summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--18429-8.txt8361
-rw-r--r--18429-8.zipbin0 -> 176072 bytes
-rw-r--r--18429-h.zipbin0 -> 979446 bytes
-rw-r--r--18429-h/18429-h.htm6763
-rw-r--r--18429-h/images/p033.jpgbin0 -> 114789 bytes
-rw-r--r--18429-h/images/p053.jpgbin0 -> 114721 bytes
-rw-r--r--18429-h/images/p081.jpgbin0 -> 122070 bytes
-rw-r--r--18429-h/images/p087.jpgbin0 -> 117423 bytes
-rw-r--r--18429-h/images/p102.jpgbin0 -> 116497 bytes
-rw-r--r--18429-h/images/p130.jpgbin0 -> 80725 bytes
-rw-r--r--18429-h/images/p134.jpgbin0 -> 128093 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
14 files changed, 15140 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/18429-8.txt b/18429-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..070bd60
--- /dev/null
+++ b/18429-8.txt
@@ -0,0 +1,8361 @@
+The Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by
+Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Zonnestralen in School en Huis
+
+Author: Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+Release Date: May 21, 2006 [EBook #18429]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Zonnestralen
+ In school en huis.
+
+
+
+ Vertellingen
+
+ Door
+
+ Henr. Dietz en Kath. Leopold,
+
+ Onderwijzeressen aan de leerschool, verbonden aan de Kweekschool voor
+ Onderwijzeressen, te Groningen.
+
+
+
+
+ Derde bundel.--met 7 platen.
+
+ Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900.
+
+
+
+
+
+
+ Stoomdrukkerij van J.B. Wolters
+
+
+
+
+INHOUDSOPGAVE
+
+
+ De Sprookjesfee.
+ Van de Pepernoten en den Doedelzak.
+ Op de Horens genomen.
+ Een Droom.
+ Een Dief—en Geen Dief.
+ Het Zilveren Lucifersdoosje.
+ April!
+ Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.
+ Juist Goed!
+ Weer van eene Fee.
+ Kalif-Ooievaar.
+ Onder den Tooverboom.
+ Het betooverde Horloge.
+ De Visscher en zijne Vrouw.
+ De Geluksklok.
+
+
+
+
+
+
+
+DE SPROOKJESFEE.
+
+
+Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die
+moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja,
+dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar
+heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die
+prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.
+
+
+
+Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En
+omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen
+te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene
+juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje
+eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde
+te leeren? Nu--juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning:
+"Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren,
+om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren
+naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor
+haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen
+het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met
+bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen
+tusschen al de moeilijke lessen. En--de korenbloemen doen nog wel
+schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren
+was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind
+van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook
+worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó
+wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze
+zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is,
+kan ook flink leeren."--Zoo praatte de koning, die de vader was van
+het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.
+
+Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in
+een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat
+kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en
+met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen
+gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder 't
+vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste
+platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen
+en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms
+ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst,
+beschilderd met madeliefjes.
+
+'t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan
+hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde
+ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd
+licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat
+tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in
+een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan
+haren schoot. Dan begon het: "Er was eens...." Vertellingen, die met
+"Er was eens" begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de
+verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel
+tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat
+was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal
+in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat,
+van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas
+hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde
+plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.
+
+Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze
+eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet
+meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat
+was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo
+wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden,
+bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten
+vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken
+dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm
+naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de
+lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een
+gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan
+las ze, las ze al de sprookjes die haar vroeger verteld waren. Weer
+had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond
+ze veel mooier dan lezen. "Hè," zei de prinses dikwijls, "wat was
+dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik
+zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo
+dol op sprookjes."--"Weet je wat," zei de koning, "ik zal je nog
+eens naar de sprookjesfee brengen."--"Hè, ja, Vader," zei de prinses,
+"doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar
+woont immers de sprookjesfee?"--"Ja," zei de vader, "de sprookjesfee
+woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar--ik
+weet niet precies waar."--"O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,"
+riep de prinses. "Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?"--"Ho, eens,"
+zei de vader, "bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar
+zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je."
+
+Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een' morgen
+zei de koning: "Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we." En
+den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel
+reisden, voor ze in 't land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang
+ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet
+ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het
+huis van de tooverfee zijn.
+
+Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. 't Was een klein, wit
+huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze
+werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee
+kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo
+vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste
+grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht,
+zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde
+de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes
+geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten
+kon, dat ze zoo'n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee
+te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop,
+dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de
+vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.
+
+Toen zei de fee: "Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent,
+om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en
+zie me goed in de oogen. Kijk ik begin al: 'Er was eens.....'" En de
+lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde
+de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de
+lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en
+dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte
+de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en
+fluisterde: "Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik
+zou wel een heelen dag willen luisteren en een' nacht er bij." De fee
+glimlachte: "Kom morgen weer," zei ze. "Mag ik, lieve fee, mag ik,
+Vader?" vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den
+volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren,
+en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.
+
+Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling
+mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de
+koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer
+naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee
+de hand. Ze had de tranen in de oogen. "Ik zal U nooit vergeten,
+lieve fee," zei ze. "Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o,
+ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U
+blijven. Dan mocht ik bij U logeeren....." "Weet je wat," zei de fee,
+"blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen
+is toch ook wel wat erg."--"O, Vadertje," smeekte de prinses, "als
+dat eens mocht!"--"Het mag," zei de vader. "Over zes weken zal ik
+je terug komen halen. Is dat goed?"--"Heerlijk!" riep de prinses,
+"o, wat heb ik toch een lieven vader!"--
+
+Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed
+de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als
+het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.
+
+Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging
+er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen--de zesde week was
+juist begonnen,--kwam de fee op een' avond met een grooten brief,
+waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel,
+ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover
+haar zat en begon:
+
+"Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij
+nog heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met
+den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder
+wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang,
+dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor
+nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn' dood over een groot
+land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom
+verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen,
+om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en
+bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange
+lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat
+ging maar: van 7-8 dit, van 8-9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen,
+Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch,
+Engelsch, Spaansch, Italiaansch ...."
+
+--"En vertellen," fluisterde de prinses.
+
+"Neen," zei de fee, "vertellen stond niet op de lijst."--"Arme
+prins!" zei de prinses. "Luister," zei de fee. "Een sprookje
+mocht den prins nooit verteld worden. 'Sprookjes! onzin!' zei de
+koning. 'Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen
+het voedsel, dat voor het koren is--weg er mee--'t is onkruid.'"
+
+Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar
+toen de prins groot en wijs en knap was--werd de prins ziek. Dat
+was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een' dokter
+komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins
+bleef ziek. Een ander dokter--pillen, poeders, drankjes--de prins
+bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins
+werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch
+eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist
+het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een
+anderen dokter roepen--alles vergeefsch.
+
+Eindelijk hoorde hij spreken van een' professor, die zieken genas,
+waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk
+werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk
+verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen.
+
+De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het
+ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hij
+luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de
+handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de
+wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een
+bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en
+riep eindelijk: 'Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit
+een sprookje hooren vertellen--dat hart heeft nooit van verwachting
+gebonsd--die oogen hebben nooit geschitterd--die wangen hebben nooit
+eene kleur gekregen--die mond heeft niet gejubeld--die handen hebben
+niet geklapt--die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene
+vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam
+dat toch zoo, Uwe Majesteit?'--'Ja, professor, ik dacht, de prins
+moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht:
+sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....'--'O, Uwe
+Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is
+een leven zonder zon!'--'Maar--wat moet ik doen, beste professor,
+wat moet er gebeuren?'--'Ja, er moet dadelijk iemand komen, om
+den prins te vertellen, 't is mogelijk, dat hij dan nog te redden
+is.'--'Maar'--riep de koning, 'ik zou niet weten, wie--in mijn paleis
+is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van
+vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!'
+
+De professor schudde het hoofd. 'Uwe Majesteit,' zei hij, 'iemand, die
+gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat,
+te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een' bode met een uitvoerig
+schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....'
+
+Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. "Hier
+is nu dat verzoek," zei ze, "en verder kun je alles wel raden."--"Dus
+'t is waar gebeurd!" zei de prinses. "Die arme, arme prins! En nu gaat
+U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te
+maken?"--"Ik zou het zoo graag doen," zei de fee, "maar het land van
+den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet
+een ander, eene jongere in mijne plaats gaan."--"Maar wie zou zoo mooi
+kunnen vertellen, als U!" riep de prinses. "Er moet immers juist zoo
+heel mooi verteld worden!"--"Ik weet er maar één," zei de fee; "'t is
+een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis getroost,
+om één sprookje te hooren, dat...."--"O, lieve fee," riep de prinses,
+"U kunt mij toch niet meenen!"--"Zeker! ik meen niemand anders," zei
+de fee; "zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in
+haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt
+het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen,
+en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden."--"Ik wil het graag
+probeeren, als 't niet anders kan," zuchtte de prinses, "maar ik ben
+bang..." "Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet,
+hoe heerlijk de terugkomst is."
+
+Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden
+morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig,
+waarmee ze de reis beginnen zou. 't Was bijna avond, toen de prinses
+de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze
+door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er
+triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart
+van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het
+hoofd hangen en zett'en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht
+wel sterven.
+
+De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de
+menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning
+te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het
+sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar
+den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van
+de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen
+voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in
+de ziekenkamer.
+
+Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens--doodsbleek. Hij
+sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam,
+maar sloot de oogen ook dadelijk weer; 't was hem onverschillig, wie
+er kwam of ging. "Kijk eens, mijn jongen," zei de koning, "daar is
+een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te
+maken."--"Mij weer beter maken?" zei de prins met eene matte stem, "mij
+weer beter maken, dat kan niemand."--"Mag ik het eens probeeren, beste
+prins?" vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. "Kijk,
+eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij
+Uw bed zitten en vertel U een sprookje...." "Een sprookje!" zei de
+prins, en zijne stem klonk een beetje helderder, "kun je sprookjes
+vertellen?"--"Of ik!" zei de prinses, "ik kom regelrecht van de
+sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben,
+en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was,
+zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de
+sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?" De prins knikte glimlachend met
+het hoofd. "Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van
+dingen?" vroeg de prinses, "'t Is mij alles hetzelfde," zuchtte de
+prins, die al weer matter begon te worden. "O, wat ben ik ziek. Je
+hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes."
+
+Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de
+trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering
+van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf
+pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen,
+toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de
+koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder
+'t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs
+wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij:
+"Mooi. Jammer, dat het uit is!" Toen draaide hij het hoofd op zij
+en sliep rustig in.--De dokters schudd'en het hoofd en zeiden:
+"Wonderlijk, wonderlijk!" De prins had immers in zoo langen tijd
+niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte
+de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in 't paleis
+brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden.
+
+En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door
+en at den volgenden morgen met smaak een eitje en 's middags een
+bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de
+deur, en eindelijk vroeg hij: "Komt mijne sprookjesfee niet?" Juist
+kwam de prinses de deur in en zei: "Daar ben ik al! Wat zal het nu
+wezen?"--"Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen," zei
+de prins. "Kun je dat?"--"Zeker," zei de prinses, en ze vertelde van
+den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht
+overeind in 't bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen
+het uit was, zei hij: "Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig,
+dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk
+dank, lieve fee!"--"Ik ben geene fee," zei de prinses, "ik ben maar
+een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt."--"En ze o,
+zoo mooi vertelt!" zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht:
+dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. "Tot
+morgen," riep de prins, toen de prinses heen ging.
+
+Toen de prinses den volgenden avond weer kwam--waar was toen de
+prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer,
+toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een
+gemakkelijken stoel bij 't venster en een even gemakkelijke stoel stond
+tegenover hem. "Neem plaats!" zei de prins. "Wat zal ik nu prettig
+luisteren."--"Waar moet ik nu van vertellen?" vroeg de prinses. "Ik zou
+zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,"
+zei de prins. "Kan dat?"--"Dat kan!" zei de prinses. Luister maar:
+
+"Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een'
+laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten
+linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene
+vertelling hooren." En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich
+nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op
+eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder,
+dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den
+kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor
+het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar,
+waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo'n sierlijke danseres had
+hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in
+den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels
+wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met
+den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten
+en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte
+en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen
+trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en
+zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles,
+dat den prins op 't laatst de tranen over de wangen rolden van 't
+lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: "Neen, maar,
+zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik
+dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!" Daar sprong de deur open en de
+koning kwam binnen. "Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid," riep
+hij. "Ik hoorde in de verte lachen."--"De prins is weer beter!" zei
+de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. "Lief meisje," riep hij,
+"je hebt mijn' prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol
+geld geven en...."--"Niets er van!" riep de prins, "daarvoor wil ik
+haar tot mijne vrouw maken!" Toen de koning die woorden hoorde, betrok
+zijn gezicht. "Ja," zei hij, ik kan me best indenken, dat je het meisje
+lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die
+moet eene prinses hebben...."--"Dat ben ik juist!" zei nu de prinses
+met een zacht stemmetje. "Sakkerloot! als dat zoo is!" riep de koning.
+
+Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis
+vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de
+prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De
+oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene
+nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had,
+toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe
+hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had
+weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar 't ouderlijk
+paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook
+een' zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij 's avonds
+in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat,
+tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde,
+dat is niet te zeggen.
+
+Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en
+juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de
+week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?
+
+
+
+
+VAN DE PEPERNOTEN EN DEN DOEDELZAK.
+
+
+Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen
+maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin.
+
+Eens op een' morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den
+rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout;
+want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer
+met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de
+koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo
+regeerde die voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden,
+over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding
+kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn
+hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne
+witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit
+met eene diepe buiging--de kousen aan. Waarom zette de deftige heer
+een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om
+en om? Omdat--hij op eens tot zijn' schrik een groot gat in den hiel
+gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar 't hielp
+hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de
+koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het
+wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf,
+die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg,
+maar--dit vond hij voor een' koning toch wel wat heel erg.
+
+Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee
+van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de
+hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen
+heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond,
+en zuchtend zei hij: "Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over
+mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen
+stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben,
+als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het
+me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er
+van denken, als ik me eens eene vrouw nam?".... De deftige heer,
+die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van
+den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij
+fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: "Wat ik er van denken
+zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen
+doen."--"Kom, dat doet me plezier," zei de koning; maar toen met
+een bedenkelijk gezicht: "Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo
+gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?"--"Welzeker!" lachte
+de opperhofmeester, "wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit
+is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen,
+en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe
+Majesteit behoeft geen zorg te hebben."
+
+Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want
+er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. "Ik weet het niet, ik weet
+het niet," zei hij. "Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal
+wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi--en heel lief--en heel
+verstandig ...."--"Is het anders niet," lachte de opperhofmeester,
+"o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden."--"Ho, ho, niet
+te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als
+het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel
+voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou."--"De prinses mag
+zeker niet ijdel zijn--of slordig--of nieuwsgierig.--Ze moet zeker
+mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of
+vlug schaatsenrijden ...."--"Houd maar op," riep de koning, "niets
+van dat al. Ze moet--lekkere pepernoten kunnen bakken!--Ik houd
+nergens zooveel van als van pepernoten. Maar--juist, omdat er geen
+grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig
+op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet
+te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in
+mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in 't pepernoten bakken
+al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een
+het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard,
+de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen,
+een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik
+zou willen trouwen, _moet_ pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere
+ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden."
+
+Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een' schrik. Maar
+hij hield zich goed en zei: "Een koning als Uwe Majesteit kan alles
+krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten
+bakken kan."
+
+"Zou je dat wezenlijk denken?" riep de koning, nu erg in zijne nopjes,
+"kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken."--
+
+Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou
+nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die
+hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en
+gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar
+haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in
+gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten
+werden er gepakt: niets was den koning te veel of te kostbaar voor
+de prinses, die .... je weet het wel.
+
+Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen
+voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en
+voort gaat het....
+
+Dat was me eene lange, lange reis, van 't eene land naar 't
+andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen
+woonden. Maar--hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij
+er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die
+tegelijk "heel mooi" en "heel lief" en "heel verstandig" waren. En nu
+zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen
+nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar
+.... geene van de drie kon pepernoten bakken!!
+
+"'t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken," zei de eerste
+prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden
+zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: "Mogen het geene
+amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en
+hartjes, met veel boter."--"'t Spijt mij ook, lieve prinses," zei de
+koning; "maar het _moeten_ pepernoten zijn."
+
+De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen
+de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het
+hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig:
+"Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke
+dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses,
+die--pepernoten kan bakken!"
+
+Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van
+de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet
+hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning
+nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel
+graag willen weten, zei ze, of de koning ook--op den doedelzak kon
+spelen. Op zoo'n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja,
+hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses _hem_ iets zou kunnen
+en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: "'t Spijt me,
+'t spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan
+ik niet op spelen."--"O," zei de prinses, "als dat zoo is, behoeven
+we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het
+spijt me wezenlijk om U, en zelf had ik het ook graag anders gewild;
+want ik vind U heel aardig. Maar--op den doedelzak te hooren spelen, o,
+dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen,
+nooit een' man te nemen, die dat niet kan." Arme koning, daarmee kon
+hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de
+koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en
+zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.
+
+En toch--de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet--er _moest_
+eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning
+den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand
+onder 't hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. "Uwe
+Majesteit heeft toch geen verdriet?" vroeg de opperhofmeester
+medelijdend. "Ik heb nog altijd geene koningin," zei de koning,
+"en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit
+eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van
+de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt,
+ik moet maar tevreden zijn met--amandelkoekjes. Ja, de prinses, die
+zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes,
+met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar
+dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust
+heeft mijne vrouw te worden."
+
+De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug;
+want hij bracht de boodschap aan den koning, dat--de prinses tot
+haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in
+dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De
+prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd
+met den koning van het land, waar de amandels groeien.
+
+"Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik
+vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos,
+omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan
+zich bedacht hebben." Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang
+niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug
+met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te
+brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven
+lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren
+over een land, waar een dwaas op den troon zat. "Als dat zoo is,"
+zei de koning boos, "laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is,
+ik heb haar niet noodig."
+
+Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar--hoe
+nu? 't Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog,
+en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de
+drie. Maar--de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den
+doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt,
+dan--zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang
+na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te
+vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de
+prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de
+pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen,
+voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te
+trotsch voor.
+
+De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen--liet hij toch
+weer den opperhofmeester bij zich roepen. "Mijn waarde heer," zei de
+koning, "je trekt al een lang gezicht, en 'k weet wel waarom. Maar dat
+zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer--naar
+de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil
+ik het toch." De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei:
+"Zooals Uwe Majesteit beveelt."--
+
+De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles
+behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op,
+weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft
+gedaan. En--als het niet om zijn' heer en meester, den koning geweest
+was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij
+'t paleis van de prinses kwam. Maar--tot zijne groote vreugde liep
+alles heel anders af, dan hij gedacht had.
+
+Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens
+moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses
+zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning,
+eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te
+zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn' smaak kon bakken. Ook,
+hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe
+erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij
+gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe
+mooi, hoe verstandig hij die ééne vond. Hoe _heel_ graag hij daarom
+juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als
+ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen
+had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had,
+dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en
+verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten
+had, zijn' opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te
+vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.
+
+Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een
+verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren,
+hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de
+pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij
+ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder
+al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was,
+die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en
+geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne
+gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na
+lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel
+goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe
+ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk
+"ja" te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.
+
+Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de
+koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen
+trouw meegenomen had, naar 't paleis brengen en zelf pakte hij alles
+voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo'n voornaam
+heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben
+willen doen, als hij maar geweten had, wàt!
+
+Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets
+draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets
+stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den
+opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe
+liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde
+boodschap te brengen.
+
+Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor 't
+paleis. De opperhofmeester was in een' wip het rijtuig uit en twee
+treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die
+al verlangend had staan uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van
+paarden in de verte hoorde, kwam zijn' opperhofmeester al tegemoet in
+het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep,
+dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal,
+waar ze ongestoord praten konden. "Ze doet het, ze doet het!" riep de
+opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.
+
+Toen vloog de koning zijn' opperhofmeester om den hals, en hij
+schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester
+"au" riep. "En, en" .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren
+gekomen was, "vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?"--Toen
+vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles,
+wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn'
+opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde
+hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed
+voor zijn' koning gesproken had.--Nog dienzelfden dag werden de
+ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in 't heele land. En
+toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit
+zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was
+een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een
+driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan
+de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster
+met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene
+edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de
+heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug
+gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende
+ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij
+bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. 't Was
+eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning
+wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat
+hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd
+bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met
+hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen
+wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers
+van groen en bloemen aan de huizen--den heelen dag door muziek en
+'s avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel,
+lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken--eene heele week
+lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk,
+alles ter eere van de lieve jonge koningin.
+
+'t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin
+en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun
+beidjes.--Ja--toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd
+werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de
+harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo
+heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje
+weer zoo gelukkig met haar koning.
+
+Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.
+
+Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning,
+wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning
+moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers
+gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger--toen was er
+dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu:
+wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze
+goed voor den koning. 't Was een lust!--En 's avonds, als de koning
+moe van 't regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te
+vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen
+en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren
+als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor
+zijn land en voor zijn volk gedaan had.--Altijd deed de koningin,
+wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen,
+dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op 't laatst zoo knap, dat
+ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.--
+
+En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo
+knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat
+wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat
+hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was
+hij lief voor haar--nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag
+plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.
+
+'t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar
+lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de
+koning nog geene enkele maal gedacht: "'t Is toch jammer, dat mijne
+koningin geene pepernoten bakken kan." En de koningin had nog niet één
+keer gezucht: "'t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak
+spelen kan." Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en
+de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden,
+ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee
+'s morgens uit het bed stapten--met het verkeerde been. Als het nog
+maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen
+geweest was! Maar alle twee tegelijk--dat was erg genoeg!
+
+Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit
+het bed en dus--ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog
+nooit anders geweest, 's Avonds zou er een groot feest wezen in de
+mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er
+gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen
+het groen hangen. Maar--het regende, het stortregende, het plasregende,
+het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van
+den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en
+lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren:
+in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden,
+dat ze wel thuis konden blijven.--En de koningin vooral had zich nog
+wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!--
+
+Dan--toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met
+haar poesje was gaan spelen--had Poes haar leelijk over de hand
+gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de
+jonge koningin zoo trotsch op was.--En--er was eene leelijke vlek
+gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen
+opschilderde.--En--onder het kappen had de kamenier de koningin bij
+ongeluk met eene haarspeld in 't hoofd geprikt. Daar had de koningin
+hoofdpijn van gekregen.--En--maar kom, ik wil al de ongelukken,
+die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen,
+'t Liep alles, alles verkeerd--en ons koninginnetje, anders altijd
+even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en
+heelemaal niet in haar schik.
+
+En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het
+bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, 't Speet hem ook erg van
+'t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.--En dan--de
+kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op
+een plaatje altijd op de hand dragen--viel bij ongeluk op den grond
+en het prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!--En
+dan--kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten
+maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw,
+vuurrood gekleurd, en de zee oranje!--En de nieuwe laarzen knelden
+zóó, dat de koning er kreupel van liep. En--en--nog eene lange rij
+van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was
+onze koning altijd vriendelijk en welgemoed--nu was hij brommig en
+boos en heelemaal niet in zijn humeur.
+
+De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos:
+o wee, o wee!--Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was,
+zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de
+koningin _kibbelden_! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag
+zelf eigenlijk niet meer. 't Was om eene kleinigheid, 'k geloof om
+een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar
+de koning toen naar moest zoeken. Nu, 't komt er ook niet op aan,
+_waarom_ ze kibbelden--ze _kibbelden_, en dat wou ik eigenlijk maar
+vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de
+koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning
+nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en
+bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was 't, geloof
+ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de
+koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan,
+en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin
+toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er
+nooit iets op hem te zeggen viel.--'t Ging al harder en harder tegen
+elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo
+verstandig, om op te houden met kibbelen.
+
+En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen,
+trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een'
+lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: "Me dunkt, heer koning,
+je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat
+op aan te merken hebben: _je kunt niet eens op den doedelzak spelen!_"
+
+Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of
+de koning riep driftig: "Ja wel, ik zal me stil houden voor eene,
+_die niet eens pepernoten kan bakken!_"
+
+Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten
+praten. De koningin schrikte, toen ze 't gezegd had en de koning
+schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden
+ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en
+ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook
+regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de
+canapé en begon bitter te schreien.
+
+"Och, och," zuchtte ze, "wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe
+kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als
+ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar
+niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet
+mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn
+beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om,
+of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo
+iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk
+tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker."
+
+Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde
+zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer
+in zijne kamer en dacht: "Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik
+toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er
+eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed
+en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er
+niets minder om van haar.--Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig
+en boos gemaakt--ze zal 't zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd
+heb. Wat ben ik begonnen!"
+
+De koning ging met het hoofd in de hand op een' stoel zitten en
+keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht
+weer op, hij sprong van zijn' stoel, en op eens lachte hij en riep:
+"Eigenlijk is 't maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten
+bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten
+antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon
+spelen!--Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen
+was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me
+is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar
+haar toe, om alles weer goed te maken."
+
+Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de
+lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.--Maar
+daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien
+ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de
+lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich
+niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar
+tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms--'t
+was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs
+den muur schoof, om zich niet te stooten.
+
+"Wie is daar?" vroeg de koning. "Ik ben het," zei een zacht,
+bedroefd stemmetje. "Wien zoek je, vrouwtje?" vroeg de koning, want
+de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van
+het koninginnetje. "Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo'n spijt, ik wou
+je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van
+...."--Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de
+gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei:
+"Je behoeft me geene vergeving te vragen," en zijne stem beefde wat,
+"ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. 't Is nu alles
+vergeven en vergeten. En weet je," fluisterde de koning verder, van
+nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit
+weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft
+worden. Die woorden zijn: _doedelzak_ en--"
+
+"En _pepernoten_," riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte,
+vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de
+koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef
+zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.
+
+
+
+
+OP DE HORENS GENOMEN.
+
+
+Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal
+wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad
+gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden,
+vind je dat niet raar? 't Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een
+boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag
+weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets
+meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in--eene koe. Gelukkig
+niet voor altijd, maar 't was toch heel moeilijk, om weer eene fee te
+worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden
+jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen,
+die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar
+van pure liefde een' kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat
+niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus
+gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was,
+om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.
+
+Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze
+was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een
+rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad,
+waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën
+hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide
+had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de
+huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met
+gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de
+koe wel vier keer op een' dag en andere koeien worden toch maar twee
+keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had
+het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou
+doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een
+ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op
+het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een'
+emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar
+dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus
+had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar--ze behoefde niet lang meer
+te zoeken. Pas maar eens op.
+
+Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des
+zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een'
+jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn,
+en dat is maar gelukkig ook.
+
+Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren
+vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te
+verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!
+
+Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich
+zelf. Tegen de bedienden van zijn' vader sprak hij, alsof ze weinig
+meer dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij
+den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief--ja,
+'t is haast zonde om het te zeggen, maar 't was, of hij zijn eigen
+ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook
+aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. 't Was,
+of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor
+hem waren. Nooit was het eten naar zijn' zin, en dan stond hij altijd
+dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op
+alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was
+het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor
+zoo'n naren jongen.
+
+Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne
+ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en
+denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen
+op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig
+zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze
+koe wel ooren voor. Nu--ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den
+eersten den besten dag stapte Gustaaf met een' knecht een eind achter
+zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen,
+hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek
+hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn
+hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig
+wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die
+om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit
+of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen
+wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo'n gouden
+dingetje had een arme man wel een' zak aardappelen kunnen koopen. Zóó
+rijk was Gustaaf--ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog
+een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij
+gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook
+wel zien doen.
+
+Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett'en. 't Was juist
+Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe
+liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen
+naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: "Nu moet ik eens goed oppassen,
+of dat heertje niet voor mij geschikt is."
+
+Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep
+met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en
+bedelde: "Hè, laat mij eens zien! wat mooi!" Maar pas had het kind een'
+vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op
+de handjes en riep: "Brutale jongen, dat zal je leeren ...." Verder
+kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren
+kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de
+horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens
+vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met
+den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon
+doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de
+kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje
+van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij
+moest het gauw opgeven: zoo'n hollend dier kon hij toch niet inhalen.
+
+Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens
+goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter
+te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem
+eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een' vader en eene moeder
+te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg
+genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis
+laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook
+in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen,
+ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed
+zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.
+
+En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. 't Was
+al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog
+mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer
+op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie,
+dat ze weer weg kwam.
+
+Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door
+wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op
+eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe
+kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de
+knieën bij Gustaaf neer. "Arm ventje," zei ze, "hij slaapt!"--"'t
+Lijkt wel een jongetje van rijke menschen," zei de heer, "maar 't is,
+of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan
+de kinderen hier."
+
+"O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!" riep de kleine jongen.
+
+En wezenlijk, nu voor 't eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had
+hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist
+niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal
+in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was
+genomen. "Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?" riep hij. "'t Is waar
+ook," zei de mevrouw, "de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom,
+Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem."
+
+Nu moest Gustaaf aan 't vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn
+naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen
+Gustaaf den naam van zijn' vader noemde, schudd'en de mijnheer en
+mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen
+wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In
+welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam
+van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het
+ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school
+het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus
+wist hij er niets van.--Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had
+hem op de horens genomen en daar neergelegd. "Wat zijn dat nu voor
+praatjes?" zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf
+ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. "Nu," zei de mevrouw,
+"'t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe
+hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij
+zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo
+dikwijls alleen."
+
+"Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet," zei Dolfs vader,
+"maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier."--"Och,
+ja, Pa!" riep Dolf. "Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar,
+Gustaaf!"--"Neen, mijn jongen," zei de moeder, "'t is nu te laat,
+en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens
+in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg,
+dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen."
+
+Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk,
+toen haar daar zoo'n vreemde jongen gebracht werd. "Mijnheer en Mevrouw
+weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen," bromde ze. "'t Is of
+ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo'n jongen te verzorgen, die
+hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het
+is!"--"Een bedelaarsjongen!" en dat te zeggen van ons fijn heertje
+Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! "Och! hou' je stil! je weet niet,
+van wien je spreekt!" riep hij. "Wel zeker!" riep de kindermeid,
+"ik zou mij stil houden voor zoo'n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw
+onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in
+te slapen. En nu in 't vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht
+bekomen." Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een
+oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in 't slot omdraaien.
+
+Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar
+lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een
+zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar
+niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien
+langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over
+alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende
+jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo
+behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas
+gespeeld had over de dienstboden van zijn' vader. En die mijnheer en
+mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was
+hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat
+hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten
+op een grasveld had moeten slapen.
+
+Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw
+speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf
+roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar--vroeg
+opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap
+bracht, bromde hij: "Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen,
+ik heb nog geen' zin om op te staan."--"Zóó," zei de kindermeid,
+"zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets
+kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen,
+dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest
+het ook eens wagen, Dolf te laten wachten." Met zette ze Gustaaf met
+zijne bloote voeten op den vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan,
+ook als men er geen' lust in heeft.
+
+Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen,
+kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar
+Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen
+zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en
+dacht: hè, wat is het 's morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik
+nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond
+hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.
+
+Na 't ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht
+met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien
+hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn' verjaardag gekregen
+had. 't Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar
+.... op eens zei Dolf: "O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene
+gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?"--"Dat
+kun je begrijpen!" riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij
+hen. Die riep: "Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij
+geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem
+toch!"--"Neen!" schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos:
+"Ondankbare jongen!" riep ze. "Hier, je zult den riem geven." En met
+geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.
+
+Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór
+dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den
+riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven
+ook. "Ziezoo!" riep hij, "ik zal je leeren den baas te spelen over mijn
+goed!" en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar
+och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op
+zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer
+met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.
+
+Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. 'k Had hem zoo graag
+bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij
+maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet
+maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en
+niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren,
+wat voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens
+"heertje" af zijn.
+
+Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een' koopman,
+waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo'n paar balen legde
+ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. "Wil je wel eens gauw
+van mijne balen af, kleine deugniet!" riep hij. Maar Gustaaf, die
+door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was,
+verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met
+een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen
+kneep bij 't oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. "Och, Mijnheer,
+doe mij geen kwaad!" riep hij met gevouwen handen. "Ik ben niet op Uwe
+balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid."--"Die koe?" riep
+de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van
+de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met
+eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook
+niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken
+Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus
+verschrikkelijk, dat iemand hem voor een' leugenaar hield. Maar--het
+hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. "Wat praatjes wil je
+me nu op de mouw spelden?" riep de koopman. "Eene koe heeft je hier
+gebracht? En je hebt hier geen huis--je ouders wonen ver weg, en je
+kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal,
+en ik wil je wel houden. 'k Heb net een' loopjongen noodig. Ga maar
+mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt."
+
+Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust
+zoo'n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat
+ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen
+loopjongen, stemde ze toe. "Zie je," zei de koopman, "hij lijkt nog
+al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook,
+dat staat veel voornamer dan dat er zoo'n arme jongen met hem gaat."
+
+Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. "Kijk eens," zei de vrouw,
+"wat heeft hij mooie dingen aan zijn' horlogeketting hangen. En een
+echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo'n kleine aap er
+aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongen
+behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags
+mooi mee maken."
+
+Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne
+fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem
+bij den arm en: "Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!" klonk hem in 't
+oor. "Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij
+je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan 't werk." Toen
+werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele
+huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname
+zoontje van zoo'n rijken heer met een' veger aan 't werk! Wat voor een
+leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos,
+als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij
+'t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. "Kom aan, kleine
+man," zei hij, "zet maar niet zoo'n zuur gezicht. Ik ben ook als
+loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed,
+misschien zul je 't dan ook nog wel eens zoo ver brengen."
+
+Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf
+aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang
+in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer
+in zijn bed. Maar--dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger;
+hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de
+vrouw van 't huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden
+als zijne eigen moeder. Maar neen, 't was maar: "haal mij dit!" en
+"breng mij dat!" en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht,
+dat hij zelf vroeger ook op zoo'n toon tegen de dienstboden gesproken
+had. Nu kon hij 't ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken
+te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord,
+nooit deed ze iets aardigs voor hem.
+
+Eens op een' dag gaf ze Gustaaf een' appel, die begon te rotten. Dat
+was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was
+er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees--dat was
+het ergste. O, als hij 's avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam,
+dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne
+ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem
+vroeger onverschillig waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem
+van zijn' vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.
+
+Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen
+van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook
+al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken
+naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem
+geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht
+niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem
+blijven. "Och," zuchtte Gustaaf, "zoo liet ik vroeger mijn grooten
+bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden
+hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe
+'n nare jongen ik was."
+
+Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om
+met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O,
+wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op
+de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de
+gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar
+wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij
+vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig
+kon wezen, omdat hij 't nooit recht geprobeerd had.
+
+Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf
+werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar--hij moest nog
+veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog
+te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: "Och, ik heb het toch
+wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter
+hebben!" Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond
+zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om
+een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij
+verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader
+een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.
+
+Eens op een' dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een
+bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij,
+altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht,
+waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende
+liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de
+stad liep. Hè, wat was het daar heerlijk frisch! 't Was ook zoo'n
+kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de
+frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had,
+wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die
+hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten;
+maar och, wat kon 't hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en
+wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom
+regelrecht op de koe af en zei: "Hier ben ik! als je lust hebt, mij
+weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu
+heb, niet." De koe schudde den kop. "Nooit tevreden!" zei zij. "Als
+ik je ergens anders breng, zal je 't eerder minder dan beter hebben,
+mijn jongen."--"Dat kan me niet schelen!" riep Gustaaf. "Alles liever
+dan de knecht te wezen van dien naren Willem." 't Was of Gustaaf op
+eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op
+haren rug. "Nu toe maar," zei hij. En de koe liep met kleine stappen
+verder. "Je loopt niet vlug," zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe
+zich om een paar grassprietjes af te trekken.
+
+"Neen," zei de koe. "Ik heb geen' haast. De plaats, waar ik je brengen
+wil, is niet ver van hier."
+
+"Ik heb van morgen nog niets gegeten," zei Gustaaf. "'k Heb
+honger." "Daar is mijne melk goed voor," zei de koe. "Hè, ja!" en in
+een' wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het
+ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn' mond loopen. Lekkere
+versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.
+
+Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond
+het niet naar meer met de koe te reizen. "Och, als ze mij nu eens
+weer naar mijne ouders bracht," dacht hij, en een traan rolde hem
+over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.
+
+'t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. "Ziezoo, we zijn
+er," zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om 't hart. Bij 't licht van de
+sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur
+was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene
+oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis:
+eenzaam en stil lag het hutje daar. "We zijn er," zei de koe nog eens,
+toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. "Hier?" riep Gustaaf,
+"dat kun je niet meenen, 't is _te_ leelijk!"
+
+"Stap af, zeg ik je," antwoordde de koe, "en ga binnen. Ik blijf
+bij je."--"Ik blijf bij je," dat was wel een troost; maar de
+gedachte in zoo'n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo
+verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens
+vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een' zijsprong,
+en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen
+de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond
+vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene
+leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: "Wat is dat hier toch,
+wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken."
+
+"Och," zei Gustaaf, "och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?"
+
+"Maak, dat je wegkomt; bedelaar," riep de vrouw. "Wat meen je, dat
+mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi
+heertje daar vraagt, om bij ons te slapen."
+
+Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe
+aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof
+hij hem wou bijten.
+
+"Je _moet_ hier blijven," fluisterde de koe.
+
+Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, 't Was een groote dikke man,
+met booze oogen en een streng gezicht.
+
+"Ik neem geen bedelaars in huis," zei hij. "Maak, dat je wegkomt,
+jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen."
+
+"Je _moet_ hier blijven," zei de koe zonder zich aan de dreigementen
+van den boer te storen.
+
+"Heb medelijden, beste Mijnheer," .... smeekte Gustaaf. Voordat hij
+meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn' leeftijd, maar
+veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. "Ik
+wil hem hier houden," riep hij, "hij is een vriendje voor mij, hij zal
+bij ons wonen." Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en--"nu,
+omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier," zei
+de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter
+hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen
+stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje
+hooi stond te trekken.
+
+Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet
+minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter
+in schikken.
+
+Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af,
+het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven,
+maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo'n eenvoudig
+hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af,
+vouwde het netjes op, en borg het in de kast. "Als je weer weggaat,
+kun je het terugkrijgen," zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd
+van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een
+paar klompen--alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat
+ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten
+voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren
+allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje,
+en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob
+waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor
+zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat
+ook zijn, dachten ze.
+
+Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone
+kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van
+den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote
+klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in,
+en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.
+
+Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd
+roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet
+laten den neus een beetje op te trekken. 't Was maar gelukkig, dat hij
+den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig
+was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen:
+hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en
+Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij
+het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman;
+daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes
+toe was.
+
+Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar
+op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar--'t was
+er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje
+in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets
+beters geven. Dat hij zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel
+gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam
+de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing
+bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en
+vriendelijk aan. Hij viel 's avonds dadelijk in slaap en was 's morgens
+heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker
+dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór
+dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar
+de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar
+zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer
+dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in
+het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht,
+niet meer zoo'n verdriet--hij merkte, dat hij een betere jongen werd
+en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.
+
+Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op
+streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en
+zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had
+niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep
+dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als
+Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: "beste jongen!" 't
+Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.
+
+Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene
+harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. 't
+Was altijd "mijn jongen" vóór, "mijn jongen" na, zoodat Gustaaf haar
+wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij
+voor 't eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.
+
+De eenige, die hem 't leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob,
+aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte
+Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een
+stadsheertje praatte, en dan weer was het: "of hij niet liever in
+verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen."--De boer
+en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze
+begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar
+wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon
+al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het "mijnheertje van de koe"
+te noemen. En nu ging het maar elken dag: "Zeg, moet je nog niet eens
+weer een ritje maken?" In 't eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen
+geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en
+zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het
+met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit,
+waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen;
+want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens
+werden nu echte vrienden.
+
+In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten,
+haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had,
+en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in
+leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij
+Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd
+Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde
+hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen
+Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te
+keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. "Kom
+aan," zei hij, "je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!"
+
+Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte,
+moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen,
+dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de
+koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep:
+"Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet
+meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je
+lief! daar dan!" Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een'
+kus op den neus!....
+
+Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de
+oogen wel dichtknijpen en--toen hij ze weer open deed--stond
+er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te
+zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen--toen zag hij,
+dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in
+een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo'n wijsneuzig,
+zoo'n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.
+
+"Gelukkig!" riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe,
+"je hebt ons beiden gered! Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen
+van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij,
+nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in
+ongerustheid over je."
+
+'t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was,
+en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.
+
+"Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was," zei de moeder,
+en de tranen rolden haar over de wangen, "'t Is nu juist een jaar
+geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood
+was." Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. "Hier, Moeder,"
+riep ze, "hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij
+verdient het."
+
+Te vertellen, hoe 'n gezicht de vader en de moeder zett'en en hoe
+gelukkig ze waren, 'k zou het niet kunnen. De moeder was dol van
+blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe
+knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde
+handen van zijn' jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette
+eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij
+het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de
+knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens
+genomen werd, zat op een' stoel bij de deur van blijdschap te schreien.
+
+Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: "Maar wat
+heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?"
+
+"Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf," zei de fee lachend.
+
+Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden
+en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden,
+meende Zus.
+
+
+
+Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen,
+en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij
+was--was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een
+flinken, aardigen jongen van hem te maken.--Eén ding alleen bleef hem
+altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten,
+hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem
+maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op
+den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.
+
+Wie ook mee feestvierden?
+
+Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een' brief
+schreef, om--neen, meer zeg ik niet.
+
+
+
+
+EEN DROOM.
+
+
+Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van
+mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan 't spelen
+en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn
+speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht
+mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En
+dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond,
+met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit
+was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen
+moest: "Ziezoo, nu is 't voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog
+van droomen."--Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè,
+eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had,
+wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens
+zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond,
+als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo'n mooien droom
+zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...--
+
+Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een
+oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob
+deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits
+al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo'n gezellige oom, als dat
+ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te
+vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!
+
+"Oompje," zei Frits op een' keer, "je bent zoo knap, en
+overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren
+droomen?"--"Leeren droomen!" lachte Oom, "wat meen je daar toch
+mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet
+te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?"--"Ja wel,"
+zei Frits, "maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil."--"O, is 't
+anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren," riep Oom. "Weet je,
+wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd
+op 't kussen."--"Hè Oom, je plaagt me ook altijd!"--"Ho, mannetje,
+ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en
+de beide handen onder 't hoofd en dan--ga je maar denken aan alles,
+waar je van droomen wilt. Je zult zien, dat helpt. Maar pas op,
+dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt,
+dan is het mis en je droomt--niets!"
+
+Wat was die Frits in zijn' schik met het kunstje! Hij kon dien dag
+haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te
+gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen
+en nu--Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar
+bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.
+
+"Je bent toch niet ziek, jongen," vroeg Moeder. "Och ja," plaagde Oom,
+"hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne
+dikke boterham, en wat ziet hij wit!"--Oom begreep wel, waarom Frits
+zoo'n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits
+wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom--en
+als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.
+
+Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in 't oor: "Kom
+je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?" Oom knikte lachende
+van "ja." Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag
+onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars,
+de handen onder 't hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen,
+doodstil, zonder zich te verroeren. "Zoo is 't goed," zei Oom,
+"nu maar denken aan--weet je al, wat je droomen wilt?"
+
+Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en
+dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van
+gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had
+en wou gaan slapen, om te droomen, toen--wou de slaap niet komen. 't
+Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op
+dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene
+hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn' linkervoet eens boven
+zijn' rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam
+de slaap en--daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom,
+dien ik je nu eens wil gaan vertellen.
+
+Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde
+in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De
+voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar
+ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in
+'t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren
+verblind door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele
+kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond
+er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat
+hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling--neen,
+'t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan
+twee aanstappen--twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel
+in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met
+groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven
+een groot hoofd met een puntig kapje er op. 't Leken wel kleine
+jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen
+en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze
+daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem
+bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: "Jongeheer,
+'k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!"--"Zoo," riep
+Frits vroolijk, "ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie,
+Appelsteeltje!" en hij schudde het dwergje de hand. "En hoe gaat
+het je petekind?"--"Dank je, jongeheer, best," zei Appelsteeltje,
+"maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in 't bosch te
+vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere
+toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens
+een kijkje bij ons te nemen."--"Op een bal?" riep Frits, "maar ik kan
+niet dansen!"--"O, dat komt er niet op aan," meende Appelsteeltje,
+"op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren
+kan."--"Maar, met wie zal ik dansen?" vroeg Frits weer. "Dat is eene
+verrassing," lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne
+breede, vriendelijke monden mee. "Maar ik heb geen mooi pakje, om in
+te dansen," zei Frits. "Daar is voor gezorgd," zei Appelsteeltje.
+
+Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén
+droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts
+met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte
+dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets
+zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn
+bed, zett'en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en
+strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins
+uit een sprookje. "Maar," begon hij nu weer, "hoe komen we op 't bal,
+dat is zeker heel ver." "'t Komt alles in orde, jongeheer Maar!" riep
+Appelsteeltje. "Voorwaarts, marsch!"
+
+Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit,
+precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door,
+de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en
+getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de
+vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar 't bal te brengen. Hoe
+hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op
+den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere
+zes, natuurlijk op ieder veulen twee. 't Was een heele optocht:
+voorop drie veulens met zes dwergjes, in 't midden Frits, achter hem
+weer drie veulens met zes dwergjes.
+
+"Nu naar 't bosch," kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De
+veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en
+Frits riep uit alle macht "hoezee! leve Appelsteeltje!" Voort ging
+het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden,
+over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf
+vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als
+een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. "Zijn
+we er al?" vroeg Frits. "Ha, ha!" lachten de dwergjes, "hij vraagt,
+of we er al zijn!"
+
+Daar schemerde licht door de boomen. 't Kwam uit de ramen van een
+statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel
+naar dien kant en riep Frits over zijn' schouder toe: "Het betooverde
+kasteel!" Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te
+bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel
+te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel
+eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.
+
+Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens
+wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van 't bosch stond
+een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar,
+dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne
+fakkel: "Het huisje van de drie beertjes!" riep hij Frits toe. Ja,
+wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een
+venstertje kijken. "Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!" groette
+Frits, "hoe smaakt de honigsoep?" Maar voordat er antwoord kwam,
+lag het huisje al weer in de verte.
+
+Daar was eindelijk de rand van 't bosch. Ja, en daar stond ook weer
+een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een
+tuintje er voor. "Daar woont de grootmoeder van Roodkapje," vertelde
+Appelsteeltje. "Och, och," begon Frits, "woont daar nu...." Maar daar
+vlogen de veulens, nu ze 't bosch uit waren, in eens weer met een' ruk
+vooruit: 't scheelde niet veel, of onze Frits was in 't zand gewipt.
+
+Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken,
+zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte,
+keek hij even naar dien kant.
+
+Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven
+Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat
+nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij 't
+beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. "'t
+Kasteel met den dikken boom en den diepen put!" riep het dwergje. Frits
+hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar
+juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; 't scheelde niet
+veel, of hij was van den schok over den kop van 't veulen gevlogen.
+
+"Let op!" waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. "Van
+den markies van Carabas!" riep Appelsteeltje.--Voort, altijd
+verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde
+in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! "Daarachter
+ligt Luilekkerland," vertelde Appelsteeltje. "Hè, Luilekkerland,"
+zei Frits, "Luilekkerland achter den rijstebrijberg!" Want hij had
+grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. "Maar kom," dacht hij,
+"dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op
+'t bal allemaal nog te zien krijg!"
+
+Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig,
+wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu
+kon 't niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene
+breede, donkere streep, dat was zeker 't bosch! En ja, toen ze nader
+kwamen, zwaaide voor 't laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep
+hij vroolijk: "We zijn er!" Toen hinnikten de veulens, de dwergjes
+gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de
+handen en riep maar niets dan "hoezee," tot hij er schor van was.
+
+Vooraan in 't bosch was het donker; maar door de boomen heen
+schemerde licht, en hoe verder je in 't bosch kwam, hoe lichter
+het werd. "Nu de oogen dicht!" riep Appelsteeltje op eens, "en niet
+weer open, voor ik je waarschuw, hoor!" Frits dadelijk de oogen stijf
+dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond
+en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet,
+maar hij werd vlug van 't veulen getild en voorzichtig op den grond
+neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje
+zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee,
+mee--totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep:
+"Open! en welkom in de balzaal!"
+
+Toen Frits de oogen opendeed--ja, 't ging hem weer net als straks: hij
+wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: 't was iets heel
+heerlijks en heel moois. Hij was nog in 't bosch, op eene groote, open
+plek in 't bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja,
+hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan
+was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele
+steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad
+van de boomen leek zelf wel een lampje en 't was, of er honderden
+lichtjes straalden uit stammen en takken.--De grond of neen--ik moest
+liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine,
+gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen,
+die schitterden als kleine diamantjes.--Tusschen de boomen lag een
+dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal
+verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten,
+als je moe was van 't dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar
+kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de
+muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal
+kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig
+op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes,
+dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of
+niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo'n lust kreeg
+hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan
+'t dansen waren.
+
+Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje;
+want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij
+uit kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits _kende_
+al die lieve danseresjes, en toch--had hij ze nog nooit gezien! Hij
+kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch--had niemand hem de
+namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den
+zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange
+krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de
+zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk
+ook Lena--Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze
+om den hals droeg.--Naast Lena stond--nu, dat was al heel gemakkelijk
+te raden. Een rood kapje had ze op 't hoofd, een mandje aan den arm!
+
+Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand,
+een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. "Ja, ja," zei het
+grootere meisje, "Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje
+en met één bloot beentje!" Maar wat was dat? .... Bij elk woord,
+dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren
+mond! "Die ken ik ook, die ken ik ook!" riep Frits vroolijk. "Mooi,
+mooi," zei Appelsteeltje, "maar nu moet je ook kiezen."
+
+Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De
+danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af
+tot Goudkindje toe. "Nu?" vroeg Appelsteeltje. "Of, wacht eens!" Weg
+was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al
+weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. "Wil je misschien deze
+liever?" lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie
+daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan,
+de kousen afgezakt.... "Neen, neen, neen!" riep Frits, "die niet,
+dat is Pietje Smeerpoes!" Het slordige vuile kind kroop van schaamte
+dadelijk weer achter een' boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje
+bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.--Toen aan
+het dansen--neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee
+noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de
+maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn
+danseresje in 't rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange
+vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben
+willen dansen, 't ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom,
+dan zouden ze maar wat uitrusten tusschen de boomen. Hè ja, dat
+vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens,
+babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en
+vooral ook--kijken naar al de prettige drukte om hem heen.
+
+Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op 't bal waren. Wel, wel,
+wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes
+waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en
+sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te
+zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht
+en maakten allen aan 't lachen met hunne dwaze grappen.--Daar dansten
+er twaalf in een' kring om Appelsteeltje heen. "Hoe leuk!" riep Frits,
+"daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!"--Een eind verder draafde
+een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. "Pas op
+je krullen, Liesje!" riep hij plagend. 't Meisje schaterde van lachen,
+omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes
+toch niet inhalen kon.
+
+Wat was 't eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en
+stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er
+dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen,
+om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als
+een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer
+op.--Peter huppelde er alleen in 't rond met zijne gouden gans in den
+arm.--Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje;
+maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte,
+weet ik niet.
+
+En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon
+zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak
+bij. "Smulhans!" riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar
+met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de
+toovervrouw! Onder het dansen stopte ze 't gulzige ventje aanhoudend
+lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.
+
+Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:
+
+
+ "Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,
+ Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!"
+
+
+En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud,
+vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en--de mooie, domme
+prinses in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een
+vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af;
+maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden
+pot te blijven.
+
+Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de
+Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot
+netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte
+Katje.--Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in 't rond. En
+bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes
+in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan 't proesten
+blijven, de kaboutertjes.
+
+Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een
+grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot
+boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. "De booze
+Toovenaar," fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn
+tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook
+van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen
+een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als
+de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen,
+spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja
+wel--die stond hem al lang weer aan 't andere eind van de zaal uit te
+lachen.--Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje
+te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen
+kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en
+de handen onder 't hoofd. Een poosje zat hij--daar kwam Goudkindje
+aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. "Toovenaar,"
+zei ze met een vleiend stemmetje, "waarom zit je hier zoo alleen? Heb
+je geen plezier? Toe, dans eens met me!" De toovenaar keek eerst met
+een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag,
+moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek
+zoolang onder het kussen en--begon met Goudkindje in 't rond te dansen.
+
+Frits had den heelen tijd, bij 't kijken naar al die kluchtige
+paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen
+toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen
+met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij,
+dat de tranen hem over de wangen rolden.--
+
+En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens
+weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat
+ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd
+was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak,
+Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in
+eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor
+de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot
+in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen
+te rennen--neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. 't
+Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie
+tellen heelemaal om de groote balzaal heen.--Hazenoor ging met zijn
+oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij:
+"Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in
+Luilekkerland door de lucht vliegen."--Mikgoed schoot de toovervrouw
+een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in
+den mond wou stoppen.--Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en
+blies op eens alle dansers omver.--Maar wat van Sterkenrug deed,
+dat was nog 't aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes,
+die op 't bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover
+gebogen staan. En toen--moesten al de kaboutertjes op zijn breeden
+rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. 't
+Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te
+zien.--Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op 't bal, ook
+wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars,
+er waren ook--feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn
+vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en
+de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog
+veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk,
+luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes,
+dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne,
+teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen
+ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.--Maar midden onder
+'t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. "Kom aan, jongeheer,
+nu weer een dansje," riep hij, "je wordt niet alle dag op een bal in
+'t bosch gevraagd!"
+
+Ja, 't was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan 't dansen. Wacht,
+daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik
+later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.--Toen gedanst met
+Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond,
+of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt
+was.--Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk,
+die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen
+ze bijna te vallen over--ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te
+vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was
+Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje
+in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede
+paartje was--Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in
+een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig
+om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst
+had! Maar Lena gunde hem geen' tijd lang stil te staan: ze trok hem
+al gauw weer mee, om verder te dansen.
+
+Daar op eens klom er een dwergje in een' boom, en dat begon me
+te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En
+zie--dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten,
+die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en
+praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve
+fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een
+zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten
+van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje
+den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit
+den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen
+met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker
+was. In een oogenblik stonden er in 't rond, 'k weet niet hoeveel,
+van die tafeltjes-dek-je klaar.--Nu ging de fee weer rond en bij elk
+tafeltje tikte ze even tegen een' poot. En ja wel, daar waren ook in
+eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.
+
+Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu
+mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje
+aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed
+er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers
+geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even
+vroolijk, en vooral de dwergjes maakten weer ieder aan 't lachen
+met hunne dwaze grappen.--Er was er maar één, die geen tijd had, om
+pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk
+de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij
+krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen
+werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.--
+
+Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op,
+klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht
+te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: "Sst, sst! Appelsteeltje wil
+wat zeggen!" Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat
+het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn
+van de tafel, hield het omhoog en zei: "Ik drink op de gezondheid van
+_mijn_, ik meen van _ons_ vriendje Frits! Hij leev', hij leev', ons
+Fritsje leve lang!"--Allen dronken en klonken mee. En toen--hoe het
+kwam, wist hij niet--maar op eens stond Frits midden in de balzaal,
+en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars,
+alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en
+meisjes--_alle_ gasten van 't bal. En allemaal zongen ze: "Hij leev',
+hij leev', ons Fritsje leve lang!" O, wat was 't mooi!
+
+Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En--als door een'
+tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende
+licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en
+achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee
+dwergjes op zijn' rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort
+ging het weer, hop, hop--in vliegende vaart door bosschen, over velden
+en wegen, langs kasteelen en bergen.--Appelsteeltje zwaaide weer met
+zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond
+te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover
+op zijn veulen. Op 't laatst kon hij de oogen haast niet meer open
+houden. Nog een poosje en--ze vielen toe. Frits sliep.
+
+
+
+Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en--onze
+Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer
+liggen, hoor! In een' wip was hij er uit, in een' wip aangekleed,
+in een' wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen,
+hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe'n kostelijken droom hij
+gedroomd had.--
+
+Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij
+Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien
+heerlijken nacht.
+
+
+
+
+EEN DIEF--EN GEEN DIEF.
+
+
+Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven
+veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel
+rijk. Ja, hij _was_ rijk, maar hij _werd_ arm. Op een' nacht kwamen
+er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.--De man
+klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te
+vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen,
+en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen,
+dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.
+
+Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader
+heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze
+ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. 't
+Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met
+Tom, zooals hij heette, was het anders. "Wat er van dien jongen nog
+worden moet," zuchtte de vader menigmaal, "ik weet het niet! Leeren,
+daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te
+vinden, wel in den stal of buiten in 't bosch of op 't veld. Jagen
+en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen,
+die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan 't lachen maken,
+en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met
+al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet
+we nog aan dat heertje beleven!"
+
+Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op
+een' dag vlak voor zijn' vader staan en zei: "Vader, ik ga er op uit,
+om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden
+zal ik ze, al zaten ze ook 'k weet niet waar verborgen. En 't geld
+breng ik mee terug, zoo waar ik Tom heet."--De vader barstte in
+lachen uit. "Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe
+broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan
+iets van terecht komen. Maar jij!"--"--Vader," zei Tom, "ik vind ze,
+laat mij maar begaan."--"Nu," zei de vader, "ga je gang. Thuis voer
+je toch niet veel goeds uit."
+
+En Tom ging zijn' gang.
+
+Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed
+opgeven, daar dacht hij toch niet aan.--Eens dat hij weer een heelen
+dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis,
+dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een
+bosch. 't Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei
+een gure wind, en 't regende zonder ophouden. "Ik moet maar zien, dat
+ik hier vannacht onder dak kom," dacht Tom. Eene bel was er nergens
+te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.
+
+Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. "Wat
+moet je?" vroeg ze heel onvriendelijk.--"Wat anders dan mijn avondeten
+en een bed om in te slapen!" zei Tom. "Dat kun je hier niet krijgen,"
+bromde het vrouwtje, "'k Zou wel eens willen weten, waarom niet,"
+hield Tom vol. "Nu, als je 't dan volstrekt weten wilt," was 't
+antwoord, "'t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen
+drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan
+kom je hier niet levend vandaan."--"Dat is een leelijk ding," zei Tom,
+"maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer,
+is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet
+bang."--Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter
+zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van "zelf maar weten",
+maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was 't voornaamste.
+
+Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde
+tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon
+Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij
+met leege handen thuis kwam en braaf door zijn' vader en zijne broers
+uitgelachen werd.
+
+Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in de
+kamer naast hem. "Aha!" dacht hij, "daar zijn de zes mannen, die mij
+niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden
+in den nacht pas thuiskomt--als dat geen dieven zijn, dan weet ik
+het niet! Eerlijke menschen hebben 's nachts op straat niets te maken."
+
+Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat
+de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen
+klonken zoo verward door elkaar, 't leek wel, of ze allemaal tegelijk
+spraken.--Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon
+Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over
+hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. 't
+Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van
+inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en
+van geld.
+
+"Dat was eene mooie vangst vannacht," zei er een. "Ja," zei een ander,
+"maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens,
+als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al
+zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt
+heeft!"--"Honderdduizend gulden!" lachte een derde. "Wat zullen ze
+op hun' neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste,
+dat moet zoo'n doeniet zijn. Maar 't luie leventje van dat heertje
+zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!"
+
+Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield
+hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd
+werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en 't had niet veel gescheeld,
+of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk
+maakten over hem en zijn' vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren
+de mannen, die zijn' vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden,
+drie zoons, de jongste een doeniet--het kon niet anders wezen. Wacht,
+hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden
+in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop
+weer in 't bed. "Tom, jongen, wees niet dom," zei hij tegen zichzelf,
+"je weet nog niet eens, waar ze 't geld gelaten hebben, en al wist je
+'t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!--Beter eerst nog
+eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten."
+
+Tom legde weer 't oor tegen den muur en luisterde. "Zeg eens, is dat
+geld wel goed geborgen?" vroeg er een. "Dat 's ook eene vraag," riep
+een ander, "'t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we 't in
+gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder
+hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?"--"Nu,
+'t is goed, ik vroeg 't maar zoo," zei de eerste weer. "Ziezoo,"
+dacht Tom, "nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn'
+zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?"--Nog eene heele poos lag
+hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel.
+
+Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor
+zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. 't Leken ruwe,
+woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van
+schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn,
+daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten,
+leunende op zijn' elleboog, en keek de mannen driest in de oogen.
+
+"Wie ben je," vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over
+de andere vijf leek, "en wat kom je hier doen?"--"Wie ik ben?" zei
+Tom. "Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom
+leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn
+werk. Als jullie me bevalt," en hij keek de mannen één voor één aan,
+"dan wil ik je misschien wel in mijn' dienst nemen en je een paar
+lesjes in 't stelen geven."
+
+De mannen wisten niet, hoe ze 't hadden: ze keken elkaar eerst zoo
+beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos,
+eer de oudste dief antwoordde: "Praats heb je genoeg, dat hooren
+we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na 't ontbijt wel eens zien,
+wie meester en wie knecht wezen zal."
+
+Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten
+ze aan tafel, of daar zien ze door 't bosch dicht bij het huis een'
+boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.--"Wie
+van jullie," vraagt Tom, "durft er op aan, dien boer zijne geit af te
+stelen, nog voordat hij 't bosch uit is, en dat wel zonder ook maar
+'t minste geweld te gebruiken?"--"Ik niet," zegt de oudste dief. "En
+ik niet!" roepen de anderen. "Kom aan," zegt Tom, "ik ben de meester,
+ik zal jullie je eerste lesje geven!"
+
+Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene
+plek, waar de weg door 't bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij
+zijn' rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen
+gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn'
+linkerschoen uit, zet dien weer midden in 't pad, loopt vlug weg en
+verbergt zich achter de struiken.
+
+De boer komt, en hij ziet een' schoen staan. "Jammer, dat die geen
+kameraad heeft," denkt hij, "aan één alleen heb je niets."--En de
+boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen
+schoen. "Domoor, die ik ben," zegt de boer, "dat ik dien van straks
+niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een
+paar kan ik best gebruiken."
+
+De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een' boom, om gauwer
+vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar
+de schoen--die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht
+van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan
+gekomen en had den schoen weer weggepakt.--De boer komt en ziet den
+schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij
+komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit
+vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en--wat nog erger,
+is--ook geene geit meer!--De tweede schoen zat al lang weer aan
+Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den
+eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in 't huis
+van de dieven gebracht.
+
+"Dat is me ook wat!" jammerde de boer, "ik beloof voor mijne vrouw
+eene mooie japon te koopen van 't geld, dat ik op de markt voor
+mijne geit zal krijgen, en nu--is de geit weg! Ik moet maar zien,
+dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw
+er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen,
+dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren."
+
+De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken,
+en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch
+wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.
+
+Een half uurtje later--daar komt de boer weer aan met een mooi,
+vet schaap bij zich. "Wie van jullie ziet er kans," vraagt Tom,
+"dat schaap te stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd-
+zonder geweld te gebruiken?"--"Ik niet!" zegt een van de dieven. "En ik
+niet!" roepen de anderen. "Dan zal ik 't probeeren, ik ben de meester,"
+zegt Tom. "Geef me een stevig touw."
+
+Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen
+tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens
+een' man aan een' tak van een' boom hangen met het hoofd slap op de
+borst. "Wat is dat nu!" roept hij, "een uur geleden hing die man daar
+toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op
+klaarlichten dag, 't is om van te beven!" Angstig kijkt hij om zich
+heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.
+
+Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn' schrik al
+weer een' man aan een' boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover
+op de borst. "Heb ik van mijn leven!" roept de man, "daar hangt er
+al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!"--En hij stapt
+haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.
+
+Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en
+grijpt zich met de hand aan 't voorhoofd. "Maar zie ik dan verkeerd,
+of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een'
+boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te
+gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug--ik wil weten,
+of de twee anderen er nog hangen." De man bindt zijn schaap zoolang
+aan een' boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de
+weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den
+tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar
+'t huis van de dieven.--Dat die man niemand anders dan de slimme Tom
+was, heb je zeker al begrepen.
+
+Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien
+hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep,
+was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal
+gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór
+geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl
+de boer weerom liep.
+
+Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! "Als
+je nog één zoo'n stukje uitvoert als dit," zei de oudste dief,
+"dan zeg ik: je bent ons allen de baas!"--
+
+En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien
+hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van
+den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een' man. Al
+pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats,
+waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man,
+geen schaap, alles weg!
+
+Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: "Ach, ach,
+wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld,
+mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor
+mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het
+land haal en dien verkoop."
+
+Goed, de boer gaat naar 't land, en eene poos later zien de dieven
+hem weer aankomen met zijn vetten os. "Wie is zoo knap, dat hij dien
+os steelt, zonder geweld te gebruiken?" vraagt Tom. "Ik niet," zegt er
+een. "En ik niet," roepen de anderen. "Dan probeer ik het," zegt Tom,
+"ik ben de meester," en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.
+
+De boer drijft zijn' os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij
+den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn'
+rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en
+nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. "Ik ben een boon,
+als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!" roept de boer.--Weer
+geblaat. "Zoo zeker, als ik hier sta," zegt de boer, "ze zijn het!" En
+hij bindt zijn' os aan een' boom en loopt het bosch in naar den kant,
+waar 't geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar 't
+is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid
+blijft altijd even ver af.
+
+Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht
+eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had
+hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want--toen
+hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats,
+waar hij 't geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn' os niet
+meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os--die stond al
+lang op stal bij de dieven.
+
+Tom had gedacht: "Ik neem de geit en het schaap mee in 't bosch,
+daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een
+poosje achter de dieren aanloopan en dan--maak ik, dat ik langs den
+kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik
+den os al lang losgemaakt en weggebracht."--En zoo was 't gebeurd ook.
+
+Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk
+niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles
+te vertellen, was er groot gejuich in 't dievenhuis. De dieven riepen
+maar in éénen door van "hoera!" en "leve de koning van de dieven,
+leve Tom!"--Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van,
+bij zoo'n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.
+
+Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven
+vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan
+hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in
+de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten
+en koffers open te breken, En eindelijk--namen ze hem zelfs mee naar
+den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar
+kreeg Tom wat te zien--wel verbazend, wat een geld en goed lag
+daar opgestapeld! "Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al
+ongelukkig gemaakt!" dacht Tom. "Maar die kist daar, die ik zoo goed
+ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn' vader."
+
+Ja, wezenlijk, daar stond de kist. "Kon ik haar maar dadelijk
+meenemen," dacht Tom, "dan bleef ik geen uur langer in dit nare
+huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn'
+zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik
+moet nu maar geduld hebben en mijn' tijd afwachten."
+
+Zoo bleef Tom dus vooreerst in 't dievenhuis.--Hij zorgde wel de
+dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem
+gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te
+stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun' meester
+kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij
+thuis bleef. "Jullie krijgt me niet mee," dacht Tom telkens, als hij
+de dieven zag heengaan, "bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes
+vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad;
+maar nu is 't ook genoeg."
+
+Eindelijk op een' dag zeiden de dieven tegen Tom: "Meester, als je
+'t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis
+hier dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook
+eens plezier maken."--"Wel zeker," zei Tom, "ga jullie gerust. Ik
+zal mij niet vervelen."--Maar bij zichzelf dacht hij: "Heerlijk,
+heerlijk! Eindelijk zal ik eens een' dag alleen zijn. Misschien zal
+ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen."
+
+Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze
+hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel
+gelukkig, hoort maar eens, waarom.
+
+Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze
+waren trotsch op hem, omdat hij zoo'n slimme dief was, zooals ze
+meenden. Ze noemden hem "Meester," en dikwijls vroegen ze hem om
+raad. Maar--den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch
+liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij
+niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel
+machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen;
+maar tot nu toe was hij nog geen zier verder.
+
+Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al
+niet. "Vandaag _moet_ het gebeuren," zei Tom tegen zichzelf, "ik
+_moet_ er iets op vinden."--En weer ging hij als zoo menigen keer
+met het hoofd in de hand zitten denken.
+
+Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren,
+ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed,
+bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze
+borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort,
+hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het
+en--in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen,
+dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt,
+heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een' wip is hij er de
+deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk:
+hij is het!--Wat die Tom zich in de handen wreef!
+
+Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne
+Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?
+
+Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist
+van zijn' vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open
+te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij
+daarmee moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het
+duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld! _Al_
+het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt:
+tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw
+alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee,
+die hij in de haast uit een' hoek van den kelder gehaald had. Toen
+de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één
+naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar,
+het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er
+op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op.
+
+Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij
+het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij
+het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig
+om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen
+het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig
+over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook
+blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf,
+als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten.
+
+En waar reed Tom nu wel 't eerst heen, denk je? Niet naar zijn'
+vader, naar....--Maar wacht, 'k heb nog iets vergeten te vertellen! Op
+de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat
+leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. 't
+Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo'n slimme
+manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald
+en op de kar geladen.--En achteraan de kar was--de os vastgebonden,
+de os van den boer.--En nu weet je ook, waar de reis 't eerst naar
+toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor
+de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken.
+
+Toen Tom bij 't huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne
+vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: "Weet je
+ook van wie deze dieren zijn?"--"Nu," riepen de boer en zijne vrouw
+vroolijk, "dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker
+als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al
+overal en overal gezocht en ze nergens gevonden."--"O," lachte Tom,
+"ze liepen in 't bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk,
+dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren."
+
+Dat was me eene vreugde in 't huis van den boer: die pakte zijne
+vrouw om 't middel en danste met haar in 't rond. "Vrouw, nu krijg je
+de nieuwe japon toch nog," riep hij maar al. Toen werden de geit en
+het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl
+ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: "Zeg eens, boer, is dat zakje ook
+van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?" Een zakje? daar
+hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar 't hing er, dat
+was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan--honderd gulden! "Dat
+is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt," zei Tom, en
+vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing
+te bekomen, had Tom de zweep over 't paard gelegd, en weg was hij!
+
+"Nu naar Vader," dacht Tom, "die zal nog grooter oogen opzetten dan
+de boer en zijne vrouw."
+
+'t Was al laat in den avond, toen de kar voor 't huis van Toms vader
+stilhield.--Tom sprong van de kar, bond het paard aan een' paal vast
+en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de
+deur open: 't was Toms vader zelf. "Wie maakt er zoo'n geweld aan mijne
+deur," vroeg de vader verdrietig, "en dat zoo laat in den avond! Ik
+beef er nog van."--Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis
+niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar
+hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: "Och, Mijnheer,
+neem me kwalijk, dat ik U aan 't schrikken heb gebracht. Ik ben een
+arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht
+niet kunnen slapen?"--"Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in
+mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!"
+
+Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was,
+toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg
+de vader medelijden en zei: "Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik
+neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij
+licht gezien hebben."
+
+Tom dus mee in de kamer, waar 't licht was. En toen .... die verbazing
+van zijn' vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke
+lachen van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! 'k Wou, dat je
+'t gezien en gehoord hadt!
+
+De vader was 't eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw:
+"En waar is 't geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken
+leeg zeker!"--"Ja, Vader," zei Tom lachend, "handen en zakken leeg;
+maar" en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn' vader
+met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar
+buiten bij de kar, "maar--eene kar vol!"
+
+De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet
+te gelooven, dat in die zakken _zijn_ geld was, zijn heele verloren
+rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze
+waren vol harde rijksdaalders en guldens!--Toen greep hij Tom bij de
+hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest:
+"Nu, Vadertje, bedaard wat!"
+
+Dat was me nog eene andere vreugde dan in 't huis van den boer! De
+vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en
+vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan 't
+vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis
+van den boer schudd'en ze allen van 't lachen om de slimheid van
+Tom, en de vader stak hem op 't laatst de hand toe en zei: "Jongen,
+'k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik
+meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar
+nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.--
+Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees,
+kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.
+
+Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader
+en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet
+overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.
+
+Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik
+je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan
+zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste
+en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed?
+
+
+
+
+HET ZILVEREN LUCIFERSDOOSJE.
+
+
+Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was 't een soldaat, die zoo prompt
+in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn' ransel op den rug, het
+geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht
+uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, twee! één, twee! de
+voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een'
+boom geleund zat en van het warme weer ingedommeld was, schrikte er
+van wakker.
+
+"Dag, soldaat!" zei ze. "Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook
+dapper gevochten?"--"Nu, of ik!" lachte de soldaat.--"En ben je nu
+ook te trotsch, om zoo'n oud vrouwtje, als ik ben, een' dienst te
+bewijzen?"-- "Zeker niet," zei de soldaat.--"Nu," zei het vrouwtje,
+"je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel
+geld voor geven, als je dragen kunt."--"Sapperloot," zei de soldaat,
+"dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw,
+wat ik doen moet." "Deze boom," zei het vrouwtje, en ze klopte op den
+stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, "is van binnen heelemaal
+hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar
+benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer
+naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op."--"Maar,
+wat moet ik daar onder in den boom?" vroeg de soldaat. "Geld halen,"
+zei het vrouwtje. "Luister maar eens. Als je onder in den boom komt,
+ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden
+wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open
+doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je
+in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote
+kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen,
+met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet
+bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond
+dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je
+geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den
+hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen,
+als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je
+eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens;
+maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je
+'s middags van eet. Je behoeft daarom niet bang te wezen: laat mijn
+schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil
+je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen:
+ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen
+zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt
+er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun
+je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt."
+
+"Dat lijkt mij niet verkeerd," zei de soldaat, "maar wat moet ik
+nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen,
+stuur je me toch zeker niet alleen."
+
+"Neen," zei het vrouwtje, "voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje
+halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar
+geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij
+lief, als eene herinnering aan hem."
+
+"Zoo," zei de soldaat, "is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje
+zoo graag hebben? Maar waarom heb je 't dan nog nooit door een ander
+laten halen?"
+
+"Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd," zei het vrouwtje, "maar nooit
+heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar
+beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe,
+ga maar, je doet er mij zoo'n genoegen mee. Hier is mijn schort--ze
+doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je 't?"
+
+"Kom aan dan maar," zei de soldaat, "bind me het touw maar om
+het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet
+gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!"
+
+Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in;
+daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand
+voor 't oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas
+in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.
+
+Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om--ja
+hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes,
+en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen--als je geen
+soldaat was.
+
+"Een aardige jongen ben je," zei de soldaat, "maar brom nu maar niet
+zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van
+haar hebben. Geef mij nu maar eens je een' poot, nu den anderen,
+zie zoo, daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik
+mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist." Gezegd,
+gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel
+leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en
+nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo
+groot als een bord.
+
+"Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt," zei de
+soldaat. "Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier
+liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom,
+kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer,
+brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan
+maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen,
+maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee
+kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O,
+hé, die zitten vol centen! Weet je wat, 'k heb liever guldens dan
+centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar
+ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht
+eens: in mijn' ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo,
+oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer
+op je kist, hoor, ik groet je."
+
+Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of
+hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, 't Klonk wel als het brullen
+van een' leeuw. Hij wou toch eerst eens om 't hoekje zien. Neen maar,
+wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een'
+wagen. En de oogappels draaiden--daar zou zelfs een soldaat raar van
+worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij
+deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom
+op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. "Goeden
+avond!" zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een'
+generaal groette; want voor zoo'n hond had hij eerbied, "goeien
+avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar
+plaats te nemen?" Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den
+boezelaar zitten. "Zie zoo," zei de soldaat, "nu laat mij eens zien,
+waar jij zoo knap op gepast hebt," en hij deed de kist open.
+
+Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en
+chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen
+soldaten van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden
+tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik
+kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik
+had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes
+er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker:
+bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako--in alle hoekjes en
+gaatjes. Op 't laatst was hij stijf van 't geld. Toen riep hij den hond
+weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.
+
+"O, hoi, ho! trek op, Moedertje!" riep hij door den hollen boom. "Heb
+je het lucifersdoosje?" riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot,
+neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor
+mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan
+geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens
+weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets
+zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat
+je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer
+het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken
+en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks,
+hoor. Toen arm--nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap,
+toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.
+
+"Beste jongen," zei het vrouwtje, "weet je, wat je nu doet? Je
+gaat met mij naar mijn huisje, hier in 't bosch. 't Is al zoo laat
+geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je
+bij mij logeeren, en 'k zal je een kistje of een' zak geven voor je
+geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen." Dat leek den
+soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze
+thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en
+gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest
+van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze,
+als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om
+te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.
