eens, jongeheer Daelhouten,” riep monsieur, “noem de eilanden eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen.” + +</p> +<p>En daar begon hij: “Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood, Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!” + +</p> +<p>Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en <a id="d0e653"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e653">50</a>]</span>daarom schoten wij allen in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had, dat hij ze niet goed had opgenoemd +en zei: “Als ik je wel verstaan heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb je gevraagd naar de eilanden +boven Duitschland en Nederland, waarvan de meeste boven de Zuiderzee liggen.” + +</p> +<p>“O, meent u die!” riep Jacques met het brutaalste gezicht van de wereld, “jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney, +Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, Texel!” + +</p> +<p>“Best, jongen, best! Dat gaat goed!” zei monsieur en vervolgde: “En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!” + +</p> +<p>“Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland,” fluisterde Jacques, terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de +jongen, die aan den anderen kant zat, het best hooren konden. + +</p> +<p>Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en +mochten geen beurt meer hebben. + +</p> +<p>Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: “Dat is jouw schuld, dat wij een slechte aanteekening <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">51</a>]</span>gekregen hebben. Als je dat nog eens doet zal ik de waarheid zeggen en....” + +</p> +<p>“Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!” zei Jacques. “Ik bedank voor zoo’n vriendschap!” + +</p> +<p>Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon +ik zulke zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: “Zeg, kom je straks bij ons spelen?” + +</p> +<p>Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden. + +</p> +<p>“Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade +geven!” + +</p> +<p>“Dat zal prettig zijn,” zei ik. + +</p> +<p>“Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!” + +</p> +<p>“Geld? Ik heb geen geld!” + +</p> +<p>“Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen, anders kan je wel wegblijven!” Nadat hij dit gezegd had ging +hij heen. + +</p> +<p>Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf was er baas over. <a id="d0e685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e685">52</a>]</span>Iedere week kreeg ik er van vader een schelling in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch woordenboek. +Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar boven +ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven +moest gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide +hem uit het raam en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart. + +</p> +<p>Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, +dat ik iets gedaan had dat niet goed was. + +</p> +<p>“Wat ben je toch een domme jongen, George,” zei ik tot mijzelf. “Als vader vraagt: ‘Waar is de spaarpot?’ dan ga ik hem zoogenaamd +halen; ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!” + +</p> +<p>Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor het huis van den schrijnwerker. <a id="d0e693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e693">53</a>]</span>Jacques stond me al op te wachten en het eerste wat hij vroeg, was: “Wel, heb je geld?” + +</p> +<p>Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik +twee schellingen en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad +had, had ik er weer alles in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan kunnen dienen om nog eens te +gaan dobbelen,—ja, wat nu? + +</p> +<p>Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. +Er was geen haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles hetzelfde behalve dat er geen groote G op +stond. + +</p> +<p>Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste +letters van onzen voornaam gesneden. + +</p> +<p>Goede raad was duur; wat zou ik doen? + +</p> +<p>Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot te koopen. + +</p> +<p>Zonder te vragen: “Hoeveel kost die spaarpot?” <a id="d0e707"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e707">54</a>]</span>zei ik: “Och, geef mij dien spaarpot eens!” + +</p> +<p>“Asjeblief,” zei de winkelier, zette er een op de toonbank en vervolgde: “veertien stuivers!” + +</p> +<p>Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus +drie schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. +Ik meende voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, +ik had daarenboven nog twee stuivers minder dan toen ik heenging. + +</p> +<p>Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies +eender van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even +groot geweest. + +</p> +<p>Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar. + +</p> +<p>Als ik er nu maar die G op krijgen kon. + +</p> +<p>Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een lade. Als moeder maar eens wegging! +<a id="d0e721"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e721">55</a>]</span></p> +<p>Klingeling—-klingeling! + +</p> +<p>Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer. + +</p> +<p>Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders pennemes naar boven. + +</p> +<p>Nu aan het snijden. + +</p> +<p>Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep me langs het voorhoofd. + +</p> +<p>Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader, maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield, +dan kon ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den spaarpot van Mina en daar stond een <img border="0" src="images/script-m.gif" alt="M"> op. + +</p> +<p>Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al zijn leven! Daarop stond een <img border="0" src="images/script-k.gif" alt="K">. + +</p> +<p>Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een +<img border="0" src="images/script-g.gif" alt="G"> zijn. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p03.jpg" alt="De Weg naar de Gevangenis."></p> +<p class="figureHead">De Weg naar de Gevangenis.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een <img border="0" src="images/script-g.gif" alt="G"> te maken. Had ik die G maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een <i>G</i> en nu zat ik met dien <a id="d0e764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e764">57</a>]</span>leelijken, langen staart. In vrede, dan maar een héél groote <img border="0" src="images/script-g.gif" alt="G">. Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had; want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes. + +</p> +<p>Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik? + +</p> +<p>“Wat voer je toch daar boven uit, George?” vroeg moeder. + +</p> +<p>“Ik leer mijn les, moeder,” riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die leugen tot achter de ooren rood werd. + +</p> +<p>“Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens naar den kruidenier om rijst, gauw!” + +</p> +<p>Alle ongelukken opeens! + +</p> +<p>In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op, zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken +pennemes in den zak en ging naar beneden. + +</p> +<p>“Een pond,” zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef staan, zei ze: “Nu, waar wacht je op?” + +</p> +<p>“Op een flesch, moeder!” + +</p> +<p>“Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een flesch gehaald?” + +</p> +<p>“O ja,” zei ik, “het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het hoekje, hé?” +<a id="d0e790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e790">58</a>]</span></p> +<p>Wierhoeve was een smid, moet je weten. + +</p> +<p>“Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den smid halen!—Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad +gedaan?” + +</p> +<p>Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg: “Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!” + +</p> +<p>“Goed, ga dan maar heen!” zei ze. + +</p> +<p>Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon +te vragen. + +</p> +<p>Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van +in. De letters dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo fel te kloppen, dat ik er raar van werd. + +</p> +<p>Als hij zijn pennemes maar niet noodig had. + +</p> +<p>“Vader,” zei moeder, toen ze in de kamer kwam, “ik moet je eens wat zeggen. Kom eens even hier!” + +</p> +<p>Vader stond op en ging met moeder in de gang. + +</p> +<p>Ik voelde dat ze het daar achter de deur <a id="d0e811"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e811">59</a>]</span>over mij hadden en ik begon nog akeliger te worden. + +</p> +<p>Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik +die boterhammen binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote brokken in mijn keel bleven zitten. + +</p> +<p>Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan. + +</p> +<p>“Je moet eens even blijven zitten, George!” zei vader. + +</p> +<p>Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te schreien. + +</p> +<p>“Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel eens eerlijk, wat is er gebeurd?” vroeg vader en zette +den spaarpot op de tafel. + +</p> +<p>Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was. + +</p> +<p>Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen, toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig +te snikken en greep vaders hand. + +</p> +<p>“Je zult je ziek maken, George,” sprak vader. <a id="d0e829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e829">60</a>]</span>“Vertel maar eerlijk wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de twaalf schellingen gebleven zijn! +Je ziet, ik weet al veel!” + +</p> +<p>Ja, vader wist veel en daarom—neen, liegen kon ik niet, ik vertelde hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee +en dertig duiten op de tafel. + +</p> +<p>“Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis +of bij monsieur Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend Jacques! Die jongen zal een kerel van +je maken! Nacht, George!” + +</p> +<p>Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig. + +</p> +<p>Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden, als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden +vader gedankt, als op dien avond. + +</p> +<p>Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, +dat ik niemendal met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor den neus, zoodat deze begon te bloeden. +<a id="d0e841"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e841">61</a>]</span></p> +<p>Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, +dat ik daardoor op het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles. + +</p> +<p>“Kom eens hier, Jacques!” beval monsieur. + +</p> +<p>“Blijven zitten, Jacques!” riep Henri uit de andere klasse zijn broer toe en deze verroerde zich niet. + +</p> +<p>“Kom eens hier, Jacques!” beval monsieur nogmaals. + +</p> +<p>“Niet doen, hoor!” riep Henri weer en Jacques deed het ook niet. + +</p> +<p>Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, +en monsieur brutaal aanziende, schreeuwde hij: “Blijf af!” + +</p> +<p>Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven. + +</p> +<p>Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, +zoo waar, de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, +waarover we verbaasd stonden, <a id="d0e858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e858">62</a>]</span>pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende kinderen, +in een hoekje bij den schoorsteen. + +</p> +<p>“Vanmiddag blijven zitten, kwajongens,” zei hij en begon toen weer aan het werk, alsof er niets gebeurd was. + +</p> +<p>Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht +had. Van dien dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem, als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem +nog even lief als vroeger. + +</p> +<p>Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens staan zonder iets anders te zeggen dan: “Over een half +uur kom ik terug en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!” + +</p> +<p>Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, +neen, dat had hij niet vermoed. + +</p> +<p>Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te +komen? +<a id="d0e870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e870">63</a>]</span></p> +<p>“Wacht,” zei Henri, “hier achter deze heining maar!” + +</p> +<p>Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil. + +</p> +<p>Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in +het sleutelgat en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit te barsten. Daar ging de deur open en, snel +als de wind liep Henri er heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur Gozewinus zat gevangen. + +</p> +<p>“Wie brutaal is, wint de halve wereld,” zei Henri en nam Jacques mee naar de achterdeur van monsieurs tuin. + +</p> +<p>“Wat moet jelui?” vroeg de meid. + +</p> +<p>“Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!” + +</p> +<p>De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open. + +</p> +<p>We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg afgetrokken. + +</p> +<p>De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet. +<a id="d0e889"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e889">64</a>]</span></p> +<p>“Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?” vroeg ik. + +</p> +<p>“Den weg op naar de gevangenis, mannetje,” was het antwoord, dat ik niet begreep. + +</p> +<p>Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, +als monsieur zelf het zei. + +</p> +<p>“Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?” fluisterde een jongen me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van +monsieur om vreemd op te zien. + +</p> +<p>“Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en Jacques in de gevangenis zijn?” + +</p> +<p>“Uzelf monsieur!” antwoordde ik. + +</p> +<p>“Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als +ze zoo voortgaan, dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren, dat ze nog in de gevangenis kwamen +ook!” + +</p> +<p>Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; +ik was <a id="d0e906"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e906">65</a>]</span>nog niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was. + +</p> +<p>Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op school gebeurd was. + +</p> +<p>“Zoo,” zei vader, “dat jongetje zal het ver brengen!” + +</p> +<p>“Jawel, vader, maar er zijn er twee!” + +</p> +<p>“Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!” + +</p> +<p>“Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!” + +</p> +<p>“Ik hoop het, jongen, ik hoop het!” + +</p> +<p>Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne lesje genoeg. + +</p> +<p>En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme +moeder vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis gestorven. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter +zei: “Maar, meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet veel beter en misschien <a id="d0e928"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e928">66</a>]</span>nog wel erger afgeloopen is dan met Govert de Plinte!” + +</p> +<p>“Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?” + +</p> +<p>“Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen als met die twee.” + +</p> +<p>“Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje +kan er nog mee door, maar herinner je altijd het versje: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Och, bedenk het, jongensstreken +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Worden licht’lijk mansgebreken.”</span></p> +</div> +</div><a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">67</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e942"></a></p> +<h2>Hoe Frans door de Wereld kwam.</h2> +<p>“Frans, Frans!” + +</p> +<p>“Ja, moeder, ik kom!” + +</p> +<p>Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden. + +</p> +<p>Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk +niet. Het was een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het was zeer laag van verdieping en in een +hoek stonden stoelen en tafels, stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door elkander. De roode steenen +vloer geleek veel op een modderzee, te midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in de andere hand en +een emmer water aan de voeten. +<a id="d0e953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e953">68</a>]</span></p> +<p>Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat tegen den Zondag haar huisje schoon was. + +</p> +<p>Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden +niet meedeed, maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren +mochten lap op lap staan, zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op nahield, dat kon men Frans best +aanzien; want zijn haren zaten netjes en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met plezier naar keek. + +</p> +<p>Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei: “Wat is het, moeder?” + +</p> +<p>“Buurman is zooeven aan de deur geweest!” + +</p> +<p>“Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren neus?” + +</p> +<p>“Ja, Frans!” + +</p> +<p>“En wat moest die hebben, moeder?” + +</p> +<p>“Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!” + +</p> +<p>“Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in.” + +</p> +<p>“Kom, kom, jongen, het is of je bang voor <a id="d0e974"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e974">69</a>]</span>den nieuwen buurman bent! Dat is toch niet zoo?” + +</p> +<p>“Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond en die heeft me gezegd, dat hij zoo’n akelige vent is, +die altijd maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?” + +</p> +<p>“Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als +je me plezier wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch maar leelijke dingen van hem!” + +</p> +<p>“Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De +heele buurt noemde hem ‘den Beer.’