diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18429-8.txt | 8361 | ||||
| -rw-r--r-- | 18429-8.zip | bin | 0 -> 176072 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h.zip | bin | 0 -> 979446 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/18429-h.htm | 6763 | ||||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p033.jpg | bin | 0 -> 114789 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p053.jpg | bin | 0 -> 114721 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p081.jpg | bin | 0 -> 122070 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p087.jpg | bin | 0 -> 117423 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p102.jpg | bin | 0 -> 116497 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p130.jpg | bin | 0 -> 80725 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18429-h/images/p134.jpg | bin | 0 -> 128093 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
14 files changed, 15140 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18429-8.txt b/18429-8.txt new file mode 100644 index 0000000..070bd60 --- /dev/null +++ b/18429-8.txt @@ -0,0 +1,8361 @@ +The Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by +Henr. Dietz and Kath. Leopold + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Zonnestralen in School en Huis + +Author: Henr. Dietz and Kath. Leopold + +Release Date: May 21, 2006 [EBook #18429] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Zonnestralen + In school en huis. + + + + Vertellingen + + Door + + Henr. Dietz en Kath. Leopold, + + Onderwijzeressen aan de leerschool, verbonden aan de Kweekschool voor + Onderwijzeressen, te Groningen. + + + + + Derde bundel.--met 7 platen. + + Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900. + + + + + + + Stoomdrukkerij van J.B. Wolters + + + + +INHOUDSOPGAVE + + + De Sprookjesfee. + Van de Pepernoten en den Doedelzak. + Op de Horens genomen. + Een Droom. + Een Dief—en Geen Dief. + Het Zilveren Lucifersdoosje. + April! + Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde. + Juist Goed! + Weer van eene Fee. + Kalif-Ooievaar. + Onder den Tooverboom. + Het betooverde Horloge. + De Visscher en zijne Vrouw. + De Geluksklok. + + + + + + + +DE SPROOKJESFEE. + + +Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die +moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja, +dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar +heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die +prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen. + + + +Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En +omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen +te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene +juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje +eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde +te leeren? Nu--juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning: +"Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren, +om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren +naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor +haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen +het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met +bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen +tusschen al de moeilijke lessen. En--de korenbloemen doen nog wel +schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren +was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind +van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook +worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó +wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze +zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is, +kan ook flink leeren."--Zoo praatte de koning, die de vader was van +het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw. + +Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in +een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat +kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en +met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen +gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder 't +vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste +platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen +en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms +ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst, +beschilderd met madeliefjes. + +'t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan +hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde +ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd +licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat +tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in +een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan +haren schoot. Dan begon het: "Er was eens...." Vertellingen, die met +"Er was eens" begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de +verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel +tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat +was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal +in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat, +van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas +hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde +plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden. + +Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze +eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet +meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat +was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo +wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden, +bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten +vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken +dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm +naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de +lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een +gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan +las ze, las ze al de sprookjes die haar vroeger verteld waren. Weer +had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond +ze veel mooier dan lezen. "Hè," zei de prinses dikwijls, "wat was +dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik +zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo +dol op sprookjes."--"Weet je wat," zei de koning, "ik zal je nog +eens naar de sprookjesfee brengen."--"Hè, ja, Vader," zei de prinses, +"doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar +woont immers de sprookjesfee?"--"Ja," zei de vader, "de sprookjesfee +woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar--ik +weet niet precies waar."--"O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen," +riep de prinses. "Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?"--"Ho, eens," +zei de vader, "bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar +zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je." + +Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een' morgen +zei de koning: "Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we." En +den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel +reisden, voor ze in 't land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang +ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet +ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het +huis van de tooverfee zijn. + +Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. 't Was een klein, wit +huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze +werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee +kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo +vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste +grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht, +zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde +de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes +geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten +kon, dat ze zoo'n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee +te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop, +dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de +vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan. + +Toen zei de fee: "Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent, +om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en +zie me goed in de oogen. Kijk ik begin al: 'Er was eens.....'" En de +lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde +de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de +lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en +dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte +de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en +fluisterde: "Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik +zou wel een heelen dag willen luisteren en een' nacht er bij." De fee +glimlachte: "Kom morgen weer," zei ze. "Mag ik, lieve fee, mag ik, +Vader?" vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den +volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren, +en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste. + +Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling +mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de +koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer +naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee +de hand. Ze had de tranen in de oogen. "Ik zal U nooit vergeten, +lieve fee," zei ze. "Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o, +ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U +blijven. Dan mocht ik bij U logeeren....." "Weet je wat," zei de fee, +"blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen +is toch ook wel wat erg."--"O, Vadertje," smeekte de prinses, "als +dat eens mocht!"--"Het mag," zei de vader. "Over zes weken zal ik +je terug komen halen. Is dat goed?"--"Heerlijk!" riep de prinses, +"o, wat heb ik toch een lieven vader!"-- + +Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed +de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als +het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje. + +Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging +er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen--de zesde week was +juist begonnen,--kwam de fee op een' avond met een grooten brief, +waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel, +ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover +haar zat en begon: + +"Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij +nog heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met +den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder +wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang, +dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor +nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn' dood over een groot +land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom +verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen, +om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en +bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange +lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat +ging maar: van 7-8 dit, van 8-9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen, +Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch, +Engelsch, Spaansch, Italiaansch ...." + +--"En vertellen," fluisterde de prinses. + +"Neen," zei de fee, "vertellen stond niet op de lijst."--"Arme +prins!" zei de prinses. "Luister," zei de fee. "Een sprookje +mocht den prins nooit verteld worden. 'Sprookjes! onzin!' zei de +koning. 'Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen +het voedsel, dat voor het koren is--weg er mee--'t is onkruid.'" + +Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar +toen de prins groot en wijs en knap was--werd de prins ziek. Dat +was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een' dokter +komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins +bleef ziek. Een ander dokter--pillen, poeders, drankjes--de prins +bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins +werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch +eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist +het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een +anderen dokter roepen--alles vergeefsch. + +Eindelijk hoorde hij spreken van een' professor, die zieken genas, +waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk +werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk +verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen. + +De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het +ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hij +luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de +handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de +wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een +bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en +riep eindelijk: 'Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit +een sprookje hooren vertellen--dat hart heeft nooit van verwachting +gebonsd--die oogen hebben nooit geschitterd--die wangen hebben nooit +eene kleur gekregen--die mond heeft niet gejubeld--die handen hebben +niet geklapt--die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene +vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam +dat toch zoo, Uwe Majesteit?'--'Ja, professor, ik dacht, de prins +moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht: +sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....'--'O, Uwe +Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is +een leven zonder zon!'--'Maar--wat moet ik doen, beste professor, +wat moet er gebeuren?'--'Ja, er moet dadelijk iemand komen, om +den prins te vertellen, 't is mogelijk, dat hij dan nog te redden +is.'--'Maar'--riep de koning, 'ik zou niet weten, wie--in mijn paleis +is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van +vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!' + +De professor schudde het hoofd. 'Uwe Majesteit,' zei hij, 'iemand, die +gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat, +te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een' bode met een uitvoerig +schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....' + +Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. "Hier +is nu dat verzoek," zei ze, "en verder kun je alles wel raden."--"Dus +'t is waar gebeurd!" zei de prinses. "Die arme, arme prins! En nu gaat +U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te +maken?"--"Ik zou het zoo graag doen," zei de fee, "maar het land van +den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet +een ander, eene jongere in mijne plaats gaan."--"Maar wie zou zoo mooi +kunnen vertellen, als U!" riep de prinses. "Er moet immers juist zoo +heel mooi verteld worden!"--"Ik weet er maar één," zei de fee; "'t is +een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis getroost, +om één sprookje te hooren, dat...."--"O, lieve fee," riep de prinses, +"U kunt mij toch niet meenen!"--"Zeker! ik meen niemand anders," zei +de fee; "zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in +haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt +het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen, +en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden."--"Ik wil het graag +probeeren, als 't niet anders kan," zuchtte de prinses, "maar ik ben +bang..." "Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet, +hoe heerlijk de terugkomst is." + +Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden +morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig, +waarmee ze de reis beginnen zou. 't Was bijna avond, toen de prinses +de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze +door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er +triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart +van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het +hoofd hangen en zett'en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht +wel sterven. + +De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de +menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning +te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het +sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar +den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van +de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen +voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in +de ziekenkamer. + +Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens--doodsbleek. Hij +sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam, +maar sloot de oogen ook dadelijk weer; 't was hem onverschillig, wie +er kwam of ging. "Kijk eens, mijn jongen," zei de koning, "daar is +een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te +maken."--"Mij weer beter maken?" zei de prins met eene matte stem, "mij +weer beter maken, dat kan niemand."--"Mag ik het eens probeeren, beste +prins?" vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. "Kijk, +eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij +Uw bed zitten en vertel U een sprookje...." "Een sprookje!" zei de +prins, en zijne stem klonk een beetje helderder, "kun je sprookjes +vertellen?"--"Of ik!" zei de prinses, "ik kom regelrecht van de +sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben, +en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was, +zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de +sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?" De prins knikte glimlachend met +het hoofd. "Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van +dingen?" vroeg de prinses, "'t Is mij alles hetzelfde," zuchtte de +prins, die al weer matter begon te worden. "O, wat ben ik ziek. Je +hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes." + +Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de +trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering +van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf +pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen, +toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de +koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder +'t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs +wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij: +"Mooi. Jammer, dat het uit is!" Toen draaide hij het hoofd op zij +en sliep rustig in.--De dokters schudd'en het hoofd en zeiden: +"Wonderlijk, wonderlijk!" De prins had immers in zoo langen tijd +niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte +de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in 't paleis +brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden. + +En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door +en at den volgenden morgen met smaak een eitje en 's middags een +bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de +deur, en eindelijk vroeg hij: "Komt mijne sprookjesfee niet?" Juist +kwam de prinses de deur in en zei: "Daar ben ik al! Wat zal het nu +wezen?"--"Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen," zei +de prins. "Kun je dat?"--"Zeker," zei de prinses, en ze vertelde van +den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht +overeind in 't bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen +het uit was, zei hij: "Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig, +dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk +dank, lieve fee!"--"Ik ben geene fee," zei de prinses, "ik ben maar +een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt."--"En ze o, +zoo mooi vertelt!" zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht: +dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. "Tot +morgen," riep de prins, toen de prinses heen ging. + +Toen de prinses den volgenden avond weer kwam--waar was toen de +prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer, +toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een +gemakkelijken stoel bij 't venster en een even gemakkelijke stoel stond +tegenover hem. "Neem plaats!" zei de prins. "Wat zal ik nu prettig +luisteren."--"Waar moet ik nu van vertellen?" vroeg de prinses. "Ik zou +zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen," +zei de prins. "Kan dat?"--"Dat kan!" zei de prinses. Luister maar: + +"Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een' +laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten +linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene +vertelling hooren." En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich +nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op +eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder, +dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den +kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor +het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar, +waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo'n sierlijke danseres had +hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in +den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels +wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met +den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten +en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte +en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen +trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en +zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles, +dat den prins op 't laatst de tranen over de wangen rolden van 't +lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: "Neen, maar, +zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik +dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!" Daar sprong de deur open en de +koning kwam binnen. "Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid," riep +hij. "Ik hoorde in de verte lachen."--"De prins is weer beter!" zei +de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. "Lief meisje," riep hij, +"je hebt mijn' prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol +geld geven en...."--"Niets er van!" riep de prins, "daarvoor wil ik +haar tot mijne vrouw maken!" Toen de koning die woorden hoorde, betrok +zijn gezicht. "Ja," zei hij, ik kan me best indenken, dat je het meisje +lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die +moet eene prinses hebben...."--"Dat ben ik juist!" zei nu de prinses +met een zacht stemmetje. "Sakkerloot! als dat zoo is!" riep de koning. + +Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis +vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de +prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De +oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene +nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had, +toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe +hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had +weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar 't ouderlijk +paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook +een' zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij 's avonds +in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat, +tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde, +dat is niet te zeggen. + +Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en +juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de +week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan? + + + + +VAN DE PEPERNOTEN EN DEN DOEDELZAK. + + +Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen +maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin. + +Eens op een' morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den +rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout; +want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer +met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de +koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo +regeerde die voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden, +over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding +kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn +hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne +witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit +met eene diepe buiging--de kousen aan. Waarom zette de deftige heer +een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om +en om? Omdat--hij op eens tot zijn' schrik een groot gat in den hiel +gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar 't hielp +hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de +koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het +wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf, +die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg, +maar--dit vond hij voor een' koning toch wel wat heel erg. + +Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee +van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de +hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen +heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond, +en zuchtend zei hij: "Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over +mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen +stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben, +als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het +me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er +van denken, als ik me eens eene vrouw nam?".... De deftige heer, +die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van +den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij +fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: "Wat ik er van denken +zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen +doen."--"Kom, dat doet me plezier," zei de koning; maar toen met +een bedenkelijk gezicht: "Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo +gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?"--"Welzeker!" lachte +de opperhofmeester, "wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit +is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen, +en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe +Majesteit behoeft geen zorg te hebben." + +Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want +er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. "Ik weet het niet, ik weet +het niet," zei hij. "Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal +wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi--en heel lief--en heel +verstandig ...."--"Is het anders niet," lachte de opperhofmeester, +"o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden."--"Ho, ho, niet +te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als +het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel +voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou."--"De prinses mag +zeker niet ijdel zijn--of slordig--of nieuwsgierig.--Ze moet zeker +mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of +vlug schaatsenrijden ...."--"Houd maar op," riep de koning, "niets +van dat al. Ze moet--lekkere pepernoten kunnen bakken!--Ik houd +nergens zooveel van als van pepernoten. Maar--juist, omdat er geen +grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig +op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet +te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in +mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in 't pepernoten bakken +al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een +het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard, +de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen, +een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik +zou willen trouwen, _moet_ pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere +ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden." + +Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een' schrik. Maar +hij hield zich goed en zei: "Een koning als Uwe Majesteit kan alles +krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten +bakken kan." + +"Zou je dat wezenlijk denken?" riep de koning, nu erg in zijne nopjes, +"kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken."-- + +Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou +nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die +hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en +gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar +haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in +gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten +werden er gepakt: niets was den koning te veel of te kostbaar voor +de prinses, die .... je weet het wel. + +Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen +voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en +voort gaat het.... + +Dat was me eene lange, lange reis, van 't eene land naar 't +andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen +woonden. Maar--hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij +er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die +tegelijk "heel mooi" en "heel lief" en "heel verstandig" waren. En nu +zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen +nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar +.... geene van de drie kon pepernoten bakken!! + +"'t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken," zei de eerste +prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden +zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: "Mogen het geene +amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en +hartjes, met veel boter."--"'t Spijt mij ook, lieve prinses," zei de +koning; "maar het _moeten_ pepernoten zijn." + +De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen +de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het +hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig: +"Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke +dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses, +die--pepernoten kan bakken!" + +Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van +de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet +hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning +nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel +graag willen weten, zei ze, of de koning ook--op den doedelzak kon +spelen. Op zoo'n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja, +hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses _hem_ iets zou kunnen +en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: "'t Spijt me, +'t spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan +ik niet op spelen."--"O," zei de prinses, "als dat zoo is, behoeven +we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het +spijt me wezenlijk om U, en zelf had ik het ook graag anders gewild; +want ik vind U heel aardig. Maar--op den doedelzak te hooren spelen, o, +dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen, +nooit een' man te nemen, die dat niet kan." Arme koning, daarmee kon +hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de +koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en +zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden. + +En toch--de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet--er _moest_ +eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning +den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand +onder 't hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. "Uwe +Majesteit heeft toch geen verdriet?" vroeg de opperhofmeester +medelijdend. "Ik heb nog altijd geene koningin," zei de koning, +"en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit +eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van +de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt, +ik moet maar tevreden zijn met--amandelkoekjes. Ja, de prinses, die +zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes, +met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar +dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust +heeft mijne vrouw te worden." + +De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug; +want hij bracht de boodschap aan den koning, dat--de prinses tot +haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in +dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De +prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd +met den koning van het land, waar de amandels groeien. + +"Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik +vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos, +omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan +zich bedacht hebben." Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang +niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug +met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te +brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven +lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren +over een land, waar een dwaas op den troon zat. "Als dat zoo is," +zei de koning boos, "laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is, +ik heb haar niet noodig." + +Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar--hoe +nu? 't Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog, +en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de +drie. Maar--de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den +doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt, +dan--zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang +na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te +vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de +prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de +pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen, +voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te +trotsch voor. + +De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen--liet hij toch +weer den opperhofmeester bij zich roepen. "Mijn waarde heer," zei de +koning, "je trekt al een lang gezicht, en 'k weet wel waarom. Maar dat +zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer--naar +de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil +ik het toch." De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei: +"Zooals Uwe Majesteit beveelt."-- + +De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles +behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op, +weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft +gedaan. En--als het niet om zijn' heer en meester, den koning geweest +was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij +'t paleis van de prinses kwam. Maar--tot zijne groote vreugde liep +alles heel anders af, dan hij gedacht had. + +Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens +moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses +zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning, +eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te +zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn' smaak kon bakken. Ook, +hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe +erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij +gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe +mooi, hoe verstandig hij die ééne vond. Hoe _heel_ graag hij daarom +juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als +ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen +had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had, +dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en +verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten +had, zijn' opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te +vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden. + +Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een +verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren, +hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de +pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij +ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder +al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was, +die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en +geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne +gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na +lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel +goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe +ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk +"ja" te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden. + +Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de +koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen +trouw meegenomen had, naar 't paleis brengen en zelf pakte hij alles +voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo'n voornaam +heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben +willen doen, als hij maar geweten had, wàt! + +Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets +draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets +stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den +opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe +liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde +boodschap te brengen. + +Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor 't +paleis. De opperhofmeester was in een' wip het rijtuig uit en twee +treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die +al verlangend had staan uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van +paarden in de verte hoorde, kwam zijn' opperhofmeester al tegemoet in +het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep, +dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal, +waar ze ongestoord praten konden. "Ze doet het, ze doet het!" riep de +opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan. + +Toen vloog de koning zijn' opperhofmeester om den hals, en hij +schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester +"au" riep. "En, en" .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren +gekomen was, "vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?"--Toen +vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles, +wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn' +opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde +hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed +voor zijn' koning gesproken had.--Nog dienzelfden dag werden de +ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in 't heele land. En +toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit +zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was +een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een +driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan +de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster +met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene +edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de +heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug +gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende +ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij +bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. 't Was +eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning +wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat +hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd +bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met +hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen +wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers +van groen en bloemen aan de huizen--den heelen dag door muziek en +'s avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel, +lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken--eene heele week +lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk, +alles ter eere van de lieve jonge koningin. + +'t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin +en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun +beidjes.--Ja--toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd +werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de +harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo +heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje +weer zoo gelukkig met haar koning. + +Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen. + +Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning, +wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning +moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers +gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger--toen was er +dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu: +wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze +goed voor den koning. 't Was een lust!--En 's avonds, als de koning +moe van 't regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te +vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen +en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren +als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor +zijn land en voor zijn volk gedaan had.--Altijd deed de koningin, +wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen, +dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op 't laatst zoo knap, dat +ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.-- + +En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo +knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat +wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat +hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was +hij lief voor haar--nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag +plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had. + +'t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar +lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de +koning nog geene enkele maal gedacht: "'t Is toch jammer, dat mijne +koningin geene pepernoten bakken kan." En de koningin had nog niet één +keer gezucht: "'t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak +spelen kan." Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en +de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden, +ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee +'s morgens uit het bed stapten--met het verkeerde been. Als het nog +maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen +geweest was! Maar alle twee tegelijk--dat was erg genoeg! + +Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit +het bed en dus--ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog +nooit anders geweest, 's Avonds zou er een groot feest wezen in de +mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er +gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen +het groen hangen. Maar--het regende, het stortregende, het plasregende, +het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van +den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en +lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren: +in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden, +dat ze wel thuis konden blijven.--En de koningin vooral had zich nog +wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!-- + +Dan--toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met +haar poesje was gaan spelen--had Poes haar leelijk over de hand +gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de +jonge koningin zoo trotsch op was.--En--er was eene leelijke vlek +gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen +opschilderde.--En--onder het kappen had de kamenier de koningin bij +ongeluk met eene haarspeld in 't hoofd geprikt. Daar had de koningin +hoofdpijn van gekregen.--En--maar kom, ik wil al de ongelukken, +die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen, +'t Liep alles, alles verkeerd--en ons koninginnetje, anders altijd +even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en +heelemaal niet in haar schik. + +En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het +bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, 't Speet hem ook erg van +'t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.--En dan--de +kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op +een plaatje altijd op de hand dragen--viel bij ongeluk op den grond +en het prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!--En +dan--kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten +maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw, +vuurrood gekleurd, en de zee oranje!--En de nieuwe laarzen knelden +zóó, dat de koning er kreupel van liep. En--en--nog eene lange rij +van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was +onze koning altijd vriendelijk en welgemoed--nu was hij brommig en +boos en heelemaal niet in zijn humeur. + +De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos: +o wee, o wee!--Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was, +zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de +koningin _kibbelden_! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag +zelf eigenlijk niet meer. 't Was om eene kleinigheid, 'k geloof om +een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar +de koning toen naar moest zoeken. Nu, 't komt er ook niet op aan, +_waarom_ ze kibbelden--ze _kibbelden_, en dat wou ik eigenlijk maar +vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de +koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning +nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en +bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was 't, geloof +ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de +koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan, +en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin +toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er +nooit iets op hem te zeggen viel.--'t Ging al harder en harder tegen +elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo +verstandig, om op te houden met kibbelen. + +En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen, +trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een' +lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: "Me dunkt, heer koning, +je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat +op aan te merken hebben: _je kunt niet eens op den doedelzak spelen!_" + +Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of +de koning riep driftig: "Ja wel, ik zal me stil houden voor eene, +_die niet eens pepernoten kan bakken!_" + +Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten +praten. De koningin schrikte, toen ze 't gezegd had en de koning +schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden +ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en +ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook +regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de +canapé en begon bitter te schreien. + +"Och, och," zuchtte ze, "wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe +kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als +ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar +niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet +mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn +beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om, +of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo +iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk +tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker." + +Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde +zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer +in zijne kamer en dacht: "Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik +toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er +eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed +en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er +niets minder om van haar.--Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig +en boos gemaakt--ze zal 't zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd +heb. Wat ben ik begonnen!" + +De koning ging met het hoofd in de hand op een' stoel zitten en +keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht +weer op, hij sprong van zijn' stoel, en op eens lachte hij en riep: +"Eigenlijk is 't maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten +bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten +antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon +spelen!--Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen +was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me +is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar +haar toe, om alles weer goed te maken." + +Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de +lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.--Maar +daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien +ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de +lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich +niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar +tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms--'t +was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs +den muur schoof, om zich niet te stooten. + +"Wie is daar?" vroeg de koning. "Ik ben het," zei een zacht, +bedroefd stemmetje. "Wien zoek je, vrouwtje?" vroeg de koning, want +de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van +het koninginnetje. "Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo'n spijt, ik wou +je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van +...."--Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de +gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei: +"Je behoeft me geene vergeving te vragen," en zijne stem beefde wat, +"ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. 't Is nu alles +vergeven en vergeten. En weet je," fluisterde de koning verder, van +nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit +weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft +worden. Die woorden zijn: _doedelzak_ en--" + +"En _pepernoten_," riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte, +vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de +koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef +zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden. + + + + +OP DE HORENS GENOMEN. + + +Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal +wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad +gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden, +vind je dat niet raar? 't Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een +boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag +weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets +meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in--eene koe. Gelukkig +niet voor altijd, maar 't was toch heel moeilijk, om weer eene fee te +worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden +jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, +die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar +van pure liefde een' kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat +niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus +gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, +om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren. + +Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze +was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een +rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, +waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën +hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide +had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de +huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met +gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de +koe wel vier keer op een' dag en andere koeien worden toch maar twee +keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had +het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou +doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een +ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op +het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een' +emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar +dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus +had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar--ze behoefde niet lang meer +te zoeken. Pas maar eens op. + +Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des +zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een' +jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, +en dat is maar gelukkig ook. + +Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren +vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te +verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden! + +Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich +zelf. Tegen de bedienden van zijn' vader sprak hij, alsof ze weinig +meer dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij +den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief--ja, +'t is haast zonde om het te zeggen, maar 't was, of hij zijn eigen +ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook +aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. 