summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18429-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18429-8.txt')
-rw-r--r--18429-8.txt8361
1 files changed, 8361 insertions, 0 deletions
diff --git a/18429-8.txt b/18429-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..070bd60
--- /dev/null
+++ b/18429-8.txt
@@ -0,0 +1,8361 @@
+The Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by
+Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Zonnestralen in School en Huis
+
+Author: Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+Release Date: May 21, 2006 [EBook #18429]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Zonnestralen
+ In school en huis.
+
+
+
+ Vertellingen
+
+ Door
+
+ Henr. Dietz en Kath. Leopold,
+
+ Onderwijzeressen aan de leerschool, verbonden aan de Kweekschool voor
+ Onderwijzeressen, te Groningen.
+
+
+
+
+ Derde bundel.--met 7 platen.
+
+ Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900.
+
+
+
+
+
+
+ Stoomdrukkerij van J.B. Wolters
+
+
+
+
+INHOUDSOPGAVE
+
+
+ De Sprookjesfee.
+ Van de Pepernoten en den Doedelzak.
+ Op de Horens genomen.
+ Een Droom.
+ Een Dief—en Geen Dief.
+ Het Zilveren Lucifersdoosje.
+ April!
+ Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.
+ Juist Goed!
+ Weer van eene Fee.
+ Kalif-Ooievaar.
+ Onder den Tooverboom.
+ Het betooverde Horloge.
+ De Visscher en zijne Vrouw.
+ De Geluksklok.
+
+
+
+
+
+
+
+DE SPROOKJESFEE.
+
+
+Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die
+moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja,
+dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar
+heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die
+prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.
+
+
+
+Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En
+omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen
+te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene
+juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje
+eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde
+te leeren? Nu--juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning:
+"Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren,
+om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren
+naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor
+haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen
+het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met
+bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen
+tusschen al de moeilijke lessen. En--de korenbloemen doen nog wel
+schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren
+was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind
+van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook
+worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó
+wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze
+zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is,
+kan ook flink leeren."--Zoo praatte de koning, die de vader was van
+het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.
+
+Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in
+een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat
+kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en
+met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen
+gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder 't
+vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste
+platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen
+en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms
+ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst,
+beschilderd met madeliefjes.
+
+'t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan
+hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde
+ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd
+licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat
+tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in
+een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan
+haren schoot. Dan begon het: "Er was eens...." Vertellingen, die met
+"Er was eens" begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de
+verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel
+tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat
+was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal
+in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat,
+van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas
+hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde
+plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.
+
+Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze
+eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet
+meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat
+was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo
+wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden,
+bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten
+vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken
+dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm
+naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de
+lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een
+gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan
+las ze, las ze al de sprookjes die haar vroeger verteld waren. Weer
+had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond
+ze veel mooier dan lezen. "Hè," zei de prinses dikwijls, "wat was
+dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik
+zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo
+dol op sprookjes."--"Weet je wat," zei de koning, "ik zal je nog
+eens naar de sprookjesfee brengen."--"Hè, ja, Vader," zei de prinses,
+"doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar
+woont immers de sprookjesfee?"--"Ja," zei de vader, "de sprookjesfee
+woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar--ik
+weet niet precies waar."--"O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,"
+riep de prinses. "Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?"--"Ho, eens,"
+zei de vader, "bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar
+zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je."
+
+Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een' morgen
+zei de koning: "Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we." En
+den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel
+reisden, voor ze in 't land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang
+ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet
+ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het
+huis van de tooverfee zijn.
+
+Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. 't Was een klein, wit
+huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze
+werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee
+kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo
+vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste
+grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht,
+zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde
+de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes
+geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten
+kon, dat ze zoo'n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee
+te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop,
+dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de
+vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.
+
+Toen zei de fee: "Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent,
+om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en
+zie me goed in de oogen. Kijk ik begin al: 'Er was eens.....'" En de
+lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde
+de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de
+lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en
+dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte
+de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en
+fluisterde: "Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik
+zou wel een heelen dag willen luisteren en een' nacht er bij." De fee
+glimlachte: "Kom morgen weer," zei ze. "Mag ik, lieve fee, mag ik,
+Vader?" vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den
+volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren,
+en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.
+
+Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling
+mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de
+koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer
+naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee
+de hand. Ze had de tranen in de oogen. "Ik zal U nooit vergeten,
+lieve fee," zei ze. "Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o,
+ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U
+blijven. Dan mocht ik bij U logeeren....." "Weet je wat," zei de fee,
+"blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen
+is toch ook wel wat erg."--"O, Vadertje," smeekte de prinses, "als
+dat eens mocht!"--"Het mag," zei de vader. "Over zes weken zal ik
+je terug komen halen. Is dat goed?"--"Heerlijk!" riep de prinses,
+"o, wat heb ik toch een lieven vader!"--
+
+Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed
+de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als
+het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.
+
+Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging
+er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen--de zesde week was
+juist begonnen,--kwam de fee op een' avond met een grooten brief,
+waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel,
+ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover
+haar zat en begon:
+
+"Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij
+nog heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met
+den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder
+wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang,
+dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor
+nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn' dood over een groot
+land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom
+verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen,
+om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en
+bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange
+lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat
+ging maar: van 7-8 dit, van 8-9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen,
+Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch,
+Engelsch, Spaansch, Italiaansch ...."
+
+--"En vertellen," fluisterde de prinses.
+
+"Neen," zei de fee, "vertellen stond niet op de lijst."--"Arme
+prins!" zei de prinses. "Luister," zei de fee. "Een sprookje
+mocht den prins nooit verteld worden. 'Sprookjes! onzin!' zei de
+koning. 'Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen
+het voedsel, dat voor het koren is--weg er mee--'t is onkruid.'"
+
+Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar
+toen de prins groot en wijs en knap was--werd de prins ziek. Dat
+was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een' dokter
+komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins
+bleef ziek. Een ander dokter--pillen, poeders, drankjes--de prins
+bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins
+werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch
+eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist
+het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een
+anderen dokter roepen--alles vergeefsch.
+
+Eindelijk hoorde hij spreken van een' professor, die zieken genas,
+waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk
+werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk
+verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen.
+
+De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het
+ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hij
+luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de
+handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de
+wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een
+bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en
+riep eindelijk: 'Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit
+een sprookje hooren vertellen--dat hart heeft nooit van verwachting
+gebonsd--die oogen hebben nooit geschitterd--die wangen hebben nooit
+eene kleur gekregen--die mond heeft niet gejubeld--die handen hebben
+niet geklapt--die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene
+vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam
+dat toch zoo, Uwe Majesteit?'--'Ja, professor, ik dacht, de prins
+moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht:
+sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....'--'O, Uwe
+Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is
+een leven zonder zon!'--'Maar--wat moet ik doen, beste professor,
+wat moet er gebeuren?'--'Ja, er moet dadelijk iemand komen, om
+den prins te vertellen, 't is mogelijk, dat hij dan nog te redden
+is.'--'Maar'--riep de koning, 'ik zou niet weten, wie--in mijn paleis
+is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van
+vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!'
+
+De professor schudde het hoofd. 'Uwe Majesteit,' zei hij, 'iemand, die
+gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat,
+te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een' bode met een uitvoerig
+schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....'
+
+Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. "Hier
+is nu dat verzoek," zei ze, "en verder kun je alles wel raden."--"Dus
+'t is waar gebeurd!" zei de prinses. "Die arme, arme prins! En nu gaat
+U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te
+maken?"--"Ik zou het zoo graag doen," zei de fee, "maar het land van
+den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet
+een ander, eene jongere in mijne plaats gaan."--"Maar wie zou zoo mooi
+kunnen vertellen, als U!" riep de prinses. "Er moet immers juist zoo
+heel mooi verteld worden!"--"Ik weet er maar één," zei de fee; "'t is
+een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis getroost,
+om één sprookje te hooren, dat...."--"O, lieve fee," riep de prinses,
+"U kunt mij toch niet meenen!"--"Zeker! ik meen niemand anders," zei
+de fee; "zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in
+haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt
+het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen,
+en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden."--"Ik wil het graag
+probeeren, als 't niet anders kan," zuchtte de prinses, "maar ik ben
+bang..." "Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet,
+hoe heerlijk de terugkomst is."
+
+Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden
+morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig,
+waarmee ze de reis beginnen zou. 't Was bijna avond, toen de prinses
+de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze
+door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er
+triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart
+van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het
+hoofd hangen en zett'en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht
+wel sterven.
+
+De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de
+menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning
+te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het
+sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar
+den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van
+de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen
+voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in
+de ziekenkamer.
+
+Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens--doodsbleek. Hij
+sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam,
+maar sloot de oogen ook dadelijk weer; 't was hem onverschillig, wie
+er kwam of ging. "Kijk eens, mijn jongen," zei de koning, "daar is
+een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te
+maken."--"Mij weer beter maken?" zei de prins met eene matte stem, "mij
+weer beter maken, dat kan niemand."--"Mag ik het eens probeeren, beste
+prins?" vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. "Kijk,
+eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij
+Uw bed zitten en vertel U een sprookje...." "Een sprookje!" zei de
+prins, en zijne stem klonk een beetje helderder, "kun je sprookjes
+vertellen?"--"Of ik!" zei de prinses, "ik kom regelrecht van de
+sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben,
+en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was,
+zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de
+sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?" De prins knikte glimlachend met
+het hoofd. "Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van
+dingen?" vroeg de prinses, "'t Is mij alles hetzelfde," zuchtte de
+prins, die al weer matter begon te worden. "O, wat ben ik ziek. Je
+hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes."
+
+Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de
+trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering
+van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf
+pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen,
+toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de
+koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder
+'t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs
+wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij:
+"Mooi. Jammer, dat het uit is!" Toen draaide hij het hoofd op zij
+en sliep rustig in.--De dokters schudd'en het hoofd en zeiden:
+"Wonderlijk, wonderlijk!" De prins had immers in zoo langen tijd
+niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte
+de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in 't paleis
+brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden.
+
+En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door
+en at den volgenden morgen met smaak een eitje en 's middags een
+bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de
+deur, en eindelijk vroeg hij: "Komt mijne sprookjesfee niet?" Juist
+kwam de prinses de deur in en zei: "Daar ben ik al! Wat zal het nu
+wezen?"--"Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen," zei
+de prins. "Kun je dat?"--"Zeker," zei de prinses, en ze vertelde van
+den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht
+overeind in 't bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen
+het uit was, zei hij: "Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig,
+dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk
+dank, lieve fee!"--"Ik ben geene fee," zei de prinses, "ik ben maar
+een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt."--"En ze o,
+zoo mooi vertelt!" zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht:
+dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. "Tot
+morgen," riep de prins, toen de prinses heen ging.
+
+Toen de prinses den volgenden avond weer kwam--waar was toen de
+prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer,
+toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een
+gemakkelijken stoel bij 't venster en een even gemakkelijke stoel stond
+tegenover hem. "Neem plaats!" zei de prins. "Wat zal ik nu prettig
+luisteren."--"Waar moet ik nu van vertellen?" vroeg de prinses. "Ik zou
+zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,"
+zei de prins. "Kan dat?"--"Dat kan!" zei de prinses. Luister maar:
+
+"Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een'
+laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten
+linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene
+vertelling hooren." En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich
+nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op
+eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder,
+dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den
+kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor
+het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar,
+waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo'n sierlijke danseres had
+hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in
+den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels
+wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met
+den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten
+en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte
+en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen
+trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en
+zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles,
+dat den prins op 't laatst de tranen over de wangen rolden van 't
+lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: "Neen, maar,
+zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik
+dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!" Daar sprong de deur open en de
+koning kwam binnen. "Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid," riep
+hij. "Ik hoorde in de verte lachen."--"De prins is weer beter!" zei
+de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. "Lief meisje," riep hij,
+"je hebt mijn' prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol
+geld geven en...."--"Niets er van!" riep de prins, "daarvoor wil ik
+haar tot mijne vrouw maken!" Toen de koning die woorden hoorde, betrok
+zijn gezicht. "Ja," zei hij, ik kan me best indenken, dat je het meisje
+lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die
+moet eene prinses hebben...."--"Dat ben ik juist!" zei nu de prinses
+met een zacht stemmetje. "Sakkerloot! als dat zoo is!" riep de koning.
+
+Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis
+vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de
+prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De
+oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene
+nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had,
+toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe
+hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had
+weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar 't ouderlijk
+paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook
+een' zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij 's avonds
+in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat,
+tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde,
+dat is niet te zeggen.
+
+Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en
+juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de
+week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?
+
+
+
+
+VAN DE PEPERNOTEN EN DEN DOEDELZAK.
+
+
+Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen
+maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin.
+
+Eens op een' morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den
+rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout;
+want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer
+met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de
+koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo
+regeerde die voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden,
+over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding
+kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn
+hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne
+witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit
+met eene diepe buiging--de kousen aan. Waarom zette de deftige heer
+een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om
+en om? Omdat--hij op eens tot zijn' schrik een groot gat in den hiel
+gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar 't hielp
+hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de
+koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het
+wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf,
+die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg,
+maar--dit vond hij voor een' koning toch wel wat heel erg.
+
+Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee
+van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de
+hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen
+heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond,
+en zuchtend zei hij: "Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over
+mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen
+stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben,
+als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het
+me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er
+van denken, als ik me eens eene vrouw nam?".... De deftige heer,
+die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van
+den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij
+fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: "Wat ik er van denken
+zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen
+doen."--"Kom, dat doet me plezier," zei de koning; maar toen met
+een bedenkelijk gezicht: "Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo
+gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?"--"Welzeker!" lachte
+de opperhofmeester, "wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit
+is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen,
+en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe
+Majesteit behoeft geen zorg te hebben."
+
+Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want
+er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. "Ik weet het niet, ik weet
+het niet," zei hij. "Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal
+wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi--en heel lief--en heel
+verstandig ...."--"Is het anders niet," lachte de opperhofmeester,
+"o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden."--"Ho, ho, niet
+te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als
+het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel
+voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou."--"De prinses mag
+zeker niet ijdel zijn--of slordig--of nieuwsgierig.--Ze moet zeker
+mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of
+vlug schaatsenrijden ...."--"Houd maar op," riep de koning, "niets
+van dat al. Ze moet--lekkere pepernoten kunnen bakken!--Ik houd
+nergens zooveel van als van pepernoten. Maar--juist, omdat er geen
+grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig
+op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet
+te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in
+mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in 't pepernoten bakken
+al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een
+het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard,
+de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen,
+een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik
+zou willen trouwen, _moet_ pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere
+ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden."
+
+Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een' schrik. Maar
+hij hield zich goed en zei: "Een koning als Uwe Majesteit kan alles
+krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten
+bakken kan."
+
+"Zou je dat wezenlijk denken?" riep de koning, nu erg in zijne nopjes,
+"kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken."--
+
+Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou
+nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die
+hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en
+gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar
+haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in
+gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten
+werden er gepakt: niets was den koning te veel of te kostbaar voor
+de prinses, die .... je weet het wel.
+
+Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen
+voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en
+voort gaat het....
+
+Dat was me eene lange, lange reis, van 't eene land naar 't
+andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen
+woonden. Maar--hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij
+er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die
+tegelijk "heel mooi" en "heel lief" en "heel verstandig" waren. En nu
+zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen
+nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar
+.... geene van de drie kon pepernoten bakken!!
+
+"'t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken," zei de eerste
+prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden
+zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: "Mogen het geene
+amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en
+hartjes, met veel boter."--"'t Spijt mij ook, lieve prinses," zei de
+koning; "maar het _moeten_ pepernoten zijn."
+
+De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen
+de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het
+hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig:
+"Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke
+dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses,
+die--pepernoten kan bakken!"
+
+Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van
+de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet
+hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning
+nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel
+graag willen weten, zei ze, of de koning ook--op den doedelzak kon
+spelen. Op zoo'n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja,
+hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses _hem_ iets zou kunnen
+en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: "'t Spijt me,
+'t spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan
+ik niet op spelen."--"O," zei de prinses, "als dat zoo is, behoeven
+we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het
+spijt me wezenlijk om U, en zelf had ik het ook graag anders gewild;
+want ik vind U heel aardig. Maar--op den doedelzak te hooren spelen, o,
+dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen,
+nooit een' man te nemen, die dat niet kan." Arme koning, daarmee kon
+hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de
+koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en
+zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.
+
+En toch--de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet--er _moest_
+eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning
+den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand
+onder 't hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. "Uwe
+Majesteit heeft toch geen verdriet?" vroeg de opperhofmeester
+medelijdend. "Ik heb nog altijd geene koningin," zei de koning,
+"en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit
+eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van
+de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt,
+ik moet maar tevreden zijn met--amandelkoekjes. Ja, de prinses, die
+zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes,
+met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar
+dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust
+heeft mijne vrouw te worden."
+
+De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug;
+want hij bracht de boodschap aan den koning, dat--de prinses tot
+haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in
+dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De
+prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd
+met den koning van het land, waar de amandels groeien.
+
+"Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik
+vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos,
+omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan
+zich bedacht hebben." Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang
+niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug
+met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te
+brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven
+lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren
+over een land, waar een dwaas op den troon zat. "Als dat zoo is,"
+zei de koning boos, "laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is,
+ik heb haar niet noodig."
+
+Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar--hoe
+nu? 't Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog,
+en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de
+drie. Maar--de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den
+doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt,
+dan--zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang
+na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te
+vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de
+prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de
+pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen,
+voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te
+trotsch voor.
+
+De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen--liet hij toch
+weer den opperhofmeester bij zich roepen. "Mijn waarde heer," zei de
+koning, "je trekt al een lang gezicht, en 'k weet wel waarom. Maar dat
+zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer--naar
+de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil
+ik het toch." De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei:
+"Zooals Uwe Majesteit beveelt."--
+
+De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles
+behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op,
+weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft
+gedaan. En--als het niet om zijn' heer en meester, den koning geweest
+was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij
+'t paleis van de prinses kwam. Maar--tot zijne groote vreugde liep
+alles heel anders af, dan hij gedacht had.
+
+Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens
+moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses
+zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning,
+eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te
+zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn' smaak kon bakken. Ook,
+hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe
+erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij
+gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe
+mooi, hoe verstandig hij die ééne vond. Hoe _heel_ graag hij daarom
+juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als
+ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen
+had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had,
+dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en
+verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten
+had, zijn' opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te
+vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.
+
+Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een
+verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren,
+hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de
+pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij
+ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder
+al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was,
+die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en
+geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne
+gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na
+lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel
+goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe
+ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk
+"ja" te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.
+
+Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de
+koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen
+trouw meegenomen had, naar 't paleis brengen en zelf pakte hij alles
+voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo'n voornaam
+heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben
+willen doen, als hij maar geweten had, wàt!
+
+Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets
+draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets
+stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den
+opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe
+liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde
+boodschap te brengen.
+
+Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor 't
+paleis. De opperhofmeester was in een' wip het rijtuig uit en twee
+treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die
+al verlangend had staan uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van
+paarden in de verte hoorde, kwam zijn' opperhofmeester al tegemoet in
+het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep,
+dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal,
+waar ze ongestoord praten konden. "Ze doet het, ze doet het!" riep de
+opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.
+
+Toen vloog de koning zijn' opperhofmeester om den hals, en hij
+schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester
+"au" riep. "En, en" .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren
+gekomen was, "vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?"--Toen
+vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles,
+wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn'
+opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde
+hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed
+voor zijn' koning gesproken had.--Nog dienzelfden dag werden de
+ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in 't heele land. En
+toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit
+zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was
+een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een
+driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan
+de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster
+met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene
+edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de
+heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug
+gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende
+ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij
+bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. 't Was
+eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning
+wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat
+hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd
+bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met
+hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen
+wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers
+van groen en bloemen aan de huizen--den heelen dag door muziek en
+'s avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel,
+lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken--eene heele week
+lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk,
+alles ter eere van de lieve jonge koningin.
+
+'t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin
+en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun
+beidjes.--Ja--toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd
+werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de
+harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo
+heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje
+weer zoo gelukkig met haar koning.
+
+Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.
+
+Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning,
+wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning
+moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers
+gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger--toen was er
+dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu:
+wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze
+goed voor den koning. 't Was een lust!--En 's avonds, als de koning
+moe van 't regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te
+vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen
+en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren
+als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor
+zijn land en voor zijn volk gedaan had.--Altijd deed de koningin,
+wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen,
+dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op 't laatst zoo knap, dat
+ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.--
+
+En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo
+knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat
+wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat
+hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was
+hij lief voor haar--nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag
+plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.
+
+'t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar
+lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de
+koning nog geene enkele maal gedacht: "'t Is toch jammer, dat mijne
+koningin geene pepernoten bakken kan." En de koningin had nog niet één
+keer gezucht: "'t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak
+spelen kan." Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en
+de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden,
+ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee
+'s morgens uit het bed stapten--met het verkeerde been. Als het nog
+maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen
+geweest was! Maar alle twee tegelijk--dat was erg genoeg!
+
+Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit
+het bed en dus--ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog
+nooit anders geweest, 's Avonds zou er een groot feest wezen in de
+mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er
+gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen
+het groen hangen. Maar--het regende, het stortregende, het plasregende,
+het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van
+den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en
+lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren:
+in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden,
+dat ze wel thuis konden blijven.--En de koningin vooral had zich nog
+wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!--
+
+Dan--toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met
+haar poesje was gaan spelen--had Poes haar leelijk over de hand
+gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de
+jonge koningin zoo trotsch op was.--En--er was eene leelijke vlek
+gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen
+opschilderde.--En--onder het kappen had de kamenier de koningin bij
+ongeluk met eene haarspeld in 't hoofd geprikt. Daar had de koningin
+hoofdpijn van gekregen.--En--maar kom, ik wil al de ongelukken,
+die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen,
+'t Liep alles, alles verkeerd--en ons koninginnetje, anders altijd
+even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en
+heelemaal niet in haar schik.
+
+En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het
+bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, 't Speet hem ook erg van
+'t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.--En dan--de
+kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op
+een plaatje altijd op de hand dragen--viel bij ongeluk op den grond
+en het prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!--En
+dan--kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten
+maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw,
+vuurrood gekleurd, en de zee oranje!--En de nieuwe laarzen knelden
+zóó, dat de koning er kreupel van liep. En--en--nog eene lange rij
+van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was
+onze koning altijd vriendelijk en welgemoed--nu was hij brommig en
+boos en heelemaal niet in zijn humeur.
+
+De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos:
+o wee, o wee!--Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was,
+zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de
+koningin _kibbelden_! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag
+zelf eigenlijk niet meer. 't Was om eene kleinigheid, 'k geloof om
+een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar
+de koning toen naar moest zoeken. Nu, 't komt er ook niet op aan,
+_waarom_ ze kibbelden--ze _kibbelden_, en dat wou ik eigenlijk maar
+vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de
+koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning
+nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en
+bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was 't, geloof
+ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de
+koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan,
+en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin
+toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er
+nooit iets op hem te zeggen viel.--'t Ging al harder en harder tegen
+elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo
+verstandig, om op te houden met kibbelen.
+
+En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen,
+trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een'
+lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: "Me dunkt, heer koning,
+je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat
+op aan te merken hebben: _je kunt niet eens op den doedelzak spelen!_"
+
+Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of
+de koning riep driftig: "Ja wel, ik zal me stil houden voor eene,
+_die niet eens pepernoten kan bakken!_"
+
+Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten
+praten. De koningin schrikte, toen ze 't gezegd had en de koning
+schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden
+ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en
+ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook
+regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de
+canapé en begon bitter te schreien.
+
+"Och, och," zuchtte ze, "wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe
+kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als
+ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar
+niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet
+mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn
+beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om,
+of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo
+iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk
+tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker."
+
+Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde
+zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer
+in zijne kamer en dacht: "Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik
+toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er
+eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed
+en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er
+niets minder om van haar.--Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig
+en boos gemaakt--ze zal 't zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd
+heb. Wat ben ik begonnen!"
+
+De koning ging met het hoofd in de hand op een' stoel zitten en
+keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht
+weer op, hij sprong van zijn' stoel, en op eens lachte hij en riep:
+"Eigenlijk is 't maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten
+bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten
+antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon
+spelen!--Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen
+was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me
+is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar
+haar toe, om alles weer goed te maken."
+
+Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de
+lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.--Maar
+daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien
+ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de
+lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich
+niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar
+tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms--'t
+was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs
+den muur schoof, om zich niet te stooten.
+
+"Wie is daar?" vroeg de koning. "Ik ben het," zei een zacht,
+bedroefd stemmetje. "Wien zoek je, vrouwtje?" vroeg de koning, want
+de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van
+het koninginnetje. "Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo'n spijt, ik wou
+je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van
+...."--Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de
+gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei:
+"Je behoeft me geene vergeving te vragen," en zijne stem beefde wat,
+"ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. 't Is nu alles
+vergeven en vergeten. En weet je," fluisterde de koning verder, van
+nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit
+weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft
+worden. Die woorden zijn: _doedelzak_ en--"
+
+"En _pepernoten_," riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte,
+vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de
+koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef
+zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.
+
+
+
+
+OP DE HORENS GENOMEN.
+
+
+Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal
+wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad
+gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden,
+vind je dat niet raar? 't Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een
+boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag
+weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets
+meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in--eene koe. Gelukkig
+niet voor altijd, maar 't was toch heel moeilijk, om weer eene fee te
+worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden
+jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen,
+die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar
+van pure liefde een' kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat
+niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus
+gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was,
+om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.
+
+Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze
+was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een
+rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad,
+waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën
+hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide
+had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de
+huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met
+gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de
+koe wel vier keer op een' dag en andere koeien worden toch maar twee
+keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had
+het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou
+doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een
+ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op
+het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een'
+emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar
+dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus
+had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar--ze behoefde niet lang meer
+te zoeken. Pas maar eens op.
+
+Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des
+zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een'
+jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn,
+en dat is maar gelukkig ook.
+
+Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren
+vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te
+verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!
+
+Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich
+zelf. Tegen de bedienden van zijn' vader sprak hij, alsof ze weinig
+meer dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij
+den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief--ja,
+'t is haast zonde om het te zeggen, maar 't was, of hij zijn eigen
+ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook
+aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. 't Was,
+of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor
+hem waren. Nooit was het eten naar zijn' zin, en dan stond hij altijd
+dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op
+alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was
+het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor
+zoo'n naren jongen.
+
+Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne
+ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en
+denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen
+op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig
+zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze
+koe wel ooren voor. Nu--ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den
+eersten den besten dag stapte Gustaaf met een' knecht een eind achter
+zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen,
+hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek
+hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn
+hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig
+wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die
+om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit
+of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen
+wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo'n gouden
+dingetje had een arme man wel een' zak aardappelen kunnen koopen. Zóó
+rijk was Gustaaf--ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog
+een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij
+gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook
+wel zien doen.
+
+Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett'en. 't Was juist
+Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe
+liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen
+naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: "Nu moet ik eens goed oppassen,
+of dat heertje niet voor mij geschikt is."
+
+Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep
+met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en
+bedelde: "Hè, laat mij eens zien! wat mooi!" Maar pas had het kind een'
+vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op
+de handjes en riep: "Brutale jongen, dat zal je leeren ...." Verder
+kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren
+kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de
+horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens
+vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met
+den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon
+doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de
+kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje
+van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij
+moest het gauw opgeven: zoo'n hollend dier kon hij toch niet inhalen.
+
+Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens
+goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter
+te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem
+eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een' vader en eene moeder
+te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg
+genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis
+laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook
+in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen,
+ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed
+zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.
+
+En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. 't Was
+al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog
+mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer
+op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie,
+dat ze weer weg kwam.
+
+Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door
+wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op
+eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe
+kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de
+knieën bij Gustaaf neer. "Arm ventje," zei ze, "hij slaapt!"--"'t
+Lijkt wel een jongetje van rijke menschen," zei de heer, "maar 't is,
+of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan
+de kinderen hier."
+
+"O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!" riep de kleine jongen.
+
+En wezenlijk, nu voor 't eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had
+hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist
+niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal
+in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was
+genomen. "Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?" riep hij. "'t Is waar
+ook," zei de mevrouw, "de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom,
+Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem."
+
+Nu moest Gustaaf aan 't vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn
+naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen
+Gustaaf den naam van zijn' vader noemde, schudd'en de mijnheer en
+mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen
+wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In
+welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam
+van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het
+ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school
+het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus
+wist hij er niets van.--Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had
+hem op de horens genomen en daar neergelegd. "Wat zijn dat nu voor
+praatjes?" zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf
+ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. "Nu," zei de mevrouw,
+"'t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe
+hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij
+zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo
+dikwijls alleen."
+
+"Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet," zei Dolfs vader,
+"maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier."--"Och,
+ja, Pa!" riep Dolf. "Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar,
+Gustaaf!"--"Neen, mijn jongen," zei de moeder, "'t is nu te laat,
+en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens
+in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg,
+dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen."
+
+Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk,
+toen haar daar zoo'n vreemde jongen gebracht werd. "Mijnheer en Mevrouw
+weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen," bromde ze. "'t Is of
+ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo'n jongen te verzorgen, die
+hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het
+is!"--"Een bedelaarsjongen!" en dat te zeggen van ons fijn heertje
+Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! "Och! hou' je stil! je weet niet,
+van wien je spreekt!" riep hij. "Wel zeker!" riep de kindermeid,
+"ik zou mij stil houden voor zoo'n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw
+onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in
+te slapen. En nu in 't vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht
+bekomen." Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een
+oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in 't slot omdraaien.
+
+Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar
+lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een
+zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar
+niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien
+langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over
+alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende
+jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo
+behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas
+gespeeld had over de dienstboden van zijn' vader. En die mijnheer en
+mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was
+hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat
+hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten
+op een grasveld had moeten slapen.
+
+Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw
+speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf
+roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar--vroeg
+opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap
+bracht, bromde hij: "Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen,
+ik heb nog geen' zin om op te staan."--"Zóó," zei de kindermeid,
+"zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets
+kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen,
+dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest
+het ook eens wagen, Dolf te laten wachten." Met zette ze Gustaaf met
+zijne bloote voeten op den vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan,
+ook als men er geen' lust in heeft.
+
+Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen,
+kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar
+Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen
+zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en
+dacht: hè, wat is het 's morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik
+nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond
+hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.
+
+Na 't ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht
+met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien
+hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn' verjaardag gekregen
+had. 't Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar
+.... op eens zei Dolf: "O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene
+gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?"--"Dat
+kun je begrijpen!" riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij
+hen. Die riep: "Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij
+geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem
+toch!"--"Neen!" schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos:
+"Ondankbare jongen!" riep ze. "Hier, je zult den riem geven." En met
+geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.
+
+Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór
+dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den
+riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven
+ook. "Ziezoo!" riep hij, "ik zal je leeren den baas te spelen over mijn
+goed!" en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar
+och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op
+zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer
+met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.
+
+Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. 'k Had hem zoo graag
+bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij
+maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet
+maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en
+niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren,
+wat voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens
+"heertje" af zijn.