<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>“Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je buurman niet anders noemt dan ‘meneer Moerdijk’, begrepen?” + +</p> +<p>“Ja, moeder!” + +</p> +<p>“Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!” + +</p> +<p>Frans beloofde dit en ging. + +</p> +<p>Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand door de gang aankomen. <a id="d0e995"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e995">70</a>]</span>De deur ging open en een oude vrouw met een vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde. + +</p> +<p>“Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde doen, juffrouw!” + +</p> +<p>“O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!” + +</p> +<p>“Ja, juffrouw!” + +</p> +<p>“Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen, dat je er bent! Voeten vegen, hoor!” + +</p> +<p>Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer, en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te +zien hoe kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal, dat het vrouwtje gezegd had: “Voeten vegen, +hoor!” Maar lang tijd had Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open en zei: “Meneer, hier is het +jongetje van hiernaast!” + +</p> +<p>“Goed,” klonk het, “laat den slungel maar achter komen!” + +</p> +<p>“Zie je,” dacht Frans, “dat die vent wel verdient Beer genoemd te worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. +Als hijzelf maar geen slungel is!” +<a id="d0e1011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1011">71</a>]</span></p> +<p>Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan de deur. + +</p> +<p>“Binnen!” riep een barre stem. + +</p> +<p>Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag +Frans niet. Hij zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat. + +</p> +<p>Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd +boven een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon, van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde +zak om de magere leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels. + +</p> +<p>“Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?” zei hij en sloeg zijn donkerzwarte oogen op Frans. + +</p> +<p>“Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?” vroeg deze. + +</p> +<p>“Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan +eens netjes op alles, wat ik je vraag!” + +</p> +<p>Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra <a id="d0e1028"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1028">72</a>]</span>bij den ouden heer aan tafel, en toen had het volgende gesprek plaats. + +</p> +<p>“Hoe heet je, jongen?” + +</p> +<p>“Ik heet Frans Jacobsen, meneer!” + +</p> +<p>“Zoo, en wat is je vader?” + +</p> +<p>“Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!” + +</p> +<p>“Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?” + +</p> +<p>“Ja, meneer, hij moest ’s nachts op den toren zijn, en als het heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een +klarinet ‘Wilhelmus’ blazen!<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>De oude heer glimlachte en zei: “O zoo, hij was dus torenwachter? En wat is hij nu?” + +</p> +<p>“Hij is al vier jaar dood, meneer!” + +</p> +<p>“Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?” + +</p> +<p>“Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!” + +</p> +<p>“Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga je school?” + +</p> +<p>“Ik ga niet school, meneer!” + +</p> +<p>“Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan al goed lezen, rekenen en schrijven?” +<a id="d0e1059"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1059">73</a>]</span></p> +<p>“Ik heb nooit school gegaan, meneer!” + +</p> +<p>“Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?” + +</p> +<p>“Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!” + +</p> +<p>“Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!” + +</p> +<p>“Jawel, meneer, maar....” + +</p> +<p>“Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar +straks toch zoo op te zagen?” + +</p> +<p>“Ik, meneer?” + +</p> +<p>“Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat +was zóó mooi, dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon te mauwen!” + +</p> +<p>“O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool van grootvader!” + +</p> +<p>“Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?” + +</p> +<p>“Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!” + +</p> +<p>“Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?” + +</p> +<p>“Jawel, meneer!” +<a id="d0e1086"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1086">74</a>]</span></p> +<p>Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, +dat het een kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen +te gelijk aan. + +</p> +<p>Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel +niet zeggen en zweeg dus. + +</p> +<p>“Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!” + +</p> +<p>“Het is leelijk, meneer!” antwoordde Frans. + +</p> +<p>De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar toen hij nu weer vroeg: “Is dat mooi of leelijk?” riep Frans: +“Dat is mooi, meneer!” + +</p> +<p>Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans +de tranen in de oogen sprongen. + +</p> +<p>“Wel?” vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen. + +</p> +<p>“Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!” riep Frans. +<a id="d0e1103"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1103">75</a>]</span></p> +<p>Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: “Mooi, zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt +gehuild. Goed, goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap +voor me doen in de Zilverstraat!” + +</p> +<p>Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: “Als hij een goed +gehoor heeft, dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!” + +</p> +<p>En wat wilde hij nu doen? + +</p> +<p>Dat zullen we zien. + +</p> +<p>De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer Moerdijk een paar uren werken; want “Aaltje, de meid +wordt wat oud,” had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij al elf jaar oud was en nog bij kinderen van +vijf jaar moest zitten om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen, en hij beet er zóó goed doorheen, +dat hij twee jaar later al in de hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als hij thuis was, hielp mijnheer +<a id="d0e1114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1114">76</a>]</span>Moerdijk hem altijd aan zijn lessen, zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was. + +</p> +<p>Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen. + +</p> +<p>Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: “Hoor eens, Frans, ik hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je +daar niet meer aan?” + +</p> +<p>“Ik heb geen tijd, meneer,” antwoordde Frans. + +</p> +<p>“Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht, wat je worden moet?” + +</p> +<p>“Neen, meneer!” + +</p> +<p>“Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?” + +</p> +<p>Frans’ oogen schitterden, en zijn “ja, meneer!” kwam er zóó blij uit, dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij +wel meende, wat hij zei. + +</p> +<p>“Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen met de noten te leeren!” + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p04.jpg" alt="Hoe Frans door de Wereld kwam."></p> +<p class="figureHead">Hoe Frans door de Wereld kwam.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?” +<a id="d0e1139"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1139">78</a>]</span></p> +<p>“Dat komt er op aan wat het is, manneke!” + +</p> +<p>“Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd, als u niet thuis was!” + +</p> +<p>“Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!” + +</p> +<p>De oude man bracht Frans voor de piano en zei: “Speel!” + +</p> +<p>“Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?” + +</p> +<p>“Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen hebben?” + +</p> +<p>“Dat dikke, meneer!” + +</p> +<p>Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd +de bladen omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van wist, had hij altijd bij het einde van ieder +blad gezegd: “Keer om!” + +</p> +<p>Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. +Op het laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje rukte en uitriep: “Van wien heb je dat zoo geleerd, +jongen?” +<a id="d0e1158"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1158">79</a>]</span></p> +<p>“Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb +ik alles onthouden en....” + +</p> +<p>“Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is onbegrijpelijk!” En hierop liep hij de kamer eenige malen +rond, telkens uitroepende: “Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!” + +</p> +<p>Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij zeggen zou. + +</p> +<p>“Weet je wat, jongen, wacht hier even!” zei mijnheer en verdween in een zijkamer. + +</p> +<p>Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: “Ga +mee, Frans!” en deze volgde gewillig. + +</p> +<p>Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op een pleintje voor een groot gebouw stilstonden. + +</p> +<p>“Wat staat daar boven de deur?” vroeg mijnheer Moerdijk en wees met zijn stok naar het gebouw. + +</p> +<p>“Muziekschool, meneer!” was het antwoord. + +</p> +<p>“Precies! Nu, hier moeten we zijn!” hervatte de oude heer en schelde aan. +<a id="d0e1177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1177">80</a>]</span></p> +<p>Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje, waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden +baard en knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde. + +</p> +<p>Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat +wel een half uur duurde. + +</p> +<p>Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde +meneer: “Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de +wereld. Zoodra ik merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit, kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus +de boodschap, begrepen? En nu, morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje hiernaast zal openstaan, +en je zult er wel meer jongens binnen zien gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!” + +</p> +<p>Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter beiden dicht. + +</p> +<p>Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo <a id="d0e1188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1188">81</a>]</span>al dag aan dag met Frans voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen, dat de blonde heer Frans niet +behoefde weg te zenden. De arme knaap werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen. + +</p> +<p>Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde +hem dat erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, +neen, dat niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam +hij het besluit, ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde. + +</p> +<p>Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat +deze toch al zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen +zou, toen hij op zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker tegenkwam, die hem vroeg: “Garçon, jij +mij kan zek, waar woont die monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!” +<a id="d0e1194"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1194">82</a>]</span></p> +<p>Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier tijd had, en daarom zei hij: “Ga maar mee, meneer, ik +zal u er brengen!” + +</p> +<p>Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij +niet meer van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. +Frans vond dat ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, +dan zou hij ... ja, als dat eens kon ... dan ... + +</p> +<p>Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. +Reeds had de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg aan te schellen toen Frans zich omkeerde en +zei: “Meneer!” + +</p> +<p>“Eh, watte?” + +</p> +<p>Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans +’s avonds bij hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond werd er tusschen die <a id="d0e1205"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1205">83</a>]</span>twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden. + +</p> +<p>Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren wil en den wil heeft, die komt er wel. + +</p> +<p>Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en +al haperde er hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil kan men bergen verzetten. Dat ondervonden +deze twee ook. + +</p> +<p>Den 13<sup>den</sup> Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? +Ik zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd +op, toen Frans hem zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was, met hem Fransch begon te spreken! De +tranen kwamen hem in de oogen en de goedige oude legde zijn hand op Frans’ hoofd en zei: “Je bent een flinke jongen! Je moeder +kan plezier aan je beleven!” + +</p> +<p>En werd dit woord bewaarheid? + +</p> +<p>Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde man erbarmelijk op <a id="d0e1220"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1220">84</a>]</span>een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren, liet duidelijk +zien, wat hij aan de menschen vroeg. + +</p> +<p>Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets +meer te verdienen dan een stukje droog brood. + +</p> +<p>Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met een dame voorbij. + +</p> +<p>“Och,” zei de dame, “kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe, geef hem wat!” + +</p> +<p>De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld. + +</p> +<p>“Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!” zei de +heer. + +</p> +<p>“O, als u ook spelen kunt, graag!” was het antwoord en de viool ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den +rijken heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars, en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer +voorbijging zonder te blijven staan luisteren. + +</p> +<p>Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, <a id="d0e1236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1236">85</a>]</span>maar dezen heer kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar zoo stond te spelen. + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: “"></span>Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het nog nooit gehoord en.... klink-klank,—klink-klank—het goud- +en zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk en te schreien van blijdschap. + +</p> +<p>Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en zeide: “Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je +nu maar thuis brengen, vriend!” + +</p> +<p>“O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent....” + +</p> +<p>“Ssst!” zei de heer en verwijderde zich snel met de dame. + +</p> +<p>En weet je wat de dame zei? + +</p> +<p>Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem: “Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank +je ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal je zegenen!” + +</p> +<p>“Zeg, man, wie was die vioolspeler?” vroeg <a id="d0e1253"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1253">86</a>]</span>een heer, die in een mooie koets zat en ook stil had laten houden. + +</p> +<p>“Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!” antwoordde de blinde. + +</p> +<p>“Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig pond voor!” liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat +de blinde voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument gaarne afstond. + +</p> +<p>Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was, en waren vijf menschen overgelukkig. + +</p> +<p>De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige. + +</p> +<p>En de andere vier, wie waren die? + +</p> +<p>In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel. + +</p> +<p>Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de Haarlemsche courant te spellen. + +</p> +<p>Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde ze uit de korf zonder zorg, maar.... +<a id="d0e1271"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1271">87</a>]</span></p> +<p>Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, +dat ze haar jongen kon laten schoolgaan! + +</p> +<p>Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een +moed, die zeeën konden leegmalen! + +</p> +<p>En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en +nooit vergeten zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die +het eenvoudige muschje voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn. + +</p> +<p>Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd +mee. En overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er +zich den geheelen dag mee bezig kon houden. + +</p> +<p>“The Times, sir!” zei een knecht, die binnentrad. +<a id="d0e1282"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1282">88</a>]</span></p> +<p>De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte +en begon te lezen. + +</p> +<p>Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn +sigaar vallen, en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: “Vrouw Jacobsen, dat is een bericht! Lieve Vader in den +Hemel, dat is een bericht, dat me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!” + +</p> +<p>“Maar wat, wat is er dan toch?” vroeg de vrouw bevende. + +</p> +<p>“Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het Engelsch staat. + +</p> +<p>“Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar +dag aan dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde, dat men op die oude kast nog wat anders kon doen +dan zagen. Doch zie, vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel van een vreemden heer, die op dezelfde +viool zoo heerlijk speelde, dat ieder <a id="d0e1293"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1293">89</a>]</span>verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud +en zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter +aan het meesterlijk spel en zei: ‘God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!’” + +</p> +<p>“Wie, wie, wat, wat zeg je?” schreeuwde de oude vrouw. “Mijn, mijn Frans, mijn eigen Frans?” + +</p> +<p>“Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die....” + +</p> +<p>Andermaal ging de deur open en.... + +</p> +<p>“Dag moeder, dag meneer Moerdijk!” zeiden de heer en de dame, die binnentraden. + +</p> +<p>“Lieve, lieve Frans!” riep de oude vrouw. “O, mijn jongen, wat maak je me gelukkig!” + +</p> +<p>“God zegene je, Frans!” sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen uit zijn oogen.—zegene je!