't Was, +of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor +hem waren. Nooit was het eten naar zijn' zin, en dan stond hij altijd +dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op +alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was +het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor +zoo'n naren jongen. + +Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne +ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en +denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen +op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig +zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze +koe wel ooren voor. Nu--ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den +eersten den besten dag stapte Gustaaf met een' knecht een eind achter +zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, +hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek +hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn +hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig +wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die +om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit +of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen +wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo'n gouden +dingetje had een arme man wel een' zak aardappelen kunnen koopen. Zóó +rijk was Gustaaf--ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog +een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij +gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook +wel zien doen. + +Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett'en. 't Was juist +Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe +liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen +naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: "Nu moet ik eens goed oppassen, +of dat heertje niet voor mij geschikt is." + +Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep +met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en +bedelde: "Hè, laat mij eens zien! wat mooi!" Maar pas had het kind een' +vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op +de handjes en riep: "Brutale jongen, dat zal je leeren ...." Verder +kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren +kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de +horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens +vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met +den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon +doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de +kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje +van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij +moest het gauw opgeven: zoo'n hollend dier kon hij toch niet inhalen. + +Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens +goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter +te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem +eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een' vader en eene moeder +te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg +genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis +laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook +in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, +ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed +zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan. + +En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. 't Was +al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog +mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer +op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie, +dat ze weer weg kwam. + +Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door +wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op +eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe +kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de +knieën bij Gustaaf neer. "Arm ventje," zei ze, "hij slaapt!"--"'t +Lijkt wel een jongetje van rijke menschen," zei de heer, "maar 't is, +of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan +de kinderen hier." + +"O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!" riep de kleine jongen. + +En wezenlijk, nu voor 't eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had +hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist +niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal +in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was +genomen. "Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?" riep hij. "'t Is waar +ook," zei de mevrouw, "de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom, +Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem." + +Nu moest Gustaaf aan 't vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn +naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen +Gustaaf den naam van zijn' vader noemde, schudd'en de mijnheer en +mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen +wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In +welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam +van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het +ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school +het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus +wist hij er niets van.--Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had +hem op de horens genomen en daar neergelegd. "Wat zijn dat nu voor +praatjes?" zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf +ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. "Nu," zei de mevrouw, +"'t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe +hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij +zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo +dikwijls alleen." + +"Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet," zei Dolfs vader, +"maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier."--"Och, +ja, Pa!" riep Dolf. "Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, +Gustaaf!"--"Neen, mijn jongen," zei de moeder, "'t is nu te laat, +en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens +in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg, +dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen." + +Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, +toen haar daar zoo'n vreemde jongen gebracht werd. "Mijnheer en Mevrouw +weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen," bromde ze. "'t Is of +ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo'n jongen te verzorgen, die +hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het +is!"--"Een bedelaarsjongen!" en dat te zeggen van ons fijn heertje +Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! "Och! hou' je stil! je weet niet, +van wien je spreekt!" riep hij. "Wel zeker!" riep de kindermeid, +"ik zou mij stil houden voor zoo'n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw +onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in +te slapen. En nu in 't vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht +bekomen." Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een +oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in 't slot omdraaien. + +Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar +lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een +zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar +niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien +langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over +alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende +jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo +behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas +gespeeld had over de dienstboden van zijn' vader. En die mijnheer en +mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was +hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat +hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten +op een grasveld had moeten slapen. + +Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw +speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf +roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar--vroeg +opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap +bracht, bromde hij: "Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, +ik heb nog geen' zin om op te staan."--"Zóó," zei de kindermeid, +"zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets +kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen, +dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest +het ook eens wagen, Dolf te laten wachten." Met zette ze Gustaaf met +zijne bloote voeten op den vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, +ook als men er geen' lust in heeft. + +Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, +kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar +Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen +zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en +dacht: hè, wat is het 's morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik +nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond +hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde. + +Na 't ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht +met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien +hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn' verjaardag gekregen +had. 't Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar +.... op eens zei Dolf: "O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene +gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?"--"Dat +kun je begrijpen!" riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij +hen. Die riep: "Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij +geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem +toch!"--"Neen!" schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: +"Ondankbare jongen!" riep ze. "Hier, je zult den riem geven." En met +geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf. + +Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór +dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den +riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven +ook. "Ziezoo!" riep hij, "ik zal je leeren den baas te spelen over mijn +goed!" en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar +och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op +zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer +met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd. + +Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. 'k Had hem zoo graag +bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij +maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet +maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en +niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, +wat voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens +"heertje" af zijn. + +Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een' koopman, +waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo'n paar balen legde +ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. "Wil je wel eens gauw +van mijne balen af, kleine deugniet!" riep hij. Maar Gustaaf, die +door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, +verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met +een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen +kneep bij 't oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. "Och, Mijnheer, +doe mij geen kwaad!" riep hij met gevouwen handen. "Ik ben niet op Uwe +balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid."--"Die koe?" riep +de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van +de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met +eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook +niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken +Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus +verschrikkelijk, dat iemand hem voor een' leugenaar hield. Maar--het +hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. "Wat praatjes wil je +me nu op de mouw spelden?" riep de koopman. "Eene koe heeft je hier +gebracht? En je hebt hier geen huis--je ouders wonen ver weg, en je +kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal, +en ik wil je wel houden. 'k Heb net een' loopjongen noodig. Ga maar +mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt." + +Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust +zoo'n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat +ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen +loopjongen, stemde ze toe. "Zie je," zei de koopman, "hij lijkt nog +al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, +dat staat veel voornamer dan dat er zoo'n arme jongen met hem gaat." + +Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. "Kijk eens," zei de vrouw, +"wat heeft hij mooie dingen aan zijn' horlogeketting hangen. En een +echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo'n kleine aap er +aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongen +behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags +mooi mee maken." + +Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne +fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem +bij den arm en: "Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!" klonk hem in 't +oor. "Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij +je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan 't werk." Toen +werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele +huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname +zoontje van zoo'n rijken heer met een' veger aan 't werk! Wat voor een +leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos, +als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij +'t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. "Kom aan, kleine +man," zei hij, "zet maar niet zoo'n zuur gezicht. Ik ben ook als +loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed, +misschien zul je 't dan ook nog wel eens zoo ver brengen." + +Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf +aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang +in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer +in zijn bed. Maar--dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger; +hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de +vrouw van 't huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden +als zijne eigen moeder. Maar neen, 't was maar: "haal mij dit!" en +"breng mij dat!" en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, +dat hij zelf vroeger ook op zoo'n toon tegen de dienstboden gesproken +had. Nu kon hij 't ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken +te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord, +nooit deed ze iets aardigs voor hem. + +Eens op een' dag gaf ze Gustaaf een' appel, die begon te rotten. Dat +was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was +er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees--dat was +het ergste. O, als hij 's avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam, +dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne +ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem +vroeger onverschillig waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem +van zijn' vader, waar hij vroeger niet naar luisterde. + +Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen +van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook +al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken +naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem +geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht +niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem +blijven. "Och," zuchtte Gustaaf, "zoo liet ik vroeger mijn grooten +bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden +hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe +'n nare jongen ik was." + +Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om +met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O, +wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op +de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de +gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar +wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij +vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig +kon wezen, omdat hij 't nooit recht geprobeerd had. + +Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf +werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar--hij moest nog +veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog +te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: "Och, ik heb het toch +wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter +hebben!" Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond +zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om +een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij +verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader +een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens. + +Eens op een' dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een +bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij, +altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, +waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende +liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de +stad liep. Hè, wat was het daar heerlijk frisch! 't Was ook zoo'n +kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de +frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, +wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die +hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; +maar och, wat kon 't hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en +wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom +regelrecht op de koe af en zei: "Hier ben ik! als je lust hebt, mij +weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu +heb, niet." De koe schudde den kop. "Nooit tevreden!" zei zij. "Als +ik je ergens anders breng, zal je 't eerder minder dan beter hebben, +mijn jongen."--"Dat kan me niet schelen!" riep Gustaaf. "Alles liever +dan de knecht te wezen van dien naren Willem." 't Was of Gustaaf op +eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op +haren rug. "Nu toe maar," zei hij. En de koe liep met kleine stappen +verder. "Je loopt niet vlug," zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe +zich om een paar grassprietjes af te trekken. + +"Neen," zei de koe. "Ik heb geen' haast. De plaats, waar ik je brengen +wil, is niet ver van hier." + +"Ik heb van morgen nog niets gegeten," zei Gustaaf. "'k Heb +honger." "Daar is mijne melk goed voor," zei de koe. "Hè, ja!" en in +een' wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het +ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn' mond loopen. Lekkere +versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd. + +Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond +het niet naar meer met de koe te reizen. "Och, als ze mij nu eens +weer naar mijne ouders bracht," dacht hij, en een traan rolde hem +over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had. + +'t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. "Ziezoo, we zijn +er," zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om 't hart. Bij 't licht van de +sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur +was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene +oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: +eenzaam en stil lag het hutje daar. "We zijn er," zei de koe nog eens, +toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. "Hier?" riep Gustaaf, +"dat kun je niet meenen, 't is _te_ leelijk!" + +"Stap af, zeg ik je," antwoordde de koe, "en ga binnen. Ik blijf +bij je."--"Ik blijf bij je," dat was wel een troost; maar de +gedachte in zoo'n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo +verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens +vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een' zijsprong, +en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen +de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond +vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene +leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: "Wat is dat hier toch, +wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken." + +"Och," zei Gustaaf, "och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?" + +"Maak, dat je wegkomt; bedelaar," riep de vrouw. "Wat meen je, dat +mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi +heertje daar vraagt, om bij ons te slapen." + +Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe +aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof +hij hem wou bijten. + +"Je _moet_ hier blijven," fluisterde de koe. + +Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, 't Was een groote dikke man, +met booze oogen en een streng gezicht. + +"Ik neem geen bedelaars in huis," zei hij. "Maak, dat je wegkomt, +jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen." + +"Je _moet_ hier blijven," zei de koe zonder zich aan de dreigementen +van den boer te storen. + +"Heb medelijden, beste Mijnheer," .... smeekte Gustaaf. Voordat hij +meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn' leeftijd, maar +veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. "Ik +wil hem hier houden," riep hij, "hij is een vriendje voor mij, hij zal +bij ons wonen." Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en--"nu, +omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier," zei +de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter +hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen +stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje +hooi stond te trekken. + +Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet +minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter +in schikken. + +Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, +het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven, +maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo'n eenvoudig +hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af, +vouwde het netjes op, en borg het in de kast. "Als je weer weggaat, +kun je het terugkrijgen," zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd +van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een +paar klompen--alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat +ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten +voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren +allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, +en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob +waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor +zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat +ook zijn, dachten ze. + +Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone +kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van +den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote +klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in, +en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen. + +Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd +roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet +laten den neus een beetje op te trekken. 't Was maar gelukkig, dat hij +den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig +was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: +hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en +Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij +het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; +daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes +toe was. + +Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar +op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar--'t was +er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje +in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets +beters geven. Dat hij zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel +gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam +de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing +bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en +vriendelijk aan. Hij viel 's avonds dadelijk in slaap en was 's morgens +heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker +dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór +dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar +de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar +zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer +dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in +het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht, +niet meer zoo'n verdriet--hij merkte, dat hij een betere jongen werd +en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden. + +Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op +streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en +zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had +niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep +dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als +Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: "beste jongen!" 't +Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte. + +Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene +harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. 't +Was altijd "mijn jongen" vóór, "mijn jongen" na, zoodat Gustaaf haar +wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij +voor 't eerst, dat liefhebben gelukkig maakt. + +De eenige, die hem 't leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, +aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte +Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een +stadsheertje praatte, en dan weer was het: "of hij niet liever in +verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen."--De boer +en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze +begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar +wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon +al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het "mijnheertje van de koe" +te noemen. En nu ging het maar elken dag: "Zeg, moet je nog niet eens +weer een ritje maken?" In 't eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen +geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en +zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het +met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, +waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen; +want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens +werden nu echte vrienden. + +In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, +haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had, +en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in +leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij +Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd +Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde +hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen +Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te +keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. "Kom +aan," zei hij, "je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!" + +Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, +moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen, +dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de +koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep: +"Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet +meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je +lief! daar dan!" Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een' +kus op den neus!.... + +Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de +oogen wel dichtknijpen en--toen hij ze weer open deed--stond +er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te +zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen--toen zag hij, +dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in +een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo'n wijsneuzig, +zoo'n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg. + +"Gelukkig!" riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, +"je hebt ons beiden gered! Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen +van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, +nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in +ongerustheid over je." + +'t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, +en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten. + +"Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was," zei de moeder, +en de tranen rolden haar over de wangen, "'t Is nu juist een jaar +geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood +was." Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. "Hier, Moeder," +riep ze, "hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij +verdient het." + +Te vertellen, hoe 'n gezicht de vader en de moeder zett'en en hoe +gelukkig ze waren, 'k zou het niet kunnen. De moeder was dol van +blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe +knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde +handen van zijn' jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette +eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij +het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de +knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens +genomen werd, zat op een' stoel bij de deur van blijdschap te schreien. + +Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: "Maar wat +heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?" + +"Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf," zei de fee lachend. + +Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden +en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden, +meende Zus. + + + +Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, +en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij +was--was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een +flinken, aardigen jongen van hem te maken.--Eén ding alleen bleef hem +altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, +hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem +maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op +den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren. + +Wie ook mee feestvierden? + +Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een' brief +schreef, om--neen, meer zeg ik niet. + + + + +EEN DROOM. + + +Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van +mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan 't spelen +en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn +speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht +mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En +dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond, +met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit +was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen +moest: "Ziezoo, nu is 't voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog +van droomen."--Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè, +eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had, +wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens +zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond, +als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo'n mooien droom +zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...-- + +Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een +oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob +deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits +al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo'n gezellige oom, als dat +ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te +vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes! + +"Oompje," zei Frits op een' keer, "je bent zoo knap, en +overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren +droomen?"--"Leeren droomen!" lachte Oom, "wat meen je daar toch +mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet +te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?"--"Ja wel," +zei Frits, "maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil."--"O, is 't +anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren," riep Oom. "Weet je, +wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd +op 't kussen."--"Hè Oom, je plaagt me ook altijd!"--"Ho, mannetje, +ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en +de beide handen onder 't hoofd en dan--ga je maar denken aan alles, +waar je van droomen wilt. Je zult zien, dat helpt. Maar pas op, +dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, +dan is het mis en je droomt--niets!" + +Wat was die Frits in zijn' schik met het kunstje! Hij kon dien dag +haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te +gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen +en nu--Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar +bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had. + +"Je bent toch niet ziek, jongen," vroeg Moeder. "Och ja," plaagde Oom, +"hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne +dikke boterham, en wat ziet hij wit!"--Oom begreep wel, waarom Frits +zoo'n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits +wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom--en +als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af. + +Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in 't oor: "Kom +je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?" Oom knikte lachende +van "ja." Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag +onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars, +de handen onder 't hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, +doodstil, zonder zich te verroeren. "Zoo is 't goed," zei Oom, +"nu maar denken aan--weet je al, wat je droomen wilt?" + +Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en +dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van +gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had +en wou gaan slapen, om te droomen, toen--wou de slaap niet komen. 't +Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op +dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene +hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn' linkervoet eens boven +zijn' rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam +de slaap en--daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, +dien ik je nu eens wil gaan vertellen. + +Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde +in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De +voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar +ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in +'t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren +verblind door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele +kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond +er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat +hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling--neen, +'t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan +twee aanstappen--twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel +in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met +groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven +een groot hoofd met een puntig kapje er op. 't Leken wel kleine +jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen +en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze +daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem +bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: "Jongeheer, +'k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!"--"Zoo," riep +Frits vroolijk, "ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, +Appelsteeltje!" en hij schudde het dwergje de hand. "En hoe gaat +het je petekind?"--"Dank je, jongeheer, best," zei Appelsteeltje, +"maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in 't bosch te +vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere +toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens +een kijkje bij ons te nemen."--"Op een bal?" riep Frits, "maar ik kan +niet dansen!"--"O, dat komt er niet op aan," meende Appelsteeltje, +"op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren +kan."--"Maar, met wie zal ik dansen?" vroeg Frits weer. "Dat is eene +verrassing," lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne +breede, vriendelijke monden mee. "Maar ik heb geen mooi pakje, om in +te dansen," zei Frits. "Daar is voor gezorgd," zei Appelsteeltje. + +Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén +droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts +met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte +dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets +zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn +bed, zett'en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en +strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins +uit een sprookje. "Maar," begon hij nu weer, "hoe komen we op 't bal, +dat is zeker heel ver." "'t Komt alles in orde, jongeheer Maar!" riep +Appelsteeltje. "Voorwaarts, marsch!" + +Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, +precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door, +de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en +getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de +vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar 't bal te brengen. Hoe +hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op +den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere +zes, natuurlijk op ieder veulen twee. 't Was een heele optocht: +voorop drie veulens met zes dwergjes, in 't midden Frits, achter hem +weer drie veulens met zes dwergjes. + +"Nu naar 't bosch," kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De +veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en +Frits riep uit alle macht "hoezee! leve Appelsteeltje!" Voort ging +het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden, +over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf +vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als +een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. "Zijn +we er al?" vroeg Frits. "Ha, ha!" lachten de dwergjes, "hij vraagt, +of we er al zijn!" + +Daar schemerde licht door de boomen. 't Kwam uit de ramen van een +statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel +naar dien kant en riep Frits over zijn' schouder toe: "Het betooverde +kasteel!" Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te +bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel +te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel +eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen. + +Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens +wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van 't bosch stond +een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, +dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne +fakkel: "Het huisje van de drie beertjes!" riep hij Frits toe. Ja, +wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een +venstertje kijken. "Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!" groette +Frits, "hoe smaakt de honigsoep?" Maar voordat er antwoord kwam, +lag het huisje al weer in de verte. + +Daar was eindelijk de rand van 't bosch. Ja, en daar stond ook weer +een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een +tuintje er voor. "Daar woont de grootmoeder van Roodkapje," vertelde +Appelsteeltje. "Och, och," begon Frits, "woont daar nu...." Maar daar +vlogen de veulens, nu ze 't bosch uit waren, in eens weer met een' ruk +vooruit: 't scheelde niet veel, of onze Frits was in 't zand gewipt. + +Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, +zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte, +keek hij even naar dien kant. + +Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven +Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat +nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij 't +beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. "'t +Kasteel met den dikken boom en den diepen put!" riep het dwergje. Frits +hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar +juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; 't scheelde niet +veel, of hij was van den schok over den kop van 't veulen gevlogen. + +"Let op!" waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. "Van +den markies van Carabas!" riep Appelsteeltje.--Voort, altijd +verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde +in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! "Daarachter +ligt Luilekkerland," vertelde Appelsteeltje. "Hè, Luilekkerland," +zei Frits, "Luilekkerland achter den rijstebrijberg!" Want hij had +grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. "Maar kom," dacht hij, +"dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op +'t bal allemaal nog te zien krijg!" + +Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, +wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu +kon 't niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene +breede, donkere streep, dat was zeker 't bosch! En ja, toen ze nader +kwamen, zwaaide voor 't laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep +hij vroolijk: "We zijn er!" Toen hinnikten de veulens, de dwergjes +gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de +handen en riep maar niets dan "hoezee," tot hij er schor van was. + +Vooraan in 't bosch was het donker; maar door de boomen heen +schemerde licht, en hoe verder je in 't bosch kwam, hoe lichter +het werd. "Nu de oogen dicht!" riep Appelsteeltje op eens, "en niet +weer open, voor ik je waarschuw, hoor!" Frits dadelijk de oogen stijf +dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond +en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, +maar hij werd vlug van 't veulen getild en voorzichtig op den grond +neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje +zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee, +mee--totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: +"Open! en welkom in de balzaal!" + +Toen Frits de oogen opendeed--ja, 't ging hem weer net als straks: hij +wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: 't was iets heel +heerlijks en heel moois. Hij was nog in 't bosch, op eene groote, open +plek in 't bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja, +hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan +was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele +steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad +van de boomen leek zelf wel een lampje en 't was, of er honderden +lichtjes straalden uit stammen en takken.--De grond of neen--ik moest +liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, +gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen, +die schitterden als kleine diamantjes.--Tusschen de boomen lag een +dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal +verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, +als je moe was van 't dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar +kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de +muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal +kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig +op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes, +dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of +niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo'n lust kreeg +hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan +'t dansen waren. + +Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; +want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij +uit kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits _kende_ +al die lieve danseresjes, en toch--had hij ze nog nooit gezien! Hij +kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch--had niemand hem de +namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den +zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange +krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de +zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk +ook Lena--Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze +om den hals droeg.--Naast Lena stond--nu, dat was al heel gemakkelijk +te raden. Een rood kapje had ze op 't hoofd, een mandje aan den arm! + +Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, +een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. "Ja, ja," zei het +grootere meisje, "Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje +en met één bloot beentje!" Maar wat was dat? .... Bij elk woord, +dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren +mond! "Die ken ik ook, die ken ik ook!" riep Frits vroolijk. "Mooi, +mooi," zei Appelsteeltje, "maar nu moet je ook kiezen." + +Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De +danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af +tot Goudkindje toe. "Nu?" vroeg Appelsteeltje. "Of, wacht eens!" Weg +was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al +weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. "Wil je misschien deze +liever?" lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie +daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, +de kousen afgezakt.... "Neen, neen, neen!" riep Frits, "die niet, +dat is Pietje Smeerpoes!" Het slordige vuile kind kroop van schaamte +dadelijk weer achter een' boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje +bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.--Toen aan +het dansen--neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee +noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de +maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn +danseresje in 't rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange +vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben +willen dansen, 't ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom, +dan zouden ze maar wat uitrusten tusschen de boomen. Hè ja, dat +vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, +babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en +vooral ook--kijken naar al de prettige drukte om hem heen. + +Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op 't bal waren. Wel, wel, +wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes +waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en +sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te +zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht +en maakten allen aan 't lachen met hunne dwaze grappen.--Daar dansten +er twaalf in een' kring om Appelsteeltje heen. "Hoe leuk!" riep Frits, +"daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!"--Een eind verder draafde +een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. "Pas op +je krullen, Liesje!" riep hij plagend. 't Meisje schaterde van lachen, +omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes +toch niet inhalen kon. + +Wat was 't eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en +stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er +dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen, +om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als +een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer +op.--Peter huppelde er alleen in 't rond met zijne gouden gans in den +arm.--Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; +maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte, +weet ik niet. + +En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon +zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak +bij. "Smulhans!" riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar +met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de +toovervrouw! Onder het dansen stopte ze 't gulzige ventje aanhoudend +lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret. + +Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van: + + + "Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn, + Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!" + + +En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, +vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en--de mooie, domme +prinses in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een +vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af; +maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden +pot te blijven. + +Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de +Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot +netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte +Katje.--Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in 't rond. En +bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes +in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan 't proesten +blijven, de kaboutertjes. + +Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een +grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot +boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. "De booze +Toovenaar," fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn +tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook +van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen +een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als +de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen, +spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja +wel--die stond hem al lang weer aan 't andere eind van de zaal uit te +lachen.--Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje +te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen +kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en +de handen onder 't hoofd. Een poosje zat hij--daar kwam Goudkindje +aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. "Toovenaar," +zei ze met een vleiend stemmetje, "waarom zit je hier zoo alleen? Heb +je geen plezier? Toe, dans eens met me!" De toovenaar keek eerst met +een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, +moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek +zoolang onder het kussen en--begon met Goudkindje in 't rond te dansen. + +Frits had den heelen tijd, bij 't kijken naar al die kluchtige +paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen +toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen +met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij, +dat de tranen hem over de wangen rolden.-- + +En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens +weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat +ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd +was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak, +Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in +eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor +de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot +in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen +te rennen--neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. 't +Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie +tellen heelemaal om de groote balzaal heen.--Hazenoor ging met zijn +oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: +"Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in +Luilekkerland door de lucht vliegen."--Mikgoed schoot de toovervrouw +een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in +den mond wou stoppen.--Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en +blies op eens alle dansers omver.--Maar wat van Sterkenrug deed, +dat was nog 't aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, +die op 't bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover +gebogen staan. En toen--moesten al de kaboutertjes op zijn breeden +rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. 't +Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te +zien.--Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op 't bal, ook +wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, +er waren ook--feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn +vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en +de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog +veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk, +luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, +dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne, +teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen +ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.--Maar midden onder +'t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. "Kom aan, jongeheer, +nu weer een dansje," riep hij, "je wordt niet alle dag op een bal in +'t bosch gevraagd!" + +Ja, 't was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan 't dansen. Wacht, +daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik +later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.--Toen gedanst met +Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, +of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt +was.--Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, +die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen +ze bijna te vallen over--ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te +vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was +Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje +in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede +paartje was--Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in +een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig +om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst +had! Maar Lena gunde hem geen' tijd lang stil te staan: ze trok hem +al gauw weer mee, om verder te dansen. + +Daar op eens klom er een dwergje in een' boom, en dat begon me +te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En +zie--dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, +die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en +praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve +fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een +zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten +van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje +den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit +den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen +met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker +was. In een oogenblik stonden er in 't rond, 'k weet niet hoeveel, +van die tafeltjes-dek-je klaar.--Nu ging de fee weer rond en bij elk +tafeltje tikte ze even tegen een' poot. En ja wel, daar waren ook in +eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd. + +Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu +mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje +aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed +er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers +geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even +vroolijk, en vooral de dwergjes maakten weer ieder aan 't lachen +met hunne dwaze grappen.--Er was er maar één, die geen tijd had, om +pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk +de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij +krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen +werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.-- + +Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, +klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht +te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: "Sst, sst! Appelsteeltje wil +wat zeggen!" Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat +het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn +van de tafel, hield het omhoog en zei: "Ik drink op de gezondheid van +_mijn_, ik meen van _ons_ vriendje Frits! Hij leev', hij leev', ons +Fritsje leve lang!"--Allen dronken en klonken mee. En toen--hoe het +kwam, wist hij niet--maar op eens stond Frits midden in de balzaal, +en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars, +alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en +meisjes--_alle_ gasten van 't bal. En allemaal zongen ze: "Hij leev', +hij leev', ons Fritsje leve lang!" O, wat was 't mooi! + +Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En--als door een' +tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende +licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en +achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee +dwergjes op zijn' rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort +ging het weer, hop, hop--in vliegende vaart door bosschen, over velden +en wegen, langs kasteelen en bergen.--Appelsteeltje zwaaide weer met +zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond +te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover +op zijn veulen. Op 't laatst kon hij de oogen haast niet meer open +houden. Nog een poosje en--ze vielen toe. Frits sliep. + + + +Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en--onze +Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer +liggen, hoor! In een' wip was hij er uit, in een' wip aangekleed, +in een' wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, +hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe'n kostelijken droom hij +gedroomd had.-- + +Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij +Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien +heerlijken nacht. + + + + +EEN DIEF--EN GEEN DIEF. + + +Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven +veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel +rijk. Ja, hij _was_ rijk, maar hij _werd_ arm. Op een' nacht kwamen +er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.--De man +klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te +vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen, +en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen, +dat hij zich maar schikken moest in zijn lot. + +Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader +heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze +ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. 't +Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met +Tom, zooals hij heette, was het anders. "Wat er van dien jongen nog +worden moet," zuchtte de vader menigmaal, "ik weet het niet! Leeren, +daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te +vinden, wel in den stal of buiten in 't bosch of op 't veld. Jagen +en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen, +die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan 't lachen maken, +en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met +al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet +we nog aan dat heertje beleven!" + +Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op +een' dag vlak voor zijn' vader staan en zei: "Vader, ik ga er op uit, +om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden +zal ik ze, al zaten ze ook 'k weet niet waar verborgen. En 't geld +breng ik mee terug, zoo waar ik Tom heet."--De vader barstte in +lachen uit. "Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe +broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan +iets van terecht komen. Maar jij!"--"--Vader," zei Tom, "ik vind ze, +laat mij maar begaan."--"Nu," zei de vader, "ga je gang. Thuis voer +je toch niet veel goeds uit." + +En Tom ging zijn' gang. + +Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed +opgeven, daar dacht hij toch niet aan.--Eens dat hij weer een heelen +dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis, +dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een +bosch. 't Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei +een gure wind, en 't regende zonder ophouden. "Ik moet maar zien, dat +ik hier vannacht onder dak kom," dacht Tom. Eene bel was er nergens +te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging. + +Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. "Wat +moet je?" vroeg ze heel onvriendelijk.--"Wat anders dan mijn avondeten +en een bed om in te slapen!" zei Tom. "Dat kun je hier niet krijgen," +bromde het vrouwtje, "'k Zou wel eens willen weten, waarom niet," +hield Tom vol. "Nu, als je 't dan volstrekt weten wilt," was 't +antwoord, "'t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen +drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan +kom je hier niet levend vandaan."--"Dat is een leelijk ding," zei Tom, +"maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer, +is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet +bang."--Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter +zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van "zelf maar weten", +maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was 't voornaamste. + +Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde +tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon +Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij +met leege handen thuis kwam en braaf door zijn' vader en zijne broers +uitgelachen werd. + +Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in de +kamer naast hem. "Aha!" dacht hij, "daar zijn de zes mannen, die mij +niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden +in den nacht pas thuiskomt--als dat geen dieven zijn, dan weet ik +het niet! Eerlijke menschen hebben 's nachts op straat niets te maken." + +Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat +de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen +klonken zoo verward door elkaar, 't leek wel, of ze allemaal tegelijk +spraken.--Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon +Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over +hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. 't +Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van +inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en +van geld. + +"Dat was eene mooie vangst vannacht," zei er een. "Ja," zei een ander, +"maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens, +als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al +zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt +heeft!"--"Honderdduizend gulden!" lachte een derde. "Wat zullen ze +op hun' neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste, +dat moet zoo'n doeniet zijn. Maar 't luie leventje van dat heertje +zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!" + +Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield +hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd +werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en 't had niet veel gescheeld, +of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk +maakten over hem en zijn' vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren +de mannen, die zijn' vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden, +drie zoons, de jongste een doeniet--het kon niet anders wezen. Wacht, +hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden +in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop +weer in 't bed. "Tom, jongen, wees niet dom," zei hij tegen zichzelf, +"je weet nog niet eens, waar ze 't geld gelaten hebben, en al wist je +'t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!--Beter eerst nog +eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten." + +Tom legde weer 't oor tegen den muur en luisterde. "Zeg eens, is dat +geld wel goed geborgen?" vroeg er een. "Dat 's ook eene vraag," riep +een ander, "'t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we 't in +gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder +hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?"--"Nu, +'t is goed, ik vroeg 't maar zoo," zei de eerste weer. "Ziezoo," +dacht Tom, "nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn' +zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?"--Nog eene heele poos lag +hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel. + +Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor +zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. 't Leken ruwe, +woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van +schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn, +daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten, +leunende op zijn' elleboog, en keek de mannen driest in de oogen. + +"Wie ben je," vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over +de andere vijf leek, "en wat kom je hier doen?"--"Wie ik ben?" zei +Tom. "Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom +leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn +werk. Als jullie me bevalt," en hij keek de mannen één voor één aan, +"dan wil ik je misschien wel in mijn' dienst nemen en je een paar +lesjes in 't stelen geven." + +De mannen wisten niet, hoe ze 't hadden: ze keken elkaar eerst zoo +beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos, +eer de oudste dief antwoordde: "Praats heb je genoeg, dat hooren +we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na 't ontbijt wel eens zien, +wie meester en wie knecht wezen zal." + +Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten +ze aan tafel, of daar zien ze door 't bosch dicht bij het huis een' +boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.--"Wie +van jullie," vraagt Tom, "durft er op aan, dien boer zijne geit af te +stelen, nog voordat hij 't bosch uit is, en dat wel zonder ook maar +'t minste geweld te gebruiken?"--"Ik niet," zegt de oudste dief. "En +ik niet!" roepen de anderen. "Kom aan," zegt Tom, "ik ben de meester, +ik zal jullie je eerste lesje geven!" + +Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene +plek, waar de weg door 't bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij +zijn' rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen +gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn' +linkerschoen uit, zet dien weer midden in 't pad, loopt vlug weg en +verbergt zich achter de struiken. + +De boer komt, en hij ziet een' schoen staan. "Jammer, dat die geen +kameraad heeft," denkt hij, "aan één alleen heb je niets."--En de +boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen +schoen. "Domoor, die ik ben," zegt de boer, "dat ik dien van straks +niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een +paar kan ik best gebruiken." + +De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een' boom, om gauwer +vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar +de schoen--die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht +van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan +gekomen en had den schoen weer weggepakt.--De boer komt en ziet den +schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij +komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit +vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en--wat nog erger, +is--ook geene geit meer!--De tweede schoen zat al lang weer aan +Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den +eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in 't huis +van de dieven gebracht. + +"Dat is me ook wat!" jammerde de boer, "ik beloof voor mijne vrouw +eene mooie japon te koopen van 't geld, dat ik op de markt voor +mijne geit zal krijgen, en nu--is de geit weg! Ik moet maar zien, +dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw +er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen, +dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren." + +De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken, +en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch +wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen. + +Een half uurtje later--daar komt de boer weer aan met een mooi, +vet schaap bij zich. "Wie van jullie ziet er kans," vraagt Tom, +"dat schaap te stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd- +zonder geweld te gebruiken?"--"Ik niet!" zegt een van de dieven. "En ik +niet!" roepen de anderen. "Dan zal ik 't probeeren, ik ben de meester," +zegt Tom. "Geef me een stevig touw." + +Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen +tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens +een' man aan een' tak van een' boom hangen met het hoofd slap op de +borst. "Wat is dat nu!" roept hij, "een uur geleden hing die man daar +toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op +klaarlichten dag, 't is om van te beven!" Angstig kijkt hij om zich +heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn. + +Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn' schrik al +weer een' man aan een' boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover +op de borst. "Heb ik van mijn leven!" roept de man, "daar hangt er +al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!"--En hij stapt +haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien. + +Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en +grijpt zich met de hand aan 't voorhoofd. "Maar zie ik dan verkeerd, +of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een' +boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te +gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug--ik wil weten, +of de twee anderen er nog hangen." De man bindt zijn schaap zoolang +aan een' boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de +weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den +tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar +'t huis van de dieven.--Dat die man niemand anders dan de slimme Tom +was, heb je zeker al begrepen. + +Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien +hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep, +was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal +gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór +geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl +de boer weerom liep. + +Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! "Als +je nog één zoo'n stukje uitvoert als dit," zei de oudste dief, +"dan zeg ik: je bent ons allen de baas!"-- + +En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien +hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van +den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een' man. Al +pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats, +waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man, +geen schaap, alles weg! + +Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: "Ach, ach, +wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld, +mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor +mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het +land haal en dien verkoop." + +Goed, de boer gaat naar 't land, en eene poos later zien de dieven +hem weer aankomen met zijn vetten os. "Wie is zoo knap, dat hij dien +os steelt, zonder geweld te gebruiken?" vraagt Tom. "Ik niet," zegt er +een. "En ik niet," roepen de anderen. "Dan probeer ik het," zegt Tom, +"ik ben de meester," en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in. + +De boer drijft zijn' os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij +den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn' +rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en +nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. "Ik ben een boon, +als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!" roept de boer.--Weer +geblaat. "Zoo zeker, als ik hier sta," zegt de boer, "ze zijn het!" En +hij bindt zijn' os aan een' boom en loopt het bosch in naar den kant, +waar 't geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar 't +is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid +blijft altijd even ver af. + +Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht +eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had +hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want--toen +hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats, +waar hij 't geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn' os niet +meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os--die stond al +lang op stal bij de dieven. + +Tom had gedacht: "Ik neem de geit en het schaap mee in 't bosch, +daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een +poosje achter de dieren aanloopan en dan--maak ik, dat ik langs den +kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik +den os al lang losgemaakt en weggebracht."--En zoo was 't gebeurd ook. + +Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk +niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles +te vertellen, was er groot gejuich in 't dievenhuis. De dieven riepen +maar in éénen door van "hoera!" en "leve de koning van de dieven, +leve Tom!"--Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van, +bij zoo'n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven. + +Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven +vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan +hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in +de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten +en koffers open te breken, En eindelijk--namen ze hem zelfs mee naar +den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar +kreeg Tom wat te zien--wel verbazend, wat een geld en goed lag +daar opgestapeld! "Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al +ongelukkig gemaakt!" dacht Tom. "Maar die kist daar, die ik zoo goed +ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn' vader." + +Ja, wezenlijk, daar stond de kist. "Kon ik haar maar dadelijk +meenemen," dacht Tom, "dan bleef ik geen uur langer in dit nare +huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn' +zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik +moet nu maar geduld hebben en mijn' tijd afwachten." + +Zoo bleef Tom dus vooreerst in 't dievenhuis.--Hij zorgde wel de +dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem +gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te +stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun' meester +kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij +thuis bleef. "Jullie krijgt me niet mee," dacht Tom telkens, als hij +de dieven zag heengaan, "bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes +vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad; +maar nu is 't ook genoeg." + +Eindelijk op een' dag zeiden de dieven tegen Tom: "Meester, als je +'t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis +hier dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook +eens plezier maken."--"Wel zeker," zei Tom, "ga jullie gerust. Ik +zal mij niet vervelen."--Maar bij zichzelf dacht hij: "Heerlijk, +heerlijk! Eindelijk zal ik eens een' dag alleen zijn. Misschien zal +ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen." + +Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze +hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel +gelukkig, hoort maar eens, waarom. + +Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze +waren trotsch op hem, omdat hij zoo'n slimme dief was, zooals ze +meenden. Ze noemden hem "Meester," en dikwijls vroegen ze hem om +raad. Maar--den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch +liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij +niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel +machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen; +maar tot nu toe was hij nog geen zier verder. + +Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al +niet. "Vandaag _moet_ het gebeuren," zei Tom tegen zichzelf, "ik +_moet_ er iets op vinden."--En weer ging hij als zoo menigen keer +met het hoofd in de hand zitten denken. + +Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren, +ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed, +bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze +borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort, +hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het +en--in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen, +dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt, +heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een' wip is hij er de +deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk: +hij is het!--Wat die Tom zich in de handen wreef! + +Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne +Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken? + +Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist +van zijn' vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open +te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij +daarmee moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het +duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld! _Al_ +het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt: +tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw +alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee, +die hij in de haast uit een' hoek van den kelder gehaald had. Toen +de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één +naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar, +het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er +op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op. + +Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij +het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij +het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig +om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen +het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig +over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook +blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf, +als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten. + +En waar reed Tom nu wel 't eerst heen, denk je? Niet naar zijn' +vader, naar....--Maar wacht, 'k heb nog iets vergeten te vertellen! Op +de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat +leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. 't +Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo'n slimme +manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald +en op de kar geladen.--En achteraan de kar was--de os vastgebonden, +de os van den boer.--En nu weet je ook, waar de reis 't eerst naar +toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor +de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken. + +Toen Tom bij 't huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne +vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: "Weet je +ook van wie deze dieren zijn?"--"Nu," riepen de boer en zijne vrouw +vroolijk, "dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker +als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al +overal en overal gezocht en ze nergens gevonden."--"O," lachte Tom, +"ze liepen in 't bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk, +dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren." + +Dat was me eene vreugde in 't huis van den boer: die pakte zijne +vrouw om 't middel en danste met haar in 't rond. "Vrouw, nu krijg je +de nieuwe japon toch nog," riep hij maar al. Toen werden de geit en +het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl +ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: "Zeg eens, boer, is dat zakje ook +van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?" Een zakje? daar +hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar 't hing er, dat +was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan--honderd gulden! "Dat +is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt," zei Tom, en +vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing +te bekomen, had Tom de zweep over 't paard gelegd, en weg was hij! + +"Nu naar Vader," dacht Tom, "die zal nog grooter oogen opzetten dan +de boer en zijne vrouw." + +'t Was al laat in den avond, toen de kar voor 't huis van Toms vader +stilhield.--Tom sprong van de kar, bond het paard aan een' paal vast +en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de +deur open: 't was Toms vader zelf. "Wie maakt er zoo'n geweld aan mijne +deur," vroeg de vader verdrietig, "en dat zoo laat in den avond! Ik +beef er nog van."--Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis +niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar +hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: "Och, Mijnheer, +neem me kwalijk, dat ik U aan 't schrikken heb gebracht. Ik ben een +arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht +niet kunnen slapen?"--"Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in +mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!" + +Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was, +toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg +de vader medelijden en zei: "Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik +neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij +licht gezien hebben." + +Tom dus mee in de kamer, waar 't licht was. En toen .... die verbazing +van zijn' vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke +lachen van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! 'k Wou, dat je +'t gezien en gehoord hadt! + +De vader was 't eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw: +"En waar is 't geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken +leeg zeker!"--"Ja, Vader," zei Tom lachend, "handen en zakken leeg; +maar" en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn' vader +met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar +buiten bij de kar, "maar--eene kar vol!" + +De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet +te gelooven, dat in die zakken _zijn_ geld was, zijn heele verloren +rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze +waren vol harde rijksdaalders en guldens!--Toen greep hij Tom bij de +hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest: +"Nu, Vadertje, bedaard wat!" + +Dat was me nog eene andere vreugde dan in 't huis van den boer! De +vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en +vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan 't +vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis +van den boer schudd'en ze allen van 't lachen om de slimheid van +Tom, en de vader stak hem op 't laatst de hand toe en zei: "Jongen, +'k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik +meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar +nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.-- +Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees, +kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen. + +Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader +en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet +overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou. + +Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik +je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan +zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste +en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed? + + + + +HET ZILVEREN LUCIFERSDOOSJE. + + +Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was 't een soldaat, die zoo prompt +in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn' ransel op den rug, het +geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht +uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, twee! één, twee! de +voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een' +boom geleund zat en van het warme weer ingedommeld was, schrikte er +van wakker. + +"Dag, soldaat!" zei ze. "Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook +dapper gevochten?"--"Nu, of ik!" lachte de soldaat.--"En ben je nu +ook te trotsch, om zoo'n oud vrouwtje, als ik ben, een' dienst te +bewijzen?"-- "Zeker niet," zei de soldaat.--"Nu," zei het vrouwtje, +"je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel +geld voor geven, als je dragen kunt."--"Sapperloot," zei de soldaat, +"dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw, +wat ik doen moet." "Deze boom," zei het vrouwtje, en ze klopte op den +stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, "is van binnen heelemaal +hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar +benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer +naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op."--"Maar, +wat moet ik daar onder in den boom?" vroeg de soldaat. "Geld halen," +zei het vrouwtje. "Luister maar eens. Als je onder in den boom komt, +ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden +wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open +doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je +in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote +kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen, +met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet +bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond +dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je +geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den +hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen, +als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je +eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens; +maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je +'s middags van eet. Je behoeft daarom niet bang te wezen: laat mijn +schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil +je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen: +ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen +zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt +er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun +je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt." + +"Dat lijkt mij niet verkeerd," zei de soldaat, "maar wat moet ik +nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen, +stuur je me toch zeker niet alleen." + +"Neen," zei het vrouwtje, "voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje +halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar +geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij +lief, als eene herinnering aan hem." + +"Zoo," zei de soldaat, "is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje +zoo graag hebben? Maar waarom heb je 't dan nog nooit door een ander +laten halen?" + +"Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd," zei het vrouwtje, "maar nooit +heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar +beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe, +ga maar, je doet er mij zoo'n genoegen mee. Hier is mijn schort--ze +doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je 't?" + +"Kom aan dan maar," zei de soldaat, "bind me het touw maar om +het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet +gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!" + +Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in; +daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand +voor 't oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas +in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden. + +Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om--ja +hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes, +en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen--als je geen +soldaat was. + +"Een aardige jongen ben je," zei de soldaat, "maar brom nu maar niet +zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van +haar hebben. Geef mij nu maar eens je een' poot, nu den anderen, +zie zoo, daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik +mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist." Gezegd, +gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel +leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en +nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo +groot als een bord. + +"Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt," zei de +soldaat. "Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier +liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom, +kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer, +brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan +maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen, +maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee +kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O, +hé, die zitten vol centen! Weet je wat, 'k heb liever guldens dan +centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar +ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht +eens: in mijn' ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo, +oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer +op je kist, hoor, ik groet je." + +Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of +hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, 't Klonk wel als het brullen +van een' leeuw. Hij wou toch eerst eens om 't hoekje zien. Neen maar, +wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een' +wagen. En de oogappels draaiden--daar zou zelfs een soldaat raar van +worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij +deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom +op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. "Goeden +avond!" zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een' +generaal groette; want voor zoo'n hond had hij eerbied, "goeien +avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar +plaats te nemen?" Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den +boezelaar zitten. "Zie zoo," zei de soldaat, "nu laat mij eens zien, +waar jij zoo knap op gepast hebt," en hij deed de kist open. + +Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en +chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen +soldaten van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden +tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik +kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik +had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes +er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker: +bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako--in alle hoekjes en +gaatjes. Op 't laatst was hij stijf van 't geld. Toen riep hij den hond +weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam. + +"O, hoi, ho! trek op, Moedertje!" riep hij door den hollen boom. "Heb +je het lucifersdoosje?" riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot, +neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor +mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan +geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens +weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets +zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat +je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer +het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken +en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks, +hoor. Toen arm--nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap, +toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik. + +"Beste jongen," zei het vrouwtje, "weet je, wat je nu doet? Je +gaat met mij naar mijn huisje, hier in 't bosch. 't Is al zoo laat +geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je +bij mij logeeren, en 'k zal je een kistje of een' zak geven voor je +geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen." Dat leek den +soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze +thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en +gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest +van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze, +als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om +te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed. + +'t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange +wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde +van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste +hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd +er wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij, +welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde +zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk +naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme +stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk, +dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een' +dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken; +ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den +soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als +een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje +begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch +weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar +eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van +mijn geld hebben. Gezegd, gedaan. + +Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote +huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het +allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er +in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij +was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde. + +De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een +gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste, +zei wel: "wat oude laarzen heeft die mijnheer," maar den volgenden dag +konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig +pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud +soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer. + +En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en +dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens +toen de soldaat weer een' rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren +een groot gebouw staan. "Wat is dat voor een gebouw, koetsier?" vroeg +hij. "Dat is het paleis van de prinses," antwoordde de koetsier. "Maar +waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?" vroeg weer de +soldaat. "O, weet U dat niet, mijnheer?" zei de koetsier, "hebt U +nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen +gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de +prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt, +eene prinses met een' soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu +is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een' soldaat +ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er +kon immers eens een soldaat voorbij loopen!"--"Hoe jammer," zei de +soldaat, "ik zou die mooie prinses wel eens willen zien," en hij was +er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij +niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan +de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien. + +Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen +einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen; +maar kwam er geen einde aan de pret--er kwam wel een eind aan iets +anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had +niet begrepen, dat als je van een' zak vol geld altijd wat afneemt +en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was +toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet +meer naar 't paardenspel gaan, en niet meer naar 't bal, en niet +meer in zoo'n mooie kamer wonen. Op 't laatst kwam hij in een klein +zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet +mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen, +en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd, +en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer +en armer werd onze soldaat. + +Eens op een' avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje--want +licht branden kostte ook geld--te denken en te denken. Wat was het +toch treurig met hem afgeloopen--al zijn geld op! Ja, en 't was zijne +eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd +zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te +doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij +nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het +doosje was leeg, en 't was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens--dat +was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het +goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het +zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had +hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde +er al eentje--maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam +er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen +gezien had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En +die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem: +"Wat belieft, Mijnheer?"--"Wat mij belieft," riep de soldaat, ook +niet dom, "wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft +mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen." Weg was de +hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en +ja wel, hoor, een' zak met centen in den bek! Dien netjes voor den +soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert--weg was de hond. + +De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij +had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens +hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee +te gelijk. Dat was nog jammer. Neen--het was geen jammer, want--wie +bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar +met eene nog zwaarder stem: "Wat belieft, Mijnheer?" Niemand anders +dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de +soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de +kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de +guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel, +heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond, +die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat +hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe +dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen +soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij +weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en +krijgen wat zijn hart begeerde, en--doen! wat zijn hart begeerde. Ja, +_doen_ ook; dadelijk gaf hij van zijn' overvloed aan arme menschen; +want goedhartig was hij. + +En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd +de soldaat op 't laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist +van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt +was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet, +en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: 't was eene tooverdoos en +daarmee uit. Alles was immers tooverachtig--de honden met de groote +oogen, die praten konden en--alles. Onze soldaat was nu voor goed +rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou--'t +leek wel, of de kisten ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker +weer aan, net als de lucifers. + +Dus--kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk +van den soldaat, en toen kwam er "een varkentje met een' snuit, en +'t vertelseltje is uit"--denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog +lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan 't geld, +maar wel aan 't geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem +te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar +altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt, +is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij +niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er +was geen oorlog. Pret maken--daar had hij ook niet altijd zin in. Nu +zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé, +dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig +bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen +doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad +door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar +achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch, +dat niemand haar ooit mocht zien. + +Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij +vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf--'t +was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik +moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje +en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open, +en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde, +toen hij met zijne bromstem vroeg: "Wat belieft, Mijnheer?"--"Ik zou +zoo _heel_ graag de prinses eens zien," zei de soldaat. "Zou je daar +ook raad op weten?"--"'t Zal wel gaan, Mijnheer," bromde de hond, +en weg was hij.--Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou +er nu gebeuren?..... + +Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast +niet gelooven .... 't was de hond en--niet alleen! Op zijn' rug lag +de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn +grooten kop. En--ze sliep!!--Had de hond haar slapende uit het bed +getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat +wist er niets van. Hij vroeg ook niet--hij keek maar naar de mooie +prinses. Hoe lief lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze +soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken! + +Nu was hij tevreê--hij had de mooie prinses gezien. "Dank je wel, +brave hond," fluisterde hij, "breng het lieve kind nu weer terug."-- + +Weg was de hond--weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde +van beiden. + + + +En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles? + +Toen ze den volgenden morgen aan 't ontbijt zat met den koning en de +koningin, zei ze: "Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde, +dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een' soldaat, +en die streelde mij over 't haar!" + +"Foei! wat een nare droom!" zei de koningin. + +"Een soldaat! ba!" riep de koning. "Droom toch niet van een' +soldaat!" En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame +op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of +dat--neen, waar kon het toch niet wezen! + +En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te +denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses--wat zou het +gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij 't zelf recht goed +wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd +nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet--hij deed +haar immers geen kwaad! + +Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond +niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag +met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even, +dat ze het dier volgen moest--loop je niet, zoo heb je niet, om +te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog +net op tijd--in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen +morgen. Maar--'t was zoo donker,--zou ze morgen 't zelfde huis nog weer +kunnen vinden? Wacht,--ze had juist een stukje krijt in den zak--ze +zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar +huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat +gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen +al dadelijk gezien? Het kruis op de deur! En die, ook niet dom, maakte +op al de deuren in de stad net zoo'n kruis. Nu kon de hofdame de deur +van den soldaat niet vinden--op alle deuren was immers een kruis. + +Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen +droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter--het was geen droom. Ze +vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt +een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de +prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame, +dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden +voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. "Daar is het!" riep +de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. "Neen, daar is +het!" riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. "Maar +daar is nog een kruis! en nog een!" riepen beiden, en nu begrepen ze, +dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden--alle deuren hadden +immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die +kon ook nog wel wat anders doen, dan in een' wagen met vier paarden +rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een +zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de +prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den +hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in. + +En 's nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de +soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.--Ja, als hij +gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf +altijd bij mij--ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat +de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen +zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En--de koning dan! + +Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij +de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen--dat er een klein +paadje van grutjes liep van 't paleis van den koning naar 't huis van +den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en +die liet den soldaat uit zijn huis halen en--in de gevangenis brengen! + +Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het +daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar +wel was het: "O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En +weet je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene +hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de +menschen uit de heele stad om je uit te lachen,--dat heeft de koning +zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen +zullen roepen: 'Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en +'t is maar een gewoon soldaat!'" + +Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren. + +Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden, +de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis. + +Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de +straat van wonder en geweld, 't Was, of de heele stad leegstroomde; +alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen, +om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij +liep zich het vuur uit de schoenen--neen, uit de oude sloffen, die hem +veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan, +vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat. + +"Zeg, jongen," riep de soldaat, "je behoeft zoo'n haast niet te +maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar +wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje +verdienen." Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor +den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk "ja." + +Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door +de tralies, en de soldaat een kwartje en toen--geduld een beetje, +dat komt later. + +Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de +hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage, +gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep +soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet +weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning +en de koningin--die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de +soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten. + +Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en +voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit, +om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de +soldaten zouden een' roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen +opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. "Mijn +zakdoek! mijn zakdoek!" riep de soldaat. "Zijn zakdoek! geef hem zijn' +zakdoek!" riep het volk. En toen--waren op eens zijne handen los, +om den zakdoek te kunnen krijgen en toen--rrrt! rrrt! rrrt! daar +brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie +groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven: +"Wat belieft Mijnheer?"--"Helpt mij!" riep de soldaat, "grijpt den +koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven, +en ik heb haar zoo lief!" + +Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de +koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje +geslagen was, en ze riepen: "Wij willen wel! hij mag de prinses zien, +hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!"--"Ja! ja!" riep het heele +volk, "hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze +koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor +hem willen doen, moet hij wel goed zijn!" + +Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets +te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie +honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de +jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen: +"Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!" En de prinses kwam achter +de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat +stond haar wel aan. + +Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten +nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar +de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te +lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat, +die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn. + + + + +APRIL! + + +Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te +begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat +groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen +keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo +heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat +een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem +vertelt, dat zoo'n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de +mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo'n jongen heb +ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een +knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er +zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen. + +O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem +kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als +ik wou--ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met +hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar +tevreden zijn, hoor! + +Nu dan, ons vriendje--Hans heette hij--stond op een goeien morgen +in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig +juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de +beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk +nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het +pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw, +en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed: +van fijn stroo; niet met zoo'n kinderachtig laag bolletje, maar flink +hoog; niet met zoo'n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden +band--daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al. + +Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! "Hm, hm, +ik mag me laten zien," zei hij hardop, en toen--nam hij voor zijn +eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af. + +"Hm, hm," klonk daar op eens Moeders stem achter hem, "dat ventje +heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. 't +Duurt nog wel anderhalf uur, eer 't rijtuig voorkomt. En als je +nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al +'t mooi van je nieuwe kleeren afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, +'k zou nu maar eene poos naar buiten gaan." + +Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin +in. "Hoor eens, Hans;" riep zijne moeder hem nog uit het venster na, +"ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet +ik wel, hoe 't gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En +als 't rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan--flip, flap, gaat +de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!" + +Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen +zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij +zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn' +tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens--hij +dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. 't Was anders zoo aardig +een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en +wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, +naar 't schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van +'t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer, +dat er een "maar" bij was, een leelijk "maar." Je moet weten: Baas +Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij +mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat +wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral--als je Hans +heette.--Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, +weet ik niet. 'k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al +gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, +nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl +weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken +en--dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden. + +Maar nu, neen _nu_ ging hij eens _niet_. Moeder had gelijk; hij +moest liever bij huis blijven. 't Was in den tuin ook mooi. Hans +keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar +de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die +in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, +naar de kikkers, die door 't gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles; +maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken +niet naar hem. Niemand was er, die naar hem keek. En--zoo mooi als +hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene +bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel +om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van 't dorp, die gaven daar +meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij +het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En +baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer +met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas +Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf +uur, 't was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo +vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren +aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen, +tot de tijd om was. Maar--'t wou vandaag toch niet recht vlotten met +lezen: Hans had te veel andere dingen in 't hoofd. Zijne gedachten en +zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor +op 't kiezelpad! 't Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt +bij de tor. "Wat loop je vlug," dacht Hans. "Wacht eens even, dat +ik je beter bekijken kan!"--Maar het diertje was hem te gauw af, +'t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar +viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met +een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten, +handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen. + +Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar +de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo'n boerenjongen +om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. "Maar waar +zou--wacht, 'k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!" dacht Hans +trotsch. + +Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste +één, die hem bewonderde.--Kom, hij zou maar eens naar den jongen +toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij +misschien ook eens _hooren_, dat hij mooi gevonden werd. De jongen +behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was. + +Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de +heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al +dichter en dichter in de buurt van 't hek. Maar--toen hij er eindelijk +vlak bij stond, waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: +de heele jongen was op eens verdwenen! + +Hans keek eerst op zijn' neus. Toen--deed hij het tuinhek open en +ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen +gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. "Zeker bang +voor me geworden," dacht Hans, "wie weet, of hij me niet voor een' +heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo'n boerenjongen ook! Kom, +ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van +'t dorp is het, geloof ik niet." + +Hans liep den weg verder op. "Tot aan de eerste bocht," zei hij, +"en dan keer ik om."--Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was +heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans +wel iets anders. En dat was--de werkplaats van Baas Martens! + +Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een +vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam +los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven +de spaanders in 't rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het +niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden +behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen +zeggen--even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was +en ook--zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen +hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd +met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien! + +Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam +voor Baas Martens in 't voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de +bijl in 't hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd +een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig +knipoogje: "Ben je 't of ben je 't niet, jongeheer? Lang niet kwaad, +dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?" + +Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch +zei hij zoo onverschillig mogelijk: "Och ja, 't is omdat we straks +uit rijden gaan, weet je."--"Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien +nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?" vroeg de +baas. "Hoe zoo?" zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met +een bedenkelijk gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer +naar de lucht. "Hoe zoo?" vroeg Hans weer. "Nu, ieder moet weten, +wat hij doet," zei de baas eindelijk, "maar ik weet wel: _ik_ ging +niet uit rijden met zulk weer." "Met zulk weer!" lachte Hans, "neen +maar, er is geen wolkje aan de lucht. 't Is het prachtigste weer +van de wereld."--"O zoo," zei de baas, "weet jij 't beter dan ik, +die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen +hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden." + +Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem, +die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: "Maar Baas, hoe weet je toch, +dat het weer veranderen zal?" De baas wees naar 't haantje van den +dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. "Kijk maar, de wind +is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, +over een paar uur regent het er frischjes op los!" + +Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon +te hakken, alsof er niets gebeurd was. + +De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij +naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: "Praatjes +van dien regen!" Keek hij naar 't ernstige gezicht van den baas, +dan dacht hij: "'t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle +pret ging bederven!" + +De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig +door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas +nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op 't laatst +nader dan 't lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans +nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei +zoo bij zijn neus langs: "Er is wel een middeltje om te maken, +dat er geen regen komt."--Het heele gezicht van Hans klaarde +op. "Wat dan?" riep hij vroolijk. "Wel," zei de baas heel leuk, +"we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek +gaat waaien, dan is alles in orde."--"Ja, ja," riep Hans, "als dat +kon!"--"O, dat kan wel," zei de baas, "er is een touw, waarmee je +den wind kunt laten draaien. Maar"--en hij lei bedenkelijk zijn' +wijsvinger tegen den neus--"waar zit dat ding op 't oogenblik! Als we +dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen, +de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw +eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal 't hem vragen." + +Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar 't huis van +den buurman. "Hei, Jansen," riep de baas, "waar zit je?" Dadelijk +kwam Jansen voor 't open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder +dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij +gauw een knipoogje. Toen zei hij: "Treft het niet ongelukkig, Jansen, +hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de +wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, +om den wind te laten draaien, wezen kan?"--"Het touw, om den wind +te doen draaien?" vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich +ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens, +"ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer." + +Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den +drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn' +bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het +boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: "Ha, nu ben +ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. 'k +Herinner 't me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn' tuin +gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft +hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid." + +"Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit," zei Baas Marlens, +"de jongeheer heeft haast, hij zal geen' tijd hebben, om er nog even +heen te loopen." Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te +zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat +hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee--driemaal +vloog hem onderweg de nieuwe hoed van 't hoofd. Zijn mooie pak, zijne +glimmende schoenen, alles kwam dik onder 't stof. Maar dat kon hem nu +weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: het _mocht_ en het _zou_ +niet regenen. De wind _moest_ draaien. + +Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den +winkel van Teunissen binnen. + +"Teunissen ...." hijgde Hans, "is hier ook ...."--"Drop +te koop?" maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. "O ja, +jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout +zijn?"--Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar +hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. "Wàt moet +je hebben?!" riep hij. "Wel, het touw, om den wind te doen draaien," +zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. "Ze zeiden toch, dat het +hier moest zijn."--Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen +was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en +deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans +niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van--als je +zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden. + +"Nu?" vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen +antwoord gegeven had, "kan ik het touw krijgen?"--"Wacht eens, +jongeheer," zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, "ik zal mijne +vrouw even gaan vragen." + +Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef +alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te +luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat +praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het +touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden +wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo'n treurig benauwd +gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met +hem kregen. + +Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei "neen". Daarop zei de man +"ja". Toen zei de vrouw weer: "Zijn vader zal boos worden;" waarop +de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. "O, die nare vrouw +Teunissen," dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem +nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu--_zij_ zou +nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd! + +Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer +te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel +binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte, +maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van +hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch +te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens +merkte, wat zijne vrouw achter zijn' rug deed! Waarom zeiden ze niet +gewoon weg "neen" of "ja"! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar +hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo'n mooien hoed op had +en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze +hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in +de hand? Wat moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw +geven.--Maar Teunissen zei: "'t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne +vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig +vergist: het touw is op 't oogenblik bij Pietersen, _die_ wou graag +regen hebben op zijne erwtjes." + +Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te +treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen; +want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind +van Teunissen af. + +Pietersen zat buiten op eene bank in 't zonnetje en bekeek op zijn +gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem in 't gras te +slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij +de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen. Pietersen liet van +schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat +hooren en zien je verging. Pas toen de hond een beetje bedaard was, +kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als +een dolleman den tuin in kwam vliegen. "Och, Pietersen," zei Hans, +nog buiten adem, "ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind +mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen, +zegt Baas Martens, en--ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen +gestuurd om het touw." + +Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing +aan: hij begreep er niets van. "Hans, mijn jongen, zeg het nog eens +weer. Je wilt van me hebben ...." En toen nu Hans heel onschuldig +nog eens 't zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren +van 't lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te +worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen +liepen, en hij riep maar aanhoudend: "Neen maar, Hansje, wat heb je +daar eene prachtige grap bedacht, zoo'n mooie heb ik van mijn leven nog +niet gehoord. Het touw, om ...." En dan barstte hij opnieuw in lachen +uit. Hans werd er verlegen onder. "'t Is geene grap," bromde hij half +boos en toch met tranen in de oogen, "heelemaal niet. Toe, Pietersen, +geef me als 't je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen." + +Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in 't gezicht. Wezenlijk--de +jongen meende 't! "Wou je 't dan heusch zoo heel graag hebben?"--"Nu +òf ik," zei Hans, "'k heb er al een uur om geloopen."--"Och, zeg dat +nog eens," vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. "Ik +heb er al een uur om geloopen," herhaalde Hans heel geduldig. + +"Een uur lang, jongen, dat is een slim ding," zei Pietersen leuk, "want +nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een +feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters +gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo'n feest moet het +mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar +rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen +kunt, dan haal je ze misschien nog in." + +In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de +paarden achterna. Hans werd vuurrood in 't gezicht van 't harde loopen +en van 't roepen: "Hei daar, ho, veldwachters!" Maar je begrijpt, +al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! Hans kwam niets dichter bij +de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het +nog niet op. Och, och, dat touw, hij moest het hebben! + +Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij +den arm vatte en tegenhield, 't Was vrouw Teunissen, de vrouw van den +kruidenier, je weet wel. "Laat me los, het touw, het touw," riep Hans, +en hij deed al zijn best, om vrij te komen. Maar vrouw Teunissen hield +hem stevig vast. "Luister eens even naar me, mijn jongen," zei ze +goedig. "Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April +is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen, +dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad, +Martens en de anderen. Zoo'n touw is er heelemaal niet. Straks in +den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je +begreep me niet." + +Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor +niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe +geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen +en--op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. 't Was +verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid +gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen +uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad +en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was): +"Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. 't Kan den beste overkomen, dat hij +eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!" + +Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.--Wat zouden ze +thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich! + +Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij +huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag dadelijk, +dat ze niet veel goeds in den zin hadden--hij wou nog moeite doen, om +te ontsnappen. Maar dat was mis--de jongens hadden door Baas Martens +van 't geval gehoord, en nu vonden ze 't natuurlijk veel te mooi, +om Hans niet eens duchtig te plagen. In een oogenblik stonden ze +dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: "Heb je het touwtje +al in je zak?" of "Ben je ook moe van het trekken?" of "Waren de +erwtjes al opgekomen?" en al zulke plagerijen meer. En telkens, +als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep +het uit van lachen, 't Was niet om uit te houden voor den armen +Hans. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo +door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op: +van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat +gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen +één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was +gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar +Hans zoo trotsch op was, werd hem op 't hoofd platgedeukt! En wie +weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen +aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen .... + +Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed +bedorven en--met een' neus, wel tweemaal zoo dik als anders en +vuurrood. "Maar jongen," riep zijne moeder verschrikt, "wat is er +in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!"--"Verdiende loon," +zei de vader streng, "waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te +zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen, +terwijl wij weg zijn. Met een' jongen, die er zoo uitziet, kunnen we +ons toch niet voor de menschen vertoonen." + +"Terwijl wij weg zijn," had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden +uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst +van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden +neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje +voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele +poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip, +flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had, +voort vlogen de paarden en--Hans was alleen met zijn verdriet. + +Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe +hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar +bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor +'t venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te +plagen.--In lezen had hij geen' lust, in spelen nog minder: hij was +veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn. + +Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde +ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer draafde hij over +den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens +voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn' arm, om +hem tegen te houden. Maar 't was niet de hand van vrouw Teunissen--het +was--het was de hand van zijne eigen lieve moeder! En--hij liep ook +niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en +zijne moeder zat op een' stoel bij hem en hield zijne hand in de hare. + +"O, Moeder, ik heb zoo'n verdriet," zuchtte Hans en hij liet zijn +hoofd op Moeders schouder vallen. "Dat geloof ik graag, mijn jongen," +zei Moeder, "maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is." + +Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij +zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op +Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was +'t eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo'n touw bestond. En +toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel +eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou .... + +Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand +op zijn' mond en zei: "Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog +heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens +nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen +het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen, +dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven, +wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet, +dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je +vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een +beetje wijzer door geworden bent.--Als iemand nu in 't vervolg iets +vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar +dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf: +'Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?' Mij +dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is +'t wel?" + +"O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven," riep +Hans. "Ho, ho, jongenlief, zoo is 't ook weer niet gemeend," zei +Moeder lachend. "Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is +veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter +na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je +gelooven kunt en wat niet.--Maar kom, jongen, 't is nu geen tijd, +om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en +dan--slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook +weer in 't fatsoen kunnen brengen. En later--gaan we samen, met ons +drietjes, ook nog eens--rijden!"--"O, Moeder, wat ben je toch lief," +riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, "wat ben je toch lief!" + +Dat was de geschiedenis. En 'k wil er nog bijvertellen, dat Hans van +dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder +geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had, +hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen: +"'k Heb aan' jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger: +toen kon ik hem alles wijs maken en nu--is 't heelemaal uit met de +grapjes." Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik--Hans +was daar niet minder om. + + + + +TEN OOSTEN VAN DE ZON EN TEN NOORDEN VAN DE AARDE. + + +Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner +gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele +wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg +aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een' +zomermorgen ontdekte hij tot zijn' schrik, dat eene prachtige weide +heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag +moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven +kon hebben. 't Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen +getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist, +hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel. + +Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het +gras was nog veel platter. "Weet je wat, Hans," zei de boer tot zijn +oudsten zoon, "jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de +weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo +bederft." Nu--den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten, +leek Hans geen pretje; maar--Vader had gelijk: ze moesten er meer +van weten en dus zei Hans: "Dat is goed, Vader." + +Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets, +want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en +vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, +werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer +een ander deel van de weide plat getreden was. + +Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te +brengen. "Jongen, jongen," zei Vader, "wat spijt mij dat! Kon je voor +mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?" + +"Och, Vader," riep de tweede zoon, "laat mij vannacht maar eens gaan, +Hans is zoo'n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit +mijne oogen kijken."--"Dat hoop ik," zei de Vader. Maar Bob had goed +praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en--weer was er +den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven. + +"'t Is toch verschrikkelijk!" zuchtte de Vader; "ik zal zelf dezen +nacht maar eens op wacht gaan."--"Neen," riep Paul, de jongste zoon, +"daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag 's nachts in de +weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan."--"Och, +jongen," zei de vader; "wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig, +je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een' nacht wakker +kunnen blijven!"--"Ik kan 't immers gemakkelijk probeeren, Vader," +zei Paul. "Nu, ga je gang, jongen," zei de Vader. + +En Paul ging zijn' gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op +wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen +wijd open. Maar--niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze +Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang +op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm +vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie +duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul +stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij +niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en +er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide +stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul +zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor +zijne oogen--zulk dansen had hij nog nooit gezien. 't Was of ze +met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar +toch--de grashalmen bogen om--en nu wist Paul, hoe het gras in de +weide plat werd. + +Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij: +"Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien," en zonder +dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was +Paul naar de veeren pakjes geslopen. "Wacht," dacht hij, "daar moet +ik eens eene grap van zien," en stil nam hij de veeren pakjes mee en +ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen. + +Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot +rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren +pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een' schrik en een zoeken en een +onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden +mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. "O, jonge man," riepen +de meisjes, "heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze +dan, als je blieft terug!"--"Ja," zei Paul, "die heb ik genomen, maar +ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten +eerste: op geen van de weiden van mijn' vader mag ooit weer gedanst +worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan +komt." Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de +eene: "Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij +wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van +de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden." + +"Zoo," sprak Paul. "Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik +later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat je me nu trouw +belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed +en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met niemand anders en U moet +dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook." Bij die woorden werd +de koningsdochter bleek van schrik, maar wat zou ze doen? Daar kwam +de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen, +anders .... Ze beloofde alles. Paul gaf de veeren pakjes terug, +en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in. + +Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar +huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met vragen; maar +Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: "Ik heb natuurlijk +geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, dat de weide in 't +vervolg nooit weer plat getreden zal worden." Toen lachten de broers +hem uit en deden net, of zij niet geslapen hadden. En de een voor +den ander riep: "En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu--we +zullen eens zien, of de droom ook uitkomt."--De vader lachte niet; +de vader zuchtte: "We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn +bedrog." Maar--de droom kwam uit, en de broers lachten en de vader +zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de +weide vergeten. + +Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel +te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, waarop de +bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn' vader en verzocht hem een +bruiloftsmaal klaar te laten maken en de gasten te verzoeken: "want +ik ga trouwen," zei Paul. "Trouwen, jongen, maar met wie dan?" riep +de vader. "Ik heb je nog nooit met een meisje gezien!"--"Ik ga toch +trouwen, Vader," zei Paul, "reken daar vast op. Maak maar alles klaar +voor de bruiloft en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid." De +vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had. + +Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms +en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke gezichten +aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was--de bruid. "Geen nood," +zei Paul, "ze komt wel," en hij keek zoo vroolijk uit zijne oogen, +alsof de bruid goed en wel naast hem zat. + +'t Werd avond, 't werd laat in den avond--geene bruid. De gasten +keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul werd +vroolijker en vroolijker. Daar op eens, 't was twaalf uur in den +nacht, 't was middernacht, kwam er in vliegende vaart een wagen +aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een' voerman +vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen--Paul de voordeur +uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken, +en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter in bruiloftskleed, +en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd +door de twee hofdames. De vader en de broers en de gasten stonden +met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was +in den nacht, toen hij de wacht hield op de weide, en toen kwam +er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep: +"Neen, maar wie zou dat nu ooit van dien Paul gedacht hebben!" En +den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd, +hoe stiller de mooie bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze: +"Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je +vrouw, maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen, +als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen zeggen, +maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer +duif worden. Mijn vader was vroeger koning over een land, hier heel ver +vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus +kwam en doodde hem in zijn eigen paleis, en nu word ik in het paleis +van mijn' vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur +vóór middernacht tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet +nu vertrekken." Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: "O, neen, +je bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!" Maar de prinses zei: +"Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven." + +Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten +stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid in het +prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger, +en de hofdames gaven Paul ieder een gouden appel, en voort rolde de +wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil +weggegaan. Die hadden ook al geen lust meer in feestvieren. + +Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had +hij plezier--altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem +toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij 't +niet langer uithouden van verlangen. "Vader," zei hij, "ik moet haar +zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten +oosten van de zon en ten noorden van de aarde gevonden heb." + +"Beste jongen," zei de vader, "ga je gang; maar ik vrees, dat je +teleurgesteld terug zult komen."--"We willen het beste hopen," zei +Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok. + +Dat was reizen. 't Ging maar als in het liedje: + + + "'k Moet dwalen, 'k moet dwalen + Langs bergen en langs dalen ..." + + +En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van +de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist hem er iets +van te zeggen. + +Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde +hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er wel tien +menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er +maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden en elkaar te pakken +hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het. + +Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier +bang. "Wat nu, jongens" riep hij, "wat is er te doen, waar krib +jullie om?"--"Och," riep de eene reus, "onze vader is gestorven, +en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn +hier zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar +dat wil Kwak niet."--"Neen," riep de andere reus, "wat heb je aan één +laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik +niet!"--"Neen," zei weer de eerste reus, "want het zijn tooverlaarzen; +je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden."--"Nu," zei de andere, +"als _hij_ er dan mee loopt, dan word _ik_ wèl moe en dan kan ik hem +niet bijhouden."--"'k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen +hadden," riepen beide reuzen, "want vroeger hebben we nooit ruzie +gehad, en nu kribben we om die laarzen."--"Ik weet goeien raad," +zei Paul, "geef mij de laarzen, dan krijg je ze geen van beiden en +behoef je er ook niet meer om te twisten." "Dat is waar ook," zeiden +de reuzen, en zoo kreeg Paul de laarzen. + +Of Paul in zijn' schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart +uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam hij nu +vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar +kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar hoorde hij weer +zoo'n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een' +mantel. En toen Paul er bij kwam, was het: "Och, jonge man, raad +ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen +we al zijn goed deelen. Dus moeten we toch ieder een halven mantel +hebben.--"Gekheid," riep de andere reus, "wat heb je aan een halven +mantel. Ik zeg: geef mij den heelen mantel."--"Dat doe ik niet," riep +de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als +jij je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil +je zien, Flikje, want ik hou' zooveel van je, en ik kan niet alleen +wezen."--"En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je +altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld niet uithouden," +riep de andere reus. "Weet je wat, jongens," riep Paul, "geef mij den +mantel, dan kun je elkaar altijd zien, en je behoeft dan ook geene +ruzie meer te maken."--Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen, +en met een verlicht hart gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in +zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om, +die hem onzichtbaar maakte en wandelde weer verder. + +En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee +reuzen aan 't vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan ze ieder de +helft moesten hebben. "We weten niet, hoe het moet," riepen de reuzen, +"want het is een tooverzwaard; als je met de punt iemand aanraakt, +sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken."--"O," +riep de eene reus, "krijgt Snip de helft met de punt, dan maakt hij +menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis."--"En," klaagde de +andere, "krijgt Snap het handvat, dan heeft hij geene doode menschen, +om weer levend te maken."--"Weet je wat, jongens," zei Paul, "geef +mij het zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het +hebben zal."--"Hé ja," zeiden de reuzen, "dat is een goeie raad." En +Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den +mantel over de schouders. "Ziezoo," dacht hij, "als ik nu niet voor +eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet."--"Goeiendag!" En +toen was het: "zoo zie je me, en zoo zie je me niet," want Paul was op +eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een oogenblik konden +die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers +met echte reuzenschreden voorwaarts in zijne reuzenlaarzen. + +Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen +hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst op een +paleis. 't Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld, +en in dat hutje woonde een oud, och zoo'n oud vrouwtje. Ze leek wel +zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam +zijne pet af en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Dag, Grootmoedertje, +hoe is het met U?" + +"Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het oude +vrouwtje. "Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik heb ze ook +weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij +zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar," +zei Paul. "Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één' nacht in Uw hutje +mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, om het paleis te zoeken, +dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U +den weg daarheen ook, lief Moedertje?"--"Neen," zei het oude vrouwtje, +"ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen, +misschien kan een van mijne onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld +tot morgen en leg je eerst te rusten." Paul dankte het goede vrouwtje +en ging slapen op een bed van eikeblaren. + +Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde +de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten de +onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren, +vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: "Wat bevoelt +Uwe Majesteit?"--"Is er onder jullie" vroeg de koningin, "die langs +zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het +paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?" Toen kwam +er een hevig gebrom, 't was of al de dieren elkaar om raad vroegen; +maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van +hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde +gezien had. Toen zei het vrouwtje: "Jonge man, dan kan ik je ook niet +helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is +over al de dieren in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen." Paul +dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder. + +Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een' avond door een +reusachtig bosch, en aan 't eind van dat bosch was eene zee, en aan +het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte +aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo oud, zoo oud! "Die +is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, "als eene gewone grootmoeder +weken oud is."--"Dag, oud Moedertje," zei Paul, "hoe is het met U? Ik +moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over +al de dieren, die op de aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij +voor één' nacht te herbergen." + +"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig +eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven; +maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij +zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar," +zei Paul, "en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten +van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij den weg +daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd +te vergeefs."--"Neen, ik zelf niet," zei het oude vrouwtje, "maar +misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren, +die de zee bewonen. Misschien is er onder hen een, die je terecht kan +wijzen." Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op +een bed van eikeblaren te rusten. + +Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen +kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water bruiste +en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen: +alle vroegen, wat de koningin beliefde. "Is er iemand onder jullie," +vroeg de koningin, "die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten +van de zon en ten noorden van de aarde ligt?"--Toen volgde er een +overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit +van dat paleis had gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: "Je ziet, dat +ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is +over al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor +je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. Is je +dat niet te ver?"--"O, neen," riep Paul, "niets is me te ver, als ik +maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden +raad en stap nu maar dadelijk verder."--"Goede reis!" riep het oude, +oude vrouwtje, "en hou' maar moed!" + +Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed +verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: "wie +volhoudt, moet winnen!" En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam +weer op een' avond in een reusachtig bosch, in een bosch zonder einde. + +"Nu zal ik er zijn," dacht hij, "maar waar moet ik nu wezen?" Daar zag +hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op af en ja--daar +stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat +hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen--de andere oude vrouwtjes +zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker +wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder dagen oud is. + +"Dag, oud, oud, oud, Moedertje," zei Paul. "Hoe is het toch wel +met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters, +de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen." + +"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het +oude vrouwtje. "Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien opgroeien, +en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog +nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk toesprak." + +"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul. "Ik zoek het paleis, +dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt, +het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen, +lief Moedertje?"--"Ik? neen!" schudde het oude vrouwtje, "maar +ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver +en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen je +helpen."--"Dat hoop ik van harte," zei Paul. "Maar mag ik hier één' +nacht uitrusten?"--"Zeker," zei het oude vrouwtje. Weer legde Paul +zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker +door het luiden van eene groote klok. + +In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een +gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. Daar waren de +onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars--te +veel om te noemen en alle vroegen: "Wat beveelt Uwe Majesteit?"--"Ik +heb jullie hier geroepen," zei de koningin, "om te vragen, of een +van jullie ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon +en ten noorden van de aarde ligt?" De vogels bedachten zich eene +heele poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het +paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het oude +vrouwtje boos. "Wat!" riep ze; "jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt, +weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? Maar--ben jullie er +wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!" Neen, de vogel Phoenix +was den vorigen avond niet thuis gekomen en nog niet terug. "Maar, +dat is ongehoorzaam," riep de koningin boos. "Daar komt hij! daar is +hij!" riepen op eens alle vogels. En ja--daar kwam de vogel Phoenix +aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer +bewegen kon en plotseling als op de aarde neerviel. Alle vogels waren +blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos: +"Waarom heb je iets tegen mijn verbod gedaan?" De arme vogel had eerst +eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: "O, Koningin, wees niet +boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver, +heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, dat ten oosten +van de zon en ten noorden van de aarde ligt."--"Zoo," zei de koningin, +"nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid nog éénmaal de reis +daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef +ik je den tijd om uit te rusten en dan voorwaarts." + +Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul +zette zich op zijn' rug. Hij dankte en groette het oude vrouwtje, en +daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de +blauwe zee en de groene bosschen, verder en altijd verder. Eindelijk +vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie, +dunkt mij, eene blauwe wolk heel onder aan den hemel."--"Dat is het +land, waar we naar toe moeten," zei de vogel. En weer ging het verder, +altijd verder. + +'t Werd avond. Weer vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," +zei Paul, "ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als +de zon zelve." De vogel zei: "Dat is het paleis, waar we naar toe +moeten." Weer verder, altijd verder. + +Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: "Zie je +niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie een groot paleis, dat glanst +van goud en zilver."