+
+'t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange
+wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde
+van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste
+hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd
+er wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij,
+welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde
+zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk
+naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme
+stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk,
+dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een'
+dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken;
+ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den
+soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als
+een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje
+begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch
+weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar
+eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van
+mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.
+
+Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote
+huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het
+allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er
+in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij
+was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.
+
+De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een
+gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste,
+zei wel: "wat oude laarzen heeft die mijnheer," maar den volgenden dag
+konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig
+pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud
+soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer.
+
+En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en
+dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens
+toen de soldaat weer een' rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren
+een groot gebouw staan. "Wat is dat voor een gebouw, koetsier?" vroeg
+hij. "Dat is het paleis van de prinses," antwoordde de koetsier. "Maar
+waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?" vroeg weer de
+soldaat. "O, weet U dat niet, mijnheer?" zei de koetsier, "hebt U
+nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen
+gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de
+prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt,
+eene prinses met een' soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu
+is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een' soldaat
+ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er
+kon immers eens een soldaat voorbij loopen!"--"Hoe jammer," zei de
+soldaat, "ik zou die mooie prinses wel eens willen zien," en hij was
+er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij
+niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan
+de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien.
+
+Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen
+einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen;
+maar kwam er geen einde aan de pret--er kwam wel een eind aan iets
+anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had
+niet begrepen, dat als je van een' zak vol geld altijd wat afneemt
+en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was
+toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet
+meer naar 't paardenspel gaan, en niet meer naar 't bal, en niet
+meer in zoo'n mooie kamer wonen. Op 't laatst kwam hij in een klein
+zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet
+mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen,
+en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd,
+en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer
+en armer werd onze soldaat.
+
+Eens op een' avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje--want
+licht branden kostte ook geld--te denken en te denken. Wat was het
+toch treurig met hem afgeloopen--al zijn geld op! Ja, en 't was zijne
+eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd
+zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te
+doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij
+nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het
+doosje was leeg, en 't was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens--dat
+was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het
+goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het
+zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had
+hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde
+er al eentje--maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam
+er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen
+gezien had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En
+die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem:
+"Wat belieft, Mijnheer?"--"Wat mij belieft," riep de soldaat, ook
+niet dom, "wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft
+mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen." Weg was de
+hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en
+ja wel, hoor, een' zak met centen in den bek! Dien netjes voor den
+soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert--weg was de hond.
+
+De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij
+had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens
+hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee
+te gelijk. Dat was nog jammer. Neen--het was geen jammer, want--wie
+bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar
+met eene nog zwaarder stem: "Wat belieft, Mijnheer?" Niemand anders
+dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de
+soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de
+kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de
+guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel,
+heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond,
+die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat
+hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe
+dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen
+soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij
+weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en
+krijgen wat zijn hart begeerde, en--doen! wat zijn hart begeerde. Ja,
+_doen_ ook; dadelijk gaf hij van zijn' overvloed aan arme menschen;
+want goedhartig was hij.
+
+En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd
+de soldaat op 't laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist
+van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt
+was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet,
+en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: 't was eene tooverdoos en
+daarmee uit. Alles was immers tooverachtig--de honden met de groote
+oogen, die praten konden en--alles. Onze soldaat was nu voor goed
+rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou--'t
+leek wel, of de kisten ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker
+weer aan, net als de lucifers.
+
+Dus--kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk
+van den soldaat, en toen kwam er "een varkentje met een' snuit, en
+'t vertelseltje is uit"--denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog
+lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan 't geld,
+maar wel aan 't geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem
+te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar
+altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt,
+is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij
+niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er
+was geen oorlog. Pret maken--daar had hij ook niet altijd zin in. Nu
+zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé,
+dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig
+bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen
+doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad
+door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar
+achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch,
+dat niemand haar ooit mocht zien.
+
+Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij
+vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf--'t
+was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik
+moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje
+en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open,
+en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde,
+toen hij met zijne bromstem vroeg: "Wat belieft, Mijnheer?"--"Ik zou
+zoo _heel_ graag de prinses eens zien," zei de soldaat. "Zou je daar
+ook raad op weten?"--"'t Zal wel gaan, Mijnheer," bromde de hond,
+en weg was hij.--Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou
+er nu gebeuren?.....
+
+Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast
+niet gelooven .... 't was de hond en--niet alleen! Op zijn' rug lag
+de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn
+grooten kop. En--ze sliep!!--Had de hond haar slapende uit het bed
+getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat
+wist er niets van. Hij vroeg ook niet--hij keek maar naar de mooie
+prinses. Hoe lief lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze
+soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!
+
+Nu was hij tevreê--hij had de mooie prinses gezien. "Dank je wel,
+brave hond," fluisterde hij, "breng het lieve kind nu weer terug."--
+
+Weg was de hond--weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde
+van beiden.
+
+
+
+En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?
+
+Toen ze den volgenden morgen aan 't ontbijt zat met den koning en de
+koningin, zei ze: "Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde,
+dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een' soldaat,
+en die streelde mij over 't haar!"
+
+"Foei! wat een nare droom!" zei de koningin.
+
+"Een soldaat! ba!" riep de koning. "Droom toch niet van een'
+soldaat!" En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame
+op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of
+dat--neen, waar kon het toch niet wezen!
+
+En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te
+denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses--wat zou het
+gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij 't zelf recht goed
+wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd
+nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet--hij deed
+haar immers geen kwaad!
+
+Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond
+niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag
+met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even,
+dat ze het dier volgen moest--loop je niet, zoo heb je niet, om
+te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog
+net op tijd--in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen
+morgen. Maar--'t was zoo donker,--zou ze morgen 't zelfde huis nog weer
+kunnen vinden? Wacht,--ze had juist een stukje krijt in den zak--ze
+zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar
+huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat
+gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen
+al dadelijk gezien? Het kruis op de deur! En die, ook niet dom, maakte
+op al de deuren in de stad net zoo'n kruis. Nu kon de hofdame de deur
+van den soldaat niet vinden--op alle deuren was immers een kruis.
+
+Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen
+droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter--het was geen droom. Ze
+vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt
+een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de
+prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame,
+dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden
+voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. "Daar is het!" riep
+de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. "Neen, daar is
+het!" riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. "Maar
+daar is nog een kruis! en nog een!" riepen beiden, en nu begrepen ze,
+dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden--alle deuren hadden
+immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die
+kon ook nog wel wat anders doen, dan in een' wagen met vier paarden
+rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een
+zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de
+prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den
+hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in.
+
+En 's nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de
+soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.--Ja, als hij
+gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf
+altijd bij mij--ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat
+de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen
+zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En--de koning dan!
+
+Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij
+de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen--dat er een klein
+paadje van grutjes liep van 't paleis van den koning naar 't huis van
+den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en
+die liet den soldaat uit zijn huis halen en--in de gevangenis brengen!
+
+Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het
+daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar
+wel was het: "O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En
+weet je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene
+hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de
+menschen uit de heele stad om je uit te lachen,--dat heeft de koning
+zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen
+zullen roepen: 'Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en
+'t is maar een gewoon soldaat!'"
+
+Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.
+
+Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden,
+de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.
+
+Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de
+straat van wonder en geweld, 't Was, of de heele stad leegstroomde;
+alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen,
+om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij
+liep zich het vuur uit de schoenen--neen, uit de oude sloffen, die hem
+veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan,
+vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.
+
+"Zeg, jongen," riep de soldaat, "je behoeft zoo'n haast niet te
+maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar
+wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje
+verdienen." Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor
+den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk "ja."
+
+Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door
+de tralies, en de soldaat een kwartje en toen--geduld een beetje,
+dat komt later.
+
+Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de
+hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage,
+gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep
+soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet
+weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning
+en de koningin--die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de
+soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.
+
+Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en
+voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit,
+om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de
+soldaten zouden een' roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen
+opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. "Mijn
+zakdoek! mijn zakdoek!" riep de soldaat. "Zijn zakdoek! geef hem zijn'
+zakdoek!" riep het volk. En toen--waren op eens zijne handen los,
+om den zakdoek te kunnen krijgen en toen--rrrt! rrrt! rrrt! daar
+brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie
+groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven:
+"Wat belieft Mijnheer?"--"Helpt mij!" riep de soldaat, "grijpt den
+koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven,
+en ik heb haar zoo lief!"
+
+Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de
+koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje
+geslagen was, en ze riepen: "Wij willen wel! hij mag de prinses zien,
+hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!"--"Ja! ja!" riep het heele
+volk, "hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze
+koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor
+hem willen doen, moet hij wel goed zijn!"
+
+Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets
+te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie
+honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de
+jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen:
+"Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!" En de prinses kwam achter
+de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat
+stond haar wel aan.
+
+Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten
+nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar
+de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te
+lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat,
+die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.
+
+
+
+
+APRIL!
+
+
+Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te
+begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat
+groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen
+keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo
+heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat
+een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem
+vertelt, dat zoo'n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de
+mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo'n jongen heb
+ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een
+knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er
+zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.
+
+O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem
+kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als
+ik wou--ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met
+hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar
+tevreden zijn, hoor!
+
+Nu dan, ons vriendje--Hans heette hij--stond op een goeien morgen
+in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig
+juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de
+beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk
+nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het
+pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw,
+en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed:
+van fijn stroo; niet met zoo'n kinderachtig laag bolletje, maar flink
+hoog; niet met zoo'n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden
+band--daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.
+
+Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! "Hm, hm,
+ik mag me laten zien," zei hij hardop, en toen--nam hij voor zijn
+eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.
+
+"Hm, hm," klonk daar op eens Moeders stem achter hem, "dat ventje
+heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. 't
+Duurt nog wel anderhalf uur, eer 't rijtuig voorkomt. En als je
+nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al
+'t mooi van je nieuwe kleeren afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon,
+'k zou nu maar eene poos naar buiten gaan."
+
+Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin
+in. "Hoor eens, Hans;" riep zijne moeder hem nog uit het venster na,
+"ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet
+ik wel, hoe 't gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En
+als 't rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan--flip, flap, gaat
+de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!"
+
+Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen
+zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij
+zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn'
+tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens--hij
+dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. 't Was anders zoo aardig
+een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en
+wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken,
+naar 't schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van
+'t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer,
+dat er een "maar" bij was, een leelijk "maar." Je moet weten: Baas
+Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij
+mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat
+wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral--als je Hans
+heette.--Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was,
+weet ik niet. 'k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al
+gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had,
+nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl
+weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken
+en--dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.
+
+Maar nu, neen _nu_ ging hij eens _niet_. Moeder had gelijk; hij
+moest liever bij huis blijven. 't Was in den tuin ook mooi. Hans
+keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar
+de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die
+in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden,
+naar de kikkers, die door 't gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles;
+maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken
+niet naar hem. Niemand was er, die naar hem keek. En--zoo mooi als
+hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene
+bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel
+om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van 't dorp, die gaven daar
+meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij
+het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En
+baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer
+met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas
+Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf
+uur, 't was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo
+vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren
+aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen,
+tot de tijd om was. Maar--'t wou vandaag toch niet recht vlotten met
+lezen: Hans had te veel andere dingen in 't hoofd. Zijne gedachten en
+zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor
+op 't kiezelpad! 't Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt
+bij de tor. "Wat loop je vlug," dacht Hans. "Wacht eens even, dat
+ik je beter bekijken kan!"--Maar het diertje was hem te gauw af,
+'t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar
+viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met
+een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten,
+handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.
+
+Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar
+de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo'n boerenjongen
+om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. "Maar waar
+zou--wacht, 'k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!" dacht Hans
+trotsch.
+
+Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste
+één, die hem bewonderde.--Kom, hij zou maar eens naar den jongen
+toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij
+misschien ook eens _hooren_, dat hij mooi gevonden werd. De jongen
+behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.
+
+Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de
+heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al
+dichter en dichter in de buurt van 't hek. Maar--toen hij er eindelijk
+vlak bij stond, waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien:
+de heele jongen was op eens verdwenen!
+
+Hans keek eerst op zijn' neus. Toen--deed hij het tuinhek open en
+ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen
+gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. "Zeker bang
+voor me geworden," dacht Hans, "wie weet, of hij me niet voor een'
+heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo'n boerenjongen ook! Kom,
+ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van
+'t dorp is het, geloof ik niet."
+
+Hans liep den weg verder op. "Tot aan de eerste bocht," zei hij,
+"en dan keer ik om."--Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was
+heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans
+wel iets anders. En dat was--de werkplaats van Baas Martens!
+
+Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een
+vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam
+los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven
+de spaanders in 't rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het
+niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden
+behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen
+zeggen--even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was
+en ook--zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen
+hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd
+met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!
+
+Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam
+voor Baas Martens in 't voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de
+bijl in 't hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd
+een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig
+knipoogje: "Ben je 't of ben je 't niet, jongeheer? Lang niet kwaad,
+dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?"
+
+Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch
+zei hij zoo onverschillig mogelijk: "Och ja, 't is omdat we straks
+uit rijden gaan, weet je."--"Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien
+nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?" vroeg de
+baas. "Hoe zoo?" zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met
+een bedenkelijk gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer
+naar de lucht. "Hoe zoo?" vroeg Hans weer. "Nu, ieder moet weten,
+wat hij doet," zei de baas eindelijk, "maar ik weet wel: _ik_ ging
+niet uit rijden met zulk weer." "Met zulk weer!" lachte Hans, "neen
+maar, er is geen wolkje aan de lucht. 't Is het prachtigste weer
+van de wereld."--"O zoo," zei de baas, "weet jij 't beter dan ik,
+die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen
+hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden."
+
+Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem,
+die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: "Maar Baas, hoe weet je toch,
+dat het weer veranderen zal?" De baas wees naar 't haantje van den
+dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. "Kijk maar, de wind
+is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden,
+over een paar uur regent het er frischjes op los!"
+
+Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon
+te hakken, alsof er niets gebeurd was.
+
+De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij
+naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: "Praatjes
+van dien regen!" Keek hij naar 't ernstige gezicht van den baas,
+dan dacht hij: "'t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle
+pret ging bederven!"
+
+De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig
+door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas
+nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op 't laatst
+nader dan 't lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans
+nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei
+zoo bij zijn neus langs: "Er is wel een middeltje om te maken,
+dat er geen regen komt."--Het heele gezicht van Hans klaarde
+op. "Wat dan?" riep hij vroolijk. "Wel," zei de baas heel leuk,
+"we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek
+gaat waaien, dan is alles in orde."--"Ja, ja," riep Hans, "als dat
+kon!"--"O, dat kan wel," zei de baas, "er is een touw, waarmee je
+den wind kunt laten draaien. Maar"--en hij lei bedenkelijk zijn'
+wijsvinger tegen den neus--"waar zit dat ding op 't oogenblik! Als we
+dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen,
+de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw
+eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal 't hem vragen."
+
+Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar 't huis van
+den buurman. "Hei, Jansen," riep de baas, "waar zit je?" Dadelijk
+kwam Jansen voor 't open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder
+dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij
+gauw een knipoogje. Toen zei hij: "Treft het niet ongelukkig, Jansen,
+hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de
+wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw,
+om den wind te laten draaien, wezen kan?"--"Het touw, om den wind
+te doen draaien?" vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich
+ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens,
+"ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer."
+
+Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den
+drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn'
+bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het
+boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: "Ha, nu ben
+ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. 'k
+Herinner 't me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn' tuin
+gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft
+hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid."
+
+"Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit," zei Baas Marlens,
+"de jongeheer heeft haast, hij zal geen' tijd hebben, om er nog even
+heen te loopen." Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te
+zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat
+hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee--driemaal
+vloog hem onderweg de nieuwe hoed van 't hoofd. Zijn mooie pak, zijne
+glimmende schoenen, alles kwam dik onder 't stof. Maar dat kon hem nu
+weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: het _mocht_ en het _zou_
+niet regenen. De wind _moest_ draaien.
+
+Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den
+winkel van Teunissen binnen.
+
+"Teunissen ...." hijgde Hans, "is hier ook ...."--"Drop
+te koop?" maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. "O ja,
+jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout
+zijn?"--Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar
+hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. "Wàt moet
+je hebben?!" riep hij. "Wel, het touw, om den wind te doen draaien,"
+zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. "Ze zeiden toch, dat het
+hier moest zijn."--Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen
+was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en
+deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans
+niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van--als je
+zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.
+
+"Nu?" vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen
+antwoord gegeven had, "kan ik het touw krijgen?"--"Wacht eens,
+jongeheer," zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, "ik zal mijne
+vrouw even gaan vragen."
+
+Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef
+alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te
+luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat
+praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het
+touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden
+wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo'n treurig benauwd
+gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met
+hem kregen.
+
+Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei "neen". Daarop zei de man
+"ja". Toen zei de vrouw weer: "Zijn vader zal boos worden;" waarop
+de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. "O, die nare vrouw
+Teunissen," dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem
+nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu--_zij_ zou
+nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!
+
+Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer
+te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel
+binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte,
+maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van
+hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch
+te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens
+merkte, wat zijne vrouw achter zijn' rug deed! Waarom zeiden ze niet
+gewoon weg "neen" of "ja"! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar
+hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo'n mooien hoed op had
+en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze
+hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in
+de hand? Wat moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw
+geven.--Maar Teunissen zei: "'t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne
+vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig
+vergist: het touw is op 't oogenblik bij Pietersen, _die_ wou graag
+regen hebben op zijne erwtjes."
+
+Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te
+treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen;
+want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind
+van Teunissen af.
+
+Pietersen zat buiten op eene bank in 't zonnetje en bekeek op zijn
+gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem in 't gras te
+slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij
+de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen. Pietersen liet van
+schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat
+hooren en zien je verging. Pas toen de hond een beetje bedaard was,
+kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als
+een dolleman den tuin in kwam vliegen. "Och, Pietersen," zei Hans,
+nog buiten adem, "ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind
+mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen,
+zegt Baas Martens, en--ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen
+gestuurd om het touw."
+
+Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing
+aan: hij begreep er niets van. "Hans, mijn jongen, zeg het nog eens
+weer. Je wilt van me hebben ...." En toen nu Hans heel onschuldig
+nog eens 't zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren
+van 't lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te
+worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen
+liepen, en hij riep maar aanhoudend: "Neen maar, Hansje, wat heb je
+daar eene prachtige grap bedacht, zoo'n mooie heb ik van mijn leven nog
+niet gehoord. Het touw, om ...." En dan barstte hij opnieuw in lachen
+uit. Hans werd er verlegen onder. "'t Is geene grap," bromde hij half
+boos en toch met tranen in de oogen, "heelemaal niet. Toe, Pietersen,
+geef me als 't je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen."
+
+Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in 't gezicht. Wezenlijk--de
+jongen meende 't! "Wou je 't dan heusch zoo heel graag hebben?"--"Nu
+òf ik," zei Hans, "'k heb er al een uur om geloopen."--"Och, zeg dat
+nog eens," vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. "Ik
+heb er al een uur om geloopen," herhaalde Hans heel geduldig.
+
+"Een uur lang, jongen, dat is een slim ding," zei Pietersen leuk, "want
+nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een
+feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters
+gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo'n feest moet het
+mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar
+rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen
+kunt, dan haal je ze misschien nog in."
+
+In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de
+paarden achterna. Hans werd vuurrood in 't gezicht van 't harde loopen
+en van 't roepen: "Hei daar, ho, veldwachters!" Maar je begrijpt,
+al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! Hans kwam niets dichter bij
+de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het
+nog niet op. Och, och, dat touw, hij moest het hebben!
+
+Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij
+den arm vatte en tegenhield, 't Was vrouw Teunissen, de vrouw van den
+kruidenier, je weet wel. "Laat me los, het touw, het touw," riep Hans,
+en hij deed al zijn best, om vrij te komen. Maar vrouw Teunissen hield
+hem stevig vast. "Luister eens even naar me, mijn jongen," zei ze
+goedig. "Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April
+is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen,
+dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad,
+Martens en de anderen. Zoo'n touw is er heelemaal niet. Straks in
+den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je
+begreep me niet."
+
+Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor
+niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe
+geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen
+en--op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. 't Was
+verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid
+gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen
+uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad
+en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was):
+"Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. 't Kan den beste overkomen, dat hij
+eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!"
+
+Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.--Wat zouden ze
+thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich!
+
+Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij
+huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag dadelijk,
+dat ze niet veel goeds in den zin hadden--hij wou nog moeite doen, om
+te ontsnappen. Maar dat was mis--de jongens hadden door Baas Martens
+van 't geval gehoord, en nu vonden ze 't natuurlijk veel te mooi,
+om Hans niet eens duchtig te plagen. In een oogenblik stonden ze
+dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: "Heb je het touwtje
+al in je zak?" of "Ben je ook moe van het trekken?" of "Waren de
+erwtjes al opgekomen?" en al zulke plagerijen meer. En telkens,
+als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep
+het uit van lachen, 't Was niet om uit te houden voor den armen
+Hans. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo
+door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op:
+van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat
+gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen
+één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was
+gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar
+Hans zoo trotsch op was, werd hem op 't hoofd platgedeukt! En wie
+weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen
+aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....
+
+Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed
+bedorven en--met een' neus, wel tweemaal zoo dik als anders en
+vuurrood. "Maar jongen," riep zijne moeder verschrikt, "wat is er
+in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!"--"Verdiende loon,"
+zei de vader streng, "waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te
+zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen,
+terwijl wij weg zijn. Met een' jongen, die er zoo uitziet, kunnen we
+ons toch niet voor de menschen vertoonen."
+
+"Terwijl wij weg zijn," had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden
+uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst
+van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden
+neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje
+voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele
+poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip,
+flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had,
+voort vlogen de paarden en--Hans was alleen met zijn verdriet.
+
+Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe
+hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar
+bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor
+'t venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te
+plagen.--In lezen had hij geen' lust, in spelen nog minder: hij was
+veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn.
+
+Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde
+ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer draafde hij over
+den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens
+voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn' arm, om
+hem tegen te houden. Maar 't was niet de hand van vrouw Teunissen--het
+was--het was de hand van zijne eigen lieve moeder! En--hij liep ook
+niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en
+zijne moeder zat op een' stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.
+
+"O, Moeder, ik heb zoo'n verdriet," zuchtte Hans en hij liet zijn
+hoofd op Moeders schouder vallen. "Dat geloof ik graag, mijn jongen,"
+zei Moeder, "maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is."
+
+Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij
+zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op
+Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was
+'t eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo'n touw bestond. En
+toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel
+eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou ....
+
+Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand
+op zijn' mond en zei: "Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog
+heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens
+nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen
+het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen,
+dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven,
+wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet,
+dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je
+vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een
+beetje wijzer door geworden bent.--Als iemand nu in 't vervolg iets
+vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar
+dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf:
+'Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?' Mij
+dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is
+'t wel?"
+
+"O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven," riep
+Hans. "Ho, ho, jongenlief, zoo is 't ook weer niet gemeend," zei
+Moeder lachend. "Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is
+veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter
+na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je
+gelooven kunt en wat niet.--Maar kom, jongen, 't is nu geen tijd,
+om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en
+dan--slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook
+weer in 't fatsoen kunnen brengen. En later--gaan we samen, met ons
+drietjes, ook nog eens--rijden!"--"O, Moeder, wat ben je toch lief,"
+riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, "wat ben je toch lief!"
+
+Dat was de geschiedenis. En 'k wil er nog bijvertellen, dat Hans van
+dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder
+geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had,
+hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen:
+"'k Heb aan' jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger:
+toen kon ik hem alles wijs maken en nu--is 't heelemaal uit met de
+grapjes." Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik--Hans
+was daar niet minder om.
+
+
+
+
+TEN OOSTEN VAN DE ZON EN TEN NOORDEN VAN DE AARDE.
+
+
+Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner
+gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele
+wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg
+aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een'
+zomermorgen ontdekte hij tot zijn' schrik, dat eene prachtige weide
+heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag
+moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven
+kon hebben. 't Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen
+getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist,
+hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.
+
+Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het
+gras was nog veel platter. "Weet je wat, Hans," zei de boer tot zijn
+oudsten zoon, "jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de
+weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo
+bederft." Nu--den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten,
+leek Hans geen pretje; maar--Vader had gelijk: ze moesten er meer
+van weten en dus zei Hans: "Dat is goed, Vader."
+
+Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets,
+want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en
+vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond,
+werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer
+een ander deel van de weide plat getreden was.
+
+Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te
+brengen. "Jongen, jongen," zei Vader, "wat spijt mij dat! Kon je voor
+mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?"
+
+"Och, Vader," riep de tweede zoon, "laat mij vannacht maar eens gaan,
+Hans is zoo'n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit
+mijne oogen kijken."--"Dat hoop ik," zei de Vader. Maar Bob had goed
+praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en--weer was er
+den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.
+
+"'t Is toch verschrikkelijk!" zuchtte de Vader; "ik zal zelf dezen
+nacht maar eens op wacht gaan."--"Neen," riep Paul, de jongste zoon,
+"daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag 's nachts in de
+weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan."--"Och,
+jongen," zei de vader; "wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig,
+je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een' nacht wakker
+kunnen blijven!"--"Ik kan 't immers gemakkelijk probeeren, Vader,"
+zei Paul. "Nu, ga je gang, jongen," zei de Vader.
+
+En Paul ging zijn' gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op
+wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen
+wijd open. Maar--niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze
+Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang
+op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm
+vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie
+duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul
+stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij
+niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en
+er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide
+stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul
+zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor
+zijne oogen--zulk dansen had hij nog nooit gezien. 't Was of ze
+met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar
+toch--de grashalmen bogen om--en nu wist Paul, hoe het gras in de
+weide plat werd.
+
+Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij:
+"Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien," en zonder
+dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was
+Paul naar de veeren pakjes geslopen. "Wacht," dacht hij, "daar moet
+ik eens eene grap van zien," en stil nam hij de veeren pakjes mee en
+ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.
+
+Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot
+rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren
+pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een' schrik en een zoeken en een
+onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden
+mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. "O, jonge man," riepen
+de meisjes, "heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze
+dan, als je blieft terug!"--"Ja," zei Paul, "die heb ik genomen, maar
+ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten
+eerste: op geen van de weiden van mijn' vader mag ooit weer gedanst
+worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan
+komt." Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de
+eene: "Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij
+wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van
+de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden."
+
+"Zoo," sprak Paul. "Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik
+later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat je me nu trouw
+belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed
+en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met niemand anders en U moet
+dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook." Bij die woorden werd
+de koningsdochter bleek van schrik, maar wat zou ze doen? Daar kwam
+de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen,
+anders .... Ze beloofde alles. Paul gaf de veeren pakjes terug,
+en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in.
+
+Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar
+huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met vragen; maar
+Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: "Ik heb natuurlijk
+geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, dat de weide in 't
+vervolg nooit weer plat getreden zal worden." Toen lachten de broers
+hem uit en deden net, of zij niet geslapen hadden. En de een voor
+den ander riep: "En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu--we
+zullen eens zien, of de droom ook uitkomt."--De vader lachte niet;
+de vader zuchtte: "We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn
+bedrog." Maar--de droom kwam uit, en de broers lachten en de vader
+zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de
+weide vergeten.
+
+Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel
+te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, waarop de
+bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn' vader en verzocht hem een
+bruiloftsmaal klaar te laten maken en de gasten te verzoeken: "want
+ik ga trouwen," zei Paul. "Trouwen, jongen, maar met wie dan?" riep
+de vader. "Ik heb je nog nooit met een meisje gezien!"--"Ik ga toch
+trouwen, Vader," zei Paul, "reken daar vast op. Maak maar alles klaar
+voor de bruiloft en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid." De
+vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had.
+
+Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms
+en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke gezichten
+aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was--de bruid. "Geen nood,"
+zei Paul, "ze komt wel," en hij keek zoo vroolijk uit zijne oogen,
+alsof de bruid goed en wel naast hem zat.
+
+'t Werd avond, 't werd laat in den avond--geene bruid. De gasten
+keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul werd
+vroolijker en vroolijker. Daar op eens, 't was twaalf uur in den
+nacht, 't was middernacht, kwam er in vliegende vaart een wagen
+aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een' voerman
+vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen--Paul de voordeur
+uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken,
+en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter in bruiloftskleed,
+en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd
+door de twee hofdames. De vader en de broers en de gasten stonden
+met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was
+in den nacht, toen hij de wacht hield op de weide, en toen kwam
+er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep:
+"Neen, maar wie zou dat nu ooit van dien Paul gedacht hebben!" En
+den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd,
+hoe stiller de mooie bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze:
+"Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je
+vrouw, maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen,
+als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen zeggen,
+maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer
+duif worden. Mijn vader was vroeger koning over een land, hier heel ver
+vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus
+kwam en doodde hem in zijn eigen paleis, en nu word ik in het paleis
+van mijn' vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur
+vóór middernacht tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet
+nu vertrekken." Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: "O, neen,
+je bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!" Maar de prinses zei:
+"Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven."
+
+Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten
+stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid in het
+prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger,
+en de hofdames gaven Paul ieder een gouden appel, en voort rolde de
+wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil
+weggegaan. Die hadden ook al geen lust meer in feestvieren.
+
+Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had
+hij plezier--altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem
+toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij 't
+niet langer uithouden van verlangen. "Vader," zei hij, "ik moet haar
+zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten
+oosten van de zon en ten noorden van de aarde gevonden heb."
+
+"Beste jongen," zei de vader, "ga je gang; maar ik vrees, dat je
+teleurgesteld terug zult komen."--"We willen het beste hopen," zei
+Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok.
+
+Dat was reizen. 't Ging maar als in het liedje:
+
+
+ "'k Moet dwalen, 'k moet dwalen
+ Langs bergen en langs dalen ..."
+
+
+En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van
+de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist hem er iets
+van te zeggen.
+
+Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde
+hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er wel tien
+menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er
+maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden en elkaar te pakken
+hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het.
+
+Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier
+bang. "Wat nu, jongens" riep hij, "wat is er te doen, waar krib
+jullie om?"--"Och," riep de eene reus, "onze vader is gestorven,
+en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn
+hier zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar
+dat wil Kwak niet."--"Neen," riep de andere reus, "wat heb je aan één
+laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik
+niet!"--"Neen," zei weer de eerste reus, "want het zijn tooverlaarzen;
+je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden."--"Nu," zei de andere,
+"als _hij_ er dan mee loopt, dan word _ik_ wèl moe en dan kan ik hem
+niet bijhouden."--"'k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen
+hadden," riepen beide reuzen, "want vroeger hebben we nooit ruzie
+gehad, en nu kribben we om die laarzen."--"Ik weet goeien raad,"
+zei Paul, "geef mij de laarzen, dan krijg je ze geen van beiden en
+behoef je er ook niet meer om te twisten." "Dat is waar ook," zeiden
+de reuzen, en zoo kreeg Paul de laarzen.
+
+Of Paul in zijn' schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart
+uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam hij nu
+vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar
+kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar hoorde hij weer
+zoo'n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een'
+mantel. En toen Paul er bij kwam, was het: "Och, jonge man, raad
+ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen
+we al zijn goed deelen. Dus moeten we toch ieder een halven mantel
+hebben.--"Gekheid," riep de andere reus, "wat heb je aan een halven
+mantel. Ik zeg: geef mij den heelen mantel."--"Dat doe ik niet," riep
+de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als
+jij je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil
+je zien, Flikje, want ik hou' zooveel van je, en ik kan niet alleen
+wezen."--"En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je
+altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld niet uithouden,"
+riep de andere reus. "Weet je wat, jongens," riep Paul, "geef mij den
+mantel, dan kun je elkaar altijd zien, en je behoeft dan ook geene
+ruzie meer te maken."--Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen,
+en met een verlicht hart gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in
+zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om,
+die hem onzichtbaar maakte en wandelde weer verder.
+
+En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee
+reuzen aan 't vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan ze ieder de
+helft moesten hebben. "We weten niet, hoe het moet," riepen de reuzen,
+"want het is een tooverzwaard; als je met de punt iemand aanraakt,
+sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken."--"O,"
+riep de eene reus, "krijgt Snip de helft met de punt, dan maakt hij
+menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis."--"En," klaagde de
+andere, "krijgt Snap het handvat, dan heeft hij geene doode menschen,
+om weer levend te maken."--"Weet je wat, jongens," zei Paul, "geef
+mij het zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het
+hebben zal."--"Hé ja," zeiden de reuzen, "dat is een goeie raad." En
+Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den
+mantel over de schouders. "Ziezoo," dacht hij, "als ik nu niet voor
+eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet."--"Goeiendag!" En
+toen was het: "zoo zie je me, en zoo zie je me niet," want Paul was op
+eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een oogenblik konden
+die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers
+met echte reuzenschreden voorwaarts in zijne reuzenlaarzen.
+
+Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen
+hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst op een
+paleis. 't Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld,
+en in dat hutje woonde een oud, och zoo'n oud vrouwtje. Ze leek wel
+zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam
+zijne pet af en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Dag, Grootmoedertje,
+hoe is het met U?"
+
+"Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het oude
+vrouwtje. "Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik heb ze ook
+weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij
+zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar,"
+zei Paul. "Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één' nacht in Uw hutje
+mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, om het paleis te zoeken,
+dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U
+den weg daarheen ook, lief Moedertje?"--"Neen," zei het oude vrouwtje,
+"ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen,
+misschien kan een van mijne onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld
+tot morgen en leg je eerst te rusten." Paul dankte het goede vrouwtje
+en ging slapen op een bed van eikeblaren.
+
+Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde
+de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten de
+onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren,
+vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: "Wat bevoelt
+Uwe Majesteit?"--"Is er onder jullie" vroeg de koningin, "die langs
+zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het
+paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?" Toen kwam
+er een hevig gebrom, 't was of al de dieren elkaar om raad vroegen;
+maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van
+hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde
+gezien had. Toen zei het vrouwtje: "Jonge man, dan kan ik je ook niet
+helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is
+over al de dieren in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen." Paul
+dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder.
+
+Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een' avond door een
+reusachtig bosch, en aan 't eind van dat bosch was eene zee, en aan
+het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte
+aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo oud, zoo oud! "Die
+is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, "als eene gewone grootmoeder
+weken oud is."--"Dag, oud Moedertje," zei Paul, "hoe is het met U? Ik
+moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over
+al de dieren, die op de aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij
+voor één' nacht te herbergen."
+
+"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig
+eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven;
+maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij
+zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar,"
+zei Paul, "en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten
+van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij den weg
+daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd
+te vergeefs."--"Neen, ik zelf niet," zei het oude vrouwtje, "maar
+misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren,
+die de zee bewonen. Misschien is er onder hen een, die je terecht kan
+wijzen." Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op
+een bed van eikeblaren te rusten.
+
+Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen
+kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water bruiste
+en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen:
+alle vroegen, wat de koningin beliefde. "Is er iemand onder jullie,"
+vroeg de koningin, "die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten
+van de zon en ten noorden van de aarde ligt?"--Toen volgde er een
+overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit
+van dat paleis had gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: "Je ziet, dat
+ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is
+over al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor
+je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. Is je
+dat niet te ver?"--"O, neen," riep Paul, "niets is me te ver, als ik
+maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden
+raad en stap nu maar dadelijk verder."--"Goede reis!" riep het oude,
+oude vrouwtje, "en hou' maar moed!"
+
+Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed
+verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: "wie
+volhoudt, moet winnen!" En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam
+weer op een' avond in een reusachtig bosch, in een bosch zonder einde.
+
+"Nu zal ik er zijn," dacht hij, "maar waar moet ik nu wezen?" Daar zag
+hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op af en ja--daar
+stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat
+hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen--de andere oude vrouwtjes
+zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker
+wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder dagen oud is.
+
+"Dag, oud, oud, oud, Moedertje," zei Paul. "Hoe is het toch wel
+met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters,
+de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen."
+
+"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het
+oude vrouwtje. "Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien opgroeien,
+en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog
+nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk toesprak."
+
+"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul. "Ik zoek het paleis,
+dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt,
+het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen,
+lief Moedertje?"--"Ik? neen!" schudde het oude vrouwtje, "maar
+ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver
+en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen je
+helpen."--"Dat hoop ik van harte," zei Paul. "Maar mag ik hier één'
+nacht uitrusten?"--"Zeker," zei het oude vrouwtje. Weer legde Paul
+zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker
+door het luiden van eene groote klok.
+
+In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een
+gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. Daar waren de
+onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars--te
+veel om te noemen en alle vroegen: "Wat beveelt Uwe Majesteit?"--"Ik
+heb jullie hier geroepen," zei de koningin, "om te vragen, of een
+van jullie ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon
+en ten noorden van de aarde ligt?" De vogels bedachten zich eene
+heele poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het
+paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het oude
+vrouwtje boos. "Wat!" riep ze; "jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt,
+weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? Maar--ben jullie er
+wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!" Neen, de vogel Phoenix
+was den vorigen avond niet thuis gekomen en nog niet terug. "Maar,
+dat is ongehoorzaam," riep de koningin boos. "Daar komt hij! daar is
+hij!" riepen op eens alle vogels. En ja--daar kwam de vogel Phoenix
+aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer
+bewegen kon en plotseling als op de aarde neerviel. Alle vogels waren
+blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos:
+"Waarom heb je iets tegen mijn verbod gedaan?" De arme vogel had eerst
+eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: "O, Koningin, wees niet
+boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver,
+heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, dat ten oosten
+van de zon en ten noorden van de aarde ligt."--"Zoo," zei de koningin,
+"nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid nog éénmaal de reis
+daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef
+ik je den tijd om uit te rusten en dan voorwaarts."
+
+Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul
+zette zich op zijn' rug. Hij dankte en groette het oude vrouwtje, en
+daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de
+blauwe zee en de groene bosschen, verder en altijd verder. Eindelijk
+vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie,
+dunkt mij, eene blauwe wolk heel onder aan den hemel."--"Dat is het
+land, waar we naar toe moeten," zei de vogel. En weer ging het verder,
+altijd verder.
+
+'t Werd avond. Weer vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja,"
+zei Paul, "ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als
+de zon zelve." De vogel zei: "Dat is het paleis, waar we naar toe
+moeten." Weer verder, altijd verder.
+
+Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: "Zie je
+niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie een groot paleis, dat glanst
+van goud en zilver."--"Nu zijn we er!" riep de vogel, en hij zweefde
+naar beneden en liet Paul van zijn' rug stappen. Paul wist niet,
+hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet lang op
+dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls
+oogen verdwenen.
+
+'t Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars
+in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis woonde,
+waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De
+toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul aan de groote voordeur
+klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. "Ga toch eens kijken,"
+zei ze tegen eene van de hofdames, "wie daar zoo laat nog klopt." Toen
+nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul
+vlug een' van de gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar
+gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot
+vallen en vloog naar de prinses. "O," riep ze, "die allerbeste vriend
+is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen gerold,
+dien ik hem vroeger heb gegeven." De prinses kon niet gelooven,
+dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar de deur om te
+kijken. Weer rolde Paul een' gouden appel door de kier van de deur;
+'t was de appel voor de tweede hofdame. De hofdame herkende haar
+eigen appel en vloog er mee naar de prinses. "O," riep ze "daar is
+die allerbeste vriend, zie, daar is de appel, dien ik hem vroeger heb
+gegeven." Nog kon de prinses het niet gelooven. "Hoe zou die ooit hier
+kunnen komen!" riep ze. "Wacht, ik ga zelve kijken." Voorzichtig deed
+ze de deur op eene kier en vroeg: "Wie is daar?" Toen reikte Paul
+haar den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest
+de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug
+deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal,
+dat hij zoo'n verre reis gedaan had, om bij haar te komen.
+
+"Maar hoe nu verder," zuchtte de prinses. "Als de reus, die zoo'n booze
+toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den morgen wordt hij
+wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars,
+die hem helpen; daar kun je niet tegen vechten."--"Laat mij maar
+begaan," riep Paul, "ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!" De
+prinses schreide; ze was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen.
+
+Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan
+met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte,
+om. Hij riep met krachtige stem: "Waar is de reus, die de lieve prinses
+gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!" De
+reus hoorde de stem en stormde woedend naar buiten. Hij zag niets;
+maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie
+het hoofd af. En Paul riep maar weer: "Waar is het leger, dat de reus
+wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen,
+zou ik bang wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!"
+
+Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden
+kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. Paul sloeg
+niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem
+voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. Toen naar de
+prinses. "Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk
+vrij?" riep de prinses! "O, Paul, wat heb ik je nu lief! O, wat ben
+ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of--of het moest wezen,
+dat ik mijne lieve ouders en mijne geheele lieve familie terug kon
+krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn."--"Waar
+zijn ze begraven?" riep Paul. "Kom, ik wil zien, wat ik met mijn
+tooverzwaard kan doen."
+
+Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al
+de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan en--de
+eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde,
+die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat Paul nu koning
+moest worden. "Ja," riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op
+hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, dat spreekt, en ze kreeg
+ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den
+troon en allen riepen: "hoera!" En de drie oude vrouwtjes werden op den
+rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten
+noorden van de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren.
+
+En nu mag jullie zeggen: "Die Paul!" En dan zeg ik: ja, van "die Paul"
+kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke woorden
+wel zoo ver komt in de wereld--wel zoo ver als het paleis ligt ten
+oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar zonder goeien
+wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun
+je vast op rekenen.
+
+
+
+
+JUIST GOED!
+
+
+Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was
+heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij rijk als
+de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren
+vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden en akkers, met
+hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig
+geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met het huis, de schuren en
+stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was
+de bliksem geslagen in het huis van den arme: het huis was toen tot
+den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een' stal er bij. Het
+had den arme veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee
+had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke
+was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk,
+de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het vet. Maar bij
+den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste
+paarden, de mooiste koeien en schapen, de vetste varkens. En de arme
+had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen
+werden leeger en leeger.
+
+Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte,
+dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van oogsten
+kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens
+thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat door hagel of
+zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En
+de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, omdat ze elk jaar weer
+minder te bergen hadden.
+
+Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde
+er van.--Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam er juist even te
+voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen,
+het ging broeien en zuur smaken. Het vee lustte zulk hooi niet,
+het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen.
+
+Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker:
+alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer:
+alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier,
+hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe weiden
+en meer vee en meer akkers, hij nam meer knechten en meiden in zijn'
+dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren
+en stallen oud en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk
+voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij
+moest zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij
+ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van den
+morgen tot den avond--het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit
+en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, wat hij nog had,
+verkoopen. 't Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg
+voor alles maar weinig geld, heel weinig. En voor dat weinigje kocht
+hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne
+koe met één schaap. Hij hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen
+leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme
+zou nog armer worden .... De koe en het schaap werden ziek en--ze
+stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond,
+waar bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen
+moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest was,
+uit werken gaan, om zijn brood te verdienen.
+
+De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken,
+om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan geld en goed;
+maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe
+ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid en hoorde zijne
+klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even
+ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, waar zijne geldkist
+vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de
+arme had weinig te geven, en toch gaf hij nog van zijne armoede aan
+anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld
+en goed; maar rijk aan liefde en medelijden.
+
+Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn' rijkdom niet. De
+rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, dat
+het zijn' broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte
+de rijke.--Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, was nooit
+afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd,
+verheugde de arme zich in 't geluk van den rijke.
+
+Nu hoor, wat er gebeurde.--Het stukje grond, dat de arme bij zijn
+huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of
+heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De arme zaaide
+altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte,
+om den grond los te maken; maar 't hielp alles niets. 't Was, om er
+heelemaal den moed bij te verliezen.
+
+"Eéns wil ik het nog probeeren," zuchtte de arme, "en als het nu niet
+lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven liggen." Wat
+zou het zijn voor 't laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij,
+'t moest maar koolrapen zijn. Als die eens opkwamen, daar was nog
+eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging,
+of hij er ook nog niet van verkoopen kon!
+
+Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen,
+of het opkomen zou.
+
+En het _kwam_ op. Maar hoe! Och, 't was dezelfde treurige geschiedenis
+van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes
+uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: "kon je ons in geen
+beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?" Treurig
+schudde de arme het hoofd. "Er komt niets van terecht," zuchtte hij.
+
+Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker
+gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover was,
+dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er
+niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale plantjes zag,
+werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder,
+dat er gebeurde op zijn' akker.
+
+Eens op een' morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had
+behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen op den akker. De
+spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet
+moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne verwonderde oogen? Ze zagen
+midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig
+spreidde ze hare dikke, sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme
+stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets
+kon groeien op _zijn'_ grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar
+van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de
+bladeren en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het
+wel eene koolraap, die hij zelf gezaaid had? Ja, 't moest toch zoo
+zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen
+groeiden; alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. "En," dacht
+de arme met vreugde, "als de bladeren en stengels zoo forsch zijn,
+wat zal er dan eerst voor een' wortel aan zitten!" Ja, hoe groot zou
+toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen was? 't
+Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben,
+uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar neen, dat deed hij niet:
+de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel
+moest nòg dikker worden. Rustig zou hij haar laten groeien, tot ze
+niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde
+te nemen. Maar kijken naar zijn' schat, dat mocht, en dat deed de
+arme dan ook trouw, 's Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog
+op de bladeren van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag
+er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de
+zon hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw,
+onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, tot
+de oogen hem dichtvielen. 's Avonds, als hij moe van 't werk kwam,
+zette hij een' stoel op den akker en rookte er zijn pijpje.
+
+En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag _zag_
+groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze
+op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. De
+plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte,
+hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde zijn gezicht
+van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den
+grond ook doorgroeide en dien hij nooit zag, dan klopte hem het hart
+van hoop en verlangen.
+
+Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch
+wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als ze was. Wel zag
+hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep
+hij, dat ze niet leven konden, omdat die ééne krachtige, hongerige
+alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar
+dat kon lang niet genoeg zijn. Neen, hoe grooter de plant werd,
+hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze _moest_ hem
+geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het:
+het gezicht van den arme fleurde met den dag op. Zoo mismoedig als
+hij vroeger het hoofd had laten hangen, zoo moedig droeg hij het nu
+omhoog. "Wat zou er toch gebeurd zijn?" dachten de menschen. Niemand
+wist het, en niemand mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge
+struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij
+er ook met niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem
+worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en
+dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen.
+
+Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou
+worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade bekeken. En hij
+had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast
+aangedraaid. Toen was hij gaan slapen en had gedroomd, dat er maar
+een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene
+vuist. Verschrikt was hij wakker geworden. Gelukkig--'t was maar
+een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef
+en groef, tot hem het zweet van 't gezicht druppelde. Niet dat het
+werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller
+en sneller ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven,
+dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang,
+dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar
+altijd niet aan 't einde. Op 't laatst was de kuil zoo wijd, dat hij
+er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er
+rechtop in stond, nog maar even met zijne handen den rand raken kon.
+
+Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi
+langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den arme glinsterden
+van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en,
+keek naar de raap, alsof hij nog nooit in zijn leven zoo iets moois
+gezien had of zien zou.
+
+Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon
+hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol doen
+zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen
+was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was en dat ze groeide,
+zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het
+groeien kon hij nu niet meer hebben. De aarde was eenmaal losgewoeld,
+daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de
+hoogte van den knol mee. Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te
+weten. Maar wat te doen met zijn' schat!
+
+Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben:
+hij was maar alleen, 't zou een heele voorraad voor hem zijn. Maar
+neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem
+te lief.
+
+Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het
+iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen zeggen:
+"Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met
+zoo'n heele groote, waar we haast geen' weg mee weten!" Neen, zóó
+zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken.
+
+Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat
+willen? Als de menschen op' het dorp hoorden, wat er te doen was, wel,
+dan liepen ze vanzelf naar zijn' akker, om ongevraagd te kijken, en hij
+kon ze toch niet wegjagen.--Neen, neen, dat was alles het geluk niet.
+
+De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging
+hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij van moeheid na de
+groote inspanning in slaap. En weer had hij een' droom. Hij droomde,
+dat zijne raap een gezicht en armen en beenen gekregen had en, dat ze
+nu zat op een' troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden
+staf in de hand. Om den troon stonden in een grooten kring eene heele
+menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke
+raap. De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf,
+en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: "Leve onze koningin,
+hoera voor de koningin van de koolrapen!"
+
+Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. "Ik weet het,
+ik ik weet het," riep hij, "eene koningin past bij een' koning. Ik
+breng de koolraap naar den koning!" Dat was nu heel mooi bedacht;
+maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand pakken en dragen,
+daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen,
+daar zouden wel twee, drie, mannen voor noodig zijn. En met optillen
+was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg--hoe zou
+de koolraap daar komen! .... Hulp vragen, dat was het eenige. 't Zou
+toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam.
+
+Maar waar zou de arme aankloppen? 't Beste was misschien nog alles
+te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp
+kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest, en de boer
+had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de
+arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst geweest was en later,
+toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop--toen beloofde
+de boer dadelijk te raden en te helpen.
+
+Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en
+de boer, die bij 't verhaal van den arme zijne ooren bijna niet had
+kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij wezenlijk niet wist
+wat hij zag. "Wel verbazend," riep hij, "dat mag in de krant! Zoo'n
+dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich alleen gebruiken met
+twee paarder er voor."
+
+En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor
+koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid was. Drie mannen
+tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen,
+waar een zacht bed van stroo voor haar gespreid was. En toen ze weg
+reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de
+koningin van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg
+op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de verte
+met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en
+ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning wel zeggen zou. En de
+arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk
+toe en klapte lustig met de zweep. Zoo ging het voorwaarts van het eene
+dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de
+verte begroet met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap
+reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan
+'t eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou.
+
+Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning
+woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen wapperden van alle
+huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten
+in lange dichte rijen, en vóór het paleis op een groot plein stonden
+wel vijfhonderd soldaten.
+
+Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de
+trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig gezicht het
+geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was
+alles een grapje van den koning, die veel schik had in 't geval. De
+arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest,
+hij was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles
+eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen, en
+lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden,
+om ernstig te blijven kijken.
+
+De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen,
+dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook de heele
+treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden,
+van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen en van de
+hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart
+van den koning was vol medelijden met den arme.
+
+"Uwe Majesteit," begon de arme, toen hij voor den koning stond, "Uwe
+Majesteit, ik kom...." Verder kwam de arme niet. Onderweg had hij
+heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit
+pure verlegenheid van al de mooie woorden er geen twee meer bij elkaar
+krijgen. Maar de koning hielp hem: 'Ik kom Uwe Majesteit de koningin
+van de koolrapen aanbieden, en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo
+vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.'--"Was het
+zóó niet?" lachte de koning. "Ja, zóó was het, Uwe Majesteit, juist
+zóó!" riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de
+verlegenheid geholpen had. "En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?"--"Wel
+zeker wil ik!" zei de koning. "Veel wonderlijks en vreemds heb ik in
+mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel
+moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present gekregen, maar nog
+nooit zoo iets aardigs!"--De arme kreeg eene kleur van plezier.--"En
+zeg me eens," vroeg de koning, "uit wat voor een zaadkorrel is toch
+die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel
+geweest zijn. Of komt al je zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel
+een echt gelukskind, hoor!"--Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij
+zuchtte--_hij_ zou een gelukskind zijn! "Och neen, Uwe Majesteit,"
+zei hij treurig, "noem mij liever een' ongeluksvogel." En toen vertelde
+de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist,
+maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf nog graag
+eens hooren wou.
+
+De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef
+nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk
+begon hij: "Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap je waard
+was. 't Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil _ik_
+ook graag wat voor _jou_ doen--je zult niet voor niets zoo'n schat
+aan mij hebben afgestaan."
+
+De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk
+komen, komen door de raap?
+
+"Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn' overvloed geven,
+wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden."
+
+Daar _was_ het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor
+den koning op de knieën. Maar de koning richtte hem vriendelijk
+op en zei lachend: "Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je
+gelukkig gemaakt."
+
+En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest
+was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en prachtig vee
+en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen.
+
+Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en--het
+_bleef_. De arme was niet arm meer; maar hij _werd_ het ook nooit
+weer. 't Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had
+voor goed den voorspoed gebracht. Zelf was de raap bij den koning
+gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het
+paleis op een' reuzenschotel van kristal, dien de koning alleen voor
+haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap
+bewonderen, en iederen dag stroomde het van menschen, die uit alle
+streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den
+koning had gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap,
+ieder hoorde van de raap.
+
+Ieder--dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke,
+die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme, die nooit
+hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon,
+dat een ander even rijk of rijker was dan hij. De rijke dus hoorde
+ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen,
+werd hij boos en afgunstig in zijn hart.
+
+"Zoo'n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een' koning, dat
+moet ik zeggen," spotte hij. "'t Lijkt wel, of de koning niet recht
+bij zijn verstand is, dat hij mijn' broer daarvoor zooveel gegeven
+heeft! Wat moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars,
+voor iets van groote waarde!"
+
+Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den
+koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten de koning
+_hem_ dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen
+had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige rijke
+wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer
+op den neus kijken--juist goed! Wat meende die onnoozele bloed wel,
+dat hij met een' knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke,
+die zooveel meer geven kon!
+
+Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele,
+kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en vurig.
+
+Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht
+er niet aan, de menschen op zijn' weg vriendelijk te groeten. Wel
+keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van
+nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel en vroolijkheid
+was er niet. Ieder wist, _wie_ hij was en _hoe_ hij was.
+
+De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan 't eind van
+zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning
+woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van
+de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor 't paleis,
+geene muziek speelde er. 't Was doodstil in alle straten, waar de
+rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand keek er naar hem
+uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den
+rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden gehad had met den arme,
+die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon
+de koning hem niet vergeven.
+
+De rijke kwam vóór den koning. _Hij_ was niet verlegen, _hij_ wist
+zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof
+hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en koningen had
+omgegaan. "Ik hoorde," zoo begon hij, "dat mijn broer zoo vrij, of
+ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest is, onzen geëerbiedigden
+koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was
+wel zoo vriendelijk, dat dwaze geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit
+gaf mijn' broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk
+niet verdiende. Ik kom nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik
+me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen over de
+brutaalheid van mijn' broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn
+broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige paarden. Onze
+geëerbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van
+edele, mooie paarden. Ik deed mijn best, om de kostbaarste te vinden,
+die er zijn. Zoo'n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen
+dan...."--De koning, die alles met een strak, onvriendelijk gezicht had
+aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. "Je
+kunt heengaan," zei hij, "ik neem de paarden aan." Toen schelde de
+koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij zich
+komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei:
+"Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit," boog en ging weer heen.
+
+Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en
+onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem niet eens
+laten uitpraten--de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar--toen
+de bediende met hem meeging en hem bracht bij een grooten overdekten
+wagen met twee paarden, die op het plein vóór het paleis stond, toen de
+bediende zei: "Dit geeft Zijne Majesteit U in dank voor de paarden,"
+toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer
+schelen, hoe de koning tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet
+wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer
+oogen opzetten, als hij te weten kwam, wat de koning _hem_ vereerd had!
+
+De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren
+het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen? In zijne
+gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op
+satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten, die hij er voor zou
+laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden
+droeg, als hij een juweelen knop aan zijne zweep en aan zijn' stok
+liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare
+oorbellen en broches, ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem
+benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn' zak, als
+hij kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En--hoe armoedig
+vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen had!
+
+Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar
+huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel schatten
+borg. Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien--toch
+raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis, in zijn
+eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters,
+van zijne meiden en knechten, van al zijne buren, de zakken en de
+kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en--hem
+benijden, dat was zijn lust en zijn leven.
+
+Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich
+oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die uit
+nieuwsgierigheid met hem meeliepen.
+
+Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en
+deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden, die allen
+naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen,
+die om den wagen stonden. "Vrienden," begon hij, "een groote eer is
+mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze geëerbiedigde koning, nam niet
+alleen mijn geschenk in genade aan, maar gaf mij tot dank veel
+kostbaars. Hieronder," en de rijke legde de hand op het dekkleed
+van den wagen, "ligt geborgen, wat mijne eigen oogen nog niet gezien
+hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!"
+
+De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof
+hij zelf een koning was, keek hij voor 't laatst nog eens trotsch in
+'t rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen,
+om vooral goed te kunnen zien.
+
+En nu--daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet
+kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd van
+schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen
+voor 't gezicht, vliegt in huis en gooit de deur achter zich toe....
+
+Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn' broer!
+
+
+
+En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het
+huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig gefopt was.
+
+
+
+
+WEER VAN EENE FEE.
+
+
+Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school
+gaan--allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle dag
+terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn:
+'t is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja, zoo denk
+jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er
+heel anders over dacht.
+
+Dat ongelukkige kind kon 's morgens, als ze op zou staan, nooit hare
+kousen vinden. Gezocht op den stoel vóór 't bed, in 't bed, rechts,
+links, aan 't hoofdeneind, aan 't voeteneind, onder de dekens--alles
+onderst boven gehaald. Eindelijk--één gevonden onder 't kussen,
+een poosje later nummer twee onder 't ledikant.
+
+Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen
+stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien, je kunt nooit
+weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij--in een'
+hoek van de vensterbank!
+
+Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De
+waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu achter!
+
+Dan aan 't plassen. Een druipnat gezicht--geen handdoek, om het af te
+drogen. Een pretje, hoor! Waar--kon--dan--toch--die--handdoek--zijn? Al
+pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over
+een' post van 't ledikant.
+
+Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor 't
+grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel. Niets! Op
+tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze
+toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk!
+
+De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er
+afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning,
+hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer,
+'t Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig weer
+wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan.
+
+Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?--'k Hoop voor
+jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen en knoopsgaten,
+haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind,
+schenen wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef
+en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten,
+konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld
+door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver van af zaten. De
+stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid
+van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel knoopen en haken, die er
+heelemaal "voor spek en boonen" bij zaten.
+
+Vraag ook niet naar Ida's vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar
+gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten verdeelen
+in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu
+eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht een dun, schraal
+strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop.
+
+Maar--hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te
+ontbijten, dat wil zeggen--om staande haastig een paar happen brood
+te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in
+verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden als je bij 't aankleeden
+zóó geplaagd en opgehouden wordt!
+
+Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg,
+als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden. Nu, ze had
+ook geen tijd meer om te zoeken--dan maar zonder de straat op. Flap,
+de voordeur dicht.--Een oogenblik er na: tingelingeling! Ida terug
+hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal
+gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet verstopt achter de
+kelderdeur, die open stond?--Waren de boeken en schriften, was alles,
+wat ze noodig had er wel in? In de vlucht even in de tasch gerommeld,
+een schrift er bij één vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om
+een boek half afgescheurd. Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik
+tijd meer: 't was toch al zoo laat.
+
+Ja, Ida was _te_ laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest
+schoolblijven, om 't verzuimde weer in te halen.
+
+Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?--"Ida," vraagt de juffrouw,
+"waarom begin je niet te schrijven?"--Juffrouw, mijn pennenhouder
+is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn
+vak."--"Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft, moet hij er nu nog
+zijn. Zoek nog eens goed."--Ida aan 't scharrelen in de beide vakken,
+in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder
+de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle
+meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen heelemaal niet
+werken. Ida's werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig.
+
+"Leesboeken op de tafel!"--"Juffrouw, 't mijne is er niet." Weer moet
+het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd. Nooit
+heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet
+meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, 't is wel om te zuchten.
+
+Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met
+alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van binnen:
+schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat,
+klosjes garen en zij--alles had er zijne eigen plaats, en toch
+bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er
+in voor 't grijpen. 't Was, of de schaar riep: "Zoeken behoef je
+niet, hier lig ik en blijf ik."--De naaldenkoker, hoe rond hij was,
+dacht aan geen wegrollen, en de naalden bleven rustig in haar donker
+kamertje.--De klosjes stonden als soldaten in 't gelid, klaar om hun'
+draad te presenteeren.--De spelden op het kussentje keken met hunne
+schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: "Zitten we hier
+niet mooi, hier kun je ons altijd vinden."
+
+Ja, zóó was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En--zóó zou het stellig
+ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over geweest
+was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had
+of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed: alle dingen maakten
+het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was
+veranderd. "Waar is mijn vingerhoed?"--Maar de vingerhoed had zijn'
+post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug,
+platgetrapt, onder 't karpet!--"Waar is mijne schaar?" Maar de schaar
+liet naar zich zoeken. 's Avonds bij 't naar bed gaan zag Ida het
+ongehoorzame ding pas terug--op de tafel in de slaapkamer.--"Wat
+nu, maar ééne naald meer in mijn' naaldenkoker en dan nog wel
+zoo'n dikke, die ik niet gebruiken kan!" Overal onder en tusschen
+gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan
+de wandeling. Later wou Ida iets van den grond oprapen: daar----"au,
+au! prikte ze zich aan eene naald, die in 't vloerkleed stak.--De
+spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze
+gebruiken moest.--En de klosjes, die hun' draad zoo prettig klaar
+hielden? "Nooit kan ik een' draad loskrijgen, alles zit altijd in
+de war," zuchtte Ida. Ja, de klosjes lagen al lang holderdebolder
+door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo
+verward door elkaar heen geslingerd, dat er geen weg in te vinden
+was.--Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast
+tusschen de draden.--Of er nog plaats was voor een handwerkje? Och,
+vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen
+deksel en doos geklemd en hing half over den rand. De stumper had
+zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die
+heelemaal niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek,
+die in Ida's zak, en een haarlintje, dat om Ida's vlecht behoorde
+te zitten; een' inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger,
+die uit het leesboek verdwaald was.
+
+Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei
+snuisterijen in bergen mocht.--Heerlijk, zoo'n eigen kastje! Alle
+planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de
+onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes neergevlijd; de
+kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de
+plooi, alles glad en zonder kreuk.--En dan de bovenste planken! Daar
+berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de
+Cologne- en odeurfleschjes, aardige doosjes en mandjes--ik kan het
+niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan
+weet je nog wel meer.--En dan plooi en schik je, je zet en verzet
+al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast
+niet mooier kan. Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen
+bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en
+binnengluren, zoo'n schik heb je er aan.--Met je oogen dicht weet
+je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in
+'t midden, en dat staat in dien of dien hoek.
+
+Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte
+altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met beî haar
+open oogen en beî haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet
+eens vinden, wat ze noodig had.--'t Leek wel, of 't linnengoed op
+zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen
+ging op plaatsen, waar het in 't geheel niet behoorde. Rokken hadden
+zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen
+verdwaald, zakdoeken speelden verstoppertje zoowat overal tusschen
+'t goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms,
+gedeukt in een' hoek. 't Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over
+gespeeld hadden met de stapels goed--dat ze daarbij soms losgegaan
+waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en
+trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls ze iets uit
+haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden!
+
+Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo'n rommel
+wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun' kop stonden of omgebuiteld
+waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien
+mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor de grap alles, wat er
+in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats--o,
+'t was om er kriebelig van te worden.
+
+Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te
+begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden
+mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets
+vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen,
+scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat
+een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren ging,
+hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe
+dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd, dat is heel niet
+te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door
+al die onrust en al die tegenspoeden. Och, wat had ze weinig plezier in
+haar leven.--En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame,
+eigenzinnige, onwillige goed! Ja, 't was wel om te zuchten.
+
+Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: "t Kan zoo niet langer,
+'t is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn goed,
+ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden."
+
+Toen ging ze met de hand onder 't hoofd zitten peinzen eene heele
+poos. Wat had ze al dikwijls bij 't haastige zoeken boeken, schriften,
+kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw
+aan getrokken. "Naar ding!--Vervelend ding!--Plaag je me weer?"--Wat
+had ze 't dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den
+grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen, 't
+werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet
+je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met haar goed praten,
+dat zou beter zijn.
+
+Toen--niet lachen, hoor--toen zocht Ida al haar goed bij elkaar:
+kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles werd
+uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog
+losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld. En dat heele
+rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen
+ging ze met een strak gezicht deftig midden in dien kring staan en
+zei: "Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je
+praten. Het moet uit zijn met die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar
+je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in 't vervolg
+stil op zijne plaats, tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt
+niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me
+geen schrift meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand
+probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien, wie
+de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn'
+dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn' plicht, begrepen? In
+'t vervolg, als ik vraag: waar is mijn' pennenhouder? dan vertoont
+die zich dadelijk, alsof hij zeggen wou: hier ben ik! Heb ik een
+klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof
+het roepen wou: tot uw' dienst, Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje
+hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet
+anders. Wie onwillig of voorbarig is, krijgt het met mij te doen."
+
+Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd,
+dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of 't was, alsof 't
+goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De
+borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden een stijf gestreken
+kraagje, dat bovenop hem lag. 't Kraagje wipte van den borstel af en
+rolde in vroolijke sprongen over den vloer. Een fleschje, dat juist
+in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van 't
+lachen, had maar een klein duwtje noodig: daar lag het al languit op
+den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den
+vloer.--Boeken en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel
+lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven
+liggen, zoo'n plezier hadden ze. Rrrrt--daar gleden ze uit elkaar,
+tegen een' maasbal aan. De maasbal vroolijk aan 't rollen--boems,
+tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten
+de pennen op hun twee voetjes de doos uit.--Eene pret van belang,
+hoor! 't Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: "Praat maar toe,
+we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin. Denk je den baas over
+ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!"
+
+Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig,
+teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen van
+spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar
+boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg, dat ze het toch
+maar niet weer zien zou!
+
+Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer
+dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed. Ze kon er nu
+heelemaal geen baas meer over worden.
+
+Eens op een' morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar 't bosch
+gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze zoo eens mee
+wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van
+haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar--Ida zag er altijd
+zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf--neen,
+de moeders van de meisjes vonden het maar beter, dat ze buiten de
+school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe
+het zoo kwam, dat de meeste meisjes altijd bedankten, als zij ze op
+visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze
+ééns bij een meisje geweest was? Waarom moest ze toch altijd alleen
+zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot
+verdriet voor Ida.--En terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door
+'t bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan
+dat andere verdriet--aan al 't verdriet, dat ze zoo al had in haar jong
+leventje. 't Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen
+frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette
+niet op al dat moois,--en vroolijk kon ze ook niet zijn. Ze keek heel
+bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten
+en--begon bitter te schreien. Daar voelde ze opeens eene hand, die
+zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk
+zei: "O, o, wat een dikke tranen! Is 't verdriet zoo groot?"
+
+Vóór Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere,
+verstandige oogen en o zoo'n lief, goedig gezicht. Maar niet alleen 't
+gezicht, neen, 't heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles
+aan haar was even proper en net: van 't hagelwitte mutsje met de fijne
+plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of
+plooi, geen band of knoop, die niet op zijne plaats zat. Geen kreuk,
+geene vlek of scheur te zien. 't Heele vrouwtje met alles, wat ze aan
+had om- door een ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen.
+
+"Nu, meisje," vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord
+gaf, "wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien kan ik je
+helpen."--Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed
+in de vriendelijke, medelijdende oogen, en vóór ze het wist, was ze
+al aan 't vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe 't kwam, maar het
+vrouwtje leek haar heelemaal geene vreemde: 't was net, of ze praatte
+met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze
+dacht niet: wat is dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk,
+dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van
+alles, wat haar op 't hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van
+de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe ze nu niet
+wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel
+ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist, vroeg ze: "En is er thuis
+nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?" En toen heel
+zacht: "Heb je geene moeder?"--"Neen, neen," barstte Ida schreiende
+uit, "eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven
+vragen. Ik zie hem ook haast nooit, hij zit altijd te studeeren. En
+dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg,
+en de juffrouw van de school is altijd ontevreden op me. Niemand,
+niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, 'k hou' nu al zooveel van
+je, help jij me!"--Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze
+trok haar naar zich toe. "Arm kind," zei ze, "zeker wil en kan ik je
+helpen, vertrouw gerust op mij.--Kom, we wandelen samen naar je huis,
+en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje bij je. Mij dunkt,
+we zullen dan samen dat groote verdriet wel op de vlucht jagen. Droog
+nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn' arm. Maar
+wacht eens, je manteltje is scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen,
+ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een' band,
+die zoo brutaal onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen
+we zijne plaats eens.--Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan
+den binnenkant van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand
+ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je--ze zouden lachen
+om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is
+alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. 't Lintje op den
+loop? Wacht, 'k heb er juist een in mijn' zak.--Hè, dat lijkt toch
+wat beter dan zoo straks." Ida keek al lang niet bedrukt meer: het
+vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een
+beetje door haar te worden "opgeknapt." Er was anders nooit iemand,
+die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag.
+
+Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig
+over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar haar vader
+was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee
+naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer stonden,
+klopte Ida aan; maar geene stem had nog "binnen" geroepen, of ze was
+ook al weer de trap af.
+
+Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje vóór Ida's vader,
+en weer een oogenblik later zat ze in een' leunstoel tegenover
+hem en waren ze samen druk aan 't praten. Over wie, dat kun je wel
+dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies kunnen
+vertellen. Wel weet ik, dat Ida's vader bij het weggaan het eenvoudige
+vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet ik, dat Ida, die beneden
+met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: "Nu, wat
+zegt Vader?" en dat het vrouwtje toen antwoordde: "Alles is in orde,
+kindlief, ik blijf bij je."--Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen
+van blijdschap.
+
+Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang
+uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida praatte al
+dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien
+met de heldere, verstandige oogen, dat deed ze des te meer. Eens nam
+ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend
+aan. "O, uit mijn geschiedenisboek!" zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam
+het blad en lei het op een' stoel. Maar het vrouwtje nam het weer van
+den stoel en liep er mee naar de boekenplank. "We moeten het, dunkt
+me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats leggen," zei ze. "Ja
+maar," riep Ida, "hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och,
+'t kan later ook wel."--"Samen zoeken," hield het vrouwtje vol. En
+of Ida al wat ongeduldig keek--ze kon toch niet goed anders doen dan
+meezoeken. Toen ze 't boek eindelijk had, wou ze 't blad er gauw even
+instoppen. "Ho," zei 't vrouwtje, "laat eens zien: bladz. 34, die heeft
+35 tot buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond
+aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier vast,
+we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen."--Ida
+keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen durfde ze niets.
+
+Op de trap naar Ida's kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel,
+maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield het ding
+in de hoogte. "Hé, de ceintuur van mijne blauwe jurk," zei Ida,
+"hoe komt die hier!"--"De ceintuur wou zeker eens zien, of ze wel
+alleen den weg naar Ida's kapstok kon vinden," zei 't vrouwtje. Ida
+lachte, maar ze kreeg ook eene kleur. Gauw nam ze de ceintuur uit de
+handen van 't vrouwtje en mompelde zoo iets van: "meteen meenemen en
+ophangen." 't Leek wel, of ze zich wat schaamde.
+
+Ida's kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. Vóór de deur
+stond Ida even stil. 't Was, of ze er eigenlijk een beetje tegen opzag,
+haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje
+toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame goed eens laten zien.
+
+"Kijk," begon ze, luid en druk pratende, "kijk me dien boel hier eens
+aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is te zoek, als je
+'t hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden,
+zie maar! En...." Verder kwam ze niet, want ze merkte: het vrouwtje
+luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat
+van een' stoel of van de tafel, daar wat van 't bed of van den grond
+en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang,
+tot de kamer er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat
+verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist niet
+recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te
+zien; zóó zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje begreep best,
+wat Ida dacht, en daarom zei ze: "Toe maar, kindlief, ik zal het je
+wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw je de kunst van mij afkijkt."
+
+Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze
+hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een' stoelpoot haast door 't
+behang, ze lei haar nachtzak in een' hoek op 't bed, en bij alles,
+wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje bijna onderste
+boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal
+niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en vriendelijk wees ze Ida
+telkens, hoe ze dit zus en dat zóó moest doen, en waarom dat beter
+was en netter leek. Zie, als je zooveel kleeren op elkaar hing,
+dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en
+leelijke plooien in.--En een' stoelpoot, daar moest een stoel toch
+zeker op staan. "Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en
+'t behang mogen ze niet aanraken."
+
+De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten
+stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in 't midden op het bed te pronken,
+dat paste beter voor hem.
+
+Hè, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe
+langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders, toen
+eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om
+er in te wezen.
+
+"Met het kastje wachten we liever tot morgen," vond het vrouwtje, "je
+zult wel moe zijn van 't ongewone werk." Maar neen, daar had Ida geen
+ooren naar: ze was in 't geheel niet moe, en morgen zou er misschien
+weer wat anders te doen zijn.--Daar waren de kastdeuren al open, en
+roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. "Ho, ho,"
+riep het vrouwtje, "dat gaat maar zóó niet, juffertje. Eén, twee,
+drie, het kleed van de tafel--netjes opvouwen, hoor--en dan op de
+leege tafel alles uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst
+het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk,
+zóó: plat en--geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen
+uitsteken.--Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg het er maar
+op--knap--je zult het wel leeren.--Dit voor de volgende plank.--Weer
+een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.--Nu de twee bovenste nog."
+
+Ida keek met een' zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze
+wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge vrouwtje
+was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar
+paste.--"Pennenhouder--op zij, je behoort hier niet.--Kleerborstel:
+pak maar eens aan--in de tafellâ.--Nagelschaar: op je plaats in
+'t laatje van de waschtafel.--Nu dit, en dat en dat nog weg. Hè,
+dat ruimt op.--Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast
+schikken."--Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk niet, dat ze
+zooveel mooi goed had.
+
+"Kant en klaar!" roept eindelijk het vrouwtje. "O, wat ben je toch
+knap!" zei Ida, en ze gaf haar een' kus. "Niets knapper dan mijn
+meisje over eene korte poos ook wezen zal."
+
+'s Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit
+den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje had? "Ja
+wel, maar--maar...."--"O, 'k begrijp het al", lachte het vrouwtje,
+"je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat gerust eens zien,
+hoor!"--Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en--dralende
+haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje was wel nooit boos en zei
+nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig,
+alweer met iets aan te komen, dat er zóó uitzag. En wezenlijk--waar
+Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon
+zonder een woord te zeggen den warboel van klosjes en lint en band en
+wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij
+de klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar,
+hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen. Van
+het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje
+stak met eene speld de einden vast.--Alles kreeg eene beurt: alles
+in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er
+ook weer ruimte voor den ongelukkigen zakdoek, 't Was wezenlijk eene
+aardigheid om te zien.
+
+"En waar zal de doos nu staan?" vroeg het vrouwtje. "Och", zei Ida,
+"dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden."--"Kom,
+kom", lachte 't vrouwtje, "dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats,
+hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten we de boeken
+ook eens in 't gelid en de schriften en.... nu, niet zoo'n benauwd
+gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen, en je
+weet, hoe prettig dat gaat."
+
+De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor
+haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar mee naar boven,
+dat vond ze gezellig.--Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef,
+als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te liggen, en daar wat--'t
+duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde
+het hoofd. Bedaard zocht ze al de stukken weer bij elkaar, hing de
+jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig
+stapeltje van op den stoel vóór Ida's bed. Kam en borstel werden weer
+in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: "Waar
+is dat nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk
+weer aan." Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida's oogen gelezen,
+want toen ze haar een' nachtkus gaf, zei ze: "Waarvoor? Dat vertel
+je me zelf morgen aan 't ontbijt wel eens."
+
+"Nu?" vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida
+guitig aan. "O", zei Ida, "'t was heerlijk. Ik behoefde naar niets
+te zoeken. Al mijn goed lag voor 't grijpen--ik was in een' wip
+klaar."--"Ook wat _te_ gauw?" vroeg 't vrouwtje, en ze bekeek Ida van
+boven naar beneden. "Misschien wel", zei Ida zacht, en ze kleurde. Een
+poosje later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. "Ziezoo",
+riep 't vrouwtje, "nu is 't morgen gauw _en_ goed, is 't niet, kind?"
+
+Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog
+opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en tegen het middageten
+was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens
+keek ze weer heel bedrukt, en met een' zucht kwam het er uit: "Ja,
+'t is nu alles wel heel mooi, maar...."--"Maar het blijft niet zoo,
+wil je zeggen.--Wees gerust, kindlief, daar heb ik ook een middeltje
+op, dat ik je leeren zal. Netjes _maken,_ daar begin je nu al eene
+heele bolleboos in te worden, netjes _houden,_ daar zal ik je nu knap
+in maken."
+
+En Ida _werd_ knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst,
+die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg
+voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze 't
+nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig:
+het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en een prijsje op
+te vroolijken.