—Jongen, jongen, wat een gelukkige +dag!” + +</p> +<p>“Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover +de lui hier, naar ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten staat. U beiden hebt me gelukkig <a id="d0e1309"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1309">90</a>]</span>gemaakt, waarom mag ik anderen nu ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is mijn viool: we zullen +samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!” + +</p> +<p>De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist. + +</p> +<p>Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. +En dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven. + +</p> +<p>Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar +het orkest. De zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het gegons en gebrom bleef aanhouden en +niemand acht sloeg op den heer, die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij het orkest verdween. Het +zou misschien een andere muzikant zijn; dien avond speelden er nog meer. + +</p> +<p>Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: “Stilte!” Dadelijk +was alles stil. + +</p> +<p>“Mee, ouwentje, mee!” zei de heer, die de <a id="d0e1321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1321">91</a>]</span>lord was, die de viool gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest. + +</p> +<p>“Dames en heeren,” dus begon de lord, “dezen man zult u wel kennen! Hij is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer +Jacobsen gespeeld heeft!” + +</p> +<p>Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe. + +</p> +<p>“En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. +Zie, ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten graveer en: ‘<i>Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen</i>.’ Blinde John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil, kan dat straks bij het verlaten der zaal in +een bus doen. Al wat er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor Blinden John! Dat had ik te zeggen! +Stil, stil, daar komt de meester!” + +</p> +<p>Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar +met de grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige woorden de prachtige <a id="d0e1334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1334">92</a>]</span>vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er gehoord. Wat +de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand, maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet +hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was, maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare +hart. + +</p> +<p>Eindelijk legde hij de viool neer en—zonder de goedkeuring van het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het +orkest om—zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden te danken, die den armen torenwachterszoon zoo +over- en overgelukkig had gemaakt. + +</p> +<p>Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord +zijn hoed moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu zelfs niet meer naar een gesticht te gaan. + +</p> +<p>Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren, zul je vanzelf wel begrijpen. +<a id="d0e1342"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1342">93</a>]</span></p> +<p>En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet +uit zijn en dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden. + + + +<a id="d0e1345"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1345">96</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e1346"></a></p> +<h2>Met Goeden Wil en een Weinig Hulp.</h2> +<p class="div2"><a id="d0e1349"></a></p> +<h3 class="label">I.</h3> +<p>De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen geslagen. + +</p> +<p>De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en +steeg, op stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“En aan hun oogjes zie je ’t aan, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Dat zij wat graag naar school toe gaan!”—</span></p> +</div> +</div> +<p>Nu en dan slechts zag men er nog een, die misschien vóór schooltijd voor moeder nog een boodschap gedaan had, of die door +de zon van acht uur uit het bed gejaagd was, zoo hard hij kon naar school draven, om dan toch niet àl te laat te komen. +<a id="d0e1363"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1363">97</a>]</span></p> +<p>Niet ver van den toren, en dicht bij de bloemmarkt, was de stads-apotheek en, als er geen bijzondere ziekten in de stad heerschten, +dan ging de deur van dat gebouw eerst te negen uren open. + +</p> +<p>Ondertusschen was het er nu al kwartier over. De menigte voor de deur werd al grooter en grooter, en toch hoorde men daarbinnen +nog volstrekt geen beweging. Het spreekt vanzelf, dat er onder die wachtende menschen al heel spoedig gemor ontstond, en eindelijk +verstoutte er zich één eens ferm aan de schel te trekken. + +</p> +<p>Hij, die dat deed, was een opgeschoten jongen van een jaar of tien, die, toen de klok nog geen negen geslagen had, al voor +de deur stond. Met angstig en ongeduldig gebaar had hij al verscheidene keeren naar het wijzerbord van den toren gezien, en +telkens zag hij dat de minuutwijzer, hoe langzaam dan ook, voortging. Eerst stond hij op één, toen, op twee, wat later op +drie en het speelde daar boven “kwartier-over”;—nu stond hij al bijna op vier! + +</p> +<p>Men kon het hem zoo aanzien, dat hij er lang niet plezierig onder was. + +</p> +<p>Geen wonder, hij behoorde ook tot de kinderen, <a id="d0e1374"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1374">98</a>]</span>die daar straks stoeiend en spelend naar school waren gegaan. Ook <i>zijn</i> plaats was in de school! Wat zou de meester nu wel zeggen? Hij was nooit “zoo maar” om het een of ander thuis gebleven; ja, +hij was zelfs nog nooit te laat gekomen. En nu al haast tien minuten voor halftien! + +</p> +<p>Neen, hij kon niet langer wachten, het was hem onmogelijk: hij zou maar eens schellen. + +</p> +<p>Nu was er aan die apotheek een bijzonder soort van schelknop, een nieuwe, zooals er toen nog geen tweede in de stad was. Men +moest er niet aan trekken, maar op drukken. + +</p> +<p>Dat wist onze knaap niet, en tot zijn grooten schrik ging de schel hard over, toen hij, nogal driftig, de hand op den knop +legde. + +</p> +<p>“Nu, als ze dat daarbinnen niet hooren, dan slapen ze zoo vast als marmotten in den winter,” zei een der mannen. + +</p> +<p>“Het heeft geholpen ook. Hoor maar, daar komen ze al,” sprak een ander. + +</p> +<p>En ja, ze kwamen dan toch eindelijk. + +</p> +<p>Driftig werden de luiken geopend, en nog driftiger werd de deur opengesmeten. + +</p> +<p>“Wie, voor den drommel, maakt hier zoo’n <a id="d0e1395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1395">99</a>]</span>vreeselijk leven? Het lijkt of er brand is! Kan jelui dan niet wachten tot een fatsoenlijk mensch zichzelven aangekleed heeft? +Wie heeft er gescheld?” + +</p> +<p>Dit alles riep in één adem een dik en groot heer met vreeselijken baard en knevel, en hij keek zoo grimmig en leelijk, alsof +hij grooten trek had al die menschen zoo maar ineens op te eten. + +</p> +<p>Niemand sprak echter en daarom schreeuwde hij nog eens: “Ik wil weten wie er daar zooeven de brandklok geluid heeft! Heb je +het niet gehoord?” + +</p> +<p>“Ik heb het gedaan, meneer! Ik moest om negen uren op school zijn en het speelt daar al voorslag van half tien!” zei de knaap +en zag den heer vrijmoedig aan. + +</p> +<p>“Mooi, brandklokluider, dan zal ik jou ditmaal eens allerlaatst helpen, verstaan? Dat maakt een kabaal, alsof ze hun drankje +met goud betalen! Je weet toch wel, dat je het hier voor niemendal krijgt, en dat je dan zooveel praats niet hebben mag! Zeg, +kwajongen?” + +</p> +<p>“Maar, meneer, ik moet naar school! Ik....” + +</p> +<p>“Houd je mond, straatbengel!” riep de booze <a id="d0e1409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1409">100</a>]</span>apotheker en nam het recept aan van een vrouw, die dichtbij stond. + +</p> +<p>Sapperloot, wat maakte hij een geweld met dien ijzeren stamper in dien koperen vijzel! Wat werd de knecht toegesnauwd, als +hij niet gauw genoeg de poeders in papiertjes vouwde, doosjes aangaf, kurkjes op de fleschjes deed of pillen draaide. De man +speelde: haast-je, rep-je, en toch was het niet goed. + +</p> +<p>Nummer één was geholpen, nummer twee ook, eindelijk zelfs nummer negen, en nog altijd stond de arme jongen met het recept +in de handen te wachten. Reeds lang had de klok tien geslagen, en met het slaan van tien, kwamen er misschien wel evenveel, +misschien ook nog meer tranen uit zijn oogen rollen. + +</p> +<p>Af en toe kwamen er menschen bij en gingen er af. + +</p> +<p>Het was half elf. + +</p> +<p>De wreede apotheker hield vol met hen, die het laatst gekomen waren, het eerst te helpen. + +</p> +<p>“Wat scheelt er aan, manneke?” vroeg opeens een vriendelijke stem, dicht bij den knaap. + +</p> +<p>De jongen keek op en zag een zonderling gekleed man voor zich staan. Lange, grijze haren golfden van onder een blauwe slaapmuts +op den <a id="d0e1425"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1425">101</a>]</span>rug, die voor een gedeelte met een rooden zakdoek bedekt was. Een reistaschje hing over de jas. In de rechterhand hield hij +een dikken en knoestigen doornstok en de voeten staken in groote geverfde klompen. + +</p> +<p>“Wat scheelt er aan, manneke?” vroeg hij nog eens en zoo mogelijk nog vriendelijker dan daar straks. + +</p> +<p>Snikkend en fluisterend vertelde de knaap alles wat er gebeurd was. + +</p> +<p>“Is het anders niet?” hervatte de oude. “Wacht, ik zal eens maken, dat je geholpen wordt. Geef je receptje maar eens hier!” + +</p> +<p>Het jongetje gaf het over, en nu drong de man door de vóór hem staande menschen, stak de hand, met het recept er in, door +het loket, en geen vijf minuten later kwam hij terug en gaf het drankje over. + +</p> +<p>“Zie je wel, vent, wie arm is, moet slim zijn,” zei de man en tegelijk stopte hij met het drankje, den knaap een dubbeltje +in de hand. + +</p> +<p>“Toe, toe, maak maar voort! Dat dubbeltje is voor je lang wachten!” hervatte de oude toen het jongetje hem vreemd aankeek. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p05.jpg" alt="Met Goeden Wil en een Weinig Hulp."></p> +<p class="figureHead">Met Goeden Wil en een Weinig Hulp.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Die vriendelijke, oude man en dat dubbeltje <a id="d0e1446"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1446">103</a>]</span>verzoetten voor hem eenigszins de nare gedachte, dat hij nu, buiten zijn schuld, niet naar school kon. + +</p> +<p>Zonder te kijken naar een paar honden, die om een weggeworpen been vochten, snelde hij den hoek om langs de bloemmarkt.... + +</p> +<p>Hé, wat stonden daar mooie bloemen! + +</p> +<p>Geraniums, fuchsia’s, rozen, petunia’s, aäronskelken, reseda’s.... + +</p> +<p>En moeder zag zoo graag een reseda! Ze hield er zoo van, en nu ze ziek was en niet naar de markt kon om een potje te koopen, +was er nog niets van gekomen. + +</p> +<p>Hij liep wat minder snel en bekeek de lange rijen met bloemen. + +</p> +<p>Het dubbeltje danste in zijn zak. + +</p> +<p>Neen, de verzoeking was te groot; hij kon niet voort; hij moest even blijven staan en kijken. + +</p> +<p>“Wat noodig, manneke?” vroeg een vrouw. + +</p> +<p>“Hoe duur is de reseda?” bracht de knaap er met moeite uit. + +</p> +<p>“De mooiste kosten vijftien centen; de andere een dubbeltje!” antwoordde de vrouw. + +</p> +<p>“Geef er mij dan een van een dubbeltje,” zei de jongen, die nog nooit scheen gehoord te hebben van overvragen of afdingen. +<a id="d0e1470"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1470">104</a>]</span></p> +<p>Of deze vrouw nu overvraagd had, en of ze ook liet afdingen, kijk, dat weet ik zoo precies niet; maar de leelijkste gaf ze +hem toch niet, dat weet ik wel. + +</p> +<p>In een ommezien was nu de knaap met zijn drankje en reseda-plantje thuis. + +</p> +<p>“Willem, Willem, wat ben je lang weggebleven! Hoe komt dat?” klonk een zachte stem uit de bedstede hem tegen toen hij thuis +kwam. + +</p> +<p>De knaap, die, zooals we hooren, Willem heette, vertelde haarfijn alles wat er met hem in die twee uren gebeurd was, en liet +haar ook het potje met reseda zien. + +</p> +<p>“Kan ik nu nog naar school, moeder?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Ja, kind, het is wel jammer; maar ik zou het niet doen. Het is al elf uur en om half twaalf gaat de school uit! Het is de +moeite niet meer!” + +</p> +<p>“Ja maar, moeder, wat zal ik dan vanmiddag wel tegen den meester zeggen?” + +</p> +<p>“De waarheid, Willem!” + +</p> +<p>“En als meester me dan eens niet gelooven wil?” + +</p> +<p>“Heb je dan wel eens gelogen, mijn kind?” vroeg de moeder nu. + +</p> +<p>“Neen, moeder, maar....” +<a id="d0e1493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1493">105</a>]</span></p> +<p>“Stil maar, jongen, stil maar! Je gaat vanmiddag naar school en je vertelt net alles wat er gebeurd is. Je doet er niets af +en niets bij. Neem nu het prentenboek, dat je bij het laatste school-examen gekregen hebt, en lees er dan maar wat in, dan +doe je toch wat,” zei moeder, die een lepelvol van het drankje innam en weer ging liggen. + +</p> +<p>Mietje, de eenige zuster, die Willem had, was een meisje van veertien jaren, die nu gedurende de ziekte van haar moeder, zoo +goed en zoo kwaad het ging, het huishouden waarnam. Had ze geweten, dat haar broertje zoo lang zou moeten wachten, dan zou +ze zelf wel naar de apotheek gegaan zijn; want haar moeder was nu zóó ziek niet, of ze kon wel een oogenblik alleen zijn. +Want, zie je, <i>zij</i> zou niet gescheld, of het althans zoo hard niet gedaan hebben. Ze kende dien knop wel; ze zou ook zoo vroeg niet gegaan zijn, +en zoo voort. Maar aardig en vriendelijk vond ze het toch van dien vreemden, ouden man! En voor de reseda zou ze zorgen, dat +was vast. Zoo ging het mondje van Mietje, terwijl ze in het zijkamertje bezig was met den middagpot gereed te maken, zoodat +er van Willems <a id="d0e1501"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1501">106</a>]</span>lezen ook al niet zoo heel veel terechtkwam. + +</p> +<p>Even na het slaan van twaalven kwam de vader, een breed geschouderde opperman, thuis. Deze hoorde ook wat er gebeurd was, +doch daar hij zelf niet lezen of schrijven kon, begreep hij niet, dat Willem zóó iets zich zoo aantrekken kon. + +</p> +<p>“Was het anders niet?—Over een half jaar moest hij toch van school af. Had hij, als vader, zijn zin gekregen, dan had de jongen +verleden jaar de school al verlaten. Hij kon hem toen bij een schoenmakersbaasje, als loopjongen, voor een halven gulden in +de week gekregen hebben. Jammer genoeg; want iedere week een halven gulden meer is toch ook geen kleinigheid! Met nog een +kwartje er bij was het juist de huishuur! En wat beteekende al dat leeren? Hijzelf kende immers geen <i>a</i> voor een <i>b</i>, en hij had toch altijd te eten, ’s zomers van hetgeen hij verdiende, en ’s winters van de bedeeling!” + +</p> +<p>“Och, vader, houd toch op met dat geleuter over de school,” riep de moeder. “Doe me het pleizier en zwijg ervan!” + +</p> +<p>“Nu, ik zal zwijgen!” was het antwoord en kort daarop ging hij, na een pijpje opgestoken te hebben, de deur uit. +<a id="d0e1517"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1517">107</a>]</span></p> +<p>’s Middags kwam Willem in de school. Hij vertelde de waarheid, heelemaal de waarheid! Maar meester was een streng man en maakte +met niemand eenig onderscheid. Hij nam zijn schoollijst en Willem kreeg één aanteekening van willekeurig schoolverzuim. + + + + +</p> +<p class="div2"><a id="d0e1520"></a></p> +<h3 class="label">II.</h3> +<p>Het was misschien een maand later en op een mooien Donderdagmiddag, dat er aan het spoorwegstation heel wat drukte en beweging +was. Wel honderdtwintig kinderen waren onder geleide van twaalf onderwijzers in den trein gestapt om te R. den dierentuin +te gaan bezichtigen. + +</p> +<p>En waar kwamen die honderdtwintig kinderen vandaan? + +</p> +<p>Ik zal het je zeggen. + +</p> +<p>In de stad waarin Willem woonde, waren eenige heeren op de armenscholen gekomen en hadden gezegd: + +</p> +<p>“Meneer, al de kinderen die gedurende een geheel jaar geen enkelen keer voor willekeurig schoolverzuim zijn aangeteekend, +moet u eens opgeven!” +<a id="d0e1533"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1533">108</a>]</span></p> +<p>“Dat wil ik wel doen, heeren,” antwoordde Willems onderwijzer. “Maar welk plan heeft u daarmee?” + +</p> +<p>“Wel,” zei toen een, “om de kinderen voor dat trouwe schoolbezoek te beloonen, zullen wij ze den dierentuin te R. eens laten +zien!” + +</p> +<p>Dat vonden al de onderwijzers goed en de kinderen natuurlijk ook. + +</p> +<p>Willem ging op school D. en toen de hoofdonderwijzer vertelde wat er gebeuren zou, noemde hij veertien namen op van kinderen, +die het geheele jaar lang geen enkelen keer “zoo maar” waren thuis gebleven. + +</p> +<p>De veertien namen waren genoemd,—meester noemde ze nog eens, het papier werd gevouwen.... Ach, Willem was er niet bij! + +</p> +<p>Hij stond op de lijst voor één keer willekeurig schoolverzuim, dat wist hij. + +</p> +<p>Maar kon hij dat helpen? + +</p> +<p>Was dat zijn schuld? + +</p> +<p>Neen, die poets had die man uit de stadsapotheek hem gebakken, en toen hij de school uitging kon hij niet nalaten, eens even +naar de apotheek te gaan. + +</p> +<p>Om dien boozen man kwaad te doen? +<a id="d0e1554"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1554">109</a>]</span></p> +<p>Neen, dát niet; maar als hij hem zag dan zou hij zijn tong toch wel eens tegen hem uitsteken, weet je! + +</p> +<p>Zoo’n leelijke vent! + +</p> +<p>De man was niet in de apotheek, en met een boos hoofd ging Willem nu maar naar huis. + +</p> +<p>Vader kwam dien middag niet thuis eten. Hij was buiten de stad op een karwei en Mietje moest hem zijn potje maar brengen. +Ze zou op verzoek van moeder, die nu weer beter was, van dat pleizierreisje van sommige kinderen maar geen woord spreken; +want hij zou er misschien aanleiding in vinden om Willem maar van school te nemen. + +</p> +<p>Het middagmaal was afgeloopen en baloorig ging Willem de straat op. Zou hij naar school gaan? + +</p> +<p>“Neen,” bromde hij, “nu blijf ik vanmiddag eens stilletjes thuis! Hebben die andere jongens en meisjes pret, ik wil het ook +hebben!” + +</p> +<p>Zoo in zichzelven pratend, liep hij maar verder en verder tot dicht bij het station. + +</p> +<p>Lieve schepsel, hoor eens wat een gejuich! Wat een gejoel! + +</p> +<p>Jawel, daar zingen ze al: + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Wilhelmus van Nassauen!”