--"Nu zijn we er!" riep de vogel, en hij zweefde +naar beneden en liet Paul van zijn' rug stappen. Paul wist niet, +hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet lang op +dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls +oogen verdwenen. + +'t Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars +in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis woonde, +waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De +toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul aan de groote voordeur +klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. "Ga toch eens kijken," +zei ze tegen eene van de hofdames, "wie daar zoo laat nog klopt." Toen +nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul +vlug een' van de gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar +gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot +vallen en vloog naar de prinses. "O," riep ze, "die allerbeste vriend +is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen gerold, +dien ik hem vroeger heb gegeven." De prinses kon niet gelooven, +dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar de deur om te +kijken. Weer rolde Paul een' gouden appel door de kier van de deur; +'t was de appel voor de tweede hofdame. De hofdame herkende haar +eigen appel en vloog er mee naar de prinses. "O," riep ze "daar is +die allerbeste vriend, zie, daar is de appel, dien ik hem vroeger heb +gegeven." Nog kon de prinses het niet gelooven. "Hoe zou die ooit hier +kunnen komen!" riep ze. "Wacht, ik ga zelve kijken." Voorzichtig deed +ze de deur op eene kier en vroeg: "Wie is daar?" Toen reikte Paul +haar den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest +de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug +deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal, +dat hij zoo'n verre reis gedaan had, om bij haar te komen. + +"Maar hoe nu verder," zuchtte de prinses. "Als de reus, die zoo'n booze +toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den morgen wordt hij +wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars, +die hem helpen; daar kun je niet tegen vechten."--"Laat mij maar +begaan," riep Paul, "ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!" De +prinses schreide; ze was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen. + +Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan +met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte, +om. Hij riep met krachtige stem: "Waar is de reus, die de lieve prinses +gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!" De +reus hoorde de stem en stormde woedend naar buiten. Hij zag niets; +maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie +het hoofd af. En Paul riep maar weer: "Waar is het leger, dat de reus +wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen, +zou ik bang wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!" + +Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden +kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. Paul sloeg +niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem +voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. Toen naar de +prinses. "Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk +vrij?" riep de prinses! "O, Paul, wat heb ik je nu lief! O, wat ben +ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of--of het moest wezen, +dat ik mijne lieve ouders en mijne geheele lieve familie terug kon +krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn."--"Waar +zijn ze begraven?" riep Paul. "Kom, ik wil zien, wat ik met mijn +tooverzwaard kan doen." + +Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al +de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan en--de +eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde, +die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat Paul nu koning +moest worden. "Ja," riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op +hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, dat spreekt, en ze kreeg +ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den +troon en allen riepen: "hoera!" En de drie oude vrouwtjes werden op den +rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten +noorden van de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren. + +En nu mag jullie zeggen: "Die Paul!" En dan zeg ik: ja, van "die Paul" +kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke woorden +wel zoo ver komt in de wereld--wel zoo ver als het paleis ligt ten +oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar zonder goeien +wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun +je vast op rekenen. + + + + +JUIST GOED! + + +Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was +heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij rijk als +de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren +vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden en akkers, met +hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig +geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met het huis, de schuren en +stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was +de bliksem geslagen in het huis van den arme: het huis was toen tot +den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een' stal er bij. Het +had den arme veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee +had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke +was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk, +de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het vet. Maar bij +den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste +paarden, de mooiste koeien en schapen, de vetste varkens. En de arme +had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen +werden leeger en leeger. + +Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte, +dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van oogsten +kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens +thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat door hagel of +zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En +de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, omdat ze elk jaar weer +minder te bergen hadden. + +Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde +er van.--Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam er juist even te +voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen, +het ging broeien en zuur smaken. Het vee lustte zulk hooi niet, +het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen. + +Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker: +alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer: +alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier, +hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe weiden +en meer vee en meer akkers, hij nam meer knechten en meiden in zijn' +dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren +en stallen oud en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk +voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij +moest zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij +ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van den +morgen tot den avond--het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit +en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, wat hij nog had, +verkoopen. 't Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg +voor alles maar weinig geld, heel weinig. En voor dat weinigje kocht +hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne +koe met één schaap. Hij hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen +leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme +zou nog armer worden .... De koe en het schaap werden ziek en--ze +stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond, +waar bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen +moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest was, +uit werken gaan, om zijn brood te verdienen. + +De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken, +om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan geld en goed; +maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe +ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid en hoorde zijne +klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even +ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, waar zijne geldkist +vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de +arme had weinig te geven, en toch gaf hij nog van zijne armoede aan +anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld +en goed; maar rijk aan liefde en medelijden. + +Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn' rijkdom niet. De +rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, dat +het zijn' broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte +de rijke.--Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, was nooit +afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd, +verheugde de arme zich in 't geluk van den rijke. + +Nu hoor, wat er gebeurde.--Het stukje grond, dat de arme bij zijn +huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of +heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De arme zaaide +altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte, +om den grond los te maken; maar 't hielp alles niets. 't Was, om er +heelemaal den moed bij te verliezen. + +"Eéns wil ik het nog probeeren," zuchtte de arme, "en als het nu niet +lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven liggen." Wat +zou het zijn voor 't laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij, +'t moest maar koolrapen zijn. Als die eens opkwamen, daar was nog +eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging, +of hij er ook nog niet van verkoopen kon! + +Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen, +of het opkomen zou. + +En het _kwam_ op. Maar hoe! Och, 't was dezelfde treurige geschiedenis +van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes +uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: "kon je ons in geen +beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?" Treurig +schudde de arme het hoofd. "Er komt niets van terecht," zuchtte hij. + +Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker +gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover was, +dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er +niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale plantjes zag, +werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder, +dat er gebeurde op zijn' akker. + +Eens op een' morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had +behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen op den akker. De +spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet +moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne verwonderde oogen? Ze zagen +midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig +spreidde ze hare dikke, sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme +stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets +kon groeien op _zijn'_ grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar +van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de +bladeren en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het +wel eene koolraap, die hij zelf gezaaid had? Ja, 't moest toch zoo +zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen +groeiden; alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. "En," dacht +de arme met vreugde, "als de bladeren en stengels zoo forsch zijn, +wat zal er dan eerst voor een' wortel aan zitten!" Ja, hoe groot zou +toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen was? 't +Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben, +uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar neen, dat deed hij niet: +de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel +moest nòg dikker worden. Rustig zou hij haar laten groeien, tot ze +niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde +te nemen. Maar kijken naar zijn' schat, dat mocht, en dat deed de +arme dan ook trouw, 's Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog +op de bladeren van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag +er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de +zon hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw, +onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, tot +de oogen hem dichtvielen. 's Avonds, als hij moe van 't werk kwam, +zette hij een' stoel op den akker en rookte er zijn pijpje. + +En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag _zag_ +groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze +op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. De +plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte, +hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde zijn gezicht +van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den +grond ook doorgroeide en dien hij nooit zag, dan klopte hem het hart +van hoop en verlangen. + +Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch +wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als ze was. Wel zag +hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep +hij, dat ze niet leven konden, omdat die ééne krachtige, hongerige +alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar +dat kon lang niet genoeg zijn. Neen, hoe grooter de plant werd, +hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze _moest_ hem +geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het: +het gezicht van den arme fleurde met den dag op. Zoo mismoedig als +hij vroeger het hoofd had laten hangen, zoo moedig droeg hij het nu +omhoog. "Wat zou er toch gebeurd zijn?" dachten de menschen. Niemand +wist het, en niemand mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge +struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij +er ook met niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem +worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en +dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen. + +Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou +worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade bekeken. En hij +had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast +aangedraaid. Toen was hij gaan slapen en had gedroomd, dat er maar +een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene +vuist. Verschrikt was hij wakker geworden. Gelukkig--'t was maar +een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef +en groef, tot hem het zweet van 't gezicht druppelde. Niet dat het +werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller +en sneller ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven, +dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang, +dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar +altijd niet aan 't einde. Op 't laatst was de kuil zoo wijd, dat hij +er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er +rechtop in stond, nog maar even met zijne handen den rand raken kon. + +Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi +langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den arme glinsterden +van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en, +keek naar de raap, alsof hij nog nooit in zijn leven zoo iets moois +gezien had of zien zou. + +Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon +hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol doen +zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen +was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was en dat ze groeide, +zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het +groeien kon hij nu niet meer hebben. De aarde was eenmaal losgewoeld, +daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de +hoogte van den knol mee. Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te +weten. Maar wat te doen met zijn' schat! + +Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben: +hij was maar alleen, 't zou een heele voorraad voor hem zijn. Maar +neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem +te lief. + +Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het +iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen zeggen: +"Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met +zoo'n heele groote, waar we haast geen' weg mee weten!" Neen, zóó +zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken. + +Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat +willen? Als de menschen op' het dorp hoorden, wat er te doen was, wel, +dan liepen ze vanzelf naar zijn' akker, om ongevraagd te kijken, en hij +kon ze toch niet wegjagen.--Neen, neen, dat was alles het geluk niet. + +De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging +hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij van moeheid na de +groote inspanning in slaap. En weer had hij een' droom. Hij droomde, +dat zijne raap een gezicht en armen en beenen gekregen had en, dat ze +nu zat op een' troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden +staf in de hand. Om den troon stonden in een grooten kring eene heele +menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke +raap. De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf, +en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: "Leve onze koningin, +hoera voor de koningin van de koolrapen!" + +Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. "Ik weet het, +ik ik weet het," riep hij, "eene koningin past bij een' koning. Ik +breng de koolraap naar den koning!" Dat was nu heel mooi bedacht; +maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand pakken en dragen, +daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen, +daar zouden wel twee, drie, mannen voor noodig zijn. En met optillen +was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg--hoe zou +de koolraap daar komen! .... Hulp vragen, dat was het eenige. 't Zou +toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam. + +Maar waar zou de arme aankloppen? 't Beste was misschien nog alles +te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp +kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest, en de boer +had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de +arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst geweest was en later, +toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop--toen beloofde +de boer dadelijk te raden en te helpen. + +Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en +de boer, die bij 't verhaal van den arme zijne ooren bijna niet had +kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij wezenlijk niet wist +wat hij zag. "Wel verbazend," riep hij, "dat mag in de krant! Zoo'n +dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich alleen gebruiken met +twee paarder er voor." + +En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor +koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid was. Drie mannen +tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen, +waar een zacht bed van stroo voor haar gespreid was. En toen ze weg +reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de +koningin van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg +op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de verte +met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en +ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning wel zeggen zou. En de +arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk +toe en klapte lustig met de zweep. Zoo ging het voorwaarts van het eene +dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de +verte begroet met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap +reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan +'t eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou. + +Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning +woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen wapperden van alle +huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten +in lange dichte rijen, en vóór het paleis op een groot plein stonden +wel vijfhonderd soldaten. + +Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de +trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig gezicht het +geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was +alles een grapje van den koning, die veel schik had in 't geval. De +arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest, +hij was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles +eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen, en +lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden, +om ernstig te blijven kijken. + +De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen, +dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook de heele +treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden, +van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen en van de +hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart +van den koning was vol medelijden met den arme. + +"Uwe Majesteit," begon de arme, toen hij voor den koning stond, "Uwe +Majesteit, ik kom...." Verder kwam de arme niet. Onderweg had hij +heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit +pure verlegenheid van al de mooie woorden er geen twee meer bij elkaar +krijgen. Maar de koning hielp hem: 'Ik kom Uwe Majesteit de koningin +van de koolrapen aanbieden, en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo +vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.'--"Was het +zóó niet?" lachte de koning. "Ja, zóó was het, Uwe Majesteit, juist +zóó!" riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de +verlegenheid geholpen had. "En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?"--"Wel +zeker wil ik!" zei de koning. "Veel wonderlijks en vreemds heb ik in +mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel +moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present gekregen, maar nog +nooit zoo iets aardigs!"--De arme kreeg eene kleur van plezier.--"En +zeg me eens," vroeg de koning, "uit wat voor een zaadkorrel is toch +die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel +geweest zijn. Of komt al je zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel +een echt gelukskind, hoor!"--Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij +zuchtte--_hij_ zou een gelukskind zijn! "Och neen, Uwe Majesteit," +zei hij treurig, "noem mij liever een' ongeluksvogel." En toen vertelde +de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist, +maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf nog graag +eens hooren wou. + +De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef +nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk +begon hij: "Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap je waard +was. 't Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil _ik_ +ook graag wat voor _jou_ doen--je zult niet voor niets zoo'n schat +aan mij hebben afgestaan." + +De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk +komen, komen door de raap? + +"Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn' overvloed geven, +wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden." + +Daar _was_ het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor +den koning op de knieën. Maar de koning richtte hem vriendelijk +op en zei lachend: "Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je +gelukkig gemaakt." + +En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest +was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en prachtig vee +en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen. + +Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en--het +_bleef_. De arme was niet arm meer; maar hij _werd_ het ook nooit +weer. 't Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had +voor goed den voorspoed gebracht. Zelf was de raap bij den koning +gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het +paleis op een' reuzenschotel van kristal, dien de koning alleen voor +haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap +bewonderen, en iederen dag stroomde het van menschen, die uit alle +streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den +koning had gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap, +ieder hoorde van de raap. + +Ieder--dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke, +die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme, die nooit +hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon, +dat een ander even rijk of rijker was dan hij. De rijke dus hoorde +ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen, +werd hij boos en afgunstig in zijn hart. + +"Zoo'n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een' koning, dat +moet ik zeggen," spotte hij. "'t Lijkt wel, of de koning niet recht +bij zijn verstand is, dat hij mijn' broer daarvoor zooveel gegeven +heeft! Wat moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars, +voor iets van groote waarde!" + +Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den +koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten de koning +_hem_ dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen +had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige rijke +wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer +op den neus kijken--juist goed! Wat meende die onnoozele bloed wel, +dat hij met een' knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke, +die zooveel meer geven kon! + +Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele, +kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en vurig. + +Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht +er niet aan, de menschen op zijn' weg vriendelijk te groeten. Wel +keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van +nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel en vroolijkheid +was er niet. Ieder wist, _wie_ hij was en _hoe_ hij was. + +De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan 't eind van +zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning +woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van +de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor 't paleis, +geene muziek speelde er. 't Was doodstil in alle straten, waar de +rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand keek er naar hem +uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den +rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden gehad had met den arme, +die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon +de koning hem niet vergeven. + +De rijke kwam vóór den koning. _Hij_ was niet verlegen, _hij_ wist +zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof +hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en koningen had +omgegaan. "Ik hoorde," zoo begon hij, "dat mijn broer zoo vrij, of +ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest is, onzen geëerbiedigden +koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was +wel zoo vriendelijk, dat dwaze geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit +gaf mijn' broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk +niet verdiende. Ik kom nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik +me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen over de +brutaalheid van mijn' broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn +broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige paarden. Onze +geëerbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van +edele, mooie paarden. Ik deed mijn best, om de kostbaarste te vinden, +die er zijn. Zoo'n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen +dan...."--De koning, die alles met een strak, onvriendelijk gezicht had +aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. "Je +kunt heengaan," zei hij, "ik neem de paarden aan." Toen schelde de +koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij zich +komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei: +"Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit," boog en ging weer heen. + +Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en +onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem niet eens +laten uitpraten--de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar--toen +de bediende met hem meeging en hem bracht bij een grooten overdekten +wagen met twee paarden, die op het plein vóór het paleis stond, toen de +bediende zei: "Dit geeft Zijne Majesteit U in dank voor de paarden," +toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer +schelen, hoe de koning tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet +wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer +oogen opzetten, als hij te weten kwam, wat de koning _hem_ vereerd had! + +De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren +het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen? In zijne +gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op +satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten, die hij er voor zou +laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden +droeg, als hij een juweelen knop aan zijne zweep en aan zijn' stok +liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare +oorbellen en broches, ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem +benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn' zak, als +hij kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En--hoe armoedig +vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen had! + +Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar +huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel schatten +borg. Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien--toch +raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis, in zijn +eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters, +van zijne meiden en knechten, van al zijne buren, de zakken en de +kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en--hem +benijden, dat was zijn lust en zijn leven. + +Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich +oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die uit +nieuwsgierigheid met hem meeliepen. + +Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en +deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden, die allen +naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen, +die om den wagen stonden. "Vrienden," begon hij, "een groote eer is +mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze geëerbiedigde koning, nam niet +alleen mijn geschenk in genade aan, maar gaf mij tot dank veel +kostbaars. Hieronder," en de rijke legde de hand op het dekkleed +van den wagen, "ligt geborgen, wat mijne eigen oogen nog niet gezien +hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!" + +De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof +hij zelf een koning was, keek hij voor 't laatst nog eens trotsch in +'t rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen, +om vooral goed te kunnen zien. + +En nu--daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet +kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd van +schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen +voor 't gezicht, vliegt in huis en gooit de deur achter zich toe.... + +Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn' broer! + + + +En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het +huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig gefopt was. + + + + +WEER VAN EENE FEE. + + +Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school +gaan--allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle dag +terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn: +'t is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja, zoo denk +jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er +heel anders over dacht. + +Dat ongelukkige kind kon 's morgens, als ze op zou staan, nooit hare +kousen vinden. Gezocht op den stoel vóór 't bed, in 't bed, rechts, +links, aan 't hoofdeneind, aan 't voeteneind, onder de dekens--alles +onderst boven gehaald. Eindelijk--één gevonden onder 't kussen, +een poosje later nummer twee onder 't ledikant. + +Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen +stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien, je kunt nooit +weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij--in een' +hoek van de vensterbank! + +Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De +waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu achter! + +Dan aan 't plassen. Een druipnat gezicht--geen handdoek, om het af te +drogen. Een pretje, hoor! Waar--kon--dan--toch--die--handdoek--zijn? Al +pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over +een' post van 't ledikant. + +Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor 't +grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel. Niets! Op +tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze +toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk! + +De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er +afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning, +hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer, +'t Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig weer +wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan. + +Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?--'k Hoop voor +jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen en knoopsgaten, +haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind, +schenen wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef +en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten, +konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld +door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver van af zaten. De +stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid +van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel knoopen en haken, die er +heelemaal "voor spek en boonen" bij zaten. + +Vraag ook niet naar Ida's vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar +gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten verdeelen +in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu +eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht een dun, schraal +strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop. + +Maar--hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te +ontbijten, dat wil zeggen--om staande haastig een paar happen brood +te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in +verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden als je bij 't aankleeden +zóó geplaagd en opgehouden wordt! + +Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg, +als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden. Nu, ze had +ook geen tijd meer om te zoeken--dan maar zonder de straat op. Flap, +de voordeur dicht.--Een oogenblik er na: tingelingeling! Ida terug +hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal +gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet verstopt achter de +kelderdeur, die open stond?--Waren de boeken en schriften, was alles, +wat ze noodig had er wel in? In de vlucht even in de tasch gerommeld, +een schrift er bij één vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om +een boek half afgescheurd. Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik +tijd meer: 't was toch al zoo laat. + +Ja, Ida was _te_ laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest +schoolblijven, om 't verzuimde weer in te halen. + +Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?--"Ida," vraagt de juffrouw, +"waarom begin je niet te schrijven?"--Juffrouw, mijn pennenhouder +is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn +vak."--"Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft, moet hij er nu nog +zijn. Zoek nog eens goed."--Ida aan 't scharrelen in de beide vakken, +in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder +de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle +meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen heelemaal niet +werken. Ida's werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig. + +"Leesboeken op de tafel!"--"Juffrouw, 't mijne is er niet." Weer moet +het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd. Nooit +heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet +meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, 't is wel om te zuchten. + +Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met +alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van binnen: +schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat, +klosjes garen en zij--alles had er zijne eigen plaats, en toch +bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er +in voor 't grijpen. 't Was, of de schaar riep: "Zoeken behoef je +niet, hier lig ik en blijf ik."--De naaldenkoker, hoe rond hij was, +dacht aan geen wegrollen, en de naalden bleven rustig in haar donker +kamertje.--De klosjes stonden als soldaten in 't gelid, klaar om hun' +draad te presenteeren.--De spelden op het kussentje keken met hunne +schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: "Zitten we hier +niet mooi, hier kun je ons altijd vinden." + +Ja, zóó was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En--zóó zou het stellig +ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over geweest +was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had +of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed: alle dingen maakten +het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was +veranderd. "Waar is mijn vingerhoed?"--Maar de vingerhoed had zijn' +post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug, +platgetrapt, onder 't karpet!--"Waar is mijne schaar?" Maar de schaar +liet naar zich zoeken. 's Avonds bij 't naar bed gaan zag Ida het +ongehoorzame ding pas terug--op de tafel in de slaapkamer.--"Wat +nu, maar ééne naald meer in mijn' naaldenkoker en dan nog wel +zoo'n dikke, die ik niet gebruiken kan!" Overal onder en tusschen +gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan +de wandeling. Later wou Ida iets van den grond oprapen: daar----"au, +au! prikte ze zich aan eene naald, die in 't vloerkleed stak.--De +spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze +gebruiken moest.--En de klosjes, die hun' draad zoo prettig klaar +hielden? "Nooit kan ik een' draad loskrijgen, alles zit altijd in +de war," zuchtte Ida. Ja, de klosjes lagen al lang holderdebolder +door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo +verward door elkaar heen geslingerd, dat er geen weg in te vinden +was.--Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast +tusschen de draden.--Of er nog plaats was voor een handwerkje? Och, +vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen +deksel en doos geklemd en hing half over den rand. De stumper had +zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die +heelemaal niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek, +die in Ida's zak, en een haarlintje, dat om Ida's vlecht behoorde +te zitten; een' inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger, +die uit het leesboek verdwaald was. + +Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei +snuisterijen in bergen mocht.--Heerlijk, zoo'n eigen kastje! Alle +planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de +onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes neergevlijd; de +kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de +plooi, alles glad en zonder kreuk.--En dan de bovenste planken! Daar +berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de +Cologne- en odeurfleschjes, aardige doosjes en mandjes--ik kan het +niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan +weet je nog wel meer.--En dan plooi en schik je, je zet en verzet +al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast +niet mooier kan. Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen +bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en +binnengluren, zoo'n schik heb je er aan.--Met je oogen dicht weet +je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in +'t midden, en dat staat in dien of dien hoek. + +Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte +altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met beî haar +open oogen en beî haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet +eens vinden, wat ze noodig had.--'t Leek wel, of 't linnengoed op +zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen +ging op plaatsen, waar het in 't geheel niet behoorde. Rokken hadden +zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen +verdwaald, zakdoeken speelden verstoppertje zoowat overal tusschen +'t goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms, +gedeukt in een' hoek. 't Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over +gespeeld hadden met de stapels goed--dat ze daarbij soms losgegaan +waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en +trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls ze iets uit +haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden! + +Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo'n rommel +wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun' kop stonden of omgebuiteld +waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien +mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor de grap alles, wat er +in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats--o, +'t was om er kriebelig van te worden. + +Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te +begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden +mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets +vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen, +scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat +een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren ging, +hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe +dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd, dat is heel niet +te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door +al die onrust en al die tegenspoeden. Och, wat had ze weinig plezier in +haar leven.--En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame, +eigenzinnige, onwillige goed! Ja, 't was wel om te zuchten. + +Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: "t Kan zoo niet langer, +'t is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn goed, +ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden." + +Toen ging ze met de hand onder 't hoofd zitten peinzen eene heele +poos. Wat had ze al dikwijls bij 't haastige zoeken boeken, schriften, +kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw +aan getrokken. "Naar ding!--Vervelend ding!--Plaag je me weer?"--Wat +had ze 't dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den +grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen, 't +werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet +je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met haar goed praten, +dat zou beter zijn. + +Toen--niet lachen, hoor--toen zocht Ida al haar goed bij elkaar: +kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles werd +uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog +losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld. En dat heele +rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen +ging ze met een strak gezicht deftig midden in dien kring staan en +zei: "Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je +praten. Het moet uit zijn met die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar +je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in 't vervolg +stil op zijne plaats, tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt +niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me +geen schrift meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand +probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien, wie +de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn' +dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn' plicht, begrepen? In +'t vervolg, als ik vraag: waar is mijn' pennenhouder? dan vertoont +die zich dadelijk, alsof hij zeggen wou: hier ben ik! Heb ik een +klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof +het roepen wou: tot uw' dienst, Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje +hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet +anders. Wie onwillig of voorbarig is, krijgt het met mij te doen." + +Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd, +dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of 't was, alsof 't +goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De +borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden een stijf gestreken +kraagje, dat bovenop hem lag. 't Kraagje wipte van den borstel af en +rolde in vroolijke sprongen over den vloer. Een fleschje, dat juist +in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van 't +lachen, had maar een klein duwtje noodig: daar lag het al languit op +den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den +vloer.--Boeken en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel +lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven +liggen, zoo'n plezier hadden ze. Rrrrt--daar gleden ze uit elkaar, +tegen een' maasbal aan. De maasbal vroolijk aan 't rollen--boems, +tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten +de pennen op hun twee voetjes de doos uit.--Eene pret van belang, +hoor! 't Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: "Praat maar toe, +we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin. Denk je den baas over +ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!" + +Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig, +teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen van +spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar +boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg, dat ze het toch +maar niet weer zien zou! + +Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer +dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed. Ze kon er nu +heelemaal geen baas meer over worden. + +Eens op een' morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar 't bosch +gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze zoo eens mee +wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van +haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar--Ida zag er altijd +zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf--neen, +de moeders van de meisjes vonden het maar beter, dat ze buiten de +school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe +het zoo kwam, dat de meeste meisjes altijd bedankten, als zij ze op +visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze +ééns bij een meisje geweest was? Waarom moest ze toch altijd alleen +zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot +verdriet voor Ida.--En terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door +'t bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan +dat andere verdriet--aan al 't verdriet, dat ze zoo al had in haar jong +leventje. 't Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen +frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette +niet op al dat moois,--en vroolijk kon ze ook niet zijn. Ze keek heel +bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten +en--begon bitter te schreien. Daar voelde ze opeens eene hand, die +zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk +zei: "O, o, wat een dikke tranen! Is 't verdriet zoo groot?" + +Vóór Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere, +verstandige oogen en o zoo'n lief, goedig gezicht. Maar niet alleen 't +gezicht, neen, 't heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles +aan haar was even proper en net: van 't hagelwitte mutsje met de fijne +plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of +plooi, geen band of knoop, die niet op zijne plaats zat. Geen kreuk, +geene vlek of scheur te zien. 't Heele vrouwtje met alles, wat ze aan +had om- door een ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen. + +"Nu, meisje," vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord +gaf, "wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien kan ik je +helpen."--Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed +in de vriendelijke, medelijdende oogen, en vóór ze het wist, was ze +al aan 't vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe 't kwam, maar het +vrouwtje leek haar heelemaal geene vreemde: 't was net, of ze praatte +met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze +dacht niet: wat is dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk, +dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van +alles, wat haar op 't hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van +de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe ze nu niet +wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel +ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist, vroeg ze: "En is er thuis +nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?" En toen heel +zacht: "Heb je geene moeder?"--"Neen, neen," barstte Ida schreiende +uit, "eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven +vragen. Ik zie hem ook haast nooit, hij zit altijd te studeeren. En +dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg, +en de juffrouw van de school is altijd ontevreden op me. Niemand, +niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, 'k hou' nu al zooveel van +je, help jij me!"--Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze +trok haar naar zich toe. "Arm kind," zei ze, "zeker wil en kan ik je +helpen, vertrouw gerust op mij.--Kom, we wandelen samen naar je huis, +en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje bij je. Mij dunkt, +we zullen dan samen dat groote verdriet wel op de vlucht jagen. Droog +nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn' arm. Maar +wacht eens, je manteltje is scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen, +ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een' band, +die zoo brutaal onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen +we zijne plaats eens.--Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan +den binnenkant van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand +ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je--ze zouden lachen +om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is +alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. 't Lintje op den +loop? Wacht, 'k heb er juist een in mijn' zak.--Hè, dat lijkt toch +wat beter dan zoo straks." Ida keek al lang niet bedrukt meer: het +vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een +beetje door haar te worden "opgeknapt." Er was anders nooit iemand, +die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag. + +Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig +over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar haar vader +was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee +naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer stonden, +klopte Ida aan; maar geene stem had nog "binnen" geroepen, of ze was +ook al weer de trap af. + +Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje vóór Ida's vader, +en weer een oogenblik later zat ze in een' leunstoel tegenover +hem en waren ze samen druk aan 't praten. Over wie, dat kun je wel +dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies kunnen +vertellen. Wel weet ik, dat Ida's vader bij het weggaan het eenvoudige +vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet ik, dat Ida, die beneden +met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: "Nu, wat +zegt Vader?" en dat het vrouwtje toen antwoordde: "Alles is in orde, +kindlief, ik blijf bij je."--Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen +van blijdschap. + +Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang +uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida praatte al +dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien +met de heldere, verstandige oogen, dat deed ze des te meer. Eens nam +ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend +aan. "O, uit mijn geschiedenisboek!" zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam +het blad en lei het op een' stoel. Maar het vrouwtje nam het weer van +den stoel en liep er mee naar de boekenplank. "We moeten het, dunkt +me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats leggen," zei ze. "Ja +maar," riep Ida, "hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och, +'t kan later ook wel."--"Samen zoeken," hield het vrouwtje vol. En +of Ida al wat ongeduldig keek--ze kon toch niet goed anders doen dan +meezoeken. Toen ze 't boek eindelijk had, wou ze 't blad er gauw even +instoppen. "Ho," zei 't vrouwtje, "laat eens zien: bladz. 