+
+En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?--Luister
+maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide, en er viel eene
+speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet
+aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde, dat liet ze rollen. "Ida,"
+zei 't vrouwtje, "er is iets gevallen."--"'k Heb het toch dadelijk niet
+noodig," had Ida dan dikwijls op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei
+het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.--Was 't naaien
+gedaan, dan werd werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt
+was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De
+doos dicht--weg er mee. "Kom," zei 't vrouwtje den eersten keer, dat
+Ida de naaidoos weer gebruikte, "nu zal 't me toch benieuwen, of je
+er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag." Ida
+had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier "den boel,"
+zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen
+lachje de hand terug en begon stuk voor stuk zorgvuldig te bergen.
+
+Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan,
+en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering bleef
+hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene
+heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee naar school
+moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken,
+die ze op school niet noodig had, kwamen in de tasch terecht.--Met de
+schriften ging 't al niet veel beter.--De eerste maal nu, dat Ida werk
+maakte en lessen leerde, terwijl 't vrouwtje er bij zat, zou het al
+weer denzelfden weg langs gaan. Maar 't vrouwtje deed den inktkoker
+dicht, veegde de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in
+de hand. "Daar," zei ze, "zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden
+bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je
+te helpen bij je werk.--En nu, waar behoort dit boek thuis? Moet je
+dat schrift meehebben? Hier is de tasch--ziezoo, alles netjes er in
+voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank. Klaar is 't."
+
+Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit
+op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze 't maar uit de handen
+kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja,
+'t was er niet van zelf zoo'n rommel geworden. Maar nu kon dat zoo
+gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen
+zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo haastig bezig bij haar kastje,
+zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze 't wist,
+het vrouwtje naast haar en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats
+van dit of dat niet meer wist. 't Zou jammer zijn, als 't kastje niet
+netjes bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En--al vond Ida het
+nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken.
+
+Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken
+en knoopen? Dat het vrouwtje Ida's kleeren al lang allemaal keurig
+in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida's goed nu niet meer
+scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje voor. Maar
+ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak
+er een band, kwam er een scheurtje of gaatje, dan zei 't vrouwtje:
+"'t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet,
+eer ze naald en draad te pakken hebben. Dat gaat jou zeker ook zoo, is
+'t niet?"--Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en--aan
+'t werk gaan!
+
+Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel,
+hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te _houden._
+
+Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet,
+hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht zette,
+als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe
+vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog veel minder, hoe
+menigmaal ze wel had willen roepen: "Neen, neen, ik wil niet, 't is
+zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!" Maar die verdrietige
+buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht.
+
+In 't begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze
+heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een plezier wou
+doen, en ook wel--omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar
+langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida het _zelf_ prettig te
+vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek
+het veel aardiger en vriendelijker. En dan: nooit behoefde ze nu
+meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd
+mee heen, en wat maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat
+ze noodig had, lag nu voor de hand. "'t Is net," zei Ida soms, "of
+ik wel tweemaal zooveel tijd heb als vroeger."--"De dagen zijn zeker
+langer geworden," zei 't vrouwtje dan lachende. En dan--op school was
+'t ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer
+te zeggen: "O, dat vak van Ida," of "o, die tasch, o, die boeken en
+schriften, o, dat werk!" Of: "Alweer te laat" en meer zulke leelijke
+dingen.--Strafkrijgen, schoolblijven--dat was allemaal vroeger.
+
+Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De
+meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida's slordige
+kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag
+en heel veel andere goede dingen meer. En toen kreeg Ida ook weer
+vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen
+en--die ook bij haar mochten komen.
+
+Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig
+goed had, dat haar het leven lastig maakte.--"Wonderlijk", zei het
+vrouwtje eens, "hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel
+verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit hoor ik je er
+meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-,
+je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt me, gebeterd, alles is
+gedwee en gehoorzaam geworden."--"Neen, neen," riep Ida, en met eene
+kleur als vuur viel ze het vrouwtje om den hals. "Neen, _ik_ heb me
+gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn
+als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk, slordig kind,
+dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne
+plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom er bij. Ik gaf mijn goed
+in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch
+niet helpen, dat ze overal omslingerden en altijd te zoek waren. 't
+Was alles mijne schuld, mijne schuld!"--"O, kind, wat ben ik toch
+blij, dat je 't eindelijk zelf begrepen hebt, zonder dat ik het zei,"
+riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. "Maar ik wist het wel,
+dat je nog eens zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust
+hart van je weggaan, ik weet...." Verder kon het vrouwtje niet komen,
+want bij het woord "weggaan" was Ida zóó geschrikt, dat ze eerst heel
+bleek werd en toen in schreien uitbarstte. "Niet weggaan," snikte ze,
+"ik hou' zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je
+hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat,
+zal alles weer anders worden."
+
+Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar
+naast zich op een' stoel, sloeg den arm om haar heen en zei: "Kom,
+lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me
+blijven houden, al ben ik ook niet meer bij je--en ook aan me blijven
+denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit
+weer. En gelukkig, tevreden, dat ben je nu ook wel zonder mij. Je
+zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat
+zul je ook niet weer, daar ben ik zeker van."--"Maar o," riep Ida,
+"waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te
+zijn."--"Alleen zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al
+met je besten vader gepraat en--is het niet heerlijk: je lieve tante,
+die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!--En waarom _ik_
+niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik
+nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die mij noodig hebben,
+nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.--Ik
+heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk wel ben. Een heel gewoon
+oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.--En nu--de
+oogen even dicht... Open!..."
+
+Vóór de verbaasde Ida stond--geen gewoon oud vrouwtje meer met
+een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie,
+lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere,
+verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende. En
+dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde
+ze zeggen: "Ik ben--de fee Netheid! En nu, lieve kind, de fee gaat
+_weg_; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft,
+dat weet ik." Nog een kus van de fee en--Ida was alleen.
+
+En 't gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van
+vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was eene nette,
+ordelijke, gelukkige, tevredene Ida.
+
+
+
+
+KALIF-OOIEVAAR.
+
+
+Heel ver hier vandaan, eerst ver naar 't zuiden en dan naar het oosten
+ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad heet. In die
+stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat
+land. De Koning dus? zul je vragen. Ja en neen. Hij had hetzelfde te
+doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette--Kalif. Dat is zoo
+raar niet, want de menschen praatten daar in dat land heelemaal anders
+dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen.
+
+Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een
+warmen middag op zijne canapé. Hij had net een lekker slaapje
+gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig
+rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den Kalif,
+doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk
+den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte zeker heerlijk,
+want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich
+weltevreden met de hand langs den baard. 't Was duidelijk te zien,
+dat de Kalif goed in zijn humeur was.
+
+De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen
+moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls spreken
+moest.
+
+De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn
+middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan juist
+altijd naar het paleis om' met den Kalif te praten. Want--ik houd meer
+van een goed, dan van een slecht humeur, dacht de grootvizier. Dezen
+middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond
+anders dan anders. De Kalif nam dan ook zijne pijp uit den mond en zei:
+"Wat nu, waarom zet je zoo'n betrokken gezicht?"
+
+De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte
+eene diepe buiging voor zijn' heer, zooals daar in dat land de mode is
+en antwoordde: "Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik
+niet, maar het kan wel zijn; want voor de deur staat een marskramer,
+die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig,
+omdat ik geen geld over heb om iets van hem te koopen."
+
+Nu, de Kalif had zijn' grootvizier al lang eens een pleziertje willen
+doen, en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste
+wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden
+om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. 't Was
+een klein, dik mannetje, zwart-bruin in 't gezicht en armoedig in
+de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij
+op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden laatjes, en
+in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden
+vingerringen bij met zilver beslagen pistolen en gouden drinkbekers
+bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles
+van a tot z, en eindelijk kocht de Kalif voor zich en Manzor, dat
+was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor
+de vrouw van den grootvizier een mooien haarkam. Voor zijne eigen
+vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw.
+
+Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei:
+"O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin hebben we nog
+niet gezien, is daar ook nog iets moois in?" De marskramer trok
+het laatje open en zei: "Och, neen, daar is niets bijzonders in,
+alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters,
+die ik niet lezen kan." De Kalif vouwde het papier open en zei:
+"Hé, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. 'k Mocht
+wel eens weten, wat die letters beduidden. Hoe kom je er aan?"--"O",
+zei de marskramer, "ik heb doos en papier van een anderen marskramer
+gekregen, en die had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier
+in hebt, geef ik U de beide dingen present."--"Graag", zei de Kalif,
+"ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat
+papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet, of dat
+niet ook op het papier te lezen is."
+
+De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven
+alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van pure
+nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. "Ik moet
+weten, wat er op te lezen staat", zei de Kalif, "eerder heb ik geene
+rust."--"Ik weet raad", zei de grootvizier, "naast de kerk woont een
+man, dien de menschen Selim, den Geleerde noemen, omdat hij zooveel
+geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan."--"Laat
+hem dadelijk hier komen", riep de Kalif. De grootvizier vloog de deur
+uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug.
+
+"Selim", zei de Kalif, "als je dit papier kunt lezen, geef ik je
+een mooi pak, maar kun je 't niet lezen, dan krijg je vijfentwintig
+klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet
+geleerd bent."
+
+Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. "Uw
+wil is mij een wet, o heer," zei hij. Toen bekeek hij het papier
+en zei: "Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is."--"Zeg,
+wat er in staat," zei de Kalif.
+
+En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond:
+
+Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van
+het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: "Mutabor,"
+verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de
+dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft ge maar
+driemaal naar het oosten te buigen en "Mutabor" te zeggen. Maar--pas
+op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan zult ge het tooverwoord
+vergeten en moet ge dier blijven.
+
+Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap
+in de handen. "Ziezoo, Selim," zei hij, "dat was knap gedaan; nu
+krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar één ding moet ik je nog
+zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor ieder ander. Beloof
+dat." Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem
+denzelfden avond de mooie kleeren te zenden, en Selim ging heen.
+
+"Nu, Manzortje," zei de Kalif, "dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe
+heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten komen. Kom nu
+morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten,
+waar niemand ons kan zien, en snuiven van het poeder. Ik heb mijn heele
+leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat
+alle dieren op de aarde en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu
+zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog
+nooit ben ik zoo in mijn' schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus,
+tot morgen!"
+
+
+
+Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of
+de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling af
+te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim
+geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg, en toen de
+deur uit. Al de voorname heeren, die anders altijd den Kalif moeten
+volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd
+menschen bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen,
+kregen een' wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen
+met zijn' grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten
+tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze ook een of
+ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens
+probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen eene slak voor hunne
+voeten, maar--eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes
+van eene slak gaven ze ook niet veel.
+
+"Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas," zei de
+grootvizier. "Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars
+gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de
+weide; laat ons daar eens gaan kijken."--"Mij best," zei de Kalif en
+ze stapten verder.
+
+Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een'
+ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend
+een praatje in zich zelf. Op 't zelfde oogenblik kwam er nog een
+ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere
+ooievaar stond.
+
+"Ik wed om mijn' baard, edele heer," zei de grootvizier, "dat die twee
+daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van,
+als we eens ooievaars werden?"
+
+"Uitstekend!" zei de Kalif. "Maar laat ons nu eerst nog eens
+goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja
+juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik
+weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen,
+dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen."
+
+Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne
+hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif
+greep een, twee, drie, de doos uit zijn' gordel, presenteerde haar
+ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de
+doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen
+hadden. "Mutabor!" riep de Kalif en "Mutabor!" riep de grootvizier ook.
+
+Toen--toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze,
+al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en
+zijn' grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels,
+de hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was
+weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.
+
+De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk
+riep de Kalif: "Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet
+gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!"
+
+"Als ik het zeggen mag," riep de grootvizier, "ziet Uwe Hoogheid
+er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als
+'t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds
+gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal
+verstaan kunnen."
+
+Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn'
+snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren
+gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide
+nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote
+verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:
+
+"Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe
+gaat het?"
+
+"Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn
+ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad,
+of een kikkerhammetje?"
+
+"Dank je zeer, 'k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere
+reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik
+voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje
+te oefenen."
+
+Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met
+allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één
+been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als
+eene jonge dame.
+
+De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot
+bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: "Eene kostelijke
+grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de
+dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we
+anders ook nog geen liedje gehoord hadden!"
+
+Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: "O, Vorst, wat hebben
+we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord
+niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo'n dwaze langpoot
+te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je 't al! Ik weet het woord
+niet meer, Uwe Hoogheid!"
+
+"Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen:
+Mu--Mu--Mu."--De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het
+oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten,
+maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu--Mu--Mu!
+
+Geen van beiden kon zich het woord herinneren en--de Kalif en de
+grootvizier waren en bleven--ooievaars.
+
+
+
+Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten
+niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene
+ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer
+naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou
+hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif
+was! En--ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven
+wilden, wie zou dan nog een' Kalif willen hebben, die ooievaar was?
+
+Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten
+half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels
+zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere
+ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze
+vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de
+lucht, en 't allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett'en ze zich op
+een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.
+
+In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en
+treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen,
+waar hun Kalif met zijn' grootvizier gebleven waren. Maar toen ze
+zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak
+van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien:
+een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en
+fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard
+een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede
+heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende:
+"Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!"
+
+Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de
+Kalif-ooievaar zei: "Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd
+ben! Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn'
+vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft
+mij eens gezegd: 'Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig
+maken!' Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij
+toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O,
+'t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien,
+dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats."
+
+Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer
+uit. "Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo
+rijk en zoo gelukkig was," zei de Kalif.
+
+Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het
+vliegen was nog zoo'n ongewoon werkje. "O wee, o wee," zuchtte de
+grootvizier, na een uur vliegen, "ik kan niet meer. Neem me niet
+kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens
+een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het
+begint al mooi donker te worden." Ja, dat vond de Kalif toch ook
+wel zoo verstandig. "Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij,
+de overblijfselen van een oud kasteel," zei de Kalif. "Laten we eens
+zien, of we daar niet in kunnen komen."
+
+Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt
+van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus
+niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen
+overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een
+geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat
+nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje
+gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een
+oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde:
+"Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een'
+grootvizier en nog meer voor een' ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel
+een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand
+diep zuchtte."
+
+De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten
+en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een
+dier kon het niet zijn: 't was sprekend het geluid van eene
+menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den
+kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de
+grootvizier hem met den snavel bij den vleugel en bad en smeekte:
+"Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer
+wachten. Ik bid U, blijf toch hier!" Maar bidden en smeeken hielp
+niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn' ooievaarsvleugel;
+hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge
+beenen eene duistere gang in.
+
+Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond,
+en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en
+gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar
+de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door
+een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op
+den vloer van die half verlichte kamer--een grooten nachtuil. Nu was
+het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan
+kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen,
+en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas
+had de nachtuil den Kalif met zijn' grootvizier, die toch stilletjes
+zijn' meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield
+op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen,
+en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke
+stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:
+
+"Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding
+nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik
+door een' ooievaar gelukkig zou worden!"
+
+Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder
+van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne
+lange beenen eene sierlijke buiging en zei: "Lieve nachtuil, het
+komt mij voor, naar de woorden, die 'k van u gehoord heb, dat gij,
+evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij
+ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is,
+zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen."
+
+"O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel
+belang in."
+
+En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.
+
+
+
+Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: "Ik dank
+u. Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder
+ongelukkig is, dan het uwe.
+
+"Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige
+dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte,
+betooverde ook mij. Eens op een' dag kwam hij bij mijn' vader, om
+te vragen, of ik de vrouw van zijn' zoon Mizra mocht worden. Mijn
+vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een'
+toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet
+hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos,
+trok een paar dagen later de kleeren van zijn' bediende aan en wist
+zoo in dienst van mijn' vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg
+ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht
+het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je,
+hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een' uil
+veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene
+harde, booze stem riep hij: 'Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk,
+als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot
+iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat
+gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader,
+die mij niet goed genoeg voor je vond.
+
+"Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam
+en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de
+wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met
+niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen
+heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen 's avonds en
+'s nachts kan ik goed zien."
+
+Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de
+vleugels de tranen uit hare ronde oogen.
+
+Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij
+zijn hoofd en zei: "Wonderlijk, wonderlijk; 't is ons haast net gegaan,
+als u. En hoe vreemd, dat _wij_ u nu juist hier moesten vinden."
+
+"Ja," zei de uil, "maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind
+was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken.
+
+"Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de
+booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elke
+maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar
+komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een
+verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar
+deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne
+toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten
+we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld
+wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent."
+
+"O, beste prinses!" riep de Kalif, "zeg me, wanneer komt hij en waar
+is die zaal?"
+
+Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte,
+dralende stem: "Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het
+graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij--gij kunt
+mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen...."--"Ja, ja,"
+riep de Kalif ongeduldig, "dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom,
+vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het
+graag."--"Beste Kalif," zei de uil, "ik hoop het; maar ik ben er nog
+niet zoo zeker van. Ik--ja, ik durf het u haast niet te zeggen--ik
+kan alleen weer mensch worden, als--als gij, of de groot-vizier
+mij--wilt trouwen."
+
+Daar was het er uit! Arme prinses-uil. 't Had haar zooveel moeite
+gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif
+liep verschrikt achteruit en trok zijn' grootvizier stilletjes aan
+den vleugel om ook mee te gaan.
+
+Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: "Dat is een leelijk
+ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar
+tot vrouw nemen, Manzor!"
+
+"Ik!" riep de grootvizier, "maar dat kunt gij niet meenen, edele
+heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog
+eene tweede vrouw thuis kwam! En dan--ik ben een oud man en gij,
+edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene
+mooie jonge prinses tot vrouw nemen!"
+
+"Ho, ho! dat is het juist," zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de
+vleugels hangen. "'Jong en mooi!' wie zegt je, dat ze jong en mooi
+is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil,
+die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!"
+
+Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom,
+de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de
+grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven
+dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te
+komen, zei de Kalif: "Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen."
+
+De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek
+af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. "En
+weet je wat," zei ze, "jullie bent op een gelukkig oogenblik hier
+gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht
+vergadering houden zullen."
+
+'s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken,
+waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene
+lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan 't eind van de gang
+door de reten van een ouden muur licht. "Nu doodstil," fluisterde
+de uil. "Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is
+vergadering!"--Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze
+in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of
+pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel
+honderd gekleurde lichten. In 't midden stond eene gedekte tafel, met
+kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel
+stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een'
+gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer,
+die hem de snuif gegeven had.
+
+En nu aan 't luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na,
+vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen
+geweest waren. Eindelijk riep er een: "En nu ik! ik heb zoo'n prachtige
+geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van
+Bagdad en zijn' grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst
+werd ik zelf marskramer en toen--neen, maar ik weet mij niet te houden
+van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op
+hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn,
+waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!"--"Wat was het
+voor een woord?" vroeg zijn buurman. "O, een moeilijk Latijnsch woord,
+dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!"
+
+Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich
+zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de
+duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet
+bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten
+gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. "Lieve redster van
+mijn leven en dat van mijn' vriend," zei hij "ik geef u de verzekering,
+dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!"
+
+Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon
+af--eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk
+ja, daar kwam de zon boven den horizon. "Daar is de zon, daar is het
+oosten!" riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange
+halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: "_Mutabor!_"
+O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken,
+of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier,
+die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den
+hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog
+nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen
+allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond
+achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? "Hoe is het nu, kent ge
+mij niet meer, prinses-nachtuil?" vroeg ze met eene lieve stem. Toen
+was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een'
+uil zoo'n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif
+de trouwbelofte gedaan had! "O!" riep hij, "nu zou ik voor geen geld
+van de wereld willen, dat ik _geen_ ooievaar geweest was!"
+
+Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de
+Kalif in zijn' broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif,
+maar wat beter was--zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de
+wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het
+in vliegende vaart naar Bagdad.
+
+Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett'en, toen hun lieve Kalif
+daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos,
+dat ze waren op dien valschen Kalif--dien Mizra! Ze joegen hem en
+zijn' vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif:
+"Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet
+in ooievaars, neen, als blinde mollen zul je in den grond leven,
+dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden
+en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: 'ik wil mol
+worden!'--"Snuiven en zeggen: 'ik wil mol worden!'" riepen alle
+menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. "Nu
+naar het oosten buigen en zeggen: 'Mutabor,'" klonk het van alle
+kanten.--En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen
+zooveel menschen beginnen! "Ziezoo," zei de Kalif, "nu zijn jullie
+een levend voorbeeld van het spreekwoord: 'Die voor een ander een'
+kuil graaft, valt er zelf in!'
+
+
+
+De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw,
+de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als
+de grootvizier hun 's middags aan de thee een bezoek bracht. Dan
+babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de
+beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij
+grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve
+beenen de kamer op en neer, maakte met zijn' mond een klepperend
+geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed
+den grootvizier na, zooals hij naar 't oosten boog en vergeefs:
+Mu--Mu--Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was
+die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn'
+grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu--Mu-geroep, dat de
+grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: "Pas op maar, pas
+op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben
+voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil
+woonde." Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje,
+want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord
+willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had.
+
+
+
+
+ONDER DEN TOOVERBOOM.
+
+
+'t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een' vader
+en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal
+gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder
+smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en
+glaasjes. "Klaar! beginnen!" roept Frits en neemt al vast een grooten
+hap van zijne boterham. "Ho!" zegt Mina, "eerst moet ik zusjes broodje
+nog in kleine boterhammetjes snijden." En "niet soppen Zus," zegt ze
+"geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven." Vader heeft
+de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim
+waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje "boôm, boôm,"
+wat boterham beduiden moet.
+
+Ja, 't was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie's huis. Maar
+waar was Nellie zelf? Ja--Nellie was er niet. Eén bordje stond te
+wachten, en dat was het bordje van Nellie. "Waar blijft Nellie?" vraagt
+Moeder. "Ik weet het niet," zegt Clara, "ze is dadelijk na mij
+opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar
+beneden ging."
+
+"Waar zit ze dan weer," bromde Vader verdrietig, "ga eens
+kijken." "Nellie zoeken, Nellie zoeken!" kraaiden de jongens, en ze
+sprongen van den stoel op. "Neen, gekheid," zei Moeder, "jullie blijft
+zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt,
+klaar of niet klaar." Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met
+Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest
+Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje,
+ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en--een vertelselboek in
+de andere hand.
+
+"Zoo," knorde Vader, "moest jij weer boterham eten met Roodkapje
+of Kleinduimpje?"
+
+"Kind, kind, weer gelezen?" zei Moeder, "wat is dat toch een
+verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden."
+
+Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig
+dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar
+uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn
+"boôm" wou hebben, weg en bromde tegen Clara: "Naar kind, waarom heb
+je me niet geroepen!" En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel
+gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had.
+
+Nu naar school. Maar--waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos
+er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de
+tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo
+graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze 't vergeten. Gauw! de
+anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even "Bij Saartje," in haar
+tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu 't andere boek in de linnenkast
+gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes
+zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan
+ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was
+zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was,
+was zoo mooi. "'k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op
+dien berg vond, dat zoo klopte," dacht ze. En--ik moet toch zien,
+dat ik het boek van Moeder terug krijg.
+
+De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee
+doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van
+buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen'
+zin in. En wat deed ze nu? 't Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze
+het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De
+juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen
+was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens:
+"Wat heb jij er uit, Nellie?"--"Twee honderd!" hoorde Nellie in de
+buurt fluisteren. "Twee honderd!" riep Nellie. "Wat twee honderd,
+waarvan twee honderd?" vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich
+herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was,
+riep: "Twee honderd vingers!" De geheele klasse barstte in lachen
+uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden,
+'t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. "Kind, kind,
+waar heb je je gedachten weer," zuchtte ze. "Kom eens hier bij mij
+staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor
+bent." Nellie stond op. Plof! daar viel wat. "Breng eens hier, wat
+daar valt!" zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, 't hoofd gebogen,
+stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. "Zoo," zei de
+juffrouw, "wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind,
+hoe is 't mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig
+rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten."
+
+Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse
+behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten
+staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu
+was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. "Ik
+moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg," dacht ze. Maar
+hoe? Er om vragen? Ze wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat
+dan? Ze zou zien, dat ze 't stilletjes uit de linnenkast nam. Ze
+kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al
+de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een
+middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze
+'t boek zien te krijgen.
+
+Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware
+la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er
+uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat
+van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. "Foei!" zei Moeder boos,
+"nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de
+linnenkast op slot doen?" En Moeder kreeg de tranen in de oogen.
+
+Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven
+onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze
+kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige
+spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot
+vriendinnetje hadden, als--als ze maar geen "mooi boek" had, zooals
+ze 't noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer
+schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze
+alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze,
+Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee
+zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd
+maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met
+slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen,
+en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich
+vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf
+en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch
+heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze
+las. Dan dacht ze soms: "hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe
+was, maar een kind van een' koning: een prinsesje! En als dan de koning
+mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden
+ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik
+was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi
+cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik
+eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen
+dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!" En
+als Nellie dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam
+of zoo, dan dacht ze: "zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen
+wezen, en zóó zijn ze nu voor mij." En als Moe eens zei: "Kind, kun
+je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?" dan deed
+Nellie haar best niet, om het boek eens een' keer te laten liggen,
+maar dan dacht ze: "kijk, daar heb je 't weer! Moe meent altijd,
+dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of
+roovers.--Als er roovers kwamen--ik zou ze allen in huis beschermen en
+redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen
+wel zeggen: 'die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand
+dat ooit begrepen heeft.'" En Nellie kreeg de tranen in de oogen van
+medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.
+
+Maar--er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon
+dus voor niemand iets doen, dan--dat ééne; maar daaraan dacht ze
+niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken,
+die ze las, en aan _wat_ ze zou lezen en _waar_ ze zou lezen. _Waar_,
+ja--daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was
+een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen
+de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: "O, daar
+heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?" Of Clara kwam
+er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek,
+juist als ze aan zoo'n prachtig gedeelte was--o, neen, ze moest heel
+alleen wezen, dan las ze het prettigst.
+
+Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in
+den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in
+de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere
+zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder
+dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En
+'t mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was
+'s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus
+ook niemand in den tuin. O, 't was een heerlijk plekje daar: net een
+boom uit een groot diep bosch, uit zoo'n bosch, als er altijd in de
+vertellingen was, zoo'n tooverbosch. "'t Zou je niet eens zooveel
+verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam
+zetten," dacht Nellie wel eens.
+
+
+
+Eens op een' dag, of liever op een' zomeravond zat Nellie ook
+weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met
+een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder,
+die haar weer beknord had over hare leeswoede. "Je zult het er
+nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit," had
+Moeder gezegd. "Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je
+wilt."--"Och, ja," dacht Nellie met een' zucht, "wie weet, of ik nu
+niet voor 't laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou' toch zoo
+dol veel van sprookjes. En--kwaad is er immers niet bij, anders zou
+de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch
+naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik
+toch eigenlijk een ongelukkig kind.
+
+"Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook
+gebleven? O, ja, 'k was juist met 'De drie wenschen' begonnen. Die
+malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als
+er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen
+wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als...." en Nellie sloeg de
+oogen uit het boek en keek droomend in 't rond. Daar op eens werd
+het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep
+ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja,
+toen--stond er--neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar
+in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat
+zilveren tooverstafje in de hand--dat was eene tooverfee!
+
+Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene
+glasheldere stem haar aansprak:
+
+"Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een
+enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel
+erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom,
+spreek nu een' wensch uit. Door een' slag met mijn' tooverstaf kan
+ik je geven, wat je hart begeert."
+
+Nellie, Nellie, pas op--nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat
+zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een'
+mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch
+zoo'n zin in taartjes, en net wou ze zich een' schotel met taartjes
+wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich
+eene worst gewenscht had. Gelukkig--daar kreeg ze eene verstandige
+gedachte. "Machtige fee!" zei ze, "geef me, als 't U blieft, Uw'
+tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik
+uitspreek."
+
+Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde
+zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem:
+"Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar--ik wil voor een jaar je
+zin doen--we zullen zien, of de staf je 't geluk brengt, waarnaar
+je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb
+je maar met het staf je op den grond te slaan en--. je wensch is
+vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleen _zichtbare_
+dingen wenschen. En--mondje dicht--niemand mag weten, dat ik bij je
+geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb." Toen de vriendelijke
+fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie's
+oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg,
+maar--het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O,
+heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze
+weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch
+vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes
+dus--neen--ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had 's middags
+zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. "Een
+chocolâpudding dan!" riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den
+grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding
+voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het
+heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis
+te gaan; 't werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje
+onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.
+
+In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. 't Heele huisgezin zat,
+onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. "Kom, Nellie,"
+zei Clara, "hier is je bordje," maar Nellie had geen' lust meer
+in zure melk na 't eten van den pudding: ze bedankte. "Hoe is 't
+mogelijk," riep Clara, "lust je geen zure melk, en ik meende nog
+wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!"--"Ik heb er van avond geen'
+lust in," zei Nellie. "Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij
+de eene of andere fee," zei Theodoor. "Ja, jongetje," dacht Nellie,
+"je moest ook maar eens weten, wat ik weet!"
+
+Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. "Kom, Nellie," zei Moeder,
+"help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!" Maar
+daar riepen al de kinderstemmetjes: "Niet met Nellie!"--"Ik met
+Clara!"--"Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden," bromde
+Nellie. "Dat komt, doordat je ze bij 't helpen nooit eens aardig
+aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,"
+zei Moeder.
+
+Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere
+kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever
+in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon
+eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde
+van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu
+krijgen kon.
+
+Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het
+noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld,
+dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm
+huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen
+mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten
+ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook
+altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten;
+maar nu--ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste
+melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat
+beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde
+maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met
+haar tooverstafje op den grond. "Chocolade met beschuitjes!" riep
+ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en
+een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan 't smullen, toen
+het negen uur sloeg--de kop verdween gelukkig--de overige beschuitjes
+stopte ze in de schooltasch, en toen--ja toen ze de schooltasch zag,
+schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te
+leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd
+kwam. Maar--daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleen _zichtbare_
+dingen--dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de
+feeën, die voor haar eigen gebruik een' tooverstaf had, die dus veel
+machtiger was, dan alle groote menschen--nu moest diezelfde Nellie
+verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare
+les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel,
+was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer
+wat wenschen en haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu
+wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten
+en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En
+het kwam--met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar,
+wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en
+al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden,
+waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.
+
+Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat
+ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk
+vragen: "Hoe kom je aan die jurk?" of "hé, wat heb jij daar voor een'
+hoed op?" Eens had ze zoo'n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel
+zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar
+een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel
+eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar
+ze had er toch het rechte plezier niet van--ze was in voortdurenden
+angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was 't misschien uit
+met de heerlijkheid. Ook--'t was zoo vervelend--Moeder merkte, dat
+ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze
+dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan.
+
+Soms--ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie
+een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan
+begreep ze, dat er toch ook zooveel "onzichtbaars" was, dat ze zich
+wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door
+Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis
+kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan
+Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor
+leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten
+er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan
+toe--ze had altijd een of ander boek te lezen, dat "zoo noodig" uit
+moest. Dan dacht ze wel eens: "ik wil toch ook beter leeren;" maar een
+oogenblik later was het weer: "och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu
+immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later
+ook niet." En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde
+het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. 't Was net,
+of ze niet zoo prettig en vrij meer met hen praten kon, en soms was ze
+maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder
+op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo
+ongezellig gevonden.--Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als
+er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder
+op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer
+blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel
+lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden
+van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.
+
+Eens op een' avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een
+zakmes. Zijn vriendje had er zoo'n mooi, hij wilde er zoo graag ook
+een. "Neen, mijn jongen," zei Vader, "zakmessen koopen, dat gaat
+maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag." En toen
+Frits een' pruilmond zette, zei Vader: "Je moet ook ontberen leeren,
+ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat
+is maar goed ook. Anders zou je gauw 't plezier van de mooie dingen
+af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven." De kleur sloeg
+Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat
+ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel,
+alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar--dat
+zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee
+tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en--ja, wat niet al. En van
+dat alles niets te nemen, als je 't maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!
+
+Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets
+van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een
+mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar--dan zou Frits zeggen:
+"Hoe kom je aan dat mes?" en als Frits het niet deed, zouden Vader en
+Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld
+niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen.
+
+Eens op een' Zaterdagavond--'t was juist Nellie's beurt, om het
+brood naar 't arme huisgezin te brengen--kwam ze niet ver van het
+arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en
+toen--ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje,
+dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en
+stopte den kleinen Jacob een' gulden in de hand. "Ziezoo," zei ze,
+met een trots-klinkend stemmetje, "arme jongen, dat is voor jou."
+
+"Voor mij?" vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde
+oogen aan.
+
+"Ja," zei Nellie, "daar kun je eens een prettigen dag voor hebben."
+
+"Hoera!" riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het
+brood op de straat viel.
+
+Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had
+een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. "Dat doe ik eens
+weer," dacht ze. "Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen
+broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen
+gelukkig maken."
+
+Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!
+
+Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met
+Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, 't Was de
+vader van Jacob. "Ach, lieve Mevrouw," zei hij, "U bent altijd zoo
+goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch
+een vriendelijk verzoek aan U. Als U ons weer zoo'n groot present
+in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij
+zelf. Jacob ...." meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon
+bitter te schreien.
+
+"Ik begrijp U niet," zei Nellie's moeder, "een groot present in
+geld--en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!"
+
+"Ja," zei de man, "gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene
+van de jongejuffrouwen hem toch een' gulden gegeven."
+
+"Dat kan niet waar wezen," zei Nellie's moeder, "zooveel geld zou ik
+niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef
+ik kinderen nooit zooveel geld op eens."
+
+"Dat is toch vreemd," zei de man, "en Jacob vertelt het mij. En toen
+is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: 'Weet je
+wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.'--'Ja,'
+zegt mijn jongen, 'daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden
+eigenlijk ook gegeven.' En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen,
+Mevrouw, 't is zonde van 't geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U,
+sigaren en zoo'n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De
+sigarenkoopman haalt er een' agent bij en zegt: 'Hoe zouden die
+jongens aan zooveel geld gekomen zijn!' En toen, o, Mevrouw," snikte
+de arme man, "toen werd me de jongen door een' agent thuis gebracht,
+ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen
+heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd
+is." Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk
+bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende
+was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog
+zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld
+was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld
+gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.
+
+Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets
+te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die
+arme Jacob voor een' dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat
+had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met
+het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in
+'t geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd
+alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan--de
+fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar
+alleen een' tooverstaf gegeven hebben, en in huis was 't, of niemand
+haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet
+genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed
+genoeg. "Maar--wat ben ik toch dom!" dacht Nellie op eens. "Ik kan
+mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen,
+die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar
+nu niet eerder aan gedacht heb! Maar--Moeder en Vader verlaten en al
+de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara
+is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben--dat ze dan nog wel een
+beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken
+zullen, dat ze iets om mij geven.--Ik doe het--ik ga morgen een
+ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn."--Met die gedachte
+ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder 's
+avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging,
+om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een' nachtkus te
+geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje
+zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet
+aan ging doen. "Maar--kom," dacht ze, "Moeder houdt nog kinderen
+genoeg over. Morgen--morgen zal er een heerlijk leventje beginnen."
+
+
+
+'t Was morgen--Nellie's broertjes en zusjes gingen naar school--Nellie
+niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu,
+om onder den feeënboom te komen. "Ik moet gauw wezen," dacht ze,
+"anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie
+blijft, en gaat Moeder mij zoeken." Daar was ze gelukkig, waar ze
+wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en
+fluisterde met een kloppend, half bang hartje: "Ik wensch me een mooi
+plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan."
+
+Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter
+en dichter werd de mist, 't was, of er een sluier voor Nellie's oogen
+hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel--nu
+kon ze ook bijna niet meer hooren--ze wist niet meer, waar ze was
+en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst
+hoorde ze geluiden uit de verte--toen kon ze weer zien, en wat
+wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn--eene blauwe lucht, groene
+weiden, groene boomen en toen--o, dat was nog mooier, dan ze zich iets
+wenschen kon--vlak vóór haar aan 't eind van de groene weide tusschen
+de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon,
+begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In 't midden eene breede
+marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze
+voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk,
+met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.
+
+En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met
+vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen
+van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk,
+begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht
+sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.--En
+dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank
+en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken
+en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en
+kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moest blijven staan luisteren,
+of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde
+hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne
+kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan
+'t bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een
+heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja--van alles
+wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!--Maar
+Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al
+op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! 't Leek wel, of er eene
+prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd
+hoofdkussen en gordijnen--rozerood met witte lelietjes! Verder weer
+eene speelkamer met de snoezigste poppen.--Een verder allerlei mooi
+speelgoed. En--'t laatste 't beste! Eene leeskamer met boekenkasten,
+vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes,
+om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk
+zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn,
+dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze--lezen zooveel
+en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze
+bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: "Zit je daar al weer
+met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!"
+
+Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens
+weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen
+in een kanapeetje aan 't lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was
+het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de
+vogels. Toen 't middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was
+niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene
+keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een
+beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en
+toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed--o,
+wat een heerlijk bed! 't Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes
+van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar,
+dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar--ze viel toch ook gauw
+in slaap. Ze was moe van 't genieten van al die heerlijkheden.
+
+Den volgenden morgen ging 't weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het
+toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstem
+gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte
+wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar--wat was
+ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam
+ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie--daar
+stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie
+zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze
+tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren
+niets bang. "Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en
+Lena," zeiden ze. En toen: "O, wat woon je hier mooi, laat ons toch
+gauw alles eens zien!" Toen liepen de meisjes met elkaar trap op,
+trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel
+kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze
+maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig
+zitten eten en lezen en spelen--o, 't was een kostelijk leventje.
+
+En zoo ging het nu dag aan dag! "Heerlijk!" riep Nellie. "Zoo zal
+het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen." Neen, mooier
+leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op
+tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar
+Moeder altijd aan gebreid wou hebben--geen onvriendelijk gezicht van
+Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen
+'s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net,
+of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen
+om haar een' nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo'n leventje
+van plezier, dan had Nellie geen' tijd om aan iets anders te denken.
+
+Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie
+een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet
+meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat
+nieuws wenschen, maar 't eene was toch ook al weer even mooi, als
+'t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis
+in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: "'t Is toch waar,
+wat Moeder wel eens zei," dacht Nellie, "als je altijd lekker eet,
+proef je op 't laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als
+je altijd mooi bent, zie je 't op 't laatst niet meer." En Nellie
+dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd
+zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals Vader
+het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na
+schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu
+mocht ze 't altijd, en nu verveelde 't spelen haar wel eens.--En als
+er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in
+den winter--dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje
+spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan 's avonds
+om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels
+opgaf!--En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten
+Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in 't bosch voor zoo'n
+enkelen keer.--Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar
+'t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen--en
+dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar 's morgens
+in bed een' krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen
+en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze
+behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf
+wenschen; maar--een cadeautje met liefde gegeven--dat vond Nellie
+toch heel wat anders.--En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze
+had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk
+voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het
+juist--Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, 't Was net,
+of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo
+gelijk--Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes
+en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was
+'t weer vrede; maar nu was 't altijd zoo saai lief en zoet. Soms--ja
+soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in
+haar klein eenvoudig huis--soms wenschte ze, eene gewone boterham
+thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.
+
+Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in
+huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de
+gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en
+zusjes. Maar--heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig
+tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en
+altijd zat te lezen. Toen--ze wist het nog heel goed--toen vond ze
+'t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag
+iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje
+schuld hebben? Maar kom--ze had nu zoo'n mooi leventje--ze kon zooveel
+lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar
+'t was raar, soms was 't, of ze 't lezen niet meer zoo prettig vond. Ze
+las nu ook zooveel. Maar--ze kon immers ook wel eens een handwerkje
+doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo
+weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien,
+en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd
+in huis ook zoo weinig aan 't breien en naaien gedaan. Als Moeder haar
+er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar
+nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes
+maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo'n
+lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink
+leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor
+den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu
+allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat
+ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook,
+hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht--ze
+zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen
+te maken! Maar--neen--'t was waar ook--dat kon niet--ze kon alleen
+zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren
+moest! Nu--ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag
+helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was,
+schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist,
+en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite
+een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen
+speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou
+Vader in zijn' schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf
+voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen
+ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader
+had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter
+genoemd. Neen--handwerkjes maken, daar had Nellie geen' zin meer in.--
+
+Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging
+brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met
+den gulden.
+
+Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar
+wat dan? Och, Nellie wist het niet--ze wist alleen, dat ze in huis
+wou leven en nergens liever. Maar--hoe kan ze ooit weer in huis
+komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze
+geweest was? En--zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben,
+nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?
+
+Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam
+er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef
+er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze--de fee.
+
+"Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?" vroeg de fee.
+
+"Neen, o, neen, beste fee," riep Nellie. "Neem den tooverstaf terug, ik
+begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen
+huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes."
+
+"Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons
+zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk
+wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer
+krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je
+kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee...."
+
+"Niets wil ik meer, niets!" riep Nellie: "Als ik plezier zal hebben,
+wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen,
+die ik lief heb."
+
+Toen zwaaide de fee den tooverstaf: 't was of er een hevig onweer
+opkwam, alles draaide om Nellie. 't Was, of ze met kasteel en al in
+een' afgrond stortte--ze hoorde en zag niets meer.....
+
+
+
+Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze--in
+de lieve trouwe oogen van hare moeder.
+
+"O, Moeder, lieve Moeder," zei Nellie met een zwak stemmetje, "waar
+ben ik toch?"
+
+"In je eigen bed, liefje," zei de moeder, en ze streelde Nellie de
+heete wangen. "Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons
+zoo angstig gemaakt."
+
+"Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier
+in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?"
+
+"Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben
+je onder een' boom gevonden in den tuin van den buurman met eene
+hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien
+tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en
+een tooverstafje, en ik weet niet wat al."
+
+'t Was of Nellie een steen van 't hart viel bij die woorden van
+Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de
+koorts had ze alles--gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest--o,
+hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had
+aangedaan.
+
+Daar stak Theodoor zijn' krullebol om den hoek van de deur en
+fluisterde: "Slaapt ze nog, Moeder?"
+
+"Ze is wakker en al een beetje beter," zei Moeder, "maar st! rustig
+blijven, hoor!"
+
+Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik
+later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang:
+"Nellie is wakker, Nellie is wat beter!"
+
+Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en
+zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze
+pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: "Ben ik
+wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?"
+
+"Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief," zei Moeder. "Maar
+ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer."
+
+Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met
+den dokter binnen. "Kom," zei de dokter, "eindelijk de oogen open. En
+wat kijk je vroolijk." En toen den pols voelende: "nog zwakjes, maar
+dat kan niet anders na zoo'n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte
+zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan
+allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na 't inslapen onder
+dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van
+beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en--vooral niet
+lezen! Geene boeken geven!"
+
+"Nooit boeken weer!" riep Nellie. "Als ik weer beter ben, ga ik al
+mijne mooie boeken verbranden."
+
+"Ho, ho, wat," zei Vader, "beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft,
+moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet
+noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, 't gaat er net mee, als met de
+mooie roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze
+sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel
+willen missen. Maar 't zou dom zijn op een' akker alleen bloemen te
+laten groeien. Die dat deed, zou 's zomers een prachtig veld hebben;
+maar 's winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan
+hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken
+weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door
+moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in 't vervolg zal ze
+van beide houden, dat weet ik zeker."
+
+Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.
+
+Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde
+er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop
+Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor,
+die zijn' krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had
+bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden
+met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar
+mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen
+maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze
+een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: "Mim geven!"
+
+Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve
+ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo
+naar verlangd.
+
+Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen
+om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen,
+van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen,
+en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan
+ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo
+ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze
+met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond
+gezonken was.
+
+Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze
+een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden
+voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel
+en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd
+ze weer een van de beste leerlingen. En lezen--ja lezen deed ze veel,
+maar niet _te_ veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat
+uit leeren kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze
+echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die
+ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die
+ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu
+begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.
+
+Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid:
+ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat
+groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan
+Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje
+van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten
+haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het
+mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen.
+
+
+
+
+HET BETOOVERDE HORLOGE.
+
+
+Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.--O, dan
+had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of--ze was
+te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je
+wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of--nog mooier--dat
+ze geen' mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te
+kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de
+klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers,
+in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen,
+maar, nu moet ik lachen!
+
+Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of
+tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek
+eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat--het
+haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles--niet wanneer
+het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd
+te laat op. Ze treuzelde bij 't aankleeden. Ze kwam te laat aan
+'t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in
+bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.--En
+nooit dacht ze: "O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken:
+daar doe ik Vader of de juffrouw of mijne vriendinnetjes plezier
+mee." Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.
+
+Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar
+dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet
+altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis,
+en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten
+werken. Zoo had hij geen' tijd, om veel op zijn kind te letten, geen'
+tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en--dom ze deed.
+
+Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.--Waar
+had ze bleeke wangen van? Wel, van 't late opstaan en 't late naar bed
+gaan.--Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar
+straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!--Op de visite lachten
+de vriendinnetjes haar uit en noemden haar "Juffertje Te Laat."--En
+als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal:
+"Foei, wat een onbeleefd kind! 't Is te hopen, dat ze die leelijke
+gewoonte nog afleert, eer ze groot is."
+
+Ja, 't was te hopen; maar--het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter,
+maar ze bleef "Juffertje Te Laat!" Toen ze al geen jongejuffrouw
+meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min
+aan de klok.
+
+Hilda's vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus
+bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier
+en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor
+de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer!
+
+Als iemand haar nu gezegd had: "Hilda, denk toch aan dien armen
+koetsier en die stumpers van paarden," ja, dan zou ze zich uit
+medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar--er was niemand,
+die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke
+dingen nooit.
+
+Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan
+kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk
+kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare
+vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar
+speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam,
+als ze lust had, en daarmee uit.
+
+Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te
+doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te
+gaan, dan treuzelde ze 'k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te
+denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes,
+waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon
+voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond
+ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare
+kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel
+twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.
+
+Soms zei ze wel eens: "Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo
+erg niet. 'k Heb ook zoo'n slecht geheugen, 'k vergeet altijd op de
+klok te kijken."
+
+Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl
+erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je
+wel begrijpen.
+
+Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er
+met Juffertje Te Laat gebeurde.
+
+Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene
+fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar
+petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best
+begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de
+fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een
+lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. "Ik
+wou toch," dacht de fee dikwijls, "dat ik Hilda kon leeren begrijpen,
+hoeveel verdriet en last ze een ander doet en--hoeveel verdriet ze
+er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat."
+
+De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda
+bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders,
+dat onaardig was. Maar dat op 't laatst iedereen haar petekind
+"Juffertje Te Laat" noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat
+kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene
+minuut te vroeg of te laat. "Twaalf uur," zei ze dikwijls, "dat is
+niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf
+uur is twaalf uur." Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon
+evenmin verdragen, dat iemand haar wachten liet.--Daarom noemden de
+menschen haar voor de aardigheid "Mevrouw Op Tijd."
+
+En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze
+vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.--Op een goeien
+dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan:
+"Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.
+
+
+ "Je je liefhebbende peettante."
+
+
+De volgende dag kwam, en 't werd twaalf uur, dat was in dien tijd
+voor de meeste menschen het uur van 't middageten, 't Werd twaalf
+uur--en bij den eersten slag stond ook al 't rijtuig van de fee "Op
+Tijd" voor Hilda's deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer
+binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte
+tafel--daar had de knecht voor gezorgd--maar geene Hilda, om hare
+peettante op te wachten en te verwelkomen!
+
+"Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat," bromde de fee. "'t
+Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen." En
+verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.
+
+Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis,
+en ze wist toch, dat de fee komen zou!--
+
+Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten,
+dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar
+al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.
+
+Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.--Nelly wist niet wat
+ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan.
+
+"Heerlijk, dat je komt," riep ze vroolijk, "nu kun je me meteen helpen
+uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en
+mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we
+samen de doozen open."
+
+Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel
+staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!--Het duurde geene
+tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en
+deksels, vol hoeden en mantels.
+
+Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen en
+Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te
+denken. 'k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur
+en tijd bij 't mooie spelletje vergat. 't Werd elf uur, 't werd twaalf
+uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante,
+die zou komen eten.--'t Werd half één, kwart voor één, en nog waren
+de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel.
+
+Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen:
+'t was etenstijd.--"O wee, al één uur!" riep Hilda, "en wij eten om
+twaalf en...--'t is waar ook: mijne peettante zou komen eten."--Toen
+gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels
+onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor
+stilstaan. Te laat was het toch--wat kwam het er eigenlijk ook opaan,
+of nog 't een kwartiertje later werd!--
+
+Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde,
+dat Hilda's peettante er al lang was.
+
+De goede fee was van 't lange, vervelende wachten op 't laatst in
+slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda's
+vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.--Daar op eens ging
+de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen.
+
+"Dag, mijne lieve, beste peettante," riep ze, "o, ik durf U haast niet
+aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat
+zult U toch wel van me gedacht hebben!"--Nu, de fee was te goedhartig
+om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: "Nu,
+als 't je maar spijt, kindlief, dan is 't ook goed.--Maar zeg eens:
+hoe laat is 't eigenlijk, ik heb een poosje geslapen."
+
+De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze
+wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. "O, lieve peettante, vraag
+me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken," zei ze.--"Meisje,
+meisje," dacht de fee, "'t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt
+je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben."
+
+Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet
+te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet
+veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo
+liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had.
+
+Na 't eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde
+wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd
+vloog om: 't was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.
+
+Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt
+open en--Hilda's vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in
+de hand roept hij: "Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar,
+om mee te gaan?"
+
+Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje
+languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne
+oogen haast niet gelooven. "Maar heb ik nu van mijn leven," riep hij,
+"heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?"--"Uw briefje,
+beste Papa?" zei Hilda met een onschuldig gezicht. "Zeker heb ik dat
+gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!"--Neen,
+dat had Hilda's vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd
+boog hij nu voor de fee en zei: "Ik hoop maar niet, dat U 't me erg
+kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat
+kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo'n verdriet heb ik
+van haar."
+
+"Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?" vroeg de
+fee.--"Ik zal 't U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo
+iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een
+uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene
+groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den
+prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik
+graag zijn' raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de
+prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan
+heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.--U kunt denken,
+hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk,
+eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel
+een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda,
+dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het
+rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom
+en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten
+en--zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: 't rijtuig kan
+ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten
+wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen' raad."
+
+"Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?" vroeg nu Hilda heel bedaard,
+alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
+
+"Wat?" riep de vader, rood van boosheid, "alleen gaan? Nu wordt het nog
+mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om
+je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet
+meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf
+ik....." Op eens hield Hilda's vader op. Bleek van schrik riep hij:
+
+"O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!"
+
+Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch
+erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante
+om den hals en knikte: "Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan
+niet meer klaar komen en 't spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa
+dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!"--
+
+De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles
+wist. Maar nu ze zag, hoe'n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. "Nu,
+kindje," zei ze troostend, "wees maar bedaard, we zullen zien. Kom
+eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld."--Hilda kwam. Toen
+streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden
+over Hilda's japon. En zie--daar is het eenvoudige kleedje in eens
+omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda's voetjes
+steken in fijne goudleeren schoentjes!--De vader sprong van zijn'
+stoel op en wist zich geen' raad van vreugde. En Hilda's tranen,
+of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda's verdriet en berouw? O,
+daar dacht ze al niet meer aan. 't Was nu immers alles nog in orde
+gekomen: ze kon nog met haar vader naar 't feest gaan en--toen ze
+even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die
+lieve, beste fee! 't Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude
+peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda
+gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. "Och," riep nu de fee,
+"laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen,
+dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten."
+
+Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje
+kwam te voorschijn--een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden
+horloge aan een fijnen gouden ketting! "Mij dunkt, lieve kind," zei
+de fee lachende, terwijl ze den ketting om Hilda's hals hing, "een
+beter present kan ik je wel niet geven. 'k Hoop, dat dit dingetje,
+zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar
+leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat
+je in 't rijtuig komt. Veel plezier, kind!"--En voordat Hilda tijd
+had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.
+
+Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige
+rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze
+gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen:
+'k geloof, dat ze veel liever een' armband of zoo iets zou gehad
+hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge
+gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar
+veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers
+ook veel gemakkelijker. Maar-- _dit_ horloge was veel, veel mooier en
+kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En
+ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze
+was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.--
+
+Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een
+heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen
+kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.--
+
+De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half
+uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda
+en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren,
+én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond
+eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! "Dat
+is een goed begin," dacht Hilda's vader, en hij wreef zich de handen
+van plezier over de vriendelijkheid van den prins.
+
+In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het
+duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen
+bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles
+klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was,
+verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst
+om negen uur beginnen--tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen,
+wat hij wilde.
+
+"Kom, Vadertje," zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den
+arm. "Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? 't Zal
+daar zoo heerlijk zijn!"--
+
+"Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de
+groene boomen 't klokje van negen niet vergeten?" fluisterde er op
+eens iemand aan haar oor. 't Was de prins, die bij haar gekomen was,
+zonder dat ze 't merkte. "Denk er aan, dat U me voor 't begin van
+mijn feest een mooi lied beloofd hebt!"
+
+Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van
+gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch
+heel vervelend.--"Zeker, zeker, prins," zei ze daarom maar gauw,
+"U kunt vast op mij rekenen."
+
+Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen
+aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste
+bloemen. Tusschen 't fluweelige gras en langs de keurige paden
+stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote
+vijvers met statige boomen er om heen.
+
+Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal
+stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar
+kostelijk! De bloemen geurden en 't water ruischte, de maan scheen
+helder over 't water, en de lucht was zoo zacht!--Langzaam aan kwamen
+er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk
+alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het
+zachte gras.--Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken
+en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van
+de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den
+vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens
+opzeggen zou. 't Was een heel mooi vers; maar lang, lang--er kwam geen
+eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren--aan uur of tijd
+dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.----
+
+Daar op eens, toen 't vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel
+duidelijk door de stilte van den avond: "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat
+is dat?" riep de man met het vers. "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat
+is dat?" riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen. _Zij_
+behoefde niets te vragen, _zij_ had dadelijk wel begrepen, wie daar
+met zijn helder stemmetje tik, tik gezegd had. "Dank je wel voor de
+boodschap, kleintje," zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare
+hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen
+riep zoo vroolijk: "Komt mee, dames en heeren, 't is tijd voor het
+avondfeest!" Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.
+
+Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar
+ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog
+lachende voor haar en--zei: "Dat noem ik eerst op zijn' tijd passen!"
+
+Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo
+alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en
+toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het
+een lust was. Toen 't lied uit was, kwam er aan 't handengeklap geen
+einde. Maar wie nog 't hardst van allen klapte, dat was de prins,
+die zoo dol veel van zingen hield.--En weer moest Hilda zingen en
+nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de
+hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn' schik geweest
+was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan
+moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar
+haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige
+zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... "O,
+als 't anders niet is," riep de prins lachende, "graag, hoor! En wel
+dadelijk ook!"--Zoo ging Hilda's vader dan met den prins naar eene
+andere kamer, waar ze rustig konden praten.
+
+'t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde:
+dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins,
+weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda
+dankbaar toe. "Verbeeld je," dacht Hilda, "als ik nu eens niet op
+tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou
+dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!"--
+
+'t Was al laat in den nacht, toen Hilda van 't feest naar huis reed.
+
+"Kind," zei haar vader, "wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu
+zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband
+van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!" Hilda
+klapte in de handen van plezier. "Heerlijk, heerlijk!" riep ze. "En
+gaan we hem dan samen koopen morgen?"--"Zeker, zeker, kind! zorg
+dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het
+druk!"--Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best
+uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken,
+die tegen elf uur bij haar zou komen.
+
+Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda
+wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van 't feest en had niet
+den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje
+te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en
+gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige
+zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige
+menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe
+begon dat nog maar weer?...
+
+"Tik, tik, tik, tik!" Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind
+in haar bed en keek verschrikt rond. "Tik, tik, tik, tik!"....
+
+Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep:
+"O, 'k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik,
+tik, tik.... Ja wel, 'k begrijp het: 't is tien uur, en eigenlijk
+moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik,
+tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge,
+maar 't is nu toch al te laat, 'k blijf er nog vijf minuten in!"
+
+En Hilda vlijde haar hoofd weer op 't kussen. Maar--daar klonk het veel
+harder: "tik, tik, tik, tik!"--"Kleine levenmaakster!" riep nu Hilda,
+"kun je me niet met rust laten!"
+
+"Tik, tik, tik, tik, tik!"--"Nu als het dan niet anders kan, zal ik
+je den zin wel geven. Daar ben ik al!" En meteen sprong ze, half boos,
+half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.--
+
+Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en 't was nog
+maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de
+deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader
+was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei
+hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij,
+daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda
+klaar was met het kiezen van een' armband. Wat een armbanden moest
+de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag.
+
+Daar--midden in het drukke gesprek met den goudsmid--wees de klok in
+den winkel elf uur aan. En op 't zelfde oogenblik, daar had je 't weer:
+"Tik, tik, tik, tik!"--"Wat blieft u, Juffrouw?" vroeg de goudsmid. "O,
+niets," zei Hilda, "'t is mijn horloge maar.--En hoeveel kost die
+armband, zei U?"--"Tik, tik, tik, tik!".... klonk het weer. "Ja,
+ja, weet 'k er alles van," bromde Hilda ongeduldig in zichzelf,
+"'t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje
+wachten, ik kan niet dadelijk weg." Toen weer tegen den goudsmid:
+"Dat is toch wel wat duur. Zou...."
+
+Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. "Neen maar, dat
+gezeur is niet om uit te staan," riep Hilda nu. "Zóó laat ik niet
+den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende
+horloge maar in Uw' zak. Misschien houdt het zich dan stil." Maar ja
+wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak,
+en toen Hilda's vader even op de stoep van den winkel ging staan,
+om een' vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge
+uit de verte toch nog met eene zware stem: "tak, tak, tak, tak!"
+
+Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om
+te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den
+winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel
+niet anders doen, dan heengaan en 't horloge zijn' zin geven. Daarom
+deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk
+werd het horloge zoo stil als eene muis.--
+
+Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar
+toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe
+patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu
+was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet
+niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig
+naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat
+gebeurde--'t wees juist even vóór twaalven. "O, heden," dacht Hilda,
+"al zoo laat! 'k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te
+zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je
+wat: ik breng 't horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te
+vertellen, dat ik op mijn' tijd moet passen, en 'k heb nu eens geen'
+zin, gestoord te worden!"--Ze nam dus het horloge van de tafel, ging
+er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la
+van eene kast.
+
+Maar--pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw
+beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. "Tok, tok, tok,
+tok!" klonk het door de kamer, 't Was net een geluid, alsof er vlak bij
+gehamerd werd. "Hé, wat is dat toch, Juffrouw?" riep de naaister. "O,
+niets," zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. "Hebben we deze stalen
+al gezien?"
+
+"Tok, tok, tok, tok...."--"Maar Juffrouw," riep de naaister angstig,
+"zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?"--"Och kom," zei Hilda
+bedaard, maar hare vingers beefden, "'t is heusch niets. Wil U me
+die plaat nog eens aangeven?"
+
+"_Tok, tok, tok, tok...._" Het horloge--je hebt natuurlijk evengoed
+als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan
+kwam--het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte,
+hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. 't
+Werd zóó erg op 't laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan
+de naaister laten gaan.
+
+Verdrietig, dat ze was! "Lastig, naar horloge," pruttelde ze, "hoe
+kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van
+en kan heelemaal niet meer doen met mijn' tijd, wat ik wil." Maar
+al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het
+leven in de kast op. 't Horloge was tevreden.
+
+De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten
+wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al
+aan tafel kwam. "Wel, meisje," riep hij: "zoo mooi op tijd! Dat is
+lief van je: 'k heb erge haast vandaag." Hilda kreeg weer eene kleur:
+ze wist wel, dat ze 't prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze
+dacht ook: "Als ik Papa er zoo'n groot plezier mee doe, wil ik toch
+later uit mezelf beter op den tijd letten." Van de geschiedenis met
+het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.--
+
+Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht
+binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw
+wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude
+man. Bedelen deed hij niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had
+hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen
+was, nog wel eens bij haar aankloppen.--Maar nu kon ze toch moeilijk
+van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. "Laat hij straks
+om twee uur maar terugkomen," zei ze daarom tegen den knecht.
+
+Toen 't maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje
+te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig
+vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk
+laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde
+geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze
+las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene
+hoofdstuk na het andere, totdat ze aan 't mooiste gedeelte van 't
+verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen
+en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. "Hè, wat is
+lezen toch heerlijk," dacht ze, "'k zou wel al door kunnen gaan. En,
+nu krijg ik 't mooiste nog. 'k Hoop maar niet, dat iemand me storen
+komt. Zou 't al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee,
+dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan 't praten is,
+is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben--'k
+wil mijn boek uitlezen." Gauw schelde ze het kamermeisje en zei:
+"Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor
+hem te spreken ben. Morgen, hoor!"
+
+Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets
+te binnen schoot, "'t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef,"
+riep ze, "dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies,
+wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het
+weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?--O, 'k weet het al!" En
+vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap
+af en zóó in eenen door, tot ze--in den kelder was. Daar stopte ze
+het horloge in een donkeren hoek en wip--weg was ze weer. Een paar
+minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de
+hand. "Ziezoo," dacht ze, "roep me nu maar, ik hoor je toch niet."
+
+Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat
+was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat
+de juffrouw niet voor hem te spreken was. "Och, och," zuchtte hij,
+"wat spijt me dat!" Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan,
+toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. "Paf, paf, paf,
+paf!" ... 't was, of er geweren afgeschoten werden.
+
+Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen
+toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. "Paf, paf, paf,
+paf..." in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de
+spiegels dansten aan den muur.
+
+Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. "Hoort U 't wel,
+Juffrouw?" riep ze. Nu, òf Hilda 't gehoord had: ze was ook van schrik
+opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.
+
+"_Paf, paf, paf, paf ....!_" 't Geluid werd nog harder. Een mooi
+beeldje op de schrijftafel viel en brak. "O, Juffrouw, wat zou het
+toch zijn," schreide Roosje met de handen voor 't gezicht.--Hilda gaf
+geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar 't geluid vandaan kwam. 't
+Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den
+kelder toeriep: "Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!"
+
+"Goed, goed, ik ga al," zei Hilda, zonder dat ze 't wist, hardop. En
+pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan,
+of--de slagen hielden op.
+
+En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen
+Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere,
+bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot
+medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten
+sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn
+lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en
+zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde
+te lijden.
+
+'k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man
+was en--hoe'n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn
+weg was. Boos op het horloge was ze in 't geheel niet meer: ja, ze
+schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze
+haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje
+in den kelder en nam het mee naar hare kamer. "Ziezoo," dacht ze,
+"nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen."
+
+Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen
+keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te
+kleeden. Toen 't rijtuig voor de deur was, stond "Juffertje Te Laat"
+wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen.
+
+Maar--juist op 't oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan--wie komt
+me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda
+toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om
+den hals en kust haar op beide wangen.
+
+Wie was dat dan toch wel!--Ik zal 't je vertellen. Die boerenvrouw
+had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later
+een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer
+had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden
+oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda
+gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.--Later
+was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon
+ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam
+ze "haar kind," zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan
+altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het
+lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was
+lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En
+dan--'t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar
+Hilda woonde. Maar ze was op 't laatst zoo naar haar "kind" gaan
+verlangen, dat ze 't niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!--
+
+Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in 't rijtuig
+stappen, om naar 't bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven
+en--den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer
+vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: "Och,
+och, wat spijt me dat! En 't zal wel voor de laatste maal zijn,
+dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer
+leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me
+zóó op verheugd had!"
+
+Je begrijpt: 't was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk
+veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na
+zoo'n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig,
+dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had--en dat wil wat
+zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch
+moeilijk van 't bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te
+doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.
+
+"Hoor eens," zei ze vriendelijk, "ik weet wat! Ik zal maar een
+paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig
+uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?" Ja, ja, dat was
+heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar
+een' kus op de rimpelige wangen en wipte in 't rijtuig. Flip, flap,
+ging de zweep, en voort draafden de paarden.--
+
+Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze
+dat ook werkelijk. Maar nu ze in 't rijtuig zat, begon ze zich hoe
+langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En--ze begon het
+jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar
+dansen maar en--ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den
+prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw
+al weer naar huis te gaan!--Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur,
+dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja,
+tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot
+haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als
+'t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het
+haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens
+leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren
+en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze
+zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig
+op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het
+rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. "Juist goed,"
+dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog,
+dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen,
+het niet hoorde, stak de hand naar buiten en--daar lag het horloge
+aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.--"Hè, dat is
+gebeurd," dacht Hilda tevreden, "nu ben ik er voor goed af."
+
+Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal
+gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans
+danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder
+noemde haar de koningin van 't bal. Wat klopte Hilda's hartje van
+plezier! In 't begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest;
+want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht te
+hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot
+misschien zóó liggen te zuchten, dat ze 't hier hooren kon?
+
+'t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het
+boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal
+uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en
+ook--hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen
+op haar zat te wachten. En op 't laatst dacht ze nergens anders meer
+aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in 't rond, lachte,
+praatte.....
+
+Maar hemel, wat was dat! "Boem, boem, boem, boem!" klonk het door
+de zaal. Alles dreunde en kraakte, 't Was, of er vlak bij kanonnen
+werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen,
+en alle gasten liepen angstig door elkaar.
+
+En het bleef niet bij een paar slagen: 't ging maar zonder ophouden:
+boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden
+het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar
+vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.--
+
+En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. _Toch_
+het horloge! 't Was, of het zeggen wou: "Stop me maar weg, zoover je
+wilt: ik laat je niet met rust, je _zult_ me hooren!"
+
+Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war,
+dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor 't gezicht en
+begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen,
+die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur
+uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de
+voeten, de straat op.
+
+Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard
+naar huis was gereden, dan zou het horloge op 't zelfde oogenblik
+stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote
+verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame
+straten, altijd maar den kant uit, waar 't geluid vandaan kwam. De
+voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind
+blies haar om 't hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen
+voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar
+af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette
+nergens op: ze liep maar voort, altijd voort. En onderwijl dreunde
+het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.
+
+Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad,
+dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was
+al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels
+en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde
+Hilda haar dunne kleedje aan een' struik, wel gleed ze telkens uit;
+maar wat kon haar dat alles schelen, als ze 't horloge maar had!--En
+ja, daar zag ze het glinsteren in 't maanlicht, daar had ze het in
+de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien
+verging er Hilda bij.
+
+"O, wat ben je toch een afschuwelijk ding," riep ze bevende van
+boosheid, "ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan,
+ik zal....."
+
+En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien--toen
+ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte.
+
+Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór
+haar?.... Niemand anders dan--de fee!
+
+Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.
+
+En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: "Maar
+kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het
+horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te
+worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?--En meen je nu
+heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je 't horloge tegen
+den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor
+niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan
+het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet,
+dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar 't andere
+eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen
+en zeeën heen. 't Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd
+te doen, wat je doen moet!"
+
+Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda's hals. Hilda's
+oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee
+hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei:
+"Kindlief, denk toch nooit: 't horloge is mijn vijand, het wil me
+plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: 't horloge
+is een vriend, die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend
+gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je
+dan om je heen zult zien en hoe 'n prettig, tevreden gevoel je zelf
+altijd zult hebben!--Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk
+aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig
+op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal 'Juffertje Te Laat'
+heette? 'k Geloof er niets van!--Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig
+eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn
+stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te
+worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.--Dag, lieveling!"
+
+Toen kuste de fee Hilda op 't voorhoofd en.....
+
+Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu
+zag. Als door een' tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd
+balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar--ze zat in
+haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de
+tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar,
+tevreden gezicht en stak haar de hand toe.--
+
+Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan,
+behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde.
+
+De fee--was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.--En
+hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd
+Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en
+van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel
+raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel
+dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer
+naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: "Tik, tik, tik,
+tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!"--Ja, eene enkele maal
+moest het nog wel roepen: "_Tik, tik, tik!_" Maar nooit meer: "Tak,
+tak, tak!" En nog veel minder: "Tok, tok, tok!" of "Boem, boem, boem!"
+
+Dat was alleen in den tijd van "Juffertje Te Laat". En die bestond
+nu niet meer.
+
+
+
+
+DE VISSCHER EN ZIJNE VROUW.
+
+
+Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel
+armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een' mesthoop, niet ver van
+de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en
+hij vischte.
+
+Zoo zat hij ook eens bij zijn' hengel, en hij tuurde in het heldere
+water: en hij tuurde en tuurde.
+
+Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij
+hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: "Och,
+visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben
+een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij dood maakt, ik
+zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in 't water en laat mij
+zwemmen."--"Nu," zei de visscher, "je behoeft niet zooveel woorden
+te gebruiken: een' bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten
+zwemmen." Met liet hij hem weer in 't heldere water; daar ging de
+bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen
+stond de visscher op en ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje
+bij den mesthoop.
+
+"Man," zei de vrouw, "heb je niets gevangen?"--"Neen," zei de man,
+"ik ving een' bot, die zei, dat hij een betooverde prins was: toen
+heb ik hem weer laten zwemmen."--"Heb je je dan niets gewenscht?" zei
+de vrouw. "Neen," zei de man, "wat zou ik mij wenschen?"--"Ach,"
+zei de vrouw, "'t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een'
+mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, je hadt ons toch een klein
+huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we
+wenschten ons een klein huisje, hij doet het wel."--"Ach," zei de man,
+"waarom zal ik er nog heengaan?"--"Heden nog toe," zei de vrouw,
+"je hebt hem toch gevangen en hem weer laten zwemmen, hij doet het
+natuurlijk. Ga dadelijk heen."
+
+De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw
+ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee.
+
+Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik
+later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. Maar 't water
+bewoog zich niet: 't was stil. Hij ging aan den oever staan en riep:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zoo als ik wel wil."
+
+
+Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: "Zoo, wat wil ze dan?"--
+"Ach," zei de man, "nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen,
+ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje
+bij een' mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben."
+
+"Ga maar heen," zei de bot, "ze heeft het al."
+
+Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje
+bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond een aardig steenen
+huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem
+bij de hand en zei: "Nu ga maar eens mee binnen: kijk, zoo is het
+toch veel beter." En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig
+portaaltje en eene mooie kamer en eene slaapkamer met twee bedden' en
+eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper
+aan den wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En
+achter 't huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder
+naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en
+andere vruchten. "Zie," zei de vrouw, "is dat nu niet aardig?"--"Ja,"
+zei de man, "nu is 't goed, en nu zal 't ook goed blijven, nu willen
+we tevreden leven."--"Daar zullen we nog eens over denken," zei de
+vrouw. En ze aten wat en gingen in bed.
+
+Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: "Hoor eens,
+man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek en de tuin
+zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen
+geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen wonen: ga naar den bot
+en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet."--
+
+"Ach, vrouw," zei de man, "het huisje is immers goed genoeg, wat
+hebben we een aan kasteel?"--
+
+"Och, kom," zei de vrouw, "de bot kan het gemakkelijk doen."--"Neen,
+vrouw," zei de man, "de bot heeft ons eerst het huisje gegeven, ik
+heb geen' lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig om
+worden."--"Kom, ga toch heen," zei de vrouw, "hij kan het gemakkelijk
+doen en wil het graag doen." Het werd den man zoo zwaar om 't hart,
+hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: "'t is
+verkeerd;" maar hij ging toch.
+
+Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart
+en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo benauwd.
+
+Toen ging hij staan en riep:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zoo als ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot.
+
+"Och," zei de man, half treurig: "nu wil ze in een kasteel wonen." "Ga
+maar heen," zei de bot, "ze staat al voor de deur."
+
+Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje
+moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, en op
+de trap van 't kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen
+gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: "Kom maar binnen." Hij ging
+met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren
+vloersteenen. En 't was er vol bedienden, die gooiden groote dubbele
+deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de
+zalen stonden stoelen en tafels van klinkklaar goud, en kristallen
+kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige
+vloerkleeden. En de tafels bogen onder de zwaarte van al het eten. En
+achter het huis was ook een groot plein met een' koestal en een'
+paardenstal en een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder
+naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne
+vruchtboomen, en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl,
+en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar
+wenschen kon.
+
+"Nu," zei de vrouw, "is dat nu niet mooi?"--"Och, ja," zei de man,
+"'t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we in het
+prachtige kasteel wonen en tevreden wezen."--"Daar zullen we nog
+eens over denken," zei de vrouw, "daar zullen we ons nog eens op
+beslapen." En zoo gingen ze naar bed.
+
+Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging
+overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk
+uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten;
+maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens uit: daar
+stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: "Kijk toch eens
+uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! Zeg, we moesten
+koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg,
+dat we koning en koningin willen wezen."
+
+"Och, vrouw," zei de man, "wat zal het beduiden, dat wij koning
+en koningin zijn. Ik heb er geen' zin in, ik mag niet graag koning
+zijn."-- "Nu," zei de vrouw, "mag jij niet graag koning zijn, ik mag
+wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, dat ik koningin
+wil worden."--"Ach, vrouw," zei de man, "wat zal 't beduiden, dat
+jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, dat wil ik liever niet
+vragen."--"Kom, waarom niet," zei de vrouw, "je gaat straks maar heen
+en zegt, dat ik koningin wil worden."
+
+En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo
+naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet goed, dacht
+hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee.
+
+En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en
+kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, en er ging
+een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er
+van. Toen ging de man staan en riep:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zooals ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach," zei de man, "ze wil koningin
+worden."--"Ga, maar heen, zij is 't al," zei de bot.
+
+En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij,
+dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig
+lofwerk en beelden: een heel paleis.
+
+En voor 't paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis
+marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en op pauken
+slaan. En toen hij in 't paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de
+vloer, maar de gangen en alles van marmer was, met gouden randen
+afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden
+koorden en kwasten. Toen gingen de deuren van de groote zaal open,
+en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw
+zat op een hoogen gouden troon met fonkelende diamanten, en ze had
+eene prachtige kroon op en een' scepter in de hand van zuiver goud
+en edelgesteenten, en aan weerszijden van haar stonden de hofdames
+in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was
+dan de eerste en weer eene kleinere, en zoo al door.
+
+Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: "Och, vrouw, ben je
+nu koningin?"--"Ja," zei de vrouw, "nu ben ik koningin!" Toen stond
+de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele
+poos aangekeken had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat
+jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets
+meer wenschen."--"Och, wat," zei de vrouw, en ze schoof onrustig op
+haren troon heen en weer, "praat mij er niet van. 't Heeft mij al
+weer veel te lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar
+naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan
+worden."--"Och, vrouw!" riep de man, "wat zal het beteekenen, dat je
+keizerin wordt?" "Man," zei ze, ga heen, "ik wil, ik moet keizerin
+worden."--"Och, vrouw," zei de man, "keizerin kan hij je niet maken,
+ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin is nog veel meer
+dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet."
+
+"Hoe durf je zoo te praten!" riep de vrouw, "ik ben de koningin,
+en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, dadelijk,
+hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin
+maken. Ik _wil_ keizerin wezen. Ga dadelijk heen."
+
+Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor
+elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte hij:
+"Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan
+den bot op 't laatst ook wel te veel worden."
+
+Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig,
+en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, en de wolken
+joegen, en 't werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren
+vlogen van de boomen en dwarrelden over den grond, en 't water bruiste
+en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen,
+die dansten op de golven, en de noodschoten knalden, en de hemel was
+vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren
+op de wolken als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was
+de hemel. Alleen in 't midden was nog een plekje blauw te zien. Toen
+werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang:
+
+
+ Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zooals ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach, bot," zei de man, "mijne
+vrouw wil keizerin worden."--"Ga maar heen," zei de bot, "ze is 't al."
+
+En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis
+van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het huis marcheerden
+de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En
+in het paleis liepen baronnen en hertogen en graven rond en deden,
+of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren,
+die van puur goud waren. En toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne
+vrouw op een' troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel
+een huis hoog was, en eene groote gouden kroon had ze op, die was
+wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene
+hand had ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide
+zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje
+kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang
+was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet grooter was
+dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen
+en prinsen. Daar ging de man tusschen staan en hij vroeg: "Ben je
+nu keizerin?"--"Ja," zei ze, "ik ben keizerin." Toen stond de man en
+bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in
+'t gezicht gezien had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt het mooi,
+dat jij keizerin bent." Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom,
+ze verroerde zich niet. Toen zei de man: "Nu wees tevreden vrouw,
+nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden."--"Daar zal ik
+mij eens op bedenken," zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar
+de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen,
+al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden?
+
+De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien
+dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere zijde, en dacht
+maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets
+bedenken. Dat duurde zoo den heelen nacht. Eindelijk zou de zon opgaan,
+en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in 't
+bed zitten en zag in het morgenrood op, en toen ze door het venster de
+zon op zag komen, dacht ze: "Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op
+laten gaan?! En--man," zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan,
+"man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik worden wil
+als onze lieve Heer!"