</span></p> +</div> +</div><a id="d0e1576"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1576">110</a>]</span><p>De tranen kwamen onzen knaap in de oogen toen hij dat hoorde, en schreiend zette hij zich op een bank. + +</p> +<p>“Daar heb je warempel dien huilebalk alweer!” riep plotseling een stem dicht bij hem, en opkijkend, ontdekte Willem denzelfden +ouden man, die een maand geleden zoo vriendelijk voor hem geweest was. + +</p> +<p>Hij droeg nog precies dezelfde kleeren en was nog niemendal veranderd. + +</p> +<p>“En wat scheelt er nu weer aan?” vroeg de oude. + +</p> +<p>“Niets! Niemendal! Neen, niets!” antwoordde Willem, keerde zich om en draaide hem zijn rug toe. + +</p> +<p>“Wel, wat een vriendelijke jongen is dat geworden,” zei de oude. “Kom, ik ga een beetje naast hem zitten!” + +</p> +<p>Hij deed het, doch zette zijn dikken doornstok dwars over Willems beenen heen, zoodat deze, die eerst hard wilde wegloopen, +er nu op bleef kijken, als een haan op een krijtstreep. + +</p> +<p>“Hoor eens, maatje, ik wed, dat ik weet wat er aan hapert! Wil ik er eens naar raden, zeg?” + +</p> +<p>“Neen! neen!” +<a id="d0e1595"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1595">111</a>]</span></p> +<p>“Wel, hoor me nu zoo’n stijfkop eens aan! Dat is zoo kortaf als een gebroken pijpesteeltje. Ja, ja, vanmiddag zeker spinnekoppen +of oorwurmen gevangen, is het niet?” + +</p> +<p>“Neen! Houd op met plagen!” + +</p> +<p>“Of zure karnemelk gegeten?” hervatte de oude. + +</p> +<p>Of Willem nu wilde of niet, daar hielp niets aan; hij moest schreien en lachen te gelijk. + +</p> +<p>“Aha,” zei de man, “het zonnetje schijnt en het regent! Nu ga ik raden! Huil je ook omdat je niet met dat troepje jongens +en meisjes mee mag? Zeg?” + +</p> +<p>Het ijs was gebroken. Willem begon opnieuw te schreien, zei eindelijk: “ja!” en toen de vriendelijke man hem vroeg hoe dat +gekomen was, vertelde Willem weer de heele geschiedenis. + +</p> +<p>“Zoo, zoo!” hervatte de oude man, “zit de vork zóó in den steel? En nu heb je vanmiddag zeker vacantie?” + +</p> +<p>Willem durfde niet liegen en eindelijk kwam het er uit, dat hij stilletjes uit school wilde blijven. + +</p> +<p>“Dat is goed! Daar doe je wijs aan!” zei de man. + +</p> +<p>Willem keek hem aan, alsof hij vragen wilde: “Nu fop je me toch?” +<a id="d0e1616"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1616">112</a>]</span></p> +<p>“Neen maar, dat is dan toch eens heel verstandig van je, hoor! Nu moet je net eens thuis blijven en niet school komen, dan +doe je den meester schade en je zelf voordeel; want er is voor jongens geen betere plaats op de wereld dan de straat. Ze leeren +er liegen, luieren, vloeken, bedriegen, kwaaddoen en ik weet niet wat al meer! Nu, nu, waar moet je nu weer heen?” + +</p> +<p>Onderwijl die oude man zoo sprak was Willem opgestaan en wilde wegloopen. + +</p> +<p>“Nu zeg, waar moet je heen?” + +</p> +<p>“Naar school, meneer! Och toe, laat me maar gaan, als ik hard loop, dan kom ik nog niet te laat!” + +</p> +<p>“Zoo? Nu, je bent verstandiger dan ik dacht! Maar zeg, heb je Zaterdagmiddag ook school?” + +</p> +<p>“Neen, meneer!” + +</p> +<p>“Moet je dan ook boodschappen doen?” + +</p> +<p>“Neen, meneer! Ik mag altijd den heelen Zaterdagmiddag spelen!” + +</p> +<p>“Best. Ik woon een half uurtje hier vandaan aan den straatweg. Het eerste huis aan je linkerhand, als je den tol voorbij bent. +Kom je me Zaterdagmiddag dan eens opzoeken om eens wat met me te praten?” + +</p> +<p>“Ja, meneer, graag, heel graag,” riep Willem, <a id="d0e1637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1637">113</a>]</span>en als een pijl uit den boog snelde hij heen. + +</p> +<p>Hij kwam juist nog bijtijds op school en weinig middagen waren er geweest, dat hij zóóveel geleerd had. + +</p> +<p>Wat hunkerde hij naar dien Zaterdag! En toen die dag er was, wat was hij toen blij! + +</p> +<p>Alsof hij dicht bij het tolhek den Brijberg uit Luilekkerland zou vinden, zoo vroolijk ging hij er heen, en toen hij nog geen +kwartier geloopen had, kwam hij den ouden man al tegen. + +</p> +<p>“Ik dacht: ik zal mijn vriendje maar tegemoet gaan; hij moest anders eens verdwalen,” zei hij en begon toen over allerlei +dingen te praten. + +</p> +<p>Eindelijk kwamen ze bij een aardig huisje. + +</p> +<p>“Ziezoo,” zei de oude, “hier woon ik! Kijk nu maar eens op de deur, dan weet je hoe ik heet en wat ik ben!” + +</p> +<p>Willem keek op, en las van een koperen plaatje, dat op de deur geschroefd was: G. <span class="smallcaps">Balsem</span>, <span class="smallcaps">Veearts</span>. + +</p> +<p>Het aardige huisje zag er van binnen nog netter uit dan van buiten, en het tuintje, dat er achter lag, was een lust om te +zien, zoo netjes als het er uitzag. Mooier bloemen waren er zelfs op de bloemmarkt niet te vinden. + +</p> +<p>En terwijl ze daar samen in den tuin zaten, <a id="d0e1663"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1663">114</a>]</span>vertelde mijnheer Balsem, dat hij in zijn jeugd een heel arme jongen was geweest, die niet al te best wilde oppassen. In plaats +van naar school te gaan, bleef hij heel dikwijls stilletjes op straat loopen, en daar leerde hij zooveel, dat hij, toen hij +negentien jaar oud was, als koloniaal naar de West kon gaan. Hij werd oppasser bij een kapitein, en dat was gelukkig een bovenstbeste +man, die den jongen Balsem op het goede pad terugbracht en hem zelfs heel goed leerde lezen, schrijven en rekenen. Eens in +een ledige kamer, die zoowat tot pakhuis gebruikt werd, snuffelend, vond hij een boek, waarboven stond: <i>De verstandige veehouder</i>. In zijn ledige uren las hij er in, en eens toen het paard van een luitenant niet wel was, had hij het geluk het dier te +genezen. Van dien tijd af was er geen paard of koe in den omtrek ongesteld, of Balsem werd er bij gehaald, en dikwijls wist +hij met eenvoudige middelen de dieren beter te maken. Toen zijn tijd om was en hij weer naar huis kon gaan, had hij een aardig +sommetje bespaard. Zijn ouders waren in dien tijd gestorven, en daar niemand in zijn geboorteplaats veel met hem ophad, ging +hij hier wonen, schroefde het koperen plaatje, <a id="d0e1668"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1668">115</a>]</span>dat er nóg op was, aan zijn deur, en begon in het vaderland als veearts van meet af aan. In zijn ledige uren, die hij in het +begin veel had, las hij allerlei boeken over de ziekten van het vee, en eer er twee jaren verliepen, noemden al de boeren +in den omtrek hem: <i>den knappen veearts</i>. En, dat bracht hem voordeel aan ook. Hij kreeg het verbazend druk en verdiende veel geld. Later trouwde hij en kreeg twee +zoons, die nu zelf al getrouwd waren. “Kijk,” dus eindigde hij zijn vertelling, “daar ginder in dat boerenhuis met dat roode +pannendak, daar woont mijn oudste zoon Jan. Hij is boer en het gaat hem goed. Mijn jongste zoon is paardenarts bij de dragonders +en hem gaat het ook goed.” + +</p> +<p>Nog altijd zat Willem te luisteren of de oude man nog meer zou vertellen. + +</p> +<p>Deze deed het echter niet, maar vroeg eensklaps: “En wat zal jij worden, kameraad?” + +</p> +<p>“Ik weet het niet,” antwoordde Willem, “maar ik zou wel bloemist willen worden; want ik houd veel van bloemen!” + +</p> +<p>En hierop vertelde hij, hoe hij voor dat dubbeltje een reseda-plantje voor zijn moeder gekocht had, en hoe mooi dat bloeide. +<a id="d0e1681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1681">116</a>]</span></p> +<p>“Nu maar, dat is allemaal niemendal,” zei Balsem. “Schoolgaan is in de eerste jaren nog maar de boodschap; want het gaat tegenwoordig +niet meer, manneke, om met weinig te weten in de wereld vooruit te komen. Toen <i>ik</i> jong was, kon dat nog, dat zie je; want o, ik weet zoo bitter weinig, en toch ben ik rijk geworden. Maar, als ik nu nog eens +van meet af aan moest beginnen, en ik wist niet meer dan ik nu weet, dan werd ik misschien ook nog opperman, net als je vader!” + +</p> +<p>Toen Balsem zoo een en ander verteld had, ging hij met Willem wat in den tuin wandelen en leerde hem nog heel wat van sommige +bloemen, waarvan de knaap nog nooit gehoord had, en toen hij naar huis ging, gaf hij hem een boek mee om er wat in te lezen. +Iederen Zaterdag mocht hij bij hem komen, en als hij niet thuis was, zou de oude vrouw er toch zijn, dan kon hij die vertellen +wat hij gelezen had, en zij zou hem dan wel een ander boek geven. + +</p> +<p>Zoo gingen de zomer, de herfst en de winter voorbij;—zoo werd het Maart. + +</p> +<p>“Wat scheelt er nu weer aan, jongen?” vroeg Balsem, toen Willem met roodgeweende oogen op een Zaterdagmiddag bij hem kwam. +<a id="d0e1693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1693">117</a>]</span></p> +<p>“Och, meneer, ik moet van school af!” + +</p> +<p>“Van school af, jij? En hoe oud ben je?” + +</p> +<p>“Twaalf jaar, meneer!” + +</p> +<p>“En wat moet je dan gaan doen?” + +</p> +<p>“Vader heeft me bij zijn baas gedaan, en overmorgen moet ik al beginnen met steenenbikken.” + +</p> +<p>“Maar dat wil ik niet hebben. Is je vader thuis?” + +</p> +<p>“Neen, meneer; maar morgenochtend wel!” + +</p> +<p>“Best, dan kom ik zelf morgen eens met je vader praten, hoor! Ik heb nu geen tijd; want ik moet naar mijn zoon; want die heeft +twee zieke koeien. Hier, dit boek heb ik voor je gereedgelegd, lees er maar veel in. Dag, Willem!” + +</p> +<p>“Dag, meneer!” antwoordde de kleine steenenbikker, en ging naar huis. + +</p> +<p>Den anderen dag kwam Balsem bij Willems vader, doch hoe mooi de brave en verstandige veearts ook sprak, de opperman wilde +niet toegeven. Willem moest van de school af en Maandag aan het werk. Hij was het nu al lang zat om voor zulk een grooten +jongen nog langer te werken. Hij kon den kost best zelf verdienen, ja, dat kon hij. + +</p> +<p>Toen mijnheer Balsem thuis kwam, was de <a id="d0e1716"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1716">118</a>]</span>eerste vraag, die hij zijn vrouw deed: “Zeg eens, Bet, zou je er veel tegen hebben, als ik een loopjongen in huis nam?” + +</p> +<p>“Maar, wat haal je nu toch in je hoofd? Ben je dan van plan zoo iets te doen, Gerard?” + +</p> +<p>“Van plan, van plan,—als je er erg tegen opziet, dan doe ik het niet, dat is eenvoudig.” + +</p> +<p>“Maar waartoe heb je dan een loopjongen noodig? Heb je het nu zooveel drukker dan vroeger, en komen de boeren zelf de medicijnen +niet meer halen?” + +</p> +<p>“Och ja, vrouw, maar.... wacht, ga zitten, dan zal ik je eens alles van a tot z vertellen,” hernam Balsem en begon zijn vrouw +nu mede te deelen wat er met den armen Willem stond te gebeuren. Toen hij geëindigd had, besloot hij met te vragen: + +</p> +<p>“Nu, wat zeg je ervan?” + +</p> +<p>“Laat den jongen komen, Gerard! Ik wil hem ook helpen,” was het antwoord. + +</p> +<p>Na het eten ging de veearts weer naar Willems ouders, om, zooals hij dacht, niet alleen de laatsten, maar bovenal Willem gelukkig +te maken. Doch toen hij op het zolderkamertje kwam, vond hij den opperman in geen al te best humeur. +<a id="d0e1732"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1732">119</a>]</span></p> +<p>Voor den middag was hij ergens geweest, waar hij, door van iets veel te drinken, een warm hoofd gekregen had, en toen hij +naar huis ging, meende hij, dat de huizen dansten of, erger nog, op zijn hoofd wilden vallen. Hij had erg op zijn vrouw en +kinderen gegromd. Het eten was weer niet gaar, had hij gezegd en toen de tafel afgenomen werd, gaf hij Mietje een slag, omdat +ze zoo’n leven met de borden maakte. Hij knorde op de duiven van zijn buurman, omdat die onder het vliegen zoo met de vleugels +klapperden. Hij gromde op de honden, die langs de straat liepen te blaffen. Hij schopte een stoel omver, omdat hij er tegen +aanliep, ja, hij was zelfs boos op de zon, omdat die zoo warm scheen, en al zulke gekke dingen meer. + +</p> +<p>“En wat heb je me nu weer te vertellen?” vroeg hij aan Balsem toen deze boven kwam. + +</p> +<p>De veearts zei het hem. + +</p> +<p>Onze opperman was nu nog zóó raar niet, of hij begreep wel, dat Willem veel beter af zou zijn, als hij bij Balsem kwam, dan +als hij bij den metselaar steenen ging bikken; doch hij had het nu vandaag zich eens in het hoofd gezet, een dwarsdrijver +te zijn en daarom zei hij, toen Balsem zweeg: +<a id="d0e1741"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1741">120</a>]</span></p> +<p>“Zeg eens, sinjeur de paardendokter, ik wilde wel, dat je mij en mijn geheele familie met rust liet! Ik heb je niet geroepen, +en, kort en goed, ik zeg je, dat Willem metselaar zal en moet worden, begrepen? Meer heb ik je niet te zeggen!” + +</p> +<p>Nu de oude man voor al zijn goeddoen nog zoo leelijk behandeld werd, was hij ook wel wat boos geworden, doch hij was te verstandig +om met den man te gaan kibbelen, en daarom ging hij zonder iets te zeggen weg. + +</p> +<p>Beneden aan de trap vond hij Willem. + +</p> +<p>“Pas maar braaf op, mijn jongen, en kom zoo nu en dan, als je tijd hebt, nog eens bij me aan, zal je?” zei Balsem en gaf den +knaap de hand. + +</p> +<p>Den anderen dag was Willem aan het steenen bikken, en een enkelen keer aan het kalk maken. O, wat had hij er een hekel aan, +en wat vorderde het werk slecht! + +</p> +<p>Maar de week ging om en het werd weer Zondag. + +</p> +<p>“Waar ga je heen, Willem?” vroeg vader, die weer boos was op de stoelen, op de duiven, op de honden en op de zon. + +</p> +<p>“Ik ga naar meneer Balsem!” zei Willem. +<a id="d0e1758"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1758">121</a>]</span></p> +<p>“Blijf thuis!” was het korte bevel, dat de jongen kreeg en toen deze er iets tegen inbrengen wilde, hernam zijn vader: “Nu, +en <i>ik</i> zeg, dat je er niet heen mág. Vandaag niet, morgen niet, en nooit meer! Begrepen?” + +</p> +<p>“Maar, vader, ik heb meneer beloofd, dat ik komen zou!” + +</p> +<p>“En ik zeg je, dat je niet gaat, gehoord?” was het nijdige antwoord. + +</p> +<p>“Maar ik mag toch wel op straat loopen?” + +</p> +<p>“Daar geef ik niet om, maar naar dien paardendokter mag je niet,” zei de vader nogmaals, trapte nog gauw een paar stoelen +omver, bromde op de zon, omdat ze zoo fel scheen en ging liggen slapen. + +</p> +<p>Willem liep de trappen af en ging de straat op. + +</p> +<p>Ja, maar hij bleef daar niet. Hij sloop langs de huizen tot hij op de Bloemmarkt was, en liep toen wat hij loopen kon, den +straatweg op naar zijn ouden vriend; maar, och, toen hij dezen vertelde, dat hij eigenlijk van zijn vader niet mocht, en dat +hij maar stilletjes gekomen was, toen zei de brave veearts: “Het spijt me, Willem, dat ik je wegsturen moet. Wel zou ik graag +weer een uurtje met je praten; maar dat kan <a id="d0e1776"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1776">122</a>]</span>nu niet! Je mag je vader niet ongehoorzaam zijn. Dag, Willem!” + +</p> +<p>De knaap had er niet veel zin in, doch Balsem duwde hem zachtjes de deur uit en zei nog: “En als je nu weer zonder vergunning +van je vader hier komt, dan zou ik genoodzaakt zijn het zelf aan je vader te komen vertellen. Gehoorzaamheid gaat boven alles, +Willem! Dag, kerel!” + +</p> +<p>Willem kon maar niet begrijpen, dat hij hieraan verkeerd gedaan had, en dacht nu, dat die oude veearts hem ook al afviel, +en daarom bromde hij in zichzelf: “Best, ik zal niet meer bij dien Balsem komen! Pfff! Wat geef ik er om?” + +</p> +<p>“Ik heb toch medelijden met den armen jongen, Gerard,” had juffrouw Balsem gezegd toen Willem weg was, “en, als ik in jouw +plaats geweest was, zou ik hem niet weggestuurd hebben!” + +</p> +<p>“Ik heb ook medelijden met hem, vrouw,” was het antwoord, “maar kinderen moeten niet te lichtvaardig vader of moeder ongehoorzaam +zijn. Als er wat goeds in den jongen zit, dan zal tóch wel alles terechtkomen.” + +</p> +<p>“Jawel; maar als hij nu eens een kwajongen wordt, als zoovele anderen, wat dan?” + +</p> +<p>“Hoor eens, vrouw, daarvoor zal ik trachten <a id="d0e1790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1790">123</a>]</span>te zorgen!” zei Balsem en ging weer naar zijn kleine apotheek om daar eenige medicijnen klaar te maken, die zoo op het oogenblik +zouden gehaald worden. + +</p> +<p>En hoe ging het met Willem? + +</p> +<p>Wel, in zijn booze bui zocht hij nog dienzelfden Zondag eenige jongens op, die ook zoo wat op een ambacht waren. Hij probeerde +met hen mee te doen aan leelijke dingen; maar hij had te veel gelezen en van den ouden Balsem te veel goeds geleerd, om er +pret in te hebben. + +</p> +<p>Toen hij nu ’s avonds naar bed ging, was hij op zijn manier ook eens boos, ja, boos op iedereen. Hij gooide ook met stoelen +en deuren, precies zooals zijn vader dat een paar keeren gedaan had. Maar het meest was hij boos op zichzelf. Waarom? Och, +dat wist hij zelf niet recht; maar het is heusch waar, hoor, hij was op zichzelf heel erg boos. + + + +</p> +<p class="div2"><a id="d0e1798"></a></p> +<h3 class="label">III.