34, die heeft +35 tot buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond +aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier vast, +we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen."--Ida +keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen durfde ze niets. + +Op de trap naar Ida's kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel, +maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield het ding +in de hoogte. "Hé, de ceintuur van mijne blauwe jurk," zei Ida, +"hoe komt die hier!"--"De ceintuur wou zeker eens zien, of ze wel +alleen den weg naar Ida's kapstok kon vinden," zei 't vrouwtje. Ida +lachte, maar ze kreeg ook eene kleur. Gauw nam ze de ceintuur uit de +handen van 't vrouwtje en mompelde zoo iets van: "meteen meenemen en +ophangen." 't Leek wel, of ze zich wat schaamde. + +Ida's kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. Vóór de deur +stond Ida even stil. 't Was, of ze er eigenlijk een beetje tegen opzag, +haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje +toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame goed eens laten zien. + +"Kijk," begon ze, luid en druk pratende, "kijk me dien boel hier eens +aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is te zoek, als je +'t hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden, +zie maar! En...." Verder kwam ze niet, want ze merkte: het vrouwtje +luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat +van een' stoel of van de tafel, daar wat van 't bed of van den grond +en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang, +tot de kamer er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat +verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist niet +recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te +zien; zóó zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje begreep best, +wat Ida dacht, en daarom zei ze: "Toe maar, kindlief, ik zal het je +wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw je de kunst van mij afkijkt." + +Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze +hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een' stoelpoot haast door 't +behang, ze lei haar nachtzak in een' hoek op 't bed, en bij alles, +wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje bijna onderste +boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal +niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en vriendelijk wees ze Ida +telkens, hoe ze dit zus en dat zóó moest doen, en waarom dat beter +was en netter leek. Zie, als je zooveel kleeren op elkaar hing, +dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en +leelijke plooien in.--En een' stoelpoot, daar moest een stoel toch +zeker op staan. "Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en +'t behang mogen ze niet aanraken." + +De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten +stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in 't midden op het bed te pronken, +dat paste beter voor hem. + +Hè, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe +langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders, toen +eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om +er in te wezen. + +"Met het kastje wachten we liever tot morgen," vond het vrouwtje, "je +zult wel moe zijn van 't ongewone werk." Maar neen, daar had Ida geen +ooren naar: ze was in 't geheel niet moe, en morgen zou er misschien +weer wat anders te doen zijn.--Daar waren de kastdeuren al open, en +roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. "Ho, ho," +riep het vrouwtje, "dat gaat maar zóó niet, juffertje. Eén, twee, +drie, het kleed van de tafel--netjes opvouwen, hoor--en dan op de +leege tafel alles uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst +het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk, +zóó: plat en--geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen +uitsteken.--Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg het er maar +op--knap--je zult het wel leeren.--Dit voor de volgende plank.--Weer +een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.--Nu de twee bovenste nog." + +Ida keek met een' zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze +wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge vrouwtje +was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar +paste.--"Pennenhouder--op zij, je behoort hier niet.--Kleerborstel: +pak maar eens aan--in de tafellâ.--Nagelschaar: op je plaats in +'t laatje van de waschtafel.--Nu dit, en dat en dat nog weg. Hè, +dat ruimt op.--Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast +schikken."--Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk niet, dat ze +zooveel mooi goed had. + +"Kant en klaar!" roept eindelijk het vrouwtje. "O, wat ben je toch +knap!" zei Ida, en ze gaf haar een' kus. "Niets knapper dan mijn +meisje over eene korte poos ook wezen zal." + +'s Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit +den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje had? "Ja +wel, maar--maar...."--"O, 'k begrijp het al", lachte het vrouwtje, +"je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat gerust eens zien, +hoor!"--Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en--dralende +haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje was wel nooit boos en zei +nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig, +alweer met iets aan te komen, dat er zóó uitzag. En wezenlijk--waar +Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon +zonder een woord te zeggen den warboel van klosjes en lint en band en +wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij +de klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar, +hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen. Van +het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje +stak met eene speld de einden vast.--Alles kreeg eene beurt: alles +in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er +ook weer ruimte voor den ongelukkigen zakdoek, 't Was wezenlijk eene +aardigheid om te zien. + +"En waar zal de doos nu staan?" vroeg het vrouwtje. "Och", zei Ida, +"dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden."--"Kom, +kom", lachte 't vrouwtje, "dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats, +hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten we de boeken +ook eens in 't gelid en de schriften en.... nu, niet zoo'n benauwd +gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen, en je +weet, hoe prettig dat gaat." + +De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor +haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar mee naar boven, +dat vond ze gezellig.--Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef, +als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te liggen, en daar wat--'t +duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde +het hoofd. Bedaard zocht ze al de stukken weer bij elkaar, hing de +jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig +stapeltje van op den stoel vóór Ida's bed. Kam en borstel werden weer +in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: "Waar +is dat nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk +weer aan." Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida's oogen gelezen, +want toen ze haar een' nachtkus gaf, zei ze: "Waarvoor? Dat vertel +je me zelf morgen aan 't ontbijt wel eens." + +"Nu?" vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida +guitig aan. "O", zei Ida, "'t was heerlijk. Ik behoefde naar niets +te zoeken. Al mijn goed lag voor 't grijpen--ik was in een' wip +klaar."--"Ook wat _te_ gauw?" vroeg 't vrouwtje, en ze bekeek Ida van +boven naar beneden. "Misschien wel", zei Ida zacht, en ze kleurde. Een +poosje later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. "Ziezoo", +riep 't vrouwtje, "nu is 't morgen gauw _en_ goed, is 't niet, kind?" + +Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog +opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en tegen het middageten +was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens +keek ze weer heel bedrukt, en met een' zucht kwam het er uit: "Ja, +'t is nu alles wel heel mooi, maar...."--"Maar het blijft niet zoo, +wil je zeggen.--Wees gerust, kindlief, daar heb ik ook een middeltje +op, dat ik je leeren zal. Netjes _maken,_ daar begin je nu al eene +heele bolleboos in te worden, netjes _houden,_ daar zal ik je nu knap +in maken." + +En Ida _werd_ knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst, +die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg +voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze 't +nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig: +het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en een prijsje op +te vroolijken. + +En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?--Luister +maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide, en er viel eene +speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet +aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde, dat liet ze rollen. "Ida," +zei 't vrouwtje, "er is iets gevallen."--"'k Heb het toch dadelijk niet +noodig," had Ida dan dikwijls op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei +het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.--Was 't naaien +gedaan, dan werd werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt +was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De +doos dicht--weg er mee. "Kom," zei 't vrouwtje den eersten keer, dat +Ida de naaidoos weer gebruikte, "nu zal 't me toch benieuwen, of je +er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag." Ida +had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier "den boel," +zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen +lachje de hand terug en begon stuk voor stuk zorgvuldig te bergen. + +Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan, +en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering bleef +hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene +heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee naar school +moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken, +die ze op school niet noodig had, kwamen in de tasch terecht.--Met de +schriften ging 't al niet veel beter.--De eerste maal nu, dat Ida werk +maakte en lessen leerde, terwijl 't vrouwtje er bij zat, zou het al +weer denzelfden weg langs gaan. Maar 't vrouwtje deed den inktkoker +dicht, veegde de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in +de hand. "Daar," zei ze, "zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden +bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je +te helpen bij je werk.--En nu, waar behoort dit boek thuis? Moet je +dat schrift meehebben? Hier is de tasch--ziezoo, alles netjes er in +voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank. Klaar is 't." + +Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit +op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze 't maar uit de handen +kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja, +'t was er niet van zelf zoo'n rommel geworden. Maar nu kon dat zoo +gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen +zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo haastig bezig bij haar kastje, +zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze 't wist, +het vrouwtje naast haar en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats +van dit of dat niet meer wist. 't Zou jammer zijn, als 't kastje niet +netjes bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En--al vond Ida het +nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken. + +Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken +en knoopen? Dat het vrouwtje Ida's kleeren al lang allemaal keurig +in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida's goed nu niet meer +scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje voor. Maar +ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak +er een band, kwam er een scheurtje of gaatje, dan zei 't vrouwtje: +"'t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet, +eer ze naald en draad te pakken hebben. Dat gaat jou zeker ook zoo, is +'t niet?"--Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en--aan +'t werk gaan! + +Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel, +hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te _houden._ + +Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet, +hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht zette, +als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe +vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog veel minder, hoe +menigmaal ze wel had willen roepen: "Neen, neen, ik wil niet, 't is +zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!" Maar die verdrietige +buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht. + +In 't begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze +heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een plezier wou +doen, en ook wel--omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar +langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida het _zelf_ prettig te +vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek +het veel aardiger en vriendelijker. En dan: nooit behoefde ze nu +meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd +mee heen, en wat maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat +ze noodig had, lag nu voor de hand. "'t Is net," zei Ida soms, "of +ik wel tweemaal zooveel tijd heb als vroeger."--"De dagen zijn zeker +langer geworden," zei 't vrouwtje dan lachende. En dan--op school was +'t ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer +te zeggen: "O, dat vak van Ida," of "o, die tasch, o, die boeken en +schriften, o, dat werk!" Of: "Alweer te laat" en meer zulke leelijke +dingen.--Strafkrijgen, schoolblijven--dat was allemaal vroeger. + +Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De +meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida's slordige +kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag +en heel veel andere goede dingen meer. En toen kreeg Ida ook weer +vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen +en--die ook bij haar mochten komen. + +Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig +goed had, dat haar het leven lastig maakte.--"Wonderlijk", zei het +vrouwtje eens, "hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel +verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit hoor ik je er +meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-, +je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt me, gebeterd, alles is +gedwee en gehoorzaam geworden."--"Neen, neen," riep Ida, en met eene +kleur als vuur viel ze het vrouwtje om den hals. "Neen, _ik_ heb me +gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn +als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk, slordig kind, +dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne +plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom er bij. Ik gaf mijn goed +in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch +niet helpen, dat ze overal omslingerden en altijd te zoek waren. 't +Was alles mijne schuld, mijne schuld!"--"O, kind, wat ben ik toch +blij, dat je 't eindelijk zelf begrepen hebt, zonder dat ik het zei," +riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. "Maar ik wist het wel, +dat je nog eens zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust +hart van je weggaan, ik weet...." Verder kon het vrouwtje niet komen, +want bij het woord "weggaan" was Ida zóó geschrikt, dat ze eerst heel +bleek werd en toen in schreien uitbarstte. "Niet weggaan," snikte ze, +"ik hou' zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je +hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat, +zal alles weer anders worden." + +Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar +naast zich op een' stoel, sloeg den arm om haar heen en zei: "Kom, +lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me +blijven houden, al ben ik ook niet meer bij je--en ook aan me blijven +denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit +weer. En gelukkig, tevreden, dat ben je nu ook wel zonder mij. Je +zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat +zul je ook niet weer, daar ben ik zeker van."--"Maar o," riep Ida, +"waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te +zijn."--"Alleen zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al +met je besten vader gepraat en--is het niet heerlijk: je lieve tante, +die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!--En waarom _ik_ +niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik +nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die mij noodig hebben, +nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.--Ik +heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk wel ben. Een heel gewoon +oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.--En nu--de +oogen even dicht... Open!..." + +Vóór de verbaasde Ida stond--geen gewoon oud vrouwtje meer met +een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie, +lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere, +verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende. En +dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde +ze zeggen: "Ik ben--de fee Netheid! En nu, lieve kind, de fee gaat +_weg_; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft, +dat weet ik." Nog een kus van de fee en--Ida was alleen. + +En 't gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van +vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was eene nette, +ordelijke, gelukkige, tevredene Ida. + + + + +KALIF-OOIEVAAR. + + +Heel ver hier vandaan, eerst ver naar 't zuiden en dan naar het oosten +ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad heet. In die +stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat +land. De Koning dus? zul je vragen. Ja en neen. Hij had hetzelfde te +doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette--Kalif. Dat is zoo +raar niet, want de menschen praatten daar in dat land heelemaal anders +dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen. + +Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een +warmen middag op zijne canapé. Hij had net een lekker slaapje +gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig +rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den Kalif, +doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk +den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte zeker heerlijk, +want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich +weltevreden met de hand langs den baard. 't Was duidelijk te zien, +dat de Kalif goed in zijn humeur was. + +De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen +moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls spreken +moest. + +De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn +middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan juist +altijd naar het paleis om' met den Kalif te praten. Want--ik houd meer +van een goed, dan van een slecht humeur, dacht de grootvizier. Dezen +middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond +anders dan anders. De Kalif nam dan ook zijne pijp uit den mond en zei: +"Wat nu, waarom zet je zoo'n betrokken gezicht?" + +De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte +eene diepe buiging voor zijn' heer, zooals daar in dat land de mode is +en antwoordde: "Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik +niet, maar het kan wel zijn; want voor de deur staat een marskramer, +die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig, +omdat ik geen geld over heb om iets van hem te koopen." + +Nu, de Kalif had zijn' grootvizier al lang eens een pleziertje willen +doen, en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste +wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden +om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. 't Was +een klein, dik mannetje, zwart-bruin in 't gezicht en armoedig in +de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij +op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden laatjes, en +in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden +vingerringen bij met zilver beslagen pistolen en gouden drinkbekers +bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles +van a tot z, en eindelijk kocht de Kalif voor zich en Manzor, dat +was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor +de vrouw van den grootvizier een mooien haarkam. Voor zijne eigen +vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw. + +Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei: +"O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin hebben we nog +niet gezien, is daar ook nog iets moois in?" De marskramer trok +het laatje open en zei: "Och, neen, daar is niets bijzonders in, +alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters, +die ik niet lezen kan." De Kalif vouwde het papier open en zei: +"Hé, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. 'k Mocht +wel eens weten, wat die letters beduidden. Hoe kom je er aan?"--"O", +zei de marskramer, "ik heb doos en papier van een anderen marskramer +gekregen, en die had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier +in hebt, geef ik U de beide dingen present."--"Graag", zei de Kalif, +"ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat +papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet, of dat +niet ook op het papier te lezen is." + +De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven +alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van pure +nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. "Ik moet +weten, wat er op te lezen staat", zei de Kalif, "eerder heb ik geene +rust."--"Ik weet raad", zei de grootvizier, "naast de kerk woont een +man, dien de menschen Selim, den Geleerde noemen, omdat hij zooveel +geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan."--"Laat +hem dadelijk hier komen", riep de Kalif. De grootvizier vloog de deur +uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug. + +"Selim", zei de Kalif, "als je dit papier kunt lezen, geef ik je +een mooi pak, maar kun je 't niet lezen, dan krijg je vijfentwintig +klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet +geleerd bent." + +Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. "Uw +wil is mij een wet, o heer," zei hij. Toen bekeek hij het papier +en zei: "Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is."--"Zeg, +wat er in staat," zei de Kalif. + +En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond: + +Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van +het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: "Mutabor," +verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de +dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft ge maar +driemaal naar het oosten te buigen en "Mutabor" te zeggen. Maar--pas +op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan zult ge het tooverwoord +vergeten en moet ge dier blijven. + +Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap +in de handen. "Ziezoo, Selim," zei hij, "dat was knap gedaan; nu +krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar één ding moet ik je nog +zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor ieder ander. Beloof +dat." Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem +denzelfden avond de mooie kleeren te zenden, en Selim ging heen. + +"Nu, Manzortje," zei de Kalif, "dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe +heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten komen. Kom nu +morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten, +waar niemand ons kan zien, en snuiven van het poeder. Ik heb mijn heele +leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat +alle dieren op de aarde en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu +zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog +nooit ben ik zoo in mijn' schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus, +tot morgen!" + + + +Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of +de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling af +te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim +geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg, en toen de +deur uit. Al de voorname heeren, die anders altijd den Kalif moeten +volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd +menschen bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen, +kregen een' wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen +met zijn' grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten +tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze ook een of +ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens +probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen eene slak voor hunne +voeten, maar--eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes +van eene slak gaven ze ook niet veel. + +"Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas," zei de +grootvizier. "Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars +gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de +weide; laat ons daar eens gaan kijken."--"Mij best," zei de Kalif en +ze stapten verder. + +Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een' +ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend +een praatje in zich zelf. Op 't zelfde oogenblik kwam er nog een +ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere +ooievaar stond. + +"Ik wed om mijn' baard, edele heer," zei de grootvizier, "dat die twee +daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van, +als we eens ooievaars werden?" + +"Uitstekend!" zei de Kalif. "Maar laat ons nu eerst nog eens +goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja +juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik +weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen, +dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen." + +Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne +hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif +greep een, twee, drie, de doos uit zijn' gordel, presenteerde haar +ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de +doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen +hadden. "Mutabor!" riep de Kalif en "Mutabor!" riep de grootvizier ook. + +Toen--toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze, +al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en +zijn' grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels, +de hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was +weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen. + +De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk +riep de Kalif: "Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet +gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!" + +"Als ik het zeggen mag," riep de grootvizier, "ziet Uwe Hoogheid +er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als +'t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds +gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal +verstaan kunnen." + +Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn' +snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren +gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide +nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote +verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek: + +"Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe +gaat het?" + +"Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn +ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad, +of een kikkerhammetje?" + +"Dank je zeer, 'k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere +reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik +voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje +te oefenen." + +Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met +allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één +been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als +eene jonge dame. + +De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot +bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: "Eene kostelijke +grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de +dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we +anders ook nog geen liedje gehoord hadden!" + +Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: "O, Vorst, wat hebben +we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord +niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo'n dwaze langpoot +te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je 't al! Ik weet het woord +niet meer, Uwe Hoogheid!" + +"Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen: +Mu--Mu--Mu."--De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het +oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten, +maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu--Mu--Mu! + +Geen van beiden kon zich het woord herinneren en--de Kalif en de +grootvizier waren en bleven--ooievaars. + + + +Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten +niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene +ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer +naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou +hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif +was! En--ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven +wilden, wie zou dan nog een' Kalif willen hebben, die ooievaar was? + +Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten +half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels +zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere +ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze +vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de +lucht, en 't allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett'en ze zich op +een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging. + +In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en +treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen, +waar hun Kalif met zijn' grootvizier gebleven waren. Maar toen ze +zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak +van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien: +een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en +fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard +een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede +heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende: +"Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!" + +Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de +Kalif-ooievaar zei: "Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd +ben! Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn' +vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft +mij eens gezegd: 'Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig +maken!' Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij +toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O, +'t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien, +dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats." + +Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer +uit. "Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo +rijk en zoo gelukkig was," zei de Kalif. + +Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het +vliegen was nog zoo'n ongewoon werkje. "O wee, o wee," zuchtte de +grootvizier, na een uur vliegen, "ik kan niet meer. Neem me niet +kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens +een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het +begint al mooi donker te worden." Ja, dat vond de Kalif toch ook +wel zoo verstandig. "Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij, +de overblijfselen van een oud kasteel," zei de Kalif. "Laten we eens +zien, of we daar niet in kunnen komen." + +Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt +van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus +niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen +overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een +geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat +nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje +gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een +oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde: +"Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een' +grootvizier en nog meer voor een' ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel +een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand +diep zuchtte." + +De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten +en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een +dier kon het niet zijn: 't was sprekend het geluid van eene +menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den +kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de +grootvizier hem met den snavel bij den vleugel en bad en smeekte: +"Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer +wachten. Ik bid U, blijf toch hier!" Maar bidden en smeeken hielp +niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn' ooievaarsvleugel; +hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge +beenen eene duistere gang in. + +Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond, +en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en +gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar +de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door +een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op +den vloer van die half verlichte kamer--een grooten nachtuil. Nu was +het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan +kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen, +en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas +had de nachtuil den Kalif met zijn' grootvizier, die toch stilletjes +zijn' meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield +op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen, +en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke +stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden: + +"Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding +nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik +door een' ooievaar gelukkig zou worden!" + +Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder +van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne +lange beenen eene sierlijke buiging en zei: "Lieve nachtuil, het +komt mij voor, naar de woorden, die 'k van u gehoord heb, dat gij, +evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij +ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is, +zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen." + +"O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel +belang in." + +En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering. + + + +Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: "Ik dank +u. Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder +ongelukkig is, dan het uwe. + +"Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige +dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte, +betooverde ook mij. Eens op een' dag kwam hij bij mijn' vader, om +te vragen, of ik de vrouw van zijn' zoon Mizra mocht worden. Mijn +vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een' +toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet +hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos, +trok een paar dagen later de kleeren van zijn' bediende aan en wist +zoo in dienst van mijn' vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg +ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht +het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je, +hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een' uil +veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene +harde, booze stem riep hij: 'Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk, +als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot +iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat +gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader, +die mij niet goed genoeg voor je vond. + +"Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam +en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de +wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met +niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen +heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen 's avonds en +'s nachts kan ik goed zien." + +Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de +vleugels de tranen uit hare ronde oogen. + +Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij +zijn hoofd en zei: "Wonderlijk, wonderlijk; 't is ons haast net gegaan, +als u. En hoe vreemd, dat _wij_ u nu juist hier moesten vinden." + +"Ja," zei de uil, "maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind +was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken. + +"Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de +booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elke +maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar +komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een +verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar +deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne +toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten +we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld +wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent." + +"O, beste prinses!" riep de Kalif, "zeg me, wanneer komt hij en waar +is die zaal?" + +Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte, +dralende stem: "Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het +graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij--gij kunt +mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen...."--"Ja, ja," +riep de Kalif ongeduldig, "dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom, +vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het +graag."--"Beste Kalif," zei de uil, "ik hoop het; maar ik ben er nog +niet zoo zeker van. Ik--ja, ik durf het u haast niet te zeggen--ik +kan alleen weer mensch worden, als--als gij, of de groot-vizier +mij--wilt trouwen." + +Daar was het er uit! Arme prinses-uil. 't Had haar zooveel moeite +gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif +liep verschrikt achteruit en trok zijn' grootvizier stilletjes aan +den vleugel om ook mee te gaan. + +Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: "Dat is een leelijk +ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar +tot vrouw nemen, Manzor!" + +"Ik!" riep de grootvizier, "maar dat kunt gij niet meenen, edele +heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog +eene tweede vrouw thuis kwam! En dan--ik ben een oud man en gij, +edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene +mooie jonge prinses tot vrouw nemen!" + +"Ho, ho! dat is het juist," zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de +vleugels hangen. "'Jong en mooi!' wie zegt je, dat ze jong en mooi +is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil, +die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!" + +Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom, +de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de +grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven +dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te +komen, zei de Kalif: "Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen." + +De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek +af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. "En +weet je wat," zei ze, "jullie bent op een gelukkig oogenblik hier +gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht +vergadering houden zullen." + +'s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken, +waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene +lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan 't eind van de gang +door de reten van een ouden muur licht. "Nu doodstil," fluisterde +de uil. "Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is +vergadering!"--Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze +in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of +pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel +honderd gekleurde lichten. In 't midden stond eene gedekte tafel, met +kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel +stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een' +gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer, +die hem de snuif gegeven had. + +En nu aan 't luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na, +vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen +geweest waren. Eindelijk riep er een: "En nu ik! ik heb zoo'n prachtige +geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van +Bagdad en zijn' grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst +werd ik zelf marskramer en toen--neen, maar ik weet mij niet te houden +van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op +hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn, +waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!"--"Wat was het +voor een woord?" vroeg zijn buurman. "O, een moeilijk Latijnsch woord, +dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!" + +Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich +zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de +duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet +bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten +gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. "Lieve redster van +mijn leven en dat van mijn' vriend," zei hij "ik geef u de verzekering, +dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!" + +Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon +af--eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk +ja, daar kwam de zon boven den horizon. "Daar is de zon, daar is het +oosten!" riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange +halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: "_Mutabor!_" +O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken, +of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier, +die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den +hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog +nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen +allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond +achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? "Hoe is het nu, kent ge +mij niet meer, prinses-nachtuil?" vroeg ze met eene lieve stem. Toen +was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een' +uil zoo'n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif +de trouwbelofte gedaan had! "O!" riep hij, "nu zou ik voor geen geld +van de wereld willen, dat ik _geen_ ooievaar geweest was!" + +Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de +Kalif in zijn' broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif, +maar wat beter was--zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de +wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het +in vliegende vaart naar Bagdad. + +Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett'en, toen hun lieve Kalif +daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos, +dat ze waren op dien valschen Kalif--dien Mizra! Ze joegen hem en +zijn' vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif: +"Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet +in ooievaars, neen, als blinde mollen zul je in den grond leven, +dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden +en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: 'ik wil mol +worden!'--"Snuiven en zeggen: 'ik wil mol worden!'" riepen alle +menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. "Nu +naar het oosten buigen en zeggen: 'Mutabor,'" klonk het van alle +kanten.--En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen +zooveel menschen beginnen! "Ziezoo," zei de Kalif, "nu zijn jullie +een levend voorbeeld van het spreekwoord: 'Die voor een ander een' +kuil graaft, valt er zelf in!' + + + +De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw, +de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als +de grootvizier hun 's middags aan de thee een bezoek bracht. Dan +babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de +beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij +grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve +beenen de kamer op en neer, maakte met zijn' mond een klepperend +geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed +den grootvizier na, zooals hij naar 't oosten boog en vergeefs: +Mu--Mu--Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was +die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn' +grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu--Mu-geroep, dat de +grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: "Pas op maar, pas +op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben +voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil +woonde." Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje, +want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord +willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had. + + + + +ONDER DEN TOOVERBOOM. + + +'t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een' vader +en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal +gezellig aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder +smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en +glaasjes. "Klaar! beginnen!" roept Frits en neemt al vast een grooten +hap van zijne boterham. "Ho!" zegt Mina, "eerst moet ik zusjes broodje +nog in kleine boterhammetjes snijden." En "niet soppen Zus," zegt ze +"geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven." Vader heeft +de krant neergelegd en smult in een geurig kopje thee, en kleine Wim +waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje "boôm, boôm," +wat boterham beduiden moet. + +Ja, 't was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie's huis. Maar +waar was Nellie zelf? Ja--Nellie was er niet. Eén bordje stond te +wachten, en dat was het bordje van Nellie. "Waar blijft Nellie?" vraagt +Moeder. "Ik weet het niet," zegt Clara, "ze is dadelijk na mij +opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar +beneden ging." + +"Waar zit ze dan weer," bromde Vader verdrietig, "ga eens +kijken." "Nellie zoeken, Nellie zoeken!" kraaiden de jongens, en ze +sprongen van den stoel op. "Neen, gekheid," zei Moeder, "jullie blijft +zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie dadelijk hier komt, +klaar of niet klaar." Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met +Nellie, die zich half mee liet trekken. En geen wonder! Hoe moest +Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje, +ééne vlecht in het haar, den kam in de eene en--een vertelselboek in +de andere hand. + +"Zoo," knorde Vader, "moest jij weer boterham eten met Roodkapje +of Kleinduimpje?" + +"Kind, kind, weer gelezen?" zei Moeder, "wat is dat toch een +verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden." + +Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig +dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, die haar +uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn +"boôm" wou hebben, weg en bromde tegen Clara: "Naar kind, waarom heb +je me niet geroepen!" En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel +gezellig leek. Ze was wat blij, toen ze de boterham op had. + +Nu naar school. Maar--waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos +er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond onder de +tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo +graag hare vertelling uit wou lezen. Later had ze 't vergeten. Gauw! de +anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even "Bij Saartje," in haar +tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu 't andere boek in de linnenkast +gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar de andere meisjes +zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan +ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag er niet veel van. Ze was +zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, +was zoo mooi. "'k Wou, dat ik nu eens wist, wat Paul daar boven op +dien berg vond, dat zoo klopte," dacht ze. En--ik moet toch zien, +dat ik het boek van Moeder terug krijg. + +De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee +doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook dadelijk van +buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen' +zin in. En wat deed ze nu? 't Was meer dan erg! Stilletjes sloeg ze +het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De +juffrouw merkte gauw, dat ze niet met hare gedachten bij de sommen +was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: +"Wat heb jij er uit, Nellie?"--"Twee honderd!" hoorde Nellie in de +buurt fluisteren. "Twee honderd!" riep Nellie. "Wat twee honderd, +waarvan twee honderd?" vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich +herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, +riep: "Twee honderd vingers!" De geheele klasse barstte in lachen +uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden, +'t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. "Kind, kind, +waar heb je je gedachten weer," zuchtte ze. "Kom eens hier bij mij +staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor +bent." Nellie stond op. Plof! daar viel wat. "Breng eens hier, wat +daar valt!" zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, 't hoofd gebogen, +stapje voor stapje: het vertelselboek in de hand. "Zoo," zei de +juffrouw, "wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, +hoe is 't mogelijk! En als je je best doet, kun je nog wel zoo aardig +rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten." + +Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse +behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten +staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu +was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch al te erg. "Ik +moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg," dacht ze. Maar +hoe? Er om vragen? Ze wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat +dan? Ze zou zien, dat ze 't stilletjes uit de linnenkast nam. Ze +kon nu eenmaal niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al +de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een +middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze +'t boek zien te krijgen. + +Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware +la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de heele la er +uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat +van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. "Foei!" zei Moeder boos, +"nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de +linnenkast op slot doen?" En Moeder kreeg de tranen in de oogen. + +Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven +onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die Nellie. Ze +kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige +spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes haar graag tot +vriendinnetje hadden, als--als ze maar geen "mooi boek" had, zooals +ze 't noemde. Als ze dat had, dan kon de heele wereld haar niets meer +schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze +alles. Dan liet ze Clara alleen op de kleintjes passen en vergat ze, +Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee +zoolang, tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd +maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen en met +slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, +en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, zoodat ze zich +vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf +en verbeeldde ze zich, dat niemand van haar hield, en dat het toch +heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze +las. Dan dacht ze soms: "hè, als ik nu eens geen kind van Pa en Moe +was, maar een kind van een' koning: een prinsesje! En als dan de koning +mij kwam halen in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden +ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik +was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi +cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan de armen zou ik +eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen +dag op eene canapé in eene blauw zijden jurk zitten lezen, lezen!" En +als Nellie dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam +of zoo, dan dacht ze: "zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen +wezen, en zóó zijn ze nu voor mij." En als Moe eens zei: "Kind, kun +je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?" dan deed +Nellie haar best niet, om het boek eens een' keer te laten liggen, +maar dan dacht ze: "kijk, daar heb je 't weer! Moe meent altijd, +dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of +roovers.