+
+Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een' koopman,
+waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo'n paar balen legde
+ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. "Wil je wel eens gauw
+van mijne balen af, kleine deugniet!" riep hij. Maar Gustaaf, die
+door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was,
+verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met
+een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen
+kneep bij 't oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. "Och, Mijnheer,
+doe mij geen kwaad!" riep hij met gevouwen handen. "Ik ben niet op Uwe
+balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid."--"Die koe?" riep
+de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van
+de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met
+eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook
+niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken
+Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus
+verschrikkelijk, dat iemand hem voor een' leugenaar hield. Maar--het
+hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. "Wat praatjes wil je
+me nu op de mouw spelden?" riep de koopman. "Eene koe heeft je hier
+gebracht? En je hebt hier geen huis--je ouders wonen ver weg, en je
+kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal,
+en ik wil je wel houden. 'k Heb net een' loopjongen noodig. Ga maar
+mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt."
+
+Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust
+zoo'n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat
+ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen
+loopjongen, stemde ze toe. "Zie je," zei de koopman, "hij lijkt nog
+al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook,
+dat staat veel voornamer dan dat er zoo'n arme jongen met hem gaat."
+
+Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. "Kijk eens," zei de vrouw,
+"wat heeft hij mooie dingen aan zijn' horlogeketting hangen. En een
+echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo'n kleine aap er
+aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongen
+behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags
+mooi mee maken."
+
+Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne
+fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem
+bij den arm en: "Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!" klonk hem in 't
+oor. "Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij
+je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan 't werk." Toen
+werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele
+huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname
+zoontje van zoo'n rijken heer met een' veger aan 't werk! Wat voor een
+leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos,
+als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij
+'t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. "Kom aan, kleine
+man," zei hij, "zet maar niet zoo'n zuur gezicht. Ik ben ook als
+loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed,
+misschien zul je 't dan ook nog wel eens zoo ver brengen."
+
+Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf
+aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang
+in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer
+in zijn bed. Maar--dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger;
+hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de
+vrouw van 't huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden
+als zijne eigen moeder. Maar neen, 't was maar: "haal mij dit!" en
+"breng mij dat!" en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht,
+dat hij zelf vroeger ook op zoo'n toon tegen de dienstboden gesproken
+had. Nu kon hij 't ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken
+te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord,
+nooit deed ze iets aardigs voor hem.
+
+Eens op een' dag gaf ze Gustaaf een' appel, die begon te rotten. Dat
+was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was
+er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees--dat was
+het ergste. O, als hij 's avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam,
+dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne
+ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem
+vroeger onverschillig waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem
+van zijn' vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.
+
+Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen
+van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook
+al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken
+naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem
+geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht
+niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem
+blijven. "Och," zuchtte Gustaaf, "zoo liet ik vroeger mijn grooten
+bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden
+hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe
+'n nare jongen ik was."
+
+Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om
+met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O,
+wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op
+de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de
+gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar
+wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij
+vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig
+kon wezen, omdat hij 't nooit recht geprobeerd had.
+
+Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf
+werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar--hij moest nog
+veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog
+te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: "Och, ik heb het toch
+wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter
+hebben!" Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond
+zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om
+een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij
+verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader
+een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.
+
+Eens op een' dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een
+bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij,
+altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht,
+waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende
+liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de
+stad liep. Hè, wat was het daar heerlijk frisch! 't Was ook zoo'n
+kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de
+frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had,
+wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die
+hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten;
+maar och, wat kon 't hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en
+wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom
+regelrecht op de koe af en zei: "Hier ben ik! als je lust hebt, mij
+weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu
+heb, niet." De koe schudde den kop. "Nooit tevreden!" zei zij. "Als
+ik je ergens anders breng, zal je 't eerder minder dan beter hebben,
+mijn jongen."--"Dat kan me niet schelen!" riep Gustaaf. "Alles liever
+dan de knecht te wezen van dien naren Willem." 't Was of Gustaaf op
+eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op
+haren rug. "Nu toe maar," zei hij. En de koe liep met kleine stappen
+verder. "Je loopt niet vlug," zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe
+zich om een paar grassprietjes af te trekken.
+
+"Neen," zei de koe. "Ik heb geen' haast. De plaats, waar ik je brengen
+wil, is niet ver van hier."
+
+"Ik heb van morgen nog niets gegeten," zei Gustaaf. "'k Heb
+honger." "Daar is mijne melk goed voor," zei de koe. "Hè, ja!" en in
+een' wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het
+ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn' mond loopen. Lekkere
+versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.
+
+Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond
+het niet naar meer met de koe te reizen. "Och, als ze mij nu eens
+weer naar mijne ouders bracht," dacht hij, en een traan rolde hem
+over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.
+
+'t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. "Ziezoo, we zijn
+er," zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om 't hart. Bij 't licht van de
+sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur
+was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene
+oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis:
+eenzaam en stil lag het hutje daar. "We zijn er," zei de koe nog eens,
+toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. "Hier?" riep Gustaaf,
+"dat kun je niet meenen, 't is _te_ leelijk!"
+
+"Stap af, zeg ik je," antwoordde de koe, "en ga binnen. Ik blijf
+bij je."--"Ik blijf bij je," dat was wel een troost; maar de
+gedachte in zoo'n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo
+verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens
+vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een' zijsprong,
+en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen
+de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond
+vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene
+leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: "Wat is dat hier toch,
+wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken."
+
+"Och," zei Gustaaf, "och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?"
+
+"Maak, dat je wegkomt; bedelaar," riep de vrouw. "Wat meen je, dat
+mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi
+heertje daar vraagt, om bij ons te slapen."
+
+Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe
+aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof
+hij hem wou bijten.
+
+"Je _moet_ hier blijven," fluisterde de koe.
+
+Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, 't Was een groote dikke man,
+met booze oogen en een streng gezicht.
+
+"Ik neem geen bedelaars in huis," zei hij. "Maak, dat je wegkomt,
+jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen."
+
+"Je _moet_ hier blijven," zei de koe zonder zich aan de dreigementen
+van den boer te storen.
+
+"Heb medelijden, beste Mijnheer," .... smeekte Gustaaf. Voordat hij
+meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn' leeftijd, maar
+veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. "Ik
+wil hem hier houden," riep hij, "hij is een vriendje voor mij, hij zal
+bij ons wonen." Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en--"nu,
+omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier," zei
+de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter
+hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen
+stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje
+hooi stond te trekken.
+
+Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet
+minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter
+in schikken.
+
+Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af,
+het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven,
+maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo'n eenvoudig
+hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af,
+vouwde het netjes op, en borg het in de kast. "Als je weer weggaat,
+kun je het terugkrijgen," zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd
+van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een
+paar klompen--alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat
+ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten
+voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren
+allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje,
+en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob
+waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor
+zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat
+ook zijn, dachten ze.
+
+Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone
+kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van
+den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote
+klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in,
+en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.
+
+Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd
+roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet
+laten den neus een beetje op te trekken. 't Was maar gelukkig, dat hij
+den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig
+was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen:
+hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en
+Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij
+het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman;
+daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes
+toe was.
+
+Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar
+op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar--'t was
+er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje
+in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets
+beters geven. Dat hij zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel
+gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam
+de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing
+bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en
+vriendelijk aan. Hij viel 's avonds dadelijk in slaap en was 's morgens
+heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker
+dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór
+dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar
+de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar
+zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer
+dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in
+het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht,
+niet meer zoo'n verdriet--hij merkte, dat hij een betere jongen werd
+en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.
+
+Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op
+streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en
+zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had
+niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep
+dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als
+Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: "beste jongen!" 't
+Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.
+
+Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene
+harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. 't
+Was altijd "mijn jongen" vóór, "mijn jongen" na, zoodat Gustaaf haar
+wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij
+voor 't eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.
+
+De eenige, die hem 't leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob,
+aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte
+Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een
+stadsheertje praatte, en dan weer was het: "of hij niet liever in
+verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen."--De boer
+en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze
+begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar
+wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon
+al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het "mijnheertje van de koe"
+te noemen. En nu ging het maar elken dag: "Zeg, moet je nog niet eens
+weer een ritje maken?" In 't eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen
+geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en
+zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het
+met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit,
+waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen;
+want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens
+werden nu echte vrienden.
+
+In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten,
+haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had,
+en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in
+leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij
+Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd
+Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde
+hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen
+Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te
+keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. "Kom
+aan," zei hij, "je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!"
+
+Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte,
+moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen,
+dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de
+koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep:
+"Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet
+meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je
+lief! daar dan!" Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een'
+kus op den neus!....
+
+Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de
+oogen wel dichtknijpen en--toen hij ze weer open deed--stond
+er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te
+zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen--toen zag hij,
+dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in
+een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo'n wijsneuzig,
+zoo'n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.
+
+"Gelukkig!" riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe,
+"je hebt ons beiden gered! Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen
+van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij,
+nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in
+ongerustheid over je."
+
+'t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was,
+en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.
+
+"Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was," zei de moeder,
+en de tranen rolden haar over de wangen, "'t Is nu juist een jaar
+geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood
+was." Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. "Hier, Moeder,"
+riep ze, "hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij
+verdient het."
+
+Te vertellen, hoe 'n gezicht de vader en de moeder zett'en en hoe
+gelukkig ze waren, 'k zou het niet kunnen. De moeder was dol van
+blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe
+knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde
+handen van zijn' jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette
+eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij
+het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de
+knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens
+genomen werd, zat op een' stoel bij de deur van blijdschap te schreien.
+
+Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: "Maar wat
+heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?"
+
+"Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf," zei de fee lachend.
+
+Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden
+en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden,
+meende Zus.
+
+
+
+Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen,
+en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij
+was--was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een
+flinken, aardigen jongen van hem te maken.--Eén ding alleen bleef hem
+altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten,
+hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem
+maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op
+den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.
+
+Wie ook mee feestvierden?
+
+Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een' brief
+schreef, om--neen, meer zeg ik niet.
+
+
+
+
+EEN DROOM.
+
+
+Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van
+mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan 't spelen
+en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn
+speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht
+mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En
+dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond,
+met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit
+was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen
+moest: "Ziezoo, nu is 't voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog
+van droomen."--Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè,
+eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had,
+wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens
+zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond,
+als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo'n mooien droom
+zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...--
+
+Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een
+oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob
+deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits
+al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo'n gezellige oom, als dat
+ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te
+vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!
+
+"Oompje," zei Frits op een' keer, "je bent zoo knap, en
+overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren
+droomen?"--"Leeren droomen!" lachte Oom, "wat meen je daar toch
+mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet
+te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?"--"Ja wel,"
+zei Frits, "maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil."--"O, is 't
+anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren," riep Oom. "Weet je,
+wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd
+op 't kussen."--"Hè Oom, je plaagt me ook altijd!"--"Ho, mannetje,
+ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en
+de beide handen onder 't hoofd en dan--ga je maar denken aan alles,
+waar je van droomen wilt. Je zult zien, dat helpt. Maar pas op,
+dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt,
+dan is het mis en je droomt--niets!"
+
+Wat was die Frits in zijn' schik met het kunstje! Hij kon dien dag
+haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te
+gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen
+en nu--Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar
+bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.
+
+"Je bent toch niet ziek, jongen," vroeg Moeder. "Och ja," plaagde Oom,
+"hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne
+dikke boterham, en wat ziet hij wit!"--Oom begreep wel, waarom Frits
+zoo'n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits
+wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom--en
+als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.
+
+Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in 't oor: "Kom
+je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?" Oom knikte lachende
+van "ja." Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag
+onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars,
+de handen onder 't hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen,
+doodstil, zonder zich te verroeren. "Zoo is 't goed," zei Oom,
+"nu maar denken aan--weet je al, wat je droomen wilt?"
+
+Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en
+dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van
+gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had
+en wou gaan slapen, om te droomen, toen--wou de slaap niet komen. 't
+Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op
+dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene
+hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn' linkervoet eens boven
+zijn' rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam
+de slaap en--daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom,
+dien ik je nu eens wil gaan vertellen.
+
+Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde
+in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De
+voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar
+ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in
+'t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren
+verblind door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele
+kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond
+er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat
+hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling--neen,
+'t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan
+twee aanstappen--twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel
+in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met
+groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven
+een groot hoofd met een puntig kapje er op. 't Leken wel kleine
+jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen
+en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze
+daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem
+bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: "Jongeheer,
+'k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!"--"Zoo," riep
+Frits vroolijk, "ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie,
+Appelsteeltje!" en hij schudde het dwergje de hand. "En hoe gaat
+het je petekind?"--"Dank je, jongeheer, best," zei Appelsteeltje,
+"maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in 't bosch te
+vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere
+toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens
+een kijkje bij ons te nemen."--"Op een bal?" riep Frits, "maar ik kan
+niet dansen!"--"O, dat komt er niet op aan," meende Appelsteeltje,
+"op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren
+kan."--"Maar, met wie zal ik dansen?" vroeg Frits weer. "Dat is eene
+verrassing," lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne
+breede, vriendelijke monden mee. "Maar ik heb geen mooi pakje, om in
+te dansen," zei Frits. "Daar is voor gezorgd," zei Appelsteeltje.
+
+Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén
+droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts
+met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte
+dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets
+zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn
+bed, zett'en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en
+strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins
+uit een sprookje. "Maar," begon hij nu weer, "hoe komen we op 't bal,
+dat is zeker heel ver." "'t Komt alles in orde, jongeheer Maar!" riep
+Appelsteeltje. "Voorwaarts, marsch!"
+
+Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit,
+precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door,
+de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en
+getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de
+vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar 't bal te brengen. Hoe
+hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op
+den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere
+zes, natuurlijk op ieder veulen twee. 't Was een heele optocht:
+voorop drie veulens met zes dwergjes, in 't midden Frits, achter hem
+weer drie veulens met zes dwergjes.
+
+"Nu naar 't bosch," kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De
+veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en
+Frits riep uit alle macht "hoezee! leve Appelsteeltje!" Voort ging
+het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden,
+over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf
+vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als
+een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. "Zijn
+we er al?" vroeg Frits. "Ha, ha!" lachten de dwergjes, "hij vraagt,
+of we er al zijn!"
+
+Daar schemerde licht door de boomen. 't Kwam uit de ramen van een
+statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel
+naar dien kant en riep Frits over zijn' schouder toe: "Het betooverde
+kasteel!" Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te
+bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel
+te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel
+eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.
+
+Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens
+wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van 't bosch stond
+een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar,
+dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne
+fakkel: "Het huisje van de drie beertjes!" riep hij Frits toe. Ja,
+wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een
+venstertje kijken. "Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!" groette
+Frits, "hoe smaakt de honigsoep?" Maar voordat er antwoord kwam,
+lag het huisje al weer in de verte.
+
+Daar was eindelijk de rand van 't bosch. Ja, en daar stond ook weer
+een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een
+tuintje er voor. "Daar woont de grootmoeder van Roodkapje," vertelde
+Appelsteeltje. "Och, och," begon Frits, "woont daar nu...." Maar daar
+vlogen de veulens, nu ze 't bosch uit waren, in eens weer met een' ruk
+vooruit: 't scheelde niet veel, of onze Frits was in 't zand gewipt.
+
+Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken,
+zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte,
+keek hij even naar dien kant.
+
+Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven
+Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat
+nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij 't
+beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. "'t
+Kasteel met den dikken boom en den diepen put!" riep het dwergje. Frits
+hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar
+juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; 't scheelde niet
+veel, of hij was van den schok over den kop van 't veulen gevlogen.
+
+"Let op!" waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. "Van
+den markies van Carabas!" riep Appelsteeltje.--Voort, altijd
+verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde
+in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! "Daarachter
+ligt Luilekkerland," vertelde Appelsteeltje. "Hè, Luilekkerland,"
+zei Frits, "Luilekkerland achter den rijstebrijberg!" Want hij had
+grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. "Maar kom," dacht hij,
+"dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op
+'t bal allemaal nog te zien krijg!"
+
+Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig,
+wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu
+kon 't niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene
+breede, donkere streep, dat was zeker 't bosch! En ja, toen ze nader
+kwamen, zwaaide voor 't laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep
+hij vroolijk: "We zijn er!" Toen hinnikten de veulens, de dwergjes
+gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de
+handen en riep maar niets dan "hoezee," tot hij er schor van was.
+
+Vooraan in 't bosch was het donker; maar door de boomen heen
+schemerde licht, en hoe verder je in 't bosch kwam, hoe lichter
+het werd. "Nu de oogen dicht!" riep Appelsteeltje op eens, "en niet
+weer open, voor ik je waarschuw, hoor!" Frits dadelijk de oogen stijf
+dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond
+en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet,
+maar hij werd vlug van 't veulen getild en voorzichtig op den grond
+neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje
+zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee,
+mee--totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep:
+"Open! en welkom in de balzaal!"
+
+Toen Frits de oogen opendeed--ja, 't ging hem weer net als straks: hij
+wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: 't was iets heel
+heerlijks en heel moois. Hij was nog in 't bosch, op eene groote, open
+plek in 't bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja,
+hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan
+was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele
+steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad
+van de boomen leek zelf wel een lampje en 't was, of er honderden
+lichtjes straalden uit stammen en takken.--De grond of neen--ik moest
+liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine,
+gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen,
+die schitterden als kleine diamantjes.--Tusschen de boomen lag een
+dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal
+verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten,
+als je moe was van 't dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar
+kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de
+muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal
+kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig
+op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes,
+dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of
+niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo'n lust kreeg
+hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan
+'t dansen waren.
+
+Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje;
+want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij
+uit kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits _kende_
+al die lieve danseresjes, en toch--had hij ze nog nooit gezien! Hij
+kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch--had niemand hem de
+namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den
+zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange
+krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de
+zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk
+ook Lena--Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze
+om den hals droeg.--Naast Lena stond--nu, dat was al heel gemakkelijk
+te raden. Een rood kapje had ze op 't hoofd, een mandje aan den arm!
+
+Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand,
+een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. "Ja, ja," zei het
+grootere meisje, "Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje
+en met één bloot beentje!" Maar wat was dat? .... Bij elk woord,
+dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren
+mond! "Die ken ik ook, die ken ik ook!" riep Frits vroolijk. "Mooi,
+mooi," zei Appelsteeltje, "maar nu moet je ook kiezen."
+
+Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De
+danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af
+tot Goudkindje toe. "Nu?" vroeg Appelsteeltje. "Of, wacht eens!" Weg
+was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al
+weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. "Wil je misschien deze
+liever?" lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie
+daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan,
+de kousen afgezakt.... "Neen, neen, neen!" riep Frits, "die niet,
+dat is Pietje Smeerpoes!" Het slordige vuile kind kroop van schaamte
+dadelijk weer achter een' boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje
+bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.--Toen aan
+het dansen--neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee
+noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de
+maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn
+danseresje in 't rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange
+vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben
+willen dansen, 't ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom,
+dan zouden ze maar wat uitrusten tusschen de boomen. Hè ja, dat
+vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens,
+babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en
+vooral ook--kijken naar al de prettige drukte om hem heen.
+
+Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op 't bal waren. Wel, wel,
+wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes
+waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en
+sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te
+zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht
+en maakten allen aan 't lachen met hunne dwaze grappen.--Daar dansten
+er twaalf in een' kring om Appelsteeltje heen. "Hoe leuk!" riep Frits,
+"daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!"--Een eind verder draafde
+een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. "Pas op
+je krullen, Liesje!" riep hij plagend. 't Meisje schaterde van lachen,
+omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes
+toch niet inhalen kon.
+
+Wat was 't eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en
+stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er
+dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen,
+om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als
+een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer
+op.--Peter huppelde er alleen in 't rond met zijne gouden gans in den
+arm.--Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje;
+maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte,
+weet ik niet.
+
+En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon
+zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak
+bij. "Smulhans!" riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar
+met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de
+toovervrouw! Onder het dansen stopte ze 't gulzige ventje aanhoudend
+lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.
+
+Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:
+
+
+ "Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,
+ Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!"
+
+
+En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud,
+vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en--de mooie, domme
+prinses in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een
+vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af;
+maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden
+pot te blijven.
+
+Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de
+Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot
+netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte
+Katje.--Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in 't rond. En
+bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes
+in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan 't proesten
+blijven, de kaboutertjes.
+
+Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een
+grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot
+boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. "De booze
+Toovenaar," fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn
+tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook
+van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen
+een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als
+de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen,
+spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja
+wel--die stond hem al lang weer aan 't andere eind van de zaal uit te
+lachen.--Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje
+te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen
+kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en
+de handen onder 't hoofd. Een poosje zat hij--daar kwam Goudkindje
+aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. "Toovenaar,"
+zei ze met een vleiend stemmetje, "waarom zit je hier zoo alleen? Heb
+je geen plezier? Toe, dans eens met me!" De toovenaar keek eerst met
+een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag,
+moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek
+zoolang onder het kussen en--begon met Goudkindje in 't rond te dansen.
+
+Frits had den heelen tijd, bij 't kijken naar al die kluchtige
+paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen
+toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen
+met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij,
+dat de tranen hem over de wangen rolden.--
+
+En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens
+weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat
+ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd
+was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak,
+Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in
+eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor
+de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot
+in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen
+te rennen--neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. 't
+Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie
+tellen heelemaal om de groote balzaal heen.--Hazenoor ging met zijn
+oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij:
+"Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in
+Luilekkerland door de lucht vliegen."--Mikgoed schoot de toovervrouw
+een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in
+den mond wou stoppen.--Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en
+blies op eens alle dansers omver.--Maar wat van Sterkenrug deed,
+dat was nog 't aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes,
+die op 't bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover
+gebogen staan. En toen--moesten al de kaboutertjes op zijn breeden
+rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. 't
+Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te
+zien.--Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op 't bal, ook
+wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars,
+er waren ook--feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn
+vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en
+de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog
+veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk,
+luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes,
+dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne,
+teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen
+ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.--Maar midden onder
+'t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. "Kom aan, jongeheer,
+nu weer een dansje," riep hij, "je wordt niet alle dag op een bal in
+'t bosch gevraagd!"
+
+Ja, 't was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan 't dansen. Wacht,
+daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik
+later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.--Toen gedanst met
+Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond,
+of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt
+was.--Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk,
+die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen
+ze bijna te vallen over--ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te
+vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was
+Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje
+in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede
+paartje was--Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in
+een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig
+om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst
+had! Maar Lena gunde hem geen' tijd lang stil te staan: ze trok hem
+al gauw weer mee, om verder te dansen.
+
+Daar op eens klom er een dwergje in een' boom, en dat begon me
+te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En
+zie--dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten,
+die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en
+praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve
+fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een
+zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten
+van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje
+den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit
+den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen
+met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker
+was. In een oogenblik stonden er in 't rond, 'k weet niet hoeveel,
+van die tafeltjes-dek-je klaar.--Nu ging de fee weer rond en bij elk
+tafeltje tikte ze even tegen een' poot. En ja wel, daar waren ook in
+eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.
+
+Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu
+mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje
+aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed
+er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers
+geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even
+vroolijk, en vooral de dwergjes maakten weer ieder aan 't lachen
+met hunne dwaze grappen.--Er was er maar één, die geen tijd had, om
+pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk
+de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij
+krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen
+werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.--
+
+Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op,
+klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht
+te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: "Sst, sst! Appelsteeltje wil
+wat zeggen!" Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat
+het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn
+van de tafel, hield het omhoog en zei: "Ik drink op de gezondheid van
+_mijn_, ik meen van _ons_ vriendje Frits! Hij leev', hij leev', ons
+Fritsje leve lang!"--Allen dronken en klonken mee. En toen--hoe het
+kwam, wist hij niet--maar op eens stond Frits midden in de balzaal,
+en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars,
+alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en
+meisjes--_alle_ gasten van 't bal. En allemaal zongen ze: "Hij leev',
+hij leev', ons Fritsje leve lang!" O, wat was 't mooi!
+
+Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En--als door een'
+tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende
+licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en
+achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee
+dwergjes op zijn' rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort
+ging het weer, hop, hop--in vliegende vaart door bosschen, over velden
+en wegen, langs kasteelen en bergen.--Appelsteeltje zwaaide weer met
+zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond
+te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover
+op zijn veulen. Op 't laatst kon hij de oogen haast niet meer open
+houden. Nog een poosje en--ze vielen toe. Frits sliep.
+
+
+
+Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en--onze
+Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer
+liggen, hoor! In een' wip was hij er uit, in een' wip aangekleed,
+in een' wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen,
+hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe'n kostelijken droom hij
+gedroomd had.--
+
+Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij
+Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien
+heerlijken nacht.
+
+
+
+
+EEN DIEF--EN GEEN DIEF.
+
+
+Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven
+veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel
+rijk. Ja, hij _was_ rijk, maar hij _werd_ arm. Op een' nacht kwamen
+er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.--De man
+klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te
+vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen,
+en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen,
+dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.
+
+Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader
+heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze
+ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. 't
+Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met
+Tom, zooals hij heette, was het anders. "Wat er van dien jongen nog
+worden moet," zuchtte de vader menigmaal, "ik weet het niet! Leeren,
+daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te
+vinden, wel in den stal of buiten in 't bosch of op 't veld. Jagen
+en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen,
+die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan 't lachen maken,
+en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met
+al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet
+we nog aan dat heertje beleven!"
+
+Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op
+een' dag vlak voor zijn' vader staan en zei: "Vader, ik ga er op uit,
+om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden
+zal ik ze, al zaten ze ook 'k weet niet waar verborgen. En 't geld
+breng ik mee terug, zoo waar ik Tom heet."--De vader barstte in
+lachen uit. "Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe
+broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan
+iets van terecht komen. Maar jij!"--"--Vader," zei Tom, "ik vind ze,
+laat mij maar begaan."--"Nu," zei de vader, "ga je gang. Thuis voer
+je toch niet veel goeds uit."
+
+En Tom ging zijn' gang.
+
+Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed
+opgeven, daar dacht hij toch niet aan.--Eens dat hij weer een heelen
+dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis,
+dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een
+bosch. 't Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei
+een gure wind, en 't regende zonder ophouden. "Ik moet maar zien, dat
+ik hier vannacht onder dak kom," dacht Tom. Eene bel was er nergens
+te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.
+
+Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. "Wat
+moet je?" vroeg ze heel onvriendelijk.--"Wat anders dan mijn avondeten
+en een bed om in te slapen!" zei Tom. "Dat kun je hier niet krijgen,"
+bromde het vrouwtje, "'k Zou wel eens willen weten, waarom niet,"
+hield Tom vol. "Nu, als je 't dan volstrekt weten wilt," was 't
+antwoord, "'t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen
+drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan
+kom je hier niet levend vandaan."--"Dat is een leelijk ding," zei Tom,
+"maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer,
+is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet
+bang."--Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter
+zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van "zelf maar weten",
+maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was 't voornaamste.
+
+Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde
+tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon
+Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij
+met leege handen thuis kwam en braaf door zijn' vader en zijne broers
+uitgelachen werd.
+
+Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in de
+kamer naast hem. "Aha!" dacht hij, "daar zijn de zes mannen, die mij
+niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden
+in den nacht pas thuiskomt--als dat geen dieven zijn, dan weet ik
+het niet! Eerlijke menschen hebben 's nachts op straat niets te maken."
+
+Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat
+de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen
+klonken zoo verward door elkaar, 't leek wel, of ze allemaal tegelijk
+spraken.--Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon
+Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over
+hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. 't
+Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van
+inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en
+van geld.
+
+"Dat was eene mooie vangst vannacht," zei er een. "Ja," zei een ander,
+"maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens,
+als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al
+zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt
+heeft!"--"Honderdduizend gulden!" lachte een derde. "Wat zullen ze
+op hun' neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste,
+dat moet zoo'n doeniet zijn. Maar 't luie leventje van dat heertje
+zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!"
+
+Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield
+hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd
+werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en 't had niet veel gescheeld,
+of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk
+maakten over hem en zijn' vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren
+de mannen, die zijn' vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden,
+drie zoons, de jongste een doeniet--het kon niet anders wezen. Wacht,
+hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden
+in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop
+weer in 't bed. "Tom, jongen, wees niet dom," zei hij tegen zichzelf,
+"je weet nog niet eens, waar ze 't geld gelaten hebben, en al wist je
+'t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!--Beter eerst nog
+eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten."
+
+Tom legde weer 't oor tegen den muur en luisterde. "Zeg eens, is dat
+geld wel goed geborgen?" vroeg er een. "Dat 's ook eene vraag," riep
+een ander, "'t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we 't in
+gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder
+hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?"--"Nu,
+'t is goed, ik vroeg 't maar zoo," zei de eerste weer. "Ziezoo,"
+dacht Tom, "nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn'
+zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?"--Nog eene heele poos lag
+hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel.
+
+Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor
+zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. 't Leken ruwe,
+woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van
+schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn,
+daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten,
+leunende op zijn' elleboog, en keek de mannen driest in de oogen.
+
+"Wie ben je," vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over
+de andere vijf leek, "en wat kom je hier doen?"--"Wie ik ben?" zei
+Tom. "Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom
+leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn
+werk. Als jullie me bevalt," en hij keek de mannen één voor één aan,
+"dan wil ik je misschien wel in mijn' dienst nemen en je een paar
+lesjes in 't stelen geven."
+
+De mannen wisten niet, hoe ze 't hadden: ze keken elkaar eerst zoo
+beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos,
+eer de oudste dief antwoordde: "Praats heb je genoeg, dat hooren
+we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na 't ontbijt wel eens zien,
+wie meester en wie knecht wezen zal."
+
+Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten
+ze aan tafel, of daar zien ze door 't bosch dicht bij het huis een'
+boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.--"Wie
+van jullie," vraagt Tom, "durft er op aan, dien boer zijne geit af te
+stelen, nog voordat hij 't bosch uit is, en dat wel zonder ook maar
+'t minste geweld te gebruiken?"--"Ik niet," zegt de oudste dief. "En
+ik niet!" roepen de anderen. "Kom aan," zegt Tom, "ik ben de meester,
+ik zal jullie je eerste lesje geven!"
+
+Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene
+plek, waar de weg door 't bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij
+zijn' rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen
+gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn'
+linkerschoen uit, zet dien weer midden in 't pad, loopt vlug weg en
+verbergt zich achter de struiken.
+
+De boer komt, en hij ziet een' schoen staan. "Jammer, dat die geen
+kameraad heeft," denkt hij, "aan één alleen heb je niets."--En de
+boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen
+schoen. "Domoor, die ik ben," zegt de boer, "dat ik dien van straks
+niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een
+paar kan ik best gebruiken."
+
+De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een' boom, om gauwer
+vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar
+de schoen--die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht
+van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan
+gekomen en had den schoen weer weggepakt.--De boer komt en ziet den
+schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij
+komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit
+vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en--wat nog erger,
+is--ook geene geit meer!--De tweede schoen zat al lang weer aan
+Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den
+eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in 't huis
+van de dieven gebracht.
+
+"Dat is me ook wat!" jammerde de boer, "ik beloof voor mijne vrouw
+eene mooie japon te koopen van 't geld, dat ik op de markt voor
+mijne geit zal krijgen, en nu--is de geit weg! Ik moet maar zien,
+dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw
+er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen,
+dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren."
+
+De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken,
+en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch
+wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.
+
+Een half uurtje later--daar komt de boer weer aan met een mooi,
+vet schaap bij zich. "Wie van jullie ziet er kans," vraagt Tom,
+"dat schaap te stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd-
+zonder geweld te gebruiken?"--"Ik niet!" zegt een van de dieven. "En ik
+niet!" roepen de anderen. "Dan zal ik 't probeeren, ik ben de meester,"
+zegt Tom. "Geef me een stevig touw."
+
+Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen
+tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens
+een' man aan een' tak van een' boom hangen met het hoofd slap op de
+borst. "Wat is dat nu!" roept hij, "een uur geleden hing die man daar
+toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op
+klaarlichten dag, 't is om van te beven!" Angstig kijkt hij om zich
+heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.