</h3> +<p>De eene week na de andere ging voorbij. Dat gaat altijd zoo. Of men boos of goed, vroolijk of bedroefd is, daaraan stoort +zich de tijd niet: die <a id="d0e1803"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1803">124</a>]</span>loopt maar door. Het was dan ook al heel spoedig najaar en daar de zomer niet zeer voorspoedig geweest was, liep het meeste +werkvolk nu al zonder werk. + +</p> +<p>Onze opperman had al lang gedaan gekregen, en Willem ook, zoodat die twee nu met pakjesdragen en wegwijzen zoo wat den kost +verdienden. + +</p> +<p>Zoo liep Willem weer eens op een donkeren en regenachtigen Octoberdag door de straten en ook voorbij de stads-apotheek. + +</p> +<p>Daar werd tegen de ruiten getikt en toen de knaap opkeek, wenkte de apotheker hem, dat hij eens binnen moest komen. + +</p> +<p>Het was dezelfde man, die eens zoo onverdiend op hem gegromd had, en die hem zoo lang liet wachten. Willem was die geschiedenis +nog wel niet vergeten; maar hij kon toch niet altijd boos blijven ook, zoodat hij zonder dralen de apotheek binnenstapte. + +</p> +<p>“Moet je naar je winkel, jongen?” vroeg de apotheker. + +</p> +<p>“Ik heb geen winkel, meneer!” antwoordde Willem. + +</p> +<p>“Zoo! Wil je een boodschap voor me doen?” + +</p> +<p>“Jawel, meneer!” +<a id="d0e1821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1821">125</a>]</span></p> +<p>“Mooi! Breng dit pakje kruiden dan eens bij mijnheer Balsem, den veearts, die dicht bij den tol woont!” + +</p> +<p>De apotheker wilde hem nu beduiden hoe hij loopen moest om er te komen, doch Willem zei, dat hij het best wist; want dat hij +er vroeger dikwijls geweest was. + +</p> +<p>“Zooveel te beter,” zei de apotheker. “Hij zal je antwoord geven, waarop je wachten moet. Komaan, laat eens zien, of je goed +boodschappen doen kunt!” + +</p> +<p>“Als ik geld verdienen kan, dan geeft vader er niet om waar ik loop,” dacht Willem en stapte den weg op naar den tol. + +</p> +<p>Toch had hij er niet veel lust in; want na dien Zondag had hij mijnheer Balsem maar tweemaal gezien en ongelukkig beide keeren, +dat hij bezig was met kwaaddoen. + +</p> +<p>Maar kom, wat gaf hij er om, als hij maar een dubbeltje kon verdienen! Het kon immers ook best gebeuren, dat hij niet thuis +was! Zijn vrouw wist er toch niets van. + +</p> +<p>Mijnheer Balsem was echter wel thuis, doch zei niet veel. Hij maakte het pakje open; bekeek de kruiden, die er in waren, las +het briefje, dat er bovenop lag en zei toen: +<a id="d0e1836"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1836">126</a>]</span></p> +<p>“Wacht even, Willem, ik zal je antwoord meegeven!” + +</p> +<p>Hé, wat duurde dat lang! Wel een half uur. Maar eindelijk was hij klaar. Willem kreeg den brief met de boodschap, om dien +aan den apotheker te geven, en toen hij de deur uitging, vroeg de oude man enkel: “En heb je me soms niets meer te zeggen, +Willem?” + +</p> +<p>“Neen, meneer!” antwoordde deze. + +</p> +<p>“Goed! Dag, Willem!” klonk het en de deur viel toe. + +</p> +<p>Toen de apotheker den langen brief gelezen had, zei deze: “Hier is een kwartje voor je moeite en vraag aan je vader of je +van den winter hier mag komen om boodschappen te doen, zal je?” + +</p> +<p>“Jawel, meneer,” riep de knaap en spoedde zich heen om moeder te vertellen, dat hij een goeden dag had gehad. + +</p> +<p>De vader had er ditmaal niets tegen. Hij gaf er niet om wat Willem deed, als hij maar kwartjes thuis bracht. + +</p> +<p>In dien brief, dien Willem had meegebracht, had de oude heer Balsem aan zijn vriend, den apotheker, een en ander van dien +jongen verteld, en hem verzocht of hij ook een oogje op hem <a id="d0e1853"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1853">127</a>]</span>wilde houden. Nu weet ik zeker, dat de meesten van mijn lezertjes meenen, dat ze eens recht boos op dien kwaden apotheker +mogen zijn; maar ik geloof, dat ze het wel eens glad mis konden hebben. + +</p> +<p>Op dien morgen toen hij Willem zoo erg toesnauwde, deed hij leelijk, heel leelijk zelfs, dat is zoo. Maar een mensch kan wel +eens boos zijn, en iets verkeerds doen zonder dat hij daarom slecht is. + +</p> +<p>Jelui bent immers ook wel eens boos geweest, wed ik, ja, wellicht ook wel eens op je ouders, is het niet? + +</p> +<p>Nu, weest maar eerlijk en zegt gerust, dat het waar is; want daarom ben jelui nog niet <i>slecht</i>. En wil ik eens zeggen, waarom niet? Wel, omdat je er naderhand berouw van hadt, en.... omdat je het nooit meer deedt. + +</p> +<p>Ben jelui nu nog boos op dien apotheker? + +</p> +<p>Ja, nog wel wat. + +</p> +<p>Nu, wel wát, dat is nogal zooveel niet. + +</p> +<p>Den anderen dag stond Willem achter in het pakhuis fleschjes te spoelen, en toen hij hiermee klaar was, moest hij in een grooten +ijzeren vijzel rabarber-wortel stampen. Iederen dag was er werk voor hem. +<a id="d0e1872"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1872">128</a>]</span></p> +<p>Maar, nu eens was er veel, dan weer weinig te doen. Dat wist de apotheker ook wel en daarom had hij gezegd: “Lees je graag, +ventje?” + +</p> +<p>“Ja, meneer!” + +</p> +<p>“Zoo! En waarvan het liefst?” + +</p> +<p>“Van bloemen, meneer!” + +</p> +<p>“Goed, daar houd ik ook veel van! Dan moet je straks maar eens met me meegaan naar mijn boekenkast, dan kun je zeggen wat +je hebben wilt!” zei de apotheker, en hij deed het ook. Ongemerkt gaf hij hem langzamerhand minder werk en toen het midden +in den winter was, en er heel weinig zieken waren, nam hij Willem op zekeren dag eens naar een bloemist mede. Jongens, dat +was mooi! + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p06.jpg" alt="Met Goeden Wil en een Weinig Hulp."></p> +<p class="figureHead">Met Goeden Wil en een Weinig Hulp.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Daar buiten lag alles onder de sneeuw; over het water lag een dikke ijskorst; al de boomen stonden kaal en geen bloempje, +ja, zelfs geen groen grassprietje was ergens te zien. En hier in die bloemenkas! Het was er heerlijk warm, evenals in Mei. +De bloemen stonden te bloeien, en boven in de kas hingen zelfs tusschen de donkere wijngaardbladeren, kleine trosjes druiven +in den bloei. Willems oogen schitterden van vergenoegen, en toen de apotheker hem vroeg <a id="d0e1890"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1890">130</a>]</span>of hij wel bloemist zou willen worden, zei hij: “O, graag, heel graag, meneer!” + +</p> +<p>“Nu, vraag dan maar hier aan dezen heer of je tuinjongen bij hem worden mag,” zei de apotheker. + +</p> +<p>“Och,” sprak thans de bloemist, “eigenlijk heb ik geen jongen noodig. Ik kan het best met mijn werkvolk af. Maar, als hij +er nu zoo bijzonder veel lust in heeft, dan wil ik het wel eens met hem probeeren. Verleden jaar had ik ook een jongen; maar +dien heb ik weggejaagd, omdat hij lui was en streken uithaalde. Als hij dat nu ook maar niet doet, dan zal het wel gaan. Maar +werken, manneke, werken is nummer één, en uit de boeken lezen hoe je werken moet, en waaróm je zoo doet, dat is nummer twee. +Het een gaat niet zonder het ander. Nu, zeg op! Wat denk je ervan?” + +</p> +<p>Willem dacht er natuurlijk goed over en hij beloofde zijn best te zullen doen. + +</p> +<p>“Goed, als deze meneer,”—hij wees op den apotheker,—“die een goed vriend van me is, je missen kan, dan moet je morgen maar +komen. Gegroet!” zei de bloemist en ging heen. + +</p> +<p>In het naar huis gaan begon Willem zich te bedenken, dat hij misschien wel wat gauw “ja” <a id="d0e1902"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1902">131</a>]</span>had gezegd en dat zijn vader het mogelijk wel niet zou willen hebben; maar de apotheker stelde hem gerust en zei, dat hij +wel niet zooveel bij den bloemist zou verdienen als bij hem; maar als Willem ’s avonds klaar was, moest hij maar bij hem komen, +dan kon hij hem ook nog wat laten doen, en dan zou hij in de week wel evenveel thuis brengen als anders. + +</p> +<p>De opperman had er weer niets tegen, zoodat Willem eindelijk het vak mocht leeren waarin hij altijd zooveel lust had gehad. + +</p> +<p>En jongens, wat werkte hij! Zoo koud kon het niet wezen, dat hij er last van had. Hij werd, wat men wel eens zegt, een rechte +werkezel, en als hij ’s avonds thuis kwam, had hij altijd nog wat te doen; want het kleine kamertje waarin het eten gekookt +werd,—het was eigenlijk maar een hok,—stond vol met potten waarin hij stekjes gestoken had. + +</p> +<p>Zonder het erg te laten uitkomen, begon zijn vader er zelf pret in te krijgen, en eens op een avond toen Willem thuis kwam, +vond hij zijn bloemen al begoten en uitmuntend verzorgd. + +</p> +<p>“Dat heeft vader gedaan,” zei Mietje toen haar broer er haar naar vroeg. +<a id="d0e1912"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1912">132</a>]</span></p> +<p>Eens op een Zondag, dat het erg vuil weer was, had vader geen lust om uit te gaan en dan weer zoo raar thuis te komen. + +</p> +<p>“Als je me wat voorleest, Willem, blijf ik bij de kachel zitten,” zei vader. + +</p> +<p>Willem keek vreemd op. + +</p> +<p>Vader wilde hebben, dat hem wat werd vóórgelezen! Hoe was dàt mogelijk? + +</p> +<p>Moeder zei niets; maar de goede ziel had groote tranen in haar oogen. + +</p> +<p>Ik heb wel eens hooren vertellen, dat tranen óók wat zeggen, jullie ook? + +</p> +<p>Zou je me dan ook kunnen uitleggen wat die tranen in moeders oogen vertelden? + +</p> +<p>Bedenk je eens! + +</p> +<p>Het boek, dat Willem voor zichzelf las, was een tuinboek en daaraan zou zijn vader weinig gehad hebben. Daarom nam hij wat +anders, en wel het leven van Michiel Adriaensz. de Ruyter. Wel vijf Zondagmiddagen had Willem noodig om het uit te lezen, +doch toen hij klaar was, zei vader: + +</p> +<p>“Hm, hm, die Michiel heeft het met goed op te passen en veel te leeren dan heel ver gebracht!” +<a id="d0e1933"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1933">133</a>]</span></p> +<p>“Ja, dat heeft hij wél, vader!” + +</p> +<p>“Nu, jongen, pas jij dan ook maar goed op, wie weet wat je dan nog wordt!” hernam de opperman en kleedde zich aan om naar +de avondkerk te gaan. + +</p> +<p>Zijn vrouw stond vreemd te kijken. Zelf ging zij er iederen Zondag heen, doch haar man was in de laatste vier of vijf jaar +niet meer in de kerk geweest. Ze zei evenwel niemendal; maar dacht zooveel te meer. + +</p> +<p>De klok begon te luiden. + +</p> +<p>“Ik ga naar de kerk, man!” zei ze. + +</p> +<p>Haar man keek haar aan en zei: “Wacht dan wat, ik ga ook eens mee.” + +</p> +<p>Ze keek hem vragend aan. + +</p> +<p>“Ja, ja,” zei hij, “ik heb veel te lang geleefd, alsof ik niemendal met onzen Lieven Heer te maken had. Ik hoop mijn leven +te beteren, vrouw! Onze Lieve Heer zal mij wel kracht geven om tegen al het kwaad te vechten.” + +</p> +<p>Hierop gingen ze samen naar de kerk, en—dat bleef voortaan zoo, al staken zijn vroegere vrienden er ook den gek mede. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Het is zes jaar later. +<a id="d0e1956"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1956">134</a>]</span></p> +<p>Op de Bloemmarkt staat een man van omstreeks vijftig jaren bloemen te verkoopen. + +</p> +<p>Het is Willems vader en hij is geen opperman meer. + +</p> +<p>De oude heer Balsem heeft naast zijn huisje nog een andere woning laten bouwen, en hierin woont Willem met zijn ouders en +zijn zuster. + +</p> +<p>Achter die woning is een flinke kweektuin voor bloemen, en tegen het huis staat een glazen kas om er de bloemen ’s winters +in over te houden. + +</p> +<p>Willem is nog altijd bij den bloemist; maar als hij ’s avonds thuis komt, doet hij het fijne werk in zijn eigen tuin. Zijn +vader doet het grove, en hij doet dat graag, vooral als de oude heer Balsem, met wien hij nu goede vrienden is, hem helpt, +of zegt hoe hij doen moet. + +</p> +<p>Des Zondags bromt hij ook niet meer op de duiven of op de honden. Hij is niet boos meer op het lieve zonnetje en de stoelen +smijt hij ook al niet meer omver. Ja, hij zou zelfs pret in zijn leven hebben, als hij maar.... lezen kon. Hij heeft nog geprobeerd +het te leeren; maar dat ging niet. Het was veel te moeilijk voor hem en toen heeft hij het maar opgegeven. +<a id="d0e1969"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1969">135</a>]</span></p> +<p>En, als je soms zoo eens met buurman Balsem over die luitjes praat, dan zegt hij: “Ja, ja, met wat hulp en goeden wil en vertrouwen +op den goeden God, kan men in de wereld wel vooruitkomen!” + +</p> +<p>Wie den goeden wil had, dat weet je, nietwaar, mijn vriendjes, en wie Willem en zijn ouders zoo goed geholpen hebben, dat +zul je ook wel weten. + +</p> +<p>En.... heeft de een of ander van jelui soms plan om het óók eens te beproeven of de veearts waarheid sprak? Zeg? + +</p> +<p>Je zult er geen berouw van hebben, hoor! + + + +<a id="d0e1978"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1978">136</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e1979"></a></p> +<h2>Werken Beter dan Bedelen.</h2> +<p>Midden in het gebergte lag een alleraardigst dorpje, dat bewoond werd door Alpenherders en gemzenjagers. Het lag ook heelemaal +van den grooten weg af, zoodat men er maar hoogstzelden een vreemdeling zag. Als er een kind geboren was, dan wisten ze er +allen wat van te vertellen; ze wisten hoe het heeten zou, ja, wat het worden moest zelfs. Was het een jongetje en was de vader +Alpenherder, dan zou het kind dat óók eens worden. Was de vader gemzenjager, dan wist men vooruit, dat er uit den jongen, +als hij maar groot werd, ook een gemzenjager groeien zou. + +</p> +<p>Yan één jongen hadden ze dat echter niet kunnen voorspellen; want zijn vader was geen herder en ook geen jager. + +</p> +<p>“Zwarte Pietro,” zooals hij in de wandeling <a id="d0e1988"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1988">137</a>]</span>genoemd werd, was eens op een zomeravond met zijn vrouw in het dorp gekomen en had in de kleine herberg gevraagd of er hier +in het dorp niet een huisje te huur was. + +</p> +<p>“Jawel, vreemdeling,” antwoordde de herbergier; “maar het is heel afgelegen en wel een half uur buiten het dorp, de bergen +in!” + +</p> +<p>In vroegere tijden had een hertog de gewoonte gehad, om een paar keer in het jaar hier te komen jagen en, om te kunnen uitrusten, +als hij vermoeid van de jacht was, had hij dat kleine huisje daar laten zetten. Toen hij later niet meer kwam, had hij tegen +den dorpsschout gezegd: “Dat jachthuisje geef ik aan het dorp. Je kunt het verhuren, als je wilt!” + +</p> +<p>Maar niemand wilde zoo ver van het dorp wonen en daardoor kwam het, dat het jaren lang ledig stond en nog nooit bewoond was +geweest, toen de vreemdeling met zijn vrouw in het dorpje kwam. + +</p> +<p>Uit de papieren, die de man bij zich had, bleek dat hij van beroep ketellapper was, en dat hij het laatst te Milaan was geweest, +waar de papieren door het hoofd van de politie onderteekend waren voor “goed.” +<a id="d0e1998"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1998">138</a>]</span></p> +<p>De dorpsschout maakte dan ook volstrekt geen zwarigheid om het huisje aan Pietro, den ketellapper, te verhuren, en reeds den +anderen dag betrok hij het. + +</p> +<p>Waar ze op sliepen, op zaten of kookten, dat begreep niemand; want de ezel, dien ze bij zich hadden, droeg enkel wat gereedschap, +een ketel, een volgeladen mand en een paar groote, ledige zakken. + +</p> +<p>Doch dat ging niemand aan; als de nieuwe inwoners van het dorpje maar brave lieden waren, dan was het goed. Zijzelven moesten +maar zien hoe ze zich behielpen. + +</p> +<p>In den loop van denzelfden dag, dat het jachthuisje door hen betrokken was, kwam hij reeds bij de menschen aan de huizen rond, +om te vragen of ze geen ketels te lappen, geen aardewerk te krammen, geen klokken schoon te maken, geen stoelen te matten +of geen geweren te herstellen hadden. Hij scheen dus van beroep nog meer dan ketellapper te zijn en iedereen, die hem wat +gegeven had om te maken, kreeg het spoedig en goed afgewerkt weder thuis. + +</p> +<p>Maar het dorpje was te klein om er op den <a id="d0e2009"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2009">139</a>]</span>duur werk genoeg te vinden, en daarom zag men Pietro dikwijls voor dag en voor dauw met zijn ezel, die het gereedschap droeg, +uit het dorp gaan, om op heel andere plaatsen werk te zoeken. + +</p> +<p>Toen hij er zoo omstreeks een jaar gewoond had, vernam men in het dorpje, dat hij den vorigen dag een zoontje gekregen had, +dat hij Luigi noemen zou. + +</p> +<p>Maar, wat moest Luigi worden? + +</p> +<p>Ja, dat wist Pietro zelf nog niet. Als hij acht jaar oud was, dan was het tijd genoeg om er eens over te gaan praten. + +</p> +<p>Daarvan begreep niemand iets. Hoe konden er ooit ouders gevonden worden, die bij de geboorte van een jongen niet al aanstonds +wisten, wat hij worden moest? + +</p> +<p>Intusschen werd de kleine Luigi ouder en grooter. + +</p> +<p>Zijn moeder bracht hem wel eens een enkele maal mee, als ze boodschappen in het dorp moest doen, doch voor het overige zag +men het kind nooit. + +</p> +<p>Andere jongens en meisjes gingen op hun zesde jaar al naar de dorpsschool; maar Luigi was al acht jaar oud geworden en van +schoolgaan was nog geen sprake. +<a id="d0e2025"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2025">140</a>]</span></p> +<p>Dat was wel ongelukkig; want een mensch, die, als hij groot is, niet lezen, schrijven of rekenen kan, is al zeer te beklagen. + +</p> +<p>Eens bracht Pietro een aap uit de stad mee. + +</p> +<p>Hijzelf naaide voor het dier een broekje en een jasje, en maakte van bordpapier een schako. + +</p> +<p>De kleine Luigi had razend veel pret met het dier, en leerde hem in minder dan een maand allerlei kunstjes. + +</p> +<p>Had de jongen echter geweten, wat van zijn ijver het gevolg zou zijn, hij had misschien met het leeren van die kunstjes geen +begin gemaakt. + +</p> +<p>“Wel, Luigi, wat kan je aap zoo al?” vroeg Pietro op zekeren avond, een week of vier nadat hij het beest had thuis gebracht. + +</p> +<p>“O, vader, hij kan heel beleefd groeten. Alles wat ik hem geef, pakt hij aan met zijn rechter voorpoot. Als ik zeg: ‘klim’, +dan klimt hij; zeg ik: ‘ga dood liggen!’ dan ligt hij zoo stil als een muisje, en zeg ik: ‘Sim, hoe doen de kindertjes, die +pret hebben?’ dan gaat hij dansen en in de handen klappen. Hij kan koffie malen, een geweertje afschieten, touwtje springen, +en nog veel meer.” + +</p> +<p>“Nu, dat is al meer dan genoeg. Je kunt er <a id="d0e2042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2042">141</a>]</span>zoo best je kost mee verdienen!” antwoordde Pietro, en toen Luigi hem met groote oogen verwonderd aankeek, vervolgde hij: +“Ja, ja, jongen, je bent een paar maanden geleden al acht jaar geworden. Het is nu meer dan tijd dat je ons huis uit-, en +de wijde wereld ingaat!” + +</p> +<p>“Ga je dan mee, vader?” vroeg Luigi eenigszins beschroomd en verlegen; want vader sprak zoo bar. + +</p> +<p>“Ben je wel dwaas, jongen? Je gaat alleen!” + +</p> +<p>“Voor hoe lang, vader?” + +</p> +<p>“Wel, hoor me nu zulk een lompen jongen eens aan! Misschien voor twee of drie jaar, misschien ook wel voor altijd!” + +</p> +<p>“Maar mag ik dan nooit terugkomen, vader?” + +</p> +<p>“Ja, als je je zakken vol met geld hebt, anders kunnen we je best missen!” + +</p> +<p>De moeder sprak geen woord; maar toch geloof ik, dat zij, als ze doen kon wat ze wilde, niet zoo leelijk zou doen als haar +man; want nu en dan pinkte zij stilletjes een traan weg. + +</p> +<p>De arme jongen! + +</p> +<p>Veertien dagen later bracht Pietro, toen hij ’s morgens vroeg met zijn ezel uitreed om de naburige dorpen te bezoeken, onzen +Luigi tot aan den grooten straatweg. +<a id="d0e2062"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2062">142</a>]</span></p> +<p>Toen ze daar gekomen waren zei de vader: + +</p> +<p>“Nu, Luigi, ik ga hier links af. Jij moet maar altijd rechtdoor loopen, dan kom je, als je stevig doorstapt, tegen den middag +in een groote stad. Bij de poort begin je maar terstond met Sim kunstjes te laten doen en voor het geld, dat je daarvoor krijgt, +koop je maar dadelijk eten. Begrepen?” + +</p> +<p>“Maar, vader, als ze me nu eens geen geld geven?” + +</p> +<p>“Dan ga je bij de boeren buiten de stad maar een stuk brood bedelen en vragen of je ’s nachts in de schuur mag slapen. En +nu, ik ga weg. Zorg maar, dat je gauw je zakken vol geld hebt, hoor!” + +</p> +<p>Zonder iets meer te zeggen ging Pietro heen en liet zijn zoontje staan. + +</p> +<p>Deze keek met betraande oogen zijn vader na en ging, toen hij hem niet meer zag, den weg op. + +</p> +<p>Hij liep maar al rechtuit en telkens als hij voorbij een huis kwam, moest Sim zijn kunstjes vertoonen. Sommige menschen gaven +hem wat, anderen weer niet. Slechts langzaam vorderde hij, en eerst tegen den avond kwam hij in de groote stad. +<a id="d0e2077"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2077">143</a>]</span></p> +<p>Hier zou hij geld, veel geld krijgen; want kijk eens, wat rijden daar mooie koetsen! Wat loopen daar prachtig gekleede heeren +en dames! Als ieder maar één cent gaf, dan zou hij spoedig de zakken vol geld hebben, en kon hij naar zijn huis terugkeeren. + +</p> +<p>Dat dacht hij, ja, maar die rijke menschen reden en wandelden hem voorbij, zonder hem ook maar even aan te zien. Slechts nu +en dan smeet er een hem een klein, heel klein koperen geldstukje toe. + +</p> +<p>Ach, dien avond sliep Luigi voor het eerst van zijn leven op een hoop stroo onder een poort! + +</p> +<p>Hij had ternauwernood zooveel geld verzameld om een droog stuk brood te koopen. En, toen hij niet wist waarheen, was hij maar +op een hoop stroo neergevallen, en