--Als er roovers kwamen--ik zou ze allen in huis beschermen en +redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen +wel zeggen: 'die Nellie was toch een best kind; jammer, dat niemand +dat ooit begrepen heeft.'" En Nellie kreeg de tranen in de oogen van +medelijden met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten. + +Maar--er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon +dus voor niemand iets doen, dan--dat ééne; maar daaraan dacht ze +niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken, +die ze las, en aan _wat_ ze zou lezen en _waar_ ze zou lezen. _Waar_, +ja--daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was +een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. Dan kwamen +de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: "O, daar +heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?" Of Clara kwam +er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, +juist als ze aan zoo'n prachtig gedeelte was--o, neen, ze moest heel +alleen wezen, dan las ze het prettigst. + +Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in +den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door een gat in +de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere +zij van de schutting stond een oude, een heel oude boom, en onder +dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En +'t mooist van alles was: ze kon er veilig zitten; want de buurman was +'s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus +ook niemand in den tuin. O, 't was een heerlijk plekje daar: net een +boom uit een groot diep bosch, uit zoo'n bosch, als er altijd in de +vertellingen was, zoo'n tooverbosch. "'t Zou je niet eens zooveel +verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam +zetten," dacht Nellie wel eens. + + + +Eens op een' dag, of liever op een' zomeravond zat Nellie ook +weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk met +een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, +die haar weer beknord had over hare leeswoede. "Je zult het er +nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit," had +Moeder gezegd. "Dan kun je in je leerboeken lezen, zooveel als je +wilt."--"Och, ja," dacht Nellie met een' zucht, "wie weet, of ik nu +niet voor 't laatst in een sprookjesboek lees, en ik hou' toch zoo +dol veel van sprookjes. En--kwaad is er immers niet bij, anders zou +de juffrouw op school ook geene sprookjes vertellen. Wat is het toch +naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik +toch eigenlijk een ongelukkig kind. + +"Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook +gebleven? O, ja, 'k was juist met 'De drie wenschen' begonnen. Die +malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als +er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, wat ik wenschen +wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als...." en Nellie sloeg de +oogen uit het boek en keek droomend in 't rond. Daar op eens werd +het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep +ze de oogen dicht, en toen ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, +toen--stond er--neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar +in dat doorzichtige gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat +zilveren tooverstafje in de hand--dat was eene tooverfee! + +Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene +glasheldere stem haar aansprak: + +"Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een +enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, die heel +erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, +spreek nu een' wensch uit. Door een' slag met mijn' tooverstaf kan +ik je geven, wat je hart begeert." + +Nellie, Nellie, pas op--nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat +zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? Een' +mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch +zoo'n zin in taartjes, en net wou ze zich een' schotel met taartjes +wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich +eene worst gewenscht had. Gelukkig--daar kreeg ze eene verstandige +gedachte. "Machtige fee!" zei ze, "geef me, als 't U blieft, Uw' +tooverstaf en maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik +uitspreek." + +Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde +zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke stem: +"Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar--ik wil voor een jaar je +zin doen--we zullen zien, of de staf je 't geluk brengt, waarnaar +je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb +je maar met het staf je op den grond te slaan en--. je wensch is +vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleen _zichtbare_ +dingen wenschen. En--mondje dicht--niemand mag weten, dat ik bij je +geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb." Toen de vriendelijke +fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie's +oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de fee weg, +maar--het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, +heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! Daar dacht ze +weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch +vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen vervuld krijgen. Taartjes +dus--neen--ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had 's middags +zoo weinig gegeten van de grauwe erwten, waar ze niet van hield. "Een +chocolâpudding dan!" riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den +grond. Kijk, daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding +voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het +heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis +te gaan; 't werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje +onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis. + +In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. 't Heele huisgezin zat, +onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. "Kom, Nellie," +zei Clara, "hier is je bordje," maar Nellie had geen' lust meer +in zure melk na 't eten van den pudding: ze bedankte. "Hoe is 't +mogelijk," riep Clara, "lust je geen zure melk, en ik meende nog +wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!"--"Ik heb er van avond geen' +lust in," zei Nellie. "Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij +de eene of andere fee," zei Theodoor. "Ja, jongetje," dacht Nellie, +"je moest ook maar eens weten, wat ik weet!" + +Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. "Kom, Nellie," zei Moeder, +"help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!" Maar +daar riepen al de kinderstemmetjes: "Niet met Nellie!"--"Ik met +Clara!"--"Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden," bromde +Nellie. "Dat komt, doordat je ze bij 't helpen nooit eens aardig +aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken," +zei Moeder. + +Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere +kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie wou maar liever +in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon +eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag onder de dekens en droomde +van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu +krijgen kon. + +Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het +noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor het geld, +dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm +huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier in, uit hun eigen +mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten +ze dan op dien dag een groot wittebrood zelf brengen. Nellie had ook +altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; +maar nu--ze schoof hare sneetjes ongemerkt op zij en deed de meeste +melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat +beters krijgen. Toen de andere kinderen de schooltasschen in orde +maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met +haar tooverstafje op den grond. "Chocolade met beschuitjes!" riep +ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en +een bordje met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan 't smullen, toen +het negen uur sloeg--de kop verdween gelukkig--de overige beschuitjes +stopte ze in de schooltasch, en toen--ja toen ze de schooltasch zag, +schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had hare les te +leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd +kwam. Maar--daar bedacht ze, dat de fee gezegd had: alleen _zichtbare_ +dingen--dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de +feeën, die voor haar eigen gebruik een' tooverstaf had, die dus veel +machtiger was, dan alle groote menschen--nu moest diezelfde Nellie +verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord werd, omdat ze hare +les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, +was hare eerste gedachte: de tooverstaf! Gelukkig, nu kon ze zich weer +wat wenschen en haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu +wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten +en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En +het kwam--met een prachtigen band en beeldige platen. Neen, maar, +wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en +al de leerboeken laten staan. Ze zou nu altijd wel een hoekje vinden, +waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren. + +Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat +ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk dadelijk +vragen: "Hoe kom je aan die jurk?" of "hé, wat heb jij daar voor een' +hoed op?" Eens had ze zoo'n lust eens te zien, hoe mooi ze zich wel +zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar +een keurig pakje. Neen, maar zoo iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel +eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar +ze had er toch het rechte plezier niet van--ze was in voortdurenden +angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was 't misschien uit +met de heerlijkheid. Ook--'t was zoo vervelend--Moeder merkte, dat +ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze +dus nog minder dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan. + +Soms--ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie +een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee krijgen. Dan +begreep ze, dat er toch ook zooveel "onzichtbaars" was, dat ze zich +wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag eens geprezen zijn door +Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis +kwam. Of ze benijdde Clara, die een mooi handwerkje af had en dat aan +Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor +leerde ze hare lessen te slecht en was ze te weinig met de gedachten +er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan +toe--ze had altijd een of ander boek te lezen, dat "zoo noodig" uit +moest. Dan dacht ze wel eens: "ik wil toch ook beter leeren;" maar een +oogenblik later was het weer: "och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu +immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen behoef ik later +ook niet." En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde +het Nellie erg, dat ze een geheim voor Vader en Moeder had. 't Was net, +of ze niet zoo prettig en vrij meer met hen praten kon, en soms was ze +maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder +op eens binnen kwam. En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo +ongezellig gevonden.--Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als +er een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder +op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit eens meer +blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel +lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes en zusjes dan jubelden +van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij. + +Eens op een' avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een +zakmes. Zijn vriendje had er zoo'n mooi, hij wilde er zoo graag ook +een. "Neen, mijn jongen," zei Vader, "zakmessen koopen, dat gaat +maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag." En toen +Frits een' pruilmond zette, zei Vader: "Je moet ook ontberen leeren, +ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet krijgen kunt, en dat +is maar goed ook. Anders zou je gauw 't plezier van de mooie dingen +af hebben. Er moet iets te wenschen overblijven." De kleur sloeg +Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat +ze alles kon krijgen, wat haar hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, +alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar--dat +zou toch al te gek wezen. Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee +tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en--ja, wat niet al. En van +dat alles niets te nemen, als je 't maar zoo krijgen kon! Neen, hoor! + +Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets +van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld mooi een +mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar--dan zou Frits zeggen: +"Hoe kom je aan dat mes?" en als Frits het niet deed, zouden Vader en +Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld +niet hebben kon. En ze mocht haar mooie geheim immers niet verklappen. + +Eens op een' Zaterdagavond--'t was juist Nellie's beurt, om het +brood naar 't arme huisgezin te brengen--kwam ze niet ver van het +arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en +toen--ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar beursje, +dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en +stopte den kleinen Jacob een' gulden in de hand. "Ziezoo," zei ze, +met een trots-klinkend stemmetje, "arme jongen, dat is voor jou." + +"Voor mij?" vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde +oogen aan. + +"Ja," zei Nellie, "daar kun je eens een prettigen dag voor hebben." + +"Hoera!" riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het +brood op de straat viel. + +Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had +een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. "Dat doe ik eens +weer," dacht ze. "Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen +broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik toch vreemde menschen +gelukkig maken." + +Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie! + +Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met +Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, 't Was de +vader van Jacob. "Ach, lieve Mevrouw," zei hij, "U bent altijd zoo +goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; maar ik heb toch +een vriendelijk verzoek aan U. Als U ons weer zoo'n groot present +in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij +zelf. Jacob ...." meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon +bitter te schreien. + +"Ik begrijp U niet," zei Nellie's moeder, "een groot present in +geld--en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld gegeven!" + +"Ja," zei de man, "gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene +van de jongejuffrouwen hem toch een' gulden gegeven." + +"Dat kan niet waar wezen," zei Nellie's moeder, "zooveel geld zou ik +niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. Bovendien geef +ik kinderen nooit zooveel geld op eens." + +"Dat is toch vreemd," zei de man, "en Jacob vertelt het mij. En toen +is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en die zei: 'Weet je +wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.'--'Ja,' +zegt mijn jongen, 'daarvoor heeft de jongejuffrouw mij den gulden +eigenlijk ook gegeven.' En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, +Mevrouw, 't is zonde van 't geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, +sigaren en zoo'n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De +sigarenkoopman haalt er een' agent bij en zegt: 'Hoe zouden die +jongens aan zooveel geld gekomen zijn!' En toen, o, Mevrouw," snikte +de arme man, "toen werd me de jongen door een' agent thuis gebracht, +ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen +heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat dit alles gebeurd +is." Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk +bang, dat het uit zou komen, dat zij de oorzaak van al die ellende +was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog +zeggen, dat zij ook niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld +was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld +gegeven kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn. + +Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets +te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen had. Die +arme Jacob voor een' dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat +had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet zoo gelukkig met +het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in +'t geheim te genieten, altijd, alsof ze iets kwaads deed. En altijd +alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan--de +fee had haar toch wel heel lief gevonden, anders zou die niet haar +alleen een' tooverstaf gegeven hebben, en in huis was 't, of niemand +haar lief had. Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet +genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed +genoeg. "Maar--wat ben ik toch dom!" dacht Nellie op eens. "Ik kan +mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die menschen, +die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar +nu niet eerder aan gedacht heb! Maar--Moeder en Vader verlaten en al +de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara +is altijd de beste. Misschien, als ik weg ben--dat ze dan nog wel een +beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken +zullen, dat ze iets om mij geven.--Ik doe het--ik ga morgen een +ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn."--Met die gedachte +ging Nellie in bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder 's +avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging, +om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een' nachtkus te +geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon haar hartje +zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet +aan ging doen. "Maar--kom," dacht ze, "Moeder houdt nog kinderen +genoeg over. Morgen--morgen zal er een heerlijk leventje beginnen." + + + +'t Was morgen--Nellie's broertjes en zusjes gingen naar school--Nellie +niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte zich nu, +om onder den feeënboom te komen. "Ik moet gauw wezen," dacht ze, +"anders komt er zoo meteen eene boodschap van de school, waar Nellie +blijft, en gaat Moeder mij zoeken." Daar was ze gelukkig, waar ze +wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar tooverstaf op den grond en +fluisterde met een kloppend, half bang hartje: "Ik wensch me een mooi +plekje ver van hier, waar ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan." + +Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter +en dichter werd de mist, 't was, of er een sluier voor Nellie's oogen +hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel--nu +kon ze ook bijna niet meer hooren--ze wist niet meer, waar ze was +en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst +hoorde ze geluiden uit de verte--toen kon ze weer zien, en wat +wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn--eene blauwe lucht, groene +weiden, groene boomen en toen--o, dat was nog mooier, dan ze zich iets +wenschen kon--vlak vóór haar aan 't eind van de groene weide tusschen +de groene boomen een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, +begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In 't midden eene breede +marmeren trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze +voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk, +met rondom ramen, die in den tuin uitzagen. + +En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met +vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen +van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, +begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in de lucht +sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.--En +dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke bank +en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken +en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen en +kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moest blijven staan luisteren, +of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde +hier en bewonderde daar, tot ze op eens bedacht, dat ze nog maar ééne +kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan +'t bewonderen. Naast de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een +heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja--van alles +wat maar lekker was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!--Maar +Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al +op naar boven. Neen maar, die slaapkamer! 't Leek wel, of er eene +prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd +hoofdkussen en gordijnen--rozerood met witte lelietjes! Verder weer +eene speelkamer met de snoezigste poppen.--Een verder allerlei mooi +speelgoed. En--'t laatste 't beste! Eene leeskamer met boekenkasten, +vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke kanapeetjes, +om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk +zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit behoefde ze bang te zijn, +dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze--lezen zooveel +en zoolang, als ze wou, in al die mooie boeken, en nooit behoefde ze +bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: "Zit je daar al weer +met een boek? Doe toch ook eens iets anders dan lezen!" + +Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens +weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten en toen +in een kanapeetje aan 't lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was +het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het kwinkeleeren van de +vogels. Toen 't middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was +niet te zien. Nellie ging zoeken: daar zag ze in de eetkamer eene +keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een +beetje in den tuin wandelen, een poosje met mooie poppen spelen en +toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed--o, +wat een heerlijk bed! 't Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes +van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, +dat Moeder niet naar haar kwam kijken. Maar--ze viel toch ook gauw +in slaap. Ze was moe van 't genieten van al die heerlijkheden. + +Den volgenden morgen ging 't weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het +toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene menschenstem +gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte +wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! Maar--wat was +ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam +ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op de aarde. En zie--daar +stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie +zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: ze wist niet, wat ze +tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren +niets bang. "Wij heeten Rosa en Bettie en Suze en Martha en Emma en +Lena," zeiden ze. En toen: "O, wat woon je hier mooi, laat ons toch +gauw alles eens zien!" Toen liepen de meisjes met elkaar trap op, +trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel +kasten met prachtige kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze +maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig +zitten eten en lezen en spelen--o, 't was een kostelijk leventje. + +En zoo ging het nu dag aan dag! "Heerlijk!" riep Nellie. "Zoo zal +het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen." Neen, mooier +leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op +tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene breikousen, waar +Moeder altijd aan gebreid wou hebben--geen onvriendelijk gezicht van +Moeder. Geen brommen van Vader, geen geplaag van de jongens. Alleen +'s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, +of ze lag te wachten, dat Moe evenals thuis zacht binnen zou komen +om haar een' nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo'n leventje +van plezier, dan had Nellie geen' tijd om aan iets anders te denken. + +Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie +een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf ze niet +meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat +nieuws wenschen, maar 't eene was toch ook al weer even mooi, als +'t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis +in den laatsten tijd ook altijd al zoo gesmuld: "'t Is toch waar, +wat Moeder wel eens zei," dacht Nellie, "als je altijd lekker eet, +proef je op 't laatst niet meer, dat het eten lekker is, en als +je altijd mooi bent, zie je 't op 't laatst niet meer." En Nellie +dacht aan heel lang geleden, toen ze nog niet zoo altijd en altijd +zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals Vader +het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na +schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht ze dat ook, maar nu +mocht ze 't altijd, en nu verveelde 't spelen haar wel eens.--En als +er dan een jarig was thuis. Als Vader of Moeder jarig waren! Vader in +den winter--dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje +spelen, allemaal met elkaar, de broertjes en zusjes! En dan 's avonds +om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels +opgaf!--En Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten +Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in 't bosch voor zoo'n +enkelen keer.--Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar +'t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen waren. Neen--en +dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar 's morgens +in bed een' krans van madeliefjes opzette en allen, allen met bloemen +en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze +behoefde nu geene cadeautjes te hebben: ze kon zich immers alles zelf +wenschen; maar--een cadeautje met liefde gegeven--dat vond Nellie +toch heel wat anders.--En spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze +had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk +voor haar waren en haar in alles den zin deden. Maar dat was het +juist--Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, 't Was net, +of de vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo +gelijk--Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de broertjes +en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was +'t weer vrede; maar nu was 't altijd zoo saai lief en zoet. Soms--ja +soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in +haar klein eenvoudig huis--soms wenschte ze, eene gewone boterham +thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier. + +Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in +huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van Moeder, aan de +gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en +zusjes. Maar--heel vroeger waren die allen toch niet zoo onaardig +tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en +altijd zat te lezen. Toen--ze wist het nog heel goed--toen vond ze +'t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag +iets voor anderen, net als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje +schuld hebben? Maar kom--ze had nu zoo'n mooi leventje--ze kon zooveel +lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar +'t was raar, soms was 't, of ze 't lezen niet meer zoo prettig vond. Ze +las nu ook zooveel. Maar--ze kon immers ook wel eens een handwerkje +doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo +weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel moest breien, +en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd +in huis ook zoo weinig aan 't breien en naaien gedaan. Als Moeder haar +er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar +nu wist ze wat moois. Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes +maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo'n +lust in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink +leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze eens voor +den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu +allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. Ze kreeg, wat +ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, +hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken maken kon ze niet. Wacht--ze +zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen +te maken! Maar--neen--'t was waar ook--dat kon niet--ze kon alleen +zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren +moest! Nu--ze kon leeren. Die zes vriendinnetjes wilden haar graag +helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, +schaamde Nellie zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, +en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite +een paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen +speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat zou +Vader in zijn' schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf +voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan heel vroeger, toen +ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader +had de tranen in de oogen gekregen toen en haar zijne knappe dochter +genoemd. Neen--handwerkjes maken, daar had Nellie geen' zin meer in.-- + +Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging +brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis met +den gulden. + +Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar +wat dan? Och, Nellie wist het niet--ze wist alleen, dat ze in huis +wou leven en nergens liever. Maar--hoe kan ze ooit weer in huis +komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze +geweest was? En--zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen hebben, +nu ze maar zoo van hen weggeloopen was? + +Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam +er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, bleef +er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze--de fee. + +"Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?" vroeg de fee. + +"Neen, o, neen, beste fee," riep Nellie. "Neem den tooverstaf terug, ik +begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, geef mij mijn eigen +huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes." + +"Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons +zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar bedenk +wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer +krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in de wereld niet gezien. Je +kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee...." + +"Niets wil ik meer, niets!" riep Nellie: "Als ik plezier zal hebben, +wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan leven bij allen, +die ik lief heb." + +Toen zwaaide de fee den tooverstaf: 't was of er een hevig onweer +opkwam, alles draaide om Nellie. 't Was, of ze met kasteel en al in +een' afgrond stortte--ze hoorde en zag niets meer..... + + + +Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze--in +de lieve trouwe oogen van hare moeder. + +"O, Moeder, lieve Moeder," zei Nellie met een zwak stemmetje, "waar +ben ik toch?" + +"In je eigen bed, liefje," zei de moeder, en ze streelde Nellie de +heete wangen. "Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. Je hebt ons +zoo angstig gemaakt." + +"Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier +in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?" + +"Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben +je onder een' boom gevonden in den tuin van den buurman met eene +hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al dien +tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en +een tooverstafje, en ik weet niet wat al." + +'t Was of Nellie een steen van 't hart viel bij die woorden van +Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, en in de +koorts had ze alles--gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest--o, +hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder dat verdriet niet had +aangedaan. + +Daar stak Theodoor zijn' krullebol om den hoek van de deur en +fluisterde: "Slaapt ze nog, Moeder?" + +"Ze is wakker en al een beetje beter," zei Moeder, "maar st! rustig +blijven, hoor!" + +Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik +later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door de gang: +"Nellie is wakker, Nellie is wat beter!" + +Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en +zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder aan. En ze +pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: "Ben ik +wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch ook wel een beetje lief?" + +"Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief," zei Moeder. "Maar +ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet meer." + +Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met +den dokter binnen. "Kom," zei de dokter, "eindelijk de oogen open. En +wat kijk je vroolijk." En toen den pols voelende: "nog zwakjes, maar +dat kan niet anders na zoo'n langdurige koorts. Ze heeft de ziekte +zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan +allerlei boekeverhalen, en dan dat kou vatten na 't inslapen onder +dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van +beterschap, nu maar veel gebruiken en rustig wezen en--vooral niet +lezen! Geene boeken geven!" + +"Nooit boeken weer!" riep Nellie. "Als ik weer beter ben, ga ik al +mijne mooie boeken verbranden." + +"Ho, ho, wat," zei Vader, "beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, +moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken heelemaal niet +noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, 't gaat er net mee, als met de +mooie roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze +sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel +willen missen. Maar 't zou dom zijn op een' akker alleen bloemen te +laten groeien. Die dat deed, zou 's zomers een prachtig veld hebben; +maar 's winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan +hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen of de prettige boeken +weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door +moest worden, daar hield ze niet van. Maar nu in 't vervolg zal ze +van beide houden, dat weet ik zeker." + +Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe. + +Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde +er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al binnen: voorop +Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, +die zijn' krakeling van den vorigen dag, Zondag, voor Nellie had +bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden +met roode neuzen en gele pluimen, dan kleine Mina, die volstrekt haar +mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen +maar pas geleden haar neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze +een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: "Mim geven!" + +Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve +ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte immers zoo +naar verlangd. + +Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen +om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen, +van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, +en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als Nellie dan +ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo +ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen in de oogen en waren ze +met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond +gezonken was. + +Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze +een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden +voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel +en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. Op school werd +ze weer een van de beste leerlingen. En lezen--ja lezen deed ze veel, +maar niet _te_ veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat +uit leeren kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze +echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, die +ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die +ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en Moeder gebruikte. Nu +begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan. + +Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: +ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, dat +groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan +Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een tevreden knikje +van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten +haar het leven in huis zoo gelukkig, dat ze haar eigen huis voor het +mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen. + + + + +HET BETOOVERDE HORLOGE. + + +Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.--O, dan +had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of--ze was +te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je +wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of--nog mooier--dat +ze geen' mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te +kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de +klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers, +in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen, +maar, nu moet ik lachen! + +Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of +tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek +eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat--het +haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles--niet wanneer +het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd +te laat op. Ze treuzelde bij 't aankleeden. Ze kwam te laat aan +'t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in +bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.--En +nooit dacht ze: "O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken: +daar doe ik Vader of de juffrouw of mijne vriendinnetjes plezier +mee." Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken. + +Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar +dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet +altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis, +en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten +werken. Zoo had hij geen' tijd, om veel op zijn kind te letten, geen' +tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en--dom ze deed. + +Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.--Waar +had ze bleeke wangen van? Wel, van 't late opstaan en 't late naar bed +gaan.--Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar +straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!--Op de visite lachten +de vriendinnetjes haar uit en noemden haar "Juffertje Te Laat."--En +als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal: +"Foei, wat een onbeleefd kind! 't Is te hopen, dat ze die leelijke +gewoonte nog afleert, eer ze groot is." + +Ja, 't was te hopen; maar--het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter, +maar ze bleef "Juffertje Te Laat!" Toen ze al geen jongejuffrouw +meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min +aan de klok. + +Hilda's vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus +bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier +en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor +de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer! + +Als iemand haar nu gezegd had: "Hilda, denk toch aan dien armen +koetsier en die stumpers van paarden," ja, dan zou ze zich uit +medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar--er was niemand, +die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke +dingen nooit. + +Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan +kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk +kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare +vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar +speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam, +als ze lust had, en daarmee uit. + +Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te +doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te +gaan, dan treuzelde ze 'k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te +denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes, +waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon +voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond +ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare +kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel +twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had. + +Soms zei ze wel eens: "Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo +erg niet. 'k Heb ook zoo'n slecht geheugen, 'k vergeet altijd op de +klok te kijken." + +Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl +erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je +wel begrijpen. + +Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er +met Juffertje Te Laat gebeurde. + +Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene +fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar +petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best +begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de +fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een +lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. "Ik +wou toch," dacht de fee dikwijls, "dat ik Hilda kon leeren begrijpen, +hoeveel verdriet en last ze een ander doet en--hoeveel verdriet ze +er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat." + +De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda +bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders, +dat onaardig was. Maar dat op 't laatst iedereen haar petekind +"Juffertje Te Laat" noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat +kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene +minuut te vroeg of te laat. "Twaalf uur," zei ze dikwijls, "dat is +niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf +uur is twaalf uur." Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon +evenmin verdragen, dat iemand haar wachten liet.--Daarom noemden de +menschen haar voor de aardigheid "Mevrouw Op Tijd." + +En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze +vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.--Op een goeien +dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan: +"Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind. + + + "Je je liefhebbende peettante." + + +De volgende dag kwam, en 't werd twaalf uur, dat was in dien tijd +voor de meeste menschen het uur van 't middageten, 't Werd twaalf +uur--en bij den eersten slag stond ook al 't rijtuig van de fee "Op +Tijd" voor Hilda's deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer +binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte +tafel--daar had de knecht voor gezorgd--maar geene Hilda, om hare +peettante op te wachten en te verwelkomen! + +"Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat," bromde de fee. "'t +Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen." En +verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten. + +Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis, +en ze wist toch, dat de fee komen zou!-- + +Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten, +dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar +al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten. + +Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.--Nelly wist niet wat +ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan. + +"Heerlijk, dat je komt," riep ze vroolijk, "nu kun je me meteen helpen +uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en +mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we +samen de doozen open." + +Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel +staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!--Het duurde geene +tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en +deksels, vol hoeden en mantels. + +Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen en +Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te +denken. 'k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur +en tijd bij 't mooie spelletje vergat. 't Werd elf uur, 't werd twaalf +uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante, +die zou komen eten.--'t Werd half één, kwart voor één, en nog waren +de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel. + +Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen: +'t was etenstijd.--"O wee, al één uur!" riep Hilda, "en wij eten om +twaalf en...--'t is waar ook: mijne peettante zou komen eten."--Toen +gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels +onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor +stilstaan. Te laat was het toch--wat kwam het er eigenlijk ook opaan, +of nog 't een kwartiertje later werd!-- + +Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde, +dat Hilda's peettante er al lang was. + +De goede fee was van 't lange, vervelende wachten op 't laatst in +slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda's +vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.--Daar op eens ging +de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen. + +"Dag, mijne lieve, beste peettante," riep ze, "o, ik durf U haast niet +aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat +zult U toch wel van me gedacht hebben!"--Nu, de fee was te goedhartig +om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: "Nu, +als 't je maar spijt, kindlief, dan is 't ook goed.--Maar zeg eens: +hoe laat is 't eigenlijk, ik heb een poosje geslapen." + +De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze +wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. "O, lieve peettante, vraag +me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken," zei ze.--"Meisje, +meisje," dacht de fee, "'t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt +je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben." + +Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet +te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet +veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo +liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had. + +Na 't eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde +wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd +vloog om: 't was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht. + +Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt +open en--Hilda's vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in +de hand roept hij: "Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar, +om mee te gaan?" + +Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje +languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne +oogen haast niet gelooven. "Maar heb ik nu van mijn leven," riep hij, +"heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?"--"Uw briefje, +beste Papa?" zei Hilda met een onschuldig gezicht. "Zeker heb ik dat +gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!"--Neen, +dat had Hilda's vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd +boog hij nu voor de fee en zei: "Ik hoop maar niet, dat U 't me erg +kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat +kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo'n verdriet heb ik +van haar." + +"Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?" vroeg de +fee.--"Ik zal 't U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo +iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een +uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene +groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den +prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik +graag zijn' raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de +prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan +heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.--U kunt denken, +hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk, +eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel +een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda, +dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het +rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom +en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten +en--zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: 't rijtuig kan +ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten +wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen' raad." + +"Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?" vroeg nu Hilda heel bedaard, +alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. + +"Wat?" riep de vader, rood van boosheid, "alleen gaan? Nu wordt het nog +mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om +je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet +meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf +ik....." Op eens hield Hilda's vader op. Bleek van schrik riep hij: + +"O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!" + +Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch +erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante +om den hals en knikte: "Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan +niet meer klaar komen en 't spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa +dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!"-- + +De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles +wist. Maar nu ze zag, hoe'n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. "Nu, +kindje," zei ze troostend, "wees maar bedaard, we zullen zien. Kom +eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld."--Hilda kwam. Toen +streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden +over Hilda's japon. En zie--daar is het eenvoudige kleedje in eens +omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda's voetjes +steken in fijne goudleeren schoentjes!--De vader sprong van zijn' +stoel op en wist zich geen' raad van vreugde. En Hilda's tranen, +of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda's verdriet en berouw? O, +daar dacht ze al niet meer aan. 't Was nu immers alles nog in orde +gekomen: ze kon nog met haar vader naar 't feest gaan en--toen ze +even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die +lieve, beste fee! 't Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude +peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda +gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. "Och," riep nu de fee, +"laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen, +dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten." + +Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje +kwam te voorschijn--een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden +horloge aan een fijnen gouden ketting! "Mij dunkt, lieve kind," zei +de fee lachende, terwijl ze den ketting om Hilda's hals hing, "een +beter present kan ik je wel niet geven. 'k Hoop, dat dit dingetje, +zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar +leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat +je in 't rijtuig komt. Veel plezier, kind!"--En voordat Hilda tijd +had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit. + +Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige +rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze +gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen: +'k geloof, dat ze veel liever een' armband of zoo iets zou gehad +hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge +gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar +veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers +ook veel gemakkelijker. Maar-- _dit_ horloge was veel, veel mooier en +kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En +ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze +was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.