+
+Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn' schrik al
+weer een' man aan een' boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover
+op de borst. "Heb ik van mijn leven!" roept de man, "daar hangt er
+al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!"--En hij stapt
+haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.
+
+Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en
+grijpt zich met de hand aan 't voorhoofd. "Maar zie ik dan verkeerd,
+of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een'
+boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te
+gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug--ik wil weten,
+of de twee anderen er nog hangen." De man bindt zijn schaap zoolang
+aan een' boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de
+weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den
+tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar
+'t huis van de dieven.--Dat die man niemand anders dan de slimme Tom
+was, heb je zeker al begrepen.
+
+Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien
+hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep,
+was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal
+gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór
+geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl
+de boer weerom liep.
+
+Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! "Als
+je nog één zoo'n stukje uitvoert als dit," zei de oudste dief,
+"dan zeg ik: je bent ons allen de baas!"--
+
+En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien
+hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van
+den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een' man. Al
+pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats,
+waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man,
+geen schaap, alles weg!
+
+Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: "Ach, ach,
+wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld,
+mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor
+mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het
+land haal en dien verkoop."
+
+Goed, de boer gaat naar 't land, en eene poos later zien de dieven
+hem weer aankomen met zijn vetten os. "Wie is zoo knap, dat hij dien
+os steelt, zonder geweld te gebruiken?" vraagt Tom. "Ik niet," zegt er
+een. "En ik niet," roepen de anderen. "Dan probeer ik het," zegt Tom,
+"ik ben de meester," en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.
+
+De boer drijft zijn' os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij
+den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn'
+rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en
+nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. "Ik ben een boon,
+als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!" roept de boer.--Weer
+geblaat. "Zoo zeker, als ik hier sta," zegt de boer, "ze zijn het!" En
+hij bindt zijn' os aan een' boom en loopt het bosch in naar den kant,
+waar 't geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar 't
+is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid
+blijft altijd even ver af.
+
+Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht
+eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had
+hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want--toen
+hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats,
+waar hij 't geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn' os niet
+meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os--die stond al
+lang op stal bij de dieven.
+
+Tom had gedacht: "Ik neem de geit en het schaap mee in 't bosch,
+daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een
+poosje achter de dieren aanloopan en dan--maak ik, dat ik langs den
+kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik
+den os al lang losgemaakt en weggebracht."--En zoo was 't gebeurd ook.
+
+Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk
+niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles
+te vertellen, was er groot gejuich in 't dievenhuis. De dieven riepen
+maar in éénen door van "hoera!" en "leve de koning van de dieven,
+leve Tom!"--Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van,
+bij zoo'n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.
+
+Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven
+vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan
+hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in
+de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten
+en koffers open te breken, En eindelijk--namen ze hem zelfs mee naar
+den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar
+kreeg Tom wat te zien--wel verbazend, wat een geld en goed lag
+daar opgestapeld! "Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al
+ongelukkig gemaakt!" dacht Tom. "Maar die kist daar, die ik zoo goed
+ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn' vader."
+
+Ja, wezenlijk, daar stond de kist. "Kon ik haar maar dadelijk
+meenemen," dacht Tom, "dan bleef ik geen uur langer in dit nare
+huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn'
+zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik
+moet nu maar geduld hebben en mijn' tijd afwachten."
+
+Zoo bleef Tom dus vooreerst in 't dievenhuis.--Hij zorgde wel de
+dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem
+gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te
+stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun' meester
+kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij
+thuis bleef. "Jullie krijgt me niet mee," dacht Tom telkens, als hij
+de dieven zag heengaan, "bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes
+vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad;
+maar nu is 't ook genoeg."
+
+Eindelijk op een' dag zeiden de dieven tegen Tom: "Meester, als je
+'t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis
+hier dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook
+eens plezier maken."--"Wel zeker," zei Tom, "ga jullie gerust. Ik
+zal mij niet vervelen."--Maar bij zichzelf dacht hij: "Heerlijk,
+heerlijk! Eindelijk zal ik eens een' dag alleen zijn. Misschien zal
+ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen."
+
+Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze
+hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel
+gelukkig, hoort maar eens, waarom.
+
+Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze
+waren trotsch op hem, omdat hij zoo'n slimme dief was, zooals ze
+meenden. Ze noemden hem "Meester," en dikwijls vroegen ze hem om
+raad. Maar--den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch
+liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij
+niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel
+machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen;
+maar tot nu toe was hij nog geen zier verder.
+
+Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al
+niet. "Vandaag _moet_ het gebeuren," zei Tom tegen zichzelf, "ik
+_moet_ er iets op vinden."--En weer ging hij als zoo menigen keer
+met het hoofd in de hand zitten denken.
+
+Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren,
+ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed,
+bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze
+borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort,
+hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het
+en--in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen,
+dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt,
+heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een' wip is hij er de
+deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk:
+hij is het!--Wat die Tom zich in de handen wreef!
+
+Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne
+Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?
+
+Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist
+van zijn' vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open
+te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij
+daarmee moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het
+duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld! _Al_
+het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt:
+tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw
+alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee,
+die hij in de haast uit een' hoek van den kelder gehaald had. Toen
+de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één
+naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar,
+het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er
+op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op.
+
+Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij
+het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij
+het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig
+om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen
+het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig
+over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook
+blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf,
+als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten.
+
+En waar reed Tom nu wel 't eerst heen, denk je? Niet naar zijn'
+vader, naar....--Maar wacht, 'k heb nog iets vergeten te vertellen! Op
+de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat
+leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. 't
+Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo'n slimme
+manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald
+en op de kar geladen.--En achteraan de kar was--de os vastgebonden,
+de os van den boer.--En nu weet je ook, waar de reis 't eerst naar
+toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor
+de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken.
+
+Toen Tom bij 't huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne
+vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: "Weet je
+ook van wie deze dieren zijn?"--"Nu," riepen de boer en zijne vrouw
+vroolijk, "dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker
+als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al
+overal en overal gezocht en ze nergens gevonden."--"O," lachte Tom,
+"ze liepen in 't bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk,
+dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren."
+
+Dat was me eene vreugde in 't huis van den boer: die pakte zijne
+vrouw om 't middel en danste met haar in 't rond. "Vrouw, nu krijg je
+de nieuwe japon toch nog," riep hij maar al. Toen werden de geit en
+het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl
+ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: "Zeg eens, boer, is dat zakje ook
+van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?" Een zakje? daar
+hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar 't hing er, dat
+was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan--honderd gulden! "Dat
+is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt," zei Tom, en
+vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing
+te bekomen, had Tom de zweep over 't paard gelegd, en weg was hij!
+
+"Nu naar Vader," dacht Tom, "die zal nog grooter oogen opzetten dan
+de boer en zijne vrouw."
+
+'t Was al laat in den avond, toen de kar voor 't huis van Toms vader
+stilhield.--Tom sprong van de kar, bond het paard aan een' paal vast
+en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de
+deur open: 't was Toms vader zelf. "Wie maakt er zoo'n geweld aan mijne
+deur," vroeg de vader verdrietig, "en dat zoo laat in den avond! Ik
+beef er nog van."--Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis
+niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar
+hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: "Och, Mijnheer,
+neem me kwalijk, dat ik U aan 't schrikken heb gebracht. Ik ben een
+arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht
+niet kunnen slapen?"--"Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in
+mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!"
+
+Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was,
+toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg
+de vader medelijden en zei: "Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik
+neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij
+licht gezien hebben."
+
+Tom dus mee in de kamer, waar 't licht was. En toen .... die verbazing
+van zijn' vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke
+lachen van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! 'k Wou, dat je
+'t gezien en gehoord hadt!
+
+De vader was 't eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw:
+"En waar is 't geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken
+leeg zeker!"--"Ja, Vader," zei Tom lachend, "handen en zakken leeg;
+maar" en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn' vader
+met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar
+buiten bij de kar, "maar--eene kar vol!"
+
+De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet
+te gelooven, dat in die zakken _zijn_ geld was, zijn heele verloren
+rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze
+waren vol harde rijksdaalders en guldens!--Toen greep hij Tom bij de
+hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest:
+"Nu, Vadertje, bedaard wat!"
+
+Dat was me nog eene andere vreugde dan in 't huis van den boer! De
+vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en
+vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan 't
+vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis
+van den boer schudd'en ze allen van 't lachen om de slimheid van
+Tom, en de vader stak hem op 't laatst de hand toe en zei: "Jongen,
+'k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik
+meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar
+nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.--
+Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees,
+kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.
+
+Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader
+en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet
+overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.
+
+Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik
+je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan
+zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste
+en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed?
+
+
+
+
+HET ZILVEREN LUCIFERSDOOSJE.
+
+
+Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was 't een soldaat, die zoo prompt
+in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn' ransel op den rug, het
+geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht
+uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, twee! één, twee! de
+voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een'
+boom geleund zat en van het warme weer ingedommeld was, schrikte er
+van wakker.
+
+"Dag, soldaat!" zei ze. "Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook
+dapper gevochten?"--"Nu, of ik!" lachte de soldaat.--"En ben je nu
+ook te trotsch, om zoo'n oud vrouwtje, als ik ben, een' dienst te
+bewijzen?"-- "Zeker niet," zei de soldaat.--"Nu," zei het vrouwtje,
+"je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel
+geld voor geven, als je dragen kunt."--"Sapperloot," zei de soldaat,
+"dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw,
+wat ik doen moet." "Deze boom," zei het vrouwtje, en ze klopte op den
+stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, "is van binnen heelemaal
+hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar
+benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer
+naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op."--"Maar,
+wat moet ik daar onder in den boom?" vroeg de soldaat. "Geld halen,"
+zei het vrouwtje. "Luister maar eens. Als je onder in den boom komt,
+ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden
+wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open
+doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je
+in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote
+kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen,
+met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet
+bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond
+dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je
+geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den
+hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen,
+als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je
+eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens;
+maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je
+'s middags van eet. Je behoeft daarom niet bang te wezen: laat mijn
+schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil
+je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen:
+ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen
+zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt
+er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun
+je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt."
+
+"Dat lijkt mij niet verkeerd," zei de soldaat, "maar wat moet ik
+nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen,
+stuur je me toch zeker niet alleen."
+
+"Neen," zei het vrouwtje, "voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje
+halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar
+geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij
+lief, als eene herinnering aan hem."
+
+"Zoo," zei de soldaat, "is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje
+zoo graag hebben? Maar waarom heb je 't dan nog nooit door een ander
+laten halen?"
+
+"Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd," zei het vrouwtje, "maar nooit
+heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar
+beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe,
+ga maar, je doet er mij zoo'n genoegen mee. Hier is mijn schort--ze
+doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je 't?"
+
+"Kom aan dan maar," zei de soldaat, "bind me het touw maar om
+het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet
+gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!"
+
+Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in;
+daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand
+voor 't oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas
+in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.
+
+Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om--ja
+hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes,
+en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen--als je geen
+soldaat was.
+
+"Een aardige jongen ben je," zei de soldaat, "maar brom nu maar niet
+zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van
+haar hebben. Geef mij nu maar eens je een' poot, nu den anderen,
+zie zoo, daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik
+mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist." Gezegd,
+gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel
+leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en
+nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo
+groot als een bord.
+
+"Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt," zei de
+soldaat. "Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier
+liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom,
+kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer,
+brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan
+maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen,
+maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee
+kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O,
+hé, die zitten vol centen! Weet je wat, 'k heb liever guldens dan
+centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar
+ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht
+eens: in mijn' ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo,
+oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer
+op je kist, hoor, ik groet je."
+
+Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of
+hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, 't Klonk wel als het brullen
+van een' leeuw. Hij wou toch eerst eens om 't hoekje zien. Neen maar,
+wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een'
+wagen. En de oogappels draaiden--daar zou zelfs een soldaat raar van
+worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij
+deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom
+op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. "Goeden
+avond!" zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een'
+generaal groette; want voor zoo'n hond had hij eerbied, "goeien
+avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar
+plaats te nemen?" Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den
+boezelaar zitten. "Zie zoo," zei de soldaat, "nu laat mij eens zien,
+waar jij zoo knap op gepast hebt," en hij deed de kist open.
+
+Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en
+chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen
+soldaten van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden
+tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik
+kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik
+had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes
+er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker:
+bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako--in alle hoekjes en
+gaatjes. Op 't laatst was hij stijf van 't geld. Toen riep hij den hond
+weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.
+
+"O, hoi, ho! trek op, Moedertje!" riep hij door den hollen boom. "Heb
+je het lucifersdoosje?" riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot,
+neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor
+mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan
+geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens
+weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets
+zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat
+je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer
+het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken
+en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks,
+hoor. Toen arm--nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap,
+toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.
+
+"Beste jongen," zei het vrouwtje, "weet je, wat je nu doet? Je
+gaat met mij naar mijn huisje, hier in 't bosch. 't Is al zoo laat
+geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je
+bij mij logeeren, en 'k zal je een kistje of een' zak geven voor je
+geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen." Dat leek den
+soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze
+thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en
+gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest
+van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze,
+als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om
+te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.
+
+'t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange
+wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde
+van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste
+hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd
+er wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij,
+welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde
+zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk
+naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme
+stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk,
+dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een'
+dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken;
+ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den
+soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als
+een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje
+begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch
+weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar
+eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van
+mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.
+
+Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote
+huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het
+allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er
+in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij
+was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.
+
+De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een
+gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste,
+zei wel: "wat oude laarzen heeft die mijnheer," maar den volgenden dag
+konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig
+pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud
+soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer.
+
+En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en
+dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens
+toen de soldaat weer een' rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren
+een groot gebouw staan. "Wat is dat voor een gebouw, koetsier?" vroeg
+hij. "Dat is het paleis van de prinses," antwoordde de koetsier. "Maar
+waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?" vroeg weer de
+soldaat. "O, weet U dat niet, mijnheer?" zei de koetsier, "hebt U
+nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen
+gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de
+prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt,
+eene prinses met een' soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu
+is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een' soldaat
+ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er
+kon immers eens een soldaat voorbij loopen!"--"Hoe jammer," zei de
+soldaat, "ik zou die mooie prinses wel eens willen zien," en hij was
+er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij
+niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan
+de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien.
+
+Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen
+einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen;
+maar kwam er geen einde aan de pret--er kwam wel een eind aan iets
+anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had
+niet begrepen, dat als je van een' zak vol geld altijd wat afneemt
+en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was
+toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet
+meer naar 't paardenspel gaan, en niet meer naar 't bal, en niet
+meer in zoo'n mooie kamer wonen. Op 't laatst kwam hij in een klein
+zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet
+mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen,
+en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd,
+en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer
+en armer werd onze soldaat.
+
+Eens op een' avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje--want
+licht branden kostte ook geld--te denken en te denken. Wat was het
+toch treurig met hem afgeloopen--al zijn geld op! Ja, en 't was zijne
+eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd
+zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te
+doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij
+nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het
+doosje was leeg, en 't was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens--dat
+was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het
+goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het
+zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had
+hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde
+er al eentje--maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam
+er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen
+gezien had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En
+die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem:
+"Wat belieft, Mijnheer?"--"Wat mij belieft," riep de soldaat, ook
+niet dom, "wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft
+mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen." Weg was de
+hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en
+ja wel, hoor, een' zak met centen in den bek! Dien netjes voor den
+soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert--weg was de hond.
+
+De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij
+had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens
+hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee
+te gelijk. Dat was nog jammer. Neen--het was geen jammer, want--wie
+bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar
+met eene nog zwaarder stem: "Wat belieft, Mijnheer?" Niemand anders
+dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de
+soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de
+kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de
+guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel,
+heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond,
+die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat
+hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe
+dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen
+soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij
+weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en
+krijgen wat zijn hart begeerde, en--doen! wat zijn hart begeerde. Ja,
+_doen_ ook; dadelijk gaf hij van zijn' overvloed aan arme menschen;
+want goedhartig was hij.
+
+En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd
+de soldaat op 't laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist
+van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt
+was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet,
+en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: 't was eene tooverdoos en
+daarmee uit. Alles was immers tooverachtig--de honden met de groote
+oogen, die praten konden en--alles. Onze soldaat was nu voor goed
+rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou--'t
+leek wel, of de kisten ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker
+weer aan, net als de lucifers.
+
+Dus--kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk
+van den soldaat, en toen kwam er "een varkentje met een' snuit, en
+'t vertelseltje is uit"--denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog
+lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan 't geld,
+maar wel aan 't geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem
+te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar
+altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt,
+is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij
+niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er
+was geen oorlog. Pret maken--daar had hij ook niet altijd zin in. Nu
+zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé,
+dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig
+bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen
+doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad
+door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar
+achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch,
+dat niemand haar ooit mocht zien.
+
+Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij
+vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf--'t
+was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik
+moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje
+en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open,
+en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde,
+toen hij met zijne bromstem vroeg: "Wat belieft, Mijnheer?"--"Ik zou
+zoo _heel_ graag de prinses eens zien," zei de soldaat. "Zou je daar
+ook raad op weten?"--"'t Zal wel gaan, Mijnheer," bromde de hond,
+en weg was hij.--Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou
+er nu gebeuren?.....
+
+Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast
+niet gelooven .... 't was de hond en--niet alleen! Op zijn' rug lag
+de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn
+grooten kop. En--ze sliep!!--Had de hond haar slapende uit het bed
+getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat
+wist er niets van. Hij vroeg ook niet--hij keek maar naar de mooie
+prinses. Hoe lief lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze
+soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!
+
+Nu was hij tevreê--hij had de mooie prinses gezien. "Dank je wel,
+brave hond," fluisterde hij, "breng het lieve kind nu weer terug."--
+
+Weg was de hond--weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde
+van beiden.
+
+
+
+En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?
+
+Toen ze den volgenden morgen aan 't ontbijt zat met den koning en de
+koningin, zei ze: "Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde,
+dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een' soldaat,
+en die streelde mij over 't haar!"
+
+"Foei! wat een nare droom!" zei de koningin.
+
+"Een soldaat! ba!" riep de koning. "Droom toch niet van een'
+soldaat!" En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame
+op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of
+dat--neen, waar kon het toch niet wezen!
+
+En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te
+denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses--wat zou het
+gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij 't zelf recht goed
+wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd
+nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet--hij deed
+haar immers geen kwaad!
+
+Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond
+niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag
+met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even,
+dat ze het dier volgen moest--loop je niet, zoo heb je niet, om
+te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog
+net op tijd--in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen
+morgen. Maar--'t was zoo donker,--zou ze morgen 't zelfde huis nog weer
+kunnen vinden? Wacht,--ze had juist een stukje krijt in den zak--ze
+zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar
+huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat
+gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen
+al dadelijk gezien? Het kruis op de deur! En die, ook niet dom, maakte
+op al de deuren in de stad net zoo'n kruis. Nu kon de hofdame de deur
+van den soldaat niet vinden--op alle deuren was immers een kruis.
+
+Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen
+droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter--het was geen droom. Ze
+vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt
+een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de
+prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame,
+dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden
+voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. "Daar is het!" riep
+de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. "Neen, daar is
+het!" riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. "Maar
+daar is nog een kruis! en nog een!" riepen beiden, en nu begrepen ze,
+dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden--alle deuren hadden
+immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die
+kon ook nog wel wat anders doen, dan in een' wagen met vier paarden
+rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een
+zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de
+prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den
+hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in.
+
+En 's nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de
+soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.--Ja, als hij
+gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf
+altijd bij mij--ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat
+de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen
+zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En--de koning dan!
+
+Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij
+de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen--dat er een klein
+paadje van grutjes liep van 't paleis van den koning naar 't huis van
+den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en
+die liet den soldaat uit zijn huis halen en--in de gevangenis brengen!
+
+Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het
+daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar
+wel was het: "O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En
+weet je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene
+hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de
+menschen uit de heele stad om je uit te lachen,--dat heeft de koning
+zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen
+zullen roepen: 'Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en
+'t is maar een gewoon soldaat!'"
+
+Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.
+
+Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden,
+de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.
+
+Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de
+straat van wonder en geweld, 't Was, of de heele stad leegstroomde;
+alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen,
+om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij
+liep zich het vuur uit de schoenen--neen, uit de oude sloffen, die hem
+veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan,
+vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.
+
+"Zeg, jongen," riep de soldaat, "je behoeft zoo'n haast niet te
+maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar
+wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje
+verdienen." Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor
+den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk "ja."
+
+Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door
+de tralies, en de soldaat een kwartje en toen--geduld een beetje,
+dat komt later.
+
+Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de
+hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage,
+gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep
+soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet
+weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning
+en de koningin--die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de
+soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.
+
+Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en
+voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit,
+om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de
+soldaten zouden een' roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen
+opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. "Mijn
+zakdoek! mijn zakdoek!" riep de soldaat. "Zijn zakdoek! geef hem zijn'
+zakdoek!" riep het volk. En toen--waren op eens zijne handen los,
+om den zakdoek te kunnen krijgen en toen--rrrt! rrrt! rrrt! daar
+brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie
+groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven:
+"Wat belieft Mijnheer?"--"Helpt mij!" riep de soldaat, "grijpt den
+koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven,
+en ik heb haar zoo lief!"
+
+Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de
+koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje
+geslagen was, en ze riepen: "Wij willen wel! hij mag de prinses zien,
+hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!"--"Ja! ja!" riep het heele
+volk, "hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze
+koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor
+hem willen doen, moet hij wel goed zijn!"
+
+Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets
+te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie
+honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de
+jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen:
+"Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!" En de prinses kwam achter
+de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat
+stond haar wel aan.
+
+Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten
+nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar
+de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te
+lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat,
+die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.
+
+
+
+
+APRIL!
+
+
+Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te
+begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat
+groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen
+keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo
+heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat
+een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem
+vertelt, dat zoo'n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de
+mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo'n jongen heb
+ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een
+knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er
+zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.
+
+O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem
+kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als
+ik wou--ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met
+hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar
+tevreden zijn, hoor!
+
+Nu dan, ons vriendje--Hans heette hij--stond op een goeien morgen
+in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig
+juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de
+beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk
+nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het
+pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw,
+en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed:
+van fijn stroo; niet met zoo'n kinderachtig laag bolletje, maar flink
+hoog; niet met zoo'n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden
+band--daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.
+
+Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! "Hm, hm,
+ik mag me laten zien," zei hij hardop, en toen--nam hij voor zijn
+eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.
+
+"Hm, hm," klonk daar op eens Moeders stem achter hem, "dat ventje
+heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. 't
+Duurt nog wel anderhalf uur, eer 't rijtuig voorkomt. En als je
+nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al
+'t mooi van je nieuwe kleeren afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon,
+'k zou nu maar eene poos naar buiten gaan."
+
+Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin
+in. "Hoor eens, Hans;" riep zijne moeder hem nog uit het venster na,
+"ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet
+ik wel, hoe 't gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En
+als 't rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan--flip, flap, gaat
+de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!"
+
+Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen
+zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij
+zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn'
+tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens--hij
+dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. 't Was anders zoo aardig
+een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en
+wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken,
+naar 't schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van
+'t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer,
+dat er een "maar" bij was, een leelijk "maar." Je moet weten: Baas
+Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij
+mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat
+wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral--als je Hans
+heette.--Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was,
+weet ik niet. 'k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al
+gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had,
+nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl
+weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken
+en--dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.
+
+Maar nu, neen _nu_ ging hij eens _niet_. Moeder had gelijk; hij
+moest liever bij huis blijven. 't Was in den tuin ook mooi. Hans
+keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar
+de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die
+in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden,
+naar de kikkers, die door 't gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles;
+maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken
+niet naar hem. Niemand was er, die naar hem keek. En--zoo mooi als
+hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene
+bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel
+om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van 't dorp, die gaven daar
+meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij
+het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En
+baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer
+met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas
+Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf
+uur, 't was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo
+vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren
+aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen,
+tot de tijd om was. Maar--'t wou vandaag toch niet recht vlotten met
+lezen: Hans had te veel andere dingen in 't hoofd. Zijne gedachten en
+zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor
+op 't kiezelpad! 't Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt
+bij de tor. "Wat loop je vlug," dacht Hans. "Wacht eens even, dat
+ik je beter bekijken kan!"--Maar het diertje was hem te gauw af,
+'t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar
+viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met
+een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten,
+handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.
+
+Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar
+de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo'n boerenjongen
+om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. "Maar waar
+zou--wacht, 'k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!" dacht Hans
+trotsch.
+
+Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste
+één, die hem bewonderde.--Kom, hij zou maar eens naar den jongen
+toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij
+misschien ook eens _hooren_, dat hij mooi gevonden werd. De jongen
+behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.
+
+Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de
+heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al
+dichter en dichter in de buurt van 't hek. Maar--toen hij er eindelijk
+vlak bij stond, waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien:
+de heele jongen was op eens verdwenen!
+
+Hans keek eerst op zijn' neus. Toen--deed hij het tuinhek open en
+ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen
+gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. "Zeker bang
+voor me geworden," dacht Hans, "wie weet, of hij me niet voor een'
+heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo'n boerenjongen ook! Kom,
+ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van
+'t dorp is het, geloof ik niet."
+
+Hans liep den weg verder op. "Tot aan de eerste bocht," zei hij,
+"en dan keer ik om."--Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was
+heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans
+wel iets anders. En dat was--de werkplaats van Baas Martens!
+
+Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een
+vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam
+los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven
+de spaanders in 't rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het
+niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden
+behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen
+zeggen--even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was
+en ook--zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen
+hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd
+met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!
+
+Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam
+voor Baas Martens in 't voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de
+bijl in 't hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd
+een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig
+knipoogje: "Ben je 't of ben je 't niet, jongeheer? Lang niet kwaad,
+dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?"
+
+Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch
+zei hij zoo onverschillig mogelijk: "Och ja, 't is omdat we straks
+uit rijden gaan, weet je."--"Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien
+nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?" vroeg de
+baas. "Hoe zoo?" zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met
+een bedenkelijk gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer
+naar de lucht. "Hoe zoo?" vroeg Hans weer. "Nu, ieder moet weten,
+wat hij doet," zei de baas eindelijk, "maar ik weet wel: _ik_ ging
+niet uit rijden met zulk weer." "Met zulk weer!" lachte Hans, "neen
+maar, er is geen wolkje aan de lucht. 't Is het prachtigste weer
+van de wereld."--"O zoo," zei de baas, "weet jij 't beter dan ik,
+die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen
+hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden."
+
+Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem,
+die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: "Maar Baas, hoe weet je toch,
+dat het weer veranderen zal?" De baas wees naar 't haantje van den
+dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. "Kijk maar, de wind
+is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden,
+over een paar uur regent het er frischjes op los!"
+
+Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon
+te hakken, alsof er niets gebeurd was.
+
+De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij
+naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: "Praatjes
+van dien regen!" Keek hij naar 't ernstige gezicht van den baas,
+dan dacht hij: "'t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle
+pret ging bederven!"
+
+De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig
+door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas
+nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op 't laatst
+nader dan 't lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans
+nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei
+zoo bij zijn neus langs: "Er is wel een middeltje om te maken,
+dat er geen regen komt."--Het heele gezicht van Hans klaarde
+op. "Wat dan?" riep hij vroolijk. "Wel," zei de baas heel leuk,
+"we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek
+gaat waaien, dan is alles in orde."--"Ja, ja," riep Hans, "als dat
+kon!"--"O, dat kan wel," zei de baas, "er is een touw, waarmee je
+den wind kunt laten draaien. Maar"--en hij lei bedenkelijk zijn'
+wijsvinger tegen den neus--"waar zit dat ding op 't oogenblik! Als we
+dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen,
+de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw
+eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal 't hem vragen."
+
+Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar 't huis van
+den buurman. "Hei, Jansen," riep de baas, "waar zit je?" Dadelijk
+kwam Jansen voor 't open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder
+dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij
+gauw een knipoogje. Toen zei hij: "Treft het niet ongelukkig, Jansen,
+hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de
+wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw,
+om den wind te laten draaien, wezen kan?"--"Het touw, om den wind
+te doen draaien?" vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich
+ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens,
+"ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer."
+
+Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den
+drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn'
+bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het
+boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: "Ha, nu ben
+ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. 'k
+Herinner 't me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn' tuin
+gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft
+hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid."
+
+"Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit," zei Baas Marlens,
+"de jongeheer heeft haast, hij zal geen' tijd hebben, om er nog even
+heen te loopen." Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te
+zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat
+hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee--driemaal
+vloog hem onderweg de nieuwe hoed van 't hoofd. Zijn mooie pak, zijne
+glimmende schoenen, alles kwam dik onder 't stof. Maar dat kon hem nu
+weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: het _mocht_ en het _zou_
+niet regenen. De wind _moest_ draaien.
+
+Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den
+winkel van Teunissen binnen.
+
+"Teunissen ...." hijgde Hans, "is hier ook ...."--"Drop
+te koop?" maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. "O ja,
+jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout
+zijn?"--Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar
+hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. "Wàt moet
+je hebben?!" riep hij. "Wel, het touw, om den wind te doen draaien,"
+zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. "Ze zeiden toch, dat het
+hier moest zijn."--Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen
+was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en
+deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans
+niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van--als je
+zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.
+
+"Nu?" vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen
+antwoord gegeven had, "kan ik het touw krijgen?"--"Wacht eens,
+jongeheer," zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, "ik zal mijne
+vrouw even gaan vragen."
+
+Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef
+alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te
+luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat
+praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het
+touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden
+wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo'n treurig benauwd
+gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met
+hem kregen.
+
+Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei "neen". Daarop zei de man
+"ja". Toen zei de vrouw weer: "Zijn vader zal boos worden;" waarop
+de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. "O, die nare vrouw
+Teunissen," dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem
+nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu--_zij_ zou
+nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!
+
+Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer
+te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel
+binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte,
+maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van
+hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch
+te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens
+merkte, wat zijne vrouw achter zijn' rug deed! Waarom zeiden ze niet
+gewoon weg "neen" of "ja"! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar
+hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo'n mooien hoed op had
+en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze
+hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in
+de hand? Wat moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw
+geven.--Maar Teunissen zei: "'t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne
+vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig
+vergist: het touw is op 't oogenblik bij Pietersen, _die_ wou graag
+regen hebben op zijne erwtjes."
+
+Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te
+treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen;
+want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind
+van Teunissen af.
+
+Pietersen zat buiten op eene bank in 't zonnetje en bekeek op zijn
+gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem in 't gras te
+slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij
+de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen. Pietersen liet van
+schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat
+hooren en zien je verging. Pas toen de hond een beetje bedaard was,
+kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als
+een dolleman den tuin in kwam vliegen. "Och, Pietersen," zei Hans,
+nog buiten adem, "ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind
+mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen,
+zegt Baas Martens, en--ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen
+gestuurd om het touw."
+
+Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing
+aan: hij begreep er niets van. "Hans, mijn jongen, zeg het nog eens
+weer. Je wilt van me hebben ...." En toen nu Hans heel onschuldig
+nog eens 't zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren
+van 't lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te
+worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen
+liepen, en hij riep maar aanhoudend: "Neen maar, Hansje, wat heb je
+daar eene prachtige grap bedacht, zoo'n mooie heb ik van mijn leven nog
+niet gehoord. Het touw, om ...." En dan barstte hij opnieuw in lachen
+uit. Hans werd er verlegen onder. "'t Is geene grap," bromde hij half
+boos en toch met tranen in de oogen, "heelemaal niet. Toe, Pietersen,
+geef me als 't je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen."