daar sliep hij nu in gezelschap van zijn vriend Sim, die hem, toen hij schreide, met de +zwarte, kleine handen over het gelaat gestreken had. + +</p> +<p>Het is veertien dagen later. + +</p> +<p>Wat een drukte en beweging is daar ginds aan het spoorwegstation! + +</p> +<p>Wat zou er te doen zijn? + +</p> +<p>Wel, een grooten dief heeft men aangebracht. <a id="d0e2094"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2094">144</a>]</span>Iedereen wil den man zien, die al zooveel kwaad gedaan heeft, en voor wien men nu niet meer bang behoeft te wezen. + +</p> +<p>Maar met dien booswicht hebben we niets te maken, wel met den boevenwagen waarin hij per spoor hierheen gebracht werd. + +</p> +<p>Op het perron stond Luigi met zijn aap, en daar hij hier in deze groote stad al zoo lang gezworven had, zonder zooveel te +verdienen, dat hij iets kon overhouden, besloot hij naar een andere plaats te gaan, die ongeveer zes uur verder lag. Maar, +hoe daar te komen? Hij had al in twee dagen geen brood gekocht, in de hoop dan zooveel te besparen, dat hij het reisgeld op +het spoor betalen kon. Met dat geld nu was hij thans naar het station gegaan, en aan een man met een glimmende pet op, vroeg +hij of hij voor dat geld wel mee kon rijden naar Trient. + +</p> +<p>De spoorwegbeambte zag het weinigje geld, begon hard te lachen en zei: “Ben je wel dwaas, jongen? Voor geen tienmaal zooveel.” + +</p> +<p>Den armen knaap stond het schreien nader dan het lachen. Hij had er nu toch twee dagen lang bijna niets voor gegeten! +<a id="d0e2104"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2104">145</a>]</span></p> +<p>De spoorwegbeambte evenwel had pret in de onnoozelheid van den knaap, en vertelde het nu eens aan den een, dan aan den ander. + +</p> +<p>In het eind hoorde de stations-chef het ook. Deze had medelijden met Luigi en zei tegen den conducteur: “Je neemt immers den +boevenwagen weer mee terug?” + +</p> +<p>“Jawel, meneer!” was het antwoord. + +</p> +<p>“Welnu, laat den jongen de reis dan daarin maken!” hernam de goedige man, en stopte onzen Luigi bij een broodje nog een paar +geldstukjes in de hand. + +</p> +<p>Weldra zat hij nu in den donkeren, grooten wagen, waarin alleen een venstertje van boven eenig licht bracht. + +</p> +<p>“Goede reis,” riep de conducteur hem toe en sloot de deur. + +</p> +<p>Daar hoorde Luigi een langgerekt gefluit, toen kreeg de wagen een schok, en hij voelde dat hij vooruitging. Of het snel of +langzaam ging, dat wist hij niet; want hij kon niets zien. Van tijd tot tijd hoorde hij het fluiten weer, en hij meende, dat +hij er nu zijn zou. Maar dan begon het gerommel en gestamp opnieuw. Dat duurde lang en hij begon al spijt te krijgen, <a id="d0e2119"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2119">146</a>]</span>dat hij meegereden was, toen hij andermaal het fluitje van de locomotief hoorde. Een oogenblik later werd de deur opengedaan +en een andere man dan die hem erin gelaten had, zei: “Je kan er uitkomen, mannetje!” + +</p> +<p>Sim moest weer dadelijk beginnen met zijn kunsten te vertoonen; maar het scheen wel, dat de menschen hier nog minder mild +waren dan te Verona, waar hij vandaan kwam. Reeds begon de avond te vallen, toen hij nog zoo goed als niets gekregen had, +en hij zag al hier en daar uit, of hij niet een geschikte plaats vond om er den nacht door te brengen, doch te vergeefs. + +</p> +<p>Moedeloos zette hij zich op een stoep neer en begon van de droge broodkorst, die hij van Verona medegebracht had, te eten, +toen een jongen bij hem kwam staan. + +</p> +<p>“Kom je uit Tyrol?” vroeg hij. + +</p> +<p>Luigi schudde het hoofd. + +</p> +<p>“Waar kom je dan vandaan?” + +</p> +<p>“Uit Verona!” + +</p> +<p>“En wat kom je hier doen?” + +</p> +<p>“Ik laat Sim kunsten maken.” + +</p> +<p>“Zoo, en heb je al veel verdiend?” + +</p> +<p>“Hier? Neen, bijna nog niemendal!” +<a id="d0e2141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2141">147</a>]</span></p> +<p>“Dat wil ik wel gelooven; de menschen geven hier niet. De boeren daar buiten zijn veel beter. Waarom ga je niet bij de boeren? + +</p> +<p>“Ik wist het niet, dat die zoo mild waren. Zou ik daar mijn zakken gauw vol geld hebben?” + +</p> +<p>“Misschien wel in een week. Ga jij morgen maar gerust den boer op, hoor!” zei de vreemde jongen en ging heen. + +</p> +<p>Dien nacht sliep Luigi alweer maar in een oude poort, die door de vrachtlieden gebruikt werd om er hun karren in te zetten. + +</p> +<p>Den anderen morgen al heel vroeg ging hij de poort en de stad uit. + +</p> +<p>Het was een eenzame weg, en hij was misschien wel al een uur voortgegaan zonder iemand te ontmoeten, of een huis te zien. + +</p> +<p>Intusschen begon de zon heel fel te schijnen en het werd brandend heet. Den vorigen dag al had hij zijn voeten op de straten +van Trient open geloopen, en deze begonnen hem nu verschrikkelijk zeer te doen. + +</p> +<p>Daar kwam hij eensklaps aan een driesprong. + +</p> +<p>De eene weg liep tegen de bergen op; de andere door het dal en de derde door het bosch. + +<a id="d0e2160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2160">148</a>]</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p07.jpg" alt="Werken Beter dan Bedelen."></p> +<p class="figureHead">Werken Beter dan Bedelen.</p> +</div><p> + +<a id="d0e2166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2166">149</a>]</span></p> +<p>Om tegen de hitte der zon beveiligd te zijn, koos hij den laatsten. + +</p> +<p>Maar ach, de weg werd al smaller en smaller, en eindigde op het laatst in een aantal voetpaden. Een er van sloeg hij op goed +geluk in; maar hoe hij ook zocht en uitkeek, nergens zag hij menschen of huizen. Ach, niets anders dan boomen en nog eens +boomen! + +</p> +<p>Wel besloot hij nu terug te keeren, en den weg door het dal te nemen, doch hij verdwaalde op de kleine paden al meer en meer. +Hoe licht Sim ook woog, hij werd den jongen veel te zwaar om te dragen, en bij iederen stap, dien hij deed, had hij het wel +kunnen uitschreeuwen van de pijn. + +</p> +<p>Eindelijk hoorde hij hetzelfde schelle gefluit als dat, hetwelk hem zoo verveeld en haast bang gemaakt had, toen hij in den +boevenwagen op het spoor zat. + +</p> +<p>Hij keek op, en ja, daar ginds zag hij over een breed water een steenen brug, en met vreeselijk geweld kwam er een spoortrein +over rollen. + +</p> +<p>Doch op dien weg kon hij weer niet komen; want een andere snelvlietende beek scheidde hem er heelemaal van. + +</p> +<p>Moedeloos zette hij zich bij het frissche, heldere <a id="d0e2181"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2181">150</a>]</span>water neer. Zijn dorst had hij spoedig bevredigd en thans trok hij de oude kousen uit, om in het koele water zijn brandend +heete voeten te verkwikken. Uit zijn ransel haalde hij een paar lappen, die hij trachtte er om heen te winden. + +</p> +<p>Onderwijl hij daar zoo zat en van pijn en verdriet huilde, hield Sim zich met wat anders bezig. Toen zijn baas den ransel +had geopend om er zwachtels uit te halen, liet hij hem open staan ook, en al dadelijk vielen de oogen van den aap op het brood, +dat er in lag. + +</p> +<p>Spoedig had hij het beet en begon er van te eten, en reeds had hij het meer dan half op, toen Luigi omkeek en Sim zoo bezig +zag. Het beest wist zeker, dat hij kwaad deed; want het brood in den mond stekend, klom hij er, zoo schielijk hij kon, mede +in een boom. Welke lieve namen Luigi hem ook gaf, de aap trok maar leelijke gezichten en klom nog hooger. + +</p> +<p>Plotseling echter hoorde Luigi een schot en, eer hij tijd had om te zien wie dat loste, tuimelde Sim uit den boom en viel +dood aan zijn voeten neder. + +</p> +<p>Daar kraakten de takken en een man, gekleed in een jas met koperen knoopen, trad met een <a id="d0e2191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2191">151</a>]</span>geweer onder den arm en een sabel op zijde, te voorschijn. Een groote hond sprong hem achterna. + +</p> +<p>“Was dat jouw aap, jongen?” vroeg hij. + +</p> +<p>Luigi kon den vreemdeling nauwelijks verstaan, doch hij begreep hem toch wel, en zei daarom: “Jawel, meneer, dat was mijn +aap!” + +</p> +<p>“En wat zit je hier te doen?” vroeg de man weer. + +</p> +<p>Luigi vertelde hem alles en wees op zijn voeten. + +</p> +<p>“Een mooie geschiedenis,” bromde de jager. “Daar schiet ik je kostwinner dood, en ik zit met jou opgescheept! Maar zeg, wil +je werken?” + +</p> +<p>De arme knaap antwoordde, dat hij wel werken wilde, maar het nooit geleerd had. + +</p> +<p>Dat kon de man, die een houtvester was, maar niet gelooven en daarom zei hij: “Och wat, niet werken kunnen! Alle menschen +kunnen werken! Ga maar mee!” + +</p> +<p>Luigi droogde zijn voeten af, trok de oude kousen en schoenen aan, en, na den dooden aap opgenomen te hebben, strompelde hij +den houtvester na. + +</p> +<p>Toen ze zoo ongeveer een kwartier geloopen hadden, kwamen ze aan een alleraardigste woning. <a id="d0e2211"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2211">152</a>]</span>Voor de deur zat een jonge vrouw en op het grasperk liepen drie kinderen te spelen. + +</p> +<p>“Vrouw,” riep de houtvester, “ik breng hier een jongen mee, die niet werken kan; maar die honger heeft. Heb je wat te eten +voor hem?” + +</p> +<p>De vrouw was dadelijk bereid, het hem te geven. + +</p> +<p>Onder het eten begonnen de houtvester en zijn vrouw den knaap allerlei vragen te doen, en de eerste schaterde het uit van +lachen toen Luigi vertelde, dat hij niet thuis mocht komen vóór hij de zakken vol geld had; maar toen hij daarna ook vertelde, +dat hij niet lezen of schrijven kon, ja, zelfs nog nooit gebeden had, riep hij uit: + +</p> +<p>“Vrouw, heb je ooit van je leven zulke menschen gezien? Dat leert hun kinderen niet lezen, schrijven, rekenen, bidden of werken! +Mijn hemel, jongen hoe kun je dan je zakken vol geld krijgen?” + +</p> +<p>Luigi tastte dapper toe en ondertusschen spraken de man en de vrouw wat met elkander af. + +</p> +<p>Toen alles op was, legde Luigi den lepel neer. + +</p> +<p>“Zoo, heeft het je gesmaakt?” vroeg de jager. + +</p> +<p>“Heerlijk, meneer!” +<a id="d0e2229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2229">153</a>]</span></p> +<p>“Goed, en zou je zóó heerlijk wel driemaal op een dag willen eten?” + +</p> +<p>“O, wat graag, meneer!” + +</p> +<p>“Best, dat kan je hier doen! Je mag een week bij ons blijven. In den kleinen stal hier achter zal mijn vrouw een slaapplaats +voor je gereedmaken. Maar, als ik je het dan leer, zou je dan willen werken?” + +</p> +<p>“Jawel meneer!” gaf Luigi ten antwoord. + +</p> +<p>“Kom, ga dan alvast maar mee, dan zal ik je aardappelen leeren delven en gras snijden; want ik heb zes geiten, weet je, en +voor die dieren moet jij dan zorgen.” + +</p> +<p>Luigi ging met den houtvester mee en deze deed hem een en ander van het werk voor. + +</p> +<p>De knaap was niet dom en had spoedig den slag er van beet. Zijn dooden aap begroef hij in het bosch. + +</p> +<p>Toen de week om was vroeg de houtvester hoe het hem beviel, en of hij bij hem wilde blijven. + +</p> +<p>“Jawel, meneer, maar, maar....” + +</p> +<p>“Nu, wat maar, jongen, spreek maar zooals je het meent!” zei de man. + +</p> +<p>“Maar, meneer, ik zou zoo graag gauw, heel gauw mijn zakken vol geld hebben!” +<a id="d0e2252"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2252">154</a>]</span></p> +<p>“Aha! Jawel, ik dacht wel dat er zoo iets komen zou. Maar, hoor eens, beste jongen, dat zijn maar praatjes van je vader geweest +om van je af te komen. Heb je met je aap wel ooit zooveel verdiend, dat je goed eten kon krijgen en een bed om op te slapen?” + +</p> +<p>Luigi moest hierop zwijgen; want het was waar, en daarom vervolgde zijn vriendelijke baas: “Zonder werken, mijn jongen, kan +je geen rooden penning overhouden! Je moet tegenwoordig in de wereld zoo wat van alles kunnen doen, en dan is het nog een +geluk, als je volop je brood verdient. Maar, dat wil ik je wel zeggen, als je het werk, dat je hier doen moet, altijd zoo +goed afmaakt als in de afgeloopen week, dan zal je bij mij ook geld verdienen en nog goede kleeren bovendien. Zeg, heb je +er lust in?” + +</p> +<p>Luigi bedacht zich geen oogenblik, maar zei dadelijk met een vroolijk gelaat: “Jawel meneer! Dat doe ik heel graag!” + +</p> +<p>Acht jaren zijn sinds verloopen en Luigi is nu een knaap van zeventien jaren. Nog heeft hij zijn zakken niet vol met geld, +maar toch al een aardig spaarpotje. En dan heeft hij nog iets, dat eigenlijk meer waard is dan zakken vol met geld. <a id="d0e2261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2261">155</a>]</span>Hij heeft in al dien tijd heel wat aangeleerd. Hij kan nu bidden en werken en, als de winterdagen kort en de avonden lang +waren, leerde de houtvester hem ook lezen, schrijven en rekenen. Hij heeft nuttige kennis opgedaan, en.... kennis is macht. + +</p> +<p>Zoons heeft de houtvester niet, en daarom hebben ze al eens verteld, dat de vreemde knaap veel kans heeft, om, als zijn pleegvader +oud geworden is, houtvester in zijn plaats te worden. Wanneer men dat den goeden man zoo eens vertelt, dat begint hij te lachen +en gewoonlijk zegt hij dan: “De jongen zou het verdienen ook!” + +</p> +<p>Maar zijn ouders, hoor ik je vragen? + +</p> +<p>Ja, kinderen, ik heb gehoord, dat in dienzelfden boevenwagen, waarin Luigi eens van Verona naar Trient reed, zijn ouders ook +gezeten hebben. Maar niet om er weer uitgelaten te worden evenals hun zoon, doch om van het station af naar de gevangenis +gebracht te worden. Men vertelde heel leelijke en vreeselijke dingen van die lieden. + +</p> +<p>Nu, dat is niet te verwonderen ook. Van ouders, die zoo leelijk met hun kinderen handelen, verwacht ik nooit veel goeds. +<a id="d0e2271"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2271">156</a>]</span></p> +<p>Luigi weet evenwel niet beter, of ze zijn beiden gestorven, en dit is maar goed ook; want het moet voor een kind al heel treurig +zijn, als hij zijn ouders niet thuis, maar in de gevangenis heeft wonen. + +</p> +<p>En hier aan het slot dezer vertelling heb ik een wensch voor jelui en die is deze: + +</p> +<p>Ik hoop, dat de Lieve Heer jelui allen eenmaal op dezelfde eerlijke wijze het dagelijksch brood doe vinden, en dat je van +jullie kant niet alleen zult zeggen: “werken is beter dan bedelen,” maar ook: “het geluk zit niet in zakken vol goud.” + + + +<a id="d0e2278"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2278">157</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e2279"></a></p> +<h2>De Baviaan.</h2> +<p>“Kijk, kijk, die moet er ook wezen! Wat maait hij met zijn beenen! Het lijkt wel of het roeiriemen zijn! En wat zwaait hij +met zijn armen! Het is of hij aanstonds op den hol zal gaan! Dat is een gekke vent! Zie je hem wel, Douwes?” + +</p> +<p>“Och, jij met je geschreeuw, zwijg toch! Straks poetst die oppasser met zijn lederen helm en sabel op zijde, ons nog weg! +Wat zeg jij er van, Huibert?” + +</p> +<p>“Wat ik er van zeg? Dat er hier voor ons toch zooveel niet te zien is. Ik ga er uit en buiten op het plein wat vangballetje +spelen. Kijk eens wat een mooie bal, Douwes!” riep de derde en duwde zijn makker, die eigenlijk een heel anderen weg uitzag, +een grooten elastieken bal onder den neus. +<a id="d0e2288"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2288">158</a>]</span></p> +<p>“Och, loop, jij met je bal! Ik blijf<span class="corr" title="Bron: ,"></span> hier, George, en het is een knappe jongen, die me er vandaan krijgt!” antwoordde Douwes. + +</p> +<p>Dit gesprek werd gevoerd bij een gebouw van den dierentuin, waarin allerlei opgezette dieren bewaard werden. Het was kermis +en de directie van die diergaarde wilde den vreemdelingen en onbemiddelden burgers ook wel eens wat laten kijken, en daarom +stond dien dag voor een onnoozele vijfentwintig cents het hek open. + +</p> +<p>En, er werd druk gebruik van gemaakt ook. + +</p> +<p>Matrozen, die van de lange reis teruggekeerd waren en nu in het vaderland het zuur verdiende geld bijna zoo goed als gingen +opmaken; soldaten, die niet veel te missen hadden en toch ook wel eens wat zien wilden; kindermeisjes met kleine kinderen +op den arm, die bang werden; heeren en dames, die van buiten de stad kwamen en oude vrouwtjes uit een hofje, alles woelde +en wriemelde door elkander. + +</p> +<p>Tusschen het gedrang aan de poort was het Douwes, Huibert en George gelukt om, zonder de entree te betalen, toch binnen te +komen, en als echte stads-kwajongens dachten ze er geen oogenblik aan, dat ze heel leelijk deden, en dat <a id="d0e2301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2301">159</a>]</span>ze wel eens op een gevoelige wijze konden weggejaagd worden. + +</p> +<p>Overal waar ze kwamen hadden ze het hoogste woord, en als ze het konden gedaan krijgen, dan hielden ze vooral de menschen, +die van buiten kwamen, braaf voor den gek. + +</p> +<p>Zoo hadden ze bij de apenkooi tegen een ouden zeeman, die er heusch heel leelijk uitzag, gezegd: + +</p> +<p>“Baas, is die baviaan daar je broertje of je zoontje?” + +</p> +<p>Ze waren hierop schielijk weggeloopen; maar Douwes was nog niet vlug genoeg geweest, want hij had van den zeeman nog een fermen +draai om zijn ooren opgeloopen. + +</p> +<p>“Baviaan, leelijke baviaan!” riepen de drie jongens, toen ze zoo ver waren, dat hij hen toch niet meer krijgen kon. + +</p> +<p>“Wel foei, dat waren dan toch eens echte kwajongens!” denk jelui zeker. + +</p> +<p>Ja, wat zal ik je daarop antwoorden? Ik hoop maar, dat je nog nooit zoo iets zult gedaan hebben, en het ook nooit doen zult! +Anders.... Doch laten we nu weer maar naar ons ondeugend drietal terugkeeren. +<a id="d0e2317"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2317">160</a>]</span></p> +<p>Alleen Douwes had dan gezegd, dat hij hier blijven wilde. Waarom, dat wist hij zelf niet; hij keek tóch nergens naar. + +</p> +<p>“Hoor je het, Huibert, hoor je het? Douwes blijft hier en wil niet meespelen. Wat ’n brave jongen toch, hé?” riep George op +tergenden toon. + +</p> +<p>“O, hij is vast bang, dat hij den Baviaan weer ergens zien zal, en dat wil hij liever niet,” antwoordde Huibert. + +</p> +<p>Toen hij dit gezegd had, werd hij door een dikken heer tegen het lijf geloopen, en achter zich kijkend om te zien wie dat +deed, zag hij, achter een langen rekruut, den man staan over wien ze zooeven gesproken hadden. + +</p> +<p>“Ik zie iemand met een wollen muts op. Op die wollen muts is een kwastje, en onderaan een randje van rood, wit en blauw. Wie +zou dat zijn, Douwes?” zei hij. + +</p> +<p>Douwes keek ook om en zag den man, dien hij had uitgescholden, en van wien hij een klap om de ooren gekregen had, ook staan. +Hij stond te lachen, omdat niet ver van hem af, een kind op den arm van een meisje uit benauwdheid hard begon te huilen. + +</p> +<p>“Nu blijft Douwes nog hier,” sarde Huibert. +<a id="d0e2332"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2332">161</a>]</span></p> +<p>“Neen, neen, laten we