+
+De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit
+bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou hebben, en
+hij wreef zich de oogen uit en zei: "Och, vrouw, wat zeg je!"--"Man,"
+zei de vrouw, "als de zon en de maan op zullen gaan, dan moet _ik_ ze
+laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe,
+dat hou' ik niet uit, dan heb ik geene rust meer in mijn leven." En
+ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de
+leden ging. "Dadelijk heengaan!" riep ze, "ik wil worden als de
+lieve Heer!"--"Och, vrouw," zei de man, en hij viel voor haar op de
+knieën, "wat ik je bidden mag, laat mij dat niet vragen; dat kan de
+bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en
+blijf keizerin!"
+
+Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het
+hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: "Ik hou' het niet uit,
+en ik hou' het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!" Toen
+schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig de deur uit.
+
+Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet op
+de beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen
+van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden in de zee. De
+lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen
+torenhoog en hadden bruisende witte koppen. Toen schreeuwde de man,
+en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan:
+
+
+ "Mannetje, mannetje Timpetee,
+ Botje, botje in de zee,
+ Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+ Wil niet, zoo als ik wel wil!"
+
+
+"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach!" zei de man, "ze wil worden
+als onze lieve Heer!"--"Ga maar heen, ze zit al weer in het hutje
+bij den mesthoop," zei de bot....
+
+Daar zit ze nog tot op dezen dag.
+
+
+
+
+DE GELUKSKLOK.
+
+
+Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik
+vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel
+eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed
+was wat duur, dan zei Moeder: "Och, ze moet hem maar hebben, we hebben
+ook maar één kind."--Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje
+maar mee. "Och, we hebben er ook maar één," zei Vader. Liesje kreeg,
+wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf--niets. Nooit behoefde ze
+eens hare mooie plaats bij 't raam af te staan aan een zusje, nooit
+was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van
+'t wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze
+kousen voor moest breien--als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel
+zei Moeder eens: "Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader
+breien?" Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten,
+en Vader zei: "Och, laat haar maar, als ze geen' lust heeft."
+
+Dachten Vader en Moeder bij alles: "we hebben maar één kind om plezier
+te doen," Liesje dacht nooit: "Vader en Moeder hebben maar één kind, om
+hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader
+en Moeder graag willen." Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.
+
+Als de meid eens vroeg: "Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij
+even rijst voor me halen?" dan zei Liesje: "Dank je, ik hou' niet
+van boodschappen doen!"--Neen, _zij_ hield niet van boodschappen doen.
+
+Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje
+lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had
+er op dat oogenblik lust in, en of de hond het _niet_ prettig vond,
+dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te
+spinnen, dan zou ze juist met de hand aan 't behang krabbelen, om
+Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.
+
+Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: "Lies, ik zou 't wel aardig
+vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper mag met dit
+mooie weer de deur niet uit, dan was 't: 'Ik heb geen boek!'"--"Je hebt
+immers zooveel boeken!"--"Ja, maar die heb ik allemaal al gelezen!"
+
+_Zij_ had ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet.
+
+Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk
+altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. En de
+schoolmeisjes zeiden niet: "Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze
+is ook eenigst kindje." Neen, de schoolmeisjes zeiden: "Je kunt niet
+altijd je zin hebben', speel ook eens, wat wij prettig vinden!"--Dan
+vond Liesje de meisjes "nare kinderen," maar zelf was ze niet naar,
+och, neen.
+
+Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje
+had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij elkaar,
+en uit was 't met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest
+hooren: "Ik wil niet langer met je!" dan klaagde ze: "Niemand houdt
+van mij!" Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: "Met
+de liefde is het als met de echo. Alleen, wanneer men geluid maakt,
+kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst,
+kan men liefde terug verwachten."
+
+Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en
+was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een vroolijk
+jonge meisjesleven had ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder
+thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan
+zij zelve. Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en
+vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: "Lize, toe, zoek toch nog eens
+eene vriendin;" maar dan antwoordde Lize: "Ik heb er geen behoefte aan;
+ik heb aan u beiden genoeg." Lize vergat iets: er zou een tijd komen,
+dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden
+overhield, en eindelijk--dat ze niets overhield.--
+
+Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze 't in huis en ook
+in de stad niet langer uithouden. "Ik moet hier weg," snikte ze,
+"ik heb hier toch niemand, die lief voor me is." Ze trok naar een
+dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier eens met
+Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor
+haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje gaan wonen. De buren
+in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een
+onverschillig gezicht. Wat konden die vreemde menschen haar schelen
+met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen
+en geiten--dat waren hare kinderen en koeien en schapen en geiten
+immers niet!
+
+Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat
+daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het dorp geboren,
+het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen
+verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat niemand haar lief had--zóó
+zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen.
+
+O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht?
+
+Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven?
+
+Geduld--ik vertel verder.
+
+Eens op een' zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de
+frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje
+voorbij. "Goeienavond," zegt het mannetje vriendelijk. En toen: "Kom,
+het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige huisje met
+het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij,
+en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes als alles hier er
+uitziet." Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen
+haar prezen en iets vriendelijks zeiden; maar de woorden van het
+oude mannetje deden haar toch plezier, en ze antwoordde: "Ik ken je
+niet. Zeker woon je ver van hier?"
+
+"Ik woon daar ginds, in de bergen," zei het mannetje. "Ik kom hier
+wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker ben je
+niet heel nieuwsgierig uitgevallen."
+
+"Neen," zei Lize, "wat andere menschen doen, kan mij niet
+schelen." "Dat dacht ik wel," zei het mannetje, "je krijgt zeker ook
+nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes
+uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe zal het binnen dan
+wel wezen!"
+
+"Kom maar eens kijken," zei Lize.
+
+"Mag ik? graag!" zei het mannetje.
+
+Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij
+liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de handen
+in elkaar over de netheid van het huisje. "Hier komen zeker nooit
+kinderen?" vroeg hij.
+
+"Kinderen, neen," zei Lize, "die komen overal met de vingers
+aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met
+schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je
+lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?"
+
+"Ik ben horlogemaker," zei het mannetje. "Heb je soms eene klok,
+die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken."
+
+"Daar zeg je zoo iets," zei Lize, "mijne klok staat al eene poos
+stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp geen'
+klokkenmaker. Wil je eens zien, wat er aan hapert? Zoo'n stilstaande
+klok vind ik zoo iets onordelijks."
+
+"Zeker," zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit
+en stapte op een' stoel en bekeek de klok en smeerde de raderen,
+en een oogenblik later tikte de klok weer. "Dank je vriendelijk,"
+zei Lize. "Wat ben ik je schuldig?"
+
+"Niets," zei het mannetje. "Komaan, nu moet ik weer verder. Als
+je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens bij
+mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun
+je niet." "Goed," zei Lize, "ik kom bepaald eens. Ik dank je nog wel!"
+
+"Niet te danken, tot ziens dan," zei het mannetje, en stapte verder.
+
+Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het
+vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien en paarden en
+geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden
+worden. De angst maakte haar half ziek, en ze had geene vrienden, bij
+wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene
+groote wandeling maken; misschien zou ze daar wat fleuriger van worden.
+
+Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat
+viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? Och, neen,
+ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar
+ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al tobbende liep ze verder,
+ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens
+bemerkte ze, dat ze op eene plaats was, die ze niet kende. Daar zag
+ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes
+opstijgen. Gelukkig, daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur
+aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze
+wandelde om den steen heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje
+gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje:
+den kleinen klokkenmaker!
+
+"Hé!" riep het mannetje, "dat is aardig, kom je mij nu eens
+opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen;
+ze zijn net klaar."--"Graag," zei Lize; want ze had honger gekregen
+van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. "Waar is
+toch je huis?" vroeg ze. "Ik zie nergens een huis."--"Zie je die deur
+daar in den berg?" vroeg het mannetje, "dat is mijne huisdeur." Neen
+maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook
+een vensterraam, naast de deur in den berg gebouwd. "Hé," zei ze,
+"dat moet ik eens naderbij zien."--"Met plezier," zei het mannetje,
+"kom maar mee, dan kun je eens zien, of het bij mij ook zoo netjes is
+als bij jou!"--"Wat een grappig deurtje," zei Lize, en ze bukte zich
+om er door te gaan. "Voor mij is het groot genoeg," zei het mannetje.
+
+Nu kwamen ze in eene groote ruimte; 't leek wel eene boerenkamer. Aan
+den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat was ook wel
+noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond
+eene prachtige kast aan den wand, en in de deuren waren kleine dwergjes
+gesneden. 't Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen. Het
+dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast
+open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene kopjes en
+schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit
+gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: steen, waar goud in
+zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout
+van eene soort, die Lize nog nooit gezien had. En het mannetje vatte
+alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats,
+of elk ding een groote schat was.
+
+Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene
+reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat toch
+voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot
+er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar achter zal nog
+wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje
+dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd geluid: een ratelen,
+een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken.
+
+Nu zei het mannetje: "Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan
+zitten, daar is 't veel frisscher."--"Ja," zei Lize, "maar, zeg,
+wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote
+hangslot?"--"O," zei het mannetje, "daar zit eene klok achter,"
+en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond,
+dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, maar ze was zoo heel
+nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom
+zei ze: "Toe, laat mij haar maar eens zien, ik heb jou ook alles
+laten zien, wat ik in mijn huisje had."--"Neen, dat kan niet," riep
+het mannetje onwillig. "Bovendien, je zou er ook niets aan hebben,
+want 't is geene gewone klok, 't is de geluksklok van ons dorp, en
+vertel nu maar aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou
+ik mijn' dienst verliezen."--"Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu
+iets vertellen!" riep Lize, "ik kom immers nooit bij andere menschen,
+en niemand komt bij mij." En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger
+werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo
+lang, dat het mannetje zei: "Nu, kom dan maar, maar vergeet nooit,
+dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam,
+dat ik je de klok had laten zien!"
+
+Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengen
+piepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het
+met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat waren,
+in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden
+eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, maar veel meer bont
+gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte.
+
+"Hé, hé, vreemd, vreemd!" riep Lize, "ik begrijp er niets van."--"Dat
+wil ik wel gelooven," zei het mannetje, "'t is ook iets heel bijzonders
+met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te
+zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat verzeker ik je. Altijd moet
+ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een
+uur van huis. 's Nachts slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd
+voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig
+uren blijft de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur,
+en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan
+blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet
+oppassen, dat niemand de klok kan zien. 't Is moeilijk, altijd precies
+om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te
+blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook al niet zoo heel jong meer."--
+
+Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. "Maar, wat
+moeten al die cijfers toch beduiden?" vroeg ze. "Dat zijn de huizen
+van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen,
+die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond en wijzen aan,
+wat er zoo al in ieders leven gebeurt."
+
+Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze,
+dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer kwam. "Wat
+beduidt die lange zwarte?" vroeg Lize. "Die brengt ongeluk aan,"
+zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur weer dicht; want hij
+had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize's nummer liep, en hij
+hoopte nog, dat Lize er niets van gemerkt had. Maar Lize had wel iets
+gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig.
+
+Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op
+eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het mannetje voor
+de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis.
+
+'t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet
+op, ze stapte in den droom voort: al hare gedachten waren bij de
+geluksklok. Voordat ze 't wist, was ze weer in 't dorp. Overal brandden
+de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen' lust meer, om
+licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo'n verdriet. Lusteloos
+viel ze op een' stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen,
+ze dacht alleen aan het ongeluk, dat haar naderde. "Waarmee heb ik
+dat verdiend?" dacht ze. "Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor
+alles, wat ik bezit, ben ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens
+bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen,
+die wel eens verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en
+niet een ander!" Met afgunst dacht ze aan al de anderen op 't dorp,
+die niet ongelukkig zouden worden.
+
+Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en
+verdrietiger en ongeruster. Plotseling--daar sloeg de klok twaalf! Lize
+sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was
+te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op straat en liep ze
+den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze
+voor de deur van het berghuisje. En--de deur van het huisje was open,
+en de deur voor de klok was open en--o, wonder! het mannetje lag voor
+de open klokdeur en--sliep! Hij had de klok niet gehoord, hij had de
+klokdeur niet open hooren gaan! 't Was, of het zoo wezen moest.
+
+Lize sloop vooruit--voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over
+het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. 't Was,
+of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten
+wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte oogen
+op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag,
+'t was of die doorzichtig was. En--wat zag ze er doorheen? Ze zag
+den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek
+over den grond kruipen. De bak met eten stond onaangeroerd--de droge
+tong hing het arme dier uit den bek. "Waarom juist mijne geit, o,
+o, ik kan dat niet zien," dacht Lize. "Waarom niet de geit van den
+kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen
+schuld zijn been gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht,
+ik schuif den wijzer één nummer verder." Pas had Lize den wijzer
+verschoven, of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze
+verschrikt wegvloog. Bijna was ze over de beenen van het mannetje
+gevallen--zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker
+gemaakt, en doodsangstig, wat er nu gebeuren zou, verstopte ze zich
+in een donker hoekje in de kamer.
+
+Maar--het mannetje _was_ wakker geworden, en hij wist haar wel te
+vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste
+haar recht voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met
+de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen
+timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit
+toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon hij niet meer aan
+'t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar
+dat was niet zooveel, dat ze een huisje met een kleinen stal konden
+bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De
+timmerman zat met het hoofd in beide handen te zuchten. De vrouw
+veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een' traan weg, en twee
+kleine kinderen trokken haar aan den rok en riepen: "Toe, Moeder,
+geef ons nu pap!"--"Stil toch!" riep de vader verdrietig. Maar
+de kinderen keken de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder:
+"Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit
+ziek is en nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus;
+die brengen geld mee, om brood te koopen."
+
+Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden
+den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren doodmoe en hadden
+honger ook. De eerste vraag was: "Is de pap klaar, Moeder?" Toen begon
+de moeder te schreien. En de Vader vroeg: "Waar is het geld?" Toen de
+kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: "Is dat alles? Dat heb
+ik noodig, om wilgeteenen voor de korven te koopen. Voor brood blijft
+er niets over."--"Maar, Vader," riep de moeder, "de kinderen kunnen
+toch niet verhongeren, ze moeten toch eten hebben!"--"Dan moeten ze
+maar wachten, tot de geit weer beter is," zei de vader. "Wie weet,
+of die wel ooit weer beter wordt," zuchtte de moeder.--
+
+Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon
+zooveel ellende niet meer zien. "O," riep ze, "draai den wijzer weer
+op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven."--Daar
+sloeg op eens de deur voor de klok dicht. "Kom morgennacht om twaalf
+uur terug," zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten
+zijn huisje.
+
+Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de
+deur open draaide. Maar 't was, of ze geen plezier in de beterschap
+van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van
+den timmerman met al de ongelukkige stumpers van menschen. 's Nachts
+droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze 's morgens bij 't
+opstaan. Zouden de kinderen nu al eten gehad hebben? Het hart klopte
+haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze
+kon de boterham niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist,
+wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze
+voor de deur van den timmerman.
+
+Toen ze binnenkwam, zett'en allen groote oogen op. Was dat de
+buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize schaamde
+zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen
+en hapten al gauw in eene lekkere boterham, en de moeder keek haar
+zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg
+zoo'n heerlijk gevoel, als ze nog nooit in haar leven gehad had. "Als
+je soms uit werken wilt gaan," zei ze, "stuur de kleine kinderen dan
+maar bij mij. Ik zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij
+eten." De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand.
+
+Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de
+dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei kleinigheden
+te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar
+hoe later het werd, hoe meer Lize's prettig gevoel verdween. Toen ze
+eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde
+ze, dat ze nu zichzelf in 't ongeluk moest brengen. Haar geit was zoo'n
+prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat
+ze de geit van de arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven;
+maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: 't was
+toch beter, dat die stierf dan eene geit. 't Was waar, hij leidde
+wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere
+hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman;
+want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. En dan,
+het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje
+langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht ze nooit iets,
+als de oude man met koopwaar aan de deur kwam.
+
+Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlug den
+zwarten wijzer naar 't huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok
+te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist Lize ook vooruit, wat
+er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam
+de kleine klokkenmaker haar bij de hand en plaatste haar voor de klok.
+
+Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van
+den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist zijn
+middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij
+den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had geen' lust
+in eten. Treurig keek hij zijn' baas aan. Dat zag de blinde baas
+niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders altijd zoo blij met
+zijn eten, niet at. "Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je
+dan een lekker hapje van den baas?" Maar Karo wou ook geen lekker
+hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op
+zijne knie. De blinde man tastte nu naar den neus van het dier, en
+toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust
+voorbij: hij schoof zijn bord op zij.
+
+Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed--de
+hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen van
+het bed en legde het op den vloer. "Kom, hier, Karo! beste hond,
+ga maar koesten." De hond kroop op het kussen en likte hem de
+handen. De tong was droog en heet. "O, Karo," zuchtte de blinde,
+"word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb mij zoo aan je
+gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!" De hond
+kwispelde lusteloos met den staart; maar toen de oude man weer in
+zijn' stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan
+zijne voeten liggen.
+
+Toen Lize dat zag zei ze: "Zoo'n hond heeft toch ook waarde! wat een
+trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder gemist
+kunnen worden."--"Bedenk je goed," zei het mannetje, "meer dan drie
+keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. Morgen is het dus
+de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den
+meester kijken, of de poes daar wel zoo best gemist kan worden, als
+je meent, anders krijg je misschien weer berouw."--"Ja, dat is goed,
+dat zal ik doen," zei Lize, en zuchtende ging ze naar huis.
+
+Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond
+voor zich. 's Morgens was haar eerste gedachte, hoe het er wel mee
+wezen zou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen' tijd had, aan zich zelf
+en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op 't laatst kon ze 't in
+huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn' hond nog niet
+zien loopen, ze had den hond nog geen eenen keer hooren blaffen. Ze
+zou er maar eens heengaan. Wacht--ze had vleesch op schotel, dat zou
+ze voor den armen man meenemen. Misschien, dat de arme zieke hond er
+ook een stukje van lustte.
+
+Ze stapte naar den overkant. "Zoo, buurman," zei ze, "ik kom eens naar
+je kijken, 'k Zag je niet met den hond de deur uitkomen van morgen,
+hoe komt dat zoo?"--"Och," zei de blinde, "is de juffrouw van hierover
+daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd wel tegen de menschen
+gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt." Lize
+kleurde verschrikkelijk en was maar blij, dat haar buurman het niet
+zag. "Och," zei de blinde verder, "ik kan niet uitgaan, mijn trouwe
+leidsman is ziek. Kijk hij eens lusteloos neerliggen."
+
+Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar
+verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom heb je mij
+zoo ziek gemaakt! "Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,"
+zei ze. "Probeer eens, of de hond daar ook een stukje van lust." De
+blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had
+het arme beest trek.
+
+Zijn baas zuchtte. "Och, Juffrouw," zei hij, "als ik dat beest
+moest missen, zou ik mij geen' raad weten. Geen mensch is zoo lief
+en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles,
+wil U wel gelooven ...." "Ik geloof, dat er iemand bij mijne deur
+is," zei Lize. "Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!" Ze kon
+niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. "Mijne schuld! mijne
+schuld!" dacht ze aanhoudend. "O, je moest ook eens weten, wie je
+zoo ongelukkig gemaakt heeft!"
+
+Nu was het bijna een geluk, dat 's middags de kinderen van den
+timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden
+zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en
+daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit
+geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes
+zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze
+ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize,
+dat het toch ook wel aardig was, anderen plezier te doen. De menschen,
+die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: "Kijk die eens!" en
+voor 't eerst riepen ze Lize een vriendelijk: "Dag, Juffrouw!" toe.
+
+Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: "Nu wordt het
+tijd om naar Meester te gaan." Vóórdat ze weer naar de klok ging,
+moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou
+zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel
+van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar
+één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen,
+wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.
+
+Toen ze bij 't huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze
+riep: "Poes, Poes! Mies! Mies!" Dat trof nu al heel raar. Lize bleef
+staan en vroeg: "Is uwe poes weggeloopen?"--"Ja," zei de meestersvrouw,
+"en 't kleine meisje heeft zoo'n verlangen naar het dier."--"Hoe is het
+met uw klein meisje?" vroeg Lize. "Niet zoo heel best," zei de vrouw,
+"ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar
+eens zien."
+
+Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in
+haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze
+keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe
+oogen vragend aan. "Wacht een poosje, Marietje," zei de moeder, "er
+is visite. Poes zal zóó wel komen." Een oogenblikje hield het kind
+zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de
+reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: "Komt niet!" De moeder
+bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. "Kom,"
+zei de moeder, "ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen." Het
+kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize
+haar zachtjes schreien.
+
+Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar
+het bedje van 't kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en
+liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize
+iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. "Mijn
+lieve, lieve Poeke," riep het kind, "mag niet weer weggaan!"--"O,"
+zei de moeder, "dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt,
+bij Poes kan ze altijd troost vinden."
+
+Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk
+wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide
+den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok
+niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De
+oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.
+
+Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in
+rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize
+had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. 't Was, of ze 't nu voor
+'t eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze
+in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja,
+daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het
+dier een bos versch stroo, om op te liggen en een' bak vol schoon
+water. "Arm geitje," zei ze, "dat is alles, wat ik voor je kan doen op
+'t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die
+nog iets kan geven, dat je goed doet." Maar toen Lize den volgenden
+morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar
+uit de oogen, maar toch zei ze: "'t Is zoo het beste."
+
+Toen Lize nog aan 't ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk
+geblaf. Ze liep in het tuintje voor 't huis. Daar zag ze haar
+overbuurman met zijn trouwen Karo. "Zoo, buurman," riep ze, "al zoo
+vroeg op 't pad?"--"Ja," antwoordde de blinde, "ik kon 't van plezier
+niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is
+heelemaal weer beter!"--"Och, daar ben ik blij om," zei Lize, "je kon
+hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven."--"Och,
+Juffrouw," zei de blinde, "wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo
+nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!"
+
+Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord,
+dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo
+verschrikkelijk! "Zoo'n beste, melkgevende geit!"--"Ja," zei Lize,
+"'t is naar, maar 't is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit
+niet is. Ik kan me er beter zonder redden."--"Hoe lief van U, dat
+te zeggen," zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen
+ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch--o,
+het gaf haar zoo'n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had.
+
+'s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan
+de hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een'
+pot met vette melk. "Ik dacht," zei de meestersvrouw, "nu U geene
+melk van de geit kon krijgen...,"--"Dat is aardig," zei Lize. "Is
+Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit
+voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes
+had." Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar
+zoo dankbaar in de oogen. 't Was, of die twee elkaar voor altijd
+trouwe vriendschap beloofden.
+
+Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot
+uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen
+weg. Dan kwam het ongeluk in 't eene, dan in 't andere huis. Als Lize
+hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare
+gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging
+ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit
+dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het
+geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.
+
+Eens vroeg de vrouw van den meester haar: "Zeg me toch eens, hoe het
+zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van
+je, nu hebben groot en klein je lief."
+
+Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het
+mannetje en de geluksklok vertellen.
+
+"Och," zei ze, "ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens
+beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb
+ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat
+mijne juffrouw op school altijd zei: 'De liefde is als de echo, die
+ongeroepen stom blijft.' Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug:
+ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn
+leven ben ik zoo gelukkig geweest."
+
+Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht
+genas en haar gelukkig maakte.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by
+Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***
+
+***** This file should be named 18429-8.txt or 18429-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/4/2/18429/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/18429-8.zip b/18429-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..9f60c14
--- /dev/null
+++ b/18429-8.zip
Binary files differ
diff --git a/18429-h.zip b/18429-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..dfd8806
--- /dev/null
+++ b/18429-h.zip
Binary files differ
diff --git a/18429-h/18429-h.htm b/18429-h/18429-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..8371ac1
--- /dev/null
+++ b/18429-h/18429-h.htm
@@ -0,0 +1,6763 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>Zonnestralen: in school en huis, derde bundel</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Henr. Dietz en Kath. Leopold">
+<meta name="DC.Creator" content="Henr. Dietz en Kath. Leopold">
+<meta name="DC.Title" content="Zonnestralen: in school en huis, derde bundel">
+<meta name="DC.Date" content="### 2006">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16% 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+/****** Title Page ******/
+
+h1.docTitle
+{
+font-size: 1.6em;
+line-height: 2em;
+}
+
+h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle
+{
+text-align: center;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size: 1.1em;
+line-height: 1.44em;
+font-weight: normal;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: normal;
+}
+
+/******* Headers ******/
+
+.div0
+{
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-bottom: 1.44em;
+}
+
+.div2
+{
+padding-bottom: 1.2em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-bottom: 1.0em;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+clear: both;
+}
+
+h1
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h1.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h2
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h2.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h3
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h4
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left: 10%;
+margin-right: 10%;
+}
+
+h5
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+h6
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+/****** Paragraphs ******/
+
+p
+{
+text-indent: 0;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align: left;
+}
+
+.aligncenter
+{
+text-align: center;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align: right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align: justify;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin: 0em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.line
+{
+margin: 0 10% 0 10%;
+}
+
+p.beforeline, p.afterline
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+p.initial
+{
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument, p.note
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument
+{
+margin: 1.58em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.quote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+div.blockquote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+
+/****** Figures ******/
+
+div.divFigure
+{
+text-align: center;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+text-align: center;
+}
+
+p.figure, p.legend
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+
+p.smallprint, li.smallprint
+{
+font-size: 80%;
+color: #666666;
+}
+
+/* Special cases for Filipino Riddles */
+
+p.question
+{
+text-align: left;
+margin-bottom: 0em;
+}
+
+p.answer
+{
+text-align: right;
+margin-top: 0em;
+}
+
+p.explanation
+{
+margin-left: 0.9em;
+margin-right: 0.9em;
+font-size: smaller;
+}
+
+
+/****** Sidenotes ******/
+
+.leftnote
+{
+position:absolute;
+left:1%;
+height:0em;
+width:14%;
+font-size: 0.8em;
+text-indent: 0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+/****** Page Numbers ******/
+
+.pagenum
+{
+display: inline;
+font-size: 70%;
+text-align: right;
+position: absolute; right: 1%;
+padding: 0 0 0 0;
+margin: 0 0 0 0;
+}
+
+.pagenum a
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+
+/****** Footnotes ******/
+
+a.noteref:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+vertical-align: 0.25em;
+text-decoration: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+padding: 0 0 0 0;
+margin-top: 1em;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+width: 25%;
+text-align: left;
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0.5em;
+margin-bottom: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align: left;
+width: 2em;
+}
+
+/****** Poetry ******/
+
+div.poem
+{
+text-align: left;
+margin-left: 5%;
+width: 90%;
+position: relative;
+}
+
+.poem h4
+{
+margin-left: 5em;
+font-weight: normal;
+text-decoration: underline;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+position: absolute;
+top: auto;
+left: -2.5em;
+margin: 0;
+text-indent: 0;
+font-size: 90%;
+text-align: center;
+width: 1.75em;
+color: #777;
+}
+
+.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; }
+.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; }
+.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; }
+.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; }
+.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; }
+.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; }
+.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; }
+.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; }
+.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; }
+.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; }
+
+
+
+/****** Annotations ******/
+
+span.corr
+{
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+
+
+/****** Anchors ******/
+
+a.hidden:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.hidden
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+hr
+{
+width: 45%;
+margin-top: 1em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+clear: both;
+text-align: center;
+height: 1px;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by
+Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Zonnestralen in School en Huis
+
+Author: Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+Release Date: May 21, 2006 [EBook #18429]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="frontmatter"><h1 class="docTitle">Zonnestralen</h1>
+<h1 class="docTitle">In school en huis.</h1>
+<h2 class="byline">Vertellingen
+<br>
+Door
+<br>
+<span class="docAuthor">Henr. Dietz</span> en <span class="docAuthor">Kath. Leopold</span>,
+<br>
+Onderwijzeressen aan de leerschool, verbonden aan de Kweekschool voor Onderwijzeressen, te Groningen.
+<br>
+Derde bundel.&#8212;met 7 platen.
+</h2>
+<h2 class="docImprint">Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900.</h2><p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p class="aligncenter">Stoomdrukkerij van J.B. Wolters
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e90"></a></p>
+<h2>Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#d0e93">De Sprookjesfee.</a></li>
+<li><a href="#d0e180">Van de Pepernoten en den Doedelzak.</a></li>
+<li><a href="#d0e325">Op de Horens genomen.</a></li>
+<li><a href="#d0e506">Een Droom.</a></li>
+<li><a href="#d0e628">Een Dief&#8212;en Geen Dief.</a></li>
+<li><a href="#d0e792">Het Zilveren Lucifersdoosje.</a></li>
+<li><a href="#d0e928">April!</a></li>
+<li><a href="#d0e1079">Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.</a></li>
+<li><a href="#d0e1230">Juist Goed!</a></li>
+<li><a href="#d0e1417">Weer van eene Fee.</a></li>
+<li><a href="#d0e1604">Kalif-Ooievaar.</a></li>
+<li><a href="#d0e1799">Onder den Tooverboom.</a></li>
+<li><a href="#d0e2028">Het betooverde Horloge.</a></li>
+<li><a href="#d0e2315">De Visscher en zijne Vrouw.</a></li>
+<li><a href="#d0e2457">De Geluksklok.</a></li>
+</ul>
+</div><a id="d0e91"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e91">1</a>]</span><div class="bodytext">
+<p class="div1"><a id="d0e93"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>De Sprookjesfee.</h2>
+<p>Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die
+te hooren? Ja, dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar &eacute;&eacute;n, die haar heeft horen vertellen; maar dat was dan ook
+eene prinses, en die prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen
+te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje
+eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde te leeren? Nu&#8212;juist heel veel. Daarom zei haar vader, de
+koning: &#8220;Ons kind moet z&oacute;&oacute;veel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren, om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal
+ook eens luisteren naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor haar plezier. Ik denk maar z&oacute;&oacute;: korenbloemen
+lijken aardig tusschen het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met bloemen vriendelijk om te zien.
+Vertellingen zijn ook de bloemen tusschen al de moeilijke lessen. En&#8212;de korenbloemen doen nog wel schade, want ze nemen van
+het voedsel, dat eigenlijk voor het koren was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind van goede menschen
+vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: z&oacute;&oacute; wil ik niet
+zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is,
+kan ook flink leeren.&#8221;&#8212;Zoo praatte de koning, die de vader was van het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.
+
+<a id="d0e102"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e102">2</a>]</span></p>
+<p>Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd
+dan verteld. Dat kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en met lichtblauw fluweel behangen. V&oacute;&oacute;r de
+deur een ruim fluweelen gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder &#8217;t vertellen, heel stil. Op de fluweelen
+wanden hingen de prachtigste platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen en dieren uit vertellingen.
+Gouden lijsten waren om die platen. Soms ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst, beschilderd
+met madeliefjes.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes
+met gekleurde ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het
+prinsesje. En in dat tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in een grooten leunstoel, het prinsesje
+op een laag vouwstoeltje aan haren schoot. Dan begon het: &#8220;Er was eens....&#8221; Vertellingen, die met &#8220;Er was eens&#8221; begonnen,
+vond het prinsesje het mooist. Nooit was de verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel tien boekenkasten,
+en &agrave;l die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal in prachtband
+en goud op sn&ecirc;e. Bij elke vertelling was eene plaat, van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas hingen.
+Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.
+
+
+</p>
+<p>Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw
+was er niet meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat was het torenkamertje. Daar was alles ook
+precies zoo gebleven. Zoo wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden, bijna mocht er geen stoel
+worden verzet. De kamer met de boekenkasten vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken dag, maar
+heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al
+de lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein
+meisje was. Dan las ze, las ze al de sprookjes die haar <a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">3</a>]</span>vroeger verteld waren. Weer had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond ze veel mooier dan lezen.
+&#8220;H&egrave;,&#8221; zei de prinses dikwijls, &#8220;wat was dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik zou wel willen,
+dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo dol op sprookjes.&#8221;&#8212;&#8220;Weet je wat,&#8221; zei de koning, &#8220;ik zal je nog eens naar
+de sprookjesfee brengen.&#8221;&#8212;&#8220;H&egrave;, ja, Vader,&#8221; zei de prinses, &#8220;doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen.
+Daar woont immers de sprookjesfee?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei de vader, &#8220;de sprookjesfee woont in het oosten, in het land van zonneschijn
+en bloemen. Maar&#8212;ik weet niet precies waar.&#8221;&#8212;&#8220;O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,&#8221; riep de prinses. &#8220;Toe, Vader, wanneer
+gaan we op reis?&#8221;&#8212;&#8220;Ho, eens,&#8221; zei de vader, &#8220;bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar zoodra ik tijd heb, zal
+ik je waarschuwen. Dat beloof ik je.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een&#8217; morgen zei de koning: &#8220;Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen
+we.&#8221; En den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel reisden, voor ze in &#8217;t land van de sprookjesfee
+kwamen, en hoe lang ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet ik niet. Eindelijk werd hun een bosch
+aangewezen: daarin moest het huis van de tooverfee zijn.
+
+</p>
+<p>Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. &#8217;t Was een klein, wit huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed
+de deur open. Ze werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee kwam binnen. Och, wat eene lieve oude
+fee was het: een gezicht, zoo vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste grijze krulletjes kijken.
+Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht, zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde de koning, dat
+de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten kon,
+dat ze zoo&#8217;n verlangen had, om eens &eacute;&eacute;nmaal door de sprookjesfee te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in
+de hoop, dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.
+
+
+</p>
+<p>Toen zei de fee: &#8220;Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent, om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het.
+Ga maar zitten en zie <a id="d0e117"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e117">4</a>]</span>me goed in de oogen. Kijk ik begin al: &#8216;Er was eens.....&#8217;&#8221; En de lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses
+hoorde de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen
+en prinsen en dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte de prinses. Toen viel ze de fee om den hals,
+en ze kuste haar en fluisterde: &#8220;Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik zou wel een heelen dag willen
+luisteren en een&#8217; nacht er bij.&#8221; De fee glimlachte: &#8220;Kom morgen weer,&#8221; zei ze. &#8220;Mag ik, lieve fee, mag ik, Vader?&#8221; vroeg de
+prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren, en ze
+vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.
+
+</p>
+<p>Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen;
+de koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses
+gaf de fee de hand. Ze had de tranen in de oogen. &#8220;Ik zal U nooit vergeten, lieve fee,&#8221; zei ze. &#8220;Ik ben heel dankbaar en heel
+tevr&ecirc;e; maar o, ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U blijven. Dan mocht ik bij U logeeren.....&#8221;
+&#8220;Weet je wat,<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> zei de fee, &#8220;blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen is toch ook wel wat erg.&#8221;&#8212;&#8220;O, Vadertje,&#8221; smeekte
+de prinses, &#8220;als dat eens mocht!&#8221;&#8212;&#8220;Het mag,&#8221; zei de vader. &#8220;Over zes weken zal ik je terug komen halen. Is dat goed?&#8221;&#8212;&#8220;Heerlijk!&#8221;
+riep de prinses, &#8220;o, wat heb ik toch een lieven vader!&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>Z&oacute;&oacute; bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen
+te doen. Als het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.
+
+</p>
+<p>Zoo ging de &eacute;&eacute;ne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen&#8212;de zesde
+week was juist begonnen,&#8212;kwam de fee op een&#8217; avond met een grooten brief, waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den
+brief op de tafel, ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover haar zat en begon:
+
+</p>
+<p>&#8220;Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij nog <a id="d0e130"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e130">5</a>]</span>heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem
+zijn, ieder wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang, dat de kleine prins vertroeteld zou worden,
+en dat wilde hij voor nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn&#8217; dood over een groot land regeeren, de prins moest flink
+en knap en manlijk worden. Daarom verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen, om den prins knap te
+maken en op te voeden en den heelen dag om en bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange lijst van
+alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat ging maar: van 7&#8211;8 dit, van 8&#8211;9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen,
+Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch, Engelsch, Spaansch, Italiaansch ....<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8212;&#8220;En vertellen,&#8221; fluisterde de prinses.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei de fee, &#8220;vertellen stond niet op de lijst.&#8221;&#8212;&#8220;Arme prins!&#8221; zei de prinses. &#8220;Luister,&#8221; zei de fee. &#8220;Een sprookje
+mocht den prins nooit verteld worden. &#8216;Sprookjes! onzin!&#8217; zei de koning. &#8216;Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld.
+Ze nemen het voedsel, dat voor het koren is&#8212;weg er mee&#8212;&#8217;t is onkruid.&#8217;&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar toen de prins groot en wijs en knap was&#8212;werd de prins
+ziek. Dat was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een&#8217; dokter komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes,
+maar de prins bleef ziek. Een ander dokter&#8212;pillen, poeders, drankjes&#8212;de prins bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een
+en weer een: de prins werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch eigenlijk, wat voor ziekte had
+hij? Geen een van al de dokters wist het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een anderen dokter roepen&#8212;alles
+vergeefsch.
+
+</p>
+<p>Eindelijk hoorde hij spreken van een&#8217; professor, die zieken genas, waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning.
+Dadelijk werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken
+prins te komen.
+
+</p>
+<p>De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van
+den zieke. Hij <a id="d0e145"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e145">6</a>]</span>luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek
+langs de wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger
+aan den neus en riep eindelijk: &#8216;Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit een sprookje hooren vertellen&#8212;dat hart
+heeft nooit van verwachting gebonsd&#8212;die oogen hebben nooit geschitterd&#8212;die wangen hebben nooit eene kleur gekregen&#8212;die mond
+heeft niet gejubeld&#8212;die handen hebben niet geklapt&#8212;die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene vertelling. Arme
+prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam dat toch zoo, Uwe Majesteit?&#8217;&#8212;&#8216;Ja, professor, ik dacht, de prins moest
+heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht: sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....&#8217;&#8212;&#8216;O,
+Uwe Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is een leven zonder zon!&#8217;&#8212;&#8216;Maar&#8212;wat moet ik doen, beste
+professor, wat moet er gebeuren?&#8217;&#8212;&#8216;Ja, er moet dadelijk iemand komen, om den prins te vertellen, &#8217;t is mogelijk, dat hij dan
+nog te redden is.&#8217;&#8212;&#8216;Maar&#8217;&#8212;riep de koning, &#8216;ik zou niet weten, wie&#8212;in mijn paleis is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet
+eens. Ik heb nooit van vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!&#8217;
+
+</p>
+<p>De professor schudde het hoofd. &#8216;Uwe Majesteit,&#8217; zei hij, &#8216;iemand, die gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins
+is al te mat, te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een&#8217; bode met een uitvoerig schrijven naar de sprookjesfee te zenden,
+met vriendelijk verzoek....&#8217;
+
+</p>
+<p>Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. &#8220;Hier is nu dat verzoek,&#8221; zei ze, &#8220;en verder kun je alles
+wel raden.&#8221;&#8212;&#8220;Dus &#8217;t is waar gebeurd!&#8221; zei de prinses. &#8220;Die arme, arme prins! En nu gaat U toch, lieve fee, nu gaat U toch,
+om den armen zieke weer beter te maken?&#8221;&#8212;&#8220;Ik zou het zoo graag doen,&#8221; zei de fee, &#8220;maar het land van den prins is ver, en
+ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet een ander, eene jongere in mijne plaats gaan.&#8221;&#8212;&#8220;Maar wie zou zoo mooi kunnen
+vertellen, als U!&#8221; riep de prinses. &#8220;Er moet immers juist zoo heel mooi verteld worden!&#8221;&#8212;&#8220;Ik weet er maar &eacute;&eacute;n,&#8221; zei de fee;
+&#8220;&#8217;t is een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis <a id="d0e151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e151">7</a>]</span>getroost, om &eacute;&eacute;n sprookje te hooren, dat....&#8221;&#8212;&#8220;O, lieve fee,&#8221; riep de prinses, &#8220;U kunt mij toch niet meenen!&#8221;&#8212;&#8220;Zeker! ik meen
+niemand anders,&#8221; zei de fee; &#8220;zou er wel &eacute;&eacute;n ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in haar leven gehoord heeft en die de
+sprookjes z&oacute;&oacute; liefheeft? Je hebt het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen, en nu ik niet kan gaan,
+moet jij den prins redden.&#8221;&#8212;&#8220;Ik wil het graag probeeren, als &#8217;t niet anders kan,&#8221; zuchtte de prinses, &#8220;maar ik ben bang...&#8221;
+&#8220;Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet, hoe heerlijk de terugkomst is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het
+rijtuig, waarmee ze de reis beginnen zou. &#8217;t Was bijna avond, toen de prinses de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig
+tuurde ze door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis,
+daar stond het zwart van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het hoofd hangen en zett&#8217;en bedrukte
+gezichten: de prins zou dien nacht wel sterven.
+
+</p>
+<p>De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg
+den koning te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan
+moesten ze maar den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd,
+of de deuren vlogen voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in de ziekenkamer.
+
+</p>
+<p>Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens&#8212;doodsbleek. Hij sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen
+kwam, maar sloot de oogen ook dadelijk weer; &#8217;t was hem onverschillig, wie er kwam of ging. &#8220;Kijk eens, mijn jongen,&#8221; zei
+de koning, &#8220;daar is een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te maken.&#8221;&#8212;&#8220;Mij weer beter maken?&#8221;
+zei de prins met eene matte stem, &#8220;mij weer beter maken, dat kan niemand.&#8221;&#8212;&#8220;Mag ik het eens probeeren, beste prins?&#8221; vroeg
+de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. &#8220;Kijk, eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik
+bij Uw bed zitten en vertel U een sprookje....&#8221; &#8220;Een sprookje!&#8221; zei de prins, en <a id="d0e159"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e159">8</a>]</span>zijne stem klonk een beetje helderder, &#8220;kun je sprookjes vertellen?&#8221;&#8212;&#8220;Of ik!&#8221; zei de prinses, &#8220;ik kom regelrecht van de sprookjesfee,
+en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben, en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was,
+zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?&#8221; De prins knikte
+glimlachend met het hoofd. &#8220;Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van dingen?&#8221; vroeg de prinses, &#8220;&#8217;t Is mij
+alles hetzelfde,&#8221; zuchtte de prins, die al weer matter begon te worden. &#8220;O, wat ben ik ziek. Je hadt vroeger moeten komen.
+Ik sterf van honger naar sprookjes.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering
+van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen,
+toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins
+deed onder &#8217;t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling
+uit was, zei hij: &#8220;Mooi. Jammer, dat het uit is!&#8221; Toen draaide hij het hoofd op zij en sliep rustig in.&#8212;De dokters schudd&#8217;en
+het hoofd en zeiden: &#8220;Wonderlijk, wonderlijk!&#8221; De prins had immers in zoo langen tijd niet rustig geslapen. De koning zag
+er zoo gelukkig uit en dankte de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in &#8217;t paleis brengen, waar haar allerlei
+heerlijkheden gepresenteerd werden.
+
+</p>
+<p>En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door en at den volgenden morgen met smaak een eitje en &#8217;s middags
+een bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de deur, en eindelijk vroeg hij: &#8220;Komt mijne sprookjesfee
+niet?&#8221; Juist kwam de prinses de deur in en zei: &#8220;Daar ben ik al! Wat zal het nu wezen?&#8221;&#8212;&#8220;Vertel me nu eens wat van dieren,
+die praten kunnen,&#8221; zei de prins. &#8220;Kun je dat?&#8221;&#8212;&#8220;Zeker,&#8221; zei de prinses, en ze vertelde van den wedloop tusschen den haas
+en den egel, en de prins ging recht overeind in &#8217;t bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen het uit was, zei hij:
+&#8220;Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig, dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk dank, lieve
+fee!&#8221;&#8212;&#8220;Ik ben geene fee,&#8221; zei de prinses, <a id="d0e165"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e165">9</a>]</span>&#8220;ik ben maar een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt.&#8221;&#8212;&#8220;En ze o, zoo mooi vertelt!&#8221; zei de prins. De prinses
+kleurde van pret en dacht: dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. &#8220;Tot morgen,&#8221; riep de prins, toen
+de prinses heen ging.
+
+</p>
+<p>Toen de prinses den volgenden avond weer kwam&#8212;waar was toen de prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer,
+toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een gemakkelijken stoel bij &#8217;t venster en een even gemakkelijke
+stoel stond tegenover hem. &#8220;Neem plaats!&#8221; zei de prins. &#8220;Wat zal ik nu prettig luisteren.&#8221;&#8212;&#8220;Waar moet ik nu van vertellen?&#8221;
+vroeg de prinses. &#8220;Ik zou zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,&#8221; zei de prins. &#8220;Kan dat?&#8221;&#8212;&#8220;Dat
+kan!&#8221; zei de prinses. Luister maar:
+
+</p>
+<p>&#8220;Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een&#8217; laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten
+linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene vertelling hooren.&#8221; En nu vertelde de prinses van den
+kraag, die zich nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op eene zijden kous, waarmee hij toevallig
+in de wasch kwam. Verder, dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den kraag te willen weten. Dat toen
+de kraag van liefde gloeide voor het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar, waarmee zijne rafels
+afgeknipt werden. Zoo&#8217;n sierlijke danseres had hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in den kraag
+maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met
+den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk
+pochte en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank
+en fijn.... en zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles, dat den prins op &#8217;t laatst de tranen over
+de wangen rolden van &#8217;t lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: &#8220;Neen, maar, zoo iets grappigs! Dat heeft
+me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!&#8221; Daar sprong de deur open en de koning kwam
+binnen. &#8220;Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid,&#8221; riep hij. &#8220;Ik hoorde in de verte lachen.&#8221;&#8212;&#8220;De <a id="d0e171"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e171">10</a>]</span>prins is weer beter!&#8221; zei de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. &#8220;Lief meisje,&#8221; riep hij, &#8220;je hebt mijn&#8217; prins gezond
+gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol geld geven en....&#8221;&#8212;&#8220;Niets er van!&#8221; riep de prins, &#8220;daarvoor wil ik haar tot mijne
+vrouw maken!&#8221; Toen de koning die woorden hoorde, betrok zijn gezicht. &#8220;Ja,&#8221; zei hij, ik kan me best <span class="corr" title="Bron: denken">indenken</span>, dat je het meisje lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die moet eene prinses hebben....&#8221;&#8212;&#8220;Dat
+ben ik juist!&#8221; zei nu de prinses met een zacht stemmetje. &#8220;Sakkerloot! als dat zoo is!&#8221; riep de koning.
+
+</p>
+<p>Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk
+wou de prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne
+prinses eene nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had, toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig
+voor zich zag! Hoe hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had weten te vertellen! Van de sprookjesfee
+ging het nu naar &#8217;t ouderlijk paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook een&#8217; zoon kreeg. Maar hoe
+gelukkig de prins was, toen hij &#8217;s avonds in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat, tegenover de prinses,
+die al weer eene andere vertelling vertelde, dat is niet te zeggen.
+
+</p>
+<p>Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal
+in de week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e180"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Van de Pepernoten en den Doedelzak.</h2>
+<p>Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen maar: er was eens een koning. Want de koning had geene
+koningin.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen
+het hout; want hij had nog geene kousen aan. V&oacute;&oacute;r hem stond een deftig heer met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen.
+Zooals de koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo regeerde die <a id="d0e187"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e187">11</a>]</span>voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden, over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding
+kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok
+en zijne witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit met eene diepe buiging&#8212;de kousen aan. Waarom
+zette de deftige heer een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om en om? Omdat&#8212;hij op eens tot zijn&#8217;
+schrik een groot gat in den hiel gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar &#8217;t hielp hem niet, dat hij het
+ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het wel waar,
+dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf, die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien
+kreeg, maar&#8212;dit vond hij voor een&#8217; koning toch wel wat heel erg.
+
+</p>
+<p>Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen
+er tot aan de hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen heer aan, die nog altijd beschaamd, met
+gebogen hoofd v&oacute;&oacute;r hem stond, en zuchtend zei hij: &#8220;Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over mijne huishouding, je
+bent een knap man; maar verstand van kousen stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik met gaten
+als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er van
+denken, als ik me eens eene vrouw nam?&#8221;.... De deftige heer, die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid
+van den koning, was w&agrave;t blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: &#8220;Wat ik
+er van denken zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen doen.&#8221;&#8212;&#8220;Kom, dat doet me plezier,&#8221; zei
+de koning; maar toen met een bedenkelijk gezicht: &#8220;Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo gemakkelijk eene vrouw zal vinden,
+die mij past?&#8221;&#8212;&#8220;Welzeker!&#8221; lachte de opperhofmeester, &#8220;wel tien voor &eacute;&eacute;ne. Het land van Uwe Majesteit is niet het eenige op
+de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen, en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe Majesteit
+behoeft geen zorg te hebben.&#8221;
+<a id="d0e191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e191">12</a>]</span></p>
+<p>Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. &#8220;Ik weet het niet,
+ik weet het niet,&#8221; zei hij. &#8220;Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi&#8212;en heel
+lief&#8212;en heel verstandig ....&#8221;&#8212;&#8220;Is het anders niet,&#8221; lachte de opperhofmeester, &#8220;o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden.&#8221;&#8212;&#8220;Ho,
+ho, niet te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er
+is nog &eacute;&eacute;n heel voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou.&#8221;&#8212;&#8220;De prinses mag zeker niet ijdel zijn&#8212;of slordig&#8212;of nieuwsgierig.&#8212;Ze
+moet zeker mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of vlug schaatsenrijden ....&#8221;&#8212;&#8220;Houd maar op,&#8221; riep
+de koning, &#8220;niets van dat al. Ze moet&#8212;lekkere pepernoten kunnen bakken!&#8212;Ik houd nergens zooveel van als van pepernoten. Maar&#8212;juist,
+omdat er geen grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig op. Pepernoten moeten zacht bruin van
+kleur zijn, niet te week, niet te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in mijn heele rijk is, of
+hij heeft zijne kunst in &#8217;t pepernoten bakken al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een het me nog
+naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard, de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen,
+een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik zou willen trouwen, <i>moet</i> pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een&#8217; schrik. Maar hij hield zich goed en zei: &#8220;Een koning als Uwe Majesteit
+kan alles krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten bakken kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zou je dat wezenlijk denken?&#8221; riep de koning, nu erg in zijne nopjes, &#8220;kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken.&#8221;&#8212;
+
+
+</p>
+<p>Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken,
+die hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden
+liepen elkaar haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in gereedheid te brengen. Twee groote koffers
+vol prachtige presenten werden er gepakt: <a id="d0e203"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e203">13</a>]</span>niets was den koning te veel of te kostbaar voor de prinses, die .... je weet het wel.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt
+in, en voort gaat het....
+
+</p>
+<p>Dat was me eene lange, lange reis, van &#8217;t eene land naar &#8217;t andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen woonden.
+Maar&#8212;hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die
+tegelijk &#8220;heel mooi&#8221; en &#8220;heel lief&#8221; en &#8220;heel verstandig&#8221; waren. En nu zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige
+prinsessen nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar .... geene van de drie kon pepernoten bakken!!
+
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken,&#8221; zei de eerste prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning
+geworden zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: &#8220;Mogen het geene amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker,
+ronde en vierkante en hartjes, met veel boter.&#8221;&#8212;&#8221;&#8217;t Spijt mij ook, lieve prinses,&#8221; zei de koning; &#8220;maar het <i>moeten</i> pepernoten zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon,
+gooide ze het hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig: &#8220;Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij
+toch niet met zulke dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses, die&#8212;pepernoten kan bakken!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld
+je: die liet hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... V&oacute;&oacute;r de koning nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf
+met eene vraag. Ze zou wel graag willen weten, zei ze, of de koning ook&#8212;op den doedelzak kon spelen. Op zoo&#8217;n vraag had de
+koning nu al heelemaal niet gerekend, ja, hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses <i>hem</i> iets zou kunnen en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: &#8221;&#8217;t Spijt me, &#8217;t spijt me, geachte prin-prinses,
+maar op den doe-doedelzak, daar kan ik niet op spelen.&#8221;&#8212;&#8220;O,&#8221; zei de prinses, &#8220;als dat zoo is, behoeven we niet verder te praten,
+dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het spijt me wezenlijk om U, <a id="d0e221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e221">14</a>]</span>en zelf had ik het ook graag anders gewild; want ik vind U heel aardig. Maar&#8212;op den doedelzak te hooren spelen, o, dat is
+mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen, nooit een&#8217; man te nemen, die dat niet kan.&#8221; Arme koning, daarmee
+kon hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de koffers met presenten waren niet open geweest, eene
+prinses, die z&oacute;&oacute; en z&oacute;&oacute; en z&oacute;&oacute; was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.
+
+</p>
+<p>En toch&#8212;de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet&#8212;er <i>moest</i> eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning den minister weer bij zich liet roepen. De koning
+zat met de hand onder &#8217;t hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. &#8220;Uwe Majesteit heeft toch geen verdriet?&#8221;
+vroeg de opperhofmeester medelijdend. &#8220;Ik heb nog altijd geene koningin,&#8221; zei de koning, &#8220;en dat hindert me. Weet je, waar
+ik bang voor ben: ik vind nooit eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van de pepernoten moet afstappen,
+al spijt het me ook geducht. Me dunkt, ik moet maar tevreden zijn met&#8212;amandelkoekjes. Ja, de prinses, die zoo lekker amandelkoekjes
+kan bakken, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar dadelijk naar
+de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust heeft mijne vrouw te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug; want hij bracht de boodschap aan den koning, dat&#8212;de prinses
+tot haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning
+geworden was. De prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd met den koning van het land, waar de
+amandels groeien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen
+al zoo boos, omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan zich bedacht hebben.&#8221; Weer reisde de opperhofmeester
+heen, maar lang niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug met eene boodschap, die nog veel minder
+prettig was, om over te brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven lang prinses blijven en nooit
+koningin worden, dan dat ze zou regeeren over een land, waar een dwaas op den <a id="d0e232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e232">15</a>]</span>troon zat. &#8220;Als dat zoo is,&#8221; zei de koning boos, &#8220;laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is, ik heb haar niet noodig.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar&#8212;hoe nu? &#8217;t Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses
+was er nog, en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de drie. Maar&#8212;de doedelzak, de doedelzak! Als
+de prinses niet van den doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt, dan&#8212;zou de eenige kans weer verkeken
+zijn. De koning dacht lang na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te vragen. Hij was het nog niet
+vergeten, hoe beschaamd hij voor de prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de pepernoten, gevraagd
+had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen, voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te trotsch
+voor.
+
+</p>
+<p>De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen&#8212;liet hij toch weer den opperhofmeester bij zich roepen. &#8220;Mijn waarde
+heer,&#8221; zei de koning, &#8220;je trekt al een lang gezicht, en &#8217;k weet wel waarom. Maar dat zal je niet helpen, je moet nog eens
+voor me op reis. Dezen keer&#8212;naar de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil ik het toch.&#8221; De opperhofmeester
+boog met een zuurzoet lachje en zei: &#8220;Zooals Uwe Majesteit beveelt.&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen
+op, weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft gedaan. En&#8212;als het niet om zijn&#8217; heer en meester, den
+koning geweest was, zou hij w&agrave;t graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij &#8217;t paleis van de prinses kwam. Maar&#8212;tot
+zijne groote vreugde liep alles heel anders af, dan hij gedacht had.
+
+</p>
+<p>Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen.
+De prinses zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning, eene poos geleden alle landen was afgereisd,
+om zich tot vrouw te zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn&#8217; smaak kon bakken. Ook, hoe hij overal vergeefs gezocht
+had. Hij liet haar nu zeggen, hoe erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij gezien had, &eacute;&eacute;ne was,
+die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe mooi, hoe verstandig hij die <a id="d0e242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e242">16</a>]</span>&eacute;&eacute;ne vond. Hoe <i>heel</i> graag hij daarom juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als ze maar niet dat &eacute;&eacute;ne gemist had, waarop
+hij nu eenmaal zijne zinnen had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had, dat het toch wel wat veel
+was, bij zooveel schoonheid, goedheid en verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten had, zijn&#8217; opperhofmeester
+te zenden, om de prinses vriendelijk te vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.
+
+</p>
+<p>Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog
+wel herinneren, hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt
+had met de vraag, of hij ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder al de koningen en prinsen,
+die ze ooit gezien had, geen enkele was, die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en geen ander tot
+man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat &eacute;&eacute;ne gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na lang
+denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen.
+En hoe ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk &#8220;ja&#8221; te antwoorden en toch maar zijne vrouw te
+worden.
+
+</p>
+<p>Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar
+de prinsessen trouw meegenomen had, naar &#8217;t paleis brengen en zelf pakte hij alles voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt
+wat voor zoo&#8217;n voornaam heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben willen doen, als hij maar geweten
+had, w&agrave;t!
+
+</p>
+<p>Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren.
+De koets stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen.
+Hoe sneller, hoe liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde boodschap te brengen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor &#8217;t paleis. De opperhofmeester was in een&#8217; wip het rijtuig uit
+en twee treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die al verlangend had staan <a id="d0e255"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e255">17</a>]</span>uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van paarden in de verte hoorde, kwam zijn&#8217; opperhofmeester al tegemoet in het voorportaal.
+Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep, dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal, waar
+ze ongestoord praten konden. &#8220;Ze doet het, ze doet het!&#8221; riep de opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht
+gedaan.
+
+</p>
+<p>Toen vloog de koning zijn&#8217; opperhofmeester om den hals, en hij schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester
+&#8220;au&#8221; riep. &#8220;En, en&#8221; .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren gekomen was, &#8220;vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?&#8221;&#8212;Toen
+vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles, wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde
+zijn&#8217; opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink
+en goed voor zijn&#8217; koning gesproken had.&#8212;Nog dienzelfden dag werden de ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in &#8217;t
+heele land. En toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit zulke rijke en prachtige en groote ordes zien
+dragen. De eene was een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes
+en met drie parels aan de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster met twaalf punten, alle bezaaid
+met roode, blauwe, gele en groene edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de heele borst bedekte.
+De zilveren driehoek moest dus wel op den rug gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende ster
+wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de
+hand. &#8217;t Was eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning wel was en hoe blij met het lieve, mooie,
+verstandige vrouwtje, dat hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd bruidegom en de prinses bruid,
+en samen vierden ze bruiloft en met hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen wapperden er lustig
+op los. Eerepoorten in de straten, slingers van groen en bloemen aan de huizen&#8212;den heelen dag door muziek en &#8217;s avonds lichtjes,
+lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel, lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken&#8212;eene <a id="d0e259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e259">18</a>]</span>heele week lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk, alles ter eere van de lieve jonge koningin.
+
+
+</p>
+<p>&#8217;t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun
+beidjes.&#8212;Ja&#8212;toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd
+feest in de harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje,
+en het koninginnetje weer zoo gelukkig met haar koning.
+
+</p>
+<p>Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.
+
+</p>
+<p>Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning, wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en
+goed! De koning moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers gestoken had door een gat in zijne kous!
+Ja, vroeger&#8212;toen was er dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu: wat kon dat koninginnetje
+flink op alles toekijken, en wat zorgde ze goed voor den koning. &#8217;t Was een lust!&#8212;En &#8217;s avonds, als de koning moe van &#8217;t regeeren
+was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen en zieken
+gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor
+zijn land en voor zijn volk gedaan had.&#8212;Altijd deed de koningin, wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te
+doen, dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op &#8217;t laatst zoo knap, dat ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij
+wenschte en wat niet.&#8212;
+
+</p>
+<p>En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren.
+Wat wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige
+dingen. Wat was hij lief voor haar&#8212;nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag plezier: in hare oogen kon hij lezen,
+wat ze graag en niet graag had.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele
+jaar had de koning nog geene enkele maal gedacht: &#8221;&#8217;t Is toch jammer, dat mijne koningin geene pepernoten bakken kan.&#8221; En
+de koningin had nog niet &eacute;&eacute;n keer <a id="d0e271"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e271">19</a>]</span>gezucht: &#8221;&#8217;t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak spelen kan.&#8221; Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten
+en de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden, ik meen op een kwaden dag, dat de koning &egrave;n de koningin
+alle twee &#8217;s morgens uit het bed stapten&#8212;met het verkeerde been. Als het nog maar de koning alleen geweest was! Als het nog
+maar de koningin alleen geweest was! Maar alle twee tegelijk&#8212;dat was erg genoeg!
+
+</p>
+<p>Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit het bed en dus&#8212;ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is
+nog nooit anders geweest, &#8217;s Avonds zou er een groot feest wezen in de mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten
+waren er gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen het groen hangen. Maar&#8212;het regende, het stortregende,
+het plasregende, het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van den morgen tot den avond. De tuinen leken
+wel vijvers, de paden en lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren: in alle haast moest de boodschap
+aan alle gasten gestuurd worden, dat ze wel thuis konden blijven.&#8212;En de koningin vooral had zich nog wel zoo verheugd op het
+heerlijke feest buiten!&#8212;
+
+</p>
+<p>Dan&#8212;toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met haar poesje was gaan spelen&#8212;had Poes haar leelijk over de hand
+gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de jonge koningin zoo trotsch op was.&#8212;En&#8212;er was eene leelijke
+vlek gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen opschilderde.&#8212;En&#8212;onder het kappen had de kamenier de
+koningin bij ongeluk met eene haarspeld in &#8217;t hoofd geprikt. Daar had de koningin hoofdpijn van gekregen.&#8212;En&#8212;maar kom, ik
+wil al de ongelukken, die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen, &#8217;t Liep alles, alles verkeerd&#8212;en
+ons koninginnetje, anders altijd even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en heelemaal niet in haar
+schik.
+
+</p>
+<p>En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, &#8217;t Speet
+hem ook erg van &#8217;t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.&#8212;En dan&#8212;de kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie
+bal, die de koningen op een plaatje altijd op de hand dragen&#8212;viel bij ongeluk op den grond en het <a id="d0e279"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e279">20</a>]</span>prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!&#8212;En dan&#8212;kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten
+maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw, vuurrood gekleurd, en de zee oranje!&#8212;En de nieuwe laarzen
+knelden z&oacute;&oacute;, dat de koning er kreupel van liep. En&#8212;en&#8212;nog eene lange rij van andere tegenspoeden had de koning op dien naren
+dag. Anders was onze koning altijd vriendelijk en welgemoed&#8212;nu was hij brommig en boos en heelemaal niet in zijn humeur.
+
+</p>
+<p>De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos: o wee, o wee!&#8212;Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was,
+zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de koningin <i>kibbelden</i>! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag zelf eigenlijk niet meer. &#8217;t Was om eene kleinigheid, &#8217;k geloof om een boek,
+dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar de koning toen naar moest zoeken. Nu, &#8217;t komt er ook niet op aan,
+<i>waarom</i> ze kibbelden&#8212;ze <i>kibbelden</i>, en dat wou ik eigenlijk maar vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de koningin. De koningin
+gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en bitser de stem
+van de koningin klonk. Over het boek was &#8217;t, geloof ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de koning
+niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan, en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de
+koningin toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er nooit iets op hem te zeggen viel.&#8212;&#8217;t Ging al harder
+en harder tegen elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo verstandig, om op te houden met kibbelen.
+
+
+</p>
+<p>En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen, trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en
+een&#8217; lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: &#8220;Me dunkt, heer koning, je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet
+langer overal wat op aan te merken hebben: <i>je kunt niet eens op den doedelzak spelen!</i>&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of de koning riep driftig: &#8220;Ja wel, ik zal me stil houden
+voor eene, <i>die niet eens pepernoten kan bakken!</i>&#8221;
+<a id="d0e302"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e302">21</a>]</span></p>
+<p>Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten praten. De koningin schrikte, toen ze &#8217;t gezegd had en de
+koning schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden ze zich op eens allebe&icirc; muisjesstil. De koning keerde
+zich om en ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer
+in een hoekje van de canap&eacute; en begon bitter te schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, och,&#8221; zuchtte ze, &#8220;wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak
+te praten! Als ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen,
+dat ik er hem verdriet mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn beste man is er even lief en goed
+om, en ik heb er hem even lief om, of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo iets te zeggen! Nu
+wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en
+neer in zijne kamer en dacht: &#8220;Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten,
+wat geef ik er eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed en verstandig om, of ze die dingen bakken
+kan of niet, en ik houd er niets minder om van haar.&#8212;Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig en boos gemaakt&#8212;ze zal &#8217;t zoo
+gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd heb. Wat ben ik begonnen!&#8221;
+
+</p>
+<p>De koning ging met het hoofd in de hand op een&#8217; stoel zitten en keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn
+gezicht weer op, hij sprong van zijn&#8217; stoel, en op eens lachte hij en riep: &#8220;Eigenlijk is &#8217;t maar een geluk, dat mijn vrouwtje
+geene pepernoten bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet
+op den doedelzak kon spelen!&#8212;Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen was. Ik kan het niet verdragen, dat
+mijn lief vrouwtje boos op me is. Z&oacute;&oacute; houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar haar toe, om alles weer
+goed te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Z&oacute;&oacute; in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op
+uitkwamen.&#8212;<a id="d0e313"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e313">22</a>]</span>Maar daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten
+op tijd de lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich niet te stooten en schoof z&oacute;&oacute; voorzichtig
+langs den muur verder. Daar tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms&#8212;&#8217;t was een gezicht, hoor, een
+gezicht van een, die ook voorzichtig langs den muur schoof, om zich niet te stooten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie is daar?&#8221; vroeg de koning. &#8220;Ik ben het,&#8221; zei een zacht, bedroefd stemmetje. &#8220;Wien zoek je, vrouwtje?&#8221; vroeg de koning,
+want de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebe&icirc; van het koninginnetje. &#8220;Ik zoek jou, beste man, ik heb
+zoo&#8217;n spijt, ik wou je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van ....&#8221;&#8212;Maar de koning liet haar niet
+uitpraten. In het donker op de gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei: &#8220;Je behoeft me geene
+vergeving te vragen,&#8221; en zijne stem beefde wat, &#8220;ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. &#8217;t Is nu alles vergeven
+en vergeten. En weet je,&#8221; fluisterde de koning verder, van nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit
+weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft worden. Die woorden zijn: <i>doedelzak</i> en&#8212;&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;En <i>pepernoten</i>,&#8221; riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte, vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de koning
+weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.
+
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e325"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Op de Horens genomen.</h2>
+<p>Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest
+is, die kwaad gedaan had en die door al de andere tooverfee&euml;n gestraft moest worden, vind je dat niet raar? &#8217;t Is toch zoo,
+hoor! Ik heb het zelf in een boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag weten, hoe die ondeugende
+tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in&#8212;eene koe. Gelukkig niet voor
+altijd, maar <a id="d0e330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e330">23</a>]</span>&#8217;t was toch heel moeilijk, om weer eene fee te worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden jongen
+een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, die goed geworden was, moest de koe z&oacute;&oacute; lief krijgen, dat
+hij haar van pure liefde een&#8217; kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet v&oacute;&oacute;r
+dat de jongen den kus gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, om dat gedaan te krijgen, jullie
+zult het hooren.
+
+</p>
+<p>Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe
+van een rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van,
+hoor! De tooverfee&euml;n hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide had. Die arbeider woonde op een
+klein dorpje, en daar lag v&oacute;&oacute;r de huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met gras begroeid. Daar
+mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de koe wel vier keer op een&#8217; dag en andere koeien worden toch maar twee keer
+gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar
+best wou doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk
+nog niet te vinden. Op het dorp waren wel kw&acirc;jongens, die om eene boerin te plagen eens een&#8217; emmer met water omgooiden, of
+een enkelen keer deurtje belden, maar dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus had ze nog altijd
+vergeefs gezocht. Maar&#8212;ze behoefde niet lang meer te zoeken. Pas maar eens op.
+
+</p>
+<p>Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar &eacute;&eacute;n
+kind, een&#8217; jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, en dat is maar gelukkig ook.
+
+</p>
+<p>Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen
+geld te verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!
+
+</p>
+<p>Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich zelf. Tegen de bedienden van zijn&#8217; vader sprak hij, alsof
+ze weinig meer <a id="d0e340"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e340">24</a>]</span>dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij
+lief&#8212;ja, &#8217;t is haast zonde om het te zeggen, maar &#8217;t was, of hij zijn eigen ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne
+ouders hem ook aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. &#8217;t Was, of het maar van zelf sprak, dat zijn vader
+en moeder zoo goed voor hem waren. Nooit was het eten naar zijn&#8217; zin, en dan stond hij altijd dadelijk met een pruilend gezicht
+klaar. Ieder snauwde hij af en op alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Z&oacute;&oacute; was het heertje, dat Gustaaf
+heette, een naam, die veel te mooi was voor zoo&#8217;n naren jongen.
+
+</p>
+<p>Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden,
+en denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw
+met hun onaardig zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze koe wel ooren voor. Nu&#8212;ze behoefde niet
+lang geduld te hebben. Den eersten den besten dag stapte Gustaaf met een&#8217; knecht een eind achter zich het dorp door. Hij wou
+dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek hij vol
+trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig
+wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden
+horloge uit of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen wel tien aardige dingen, allemaal van goud,
+en van &eacute;&eacute;n zoo&#8217;n gouden dingetje had een arme man wel een&#8217; zak aardappelen kunnen koopen. Z&oacute;&oacute; rijk was Gustaaf&#8212;ik meen Gustaafs
+vader. De jonge heer had ook nog een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij gedurig mee tegen zijne
+mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook wel zien doen.
+
+</p>
+<p>Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett&#8217;en. &#8217;t Was juist Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden
+op den weg. De koe liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou:
+&#8220;Nu moet ik eens goed oppassen, of dat heertje niet voor mij geschikt is.&#8221;
+<a id="d0e346"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e346">25</a>]</span></p>
+<p>Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting
+en bedelde: &#8220;H&egrave;, laat mij eens zien! wat mooi!&#8221; Maar pas had het kind een&#8217; vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn
+mooien wandelstok op de handjes en riep: &#8220;Brutale jongen, dat zal je leeren ....&#8221; Verder kwam hij niet. Op eens vloog de koe
+midden op den weg, bukte haren kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de horens genomen. Hij had
+nog net den tijd om zich aan de breede horens vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met den gouden
+knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en
+de kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe
+aan, maar hij moest het gauw opgeven: zoo&#8217;n hollend dier kon hij toch niet inhalen.
+
+</p>
+<p>Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden
+jongen beter te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem eerst eens te leeren, hoe heerlijk het
+is een&#8217; vader en eene moeder te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg genoeg voor hem zijn. Daarom
+zal ik hem nog maar in een mooi huis laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook in eens alles afnemen!
+Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed zal hebben,
+zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.
+
+</p>
+<p>En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. &#8217;t Was al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel,
+bijna nog mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer op een groot grasveld in den tuin en toen maakte
+ze &eacute;&eacute;n, twee, drie, dat ze weer weg kwam.
+
+</p>
+<p>Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was
+als Gustaaf. Daar op eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe kwam dat kind daar? De mevrouw
+van het kasteel viel dadelijk op de knie&euml;n bij Gustaaf neer. &#8220;Arm ventje,&#8221; zei ze, &#8220;hij slaapt!&#8221;&#8212;&#8220;&#8217;t Lijkt wel <a id="d0e355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e355">26</a>]</span>een jongetje van rijke menschen,&#8221; zei de heer, &#8220;maar &#8217;t is, of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed
+dan de kinderen hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!&#8221; riep de kleine jongen.
+
+</p>
+<p>En wezenlijk, nu voor &#8217;t eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen.
+Hij wist niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe
+op de horens was genomen. &#8220;Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?&#8221; riep hij. &#8220;&#8217;t Is waar ook,&#8221; zei de mevrouw, &#8220;de arme jongen
+heeft niets op zijn hoofd. Kom, Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu moest Gustaaf aan &#8217;t vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde
+op de andere. Toen Gustaaf den naam van zijn&#8217; vader noemde, schudd&#8217;en de mijnheer en mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden
+ze nog nooit gehoord. Geen wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In welk dorp stond dan het kasteel
+van zijne ouders? Neen, den naam van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het ergens? Ja, dat wist Gustaaf
+niet. Natuurlijk had Meester op school het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus wist hij er niets
+van.&#8212;Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had hem op de horens genomen en daar neergelegd. &#8220;Wat zijn dat nu voor praatjes?&#8221;
+zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. &#8220;Nu,&#8221; zei de mevrouw,
+&#8220;&#8217;t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden.
+Hij zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo dikwijls alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet,&#8221; zei Dolfs vader, &#8220;maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan
+hier.&#8221;&#8212;&#8220;Och, ja, Pa!&#8221; riep Dolf. &#8220;Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, Gustaaf!&#8221;&#8212;&#8220;Neen, mijn jongen,&#8221; zei de moeder,
+&#8220;&#8217;t is nu te laat, en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens in bed te brengen. Neem Gustaaf mee
+en breng hem naar Sophie. Zeg, dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, toen <a id="d0e367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e367">27</a>]</span>haar daar zoo&#8217;n vreemde jongen gebracht werd. &#8220;Mijnheer en Mevrouw weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen,&#8221; bromde ze.
+&#8220;&#8217;t Is of ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo&#8217;n jongen te verzorgen, die hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een
+bedelaarsjongen het is!&#8221;&#8212;&#8220;Een bedelaarsjongen!&#8221; en dat te zeggen van ons fijn heertje Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! &#8220;Och!
+hou&#8217; je stil! je weet niet, van wien je spreekt!&#8221; riep hij. &#8220;Wel zeker!&#8221; riep de kindermeid, &#8220;ik zou mij stil houden voor
+zoo&#8217;n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in te slapen. En nu in
+&#8217;t vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht bekomen.&#8221; Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een oogenblik
+later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in &#8217;t slot omdraaien.
+
+</p>
+<p>Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten
+op een zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem
+pijn van dien langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over alles te denken. O, wat voelde hij zich toch
+vernederd, het verwende jongetje, z&oacute;&oacute; op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo behandeld te worden door eene dienstmeid.
+Hij, die altijd den baas gespeeld had over de dienstboden van zijn&#8217; vader. En die mijnheer en mevrouw! Waarom lieten ze hem
+niet bij Dolf in de kamer slapen? Was hij minder dan Dolf? Z&oacute;&oacute; dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat hij zonder de goedheid
+van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten op een grasveld had moeten slapen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest
+dadelijk Gustaaf roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar&#8212;vroeg opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de
+kindermeid de boodschap bracht, bromde hij: &#8220;Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, ik heb nog geen&#8217; zin om op te staan.&#8221;&#8212;&#8220;Z&oacute;&oacute;,&#8221;
+zei de kindermeid, &#8220;zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je
+niets moeilijkers hebt te doen, dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest het ook eens wagen, Dolf
+te laten wachten.&#8221; Met zette ze Gustaaf met zijne bloote voeten op den <a id="d0e373"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e373">28</a>]</span>vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, ook als men er geen&#8217; lust in heeft.
+
+</p>
+<p>Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar
+Dolf. Maar Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf
+zijne boosheid vergat en dacht: h&egrave;, wat is het &#8217;s morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik nooit geweten. Neen, dat had
+hij ook nooit geweten; want thuis stond hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.
+
+</p>
+<p>Na &#8217;t ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een
+mooien tol, dien hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn&#8217; verjaardag gekregen had. &#8217;t Leek dus wel, of ze wezenlijk
+vrienden zouden worden. Maar .... op eens zei Dolf: &#8220;O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene gele gesp! H&egrave; mag ik
+dien hebben en dan jij mijn leeren riem?&#8221;&#8212;&#8220;Dat kun je begrijpen!&#8221; riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij hen. Die
+riep: &#8220;Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem
+toch!&#8221;&#8212;&#8220;Neen!&#8221; schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: &#8220;Ondankbare jongen!&#8221; riep ze. &#8220;Hier, je zult den riem geven.&#8221;
+En met geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.
+
+</p>
+<p>Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. V&oacute;&oacute;r dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf
+den riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven ook. &#8220;Ziezoo!&#8221; riep hij, &#8220;ik zal je leeren den baas te
+spelen over mijn goed!&#8221; en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar och, h&eacute;, dat lachen duurde niet lang.
+Op eens zag hij daar de koe op zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer met hem voort, zoo
+vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.
+
+</p>
+<p>Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. &#8217;k Had hem zoo graag bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten,
+als hij maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij
+dankbaar voor, en niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, wat <a id="d0e383"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e383">29</a>]</span>voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens &#8220;heertje&#8221; af zijn.
+
+</p>
+<p>Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een&#8217; koopman, waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo&#8217;n
+paar balen legde ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. &#8220;Wil je wel eens gauw van mijne balen af, kleine deugniet!&#8221;
+riep hij. Maar Gustaaf, die door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, verroerde zich niet. Natuurlijk
+dacht de koopman toen, dat hij met een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen kneep bij &#8217;t oor.