+
+Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in 't gezicht. Wezenlijk--de
+jongen meende 't! "Wou je 't dan heusch zoo heel graag hebben?"--"Nu
+òf ik," zei Hans, "'k heb er al een uur om geloopen."--"Och, zeg dat
+nog eens," vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. "Ik
+heb er al een uur om geloopen," herhaalde Hans heel geduldig.
+
+"Een uur lang, jongen, dat is een slim ding," zei Pietersen leuk, "want
+nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een
+feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters
+gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo'n feest moet het
+mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar
+rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen
+kunt, dan haal je ze misschien nog in."
+
+In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de
+paarden achterna. Hans werd vuurrood in 't gezicht van 't harde loopen
+en van 't roepen: "Hei daar, ho, veldwachters!" Maar je begrijpt,
+al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! Hans kwam niets dichter bij
+de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het
+nog niet op. Och, och, dat touw, hij moest het hebben!
+
+Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij
+den arm vatte en tegenhield, 't Was vrouw Teunissen, de vrouw van den
+kruidenier, je weet wel. "Laat me los, het touw, het touw," riep Hans,
+en hij deed al zijn best, om vrij te komen. Maar vrouw Teunissen hield
+hem stevig vast. "Luister eens even naar me, mijn jongen," zei ze
+goedig. "Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April
+is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen,
+dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad,
+Martens en de anderen. Zoo'n touw is er heelemaal niet. Straks in
+den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je
+begreep me niet."
+
+Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor
+niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe
+geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen
+en--op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. 't Was
+verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid
+gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen
+uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad
+en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was):
+"Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. 't Kan den beste overkomen, dat hij
+eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!"
+
+Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.--Wat zouden ze
+thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich!
+
+Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij
+huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag dadelijk,
+dat ze niet veel goeds in den zin hadden--hij wou nog moeite doen, om
+te ontsnappen. Maar dat was mis--de jongens hadden door Baas Martens
+van 't geval gehoord, en nu vonden ze 't natuurlijk veel te mooi,
+om Hans niet eens duchtig te plagen. In een oogenblik stonden ze
+dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: "Heb je het touwtje
+al in je zak?" of "Ben je ook moe van het trekken?" of "Waren de
+erwtjes al opgekomen?" en al zulke plagerijen meer. En telkens,
+als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep
+het uit van lachen, 't Was niet om uit te houden voor den armen
+Hans. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo
+door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op:
+van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat
+gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen
+één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was
+gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar
+Hans zoo trotsch op was, werd hem op 't hoofd platgedeukt! En wie
+weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen
+aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....
+
+Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed
+bedorven en--met een' neus, wel tweemaal zoo dik als anders en
+vuurrood. "Maar jongen," riep zijne moeder verschrikt, "wat is er
+in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!"--"Verdiende loon,"
+zei de vader streng, "waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te
+zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen,
+terwijl wij weg zijn. Met een' jongen, die er zoo uitziet, kunnen we
+ons toch niet voor de menschen vertoonen."
+
+"Terwijl wij weg zijn," had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden
+uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst
+van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden
+neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje
+voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele
+poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip,
+flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had,
+voort vlogen de paarden en--Hans was alleen met zijn verdriet.
+
+Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe
+hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar
+bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor
+'t venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te
+plagen.--In lezen had hij geen' lust, in spelen nog minder: hij was
+veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn.
+
+Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde
+ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer draafde hij over
+den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens
+voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn' arm, om
+hem tegen te houden. Maar 't was niet de hand van vrouw Teunissen--het
+was--het was de hand van zijne eigen lieve moeder! En--hij liep ook
+niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en
+zijne moeder zat op een' stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.
+
+"O, Moeder, ik heb zoo'n verdriet," zuchtte Hans en hij liet zijn
+hoofd op Moeders schouder vallen. "Dat geloof ik graag, mijn jongen,"
+zei Moeder, "maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is."
+
+Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij
+zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op
+Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was
+'t eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo'n touw bestond. En
+toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel
+eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou ....
+
+Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand
+op zijn' mond en zei: "Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog
+heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens
+nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen
+het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen,
+dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven,
+wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet,
+dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je
+vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een
+beetje wijzer door geworden bent.--Als iemand nu in 't vervolg iets
+vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar
+dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf:
+'Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?' Mij
+dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is
+'t wel?"
+
+"O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven," riep
+Hans. "Ho, ho, jongenlief, zoo is 't ook weer niet gemeend," zei
+Moeder lachend. "Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is
+veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter
+na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je
+gelooven kunt en wat niet.--Maar kom, jongen, 't is nu geen tijd,
+om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en
+dan--slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook
+weer in 't fatsoen kunnen brengen. En later--gaan we samen, met ons
+drietjes, ook nog eens--rijden!"--"O, Moeder, wat ben je toch lief,"
+riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, "wat ben je toch lief!"
+
+Dat was de geschiedenis. En 'k wil er nog bijvertellen, dat Hans van
+dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder
+geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had,
+hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen:
+"'k Heb aan' jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger:
+toen kon ik hem alles wijs maken en nu--is 't heelemaal uit met de
+grapjes." Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik--Hans
+was daar niet minder om.
+
+
+
+
+TEN OOSTEN VAN DE ZON EN TEN NOORDEN VAN DE AARDE.
+
+
+Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner
+gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele
+wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg
+aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een'
+zomermorgen ontdekte hij tot zijn' schrik, dat eene prachtige weide
+heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag
+moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven
+kon hebben. 't Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen
+getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist,
+hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.
+
+Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het
+gras was nog veel platter. "Weet je wat, Hans," zei de boer tot zijn
+oudsten zoon, "jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de
+weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo
+bederft." Nu--den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten,
+leek Hans geen pretje; maar--Vader had gelijk: ze moesten er meer
+van weten en dus zei Hans: "Dat is goed, Vader."
+
+Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets,
+want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en
+vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond,
+werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer
+een ander deel van de weide plat getreden was.
+
+Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te
+brengen. "Jongen, jongen," zei Vader, "wat spijt mij dat! Kon je voor
+mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?"
+
+"Och, Vader," riep de tweede zoon, "laat mij vannacht maar eens gaan,
+Hans is zoo'n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit
+mijne oogen kijken."--"Dat hoop ik," zei de Vader. Maar Bob had goed
+praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en--weer was er
+den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.
+
+"'t Is toch verschrikkelijk!" zuchtte de Vader; "ik zal zelf dezen
+nacht maar eens op wacht gaan."--"Neen," riep Paul, de jongste zoon,
+"daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag 's nachts in de
+weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan."--"Och,
+jongen," zei de vader; "wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig,
+je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een' nacht wakker
+kunnen blijven!"--"Ik kan 't immers gemakkelijk probeeren, Vader,"
+zei Paul. "Nu, ga je gang, jongen," zei de Vader.
+
+En Paul ging zijn' gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op
+wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen
+wijd open. Maar--niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze
+Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang
+op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm
+vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie
+duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul
+stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij
+niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en
+er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide
+stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul
+zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor
+zijne oogen--zulk dansen had hij nog nooit gezien. 't Was of ze
+met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar
+toch--de grashalmen bogen om--en nu wist Paul, hoe het gras in de
+weide plat werd.
+
+Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij:
+"Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien," en zonder
+dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was
+Paul naar de veeren pakjes geslopen. "Wacht," dacht hij, "daar moet
+ik eens eene grap van zien," en stil nam hij de veeren pakjes mee en
+ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.
+
+Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot
+rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren
+pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een' schrik en een zoeken en een
+onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden
+mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. "O, jonge man," riepen
+de meisjes, "heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze
+dan, als je blieft terug!"--"Ja," zei Paul, "die heb ik genomen, maar
+ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten
+eerste: op geen van de weiden van mijn' vader mag ooit weer gedanst
+worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan
+komt." Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de
+eene: "Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij
+wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van
+de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden."
+
+"Zoo," sprak Paul. "Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik
+later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat je me nu trouw
+belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed
+en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met niemand anders en U moet
+dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook." Bij die woorden werd
+de koningsdochter bleek van schrik, maar wat zou ze doen? Daar kwam
+de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen,
+anders .... Ze beloofde alles. Paul gaf de veeren pakjes terug,
+en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in.
+
+Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar
+huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met vragen; maar
+Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: "Ik heb natuurlijk
+geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, dat de weide in 't
+vervolg nooit weer plat getreden zal worden." Toen lachten de broers
+hem uit en deden net, of zij niet geslapen hadden. En de een voor
+den ander riep: "En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu--we
+zullen eens zien, of de droom ook uitkomt."--De vader lachte niet;
+de vader zuchtte: "We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn
+bedrog." Maar--de droom kwam uit, en de broers lachten en de vader
+zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de
+weide vergeten.
+
+Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel
+te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, waarop de
+bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn' vader en verzocht hem een
+bruiloftsmaal klaar te laten maken en de gasten te verzoeken: "want
+ik ga trouwen," zei Paul. "Trouwen, jongen, maar met wie dan?" riep
+de vader. "Ik heb je nog nooit met een meisje gezien!"--"Ik ga toch
+trouwen, Vader," zei Paul, "reken daar vast op. Maak maar alles klaar
+voor de bruiloft en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid." De
+vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had.
+
+Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms
+en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke gezichten
+aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was--de bruid. "Geen nood,"
+zei Paul, "ze komt wel," en hij keek zoo vroolijk uit zijne oogen,
+alsof de bruid goed en wel naast hem zat.
+
+'t Werd avond, 't werd laat in den avond--geene bruid. De gasten
+keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul werd
+vroolijker en vroolijker. Daar op eens, 't was twaalf uur in den
+nacht, 't was middernacht, kwam er in vliegende vaart een wagen
+aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een' voerman
+vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen--Paul de voordeur
+uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken,
+en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter in bruiloftskleed,
+en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd
+door de twee hofdames. De vader en de broers en de gasten stonden
+met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was
+in den nacht, toen hij de wacht hield op de weide, en toen kwam
+er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep:
+"Neen, maar wie zou dat nu ooit van dien Paul gedacht hebben!" En
+den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd,
+hoe stiller de mooie bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze:
+"Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je
+vrouw, maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen,
+als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen zeggen,
+maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer
+duif worden. Mijn vader was vroeger koning over een land, hier heel ver
+vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus
+kwam en doodde hem in zijn eigen paleis, en nu word ik in het paleis
+van mijn' vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur
+vóór middernacht tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet
+nu vertrekken." Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: "O, neen,
+je bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!" Maar de prinses zei:
+"Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven."
+
+Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten
+stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid in het
+prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger,
+en de hofdames gaven Paul ieder een gouden appel, en voort rolde de
+wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil
+weggegaan. Die hadden ook al geen lust meer in feestvieren.
+
+Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had
+hij plezier--altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem
+toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij 't
+niet langer uithouden van verlangen. "Vader," zei hij, "ik moet haar
+zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten
+oosten van de zon en ten noorden van de aarde gevonden heb."
+
+"Beste jongen," zei de vader, "ga je gang; maar ik vrees, dat je
+teleurgesteld terug zult komen."--"We willen het beste hopen," zei
+Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok.
+
+Dat was reizen. 't Ging maar als in het liedje:
+
+
+ "'k Moet dwalen, 'k moet dwalen
+ Langs bergen en langs dalen ..."
+
+
+En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van
+de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist hem er iets
+van te zeggen.
+
+Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde
+hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er wel tien
+menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er
+maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden en elkaar te pakken
+hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het.
+
+Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier
+bang. "Wat nu, jongens" riep hij, "wat is er te doen, waar krib
+jullie om?"--"Och," riep de eene reus, "onze vader is gestorven,
+en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn
+hier zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar
+dat wil Kwak niet."--"Neen," riep de andere reus, "wat heb je aan één
+laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik
+niet!"--"Neen," zei weer de eerste reus, "want het zijn tooverlaarzen;
+je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden."--"Nu," zei de andere,
+"als _hij_ er dan mee loopt, dan word _ik_ wèl moe en dan kan ik hem
+niet bijhouden."--"'k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen
+hadden," riepen beide reuzen, "want vroeger hebben we nooit ruzie
+gehad, en nu kribben we om die laarzen."--"Ik weet goeien raad,"
+zei Paul, "geef mij de laarzen, dan krijg je ze geen van beiden en
+behoef je er ook niet meer om te twisten." "Dat is waar ook," zeiden
+de reuzen, en zoo kreeg Paul de laarzen.
+
+Of Paul in zijn' schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart
+uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam hij nu
+vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar
+kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar hoorde hij weer
+zoo'n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een'
+mantel. En toen Paul er bij kwam, was het: "Och, jonge man, raad
+ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen
+we al zijn goed deelen. Dus moeten we toch ieder een halven mantel
+hebben.--"Gekheid," riep de andere reus, "wat heb je aan een halven
+mantel. Ik zeg: geef mij den heelen mantel."--"Dat doe ik niet," riep
+de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als
+jij je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil
+je zien, Flikje, want ik hou' zooveel van je, en ik kan niet alleen
+wezen."--"En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je
+altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld niet uithouden,"
+riep de andere reus. "Weet je wat, jongens," riep Paul, "geef mij den
+mantel, dan kun je elkaar altijd zien, en je behoeft dan ook geene
+ruzie meer te maken."--Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen,
+en met een verlicht hart gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in
+zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om,
+die hem onzichtbaar maakte en wandelde weer verder.
+
+En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee
+reuzen aan 't vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan ze ieder de
+helft moesten hebben. "We weten niet, hoe het moet," riepen de reuzen,
+"want het is een tooverzwaard; als je met de punt iemand aanraakt,
+sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken."--"O,"
+riep de eene reus, "krijgt Snip de helft met de punt, dan maakt hij
+menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis."--"En," klaagde de
+andere, "krijgt Snap het handvat, dan heeft hij geene doode menschen,
+om weer levend te maken."--"Weet je wat, jongens," zei Paul, "geef
+mij het zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het
+hebben zal."--"Hé ja," zeiden de reuzen, "dat is een goeie raad." En
+Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den
+mantel over de schouders. "Ziezoo," dacht hij, "als ik nu niet voor
+eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet."--"Goeiendag!" En
+toen was het: "zoo zie je me, en zoo zie je me niet," want Paul was op
+eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een oogenblik konden
+die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers
+met echte reuzenschreden voorwaarts in zijne reuzenlaarzen.
+
+Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen
+hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst op een
+paleis. 't Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld,
+en in dat hutje woonde een oud, och zoo'n oud vrouwtje. Ze leek wel
+zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam
+zijne pet af en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Dag, Grootmoedertje,
+hoe is het met U?"
+
+"Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het oude
+vrouwtje. "Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik heb ze ook
+weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij
+zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar,"
+zei Paul. "Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één' nacht in Uw hutje
+mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, om het paleis te zoeken,
+dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U
+den weg daarheen ook, lief Moedertje?"--"Neen," zei het oude vrouwtje,
+"ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen,
+misschien kan een van mijne onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld
+tot morgen en leg je eerst te rusten." Paul dankte het goede vrouwtje
+en ging slapen op een bed van eikeblaren.
+
+Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde
+de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten de
+onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren,
+vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: "Wat bevoelt
+Uwe Majesteit?"--"Is er onder jullie" vroeg de koningin, "die langs
+zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het
+paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?" Toen kwam
+er een hevig gebrom, 't was of al de dieren elkaar om raad vroegen;
+maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van
+hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde
+gezien had. Toen zei het vrouwtje: "Jonge man, dan kan ik je ook niet
+helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is
+over al de dieren in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen." Paul
+dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder.
+
+Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een' avond door een
+reusachtig bosch, en aan 't eind van dat bosch was eene zee, en aan
+het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte
+aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo oud, zoo oud! "Die
+is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, "als eene gewone grootmoeder
+weken oud is."--"Dag, oud Moedertje," zei Paul, "hoe is het met U? Ik
+moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over
+al de dieren, die op de aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij
+voor één' nacht te herbergen."
+
+"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig
+eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven;
+maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij
+zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar,"
+zei Paul, "en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten
+van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij den weg
+daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd
+te vergeefs."--"Neen, ik zelf niet," zei het oude vrouwtje, "maar
+misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren,
+die de zee bewonen. Misschien is er onder hen een, die je terecht kan
+wijzen." Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op
+een bed van eikeblaren te rusten.
+
+Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen
+kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water bruiste
+en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen:
+alle vroegen, wat de koningin beliefde. "Is er iemand onder jullie,"
+vroeg de koningin, "die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten
+van de zon en ten noorden van de aarde ligt?"--Toen volgde er een
+overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit
+van dat paleis had gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: "Je ziet, dat
+ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is
+over al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor
+je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. Is je
+dat niet te ver?"--"O, neen," riep Paul, "niets is me te ver, als ik
+maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden
+raad en stap nu maar dadelijk verder."--"Goede reis!" riep het oude,
+oude vrouwtje, "en hou' maar moed!"
+
+Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed
+verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: "wie
+volhoudt, moet winnen!" En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam
+weer op een' avond in een reusachtig bosch, in een bosch zonder einde.
+
+"Nu zal ik er zijn," dacht hij, "maar waar moet ik nu wezen?" Daar zag
+hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op af en ja--daar
+stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat
+hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen--de andere oude vrouwtjes
+zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker
+wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder dagen oud is.
+
+"Dag, oud, oud, oud, Moedertje," zei Paul. "Hoe is het toch wel
+met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters,
+de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen."
+
+"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het
+oude vrouwtje. "Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien opgroeien,
+en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog
+nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk toesprak."
+
+"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul. "Ik zoek het paleis,
+dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt,
+het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen,
+lief Moedertje?"--"Ik? neen!" schudde het oude vrouwtje, "maar
+ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver
+en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen je
+helpen."--"Dat hoop ik van harte," zei Paul. "Maar mag ik hier één'
+nacht uitrusten?"--"Zeker," zei het oude vrouwtje. Weer legde Paul
+zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker
+door het luiden van eene groote klok.
+
+In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een
+gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. Daar waren de
+onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars--te
+veel om te noemen en alle vroegen: "Wat beveelt Uwe Majesteit?"--"Ik
+heb jullie hier geroepen," zei de koningin, "om te vragen, of een
+van jullie ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon
+en ten noorden van de aarde ligt?" De vogels bedachten zich eene
+heele poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het
+paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het oude
+vrouwtje boos. "Wat!" riep ze; "jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt,
+weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? Maar--ben jullie er
+wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!" Neen, de vogel Phoenix
+was den vorigen avond niet thuis gekomen en nog niet terug. "Maar,
+dat is ongehoorzaam," riep de koningin boos. "Daar komt hij! daar is
+hij!" riepen op eens alle vogels. En ja--daar kwam de vogel Phoenix
+aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer
+bewegen kon en plotseling als op de aarde neerviel. Alle vogels waren
+blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos:
+"Waarom heb je iets tegen mijn verbod gedaan?" De arme vogel had eerst
+eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: "O, Koningin, wees niet
+boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver,
+heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, dat ten oosten
+van de zon en ten noorden van de aarde ligt."--"Zoo," zei de koningin,
+"nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid nog éénmaal de reis
+daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef
+ik je den tijd om uit te rusten en dan voorwaarts."
+
+Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul
+zette zich op zijn' rug. Hij dankte en groette het oude vrouwtje, en
+daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de
+blauwe zee en de groene bosschen, verder en altijd verder. Eindelijk
+vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie,
+dunkt mij, eene blauwe wolk heel onder aan den hemel."--"Dat is het
+land, waar we naar toe moeten," zei de vogel. En weer ging het verder,
+altijd verder.
+
+'t Werd avond. Weer vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja,"
+zei Paul, "ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als
+de zon zelve." De vogel zei: "Dat is het paleis, waar we naar toe
+moeten." Weer verder, altijd verder.
+
+Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: "Zie je
+niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie een groot paleis, dat glanst
+van goud en zilver."--"Nu zijn we er!" riep de vogel, en hij zweefde
+naar beneden en liet Paul van zijn' rug stappen. Paul wist niet,
+hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet lang op
+dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls
+oogen verdwenen.
+
+'t Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars
+in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis woonde,
+waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De
+toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul aan de groote voordeur
+klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. "Ga toch eens kijken,"
+zei ze tegen eene van de hofdames, "wie daar zoo laat nog klopt." Toen
+nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul
+vlug een' van de gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar
+gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot
+vallen en vloog naar de prinses. "O," riep ze, "die allerbeste vriend
+is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen gerold,
+dien ik hem vroeger heb gegeven." De prinses kon niet gelooven,
+dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar de deur om te
+kijken. Weer rolde Paul een' gouden appel door de kier van de deur;
+'t was de appel voor de tweede hofdame. De hofdame herkende haar
+eigen appel en vloog er mee naar de prinses. "O," riep ze "daar is
+die allerbeste vriend, zie, daar is de appel, dien ik hem vroeger heb
+gegeven." Nog kon de prinses het niet gelooven. "Hoe zou die ooit hier
+kunnen komen!" riep ze. "Wacht, ik ga zelve kijken." Voorzichtig deed
+ze de deur op eene kier en vroeg: "Wie is daar?" Toen reikte Paul
+haar den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest
+de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug
+deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal,
+dat hij zoo'n verre reis gedaan had, om bij haar te komen.
+
+"Maar hoe nu verder," zuchtte de prinses. "Als de reus, die zoo'n booze
+toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den morgen wordt hij
+wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars,
+die hem helpen; daar kun je niet tegen vechten."--"Laat mij maar
+begaan," riep Paul, "ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!" De
+prinses schreide; ze was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen.
+
+Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan
+met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte,
+om. Hij riep met krachtige stem: "Waar is de reus, die de lieve prinses
+gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!" De
+reus hoorde de stem en stormde woedend naar buiten. Hij zag niets;
+maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie
+het hoofd af. En Paul riep maar weer: "Waar is het leger, dat de reus
+wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen,
+zou ik bang wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!"
+
+Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden
+kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. Paul sloeg
+niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem
+voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. Toen naar de
+prinses. "Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk
+vrij?" riep de prinses! "O, Paul, wat heb ik je nu lief! O, wat ben
+ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of--of het moest wezen,
+dat ik mijne lieve ouders en mijne geheele lieve familie terug kon
+krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn."--"Waar
+zijn ze begraven?" riep Paul. "Kom, ik wil zien, wat ik met mijn
+tooverzwaard kan doen."
+
+Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al
+de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan en--de
+eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde,
+die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat Paul nu koning
+moest worden. "Ja," riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op
+hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, dat spreekt, en ze kreeg
+ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den
+troon en allen riepen: "hoera!" En de drie oude vrouwtjes werden op den
+rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten
+noorden van de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren.
+
+En nu mag jullie zeggen: "Die Paul!" En dan zeg ik: ja, van "die Paul"
+kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke woorden
+wel zoo ver komt in de wereld--wel zoo ver als het paleis ligt ten
+oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar zonder goeien
+wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun
+je vast op rekenen.
+
+
+
+
+JUIST GOED!
+
+
+Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was
+heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij rijk als
+de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren
+vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden en akkers, met
+hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig
+geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met het huis, de schuren en
+stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was
+de bliksem geslagen in het huis van den arme: het huis was toen tot
+den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een' stal er bij. Het
+had den arme veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee
+had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke
+was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk,
+de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het vet. Maar bij
+den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste
+paarden, de mooiste koeien en schapen, de vetste varkens. En de arme
+had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen
+werden leeger en leeger.
+
+Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte,
+dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van oogsten
+kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens
+thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat door hagel of
+zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En
+de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, omdat ze elk jaar weer
+minder te bergen hadden.
+
+Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde
+er van.--Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam er juist even te
+voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen,
+het ging broeien en zuur smaken. Het vee lustte zulk hooi niet,
+het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen.
+
+Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker:
+alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer:
+alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier,
+hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe weiden
+en meer vee en meer akkers, hij nam meer knechten en meiden in zijn'
+dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren
+en stallen oud en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk
+voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij
+moest zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij
+ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van den
+morgen tot den avond--het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit
+en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, wat hij nog had,
+verkoopen. 't Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg
+voor alles maar weinig geld, heel weinig. En voor dat weinigje kocht
+hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne
+koe met één schaap. Hij hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen
+leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme
+zou nog armer worden .... De koe en het schaap werden ziek en--ze
+stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond,
+waar bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen
+moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest was,
+uit werken gaan, om zijn brood te verdienen.
+
+De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken,
+om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan geld en goed;
+maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe
+ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid en hoorde zijne
+klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even
+ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, waar zijne geldkist
+vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de
+arme had weinig te geven, en toch gaf hij nog van zijne armoede aan
+anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld
+en goed; maar rijk aan liefde en medelijden.
+
+Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn' rijkdom niet. De
+rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, dat
+het zijn' broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte
+de rijke.--Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, was nooit
+afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd,
+verheugde de arme zich in 't geluk van den rijke.
+
+Nu hoor, wat er gebeurde.--Het stukje grond, dat de arme bij zijn
+huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of
+heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De arme zaaide
+altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte,
+om den grond los te maken; maar 't hielp alles niets. 't Was, om er
+heelemaal den moed bij te verliezen.
+
+"Eéns wil ik het nog probeeren," zuchtte de arme, "en als het nu niet
+lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven liggen." Wat
+zou het zijn voor 't laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij,
+'t moest maar koolrapen zijn. Als die eens opkwamen, daar was nog
+eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging,
+of hij er ook nog niet van verkoopen kon!
+
+Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen,
+of het opkomen zou.
+
+En het _kwam_ op. Maar hoe! Och, 't was dezelfde treurige geschiedenis
+van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes
+uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: "kon je ons in geen
+beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?" Treurig
+schudde de arme het hoofd. "Er komt niets van terecht," zuchtte hij.
+
+Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker
+gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover was,
+dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er
+niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale plantjes zag,
+werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder,
+dat er gebeurde op zijn' akker.
+
+Eens op een' morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had
+behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen op den akker. De
+spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet
+moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne verwonderde oogen? Ze zagen
+midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig
+spreidde ze hare dikke, sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme
+stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets
+kon groeien op _zijn'_ grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar
+van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de
+bladeren en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het
+wel eene koolraap, die hij zelf gezaaid had? Ja, 't moest toch zoo
+zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen
+groeiden; alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. "En," dacht
+de arme met vreugde, "als de bladeren en stengels zoo forsch zijn,
+wat zal er dan eerst voor een' wortel aan zitten!" Ja, hoe groot zou
+toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen was? 't
+Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben,
+uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar neen, dat deed hij niet:
+de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel
+moest nòg dikker worden. Rustig zou hij haar laten groeien, tot ze
+niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde
+te nemen. Maar kijken naar zijn' schat, dat mocht, en dat deed de
+arme dan ook trouw, 's Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog
+op de bladeren van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag
+er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de
+zon hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw,
+onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, tot
+de oogen hem dichtvielen. 's Avonds, als hij moe van 't werk kwam,
+zette hij een' stoel op den akker en rookte er zijn pijpje.
+
+En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag _zag_
+groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze
+op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. De
+plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte,
+hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde zijn gezicht
+van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den
+grond ook doorgroeide en dien hij nooit zag, dan klopte hem het hart
+van hoop en verlangen.
+
+Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch
+wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als ze was. Wel zag
+hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep
+hij, dat ze niet leven konden, omdat die ééne krachtige, hongerige
+alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar
+dat kon lang niet genoeg zijn. Neen, hoe grooter de plant werd,
+hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze _moest_ hem
+geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het:
+het gezicht van den arme fleurde met den dag op. Zoo mismoedig als
+hij vroeger het hoofd had laten hangen, zoo moedig droeg hij het nu
+omhoog. "Wat zou er toch gebeurd zijn?" dachten de menschen. Niemand
+wist het, en niemand mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge
+struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij
+er ook met niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem
+worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en
+dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen.
+
+Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou
+worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade bekeken. En hij
+had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast
+aangedraaid. Toen was hij gaan slapen en had gedroomd, dat er maar
+een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene
+vuist. Verschrikt was hij wakker geworden. Gelukkig--'t was maar
+een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef
+en groef, tot hem het zweet van 't gezicht druppelde. Niet dat het
+werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller
+en sneller ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven,
+dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang,
+dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar
+altijd niet aan 't einde. Op 't laatst was de kuil zoo wijd, dat hij
+er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er
+rechtop in stond, nog maar even met zijne handen den rand raken kon.
+
+Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi
+langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den arme glinsterden
+van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en,
+keek naar de raap, alsof hij nog nooit in zijn leven zoo iets moois
+gezien had of zien zou.
+
+Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon
+hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol doen
+zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen
+was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was en dat ze groeide,
+zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het
+groeien kon hij nu niet meer hebben. De aarde was eenmaal losgewoeld,
+daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de
+hoogte van den knol mee. Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te
+weten. Maar wat te doen met zijn' schat!
+
+Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben:
+hij was maar alleen, 't zou een heele voorraad voor hem zijn. Maar
+neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem
+te lief.
+
+Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het
+iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen zeggen:
+"Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met
+zoo'n heele groote, waar we haast geen' weg mee weten!" Neen, zóó
+zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken.
+
+Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat
+willen? Als de menschen op' het dorp hoorden, wat er te doen was, wel,
+dan liepen ze vanzelf naar zijn' akker, om ongevraagd te kijken, en hij
+kon ze toch niet wegjagen.--Neen, neen, dat was alles het geluk niet.
+
+De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging
+hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij van moeheid na de
+groote inspanning in slaap. En weer had hij een' droom. Hij droomde,
+dat zijne raap een gezicht en armen en beenen gekregen had en, dat ze
+nu zat op een' troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden
+staf in de hand. Om den troon stonden in een grooten kring eene heele
+menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke
+raap. De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf,
+en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: "Leve onze koningin,
+hoera voor de koningin van de koolrapen!"
+
+Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. "Ik weet het,
+ik ik weet het," riep hij, "eene koningin past bij een' koning. Ik
+breng de koolraap naar den koning!" Dat was nu heel mooi bedacht;
+maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand pakken en dragen,
+daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen,
+daar zouden wel twee, drie, mannen voor noodig zijn. En met optillen
+was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg--hoe zou
+de koolraap daar komen! .... Hulp vragen, dat was het eenige. 't Zou
+toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam.
+
+Maar waar zou de arme aankloppen? 't Beste was misschien nog alles
+te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp
+kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest, en de boer
+had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de
+arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst geweest was en later,
+toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop--toen beloofde
+de boer dadelijk te raden en te helpen.
+
+Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en
+de boer, die bij 't verhaal van den arme zijne ooren bijna niet had
+kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij wezenlijk niet wist
+wat hij zag. "Wel verbazend," riep hij, "dat mag in de krant! Zoo'n
+dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich alleen gebruiken met
+twee paarder er voor."
+
+En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor
+koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid was. Drie mannen
+tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen,
+waar een zacht bed van stroo voor haar gespreid was. En toen ze weg
+reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de
+koningin van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg
+op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de verte
+met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en
+ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning wel zeggen zou. En de
+arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk
+toe en klapte lustig met de zweep. Zoo ging het voorwaarts van het eene
+dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de
+verte begroet met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap
+reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan
+'t eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou.
+
+Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning
+woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen wapperden van alle
+huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten
+in lange dichte rijen, en vóór het paleis op een groot plein stonden
+wel vijfhonderd soldaten.
+
+Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de
+trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig gezicht het
+geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was
+alles een grapje van den koning, die veel schik had in 't geval. De
+arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest,
+hij was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles
+eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen, en
+lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden,
+om ernstig te blijven kijken.
+
+De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen,
+dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook de heele
+treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden,
+van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen en van de
+hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart
+van den koning was vol medelijden met den arme.