maar gauw maken, dat we wegkomen! Ga je mee naar de Markt, daar is Dassie met zijn honden- en apenspel. +Dat is veel mooier dan hier!” zei Douwes en trok zijn kameraads mede naar buiten. + +</p> +<p>Het kostte onzen jongens nogal moeite om uit het hek te komen; want zóó dom waren ze toch niet, of ze begrepen, dat de portier, +hen ziende, wel zou kunnen nagaan, dat zij geen jongens waren om een kwartje entree te betalen. + +</p> +<p>Doch ze wisten ook hier hun kans zóó goed waar te nemen, dat ze er ongemerkt uit konden komen, en spoedig daarop stonden ze +op de Markt voor het honden- en apenspel. Wat ze daar zoo al uitvoerden, wil ik liever maar niet vertellen, want dat was ook +al niet veel moois, dat begrijp je wel. + +</p> +<p>Liever willen we kennis maken met den leelijken zeeman. + +</p> +<p>Zie, daar komt hij het hek uit. + +</p> +<p>Ja, het is waar! Hij is foeileelijk en heusch niet veel mooier dan een baviaan. + +</p> +<p>Welke dikke lippen! Welk een stompe neus! Wat rare oogen! En wat loopt hij “sjok-sjok” langs de straat! Het is of hij dronken +is. +<a id="d0e2347"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2347">162</a>]</span></p> +<p>Nu maar, dan kijk je toch verkeerd, hoor! De man is volstrekt niet dronken, en we kunnen hem gerust volgen ook. Als wij hem +maar niet uitschelden, zal hij ons geen kwaad doen. + +</p> +<p>Kijk, daar slaat hij links af en loopt de Maansteeg in. + +</p> +<p>Dat is geen mooie straat. Allemaal groentewinkels en water-en-vuur-huizen. + +</p> +<p>Wat hindert dàt? Daar kunnen ook wel goede menschen wonen, zou ik zoo meenen. + +</p> +<p>“Dag, grootvader! Ben je daar al?” roept een klein meisje, dat den ouden zeeman te gemoet komt en hem bij de hand vat. “Grootmoeder +slaapt nog, en het eten is bijna klaar. Ik ben blij, dat je terugkomt!” + +</p> +<p>“Zoo, Leentje, was je bang, meid?” + +</p> +<p>“Neen, grootvader; maar het is hier zoo stil in de steeg! Al de menschen zijn naar de kermis.” + +</p> +<p>“Nu, als grootmoeder wakker is, en je hebt de tafel afgenomen, dan wed ik, dat je wel met me mee mag. Kijk, dat heb ik alvast +voor je gekocht!” + +</p> +<p>Dit zeggend, haalde de man uit zijn jaszak een alleraardigst speldenkussentje en een naaldenkokertje, die allebei keurig mooi +met schelpjes opgelegd waren. +<a id="d0e2366"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2366">163</a>]</span></p> +<p>“Is het goed, lieve meid?” vroeg hij. + +</p> +<p>Leentje stond te dansen van blijdschap, en den ouden man om den hals vallend, zag zij niet, dat hij zoo verschrikkelijk leelijk +was, maar gaf hem drie frissche zoenen. + +</p> +<p>“Nu, nu, je bent een beste meid, hoor!” zei grootvader en stapte met Leentje het kleine en armoedige huisje aan het eind van +de Maansteeg binnen. + +</p> +<p>Het zag er armoedig maar knapjes uit. Wat blinken kon, blonk, en wat helder en schoon kon zijn, was niet vuil, maar bij de +sneeuw af, zoo wit. + +</p> +<p>En hier woonde nu Jochem Pels met zijn vrouw, die echter in den laatsten tijd wat sukkelde. Daarom was Jochem naar zijn zoon +gegaan, en had hem gevraagd of Leentje, op een na het oudste van zijn kinderen, grootmoeder wat in het huishouden mocht helpen. +De zoon deed dat natuurlijk graag, en zoo komt het, dat we op dezen mooien kermisdag Leentje Pels bij grootvader in de Maansteeg, +en niet bij haar vader in de Turflaan vinden. Na afloop van het middageten knapte Leentje zich wat op, om met grootvader naar +de kermis te gaan. Grootmoeder was <a id="d0e2377"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2377">164</a>]</span>nu opgestaan, en op het oogenblik iets beter. + +</p> +<p>Hé, wat keek Leentje op de kermis rond! Wat was er veel, waarvan ze zelfs den naam niet wist! + +</p> +<p>Ze kwam haast oogen te kort! + +</p> +<p>Dat was vooral bij een groote speelgoedkraam het geval. + +</p> +<p>Onverwachts hoorde ze echter eenige jongens schreeuwen; “Baviaan, leelijke baviaan!” en naar den kant ziende, vanwaar de stemmen +kwamen, zag ze drie jongens, die hard lachend achter de kraam liepen, en aan de andere zijde weer voor den dag kwamen. + +</p> +<p>“Baviaan, leelijke baviaan!” riepen ze nogmaals. + +</p> +<p>Eén der jongens kende ze wel. Het was Douwes Vlinder, die vroeger ook in de Turflaan gewoond had; maar wie de twee andere +waren, dat wist ze niet. Ze had hen nooit gezien. + +</p> +<p>De oude Pels deed net, alsof hij niets gehoord had en ging met Leentje verder de kermis op. + +</p> +<p>Toen ze weer thuis waren, vroeg Leentje: “Maar, grootvader, wat is een baviaan?” + +</p> +<p>“Dat is een groote, leelijke aap!” was het antwoord. + +</p> +<p>“Maar was er dan bij die kraam een baviaan? Ik heb er geen gezien!” +<a id="d0e2399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2399">165</a>]</span></p> +<p>“Och, dat riepen die jongens maar om iemand uit te schelden!” was het antwoord, en hij zei er verder maar liever niets van. + +</p> +<p>Den anderen dag ging Leentje in den vroegen voormiddag een boodschap doen. + +</p> +<p>Daar zag ze Douwes loopen en dadelijk dacht ze weer aan den baviaan. + +</p> +<p>“Douwes, Douwes!” riep ze. + +</p> +<p>De jongen keek om en vroeg: “Wat moet je?” + +</p> +<p>“Toen ik gisteren met grootvader bij die speelgoedkraam stond, riep je met je drieën: ‘baviaan’! Waar was die dan, zeg?” + +</p> +<p>“Zoo, was dat jouw grootvader?” antwoordde Douwes. “Wel, dat riepen we tegen hem.” + +</p> +<p>“Maar grootvader is toch geen aap?” riep Leentje verwonderd uit. + +</p> +<p>“Neen, maar hij lijkt er toch veel op. Of is hij niet leelijk genoeg?” riep Douwes en ging weer verder. + +</p> +<p>—“Grootvader net een baviaan, omdat hij zoo leelijk is! Wel, dat heb ik nog nooit gezien! Ik vind hem zelfs wel mooi, en.... +hij is toch zoo goed, o, zoo goed,” sprak het kind in zichzelf. Ze begreep er niets van, en het is geen wonder, dat ze bij +grootvader terugkomend, <a id="d0e2420"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2420">166</a>]</span>hem, heel onschuldig, dadelijk alles vroeg. + +</p> +<p>“Och ja, lieverdje,” sprak de oude man, “ik ben leelijk, heel leelijk, mijn hartje! Ik ben zoo geworden toen ik een buurvrouw +uit een brandend huis gehaald heb. Geheel mijn gezicht was verbrand en ik werd doodziek. Toen ik beter was en in den spiegel +keek, kende ik mijzelf niet, zoo leelijk was ik geworden. En daarom riepen die jongens, toen ze me zagen, ‘baviaan’! Begrepen?” + +</p> +<p>“Ja, grootvader, maar dat is toch heel leelijk van die jongens, niet?” + +</p> +<p>“Zeker, beste meid; maar ik hoop, dat ze later wel zullen leeren begrijpen, dat een leelijk mensch toch ook een mensch is, +en even goed en braaf kan zijn, als de mooiste man of vrouw!” + +</p> +<p>Leentje keek haar grootvader nog eens aan en zei toen: + +</p> +<p>“Maar, stellig, grootvadertje, u is heusch niet leelijk! Dat zeg ik” + +</p> +<p>“Ja, kind, ik ben het wel; maar dat kan <i>jij</i> niet zien!” + +</p> +<p>“En waarom niet, hé?” + +</p> +<p>“Omdat je zooveel van me houdt, engel!” antwoordde de man en gaf toen de zoenen, die hij <a id="d0e2441"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2441">167</a>]</span>den vorigen dag van haar gekregen had, wel driedubbel terug. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>De kramen zijn afgebroken en nergens meer te zien! + +</p> +<p>In heel de stad is het weer alles, zooals vóór de kermis. + +</p> +<p>De scholen zijn ook weer begonnen, doch Douwes, George en Huibert, die het leeren nog hard noodig hebben, vinden het straatloopen +pleizieriger, en zijn dus maar stilletjes uit school gebleven. + +</p> +<p>“Zeg, Douwes, wat zullen we gaan doen?” vraagt Huibert op zekeren dag. + +</p> +<p>“Op de wallen spelen!” antwoordt George. + +</p> +<p>“Ben je wel dwaas?” roept Douwes, “op den wal spelen, waar iedereen loopt en ons zien kan! Neen, ik ga buiten in den Vliet +bij de sluisdeuren vischjes vangen. Daar ziet geen mensch ons, en toch kunnen wij de klok hooren slaan; want, we moeten op +ons uurtje passen, weet je! Als we kwartier voor twaalven naar huis gaan, dan weten vader en moeder niemendal.” + +</p> +<p>“En waarmee wil je visschen?” vroeg George. + +</p> +<p>“Wel, we binden onzen zakdoek aan een <a id="d0e2461"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2461">168</a>]</span>stok, dan hebben wij een schepnetje. Eergisteren heb ik wel dertig stekelbaarsjes gevangen. Twee leven er nog, die zwemmen +thuis in de waschtobbe.” + +</p> +<p>Zoo iets stond den twee jongens aan en het was geen kwartier later, of ze waren alle drie bij de sluisdeuren. + +</p> +<p>Die sluis was in 1784 gemetseld, en hoewel de deuren in dien langen tijd vast wel vernieuwd zullen zijn, toch waren ze niet +te best meer. Aan den eenen kant was het water veel lager dan aan den anderen kant in den Vliet; het water sijpelde evenwel +door de deuren heen, en kwam in de ondiepe vaart. Hier was geen visch. Neen, maar aan de andere zijde, in den Vliet! Voornamelijk +in de hoeken en op het plekje waar een lek was, daar wemelde het van stekelbaarsjes. Dat zou een goede vangst geven! + +</p> +<p>Hé, wat zoog dat water! De zakdoeken werden heelemaal tegen de deuren gedrukt. Hierdoor vingen ze al bijzonder weinig. + +</p> +<p>“Wacht,” riep Douwes, “ik ga midden over de sluisdeuren hangen, dan vang ik zeker. Maar dàn doe ik het aan den anderen kant.” + +</p> +<p>“Pas op, dat je er niet invalt!” waarschuwde George. +<a id="d0e2473"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2473">169</a>]</span></p> +<p>“Och loop! Denk je dan, dat ik mij niet kan vasthouden? En bovendien, ik kan heel goed zwemmen,” riep Douwes en kroop langs +een der sluisdeuren naar het midden. + +</p> +<p>Onderwijl hij daar zoo lag, hoorden de beide andere jongens het geluid van roeiriemen in het water. + +</p> +<p>“Ga eens kijken wie daar komt!” zei George. + +</p> +<p>Huibert klauterde naar boven en gluurde door het lange gras heen naar den Vliet. + +</p> +<p>“O jongens,” riep hij, “het is de Baviaan! Gauw, Douwes, gauw, kom hier!” + +</p> +<p>En Douwes kwam, maar toen hij bijna aan het kantje was, gleed hij uit en plofte in het water. + +</p> +<p>O, hij kon zwemmen, zie je, dat was minder! Als hij maar aan den kant was eer de Baviaan kwam! + +</p> +<p>Maar Douwes had gepocht toen hij zei, dat hij zwemmen kon. Er was niemendal van aan en hij plompte in het water van belang. + +</p> +<p>Pels hoorde het; roeide er heen en nam Douwes in zijn schuitje. + +</p> +<p>George en Huibert liepen hard weg, en zagen uit de verte toe wat de Baviaan Douwes toch wel doen zou. +<a id="d0e2494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2494">170</a>]</span></p> +<p>Maar hij deed hem niets. Hij roeide eenvoudig naar den wal, zette Douwes op den kant en zei alleen: “Wees voortaan voorzichtiger, +manneke, als je bij de sluisdeuren gaat visschen, in plaats van naar school te gaan, zooals je moet!” + +</p> +<p>Druipnat en met beschaamde wangen stond Douwes aan den oever, en wist niet wat hij doen moest. + +</p> +<p>De Baviaan roeide verder en toen hij uit het gezicht was, kwamen George en Huibert aanloopen om te vernemen, wat de leelijke +vent hem gedaan of gezegd had. + +</p> +<p>Douwes vertelde het hun; maar voegde er dadelijk bij: “Wat moet ik nu doen? Ik kan toch zoo maar niet naar huis gaan!” + +</p> +<p>“Wel neen, dat hoeft ook niet! Het is nog maar half tien. Je trekt je kleeren uit en laat ze drogen. Anders zit er niet op!” +zei George. + +</p> +<p>Douwes begreep, dat dit nog het beste was, en zijn kleederen uittrekkend, wrong hij die eerst uit en legde ze toen te drogen. + +</p> +<p>Gelukkig was het zomer, en toen hij ze kwartier voor twaalven weer aantrok, kon men er bijna niets meer van zien. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p08.jpg" alt="De Baviaan."></p> +<p class="figureHead">De Baviaan.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Daar kwam hij dan nog eens goed af! Dat <a id="d0e2516"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2516">172</a>]</span>had hij nu in het geheel niet gedacht, hoor! Hij had al vast op een pak slaag van den Baviaan gerekend, en nu hij dàt misgeloopen +was, meende hij dat alles wel goed zou gaan! + +</p> +<p>Ja, dat meende hij. Maar het kon toch wel eens anders wezen, nietwaar? + +</p> +<p>Precies op klokslag van twaalven kwam Douwes thuis. + +</p> +<p>Het was etenstijd en Douwes ging op zijn gewone plaats naast moeder zitten. + +</p> +<p>“Wat is er toch een rare lucht in huis!” zei ze en keek overal rond of ze ook wat zag. + +</p> +<p>“Ik ruik niemendal!” antwoordde vader. + +</p> +<p>“En ik ook niet!” zei Douwes. + +</p> +<p>“Net modder! Heb je soms op straat in de modder getrapt?” vroeg moeder weer en zag haar zoon aan. + +</p> +<p>“Neen, moeder, ik ben naar school geweest!” gaf de jongen ten antwoord. + +</p> +<p>“Maar daarom kan je toch wel in de modder trappen! Nu zou ik haast gelooven, dat je er stilletjes uitgebleven bent,” hernam +zij. + +</p> +<p>“Neen, ik ben naar school geweest, hoor! Vraag het maar aan George en Huibert!” + +</p> +<p>“Ja, dat zijn ook lieve jongens! Maar kijk <a id="d0e2540"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2540">173</a>]</span>eens, vader, Douwes heeft kroos in zijn haar zitten en aan een knoop van zijn jas ook!” hervatte moeder. + +</p> +<p>Douwes wilde een nieuwe leugen verzinnen; maar eer hij daartoe kwam, zei vader: “Waarom zit je zoo te jokken, kwajongen? Je +hebt in de sloot gelegen! Kijk maar, het eendenkroos zit nog in je haar. Spreek op, hoe komt dat?” + +</p> +<p>“Ik heb in het gras gerold en het is gras,” bromde Douwes, doch vader verstond geen gekscheren en ging na afloop van het eten +naar school. Juist toen ze den hoek van de Vinkestraat, waarin de school stond, insloegen, liepen ze bijna den Baviaan tegen +het lijf. + +</p> +<p>“Hei, hei, Vlinder, je loopt me haast omver! Man, wat heb je een haast!” zei Pels, die Vlinder goed kende. + +</p> +<p>O, wat werd Douwes benauwd! Het zweet brak hem van angst naar alle kanten uit. Als de oude nu maar niet vertelde, dat hij +en zijn twee kameraads hem altijd uitscholden, dan was het nog minder. Dat hij stil uit school gebleven en in het water gevallen +was, wist vader nu toch al! + +</p> +<p>“Ja, Pels, ik moet mijn jongen naar school <a id="d0e2552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2552">174</a>]</span>brengen. Hij is vanmorgen stilletjes thuis gebleven en op den koop toe in het water gevallen.” + +</p> +<p>“Zoo, is dat je jongen?” vroeg Pels. + +</p> +<p>“Ja! Ken je hem?” was het antwoord. + +</p> +<p>“Ik heb hem wel eens meer gezien; maar ik wist niet, dat het je zoon was. Hoe heet hij?” + +</p> +<p>“Douwes!” + +</p> +<p>“Zoo, zeker naar zijn grootvader?” + +</p> +<p>“Ja!” + +</p> +<p>“Nu, als hij dan maar half zoo braaf wordt, als die oude man was, dan zal het best met hem schikken.” + +</p> +<p>“Ja, vader was een braaf mensch,” zuchtte Vlinder; maar naar den toren ziende, bemerkte hij, dat het al laat geworden was +en zei daarom: + +</p> +<p>“Nu, Pels, ik moet weg. Maar zeg, wanneer kom je me toch eens opzoeken?” + +</p> +<p>“Als ik maar weet waar je woont!” antwoordde Pels. + +</p> +<p>“Hoe is het, weet je dat niet meer? Ik woon in het Kaneel-slop, Nº. 8!” + +</p> +<p>“O zoo, woon je daar? Nu, ben je vanavond zoo omstreeks acht uur thuis, dan kom ik een uurtje praten!” + +</p> +<p>“Dat is goed, ik zal je wachten!” zei Vlinder en ging met Douwes naar school. +<a id="d0e2580"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2580">175</a>]</span></p> +<p>Maar meester had geen lust om den jongen, zooals hij er uitzag, tusschen de andere kinderen te zetten, en daarom vroeg hij +of Vlinder het goedvond, dat hij hem maar heel den middag bij den spekslager naast het varkenshok zette. + +</p> +<p>Vader had er niets tegen, en zie, den ganschen middag stond Douwes bij het varkenshok met de lei in de handen; want ledig +staan mocht hij niet. Honderdmaal moest hij keurig netjes op de lei schrijven: <i>Soort zoekt soort</i>! + +</p> +<p>Douwes had er in het eerst niet veel lust in; hij legde zijn lei op den grond en begon de varkens te bekijken. + +</p> +<p>“Ben ik dan een varken?” bromde hij. “Waarom laat meester me schrijven: <i>soort zoekt soort</i>? Hij scheldt me niet uit, neen, dat doet hij niet; maar het is toch langs het kantje af!” + +</p> +<p>En zoo redeneerde hij al voort, tot hij ten laatste aan den Baviaan dacht. + +</p> +<p>“Dien leelijken vent heb ik uitgescholden, dat is waar, maar hij geleek toch meer op een baviaan dan ik op een varken gelijk!” + +</p> +<p>Wacht, daar stond een emmer met schoon water. Net een spiegel! Als hij er eens in keek, <a id="d0e2601"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2601">176</a>]</span>dan zou hij toch eens goed kunnen zien, dat hij geen varken was. + +</p> +<p>Juist was hij bezig met kijken, toen een kweekeling kwam om zijn strafregels te zien. + +</p> +<p>Hij had er nog niet één. + +</p> +<p>“Nu, Douwes, dan komen er vijfentwintig bij, heeft de bovenmeester gezegd!” zei de kweekeling en ging heen. + +</p> +<p>Nog een poosje bleef Douwes staan, doch hij begon te bedenken, dat hij er nog wel eens vijfentwintig bij kon krijgen, en daarom +besloot hij maar bedaard aan het werk te gaan. + +</p> +<p>”<i>Soort zoekt soort</i>,” het stond er honderd vijfentwintig maal toen de klok vier uur geslagen had en meester op de plaats kwam. + +</p> +<p>Douwes moest nu in de school. Al de kinderen waren weg. + +</p> +<p>Wat zou er gebeuren? + +</p> +<p>“Hij moet niet probeeren me te slaan,” dacht de brutale knaap, “want dan zal ik het den Burgemeester gaan vertellen, en dan +zal hij leelijk tegen de lamp loopen!” + +</p> +<p>Maar meester sloeg niet. Hij legde een pen voor Douwes neer en zei: “Komaan, manneke, nu zullen we al het werk, dat we vanmorgen +<a id="d0e2624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2624">177</a>]</span>hier onder schooltijd gedaan hebben, met ons beitjes eens na schooltijd doen. Vindt je het goed?” + +</p> +<p>Neen, Douwes vond het niet goed. Hij vond het zelfs gemeen en slecht; maar tegenpruttelen durfde hij niet. + +</p> +<p>Om zeven uur ging Douwes naar huis met de boodschap, dat hij morgenmiddag van hetzelfde laken een pak zou hebben, als hij +weer niet school kwam en vischjes ging vangen. + +</p> +<p>Toen hij thuis kwam, vond hij zoowaar den Baviaan al op vader zitten wachten. + +</p> +<p>Dat was evenwel zoo afgesproken; want toen Vlinder naar zijn werk ging, stond Pels hem op te wachten en vroeg hem, of hij +het goedvond, dat hij vanavond een beetje vroeger kwam om wat met Douwes te praten. + +</p> +<p>Vader had dit uitmuntend gevonden. + +</p> +<p>“Zoo, Douwes, kom je nu pas uit school?” begon hij. “Ik heb gehoord, dat je moeder je schoon goed wil laten aantrekken, en +daar je vader toch eerst te acht uur thuis komt, heb ik er wat op verzonnen. We zullen samen naar de badinrichting gaan, en +daar eens een bad nemen. Dat zal je heelemaal opknappen. Ga je mee?” + +</p> +<p>Douwes had er maar half lust