+Verschrikt vloog de arme jongen op. &#8220;Och, Mijnheer, doe mij geen kwaad!&#8221; riep hij met gevouwen handen. &#8220;Ik ben niet op Uwe
+balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid.&#8221;&#8212;&#8220;Die koe?&#8221; riep de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn
+verhaal van de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met eene erg verlegen stem, omdat hij al bang
+was, dat de koopman hem ook niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken Gustaaf ook had, hij sprak
+altijd de waarheid, en hij vond het dus verschrikkelijk, dat iemand hem voor een&#8217; leugenaar hield. Maar&#8212;het hielp niet; ook
+dat verdriet moest hij hebben. &#8220;Wat praatjes wil je me nu op de mouw spelden?&#8221; riep de koopman. &#8220;Eene koe heeft je hier gebracht?
+En je hebt hier geen huis&#8212;je ouders wonen ver weg, en je kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal,
+en ik wil je wel houden. &#8217;k Heb net een&#8217; loopjongen noodig. Ga maar mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw
+er van zegt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust zoo&#8217;n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen
+de koopman zei, dat ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen loopjongen, stemde ze toe. &#8220;Zie je,&#8221;
+zei de koopman, &#8220;hij lijkt nog al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, dat staat veel voornamer
+dan dat er zoo&#8217;n arme jongen met hem gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. &#8220;Kijk eens,&#8221; zei de vrouw, &#8220;wat heeft hij mooie dingen aan zijn&#8217; horlogeketting
+hangen. En een echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo&#8217;n kleine aap er aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast
+bergen. Een loopjongen <a id="d0e391"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e391">30</a>]</span>behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags mooi mee maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman
+pakte hem bij den arm en: &#8220;Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!&#8221; klonk hem in &#8217;t oor. &#8220;Je hebt hier niets te koop, en je mag
+blij toe wezen, dat wij je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan &#8217;t werk.&#8221; Toen werd Gustaaf een bezem in de
+hand gestopt en moest hij het geheele huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname zoontje van zoo&#8217;n
+rijken heer met een&#8217; veger aan &#8217;t werk! Wat voor een leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos,
+als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij &#8217;t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. &#8220;Kom
+aan, kleine man,&#8221; zei hij, &#8220;zet maar niet zoo&#8217;n zuur gezicht. Ik ben ook als loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman.
+Werk maar goed, misschien zul je &#8217;t dan ook nog wel eens zoo ver brengen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet
+meer aan, lang in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer in zijn bed. Maar&#8212;dat hij als knecht
+behandeld werd, dat was erger; hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de vrouw van &#8217;t huis maar
+zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden als zijne eigen moeder. Maar neen, &#8217;t was maar: &#8220;haal mij dit!&#8221; en &#8220;breng mij
+dat!&#8221; en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, dat hij zelf vroeger ook op zoo&#8217;n toon tegen de dienstboden gesproken
+had. Nu kon hij &#8217;t ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk
+woord, nooit deed ze iets aardigs voor hem.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; dag gaf ze Gustaaf een&#8217; appel, die begon te rotten. Dat was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg.
+En hij was er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees&#8212;dat was het ergste. O, als hij &#8217;s avonds alleen op zijn
+zolderkamertje kwam, dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne ouders. Dan dacht hij aan de kussen
+van zijne lieve moeder, die hem vroeger onverschillig <a id="d0e399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e399">31</a>]</span>waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem van zijn&#8217; vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.
+
+</p>
+<p>Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem,
+die ook al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar
+vriendelijk tegen hem geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht niet eens naast hem loopen, maar
+moest altijd drie passen achter hem blijven. &#8220;Och,&#8221; zuchtte Gustaaf, &#8220;zoo liet ik vroeger mijn grooten bediende ook wel loopen.
+Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe &#8217;n nare jongen ik
+was.&#8221;
+
+</p>
+<p>Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan
+kijken. O, wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk
+kwam Gustaaf op de gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar wezenlijk hoe langer hoe meer plezier
+in en leerde zoo meer, dan hij vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig kon wezen, omdat hij
+&#8217;t nooit recht geprobeerd had.
+
+</p>
+<p>Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar&#8212;hij moest
+nog veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: &#8220;Och,
+ik heb het toch wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter hebben!&#8221; Neen, hij had altijd erg medelijden
+met zich zelf en vond zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om een ander te dienen. Zijn pa was
+immers een rijke mijnheer, en hij verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader een arme man was geweest,
+zooals de vaders van die andere loopjongens.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had.
+O, dacht hij, altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen
+baas was. Al brommende liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de stad liep. H&egrave;, wat <a id="d0e409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e409">32</a>]</span>was het daar heerlijk frisch! &#8217;t Was ook zoo&#8217;n kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de frissche
+buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe,
+die hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; maar och, wat kon &#8217;t hem ook schelen, of de koe hem
+weer meenam en wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom regelrecht op de koe af en zei: &#8220;Hier ben
+ik! als je lust hebt, mij weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu heb, niet.&#8221; De koe schudde den
+kop. &#8220;Nooit tevreden!&#8221; zei zij. &#8220;Als ik je ergens anders breng, zal je &#8217;t eerder minder dan beter hebben, mijn jongen.&#8221;&#8212;&#8220;Dat
+kan me niet schelen!&#8221; riep Gustaaf. &#8220;Alles liever dan de knecht te wezen van dien naren Willem.&#8221; &#8217;t Was of Gustaaf op eens
+niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op haren rug. &#8220;Nu toe maar,&#8221; zei hij. En de koe liep met kleine
+stappen verder. &#8220;Je loopt niet vlug,&#8221; zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe zich om een paar grassprietjes af te trekken.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei de koe. &#8220;Ik heb geen&#8217; haast. De plaats, waar ik je brengen wil, is niet ver van hier.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb van morgen nog niets gegeten,&#8221; zei Gustaaf. &#8220;&#8217;k Heb honger.&#8221; &#8220;Daar is mijne melk goed voor,&#8221; zei de koe. &#8220;H&egrave;, ja!&#8221;
+en in een&#8217; wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn&#8217;
+mond loopen. Lekkere versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.
+
+</p>
+<p>Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond het niet naar meer met de koe te reizen. &#8220;Och, als ze
+mij nu eens weer naar mijne ouders bracht,&#8221; dacht hij, en een traan rolde hem over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe
+lief hij zijne ouders had.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. &#8220;Ziezoo, we zijn er,&#8221; zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om &#8217;t hart. Bij &#8217;t
+licht van de sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur was een mesthoop en aan de andere een
+klein plekje bouwgrond met eene oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: eenzaam en stil lag
+het hutje daar. &#8220;We zijn er,&#8221; zei de koe nog eens, toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. &#8220;Hier?&#8221; riep Gustaaf, &#8220;dat kun
+je niet meenen, &#8217;t is <i>te</i> leelijk!&#8221;
+<a id="d0e422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e422">33</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Stap af, zeg ik je,&#8221; antwoordde de koe, &#8220;en ga binnen. Ik blijf bij je.&#8221;&#8212;&#8220;Ik blijf bij je,&#8221; dat was wel een troost; maar
+de gedachte in zoo&#8217;n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig
+aan de horens vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een&#8217; zijsprong, en daar lag Gustaaf lang uit op den grond.
+Zijn hoofd bonsde tegen de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond vloog de deur uit. Gustaaf maakte
+wel, dat hij overeind kwam. Eene leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: &#8220;Wat is dat hier toch, wat moet jij hier zoo
+laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p033.jpg" alt="Op de horens genomen."></p>
+<p class="figureHead">Op de horens genomen.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Och,&#8221; zei Gustaaf, &#8220;och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maak, dat je wegkomt; bedelaar,&#8221; riep de vrouw. &#8220;Wat meen je, dat mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens,
+wat mooi heertje daar vraagt, om bij ons te slapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en
+deed alsof hij hem wou bijten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je <i>moet</i> hier blijven,&#8221; fluisterde de koe.
+
+</p>
+<p>Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, &#8217;t Was een groote dikke man, met booze oogen en een streng gezicht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik neem geen bedelaars in huis,&#8221; zei hij. &#8220;Maak, dat je wegkomt, jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Je <i>moet</i> hier blijven,&#8221; zei de koe zonder zich aan de dreigementen van den boer te storen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heb medelijden, beste Mijnheer,&#8221; .... smeekte Gustaaf. Voordat hij meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn&#8217; leeftijd,
+maar veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. &#8220;Ik wil hem hier houden,&#8221; riep hij, &#8220;hij is een vriendje
+voor mij, hij zal bij ons wonen.&#8221; Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en&#8212;&#8220;nu, omdat onze kleine Jakob het wil, toe
+dan maar, blijf maar hier,&#8221; zei de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter hen dicht. De koe zocht
+uit zich zelve een plaatsje in den kleinen stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje hooi stond
+te trekken.
+
+</p>
+<p>Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet <a id="d0e454"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e454">34</a>]</span>minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter in schikken.
+
+</p>
+<p>Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven,
+maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo&#8217;n eenvoudig hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje
+af, vouwde het netjes op, en borg het in de kast. &#8220;Als je weer weggaat, kun je het terugkrijgen,&#8221; zei ze. Ze gaf Gustaaf nu
+een grof hemd van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een paar klompen&#8212;alles gezocht uit het beste
+goed van Jakob. Maar dat ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten voelen, dat hij niets meer
+dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, en daarom moest
+Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor zich
+zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat ook zijn, dachten ze.
+
+</p>
+<p>Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak
+van den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote klompen blijven; maar de boerin deed een handvol
+frisch stroo er in, en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.
+
+</p>
+<p>Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf
+haast niet laten den neus een beetje op te trekken. &#8217;t Was maar gelukkig, dat hij den vorigen dag niets dan wat melk had gehad,
+en dus nu erg hongerig was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: hij raakte er aan gewoon. En hij
+zag ook, dat de boer en de boerin en Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij het even goed als
+de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes toe was.
+
+
+</p>
+<p>Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal!
+Maar&#8212;&#8217;t was er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje in de stad. En de boer en boerin konden hem nu
+eenmaal niets beters geven. Dat hij <a id="d0e464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e464">35</a>]</span>zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam de koe en stak
+hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en vriendelijk
+aan. Hij viel &#8217;s avonds dadelijk in slaap en was &#8217;s morgens heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker
+dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij v&oacute;&oacute;r dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen
+geleund naar de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar zijne mooie slaapkamer op het kasteel.
+Maar aan de mooie slaapkamer dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in het kasteel woonden. Ook had
+hij, toen hij aan zijne ouders dacht, niet meer zoo&#8217;n verdriet&#8212;hij merkte, dat hij een betere jongen werd en had een gevoel,
+alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.
+
+</p>
+<p>Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde
+stem en zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had niet beter geleerd, en meende het daarom niet
+kwaad. Gustaaf begreep dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als Vader Jan hem de hand eens op het
+hoofd lei en zei: &#8220;beste jongen!&#8221; &#8217;t Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.
+
+</p>
+<p>Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk
+voor Gustaaf. &#8217;t Was altijd &#8220;mijn jongen&#8221; v&oacute;&oacute;r, &#8220;mijn jongen&#8221; na, zoodat Gustaaf haar wel lief moest krijgen. En dat was juist
+zoo heerlijk. Nu voelde hij voor &#8217;t eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.
+
+</p>
+<p>De eenige, die hem &#8217;t leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had.
+Hij lachte Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een stadsheertje praatte, en dan weer was het: &#8220;of hij
+niet liever in verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen.&#8221;&#8212;De boer en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar
+hij vandaan kwam. Ze begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar wilden hem niet verlegen maken
+met er naar te vragen. Maar Jakob begon al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het &#8220;mijnheertje van de koe&#8221; te noemen. En
+nu ging het maar <a id="d0e472"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e472">36</a>]</span>elken dag: &#8220;Zeg, moet je nog niet eens weer een ritje maken?&#8221; In &#8217;t eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen geduldig; maar toen
+Jakob elken dag weer van voren af aan begon en zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het met het
+geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen;
+want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens werden nu echte vrienden.
+
+</p>
+<p>In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem
+had, en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob;
+en, terwijl hij Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd Gustaaf weer de leerling van Jakob
+bij het boerenwerk. Jakob leerde hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen Gustaaf met een rood
+hoofd druk bezig was, het hooi op het land te keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. &#8220;Kom aan,&#8221; zei
+hij, &#8220;je wordt al een heele man! Z&oacute;&oacute; mag ik het zien!&#8221;
+
+</p>
+<p>Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht
+afwisschen, dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij
+vloog op haar af en riep: &#8220;Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet meer boos op je wezen, nu
+je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je lief! daar dan!&#8221; Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een&#8217; kus op den
+neus!....
+
+</p>
+<p>Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de oogen wel dichtknijpen en&#8212;toen hij ze weer open deed&#8212;stond er
+eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen&#8212;toen zag hij,
+dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo&#8217;n wijsneuzig,
+zoo&#8217;n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gelukkig!&#8221; riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, &#8220;je hebt ons beiden gered!<span class="corr" title="Bron: &#8221;"></span> Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, nu ga je weer
+naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in ongerustheid over je.&#8221;
+<a id="d0e484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e484">37</a>]</span></p>
+<p>&#8217;t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was,&#8221; zei de moeder, en de tranen rolden haar over de wangen, &#8220;&#8217;t Is nu
+juist een jaar geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood was.&#8221; Daar sprong de deur open en de fee
+kwam binnen. &#8220;Hier, Moeder,&#8221; riep ze, &#8220;hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij verdient het.&#8221;
+
+</p>
+<p>Te vertellen, hoe &#8217;n gezicht de vader en de moeder zett&#8217;en en hoe gelukkig ze waren, &#8217;k zou het niet kunnen. De moeder was
+dol van blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots
+naar de gebruinde handen van zijn&#8217; jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette eenvoudige manieren. De bedienden en
+de buren, allen stormden bij het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de knecht, die er bij geweest
+was, toen Gustaaf door de koe op de horens genomen werd, zat op een&#8217; stoel bij de deur van blijdschap te schreien.
+
+</p>
+<p>Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: &#8220;Maar wat heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Die hebben wij opgegeten, h&eacute; Gustaaf,&#8221; zei de fee lachend.
+
+</p>
+<p>Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik
+van worden, meende Zus.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles
+voorbij was&#8212;was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een flinken, aardigen jongen van hem te maken.&#8212;E&eacute;n
+ding alleen bleef hem altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, hoe er van de koe eene fee had kunnen
+worden. Dat wilde de fee hem maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op den verjaardag van zijne terugkomst
+over te komen om feest te vieren.
+
+</p>
+<p>Wie ook mee feestvierden?
+
+</p>
+<p>Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een&#8217; brief schreef, om&#8212;neen, meer zeg ik niet.
+
+
+
+<a id="d0e505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e505">38</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e506"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Een Droom.</h2>
+<p>Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan
+&#8217;t spelen en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn
+laag stoeltje zoo dicht mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En dan had je hem moeten zien
+luisteren: met open ooren en open mond, met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit was, dan vleide
+hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen moest: &#8220;Ziezoo, nu is &#8217;t voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog
+van droomen.&#8221;&#8212;Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. H&egrave;, eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord
+had, wezenlijk al die fee&euml;n en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen!
+Elken avond, als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo&#8217;n mooien droom zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het.
+Eindelijk...&#8212;
+
+</p>
+<p>Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien;
+want Oom Rob deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits al gauw de beste vrienden met hem. Nu,
+zoo&#8217;n gezellige oom, als dat ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te vertellen! En wat een leuke
+spelletjes kende hij en grappige kunstjes!
+
+</p>
+<p>&#8220;Oompje,&#8221; zei Frits op een&#8217; keer, &#8220;je bent zoo knap, en overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren droomen?&#8221;&#8212;&#8220;Leeren
+droomen!&#8221; lachte Oom, &#8220;wat meen je daar toch mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet te leeren.
+Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?&#8221;&#8212;&#8220;Ja wel,&#8221; zei Frits, &#8220;maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil.&#8221;&#8212;&#8220;O, is &#8217;t anders
+niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren,&#8221; riep Oom. &#8220;Weet je, wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met
+je hoofd op &#8217;t kussen.&#8221;&#8212;&#8220;H&egrave; Oom, je plaagt me ook altijd!&#8221;&#8212;&#8220;Ho, mannetje, ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet
+over je linker en de beide handen onder &#8217;t hoofd en dan&#8212;ga je maar denken aan alles, waar je van droomen wilt. Je zult <a id="d0e515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e515">39</a>]</span>zien, dat helpt. Maar pas op, dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, dan is het mis en je droomt&#8212;niets!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Wat was die Frits in zijn&#8217; schik met het kunstje! Hij kon dien dag haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar
+bed te gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen en nu&#8212;Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij
+al, of hij maar naar bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Je bent toch niet ziek, jongen,&#8221; vroeg Moeder. &#8220;Och ja,&#8221; plaagde Oom, &#8220;hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij
+eens bijten in zijne dikke boterham, en wat ziet hij wit!&#8221;&#8212;Oom begreep wel, waarom Frits zoo&#8217;n haast had, om naar bed te komen.
+Maar hij zei niets; want Frits wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom&#8212;en als Moeder nu van het
+kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.
+
+</p>
+<p>Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in &#8217;t oor: &#8220;Kom je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?&#8221; Oom knikte
+lachende van &#8220;ja.&#8221; Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht
+als eene kaars, de handen onder &#8217;t hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, doodstil, zonder zich te verroeren. &#8220;Zoo
+is &#8217;t goed,&#8221; zei Oom, &#8220;nu maar denken aan&#8212;weet je al, wat je droomen wilt?&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, &ograve;f Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan fee&euml;n en dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie
+vertelsels van gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had en wou gaan slapen, om te droomen, toen&#8212;wou
+de slaap niet komen. &#8217;t Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op dezelfde plek en op dezelfde manier.
+Telkens had Frits lust eene hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn&#8217; linkervoet eens boven zijn&#8217; rechter te leggen. Maar
+hij hield vol en eindelijk, daar kwam de slaap en&#8212;daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, dien ik je nu eens
+wil gaan vertellen.
+
+</p>
+<p>Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten
+en luisterde. De voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar ging de deur langzaam open en binnen
+kwamen.... Ja, dat kon Frits in &#8217;t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren verblind <a id="d0e527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e527">40</a>]</span>door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond
+er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling&#8212;neen,
+&#8217;t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan twee aanstappen&#8212;twaalf dwergjes, ieder met eene brandende
+fakkel in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje
+en daarboven een groot hoofd met een puntig kapje er op. &#8217;t Leken wel kleine jongetjes met oude gezichten en grijze baarden,
+met rimpelige wangen en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze daar zoo deftig kwamen aanstappen,
+recht op zijn bed af. Vlak v&oacute;&oacute;r hem bleven ze staan, en nu begon &eacute;&eacute;n van de voorste mannetjes: &#8220;Jongeheer, &#8217;k weet niet, of
+je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!&#8221;&#8212;&#8220;Zoo,&#8221; riep Frits vroolijk, &#8220;ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, Appelsteeltje!&#8221;
+en hij schudde het dwergje de hand. &#8220;En hoe gaat het je petekind?&#8221;&#8212;&#8220;Dank je, jongeheer, best,&#8221; zei Appelsteeltje, &#8220;maar we
+zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in &#8217;t bosch te vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere toovervolkje,
+daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens een kijkje bij ons te nemen.&#8221;&#8212;&#8220;Op een bal?&#8221; riep Frits, &#8220;maar ik kan
+niet dansen!&#8221;&#8212;&#8220;O, dat komt er niet op aan,&#8221; meende Appelsteeltje, &#8220;op het bal is wel eene fee, die het je in &eacute;&eacute;n tooverslag
+leeren kan.&#8221;&#8212;&#8220;Maar, met wie zal ik dansen?&#8221; vroeg Frits weer. &#8220;Dat is eene verrassing,&#8221; lachte het dwergje, en al de mannetjes
+lachten met hunne breede, vriendelijke monden mee. &#8220;Maar ik heb geen mooi pakje, om in te dansen,&#8221; zei Frits. &#8220;Daar is voor
+gezorgd,&#8221; zei Appelsteeltje.
+
+</p>
+<p>Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. E&eacute;n droeg eene fluweelen broek, &eacute;&eacute;n een satijnen buisje, &eacute;&eacute;n
+eene muts met pluimen, &eacute;&eacute;n een paar zijden kousen, &eacute;&eacute;n een paar verlakte dansschoenen, &eacute;&eacute;n een fijnen zijden zakdoek. Voordat
+Frits nog iets zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn bed, zett&#8217;en hem op den vloer, plooiden
+en schikten en knoopten en strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins uit een sprookje. &#8220;Maar,&#8221; begon
+hij nu weer, &#8220;hoe komen we op &#8217;t bal, dat is zeker heel ver.&#8221; <a id="d0e531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e531">41</a>]</span>&#8221;&#8217;t Komt alles in orde, jongeheer Maar!&#8221; riep Appelsteeltje. &#8220;Voorwaarts, marsch!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan,
+de gang door, de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden
+de zeven veulens uit de vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar &#8217;t bal te brengen. Hoe hij er op kwam, wist hij niet;
+maar in een oogenblik zat Frits al op den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere zes, natuurlijk op
+ieder veulen twee. &#8217;t Was een heele optocht: voorop drie veulens met zes dwergjes, in &#8217;t midden Frits, achter hem weer drie
+veulens met zes dwergjes.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu naar &#8217;t bosch,&#8221; kommandeerde Appelsteeltje heel v&oacute;&oacute;r in de rij. De veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne
+fakkels en Frits riep uit alle macht &#8220;hoezee! leve Appelsteeltje!&#8221; Voort ging het nu in galop door straten en langs wegen,
+langs akkers en velden, over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf vasthouden aan de manen van zijn
+veulen; maar hij hield zich recht als een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. &#8220;Zijn we er al?&#8221; vroeg
+Frits. &#8220;Ha, ha!&#8221; lachten de dwergjes, &#8220;hij vraagt, of we er al zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar schemerde licht door de boomen. &#8217;t Kwam uit de ramen van een statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne
+fakkel naar dien kant en riep Frits over zijn&#8217; schouder toe: &#8220;Het betooverde kasteel!&#8221; Wat zou Frits graag even afgestapt
+zijn, om het kasteel te bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel te veel haast. Toen Frits nog
+even omkeek, waren ze al weer een heel eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.
+
+</p>
+<p>Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van &#8217;t
+bosch stond een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer
+bewoog Appelsteeltje zijne fakkel: &#8220;Het huisje van de drie beertjes!&#8221; riep hij Frits toe. Ja, wezenlijk, daar kwamen ook al
+drie nieuwsgierige berekoppen uit een venstertje kijken. &#8220;Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!&#8221; groette Frits, &#8220;hoe smaakt
+de honigsoep?&#8221; Maar voordat er antwoord kwam, lag het huisje al weer in de verte.
+<a id="d0e541"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e541">42</a>]</span></p>
+<p>Daar was eindelijk de rand van &#8217;t bosch. Ja, en daar stond ook weer een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte
+muren en een tuintje er voor. &#8220;Daar woont de grootmoeder van Roodkapje,&#8221; vertelde Appelsteeltje. &#8220;Och, och,&#8221; begon Frits,
+&#8220;woont daar nu....&#8221; Maar daar vlogen de veulens, nu ze &#8217;t bosch uit waren, in eens weer met een&#8217; ruk vooruit: &#8217;t scheelde
+niet veel, of onze Frits was in &#8217;t zand gewipt.
+
+</p>
+<p>Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne
+fakkel wenkte, keek hij even naar dien kant.
+
+</p>
+<p>Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat
+was dat nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij &#8217;t beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren,
+hoogen berg. &#8221;&#8217;t Kasteel met den dikken boom en den diepen put!&#8221; riep het dwergje. Frits hield zijn hoofd heelemaal achterover,
+om goed te kunnen zien. Maar juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; &#8217;t scheelde niet veel, of hij was van den
+schok over den kop van &#8217;t veulen gevlogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Let op!&#8221; waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. &#8220;Van den markies van Carabas!&#8221; riep Appelsteeltje.&#8212;Voort,
+altijd verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit
+was! &#8220;Daarachter ligt Luilekkerland,&#8221; vertelde Appelsteeltje. &#8220;H&egrave;, Luilekkerland,&#8221; zei Frits, &#8220;Luilekkerland achter den rijstebrijberg!&#8221;
+Want hij had grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. &#8220;Maar kom,&#8221; dacht hij, &#8220;dit ritje is toch ook al heerlijk, en
+wie weet, wat ik straks op &#8217;t bal allemaal nog te zien krijg!&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen!
+Gelukkig, nu kon &#8217;t niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene breede, donkere streep, dat was zeker &#8217;t
+bosch! En ja, toen ze nader kwamen, zwaaide voor &#8217;t laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep hij vroolijk: &#8220;We zijn er!&#8221;
+Toen hinnikten de veulens, de dwergjes gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de handen en riep maar
+niets dan &#8220;hoezee,&#8221; tot hij er schor van was.
+
+</p>
+<p>Vooraan in &#8217;t bosch was het donker; maar door de boomen heen schemerde <a id="d0e554"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e554">43</a>]</span>licht, en hoe verder je in &#8217;t bosch kwam, hoe lichter het werd. &#8220;Nu de oogen dicht!&#8221; riep Appelsteeltje op eens, &#8220;en niet
+weer open, voor ik je waarschuw, hoor!&#8221; Frits dadelijk de oogen stijf dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn
+veulen stilstond en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, maar hij werd vlug van &#8217;t veulen getild
+en voorzichtig op den grond neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje zijne linkerhand en beide
+handjes trokken hem zachtjes mee, mee, mee&#8212;totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: &#8220;Open! en welkom in
+de balzaal!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Frits de oogen opendeed&#8212;ja, &#8217;t ging hem weer net als straks: hij wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen:
+&#8217;t was iets heel heerlijks en heel moois. Hij was nog in &#8217;t bosch, op eene groote, open plek in &#8217;t bosch; maar waren dat wel
+boomen, die er omheen stonden? Ja, hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan was, schitterde en glinsterde
+als goud en zilver en kristal en edele steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad van de boomen
+leek zelf wel een lampje en &#8217;t was, of er honderden lichtjes straalden uit stammen en takken.&#8212;De grond of neen&#8212;ik moest liever
+zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen,
+die schitterden als kleine diamantjes.&#8212;Tusschen de boomen lag een dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen
+overal verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, als je moe was van &#8217;t dansen. En dan die mooie dansmuziek!
+Waar kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden
+paddestoel. Allemaal kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig op los, die speelden dan toch wel
+zulke prettige, vroolijke wijsjes, dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of niet. Frits kon ook haast
+niet stil blijven staan, zoo&#8217;n lust kreeg hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan &#8217;t dansen
+waren.
+
+</p>
+<p>Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij,
+waar hij uit <a id="d0e560"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e560">44</a>]</span>kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits <i>kende</i> al die lieve danseresjes, en toch&#8212;had hij ze nog nooit gezien! Hij kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch&#8212;had niemand
+hem de namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn.
+Die met de mooie lange krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de zeven bergen ging, om haar kipje
+te zoeken. En daar had je wezenlijk ook Lena&#8212;Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze om den hals droeg.&#8212;Naast
+Lena stond&#8212;nu, dat was al heel gemakkelijk te raden. Een rood kapje had ze op &#8217;t hoofd, een mandje aan den arm!
+
+</p>
+<p>Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. &#8220;Ja,
+ja,&#8221; zei het grootere meisje, &#8220;Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje en met &eacute;&eacute;n bloot beentje!&#8221; Maar wat was
+dat? .... Bij elk woord, dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren mond! &#8220;Die ken ik ook, die ken ik
+ook!&#8221; riep Frits vroolijk. &#8220;Mooi, mooi,&#8221; zei Appelsteeltje, &#8220;maar nu moet je ook kiezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje
+af tot Goudkindje toe. &#8220;Nu?&#8221; vroeg Appelsteeltje. &#8220;Of, wacht eens!&#8221; Weg was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij
+er ook al weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. &#8220;Wil je misschien deze liever?&#8221; lachte het dwergje. Frits behoefde niet
+lang te raden, wie daar v&oacute;&oacute;r hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, de kousen afgezakt.... &#8220;Neen, neen,
+neen!&#8221; riep Frits, &#8220;die niet, dat is Pietje Smeerpoes!&#8221; Het slordige vuile kind kroop van schaamte dadelijk weer achter een&#8217;
+boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.&#8212;Toen aan het dansen&#8212;neen,
+dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de maat
+van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn danseresje in &#8217;t rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes
+lange vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben willen dansen, &#8217;t ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje
+werd moe. Kom, dan zouden ze maar wat uitrusten <a id="d0e569"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e569">45</a>]</span>tusschen de boomen. H&egrave; ja, dat vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, babbelen met aardig Roodkapje,
+luisteren naar de vroolijke muziek en vooral ook&#8212;kijken naar al de prettige drukte om hem heen.
+
+</p>
+<p>Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op &#8217;t bal waren. Wel, wel, wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen!
+Dwergjes waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht
+was om te zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht en maakten allen aan &#8217;t lachen met hunne dwaze
+grappen.&#8212;Daar dansten er twaalf in een&#8217; kring om Appelsteeltje heen. &#8220;Hoe leuk!&#8221; riep Frits, &#8220;daar heb je wezenlijk de Twaalf
+Maanden!&#8221;&#8212;Een eind verder draafde een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. &#8220;Pas op je krullen, Liesje!&#8221;
+riep hij plagend. &#8217;t Meisje schaterde van lachen, omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes
+toch niet inhalen kon.
+
+</p>
+<p>Wat was &#8217;t eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou
+er dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in twee&euml;n vouwen, om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij
+het mannetje als een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer op.&#8212;Peter huppelde er alleen in &#8217;t rond
+met zijne gouden gans in den arm.&#8212;Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; maar hoeveel keer hij haar
+wel bij ongeluk op de teenen trapte, weet ik niet.
+
+</p>
+<p>En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak
+bij. &#8220;Smulhans!&#8221; riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand
+anders dan de toovervrouw! Onder het dansen stopte ze &#8217;t gulzige ventje aanhoudend lekkernijen in den mond, en dan grinnikte
+ze van pret.
+
+</p>
+<p>Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en&#8212;de mooie,
+domme prinses <a id="d0e586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e586">46</a>]</span>in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich
+af; maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden pot te blijven.
+
+</p>
+<p>Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot
+netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte Katje.&#8212;Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in
+&#8217;t rond. En bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes in den neus, die vlak achter hen dansten.
+Ze konden wel aan &#8217;t proesten blijven, de kaboutertjes.
+
+</p>
+<p>Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een
+groot boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. &#8220;De booze Toovenaar,&#8221; fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij
+druk in zijn tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook van, dat hij telkens tegen iemand aan liep.
+O h&eacute;, nu al weer tegen een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als de wind springt het weer op en trekt
+den toovenaar bij zijn langen, spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja wel&#8212;die stond hem al
+lang weer aan &#8217;t andere eind van de zaal uit te lachen.&#8212;Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje te zoeken,
+om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knie&euml;n
+en de handen onder &#8217;t hoofd. Een poosje zat hij&#8212;daar kwam Goudkindje aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek.
+&#8220;Toovenaar,&#8221; zei ze met een vleiend stemmetje, &#8220;waarom zit je hier zoo alleen? Heb je geen plezier? Toe, dans eens met me!&#8221;
+De toovenaar keek eerst met een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, moest hij toch lachen. En wezenlijk:
+hij stond op, legde zijn boek zoolang onder het kussen en&#8212;begon met Goudkindje in &#8217;t rond te dansen.
+
+</p>
+<p>Frits had den heelen tijd, bij &#8217;t kijken naar al die kluchtige paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden,
+boozen toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen met Goudkindje in haar nachthemdje en &eacute;&eacute;n bloot
+beentje, nu lachte hij, dat de tranen hem over de wangen rolden.&#8212;
+<a id="d0e594"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e594">47</a>]</span></p>
+<p>En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen
+lachten mee, dat ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd was ook nog op het bal gekomen met zijne
+kameraden Hazenoor, Blaaskaak, Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in eene lange rij. Maar dat
+bleef niet zoo; want ieder wou graag voor de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot in eens vooruit
+en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen te rennen&#8212;neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. &#8217;t Ging
+zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie tellen heelemaal om de groote balzaal heen.&#8212;Hazenoor ging met
+zijn oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: &#8220;Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden
+duiven in Luilekkerland door de lucht vliegen.&#8221;&#8212;Mikgoed schoot de toovervrouw een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat
+ze Smulhans juist in den mond wou stoppen.&#8212;Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en blies op eens alle dansers omver.&#8212;Maar
+wat van Sterkenrug deed, dat was nog &#8217;t aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, die op &#8217;t bal waren, bij zich. Toen
+ging hij een beetje voorover gebogen staan. En toen&#8212;moesten al de kaboutertjes op zijn breeden rug klimmen. Langs en over
+elkaar heen klauterden ze naar boven. &#8217;t Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te zien.&#8212;Maar er was
+niet alleen wat aardigs te zien op &#8217;t bal, ook wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, er waren ook&#8212;fee&euml;n.
+Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en de fee
+van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die fee&euml;n in haar
+sierlijk, luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat
+ze dansten! De fijne, teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen ze er overheen. Frits keek er met
+open mond naar.&#8212;Maar midden onder &#8217;t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. &#8220;Kom aan, jongeheer, nu weer een dansje,&#8221; riep
+hij, &#8220;je wordt niet alle dag op een bal in &#8217;t bosch gevraagd!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, &#8217;t was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan &#8217;t dansen. Wacht, <a id="d0e599"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e599">48</a>]</span>daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.&#8212;Toen gedanst
+met Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had,
+ook in de buurt was.&#8212;Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, die danste zoo vlug, dat Frits haast niet
+mee kon komen. Op eens kwamen ze bijna te vallen over&#8212;ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te vallen over twee heel
+kleine dansende paartjes. Het eene paartje was Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje in een
+kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede paartje was&#8212;Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning,
+in een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna
+omvergedanst had! Maar Lena gunde hem geen&#8217; tijd lang stil te staan: ze trok hem al gauw weer mee, om verder te dansen.
+
+</p>
+<p>Daar op eens klom er een dwergje in een&#8217; boom, en dat begon me te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk.
+En zie&#8212;dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen
+die lachten en praatten zwegen in eens. E&eacute;ne alleen bewoog zich en dat was eene lieve fee in een lang, slepend kleed van zilveren
+draden geweven en met een zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten van de zaal. Telkens bukte
+ze zich en raakte even met haar tooverstokje den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit den grond
+een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker
+was. In een oogenblik stonden er in &#8217;t rond, &#8217;k weet niet hoeveel, van die tafeltjes-dek-je klaar.&#8212;Nu ging de fee weer rond
+en bij elk tafeltje tikte ze even tegen een&#8217; poot. En ja wel, daar waren ook in eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen
+en groen versierd.
+
+</p>
+<p>Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een
+mooi plaatsje aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven
+had hij zulk lekkers geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even vroolijk, en vooral <a id="d0e605"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e605">49</a>]</span>de dwergjes maakten weer ieder aan &#8217;t lachen met hunne dwaze grappen.&#8212;Er was er maar &eacute;&eacute;n, die geen tijd had, om pret te maken,
+die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij krijgen
+kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.&#8212;
+
+</p>
+<p>Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes
+in de lucht te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: &#8220;Sst, sst! Appelsteeltje wil wat zeggen!&#8221; Toen werd het heel stil, en
+ieder luisterde naar wat het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn van de tafel, hield het omhoog
+en zei: &#8220;Ik drink op de gezondheid van <i>mijn</i>, ik meen van <i>ons</i> vriendje Frits! Hij leev&#8217;, hij leev&#8217;, ons Fritsje leve lang!&#8221;&#8212;Allen dronken en klonken mee. En toen&#8212;hoe het kwam, wist hij
+niet&#8212;maar op eens stond Frits midden in de balzaal, en om hem heen dansten in een grooten kring alle fee&euml;n en toovenaars,
+alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en meisjes&#8212;<i>alle</i> gasten van &#8217;t bal. En allemaal zongen ze: &#8220;Hij leev&#8217;, hij leev&#8217;, ons Fritsje leve lang!&#8221; O, wat was &#8217;t mooi!
+
+</p>
+<p>Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En&#8212;als door een&#8217; tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal,
+het schitterende licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en v&oacute;&oacute;r en achter hem draafden de zes andere veulens.
+Elk veulen droeg weer twee dwergjes op zijn&#8217; rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort ging het weer, hop, hop&#8212;in
+vliegende vaart door bosschen, over velden en wegen, langs kasteelen en bergen.&#8212;Appelsteeltje zwaaide weer met zijne fakkel;
+maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover
+op zijn veulen. Op &#8217;t laatst kon hij de oogen haast niet meer open houden. Nog een poosje en&#8212;ze vielen toe. Frits sliep.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en&#8212;onze Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef
+hij niet meer liggen, hoor! In een&#8217; wip was hij er uit, <a id="d0e624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e624">50</a>]</span>in een&#8217; wip aangekleed, in een&#8217; wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, hoe heerlijk het middeltje geholpen,
+hoe&#8217;n kostelijken droom hij gedroomd had.&#8212;
+
+</p>
+<p>&Eacute;&eacute;n ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier
+in dien heerlijken nacht.
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e628"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Een Dief&#8212;en Geen Dief.</h2>
+<p>Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm:
+hij was juist heel rijk. Ja, hij <i>was</i> rijk, maar hij <i>werd</i> arm. Op een&#8217; nacht kwamen er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.&#8212;De man klaagde en jammerde, en hij deed
+alles, wat hij kon, om de dieven te vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen, en het geld was gevlogen,
+en de man begon eindelijk te begrijpen, dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.
+
+</p>
+<p>Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna
+nooit waren ze ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. &#8217;t Waren heele bolleboozen van knapheid. Met
+den jongsten zoon, met Tom, zooals hij heette, was het anders. &#8220;Wat er van dien jongen nog worden moet,&#8221; zuchtte de vader
+menigmaal, &#8220;ik weet het niet! Leeren, daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te vinden, wel in
+den stal of buiten in &#8217;t bosch of op &#8217;t veld. Jagen en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen, die
+weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan &#8217;t lachen maken, en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar
+met al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet we nog aan dat heertje beleven!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op een&#8217; dag vlak voor zijn&#8217; vader staan en zei: &#8220;Vader,
+ik ga er op uit, om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden zal ik ze, al zaten ze ook &#8217;k weet
+niet waar verborgen. En &#8217;t geld breng <a id="d0e643"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e643">51</a>]</span>ik mee terug, zoo waar ik Tom heet.&#8221;&#8212;De vader barstte in lachen uit. &#8220;Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe
+broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan iets van terecht komen. Maar jij!&#8221;&#8212;&#8220;&#8212;Vader,&#8221; zei Tom,
+&#8220;ik vind ze, laat mij maar begaan.&#8221;&#8212;&#8220;Nu,&#8221; zei de vader, &#8220;ga je gang. Thuis voer je toch niet veel goeds uit.&#8221;
+
+</p>
+<p>En Tom ging zijn&#8217; gang.
+
+</p>
+<p>Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed opgeven, daar dacht hij toch niet aan.&#8212;Eens dat hij weer
+een heelen dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis, dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen
+weg, dichtbij een bosch. &#8217;t Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei een gure wind, en &#8217;t regende zonder
+ophouden. &#8220;Ik moet maar zien, dat ik hier vannacht onder dak kom,&#8221; dacht Tom. Eene bel was er nergens te zien: hij bonsde
+dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.
+
+</p>
+<p>Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond v&oacute;&oacute;r hem. &#8220;Wat moet je?&#8221; vroeg ze heel onvriendelijk.&#8212;&#8220;Wat anders dan
+mijn avondeten en een bed om in te slapen!&#8221; zei Tom. &#8220;Dat kun je hier niet krijgen,&#8221; bromde het vrouwtje, &#8221;&#8217;k Zou wel eens
+willen weten, waarom niet,&#8221; hield Tom vol. &#8220;Nu, als je &#8217;t dan volstrekt weten wilt,&#8221; was &#8217;t antwoord, &#8221;&#8217;t is, omdat hier zes
+mannen wonen, die meest pas tegen drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan kom je hier niet levend
+vandaan.&#8221;&#8212;&#8220;Dat is een leelijk ding,&#8221; zei Tom, &#8220;maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer, is ook
+geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet bang.&#8221;&#8212;Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter
+zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van &#8220;zelf maar weten&#8221;, maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was &#8217;t
+voornaamste.
+
+</p>
+<p>Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen;
+maar dat kon Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij met leege handen thuis kwam en braaf door
+zijn&#8217; vader en zijne broers uitgelachen werd.
+
+</p>
+<p>Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in <a id="d0e655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e655">52</a>]</span>de kamer naast hem. &#8220;Aha!&#8221; dacht hij, &#8220;daar zijn de zes mannen, die mij niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje,
+dat altijd midden in den nacht pas thuiskomt&#8212;als dat geen dieven zijn, dan weet ik het niet! Eerlijke menschen hebben &#8217;s nachts
+op straat niets te maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen
+klonken zoo verward door elkaar, &#8217;t leek wel, of ze allemaal tegelijk spraken.&#8212;Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat
+stiller en begon Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over hadden. Ze praatten druk over wat ze dien
+nacht hadden uitgevoerd. &#8217;t Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van inbreken en van gauw wegloopen
+en van zilveren lepels en vorken en van geld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat was eene mooie vangst vannacht,&#8221; zei er een. &#8220;Ja,&#8221; zei een ander, &#8220;maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die
+van laatst. Jongens, als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al zijn geld hebben afgestolen, zonder dat
+hij er iets van gemerkt heeft!&#8221;&#8212;&#8220;Honderdduizend gulden!&#8221; lachte een derde. &#8220;Wat zullen ze op hun&#8217; neus gekeken hebben, hij
+en zijne drie zoons. De jongste, dat moet zoo&#8217;n doeniet zijn. Maar &#8217;t luie leventje van dat heertje zal nu ook wel uit zijn,
+nu zijn vader niet rijk meer is!&#8221;
+
+</p>
+<p>Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat
+er gezegd werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en &#8217;t had niet veel gescheeld, of hij was de kamer binnen geloopen, waar de
+dieven zich vroolijk maakten over hem en zijn&#8217; vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren de mannen, die zijn&#8217; vader arm
+gemaakt hadden. Honderdduizend gulden, drie zoons, de jongste een doeniet&#8212;het kon niet anders wezen. Wacht, hij zou .... Ja,
+wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop weer
+in &#8217;t bed. &#8220;Tom, jongen, wees niet dom,&#8221; zei hij tegen zichzelf, &#8220;je weet nog niet eens, waar ze &#8217;t geld gelaten hebben, en
+al wist je &#8217;t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!&#8212;Beter eerst nog eens verder luisteren, misschien kom je nog wel
+meer te weten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom legde weer &#8217;t oor tegen den muur en luisterde. &#8220;Zeg eens, is dat <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">53</a>]</span>geld wel goed geborgen?&#8221; vroeg er een. &#8220;Dat &#8217;s ook eene vraag,&#8221; riep een ander, &#8221;&#8217;t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar
+we &#8217;t in gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder hebt zien staan, recht voor je uit, als je de
+trap af komt?&#8221;&#8212;&#8220;Nu, &#8217;t is goed, ik vroeg &#8217;t maar zoo,&#8221; zei de eerste weer. &#8220;Ziezoo,&#8221; dacht Tom, &#8220;nu weet ik vooreerst genoeg.
+Nu moet ik slim wezen. Mijn&#8217; zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?&#8221;&#8212;Nog eene heele poos lag hij te denken, te denken,
+tot hij eindelijk in slaap viel.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p053.jpg" alt="Een dief&#8212;en Geen Dief."></p>
+<p class="figureHead">Een dief&#8212;en Geen Dief.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken.
+&#8217;t Leken ruwe, woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen
+zijn. Maar bang zijn, daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten, leunende op zijn&#8217; elleboog, en keek
+de mannen driest in de oogen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je,&#8221; vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over de andere vijf leek, &#8220;en wat kom je hier doen?&#8221;&#8212;&#8220;Wie
+ik ben?&#8221; zei Tom. &#8220;Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom leerjongens zoeken, die me meteen een
+handje kunnen helpen bij mijn werk. Als jullie me bevalt,&#8221; en hij keek de mannen &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n aan, &#8220;dan wil ik je misschien
+wel in mijn&#8217; dienst nemen en je een paar lesjes in &#8217;t stelen geven.&#8221;
+
+</p>
+<p>De mannen wisten niet, hoe ze &#8217;t hadden: ze keken elkaar eerst zoo beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde
+eene poos, eer de oudste dief antwoordde: &#8220;Praats heb je genoeg, dat hooren we; maar sta nu maar &oacute;p, dan zullen we na &#8217;t ontbijt
+wel eens zien, wie meester en wie knecht wezen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten ze aan tafel, of daar zien ze door &#8217;t bosch dicht bij
+het huis een&#8217; boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.&#8212;&#8220;Wie van jullie,&#8221; vraagt Tom, &#8220;durft er op
+aan, dien boer zijne geit af te stelen, nog voordat hij &#8217;t bosch uit is, en dat wel zonder ook maar &#8217;t minste geweld te gebruiken?&#8221;&#8212;&#8220;Ik
+niet,&#8221; zegt de oudste dief. &#8220;En ik niet!&#8221; roepen de anderen. &#8220;Kom aan,&#8221; zegt Tom, &#8220;ik ben de meester, ik zal jullie je eerste
+lesje geven!&#8221;
+<a id="d0e680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e680">54</a>]</span></p>
+<p>Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene plek, waar de weg door &#8217;t bosch eene bocht maakte. Daar trekt
+hij zijn&#8217; rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt
+hij zijn&#8217; linkerschoen uit, zet dien weer midden in &#8217;t pad, loopt vlug weg en verbergt zich achter de struiken.
+
+</p>
+<p>De boer komt, en hij ziet een&#8217; schoen staan. &#8220;Jammer, dat die geen kameraad heeft,&#8221; denkt hij, &#8220;aan &eacute;&eacute;n alleen heb je niets.&#8221;&#8212;En
+de boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen schoen. &#8220;Domoor, die ik ben,&#8221; zegt de boer, &#8220;dat
+ik dien van straks niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een paar kan ik best gebruiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een&#8217; boom, om gauwer vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen.
+Maar de schoen&#8212;die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de
+struiken vandaan gekomen en had den schoen weer weggepakt.&#8212;De boer komt en ziet den schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij
+denzelfden weg terug. Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit vastgebonden heeft: geen schoen
+meer te zien en&#8212;wat nog erger, is&#8212;ook geene geit meer!&#8212;De tweede schoen zat al lang weer aan Toms voet. En de geit? Die had
+hij, toen de boer terugliep naar den eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in &#8217;t huis van de dieven gebracht.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is me ook wat!&#8221; jammerde de boer, &#8220;ik beloof voor mijne vrouw eene mooie japon te koopen van &#8217;t geld, dat ik op de markt
+voor mijne geit zal krijgen, en nu&#8212;is de geit weg! Ik moet maar zien, dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat
+mijne vrouw er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen, dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat
+over moeten hooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>De dieven waren in &eacute;&eacute;ne bewondering voor Tom, dat kun je denken, en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje
+toch wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.
+
+</p>
+<p>Een half uurtje later&#8212;daar komt de boer weer aan met een mooi, vet schaap bij zich. &#8220;Wie van jullie ziet er kans,&#8221; vraagt
+Tom, &#8220;dat schaap <a id="d0e693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e693">55</a>]</span>te stelen, v&oacute;&oacute;r de man nog uit het bosch is, altijd- zonder geweld te gebruiken?&#8221;&#8212;&#8220;Ik niet!&#8221; zegt een van de dieven. &#8220;En ik
+niet!&#8221; roepen de anderen. &#8220;Dan zal ik &#8217;t probeeren, ik ben de meester,&#8221; zegt Tom. &#8220;Geef me een stevig touw.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet
+hij op eens een&#8217; man aan een&#8217; tak van een&#8217; boom hangen met het hoofd slap op de borst. &#8220;Wat is dat nu!&#8221; roept hij, &#8220;een uur
+geleden hing die man daar toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op klaarlichten dag, &#8217;t is om
+van te beven!&#8221; Angstig kijkt hij om zich heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.
+
+</p>
+<p>Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn&#8217; schrik al weer een&#8217; man aan een&#8217; boomtak hangen, met zijn hoofd slap
+voorover op de borst. &#8220;Heb ik van mijn leven!&#8221; roept de man, &#8220;daar hangt er al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!&#8221;&#8212;En
+hij stapt haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.
+
+</p>
+<p>Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en grijpt zich met de hand aan &#8217;t voorhoofd. &#8220;Maar zie
+ik dan verkeerd, of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een&#8217; boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar!
+Nu wordt het toch al te gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug&#8212;ik wil weten, of de twee anderen er nog hangen.&#8221;
+De man bindt zijn schaap zoolang aan een&#8217; boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de weg daar juist maakte, of
+de arme vermoorde man laat zich van den tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar &#8217;t huis van de
+dieven.&#8212;Dat die man niemand anders dan de slimme Tom was, heb je zeker al begrepen.
+
+</p>
+<p>Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder
+doorliep, was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen
+den boer v&oacute;&oacute;r geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl de boer weerom liep.
+
+</p>
+<p>Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! &#8220;Als je nog &eacute;&eacute;n zoo&#8217;n stukje uitvoert als dit,&#8221; zei de oudste
+dief, &#8220;dan zeg ik: je bent ons allen de baas!&#8221;&#8212;
+<a id="d0e705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e705">56</a>]</span></p>
+<p>En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door
+naar de bocht van den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een&#8217; man. Al pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk
+terug naar de plaats, waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man, geen schaap, alles weg!
+
+</p>
+<p>Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: &#8220;Ach, ach, wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn
+tijd verbeuzeld, mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor mijne vrouw. Er zit niets anders op dan
+dat ik den vetten os uit het land haal en dien verkoop.&#8221;
+
+</p>
+<p>Goed, de boer gaat naar &#8217;t land, en eene poos later zien de dieven hem weer aankomen met zijn vetten os. &#8220;Wie is zoo knap,
+dat hij dien os steelt, zonder geweld te gebruiken?&#8221; vraagt Tom. &#8220;Ik niet,&#8221; zegt er een. &#8220;En ik niet,&#8221; roepen de anderen.
+&#8220;Dan probeer ik het,&#8221; zegt Tom, &#8220;ik ben de meester,&#8221; en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.
+
+</p>
+<p>De boer drijft zijn&#8217; os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij
+aan zijn&#8217; rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. &#8220;Ik
+ben een boon, als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!&#8221; roept de boer.&#8212;Weer geblaat. &#8220;Zoo zeker, als ik hier sta,&#8221; zegt
+de boer, &#8220;ze zijn het!&#8221; En hij bindt zijn&#8217; os aan een&#8217; boom en loopt het bosch in naar den kant, waar &#8217;t geluid vandaan komt.
+Hij loopt al verder en verder, maar &#8217;t is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid blijft altijd even
+ver af.
+
+</p>
+<p>Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden,
+en gevonden had hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want&#8212;toen hij boos op zichzelf en boos op alles weer
+terugkwam op de plaats, waar hij &#8217;t geluid het eerst gehoord had, vond hij d&aacute;&aacute;r zijn&#8217; os niet meer en nergens vond hij hem
+meer! Geen wonder: de os&#8212;die stond al lang op stal bij de dieven.
+
+</p>
+<p>Tom had gedacht: &#8220;Ik neem de geit en het schaap mee in &#8217;t bosch, daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat
+hem een poosje <a id="d0e718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e718">57</a>]</span>achter de dieren aanloopan en dan&#8212;maak ik, dat ik langs den kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb
+ik den os al lang losgemaakt en weggebracht.&#8221;&#8212;En zoo was &#8217;t gebeurd ook.
+
+</p>
+<p>Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en
+zijne vrouw alles te vertellen, was er groot gejuich in &#8217;t dievenhuis. De dieven riepen maar in &eacute;&eacute;nen door van &#8220;hoera!&#8221; en
+&#8220;leve de koning van de dieven, leve Tom!&#8221;&#8212;Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van, bij zoo&#8217;n baas waren zij maar
+kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.
+
+</p>
+<p>Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die
+ze gedaan hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in de huizen te komen en de werktuigen, om sloten
+van deuren en kasten en koffers open te breken, En eindelijk&#8212;namen ze hem zelfs mee naar den kelder, waar ze al hunne gestolen
+schatten geborgen hadden. Daar kreeg Tom wat te zien&#8212;wel verbazend, wat een geld en goed lag daar opgestapeld! &#8220;Wat een menschen
+hebben die ondeugende dieven al ongelukkig gemaakt!&#8221; dacht Tom. &#8220;Maar die kist daar, die ik zoo goed ken, die zul jullie niet
+houden. Dat is de kist van mijn&#8217; vader.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, wezenlijk, daar stond de kist. &#8220;Kon ik haar maar dadelijk meenemen,&#8221; dacht Tom, &#8220;dan bleef ik geen uur langer in dit nare
+huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn&#8217; zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven
+geworden ben. Ik moet nu maar geduld hebben en mijn&#8217; tijd afwachten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zoo bleef Tom dus vooreerst in &#8217;t dievenhuis.&#8212;Hij zorgde wel de dieven te vriend te houden; maar &eacute;&eacute;n ding konden ze niet van
+hem gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel
+van hun&#8217; meester kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij thuis bleef. &#8220;Jullie krijgt me niet
+mee,&#8221; dacht Tom telkens, als hij de dieven zag heengaan, &#8220;bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes vertoond, omdat ik
+hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad; maar nu is &#8217;t ook genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p>Eindelijk op een&#8217; dag zeiden de dieven tegen Tom: &#8220;Meester, als je &#8217;t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene
+kermis hier <a id="d0e730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e730">58</a>]</span>dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook eens plezier maken.&#8221;&#8212;&#8220;Wel zeker,&#8221; zei Tom, &#8220;ga jullie gerust. Ik
+zal mij niet vervelen.&#8221;&#8212;Maar bij zichzelf dacht hij: &#8220;Heerlijk, heerlijk! Eindelijk zal ik eens een&#8217; dag alleen zijn. Misschien
+zal ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom.
+Ja, heel gelukkig, hoort maar eens, waarom.
+
+</p>
+<p>Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze waren trotsch op hem, omdat hij zoo&#8217;n slimme dief was,
+zooals ze meenden. Ze noemden hem &#8220;Meester,&#8221; en dikwijls vroegen ze hem om raad. Maar&#8212;den sleutel van den schatkelder, dien
+hielden ze toch liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij
+er over, hoe den sleutel machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen; maar tot nu toe was hij nog geen
+zier verder.
+
+</p>
+<p>Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al niet. &#8220;Vandaag <i>moet</i> het gebeuren,<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> zei Tom tegen zichzelf, &#8220;ik <i>moet</i> er iets op vinden.&#8221;&#8212;En weer ging hij als zoo menigen keer met het hoofd in de hand zitten denken.
+
+</p>
+<p>Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren, ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor
+de dieven deed, bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze
+er niets van ziet of hoort, hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het en&#8212;in een oogenblik is hij tot
+vlak bij het vrouwtje geslopen, dat met den rug naar hem toe staat. V&oacute;&oacute;rdat ze er iets van merkt, heeft hij den sleutel ook
+al te pakken, en in een&#8217; wip is hij er de deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk: hij is het!&#8212;Wat
+die Tom zich in de handen wreef!
+
+</p>
+<p>Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?
+
+</p>
+<p>Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist van zijn&#8217; vader was gesloten; maar werktuigen, om een
+slot mee open te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij daarmee <a id="d0e753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e753">59</a>]</span>moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld!
+<i>Al</i> het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt: tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde
+maar gauw alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee, die hij in de haast uit een&#8217; hoek van den kelder
+gehaald had. Toen de zakken &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n naar boven gedragen. Toen weer &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n naar de plaats, waar altijd eene kar
+stond. Vlug de zakken op de kar, het paard uit den stal gehaald, dat v&oacute;&oacute;r de kar gespannen, zelf er op gewipt en dat de plaats
+over, de poort uit en den weg op.
+
+</p>
+<p>Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik
+meende hij het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was
+goed afgeloopen. Toen het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig over den weg. Ja, Tom kon van geluk
+spreken! Nu, hij was dan ook blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf, als hij aan de gezichten dacht,
+die de dieven zouden zetten.
+
+</p>
+<p>En waar reed Tom nu wel &#8217;t eerst heen, denk je? Niet naar zijn&#8217; vader, naar....&#8212;Maar wacht, &#8217;k heb nog iets vergeten te vertellen!
+Op de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van
+b&egrave;! en m&egrave;! riep. &#8217;t Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo&#8217;n slimme manier had afgenomen. Met het paard
+had hij ze uit den stal gehaald en op de kar geladen.&#8212;En achteraan de kar was&#8212;de os vastgebonden, de os van den boer.&#8212;En nu
+weet je ook, waar de reis &#8217;t eerst naar toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor de grap gestolen,
+om de dieven wat wijs te maken.
+
+</p>
+<p>Toen Tom bij &#8217;t huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: &#8220;Weet
+je ook van wie deze dieren zijn?&#8221;&#8212;&#8220;Nu,&#8221; riepen de boer en zijne vrouw vroolijk, &#8220;dat zouden we ook niet weten: ze zijn van
+ons zoo zeker als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al overal en overal gezocht en ze nergens gevonden.&#8221;&#8212;&#8220;O,&#8221;
+lachte Tom, &#8220;ze liepen <a id="d0e764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e764">60</a>]</span>in &#8217;t bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk, dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was me eene vreugde in &#8217;t huis van den boer: die pakte zijne vrouw om &#8217;t middel en danste met haar in &#8217;t rond. &#8220;Vrouw,
+nu krijg je de nieuwe japon toch nog,&#8221; riep hij maar al. Toen werden de geit en het schaap van de kar gehaald, en de os werd
+losgemaakt. En terwijl ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: &#8220;Zeg eens, boer, is dat zakje ook van jullie, dat daar aan den hals
+van den os hangt?&#8221; Een zakje? daar hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar &#8217;t hing er, dat was zeker. En wat
+zat er in? Niets minder dan&#8212;honderd gulden! &#8220;Dat is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt,&#8221; zei Tom, en v&oacute;&oacute;rdat
+de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing te bekomen, had Tom de zweep over &#8217;t paard gelegd, en weg was
+hij!
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu naar Vader,&#8221; dacht Tom, &#8220;die zal nog grooter oogen opzetten dan de boer en zijne vrouw.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was al laat in den avond, toen de kar voor &#8217;t huis van Toms vader stilhield.&#8212;Tom sprong van de kar, bond het paard aan
+een&#8217; paal vast en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de deur open: &#8217;t was Toms vader zelf. &#8220;Wie
+maakt er zoo&#8217;n geweld aan mijne deur,&#8221; vroeg de vader verdrietig, &#8220;en dat zoo laat in den avond! Ik beef er nog van.&#8221;&#8212;Tom
+merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar hij hield
+zich goed en zei met eene veranderde stem: &#8220;Och, Mijnheer, neem me kwalijk, dat ik U aan &#8217;t schrikken heb gebracht. Ik ben
+een arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht niet kunnen slapen?&#8221;&#8212;&#8220;Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen
+maar in mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was, toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden,
+toen kreeg de vader medelijden en zei: &#8220;Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet
+ze ten minste eerst bij licht gezien hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Tom dus mee in de kamer, waar &#8217;t licht was. En toen .... die verbazing van zijn&#8217; vader en zijne moeder en zijne broers en
+dat hartelijke lachen <a id="d0e776"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e776">61</a>]</span>van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! &#8217;k Wou, dat je &#8217;t gezien en gehoord hadt!
+
+</p>
+<p>De vader was &#8217;t eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw: &#8220;En waar is &#8217;t geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen
+en zakken leeg zeker!&#8221;&#8212;&#8220;Ja, Vader,&#8221; zei Tom lachend, &#8220;handen en zakken leeg; maar&#8221; en op eens nam hij de lamp in de &eacute;&eacute;ne hand,
+trok zijn&#8217; vader met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar buiten bij de kar, &#8220;maar&#8212;eene kar vol!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet te gelooven, dat in die zakken <i>zijn</i> geld was, zijn heele verloren rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze waren vol harde rijksdaalders
+en guldens!&#8212;Toen greep hij Tom bij de hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest: &#8220;Nu, Vadertje,
+bedaard wat!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was me nog eene andere vreugde dan in &#8217;t huis van den boer! De vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en
+riepen en vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan &#8217;t vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd
+had. Bij de geschiedenis van den boer schudd&#8217;en ze allen van &#8217;t lachen om de slimheid van Tom, en de vader stak hem op &#8217;t
+laatst de hand toe en zei: &#8220;Jongen, &#8217;k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik meende altijd, dat
+er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.&#8212; Dat Tom dubbel
+in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees, kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.
+
+</p>
+<p>Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te
+mooi, om ze niet overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.
+
+</p>
+<p>Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen
+zal. Dan zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg.
+Is dat goed?
+
+
+
+<a id="d0e791"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e791">62</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e792"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Het Zilveren Lucifersdoosje.</h2>
+<p>E&eacute;n, twee! &eacute;&eacute;n, twee! Natuurlijk was &#8217;t een soldaat, die zoo prompt in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn&#8217; ransel op den
+rug, het geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht uit den oorlog en was nu op weg naar huis. E&eacute;n,
+twee! &eacute;&eacute;n, twee! de voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een&#8217; boom geleund zat en van het warme
+weer ingedommeld was, schrikte er van wakker.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag, soldaat!&#8221; zei ze. &#8220;Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook dapper gevochten?&#8221;&#8212;&#8220;Nu, of ik!&#8221; lachte de soldaat.&#8212;&#8220;En
+ben je nu ook te trotsch, om zoo&#8217;n oud vrouwtje, als ik ben, een&#8217; dienst te bewijzen?&#8221;&#8212; &#8220;Zeker niet,&#8221; zei de soldaat.&#8212;&#8220;Nu,&#8221;
+zei het vrouwtje, &#8220;je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel geld voor geven, als je dragen kunt.&#8221;&#8212;&#8220;Sapperloot,&#8221;
+zei de soldaat, &#8220;dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw, wat ik doen moet.&#8221; &#8220;Deze boom,&#8221; zei
+het vrouwtje, en ze klopte op den stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, &#8220;is van binnen heelemaal hol. Je klimt maar
+naar boven en laat je door den hollen stam naar benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer naar
+boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op.&#8221;&#8212;&#8220;Maar, wat moet ik daar onder in den boom?&#8221; vroeg de soldaat. &#8220;Geld
+halen,&#8221; zei het vrouwtje. &#8220;Luister maar eens. Als je onder in den boom komt, ben je in eene groote gang. Heel licht is het
+daar; want er branden wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open doen, de sleutel zit er in. Ga je
+de eerste deur binnen, dan kom je in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote kist, en op die kist
+zit een hond met een paar heel groote oogen, met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet bang te wezen:
+ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je
+geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen
+nemen, als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist
+met guldens; maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je &#8217;s middags van eet. Je behoeft <a id="d0e799"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e799">63</a>]</span>daarom niet bang te wezen: laat mijn schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil je nog liever gouden
+tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen: ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen zoo groot,
+als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan
+kun je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat lijkt mij niet verkeerd,&#8221; zei de soldaat, &#8220;maar wat moet ik nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te
+halen, stuur je me toch zeker niet alleen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei het vrouwtje, &#8220;voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den
+laatsten keer daar geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij lief, als eene herinnering aan hem.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; zei de soldaat, &#8220;is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje zoo graag hebben? Maar waarom heb je &#8217;t dan nog nooit
+door een ander laten halen?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd,&#8221; zei het vrouwtje, &#8220;maar nooit heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van
+de honden daar beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe, ga maar, je doet er mij zoo&#8217;n genoegen
+mee. Hier is mijn schort&#8212;ze doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je &#8217;t?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom aan dan maar,&#8221; zei de soldaat, &#8220;bind me het touw maar om het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen
+niet gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in; daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende
+hand voor &#8217;t oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.
+
+
+</p>
+<p>Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om&#8212;ja hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes,
+en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen&#8212;als je geen soldaat was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een aardige jongen ben je,&#8221; zei de soldaat, &#8220;maar brom nu maar niet zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten
+van haar hebben. Geef mij nu maar eens je een&#8217; poot, nu den anderen, zie zoo, <a id="d0e817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e817">64</a>]</span>daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist.&#8221; Gezegd,
+gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er
+weer op gezet en nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als een bord.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt,&#8221; zei de soldaat. &#8220;Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt.
+Zie hier liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom, kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes
+op den vloer, brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik
+eens in je kist kijken. Neen, maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee kunnen vullen! Maar ik
+zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O, h&eacute;, die zitten vol centen! Weet je wat, &#8217;k heb liever guldens dan centen. Wil
+jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En
+wacht eens: in mijn&#8217; ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo, oude jongen, &eacute;&eacute;n, twee, drie! daar zit je weer.
+Pas jij nu maar weer op je kist, hoor, ik groet je.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, &#8217;t Klonk wel als
+het brullen van een&#8217; leeuw. Hij wou toch eerst eens om &#8217;t hoekje zien. Neen maar, wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk
+zoo groot als een rad van een&#8217; wagen. En de oogappels draaiden&#8212;daar zou zelfs een soldaat raar van worden. Maar de soldaat
+was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom op en
+slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. &#8220;Goeden avond!&#8221; zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij
+een&#8217; generaal groette; want voor zoo&#8217;n hond had hij eerbied, &#8220;goeien avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen
+boezelaar plaats te nemen?&#8221; Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den boezelaar zitten. &#8220;Zie zoo,&#8221; zei de soldaat,
+&#8220;nu laat mij eens zien, waar jij zoo knap op gepast hebt,&#8221; en hij deed de kist open.
+
+</p>
+<p>Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en chocol&acirc; sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden
+en tinnen soldaten <a id="d0e825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e825">65</a>]</span>van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat,
+en ik kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik had hij de guldens uit de zakken en den ransel en
+de gouden tientjes er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker: bij de kleeren in, en in de laarzen
+en in de schako&#8212;in alle hoekjes en gaatjes. Op &#8217;t laatst was hij stijf van &#8217;t geld. Toen riep hij den hond weer op de kist
+en maakte &eacute;&eacute;n, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, hoi, ho! trek op, Moedertje!&#8221; riep hij door den hollen boom. &#8220;Heb je het lucifersdoosje?&#8221; riep het oude vrouwtje terug.
+Sapperloot, neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik
+ook aan niets dan aan geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens weer naar die groote honden. En zooals
+het altijd gaat, als je iets zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat je hebben moet. Zoo zou de
+arme soldaat ook pas in de derde kamer het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken en stond hij weer
+in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks, hoor. Toen arm&#8212;nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap, toen ze
+het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.
+
+</p>
+<p>&#8220;Beste jongen,&#8221; zei het vrouwtje, &#8220;weet je, wat je nu doet? Je gaat met mij naar mijn huisje, hier in &#8217;t bosch. &#8217;t Is al zoo
+laat geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je bij mij logeeren, en &#8217;k zal je een kistje of een&#8217; zak
+geven voor je geld; want z&oacute;&oacute; kun je er toch niet mee blijven loopen.&#8221; Dat leek den soldaat goed, en hij stapte gezellig met
+het vrouwtje mee. Toen ze thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en gingen ze prettig zitten praten
+en eten en drinken. De soldaat moest van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze, als ze in langen
+tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag.
+Hij droomde van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste hond boos, bromde die zoo? H&egrave;, wat een akelig
+geluid; de soldaat werd er <a id="d0e833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e833">66</a>]</span>wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij, welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde
+zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn
+had de arme stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk, dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij
+kon, liep hij naar een&#8217; dokter; maar, och h&eacute;, die kon het vrouwtje niet weer beter maken; ze stierf, nog denzelfden nacht.
+Even v&oacute;&oacute;r haren dood drukte ze den soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als een aandenken. De soldaat
+bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch weer door.
+Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van
+mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.
+
+</p>
+<p>Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het
+allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield;
+want hij was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.
+
+</p>
+<p>De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen
+poetste, zei wel: &#8220;wat oude laarzen heeft die mijnheer,&#8221; maar den volgenden dag konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht
+de soldaat een prachtig pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud soldatenpak in de kleerkast en
+leek nu een groot mijnheer.
+
+</p>
+<p>En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad
+te zien. Eens toen de soldaat weer een&#8217; rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren een groot gebouw staan. &#8220;Wat is dat voor
+een gebouw, koetsier?&#8221; vroeg hij. &#8220;Dat is het paleis van de prinses,&#8221; antwoordde de koetsier. &#8220;Maar waarom staan daar zulke
+leelijke hooge muren omheen?&#8221; vroeg weer de soldaat. &#8220;O, weet U dat niet, mijnheer?&#8221; zei de koetsier, &#8220;hebt U nooit van de
+mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat
+de prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt, eene prinses met <a id="d0e841"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e841">67</a>]</span>een&#8217; soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu is de koning z&oacute;&oacute; verschrikkelijk bang, dat de prinses een&#8217; soldaat ziet!
+Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er kon immers eens een soldaat voorbij loopen!&#8221;&#8212;&#8220;Hoe jammer,&#8221;
+zei de soldaat, &#8220;ik zou die mooie prinses wel eens willen zien,&#8221; en hij was er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat
+was; maar dat zei hij niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan de prinses en verlangde hij altijd
+weer haar te zien.
+
+</p>
+<p>Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag
+na den anderen; maar kwam er geen einde aan de pret&#8212;er kwam wel een eind aan iets anders. De vroolijke soldaat was een beetje
+dom geweest. Hij had niet begrepen, dat als je van een&#8217; zak vol geld altijd wat afneemt en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk
+leeg wordt. En dat was toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet meer naar &#8217;t paardenspel gaan,
+en niet meer naar &#8217;t bal, en niet meer in zoo&#8217;n mooie kamer wonen. Op &#8217;t laatst kwam hij in een klein zolderkamertje, en nu
+had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen, en poetsen
+niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd, en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer
+en armer werd onze soldaat.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje&#8212;want licht branden kostte ook geld&#8212;te denken en te denken.
+Wat was het toch treurig met hem afgeloopen&#8212;al zijn geld op! Ja, en &#8217;t was zijne eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet
+meer aan denken! Hij werd zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te doen had. Wacht, hij zou
+de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het doosje
+was leeg, en &#8217;t was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens&#8212;dat was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje
+van het goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die
+in de kast hing. Daar had hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde er al eentje&#8212;maar o, o, wat
+was dat? Open vloog de deur, en wie kwam er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen gezien <a id="d0e847"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e847">68</a>]</span>had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem:
+&#8220;Wat belieft, Mijnheer?&#8221;&#8212;&#8220;Wat mij belieft,&#8221; riep de soldaat, ook niet dom, &#8220;wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen
+belieft mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen.&#8221; Weg was de hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet
+de deur weer open en ja wel, hoor, een&#8217; zak met centen in den bek! Dien netjes voor den soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert&#8212;weg
+was de hond.
+
+</p>
+<p>De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest
+hij nog eens hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! H&eacute;, daar had hij er twee te gelijk. Dat was nog jammer. Neen&#8212;het
+was geen jammer, want&#8212;wie bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar met eene nog zwaarder stem:
+&#8220;Wat belieft, Mijnheer?&#8221; Niemand anders dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de soldaat alles!
+Streek hij &eacute;&eacute;n lucifer af, dan kwam de hond, die op de kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van
+de guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel, heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad,
+de hond, die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje
+in de hand gedrukt had! Hoe dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen soldaat. En hoe dankbaar
+was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en krijgen
+wat zijn hart begeerde, en&#8212;doen! wat zijn hart begeerde. Ja, <i>doen</i> ook; dadelijk gaf hij van zijn&#8217; overvloed aan arme menschen; want goedhartig was hij.
+
+</p>
+<p>En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd de soldaat op &#8217;t laatst weer doodarm? Mis! dat was juist
+het mooist van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt was, kwam er ook van zelf weer eene in.
+Hoe? dat wist de soldaat niet, en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: &#8217;t was eene tooverdoos en daarmee uit. Alles was
+immers tooverachtig&#8212;de honden met de groote oogen, die praten konden en&#8212;alles. Onze soldaat was nu voor goed rijk. De honden
+brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou&#8212;&#8217;t leek wel, of de kisten <a id="d0e856"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e856">69</a>]</span>ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker weer aan, net als de lucifers.
+
+</p>
+<p>Dus&#8212;kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk van den soldaat, en toen kwam er &#8220;een varkentje met een&#8217; snuit,
+en &#8217;t vertelseltje is uit&#8221;&#8212;denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde
+aan &#8217;t geld, maar wel aan &#8217;t geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem te vervelen. Voor een poosje niets dan pret
+maken is wel aardig, maar altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt, is niet gelukkig. Hij had niets
+te doen. Geld verdienen behoefde hij niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er was geen oorlog.
+Pret maken&#8212;daar had hij ook niet altijd zin in. Nu zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. H&eacute;, dacht
+onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn
+geld kunnen doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad door en buiten de stad langs het paleis van
+den koning. H&eacute; ja, daar achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch, dat niemand haar ooit mocht zien.
+
+
+</p>
+<p>Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de
+klok twaalf&#8212;&#8217;t was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik moet en ik wil haar zien! Hij greep naar
+zijn zilveren lucifersdoosje en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open, en de allergrootste hond
+sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde, toen hij met zijne bromstem vroeg: &#8220;Wat belieft, Mijnheer?&#8221;&#8212;&#8220;Ik zou zoo <i>heel</i> graag de prinses eens zien,&#8221; zei de soldaat. &#8220;Zou je daar ook raad op weten?&#8221;&#8212;<span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>&#8217;t Zal wel gaan, Mijnheer,&#8221; bromde de hond, en weg was hij.&#8212;Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou er nu gebeuren?.....
+
+
+</p>
+<p>Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast niet gelooven .... &#8217;t was de hond en&#8212;niet alleen! Op zijn&#8217;
+rug lag de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn grooten kop. En&#8212;ze sliep!!&#8212;Had de hond haar slapende
+uit het bed getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat wist er niets van. Hij vroeg ook niet&#8212;hij
+keek maar naar de mooie prinses. Hoe lief <a id="d0e870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e870">70</a>]</span>lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!
+
+</p>
+<p>Nu was hij tevre&ecirc;&#8212;hij had de mooie prinses gezien. &#8220;Dank je wel, brave hond,&#8221; fluisterde hij, &#8220;breng het lieve kind nu weer
+terug.&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>Weg was de hond&#8212;weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde van beiden.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?
+
+</p>
+<p>Toen ze den volgenden morgen aan &#8217;t ontbijt zat met den koning en de koningin, zei ze: &#8220;Wat heb ik vannacht grappig gedroomd!
+Ik droomde, dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een&#8217; soldaat, en die streelde mij over &#8217;t haar!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Foei! wat een nare droom!&#8221; zei de koningin.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een soldaat! ba!&#8221; riep de koning. &#8220;Droom toch niet van een&#8217; soldaat!&#8221; En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame
+op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of dat&#8212;neen, waar kon het toch niet wezen!
+
+</p>
+<p>En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses&#8212;wat
+zou het gezellig zijn haar nog eens even te zien. V&oacute;&oacute;r hij &#8217;t zelf recht goed wist, had hij weer drie lucifers afgestreken
+en den hond gevraagd nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet&#8212;hij deed haar immers geen kwaad!
+
+</p>
+<p>Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den
+hond zag met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even, dat ze het dier volgen moest&#8212;loop je niet, zoo heb
+je niet, om te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog net op tijd&#8212;in d&agrave;t huis ging hij. Ze zou het
+den koning vertellen morgen. Maar&#8212;&#8217;t was zoo donker,&#8212;zou ze morgen &#8217;t zelfde huis nog weer kunnen vinden? Wacht,&#8212;ze had juist
+een stukje krijt in den zak&#8212;ze zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar huis gaan en wachten, tot
+de hond de prinses weer thuis bracht. Dat gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen al dadelijk
+gezien? Het kruis <a id="d0e890"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e890">71</a>]</span>op de deur! En die, ook niet dom, maakte op al de deuren in de stad net zoo&#8217;n kruis. Nu kon de hofdame de deur van den soldaat
+niet vinden&#8212;op alle deuren was immers een kruis.
+
+</p>
+<p>Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter&#8212;het was geen
+droom. Ze vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt een kruis op de deur van het huis gemaakt
+had, waar de hond met de prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame, dat ze zoo slim geweest was,
+en de koning liet dadelijk vier paarden voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. &#8220;Daar is het!&#8221; riep de koning, toen
+hij de eerste deur met een kruis zag. &#8220;Neen, daar is het!&#8221; riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. &#8220;Maar
+daar is nog een kruis! en nog een!&#8221; riepen beiden, en nu begrepen ze, dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden&#8212;alle
+deuren hadden immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die kon ook nog wel wat anders doen, dan in
+een&#8217; wagen met vier paarden rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een zijden lap een mooien zijden
+zak. Toen het nu weer avond werd en de prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den hals, vulde hem
+met grutjes en knipte er toen een gaatje in.