+
+"Uwe Majesteit," begon de arme, toen hij voor den koning stond, "Uwe
+Majesteit, ik kom...." Verder kwam de arme niet. Onderweg had hij
+heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit
+pure verlegenheid van al de mooie woorden er geen twee meer bij elkaar
+krijgen. Maar de koning hielp hem: 'Ik kom Uwe Majesteit de koningin
+van de koolrapen aanbieden, en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo
+vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.'--"Was het
+zóó niet?" lachte de koning. "Ja, zóó was het, Uwe Majesteit, juist
+zóó!" riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de
+verlegenheid geholpen had. "En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?"--"Wel
+zeker wil ik!" zei de koning. "Veel wonderlijks en vreemds heb ik in
+mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel
+moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present gekregen, maar nog
+nooit zoo iets aardigs!"--De arme kreeg eene kleur van plezier.--"En
+zeg me eens," vroeg de koning, "uit wat voor een zaadkorrel is toch
+die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel
+geweest zijn. Of komt al je zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel
+een echt gelukskind, hoor!"--Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij
+zuchtte--_hij_ zou een gelukskind zijn! "Och neen, Uwe Majesteit,"
+zei hij treurig, "noem mij liever een' ongeluksvogel." En toen vertelde
+de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist,
+maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf nog graag
+eens hooren wou.
+
+De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef
+nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk
+begon hij: "Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap je waard
+was. 't Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil _ik_
+ook graag wat voor _jou_ doen--je zult niet voor niets zoo'n schat
+aan mij hebben afgestaan."
+
+De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk
+komen, komen door de raap?
+
+"Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn' overvloed geven,
+wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden."
+
+Daar _was_ het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor
+den koning op de knieën. Maar de koning richtte hem vriendelijk
+op en zei lachend: "Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je
+gelukkig gemaakt."
+
+En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest
+was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en prachtig vee
+en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen.
+
+Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en--het
+_bleef_. De arme was niet arm meer; maar hij _werd_ het ook nooit
+weer. 't Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had
+voor goed den voorspoed gebracht. Zelf was de raap bij den koning
+gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het
+paleis op een' reuzenschotel van kristal, dien de koning alleen voor
+haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap
+bewonderen, en iederen dag stroomde het van menschen, die uit alle
+streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den
+koning had gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap,
+ieder hoorde van de raap.
+
+Ieder--dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke,
+die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme, die nooit
+hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon,
+dat een ander even rijk of rijker was dan hij. De rijke dus hoorde
+ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen,
+werd hij boos en afgunstig in zijn hart.
+
+"Zoo'n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een' koning, dat
+moet ik zeggen," spotte hij. "'t Lijkt wel, of de koning niet recht
+bij zijn verstand is, dat hij mijn' broer daarvoor zooveel gegeven
+heeft! Wat moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars,
+voor iets van groote waarde!"
+
+Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den
+koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten de koning
+_hem_ dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen
+had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige rijke
+wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer
+op den neus kijken--juist goed! Wat meende die onnoozele bloed wel,
+dat hij met een' knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke,
+die zooveel meer geven kon!
+
+Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele,
+kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en vurig.
+
+Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht
+er niet aan, de menschen op zijn' weg vriendelijk te groeten. Wel
+keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van
+nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel en vroolijkheid
+was er niet. Ieder wist, _wie_ hij was en _hoe_ hij was.
+
+De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan 't eind van
+zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning
+woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van
+de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor 't paleis,
+geene muziek speelde er. 't Was doodstil in alle straten, waar de
+rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand keek er naar hem
+uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den
+rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden gehad had met den arme,
+die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon
+de koning hem niet vergeven.
+
+De rijke kwam vóór den koning. _Hij_ was niet verlegen, _hij_ wist
+zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof
+hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en koningen had
+omgegaan. "Ik hoorde," zoo begon hij, "dat mijn broer zoo vrij, of
+ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest is, onzen geëerbiedigden
+koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was
+wel zoo vriendelijk, dat dwaze geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit
+gaf mijn' broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk
+niet verdiende. Ik kom nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik
+me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen over de
+brutaalheid van mijn' broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn
+broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige paarden. Onze
+geëerbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van
+edele, mooie paarden. Ik deed mijn best, om de kostbaarste te vinden,
+die er zijn. Zoo'n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen
+dan...."--De koning, die alles met een strak, onvriendelijk gezicht had
+aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. "Je
+kunt heengaan," zei hij, "ik neem de paarden aan." Toen schelde de
+koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij zich
+komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei:
+"Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit," boog en ging weer heen.
+
+Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en
+onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem niet eens
+laten uitpraten--de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar--toen
+de bediende met hem meeging en hem bracht bij een grooten overdekten
+wagen met twee paarden, die op het plein vóór het paleis stond, toen de
+bediende zei: "Dit geeft Zijne Majesteit U in dank voor de paarden,"
+toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer
+schelen, hoe de koning tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet
+wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer
+oogen opzetten, als hij te weten kwam, wat de koning _hem_ vereerd had!
+
+De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren
+het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen? In zijne
+gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op
+satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten, die hij er voor zou
+laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden
+droeg, als hij een juweelen knop aan zijne zweep en aan zijn' stok
+liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare
+oorbellen en broches, ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem
+benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn' zak, als
+hij kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En--hoe armoedig
+vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen had!
+
+Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar
+huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel schatten
+borg. Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien--toch
+raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis, in zijn
+eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters,
+van zijne meiden en knechten, van al zijne buren, de zakken en de
+kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en--hem
+benijden, dat was zijn lust en zijn leven.
+
+Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich
+oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die uit
+nieuwsgierigheid met hem meeliepen.
+
+Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en
+deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden, die allen
+naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen,
+die om den wagen stonden. "Vrienden," begon hij, "een groote eer is
+mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze geëerbiedigde koning, nam niet
+alleen mijn geschenk in genade aan, maar gaf mij tot dank veel
+kostbaars. Hieronder," en de rijke legde de hand op het dekkleed
+van den wagen, "ligt geborgen, wat mijne eigen oogen nog niet gezien
+hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!"
+
+De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof
+hij zelf een koning was, keek hij voor 't laatst nog eens trotsch in
+'t rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen,
+om vooral goed te kunnen zien.
+
+En nu--daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet
+kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd van
+schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen
+voor 't gezicht, vliegt in huis en gooit de deur achter zich toe....
+
+Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn' broer!
+
+
+
+En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het
+huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig gefopt was.
+
+
+
+
+WEER VAN EENE FEE.
+
+
+Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school
+gaan--allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle dag
+terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn:
+'t is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja, zoo denk
+jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er
+heel anders over dacht.
+
+Dat ongelukkige kind kon 's morgens, als ze op zou staan, nooit hare
+kousen vinden. Gezocht op den stoel vóór 't bed, in 't bed, rechts,
+links, aan 't hoofdeneind, aan 't voeteneind, onder de dekens--alles
+onderst boven gehaald. Eindelijk--één gevonden onder 't kussen,
+een poosje later nummer twee onder 't ledikant.
+
+Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen
+stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien, je kunt nooit
+weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij--in een'
+hoek van de vensterbank!
+
+Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De
+waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu achter!
+
+Dan aan 't plassen. Een druipnat gezicht--geen handdoek, om het af te
+drogen. Een pretje, hoor! Waar--kon--dan--toch--die--handdoek--zijn? Al
+pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over
+een' post van 't ledikant.
+
+Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor 't
+grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel. Niets! Op
+tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze
+toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk!
+
+De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er
+afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning,
+hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer,
+'t Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig weer
+wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan.
+
+Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?--'k Hoop voor
+jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen en knoopsgaten,
+haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind,
+schenen wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef
+en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten,
+konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld
+door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver van af zaten. De
+stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid
+van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel knoopen en haken, die er
+heelemaal "voor spek en boonen" bij zaten.
+
+Vraag ook niet naar Ida's vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar
+gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten verdeelen
+in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu
+eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht een dun, schraal
+strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop.
+
+Maar--hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te
+ontbijten, dat wil zeggen--om staande haastig een paar happen brood
+te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in
+verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden als je bij 't aankleeden
+zóó geplaagd en opgehouden wordt!
+
+Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg,
+als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden. Nu, ze had
+ook geen tijd meer om te zoeken--dan maar zonder de straat op. Flap,
+de voordeur dicht.--Een oogenblik er na: tingelingeling! Ida terug
+hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal
+gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet verstopt achter de
+kelderdeur, die open stond?--Waren de boeken en schriften, was alles,
+wat ze noodig had er wel in? In de vlucht even in de tasch gerommeld,
+een schrift er bij één vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om
+een boek half afgescheurd. Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik
+tijd meer: 't was toch al zoo laat.
+
+Ja, Ida was _te_ laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest
+schoolblijven, om 't verzuimde weer in te halen.
+
+Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?--"Ida," vraagt de juffrouw,
+"waarom begin je niet te schrijven?"--Juffrouw, mijn pennenhouder
+is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn
+vak."--"Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft, moet hij er nu nog
+zijn. Zoek nog eens goed."--Ida aan 't scharrelen in de beide vakken,
+in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder
+de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle
+meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen heelemaal niet
+werken. Ida's werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig.
+
+"Leesboeken op de tafel!"--"Juffrouw, 't mijne is er niet." Weer moet
+het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd. Nooit
+heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet
+meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, 't is wel om te zuchten.
+
+Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met
+alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van binnen:
+schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat,
+klosjes garen en zij--alles had er zijne eigen plaats, en toch
+bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er
+in voor 't grijpen. 't Was, of de schaar riep: "Zoeken behoef je
+niet, hier lig ik en blijf ik."--De naaldenkoker, hoe rond hij was,
+dacht aan geen wegrollen, en de naalden bleven rustig in haar donker
+kamertje.--De klosjes stonden als soldaten in 't gelid, klaar om hun'
+draad te presenteeren.--De spelden op het kussentje keken met hunne
+schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: "Zitten we hier
+niet mooi, hier kun je ons altijd vinden."
+
+Ja, zóó was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En--zóó zou het stellig
+ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over geweest
+was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had
+of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed: alle dingen maakten
+het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was
+veranderd. "Waar is mijn vingerhoed?"--Maar de vingerhoed had zijn'
+post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug,
+platgetrapt, onder 't karpet!--"Waar is mijne schaar?" Maar de schaar
+liet naar zich zoeken. 's Avonds bij 't naar bed gaan zag Ida het
+ongehoorzame ding pas terug--op de tafel in de slaapkamer.--"Wat
+nu, maar ééne naald meer in mijn' naaldenkoker en dan nog wel
+zoo'n dikke, die ik niet gebruiken kan!" Overal onder en tusschen
+gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan
+de wandeling. Later wou Ida iets van den grond oprapen: daar----"au,
+au! prikte ze zich aan eene naald, die in 't vloerkleed stak.--De
+spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze
+gebruiken moest.--En de klosjes, die hun' draad zoo prettig klaar
+hielden? "Nooit kan ik een' draad loskrijgen, alles zit altijd in
+de war," zuchtte Ida. Ja, de klosjes lagen al lang holderdebolder
+door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo
+verward door elkaar heen geslingerd, dat er geen weg in te vinden
+was.--Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast
+tusschen de draden.--Of er nog plaats was voor een handwerkje? Och,
+vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen
+deksel en doos geklemd en hing half over den rand. De stumper had
+zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die
+heelemaal niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek,
+die in Ida's zak, en een haarlintje, dat om Ida's vlecht behoorde
+te zitten; een' inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger,
+die uit het leesboek verdwaald was.
+
+Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei
+snuisterijen in bergen mocht.--Heerlijk, zoo'n eigen kastje! Alle
+planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de
+onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes neergevlijd; de
+kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de
+plooi, alles glad en zonder kreuk.--En dan de bovenste planken! Daar
+berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de
+Cologne- en odeurfleschjes, aardige doosjes en mandjes--ik kan het
+niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan
+weet je nog wel meer.--En dan plooi en schik je, je zet en verzet
+al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast
+niet mooier kan. Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen
+bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en
+binnengluren, zoo'n schik heb je er aan.--Met je oogen dicht weet
+je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in
+'t midden, en dat staat in dien of dien hoek.
+
+Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte
+altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met beî haar
+open oogen en beî haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet
+eens vinden, wat ze noodig had.--'t Leek wel, of 't linnengoed op
+zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen
+ging op plaatsen, waar het in 't geheel niet behoorde. Rokken hadden
+zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen
+verdwaald, zakdoeken speelden verstoppertje zoowat overal tusschen
+'t goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms,
+gedeukt in een' hoek. 't Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over
+gespeeld hadden met de stapels goed--dat ze daarbij soms losgegaan
+waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en
+trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls ze iets uit
+haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden!
+
+Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo'n rommel
+wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun' kop stonden of omgebuiteld
+waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien
+mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor de grap alles, wat er
+in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats--o,
+'t was om er kriebelig van te worden.
+
+Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te
+begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden
+mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets
+vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen,
+scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat
+een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren ging,
+hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe
+dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd, dat is heel niet
+te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door
+al die onrust en al die tegenspoeden. Och, wat had ze weinig plezier in
+haar leven.--En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame,
+eigenzinnige, onwillige goed! Ja, 't was wel om te zuchten.
+
+Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: "t Kan zoo niet langer,
+'t is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn goed,
+ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden."
+
+Toen ging ze met de hand onder 't hoofd zitten peinzen eene heele
+poos. Wat had ze al dikwijls bij 't haastige zoeken boeken, schriften,
+kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw
+aan getrokken. "Naar ding!--Vervelend ding!--Plaag je me weer?"--Wat
+had ze 't dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den
+grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen, 't
+werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet
+je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met haar goed praten,
+dat zou beter zijn.
+
+Toen--niet lachen, hoor--toen zocht Ida al haar goed bij elkaar:
+kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles werd
+uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog
+losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld. En dat heele
+rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen
+ging ze met een strak gezicht deftig midden in dien kring staan en
+zei: "Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je
+praten. Het moet uit zijn met die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar
+je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in 't vervolg
+stil op zijne plaats, tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt
+niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me
+geen schrift meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand
+probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien, wie
+de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn'
+dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn' plicht, begrepen? In
+'t vervolg, als ik vraag: waar is mijn' pennenhouder? dan vertoont
+die zich dadelijk, alsof hij zeggen wou: hier ben ik! Heb ik een
+klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof
+het roepen wou: tot uw' dienst, Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje
+hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet
+anders. Wie onwillig of voorbarig is, krijgt het met mij te doen."
+
+Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd,
+dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of 't was, alsof 't
+goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De
+borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden een stijf gestreken
+kraagje, dat bovenop hem lag. 't Kraagje wipte van den borstel af en
+rolde in vroolijke sprongen over den vloer. Een fleschje, dat juist
+in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van 't
+lachen, had maar een klein duwtje noodig: daar lag het al languit op
+den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den
+vloer.--Boeken en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel
+lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven
+liggen, zoo'n plezier hadden ze. Rrrrt--daar gleden ze uit elkaar,
+tegen een' maasbal aan. De maasbal vroolijk aan 't rollen--boems,
+tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten
+de pennen op hun twee voetjes de doos uit.--Eene pret van belang,
+hoor! 't Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: "Praat maar toe,
+we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin. Denk je den baas over
+ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!"
+
+Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig,
+teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen van
+spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar
+boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg, dat ze het toch
+maar niet weer zien zou!
+
+Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer
+dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed. Ze kon er nu
+heelemaal geen baas meer over worden.
+
+Eens op een' morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar 't bosch
+gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze zoo eens mee
+wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van
+haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar--Ida zag er altijd
+zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf--neen,
+de moeders van de meisjes vonden het maar beter, dat ze buiten de
+school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe
+het zoo kwam, dat de meeste meisjes altijd bedankten, als zij ze op
+visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze
+ééns bij een meisje geweest was? Waarom moest ze toch altijd alleen
+zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot
+verdriet voor Ida.--En terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door
+'t bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan
+dat andere verdriet--aan al 't verdriet, dat ze zoo al had in haar jong
+leventje. 't Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen
+frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette
+niet op al dat moois,--en vroolijk kon ze ook niet zijn. Ze keek heel
+bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten
+en--begon bitter te schreien. Daar voelde ze opeens eene hand, die
+zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk
+zei: "O, o, wat een dikke tranen! Is 't verdriet zoo groot?"
+
+Vóór Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere,
+verstandige oogen en o zoo'n lief, goedig gezicht. Maar niet alleen 't
+gezicht, neen, 't heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles
+aan haar was even proper en net: van 't hagelwitte mutsje met de fijne
+plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of
+plooi, geen band of knoop, die niet op zijne plaats zat. Geen kreuk,
+geene vlek of scheur te zien. 't Heele vrouwtje met alles, wat ze aan
+had om- door een ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen.
+
+"Nu, meisje," vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord
+gaf, "wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien kan ik je
+helpen."--Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed
+in de vriendelijke, medelijdende oogen, en vóór ze het wist, was ze
+al aan 't vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe 't kwam, maar het
+vrouwtje leek haar heelemaal geene vreemde: 't was net, of ze praatte
+met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze
+dacht niet: wat is dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk,
+dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van
+alles, wat haar op 't hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van
+de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe ze nu niet
+wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel
+ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist, vroeg ze: "En is er thuis
+nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?" En toen heel
+zacht: "Heb je geene moeder?"--"Neen, neen," barstte Ida schreiende
+uit, "eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven
+vragen. Ik zie hem ook haast nooit, hij zit altijd te studeeren. En
+dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg,
+en de juffrouw van de school is altijd ontevreden op me. Niemand,
+niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, 'k hou' nu al zooveel van
+je, help jij me!"--Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze
+trok haar naar zich toe. "Arm kind," zei ze, "zeker wil en kan ik je
+helpen, vertrouw gerust op mij.--Kom, we wandelen samen naar je huis,
+en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje bij je. Mij dunkt,
+we zullen dan samen dat groote verdriet wel op de vlucht jagen. Droog
+nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn' arm. Maar
+wacht eens, je manteltje is scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen,
+ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een' band,
+die zoo brutaal onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen
+we zijne plaats eens.--Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan
+den binnenkant van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand
+ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je--ze zouden lachen
+om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is
+alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. 't Lintje op den
+loop? Wacht, 'k heb er juist een in mijn' zak.--Hè, dat lijkt toch
+wat beter dan zoo straks." Ida keek al lang niet bedrukt meer: het
+vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een
+beetje door haar te worden "opgeknapt." Er was anders nooit iemand,
+die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag.
+
+Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig
+over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar haar vader
+was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee
+naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer stonden,
+klopte Ida aan; maar geene stem had nog "binnen" geroepen, of ze was
+ook al weer de trap af.
+
+Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje vóór Ida's vader,
+en weer een oogenblik later zat ze in een' leunstoel tegenover
+hem en waren ze samen druk aan 't praten. Over wie, dat kun je wel
+dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies kunnen
+vertellen. Wel weet ik, dat Ida's vader bij het weggaan het eenvoudige
+vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet ik, dat Ida, die beneden
+met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: "Nu, wat
+zegt Vader?" en dat het vrouwtje toen antwoordde: "Alles is in orde,
+kindlief, ik blijf bij je."--Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen
+van blijdschap.
+
+Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang
+uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida praatte al
+dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien
+met de heldere, verstandige oogen, dat deed ze des te meer. Eens nam
+ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend
+aan. "O, uit mijn geschiedenisboek!" zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam
+het blad en lei het op een' stoel. Maar het vrouwtje nam het weer van
+den stoel en liep er mee naar de boekenplank. "We moeten het, dunkt
+me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats leggen," zei ze. "Ja
+maar," riep Ida, "hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och,
+'t kan later ook wel."--"Samen zoeken," hield het vrouwtje vol. En
+of Ida al wat ongeduldig keek--ze kon toch niet goed anders doen dan
+meezoeken. Toen ze 't boek eindelijk had, wou ze 't blad er gauw even
+instoppen. "Ho," zei 't vrouwtje, "laat eens zien: bladz. 34, die heeft
+35 tot buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond
+aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier vast,
+we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen."--Ida
+keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen durfde ze niets.
+
+Op de trap naar Ida's kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel,
+maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield het ding
+in de hoogte. "Hé, de ceintuur van mijne blauwe jurk," zei Ida,
+"hoe komt die hier!"--"De ceintuur wou zeker eens zien, of ze wel
+alleen den weg naar Ida's kapstok kon vinden," zei 't vrouwtje. Ida
+lachte, maar ze kreeg ook eene kleur. Gauw nam ze de ceintuur uit de
+handen van 't vrouwtje en mompelde zoo iets van: "meteen meenemen en
+ophangen." 't Leek wel, of ze zich wat schaamde.
+
+Ida's kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. Vóór de deur
+stond Ida even stil. 't Was, of ze er eigenlijk een beetje tegen opzag,
+haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje
+toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame goed eens laten zien.
+
+"Kijk," begon ze, luid en druk pratende, "kijk me dien boel hier eens
+aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is te zoek, als je
+'t hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden,
+zie maar! En...." Verder kwam ze niet, want ze merkte: het vrouwtje
+luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat
+van een' stoel of van de tafel, daar wat van 't bed of van den grond
+en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang,
+tot de kamer er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat
+verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist niet
+recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te
+zien; zóó zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje begreep best,
+wat Ida dacht, en daarom zei ze: "Toe maar, kindlief, ik zal het je
+wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw je de kunst van mij afkijkt."
+
+Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze
+hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een' stoelpoot haast door 't
+behang, ze lei haar nachtzak in een' hoek op 't bed, en bij alles,
+wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje bijna onderste
+boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal
+niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en vriendelijk wees ze Ida
+telkens, hoe ze dit zus en dat zóó moest doen, en waarom dat beter
+was en netter leek. Zie, als je zooveel kleeren op elkaar hing,
+dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en
+leelijke plooien in.--En een' stoelpoot, daar moest een stoel toch
+zeker op staan. "Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en
+'t behang mogen ze niet aanraken."
+
+De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten
+stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in 't midden op het bed te pronken,
+dat paste beter voor hem.
+
+Hè, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe
+langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders, toen
+eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om
+er in te wezen.
+
+"Met het kastje wachten we liever tot morgen," vond het vrouwtje, "je
+zult wel moe zijn van 't ongewone werk." Maar neen, daar had Ida geen
+ooren naar: ze was in 't geheel niet moe, en morgen zou er misschien
+weer wat anders te doen zijn.--Daar waren de kastdeuren al open, en
+roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. "Ho, ho,"
+riep het vrouwtje, "dat gaat maar zóó niet, juffertje. Eén, twee,
+drie, het kleed van de tafel--netjes opvouwen, hoor--en dan op de
+leege tafel alles uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst
+het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk,
+zóó: plat en--geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen
+uitsteken.--Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg het er maar
+op--knap--je zult het wel leeren.--Dit voor de volgende plank.--Weer
+een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.--Nu de twee bovenste nog."
+
+Ida keek met een' zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze
+wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge vrouwtje
+was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar
+paste.--"Pennenhouder--op zij, je behoort hier niet.--Kleerborstel:
+pak maar eens aan--in de tafellâ.--Nagelschaar: op je plaats in
+'t laatje van de waschtafel.--Nu dit, en dat en dat nog weg. Hè,
+dat ruimt op.--Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast
+schikken."--Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk niet, dat ze
+zooveel mooi goed had.
+
+"Kant en klaar!" roept eindelijk het vrouwtje. "O, wat ben je toch
+knap!" zei Ida, en ze gaf haar een' kus. "Niets knapper dan mijn
+meisje over eene korte poos ook wezen zal."
+
+'s Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit
+den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje had? "Ja
+wel, maar--maar...."--"O, 'k begrijp het al", lachte het vrouwtje,
+"je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat gerust eens zien,
+hoor!"--Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en--dralende
+haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje was wel nooit boos en zei
+nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig,
+alweer met iets aan te komen, dat er zóó uitzag. En wezenlijk--waar
+Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon
+zonder een woord te zeggen den warboel van klosjes en lint en band en
+wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij
+de klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar,
+hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen. Van
+het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje
+stak met eene speld de einden vast.--Alles kreeg eene beurt: alles
+in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er
+ook weer ruimte voor den ongelukkigen zakdoek, 't Was wezenlijk eene
+aardigheid om te zien.
+
+"En waar zal de doos nu staan?" vroeg het vrouwtje. "Och", zei Ida,
+"dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden."--"Kom,
+kom", lachte 't vrouwtje, "dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats,
+hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten we de boeken
+ook eens in 't gelid en de schriften en.... nu, niet zoo'n benauwd
+gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen, en je
+weet, hoe prettig dat gaat."
+
+De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor
+haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar mee naar boven,
+dat vond ze gezellig.--Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef,
+als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te liggen, en daar wat--'t
+duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde
+het hoofd. Bedaard zocht ze al de stukken weer bij elkaar, hing de
+jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig
+stapeltje van op den stoel vóór Ida's bed. Kam en borstel werden weer
+in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: "Waar
+is dat nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk
+weer aan." Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida's oogen gelezen,
+want toen ze haar een' nachtkus gaf, zei ze: "Waarvoor? Dat vertel
+je me zelf morgen aan 't ontbijt wel eens."
+
+"Nu?" vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida
+guitig aan. "O", zei Ida, "'t was heerlijk. Ik behoefde naar niets
+te zoeken. Al mijn goed lag voor 't grijpen--ik was in een' wip
+klaar."--"Ook wat _te_ gauw?" vroeg 't vrouwtje, en ze bekeek Ida van
+boven naar beneden. "Misschien wel", zei Ida zacht, en ze kleurde. Een
+poosje later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. "Ziezoo",
+riep 't vrouwtje, "nu is 't morgen gauw _en_ goed, is 't niet, kind?"
+
+Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog
+opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en tegen het middageten
+was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens
+keek ze weer heel bedrukt, en met een' zucht kwam het er uit: "Ja,
+'t is nu alles wel heel mooi, maar...."--"Maar het blijft niet zoo,
+wil je zeggen.--Wees gerust, kindlief, daar heb ik ook een middeltje
+op, dat ik je leeren zal. Netjes _maken,_ daar begin je nu al eene
+heele bolleboos in te worden, netjes _houden,_ daar zal ik je nu knap
+in maken."
+
+En Ida _werd_ knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst,
+die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg
+voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze 't
+nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig:
+het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en een prijsje op
+te vroolijken.
+
+En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?--Luister
+maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide, en er viel eene
+speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet
+aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde, dat liet ze rollen. "Ida,"
+zei 't vrouwtje, "er is iets gevallen."--"'k Heb het toch dadelijk niet
+noodig," had Ida dan dikwijls op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei
+het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.--Was 't naaien
+gedaan, dan werd werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt
+was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De
+doos dicht--weg er mee. "Kom," zei 't vrouwtje den eersten keer, dat
+Ida de naaidoos weer gebruikte, "nu zal 't me toch benieuwen, of je
+er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag." Ida
+had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier "den boel,"
+zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen
+lachje de hand terug en begon stuk voor stuk zorgvuldig te bergen.
+
+Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan,
+en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering bleef
+hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene
+heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee naar school
+moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken,
+die ze op school niet noodig had, kwamen in de tasch terecht.--Met de
+schriften ging 't al niet veel beter.--De eerste maal nu, dat Ida werk
+maakte en lessen leerde, terwijl 't vrouwtje er bij zat, zou het al
+weer denzelfden weg langs gaan. Maar 't vrouwtje deed den inktkoker
+dicht, veegde de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in
+de hand. "Daar," zei ze, "zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden
+bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je
+te helpen bij je werk.--En nu, waar behoort dit boek thuis? Moet je
+dat schrift meehebben? Hier is de tasch--ziezoo, alles netjes er in
+voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank. Klaar is 't."
+
+Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit
+op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze 't maar uit de handen
+kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja,
+'t was er niet van zelf zoo'n rommel geworden. Maar nu kon dat zoo
+gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen
+zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo haastig bezig bij haar kastje,
+zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze 't wist,
+het vrouwtje naast haar en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats
+van dit of dat niet meer wist. 't Zou jammer zijn, als 't kastje niet
+netjes bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En--al vond Ida het
+nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken.
+
+Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken
+en knoopen? Dat het vrouwtje Ida's kleeren al lang allemaal keurig
+in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida's goed nu niet meer
+scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje voor. Maar
+ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak
+er een band, kwam er een scheurtje of gaatje, dan zei 't vrouwtje:
+"'t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet,
+eer ze naald en draad te pakken hebben. Dat gaat jou zeker ook zoo, is
+'t niet?"--Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en--aan
+'t werk gaan!
+
+Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel,
+hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te _houden._
+
+Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet,
+hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht zette,
+als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe
+vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog veel minder, hoe
+menigmaal ze wel had willen roepen: "Neen, neen, ik wil niet, 't is
+zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!" Maar die verdrietige
+buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht.
+
+In 't begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze
+heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een plezier wou
+doen, en ook wel--omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar
+langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida het _zelf_ prettig te
+vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek
+het veel aardiger en vriendelijker. En dan: nooit behoefde ze nu
+meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd
+mee heen, en wat maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat
+ze noodig had, lag nu voor de hand. "'t Is net," zei Ida soms, "of
+ik wel tweemaal zooveel tijd heb als vroeger."--"De dagen zijn zeker
+langer geworden," zei 't vrouwtje dan lachende. En dan--op school was
+'t ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer
+te zeggen: "O, dat vak van Ida," of "o, die tasch, o, die boeken en
+schriften, o, dat werk!" Of: "Alweer te laat" en meer zulke leelijke
+dingen.--Strafkrijgen, schoolblijven--dat was allemaal vroeger.
+
+Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De
+meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida's slordige
+kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag
+en heel veel andere goede dingen meer. En toen kreeg Ida ook weer
+vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen
+en--die ook bij haar mochten komen.
+
+Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig
+goed had, dat haar het leven lastig maakte.--"Wonderlijk", zei het
+vrouwtje eens, "hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel
+verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit hoor ik je er
+meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-,
+je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt me, gebeterd, alles is
+gedwee en gehoorzaam geworden."--"Neen, neen," riep Ida, en met eene
+kleur als vuur viel ze het vrouwtje om den hals. "Neen, _ik_ heb me
+gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn
+als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk, slordig kind,
+dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne
+plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom er bij. Ik gaf mijn goed
+in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch
+niet helpen, dat ze overal omslingerden en altijd te zoek waren. 't
+Was alles mijne schuld, mijne schuld!"--"O, kind, wat ben ik toch
+blij, dat je 't eindelijk zelf begrepen hebt, zonder dat ik het zei,"
+riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. "Maar ik wist het wel,
+dat je nog eens zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust
+hart van je weggaan, ik weet...." Verder kon het vrouwtje niet komen,
+want bij het woord "weggaan" was Ida zóó geschrikt, dat ze eerst heel
+bleek werd en toen in schreien uitbarstte. "Niet weggaan," snikte ze,
+"ik hou' zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je
+hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat,
+zal alles weer anders worden."
+
+Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar
+naast zich op een' stoel, sloeg den arm om haar heen en zei: "Kom,
+lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me
+blijven houden, al ben ik ook niet meer bij je--en ook aan me blijven
+denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit
+weer. En gelukkig, tevreden, dat ben je nu ook wel zonder mij. Je
+zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat
+zul je ook niet weer, daar ben ik zeker van."--"Maar o," riep Ida,
+"waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te
+zijn."--"Alleen zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al
+met je besten vader gepraat en--is het niet heerlijk: je lieve tante,
+die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!--En waarom _ik_
+niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik
+nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die mij noodig hebben,
+nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.--Ik
+heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk wel ben. Een heel gewoon
+oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.--En nu--de
+oogen even dicht... Open!..."