in; maar moeder <a id="d0e2640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2640">178</a>]</span>stopte hem zijn schoon goed, in een doek geknoopt, in de handen, en de twee gingen heen. + +</p> +<p>Toen ze klaar waren, kende Douwes zichzelven niet. Het was, alsof hij een andere jongen geworden was, zoo vreemd gevoelde +hij zich. + +</p> +<p>Dat kwam vooreerst door het frissche bad en dan, neen maar, als hij dien ouden Pels zoo eens aankeek, dan was die man toch +zoo leelijk niet! + +</p> +<p>En wat praatte hij aardig! Hij sprak over geen schelden, of over geen stil-uit-school-blijven, niets van dat! Hij had het +over heel andere zaken, en toen hij thuis kwam had hij spijt, dat vader nu met Pels praten ging. + +</p> +<p>Eindelijk ging de oude zeeman heen, doch toen hij de kruk van de deur al vast had, zei hij: “Wat ik zeggen wil, Douwes, ik +ga morgenmiddag om vijf uur in de plassen buiten de stad visschen. Als je mee wilt, en je mag van je ouders, dan moet je maken, +dat je op dat uur bij de sluis bent! En als je kameraads ook mee willen, en hun ouders hebben er niets tegen, dan breng je +ze maar mee, hoor! Gegroet!” + +</p> +<p>In den vroegen morgen van den volgenden dag zocht Douwes zijn twee kameraads op. Hij <a id="d0e2652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2652">179</a>]</span>vertelde hun alles wat er gebeurd was en ook dat ze vanavond mee mochten gaan visschen, als vader of moeder er niets tegen +hadden. + +</p> +<p>Wel stonden Huibert en George gek te kijken; maar Douwes wist zooveel van den ouden Pels te vertellen, dat ze besloten verlof +te vragen om mee te gaan. + +</p> +<p>Natuurlijk moesten ze dan ook naar school; want anders liep het heelemaal mis. + +</p> +<p>Meester zei niets en keek de drie luitjes zoo nu en dan maar eens even aan. + +</p> +<p>Hé, ze hadden nog nooit zoo veel gewerkt en, om de waarheid te zeggen, ze vonden het toch wel prettig. + +</p> +<p>Doch toen ’s middags om vier uur de school uitging en meester kortaf beval, dat ze alle drie zouden blijven zitten, zie, toen +keken ze toch niet heel vriendelijk en ze meenden, dat ze heel onrechtvaardig behandeld werden. + +</p> +<p>Doch meester had volstrekt geen plan om de jongens te straffen; hij wilde hen eens ernstig over dat stil uit school blijven +onderhouden. Hoe hij het aanlegde heb ik nimmer vernomen, maar een buurvrouw, die voor het raam stond, dat op het schoolplein +uitzag, had de knapen <a id="d0e2666"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2666">180</a>]</span>alle drie zien schreien, toen ze een kwartiertje later dan de andere kinderen uit school kwamen. + +</p> +<p>“Heb je slaag gehad, jongens?” vroeg ze. + +</p> +<p>“Neen!” was het korte antwoord. + +</p> +<p>“Wat scheelt er dan aan?” hernam ze weer; want ze was wat nieuwsgierig uitgevallen. + +</p> +<p>De jongens gaven haar echter geen antwoord en gingen bedaard verder. + +</p> +<p>Te vijf uur waren ze bij de sluis. Ze behoefden niet lang te wachten; want spoedig was Pels er ook. + +</p> +<p>Hij kwam met zijn roeibootje naar den wal en zei: “Stap maar in, jongens!” + +</p> +<p>Dat lieten ze zich geen tweemaal zeggen.—Weldra waren ze nu met hun vieren in de boot, en de oude Pels trok nog zoo stevig +aan de riemen, dat een voetganger, die nogal goed doorstapte en langs het smalle jaagpad liep, het bootje niet bij kon houden. + +</p> +<p>En toen ze op de plassen kwamen, wat hadden ze toen een pret! + +</p> +<p>Wat wist die oude man aardige geschiedenisjes te vertellen. En wat werd er veel gevangen! + +</p> +<p>De avond was om eer ze het wisten, en toen ze tegen het donker weer bij de sluis aan wal <a id="d0e2688"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2688">181</a>]</span>stapten, riep Pels: “Nu, jongens, tot overmorgen, hoor! Wel te rusten!” + +</p> +<p>Nauwelijks was Pels met zijn bootje den hoek omgedraaid of Douwes zei: + +</p> +<p>“Wat zeg je nu van den Baviaan?” + +</p> +<p>“Ja, dat weet ik niet,” antwoordde Huibert, “maar we moeten hem toch niet meer uitschelden, wel?” + +</p> +<p>“Neen, want hij is veel te goed, en overmorgen mogen we weer mee!” sprak George. + +</p> +<p>Nu, overmorgen kwam, en ze gingen weer op de plassen. + +</p> +<p>Ze dachten er niet meer aan om hem Baviaan te noemen, en toen ze later eens bij hem aan huis kwamen, was het ook de oude Pels, +die hun leerde wat ze doen moesten om braaf en gelukkig te worden. Nooit meer verzuimden ze de school, en meester had altijd +pleizier van deze jongens. + +</p> +<p>Nu zijn ze alle drie onder dienst geweest en verdienen hun eigen brood; maar nog altijd is de oude Pels hun beste vriend, +en als ze eens een uurtje vrij hebben, en het weer zóó is, dat ze niet weten waar ze loopen zullen, dan kan men hen altijd +in zeker huisje van de Maansteeg vinden. +<a id="d0e2704"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2704">182</a>]</span></p> +<p>Onlangs kwamen ze er weer uit en toen zei Douwes tot Huibert en George: + +</p> +<p>“Leelijk is hij, leelijk als de nacht! Hij is waarlijk nog net een baviaan; maar hij is <i>goed</i>, <i>verstandig</i> en <i>braaf</i>, dat zegt meer, zou ik denken!” + +</p> +<p>“Dat gelooven wij ook!” antwoordden de andere twee. + +</p> +<p>De oude Pels leefde nog verscheidene jaren en werd zelfs overgrootvader; want Douwes was met Leentje getrouwd en had drie +kindertjes, die niets liever deden dan met grootvader spelen. Daartoe had de oude man ook overvloed van tijd; want Douwes, +die, door goed leeren en goed oppassen, meesterknecht in een groote smederij werd en goed geld verdiende, wilde niet hebben, +dat de brave man, die hem eigenlijk gelukkig gemaakt had, op zijn ouden dag moest werken voor den kost. Hij leefde dus vergenoegd +bij zijn kleinkinderen, en toen hij eindelijk gestorven was, zeiden de menschen: “Hij was een aap van buiten, maar een engel +van binnen!” + + +</p> +</div><a id="d0e2722"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2722">183</a>]</span><div class="backmatter"> +<p class="div1"></p> +<p>Van P. Louwerse verscheen bij den uitgever van dit boek op hetzelfde formaat en geheel op dezelfde manier uitgevoerd, voor +jongens en meisjes van 8–12 jaar: + +</p> +<p>Jan met de Pijp + +</p> +<p>Ver van Huis + +</p> +<p>Tante Poes +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Hier is wat + +</p> +<p>Is er nog plaats voor + +</p> +<p>Vertelavonden + +</p> +<p>De Kerstwagen + +</p> +<p><span class="smallcaps">Alle Fraai Geïllustreerd door Jan Sluijters</span>. + +</p> +<p>Prijs in geïllustreerd omslag 50 cents. Gebonden in fraai linnen stempelband 75 cents. <a id="d0e2749"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2749">184</a>]</span> <i>Bij den Uitgever van dit boek verscheen ook</i>: + +</p> +<p>Serie fraaie boeken voor jongens en meisjes van 8–10 jaar: + +</p> +<p>P. J. en SUZE ANDRIESSEN. + +</p> +<ul> +<li>Aan het strand. + +</li> +<li>Sinterklaasavond. + +</li> +<li>Het Kransje. + +</li> +<li>Greta en Meta. + +</li> +<li>Een dagje bij vrouw Aaltje. + +</li> +<li>Elsje van den Bezembinder. + +</li> +<li>Anne’s Kanarietje. + +</li> +<li>Slordig Jansje. + +</li> +<li>Het verdwaalde kind. + +</li> +<li>De gebroken vaas. + +</li> +<li>De Gevolgen der ongehoorzaamheid. + +</li> +<li>Mina de snoepster. + +</li> +<li>Een brutaal Meisje. + +</li> +<li>Op de Kostschool. + +</li> +<li>De Savoyaard en zijn aapje. + +</li> +<li>Vijf Kersen aan een steel. + +</li> +<li>De pleegkinderen van den orgelman. + +</li> +<li>Vacantiedagen. + +</li> +<li>Hoe raar een bal soms rollen kan. + +</li> +<li>De twaalfde verjaardag. + +</li> +<li>Een Zaterdagmiddag in het bosch.</li> +</ul><p> + +</p> +<p>TINE VAN BERKEN. + +</p> +<ul> +<li>Robbedoes. + +</li> +<li>Heintje Pochhans. + +</li> +<li>De geschiedenis van een broodtrommeltje. + +</li> +<li>Lachebekje. + +</li> +<li>Ons troepje. + +</li> +<li>Laura’s opstel. + +</li> +<li>Driftkopje. + +</li> +<li>Jongens die rooken. + +</li> +<li>Twee Vacantiedagen. + +</li> +<li>Hedwigs Sint-Nicolaasfeest. + +</li> +<li>Hollandsche Spartanen. + +</li> +<li>Plaaggeest. + +</li> +<li>Uit logeeren. + +</li> +<li>Hesters gebrek. + +</li> +<li>Jonge vechtersbazen. + +</li> +<li>Het album van Dora Jemelle. + +</li> +<li>Alfreds gedragboekje. + +</li> +<li>Een Buurjongetje.</li> +</ul><p> + +</p> +<p>Elk boek met twee fraaie platen. + +</p> +<p>Prijs in geïllustreerd omslag 35 CENTS. Gebonden in rijk vergulden linnen band 50 CENTS. + +</p> +<p>P. J. ANDRIESSEN, + +</p> +<ul> +<li>Sneeuwklokjes. + +</li> +<li>Heide en veld. + +</li> +<li>Uit ons Dorp. + +</li> +<li>Uit Stad en Dorp. + +</li> +<li>Klimop. + +</li> +<li>Het Klaverblad. + +</li> +<li>Bosch en Duin.</li> +</ul><p> + +</p> +<p>TINE VAN BERKEN, + +</p> +<ul> +<li>Meidorens. + +</li> +<li>Wilde Wingerd. + +</li> +<li>Kleine Menschen. + +</li> +<li>Met z’n drieën. + +</li> +<li>Onder ons. + +</li> +<li>Regen en Zonneschijn.</li> +</ul><p> + +</p> +<p>Elk der bovenstaande prachtige dikke boeken, bevat drie verhalen met zes platen en is gebonden in fraaien linnen stempelband. + +</p> +<p>Prijs ƒ 0.90 ingenaaid en ƒ 1.25 in prachtband. +<a id="d0e2884"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2884">185</a>]</span></p> +<p><i>Bij den uitgever van dit boek verscheen ook</i>: + +</p> +<p>“ONS CLUBJE” + +</p> +<p><i>BIBLIOTHEEK VOOR MEISJES</i> + +</p> +<p>Prijs per deel ƒ 0.90—in prachtband ƒ 1.25. + +</p> +<p>Het groote succes, dat zoowel hier te lande als in het buitenland aan Series Kinderboeken onder een gezamenlijken titel te +beurt viel, gaf aanleiding tot de uitgave van “<b>Ons Clubje</b>”, <b>Bibliotheek voor Meisjes</b>. + +</p> +<p>Dat ook deze serie door het publiek, reeds bij het verschijnen van het eerste deel, met ingenomenheid is begroet, valt gemakkelijk +te verklaren. Wat toch maakt de aantrekkelijkheid van zulk een serie uit? Dat de kinderen vroegtijdig den grondslag leeren +leggen tot een kleine boekerij, en dat de wensch om elke serie compleet te bezitten hun orde en netheid leert ten opzichte +van hun boeken. + +</p> +<p>”<b>Ons Clubje</b>” nu komt deze goede eigenschappen nog met een aantal vermeerderen, en wel om de volgende redenen. + +</p> +<p>1º. “<b>Ons Clubje” overtreft in pracht van uitvoering alles wat tot nu toe in dat genre verscheen</b>. De <b>buitengewoon goed geslaagde bandteekening</b> geeft elk deel een cachet, dat bijna geen ander kinderboek bezit. Het <b>artistieke, welverzorgde uiterlijk van “Ons Clubje”</b> heeft ten gevolge, dat den kinderen reeds vroeg eerbied en zin voor het schoone wordt ingeprent, dat zij de waarde van een +mooi voorwerp voor dagelijksch gebruik leeren kennen. + +</p> +<p>2º. “<b>Ons Clubje</b>” geeft slechts <b>degelijke en gezonde lectuur</b>, waarvan <b>opvoedende kracht</b> uitgaat, en die in de eerste plaats <b>echt-kinderlijk</b> is. “<b>Ons Clubje</b>” kweekt liefde en smaak bij onze kinderen aan voor een mooi, goed boek. + +<b>In “Ons Clubje” verscheen tot heden</b>: + +</p> +<ul> +<li>I. <b>Fransje Elswoudt</b>, door TRUIDA KOK. + +</li> +<li>II. <b>Emma van Bergen</b>, door P. J. ANDRIESSEN, 5e dr. + +</li> +<li>III. <b>Vera</b>, door SUZE ANDRIESSEN, 3e druk. + +</li> +<li>IV. <b>Paulette</b>, door E. DE PRESSENSÉ, 2e druk. + +</li> +<li>V. <b>De Buren, van mevrouw Bertrand</b>, door E. DE PRESSENSÉ, 2e druk. + +</li> +<li>VI. <b>Mooie Bruno</b>, door TINE VAN BERKEN, 2e druk. + +</li> +<li>VII. <b>Marie en Pauline</b>, door P. J. ANDRIESSEN, 7e druk. + +</li> +<li>VIII. <b>Van een Grootmoeder en zeven Kleinkinderen</b>, door TINE VAN BERKEN, 2e druk. +</li> +</ul><p> +<a id="d0e2985"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2985">186</a>]</span></p> +<p>GOED EN GOEDKOOP. + +</p> +<p>Wilhelmina-Bibliotheek + +</p> +<p>voor JONGENS en MEISJES. + +</p> +<p>Elk boek prachtig geïllustreerd en gebonden in fraaien stempelband. Prijs per deel ƒ 0.90.—In prachtband ƒ 1.25. + +</p> +<p><b>In deze Bibliotheek verscheen tot op heden</b>: + +</p> +<ul> +<li>I. E. DE PRESSENSÉ, <b>GENOVEVA</b>. Tweede druk. + +</li> +<li>II. P. J. ANDRIESSEN, <b>DE ERFENIS EENER MOEDER</b>. Derde Druk. + +</li> +<li>III. E. DE PRESSENSÉ, <b>URSULA</b>. Tweede druk. + +</li> +<li>IV. A. DE GRAAFF, <b>TOM en JACK</b>, Avonturen van twee schooljongens. + +</li> +<li>V. E. DE PRESSENSÉ, <b>ARME KLEINE</b>. Tweede druk. + +</li> +<li>VI. A. DE GRAAFF, <b>DE SPION OP SCHOOL</b>. + +</li> +<li>VIL E. DE PRESSENSÉ, <b>WILGENHOF</b>. Tweede druk. + +</li> +<li>VIII. A. DE GRAAFF, <b>JAAP en BEN</b>, Avonturen van twee schooljongens. + +</li> +<li>IX. A. DE GRAAFF, <b>HET GEHEIM VAN EEN SCHOOLJONGEN</b>. + +</li> +<li>X. A. DE GRAAFF, <b>DICK EN ZIJN VRIENDEN</b>. + +</li> +<li>XI. A. DE GRAAFF, <b>JACOB DE VONDELING</b>. + +</li> +<li>XII. A. DE GRAAFF, <b>DOOR DIK EN DUN</b>. + +</li> +<li>XIII. A. DE GRAAFF, <b>JACOB RENSUM</b>. +</li> +</ul><p> + +</p> +<p><b>De Wilhelmina-Bibliotheek overtreft in pracht van uitvoering alles wat tot nu toe in dat genre verscheen</b>. + +</p> +<p><b>De buitengewoon goed geslaagde bandteekening</b> geeft elk deel een cachet, dat bijna geen ander kinderboek bezit. + +</p> +<p>Het <b>artistieke, wel verzorgde uiterlijk der Wilhelmina-Bibliotheek</b> heeft ten gevolge, dat den kinderen reeds vroeg eerbied en zin voor het schoone wordt ingeprent, dat zij de waarde van een +mooi voorwerp voor dagelijksch gebruik leeren kennen. + +</p> +<p>De <b>Wilhelmina-Bibliotheek</b> geeft slechts <b>degelijke en gezonde lectuur, waarvan opvoedende kracht uitgaat</b>, en die in de eerste plaats echt-kinderlijk is. + +</p> +<p>De <b>Wilhelmina-Bibliotheek</b> kweekt liefde en smaak bij onze kinderen aan voor een mooi, goed boek. <a id="d0e3091"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3091">187</a>]</span> + + + + +</p> +<p>HET AARDIGSTE BOEK DAT TOT HEDEN VOOR JONGENS EN MEISJES VERSCHEEN IS + +</p> +<p>UIT DEN KOSTSCHOOLTIJD VAN JAN VAN BEEK + +</p> +<p>DOOR J. B. SCHUIL + +</p> +<p>Met talrijke Humoristische teekeningen tusschen den tekst van JAN SLUYTERS. + +</p> +<p>Prijs ingenaaid ƒ 2.40; in prachtband ƒ 2.90 EENIGE BEOORDEELING. + +</p> +<p><b>Handelsblad</b>: + +</p> +<p>Kleurig en monter is dit kostschoolleven met zijn “geheime verbonden”, “dieventaaltjes”, ontvluchtingen en andere avonturen +verteld. De toon bewijst duidelijk, dat de schrijver schik had in de dingen, die hij beschreef en misschien nog wel eens naar +een eigen kostschooltijd terugverlangt. + +</p> +<p><b>De Nieuwe Courant</b>: + +</p> +<p>Wij zeggen het den uitgever in zijn prospectus na, dat dit een echt Jongensboek is, prettig en vol afwisseling. De schrijver +<span class="smallcaps">J. B. Schuil</span> is in de jongenswereld voortreffelijk thuis en weet op ’n prik wat dit wereldje boeien kan. Maar hij weet er ook een goede +keuze uit te doen en zijn verhaal zoo in te kleeden, dat het ook opvoedend werkt, zonder den zedemeester uit te hangen. Er +worden in dit boek misschien wat veel ondeugende streken naverteld en gedeeltelijk gefantaseerd, maar die streken van Jan +hebben vaak een sympathieken achtergrond en de uiterlijke ruwheid gaat gepaard met innerlijke fijngevoeligheid. + +</p> +<p>Dit boek is vooral ook leerzaam voor ouders en opvoeders, die hier menigen wenk krijgen, hoe zoogenaamde ondeugende jongens +op te voeden; hoe gemis van tact, ondoordachte bestraffing en ruwe behandeling vaak de oorzaken zijn van het verstikken van +den edelsten aanleg. + +</p> +<p>De grappen en dwaasheden die door dit verhaal met kwistige hand zijn gestrooid, zijn meestal geestig geïllustreerd door JAN +SLUYTERS. + +</p> +<p><b>De Tijd</b>: + +</p> +<p>Een boek, onderhoudend en frisch geschreven, vol jongens-inzonderheid kostschooljongensfantasie, vol echte, guitige schelmsche +jongensstreken en jeugdige ridderlijkheid. ’t Is een leven van enkele jaren, doorleefd op kostschool met haar gewichtigheden, +prettige en minder prettige weken, naar gelang de dag van vertrekken in de richting kostschool, huis, of omgekeerd, is aangebroken; +naar gelang de streepjes, zoovele takjes aan den boom der dagen, successievelijk in kruisjes veranderen, of een nieuw trimester +begint. + +</p> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR *** + +***** This file should be named 18877-h.htm or 18877-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/8/7/18877/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/18877-h/images/frontcover.jpg b/18877-h/images/frontcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..df63d66 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/frontcover.jpg diff --git a/18877-h/images/logo.gif b/18877-h/images/logo.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f38c4cc --- /dev/null +++ b/18877-h/images/logo.gif diff --git a/18877-h/images/p01.jpg b/18877-h/images/p01.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..23a2fb8 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p01.jpg diff --git a/18877-h/images/p02.jpg b/18877-h/images/p02.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f8ebc3e --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p02.jpg diff --git a/18877-h/images/p03.jpg b/18877-h/images/p03.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5406363 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p03.jpg diff --git a/18877-h/images/p04.jpg b/18877-h/images/p04.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..546a2ca --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p04.jpg diff --git a/18877-h/images/p05.jpg b/18877-h/images/p05.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..434f3f0 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p05.jpg diff --git a/18877-h/images/p06.jpg b/18877-h/images/p06.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..29a03e3 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p06.jpg diff --git a/18877-h/images/p07.jpg b/18877-h/images/p07.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f1ab25d --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p07.jpg diff --git a/18877-h/images/p08.jpg b/18877-h/images/p08.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..07d9c7e --- /dev/null +++ b/18877-h/images/p08.jpg diff --git a/18877-h/images/script-g.gif b/18877-h/images/script-g.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..71a63cb --- /dev/null +++ b/18877-h/images/script-g.gif diff --git a/18877-h/images/script-k.gif b/18877-h/images/script-k.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f37b060 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/script-k.gif diff --git a/18877-h/images/script-m.gif b/18877-h/images/script-m.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4ec8f4a --- /dev/null +++ b/18877-h/images/script-m.gif diff --git a/18877-h/images/spine.jpg b/18877-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..14b3f26 --- /dev/null +++ b/18877-h/images/spine.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..f8bb740 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18877 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18877) |