+
+</p>
+<p>En &#8217;s nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.&#8212;Ja,
+als hij gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf altijd bij mij&#8212;ga met mij trouwen. Maar dat
+kon immers niet, omdat de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen zeiden immers, dat die twee niet
+bij elkaar pasten. En&#8212;de koning dan!
+
+</p>
+<p>Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen&#8212;dat
+er een klein paadje van grutjes liep van &#8217;t paleis van den koning naar &#8217;t huis van den soldaat! Hij zag het niet, maar de
+koning, zooveel te beter en die liet den soldaat uit zijn huis halen en&#8212;in de gevangenis brengen!
+
+</p>
+<p>Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren.
+Maar wel was het: &#8220;O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En weet <a id="d0e900"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e900">72</a>]</span>je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen
+al de menschen uit de heele stad om je uit te lachen,&#8212;dat heeft de koning zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al
+de schoolkinderen zullen roepen: &#8216;Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en &#8217;t is maar een gewoon soldaat!&#8217;&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.
+
+</p>
+<p>Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden, de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de straat van wonder en geweld, &#8217;t Was, of de heele stad
+leegstroomde; alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen, om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen
+ook al. Hij liep zich het vuur uit de schoenen&#8212;neen, uit de oude sloffen, die hem veel te groot waren. Bats! daar vloog de
+eene slof tegen den muur aan, vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeg, jongen,&#8221; riep de soldaat, &#8220;je behoeft zoo&#8217;n haast niet te maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets.
+Maar wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje verdienen.&#8221; Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk
+voor den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk &#8220;ja.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door de tralies, en de soldaat een kwartje en toen&#8212;geduld een
+beetje, dat komt later.
+
+</p>
+<p>Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte,
+een stellage, gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep soldaten stond vooraan om op te passen,
+dat de ondeugende soldaat niet weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning en de koningin&#8212;die moesten
+toch goed kunnen zien, welk gezicht de soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.
+
+</p>
+<p>Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte
+den hals uit, om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de soldaten <a id="d0e916"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e916">73</a>]</span>zouden een&#8217; roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden.
+&#8220;Mijn zakdoek! mijn zakdoek!&#8221; riep de soldaat. &#8220;Zijn zakdoek! geef hem zijn&#8217; zakdoek!&#8221; riep het volk. En toen&#8212;waren op eens
+zijne handen los, om den zakdoek te kunnen krijgen en toen&#8212;rrrt! rrrt! rrrt! daar brandden &eacute;&eacute;n, twee, drie lucifers tegelijk
+en daar stormden de drie groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven: &#8220;Wat belieft Mijnheer?&#8221;&#8212;&#8220;Helpt
+mij!&#8221; riep de soldaat, &#8220;grijpt den koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven, en ik heb haar zoo lief!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste
+uurtje geslagen was, en ze riepen: <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Wij willen wel! hij mag de prinses zien, hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!&#8221;&#8212;&#8220;Ja! ja!&#8221; riep het heele volk, &#8220;hij mag
+haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor
+hem willen doen, moet hij wel goed zijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses.
+En de drie honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de jongens floten op de vingers, en de meisjes
+zongen, en allen riepen: &#8220;Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!&#8221; En de prinses kwam achter de hooge muren vandaan en mocht
+ook mee door de stad rijden, en dat stond haar wel aan.
+
+</p>
+<p>Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor
+drie. Maar de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus
+van den soldaat, die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.
+
+
+
+
+<a id="d0e927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e927">74</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e928"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>April!</h2>
+<p>Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet
+beter. Dat groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en
+niemand vindt het zoo heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat een jongen van twaalf jaar maar
+dadelijk alles gelooft, wat men hem vertelt, dat zoo&#8217;n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de mouw laat spelden,
+dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo&#8217;n jongen heb ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een knappe
+groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.
+
+</p>
+<p>O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen
+schrijven. Als ik wou&#8212;ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste,
+en daarmee moet je dan maar tevreden zijn, hoor!
+
+</p>
+<p>Nu dan, ons vriendje&#8212;Hans heette hij&#8212;stond op een goeien morgen in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een
+nuffig juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren
+en eindelijk nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen
+waren splinternieuw, en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed: van fijn stroo; niet met zoo&#8217;n kinderachtig
+laag bolletje, maar flink hoog; niet met zoo&#8217;n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden band&#8212;daar was onze Hans nog
+het meest trotsch op van al.
+
+</p>
+<p>Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! &#8220;Hm, hm, ik mag me laten zien,&#8221; zei hij hardop, en toen&#8212;nam hij voor
+zijn eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hm, hm,&#8221; klonk daar op eens Moeders stem achter hem, &#8220;dat ventje heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen.
+&#8217;t Duurt nog wel anderhalf uur, eer &#8217;t rijtuig voorkomt. En als je nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks
+al &#8217;t mooi van je nieuwe kleeren <a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">75</a>]</span>afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, &#8217;k zou nu maar eene poos naar buiten gaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin in. &#8220;Hoor eens, Hans;&#8221; riep zijne moeder hem nog uit
+het venster na, &#8220;ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet ik wel, hoe &#8217;t gaat: dan verpraat
+je je tijd weer bij Baas Martens. En als &#8217;t rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan&#8212;flip, flap, gaat de zweep over de paarden,
+en we rijden zonder je weg, Vader en ik!&#8221;
+
+</p>
+<p>Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken
+lang had hij zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, &ograve;f hij ook op zijn&#8217; tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij
+dicht bij huis. Baas Martens&#8212;hij dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. &#8217;t Was anders zoo aardig een praatje met den
+baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, naar &#8217;t
+schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van &#8217;t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag.
+Jammer, dat er een &#8220;maar&#8221; bij was, een leelijk &#8220;maar.&#8221; Je moet weten: Baas Martens kon nooit laten een grapje met de menschen
+te hebben. O, hij mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat wijsmaken. Je moest hem dan haast wel
+gelooven, vooral&#8212;als je Hans heette.&#8212;Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, weet ik niet. &#8217;k Weet ook niet,
+hoe vaak de moeder van Hans hem al gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, nooit, nooit weer
+naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar w&egrave;l weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken
+en&#8212;dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.
+
+</p>
+<p>Maar nu, neen <i>nu</i> ging hij eens <i>niet</i>. Moeder had gelijk; hij moest liever bij huis blijven. &#8217;t Was in den tuin ook mooi. Hans keek naar de blauwe lucht, naar
+den vriendelijken zonneschijn, naar de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die in de boomen zongen,
+naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, naar de kikkers, die door &#8217;t gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles; maar
+de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken niet naar hem. Niemand was er, <a id="d0e955"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e955">76</a>]</span>die naar hem keek. En&#8212;zoo mooi als hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene bij nu om mooie schoenen,
+of een kikker om een nieuw pak, of een vogel om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van &#8217;t dorp, die gaven daar meer om,
+die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. H&egrave;, als hij het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken!
+En baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet
+naar Baas Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf uur, &#8217;t was anders wel een heele tijd. Waarom
+had hij zich ook zoo vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren aan! .... Kom, een boek halen en
+dan wat op eene bank zitten lezen, tot de tijd om was. Maar&#8212;&#8217;t wou vandaag toch niet recht vlotten met lezen: Hans had te
+veel andere dingen in &#8217;t hoofd. Zijne gedachten en zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor op
+&#8217;t kiezelpad! &#8217;t Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt bij de tor. &#8220;Wat loop je vlug,&#8221; dacht Hans. &#8220;Wacht eens even,
+dat ik je beter bekijken kan!&#8221;&#8212;Maar het diertje was hem te gauw af, &#8217;t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer
+op. Daar viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek
+uitkeken. Voeten, handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.
+
+</p>
+<p>Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo&#8217;n boerenjongen
+om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. &#8220;Maar waar zou&#8212;wacht, &#8217;k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!&#8221; dacht
+Hans trotsch.
+
+</p>
+<p>Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste &eacute;&eacute;n, die hem bewonderde.&#8212;Kom, hij zou maar eens naar
+den jongen toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij misschien ook eens <i>hooren</i>, dat hij mooi gevonden werd. De jongen behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.
+
+</p>
+<p>Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl
+toch al dichter en dichter in de buurt van &#8217;t hek. Maar&#8212;toen hij er eindelijk vlak bij stond, <a id="d0e966"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e966">77</a>]</span>waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: de heele jongen was op eens verdwenen!
+
+</p>
+<p>Hans keek eerst op zijn&#8217; neus. Toen&#8212;deed hij het tuinhek open en ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar
+de jongen gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. &#8220;Zeker bang voor me geworden,&#8221; dacht Hans, &#8220;wie weet, of
+hij me niet voor een&#8217; heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo&#8217;n boerenjongen ook! Kom, ik moet toch eens verder zien,
+waar hij heengaat. Een jongen van &#8217;t dorp is het, geloof ik niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hans liep den weg verder op. &#8220;Tot aan de eerste bocht,&#8221; zei hij, &#8220;en dan keer ik om.&#8221;&#8212;Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen
+was heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans wel iets anders. En dat was&#8212;de werkplaats van Baas Martens!
+
+
+</p>
+<p>Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken
+boomstam los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven de spaanders in &#8217;t rond, lekker geurde het
+versche hout. Hans kon het niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden behoefde hij zich immers niet,
+alleen maar even goeden morgen zeggen&#8212;even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was en ook&#8212;zich even vertoonen
+met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd met zijne leelijke
+petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!
+
+</p>
+<p>Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam voor Baas Martens in &#8217;t voorbijgaan deftig den hoed
+af. De baas liet de bijl in &#8217;t hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd een beetje op zij en bekeek Hans
+van top tot teen. Toen met een guitig knipoogje: &#8220;Ben je &#8217;t of ben je &#8217;t niet, jongeheer? Lang niet kwaad, dat hoedje. Waar
+moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?&#8221;
+
+</p>
+<p>Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch zei hij zoo onverschillig mogelijk: &#8220;Och ja, &#8217;t is
+omdat we straks uit rijden gaan, weet je.&#8221;&#8212;&#8220;Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die
+nieuwe schoenen?&#8221; vroeg de baas. &#8220;Hoe zoo?&#8221; zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met een bedenkelijk <a id="d0e978"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e978">78</a>]</span>gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer naar de lucht. &#8220;Hoe zoo?&#8221; vroeg Hans weer. &#8220;Nu, ieder moet weten, wat hij
+doet,&#8221; zei de baas eindelijk, &#8220;maar ik weet wel: <i>ik</i> ging niet uit rijden met zulk weer.&#8221; &#8220;Met zulk weer!&#8221; lachte Hans, &#8220;neen maar, er is geen wolkje aan de lucht. &#8217;t Is het
+prachtigste weer van de wereld.&#8221;&#8212;&#8220;O zoo,&#8221; zei de baas, &#8220;weet jij &#8217;t beter dan ik, die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid
+misschien uit je nieuwen hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem, die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: &#8220;Maar Baas, hoe weet
+je toch, dat het weer veranderen zal?&#8221; De baas wees naar &#8217;t haantje van den dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde.
+&#8220;Kijk maar, de wind is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, over een paar uur regent het er frischjes
+op los!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon te hakken, alsof er niets gebeurd was.
+
+</p>
+<p>De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf:
+&#8220;Praatjes van dien regen!&#8221; Keek hij naar &#8217;t ernstige gezicht van den baas, dan dacht hij: &#8221;&#8217;t Zou toch verschrikkelijk zijn,
+als de regen alle pret ging bederven!&#8221;
+
+</p>
+<p>De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas
+nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op &#8217;t laatst nader dan &#8217;t lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en
+Hans nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei zoo bij zijn neus langs: &#8220;Er is wel een middeltje om
+te maken, dat er geen regen komt.&#8221;&#8212;Het heele gezicht van Hans klaarde op. &#8220;Wat dan?&#8221; riep hij vroolijk. &#8220;Wel,&#8221; zei de baas
+heel leuk, &#8220;we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek gaat waaien, dan is alles in orde.&#8221;&#8212;&#8220;Ja, ja,&#8221;
+riep Hans, &#8220;als dat kon!&#8221;&#8212;&#8220;O, dat kan wel,&#8221; zei de baas, &#8220;er is een touw, waarmee je den wind kunt laten draaien. Maar&#8221;&#8212;en
+hij lei bedenkelijk zijn&#8217; wijsvinger tegen den neus&#8212;&#8220;waar zit dat ding op &#8217;t oogenblik! Als we dat nu maar wisten. Wacht eens,
+misschien weet mijn buurman Jansen, de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw eene poos in huis
+gehad. Kom maar mee, ik zal &#8217;t hem vragen.&#8221;
+<a id="d0e991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e991">79</a>]</span></p>
+<p>Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar &#8217;t huis van den buurman. &#8220;Hei, Jansen,&#8221; riep de baas, &#8220;waar zit je?&#8221;
+Dadelijk kwam Jansen voor &#8217;t open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem
+en gaf Jansen daarbij gauw een knipoogje. Toen zei hij: &#8220;Treft het niet ongelukkig, Jansen, hier is een jongeheer, die straks
+uit rijden moet, en nu waait de wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, om den wind te laten
+draaien, wezen kan?&#8221;&#8212;&#8220;Het touw, om den wind te doen draaien?&#8221; vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich ernstig op bedacht
+en met een stil knipoogje tegen Baas Martens, &#8220;ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den drempel van de deur met een dik boek onder den arm.
+Nu nam hij zijn&#8217; bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het boek. Eindelijk sloeg hij met de hand
+op een blad en riep: &#8220;Ha, nu ben ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. &#8217;k Herinner &#8217;t me nu heel
+goed: Teunissen had doperwtjes in zijn&#8217; tuin gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft hij het touw
+gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit,&#8221; zei Baas Marlens, &#8220;de jongeheer heeft haast, hij zal geen&#8217; tijd hebben,
+om er nog even heen te loopen.&#8221; Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog
+vooruit en liep wat hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee&#8212;driemaal vloog hem onderweg de nieuwe hoed van
+&#8217;t hoofd. Zijn mooie pak, zijne glimmende schoenen, alles kwam dik onder &#8217;t stof. Maar dat kon hem nu weinig schelen. Hij
+dacht maar aan &eacute;&eacute;n ding: het <i>mocht</i> en het <i>zou</i> niet regenen. De wind <i>moest</i> draaien.
+
+</p>
+<p>Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den winkel van Teunissen binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Teunissen ....&#8221; hijgde Hans, &#8220;is hier ook ....&#8221;&#8212;&#8220;Drop te koop?&#8221; maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. &#8220;O ja, jongeheer,
+zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout zijn?&#8221;&#8212;Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar hij
+eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. &#8220;W&agrave;t moet je hebben?!&#8221; riep hij. &#8220;Wel, het touw, <a id="d0e1011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1011">80</a>]</span>om den wind te doen draaien,&#8221; zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. &#8220;Ze zeiden toch, dat het hier moest zijn.&#8221;&#8212;Toen
+op eens scheelde het niet veel, of Teunissen was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en deed, alsof
+hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van&#8212;als je
+zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu?&#8221; vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen antwoord gegeven had, &#8220;kan ik het touw krijgen?&#8221;&#8212;&#8220;Wacht
+eens, jongeheer,&#8221; zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, &#8220;ik zal mijne vrouw even gaan vragen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij
+de deur te luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat praatten ze druk! Ze waren het zeker niet
+met elkaar eens, of ze het touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden wilden, wat dan! Hans zette bij
+die gedachte zoo&#8217;n treurig benauwd gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met hem kregen.
+
+</p>
+<p>Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei &#8220;neen&#8221;. Daarop zei de man &#8220;ja&#8221;. Toen zei de vrouw weer: &#8220;Zijn vader zal boos
+worden;&#8221; waarop de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. &#8220;O, die nare vrouw Teunissen,&#8221; dacht Hans. Anders hield hij
+wel van haar; ze stopte hem nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu&#8212;<i>zij</i> zou nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!
+
+</p>
+<p>Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne
+vrouw den winkel binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte, maakte ze allerlei teekens tegen Hans;
+maar Hans begreep niets van hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch te beteekenen, en waarom
+werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens merkte, wat zijne vrouw achter zijn&#8217; rug deed! Waarom zeiden ze niet gewoon weg
+&#8220;neen&#8221; of &#8220;ja&#8221;! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo&#8217;n mooien hoed op
+had en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken
+zoethout in de hand? Wat <a id="d0e1024"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1024">81</a>]</span>moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw geven.&#8212;Maar Teunissen zei: &#8221;&#8217;t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne vrouw
+zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig vergist: het touw is op &#8217;t oogenblik bij Pietersen, <i>die</i> wou graag regen hebben op zijne erwtjes.&#8221;
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p081.jpg" alt="April!"></p>
+<p class="figureHead">April!</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar
+naar Pietersen; want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind van Teunissen af.
+
+</p>
+<p>Pietersen zat buiten op eene bank in &#8217;t zonnetje en bekeek op zijn gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem
+in &#8217;t gras te slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij de heele bank met Pietersen en al omver
+wou loopen. Pietersen liet van schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat hooren en zien je verging.
+Pas toen de hond een beetje bedaard was, kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als een dolleman den
+tuin in kwam vliegen. &#8220;Och, Pietersen,&#8221; zei Hans, nog buiten adem, &#8220;ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind mee
+draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen, zegt Baas Martens, en&#8212;ik ga straks uit rijden. Ze hebben me
+hierheen gestuurd om het touw.&#8221;
+
+</p>
+<p>Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing aan: hij begreep er niets van. &#8220;Hans, mijn jongen,
+zeg het nog eens weer. Je wilt van me hebben ....&#8221; En toen nu Hans heel onschuldig nog eens &#8217;t zelfde gezegd had, begon Pietersen
+zoo te schateren van &#8217;t lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem
+de tranen over de wangen liepen, en hij riep maar aanhoudend: &#8220;Neen maar, Hansje, wat heb je daar eene prachtige grap bedacht,
+zoo&#8217;n mooie heb ik van mijn leven nog niet gehoord. Het touw, om ....&#8221; En dan barstte hij opnieuw in lachen uit. Hans werd
+er verlegen onder. &#8221;&#8217;t Is geene grap,&#8221; bromde hij half boos en toch met tranen in de oogen, &#8220;heelemaal niet. Toe, Pietersen,
+geef me als &#8217;t je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in &#8217;t gezicht. Wezenlijk&#8212;de jongen meende &#8217;t! &#8220;Wou je &#8217;t dan heusch zoo heel graag hebben?&#8221;&#8212;&#8220;Nu
+&ograve;f ik,&#8221; zei Hans, &#8221;&#8217;k heb er al een uur om geloopen.&#8221;&#8212;&#8220;Och, <a id="d0e1042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1042">82</a>]</span>zeg dat nog eens,&#8221; vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. &#8220;Ik heb er al een uur om geloopen,&#8221; herhaalde Hans
+heel geduldig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een uur lang, jongen, dat is een slim ding,&#8221; zei Pietersen leuk, &#8220;want nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak
+bij zal morgen een feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters gestuurd, om het touw te halen. Je
+begrijpt, op zoo&#8217;n feest moet het mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar rijden de veldwachters
+juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen kunt, dan haal je ze misschien nog in.&#8221;
+
+</p>
+<p>In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de paarden achterna. Hans werd vuurrood in &#8217;t gezicht van
+&#8217;t harde loopen en van &#8217;t roepen: &#8220;Hei daar, ho, veldwachters!&#8221; Maar je begrijpt, al dat gevlieg en geroep hielp ook wat!
+Hans kwam niets dichter bij de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het nog niet op. Och, och, dat
+touw, hij moest het hebben!
+
+</p>
+<p>Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij den arm vatte en tegenhield, &#8217;t Was vrouw Teunissen, de
+vrouw van den kruidenier, je weet wel. &#8220;Laat me los, het touw, het touw,&#8221; riep Hans, en hij deed al zijn best, om vrij te
+komen. Maar vrouw Teunissen hield hem stevig vast. &#8220;Luister eens even naar me, mijn jongen,&#8221; zei ze goedig. &#8220;Je hebt er stellig
+niet aan gedacht, dat het de eerste April is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen, dat weet je.
+Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad, Martens en de anderen. Zoo&#8217;n touw is er heelemaal niet. Straks in
+den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je begreep me niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets
+zich doodmoe geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen en&#8212;op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen.
+&#8217;t Was verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte
+in tranen uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo
+boos op zichzelf was): &#8220;Nu, nu, Hans, z&oacute;&oacute; erg is het niet. &#8217;t Kan den beste overkomen, dat hij eens gefopt wordt. Je moet
+maar denken: dat is eens, maar nooit weer!&#8221;
+<a id="d0e1052"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1052">83</a>]</span></p>
+<p>Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.&#8212;Wat zouden ze thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich!
+
+</p>
+<p>Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag
+dadelijk, dat ze niet veel goeds in den zin hadden&#8212;hij wou nog moeite doen, om te ontsnappen. Maar dat was mis&#8212;de jongens
+hadden door Baas Martens van &#8217;t geval gehoord, en nu vonden ze &#8217;t natuurlijk veel te mooi, om Hans niet eens duchtig te plagen.
+In een oogenblik stonden ze dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: &#8220;Heb je het touwtje al in je zak?&#8221; of &#8220;Ben je ook
+moe van het trekken?&#8221; of &#8220;Waren de erwtjes al opgekomen?&#8221; en al zulke plagerijen meer. En telkens, als er weer een wat grappigs
+gezegd had, schaterde de heele troep het uit van lachen, &#8217;t Was niet om uit te houden voor den armen Hans. Hij probeerde een
+paar van de jongens op zij te duwen, om zoo door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op: van roepen
+en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen
+&eacute;&eacute;n, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie
+hoed, waar Hans zoo trotsch op was, werd hem op &#8217;t hoofd platgedeukt! En wie weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er
+niet een paar mannen aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....
+
+</p>
+<p>Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed bedorven en&#8212;met een&#8217; neus, wel tweemaal zoo dik als anders
+en vuurrood. &#8220;Maar jongen,&#8221; riep zijne moeder verschrikt, &#8220;wat is er in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!&#8221;&#8212;&#8220;Verdiende
+loon,&#8221; zei de vader streng, &#8220;waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water
+op den neus leggen, terwijl wij weg zijn. Met een&#8217; jongen, die er zoo uitziet, kunnen we ons toch niet voor de menschen vertoonen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Terwijl wij weg zijn,&#8221; had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was
+nog het ergst van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en
+wou nog een goed woordje voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele poos voor <a id="d0e1061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1061">84</a>]</span>de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip, flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had,
+voort vlogen de paarden en&#8212;Hans was alleen met zijn verdriet.
+
+</p>
+<p>Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd
+kwam, om naar bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor &#8217;t venster: als de jongens hem zagen, zouden
+ze opnieuw beginnen te plagen.&#8212;In lezen had hij geen&#8217; lust, in spelen nog minder: hij was veel te verdrietig, veel te boos,
+en zijn neus deed hem te veel pijn.
+
+</p>
+<p>Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer
+draafde hij over den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens voelde hij ook weer juist als dien
+morgen eene hand op zijn&#8217; arm, om hem tegen te houden. Maar &#8217;t was niet de hand van vrouw Teunissen&#8212;het was&#8212;het was de hand
+van zijne eigen lieve moeder! En&#8212;hij liep ook niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en zijne
+moeder zat op een&#8217; stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Moeder, ik heb zoo&#8217;n verdriet,&#8221; zuchtte Hans en hij liet zijn hoofd op Moeders schouder vallen. &#8220;Dat geloof ik graag,
+mijn jongen,&#8221; zei Moeder, &#8220;maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen;
+maar vooral op Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was &#8217;t eerst begonnen, hem wijs te maken,
+dat er zoo&#8217;n touw bestond. En toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel eens wat verzinnen, om ze
+terug te plagen, hij zou ....
+
+</p>
+<p>Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand op zijn&#8217; mond en zei: &#8220;Stil, stil, mijn jongen, zeker ben
+je nog heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen,
+dat zekere Hans tegen het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen, dat dezelfde Hans onnoozel genoeg
+was, alles dadelijk te gelooven, wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet, dat jij zelf de grootste
+schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je vandaag gehad; <a id="d0e1073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1073">85</a>]</span>maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een beetje wijzer door geworden bent.&#8212;Als iemand nu in &#8217;t vervolg iets
+vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken
+bij zichzelf: &#8216;Is het wel zoo, k&agrave;n het wel waar zijn? Is het ook eene grap?&#8217; Mij dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk
+meer laten foppen, is &#8217;t wel?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven,&#8221; riep Hans. &#8220;Ho, ho, jongenlief, zoo is &#8217;t ook weer niet gemeend,&#8221;
+zei Moeder lachend. &#8220;Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter,
+denk wat beter na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je gelooven kunt en wat niet.&#8212;Maar kom, jongen,
+&#8217;t is nu geen tijd, om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en dan&#8212;slapen. Morgen zullen we eens
+zien, of we den nieuwen hoed ook weer in &#8217;t fatsoen kunnen brengen. En later&#8212;gaan we samen, met ons drietjes, ook nog eens&#8212;rijden!&#8221;&#8212;&#8220;O,
+Moeder, wat ben je toch lief,&#8221; riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, &#8220;wat ben je toch lief!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was de geschiedenis. En &#8217;k wil er nog bijvertellen, dat Hans van dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel
+wat minder geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had, hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later
+Baas Martens eens zeggen: &#8221;&#8217;k Heb aan&#8217; jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger: toen kon ik hem alles wijs
+maken en nu&#8212;is &#8217;t heelemaal uit met de grapjes.&#8221; Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik&#8212;Hans was daar niet minder
+om.
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1079"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.</h2>
+<p>Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men
+in de geheele wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch
+op. Eens op een&#8217; zomermorgen ontdekte hij tot zijn&#8217; schrik, dat eene prachtige weide heelemaal platgetreden <a id="d0e1084"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1084">86</a>]</span>was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven kon hebben.
+&#8217;t Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist, hoe
+lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het gras was nog veel platter. &#8220;Weet je wat, Hans,&#8221; zei
+de boer tot zijn oudsten zoon, &#8220;jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de weide. Ik heb geen rust of duur: ik
+moet weten, wie me mijn gras zoo bederft.&#8221; Nu&#8212;den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten, leek Hans geen pretje;
+maar&#8212;Vader had gelijk: ze moesten er meer van weten en dus zei Hans: &#8220;Dat is goed, Vader.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets, want v&oacute;&oacute;r middernacht zat Hans al met zijn rug tegen
+de wring en vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, werd onze Hans weer wakker en zag hij tot
+zijn schrik, dat er weer een ander deel van de weide plat getreden was.
+
+</p>
+<p>Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te brengen. &#8220;Jongen, jongen,&#8221; zei Vader, &#8220;wat spijt mij dat! Kon je
+voor mijn plezier nu niet &eacute;&eacute;n nacht wakker blijven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, Vader,&#8221; riep de tweede zoon, &#8220;laat mij vannacht maar eens gaan, Hans is zoo&#8217;n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal
+wel beter uit mijne oogen kijken.&#8221;&#8212;&#8220;Dat hoop ik,&#8221; zei de Vader. Maar Bob had goed praten en pochen. V&oacute;&oacute;r elf sliep hij al
+als een roos en&#8212;weer was er den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.
+
+</p>
+<p>&#8221;&#8217;t Is toch verschrikkelijk!&#8221; zuchtte de Vader; &#8220;ik zal zelf dezen nacht maar eens op wacht gaan.&#8221;&#8212;&#8220;Neen,&#8221; riep Paul, de jongste
+zoon, &#8220;daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag &#8217;s nachts in de weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan.&#8221;&#8212;&#8220;Och,
+jongen,&#8221; zei de vader; &#8220;wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig, je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een&#8217;
+nacht wakker kunnen blijven!&#8221;&#8212;&#8220;Ik kan &#8217;t immers gemakkelijk probeeren, Vader,&#8221; zei Paul. &#8220;Nu, ga je gang, jongen,&#8221; zei de
+Vader.
+
+</p>
+<p>En Paul ging zijn&#8217; gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op <a id="d0e1098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1098">87</a>]</span>wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen wijd open. Maar&#8212;niets of niemand bespeurde hij op de
+weide. Onze Paul begon den moed al op te geven, toen hij even v&oacute;&oacute;r zonsopgang op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof
+er een heele zwerm vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven!
+Zoo groot, zoo wit! Paul stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij niet, toen de duiven op eens haar
+blank veeren pakje afstreken en er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide stonden. Stonden! neen,
+dat was maar een oogenblik. Voordat Paul zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor zijne oogen&#8212;zulk
+dansen had hij nog nooit gezien. &#8217;t Was of ze met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar toch&#8212;de grashalmen
+bogen om&#8212;en nu wist Paul, hoe het gras in de weide plat werd.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p087.jpg" alt="Ten oosten van de Zon en ten noorden van de Aarde."></p>
+<p class="figureHead">Ten oosten van de Zon en ten noorden van de Aarde.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij: &#8220;Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien,&#8221;
+en zonder dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was Paul naar de veeren pakjes geslopen. &#8220;Wacht,&#8221;
+dacht hij, <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>daar moet ik eens eene grap van zien,<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> en stil nam hij de veeren pakjes mee en ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.
+
+</p>
+<p>Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar
+ze hare veeren pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een&#8217; schrik en een zoeken en een onrustig heen en weer loopen over de weide.
+Paul kreeg er medelijden mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. &#8220;O, jonge man,&#8221; riepen de meisjes, &#8220;heb jij misschien
+onze duivepakjes weggenomen, geef ze dan, als je blieft terug!&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei Paul, &#8220;die heb ik genomen, maar ik geef ze niet
+terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten eerste: op geen van de weiden van mijn&#8217; vader mag ooit weer gedanst worden.
+Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan komt.&#8221; Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei
+de eene: &#8220;Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon
+en ten noorden van de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden.&#8221;
+<a id="d0e1115"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1115">88</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; sprak Paul. &#8220;Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat
+je me nu trouw belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met
+niemand anders en U moet dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook.&#8221; Bij die woorden werd de koningsdochter bleek van schrik,
+maar wat zou ze doen? Daar kwam de zon al kijken en v&oacute;&oacute;r de zon op was, moest ze weer duif wezen, anders .... Ze beloofde
+alles. Paul gaf de veeren pakjes terug, en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in.
+
+</p>
+<p>Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met
+vragen; maar Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: &#8220;Ik heb natuurlijk geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd,
+dat de weide in &#8217;t vervolg nooit weer plat getreden zal worden.&#8221; Toen lachten de broers hem uit en deden net, of zij niet
+geslapen hadden. En de een voor den ander riep: &#8220;En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu&#8212;we zullen eens zien, of de droom
+ook uitkomt.&#8221;&#8212;De vader lachte niet; de vader zuchtte: &#8220;We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn bedrog.&#8221; Maar&#8212;de
+droom kwam uit, en de broers lachten en de vader zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de weide
+vergeten.
+
+</p>
+<p>Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag,
+waarop de bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn&#8217; vader en verzocht hem een bruiloftsmaal klaar te laten maken en de
+gasten te verzoeken: &#8220;want ik ga trouwen,&#8221; zei Paul. &#8220;Trouwen, jongen, maar met wie dan?&#8221; riep de vader. &#8220;Ik heb je nog nooit
+met een meisje gezien!&#8221;&#8212;&#8220;Ik ga toch trouwen, Vader,&#8221; zei Paul, &#8220;reken daar vast op. Maak maar alles klaar voor de bruiloft
+en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid.&#8221; De vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had.
+
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke
+gezichten aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was&#8212;de bruid. &#8220;Geen nood,&#8221; zei Paul, &#8220;ze komt wel,&#8221; en hij keek zoo vroolijk
+uit zijne oogen, alsof de bruid goed en wel naast hem zat.
+<a id="d0e1124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1124">89</a>]</span></p>
+<p>&#8217;t Werd avond, &#8217;t werd laat in den avond&#8212;geene bruid. De gasten keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul
+werd vroolijker en vroolijker. Daar op eens, &#8217;t was twaalf uur in den nacht, &#8217;t was middernacht, kwam er in vliegende vaart
+een wagen aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een&#8217; voerman vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen&#8212;Paul
+de voordeur uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken, en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter
+in bruiloftskleed, en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd door de twee hofdames. De vader en de
+broers en de gasten stonden met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was in den nacht, toen hij de wacht
+hield op de weide, en toen kwam er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep: &#8220;Neen, maar wie zou dat nu ooit
+van dien Paul gedacht hebben!&#8221; En den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd, hoe stiller de mooie
+bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze: &#8220;Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je vrouw,
+maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen, als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen
+zeggen, maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer duif worden. Mijn vader was vroeger koning
+over een land, hier heel ver vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus kwam en doodde hem in zijn
+eigen paleis, en nu word ik in het paleis van mijn&#8217; vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur v&oacute;&oacute;r middernacht
+tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet nu vertrekken.&#8221; Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: &#8220;O, neen, je
+bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!&#8221; Maar de prinses zei: &#8220;Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid
+in het prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger, en de hofdames gaven Paul ieder een gouden
+appel, en voort rolde de wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil weggegaan. Die hadden ook al
+geen lust meer in feestvieren.
+
+</p>
+<p>Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had hij <a id="d0e1131"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1131">90</a>]</span>plezier&#8212;altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij
+&#8217;t niet langer uithouden van verlangen. &#8220;Vader,<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> zei hij, &#8220;ik moet haar zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, v&oacute;&oacute;r ik het paleis ten oosten van de zon en ten noorden
+van de aarde gevonden heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Beste jongen,&#8221; zei de vader, &#8220;ga je gang; maar ik vrees, dat je teleurgesteld terug zult komen.&#8221;&#8212;&#8220;We willen het beste hopen,&#8221;
+zei Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok.
+
+</p>
+<p>Dat was reizen. &#8217;t Ging maar als in het liedje:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8221;&#8217;k Moet dwalen, &#8217;k moet dwalen
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Langs bergen en langs dalen ...&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist
+hem er iets van te zeggen.
+
+</p>
+<p>Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er
+wel tien menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden
+en elkaar te pakken hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het.
+
+</p>
+<p>Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier bang. &#8220;Wat nu, jongens&#8221; riep hij, &#8220;wat is er te doen, waar
+krib jullie om?<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>&#8212;&#8220;Och,&#8221; riep de eene reus, &#8220;onze vader is gestorven, en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn hier
+zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar dat wil Kwak niet.&#8221;&#8212;&#8220;Neen,&#8221; riep de andere reus, &#8220;wat heb
+je aan &eacute;&eacute;n laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik niet!&#8221;&#8212;&#8220;Neen,&#8221; zei weer de eerste reus,
+&#8220;want het zijn tooverlaarzen; je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden.&#8221;&#8212;&#8220;Nu,&#8221; zei de andere, &#8220;als <i>hij</i> er dan mee loopt, dan word <i>ik</i> w&egrave;l moe en dan kan ik hem niet bijhouden.&#8221;&#8212;&#8220;&#8217;k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen hadden,&#8221; riepen beide reuzen,
+&#8220;want vroeger hebben we nooit ruzie gehad, en nu kribben we om die laarzen.&#8221;&#8212;&#8220;Ik weet goeien raad,&#8221; zei Paul, &#8220;geef mij de
+laarzen, dan <a id="d0e1160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1160">91</a>]</span>krijg je ze geen van beiden en behoef je er ook niet meer om te twisten.&#8221; &#8220;Dat is waar ook,&#8221; zeiden de reuzen, en zoo kreeg
+Paul de laarzen.
+
+</p>
+<p>Of Paul in zijn&#8217; schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam
+hij nu vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar
+hoorde hij weer zoo&#8217;n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een&#8217; mantel. En toen Paul er bij kwam, was
+het: &#8220;Och, jonge man, raad ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen we al zijn goed deelen. Dus
+moeten we toch ieder een halven mantel hebben.&#8212;&#8220;Gekheid,&#8221; riep de andere reus, &#8220;wat heb je aan een halven mantel. Ik zeg:
+geef mij den heelen mantel.&#8221;&#8212;&#8220;Dat doe ik niet,&#8221; riep de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als jij
+je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil je zien, Flikje, want ik hou&#8217; zooveel van je, en ik kan niet
+alleen wezen.&#8221;&#8212;&#8220;En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld
+niet uithouden,&#8221; riep de andere reus. &#8220;Weet je wat, jongens,&#8221; riep Paul, &#8220;geef mij den mantel, dan kun je elkaar altijd zien,
+en je behoeft dan ook geene ruzie meer te maken.&#8221;&#8212;H&eacute;, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen, en met een verlicht hart
+gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om, die hem onzichtbaar
+maakte en wandelde weer verder.
+
+</p>
+<p>En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee reuzen aan &#8217;t vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan
+ze ieder de helft moesten hebben. &#8220;We weten niet, hoe het moet,&#8221; riepen de reuzen, &#8220;want het is een tooverzwaard; als je met
+de punt iemand aanraakt, sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken.&#8221;&#8212;&#8220;O,&#8221; riep de eene reus, &#8220;krijgt Snip
+de helft met de punt, dan maakt hij menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis.&#8221;&#8212;&#8220;En,&#8221; klaagde de andere, &#8220;krijgt Snap
+het handvat, dan heeft hij geene doode menschen, om weer levend te maken.&#8221;&#8212;&#8220;Weet je wat, jongens,&#8221; zei Paul, &#8220;geef mij het
+zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het hebben zal.&#8221;&#8212;&#8220;H&eacute; ja,&#8221; zeiden de reuzen, &#8220;dat is een goeie raad.&#8221;
+En Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den mantel <a id="d0e1166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1166">92</a>]</span>over de schouders. &#8220;Ziezoo,&#8221; dacht hij, &#8220;als ik nu niet voor eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet.&#8221;&#8212;&#8220;Goeiendag!&#8221;
+En toen was het: &#8220;zoo zie je me, en zoo zie je me niet,&#8221; want Paul was op eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een
+oogenblik konden die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers met echte reuzenschreden voorwaarts
+in zijne reuzenlaarzen.
+
+</p>
+<p>Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst
+op een paleis. &#8217;t Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld, en in dat hutje woonde een oud, och zoo&#8217;n oud
+vrouwtje. Ze leek wel zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam zijne pet af en zei zoo vriendelijk
+mogelijk: &#8220;Dag, Grootmoedertje, hoe is het met U?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?&#8221; vroeg het oude vrouwtje. &#8220;Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik
+heb ze ook weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei.&#8221;&#8212;&#8220;Ik ben een vermoeide
+wandelaar,&#8221; zei Paul. &#8220;Ik kom U vriendelijk vragen, of ik &eacute;&eacute;n&#8217; nacht in Uw hutje mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder,
+om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U den weg daarheen ook, lief Moedertje?&#8221;&#8212;&#8220;Neen,&#8221;
+zei het oude vrouwtje, &#8220;ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen, misschien kan een van mijne
+onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld tot morgen en leg je eerst te rusten.&#8221; Paul dankte het goede vrouwtje en ging slapen
+op een bed van eikeblaren.
+
+</p>
+<p>Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten
+de onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren, vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen:
+&#8220;Wat bevoelt Uwe Majesteit?&#8221;&#8212;<span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Is er onder jullie&#8221; vroeg de koningin, &#8220;die langs zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het paleis
+ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?&#8221; Toen kwam er een hevig gebrom, &#8217;t was of al de dieren elkaar om raad vroegen;
+maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden
+van de aarde gezien had. Toen zei het vrouwtje: <a id="d0e1177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1177">93</a>]</span>&#8220;Jonge man, dan kan ik je ook niet helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is over al de dieren
+in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen.&#8221; Paul dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder.
+
+</p>
+<p>Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een&#8217; avond door een reusachtig bosch, en aan &#8217;t eind van dat bosch was eene zee,
+en aan het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo
+oud, zoo oud! &#8220;Die is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, &#8220;als eene gewone grootmoeder weken oud is.&#8221;&#8212;&#8220;Dag, oud Moedertje,&#8221;
+zei Paul, &#8220;hoe is het met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over al de dieren, die op de
+aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij voor &eacute;&eacute;n&#8217; nacht te herbergen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven;
+maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei.&#8221;&#8212;&#8220;Ik ben een vermoeide wandelaar,&#8221;
+zei Paul, &#8220;en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij
+den weg daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd te vergeefs.&#8221;&#8212;&#8220;Neen, ik zelf niet,&#8221; zei het oude
+vrouwtje, &#8220;maar misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren, die de zee bewonen. Misschien is er onder
+hen een, die je terecht kan wijzen.&#8221; Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op een bed van eikeblaren te
+rusten.
+
+</p>
+<p>Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water
+bruiste en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen: alle vroegen, wat de koningin beliefde. &#8220;Is
+er iemand onder jullie,&#8221; vroeg de koningin, &#8220;die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van
+de aarde ligt?&#8221;&#8212;Toen volgde er een overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit van dat paleis had
+gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: &#8220;Je ziet, dat ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is over
+al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen.
+Is je dat niet te ver?&#8221;&#8212;&#8220;O, neen,&#8221; <a id="d0e1185"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1185">94</a>]</span>riep Paul, &#8220;niets is me te ver, als ik maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden raad en stap nu
+maar dadelijk verder.&#8221;&#8212;<span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Goede reis!&#8221; riep het oude, oude vrouwtje, &#8220;en hou&#8217; maar moed!&#8221;
+
+</p>
+<p>Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht:
+&#8220;wie volhoudt, moet winnen!&#8221; En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam weer op een&#8217; avond in een reusachtig bosch, in
+een bosch zonder einde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu zal ik er zijn,&#8221; dacht hij, &#8220;maar waar moet ik nu wezen?&#8221; Daar zag hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op
+af en ja&#8212;daar stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen&#8212;de
+andere oude vrouwtjes zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder
+dagen oud is.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag, oud, oud, oud, Moedertje,&#8221; zei Paul. &#8220;Hoe is het toch wel met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters,
+de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?&#8221; vroeg het oude vrouwtje. &#8220;Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien
+opgroeien, en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk
+toesprak.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben een vermoeide wandelaar,&#8221; zei Paul. &#8220;Ik zoek het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt,
+het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen, lief Moedertje?&#8221;&#8212;&#8220;Ik? neen!&#8221; schudde het oude vrouwtje, &#8220;maar
+ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen
+je helpen.&#8221;&#8212;&#8220;Dat hoop ik van harte,&#8221; zei Paul. &#8220;Maar mag ik hier &eacute;&eacute;n&#8217; nacht uitrusten?&#8221;&#8212;&#8220;Zeker,&#8221; zei het oude vrouwtje. Weer
+legde Paul zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker door het luiden van eene groote klok.
+
+</p>
+<p>In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen.
+Daar waren de onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars&#8212;te veel om te noemen en alle vroegen: &#8220;Wat beveelt
+Uwe Majesteit?&#8221;&#8212;&#8220;Ik heb jullie hier geroepen,&#8221; zei de koningin, &#8220;om te vragen, of een van jullie <a id="d0e1202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1202">95</a>]</span>ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt?&#8221; De vogels bedachten zich eene heele
+poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het
+oude vrouwtje boos. &#8220;Wat!&#8221; riep ze; &#8220;jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt, weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet?
+Maar&#8212;ben jullie er wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!&#8221; Neen, de vogel Phoenix was den vorigen avond niet thuis gekomen
+en nog niet terug. &#8220;Maar, dat is ongehoorzaam,&#8221; riep de koningin boos. &#8220;Daar komt hij! daar is hij!&#8221; riepen op eens alle vogels.
+En ja&#8212;daar kwam de vogel Phoenix aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer bewegen kon en plotseling
+als op de aarde neerviel. Alle vogels waren blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos: &#8220;Waarom
+heb je iets tegen mijn verbod gedaan?&#8221; De arme vogel had eerst eenigen tijd noodig, v&oacute;&oacute;r hij zeggen kon: &#8220;O, Koningin, wees
+niet boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver, heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis,
+dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt.&#8221;&#8212;&#8220;Zoo,&#8221; zei de koningin, &#8220;nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid
+nog &eacute;&eacute;nmaal de reis daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef ik je den tijd om uit te rusten
+en dan voorwaarts.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul zette zich op zijn&#8217; rug. Hij dankte en groette het oude
+vrouwtje, en daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de blauwe zee en de groene bosschen, verder
+en altijd verder. Eindelijk vroeg de vogel: &#8220;Zie je nog niets?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; antwoordde Paul, &#8220;ik zie, dunkt mij, eene blauwe wolk
+heel onder aan den hemel.&#8221;&#8212;&#8220;Dat is het land, waar we naar toe moeten,&#8221; zei de vogel. En weer ging het verder, altijd verder.
+
+
+</p>
+<p>&#8217;t Werd avond. Weer vroeg de vogel: &#8220;Zie je nog niets?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei Paul, <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als de zon zelve.&#8221; De vogel zei: &#8220;Dat is het paleis, waar we naar toe
+moeten.&#8221; Weer verder, altijd verder.
+
+</p>
+<p>Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: &#8220;Zie je niets?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; antwoordde Paul, &#8220;ik zie een groot paleis, dat
+glanst van goud en zilver.&#8221;&#8212;&#8220;Nu zijn we er!&#8221; riep de vogel, en hij zweefde <a id="d0e1213"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1213">96</a>]</span>naar beneden en liet Paul van zijn&#8217; rug stappen. Paul wist niet, hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet
+lang op dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls oogen verdwenen.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis
+woonde, waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul
+aan de groote voordeur klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. &#8220;Ga toch eens kijken,&#8221; zei ze tegen eene van de hofdames,
+&#8220;wie daar zoo laat nog klopt.&#8221; Toen nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul vlug een&#8217; van de
+gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot vallen
+en vloog naar de prinses. &#8220;O,&#8221; riep ze, &#8220;die allerbeste vriend is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen
+gerold, dien ik hem vroeger heb gegeven.&#8221; De prinses kon niet gelooven, dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar
+de deur om te kijken. Weer rolde Paul een&#8217; gouden appel door de kier van de deur; &#8217;t was de appel voor de tweede hofdame.
+De hofdame herkende haar eigen appel en vloog er mee naar de prinses. &#8220;O,&#8221; riep ze &#8220;daar is die allerbeste vriend, zie, daar
+is de appel, dien ik hem vroeger heb gegeven.&#8221; Nog kon de prinses het niet gelooven. &#8220;Hoe zou die ooit hier kunnen komen!&#8221;
+riep ze. &#8220;Wacht, ik ga zelve kijken.&#8221; Voorzichtig deed ze de deur op eene kier en vroeg: &#8220;Wie is daar?&#8221; Toen reikte Paul haar
+den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug
+deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal, dat hij zoo&#8217;n verre reis gedaan had, om bij haar te komen.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar hoe nu verder,&#8221; zuchtte de prinses. &#8220;Als de reus, die zoo&#8217;n booze toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den
+morgen wordt hij wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars, die hem helpen; daar kun je niet
+tegen vechten.&#8221;&#8212;&#8220;Laat mij maar begaan,&#8221; riep Paul, &#8220;ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!&#8221; De prinses schreide; ze
+was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen.
+
+</p>
+<p>Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan <a id="d0e1221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1221">97</a>]</span>met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte, om. Hij riep met krachtige stem: &#8220;Waar is de reus, die
+de lieve prinses gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!&#8221; De reus hoorde de stem en stormde woedend
+naar buiten. Hij zag niets; maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem &eacute;&eacute;n, twee, drie het hoofd af. En Paul riep
+maar weer: &#8220;Waar is het leger, dat de reus wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen, zou ik bang
+wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!&#8221;
+
+</p>
+<p>Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind.
+Paul sloeg niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen.
+Toen naar de prinses. &#8220;Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk vrij?&#8221; riep de prinses! &#8220;O, Paul, wat heb
+ik je nu lief! O, wat ben ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of&#8212;of het moest wezen, dat ik mijne lieve ouders en mijne
+geheele lieve familie terug kon krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn.&#8221;&#8212;&#8220;Waar zijn ze begraven?&#8221; riep
+Paul. &#8220;Kom, ik wil zien, wat ik met mijn tooverzwaard kan doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan
+en&#8212;de eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde, die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat
+Paul nu koning moest worden. &#8220;Ja,&#8221; riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op hebben. Toen werd de mooie prinses koningin,
+dat spreekt, en ze kreeg ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den troon en allen riepen: &#8220;hoera!&#8221;
+En de drie oude vrouwtjes werden op den rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van
+de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren.
+
+</p>
+<p>En nu mag jullie zeggen: &#8220;Die Paul!&#8221; En dan zeg ik: ja, van &#8220;die Paul&#8221; kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke
+woorden wel zoo ver komt in de wereld&#8212;wel zoo ver als het paleis ligt ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar
+zonder goeien wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun je vast op rekenen.
+
+
+
+
+<a id="d0e1229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1229">98</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e1230"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Juist Goed!</h2>
+<p>Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij
+rijk als de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden
+en akkers, met hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met
+het huis, de schuren en stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was de bliksem geslagen in het
+huis van den arme: het huis was toen tot den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een&#8217; stal er bij. Het had den arme
+veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke
+was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk, de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het
+vet. Maar bij den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste paarden, de mooiste koeien en schapen,
+de vetste varkens. En de arme had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen werden leeger en leeger.
+
+
+</p>
+<p>Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte, dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van
+oogsten kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat
+door hagel of zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer,
+omdat ze elk jaar weer minder te bergen hadden.
+
+</p>
+<p>Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde er van.&#8212;Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam
+er juist even te voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen, het ging broeien en zuur smaken. Het
+vee lustte zulk hooi niet, het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen.
+
+</p>
+<p>Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker: alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer:
+alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier, hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe
+weiden en meer vee en meer akkers, <a id="d0e1241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1241">99</a>]</span>hij nam meer knechten en meiden in zijn&#8217; dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren en stallen oud
+en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk voor stuk, zijne akkers en zijne weiden &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n verkoopen, hij moest
+zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van
+den morgen tot den avond&#8212;het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles,
+wat hij nog had, verkoopen. &#8217;t Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg voor alles maar weinig geld, heel weinig.
+En voor dat weinigje kocht hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en &eacute;&eacute;ne koe met &eacute;&eacute;n schaap. Hij
+hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen leven van wat die &eacute;&eacute;ne koe en dat &eacute;&eacute;ne schaap hem gaven. Maar de arme zou nog armer
+worden .... De koe en het schaap werden ziek en&#8212;ze stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond, waar
+bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest
+was, uit werken gaan, om zijn brood te verdienen.
+
+</p>
+<p>De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken, om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan
+geld en goed; maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid
+en hoorde zijne klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders,
+waar zijne geldkist vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de arme had weinig te geven, en toch
+gaf hij nog van zijne armoede aan anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld en goed; maar rijk aan
+liefde en medelijden.
+
+</p>
+<p>Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn&#8217; rijkdom niet. De rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen,
+dat het zijn&#8217; broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte de rijke.&#8212;Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging,
+was nooit afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd, verheugde de arme zich in &#8217;t geluk van den
+rijke.
+
+</p>
+<p>Nu hoor, wat er gebeurde.&#8212;Het stukje grond, dat de arme bij zijn <a id="d0e1249"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1249">100</a>]</span>huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De
+arme zaaide altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte, om den grond los te maken; maar &#8217;t hielp alles
+niets. &#8217;t Was, om er heelemaal den moed bij te verliezen.
+
+</p>
+<p>&#8220;E&eacute;ns wil ik het nog probeeren,&#8221; zuchtte de arme, &#8220;en als het nu niet lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar z&oacute;&oacute; blijven
+liggen.&#8221; Wat zou het zijn voor &#8217;t laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij, &#8217;t moest maar koolrapen zijn. Als die eens
+opkwamen, daar was nog eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging, of hij er ook nog niet van verkoopen
+kon!
+
+</p>
+<p>Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen, of het opkomen zou.
+
+</p>
+<p>En het <i>kwam</i> op. Maar hoe! Och, &#8217;t was dezelfde treurige geschiedenis van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes
+uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: &#8220;kon je ons in geen beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?&#8221;
+Treurig schudde de arme het hoofd. &#8220;Er komt niets van terecht,&#8221; zuchtte hij.
+
+</p>
+<p>Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover
+was, dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale
+plantjes zag, werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder, dat er gebeurde op zijn&#8217; akker.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen
+op den akker. De spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne
+verwonderde oogen? Ze zagen midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig spreidde ze hare dikke,
+sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er z&oacute;&oacute; iets kon
+groeien op <i>zijn&#8217;</i> grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de bladeren
+en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het wel eene koolraap, <a id="d0e1267"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1267">101</a>]</span>die hij zelf gezaaid had? Ja, &#8217;t moest toch zoo zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen groeiden;
+alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. &#8220;En,&#8221; dacht de arme met vreugde, &#8220;als de bladeren en stengels zoo forsch zijn,
+wat zal er dan eerst voor een&#8217; wortel aan zitten!&#8221; Ja, hoe groot zou toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen
+was? &#8217;t Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben, uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar
+neen, dat deed hij niet: de plant zou er van lijden, en ze moest n&ograve;g grooter, haar wortel moest n&ograve;g dikker worden. Rustig
+zou hij haar laten groeien, tot ze niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde te nemen. Maar kijken
+naar zijn&#8217; schat, dat mocht, en dat deed de arme dan ook trouw, &#8217;s Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog op de bladeren
+van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de zon
+hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw, onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op,
+tot de oogen hem dichtvielen. &#8217;s Avonds, als hij moe van &#8217;t werk kwam, zette hij een&#8217; stoel op den akker en rookte er zijn
+pijpje.
+
+</p>
+<p>En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag <i>zag</i> groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder.
+De plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte, hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde
+zijn gezicht van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den grond ook doorgroeide en dien hij nooit
+zag, dan klopte hem het hart van hoop en verlangen.
+
+</p>
+<p>Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch wel het voedsel vandaan kreeg, om z&oacute;&oacute; te worden, als
+ze was. Wel zag hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep hij, dat ze niet leven konden, omdat
+die &eacute;&eacute;ne krachtige, hongerige alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar dat kon lang niet genoeg zijn.
+Neen, hoe grooter de plant werd, hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze <i>moest</i> hem geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het: het gezicht van den arme fleurde met den dag op.
+Zoo mismoedig als hij vroeger het hoofd had laten <a id="d0e1279"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1279">102</a>]</span>hangen, zoo moedig droeg hij het nu omhoog. &#8220;Wat zou er toch gebeurd zijn?&#8221; dachten de menschen. Niemand wist het, en niemand
+mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij er ook met
+niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en
+dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p102.jpg" alt="Juist goed!"></p>
+<p class="figureHead">Juist goed!</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade
+bekeken. En hij had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast aangedraaid. Toen was hij gaan slapen
+en had gedroomd, dat er maar een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene vuist. Verschrikt was hij
+wakker geworden. Gelukkig&#8212;&#8217;t was maar een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef en groef, tot hem
+het zweet van &#8217;t gezicht druppelde. Niet dat het werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller en sneller
+ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven, dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang,
+dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar altijd niet aan &#8217;t einde. Op &#8217;t laatst was de kuil zoo
+wijd, dat hij er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er rechtop in stond, nog maar even met zijne
+handen den rand raken kon.
+
+</p>
+<p>Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den
+arme glinsterden van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en, keek naar de raap, alsof hij nog nooit
+in zijn leven zoo iets moois gezien had of zien zou.
+
+</p>
+<p>Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol
+doen zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was
+en dat ze groeide, zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het groeien kon hij nu niet meer hebben. De
+aarde was eenmaal losgewoeld, daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de hoogte van den knol mee.
+<a id="d0e1292"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1292">103</a>]</span>Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te weten. Maar wat te doen met zijn&#8217; schat!
+
+</p>
+<p>Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben: hij was maar alleen, &#8217;t zou een heele voorraad voor
+hem zijn. Maar neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem te lief.
+
+</p>
+<p>Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen
+zeggen: &#8220;Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met zoo&#8217;n heele groote, waar we haast geen&#8217; weg mee
+weten!&#8221; Neen, z&oacute;&oacute; zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken.
+
+</p>
+<p>Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat willen? Als de menschen op&#8217; het dorp hoorden, wat er te doen
+was, wel, dan liepen ze vanzelf naar zijn&#8217; akker, om ongevraagd te kijken, en hij kon ze toch niet wegjagen.&#8212;Neen, neen, dat
+was alles het geluk niet.
+
+</p>
+<p>De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij
+van moeheid na de groote inspanning in slaap. En weer had hij een&#8217; droom. Hij droomde, dat zijne raap een gezicht en armen
+en beenen gekregen had en, dat ze nu zat op een&#8217; troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden staf in de hand. Om
+den troon stonden in een grooten kring eene heele menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke raap.
+De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf, en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: &#8220;Leve onze koningin,
+hoera voor de koningin van de koolrapen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. &#8220;Ik weet het, ik ik weet het,&#8221; riep hij, &#8220;eene koningin past bij een&#8217;
+koning. Ik breng de koolraap naar den koning!&#8221; Dat was nu heel mooi bedacht; maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand
+pakken en dragen, daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen, daar zouden wel twee, drie, mannen
+voor noodig zijn. En met optillen was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg&#8212;hoe zou de koolraap daar komen!
+.... Hulp vragen, dat was het eenige. &#8217;t Zou toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam.
+
+</p>
+<p>Maar waar zou de arme aankloppen? &#8217;t Beste was misschien nog alles <a id="d0e1306"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1306">104</a>]</span>te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest,
+en de boer had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst
+geweest was en later, toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop&#8212;toen beloofde de boer dadelijk te raden en te
+helpen.
+
+</p>
+<p>Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en de boer, die bij &#8217;t verhaal van den arme zijne ooren
+bijna niet had kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij <span class="corr" title="Bron: wezelijk">wezenlijk</span> niet wist wat hij zag. &#8220;Wel verbazend,&#8221; riep hij, &#8220;dat mag in de krant! Zoo&#8217;n dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich
+alleen gebruiken met twee paarder er voor.&#8221;
+
+</p>
+<p>En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid
+was. Drie mannen tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen, waar een zacht bed van stroo voor haar
+gespreid was. En toen ze weg reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de <span class="corr" title="Bron: konningin">koningin</span> van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de
+verte met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning
+wel zeggen zou. En de arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk toe en klapte lustig met de zweep.
+Zoo ging het voorwaarts van het eene dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de verte begroet
+met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan
+&#8217;t eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou.
+
+</p>
+<p>Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen
+wapperden van alle huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten in lange dichte rijen, en v&oacute;&oacute;r het paleis
+op een groot plein stonden wel vijfhonderd soldaten.
+
+</p>
+<p>Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig
+gezicht het geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was alles een grapje <a id="d0e1322"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1322">105</a>]</span>van den koning, die veel schik had in &#8217;t geval. De arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest, hij
+was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen,
+en lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden, om ernstig te blijven kijken.
+
+</p>
+<p>De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen, dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook
+de heele treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden, van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen
+en van de hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart van den koning was vol medelijden met den
+arme.
+
+</p>
+<p>&#8220;Uwe Majesteit,&#8221; begon de arme, toen hij voor den koning stond, &#8220;Uwe Majesteit, ik kom....&#8221; Verder kwam de arme niet. Onderweg
+had hij heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit pure verlegenheid van al de mooie woorden er
+geen twee meer bij elkaar krijgen. Maar de koning hielp hem: &#8216;Ik kom Uwe Majesteit de koningin van de koolrapen aanbieden,
+en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.&#8217;&#8212;&#8220;Was het z&oacute;&oacute; niet?&#8221; lachte
+de koning. &#8220;Ja, z&oacute;&oacute; was het, Uwe Majesteit, juist z&oacute;&oacute;!&#8221; riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de verlegenheid
+geholpen had. &#8220;En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?&#8221;&#8212;&#8220;Wel zeker wil ik!&#8221; zei de koning. &#8220;Veel wonderlijks en vreemds heb ik
+in mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present
+gekregen, maar nog nooit zoo iets aardigs!&#8221;&#8212;De arme kreeg eene kleur van plezier.&#8212;&#8220;En zeg me eens,&#8221; vroeg de koning, &#8220;uit
+wat voor een zaadkorrel is toch die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel geweest zijn. Of komt al je
+zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel een echt gelukskind, hoor!&#8221;&#8212;Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij zuchtte&#8212;<i>hij</i> zou een gelukskind zijn! &#8220;Och neen, Uwe Majesteit,&#8221; zei hij treurig, &#8220;noem mij liever een&#8217; ongeluksvogel.&#8221; En toen vertelde
+de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist, maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf
+nog graag eens hooren wou.
+
+</p>
+<p>De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef <a id="d0e1333"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1333">106</a>]</span>nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk begon hij: &#8220;Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap
+je waard was. &#8217;t Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil <i>ik</i> ook graag wat voor <i>jou</i> doen&#8212;je zult niet voor niets zoo&#8217;n schat aan mij hebben afgestaan.&#8221;
+
+</p>
+<p>De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk komen, komen door de raap?
+
+</p>
+<p>&#8220;Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn&#8217; overvloed geven, wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar <i>was</i> het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor den koning op de knie&euml;n. Maar de koning richtte hem vriendelijk
+op en zei lachend: &#8220;Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je gelukkig gemaakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en
+prachtig vee en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen.
+
+</p>
+<p>Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en&#8212;het <i>bleef</i>. De arme was niet arm meer; maar hij <i>werd</i> het ook nooit weer. &#8217;t Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had voor goed den voorspoed gebracht. Zelf
+was de raap bij den koning gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het paleis op een&#8217; reuzenschotel van
+kristal, dien de koning alleen voor haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap bewonderen, en iederen
+dag stroomde het van menschen, die uit alle streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den koning had
+gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap, ieder hoorde van de raap.
+
+</p>
+<p>Ieder&#8212;dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke, die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme,
+die nooit hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon, dat een ander even rijk of rijker was dan
+hij. De rijke dus hoorde ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen, werd hij boos en afgunstig in
+zijn hart.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo&#8217;n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een&#8217; koning, dat moet ik zeggen,&#8221; spotte hij. &#8221;&#8217;t Lijkt wel, of de koning
+niet recht bij zijn verstand is, dat hij mijn&#8217; broer daarvoor zooveel gegeven heeft! Wat <a id="d0e1364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1364">107</a>]</span>moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars, voor iets van groote waarde!&#8221;
+
+</p>
+<p>Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten
+de koning <i>hem</i> dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige
+rijke wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer op den neus kijken&#8212;juist goed! Wat meende die onnoozele
+bloed wel, dat hij met een&#8217; knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke, die zooveel meer geven kon!
+
+</p>
+<p>Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele, kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en
+vurig.
+
+</p>
+<p>Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht er niet aan, de menschen op zijn&#8217; weg vriendelijk te groeten.
+Wel keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel
+en vroolijkheid was er niet. Ieder wist, <i>wie</i> hij was en <i>hoe</i> hij was.
+
+</p>
+<p>De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan &#8217;t eind van zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning
+woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor &#8217;t
+paleis, geene muziek speelde er. &#8217;t Was doodstil in alle straten, waar de rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand
+keek er naar hem uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden
+gehad had met den arme, die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon de koning hem niet vergeven.
+
+</p>
+<p>De rijke kwam v&oacute;&oacute;r den koning. <i>Hij</i> was niet verlegen, <i>hij</i> wist zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en
+koningen had omgegaan. &#8220;Ik hoorde,&#8221; zoo begon hij, &#8220;dat mijn broer zoo vrij, of ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest
+is, onzen ge&euml;erbiedigden koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was wel zoo vriendelijk, dat dwaze
+geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit gaf mijn&#8217; broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk niet verdiende. Ik kom
+nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen <a id="d0e1391"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1391">108</a>]</span>over de brutaalheid van mijn&#8217; broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige
+paarden. Onze ge&euml;erbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van edele, mooie paarden. Ik deed mijn best,
+om de kostbaarste te vinden, die er zijn. Zoo&#8217;n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen dan....&#8221;&#8212;De koning, die
+alles met een strak, onvriendelijk gezicht had aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. &#8220;Je kunt
+heengaan,&#8221; zei hij, &#8220;ik neem de paarden aan.&#8221; Toen schelde de koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij
+zich komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei: &#8220;Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit,&#8221; boog
+en ging weer heen.
+
+</p>
+<p>Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem
+niet eens laten uitpraten&#8212;de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar&#8212;toen de bediende met hem meeging en hem bracht bij
+een grooten overdekten wagen met twee paarden, die op het plein v&oacute;&oacute;r het paleis stond, toen de bediende zei: &#8220;Dit geeft Zijne
+Majesteit U in dank voor de paarden,&#8221; toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer schelen, hoe de koning
+tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer oogen opzetten,
+als hij te weten kwam, wat de koning <i>hem</i> vereerd had!
+
+</p>
+<p>De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen?
+In zijne gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten,
+die hij er voor zou laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden droeg, als hij een juweelen knop
+aan zijne zweep en aan zijn&#8217; stok liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare oorbellen en broches,
+ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn&#8217; zak, als hij
+kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En&#8212;hoe armoedig vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen
+had!
+
+</p>
+<p>Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel
+schatten borg. <a id="d0e1402"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1402">109</a>]</span>Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien&#8212;toch raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis,
+in zijn eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters, van zijne meiden en knechten, van al zijne buren,
+de zakken en de kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en&#8212;hem benijden, dat was zijn lust en zijn leven.
+
+
+</p>
+<p>Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die
+uit nieuwsgierigheid met hem meeliepen.
+
+</p>
+<p>Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden,
+die allen naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen, die om den wagen stonden. &#8220;Vrienden,&#8221; begon hij,
+&#8220;een groote eer is mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze ge&euml;erbiedigde koning, nam niet alleen mijn geschenk in genade aan, maar
+gaf mij tot dank veel kostbaars. Hieronder,&#8221; en de rijke legde de hand op het dekkleed van den wagen, &#8220;ligt geborgen, wat
+mijne eigen oogen nog niet gezien hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!&#8221;
+
+</p>
+<p>De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof hij zelf een koning was, keek hij voor &#8217;t laatst nog
+eens trotsch in &#8217;t rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen, om vooral goed te kunnen zien.
+
+</p>
+<p>En nu&#8212;daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd
+van schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen voor &#8217;t gezicht, vliegt in huis en gooit de deur
+achter zich toe....
+
+</p>
+<p>Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn&#8217; broer!
+
+
+
+</p>
+<p>En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig
+gefopt was.
+
+
+<a id="d0e1416"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1416">110</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e1417"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Weer van eene Fee.</h2>
+<p>Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school gaan&#8212;allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle
+dag terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn: &#8217;t is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja,
+zoo denk jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er heel anders over dacht.
+
+</p>
+<p>Dat ongelukkige kind kon &#8217;s morgens, als ze op zou staan, nooit hare kousen vinden. Gezocht op den stoel v&oacute;&oacute;r &#8217;t bed, in &#8217;t
+bed, rechts, links, aan &#8217;t hoofdeneind, aan &#8217;t voeteneind, onder de dekens&#8212;alles onderst boven gehaald. Eindelijk&#8212;&eacute;&eacute;n gevonden
+onder &#8217;t kussen, een poosje later nummer twee onder &#8217;t ledikant.
+
+</p>
+<p>Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien,
+je kunt nooit weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij&#8212;in een&#8217; hoek van de vensterbank!
+
+</p>
+<p>Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu
+achter!
+
+</p>
+<p>Dan aan &#8217;t plassen. Een druipnat gezicht&#8212;geen handdoek, om het af te drogen. Een pretje, hoor! Waar&#8212;kon&#8212;dan&#8212;toch&#8212;die&#8212;handdoek&#8212;zijn?
+Al pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over een&#8217; post van &#8217;t ledikant.
+
+</p>
+<p>Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor &#8217;t grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel.
+Niets! Op tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk!
+
+</p>
+<p>De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning,
+hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer, &#8217;t Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig
+weer wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan.
+
+</p>
+<p>Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?&#8212;&#8217;k Hoop voor jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen
+en knoopsgaten, haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind, schenen <a id="d0e1436"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1436">111</a>]</span>wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten,
+konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver
+van af zaten. De stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel
+knoopen en haken, die er heelemaal &#8220;voor spek en boonen&#8221; bij zaten.
+
+</p>
+<p>Vraag ook niet naar Ida&#8217;s vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten
+verdeelen in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht
+een dun, schraal strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop.
+
+</p>
+<p>Maar&#8212;hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te ontbijten, dat wil zeggen&#8212;om staande haastig een paar
+happen brood te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden
+als je bij &#8217;t aankleeden z&oacute;&oacute; geplaagd en opgehouden wordt!
+
+</p>
+<p>Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg, als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden.
+Nu, ze had ook geen tijd meer om te zoeken&#8212;dan maar zonder de straat op. Flap, de voordeur dicht.&#8212;Een oogenblik er na: tingelingeling!
+Ida terug hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet
+verstopt achter de kelderdeur, die open stond?&#8212;Waren de boeken en schriften, was alles, wat ze noodig had er wel in? In de
+vlucht even in de tasch gerommeld, een schrift er bij &eacute;&eacute;n vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om een boek half afgescheurd.
+Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik tijd meer: &#8217;t was toch al zoo laat.
+
+</p>
+<p>Ja, Ida was <i>te</i> laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest schoolblijven, om &#8217;t verzuimde weer in te halen.
+
+</p>
+<p>Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?&#8212;&#8220;Ida,&#8221; vraagt de juffrouw, &#8220;waarom begin je niet te schrijven?&#8221;&#8212;Juffrouw, mijn
+pennenhouder is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn vak.&#8221;&#8212;&#8220;Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft,
+moet hij er nu nog zijn. Zoek <a id="d0e1451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1451">112</a>]</span>nog eens goed.&#8221;&#8212;Ida aan &#8217;t scharrelen in de beide vakken, in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder
+de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen
+heelemaal niet werken. Ida&#8217;s werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig.
+
+</p>
+<p>&#8220;Leesboeken op de tafel!&#8221;&#8212;&#8220;Juffrouw, &#8217;t mijne is er niet.&#8221; Weer moet het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd.
+Nooit heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, &#8217;t is
+wel om te zuchten.
+
+</p>
+<p>Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van
+binnen: schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat, klosjes garen en zij&#8212;alles had er zijne eigen
+plaats, en toch bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er in voor &#8217;t grijpen. &#8217;t Was, of de schaar
+riep: &#8220;Zoeken behoef je niet, hier lig ik en blijf ik.&#8221;&#8212;De naaldenkoker, hoe rond hij was, dacht aan geen wegrollen, en de
+naalden bleven rustig in haar donker kamertje.&#8212;De klosjes stonden als soldaten in &#8217;t gelid, klaar om hun&#8217; draad te presenteeren.&#8212;De
+spelden op het kussentje keken met hunne schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: &#8220;Zitten we hier niet mooi, hier
+kun je ons altijd vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, z&oacute;&oacute; was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En&#8212;z&oacute;&oacute; zou het stellig ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over
+geweest was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed:
+alle dingen maakten het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was veranderd. &#8220;Waar is mijn vingerhoed?&#8221;&#8212;Maar
+de vingerhoed had zijn&#8217; post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug, platgetrapt, onder &#8217;t karpet!&#8212;&#8220;Waar
+is mijne schaar?&#8221; Maar de schaar liet naar zich zoeken. &#8217;s Avonds bij &#8217;t naar bed gaan zag Ida het ongehoorzame ding pas terug&#8212;op
+de tafel in de slaapkamer.&#8212;&#8220;Wat nu, maar &eacute;&eacute;ne naald meer in mijn&#8217; naaldenkoker en dan nog wel zoo&#8217;n dikke, die ik niet gebruiken
+kan!&#8221; Overal onder en tusschen gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan de wandeling. Later wou
+Ida iets van den grond oprapen: daar&#8212;&#8212;&#8220;au, au! prikte ze zich aan eene naald, die in <a id="d0e1459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1459">113</a>]</span>&#8217;t vloerkleed stak.&#8212;De spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze gebruiken moest.&#8212;En de klosjes, die
+hun&#8217; draad zoo prettig klaar hielden? &#8220;Nooit kan ik een&#8217; draad loskrijgen, alles zit altijd in de war,&#8221; zuchtte Ida. Ja, de
+klosjes lagen al lang holderdebolder door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo verward door elkaar heen
+geslingerd, dat er geen weg in te vinden was.&#8212;Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast tusschen de draden.&#8212;Of
+er nog plaats was voor een handwerkje? Och, vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen deksel en doos
+geklemd en hing half over den rand. De stumper had zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die heelemaal
+niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek, die in Ida&#8217;s zak, en een haarlintje, dat om Ida&#8217;s vlecht behoorde
+te zitten; een&#8217; inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger, die uit het leesboek verdwaald was.
+
+</p>
+<p>Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei snuisterijen in bergen mocht.&#8212;Heerlijk, zoo&#8217;n eigen kastje!
+Alle planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes
+neergevlijd; de kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de plooi, alles glad en zonder kreuk.&#8212;En
+dan de bovenste planken! Daar berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de Cologne- en odeurfleschjes,
+aardige doosjes en mandjes&#8212;ik kan het niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan weet je nog wel meer.&#8212;En
+dan plooi en schik je, je zet en verzet al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast niet mooier kan.
+Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en binnengluren,
+zoo&#8217;n schik heb je er aan.&#8212;Met je oogen dicht weet je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in &#8217;t midden,
+en dat staat in dien of dien hoek.
+
+</p>
+<p>Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met
+be&icirc; haar open oogen en be&icirc; haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet eens vinden, wat ze noodig had.&#8212;&#8217;t Leek wel,
+of &#8217;t linnengoed op zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen ging op plaatsen, waar het <a id="d0e1465"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1465">114</a>]</span>in &#8217;t geheel niet behoorde. Rokken hadden zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen verdwaald, zakdoeken
+speelden verstoppertje zoowat overal tusschen &#8217;t goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms, gedeukt
+in een&#8217; hoek. &#8217;t Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over gespeeld hadden met de stapels goed&#8212;dat ze daarbij soms losgegaan
+waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls
+ze iets uit haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden!
+
+</p>
+<p>Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo&#8217;n rommel wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun&#8217; kop stonden
+of omgebuiteld waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor
+de grap alles, wat er in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats&#8212;o, &#8217;t was om er kriebelig van te worden.
+
+
+</p>
+<p>Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden
+mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen,
+scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren
+ging, hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd,
+dat is heel niet te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door al die onrust en al die tegenspoeden.
+Och, wat had ze weinig plezier in haar leven.&#8212;En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame, eigenzinnige, onwillige
+goed! Ja, &#8217;t was wel om te zuchten.
+
+</p>
+<p>Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: &#8220;t Kan zoo niet langer, &#8217;t is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn
+goed, ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen ging ze met de hand onder &#8217;t hoofd zitten peinzen eene heele poos. Wat had ze al dikwijls bij &#8217;t haastige zoeken boeken,
+schriften, kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw aan getrokken. &#8220;Naar ding!&#8212;Vervelend ding!&#8212;Plaag
+je me weer?&#8221;&#8212;Wat had <a id="d0e1475"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1475">115</a>]</span>ze &#8217;t dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen,
+&#8217;t werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met
+haar goed praten, dat zou beter zijn.
+
+</p>
+<p>Toen&#8212;niet lachen, hoor&#8212;toen zocht Ida al haar goed bij elkaar: kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles
+werd uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld.
+En dat heele rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen ging ze met een strak gezicht deftig midden
+in dien kring staan en zei: &#8220;Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je praten. Het moet uit zijn met
+die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in &#8217;t vervolg stil op zijne plaats,
+tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me geen schrift
+meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien,
+wie de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn&#8217; dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn&#8217;
+plicht, begrepen? In &#8217;t vervolg, als ik vraag: waar is mijn&#8217; pennenhouder? dan vertoont die zich dadelijk, alsof hij zeggen
+wou: hier ben ik! Heb ik een klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof het roepen wou: tot uw&#8217; dienst,
+Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet anders. Wie onwillig
+of voorbarig is, krijgt het met mij te doen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd, dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of &#8217;t was,
+alsof &#8217;t goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden
+een stijf gestreken kraagje, dat bovenop hem lag. &#8217;t Kraagje wipte van den borstel af en rolde in vroolijke sprongen over
+den vloer. Een fleschje, dat juist in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van &#8217;t lachen, had maar een
+klein duwtje noodig: daar lag het al languit op den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den vloer.&#8212;Boeken
+<a id="d0e1481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1481">116</a>]</span>en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven liggen,
+zoo&#8217;n plezier hadden ze. Rrrrt&#8212;daar gleden ze uit elkaar, tegen een&#8217; maasbal aan. De maasbal vroolijk aan &#8217;t rollen&#8212;boems,
+tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten de pennen op hun twee voetjes de doos uit.&#8212;Eene pret van
+belang, hoor! &#8217;t Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: &#8220;Praat maar toe, we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin.