+
+Vóór de verbaasde Ida stond--geen gewoon oud vrouwtje meer met
+een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie,
+lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere,
+verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende. En
+dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde
+ze zeggen: "Ik ben--de fee Netheid! En nu, lieve kind, de fee gaat
+_weg_; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft,
+dat weet ik." Nog een kus van de fee en--Ida was alleen.
+
+En 't gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van
+vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was eene nette,
+ordelijke, gelukkige, tevredene Ida.
+
+
+
+
+KALIF-OOIEVAAR.
+
+
+Heel ver hier vandaan, eerst ver naar 't zuiden en dan naar het oosten
+ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad heet. In die
+stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat
+land. De Koning dus? zul je vragen. Ja en neen. Hij had hetzelfde te
+doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette--Kalif. Dat is zoo
+raar niet, want de menschen praatten daar in dat land heelemaal anders
+dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen.
+
+Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een
+warmen middag op zijne canapé. Hij had net een lekker slaapje
+gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig
+rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den Kalif,
+doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk
+den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte zeker heerlijk,
+want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich
+weltevreden met de hand langs den baard. 't Was duidelijk te zien,
+dat de Kalif goed in zijn humeur was.
+
+De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen
+moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls spreken
+moest.
+
+De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn
+middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan juist
+altijd naar het paleis om' met den Kalif te praten. Want--ik houd meer
+van een goed, dan van een slecht humeur, dacht de grootvizier. Dezen
+middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond
+anders dan anders. De Kalif nam dan ook zijne pijp uit den mond en zei:
+"Wat nu, waarom zet je zoo'n betrokken gezicht?"
+
+De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte
+eene diepe buiging voor zijn' heer, zooals daar in dat land de mode is
+en antwoordde: "Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik
+niet, maar het kan wel zijn; want voor de deur staat een marskramer,
+die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig,
+omdat ik geen geld over heb om iets van hem te koopen."
+
+Nu, de Kalif had zijn' grootvizier al lang eens een pleziertje willen
+doen, en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste
+wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden
+om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. 't Was
+een klein, dik mannetje, zwart-bruin in 't gezicht en armoedig in
+de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij
+op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden laatjes, en
+in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden
+vingerringen bij met zilver beslagen pistolen en gouden drinkbekers
+bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles
+van a tot z, en eindelijk kocht de Kalif voor zich en Manzor, dat
+was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor
+de vrouw van den grootvizier een mooien haarkam. Voor zijne eigen
+vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw.
+
+Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei:
+"O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin hebben we nog
+niet gezien, is daar ook nog iets moois in?" De marskramer trok
+het laatje open en zei: "Och, neen, daar is niets bijzonders in,
+alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters,
+die ik niet lezen kan." De Kalif vouwde het papier open en zei:
+"Hé, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. 'k Mocht
+wel eens weten, wat die letters beduidden. Hoe kom je er aan?"--"O",
+zei de marskramer, "ik heb doos en papier van een anderen marskramer
+gekregen, en die had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier
+in hebt, geef ik U de beide dingen present."--"Graag", zei de Kalif,
+"ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat
+papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet, of dat
+niet ook op het papier te lezen is."
+
+De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven
+alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van pure
+nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. "Ik moet
+weten, wat er op te lezen staat", zei de Kalif, "eerder heb ik geene
+rust."--"Ik weet raad", zei de grootvizier, "naast de kerk woont een
+man, dien de menschen Selim, den Geleerde noemen, omdat hij zooveel
+geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan."--"Laat
+hem dadelijk hier komen", riep de Kalif. De grootvizier vloog de deur
+uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug.
+
+"Selim", zei de Kalif, "als je dit papier kunt lezen, geef ik je
+een mooi pak, maar kun je 't niet lezen, dan krijg je vijfentwintig
+klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet
+geleerd bent."
+
+Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. "Uw
+wil is mij een wet, o heer," zei hij. Toen bekeek hij het papier
+en zei: "Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is."--"Zeg,
+wat er in staat," zei de Kalif.
+
+En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond:
+
+Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van
+het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: "Mutabor,"
+verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de
+dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft ge maar
+driemaal naar het oosten te buigen en "Mutabor" te zeggen. Maar--pas
+op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan zult ge het tooverwoord
+vergeten en moet ge dier blijven.
+
+Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap
+in de handen. "Ziezoo, Selim," zei hij, "dat was knap gedaan; nu
+krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar één ding moet ik je nog
+zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor ieder ander. Beloof
+dat." Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem
+denzelfden avond de mooie kleeren te zenden, en Selim ging heen.
+
+"Nu, Manzortje," zei de Kalif, "dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe
+heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten komen. Kom nu
+morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten,
+waar niemand ons kan zien, en snuiven van het poeder. Ik heb mijn heele
+leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat
+alle dieren op de aarde en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu
+zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog
+nooit ben ik zoo in mijn' schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus,
+tot morgen!"
+
+
+
+Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of
+de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling af
+te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim
+geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg, en toen de
+deur uit. Al de voorname heeren, die anders altijd den Kalif moeten
+volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd
+menschen bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen,
+kregen een' wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen
+met zijn' grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten
+tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze ook een of
+ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens
+probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen eene slak voor hunne
+voeten, maar--eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes
+van eene slak gaven ze ook niet veel.
+
+"Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas," zei de
+grootvizier. "Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars
+gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de
+weide; laat ons daar eens gaan kijken."--"Mij best," zei de Kalif en
+ze stapten verder.
+
+Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een'
+ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend
+een praatje in zich zelf. Op 't zelfde oogenblik kwam er nog een
+ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere
+ooievaar stond.
+
+"Ik wed om mijn' baard, edele heer," zei de grootvizier, "dat die twee
+daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van,
+als we eens ooievaars werden?"
+
+"Uitstekend!" zei de Kalif. "Maar laat ons nu eerst nog eens
+goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja
+juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik
+weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen,
+dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen."
+
+Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne
+hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif
+greep een, twee, drie, de doos uit zijn' gordel, presenteerde haar
+ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de
+doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen
+hadden. "Mutabor!" riep de Kalif en "Mutabor!" riep de grootvizier ook.
+
+Toen--toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze,
+al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en
+zijn' grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels,
+de hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was
+weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.
+
+De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk
+riep de Kalif: "Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet
+gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!"
+
+"Als ik het zeggen mag," riep de grootvizier, "ziet Uwe Hoogheid
+er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als
+'t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds
+gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal
+verstaan kunnen."
+
+Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn'
+snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren
+gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide
+nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote
+verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:
+
+"Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe
+gaat het?"
+
+"Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn
+ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad,
+of een kikkerhammetje?"
+
+"Dank je zeer, 'k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere
+reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik
+voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje
+te oefenen."
+
+Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met
+allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één
+been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als
+eene jonge dame.
+
+De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot
+bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: "Eene kostelijke
+grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de
+dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we
+anders ook nog geen liedje gehoord hadden!"
+
+Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: "O, Vorst, wat hebben
+we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord
+niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo'n dwaze langpoot
+te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je 't al! Ik weet het woord
+niet meer, Uwe Hoogheid!"
+
+"Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen:
+Mu--Mu--Mu."--De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het
+oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten,
+maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu--Mu--Mu!
+
+Geen van beiden kon zich het woord herinneren en--de Kalif en de
+grootvizier waren en bleven--ooievaars.
+
+
+
+Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten
+niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene
+ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer
+naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou
+hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif
+was! En--ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven
+wilden, wie zou dan nog een' Kalif willen hebben, die ooievaar was?
+
+Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten
+half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels
+zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere
+ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze
+vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de
+lucht, en 't allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett'en ze zich op
+een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.
+
+In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en
+treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen,
+waar hun Kalif met zijn' grootvizier gebleven waren. Maar toen ze
+zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak
+van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien:
+een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en
+fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard
+een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede
+heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende:
+"Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!"
+
+Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de
+Kalif-ooievaar zei: "Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd
+ben! Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn'
+vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft
+mij eens gezegd: 'Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig
+maken!' Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij
+toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O,
+'t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien,
+dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats."
+
+Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer
+uit. "Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo
+rijk en zoo gelukkig was," zei de Kalif.
+
+Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het
+vliegen was nog zoo'n ongewoon werkje. "O wee, o wee," zuchtte de
+grootvizier, na een uur vliegen, "ik kan niet meer. Neem me niet
+kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens
+een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het
+begint al mooi donker te worden." Ja, dat vond de Kalif toch ook
+wel zoo verstandig. "Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij,
+de overblijfselen van een oud kasteel," zei de Kalif. "Laten we eens
+zien, of we daar niet in kunnen komen."
+
+Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt
+van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus
+niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen
+overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een
+geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat
+nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje
+gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een
+oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde:
+"Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een'
+grootvizier en nog meer voor een' ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel
+een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand
+diep zuchtte."
+
+De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten
+en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een
+dier kon het niet zijn: 't was sprekend het geluid van eene
+menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den
+kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de
+grootvizier hem met den snavel bij den vleugel en bad en smeekte:
+"Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer
+wachten. Ik bid U, blijf toch hier!" Maar bidden en smeeken hielp
+niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn' ooievaarsvleugel;
+hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge
+beenen eene duistere gang in.
+
+Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond,
+en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en
+gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar
+de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door
+een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op
+den vloer van die half verlichte kamer--een grooten nachtuil. Nu was
+het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan
+kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen,
+en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas
+had de nachtuil den Kalif met zijn' grootvizier, die toch stilletjes
+zijn' meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield
+op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen,
+en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke
+stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:
+
+"Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding
+nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik
+door een' ooievaar gelukkig zou worden!"
+
+Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder
+van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne
+lange beenen eene sierlijke buiging en zei: "Lieve nachtuil, het
+komt mij voor, naar de woorden, die 'k van u gehoord heb, dat gij,
+evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij
+ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is,
+zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen."
+
+"O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel
+belang in."
+
+En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.
+
+
+
+Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: "Ik dank
+u. Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder
+ongelukkig is, dan het uwe.
+
+"Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige
+dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte,
+betooverde ook mij. Eens op een' dag kwam hij bij mijn' vader, om
+te vragen, of ik de vrouw van zijn' zoon Mizra mocht worden. Mijn
+vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een'
+toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet
+hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos,
+trok een paar dagen later de kleeren van zijn' bediende aan en wist
+zoo in dienst van mijn' vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg
+ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht
+het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je,
+hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een' uil
+veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene
+harde, booze stem riep hij: 'Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk,
+als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot
+iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat
+gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader,
+die mij niet goed genoeg voor je vond.
+
+"Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam
+en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de
+wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met
+niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen
+heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen 's avonds en
+'s nachts kan ik goed zien."
+
+Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de
+vleugels de tranen uit hare ronde oogen.
+
+Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij
+zijn hoofd en zei: "Wonderlijk, wonderlijk; 't is ons haast net gegaan,
+als u. En hoe vreemd, dat _wij_ u nu juist hier moesten vinden."
+
+"Ja," zei de uil, "maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind
+was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken.
+
+"Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de
+booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elke
+maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar
+komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een
+verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar
+deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne
+toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten
+we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld
+wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent."
+
+"O, beste prinses!" riep de Kalif, "zeg me, wanneer komt hij en waar
+is die zaal?"
+
+Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte,
+dralende stem: "Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het
+graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij--gij kunt
+mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen...."--"Ja, ja,"
+riep de Kalif ongeduldig, "dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom,
+vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het
+graag."--"Beste Kalif," zei de uil, "ik hoop het; maar ik ben er nog
+niet zoo zeker van. Ik--ja, ik durf het u haast niet te zeggen--ik
+kan alleen weer mensch worden, als--als gij, of de groot-vizier
+mij--wilt trouwen."
+
+Daar was het er uit! Arme prinses-uil. 't Had haar zooveel moeite
+gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif
+liep verschrikt achteruit en trok zijn' grootvizier stilletjes aan
+den vleugel om ook mee te gaan.
+
+Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: "Dat is een leelijk
+ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar
+tot vrouw nemen, Manzor!"
+
+"Ik!" riep de grootvizier, "maar dat kunt gij niet meenen, edele
+heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog
+eene tweede vrouw thuis kwam! En dan--ik ben een oud man en gij,
+edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene
+mooie jonge prinses tot vrouw nemen!"
+
+"Ho, ho! dat is het juist," zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de
+vleugels hangen. "'Jong en mooi!' wie zegt je, dat ze jong en mooi
+is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil,
+die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!"
+
+Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom,
+de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de
+grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven
+dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te
+komen, zei de Kalif: "Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen."
+
+De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek
+af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. "En
+weet je wat," zei ze, "jullie bent op een gelukkig oogenblik hier
+gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht
+vergadering houden zullen."
+
+'s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken,
+waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene
+lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan 't eind van de gang
+door de reten van een ouden muur licht. "Nu doodstil," fluisterde
+de uil. "Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is
+vergadering!"--Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze
+in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of
+pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel
+honderd gekleurde lichten. In 't midden stond eene gedekte tafel, met
+kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel
+stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een'
+gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer,
+die hem de snuif gegeven had.
+
+En nu aan 't luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na,
+vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen
+geweest waren. Eindelijk riep er een: "En nu ik! ik heb zoo'n prachtige
+geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van
+Bagdad en zijn' grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst
+werd ik zelf marskramer en toen--neen, maar ik weet mij niet te houden
+van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op
+hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn,
+waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!"--"Wat was het
+voor een woord?" vroeg zijn buurman. "O, een moeilijk Latijnsch woord,
+dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!"
+
+Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich
+zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de
+duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet
+bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten
+gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. "Lieve redster van
+mijn leven en dat van mijn' vriend," zei hij "ik geef u de verzekering,
+dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!"
+
+Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon
+af--eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk
+ja, daar kwam de zon boven den horizon. "Daar is de zon, daar is het
+oosten!" riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange
+halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: "_Mutabor!_"
+O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken,
+of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier,
+die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den
+hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog
+nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen
+allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond
+achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? "Hoe is het nu, kent ge
+mij niet meer, prinses-nachtuil?" vroeg ze met eene lieve stem. Toen
+was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een'
+uil zoo'n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif
+de trouwbelofte gedaan had! "O!" riep hij, "nu zou ik voor geen geld
+van de wereld willen, dat ik _geen_ ooievaar geweest was!"
+
+Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de
+Kalif in zijn' broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif,
+maar wat beter was--zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de
+wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het
+in vliegende vaart naar Bagdad.
+
+Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett'en, toen hun lieve Kalif
+daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos,
+dat ze waren op dien valschen Kalif--dien Mizra! Ze joegen hem en
+zijn' vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif:
+"Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet
+in ooievaars, neen, als blinde mollen zul je in den grond leven,
+dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden
+en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: 'ik wil mol
+worden!'--"Snuiven en zeggen: 'ik wil mol worden!'" riepen alle
+menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. "Nu
+naar het oosten buigen en zeggen: 'Mutabor,'" klonk het van alle
+kanten.--En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen
+zooveel menschen beginnen! "Ziezoo," zei de Kalif, "nu zijn jullie
+een levend voorbeeld van het spreekwoord: 'Die voor een ander een'
+kuil graaft, valt er zelf in!'
+
+
+
+De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw,
+de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als
+de grootvizier hun 's middags aan de thee een bezoek bracht. Dan
+babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de
+beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij
+grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve
+beenen de kamer op en neer, maakte met zijn' mond een klepperend
+geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed
+den grootvizier na, zooals hij naar 't oosten boog en vergeefs:
+Mu--Mu--Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was
+die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn'
+grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu--Mu-geroep, dat de
+grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: "Pas op maar, pas
+op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben
+voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil
+woonde." Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje,
+want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord
+willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had.
+
+
+
+
+ONDER DEN TOOVERBOOM.
+
+
+'t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een' vader
+en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal
+gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder
+smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en
+glaasjes. "Klaar! beginnen!" roept Frits en neemt al vast een grooten
+hap van zijne boterham. "Ho!" zegt Mina, "eerst moet ik zusjes broodje
+nog in kleine boterhammetjes snijden." En "niet soppen Zus," zegt ze
+"geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven." Vader heeft
+de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim
+waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje "boôm, boôm,"
+wat boterham beduiden moet.
+
+Ja, 't was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie's huis. Maar
+waar was Nellie zelf? Ja--Nellie was er niet. Eén bordje stond te
+wachten, en dat was het bordje van Nellie. "Waar blijft Nellie?" vraagt
+Moeder. "Ik weet het niet," zegt Clara, "ze is dadelijk na mij
+opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar
+beneden ging."
+
+"Waar zit ze dan weer," bromde Vader verdrietig, "ga eens
+kijken." "Nellie zoeken, Nellie zoeken!" kraaiden de jongens, en ze
+sprongen van den stoel op. "Neen, gekheid," zei Moeder, "jullie blijft
+zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt,
+klaar of niet klaar." Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met
+Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest
+Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje,
+ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en--een vertelselboek in
+de andere hand.
+
+"Zoo," knorde Vader, "moest jij weer boterham eten met Roodkapje
+of Kleinduimpje?"
+
+"Kind, kind, weer gelezen?" zei Moeder, "wat is dat toch een
+verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden."
+
+Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig
+dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar
+uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn
+"boôm" wou hebben, weg en bromde tegen Clara: "Naar kind, waarom heb
+je me niet geroepen!" En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel
+gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had.
+
+Nu naar school. Maar--waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos
+er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de
+tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo
+graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze 't vergeten. Gauw! de
+anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even "Bij Saartje," in haar
+tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu 't andere boek in de linnenkast
+gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes
+zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan
+ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was
+zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was,
+was zoo mooi. "'k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op
+dien berg vond, dat zoo klopte," dacht ze. En--ik moet toch zien,
+dat ik het boek van Moeder terug krijg.
+
+De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee
+doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van
+buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen'
+zin in. En wat deed ze nu? 't Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze
+het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De
+juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen
+was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens:
+"Wat heb jij er uit, Nellie?"--"Twee honderd!" hoorde Nellie in de
+buurt fluisteren. "Twee honderd!" riep Nellie. "Wat twee honderd,
+waarvan twee honderd?" vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich
+herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was,
+riep: "Twee honderd vingers!" De geheele klasse barstte in lachen
+uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden,
+'t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. "Kind, kind,
+waar heb je je gedachten weer," zuchtte ze. "Kom eens hier bij mij
+staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor
+bent." Nellie stond op. Plof! daar viel wat. "Breng eens hier, wat
+daar valt!" zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, 't hoofd gebogen,
+stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. "Zoo," zei de
+juffrouw, "wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind,
+hoe is 't mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig
+rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten."
+
+Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse
+behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten
+staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu
+was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. "Ik
+moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg," dacht ze. Maar
+hoe? Er om vragen? Ze wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat
+dan? Ze zou zien, dat ze 't stilletjes uit de linnenkast nam. Ze
+kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al
+de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een
+middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze
+'t boek zien te krijgen.
+
+Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware
+la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er
+uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat
+van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. "Foei!" zei Moeder boos,
+"nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de
+linnenkast op slot doen?" En Moeder kreeg de tranen in de oogen.
+
+Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven
+onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze
+kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige
+spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot
+vriendinnetje hadden, als--als ze maar geen "mooi boek" had, zooals
+ze 't noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer
+schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze
+alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze,
+Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee
+zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd
+maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met
+slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen,
+en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich
+vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf
+en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch
+heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze
+las. Dan dacht ze soms: "hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe
+was, maar een kind van een' koning: een prinsesje! En als dan de koning
+mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden
+ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik
+was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi
+cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik
+eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen
+dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!" En
+als Nellie dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam
+of zoo, dan dacht ze: "zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen
+wezen, en zóó zijn ze nu voor mij." En als Moe eens zei: "Kind, kun
+je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?" dan deed
+Nellie haar best niet, om het boek eens een' keer te laten liggen,
+maar dan dacht ze: "kijk, daar heb je 't weer! Moe meent altijd,
+dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of
+roovers.--Als er roovers kwamen--ik zou ze allen in huis beschermen en
+redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen
+wel zeggen: 'die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand
+dat ooit begrepen heeft.'" En Nellie kreeg de tranen in de oogen van
+medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.
+
+Maar--er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon
+dus voor niemand iets doen, dan--dat ééne; maar daaraan dacht ze
+niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken,
+die ze las, en aan _wat_ ze zou lezen en _waar_ ze zou lezen. _Waar_,
+ja--daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was
+een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen
+de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: "O, daar
+heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?" Of Clara kwam
+er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek,
+juist als ze aan zoo'n prachtig gedeelte was--o, neen, ze moest heel
+alleen wezen, dan las ze het prettigst.
+
+Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in
+den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in
+de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere
+zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder
+dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En
+'t mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was
+'s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus
+ook niemand in den tuin. O, 't was een heerlijk plekje daar: net een
+boom uit een groot diep bosch, uit zoo'n bosch, als er altijd in de
+vertellingen was, zoo'n tooverbosch. "'t Zou je niet eens zooveel
+verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam
+zetten," dacht Nellie wel eens.
+
+
+
+Eens op een' dag, of liever op een' zomeravond zat Nellie ook
+weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met
+een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder,
+die haar weer beknord had over hare leeswoede. "Je zult het er
+nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit," had
+Moeder gezegd. "Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je
+wilt."--"Och, ja," dacht Nellie met een' zucht, "wie weet, of ik nu
+niet voor 't laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou' toch zoo
+dol veel van sprookjes. En--kwaad is er immers niet bij, anders zou
+de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch
+naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik
+toch eigenlijk een ongelukkig kind.
+
+"Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook
+gebleven? O, ja, 'k was juist met 'De drie wenschen' begonnen. Die
+malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als
+er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen
+wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als...." en Nellie sloeg de
+oogen uit het boek en keek droomend in 't rond. Daar op eens werd
+het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep
+ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja,
+toen--stond er--neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar
+in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat
+zilveren tooverstafje in de hand--dat was eene tooverfee!
+
+Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene
+glasheldere stem haar aansprak:
+
+"Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een
+enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel
+erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom,
+spreek nu een' wensch uit. Door een' slag met mijn' tooverstaf kan
+ik je geven, wat je hart begeert."
+
+Nellie, Nellie, pas op--nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat
+zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een'
+mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch
+zoo'n zin in taartjes, en net wou ze zich een' schotel met taartjes
+wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich
+eene worst gewenscht had. Gelukkig--daar kreeg ze eene verstandige
+gedachte. "Machtige fee!" zei ze, "geef me, als 't U blieft, Uw'
+tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik
+uitspreek."
+
+Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde
+zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem:
+"Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar--ik wil voor een jaar je
+zin doen--we zullen zien, of de staf je 't geluk brengt, waarnaar
+je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb
+je maar met het staf je op den grond te slaan en--. je wensch is
+vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleen _zichtbare_
+dingen wenschen. En--mondje dicht--niemand mag weten, dat ik bij je
+geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb." Toen de vriendelijke
+fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie's
+oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg,
+maar--het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O,
+heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze
+weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch
+vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes
+dus--neen--ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had 's middags
+zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. "Een
+chocolâpudding dan!" riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den
+grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding
+voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het
+heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis
+te gaan; 't werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje
+onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.
+
+In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. 't Heele huisgezin zat,
+onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. "Kom, Nellie,"
+zei Clara, "hier is je bordje," maar Nellie had geen' lust meer
+in zure melk na 't eten van den pudding: ze bedankte. "Hoe is 't
+mogelijk," riep Clara, "lust je geen zure melk, en ik meende nog
+wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!"--"Ik heb er van avond geen'
+lust in," zei Nellie. "Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij
+de eene of andere fee," zei Theodoor. "Ja, jongetje," dacht Nellie,
+"je moest ook maar eens weten, wat ik weet!"
+
+Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. "Kom, Nellie," zei Moeder,
+"help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!" Maar
+daar riepen al de kinderstemmetjes: "Niet met Nellie!"--"Ik met
+Clara!"--"Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden," bromde
+Nellie. "Dat komt, doordat je ze bij 't helpen nooit eens aardig
+aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,"
+zei Moeder.
+
+Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere
+kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever
+in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon
+eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde
+van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu
+krijgen kon.
+
+Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het
+noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld,
+dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm
+huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen
+mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten
+ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook
+altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten;
+maar nu--ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste
+melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat
+beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde
+maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met
+haar tooverstafje op den grond. "Chocolade met beschuitjes!" riep
+ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en
+een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan 't smullen, toen
+het negen uur sloeg--de kop verdween gelukkig--de overige beschuitjes
+stopte ze in de schooltasch, en toen--ja toen ze de schooltasch zag,
+schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te
+leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd
+kwam. Maar--daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleen _zichtbare_
+dingen--dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de
+feeën, die voor haar eigen gebruik een' tooverstaf had, die dus veel
+machtiger was, dan alle groote menschen--nu moest diezelfde Nellie
+verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare
+les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel,
+was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer
+wat wenschen en haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu
+wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten
+en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En
+het kwam--met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar,
+wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en
+al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden,
+waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.
+
+Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat
+ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk
+vragen: "Hoe kom je aan die jurk?" of "hé, wat heb jij daar voor een'
+hoed op?" Eens had ze zoo'n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel
+zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar
+een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel
+eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar
+ze had er toch het rechte plezier niet van--ze was in voortdurenden
+angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was 't misschien uit
+met de heerlijkheid. Ook--'t was zoo vervelend--Moeder merkte, dat
+ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze
+dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan.
+
+Soms--ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie
+een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan
+begreep ze, dat er toch ook zooveel "onzichtbaars" was, dat ze zich
+wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door
+Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis
+kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan
+Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor
+leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten
+er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan
+toe--ze had altijd een of ander boek te lezen, dat "zoo noodig" uit
+moest. Dan dacht ze wel eens: "ik wil toch ook beter leeren;" maar een
+oogenblik later was het weer: "och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu
+immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later
+ook niet." En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde
+het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. 't Was net,
+of ze niet zoo prettig en vrij meer met hen praten kon, en soms was ze
+maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder
+op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo
+ongezellig gevonden.--Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als
+er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder
+op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer
+blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel
+lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden
+van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.
+
+Eens op een' avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een
+zakmes. Zijn vriendje had er zoo'n mooi, hij wilde er zoo graag ook
+een. "Neen, mijn jongen," zei Vader, "zakmessen koopen, dat gaat
+maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag." En toen
+Frits een' pruilmond zette, zei Vader: "Je moet ook ontberen leeren,
+ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat
+is maar goed ook. Anders zou je gauw 't plezier van de mooie dingen
+af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven." De kleur sloeg
+Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat
+ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel,
+alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar--dat
+zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee
+tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en--ja, wat niet al. En van
+dat alles niets te nemen, als je 't maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!
+
+Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets
+van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een
+mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar--dan zou Frits zeggen:
+"Hoe kom je aan dat mes?" en als Frits het niet deed, zouden Vader en
+Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld
+niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen.
+
+Eens op een' Zaterdagavond--'t was juist Nellie's beurt, om het
+brood naar 't arme huisgezin te brengen--kwam ze niet ver van het
+arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en
+toen--ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje,
+dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en
+stopte den kleinen Jacob een' gulden in de hand. "Ziezoo," zei ze,
+met een trots-klinkend stemmetje, "arme jongen, dat is voor jou."
+
+"Voor mij?" vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde
+oogen aan.
+
+"Ja," zei Nellie, "daar kun je eens een prettigen dag voor hebben."
+
+"Hoera!" riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het
+brood op de straat viel.
+
+Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had
+een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. "Dat doe ik eens
+weer," dacht ze. "Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen
+broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen
+gelukkig maken."
+
+Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!
+
+Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met
+Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, 't Was de
+vader van Jacob. "Ach, lieve Mevrouw," zei hij, "U bent altijd zoo
+goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch
+een vriendelijk verzoek aan U. Als U ons weer zoo'n groot present
+in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij
+zelf. Jacob ...." meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon
+bitter te schreien.
+
+"Ik begrijp U niet," zei Nellie's moeder, "een groot present in
+geld--en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!"
+
+"Ja," zei de man, "gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene
+van de jongejuffrouwen hem toch een' gulden gegeven."
+
+"Dat kan niet waar wezen," zei Nellie's moeder, "zooveel geld zou ik
+niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef
+ik kinderen nooit zooveel geld op eens."
+
+"Dat is toch vreemd," zei de man, "en Jacob vertelt het mij. En toen
+is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: 'Weet je
+wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.'--'Ja,'
+zegt mijn jongen, 'daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden
+eigenlijk ook gegeven.' En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen,
+Mevrouw, 't is zonde van 't geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U,
+sigaren en zoo'n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De
+sigarenkoopman haalt er een' agent bij en zegt: 'Hoe zouden die
+jongens aan zooveel geld gekomen zijn!' En toen, o, Mevrouw," snikte
+de arme man, "toen werd me de jongen door een' agent thuis gebracht,
+ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen
+heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd
+is." Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk
+bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende
+was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog
+zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld
+was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld
+gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.
+
+Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets
+te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die
+arme Jacob voor een' dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat
+had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met
+het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in
+'t geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd
+alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan--de
+fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar
+alleen een' tooverstaf gegeven hebben, en in huis was 't, of niemand
+haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet
+genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed
+genoeg. "Maar--wat ben ik toch dom!" dacht Nellie op eens. "Ik kan
+mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen,
+die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar
+nu niet eerder aan gedacht heb! Maar--Moeder en Vader verlaten en al
+de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara
+is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben--dat ze dan nog wel een
+beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken
+zullen, dat ze iets om mij geven.--Ik doe het--ik ga morgen een
+ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn."--Met die gedachte
+ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder 's
+avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging,
+om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een' nachtkus te
+geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje
+zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet
+aan ging doen. "Maar--kom," dacht ze, "Moeder houdt nog kinderen
+genoeg over. Morgen--morgen zal er een heerlijk leventje beginnen."
+
+
+
+'t Was morgen--Nellie's broertjes en zusjes gingen naar school--Nellie
+niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu,
+om onder den feeënboom te komen. "Ik moet gauw wezen," dacht ze,
+"anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie
+blijft, en gaat Moeder mij zoeken." Daar was ze gelukkig, waar ze
+wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en
+fluisterde met een kloppend, half bang hartje: "Ik wensch me een mooi
+plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan."
+
+Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter
+en dichter werd de mist, 't was, of er een sluier voor Nellie's oogen
+hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel--nu
+kon ze ook bijna niet meer hooren--ze wist niet meer, waar ze was
+en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst
+hoorde ze geluiden uit de verte--toen kon ze weer zien, en wat
+wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn--eene blauwe lucht, groene
+weiden, groene boomen en toen--o, dat was nog mooier, dan ze zich iets
+wenschen kon--vlak vóór haar aan 't eind van de groene weide tusschen
+de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon,
+begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In 't midden eene breede
+marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze
+voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk,
+met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.
+
+En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met
+vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen
+van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk,
+begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht
+sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.--En
+dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank
+en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken
+en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en
+kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moest blijven staan luisteren,
+of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde
+hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne
+kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan
+'t bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een
+heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja--van alles
+wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!--Maar
+Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al
+op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! 't Leek wel, of er eene
+prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd
+hoofdkussen en gordijnen--rozerood met witte lelietjes! Verder weer
+eene speelkamer met de snoezigste poppen.--Een verder allerlei mooi
+speelgoed. En--'t laatste 't beste! Eene leeskamer met boekenkasten,
+vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes,
+om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk
+zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn,
+dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze--lezen zooveel
+en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze
+bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: "Zit je daar al weer
+met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!"
+
+Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens
+weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen
+in een kanapeetje aan 't lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was
+het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de
+vogels. Toen 't middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was
+niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene
+keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een
+beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en
+toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed--o,
+wat een heerlijk bed! 't Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes
+van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar,
+dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar--ze viel toch ook gauw
+in slaap. Ze was moe van 't genieten van al die heerlijkheden.
+
+Den volgenden morgen ging 't weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het
+toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstem
+gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte
+wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar--wat was
+ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam
+ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie--daar
+stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie
+zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze
+tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren
+niets bang. "Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en
+Lena," zeiden ze. En toen: "O, wat woon je hier mooi, laat ons toch
+gauw alles eens zien!" Toen liepen de meisjes met elkaar trap op,
+trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel
+kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze
+maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig
+zitten eten en lezen en spelen--o, 't was een kostelijk leventje.
+
+En zoo ging het nu dag aan dag! "Heerlijk!" riep Nellie. "Zoo zal
+het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen." Neen, mooier
+leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op
+tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar
+Moeder altijd aan gebreid wou hebben--geen onvriendelijk gezicht van
+Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen
+'s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net,
+of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen
+om haar een' nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo'n leventje
+van plezier, dan had Nellie geen' tijd om aan iets anders te denken.
+
+Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie
+een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet
+meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat
+nieuws wenschen, maar 't eene was toch ook al weer even mooi, als
+'t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis
+in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: "'t Is toch waar,
+wat Moeder wel eens zei," dacht Nellie, "als je altijd lekker eet,
+proef je op 't laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als
+je altijd mooi bent, zie je 't op 't laatst niet meer." En Nellie
+dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd
+zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals Vader
+het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na
+schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu
+mocht ze 't altijd, en nu verveelde 't spelen haar wel eens.--En als
+er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in
+den winter--dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje
+spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan 's avonds
+om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels
+opgaf!--En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten
+Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in 't bosch voor zoo'n
+enkelen keer.--Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar
+'t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen--en
+dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar 's morgens
+in bed een' krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen
+en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze
+behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf
+wenschen; maar--een cadeautje met liefde gegeven--dat vond Nellie
+toch heel wat anders.--En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze
+had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk
+voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het
+juist--Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, 't Was net,
+of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo
+gelijk--Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes
+en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was
+'t weer vrede; maar nu was 't altijd zoo saai lief en zoet. Soms--ja
+soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in
+haar klein eenvoudig huis--soms wenschte ze, eene gewone boterham
+thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.
+
+Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in
+huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de
+gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en
+zusjes. Maar--heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig
+tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en
+altijd zat te lezen. Toen--ze wist het nog heel goed--toen vond ze
+'t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag
+iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje
+schuld hebben? Maar kom--ze had nu zoo'n mooi leventje--ze kon zooveel
+lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar
+'t was raar, soms was 't, of ze 't lezen niet meer zoo prettig vond. Ze
+las nu ook zooveel. Maar--ze kon immers ook wel eens een handwerkje
+doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo
+weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien,
+en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd
+in huis ook zoo weinig aan 't breien en naaien gedaan. Als Moeder haar
+er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar
+nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes
+maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo'n
+lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink
+leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor
+den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu
+allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat
+ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook,
+hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht--ze
+zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen
+te maken! Maar--neen--'t was waar ook--dat kon niet--ze kon alleen
+zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren
+moest! Nu--ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag
+helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was,
+schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist,
+en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite
+een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen
+speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou
+Vader in zijn' schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf
+voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen
+ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader
+had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter
+genoemd. Neen--handwerkjes maken, daar had Nellie geen' zin meer in.--
+
+Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging
+brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met
+den gulden.
+
+Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar
+wat dan? Och, Nellie wist het niet--ze wist alleen, dat ze in huis
+wou leven en nergens liever. Maar--hoe kan ze ooit weer in huis
+komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze
+geweest was? En--zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben,
+nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?
+
+Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam
+er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef
+er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze--de fee.
+
+"Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?" vroeg de fee.
+
+"Neen, o, neen, beste fee," riep Nellie. "Neem den tooverstaf terug, ik
+begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen
+huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes."
+
+"Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons
+zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk
+wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer
+krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je
+kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee...."
+
+"Niets wil ik meer, niets!" riep Nellie: "Als ik plezier zal hebben,
+wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen,
+die ik lief heb."
+
+Toen zwaaide de fee den tooverstaf: 't was of er een hevig onweer
+opkwam, alles draaide om Nellie. 't Was, of ze met kasteel en al in
+een' afgrond stortte--ze hoorde en zag niets meer.....
+
+
+
+Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze--in
+de lieve trouwe oogen van hare moeder.
+
+"O, Moeder, lieve Moeder," zei Nellie met een zwak stemmetje, "waar
+ben ik toch?"
+
+"In je eigen bed, liefje," zei de moeder, en ze streelde Nellie de
+heete wangen. "Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons
+zoo angstig gemaakt."
+
+"Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier
+in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?"
+
+"Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben
+je onder een' boom gevonden in den tuin van den buurman met eene
+hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien
+tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en
+een tooverstafje, en ik weet niet wat al."
+
+'t Was of Nellie een steen van 't hart viel bij die woorden van
+Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de
+koorts had ze alles--gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest--o,
+hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had
+aangedaan.
+
+Daar stak Theodoor zijn' krullebol om den hoek van de deur en
+fluisterde: "Slaapt ze nog, Moeder?"
+
+"Ze is wakker en al een beetje beter," zei Moeder, "maar st! rustig
+blijven, hoor!"
+
+Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik
+later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang:
+"Nellie is wakker, Nellie is wat beter!"
+
+Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en
+zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze
+pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: "Ben ik
+wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?"
+
+"Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief," zei Moeder. "Maar
+ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer."
+
+Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met
+den dokter binnen. "Kom," zei de dokter, "eindelijk de oogen open. En
+wat kijk je vroolijk." En toen den pols voelende: "nog zwakjes, maar
+dat kan niet anders na zoo'n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte
+zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan
+allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na 't inslapen onder
+dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van
+beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en--vooral niet
+lezen! Geene boeken geven!"
+
+"Nooit boeken weer!" riep Nellie. "Als ik weer beter ben, ga ik al
+mijne mooie boeken verbranden."
+
+"Ho, ho, wat," zei Vader, "beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft,
+moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet
+noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, 't gaat er net mee, als met de
+mooie roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze
+sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel
+willen missen. Maar 't zou dom zijn op een' akker alleen bloemen te
+laten groeien. Die dat deed, zou 's zomers een prachtig veld hebben;
+maar 's winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan
+hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken
+weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door
+moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in 't vervolg zal ze
+van beide houden, dat weet ik zeker."
+
+Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.
+
+Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde
+er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop
+Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor,
+die zijn' krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had
+bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden
+met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar
+mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen
+maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze
+een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: "Mim geven!"
+
+Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve
+ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo
+naar verlangd.
+
+Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen
+om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen,
+van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen,
+en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan
+ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo
+ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze
+met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond
+gezonken was.
+
+Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze
+een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden
+voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel
+en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd
+ze weer een van de beste leerlingen. En lezen--ja lezen deed ze veel,
+maar niet _te_ veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat
+uit leeren kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze
+echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die
+ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die
+ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu
+begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.
+
+Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid:
+ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat
+groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan
+Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje
+van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten
+haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het
+mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen.
+
+
+
+
+HET BETOOVERDE HORLOGE.
+
+
+Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.--O, dan
+had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of--ze was
+te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je
+wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of--nog mooier--dat
+ze geen' mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te
+kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de
+klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers,
+in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen,
+maar, nu moet ik lachen!
+
+Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of
+tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek
+eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat--het
+haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles--niet wanneer
+het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd
+te laat op. Ze treuzelde bij 't aankleeden. Ze kwam te laat aan
+'t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in
+bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.--En
+nooit dacht ze: "O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken:
+daar doe ik Vader of de juffrouw of mijne vriendinnetjes plezier
+mee." Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.
+
+Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar
+dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet
+altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis,
+en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten
+werken. Zoo had hij geen' tijd, om veel op zijn kind te letten, geen'
+tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en--dom ze deed.
+
+Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.--Waar
+had ze bleeke wangen van? Wel, van 't late opstaan en 't late naar bed
+gaan.--Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar
+straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!--Op de visite lachten
+de vriendinnetjes haar uit en noemden haar "Juffertje Te Laat."--En
+als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal:
+"Foei, wat een onbeleefd kind! 't Is te hopen, dat ze die leelijke
+gewoonte nog afleert, eer ze groot is."
+
+Ja, 't was te hopen; maar--het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter,
+maar ze bleef "Juffertje Te Laat!" Toen ze al geen jongejuffrouw
+meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min
+aan de klok.
+
+Hilda's vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus
+bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier
+en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor
+de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer!
+
+Als iemand haar nu gezegd had: "Hilda, denk toch aan dien armen
+koetsier en die stumpers van paarden," ja, dan zou ze zich uit
+medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar--er was niemand,
+die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke
+dingen nooit.
+
+Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan
+kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk
+kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare
+vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar
+speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam,
+als ze lust had, en daarmee uit.
+
+Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te
+doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te
+gaan, dan treuzelde ze 'k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te
+denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes,
+waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon
+voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond
+ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare
+kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel
+twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.
+
+Soms zei ze wel eens: "Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo
+erg niet. 'k Heb ook zoo'n slecht geheugen, 'k vergeet altijd op de
+klok te kijken."
+
+Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl
+erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je
+wel begrijpen.
+
+Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er
+met Juffertje Te Laat gebeurde.
+
+Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene
+fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar
+petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best
+begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de
+fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een
+lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. "Ik
+wou toch," dacht de fee dikwijls, "dat ik Hilda kon leeren begrijpen,
+hoeveel verdriet en last ze een ander doet en--hoeveel verdriet ze
+er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat."
+
+De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda
+bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders,
+dat onaardig was. Maar dat op 't laatst iedereen haar petekind
+"Juffertje Te Laat" noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat
+kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene
+minuut te vroeg of te laat. "Twaalf uur," zei ze dikwijls, "dat is
+niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf
+uur is twaalf uur." Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon
+evenmin verdragen, dat iemand haar wachten liet.--Daarom noemden de
+menschen haar voor de aardigheid "Mevrouw Op Tijd."
+
+En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze
+vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.--Op een goeien
+dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan:
+"Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.
+
+
+ "Je je liefhebbende peettante."
+
+
+De volgende dag kwam, en 't werd twaalf uur, dat was in dien tijd
+voor de meeste menschen het uur van 't middageten, 't Werd twaalf
+uur--en bij den eersten slag stond ook al 't rijtuig van de fee "Op
+Tijd" voor Hilda's deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer
+binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte
+tafel--daar had de knecht voor gezorgd--maar geene Hilda, om hare
+peettante op te wachten en te verwelkomen!
+
+"Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat," bromde de fee. "'t
+Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen." En
+verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.
+
+Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis,
+en ze wist toch, dat de fee komen zou!--
+
+Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten,
+dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar
+al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.
+
+Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.--Nelly wist niet wat
+ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan.
+
+"Heerlijk, dat je komt," riep ze vroolijk, "nu kun je me meteen helpen
+uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en
+mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we
+samen de doozen open."
+
+Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel
+staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!--Het duurde geene
+tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en
+deksels, vol hoeden en mantels.
+
+Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen en
+Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te
+denken. 'k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur
+en tijd bij 't mooie spelletje vergat. 't Werd elf uur, 't werd twaalf
+uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante,
+die zou komen eten.--'t Werd half één, kwart voor één, en nog waren
+de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel.
+
+Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen:
+'t was etenstijd.--"O wee, al één uur!" riep Hilda, "en wij eten om
+twaalf en...--'t is waar ook: mijne peettante zou komen eten."--Toen
+gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels
+onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor
+stilstaan. Te laat was het toch--wat kwam het er eigenlijk ook opaan,
+of nog 't een kwartiertje later werd!--
+
+Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde,
+dat Hilda's peettante er al lang was.
+
+De goede fee was van 't lange, vervelende wachten op 't laatst in
+slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda's
+vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.--Daar op eens ging
+de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen.
+
+"Dag, mijne lieve, beste peettante," riep ze, "o, ik durf U haast niet
+aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat
+zult U toch wel van me gedacht hebben!"--Nu, de fee was te goedhartig
+om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: "Nu,
+als 't je maar spijt, kindlief, dan is 't ook goed.--Maar zeg eens:
+hoe laat is 't eigenlijk, ik heb een poosje geslapen."
+
+De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze
+wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. "O, lieve peettante, vraag
+me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken," zei ze.--"Meisje,
+meisje," dacht de fee, "'t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt
+je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben."
+
+Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet
+te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet
+veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo
+liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had.
+
+Na 't eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde
+wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd
+vloog om: 't was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.
+
+Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt
+open en--Hilda's vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in
+de hand roept hij: "Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar,
+om mee te gaan?"
+
+Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje
+languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne
+oogen haast niet gelooven. "Maar heb ik nu van mijn leven," riep hij,
+"heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?"--"Uw briefje,
+beste Papa?" zei Hilda met een onschuldig gezicht. "Zeker heb ik dat
+gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!"--Neen,
+dat had Hilda's vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd
+boog hij nu voor de fee en zei: "Ik hoop maar niet, dat U 't me erg
+kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat
+kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo'n verdriet heb ik
+van haar."
+
+"Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?" vroeg de
+fee.--"Ik zal 't U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo
+iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een
+uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene
+groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den
+prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik
+graag zijn' raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de
+prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan
+heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.--U kunt denken,
+hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk,
+eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel
+een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda,
+dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het
+rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom
+en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten
+en--zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: 't rijtuig kan
+ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten
+wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen' raad."
+
+"Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?" vroeg nu Hilda heel bedaard,
+alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
+
+"Wat?" riep de vader, rood van boosheid, "alleen gaan? Nu wordt het nog
+mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om
+je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet
+meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf
+ik....." Op eens hield Hilda's vader op. Bleek van schrik riep hij:
+
+"O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!"
+
+Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch
+erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante
+om den hals en knikte: "Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan
+niet meer klaar komen en 't spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa
+dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!"--
+
+De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles
+wist. Maar nu ze zag, hoe'n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. "Nu,
+kindje," zei ze troostend, "wees maar bedaard, we zullen zien. Kom
+eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld."--Hilda kwam. Toen
+streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden
+over Hilda's japon. En zie--daar is het eenvoudige kleedje in eens
+omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda's voetjes
+steken in fijne goudleeren schoentjes!--De vader sprong van zijn'
+stoel op en wist zich geen' raad van vreugde. En Hilda's tranen,
+of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda's verdriet en berouw? O,
+daar dacht ze al niet meer aan. 't Was nu immers alles nog in orde
+gekomen: ze kon nog met haar vader naar 't feest gaan en--toen ze
+even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die
+lieve, beste fee! 't Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude
+peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda
+gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. "Och," riep nu de fee,
+"laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen,
+dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten."
+
+Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje
+kwam te voorschijn--een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden
+horloge aan een fijnen gouden ketting! "Mij dunkt, lieve kind," zei
+de fee lachende, terwijl ze den ketting om Hilda's hals hing, "een
+beter present kan ik je wel niet geven. 'k Hoop, dat dit dingetje,
+zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar
+leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat
+je in 't rijtuig komt. Veel plezier, kind!"--En voordat Hilda tijd
+had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.
+
+Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige
+rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze
+gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen:
+'k geloof, dat ze veel liever een' armband of zoo iets zou gehad
+hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge
+gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar
+veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers
+ook veel gemakkelijker. Maar-- _dit_ horloge was veel, veel mooier en
+kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En
+ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze
+was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.--
+
+Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een
+heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen
+kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.--
+
+De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half
+uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda
+en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren,
+én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond
+eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! "Dat
+is een goed begin," dacht Hilda's vader, en hij wreef zich de handen
+van plezier over de vriendelijkheid van den prins.
+
+In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het
+duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen
+bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles
+klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was,
+verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst
+om negen uur beginnen--tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen,
+wat hij wilde.
+
+"Kom, Vadertje," zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den
+arm. "Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? 't Zal
+daar zoo heerlijk zijn!"--
+
+"Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de
+groene boomen 't klokje van negen niet vergeten?" fluisterde er op
+eens iemand aan haar oor. 't Was de prins, die bij haar gekomen was,
+zonder dat ze 't merkte. "Denk er aan, dat U me voor 't begin van
+mijn feest een mooi lied beloofd hebt!"
+
+Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van
+gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch
+heel vervelend.--"Zeker, zeker, prins," zei ze daarom maar gauw,
+"U kunt vast op mij rekenen."
+
+Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen
+aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste
+bloemen. Tusschen 't fluweelige gras en langs de keurige paden
+stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote
+vijvers met statige boomen er om heen.
+
+Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal
+stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar
+kostelijk! De bloemen geurden en 't water ruischte, de maan scheen
+helder over 't water, en de lucht was zoo zacht!--Langzaam aan kwamen
+er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk
+alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het
+zachte gras.--Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken
+en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van
+de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den
+vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens
+opzeggen zou. 't Was een heel mooi vers; maar lang, lang--er kwam geen
+eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren--aan uur of tijd
+dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.----
+
+Daar op eens, toen 't vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel
+duidelijk door de stilte van den avond: "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat
+is dat?" riep de man met het vers. "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat
+is dat?" riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen. _Zij_
+behoefde niets te vragen, _zij_ had dadelijk wel begrepen, wie daar
+met zijn helder stemmetje tik, tik gezegd had. "Dank je wel voor de
+boodschap, kleintje," zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare
+hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen
+riep zoo vroolijk: "Komt mee, dames en heeren, 't is tijd voor het
+avondfeest!" Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.
+
+Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar
+ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog
+lachende voor haar en--zei: "Dat noem ik eerst op zijn' tijd passen!"
+
+Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo
+alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en
+toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het
+een lust was. Toen 't lied uit was, kwam er aan 't handengeklap geen
+einde. Maar wie nog 't hardst van allen klapte, dat was de prins,
+die zoo dol veel van zingen hield.--En weer moest Hilda zingen en
+nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de
+hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn' schik geweest
+was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan
+moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar
+haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige
+zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... "O,
+als 't anders niet is," riep de prins lachende, "graag, hoor! En wel
+dadelijk ook!"--Zoo ging Hilda's vader dan met den prins naar eene
+andere kamer, waar ze rustig konden praten.
+
+'t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde:
+dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins,
+weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda
+dankbaar toe. "Verbeeld je," dacht Hilda, "als ik nu eens niet op
+tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou
+dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!"--
+
+'t Was al laat in den nacht, toen Hilda van 't feest naar huis reed.
+
+"Kind," zei haar vader, "wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu
+zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband
+van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!" Hilda
+klapte in de handen van plezier. "Heerlijk, heerlijk!" riep ze. "En
+gaan we hem dan samen koopen morgen?"--"Zeker, zeker, kind! zorg
+dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het
+druk!"--Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best
+uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken,
+die tegen elf uur bij haar zou komen.
+
+Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda
+wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van 't feest en had niet
+den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje
+te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en
+gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige
+zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige
+menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe
+begon dat nog maar weer?...
+
+"Tik, tik, tik, tik!" Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind
+in haar bed en keek verschrikt rond. "Tik, tik, tik, tik!"....
+
+Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep:
+"O, 'k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik,
+tik, tik.... Ja wel, 'k begrijp het: 't is tien uur, en eigenlijk
+moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik,
+tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge,
+maar 't is nu toch al te laat, 'k blijf er nog vijf minuten in!"
+
+En Hilda vlijde haar hoofd weer op 't kussen. Maar--daar klonk het veel
+harder: "tik, tik, tik, tik!"--"Kleine levenmaakster!" riep nu Hilda,
+"kun je me niet met rust laten!"
+
+"Tik, tik, tik, tik, tik!"--"Nu als het dan niet anders kan, zal ik
+je den zin wel geven. Daar ben ik al!" En meteen sprong ze, half boos,
+half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.--
+
+Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en 't was nog
+maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de
+deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader
+was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei
+hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij,
+daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda
+klaar was met het kiezen van een' armband. Wat een armbanden moest
+de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag.
+
+Daar--midden in het drukke gesprek met den goudsmid--wees de klok in
+den winkel elf uur aan. En op 't zelfde oogenblik, daar had je 't weer:
+"Tik, tik, tik, tik!"--"Wat blieft u, Juffrouw?" vroeg de goudsmid. "O,
+niets," zei Hilda, "'t is mijn horloge maar.--En hoeveel kost die
+armband, zei U?"--"Tik, tik, tik, tik!".... klonk het weer. "Ja,
+ja, weet 'k er alles van," bromde Hilda ongeduldig in zichzelf,
+"'t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje
+wachten, ik kan niet dadelijk weg." Toen weer tegen den goudsmid:
+"Dat is toch wel wat duur. Zou...."
+
+Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. "Neen maar, dat
+gezeur is niet om uit te staan," riep Hilda nu. "Zóó laat ik niet
+den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende
+horloge maar in Uw' zak. Misschien houdt het zich dan stil." Maar ja
+wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak,
+en toen Hilda's vader even op de stoep van den winkel ging staan,
+om een' vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge
+uit de verte toch nog met eene zware stem: "tak, tak, tak, tak!"
+
+Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om
+te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den
+winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel
+niet anders doen, dan heengaan en 't horloge zijn' zin geven. Daarom
+deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk
+werd het horloge zoo stil als eene muis.--
+
+Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar
+toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe
+patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu
+was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet
+niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig
+naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat
+gebeurde--'t wees juist even vóór twaalven. "O, heden," dacht Hilda,
+"al zoo laat! 'k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te
+zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je
+wat: ik breng 't horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te
+vertellen, dat ik op mijn' tijd moet passen, en 'k heb nu eens geen'
+zin, gestoord te worden!"--Ze nam dus het horloge van de tafel, ging
+er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la
+van eene kast.
+
+Maar--pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw
+beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. "Tok, tok, tok,
+tok!" klonk het door de kamer, 't Was net een geluid, alsof er vlak bij
+gehamerd werd. "Hé, wat is dat toch, Juffrouw?" riep de naaister. "O,
+niets," zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. "Hebben we deze stalen
+al gezien?"
+
+"Tok, tok, tok, tok...."--"Maar Juffrouw," riep de naaister angstig,
+"zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?"--"Och kom," zei Hilda
+bedaard, maar hare vingers beefden, "'t is heusch niets. Wil U me
+die plaat nog eens aangeven?"
+
+"_Tok, tok, tok, tok...._" Het horloge--je hebt natuurlijk evengoed
+als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan
+kwam--het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte,
+hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. 't
+Werd zóó erg op 't laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan
+de naaister laten gaan.
+
+Verdrietig, dat ze was! "Lastig, naar horloge," pruttelde ze, "hoe
+kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van
+en kan heelemaal niet meer doen met mijn' tijd, wat ik wil." Maar
+al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het
+leven in de kast op. 't Horloge was tevreden.
+
+De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten
+wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al
+aan tafel kwam. "Wel, meisje," riep hij: "zoo mooi op tijd! Dat is
+lief van je: 'k heb erge haast vandaag." Hilda kreeg weer eene kleur:
+ze wist wel, dat ze 't prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze
+dacht ook: "Als ik Papa er zoo'n groot plezier mee doe, wil ik toch
+later uit mezelf beter op den tijd letten." Van de geschiedenis met
+het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.--
+
+Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht
+binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw
+wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude
+man. Bedelen deed hij niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had
+hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen
+was, nog wel eens bij haar aankloppen.--Maar nu kon ze toch moeilijk
+van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. "Laat hij straks
+om twee uur maar terugkomen," zei ze daarom tegen den knecht.
+
+Toen 't maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje
+te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig
+vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk
+laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde
+geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze
+las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene
+hoofdstuk na het andere, totdat ze aan 't mooiste gedeelte van 't
+verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen
+en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. "Hè, wat is
+lezen toch heerlijk," dacht ze, "'k zou wel al door kunnen gaan. En,
+nu krijg ik 't mooiste nog. 'k Hoop maar niet, dat iemand me storen
+komt. Zou 't al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee,
+dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan 't praten is,
+is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben--'k
+wil mijn boek uitlezen." Gauw schelde ze het kamermeisje en zei:
+"Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor
+hem te spreken ben. Morgen, hoor!"
+
+Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets
+te binnen schoot, "'t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef,"
+riep ze, "dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies,
+wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het
+weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?--O, 'k weet het al!" En
+vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap
+af en zóó in eenen door, tot ze--in den kelder was. Daar stopte ze
+het horloge in een donkeren hoek en wip--weg was ze weer. Een paar
+minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de
+hand. "Ziezoo," dacht ze, "roep me nu maar, ik hoor je toch niet."
+
+Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat
+was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat
+de juffrouw niet voor hem te spreken was. "Och, och," zuchtte hij,
+"wat spijt me dat!" Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan,
+toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. "Paf, paf, paf,
+paf!" ... 't was, of er geweren afgeschoten werden.
+
+Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen
+toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. "Paf, paf, paf,
+paf..." in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de
+spiegels dansten aan den muur.
+
+Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. "Hoort U 't wel,
+Juffrouw?" riep ze. Nu, òf Hilda 't gehoord had: ze was ook van schrik
+opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.
+
+"_Paf, paf, paf, paf ....!_" 't Geluid werd nog harder. Een mooi
+beeldje op de schrijftafel viel en brak. "O, Juffrouw, wat zou het
+toch zijn," schreide Roosje met de handen voor 't gezicht.--Hilda gaf
+geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar 't geluid vandaan kwam. 't
+Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den
+kelder toeriep: "Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!"
+
+"Goed, goed, ik ga al," zei Hilda, zonder dat ze 't wist, hardop. En
+pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan,
+of--de slagen hielden op.
+
+En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen
+Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere,
+bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot
+medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten
+sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn
+lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en
+zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde
+te lijden.
+
+'k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man
+was en--hoe'n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn
+weg was. Boos op het horloge was ze in 't geheel niet meer: ja, ze
+schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze
+haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje
+in den kelder en nam het mee naar hare kamer. "Ziezoo," dacht ze,
+"nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen."
+
+Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen
+keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te
+kleeden. Toen 't rijtuig voor de deur was, stond "Juffertje Te Laat"
+wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen.
+
+Maar--juist op 't oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan--wie komt
+me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda
+toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om
+den hals en kust haar op beide wangen.
+
+Wie was dat dan toch wel!--Ik zal 't je vertellen. Die boerenvrouw
+had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later
+een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer
+had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden
+oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda
+gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.--Later
+was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon
+ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam
+ze "haar kind," zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan
+altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het
+lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was
+lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En
+dan--'t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar
+Hilda woonde. Maar ze was op 't laatst zoo naar haar "kind" gaan
+verlangen, dat ze 't niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!--
+
+Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in 't rijtuig
+stappen, om naar 't bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven
+en--den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer
+vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: "Och,
+och, wat spijt me dat! En 't zal wel voor de laatste maal zijn,
+dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer
+leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me
+zóó op verheugd had!"
+
+Je begrijpt: 't was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk
+veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na
+zoo'n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig,
+dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had--en dat wil wat
+zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch
+moeilijk van 't bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te
+doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.
+
+"Hoor eens," zei ze vriendelijk, "ik weet wat! Ik zal maar een
+paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig
+uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?" Ja, ja, dat was
+heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar
+een' kus op de rimpelige wangen en wipte in 't rijtuig. Flip, flap,
+ging de zweep, en voort draafden de paarden.--
+
+Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze
+dat ook werkelijk. Maar nu ze in 't rijtuig zat, begon ze zich hoe
+langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En--ze begon het
+jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar
+dansen maar en--ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den
+prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw
+al weer naar huis te gaan!--Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur,
+dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja,
+tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot
+haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als
+'t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het
+haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens
+leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren
+en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze
+zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig
+op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het
+rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. "Juist goed,"
+dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog,
+dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen,
+het niet hoorde, stak de hand naar buiten en--daar lag het horloge
+aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.--"Hè, dat is
+gebeurd," dacht Hilda tevreden, "nu ben ik er voor goed af."
+
+Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal
+gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans
+danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder
+noemde haar de koningin van 't bal. Wat klopte Hilda's hartje van
+plezier! In 't begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest;
+want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht te
+hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot
+misschien zóó liggen te zuchten, dat ze 't hier hooren kon?
+
+'t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het
+boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal
+uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en
+ook--hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen
+op haar zat te wachten. En op 't laatst dacht ze nergens anders meer
+aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in 't rond, lachte,
+praatte.....
+
+Maar hemel, wat was dat! "Boem, boem, boem, boem!" klonk het door
+de zaal. Alles dreunde en kraakte, 't Was, of er vlak bij kanonnen
+werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen,
+en alle gasten liepen angstig door elkaar.
+
+En het bleef niet bij een paar slagen: 't ging maar zonder ophouden:
+boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden
+het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar
+vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.--
+
+En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. _Toch_
+het horloge! 't Was, of het zeggen wou: "Stop me maar weg, zoover je
+wilt: ik laat je niet met rust, je _zult_ me hooren!"
+
+Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war,
+dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor 't gezicht en
+begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen,
+die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur
+uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de
+voeten, de straat op.
+
+Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard
+naar huis was gereden, dan zou het horloge op 't zelfde oogenblik
+stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote
+verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame
+straten, altijd maar den kant uit, waar 't geluid vandaan kwam. De
+voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind
+blies haar om 't hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen
+voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar
+af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette
+nergens op: ze liep maar voort, altijd voort. En onderwijl dreunde
+het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.
+
+Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad,
+dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was
+al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels
+en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde
+Hilda haar dunne kleedje aan een' struik, wel gleed ze telkens uit;
+maar wat kon haar dat alles schelen, als ze 't horloge maar had!--En
+ja, daar zag ze het glinsteren in 't maanlicht, daar had ze het in
+de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien
+verging er Hilda bij.
+
+"O, wat ben je toch een afschuwelijk ding," riep ze bevende van
+boosheid, "ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan,
+ik zal....."
+
+En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien--toen
+ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte.
+
+Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór
+haar?.... Niemand anders dan--de fee!
+
+Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.
+
+En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: "Maar
+kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het
+horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te
+worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?--En meen je nu
+heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je 't horloge tegen
+den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor
+niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan
+het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet,
+dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar 't andere
+eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen
+en zeeën heen. 't Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd
+te doen, wat je doen moet!"
+
+Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda's hals. Hilda's
+oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee
+hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei:
+"Kindlief, denk toch nooit: 't horloge is mijn vijand, het wil me
+plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: 't horloge
+is een vriend, die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend
+gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je
+dan om je heen zult zien en hoe 'n prettig, tevreden gevoel je zelf
+altijd zult hebben!--Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk
+aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig
+op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal 'Juffertje Te Laat'
+heette? 'k Geloof er niets van!--Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig
+eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn
+stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te
+worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.--Dag, lieveling!"
+
+Toen kuste de fee Hilda op 't voorhoofd en.....
+
+Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu
+zag. Als door een' tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd
+balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar--ze zat in
+haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de
+tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar,
+tevreden gezicht en stak haar de hand toe.--
+
+Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan,
+behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde.
+
+De fee--was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.--En
+hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd
+Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en
+van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel
+raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel
+dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer
+naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: "Tik, tik, tik,
+tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!"--Ja, eene enkele maal
+moest het nog wel roepen: "_Tik, tik, tik!_" Maar nooit meer: "Tak,
+tak, tak!" En nog veel minder: "Tok, tok, tok!" of "Boem, boem, boem!"
+
+Dat was alleen in den tijd van "Juffertje Te Laat". En die bestond
+nu niet meer.
+
+
+
+
+DE VISSCHER EN ZIJNE VROUW.
+
+
+Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel
+armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een' mesthoop, niet ver van
+de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en
+hij vischte.