+Denk je den baas over ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig, teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen
+van spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg,
+dat ze het toch maar niet weer zien zou!
+
+</p>
+<p>Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed.
+Ze kon er nu heelemaal geen baas meer over worden.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar &#8217;t bosch gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze
+zoo eens mee wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar&#8212;Ida
+zag er altijd zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf&#8212;neen, de moeders van de meisjes vonden het maar beter,
+dat ze buiten de school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe het zoo kwam, dat de meeste meisjes
+altijd bedankten, als zij ze op visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze &eacute;&eacute;ns bij een meisje geweest
+was? Waarom moest ze toch altijd alleen zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot verdriet voor Ida.&#8212;En
+terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door &#8217;t bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan dat andere
+verdriet&#8212;aan al &#8217;t verdriet, dat ze zoo al had in haar jong leventje. &#8217;t Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen
+frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette niet op al dat moois,&#8212;en vroolijk kon ze ook niet zijn.
+Ze keek heel bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten en&#8212;begon bitter te schreien. Daar voelde
+ze opeens eene <a id="d0e1489"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1489">117</a>]</span>hand, die zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk zei: &#8220;O, o, wat een dikke tranen! Is &#8217;t verdriet
+zoo groot?&#8221;
+
+</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere, verstandige oogen en o zoo&#8217;n lief, goedig gezicht. Maar niet
+alleen &#8217;t gezicht, neen, &#8217;t heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles aan haar was even proper en net: van &#8217;t hagelwitte
+mutsje met de fijne plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of plooi, geen band of knoop, die
+niet op zijne plaats zat. Geen kreuk, geene vlek of scheur te zien. &#8217;t Heele vrouwtje met alles, wat ze aan had om- door een
+ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, meisje,&#8221; vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord gaf, &#8220;wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien
+kan ik je helpen.&#8221;&#8212;Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed in de vriendelijke, medelijdende oogen, en v&oacute;&oacute;r
+ze het wist, was ze al aan &#8217;t vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe &#8217;t kwam, maar het vrouwtje leek haar heelemaal geene
+vreemde: &#8217;t was net, of ze praatte met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze dacht niet: wat is
+dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk, dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van alles,
+wat haar op &#8217;t hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe
+ze nu niet wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist,
+vroeg ze: &#8220;En is er thuis nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?&#8221; En toen heel zacht: &#8220;Heb je geene moeder?&#8221;&#8212;&#8220;Neen,
+neen,&#8221; barstte Ida schreiende uit, &#8220;eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven vragen. Ik zie hem ook haast
+nooit, hij zit altijd te studeeren. En dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg, en de juffrouw van
+de school is altijd ontevreden op me. Niemand, niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, &#8217;k hou&#8217; nu al zooveel van je, help
+jij me!&#8221;&#8212;Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze trok haar naar zich toe. &#8220;Arm kind,&#8221; zei ze, &#8220;zeker wil en kan
+ik je helpen, vertrouw gerust op mij.&#8212;Kom, we wandelen samen naar je huis, en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje
+bij je. Mij dunkt, we zullen dan samen dat groote verdriet wel op <a id="d0e1495"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1495">118</a>]</span>de vlucht jagen. Droog nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn&#8217; arm. Maar wacht eens, je manteltje is
+scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen, ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een&#8217; band, die zoo brutaal
+onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen we zijne plaats eens.&#8212;Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan den binnenkant
+van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je&#8212;ze zouden lachen
+om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. &#8217;t
+Lintje op den loop? Wacht, &#8217;k heb er juist een in mijn&#8217; zak.&#8212;H&egrave;, dat lijkt toch wat beter dan zoo straks.&#8221; Ida keek al lang
+niet bedrukt meer: het vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een beetje door haar te worden &#8220;opgeknapt.&#8221;
+Er was anders nooit iemand, die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag.
+
+</p>
+<p>Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar
+haar vader was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer
+stonden, klopte Ida aan; maar geene stem had nog &#8220;binnen&#8221; geroepen, of ze was ook al weer de trap af.
+
+</p>
+<p>Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje v&oacute;&oacute;r Ida&#8217;s vader, en weer een oogenblik later zat ze in een&#8217; leunstoel tegenover
+hem en waren ze samen druk aan &#8217;t praten. Over wie, dat kun je wel dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies
+kunnen vertellen. Wel weet ik, dat Ida&#8217;s vader bij het weggaan het eenvoudige vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet
+ik, dat Ida, die beneden met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: &#8220;Nu, wat zegt Vader?&#8221; en dat het vrouwtje
+toen antwoordde: &#8220;Alles is in orde, kindlief, ik blijf bij je.&#8221;&#8212;Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen van blijdschap.
+
+</p>
+<p>Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida
+praatte al dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien met de heldere, verstandige oogen, dat deed
+ze des te meer. Eens nam ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend aan. <a id="d0e1503"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1503">119</a>]</span>&#8220;O, uit mijn geschiedenisboek!&#8221; zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam het blad en lei het op een&#8217; stoel. Maar het vrouwtje nam
+het weer van den stoel en liep er mee naar de boekenplank. &#8220;We moeten het, dunkt me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats
+leggen,&#8221; zei ze. &#8220;Ja maar,&#8221; riep Ida, &#8220;hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och, &#8217;t kan later ook wel.&#8221;&#8212;&#8220;Samen zoeken,&#8221;
+hield het vrouwtje vol. En of Ida al wat ongeduldig keek&#8212;ze kon toch niet goed anders doen dan meezoeken. Toen ze &#8217;t boek
+eindelijk had, wou ze &#8217;t blad er gauw even instoppen. &#8220;Ho,&#8221; zei &#8217;t vrouwtje, &#8220;laat eens zien: bladz. 34, die heeft 35 tot
+buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier
+vast, we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen.&#8221;&#8212;Ida keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen
+durfde ze niets.
+
+</p>
+<p>Op de trap naar Ida&#8217;s kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel, maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield
+het ding in de hoogte. &#8220;H&eacute;, de ceintuur van mijne blauwe jurk,&#8221; zei Ida, &#8220;hoe komt die hier!&#8221;&#8212;&#8220;De ceintuur wou zeker eens
+zien, of ze wel alleen den weg naar Ida&#8217;s kapstok kon vinden,&#8221; zei &#8217;t vrouwtje. Ida lachte, maar ze kreeg ook eene kleur.
+Gauw nam ze de ceintuur uit de handen van &#8217;t vrouwtje en mompelde zoo iets van: &#8220;meteen meenemen en ophangen.&#8221; &#8217;t Leek wel,
+of ze zich wat schaamde.
+
+</p>
+<p>Ida&#8217;s kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. V&oacute;&oacute;r de deur stond Ida even stil. &#8217;t Was, of ze er eigenlijk een beetje
+tegen opzag, haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame
+goed eens laten zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kijk,&#8221; begon ze, luid en druk pratende, &#8220;kijk me dien boel hier eens aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is
+te zoek, als je &#8217;t hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden, zie maar! En....&#8221; Verder kwam ze niet,
+want ze merkte: het vrouwtje luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat van een&#8217; stoel of van de
+tafel, daar wat van &#8217;t bed of van den grond en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang, tot de kamer
+er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist <a id="d0e1511"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1511">120</a>]</span>niet recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te zien; z&oacute;&oacute; zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje
+begreep best, wat Ida dacht, en daarom zei ze: &#8220;Toe maar, kindlief, ik zal het je wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw
+je de kunst van mij afkijkt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een&#8217; stoelpoot
+haast door &#8217;t behang, ze lei haar nachtzak in een&#8217; hoek op &#8217;t bed, en bij alles, wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje
+bijna onderste boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en
+vriendelijk wees ze Ida telkens, hoe ze dit zus en dat z&oacute;&oacute; moest doen, en waarom dat beter was en netter leek. Zie, als je
+zooveel kleeren op elkaar hing, dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en leelijke plooien in.&#8212;En
+een&#8217; stoelpoot, daar moest een stoel toch zeker op staan. &#8220;Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en &#8217;t behang mogen
+ze niet aanraken.&#8221;
+
+</p>
+<p>De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in &#8217;t midden op het bed te pronken,
+dat paste beter voor hem.
+
+</p>
+<p>H&egrave;, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders,
+toen eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om er in te wezen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met het kastje wachten we liever tot morgen,&#8221; vond het vrouwtje, &#8220;je zult wel moe zijn van &#8217;t ongewone werk.&#8221; Maar neen,
+daar had Ida geen ooren naar: ze was in &#8217;t geheel niet moe, en morgen zou er misschien weer wat anders te doen zijn.&#8212;Daar
+waren de kastdeuren al open, en roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. &#8220;Ho, ho,&#8221; riep het vrouwtje, &#8220;dat
+gaat maar z&oacute;&oacute; niet, juffertje. E&eacute;n, twee, drie, het kleed van de tafel&#8212;netjes opvouwen, hoor&#8212;en dan op de leege tafel alles
+uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk,
+z&oacute;&oacute;: plat en&#8212;geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen uitsteken.&#8212;Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg
+het er maar op&#8212;knap&#8212;je <a id="d0e1521"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1521">121</a>]</span>zult het wel leeren.&#8212;Dit voor de volgende plank.&#8212;Weer een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.&#8212;Nu de twee bovenste nog.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Ida keek met een&#8217; zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge
+vrouwtje was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar paste.&#8212;&#8220;Pennenhouder&#8212;op zij, je behoort hier niet.&#8212;Kleerborstel:
+pak maar eens aan&#8212;in de tafell&acirc;.&#8212;Nagelschaar: op je plaats in &#8217;t laatje van de waschtafel.&#8212;Nu dit, en dat en dat nog weg.
+H&egrave;, dat ruimt op.&#8212;Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast schikken.&#8221;&#8212;Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk
+niet, dat ze zooveel mooi goed had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kant en klaar!&#8221; roept eindelijk het vrouwtje. &#8220;O, wat ben je toch knap!&#8221; zei Ida, en ze gaf haar een&#8217; kus. &#8220;Niets knapper
+dan mijn meisje over eene korte poos ook wezen zal.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;s Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje
+had? &#8220;Ja wel, maar&#8212;maar....&#8221;&#8212;&#8220;O, &#8217;k begrijp het al&#8221;, lachte het vrouwtje, &#8220;je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat
+gerust eens zien, hoor!&#8221;&#8212;Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en&#8212;dralende haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje
+was wel nooit boos en zei nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig, alweer met iets aan te komen,
+dat er z&oacute;&oacute; uitzag. En wezenlijk&#8212;waar Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon zonder een woord te
+zeggen den warboel van klosjes en lint en band en wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij de
+klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar, hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen.
+Van het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje stak met eene speld de einden vast.&#8212;Alles kreeg
+eene beurt: alles in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er ook weer ruimte voor den ongelukkigen
+zakdoek, &#8217;t Was wezenlijk eene aardigheid om te zien.
+
+</p>
+<p>&#8220;En waar zal de doos nu staan?&#8221; vroeg het vrouwtje. &#8220;Och&#8221;, zei Ida, &#8220;dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden.&#8221;&#8212;&#8220;Kom,
+kom&#8221;, lachte &#8217;t vrouwtje, &#8220;dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats, hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten
+we de boeken ook <a id="d0e1531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1531">122</a>]</span>eens in &#8217;t gelid en de schriften en.... nu, niet zoo&#8217;n benauwd gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen,
+en je weet, hoe prettig dat gaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar
+mee naar boven, dat vond ze gezellig.&#8212;Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef, als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te
+liggen, en daar wat&#8212;&#8217;t duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde het hoofd. Bedaard zocht ze al de
+stukken weer bij elkaar, hing de jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig stapeltje van op den
+stoel v&oacute;&oacute;r Ida&#8217;s bed. Kam en borstel werden weer in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: &#8220;Waar is dat
+nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk weer aan.&#8221; Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida&#8217;s oogen gelezen,
+want toen ze haar een&#8217; nachtkus gaf, zei ze: &#8220;Waarvoor? Dat vertel je me zelf morgen aan &#8217;t ontbijt wel eens.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu?&#8221; vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida guitig aan. &#8220;O&#8221;, zei Ida, &#8221;&#8217;t was heerlijk. Ik behoefde naar
+niets te zoeken. Al mijn goed lag voor &#8217;t grijpen&#8212;ik was in een&#8217; wip klaar.&#8221;&#8212;&#8220;Ook wat <i>te</i> gauw?&#8221; vroeg &#8217;t vrouwtje, en ze bekeek Ida van boven naar beneden. &#8220;Misschien wel&#8221;, zei Ida zacht, en ze kleurde. Een poosje
+later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. &#8220;Ziezoo&#8221;, riep &#8217;t vrouwtje, &#8220;nu is &#8217;t morgen gauw <i>en</i> goed, is &#8217;t niet, kind?&#8221;
+
+</p>
+<p>Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en
+tegen het middageten was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens keek ze weer heel bedrukt, en met
+een&#8217; zucht kwam het er uit: &#8220;Ja, &#8217;t is nu alles wel heel mooi, maar....&#8221;&#8212;&#8220;Maar het blijft niet zoo, wil je zeggen.&#8212;Wees gerust,
+kindlief, daar heb ik ook een middeltje op, dat ik je leeren zal. Netjes <i>maken,</i> daar begin je nu al eene heele bolleboos in te worden, netjes <i>houden,</i> daar zal ik je nu knap in maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>En Ida <i>werd</i> knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst, die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg
+voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze <a id="d0e1556"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1556">123</a>]</span>&#8217;t nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig: het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en
+een prijsje op te vroolijken.
+
+</p>
+<p>En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?&#8212;Luister maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide,
+en er viel eene speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde,
+dat liet ze rollen. &#8220;Ida,&#8221; zei &#8217;t vrouwtje, &#8220;er is iets gevallen.&#8221;&#8212;&#8221;&#8217;k Heb het toch dadelijk niet noodig,&#8221; had Ida dan dikwijls
+op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.&#8212;Was &#8217;t naaien gedaan, dan werd
+werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De
+doos dicht&#8212;weg er mee. &#8220;Kom,&#8221; zei &#8217;t vrouwtje den eersten keer, dat Ida de naaidoos weer gebruikte, &#8220;nu zal &#8217;t me toch benieuwen,
+of je er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag.&#8221; Ida had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier
+&#8220;den boel,&#8221; zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen lachje de hand terug en begon stuk voor stuk
+zorgvuldig te bergen.
+
+</p>
+<p>Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan, en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering
+bleef hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee
+naar school moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken, die ze op school niet noodig had, kwamen
+in de tasch terecht.&#8212;Met de schriften ging &#8217;t al niet veel beter.&#8212;De eerste maal nu, dat Ida werk maakte en lessen leerde,
+terwijl &#8217;t vrouwtje er bij zat, zou het al weer denzelfden weg langs gaan. Maar &#8217;t vrouwtje deed den inktkoker dicht, veegde
+de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in de hand. &#8220;Daar,&#8221; zei ze, &#8220;zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden
+bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je te helpen bij je werk.&#8212;En nu, waar behoort dit boek thuis?
+Moet je dat schrift meehebben? Hier is de tasch&#8212;ziezoo, alles netjes er in voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank.
+Klaar is &#8217;t.&#8221;
+
+</p>
+<p>Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze &#8217;t
+maar uit de handen <a id="d0e1564"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1564">124</a>]</span>kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja, &#8217;t was er niet van zelf zoo&#8217;n rommel geworden. Maar
+nu kon dat zoo gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo
+haastig bezig bij haar kastje, zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze &#8217;t wist, het vrouwtje naast haar
+en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats van dit of dat niet meer wist. &#8217;t Zou jammer zijn, als &#8217;t kastje niet netjes
+bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En&#8212;al vond Ida het nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken.
+
+</p>
+<p>Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken en knoopen? Dat het vrouwtje Ida&#8217;s kleeren al lang allemaal
+keurig in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida&#8217;s goed nu niet meer scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje
+voor. Maar ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak er een band, kwam er een scheurtje of gaatje,
+dan zei &#8217;t vrouwtje: &#8221;&#8217;t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet, eer ze naald en draad te pakken hebben.
+Dat gaat jou zeker ook zoo, is &#8217;t niet?&#8221;&#8212;Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en&#8212;aan &#8217;t werk gaan!
+
+</p>
+<p>Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel, hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te <i>houden.</i>
+
+</p>
+<p>Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet, hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht
+zette, als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog
+veel minder, hoe menigmaal ze wel had willen roepen: &#8220;Neen, neen, ik wil niet, &#8217;t is zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!&#8221;
+Maar die verdrietige buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht.
+
+</p>
+<p>In &#8217;t begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een
+plezier wou doen, en ook wel&#8212;omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida
+het <i>zelf</i> prettig te vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek het veel aardiger en vriendelijker. En dan:
+nooit behoefde ze nu meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd mee heen, en wat <a id="d0e1580"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1580">125</a>]</span>maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat ze noodig had, lag nu voor de hand. &#8221;&#8217;t Is net,&#8221; zei Ida soms, &#8220;of ik wel
+tweemaal zooveel tijd heb als vroeger.&#8221;&#8212;&#8220;De dagen zijn zeker langer geworden,&#8221; zei &#8217;t vrouwtje dan lachende. En dan&#8212;op school
+was &#8217;t ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer te zeggen: &#8220;O, dat vak van Ida,&#8221; of &#8220;o, die tasch, o,
+die boeken en schriften, o, dat werk!&#8221; Of: &#8220;Alweer te laat&#8221; en meer zulke leelijke dingen.&#8212;Strafkrijgen, schoolblijven&#8212;dat
+was allemaal vroeger.
+
+</p>
+<p>Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida&#8217;s
+slordige kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag en heel veel andere goede dingen meer. En toen
+kreeg Ida ook weer vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen en&#8212;die ook bij haar mochten komen.
+
+
+</p>
+<p>Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig goed had, dat haar het leven lastig maakte.&#8212;&#8220;Wonderlijk&#8221;,
+zei het vrouwtje eens, &#8220;hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit
+hoor ik je er meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-, je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt
+me, gebeterd, alles is gedwee en gehoorzaam geworden.&#8221;&#8212;&#8220;Neen, neen,&#8221; riep Ida, en met eene kleur als vuur viel ze het vrouwtje
+om den hals. &#8220;Neen, <i>ik</i> heb me gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk,
+slordig kind, dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom
+er bij. Ik gaf mijn goed in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch niet helpen, dat ze overal omslingerden
+en altijd te zoek waren. &#8217;t Was alles mijne schuld, mijne schuld!&#8221;&#8212;&#8220;O, kind, wat ben ik toch blij, dat je &#8217;t eindelijk zelf
+begrepen hebt, zonder dat ik het zei,&#8221; riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. &#8220;Maar ik wist het wel, dat je nog eens
+zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust hart van je weggaan, ik weet....&#8221; Verder kon het vrouwtje niet komen, want
+bij het woord &#8220;weggaan&#8221; was Ida z&oacute;&oacute; geschrikt, dat ze eerst heel bleek werd en toen in schreien uitbarstte. &#8220;Niet weggaan,&#8221;
+snikte ze, &#8220;ik <a id="d0e1589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1589">126</a>]</span>hou&#8217; zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat,
+zal alles weer anders worden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar naast zich op een&#8217; stoel, sloeg den arm om haar heen
+en zei: &#8220;Kom, lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me blijven houden, al ben ik ook niet meer bij
+je&#8212;en ook aan me blijven denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit weer. En gelukkig, tevreden,
+dat ben je nu ook wel zonder mij. Je zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat zul je ook niet weer,
+daar ben ik zeker van.&#8221;&#8212;&#8220;Maar o,&#8221; riep Ida, &#8220;waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te zijn.&#8221;&#8212;&#8220;Alleen
+zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al met je besten vader gepraat en&#8212;is het niet heerlijk: je lieve tante,
+die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!&#8212;En waarom <i>ik</i> niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die
+mij noodig hebben, nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.&#8212;Ik heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk
+wel ben. Een heel gewoon oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.&#8212;En nu&#8212;de oogen even dicht... Open!...&#8221;
+
+</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r de verbaasde Ida stond&#8212;geen gewoon oud vrouwtje meer met een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie,
+lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere, verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende.
+En dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde ze zeggen: &#8220;Ik ben&#8212;de fee Netheid! En nu, lieve kind,
+de fee gaat <i>weg</i>; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft, dat weet ik.&#8221; Nog een kus van de fee en&#8212;Ida was alleen.
+
+</p>
+<p>En &#8217;t gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was
+eene nette, ordelijke, gelukkige, tevredene Ida.
+
+
+
+<a id="d0e1603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1603">127</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e1604"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Kalif-Ooievaar.</h2>
+<p>Heel ver hier vandaan, eerst ver naar &#8217;t zuiden en dan naar het oosten ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad
+heet. In die stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat land. De Koning dus? zul je vragen. Ja
+en neen. Hij had hetzelfde te doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette&#8212;Kalif. Dat is zoo raar niet, want de menschen
+praatten daar in dat land heelemaal anders dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen.
+
+</p>
+<p>Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een warmen middag op zijne canap&eacute;. Hij had net een lekker slaapje
+gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den
+Kalif, doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte
+zeker heerlijk, want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich weltevreden met de hand langs den baard.
+&#8217;t Was duidelijk te zien, dat de Kalif goed in zijn humeur was.
+
+</p>
+<p>De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls
+spreken moest.
+
+</p>
+<p>De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan
+juist altijd naar het paleis om&#8217; met den Kalif te praten. Want&#8212;ik houd meer van een goed, dan van een slecht humeur, dacht
+de grootvizier. Dezen middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond anders dan anders. De Kalif nam
+dan ook zijne pijp uit den mond en zei: &#8220;Wat nu, waarom zet je zoo&#8217;n betrokken gezicht?&#8221;
+
+</p>
+<p>De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte eene diepe buiging voor zijn&#8217; heer, zooals daar in dat
+land de mode is en antwoordde: &#8220;Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik niet, maar het kan wel zijn; want voor
+de deur staat een marskramer, die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig, omdat ik geen geld over heb
+om iets van hem te koopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu, de Kalif had zijn&#8217; grootvizier al lang eens een pleziertje willen doen, <a id="d0e1619"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1619">128</a>]</span>en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden
+om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. &#8217;t Was een klein, dik mannetje, zwart-bruin in &#8217;t gezicht en armoedig
+in de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden
+laatjes, en in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden vingerringen bij met zilver beslagen pistolen
+en gouden drinkbekers bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles van a tot z, en eindelijk kocht
+de Kalif voor zich en Manzor, dat was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor de vrouw van den grootvizier
+een mooien haarkam. Voor zijne eigen vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw.
+
+</p>
+<p>Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei: &#8220;O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin
+hebben we nog niet gezien, is daar ook nog iets moois in?&#8221; De marskramer trok het laatje open en zei: &#8220;Och, neen, daar is
+niets bijzonders in, alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters, die ik niet lezen kan.&#8221; De Kalif
+vouwde het papier open en zei: &#8220;H&eacute;, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. &#8217;k Mocht wel eens weten, wat die letters
+beduidden. Hoe kom je er aan?&#8221;&#8212;&#8220;O&#8221;, zei de marskramer, &#8220;ik heb doos en papier van een anderen marskramer gekregen, en die
+had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier in hebt, geef ik U de beide dingen present.&#8221;&#8212;&#8220;Graag&#8221;, zei de Kalif,
+&#8220;ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet,
+of dat niet ook op het papier te lezen is.&#8221;
+
+</p>
+<p>De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van
+pure nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. &#8220;Ik moet weten, wat er op te lezen staat&#8221;, zei de Kalif, &#8220;eerder
+heb ik geene rust.&#8221;&#8212;&#8220;Ik weet raad&#8221;, zei de grootvizier, &#8220;naast de kerk woont een man, dien de menschen Selim, den Geleerde
+noemen, omdat hij zooveel geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan.&#8221;&#8212;&#8220;Laat hem dadelijk hier komen&#8221;, riep
+de Kalif. De grootvizier vloog de deur uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug.
+<a id="d0e1625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1625">129</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Selim&#8221;, zei de Kalif, &#8220;als je dit papier kunt lezen, geef ik je een mooi pak, maar kun je &#8217;t niet lezen, dan krijg je vijfentwintig
+klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet geleerd bent.&#8221;
+
+</p>
+<p>Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. &#8220;Uw wil is mij een wet, o heer,&#8221; zei hij. Toen bekeek hij
+het papier en zei: &#8220;Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is.&#8221;&#8212;&#8220;Zeg, wat er in staat,&#8221; zei de Kalif.
+
+</p>
+<p>En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond:
+
+</p>
+<p>Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: &#8220;Mutabor,&#8221;
+verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft
+ge maar driemaal naar het oosten te buigen en &#8220;Mutabor&#8221; te zeggen. Maar&#8212;pas op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan
+zult ge het tooverwoord vergeten en moet ge dier blijven.
+
+</p>
+<p>Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap in de handen. &#8220;Ziezoo, Selim,&#8221; zei hij, &#8220;dat was knap
+gedaan; nu krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar &eacute;&eacute;n ding moet ik je nog zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor
+ieder ander. Beloof dat.&#8221; Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem denzelfden avond de mooie kleeren te
+zenden, en Selim ging heen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu, Manzortje,&#8221; zei de Kalif, &#8220;dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten
+komen. Kom nu morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten, waar niemand ons kan zien, en snuiven
+van het poeder. Ik heb mijn heele leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat alle dieren op de aarde
+en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog nooit ben
+ik zoo in mijn&#8217; schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus, tot morgen!&#8221;
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling
+af te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg,
+en toen de deur uit. Al de voorname <a id="d0e1642"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1642">130</a>]</span>heeren, die anders altijd den Kalif moeten volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd menschen
+bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen, kregen een&#8217; wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen
+met zijn&#8217; grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze
+ook een of ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen
+eene slak voor hunne voeten, maar&#8212;eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes van eene slak gaven ze ook niet veel.
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas,&#8221; zei de grootvizier. &#8220;Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars
+gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de weide; laat ons daar eens gaan kijken.&#8221;&#8212;&#8220;Mij best,&#8221; zei
+de Kalif en ze stapten verder.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p130.jpg" alt="Kalif-Ooievaar."></p>
+<p class="figureHead">Kalif-Ooievaar.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een&#8217; ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield
+al klepperend een praatje in zich zelf. Op &#8217;t zelfde oogenblik kwam er nog een ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland
+af, waar de andere ooievaar stond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik wed om mijn&#8217; baard, edele heer,&#8221; zei de grootvizier, &#8220;dat die twee daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat
+dunkt U er van, als we eens ooievaars werden?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Uitstekend!&#8221; zei de Kalif. &#8220;Maar laat ons nu eerst nog eens goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens...
+ja juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam
+oppassen, dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De
+Kalif greep een, twee, drie, de doos uit zijn&#8217; gordel, presenteerde haar ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en
+voorvinger in de doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen hadden. &#8220;Mutabor!&#8221; riep de Kalif en &#8220;Mutabor!&#8221;
+riep de grootvizier ook.
+
+</p>
+<p>Toen&#8212;toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze, al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den
+Kalif en zijn&#8217; grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels, de <a id="d0e1661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1661">131</a>]</span>hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.
+
+
+</p>
+<p>De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk riep de Kalif: &#8220;Neen, maar zoo iets heb ik van mijn
+leven nog niet gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Als ik het zeggen mag,&#8221; riep de grootvizier, &#8220;ziet Uwe Hoogheid er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar
+kom, als &#8217;t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we
+nu de ooievaarstaal verstaan kunnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn&#8217; snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen
+wat wild waren gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen,
+en tot hunne groote verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:
+
+</p>
+<p>&#8220;Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe gaat het?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje
+pad, of een kikkerhammetje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dank je zeer, &#8217;k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite,
+en dan zal ik voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje te oefenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze
+op &eacute;&eacute;n been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als eene jonge dame.
+
+</p>
+<p>De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: &#8220;Eene kostelijke
+grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet,
+of we anders ook nog geen liedje gehoord hadden!&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: &#8220;O, Vorst, wat hebben we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig
+het woord niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo&#8217;n dwaze langpoot te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je &#8217;t
+al! Ik weet het woord niet meer, Uwe Hoogheid!&#8221;
+<a id="d0e1681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1681">132</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen: Mu&#8212;Mu&#8212;Mu.&#8221;&#8212;De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het
+oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten, maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu&#8212;Mu&#8212;Mu!
+
+</p>
+<p>Geen van beiden kon zich het woord herinneren en&#8212;de Kalif en de grootvizier waren en bleven&#8212;ooievaars.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal
+in eene ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun
+overkomen was? Wie zou hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif was! En&#8212;ook als de menschen hun
+praten verstaan konden en gelooven wilden, wie zou dan nog een&#8217; Kalif willen hebben, die ooievaar was?
+
+</p>
+<p>Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne
+lange snavels zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun
+eenig plezier was, dat ze vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de lucht, en &#8217;t allerliefst vlogen
+ze naar Bagdad en zett&#8217;en ze zich op een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.
+
+</p>
+<p>In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen,
+waar hun Kalif met zijn&#8217; grootvizier gebleven waren. Maar toen ze zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op
+het dak van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien: een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop
+trommels en fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard een man in een purperen mantel! Rondom het
+paard schitterend gekleede heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende: &#8220;Leve onze nieuwe Kalif!
+leve Mizra, de heerscher van Bagdad!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de Kalif-ooievaar zei: &#8220;Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik
+betooverd ben! <a id="d0e1696"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1696">133</a>]</span>Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn&#8217; vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur
+heeft mij eens gezegd: &#8216;Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig maken!&#8217; Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer
+naar mij toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O, &#8217;t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen:
+ik kan niet zien, dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats.&#8221;
+
+</p>
+<p>Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer uit. &#8220;Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger
+zoo rijk en zoo gelukkig was,&#8221; zei de Kalif.
+
+</p>
+<p>Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het vliegen was nog zoo&#8217;n ongewoon werkje. &#8220;O wee, o wee,&#8221; zuchtte
+de grootvizier, na een uur vliegen, &#8220;ik kan niet meer. Neem me niet kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of
+we ergens een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het begint al mooi donker te worden.&#8221; Ja, dat vond de
+Kalif toch ook wel zoo verstandig. &#8220;Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij, de overblijfselen van een oud kasteel,&#8221; zei
+de Kalif. &#8220;Laten we eens zien, of we daar niet in kunnen komen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en
+dus niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen
+en weer om een geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat nog op eene kamer leek. Daar leek het hun
+tenminste nog een beetje gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een oogenblik rustig op &eacute;&eacute;n poot
+gestaan, toen de grootvizier fluisterde: &#8220;Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een&#8217; grootvizier en
+nog meer voor een&#8217; ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand diep
+zuchtte.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was.
+Een dier kon het niet zijn: &#8217;t was sprekend het geluid van eene menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar
+den kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de grootvizier hem met den snavel bij <a id="d0e1706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1706">134</a>]</span>den vleugel en bad en smeekte: &#8220;Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer wachten. Ik bid U, blijf toch
+hier!&#8221; Maar bidden en smeeken hielp niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn&#8217; ooievaarsvleugel; hij rukte zich met verlies
+van eenige veeren los en stapte op hooge beenen eene duistere gang in.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p134.jpg" alt="Kalif-Ooievaar."></p>
+<p class="figureHead">Kalif-Ooievaar.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond, en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk
+een gezucht en gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste
+oude kamer, die door een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op den vloer van die half verlichte
+kamer&#8212;een grooten nachtuil. Nu was het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan kwam: dikke tranen
+rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen, en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas had
+de nachtuil den Kalif met zijn&#8217; grootvizier, die toch stilletjes zijn&#8217; meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen
+hield op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen, en tot verwondering van de beide ooievaars riep
+hij met eene vroolijke stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:
+
+</p>
+<p>&#8220;Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd,
+dat ik door een&#8217; ooievaar gelukkig zou worden!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte
+met zijne lange beenen eene sierlijke buiging en zei: &#8220;Lieve nachtuil, het komt mij voor, naar de woorden, die &#8217;k van u gehoord
+heb, dat gij, evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge
+hoort, wat ons overkomen is, zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel belang in.&#8221;
+
+</p>
+<p>En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: &#8220;Ik dank u. <a id="d0e1727"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1727">135</a>]</span>Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder ongelukkig is, dan het uwe.
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte,
+betooverde ook mij. Eens op een&#8217; dag kwam hij bij mijn&#8217; vader, om te vragen, of ik de vrouw van zijn&#8217; zoon Mizra mocht worden.
+Mijn vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een&#8217; toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig
+als hij was, liet hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos, trok een paar dagen later de kleeren
+van zijn&#8217; bediende aan en wist zoo in dienst van mijn&#8217; vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg ik om een verfrisschend
+glas limonade. De nieuwe bediende bracht het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je, hij had er stilletjes
+een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een&#8217; uil veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene harde,
+booze stem riep hij: &#8216;Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk, als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu
+maar, tot iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf
+ik je trotschen vader, die mij niet goed genoeg voor je vond.<span class="corr" title="Bron: &#8217;"></span>
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd
+van de wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon
+en de boomen en bloemen heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen &#8217;s avonds en &#8217;s nachts kan ik goed zien.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de vleugels de tranen uit hare ronde oogen.
+
+</p>
+<p>Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij zijn hoofd en zei: &#8220;Wonderlijk, wonderlijk; &#8217;t is ons
+haast net gegaan, als u. En hoe vreemd, dat <i>wij</i> u nu juist hier moesten vinden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei de uil, &#8220;maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens
+gelukkig zou maken.
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft,
+komt elke <a id="d0e1752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1752">136</a>]</span>maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls
+heb ik in een verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze
+dingen, die ze met hunne toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten we gaan luisteren, wie weet,
+of uwe geschiedenis niet ook verteld wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;O, beste prinses!&#8221; riep de Kalif, &#8220;zeg me, wanneer komt hij en waar is die zaal?&#8221;
+
+</p>
+<p>Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte, dralende stem: &#8220;Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif,
+ik zou het graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij&#8212;gij kunt mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt,
+dat te doen....&#8221;&#8212;&#8220;Ja, ja,&#8221; riep de Kalif ongeduldig, &#8220;dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom, vertel dan maar, wat ik voor
+u doen kan. Natuurlijk doe ik het graag.&#8221;&#8212;&#8220;Beste Kalif,&#8221; zei de uil, &#8220;ik hoop het; maar ik ben er nog niet zoo zeker van.
+Ik&#8212;ja, ik durf het u haast niet te zeggen&#8212;ik kan alleen weer mensch worden, als&#8212;als gij, of de groot-vizier mij&#8212;wilt trouwen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Daar was het er uit! Arme prinses-uil. &#8217;t Had haar zooveel moeite gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen,
+de Kalif liep verschrikt achteruit en trok zijn&#8217; grootvizier stilletjes aan den vleugel om ook mee te gaan.
+
+</p>
+<p>Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: &#8220;Dat is een leelijk ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet
+jij haar maar tot vrouw nemen, Manzor!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik!&#8221; riep de grootvizier, &#8220;maar dat kunt gij niet meenen, edele heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als
+ik met nog eene tweede vrouw thuis kwam! En dan&#8212;ik ben een oud man en gij, edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers
+opperbest eene mooie jonge prinses tot vrouw nemen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ho, ho! dat is het juist,&#8221; zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de vleugels hangen. &#8220;&#8216;Jong en mooi!&#8217; wie zegt je, dat ze
+jong en mooi is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil, die er als uil nog al aardig uitziet; maar
+een uil is een uil!&#8221;
+<a id="d0e1766"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1766">137</a>]</span></p>
+<p>Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom, de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk
+de grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene
+vrouw thuis te komen, zei de Kalif: &#8220;Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit
+van den Kalif. &#8220;En weet je wat,&#8221; zei ze, &#8220;jullie bent op een gelukkig oogenblik hier gekomen; want ik geloof zeker te weten,
+dat de toovenaars van nacht vergadering houden zullen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken, waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst
+gingen ze door eene lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan &#8217;t eind van de gang door de reten van een ouden muur
+licht. &#8220;Nu doodstil,&#8221; fluisterde de uil. &#8220;Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is vergadering!&#8221;&#8212;Met hun
+drie&euml;n zagen ze nu door de opening en keken ze in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of pilaren,
+die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel honderd gekleurde lichten. In &#8217;t midden stond eene gedekte tafel,
+met kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel stond eene canap&eacute;, waarop acht mannen zaten. Bijna
+had de Kalif een&#8217; gil gegeven; want in &eacute;&eacute;n van die mannen herkende hij den marskramer, die hem de snuif gegeven had.
+
+</p>
+<p>En nu aan &#8217;t luisteren. De eene toovenaar v&oacute;&oacute;r, de ander na, vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen
+geweest waren. Eindelijk riep er een: &#8220;En nu ik! ik heb zoo&#8217;n prachtige geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar
+even den Kalif van Bagdad en zijn&#8217; grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst werd ik zelf marskramer en toen&#8212;neen,
+maar ik weet mij niet te houden van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op hunne lange ooievaars-beenen
+rondloopen en het woord vergeten zijn, waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!&#8221;&#8212;&#8220;Wat was het voor een woord?&#8221;
+vroeg zijn buurman. &#8220;O, een moeilijk Latijnsch woord, dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!&#8221;
+<a id="d0e1775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1775">138</a>]</span></p>
+<p>Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug
+de duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar.
+Toen hij buiten gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. &#8220;Lieve redster van mijn leven en dat van mijn&#8217; vriend,&#8221;
+zei hij &#8220;ik geef u de verzekering, dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!&#8221;
+
+</p>
+<p>Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon af&#8212;eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was.
+Eindelijk ja, daar kwam de zon boven den horizon. &#8220;Daar is de zon, daar is het oosten!&#8221; riepen ze allen tegelijk. Nu bogen
+de ooievaars de lange halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: &#8221;<i>Mutabor!</i>&#8221; O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken, of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en
+de grootvizier, die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar,
+alsof ze elkaar nog nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen allebei lachend en schreiend bekeek.
+Eene mooie jonge dame stond achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? &#8220;Hoe is het nu, kent ge mij niet meer, prinses-nachtuil?&#8221;
+vroeg ze met eene lieve stem. Toen was de Kalif z&oacute;&oacute; gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een&#8217; uil zoo&#8217;n snoezige
+prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif de trouwbelofte gedaan had! &#8220;O!&#8221; riep hij, &#8220;nu zou ik voor geen geld van
+de wereld willen, dat ik <i>geen</i> ooievaar geweest was!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de Kalif in zijn&#8217; broekzak niet alleen nog de doos met de
+tooversnuif, maar wat beter was&#8212;zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen,
+en toen ging het in vliegende vaart naar Bagdad.
+
+</p>
+<p>Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett&#8217;en, toen hun lieve Kalif daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij
+dood was. En boos, dat ze waren op dien valschen Kalif&#8212;dien Mizra! Ze joegen hem en zijn&#8217; vader, den ouden bedrieger, het
+paleis uit. Toen zei de Kalif: &#8220;Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet in ooievaars, <a id="d0e1790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1790">139</a>]</span>neen, als blinde mollen zul je in den grond leven, dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden en moet
+dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: &#8216;ik wil mol worden!&#8217;&#8212;&#8220;Snuiven en zeggen: &#8216;ik wil mol worden!&#8217;&#8221; riepen alle menschen,
+en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. &#8220;Nu naar het oosten buigen en zeggen: &#8216;Mutabor,&#8217;&#8221; klonk het van alle
+kanten.&#8212;En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen zooveel menschen beginnen! &#8220;Ziezoo,&#8221; zei de Kalif, &#8220;nu
+<span class="corr" title="Bron: ben">zijn</span> jullie een levend voorbeeld van het spreekwoord: &#8216;Die voor een ander een&#8217; kuil graaft, valt er zelf in!&#8217;
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw, de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als
+de grootvizier hun &#8217;s middags aan de thee een bezoek bracht. Dan babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren,
+de beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij
+dan met stijve beenen de kamer op en neer, maakte met zijn&#8217; mond een klepperend geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels
+waren, en deed den grootvizier na, zooals hij naar &#8217;t oosten boog en vergeefs: Mu&#8212;Mu&#8212;Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes
+was die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn&#8217; grootvizier z&oacute;&oacute; erg met zijn klepperen en zijn Mu&#8212;Mu-geroep,
+dat de grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: &#8220;Pas op maar, pas op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met
+elkaar besproken hebben voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil woonde.&#8221; Dan kleurde Kalif, en
+dan was hij zoo stil als een muisje, want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord willen hebben, wat hij
+daar van prinses-uil gezegd had.
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e1799"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Onder den Tooverboom.</h2>
+<p>&#8217;t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een&#8217; vader en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal gezellig
+aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en glaasjes.
+&#8220;Klaar! beginnen!&#8221; roept Frits en neemt al vast <a id="d0e1804"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1804">140</a>]</span>een grooten hap van zijne boterham. &#8220;Ho!&#8221; zegt Mina, &#8220;eerst moet ik zusjes broodje nog in kleine boterhammetjes snijden.&#8221;
+En &#8220;niet soppen Zus,&#8221; zegt ze &#8220;geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven.&#8221; Vader heeft de krant neergelegd en smult
+in een geurig kopje thee, en kleine Wim waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje &#8220;bo&ocirc;m, bo&ocirc;m,&#8221; wat boterham
+beduiden moet.
+
+</p>
+<p>Ja, &#8217;t was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie&#8217;s huis. Maar waar was Nellie zelf? Ja&#8212;Nellie was er niet. E&eacute;n bordje
+stond te wachten, en dat was het bordje van Nellie. &#8220;Waar blijft Nellie?&#8221; vraagt Moeder. &#8220;Ik weet het niet,&#8221; zegt Clara, &#8220;ze
+is dadelijk na mij opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar beneden ging.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Waar zit ze dan weer,&#8221; bromde Vader verdrietig, &#8220;ga eens kijken.&#8221; &#8220;Nellie zoeken, Nellie zoeken!&#8221; kraaiden de jongens, en
+ze sprongen van den stoel op. &#8220;Neen, gekheid,&#8221; zei Moeder, &#8220;jullie blijft zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie
+dadelijk hier komt, klaar of niet klaar.&#8221; Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met Nellie, die zich half mee liet trekken.
+En geen wonder! Hoe moest Nellie zich laten zien! E&eacute;n arm in, &eacute;&eacute;n arm uit het nachtjaponnetje, &eacute;&eacute;ne vlecht in het haar, den
+kam in de eene en&#8212;een vertelselboek in de andere hand.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zoo,&#8221; knorde Vader, &#8220;moest jij weer boterham eten met Roodkapje of Kleinduimpje?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kind, kind, weer gelezen?&#8221; zei Moeder, &#8220;wat is dat toch een verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers,
+die haar uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn &#8220;bo&ocirc;m&#8221; wou hebben, weg en bromde tegen Clara: &#8220;Naar
+kind, waarom heb je me niet geroepen!&#8221; En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel gezellig leek. Ze was wat blij, toen
+ze de boterham op had.
+
+</p>
+<p>Nu naar school. Maar&#8212;waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond
+onder de tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo graag hare vertelling uit wou lezen. Later had
+ze &#8217;t vergeten. Gauw! de anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even &#8220;Bij Saartje,&#8221; in haar <a id="d0e1818"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1818">141</a>]</span>tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu &#8217;t andere boek in de linnenkast gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar
+de andere meisjes zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag
+er niet veel van. Ze was zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, was zoo mooi. &#8221;&#8217;k Wou, dat ik nu
+eens wist, wat Paul daar boven op dien berg vond, dat zoo klopte,&#8221; dacht ze. En&#8212;ik moet toch zien, dat ik het boek van Moeder
+terug krijg.
+
+</p>
+<p>De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook
+dadelijk van buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen&#8217; zin in. En wat deed ze nu? &#8217;t Was meer
+dan erg! Stilletjes sloeg ze het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De juffrouw merkte gauw, dat ze
+niet met hare gedachten bij de sommen was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: &#8220;Wat heb jij
+er uit, Nellie?&#8221;&#8212;&#8220;Twee honderd!&#8221; hoorde Nellie in de buurt fluisteren. &#8220;Twee honderd!&#8221; riep Nellie. &#8220;Wat twee honderd, waarvan
+twee honderd?&#8221; vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, riep:
+&#8220;Twee honderd vingers!&#8221; De geheele klasse barstte in lachen uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden,
+&#8217;t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. &#8220;Kind, kind, waar heb je je gedachten weer,&#8221; zuchtte ze. &#8220;Kom eens
+hier bij mij staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor bent.&#8221; Nellie stond op. Plof! daar viel wat.
+&#8220;Breng eens hier, wat daar valt!&#8221; zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, &#8217;t hoofd gebogen, stapje voor stapje: het vertelselboek
+in de hand. &#8220;Zoo,&#8221; zei de juffrouw, &#8220;wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, hoe is &#8217;t mogelijk! En als je
+je best doet, kun je nog wel zoo aardig rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten
+staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch
+al te erg. &#8220;Ik moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg,&#8221; dacht ze. Maar hoe? Er om vragen? Ze <a id="d0e1824"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1824">142</a>]</span>wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat dan? Ze zou zien, dat ze &#8217;t stilletjes uit de linnenkast nam. Ze kon nu eenmaal
+niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een
+middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze &#8217;t boek zien te krijgen.
+
+</p>
+<p>Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de
+heele la er uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. &#8220;Foei!&#8221;
+zei Moeder boos, &#8220;nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de linnenkast op slot doen?&#8221; En Moeder kreeg
+de tranen in de oogen.
+
+</p>
+<p>Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die
+Nellie. Ze kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes
+haar graag tot vriendinnetje hadden, als&#8212;als ze maar geen &#8220;mooi boek&#8221; had, zooals ze &#8217;t noemde. Als ze dat had, dan kon de
+heele wereld haar niets meer schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze alles. Dan liet ze Clara
+alleen op de kleintjes passen en vergat ze, Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee zoolang,
+tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen
+en met slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen,
+zoodat ze zich vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf en verbeeldde ze zich, dat niemand van
+haar hield, en dat het toch heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze las. Dan dacht ze soms: &#8220;h&egrave;,
+als ik nu eens geen kind van Pa en Moe was, maar een kind van een&#8217; koning: een prinsesje! En als dan de koning mij kwam halen
+in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik
+was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan
+de armen zou ik eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen dag op eene canap&eacute; in eene blauw zijden
+jurk zitten lezen, lezen!<span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> En als Nellie <a id="d0e1833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1833">143</a>]</span>dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam of zoo, dan dacht ze: &#8220;zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen
+wezen, en z&oacute;&oacute; zijn ze nu voor mij.&#8221; En als Moe eens zei: &#8220;Kind, kun je nu dat &eacute;&eacute;ne niet voor me doen, dat je wat minder leest?&#8221;
+dan deed Nellie haar best niet, om het boek eens een&#8217; keer te laten liggen, maar dan dacht ze: &#8220;kijk, daar heb je &#8217;t weer!
+Moe meent altijd, dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of roovers.&#8212;Als er roovers kwamen&#8212;ik zou
+ze allen in huis beschermen en redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen wel zeggen: &#8216;die Nellie
+was toch een best kind; jammer, dat niemand dat ooit begrepen heeft.&#8217;&#8221; En Nellie kreeg de tranen in de oogen van medelijden
+met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten.
+
+</p>
+<p>Maar&#8212;er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon dus voor niemand iets doen, dan&#8212;dat &eacute;&eacute;ne; maar daaraan dacht
+ze niet. Ze dacht aan niets, dan aan de fee&euml;n en menschen in de boeken, die ze las, en aan <i>wat</i> ze zou lezen en <i>waar</i> ze zou lezen. <i>Waar</i>, ja&#8212;daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was een gezellig pri&euml;el, maar daar kon ze nooit rustig zitten.
+Dan kwamen de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: &#8220;O, daar heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?&#8221;
+Of Clara kwam er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, juist als ze aan zoo&#8217;n prachtig gedeelte
+was&#8212;o, neen, ze moest heel alleen wezen, dan las ze het prettigst.
+
+</p>
+<p>Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door
+een gat in de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere zij van de schutting stond een oude, een heel
+oude boom, en onder dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En &#8217;t mooist van alles was: ze kon er veilig
+zitten; want de buurman was &#8217;s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus ook niemand in den tuin. O,
+&#8217;t was een heerlijk plekje daar: net een boom uit een groot diep bosch, uit zoo&#8217;n bosch, als er altijd in de vertellingen
+was, zoo&#8217;n tooverbosch. &#8221;&#8217;t Zou je niet eens zooveel verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam zetten,&#8221;
+dacht Nellie wel eens.
+<a id="d0e1848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1848">144</a>]</span></p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; dag, of liever op een&#8217; zomeravond zat Nellie ook weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk
+met een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, die haar weer beknord had over hare leeswoede. &#8220;Je zult
+het er nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit,&#8221; had Moeder gezegd. &#8220;Dan kun je in je leerboeken lezen,
+zooveel als je wilt.&#8221;&#8212;&#8220;Och, ja,&#8221; dacht Nellie met een&#8217; zucht, &#8220;wie weet, of ik nu niet voor &#8217;t laatst in een sprookjesboek
+lees, en ik hou&#8217; toch zoo dol veel van sprookjes. En&#8212;kwaad is er immers niet bij, anders zou de juffrouw op school ook geene
+sprookjes vertellen. Wat is het toch naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik toch eigenlijk een
+ongelukkig kind.
+
+</p>
+<p><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook gebleven? O, ja, &#8217;k was juist met &#8216;De drie wenschen&#8217; begonnen.
+Die malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten,
+wat ik wenschen wou. H&egrave; ja, als er eens eene fee kwam! als....&#8221; en Nellie sloeg de oogen uit het boek en keek droomend in
+&#8217;t rond. Daar op eens werd het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep ze de oogen dicht, en toen
+ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, toen&#8212;stond er&#8212;neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar in dat doorzichtige
+gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat zilveren tooverstafje in de hand&#8212;dat was eene tooverfee!
+
+</p>
+<p>Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene glasheldere stem haar aansprak:
+
+</p>
+<p>&#8220;Zie je wel, dat de fee&euml;n nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand,
+die heel erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, spreek nu een&#8217; wensch uit. Door een&#8217; slag met
+mijn&#8217; tooverstaf kan ik je geven, wat je hart begeert.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nellie, Nellie, pas op&#8212;nu komt het er op aan. Maar &eacute;&eacute;n wensch! Wat zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin?
+Een&#8217; mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch zoo&#8217;n zin in taartjes, en net wou ze zich een&#8217; schotel
+met taartjes wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich eene worst gewenscht <a id="d0e1863"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1863">145</a>]</span>had. Gelukkig&#8212;daar kreeg ze eene verstandige gedachte. &#8220;Machtige fee!&#8221; zei ze, &#8220;geef me, als &#8217;t U blieft, Uw&#8217; tooverstaf en
+maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik uitspreek.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke
+stem: &#8220;Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar&#8212;ik wil voor een jaar je zin doen&#8212;we zullen zien, of de staf je &#8217;t geluk brengt,
+waarnaar je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb je maar met het staf je op den grond te slaan en&#8212;.
+je wensch is vervuld. Maar &eacute;&eacute;n ding moet je weten: je kunt je alleen <i>zichtbare</i> dingen wenschen. En&#8212;mondje dicht&#8212;niemand mag weten, dat ik bij je geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb.&#8221; Toen de
+<span class="corr" title="Bron: vriendlijke">vriendelijke</span> fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie&#8217;s oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de
+fee weg, maar&#8212;het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn!
+Daar dacht ze weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen
+vervuld krijgen. Taartjes dus&#8212;neen&#8212;ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had &#8217;s middags zoo weinig gegeten van de grauwe
+erwten, waar ze niet van hield. &#8220;Een chocol&acirc;pudding dan!&#8221; riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den grond. Kijk,
+daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het
+heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis te gaan; &#8217;t werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje
+onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis.
+
+</p>
+<p>In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. &#8217;t Heele huisgezin zat, onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. &#8220;Kom,
+Nellie,&#8221; zei Clara, &#8220;hier is je bordje,&#8221; maar Nellie had geen&#8217; lust meer in zure melk na &#8217;t eten van den pudding: ze bedankte.
+&#8220;Hoe is &#8217;t mogelijk,&#8221; riep Clara, &#8220;lust je geen zure melk, en ik meende nog wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!&#8221;&#8212;&#8220;Ik heb
+er van avond geen&#8217; lust in,&#8221; zei Nellie. &#8220;Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij de eene of andere fee,&#8221; zei Theodoor.
+&#8220;Ja, jongetje,&#8221; dacht Nellie, &#8220;je moest ook maar eens weten, wat ik weet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. &#8220;Kom, Nellie,&#8221; zei Moeder, <a id="d0e1877"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1877">146</a>]</span>&#8220;help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!&#8221; Maar daar riepen al de kinderstemmetjes: &#8220;Niet met Nellie!&#8221;&#8212;&#8220;Ik
+met Clara!&#8221;&#8212;<span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden,&#8221; bromde Nellie. &#8220;Dat komt, doordat je ze bij &#8217;t helpen nooit eens aardig
+aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,&#8221; zei Moeder.
+
+</p>
+<p>Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie
+wou maar liever in bed gaan. Ze voelde, dat je van fee&euml;npudding ook te veel kon eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag
+onder de dekens en droomde van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu krijgen kon.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor
+het geld, dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier
+in, uit hun eigen mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten ze dan op dien dag een groot wittebrood
+zelf brengen. Nellie had ook altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; maar nu&#8212;ze schoof hare sneetjes
+ongemerkt op zij en deed de meeste melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat beters krijgen. Toen de
+andere kinderen de schooltasschen in orde maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met haar tooverstafje
+op den grond. &#8220;Chocolade met beschuitjes!&#8221; riep ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en een bordje
+met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan &#8217;t smullen, toen het negen uur sloeg&#8212;de kop verdween gelukkig&#8212;de overige beschuitjes
+stopte ze in de schooltasch, en toen&#8212;ja toen ze de schooltasch zag, schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had
+hare les te leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd kwam. Maar&#8212;daar bedacht ze, dat de fee
+gezegd had: alleen <i>zichtbare</i> dingen&#8212;dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de fee&euml;n, die voor haar eigen gebruik een&#8217; tooverstaf had,
+die dus veel machtiger was, dan alle groote menschen&#8212;nu moest diezelfde Nellie verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord
+werd, omdat ze hare les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, was hare eerste gedachte: de tooverstaf!
+Gelukkig, nu kon ze zich weer wat wenschen en <a id="d0e1889"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1889">147</a>]</span>haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten
+en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En het kwam&#8212;met een prachtigen band en beeldige platen.
+Neen, maar, wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en al de leerboeken laten staan. Ze zou nu
+altijd wel een hoekje vinden, waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren.
+
+</p>
+<p>Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk
+dadelijk vragen: &#8220;Hoe kom je aan die jurk?&#8221; of &#8220;h&eacute;, wat heb jij daar voor een&#8217; hoed op?&#8221; Eens had ze zoo&#8217;n lust eens te zien,
+hoe mooi ze zich wel zou kunnen maken. Ze ging onder den fee&euml;nboom en wenschte zich daar een keurig pakje. Neen, maar zoo
+iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar ze had er toch het
+rechte plezier niet van&#8212;ze was in voortdurenden angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was &#8217;t misschien uit met de heerlijkheid.
+Ook&#8212;&#8217;t was zoo vervelend&#8212;Moeder merkte, dat ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze dus nog minder
+dan anders op haar heerlijk fee&euml;nplaatsje gaan.
+
+</p>
+<p>Soms&#8212;ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee
+krijgen. Dan begreep ze, dat er toch ook zooveel &#8220;onzichtbaars&#8221; was, dat ze zich wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag
+eens geprezen zijn door Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis kwam. Of ze benijdde Clara, die een
+mooi handwerkje af had en dat aan Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor leerde ze hare lessen
+te slecht en was ze te weinig met de gedachten er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan toe&#8212;ze
+had altijd een of ander boek te lezen, dat &#8220;zoo noodig&#8221; uit moest. Dan dacht ze wel eens: &#8220;ik wil toch ook beter leeren;&#8221;
+maar een oogenblik later was het weer: &#8220;och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen
+behoef ik later ook niet.&#8221; En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde het Nellie erg, dat ze een geheim voor
+Vader en Moeder had. &#8217;t Was net, of ze niet zoo prettig en vrij meer <a id="d0e1895"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1895">148</a>]</span>met hen praten kon, en soms was ze maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder op eens binnen kwam.
+En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo ongezellig gevonden.&#8212;Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als er
+een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder op chocol&acirc; of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit
+eens meer blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes
+en zusjes dan jubelden van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een zakmes. Zijn vriendje had er zoo&#8217;n mooi, hij wilde er zoo graag
+ook een. &#8220;Neen, mijn jongen,&#8221; zei Vader, &#8220;zakmessen koopen, dat gaat maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag.&#8221;
+En toen Frits een&#8217; pruilmond zette, zei Vader: &#8220;Je moet ook ontberen leeren, ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet
+krijgen kunt, en dat is maar goed ook. Anders zou je gauw &#8217;t plezier van de mooie dingen af hebben. Er moet iets te wenschen
+overblijven.&#8221; De kleur sloeg Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat ze alles kon krijgen, wat haar
+hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar&#8212;dat zou toch al te gek wezen.
+Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en&#8212;ja, wat niet al. En van dat alles
+niets te nemen, als je &#8217;t maar zoo krijgen kon! Neen, hoor!
+
+</p>
+<p>E&eacute;n ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld
+mooi een mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar&#8212;dan zou Frits zeggen: &#8220;Hoe kom je aan dat mes?&#8221; en als Frits het
+niet deed, zouden Vader en Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld niet hebben kon. En ze mocht
+haar mooie geheim immers niet verklappen.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; Zaterdagavond&#8212;&#8217;t was juist Nellie&#8217;s beurt, om het brood naar &#8217;t arme huisgezin te brengen&#8212;kwam ze niet ver van
+het arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en toen&#8212;ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar
+beursje, dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en stopte den kleinen Jacob een&#8217; gulden in de hand.
+&#8220;Ziezoo,&#8221; zei ze, met een trots-klinkend stemmetje, &#8220;arme jongen, dat is voor jou.&#8221;
+<a id="d0e1903"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1903">149</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Voor mij?&#8221; vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde oogen aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei Nellie, &#8220;daar kun je eens een prettigen dag voor hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoera!&#8221; riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het brood op de straat viel.
+
+</p>
+<p>Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. &#8220;Dat
+doe ik eens weer,&#8221; dacht ze. &#8220;Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik
+toch vreemde menschen gelukkig maken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie!
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten,
+&#8217;t Was de vader van Jacob. &#8220;Ach, lieve Mevrouw,&#8221; zei hij, &#8220;U bent altijd zoo goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar;
+maar ik heb toch een <span class="corr" title="Bron: vriendlijk">vriendelijk</span> verzoek aan U. Als U ons weer zoo&#8217;n groot present in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij zelf.
+Jacob ....&#8221; meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon bitter te schreien.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik begrijp U niet,&#8221; zei Nellie&#8217;s moeder, &#8220;een groot present in geld&#8212;en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld
+gegeven!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ja,&#8221; zei de man, &#8220;gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene van de jongejuffrouwen hem toch een&#8217; gulden gegeven.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat kan niet waar wezen,&#8221; zei Nellie&#8217;s moeder, &#8220;zooveel geld zou ik niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder.
+Bovendien geef ik kinderen nooit zooveel geld op eens.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat is toch vreemd,&#8221; zei de man, &#8220;en Jacob vertelt het mij. En toen is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en
+die zei: &#8216;Weet je wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.&#8217;&#8212;&#8216;Ja,&#8217; zegt mijn jongen, &#8216;daarvoor heeft de
+jongejuffrouw mij den gulden eigenlijk ook gegeven.&#8217; En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, Mevrouw, &#8217;t is zonde van
+&#8217;t geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, sigaren en zoo&#8217;n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De sigarenkoopman
+haalt er een&#8217; agent bij en zegt: &#8216;Hoe zouden die jongens <a id="d0e1927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1927">150</a>]</span>aan zooveel geld gekomen zijn!&#8217; En toen, o, Mevrouw,&#8221; snikte de arme man, &#8220;toen werd me de jongen door een&#8217; agent thuis gebracht,
+ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat
+dit alles gebeurd is.&#8221; Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk bang, dat het uit zou komen, dat
+zij de oorzaak van al die ellende was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog zeggen, dat zij ook
+niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld was gekomen; maar dat &eacute;&eacute;n van haar kinderen ook onmogelijk het geld gegeven
+kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn.
+
+</p>
+<p>Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen
+had. Die arme Jacob voor een&#8217; dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet
+zoo gelukkig met het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in &#8217;t geheim te genieten, altijd, alsof
+ze iets kwaads deed. En altijd all&eacute;&eacute;n plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan&#8212;de fee had haar toch wel heel
+lief gevonden, anders zou die niet haar alleen een&#8217; tooverstaf gegeven hebben, en in huis was &#8217;t, of niemand haar lief had.
+Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed
+genoeg. &#8220;Maar&#8212;wat ben ik toch dom!&#8221; dacht Nellie op eens. &#8220;Ik kan mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die
+menschen, die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar nu niet eerder aan gedacht heb! Maar&#8212;Moeder
+en Vader verlaten en al de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara is altijd de beste. Misschien,
+als ik weg ben&#8212;dat ze dan nog wel een beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken zullen, dat ze iets
+om mij geven.&#8212;Ik doe het&#8212;ik ga morgen een ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn.&#8221;&#8212;Met die gedachte ging Nellie in
+bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder &#8217;s avond laat, v&oacute;&oacute;r ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging,
+om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een&#8217; nachtkus te geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon
+haar hartje zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet aan <a id="d0e1931"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1931">151</a>]</span>ging doen. &#8220;Maar&#8212;kom,&#8221; dacht ze, &#8220;Moeder houdt nog kinderen genoeg over. Morgen&#8212;morgen zal er een heerlijk leventje beginnen.&#8221;
+
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was morgen&#8212;Nellie&#8217;s broertjes en zusjes gingen naar school&#8212;Nellie niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte
+zich nu, om onder den fee&euml;nboom te komen. &#8220;Ik moet gauw wezen,&#8221; dacht ze, &#8220;anders komt er zoo meteen eene boodschap van de
+school, waar Nellie blijft, en gaat Moeder mij zoeken.&#8221; Daar was ze gelukkig, waar ze wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar
+tooverstaf op den grond en fluisterde met een kloppend, half bang hartje: &#8220;Ik wensch me een mooi plekje ver van hier, waar
+ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter en dichter werd de mist, &#8217;t was, of er een sluier voor
+Nellie&#8217;s oogen hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel&#8212;nu kon ze ook bijna niet meer hooren&#8212;ze wist
+niet meer, waar ze was en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst hoorde ze geluiden uit de verte&#8212;toen
+kon ze weer zien, en wat wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn&#8212;eene blauwe lucht, groene weiden, groene boomen en toen&#8212;o,
+dat was nog mooier, dan ze zich iets wenschen kon&#8212;vlak v&oacute;&oacute;r haar aan &#8217;t eind van de groene weide tusschen de groene boomen
+een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In &#8217;t midden eene breede marmeren
+trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk,
+met rondom ramen, die in den tuin uitzagen.
+
+</p>
+<p>En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen
+van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in
+de lucht sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.&#8212;En dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke
+bank en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen
+en kwinkeleerden z&oacute;&oacute; mooi, dat je wel moest <a id="d0e1941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1941">152</a>]</span>blijven staan luisteren, of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde hier en bewonderde daar, tot ze
+op eens bedacht, dat ze nog maar &eacute;&eacute;ne kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan &#8217;t bewonderen. Naast
+de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een heerlijk ontbijt klaar stond met chocol&acirc; en gelei en ja&#8212;van alles wat maar lekker
+was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!&#8212;Maar Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al op
+naar boven. Neen maar, die slaapkamer! &#8217;t Leek wel, of er eene prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd
+hoofdkussen en gordijnen&#8212;rozerood met witte lelietjes! Verder weer eene speelkamer met de snoezigste poppen.&#8212;Een verder allerlei
+mooi speelgoed. En&#8212;&#8217;t laatste &#8217;t beste! Eene leeskamer met boekenkasten, vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke
+kanapeetjes, om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit
+behoefde ze bang te zijn, dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze&#8212;lezen zooveel en zoolang, als ze wou, in al
+die mooie boeken, en nooit behoefde ze bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: &#8220;Zit je daar al weer met een boek?
+Doe toch ook eens iets anders dan lezen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten
+en toen in een kanapeetje aan &#8217;t lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het
+kwinkeleeren van de vogels. Toen &#8217;t middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was niet te zien. Nellie ging zoeken: daar
+zag ze in de eetkamer eene keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een beetje in den tuin wandelen, een
+poosje met mooie poppen spelen en toen weer lezen, &eacute;&eacute;n van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed&#8212;o, wat een heerlijk bed!
+&#8217;t Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, dat Moeder
+niet naar haar kwam kijken. Maar&#8212;ze viel toch ook gauw in slaap. Ze was moe van &#8217;t genieten van al die heerlijkheden.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen ging &#8217;t weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het toch wel wat stil te vinden. H&egrave;, wat had ze in lang geene
+menschenstem <a id="d0e1947"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1947">153</a>]</span>gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord!
+Maar&#8212;wat was ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op
+de aarde. En zie&#8212;daar stonden zes allerliefste meisjes v&oacute;&oacute;r haar, even oud als Nellie zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen:
+ze wist niet, wat ze tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren niets bang. &#8220;Wij heeten Rosa en Bettie
+en Suze en Martha en Emma en Lena,&#8221; zeiden ze. En toen: &#8220;O, wat woon je hier mooi, laat ons toch gauw alles eens zien!&#8221; Toen
+liepen de meisjes met elkaar trap op, trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel kasten met prachtige
+kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig zitten eten
+en lezen en spelen&#8212;o, &#8217;t was een kostelijk leventje.
+
+</p>
+<p>En zoo ging het nu dag aan dag! &#8220;Heerlijk!&#8221; riep Nellie. &#8220;Zoo zal het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen.&#8221; Neen,
+mooier leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene
+breikousen, waar Moeder altijd aan gebreid wou hebben&#8212;geen onvriendelijk gezicht van Moeder. Geen brommen van Vader, geen
+geplaag van de jongens. Alleen &#8217;s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, of ze lag te wachten, dat
+Moe evenals thuis zacht binnen zou komen om haar een&#8217; nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo&#8217;n leventje van plezier,
+dan had Nellie geen&#8217; tijd om aan iets anders te denken.
+
+</p>
+<p>Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf
+ze niet meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat nieuws wenschen, maar &#8217;t eene was toch ook al weer
+even mooi, als &#8217;t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis in den laatsten tijd ook altijd al zoo
+gesmuld: &#8221;&#8217;t Is toch waar, wat Moeder wel eens zei,&#8221; dacht Nellie, &#8220;als je altijd lekker eet, proef je op &#8217;t laatst niet meer,
+dat het eten lekker is, en als je altijd mooi bent, zie je &#8217;t op &#8217;t laatst niet meer.&#8221; En Nellie dacht aan heel lang geleden,
+toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals <a id="d0e1953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1953">154</a>]</span>Vader het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht
+ze dat ook, maar nu mocht ze &#8217;t altijd, en nu verveelde &#8217;t spelen haar wel eens.&#8212;En als er dan een jarig was thuis. Als Vader
+of Moeder jarig waren! Vader in den winter&#8212;dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje spelen, allemaal met
+elkaar, de broertjes en zusjes! En dan &#8217;s avonds om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels opgaf!&#8212;En
+Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in &#8217;t bosch voor
+zoo&#8217;n enkelen keer.&#8212;Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar &#8217;t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen
+waren. Neen&#8212;en dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar &#8217;s morgens in bed een&#8217; krans van madeliefjes opzette
+en allen, allen met bloemen en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze behoefde nu geene cadeautjes
+te hebben: ze kon zich immers alles zelf wenschen; maar&#8212;een cadeautje met liefde gegeven&#8212;dat vond Nellie toch heel wat anders.&#8212;En
+spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk voor haar waren
+en haar in alles den zin deden. Maar dat was het juist&#8212;Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, &#8217;t Was net, of de
+vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo gelijk&#8212;Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de
+broertjes en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was &#8217;t weer vrede; maar nu was &#8217;t altijd zoo saai
+lief en zoet. Soms&#8212;ja soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in haar klein eenvoudig huis&#8212;soms wenschte
+ze, eene gewone boterham thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier.
+
+</p>
+<p>Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van
+Moeder, aan de gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en zusjes. Maar&#8212;heel vroeger waren die allen
+toch niet zoo onaardig tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen. Toen&#8212;ze wist
+het nog heel goed&#8212;toen vond ze &#8217;t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag iets voor anderen, net
+als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje schuld hebben? Maar <a id="d0e1957"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1957">155</a>]</span>kom&#8212;ze had nu zoo&#8217;n mooi leventje&#8212;ze kon zooveel lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar &#8217;t was
+raar, soms was &#8217;t, of ze &#8217;t lezen niet meer zoo prettig vond. Ze las nu ook zooveel. Maar&#8212;ze kon immers ook wel eens een handwerkje
+doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel
+moest breien, en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd in huis ook zoo weinig aan &#8217;t breien
+en naaien gedaan. Als Moeder haar er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar nu wist ze wat moois.
+Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo&#8217;n lust
+in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze
+eens voor den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken.
+Ze kreeg, wat ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken
+maken kon ze niet. Wacht&#8212;ze zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen te maken! Maar&#8212;neen&#8212;&#8217;t was waar
+ook&#8212;dat kon niet&#8212;ze kon alleen zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren moest! Nu&#8212;ze kon leeren.
+Die zes vriendinnetjes wilden haar graag helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, schaamde Nellie
+zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite een
+paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat
+zou Vader in zijn&#8217; schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan
+heel vroeger, toen ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader had de tranen in de oogen gekregen
+toen en haar zijne knappe dochter genoemd. Neen&#8212;handwerkjes maken, daar had Nellie geen&#8217; zin meer in.&#8212;
+
+</p>
+<p>Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis
+met den gulden.
+
+</p>
+<p>Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar <a id="d0e1963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1963">156</a>]</span>wat dan? Och, Nellie wist het niet&#8212;ze wist alleen, dat ze in huis wou leven en nergens liever. Maar&#8212;hoe kan ze ooit weer in
+huis komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze geweest was? En&#8212;zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen
+hebben, nu ze maar zoo van hen weggeloopen was?
+
+</p>
+<p>Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok,
+bleef er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze&#8212;de fee.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?&#8221; vroeg de fee.
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen, o, neen, beste fee,&#8221; riep Nellie. &#8220;Neem den tooverstaf terug, ik begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U,
+geef mij mijn eigen huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar
+bedenk wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in
+de wereld niet gezien. Je kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee....&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets wil ik meer, niets!&#8221; riep Nellie: &#8220;Als ik plezier zal hebben, wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan
+leven bij allen, die ik lief heb.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen zwaaide de fee den tooverstaf: &#8217;t was of er een hevig onweer opkwam, alles draaide om Nellie. &#8217;t Was, of ze met kasteel
+en al in een&#8217; afgrond stortte&#8212;ze hoorde en zag niets meer.....
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze&#8212;in de lieve trouwe oogen van hare moeder.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, Moeder, lieve Moeder,&#8221; zei Nellie met een zwak stemmetje, &#8220;waar ben ik toch?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;In je eigen bed, liefje,&#8221; zei de moeder, en ze streelde Nellie de heete wangen. &#8220;Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent.
+Je hebt ons zoo angstig gemaakt.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben je <a id="d0e1989"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1989">157</a>]</span>onder een&#8217; boom gevonden in den tuin van den buurman met eene hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al
+dien tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en een tooverstafje, en ik weet niet wat al.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was of Nellie een steen van &#8217;t hart viel bij die woorden van Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang,
+en in de koorts had ze alles&#8212;gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest&#8212;o, hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder
+dat verdriet niet had aangedaan.
+
+</p>
+<p>Daar stak Theodoor zijn&#8217; krullebol om den hoek van de deur en fluisterde: &#8220;Slaapt ze nog, Moeder?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ze is wakker en al een beetje beter,&#8221; zei Moeder, &#8220;maar st! rustig blijven, hoor!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door
+de gang: &#8220;Nellie is wakker, Nellie is wat beter!&#8221;
+
+</p>
+<p>Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder
+aan. En ze pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: &#8220;Ben ik wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch
+ook wel een beetje lief?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief,&#8221; zei Moeder. &#8220;Maar ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet
+meer.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met den dokter binnen. &#8220;Kom,&#8221; zei de dokter, &#8220;eindelijk de
+oogen open. En wat kijk je vroolijk.&#8221; En toen den pols voelende: &#8220;nog zwakjes, maar dat kan niet anders na zoo&#8217;n langdurige
+koorts. Ze heeft de ziekte zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan allerlei boekeverhalen, en
+dan dat kou vatten na &#8217;t inslapen onder dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van beterschap, nu maar
+veel gebruiken en rustig wezen en&#8212;vooral niet lezen! Geene boeken geven!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Nooit boeken weer!&#8221; riep Nellie. &#8220;Als ik weer beter ben, ga ik al mijne mooie boeken verbranden.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ho, ho, wat,&#8221; zei Vader, &#8220;beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken
+heelemaal niet noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, &#8217;t gaat er net mee, als met de mooie <a id="d0e2009"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2009">158</a>]</span>roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel
+willen missen. Maar &#8217;t zou dom zijn op een&#8217; akker alleen bloemen te laten groeien. Die dat deed, zou &#8217;s zomers een prachtig
+veld hebben; maar &#8217;s winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen
+of de prettige boeken weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door moest worden, daar hield ze niet van.
+Maar nu in &#8217;t vervolg zal ze van beide houden, dat weet ik zeker.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe.
+
+</p>
+<p>Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al
+binnen: voorop Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, die zijn&#8217; krakeling van den vorigen dag,
+Zondag, voor Nellie had bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden met roode neuzen en gele pluimen,
+dan kleine Mina, die volstrekt haar mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen maar pas geleden haar
+neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: &#8220;Mim geven!&#8221;
+
+</p>
+<p>Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte
+immers zoo naar verlangd.
+
+</p>
+<p>Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen,
+van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als
+Nellie dan ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen
+in de oogen en waren ze met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond gezonken was.
+
+</p>
+<p>Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden
+voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel en hield vroolijke praatjes met den een en den ander.
+Op school werd ze weer een van de beste leerlingen. En lezen&#8212;ja lezen deed ze veel, maar niet <i>te</i> veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat uit leeren <a id="d0e2024"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2024">159</a>]</span>kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes,
+die ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en
+Moeder gebruikte. Nu begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan.
+
+</p>
+<p>Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat &eacute;&eacute;ne,
+dat groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een
+tevreden knikje van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten haar het leven in huis zoo gelukkig, dat
+ze haar eigen huis voor het mooiste kasteel uit de fee&euml;nwereld niet had willen missen.
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2028"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Het betooverde Horloge.</h2>
+<p>Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.&#8212;O, dan had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je.
+Of&#8212;ze was te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je wel, dat er in haar huis geene klokken waren.
+Of&#8212;nog mooier&#8212;dat ze geen&#8217; mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette
+het meisje, kon best op de klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers, in de keuken, in de gang,
+overal! En een mond, om te vragen? Neen, maar, nu moet ik lachen!
+
+</p>
+<p>Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och,
+ze keek eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat&#8212;het haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed
+alles&#8212;niet wanneer het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd te laat op. Ze treuzelde bij &#8217;t aankleeden.
+Ze kwam te laat aan &#8217;t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs
+te laat op de visite.&#8212;En nooit dacht ze: &#8220;O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken: daar doe ik Vader of de juffrouw
+of mijne <a id="d0e2035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2035">160</a>]</span>vriendinnetjes plezier mee.&#8221; Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.
+
+</p>
+<p>Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader
+kon niet altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis, en als hij thuis was, moest hij meest op zijne
+studeerkamer zitten werken. Zoo had hij geen&#8217; tijd, om veel op zijn kind te letten, geen&#8217; tijd, om haar telkens te zeggen,
+hoe onaardig en&#8212;dom ze deed.