+
+Zoo zat hij ook eens bij zijn' hengel, en hij tuurde in het heldere
+water: en hij tuurde en tuurde.
+
+Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij
+hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: "Och,
+visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben
+een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij dood maakt, ik
+zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in 't water en laat mij
+zwemmen."--"Nu," zei de visscher, "je behoeft niet zooveel woorden
+te gebruiken: een' bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten
+zwemmen." Met liet hij hem weer in 't heldere water; daar ging de
+bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen
+stond de visscher op en ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje
+bij den mesthoop.
+
+"Man," zei de vrouw, "heb je niets gevangen?"--"Neen," zei de man,
+"ik ving een' bot, die zei, dat hij een betooverde prins was: toen
+heb ik hem weer laten zwemmen."--"Heb je je dan niets gewenscht?" zei
+de vrouw. "Neen," zei de man, "wat zou ik mij wenschen?"--"Ach,"
+zei de vrouw, "'t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een'
+mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, je hadt ons toch een klein
+huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we
+wenschten ons een klein huisje, hij doet het wel."--"Ach," zei de man,
+"waarom zal ik er nog heengaan?"--"Heden nog toe," zei de vrouw,
+"je hebt hem toch gevangen en hem weer laten zwemmen, hij doet het
+natuurlijk. Ga dadelijk heen."
+
+De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw
+ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee.
+
+Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik
+later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. Maar 't water
+bewoog zich niet: 't was stil. Hij ging aan den oever staan en riep:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zoo als ik wel wil."
+
+
+Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: "Zoo, wat wil ze dan?"--
+"Ach," zei de man, "nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen,
+ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje
+bij een' mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben."
+
+"Ga maar heen," zei de bot, "ze heeft het al."
+
+Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje
+bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond een aardig steenen
+huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem
+bij de hand en zei: "Nu ga maar eens mee binnen: kijk, zoo is het
+toch veel beter." En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig
+portaaltje en eene mooie kamer en eene slaapkamer met twee bedden' en
+eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper
+aan den wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En
+achter 't huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder
+naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en
+andere vruchten. "Zie," zei de vrouw, "is dat nu niet aardig?"--"Ja,"
+zei de man, "nu is 't goed, en nu zal 't ook goed blijven, nu willen
+we tevreden leven."--"Daar zullen we nog eens over denken," zei de
+vrouw. En ze aten wat en gingen in bed.
+
+Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: "Hoor eens,
+man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek en de tuin
+zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen
+geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen wonen: ga naar den bot
+en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet."--
+
+"Ach, vrouw," zei de man, "het huisje is immers goed genoeg, wat
+hebben we een aan kasteel?"--
+
+"Och, kom," zei de vrouw, "de bot kan het gemakkelijk doen."--"Neen,
+vrouw," zei de man, "de bot heeft ons eerst het huisje gegeven, ik
+heb geen' lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig om
+worden."--"Kom, ga toch heen," zei de vrouw, "hij kan het gemakkelijk
+doen en wil het graag doen." Het werd den man zoo zwaar om 't hart,
+hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: "'t is
+verkeerd;" maar hij ging toch.
+
+Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart
+en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo benauwd.
+
+Toen ging hij staan en riep:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zoo als ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot.
+
+"Och," zei de man, half treurig: "nu wil ze in een kasteel wonen." "Ga
+maar heen," zei de bot, "ze staat al voor de deur."
+
+Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje
+moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, en op
+de trap van 't kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen
+gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: "Kom maar binnen." Hij ging
+met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren
+vloersteenen. En 't was er vol bedienden, die gooiden groote dubbele
+deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de
+zalen stonden stoelen en tafels van klinkklaar goud, en kristallen
+kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige
+vloerkleeden. En de tafels bogen onder de zwaarte van al het eten. En
+achter het huis was ook een groot plein met een' koestal en een'
+paardenstal en een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder
+naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne
+vruchtboomen, en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl,
+en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar
+wenschen kon.
+
+"Nu," zei de vrouw, "is dat nu niet mooi?"--"Och, ja," zei de man,
+"'t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we in het
+prachtige kasteel wonen en tevreden wezen."--"Daar zullen we nog
+eens over denken," zei de vrouw, "daar zullen we ons nog eens op
+beslapen." En zoo gingen ze naar bed.
+
+Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging
+overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk
+uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten;
+maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens uit: daar
+stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: "Kijk toch eens
+uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! Zeg, we moesten
+koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg,
+dat we koning en koningin willen wezen."
+
+"Och, vrouw," zei de man, "wat zal het beduiden, dat wij koning
+en koningin zijn. Ik heb er geen' zin in, ik mag niet graag koning
+zijn."-- "Nu," zei de vrouw, "mag jij niet graag koning zijn, ik mag
+wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, dat ik koningin
+wil worden."--"Ach, vrouw," zei de man, "wat zal 't beduiden, dat
+jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, dat wil ik liever niet
+vragen."--"Kom, waarom niet," zei de vrouw, "je gaat straks maar heen
+en zegt, dat ik koningin wil worden."
+
+En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo
+naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet goed, dacht
+hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee.
+
+En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en
+kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, en er ging
+een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er
+van. Toen ging de man staan en riep:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zooals ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach," zei de man, "ze wil koningin
+worden."--"Ga, maar heen, zij is 't al," zei de bot.
+
+En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij,
+dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig
+lofwerk en beelden: een heel paleis.
+
+En voor 't paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis
+marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en op pauken
+slaan. En toen hij in 't paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de
+vloer, maar de gangen en alles van marmer was, met gouden randen
+afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden
+koorden en kwasten. Toen gingen de deuren van de groote zaal open,
+en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw
+zat op een hoogen gouden troon met fonkelende diamanten, en ze had
+eene prachtige kroon op en een' scepter in de hand van zuiver goud
+en edelgesteenten, en aan weerszijden van haar stonden de hofdames
+in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was
+dan de eerste en weer eene kleinere, en zoo al door.
+
+Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: "Och, vrouw, ben je
+nu koningin?"--"Ja," zei de vrouw, "nu ben ik koningin!" Toen stond
+de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele
+poos aangekeken had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat
+jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets
+meer wenschen."--"Och, wat," zei de vrouw, en ze schoof onrustig op
+haren troon heen en weer, "praat mij er niet van. 't Heeft mij al
+weer veel te lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar
+naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan
+worden."--"Och, vrouw!" riep de man, "wat zal het beteekenen, dat je
+keizerin wordt?" "Man," zei ze, ga heen, "ik wil, ik moet keizerin
+worden."--"Och, vrouw," zei de man, "keizerin kan hij je niet maken,
+ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin is nog veel meer
+dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet."
+
+"Hoe durf je zoo te praten!" riep de vrouw, "ik ben de koningin,
+en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, dadelijk,
+hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin
+maken. Ik _wil_ keizerin wezen. Ga dadelijk heen."
+
+Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor
+elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte hij:
+"Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan
+den bot op 't laatst ook wel te veel worden."
+
+Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig,
+en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, en de wolken
+joegen, en 't werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren
+vlogen van de boomen en dwarrelden over den grond, en 't water bruiste
+en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen,
+die dansten op de golven, en de noodschoten knalden, en de hemel was
+vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren
+op de wolken als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was
+de hemel. Alleen in 't midden was nog een plekje blauw te zien. Toen
+werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang:
+
+
+ Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zooals ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach, bot," zei de man, "mijne
+vrouw wil keizerin worden."--"Ga maar heen," zei de bot, "ze is 't al."
+
+En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis
+van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het huis marcheerden
+de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En
+in het paleis liepen baronnen en hertogen en graven rond en deden,
+of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren,
+die van puur goud waren. En toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne
+vrouw op een' troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel
+een huis hoog was, en eene groote gouden kroon had ze op, die was
+wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene
+hand had ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide
+zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje
+kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang
+was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet grooter was
+dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen
+en prinsen. Daar ging de man tusschen staan en hij vroeg: "Ben je
+nu keizerin?"--"Ja," zei ze, "ik ben keizerin." Toen stond de man en
+bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in
+'t gezicht gezien had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt het mooi,
+dat jij keizerin bent." Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom,
+ze verroerde zich niet. Toen zei de man: "Nu wees tevreden vrouw,
+nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden."--"Daar zal ik
+mij eens op bedenken," zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar
+de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen,
+al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden?
+
+De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien
+dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere zijde, en dacht
+maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets
+bedenken. Dat duurde zoo den heelen nacht. Eindelijk zou de zon opgaan,
+en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in 't
+bed zitten en zag in het morgenrood op, en toen ze door het venster de
+zon op zag komen, dacht ze: "Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op
+laten gaan?! En--man," zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan,
+"man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik worden wil
+als onze lieve Heer!"
+
+De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit
+bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou hebben, en
+hij wreef zich de oogen uit en zei: "Och, vrouw, wat zeg je!"--"Man,"
+zei de vrouw, "als de zon en de maan op zullen gaan, dan moet _ik_ ze
+laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe,
+dat hou' ik niet uit, dan heb ik geene rust meer in mijn leven." En
+ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de
+leden ging. "Dadelijk heengaan!" riep ze, "ik wil worden als de
+lieve Heer!"--"Och, vrouw," zei de man, en hij viel voor haar op de
+knieën, "wat ik je bidden mag, laat mij dat niet vragen; dat kan de
+bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en
+blijf keizerin!"
+
+Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het
+hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: "Ik hou' het niet uit,
+en ik hou' het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!" Toen
+schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig de deur uit.
+
+Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet op
+de beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen
+van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden in de zee. De
+lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen
+torenhoog en hadden bruisende witte koppen. Toen schreeuwde de man,
+en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zoo als ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach!" zei de man, "ze wil worden
+als onze lieve Heer!"--"Ga maar heen, ze zit al weer in het hutje
+bij den mesthoop," zei de bot....
+
+Daar zit ze nog tot op dezen dag.
+
+
+
+
+DE GELUKSKLOK.
+
+
+Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik
+vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel
+eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed
+was wat duur, dan zei Moeder: "Och, ze moet hem maar hebben, we hebben
+ook maar één kind."--Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje
+maar mee. "Och, we hebben er ook maar één," zei Vader. Liesje kreeg,
+wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf--niets. Nooit behoefde ze
+eens hare mooie plaats bij 't raam af te staan aan een zusje, nooit
+was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van
+'t wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze
+kousen voor moest breien--als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel
+zei Moeder eens: "Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader
+breien?" Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten,
+en Vader zei: "Och, laat haar maar, als ze geen' lust heeft."
+
+Dachten Vader en Moeder bij alles: "we hebben maar één kind om plezier
+te doen," Liesje dacht nooit: "Vader en Moeder hebben maar één kind, om
+hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader
+en Moeder graag willen." Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.
+
+Als de meid eens vroeg: "Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij
+even rijst voor me halen?" dan zei Liesje: "Dank je, ik hou' niet
+van boodschappen doen!"--Neen, _zij_ hield niet van boodschappen doen.
+
+Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje
+lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had
+er op dat oogenblik lust in, en of de hond het _niet_ prettig vond,
+dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te
+spinnen, dan zou ze juist met de hand aan 't behang krabbelen, om
+Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.
+
+Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: "Lies, ik zou 't wel aardig
+vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper mag met dit
+mooie weer de deur niet uit, dan was 't: 'Ik heb geen boek!'"--"Je hebt
+immers zooveel boeken!"--"Ja, maar die heb ik allemaal al gelezen!"
+
+_Zij_ had ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet.
+
+Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk
+altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. En de
+schoolmeisjes zeiden niet: "Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze
+is ook eenigst kindje." Neen, de schoolmeisjes zeiden: "Je kunt niet
+altijd je zin hebben', speel ook eens, wat wij prettig vinden!"--Dan
+vond Liesje de meisjes "nare kinderen," maar zelf was ze niet naar,
+och, neen.
+
+Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje
+had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij elkaar,
+en uit was 't met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest
+hooren: "Ik wil niet langer met je!" dan klaagde ze: "Niemand houdt
+van mij!" Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: "Met
+de liefde is het als met de echo. Alleen, wanneer men geluid maakt,
+kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst,
+kan men liefde terug verwachten."
+
+Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en
+was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een vroolijk
+jonge meisjesleven had ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder
+thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan
+zij zelve. Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en
+vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: "Lize, toe, zoek toch nog eens
+eene vriendin;" maar dan antwoordde Lize: "Ik heb er geen behoefte aan;
+ik heb aan u beiden genoeg." Lize vergat iets: er zou een tijd komen,
+dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden
+overhield, en eindelijk--dat ze niets overhield.--
+
+Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze 't in huis en ook
+in de stad niet langer uithouden. "Ik moet hier weg," snikte ze,
+"ik heb hier toch niemand, die lief voor me is." Ze trok naar een
+dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier eens met
+Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor
+haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje gaan wonen. De buren
+in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een
+onverschillig gezicht. Wat konden die vreemde menschen haar schelen
+met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen
+en geiten--dat waren hare kinderen en koeien en schapen en geiten
+immers niet!
+
+Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat
+daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het dorp geboren,
+het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen
+verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat niemand haar lief had--zóó
+zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen.
+
+O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht?
+
+Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven?
+
+Geduld--ik vertel verder.
+
+Eens op een' zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de
+frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje
+voorbij. "Goeienavond," zegt het mannetje vriendelijk. En toen: "Kom,
+het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige huisje met
+het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij,
+en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes als alles hier er
+uitziet." Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen
+haar prezen en iets vriendelijks zeiden; maar de woorden van het
+oude mannetje deden haar toch plezier, en ze antwoordde: "Ik ken je
+niet. Zeker woon je ver van hier?"
+
+"Ik woon daar ginds, in de bergen," zei het mannetje. "Ik kom hier
+wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker ben je
+niet heel nieuwsgierig uitgevallen."
+
+"Neen," zei Lize, "wat andere menschen doen, kan mij niet
+schelen." "Dat dacht ik wel," zei het mannetje, "je krijgt zeker ook
+nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes
+uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe zal het binnen dan
+wel wezen!"
+
+"Kom maar eens kijken," zei Lize.
+
+"Mag ik? graag!" zei het mannetje.
+
+Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij
+liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de handen
+in elkaar over de netheid van het huisje. "Hier komen zeker nooit
+kinderen?" vroeg hij.
+
+"Kinderen, neen," zei Lize, "die komen overal met de vingers
+aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met
+schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je
+lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?"
+
+"Ik ben horlogemaker," zei het mannetje. "Heb je soms eene klok,
+die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken."
+
+"Daar zeg je zoo iets," zei Lize, "mijne klok staat al eene poos
+stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp geen'
+klokkenmaker. Wil je eens zien, wat er aan hapert? Zoo'n stilstaande
+klok vind ik zoo iets onordelijks."
+
+"Zeker," zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit
+en stapte op een' stoel en bekeek de klok en smeerde de raderen,
+en een oogenblik later tikte de klok weer. "Dank je vriendelijk,"
+zei Lize. "Wat ben ik je schuldig?"
+
+"Niets," zei het mannetje. "Komaan, nu moet ik weer verder. Als
+je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens bij
+mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun
+je niet." "Goed," zei Lize, "ik kom bepaald eens. Ik dank je nog wel!"
+
+"Niet te danken, tot ziens dan," zei het mannetje, en stapte verder.
+
+Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het
+vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien en paarden en
+geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden
+worden. De angst maakte haar half ziek, en ze had geene vrienden, bij
+wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene
+groote wandeling maken; misschien zou ze daar wat fleuriger van worden.
+
+Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat
+viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? Och, neen,
+ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar
+ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al tobbende liep ze verder,
+ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens
+bemerkte ze, dat ze op eene plaats was, die ze niet kende. Daar zag
+ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes
+opstijgen. Gelukkig, daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur
+aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze
+wandelde om den steen heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje
+gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje:
+den kleinen klokkenmaker!
+
+"Hé!" riep het mannetje, "dat is aardig, kom je mij nu eens
+opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen;
+ze zijn net klaar."--"Graag," zei Lize; want ze had honger gekregen
+van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. "Waar is
+toch je huis?" vroeg ze. "Ik zie nergens een huis."--"Zie je die deur
+daar in den berg?" vroeg het mannetje, "dat is mijne huisdeur." Neen
+maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook
+een vensterraam, naast de deur in den berg gebouwd. "Hé," zei ze,
+"dat moet ik eens naderbij zien."--"Met plezier," zei het mannetje,
+"kom maar mee, dan kun je eens zien, of het bij mij ook zoo netjes is
+als bij jou!"--"Wat een grappig deurtje," zei Lize, en ze bukte zich
+om er door te gaan. "Voor mij is het groot genoeg," zei het mannetje.
+
+Nu kwamen ze in eene groote ruimte; 't leek wel eene boerenkamer. Aan
+den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat was ook wel
+noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond
+eene prachtige kast aan den wand, en in de deuren waren kleine dwergjes
+gesneden. 't Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen. Het
+dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast
+open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene kopjes en
+schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit
+gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: steen, waar goud in
+zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout
+van eene soort, die Lize nog nooit gezien had. En het mannetje vatte
+alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats,
+of elk ding een groote schat was.
+
+Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene
+reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat toch
+voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot
+er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar achter zal nog
+wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje
+dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd geluid: een ratelen,
+een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken.
+
+Nu zei het mannetje: "Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan
+zitten, daar is 't veel frisscher."--"Ja," zei Lize, "maar, zeg,
+wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote
+hangslot?"--"O," zei het mannetje, "daar zit eene klok achter,"
+en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond,
+dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, maar ze was zoo heel
+nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom
+zei ze: "Toe, laat mij haar maar eens zien, ik heb jou ook alles
+laten zien, wat ik in mijn huisje had."--"Neen, dat kan niet," riep
+het mannetje onwillig. "Bovendien, je zou er ook niets aan hebben,
+want 't is geene gewone klok, 't is de geluksklok van ons dorp, en
+vertel nu maar aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou
+ik mijn' dienst verliezen."--"Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu
+iets vertellen!" riep Lize, "ik kom immers nooit bij andere menschen,
+en niemand komt bij mij." En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger
+werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo
+lang, dat het mannetje zei: "Nu, kom dan maar, maar vergeet nooit,
+dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam,
+dat ik je de klok had laten zien!"
+
+Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengen
+piepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het
+met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat waren,
+in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden
+eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, maar veel meer bont
+gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte.
+
+"Hé, hé, vreemd, vreemd!" riep Lize, "ik begrijp er niets van."--"Dat
+wil ik wel gelooven," zei het mannetje, "'t is ook iets heel bijzonders
+met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te
+zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat verzeker ik je. Altijd moet
+ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een
+uur van huis. 's Nachts slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd
+voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig
+uren blijft de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur,
+en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan
+blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet
+oppassen, dat niemand de klok kan zien. 't Is moeilijk, altijd precies
+om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te
+blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook al niet zoo heel jong meer."--
+
+Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. "Maar, wat
+moeten al die cijfers toch beduiden?" vroeg ze. "Dat zijn de huizen
+van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen,
+die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond en wijzen aan,
+wat er zoo al in ieders leven gebeurt."
+
+Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze,
+dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer kwam. "Wat
+beduidt die lange zwarte?" vroeg Lize. "Die brengt ongeluk aan,"
+zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur weer dicht; want hij
+had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize's nummer liep, en hij
+hoopte nog, dat Lize er niets van gemerkt had. Maar Lize had wel iets
+gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig.
+
+Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op
+eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het mannetje voor
+de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis.
+
+'t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet
+op, ze stapte in den droom voort: al hare gedachten waren bij de
+geluksklok. Voordat ze 't wist, was ze weer in 't dorp. Overal brandden
+de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen' lust meer, om
+licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo'n verdriet. Lusteloos
+viel ze op een' stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen,
+ze dacht alleen aan het ongeluk, dat haar naderde. "Waarmee heb ik
+dat verdiend?" dacht ze. "Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor
+alles, wat ik bezit, ben ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens
+bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen,
+die wel eens verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en
+niet een ander!" Met afgunst dacht ze aan al de anderen op 't dorp,
+die niet ongelukkig zouden worden.
+
+Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en
+verdrietiger en ongeruster. Plotseling--daar sloeg de klok twaalf! Lize
+sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was
+te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op straat en liep ze
+den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze
+voor de deur van het berghuisje. En--de deur van het huisje was open,
+en de deur voor de klok was open en--o, wonder! het mannetje lag voor
+de open klokdeur en--sliep! Hij had de klok niet gehoord, hij had de
+klokdeur niet open hooren gaan! 't Was, of het zoo wezen moest.
+
+Lize sloop vooruit--voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over
+het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. 't Was,
+of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten
+wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte oogen
+op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag,
+'t was of die doorzichtig was. En--wat zag ze er doorheen? Ze zag
+den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek
+over den grond kruipen. De bak met eten stond onaangeroerd--de droge
+tong hing het arme dier uit den bek. "Waarom juist mijne geit, o,
+o, ik kan dat niet zien," dacht Lize. "Waarom niet de geit van den
+kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen
+schuld zijn been gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht,
+ik schuif den wijzer één nummer verder." Pas had Lize den wijzer
+verschoven, of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze
+verschrikt wegvloog. Bijna was ze over de beenen van het mannetje
+gevallen--zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker
+gemaakt, en doodsangstig, wat er nu gebeuren zou, verstopte ze zich
+in een donker hoekje in de kamer.
+
+Maar--het mannetje _was_ wakker geworden, en hij wist haar wel te
+vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste
+haar recht voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met
+de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen
+timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit
+toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon hij niet meer aan
+'t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar
+dat was niet zooveel, dat ze een huisje met een kleinen stal konden
+bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De
+timmerman zat met het hoofd in beide handen te zuchten. De vrouw
+veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een' traan weg, en twee
+kleine kinderen trokken haar aan den rok en riepen: "Toe, Moeder,
+geef ons nu pap!"--"Stil toch!" riep de vader verdrietig. Maar
+de kinderen keken de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder:
+"Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit
+ziek is en nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus;
+die brengen geld mee, om brood te koopen."
+
+Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden
+den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren doodmoe en hadden
+honger ook. De eerste vraag was: "Is de pap klaar, Moeder?" Toen begon
+de moeder te schreien. En de Vader vroeg: "Waar is het geld?" Toen de
+kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: "Is dat alles? Dat heb
+ik noodig, om wilgeteenen voor de korven te koopen. Voor brood blijft
+er niets over."--"Maar, Vader," riep de moeder, "de kinderen kunnen
+toch niet verhongeren, ze moeten toch eten hebben!"--"Dan moeten ze
+maar wachten, tot de geit weer beter is," zei de vader. "Wie weet,
+of die wel ooit weer beter wordt," zuchtte de moeder.--
+
+Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon
+zooveel ellende niet meer zien. "O," riep ze, "draai den wijzer weer
+op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven."--Daar
+sloeg op eens de deur voor de klok dicht. "Kom morgennacht om twaalf
+uur terug," zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten
+zijn huisje.
+
+Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de
+deur open draaide. Maar 't was, of ze geen plezier in de beterschap
+van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van
+den timmerman met al de ongelukkige stumpers van menschen. 's Nachts
+droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze 's morgens bij 't
+opstaan. Zouden de kinderen nu al eten gehad hebben? Het hart klopte
+haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze
+kon de boterham niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist,
+wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze
+voor de deur van den timmerman.
+
+Toen ze binnenkwam, zett'en allen groote oogen op. Was dat de
+buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize schaamde
+zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen
+en hapten al gauw in eene lekkere boterham, en de moeder keek haar
+zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg
+zoo'n heerlijk gevoel, als ze nog nooit in haar leven gehad had. "Als
+je soms uit werken wilt gaan," zei ze, "stuur de kleine kinderen dan
+maar bij mij. Ik zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij
+eten." De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand.
+
+Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de
+dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei kleinigheden
+te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar
+hoe later het werd, hoe meer Lize's prettig gevoel verdween. Toen ze
+eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde
+ze, dat ze nu zichzelf in 't ongeluk moest brengen. Haar geit was zoo'n
+prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat
+ze de geit van de arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven;
+maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: 't was
+toch beter, dat die stierf dan eene geit. 't Was waar, hij leidde
+wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere
+hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman;
+want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. En dan,
+het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje
+langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht ze nooit iets,
+als de oude man met koopwaar aan de deur kwam.
+
+Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlug den
+zwarten wijzer naar 't huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok
+te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist Lize ook vooruit, wat
+er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam
+de kleine klokkenmaker haar bij de hand en plaatste haar voor de klok.
+
+Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van
+den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist zijn
+middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij
+den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had geen' lust
+in eten. Treurig keek hij zijn' baas aan. Dat zag de blinde baas
+niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders altijd zoo blij met
+zijn eten, niet at. "Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je
+dan een lekker hapje van den baas?" Maar Karo wou ook geen lekker
+hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op
+zijne knie. De blinde man tastte nu naar den neus van het dier, en
+toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust
+voorbij: hij schoof zijn bord op zij.
+
+Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed--de
+hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen van
+het bed en legde het op den vloer. "Kom, hier, Karo! beste hond,
+ga maar koesten." De hond kroop op het kussen en likte hem de
+handen. De tong was droog en heet. "O, Karo," zuchtte de blinde,
+"word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb mij zoo aan je
+gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!" De hond
+kwispelde lusteloos met den staart; maar toen de oude man weer in
+zijn' stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan
+zijne voeten liggen.
+
+Toen Lize dat zag zei ze: "Zoo'n hond heeft toch ook waarde! wat een
+trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder gemist
+kunnen worden."--"Bedenk je goed," zei het mannetje, "meer dan drie
+keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. Morgen is het dus
+de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den
+meester kijken, of de poes daar wel zoo best gemist kan worden, als
+je meent, anders krijg je misschien weer berouw."--"Ja, dat is goed,
+dat zal ik doen," zei Lize, en zuchtende ging ze naar huis.
+
+Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond
+voor zich. 's Morgens was haar eerste gedachte, hoe het er wel mee
+wezen zou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen' tijd had, aan zich zelf
+en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op 't laatst kon ze 't in
+huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn' hond nog niet
+zien loopen, ze had den hond nog geen eenen keer hooren blaffen. Ze
+zou er maar eens heengaan. Wacht--ze had vleesch op schotel, dat zou
+ze voor den armen man meenemen. Misschien, dat de arme zieke hond er
+ook een stukje van lustte.
+
+Ze stapte naar den overkant. "Zoo, buurman," zei ze, "ik kom eens naar
+je kijken, 'k Zag je niet met den hond de deur uitkomen van morgen,
+hoe komt dat zoo?"--"Och," zei de blinde, "is de juffrouw van hierover
+daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd wel tegen de menschen
+gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt." Lize
+kleurde verschrikkelijk en was maar blij, dat haar buurman het niet
+zag. "Och," zei de blinde verder, "ik kan niet uitgaan, mijn trouwe
+leidsman is ziek. Kijk hij eens lusteloos neerliggen."
+
+Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar
+verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom heb je mij
+zoo ziek gemaakt! "Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,"
+zei ze. "Probeer eens, of de hond daar ook een stukje van lust." De
+blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had
+het arme beest trek.
+
+Zijn baas zuchtte. "Och, Juffrouw," zei hij, "als ik dat beest
+moest missen, zou ik mij geen' raad weten. Geen mensch is zoo lief
+en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles,
+wil U wel gelooven ...." "Ik geloof, dat er iemand bij mijne deur
+is," zei Lize. "Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!" Ze kon
+niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. "Mijne schuld! mijne
+schuld!" dacht ze aanhoudend. "O, je moest ook eens weten, wie je
+zoo ongelukkig gemaakt heeft!"
+
+Nu was het bijna een geluk, dat 's middags de kinderen van den
+timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden
+zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en
+daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit
+geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes
+zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze
+ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize,
+dat het toch ook wel aardig was, anderen plezier te doen. De menschen,
+die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: "Kijk die eens!" en
+voor 't eerst riepen ze Lize een vriendelijk: "Dag, Juffrouw!" toe.
+
+Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: "Nu wordt het
+tijd om naar Meester te gaan." Vóórdat ze weer naar de klok ging,
+moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou
+zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel
+van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar
+één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen,
+wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.
+
+Toen ze bij 't huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze
+riep: "Poes, Poes! Mies! Mies!" Dat trof nu al heel raar. Lize bleef
+staan en vroeg: "Is uwe poes weggeloopen?"--"Ja," zei de meestersvrouw,
+"en 't kleine meisje heeft zoo'n verlangen naar het dier."--"Hoe is het
+met uw klein meisje?" vroeg Lize. "Niet zoo heel best," zei de vrouw,
+"ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar
+eens zien."
+
+Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in
+haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze
+keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe
+oogen vragend aan. "Wacht een poosje, Marietje," zei de moeder, "er
+is visite. Poes zal zóó wel komen." Een oogenblikje hield het kind
+zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de
+reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: "Komt niet!" De moeder
+bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. "Kom,"
+zei de moeder, "ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen." Het
+kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize
+haar zachtjes schreien.
+
+Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar
+het bedje van 't kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en
+liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize
+iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. "Mijn
+lieve, lieve Poeke," riep het kind, "mag niet weer weggaan!"--"O,"
+zei de moeder, "dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt,
+bij Poes kan ze altijd troost vinden."
+
+Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk
+wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide
+den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok
+niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De
+oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.
+
+Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in
+rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize
+had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. 't Was, of ze 't nu voor
+'t eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze
+in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja,
+daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het
+dier een bos versch stroo, om op te liggen en een' bak vol schoon
+water. "Arm geitje," zei ze, "dat is alles, wat ik voor je kan doen op
+'t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die
+nog iets kan geven, dat je goed doet." Maar toen Lize den volgenden
+morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar
+uit de oogen, maar toch zei ze: "'t Is zoo het beste."
+
+Toen Lize nog aan 't ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk
+geblaf. Ze liep in het tuintje voor 't huis. Daar zag ze haar
+overbuurman met zijn trouwen Karo. "Zoo, buurman," riep ze, "al zoo
+vroeg op 't pad?"--"Ja," antwoordde de blinde, "ik kon 't van plezier
+niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is
+heelemaal weer beter!"--"Och, daar ben ik blij om," zei Lize, "je kon
+hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven."--"Och,
+Juffrouw," zei de blinde, "wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo
+nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!"
+
+Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord,
+dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo
+verschrikkelijk! "Zoo'n beste, melkgevende geit!"--"Ja," zei Lize,
+"'t is naar, maar 't is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit
+niet is. Ik kan me er beter zonder redden."--"Hoe lief van U, dat
+te zeggen," zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen
+ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch--o,
+het gaf haar zoo'n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had.
+
+'s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan
+de hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een'
+pot met vette melk. "Ik dacht," zei de meestersvrouw, "nu U geene
+melk van de geit kon krijgen...,"--"Dat is aardig," zei Lize. "Is
+Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit
+voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes
+had." Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar
+zoo dankbaar in de oogen. 't Was, of die twee elkaar voor altijd
+trouwe vriendschap beloofden.
+
+Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot
+uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen
+weg. Dan kwam het ongeluk in 't eene, dan in 't andere huis. Als Lize
+hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare
+gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging
+ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit
+dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het
+geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.
+
+Eens vroeg de vrouw van den meester haar: "Zeg me toch eens, hoe het
+zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van
+je, nu hebben groot en klein je lief."
+
+Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het
+mannetje en de geluksklok vertellen.
+
+"Och," zei ze, "ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens
+beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb
+ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat
+mijne juffrouw op school altijd zei: 'De liefde is als de echo, die
+ongeroepen stom blijft.' Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug:
+ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn
+leven ben ik zoo gelukkig geweest."
+
+Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht
+genas en haar gelukkig maakte.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by
+Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***
+
+***** This file should be named 18429-8.txt or 18429-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/4/2/18429/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.