+
+</p>
+<p>Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.&#8212;Waar had ze bleeke wangen van? Wel, van &#8217;t late opstaan en &#8217;t
+late naar bed gaan.&#8212;Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat
+was!&#8212;Op de visite lachten de vriendinnetjes haar uit en noemden haar &#8220;Juffertje Te Laat.&#8221;&#8212;En als ze groote menschen op zich
+wachten liet, zeiden ze allemaal: &#8220;Foei, wat een onbeleefd kind! &#8217;t Is te hopen, dat ze die leelijke gewoonte nog afleert,
+eer ze groot is.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, &#8217;t was te hopen; maar&#8212;het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter, maar ze bleef &#8220;Juffertje Te Laat!&#8221; Toen ze al geen jongejuffrouw
+meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min aan de klok.
+
+</p>
+<p>Hilda&#8217;s vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor
+den koetsier en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij
+slecht weer!
+
+</p>
+<p>Als iemand haar nu gezegd had: &#8220;Hilda, denk toch aan dien armen koetsier en die stumpers van paarden,&#8221; ja, dan zou ze zich
+uit medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar&#8212;er was niemand, die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht
+ze aan zulke dingen nooit.
+
+</p>
+<p>Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken.
+Eindelijk kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet,
+dat het haar speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam, als ze lust had, en daarmee uit.
+<a id="d0e2049"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2049">161</a>]</span></p>
+<p>Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest
+om uit te gaan, dan treuzelde ze &#8217;k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten
+en laden en doosjes, waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon voor, de andere na, eer ze er eene
+koos, om aan te doen. Dan stond ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare kleeren. En als ze dan
+eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.
+
+</p>
+<p>Soms zei ze wel eens: &#8220;Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo erg niet. &#8217;k Heb ook zoo&#8217;n slecht geheugen, &#8217;k vergeet
+altijd op de klok te kijken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het w&egrave;l erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen
+zier, dat kun je wel begrijpen.
+
+</p>
+<p>Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er met Juffertje Te Laat gebeurde.
+
+</p>
+<p>Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel
+van haar petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet
+van haar verteld. Maar de fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een lief meisje zou zijn, als ze
+dat &eacute;&eacute;ne groote gebrek maar niet had. &#8220;Ik wou toch,&#8221; dacht de fee dikwijls, &#8220;dat ik Hilda kon leeren begrijpen, hoeveel verdriet
+en last ze een ander doet en&#8212;hoeveel verdriet ze er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat.&#8221;
+
+</p>
+<p>De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders,
+dat onaardig was. Maar dat op &#8217;t laatst iedereen haar petekind &#8220;Juffertje Te Laat&#8221; noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg.
+Dat kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene minuut te vroeg of te laat. &#8220;Twaalf uur,&#8221; zei ze
+dikwijls, &#8220;dat is niet vijf minuten v&oacute;&oacute;r twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf uur is twaalf uur.&#8221; Nooit liet ze dan
+ook iemand wachten; maar ze kon evenmin verdragen, dat iemand haar <a id="d0e2062"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2062">162</a>]</span>wachten liet.&#8212;Daarom noemden de menschen haar voor de aardigheid &#8220;Mevrouw Op Tijd.&#8221;
+
+</p>
+<p>En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.&#8212;Op
+een goeien dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan: &#8220;Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline"><span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Je je liefhebbende peettante.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De volgende dag kwam, en &#8217;t werd twaalf uur, dat was in dien tijd voor de meeste menschen het uur van &#8217;t middageten, &#8217;t Werd
+twaalf uur&#8212;en bij den eersten slag stond ook al &#8217;t rijtuig van de fee &#8220;Op Tijd&#8221; voor Hilda&#8217;s deur. Bij den twaalfden slag
+stapte ze de eetkamer binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte tafel&#8212;daar had de knecht voor
+gezorgd&#8212;maar geene Hilda, om hare peettante op te wachten en te verwelkomen!
+
+</p>
+<p>&#8220;Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat,&#8221; bromde de fee. &#8221;&#8217;t Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen.&#8221;
+En verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.
+
+</p>
+<p>Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis, en ze wist toch, dat de fee komen zou!&#8212;
+
+</p>
+<p>Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten, dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken.
+Ze had haar al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.
+
+</p>
+<p>Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.&#8212;Nelly wist niet wat ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor
+zich zag staan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Heerlijk, dat je komt,&#8221; riep ze vroolijk, <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>nu kun je me meteen helpen uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en mantels, om uit te kiezen. Kun
+je een poosje blijven? Dan maken we samen de doozen open.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!&#8212;Het
+duurde geene tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en deksels, vol hoeden en mantels.
+
+</p>
+<p>Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen <a id="d0e2090"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2090">163</a>]</span>en Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te denken. &#8217;k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen,
+dat Hilda uur en tijd bij &#8217;t mooie spelletje vergat. &#8217;t Werd elf uur, &#8217;t werd twaalf uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker
+niet meer aan hare peettante, die zou komen eten.&#8212;&#8217;t Werd half &eacute;&eacute;n, kwart voor &eacute;&eacute;n, en nog waren de meisjes bezig, alsof er
+niets beters op de wereld te doen viel.
+
+</p>
+<p>Eindelijk tegen &eacute;&eacute;n uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen: &#8217;t was etenstijd.&#8212;&#8220;O wee, al &eacute;&eacute;n uur!&#8221; riep Hilda, &#8220;en wij
+eten om twaalf en...&#8212;&#8217;t is waar ook: mijne peettante zou komen eten.&#8221;&#8212;Toen gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis.
+Maar die mooie winkels onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor stilstaan. Te laat was het toch&#8212;wat
+kwam het er eigenlijk ook opaan, of nog &#8217;t een kwartiertje later werd!&#8212;
+
+</p>
+<p>Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde, dat Hilda&#8217;s peettante er al lang was.
+
+</p>
+<p>De goede fee was van &#8217;t lange, vervelende wachten op &#8217;t laatst in slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten;
+want Hilda&#8217;s vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.&#8212;Daar op eens ging de deur open en Hilda trippelde haastig naar
+binnen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dag, mijne lieve, beste peettante,&#8221; riep ze, &#8220;o, ik durf U haast niet aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten
+wachten. Wat zult U toch wel van me gedacht hebben!&#8221;&#8212;Nu, de fee was te goedhartig om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht
+had. Ze zei alleen: &#8220;Nu, als &#8217;t je maar spijt, kindlief, dan is &#8217;t ook goed.&#8212;Maar zeg eens: hoe laat is &#8217;t eigenlijk, ik heb
+een poosje geslapen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. &#8220;O, lieve peettante,
+vraag me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken,&#8221; zei ze.&#8212;&#8220;Meisje, meisje,&#8221; dacht de fee, &#8221;&#8217;t is nog erger met je,
+dan ik meende. Je wilt je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof
+ze er niet veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo liep alles veel prettiger af, dan Juffertje
+Te Laat wel gedacht had.
+<a id="d0e2104"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2104">164</a>]</span></p>
+<p>Na &#8217;t eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje.
+De tijd vloog om: &#8217;t was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.
+
+</p>
+<p>Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt open en&#8212;Hilda&#8217;s vader komt haastig binnen. Nog met den
+deurknop in de hand roept hij: &#8220;Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar, om mee te gaan?&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan
+hij zijne oogen haast niet gelooven. &#8220;Maar heb ik nu van mijn leven,&#8221; riep hij, &#8220;heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?&#8221;&#8212;&#8220;Uw
+briefje, beste Papa?&#8221; zei Hilda met een onschuldig gezicht. &#8220;Zeker heb ik dat gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne
+peettante er is!&#8221;&#8212;Neen, dat had Hilda&#8217;s vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd boog hij nu voor de fee en
+zei: &#8220;Ik hoop maar niet, dat U &#8217;t me erg kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat kind! Ik zal
+er nog grijze haren van krijgen, zoo&#8217;n verdriet heb ik van haar.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?&#8221; vroeg de fee.&#8212;&#8220;Ik zal &#8217;t U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen,
+hoe U zoo iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een uurtje van hier woont, heeft ons van avond
+op een feest genoodigd. Eene groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den prins noodzakelijk spreken.
+In eene heel gewichtige zaak zou ik graag zijn&#8217; raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de prins heeft het verbazend
+druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.&#8212;U kunt denken, hoe blij ik
+daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk, eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu
+wel een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda, dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te
+zijn. Dan zou het rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom en denk natuurlijk, dat Hilda al kant
+en klaar op me zit te wachten en&#8212;z&oacute;&oacute; vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: &#8217;t rijtuig kan ieder oogenblik v&oacute;&oacute;r zijn, en
+we kunnen den prins toch niet laten wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen&#8217; raad.&#8221;
+<a id="d0e2113"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2113">165</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?&#8221; vroeg nu Hilda heel bedaard, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat?&#8221; riep de vader, rood van boosheid, &#8220;alleen gaan? Nu wordt het nog mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil
+hooren zingen. Om je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet meegaan! Als ik zonder je kom, is de
+prins natuurlijk boos en durf ik.....&#8221; Op eens hield Hilda&#8217;s vader op. Bleek van schrik riep hij:
+
+</p>
+<p>&#8220;O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel
+ze hare peettante om den hals en knikte: &#8220;Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan niet meer klaar komen en &#8217;t spijt me
+toch zoo vreeselijk, dat ik Papa dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles wist. Maar nu ze zag, hoe&#8217;n spijt Hilda had, kreeg ze
+medelijden. &#8220;Nu, kindje,&#8221; zei ze troostend, &#8220;wees maar bedaard, we zullen zien. Kom eerst eens hier, wat is je japonnetje
+gekreukeld.&#8221;&#8212;Hilda kwam. Toen streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden over Hilda&#8217;s japon. En zie&#8212;daar
+is het eenvoudige kleedje in eens omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda&#8217;s voetjes steken in fijne goudleeren
+schoentjes!&#8212;De vader sprong van zijn&#8217; stoel op en wist zich geen&#8217; raad van vreugde. En Hilda&#8217;s tranen, of die ook gauw opgedroogd
+waren! En Hilda&#8217;s verdriet en berouw? O, daar dacht ze al niet meer aan. &#8217;t Was nu immers alles nog in orde gekomen: ze kon
+nog met haar vader naar &#8217;t feest gaan en&#8212;toen ze even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die lieve,
+beste fee! &#8217;t Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam
+Hilda gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. &#8220;Och,&#8221; riep nu de fee, &#8220;laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet
+komen waarschuwen, dat het rijtuig v&oacute;&oacute;r is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje kwam te voorschijn&#8212;een snoeperig klein, keurig bewerkt
+gouden horloge aan een fijnen gouden ketting! &#8220;Mij dunkt, lieve kind,&#8221; zei de fee lachende, <a id="d0e2126"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2126">166</a>]</span>terwijl ze den ketting om Hilda&#8217;s hals hing, &#8220;een beter present kan ik je wel niet geven. &#8217;k Hoop, dat dit dingetje, zoo klein
+als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw,
+dat je in &#8217;t rijtuig komt. Veel plezier, kind!&#8221;&#8212;En voordat Hilda tijd had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.
+
+</p>
+<p>Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken,
+dat ze gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen: &#8217;k geloof, dat ze veel liever een&#8217; armband of zoo
+iets zou gehad hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och
+neen, dat was haar veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers ook veel gemakkelijker. Maar&#8212; <i>dit</i> horloge was veel, veel mooier en kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En ze behoefde er immers
+niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.&#8212;
+
+</p>
+<p>Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke
+dingen kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.&#8212;
+
+</p>
+<p>De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins
+ontving Hilda en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren, &eacute;n hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier
+zou doen, dien avond eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! &#8220;Dat is een goed begin,&#8221; dacht Hilda&#8217;s
+vader, en hij wreef zich de handen van plezier over de vriendelijkheid van den prins.
+
+</p>
+<p>In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het duurde dan ook niet lang meer of allen werden door
+een deftigen bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen
+de maaltijd afgeloopen was, verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst om negen uur beginnen&#8212;tot
+zoolang mocht ieder gaan waar en doen, wat hij wilde.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom, Vadertje,&#8221; zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den arm. <a id="d0e2141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2141">167</a>]</span>&#8220;Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? &#8217;t Zal daar zoo heerlijk zijn!&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de groene boomen &#8217;t klokje van negen niet vergeten?&#8221; fluisterde
+er op eens iemand aan haar oor. &#8217;t Was de prins, die bij haar gekomen was, zonder dat ze &#8217;t merkte. &#8220;Denk er aan, dat U me
+voor &#8217;t begin van mijn feest een mooi lied beloofd hebt!&#8221;
+
+</p>
+<p>Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat:
+dat was toch heel vervelend.&#8212;&#8220;Zeker, zeker, prins,&#8221; zei ze daarom maar gauw, &#8220;U kunt vast op mij rekenen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste
+bloemen. Tusschen &#8217;t fluweelige gras en langs de keurige paden stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in
+groote vijvers met statige boomen er om heen.
+
+</p>
+<p>Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat
+was het daar kostelijk! De bloemen geurden en &#8217;t water ruischte, de maan scheen helder over &#8217;t water, en de lucht was zoo
+zacht!&#8212;Langzaam aan kwamen er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk alle banken vol waren en sommigen
+zelfs een plaatsje zochten op het zachte gras.&#8212;Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken en luisteren naar al
+het mooie om hen heen. Maar toen stond een van de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den vijver,
+de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens opzeggen zou. &#8217;t Was een heel mooi vers; maar lang, lang&#8212;er kwam
+geen eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren&#8212;aan uur of tijd dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak
+met den prins.&#8212;&#8212;
+
+</p>
+<p>Daar op eens, toen &#8217;t vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel duidelijk door de stilte van den avond: &#8220;Tik, tik,
+tik, tik!&#8221;&#8212;&#8220;Wat is dat?&#8221; riep de man met het vers. &#8220;Tik, tik, tik, tik!&#8221;&#8212;&#8220;Wat is dat?&#8221; riepen allen. Hilda was verschrikt
+opgesprongen. <i>Zij</i> behoefde niets te vragen, <i>zij</i> had dadelijk wel begrepen, wie daar met zijn helder stemmetje <a id="d0e2159"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2159">168</a>]</span>tik, tik gezegd had. &#8220;Dank je wel voor de boodschap, kleintje,&#8221; zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare hand over
+het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen riep zoo vroolijk: &#8220;Komt mee, dames en heeren, &#8217;t is tijd voor
+het avondfeest!&#8221; Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.
+
+</p>
+<p>Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar
+Hilda, boog lachende voor haar en&#8212;zei: &#8220;Dat noem ik eerst op zijn&#8217; tijd passen!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het
+beter, en toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het een lust was. Toen &#8217;t lied uit was, kwam er
+aan &#8217;t handengeklap geen einde. Maar wie nog &#8217;t hardst van allen klapte, dat was de prins, die zoo dol veel van zingen hield.&#8212;En
+weer moest Hilda zingen en nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de hand en zei, dat hij in langen
+tijd niet zoo in zijn&#8217; schik geweest was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan moest ze het maar
+zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige zaak.
+Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... &#8220;O, als &#8217;t anders niet is,&#8221; riep de prins lachende, &#8220;graag, hoor!
+En wel dadelijk ook!&#8221;&#8212;Zoo ging Hilda&#8217;s vader dan met den prins naar eene andere kamer, waar ze rustig konden praten.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde: dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins,
+weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda dankbaar toe. &#8220;Verbeeld je,&#8221; dacht Hilda, &#8220;als ik nu eens
+niet op tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!&#8221;&#8212;
+
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was al laat in den nacht, toen Hilda van &#8217;t feest naar huis reed.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kind,&#8221; zei haar vader, &#8220;wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien
+gouden armband van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!&#8221; Hilda klapte in de handen van plezier. &#8220;Heerlijk,
+heerlijk!&#8221; riep ze. <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>En gaan <a id="d0e2174"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2174">169</a>]</span>we hem dan samen koopen morgen?&#8221;&#8212;&#8220;Zeker, zeker, kind! zorg dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb
+het druk!&#8221;&#8212;Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister
+te spreken, die tegen elf uur bij haar zou komen.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van &#8217;t feest en had niet
+den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond
+gezien en gehoord had. H&egrave;, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen...
+al die aardige menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe begon dat nog maar weer?...
+
+</p>
+<p>&#8220;Tik, tik, tik, tik!&#8221; Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind in haar bed en keek verschrikt rond. &#8220;Tik, tik, tik, tik!&#8221;....
+
+
+</p>
+<p>Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep: &#8220;O, &#8217;k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren
+avond. Tik, tik, tik.... Ja wel, &#8217;k begrijp het: &#8217;t is tien uur, en eigenlijk moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den
+armband te koopen. Tik, tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge, maar &#8217;t is nu toch al te laat,
+&#8217;k blijf er nog vijf minuten in!&#8221;
+
+</p>
+<p>En Hilda vlijde haar hoofd weer op &#8217;t kussen. Maar&#8212;daar klonk het veel harder: &#8220;tik, tik, tik, tik!&#8221;&#8212;&#8220;Kleine levenmaakster!&#8221;
+riep nu Hilda, &#8220;kun je me niet met rust laten!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tik, tik, tik, tik, tik!&#8221;&#8212;&#8220;Nu als het dan niet anders kan, zal ik je den zin wel geven. Daar ben ik al!&#8221; En meteen sprong
+ze, half boos, half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.&#8212;
+
+</p>
+<p>Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en &#8217;t was nog maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm
+de deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon,
+en daarom zei hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij, daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde
+heel wat langer, eer Hilda klaar was met het kiezen van een&#8217; armband. Wat een armbanden moest de goudsmid voor haar uitstallen!
+Wat een gezoek en gepas en gevraag.
+<a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">170</a>]</span></p>
+<p>Daar&#8212;midden in het drukke gesprek met den goudsmid&#8212;wees de klok in den winkel elf uur aan. En op &#8217;t zelfde oogenblik, daar
+had je &#8217;t weer: &#8220;Tik, tik, tik, tik!&#8221;&#8212;&#8220;Wat blieft u, Juffrouw?&#8221; vroeg de goudsmid. &#8220;O, niets,&#8221; zei Hilda, &#8221;&#8217;t is mijn horloge
+maar.&#8212;En hoeveel kost die armband, zei U?&#8221;&#8212;&#8220;Tik, tik, tik, tik!&#8221;.... klonk het weer. &#8220;Ja, ja, weet &#8217;k er alles van,&#8221; bromde
+Hilda ongeduldig in zichzelf, &#8221;&#8217;t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje wachten, ik kan niet dadelijk
+weg.&#8221; Toen weer tegen den goudsmid: &#8220;Dat is toch wel wat duur. Zou....&#8221;
+
+</p>
+<p>Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. &#8220;Neen maar, dat gezeur is niet om uit te staan,&#8221; riep Hilda nu. &#8220;Z&oacute;&oacute; laat
+ik niet den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende horloge maar in Uw&#8217; zak. Misschien houdt het zich
+dan stil.&#8221; Maar ja wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak, en toen Hilda&#8217;s vader even op de stoep
+van den winkel ging staan, om een&#8217; vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge uit de verte toch nog met eene
+zware stem: &#8220;tak, tak, tak, tak!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder
+gluurde in den winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel niet anders doen, dan heengaan en &#8217;t horloge
+zijn&#8217; zin geven. Daarom deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk werd het horloge zoo stil als
+eene muis.&#8212;
+
+</p>
+<p>Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie
+stoffen en nieuwe patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu was het praten, zoeken, kiezen,
+overleggen geen gebrek. Ik weet niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig naar haar horloge gekeken
+had, dat op een tafeltje lag. Maar dat gebeurde&#8212;&#8217;t wees juist even v&oacute;&oacute;r twaalven. &#8220;O, heden,&#8221; dacht Hilda, &#8220;al zoo laat! &#8217;k
+Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je
+wat: ik breng &#8217;t horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te vertellen, dat ik op mijn&#8217; tijd moet passen, en &#8217;k heb
+nu eens geen&#8217; zin, gestoord te worden!&#8221;&#8212;Ze <a id="d0e2197"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2197">171</a>]</span>nam dus het horloge van de tafel, ging er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la van eene kast.
+
+
+</p>
+<p>Maar&#8212;pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek.
+&#8220;Tok, tok, tok, tok!&#8221; klonk het door de kamer, &#8217;t Was net een geluid, alsof er vlak bij gehamerd werd. &#8220;H&eacute;, wat is dat toch,
+Juffrouw?&#8221; riep de naaister. &#8220;O, niets,&#8221; zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. &#8220;Hebben we deze stalen al gezien?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Tok, tok, tok, tok....&#8221;&#8212;&#8220;Maar Juffrouw,&#8221; riep de naaister angstig, &#8220;zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?&#8221;&#8212;&#8220;Och kom,&#8221;
+zei Hilda bedaard, maar hare vingers beefden, &#8221;&#8217;t is heusch niets. Wil U me die plaat nog eens aangeven?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8221;<i>Tok, tok, tok, tok....</i>&#8221; Het horloge&#8212;je hebt natuurlijk evengoed als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan kwam&#8212;het horloge
+hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte, hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. &#8217;t Werd
+z&oacute;&oacute; erg op &#8217;t laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan de naaister laten gaan.
+
+</p>
+<p>Verdrietig, dat ze was! &#8220;Lastig, naar horloge,&#8221; pruttelde ze, &#8220;hoe kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust
+noch duur van en kan heelemaal niet meer doen met mijn&#8217; tijd, wat ik wil.&#8221; Maar al pruttelende ging ze toch naar beneden,
+en dadelijk ook hield het leven in de kast op. &#8217;t Horloge was tevreden.
+
+</p>
+<p>De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf
+al aan tafel kwam. &#8220;Wel, meisje,&#8221; riep hij: &#8220;zoo mooi op tijd! Dat is lief van je: &#8217;k heb erge haast vandaag.&#8221; Hilda kreeg
+weer eene kleur: ze wist wel, dat ze &#8217;t prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze dacht ook: &#8220;Als ik Papa er zoo&#8217;n groot
+plezier mee doe, wil ik toch later uit mezelf beter op den tijd letten.&#8221; Van de geschiedenis met het horloge vertelde ze niets,
+je zult wel begrijpen, waarom.&#8212;
+
+</p>
+<p>Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw
+wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude man. Bedelen deed hij <a id="d0e2214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2214">172</a>]</span>niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen was, nog
+wel eens bij haar aankloppen.&#8212;Maar nu kon ze toch moeilijk van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. &#8220;Laat hij straks
+om twee uur maar terugkomen,&#8221; zei ze daarom tegen den knecht.
+
+</p>
+<p>Toen &#8217;t maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen,
+dat ze prachtig vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk laag stoeltje met de voetjes op een zacht
+voetkussen, en het duurde geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze las en las maar voort: de eene
+bladzijde na de andere, het eene hoofdstuk na het andere, totdat ze aan &#8217;t mooiste gedeelte van &#8217;t verhaal gekomen was. Toen
+liet ze het boek even in haar schoot vallen en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. &#8220;H&egrave;, wat is lezen toch
+heerlijk,&#8221; dacht ze, &#8221;&#8217;k zou wel al door kunnen gaan. En, nu krijg ik &#8217;t mooiste nog. &#8217;k Hoop maar niet, dat iemand me storen
+komt. Zou &#8217;t al laat zijn? Laat eens kijken: kwart v&oacute;&oacute;r twee. O wee, dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan
+&#8217;t praten is, is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben&#8212;&#8217;k wil mijn boek uitlezen.&#8221; Gauw schelde
+ze het kamermeisje en zei: &#8220;Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor hem te spreken ben. Morgen,
+hoor!&#8221;
+
+</p>
+<p>Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets te binnen schoot, &#8221;&#8217;t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap
+geef,&#8221; riep ze, &#8220;dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies, wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng
+het weg, voordat het weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?&#8212;O, &#8217;k weet het al!&#8221; En vlug wipte ze de deur uit, de trap
+af, eene gang over, nog eene trap af en z&oacute;&oacute; in eenen door, tot ze&#8212;in den kelder was. Daar stopte ze het horloge in een donkeren
+hoek en wip&#8212;weg was ze weer. Een paar minuten later lag Hilda weer rustig achterover m&eacute;t haar boek in de hand. &#8220;Ziezoo,&#8221; dacht
+ze, &#8220;roep me nu maar, ik hoor je toch niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht
+hoorde, dat de juffrouw niet voor hem te spreken was. &#8220;Och, och,&#8221; zuchtte hij, &#8220;wat <a id="d0e2222"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2222">173</a>]</span>spijt me dat!&#8221; Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan, toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. &#8220;Paf, paf,
+paf, paf!&#8221; ... &#8217;t was, of er geweren afgeschoten werden.
+
+</p>
+<p>Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. &#8220;Paf, paf,
+paf, paf...&#8221; in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de spiegels dansten aan den muur.
+
+</p>
+<p>Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. &#8220;Hoort U &#8217;t wel, Juffrouw?&#8221; riep ze. Nu, &ograve;f Hilda &#8217;t gehoord had: ze was
+ook van schrik opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.
+
+</p>
+<p>&#8221;<i>Paf, paf, paf, paf ....!</i>&#8221; &#8217;t Geluid werd nog harder. Een mooi beeldje op de schrijftafel viel en brak. &#8220;O, Juffrouw, wat zou het toch zijn,&#8221; schreide
+Roosje met de handen voor &#8217;t gezicht.&#8212;Hilda gaf geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar &#8217;t geluid vandaan kwam. &#8217;t Was haar
+horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den kelder toeriep: &#8220;Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Goed, goed, ik ga al,&#8221; zei Hilda, zonder dat ze &#8217;t wist, hardop. En pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden
+te gaan, of&#8212;de slagen hielden op.
+
+</p>
+<p>En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met
+zijne magere, bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot medelijden en erge spijt, dat ze den stumper
+aan de deur weg had laten sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn lang verhaal, liet hem eten
+geven en oude kleeren van haar vader, en zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde te lijden.
+
+
+</p>
+<p>&#8217;k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man was en&#8212;hoe&#8217;n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn
+weg was. Boos op het horloge was ze in &#8217;t geheel niet meer: ja, ze schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt
+had. Ze haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje in den kelder en nam het mee naar hare kamer. &#8220;Ziezoo,&#8221;
+dacht ze, &#8220;nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich
+aan te kleeden. <a id="d0e2241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2241">174</a>]</span>Toen &#8217;t rijtuig voor de deur was, stond &#8220;Juffertje Te Laat&#8221; wonder boven wonder kant en klaar en kon z&oacute;&oacute; maar instappen.
+
+</p>
+<p>Maar&#8212;juist op &#8217;t oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan&#8212;wie komt me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt
+op Hilda toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om den hals en kust haar op beide wangen.
+
+</p>
+<p>Wie was dat dan toch wel!&#8212;Ik zal &#8217;t je vertellen. Die boerenvrouw had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje
+en later een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog
+maar een paar maanden oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda gezorgd en haar vertroeteld, alsof
+ze haar eigen kind was.&#8212;Later was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon ze Hilda niet: daarvoor had
+ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam ze &#8220;haar kind,&#8221; zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan altijd een heerlijke
+dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was lang
+ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En dan&#8212;&#8217;t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad,
+waar Hilda woonde. Maar ze was op &#8217;t laatst zoo naar haar &#8220;kind&#8221; gaan verlangen, dat ze &#8217;t niet langer kon uithouden. En daar
+was ze nu!&#8212;
+
+</p>
+<p>Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in &#8217;t <span class="corr" title="Bron: rijuig">rijtuig</span> stappen, om naar &#8217;t bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven en&#8212;den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al
+weer vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: &#8220;Och, och, wat spijt me dat! En &#8217;t zal wel voor de laatste
+maal zijn, dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer leven. En dat je nu op dezen &eacute;&eacute;nen avond juist
+uit moet, waar ik me z&oacute;&oacute; op verheugd had!&#8221;
+
+</p>
+<p>Je begrijpt: &#8217;t was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat
+ze haar na zoo&#8217;n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig, dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld
+had&#8212;en dat wil wat zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch moeilijk van &#8217;t bal thuis blijven....
+En ze had toch ook weer zoo te doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.
+<a id="d0e2254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2254">175</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Hoor eens,&#8221; zei ze vriendelijk, &#8220;ik weet wat! Ik zal maar een paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een
+gezellig uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?&#8221; Ja, ja, dat was heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden.
+Toen gaf Hilda haar een&#8217; kus op de rimpelige wangen en wipte in &#8217;t rijtuig. Flip, flap, ging de zweep, en voort draafden de
+paarden.&#8212;
+
+</p>
+<p>Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze dat ook werkelijk. Maar nu ze in &#8217;t rijtuig zat, begon
+ze zich hoe langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En&#8212;ze begon het jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig
+van zou genieten. Een paar dansen maar en&#8212;ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den prachtigen nieuwen armband
+had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw al weer naar huis te gaan!&#8212;Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur, dat was
+vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja, tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot
+haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als &#8217;t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield.
+Als het haar eens v&oacute;&oacute;r twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens leven ging maken op het bal, midden tusschen al
+die voorname heeren en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze zou het horloge weggooien op eene eenzame
+plek, dan kon ze rustig op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het rijtuig juist vlak langs den muur
+van de stad reed. &#8220;Juist goed,&#8221; dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog, dat haar vader, die in een
+hoekje van het rijtuig zat te dommelen, het niet hoorde, stak de hand naar buiten en&#8212;daar lag het horloge aan den anderen
+kant van den muur in eene droge sloot.&#8212;&#8220;H&egrave;, dat is gebeurd,&#8221; dacht Hilda tevreden, &#8220;nu ben ik er voor goed af.&#8221;
+
+</p>
+<p>Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien
+eersten dans danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder noemde haar de koningin van &#8217;t bal. Wat
+klopte Hilda&#8217;s hartje van plezier! In &#8217;t begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest; want telkens meende ze zulke
+vreemde, doffe geluiden in de lucht te <a id="d0e2261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2261">176</a>]</span>hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot misschien z&oacute;&oacute; liggen te zuchten, dat ze &#8217;t hier hooren
+kon?
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen
+heelemaal uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en ook&#8212;hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat,
+die thuis met verlangen op haar zat te wachten. En op &#8217;t laatst dacht ze nergens anders meer aan dan aan haar eigen plezier.
+Ze zwierde maar in &#8217;t rond, lachte, praatte.....
+
+</p>
+<p>Maar hemel, wat was dat! &#8220;Boem, boem, boem, boem!&#8221; klonk het door de zaal. Alles dreunde en kraakte, &#8217;t Was, of er vlak bij
+kanonnen werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen, en alle gasten liepen angstig door elkaar.
+
+</p>
+<p>En het bleef niet bij een paar slagen: &#8217;t ging maar zonder ophouden: boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in
+de stad hoorden het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar vensters en deuren, om te zien, wat
+er toch te doen was.&#8212;
+
+</p>
+<p>En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. <i>Toch</i> het horloge! &#8217;t Was, of het zeggen wou: &#8220;Stop me maar weg, zoover je wilt: ik laat je niet met rust, je <i>zult</i> me hooren!&#8221;
+
+</p>
+<p>Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war, dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor
+&#8217;t gezicht en begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen, die haar verwonderd nakeken, de zaal uit,
+de gangen door, de deur uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de voeten, de straat op.
+
+</p>
+<p>Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard naar huis was gereden, dan zou het horloge op &#8217;t zelfde oogenblik
+stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame
+straten, altijd maar den kant uit, waar &#8217;t geluid vandaan kwam. De voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude
+nachtwind blies haar om &#8217;t hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd
+na en vroegen elkaar af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette nergens op: ze liep maar voort, altijd
+voort. <a id="d0e2281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2281">177</a>]</span>En onderwijl dreunde het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.
+
+</p>
+<p>Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad, dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag.
+De poort was al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels en maakte de poort open. Nu dadelijk in
+de droge sloot. Wel scheurde Hilda haar dunne kleedje aan een&#8217; struik, wel gleed ze telkens uit; maar wat kon haar dat alles
+schelen, als ze &#8217;t horloge maar had!&#8212;En ja, daar zag ze het glinsteren in &#8217;t maanlicht, daar had ze het in de hand! Nog altijd
+sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien verging er Hilda bij.
+
+</p>
+<p>&#8220;O, wat ben je toch een afschuwelijk ding,&#8221; riep ze bevende van boosheid, &#8220;ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan,
+ik zal.....&#8221;
+
+</p>
+<p>En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien&#8212;toen ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag
+drukte.
+
+</p>
+<p>Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar v&oacute;&oacute;r haar?.... Niemand anders dan&#8212;de fee!
+
+</p>
+<p>Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.
+
+</p>
+<p>En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: &#8220;Maar kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig?
+Moet het horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te worden, omdat het je leeren wil op den tijd
+te letten?&#8212;En meen je nu heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je &#8217;t horloge tegen den muur hadt gegooid? Dan heb
+je het heelemaal mis! Ik ben niet voor niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan het stuk gaan,
+wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet, dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar &#8217;t andere eindje
+van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen en zee&euml;n heen. &#8217;t Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen
+op tijd te doen, wat je doen moet!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda&#8217;s hals. Hilda&#8217;s oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd.
+Maar de fee hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei: &#8220;Kindlief, denk toch nooit: &#8217;t horloge is
+mijn vijand, het wil me plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: &#8217;t horloge is een vriend, <a id="d0e2297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2297">178</a>]</span>die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je dan
+om je heen zult zien en hoe &#8217;n prettig, tevreden gevoel je zelf altijd zult hebben!&#8212;Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je
+vriendelijk aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig op je? Vond je het heusch prettig, dat je
+overal &#8216;Juffertje Te Laat&#8217; heette? &#8217;k Geloof er niets van!&#8212;Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig eens naar den wijsvinger
+van je kleinen vriend en luister naar zijn stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te worden. Dan
+maak je jezelf en anderen gelukkig.&#8212;Dag, lieveling!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen kuste de fee Hilda op &#8217;t voorhoofd en.....
+
+</p>
+<p>Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu zag. Als door een&#8217; tooverslag stond ze niet meer in haar
+gescheurd balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar&#8212;ze zat in haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen
+gezellige kamer aan de tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar, tevreden gezicht en stak haar
+de hand toe.&#8212;
+
+</p>
+<p>Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan, behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien
+van vreugde.
+
+</p>
+<p>De fee&#8212;was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.&#8212;En hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd
+werd Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp,
+kun je wel raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel dikwijls raadpleegde ze haren vriend en
+luisterde hoe langer hoe meer naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: &#8220;Tik, tik, tik, tik! Denk aan den tijd, den
+tijd, den tijd!&#8221;&#8212;Ja, eene enkele maal moest het nog wel roepen: &#8220;<i>Tik, tik, tik!</i><span class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> Maar nooit meer: &#8220;Tak, tak, tak!&#8221; En nog veel minder: &#8220;Tok, tok, tok!&#8221; of &#8220;Boem, boem, boem!&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was alleen in den tijd van &#8220;Juffertje Te Laat&#8221;. En die bestond nu niet meer.
+
+
+
+<a id="d0e2314"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2314">179</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e2315"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>De Visscher en zijne Vrouw.</h2>
+<p>Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een&#8217; mesthoop,
+niet ver van de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en hij vischte.
+
+</p>
+<p>Zoo zat hij ook eens bij zijn&#8217; hengel, en hij tuurde in het heldere water: en hij tuurde en tuurde.
+
+</p>
+<p>Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot:
+&#8220;Och, visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij
+dood maakt, ik zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in &#8217;t water en laat mij zwemmen.&#8221;&#8212;&#8220;Nu,&#8221; zei de visscher, &#8220;je behoeft
+niet zooveel woorden te gebruiken: een&#8217; bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten zwemmen.&#8221; Met liet hij hem weer in
+&#8217;t heldere water; daar ging de bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen stond de visscher op en
+ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje bij den mesthoop.
+
+</p>
+<p>&#8220;Man,&#8221; zei de vrouw, &#8220;heb je niets gevangen?&#8221;&#8212;&#8220;Neen,&#8221; zei de man, &#8220;ik ving een&#8217; bot, die zei, dat hij een betooverde prins
+was: toen heb ik hem weer laten zwemmen.&#8221;&#8212;&#8220;Heb je je dan niets gewenscht?&#8221; zei de vrouw. &#8220;Neen,&#8221; zei de man, &#8220;wat zou ik mij
+wenschen?&#8221;&#8212;&#8220;Ach,&#8221; zei de vrouw, &#8221;&#8217;t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een&#8217; mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies,
+je hadt ons toch een klein huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we wenschten ons een klein huisje,
+hij doet het wel.&#8221;&#8212;&#8220;Ach,&#8221; zei de man, &#8220;waarom zal ik er nog heengaan?&#8221;&#8212;&#8220;Heden nog toe,&#8221; zei de vrouw, &#8220;je hebt hem toch gevangen
+en hem weer laten zwemmen, hij doet het natuurlijk. Ga dadelijk heen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee.
+
+
+</p>
+<p>Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder.
+Maar &#8217;t water bewoog zich niet: &#8217;t was stil. Hij ging aan den oever staan en riep:
+<a id="d0e2330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2330">180</a>]</span></p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Mannetje, mannetje Timpetee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zoo als ik wel wil.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: &#8220;Zoo, wat wil ze dan?&#8221;&#8212; &#8220;Ach,&#8221; zei de man, &#8220;nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen,
+ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje bij een&#8217; mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ga maar heen,&#8221; zei de bot, &#8220;ze heeft het al.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond
+een aardig steenen huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem bij de hand en zei: &#8220;Nu ga maar eens
+mee binnen: kijk, zoo is het toch veel beter.&#8221; En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig portaaltje en eene mooie
+kamer en eene slaapkamer met twee bedden&#8217; en eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper aan den
+wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En achter &#8217;t huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder
+naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en andere vruchten. &#8220;Zie,&#8221; zei de vrouw, &#8220;is dat nu niet aardig?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221;
+zei de man, &#8220;nu is &#8217;t goed, en nu zal &#8217;t ook goed blijven, nu willen we tevreden leven.&#8221;&#8212;&#8220;Daar zullen we nog eens over denken,&#8221;
+zei de vrouw. En ze aten wat en gingen in bed.
+
+</p>
+<p>Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: &#8220;Hoor eens, man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek
+en de tuin zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen
+wonen: ga naar den bot en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet.&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ach, vrouw,&#8221; zei de man, &#8220;het huisje is immers goed genoeg, wat hebben we een aan kasteel?&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, kom,&#8221; zei de vrouw, &#8220;de bot kan het gemakkelijk doen.&#8221;&#8212;&#8220;Neen, vrouw,&#8221; zei de man, &#8220;de bot heeft ons eerst het huisje
+gegeven, ik heb geen&#8217; lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig om <a id="d0e2352"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2352">181</a>]</span> worden.&#8221;&#8212;&#8220;Kom, ga toch heen,&#8221; zei de vrouw, &#8220;hij kan het gemakkelijk doen en wil het graag doen.&#8221; Het werd den man zoo zwaar
+om &#8217;t hart, hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: &#8221;&#8217;t is verkeerd;&#8221; maar hij ging toch.
+
+</p>
+<p>Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo
+benauwd.
+
+</p>
+<p>Toen ging hij staan en riep:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Mannetje, mannetje Timpetee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zoo als ik wel wil!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#8220;Nu, wat wil ze dan?&#8221; vroeg de bot.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och,&#8221; zei de man, half treurig: &#8220;nu wil ze in een kasteel wonen.&#8221; &#8220;Ga maar heen,&#8221; zei de bot, &#8220;ze staat al voor de deur.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel,
+en op de trap van &#8217;t kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: &#8220;Kom maar
+binnen.&#8221; Hij ging met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren vloersteenen. En &#8217;t was er vol bedienden,
+die gooiden groote dubbele deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de zalen stonden stoelen en tafels
+van klinkklaar goud, en kristallen kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige vloerkleeden. En de tafels
+bogen onder de zwaarte van al het eten. En achter het huis was ook een groot plein met een&#8217; koestal en een&#8217; paardenstal en
+een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne vruchtboomen,
+en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl, en daar waren hazen en herten en ree&euml;n in en alles, wat je maar wenschen
+kon.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu,&#8221; zei de vrouw, &#8220;is dat nu niet mooi?&#8221;&#8212;&#8220;Och, ja,&#8221; zei de man, &#8221;&#8217;t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we
+in het prachtige kasteel wonen en tevreden wezen.&#8221;&#8212;&#8220;Daar zullen we nog eens over <a id="d0e2375"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2375">182</a>]</span>denken,&#8221; zei de vrouw, &#8220;daar zullen we ons nog eens op beslapen.&#8221; En zoo gingen ze naar bed.
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk
+uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten; maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens
+uit: daar stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: &#8220;Kijk toch eens uit het venster, wat heerlijke velden en weiden!
+Zeg, we moesten koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg, dat we koning en koningin willen wezen.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Och, vrouw,&#8221; zei de man, &#8220;wat zal het beduiden, dat wij koning en koningin zijn. Ik heb er geen&#8217; zin in, ik mag niet graag
+koning zijn.&#8221;&#8212; &#8220;Nu,&#8221; zei de vrouw, &#8220;mag jij niet graag koning zijn, ik mag wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg,
+dat ik koningin wil worden.&#8221;&#8212;&#8220;Ach, vrouw,&#8221; zei de man, &#8220;wat zal &#8217;t beduiden, dat jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen,
+dat wil ik liever niet vragen.&#8221;&#8212;&#8220;Kom, waarom niet,&#8221; zei de vrouw, &#8220;je gaat straks maar heen en zegt, dat ik koningin wil worden.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet
+goed, dacht hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee.
+
+</p>
+<p>En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven,
+en er ging een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er van. Toen ging de man staan en riep:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Mannetje, mannetje Timpetee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zooals ik wel wil!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#8220;Nu, wat wil ze dan?&#8221; vroeg de bot. &#8220;Ach,&#8221; zei de man, &#8220;ze wil koningin worden.&#8221;&#8212;&#8220;Ga, maar heen, zij is &#8217;t al,&#8221; zei de bot.
+
+
+</p>
+<p>En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij, dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig
+lofwerk en beelden: een heel paleis.
+<a id="d0e2398"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2398">183</a>]</span></p>
+<p>En voor &#8217;t paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en
+op pauken slaan. En toen hij in &#8217;t paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de vloer, maar de gangen en alles van marmer was,
+met gouden randen afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden koorden en kwasten. Toen gingen de deuren
+van de groote zaal open, en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw zat op een hoogen gouden troon
+met fonkelende diamanten, en ze had eene prachtige kroon op en een&#8217; scepter in de hand van zuiver goud en edelgesteenten,
+en aan weerszijden van haar stonden de hofdames in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was dan de
+eerste en weer eene kleinere, en zoo al door.
+
+</p>
+<p>Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: &#8220;Och, vrouw, ben je nu koningin?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei de vrouw, <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>nu ben ik koningin!&#8221; Toen stond de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele poos aangekeken had, zei
+hij: &#8220;Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets meer wenschen.&#8221;&#8212;&#8220;Och,
+wat,&#8221; zei de vrouw, en ze schoof onrustig op haren troon heen en weer, &#8220;praat mij er niet van. &#8217;t Heeft mij al weer veel te
+lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan
+worden.&#8221;&#8212;&#8220;Och, vrouw!&#8221; riep de man, &#8220;wat zal het beteekenen, dat je keizerin wordt?&#8221; &#8220;Man,&#8221; zei ze, ga heen, &#8220;ik wil, ik moet
+keizerin worden.&#8221;&#8212;&#8220;Och, vrouw,&#8221; zei de man, &#8220;keizerin kan hij je niet maken, ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin
+is nog veel meer dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe durf je zoo te praten!&#8221; riep de vrouw, &#8220;ik ben de koningin, en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan,
+dadelijk, hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin maken. Ik <i>wil</i> keizerin wezen. Ga dadelijk heen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte
+hij: &#8220;Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan den bot op &#8217;t laatst ook wel te veel worden.&#8221;
+<a id="d0e2413"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2413">184</a>]</span></p>
+<p>Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig, en hij trilde, en de knie&euml;n knikten hem. De wind gierde,
+en de wolken joegen, en &#8217;t werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren vlogen van de boomen en dwarrelden over den
+grond, en &#8217;t water bruiste en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen, die dansten op de golven,
+en de noodschoten knalden, en de hemel was vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren op de wolken
+als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was de hemel. Alleen in &#8217;t midden was nog een plekje blauw te zien. Toen
+werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mannetje, mannetje Timpetee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zooals ik wel wil!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#8220;Nu, wat wil ze dan?&#8221; vroeg de bot. &#8220;Ach, bot,&#8221; zei de man, &#8220;mijne vrouw wil keizerin worden.&#8221;&#8212;&#8220;Ga maar heen,&#8221; zei de bot,
+&#8220;ze is &#8217;t al.&#8221;
+
+</p>
+<p>En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis van glanzend wit marmer met gouden figuren. V&oacute;&oacute;r het
+huis marcheerden de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En in het paleis liepen baronnen en hertogen
+en graven rond en deden, of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren, die van puur goud waren. En
+toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne vrouw op een&#8217; troon, die van &eacute;&eacute;n stuk goud gemaakt was en die wel een huis hoog was,
+en eene groote gouden kroon had ze op, die was wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene hand had
+ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje
+kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet
+grooter was dan een pink. En v&oacute;&oacute;r haar stonden vele voorname heeren: koningen en prinsen. Daar ging de man tusschen staan
+en hij vroeg: &#8220;Ben je nu keizerin?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei ze, &#8220;ik ben <a id="d0e2429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2429">185</a>]</span>keizerin.&#8221; Toen stond de man en bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in &#8217;t gezicht gezien had,
+zei hij: &#8220;Och, vrouw, wat lijkt het mooi, dat jij keizerin bent.&#8221; Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom, ze verroerde zich
+niet. Toen zei de man: &#8220;Nu wees tevreden vrouw, nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden.&#8221;&#8212;&#8220;Daar zal ik mij eens
+op bedenken,&#8221; zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen,
+al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden?
+
+</p>
+<p>De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere
+zijde, en dacht maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets bedenken. Dat duurde zoo den heelen
+nacht. Eindelijk zou de zon opgaan, en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in &#8217;t bed zitten en zag
+in het morgenrood op, en toen ze door het venster de zon op zag komen, dacht ze: &#8220;Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op
+laten gaan?! En&#8212;man,&#8221; zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan, &#8220;man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik
+worden wil als onze lieve Heer!&#8221;
+
+</p>
+<p>De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou
+hebben, en hij wreef zich de oogen uit en zei: &#8220;Och, vrouw, wat zeg je!&#8221;&#8212;&#8220;Man,&#8221; zei de vrouw, &#8220;als de zon en de maan op zullen
+gaan, dan moet <i>ik</i> ze laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe, dat hou&#8217; ik niet uit, dan heb ik geene rust meer
+in mijn leven.&#8221; En ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de leden ging. &#8220;Dadelijk heengaan!&#8221; riep
+ze, &#8220;ik wil worden als de lieve Heer!&#8221;&#8212;&#8220;Och, vrouw,&#8221; zei de man, en hij viel voor haar op de knie&euml;n, &#8220;wat ik je bidden mag,
+laat mij dat niet vragen; dat kan de bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en blijf keizerin!&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: &#8220;Ik hou&#8217; het
+niet uit, en ik hou&#8217; het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!&#8221; Toen schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig
+de deur uit.
+
+</p>
+<p>Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet op <a id="d0e2442"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2442">186</a>]</span> de beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden
+in de zee. De lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen torenhoog en hadden bruisende witte koppen.
+Toen schreeuwde de man, en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan:
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">&#8220;Mannetje, mannetje Timpetee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zoo als ik wel wil!&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>&#8220;Nu, wat wil ze dan?&#8221; vroeg de bot. &#8220;Ach!&#8221; zei de man, &#8220;ze wil worden als onze lieve Heer!&#8221;&#8212;&#8220;Ga maar heen, ze zit al weer
+in het hutje bij den mesthoop,&#8221; zei de bot....
+
+</p>
+<p>Daar zit ze nog tot op dezen dag.
+
+
+
+
+
+</p>
+<p class="div1"><a id="d0e2457"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e90">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>De Geluksklok.</h2>
+<p>Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel
+veel eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed was wat duur, dan zei Moeder: &#8220;Och, ze moet hem
+maar hebben, we hebben ook maar &eacute;&eacute;n kind.&#8221;&#8212;Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje maar mee. &#8220;Och, we hebben er ook
+maar &eacute;&eacute;n,&#8221; zei Vader. Liesje kreeg, wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf&#8212;niets. Nooit behoefde ze eens hare mooie plaats
+bij &#8217;t raam af te staan aan een zusje, nooit was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van &#8217;t wittebrood
+was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze kousen voor moest breien&#8212;als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel
+zei Moeder eens: &#8220;Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader breien?&#8221; Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig
+groote voeten, en Vader zei: &#8220;Och, laat haar maar, als ze geen&#8217; lust heeft.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dachten Vader en Moeder bij alles: &#8220;we hebben maar &eacute;&eacute;n kind om <a id="d0e2464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2464">187</a>]</span>plezier te doen,&#8221; Liesje dacht nooit: &#8220;Vader en Moeder hebben maar &eacute;&eacute;n kind, om hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik
+zal nu eens doen, wat Vader en Moeder graag willen.&#8221; Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.
+
+</p>
+<p>Als de meid eens vroeg: &#8220;Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij even rijst voor me halen?&#8221; dan zei Liesje: &#8220;Dank je, ik hou&#8217;
+niet van boodschappen doen!&#8221;&#8212;Neen, <i>zij</i> hield niet van boodschappen doen.
+
+</p>
+<p>Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje
+opzitten. Zij had er op dat oogenblik lust in, en of de hond het <i>niet</i> prettig vond, dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te spinnen, dan zou ze juist met de hand aan
+&#8217;t behang krabbelen, om Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.
+
+</p>
+<p>Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: &#8220;Lies, ik zou &#8217;t wel aardig vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper
+mag met dit mooie weer de deur niet uit, dan was &#8217;t: &#8216;Ik heb geen boek!&#8217;&#8221;&#8212;&#8220;Je hebt immers zooveel boeken!&#8221;&#8212;&#8220;Ja, maar die heb
+ik allemaal al gelezen!&#8221;
+
+<i>Zij</i> had ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet.
+
+</p>
+<p>Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden.
+En de schoolmeisjes zeiden niet: &#8220;Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze is ook eenigst kindje.&#8221; Neen, de schoolmeisjes
+zeiden: &#8220;Je kunt niet altijd je zin hebben&#8217;, speel ook eens, wat wij prettig vinden!&#8221;&#8212;Dan vond Liesje de meisjes &#8220;nare kinderen,&#8221;
+maar zelf was ze niet naar, och, neen.
+
+</p>
+<p>Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij
+elkaar, en uit was &#8217;t met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest hooren: &#8220;Ik wil niet langer met je!&#8221; dan klaagde
+ze: &#8220;Niemand houdt van mij!&#8221; Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: &#8220;Met de liefde is het als met de echo. Alleen,
+wanneer men geluid maakt, kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst, kan men liefde terug verwachten.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een
+vroolijk jonge meisjesleven <a id="d0e2487"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2487">188</a>]</span>had ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan zij zelve.
+Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: &#8220;Lize, toe, zoek toch nog eens
+eene vriendin;&#8221; maar dan antwoordde Lize: &#8220;Ik heb er geen behoefte aan; ik heb aan u beiden genoeg.&#8221; Lize vergat iets: er
+zou een tijd komen, dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar &eacute;&eacute;n van de beiden overhield, en eindelijk&#8212;dat ze niets
+overhield.&#8212;
+
+</p>
+<p>Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze &#8217;t in huis en ook in de stad niet langer uithouden. &#8220;Ik moet hier weg,&#8221; snikte
+ze, &#8220;ik heb hier toch niemand, die lief voor me is.&#8221; Ze trok naar een dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier
+eens met Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje
+gaan wonen. De buren in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een onverschillig gezicht. Wat konden
+die vreemde menschen haar schelen met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen en geiten&#8212;dat waren hare
+kinderen en koeien en schapen en geiten immers niet!
+
+</p>
+<p>Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het
+dorp geboren, het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat
+niemand haar lief had&#8212;z&oacute;&oacute; zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen.
+
+</p>
+<p>O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht?
+
+</p>
+<p>Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven?
+
+</p>
+<p>Geduld&#8212;ik vertel verder.
+
+</p>
+<p>Eens op een&#8217; zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje
+voorbij. &#8220;Goeienavond,&#8221; zegt het mannetje vriendelijk. En toen: &#8220;Kom, het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige
+huisje met het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij, en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes
+als alles hier er uitziet.&#8221; Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen haar prezen en iets vriendelijks zeiden;
+maar de woorden van het oude mannetje deden <a id="d0e2501"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2501">189</a>]</span>haar toch plezier, en ze antwoordde: &#8220;Ik ken je niet. Zeker woon je ver van hier?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik woon daar ginds, in de bergen,&#8221; zei het mannetje. &#8220;Ik kom hier wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker
+ben je niet heel nieuwsgierig uitgevallen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Neen,&#8221; zei Lize, &#8220;wat andere menschen doen, kan mij niet schelen.&#8221; &#8220;Dat dacht ik wel,&#8221; zei het mannetje, &#8220;je krijgt zeker
+ook nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe
+zal het binnen dan wel wezen!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Kom maar eens kijken,&#8221; zei Lize.
+
+</p>
+<p>&#8220;Mag ik? graag!&#8221; zei het mannetje.
+
+</p>
+<p>Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de
+handen in elkaar over de netheid van het huisje. &#8220;Hier komen zeker nooit kinderen?&#8221; vroeg hij.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kinderen, neen,&#8221; zei Lize, &#8220;die komen overal met de vingers aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met
+schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik ben horlogemaker,&#8221; zei het mannetje. &#8220;Heb je soms eene klok, die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken.&#8221;
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Daar zeg je zoo iets,&#8221; zei Lize, &#8220;mijne klok staat al eene poos stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp
+geen&#8217; klokkenmaker. Wil<span class="corr" title="Bron: ,"></span> je eens zien, wat er aan hapert? Zoo&#8217;n stilstaande klok vind ik zoo iets onordelijks.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Zeker,&#8221; zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit en stapte op een&#8217; stoel en bekeek de klok en smeerde de
+raderen, en een oogenblik later tikte de klok weer. &#8220;Dank je vriendelijk,&#8221; zei Lize. &#8220;Wat ben ik je schuldig?&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niets,&#8221; zei het mannetje. &#8220;Komaan, nu moet ik weer verder. Als je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens
+bij mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun je niet.&#8221; &#8220;Goed,&#8221; zei Lize, &#8220;ik kom bepaald eens.
+Ik dank je nog wel!&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Niet te danken, tot ziens dan,&#8221; zei het mannetje, en stapte verder.
+<a id="d0e2527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2527">190</a>]</span></p>
+<p>Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien
+en paarden en geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden worden. De angst maakte haar half ziek,
+en ze had geene vrienden, bij wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene groote wandeling maken;
+misschien zou ze daar wat fleuriger van worden.
+
+</p>
+<p>Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud?
+Och, neen, ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al
+tobbende liep ze verder, ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens bemerkte ze, dat ze op eene plaats
+was, die ze niet kende. Daar zag ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes opstijgen. Gelukkig,
+daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze wandelde om den steen
+heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje: den kleinen klokkenmaker!
+
+
+</p>
+<p>&#8220;H&eacute;!&#8221; riep het mannetje, &#8220;dat is aardig, kom je mij nu eens opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen;
+ze zijn net klaar.&#8221;&#8212;&#8220;Graag,&#8221; zei Lize; want ze had honger gekregen van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links.
+&#8220;Waar is toch je huis?&#8221; vroeg ze. &#8220;Ik zie nergens een huis.&#8221;&#8212;&#8220;Zie je die deur daar in den berg?&#8221; vroeg het mannetje, &#8220;dat
+is mijne huisdeur.&#8221; Neen maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook een vensterraam, naast de deur in den
+berg gebouwd. &#8220;H&eacute;,&#8221; zei ze, &#8220;dat moet ik eens naderbij zien.&#8221;&#8212;&#8220;Met plezier,&#8221; zei het mannetje, &#8220;kom maar mee, dan kun je eens
+zien, of het bij mij ook zoo netjes is als bij jou!&#8221;&#8212;&#8220;Wat een grappig deurtje,&#8221; zei Lize, en ze bukte zich om er door te gaan.
+&#8220;Voor mij is het groot genoeg,&#8221; zei het mannetje.
+
+</p>
+<p>Nu kwamen ze in eene groote ruimte; &#8217;t leek wel eene boerenkamer. Aan den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat
+was ook wel noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond eene prachtige kast aan den wand, en in
+de deuren waren kleine dwergjes gesneden. &#8217;t Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen. <a id="d0e2536"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2536">191</a>]</span>Het dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene
+kopjes en schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit gezien had! Het mannetje liet haar alles zien:
+steen, waar goud in zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout van eene soort, die Lize nog nooit
+gezien had. En het mannetje vatte alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats, of elk ding een groote
+schat was.
+
+</p>
+<p>Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat
+toch voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar
+achter zal nog wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd
+geluid: een ratelen, een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken.
+
+</p>
+<p>Nu zei het mannetje: &#8220;Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan zitten, daar is &#8217;t veel frisscher.&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei Lize, &#8220;maar,
+zeg, wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote hangslot?&#8221;&#8212;&#8220;O,&#8221; zei het mannetje, &#8220;daar zit eene klok
+achter,&#8221; en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond, dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel,
+maar ze was zoo heel nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom zei ze: &#8220;Toe, laat mij haar maar
+eens zien, ik heb jou ook alles laten zien, wat ik in mijn huisje had.&#8221;&#8212;&#8220;Neen, dat kan niet,&#8221; riep het mannetje onwillig.
+&#8220;Bovendien, je zou er ook niets aan hebben, want &#8217;t is geene gewone klok, &#8217;t is de geluksklok van ons dorp, en vertel nu maar
+aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou ik mijn&#8217; dienst verliezen.&#8221;&#8212;&#8220;Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu iets
+vertellen!&#8221; riep Lize, &#8220;ik kom immers nooit bij andere menschen, en niemand komt bij mij.&#8221; En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger
+werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo lang, dat het mannetje zei: &#8220;Nu, kom dan maar, maar vergeet
+nooit, dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam, dat ik je de klok had laten zien!&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengen <a id="d0e2544"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2544">192</a>]</span>piepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat
+waren, in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden eenige kleine letters. Dan waren er geene twee,
+maar veel meer bont gekleurde wijzers op en &eacute;&eacute;n heel lange zwarte.
+
+</p>
+<p>&#8220;H&eacute;, h&eacute;, vreemd, vreemd!&#8221; riep Lize, &#8220;ik begrijp er niets van.&#8221;&#8212;&#8220;Dat wil ik wel gelooven,&#8221; zei het mannetje, &#8221;&#8217;t is ook iets
+heel bijzonders met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat
+verzeker ik je. Altijd moet ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een uur van huis. &#8217;s Nachts
+slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig uren blijft
+de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur, en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan
+blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet oppassen, dat niemand de klok kan zien. &#8217;t Is moeilijk,
+altijd precies om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook
+al niet zoo heel jong meer.&#8221;&#8212;
+
+</p>
+<p>Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. &#8220;Maar, wat moeten al die cijfers toch beduiden?&#8221; vroeg ze. &#8220;Dat zijn
+de huizen van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen, die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond
+en wijzen aan, <span class="corr" title="Bron: &#8220;"></span>wat er zoo al in ieders leven gebeurt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze, dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer
+kwam. &#8220;Wat beduidt die lange zwarte?&#8221; vroeg Lize. &#8220;Die brengt ongeluk aan,&#8221; zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur
+weer dicht; want hij had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize&#8217;s nummer liep, en hij hoopte nog, dat Lize er niets van
+gemerkt had. Maar Lize had wel iets gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig.
+
+</p>
+<p>Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het
+mannetje voor de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis.
+
+</p>
+<p>&#8217;t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet op, ze stapte <a id="d0e2558"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2558">193</a>]</span>in den droom voort: al hare gedachten waren bij de geluksklok. Voordat ze &#8217;t wist, was ze weer in &#8217;t dorp. Overal brandden
+de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen&#8217; lust meer, om licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo&#8217;n
+verdriet. Lusteloos viel ze op een&#8217; stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen, ze dacht alleen aan het ongeluk, dat
+haar naderde. &#8220;Waarmee heb ik dat verdiend?&#8221; dacht ze. &#8220;Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor alles, wat ik bezit, ben
+ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen, die wel eens
+verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en niet een ander!&#8221; Met afgunst dacht ze aan al de anderen op &#8217;t dorp, die
+niet ongelukkig zouden worden.
+
+</p>
+<p>Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en verdrietiger en ongeruster. Plotseling&#8212;daar sloeg de klok twaalf!
+Lize sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op
+straat en liep ze den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze voor de deur van het berghuisje. En&#8212;de
+deur van het huisje was open, en de deur voor de klok was open en&#8212;o, wonder! het mannetje lag voor de open klokdeur en&#8212;sliep!
+Hij had de klok niet gehoord, hij had de klokdeur niet open hooren gaan! &#8217;t Was, of het zoo wezen moest.
+
+</p>
+<p>Lize sloop vooruit&#8212;voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. &#8217;t
+Was, of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte
+oogen op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag, &#8217;t was of die doorzichtig was. En&#8212;wat zag ze er
+doorheen? Ze zag den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek over den grond kruipen. De bak met eten
+stond onaangeroerd&#8212;de droge tong hing het arme dier uit den bek. &#8220;Waarom juist mijne geit, o, o, ik kan dat niet zien,&#8221; dacht
+Lize. &#8220;Waarom niet de geit van den kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen schuld zijn been
+gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht, ik schuif den wijzer &eacute;&eacute;n nummer verder.&#8221; Pas had Lize den wijzer verschoven,
+of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze verschrikt wegvloog. Bijna was ze over de <a id="d0e2564"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2564">194</a>]</span>beenen van het mannetje gevallen&#8212;zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker gemaakt, en doodsangstig, wat er
+nu gebeuren zou, verstopte ze zich in een donker hoekje in de kamer.
+
+</p>
+<p>Maar&#8212;het mannetje <i>was</i> wakker geworden, en hij wist haar wel te vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste haar recht
+voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen
+timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon
+hij niet meer aan &#8217;t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar dat was niet zooveel, dat ze een huisje
+met een kleinen stal konden bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De timmerman zat met het hoofd in
+beide handen te zuchten. De vrouw veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een&#8217; traan weg, en twee kleine kinderen trokken
+haar aan den rok en riepen: &#8220;Toe, Moeder, geef ons nu pap!&#8221;&#8212;&#8220;Stil toch!&#8221; riep de vader verdrietig. Maar de kinderen keken
+de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder: &#8220;Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit ziek is en
+nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus; die brengen geld mee, om brood te koopen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren
+doodmoe en hadden honger ook. De eerste vraag was: &#8220;Is de pap klaar, Moeder?&#8221; Toen begon de moeder te schreien. En de Vader
+vroeg: &#8220;Waar is het geld?&#8221; Toen de kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: &#8220;Is dat alles? Dat heb ik noodig, om wilgeteenen
+voor de korven te koopen. Voor brood blijft er niets over.&#8221;&#8212;&#8220;Maar, Vader,&#8221; riep de moeder, &#8220;de kinderen kunnen toch niet verhongeren,
+ze moeten toch eten hebben!&#8221;&#8212;&#8220;Dan moeten ze maar wachten, tot de geit weer beter is,&#8221; zei de vader. &#8220;Wie weet, of die wel
+ooit weer beter wordt,&#8221; zuchtte de moeder.&#8212;
+
+</p>
+<p>Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon zooveel ellende niet meer zien. &#8220;O,&#8221; riep ze, &#8220;draai
+den wijzer weer op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven.&#8221;&#8212;Daar sloeg op eens de deur voor de klok dicht.
+&#8220;Kom morgennacht om twaalf uur terug,&#8221; zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten zijn huisje.
+<a id="d0e2575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2575">195</a>]</span></p>
+<p>Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: b&egrave;, b&egrave;! toen ze de deur open draaide. Maar &#8217;t was, of ze geen plezier in
+de beterschap van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van den timmerman met al de ongelukkige stumpers
+van menschen. &#8217;s Nachts droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze &#8217;s morgens bij &#8217;t opstaan. Zouden de kinderen
+nu al eten gehad hebben? Het hart klopte haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze kon de boterham
+niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist, wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze voor
+de deur van den timmerman.
+
+</p>
+<p>Toen ze binnenkwam, zett&#8217;en allen groote oogen op. Was dat de buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize
+schaamde zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen en hapten al gauw in eene lekkere boterham,
+en de moeder keek haar zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg zoo&#8217;n heerlijk gevoel, als ze nog
+nooit in haar leven gehad had. &#8220;Als je soms uit werken wilt gaan,&#8221; zei ze, &#8220;stuur de kleine kinderen dan maar bij mij. Ik
+zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij eten.&#8221; De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand.
+
+</p>
+<p>Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei
+kleinigheden te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar hoe later het werd, hoe meer Lize&#8217;s prettig gevoel
+verdween. Toen ze eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde ze, dat ze nu zichzelf in &#8217;t ongeluk
+moest brengen. Haar geit was zoo&#8217;n prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat ze de geit van de
+arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven; maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: &#8217;t was toch
+beter, dat die stierf dan eene geit. &#8217;t Was waar, hij leidde wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere
+hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman; want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote.
+En dan, het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht
+ze nooit iets, als de oude man met koopwaar aan de deur kwam.
+
+</p>
+<p>Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlug <a id="d0e2584"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2584">196</a>]</span>den zwarten wijzer naar &#8217;t huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist
+Lize ook vooruit, wat er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam de kleine klokkenmaker haar bij
+de hand en plaatste haar voor de klok.
+
+</p>
+<p>Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist
+zijn middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had
+geen&#8217; lust in eten. Treurig keek hij zijn&#8217; baas aan. Dat zag de blinde baas niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders
+altijd zoo blij met zijn eten, niet at. &#8220;Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je dan een lekker hapje van den baas?&#8221; Maar
+Karo wou ook geen lekker hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op zijne knie. De blinde man tastte
+nu naar den neus van het dier, en toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust voorbij: hij schoof zijn
+bord op zij.
+
+</p>
+<p>Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed&#8212;de hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen
+van het bed en legde het op den vloer. &#8220;Kom, hier, Karo! beste hond, ga maar koesten.&#8221; De hond kroop op het kussen en likte
+hem de handen. De tong was droog en heet. &#8220;O, Karo,&#8221; zuchtte de blinde, &#8220;word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb
+mij zoo aan je gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!&#8221; De hond kwispelde lusteloos met den staart; maar
+toen de oude man weer in zijn&#8217; stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan zijne voeten liggen.
+
+</p>
+<p>Toen Lize dat zag zei ze: &#8220;Zoo&#8217;n hond heeft toch ook waarde! wat een trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder
+gemist kunnen worden.&#8221;&#8212;&#8220;Bedenk je goed,&#8221; zei het mannetje, &#8220;meer dan drie keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten.
+Morgen is het dus de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den meester kijken, of de poes daar wel zoo
+best gemist kan worden, als je meent, anders krijg je misschien weer berouw.&#8221;&#8212;&#8220;Ja, dat is goed, dat zal ik doen,&#8221; zei Lize,
+en zuchtende ging ze naar huis.
+
+</p>
+<p>Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond voor zich. &#8217;s Morgens was haar eerste gedachte, hoe het
+er wel mee wezen <a id="d0e2594"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2594">197</a>]</span>zou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen&#8217; tijd had, aan zich zelf en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op &#8217;t laatst
+kon ze &#8217;t in huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn&#8217; hond nog niet zien loopen, ze had den hond nog geen eenen
+keer hooren blaffen. Ze zou er maar eens heengaan. Wacht&#8212;ze had vleesch op schotel, dat zou ze voor den armen man meenemen.
+Misschien, dat de arme zieke hond er ook een stukje van lustte.
+
+</p>
+<p>Ze stapte naar den overkant. &#8220;Zoo, buurman,&#8221; zei ze, &#8220;ik kom eens naar je kijken, &#8217;k Zag je niet met den hond de deur uitkomen
+van morgen, hoe komt dat zoo?&#8221;&#8212;&#8220;Och,&#8221; zei de blinde, &#8220;is de juffrouw van hierover daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd
+wel tegen de menschen gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt.&#8221; Lize kleurde verschrikkelijk en was maar
+blij, dat haar buurman het niet zag. &#8220;Och,&#8221; zei de blinde verder, &#8220;ik kan niet uitgaan, mijn trouwe leidsman is ziek. Kijk
+hij eens lusteloos neerliggen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom
+heb je mij zoo ziek gemaakt! &#8220;Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,&#8221; zei ze. &#8220;Probeer eens, of de hond daar ook
+een stukje van lust.&#8221; De blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had het arme beest trek.
+
+</p>
+<p>Zijn baas zuchtte. &#8220;Och, Juffrouw,&#8221; zei hij, &#8220;als ik dat beest moest missen, zou ik mij geen&#8217; raad weten. Geen mensch is zoo
+lief en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles, wil U wel gelooven ....&#8221; &#8220;Ik geloof, dat er iemand bij
+mijne deur is,&#8221; zei Lize. &#8220;Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!&#8221; Ze kon niet langer aanhooren, wat de blinde man zei.
+&#8220;Mijne schuld! mijne schuld!&#8221; dacht ze aanhoudend. &#8220;O, je moest ook eens weten, wie je zoo ongelukkig gemaakt heeft!&#8221;
+
+</p>
+<p>Nu was het bijna een geluk, dat &#8217;s middags de kinderen van den timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden
+zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had
+nog nooit geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen
+en zoo gelukkig, dat ze ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize, dat het toch ook wel aardig
+<a id="d0e2604"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2604">198</a>]</span>was, anderen plezier te doen. De menschen, die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: &#8220;Kijk die eens!&#8221; en voor &#8217;t eerst
+riepen ze Lize een vriendelijk: &#8220;Dag, Juffrouw!&#8221; toe.
+
+</p>
+<p>Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: &#8220;Nu wordt het tijd om naar Meester te gaan.&#8221; V&oacute;&oacute;rdat ze weer naar de klok
+ging, moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize
+wist niet veel van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar &eacute;&eacute;n kind hadden, dat niet sterk was. Ze
+was een beetje verlegen, wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.
+
+</p>
+<p>Toen ze bij &#8217;t huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze riep: &#8220;Poes, Poes! Mies! Mies!&#8221; Dat trof nu al heel
+raar. Lize bleef staan en vroeg: &#8220;Is uwe poes weggeloopen?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei de meestersvrouw, &#8220;en &#8217;t kleine meisje heeft zoo&#8217;n verlangen
+naar het dier.&#8221;&#8212;&#8220;Hoe is het met uw klein meisje?&#8221; vroeg Lize. &#8220;Niet zoo heel best,&#8221; zei de vrouw, &#8220;ze ligt weer te bed. Wil
+U niet eens binnen komen, dan kunt U haar eens zien.&#8221;
+
+</p>
+<p>Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode
+plekken. Ze keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe oogen vragend aan. &#8220;Wacht een poosje, Marietje,&#8221;
+zei de moeder, &#8220;er is visite. Poes zal z&oacute;&oacute; wel komen.&#8221; Een oogenblikje hield het kind zich stil, maar ze bleef naar de deur
+kijken, alsof het dier door de reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: &#8220;Komt niet!&#8221; De moeder bracht haar eene pop, maar
+Marietje wou niets van de pop weten. &#8220;Kom,&#8221; zei de moeder, <span class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen.&#8221; Het kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize haar
+zachtjes schreien.
+
+</p>
+<p>Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar het bedje van &#8217;t kind. Daar zat het met schitterende
+oogjes overeind en liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize iets gemerkt hadden, was poes door
+een open raam binnen gekomen. &#8220;Mijn lieve, lieve Poeke,&#8221; riep het kind, &#8220;mag niet weer weggaan!&#8221;&#8212;&#8220;O,&#8221; zei de moeder, &#8220;dat
+kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt, bij Poes kan ze altijd troost vinden.&#8221;
+<a id="d0e2617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2617">199</a>]</span></p>
+<p>Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en
+draaide den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een
+tevreden gebrom hoorde. De oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.
+
+</p>
+<p>Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig
+en stil. Lize had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. &#8217;t Was, of ze &#8217;t nu voor &#8217;t eerst lief had met al de menschen, die
+er in woonden. Toen ze in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja, daar lag haar lieve geit lusteloos
+en ellendig: doodziek. Ze gaf het dier een bos versch stroo, om op te liggen en een&#8217; bak vol schoon water. &#8220;Arm geitje,&#8221; zei
+ze, &#8220;dat is alles, wat ik voor je kan doen op &#8217;t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die nog iets
+kan geven, dat je goed doet.&#8221; Maar toen Lize den volgenden morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar
+uit de oogen, maar toch zei ze: &#8221;&#8217;t Is zoo het beste.&#8221;
+
+</p>
+<p>Toen Lize nog aan &#8217;t ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk geblaf. Ze liep in het tuintje voor &#8217;t huis. Daar zag ze
+haar overbuurman met zijn trouwen Karo. &#8220;Zoo, buurman,&#8221; riep ze, &#8220;al zoo vroeg op &#8217;t pad?&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; antwoordde de blinde, &#8220;ik
+kon &#8217;t van plezier niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is heelemaal weer beter!&#8221;&#8212;&#8220;Och, daar ben
+ik blij om,&#8221; zei Lize, &#8220;je kon hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven.&#8221;&#8212;&#8220;Och, Juffrouw,&#8221; zei de blinde,
+&#8220;wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!&#8221;
+
+</p>
+<p>Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord, dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo
+verschrikkelijk! &#8220;Zoo&#8217;n beste, melkgevende geit!&#8221;&#8212;&#8220;Ja,&#8221; zei Lize, &#8221;&#8217;t is naar, maar &#8217;t is toch nog maar een geluk, dat het
+jullie geit niet is. Ik kan me er beter zonder redden.&#8221;&#8212;&#8220;Hoe lief van U, dat te zeggen,&#8221; zei de vrouw van den timmerman. Lize
+kleurde weer, toen ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch&#8212;o, het gaf haar zoo&#8217;n gelukkig gevoel, dat
+ze iets goeds gedaan had.
+
+</p>
+<p>&#8217;s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan de <a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">200</a>]</span>hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een&#8217; pot met vette melk. &#8220;Ik dacht,&#8221; zei de meestersvrouw, &#8220;nu U
+geene melk van de geit kon krijgen...,&#8221;&#8212;&#8220;Dat is aardig,&#8221; zei Lize. &#8220;Is Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer
+dan eene geit voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes had.&#8221; Toen greep de meestersvrouw Lize bij
+de handen en keek ze haar zoo dankbaar in de oogen. &#8217;t Was, of die twee elkaar voor altijd trouwe vriendschap beloofden.
+
+</p>
+<p>Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok
+ging haar eigen weg. Dan kwam het ongeluk in &#8217;t eene, dan in &#8217;t andere huis. Als Lize hoorde, dat er hier of daar ellende
+in een huis was, zag ze in hare gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging ze er heen, om te
+troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het geluksuurwerk
+ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.
+
+</p>
+<p>Eens vroeg de vrouw van den meester haar: &#8220;Zeg me toch eens, hoe het zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield
+niemand van je, nu hebben groot en klein je lief.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het mannetje en de geluksklok vertellen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Och,&#8221; zei ze, &#8220;ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf.
+Toen heb ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat mijne juffrouw op school altijd zei: &#8216;De liefde
+is als de echo, die ongeroepen stom blijft.&#8217; Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug: ik heb liefde gegeven en liefde
+ook ontvangen, en nog nooit in mijn leven ben ik zoo gelukkig geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht genas en haar gelukkig maakte.
+
+
+</p>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by
+Henr. Dietz and Kath. Leopold
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***
+
+***** This file should be named 18429-h.htm or 18429-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/4/2/18429/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/18429-h/images/p033.jpg b/18429-h/images/p033.jpg
new file mode 100644
index 0000000..61b300d
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p033.jpg
Binary files differ
diff --git a/18429-h/images/p053.jpg b/18429-h/images/p053.jpg
new file mode 100644
index 0000000..063d242
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p053.jpg
Binary files differ
diff --git a/18429-h/images/p081.jpg b/18429-h/images/p081.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b5bcde8
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p081.jpg
Binary files differ
diff --git a/18429-h/images/p087.jpg b/18429-h/images/p087.jpg
new file mode 100644
index 0000000..305caa0
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p087.jpg
Binary files differ
diff --git a/18429-h/images/p102.jpg b/18429-h/images/p102.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e82ffde
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p102.jpg
Binary files differ
diff --git a/18429-h/images/p130.jpg b/18429-h/images/p130.jpg
new file mode 100644
index 0000000..68cf360
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p130.jpg
Binary files differ
diff --git a/18429-h/images/p134.jpg b/18429-h/images/p134.jpg
new file mode 100644
index 0000000..833314d
--- /dev/null
+++ b/18429-h/images/p134.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..678aac3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #18429 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18429)