-- + +Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een +heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen +kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.-- + +De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half +uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda +en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren, +én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond +eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! "Dat +is een goed begin," dacht Hilda's vader, en hij wreef zich de handen +van plezier over de vriendelijkheid van den prins. + +In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het +duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen +bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles +klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was, +verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst +om negen uur beginnen--tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen, +wat hij wilde. + +"Kom, Vadertje," zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den +arm. "Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? 't Zal +daar zoo heerlijk zijn!"-- + +"Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de +groene boomen 't klokje van negen niet vergeten?" fluisterde er op +eens iemand aan haar oor. 't Was de prins, die bij haar gekomen was, +zonder dat ze 't merkte. "Denk er aan, dat U me voor 't begin van +mijn feest een mooi lied beloofd hebt!" + +Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van +gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch +heel vervelend.--"Zeker, zeker, prins," zei ze daarom maar gauw, +"U kunt vast op mij rekenen." + +Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen +aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste +bloemen. Tusschen 't fluweelige gras en langs de keurige paden +stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote +vijvers met statige boomen er om heen. + +Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal +stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar +kostelijk! De bloemen geurden en 't water ruischte, de maan scheen +helder over 't water, en de lucht was zoo zacht!--Langzaam aan kwamen +er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk +alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het +zachte gras.--Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken +en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van +de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den +vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens +opzeggen zou. 't Was een heel mooi vers; maar lang, lang--er kwam geen +eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren--aan uur of tijd +dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.---- + +Daar op eens, toen 't vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel +duidelijk door de stilte van den avond: "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat +is dat?" riep de man met het vers. "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat +is dat?" riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen. _Zij_ +behoefde niets te vragen, _zij_ had dadelijk wel begrepen, wie daar +met zijn helder stemmetje tik, tik gezegd had. "Dank je wel voor de +boodschap, kleintje," zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare +hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen +riep zoo vroolijk: "Komt mee, dames en heeren, 't is tijd voor het +avondfeest!" Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar. + +Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar +ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog +lachende voor haar en--zei: "Dat noem ik eerst op zijn' tijd passen!" + +Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo +alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en +toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het +een lust was. Toen 't lied uit was, kwam er aan 't handengeklap geen +einde. Maar wie nog 't hardst van allen klapte, dat was de prins, +die zoo dol veel van zingen hield.--En weer moest Hilda zingen en +nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de +hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn' schik geweest +was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan +moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar +haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige +zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... "O, +als 't anders niet is," riep de prins lachende, "graag, hoor! En wel +dadelijk ook!"--Zoo ging Hilda's vader dan met den prins naar eene +andere kamer, waar ze rustig konden praten. + +'t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde: +dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins, +weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda +dankbaar toe. "Verbeeld je," dacht Hilda, "als ik nu eens niet op +tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou +dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!"-- + +'t Was al laat in den nacht, toen Hilda van 't feest naar huis reed. + +"Kind," zei haar vader, "wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu +zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband +van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!" Hilda +klapte in de handen van plezier. "Heerlijk, heerlijk!" riep ze. "En +gaan we hem dan samen koopen morgen?"--"Zeker, zeker, kind! zorg +dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het +druk!"--Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best +uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken, +die tegen elf uur bij haar zou komen. + +Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda +wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van 't feest en had niet +den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje +te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en +gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige +zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige +menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe +begon dat nog maar weer?... + +"Tik, tik, tik, tik!" Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind +in haar bed en keek verschrikt rond. "Tik, tik, tik, tik!".... + +Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep: +"O, 'k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik, +tik, tik.... Ja wel, 'k begrijp het: 't is tien uur, en eigenlijk +moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik, +tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge, +maar 't is nu toch al te laat, 'k blijf er nog vijf minuten in!" + +En Hilda vlijde haar hoofd weer op 't kussen. Maar--daar klonk het veel +harder: "tik, tik, tik, tik!"--"Kleine levenmaakster!" riep nu Hilda, +"kun je me niet met rust laten!" + +"Tik, tik, tik, tik, tik!"--"Nu als het dan niet anders kan, zal ik +je den zin wel geven. Daar ben ik al!" En meteen sprong ze, half boos, +half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.-- + +Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en 't was nog +maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de +deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader +was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei +hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij, +daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda +klaar was met het kiezen van een' armband. Wat een armbanden moest +de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag. + +Daar--midden in het drukke gesprek met den goudsmid--wees de klok in +den winkel elf uur aan. En op 't zelfde oogenblik, daar had je 't weer: +"Tik, tik, tik, tik!"--"Wat blieft u, Juffrouw?" vroeg de goudsmid. "O, +niets," zei Hilda, "'t is mijn horloge maar.--En hoeveel kost die +armband, zei U?"--"Tik, tik, tik, tik!".... klonk het weer. "Ja, +ja, weet 'k er alles van," bromde Hilda ongeduldig in zichzelf, +"'t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje +wachten, ik kan niet dadelijk weg." Toen weer tegen den goudsmid: +"Dat is toch wel wat duur. Zou...." + +Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. "Neen maar, dat +gezeur is niet om uit te staan," riep Hilda nu. "Zóó laat ik niet +den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende +horloge maar in Uw' zak. Misschien houdt het zich dan stil." Maar ja +wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak, +en toen Hilda's vader even op de stoep van den winkel ging staan, +om een' vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge +uit de verte toch nog met eene zware stem: "tak, tak, tak, tak!" + +Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om +te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den +winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel +niet anders doen, dan heengaan en 't horloge zijn' zin geven. Daarom +deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk +werd het horloge zoo stil als eene muis.-- + +Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar +toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe +patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu +was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet +niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig +naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat +gebeurde--'t wees juist even vóór twaalven. "O, heden," dacht Hilda, +"al zoo laat! 'k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te +zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je +wat: ik breng 't horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te +vertellen, dat ik op mijn' tijd moet passen, en 'k heb nu eens geen' +zin, gestoord te worden!"--Ze nam dus het horloge van de tafel, ging +er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la +van eene kast. + +Maar--pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw +beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. "Tok, tok, tok, +tok!" klonk het door de kamer, 't Was net een geluid, alsof er vlak bij +gehamerd werd. "Hé, wat is dat toch, Juffrouw?" riep de naaister. "O, +niets," zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. "Hebben we deze stalen +al gezien?" + +"Tok, tok, tok, tok...."--"Maar Juffrouw," riep de naaister angstig, +"zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?"--"Och kom," zei Hilda +bedaard, maar hare vingers beefden, "'t is heusch niets. Wil U me +die plaat nog eens aangeven?" + +"_Tok, tok, tok, tok...._" Het horloge--je hebt natuurlijk evengoed +als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan +kwam--het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte, +hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. 't +Werd zóó erg op 't laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan +de naaister laten gaan. + +Verdrietig, dat ze was! "Lastig, naar horloge," pruttelde ze, "hoe +kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van +en kan heelemaal niet meer doen met mijn' tijd, wat ik wil." Maar +al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het +leven in de kast op. 't Horloge was tevreden. + +De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten +wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al +aan tafel kwam. "Wel, meisje," riep hij: "zoo mooi op tijd! Dat is +lief van je: 'k heb erge haast vandaag." Hilda kreeg weer eene kleur: +ze wist wel, dat ze 't prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze +dacht ook: "Als ik Papa er zoo'n groot plezier mee doe, wil ik toch +later uit mezelf beter op den tijd letten." Van de geschiedenis met +het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.-- + +Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht +binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw +wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude +man. Bedelen deed hij niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had +hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen +was, nog wel eens bij haar aankloppen.--Maar nu kon ze toch moeilijk +van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. "Laat hij straks +om twee uur maar terugkomen," zei ze daarom tegen den knecht. + +Toen 't maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje +te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig +vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk +laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde +geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze +las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene +hoofdstuk na het andere, totdat ze aan 't mooiste gedeelte van 't +verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen +en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. "Hè, wat is +lezen toch heerlijk," dacht ze, "'k zou wel al door kunnen gaan. En, +nu krijg ik 't mooiste nog. 'k Hoop maar niet, dat iemand me storen +komt. Zou 't al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee, +dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan 't praten is, +is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben--'k +wil mijn boek uitlezen." Gauw schelde ze het kamermeisje en zei: +"Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor +hem te spreken ben. Morgen, hoor!" + +Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets +te binnen schoot, "'t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef," +riep ze, "dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies, +wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het +weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?--O, 'k weet het al!" En +vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap +af en zóó in eenen door, tot ze--in den kelder was. Daar stopte ze +het horloge in een donkeren hoek en wip--weg was ze weer. Een paar +minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de +hand. "Ziezoo," dacht ze, "roep me nu maar, ik hoor je toch niet." + +Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat +was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat +de juffrouw niet voor hem te spreken was. "Och, och," zuchtte hij, +"wat spijt me dat!" Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan, +toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. "Paf, paf, paf, +paf!" ... 't was, of er geweren afgeschoten werden. + +Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen +toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. "Paf, paf, paf, +paf..." in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de +spiegels dansten aan den muur. + +Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. "Hoort U 't wel, +Juffrouw?" riep ze. Nu, òf Hilda 't gehoord had: ze was ook van schrik +opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen. + +"_Paf, paf, paf, paf ....!_" 't Geluid werd nog harder. Een mooi +beeldje op de schrijftafel viel en brak. "O, Juffrouw, wat zou het +toch zijn," schreide Roosje met de handen voor 't gezicht.--Hilda gaf +geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar 't geluid vandaan kwam. 't +Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den +kelder toeriep: "Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!" + +"Goed, goed, ik ga al," zei Hilda, zonder dat ze 't wist, hardop. En +pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan, +of--de slagen hielden op. + +En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen +Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere, +bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot +medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten +sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn +lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en +zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde +te lijden. + +'k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man +was en--hoe'n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn +weg was. Boos op het horloge was ze in 't geheel niet meer: ja, ze +schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze +haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje +in den kelder en nam het mee naar hare kamer. "Ziezoo," dacht ze, +"nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen." + +Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen +keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te +kleeden. Toen 't rijtuig voor de deur was, stond "Juffertje Te Laat" +wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen. + +Maar--juist op 't oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan--wie komt +me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda +toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om +den hals en kust haar op beide wangen. + +Wie was dat dan toch wel!--Ik zal 't je vertellen. Die boerenvrouw +had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later +een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer +had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden +oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda +gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.--Later +was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon +ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam +ze "haar kind," zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan +altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het +lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was +lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En +dan--'t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar +Hilda woonde. Maar ze was op 't laatst zoo naar haar "kind" gaan +verlangen, dat ze 't niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!-- + +Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in 't rijtuig +stappen, om naar 't bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven +en--den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer +vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: "Och, +och, wat spijt me dat! En 't zal wel voor de laatste maal zijn, +dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer +leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me +zóó op verheugd had!" + +Je begrijpt: 't was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk +veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na +zoo'n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig, +dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had--en dat wil wat +zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch +moeilijk van 't bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te +doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had. + +"Hoor eens," zei ze vriendelijk, "ik weet wat! Ik zal maar een +paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig +uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?" Ja, ja, dat was +heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar +een' kus op de rimpelige wangen en wipte in 't rijtuig. Flip, flap, +ging de zweep, en voort draafden de paarden.-- + +Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze +dat ook werkelijk. Maar nu ze in 't rijtuig zat, begon ze zich hoe +langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En--ze begon het +jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar +dansen maar en--ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den +prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw +al weer naar huis te gaan!--Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur, +dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja, +tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot +haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als +'t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het +haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens +leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren +en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze +zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig +op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het +rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. "Juist goed," +dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog, +dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen, +het niet hoorde, stak de hand naar buiten en--daar lag het horloge +aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.--"Hè, dat is +gebeurd," dacht Hilda tevreden, "nu ben ik er voor goed af." + +Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal +gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans +danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder +noemde haar de koningin van 't bal. Wat klopte Hilda's hartje van +plezier! In 't begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest; +want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht te +hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot +misschien zóó liggen te zuchten, dat ze 't hier hooren kon? + +'t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het +boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal +uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en +ook--hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen +op haar zat te wachten. En op 't laatst dacht ze nergens anders meer +aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in 't rond, lachte, +praatte..... + +Maar hemel, wat was dat! "Boem, boem, boem, boem!" klonk het door +de zaal. Alles dreunde en kraakte, 't Was, of er vlak bij kanonnen +werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen, +en alle gasten liepen angstig door elkaar. + +En het bleef niet bij een paar slagen: 't ging maar zonder ophouden: +boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden +het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar +vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.-- + +En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. _Toch_ +het horloge! 't Was, of het zeggen wou: "Stop me maar weg, zoover je +wilt: ik laat je niet met rust, je _zult_ me hooren!" + +Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war, +dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor 't gezicht en +begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen, +die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur +uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de +voeten, de straat op. + +Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard +naar huis was gereden, dan zou het horloge op 't zelfde oogenblik +stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote +verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame +straten, altijd maar den kant uit, waar 't geluid vandaan kwam. De +voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind +blies haar om 't hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen +voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar +af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette +nergens op: ze liep maar voort, altijd voort. En onderwijl dreunde +het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van. + +Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad, +dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was +al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels +en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde +Hilda haar dunne kleedje aan een' struik, wel gleed ze telkens uit; +maar wat kon haar dat alles schelen, als ze 't horloge maar had!--En +ja, daar zag ze het glinsteren in 't maanlicht, daar had ze het in +de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien +verging er Hilda bij. + +"O, wat ben je toch een afschuwelijk ding," riep ze bevende van +boosheid, "ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan, +ik zal....." + +En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien--toen +ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte. + +Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór +haar?.... Niemand anders dan--de fee! + +Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op. + +En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: "Maar +kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het +horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te +worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?--En meen je nu +heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je 't horloge tegen +den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor +niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan +het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet, +dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar 't andere +eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen +en zeeën heen. 't Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd +te doen, wat je doen moet!" + +Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda's hals. Hilda's +oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee +hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei: +"Kindlief, denk toch nooit: 't horloge is mijn vijand, het wil me +plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: 't horloge +is een vriend, die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend +gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je +dan om je heen zult zien en hoe 'n prettig, tevreden gevoel je zelf +altijd zult hebben!--Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk +aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig +op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal 'Juffertje Te Laat' +heette? 'k Geloof er niets van!--Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig +eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn +stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te +worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.--Dag, lieveling!" + +Toen kuste de fee Hilda op 't voorhoofd en..... + +Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu +zag. Als door een' tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd +balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar--ze zat in +haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de +tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar, +tevreden gezicht en stak haar de hand toe.-- + +Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan, +behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde. + +De fee--was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.--En +hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd +Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en +van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel +raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel +dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer +naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: "Tik, tik, tik, +tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!"--Ja, eene enkele maal +moest het nog wel roepen: "_Tik, tik, tik!_" Maar nooit meer: "Tak, +tak, tak!" En nog veel minder: "Tok, tok, tok!" of "Boem, boem, boem!" + +Dat was alleen in den tijd van "Juffertje Te Laat". En die bestond +nu niet meer. + + + + +DE VISSCHER EN ZIJNE VROUW. + + +Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel +armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een' mesthoop, niet ver van +de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en +hij vischte. + +Zoo zat hij ook eens bij zijn' hengel, en hij tuurde in het heldere +water: en hij tuurde en tuurde. + +Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij +hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: "Och, +visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben +een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij dood maakt, ik +zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in 't water en laat mij +zwemmen."--"Nu," zei de visscher, "je behoeft niet zooveel woorden +te gebruiken: een' bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten +zwemmen." Met liet hij hem weer in 't heldere water; daar ging de +bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen +stond de visscher op en ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje +bij den mesthoop. + +"Man," zei de vrouw, "heb je niets gevangen?"--"Neen," zei de man, +"ik ving een' bot, die zei, dat hij een betooverde prins was: toen +heb ik hem weer laten zwemmen."--"Heb je je dan niets gewenscht?" zei +de vrouw. "Neen," zei de man, "wat zou ik mij wenschen?"--"Ach," +zei de vrouw, "'t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een' +mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, je hadt ons toch een klein +huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we +wenschten ons een klein huisje, hij doet het wel."--"Ach," zei de man, +"waarom zal ik er nog heengaan?"--"Heden nog toe," zei de vrouw, +"je hebt hem toch gevangen en hem weer laten zwemmen, hij doet het +natuurlijk. Ga dadelijk heen." + +De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw +ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee. + +Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik +later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. Maar 't water +bewoog zich niet: 't was stil. Hij ging aan den oever staan en riep: + + + "Mannetje, mannetje Timpetee, + Botje, botje in de zee, + Mijne vrouw, mijn Ilsebil, + Wil niet, zoo als ik wel wil." + + +Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: "Zoo, wat wil ze dan?"-- +"Ach," zei de man, "nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen, +ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje +bij een' mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben." + +"Ga maar heen," zei de bot, "ze heeft het al." + +Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje +bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond een aardig steenen +huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem +bij de hand en zei: "Nu ga maar eens mee binnen: kijk, zoo is het +toch veel beter." En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig +portaaltje en eene mooie kamer en eene slaapkamer met twee bedden' en +eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper +aan den wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En +achter 't huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder +naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en +andere vruchten. "Zie," zei de vrouw, "is dat nu niet aardig?"--"Ja," +zei de man, "nu is 't goed, en nu zal 't ook goed blijven, nu willen +we tevreden leven."--"Daar zullen we nog eens over denken," zei de +vrouw. En ze aten wat en gingen in bed. + +Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: "Hoor eens, +man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek en de tuin +zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen +geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen wonen: ga naar den bot +en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet."-- + +"Ach, vrouw," zei de man, "het huisje is immers goed genoeg, wat +hebben we een aan kasteel?"-- + +"Och, kom," zei de vrouw, "de bot kan het gemakkelijk doen."--"Neen, +vrouw," zei de man, "de bot heeft ons eerst het huisje gegeven, ik +heb geen' lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig om +worden."--"Kom, ga toch heen," zei de vrouw, "hij kan het gemakkelijk +doen en wil het graag doen." Het werd den man zoo zwaar om 't hart, +hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: "'t is +verkeerd;" maar hij ging toch. + +Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart +en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo benauwd. + +Toen ging hij staan en riep: + + + "Mannetje, mannetje Timpetee, + Botje, botje in de zee, + Mijne vrouw, mijn Ilsebil, + Wil niet, zoo als ik wel wil!" + + +"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. + +"Och," zei de man, half treurig: "nu wil ze in een kasteel wonen." "Ga +maar heen," zei de bot, "ze staat al voor de deur." + +Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje +moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, en op +de trap van 't kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen +gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: "Kom maar binnen." Hij ging +met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren +vloersteenen. En 't was er vol bedienden, die gooiden groote dubbele +deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de +zalen stonden stoelen en tafels van klinkklaar goud, en kristallen +kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige +vloerkleeden. En de tafels bogen onder de zwaarte van al het eten. En +achter het huis was ook een groot plein met een' koestal en een' +paardenstal en een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder +naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne +vruchtboomen, en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl, +en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar +wenschen kon. + +"Nu," zei de vrouw, "is dat nu niet mooi?"--"Och, ja," zei de man, +"'t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we in het +prachtige kasteel wonen en tevreden wezen."--"Daar zullen we nog +eens over denken," zei de vrouw, "daar zullen we ons nog eens op +beslapen." En zoo gingen ze naar bed. + +Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging +overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk +uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten; +maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens uit: daar +stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: "Kijk toch eens +uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! Zeg, we moesten +koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg, +dat we koning en koningin willen wezen." + +"Och, vrouw," zei de man, "wat zal het beduiden, dat wij koning +en koningin zijn. Ik heb er geen' zin in, ik mag niet graag koning +zijn."-- "Nu," zei de vrouw, "mag jij niet graag koning zijn, ik mag +wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, dat ik koningin +wil worden."--"Ach, vrouw," zei de man, "wat zal 't beduiden, dat +jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, dat wil ik liever niet +vragen."--"Kom, waarom niet," zei de vrouw, "je gaat straks maar heen +en zegt, dat ik koningin wil worden." + +En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo +naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet goed, dacht +hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee. + +En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en +kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, en er ging +een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er +van. Toen ging de man staan en riep: + + + "Mannetje, mannetje Timpetee, + Botje, botje in de zee, + Mijne vrouw, mijn Ilsebil, + Wil niet, zooals ik wel wil!" + + +"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach," zei de man, "ze wil koningin +worden."--"Ga, maar heen, zij is 't al," zei de bot. + +En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij, +dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig +lofwerk en beelden: een heel paleis. + +En voor 't paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis +marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en op pauken +slaan. En toen hij in 't paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de +vloer, maar de gangen en alles van marmer was, met gouden randen +afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden +koorden en kwasten. Toen gingen de deuren van de groote zaal open, +en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw +zat op een hoogen gouden troon met fonkelende diamanten, en ze had +eene prachtige kroon op en een' scepter in de hand van zuiver goud +en edelgesteenten, en aan weerszijden van haar stonden de hofdames +in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was +dan de eerste en weer eene kleinere, en zoo al door. + +Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: "Och, vrouw, ben je +nu koningin?"--"Ja," zei de vrouw, "nu ben ik koningin!" Toen stond +de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele +poos aangekeken had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat +jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets +meer wenschen."--"Och, wat," zei de vrouw, en ze schoof onrustig op +haren troon heen en weer, "praat mij er niet van. 't Heeft mij al +weer veel te lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar +naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan +worden."--"Och, vrouw!" riep de man, "wat zal het beteekenen, dat je +keizerin wordt?" "Man," zei ze, ga heen, "ik wil, ik moet keizerin +worden."--"Och, vrouw," zei de man, "keizerin kan hij je niet maken, +ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin is nog veel meer +dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet." + +"Hoe durf je zoo te praten!" riep de vrouw, "ik ben de koningin, +en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, dadelijk, +hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin +maken. Ik _wil_ keizerin wezen. Ga dadelijk heen." + +Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor +elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte hij: +"Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan +den bot op 't laatst ook wel te veel worden." + +Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig, +en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, en de wolken +joegen, en 't werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren +vlogen van de boomen en dwarrelden over den grond, en 't water bruiste +en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen, +die dansten op de golven, en de noodschoten knalden, en de hemel was +vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren +op de wolken als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was +de hemel. Alleen in 't midden was nog een plekje blauw te zien. Toen +werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang: + + + Mannetje, mannetje Timpetee, + Botje, botje in de zee, + Mijne vrouw, mijn Ilsebil, + Wil niet, zooals ik wel wil!" + + +"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach, bot," zei de man, "mijne +vrouw wil keizerin worden."--"Ga maar heen," zei de bot, "ze is 't al." + +En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis +van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het huis marcheerden +de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En +in het paleis liepen baronnen en hertogen en graven rond en deden, +of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren, +die van puur goud waren. En toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne +vrouw op een' troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel +een huis hoog was, en eene groote gouden kroon had ze op, die was +wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene +hand had ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide +zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje +kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang +was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet grooter was +dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen +en prinsen. Daar ging de man tusschen staan en hij vroeg: "Ben je +nu keizerin?"--"Ja," zei ze, "ik ben keizerin." Toen stond de man en +bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in +'t gezicht gezien had, zei hij: "Och, vrouw, wat lijkt het mooi, +dat jij keizerin bent." Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom, +ze verroerde zich niet. Toen zei de man: "Nu wees tevreden vrouw, +nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden."--"Daar zal ik +mij eens op bedenken," zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar +de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen, +al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden? + +De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien +dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere zijde, en dacht +maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets +bedenken. Dat duurde zoo den heelen nacht. Eindelijk zou de zon opgaan, +en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in 't +bed zitten en zag in het morgenrood op, en toen ze door het venster de +zon op zag komen, dacht ze: "Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op +laten gaan?! En--man," zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan, +"man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik worden wil +als onze lieve Heer!" + +De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit +bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou hebben, en +hij wreef zich de oogen uit en zei: "Och, vrouw, wat zeg je!"--"Man," +zei de vrouw, "als de zon en de maan op zullen gaan, dan moet _ik_ ze +laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe, +dat hou' ik niet uit, dan heb ik geene rust meer in mijn leven." En +ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de +leden ging. "Dadelijk heengaan!" riep ze, "ik wil worden als de +lieve Heer!"--"Och, vrouw," zei de man, en hij viel voor haar op de +knieën, "wat ik je bidden mag, laat mij dat niet vragen; dat kan de +bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en +blijf keizerin!" + +Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het +hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: "Ik hou' het niet uit, +en ik hou' het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!" Toen +schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig de deur uit. + +Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet op +de beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen +van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden in de zee. De +lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen +torenhoog en hadden bruisende witte koppen. Toen schreeuwde de man, +en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan: + + + "Mannetje, mannetje Timpetee, + Botje, botje in de zee, + Mijne vrouw, mijn Ilsebil, + Wil niet, zoo als ik wel wil!" + + +"Nu, wat wil ze dan?" vroeg de bot. "Ach!" zei de man, "ze wil worden +als onze lieve Heer!"--"Ga maar heen, ze zit al weer in het hutje +bij den mesthoop," zei de bot.... + +Daar zit ze nog tot op dezen dag. + + + + +DE GELUKSKLOK. + + +Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik +vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel +eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed +was wat duur, dan zei Moeder: "Och, ze moet hem maar hebben, we hebben +ook maar één kind."--Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje +maar mee. "Och, we hebben er ook maar één," zei Vader. Liesje kreeg, +wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf--niets. Nooit behoefde ze +eens hare mooie plaats bij 't raam af te staan aan een zusje, nooit +was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van +'t wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze +kousen voor moest breien--als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel +zei Moeder eens: "Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader +breien?" Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten, +en Vader zei: "Och, laat haar maar, als ze geen' lust heeft." + +Dachten Vader en Moeder bij alles: "we hebben maar één kind om plezier +te doen," Liesje dacht nooit: "Vader en Moeder hebben maar één kind, om +hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader +en Moeder graag willen." Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou. + +Als de meid eens vroeg: "Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij +even rijst voor me halen?" dan zei Liesje: "Dank je, ik hou' niet +van boodschappen doen!"--Neen, _zij_ hield niet van boodschappen doen. + +Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje +lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had +er op dat oogenblik lust in, en of de hond het _niet_ prettig vond, +dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te +spinnen, dan zou ze juist met de hand aan 't behang krabbelen, om +Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat. + +Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: "Lies, ik zou 't wel aardig +vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper mag met dit +mooie weer de deur niet uit, dan was 't: 'Ik heb geen boek!'"--"Je hebt +immers zooveel boeken!"--"Ja, maar die heb ik allemaal al gelezen!" + +_Zij_ had ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet. + +Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk +altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. En de +schoolmeisjes zeiden niet: "Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze +is ook eenigst kindje." Neen, de schoolmeisjes zeiden: "Je kunt niet +altijd je zin hebben', speel ook eens, wat wij prettig vinden!"--Dan +vond Liesje de meisjes "nare kinderen," maar zelf was ze niet naar, +och, neen. + +Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje +had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij elkaar, +en uit was 't met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest +hooren: "Ik wil niet langer met je!" dan klaagde ze: "Niemand houdt +van mij!" Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: "Met +de liefde is het als met de echo. Alleen, wanneer men geluid maakt, +kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst, +kan men liefde terug verwachten." + +Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en +was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een vroolijk +jonge meisjesleven had ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder +thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan +zij zelve. Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en +vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: "Lize, toe, zoek toch nog eens +eene vriendin;" maar dan antwoordde Lize: "Ik heb er geen behoefte aan; +ik heb aan u beiden genoeg." Lize vergat iets: er zou een tijd komen, +dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden +overhield, en eindelijk--dat ze niets overhield.-- + +Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze 't in huis en ook +in de stad niet langer uithouden. "Ik moet hier weg," snikte ze, +"ik heb hier toch niemand, die lief voor me is." Ze trok naar een +dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier eens met +Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor +haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje gaan wonen. De buren +in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een +onverschillig gezicht. Wat konden die vreemde menschen haar schelen +met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen +en geiten--dat waren hare kinderen en koeien en schapen en geiten +immers niet! + +Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat +daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het dorp geboren, +het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen +verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat niemand haar lief had--zóó +zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen. + +O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht? + +Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven? + +Geduld--ik vertel verder. + +Eens op een' zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de +frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje +voorbij. "Goeienavond," zegt het mannetje vriendelijk. En toen: "Kom, +het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige huisje met +het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij, +en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes als alles hier er +uitziet." Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen +haar prezen en iets vriendelijks zeiden; maar de woorden van het +oude mannetje deden haar toch plezier, en ze antwoordde: "Ik ken je +niet. Zeker woon je ver van hier?" + +"Ik woon daar ginds, in de bergen," zei het mannetje. "Ik kom hier +wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker ben je +niet heel nieuwsgierig uitgevallen." + +"Neen," zei Lize, "wat andere menschen doen, kan mij niet +schelen." "Dat dacht ik wel," zei het mannetje, "je krijgt zeker ook +nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes +uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe zal het binnen dan +wel wezen!" + +"Kom maar eens kijken," zei Lize. + +"Mag ik? graag!" zei het mannetje. + +Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij +liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de handen +in elkaar over de netheid van het huisje. "Hier komen zeker nooit +kinderen?" vroeg hij. + +"Kinderen, neen," zei Lize, "die komen overal met de vingers +aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met +schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je +lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?" + +"Ik ben horlogemaker," zei het mannetje. "Heb je soms eene klok, +die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken." + +"Daar zeg je zoo iets," zei Lize, "mijne klok staat al eene poos +stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp geen' +klokkenmaker. Wil je eens zien, wat er aan hapert? Zoo'n stilstaande +klok vind ik zoo iets onordelijks." + +"Zeker," zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit +en stapte op een' stoel en bekeek de klok en smeerde de raderen, +en een oogenblik later tikte de klok weer. "Dank je vriendelijk," +zei Lize. "Wat ben ik je schuldig?" + +"Niets," zei het mannetje. "Komaan, nu moet ik weer verder. Als +je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens bij +mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun +je niet." "Goed," zei Lize, "ik kom bepaald eens. Ik dank je nog wel!" + +"Niet te danken, tot ziens dan," zei het mannetje, en stapte verder. + +Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het +vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien en paarden en +geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden +worden. De angst maakte haar half ziek, en ze had geene vrienden, bij +wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene +groote wandeling maken; misschien zou ze daar wat fleuriger van worden. + +Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat +viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? Och, neen, +ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar +ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al tobbende liep ze verder, +ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens +bemerkte ze, dat ze op eene plaats was, die ze niet kende. Daar zag +ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes +opstijgen. Gelukkig, daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur +aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze +wandelde om den steen heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje +gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje: +den kleinen klokkenmaker! + +"Hé!" riep het mannetje, "dat is aardig, kom je mij nu eens +opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen; +ze zijn net klaar."--"Graag," zei Lize; want ze had honger gekregen +van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. "Waar is +toch je huis?" vroeg ze. "Ik zie nergens een huis."--"Zie je die deur +daar in den berg?" vroeg het mannetje, "dat is mijne huisdeur." Neen +maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook +een vensterraam, naast de deur in den berg gebouwd. "Hé," zei ze, +"dat moet ik eens naderbij zien."--"Met plezier," zei het mannetje, +"kom maar mee, dan kun je eens zien, of het bij mij ook zoo netjes is +als bij jou!"--"Wat een grappig deurtje," zei Lize, en ze bukte zich +om er door te gaan. "Voor mij is het groot genoeg," zei het mannetje. + +Nu kwamen ze in eene groote ruimte; 't leek wel eene boerenkamer. Aan +den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat was ook wel +noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond +eene prachtige kast aan den wand, en in de deuren waren kleine dwergjes +gesneden. 't Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen. Het +dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast +open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene kopjes en +schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit +gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: steen, waar goud in +zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout +van eene soort, die Lize nog nooit gezien had. En het mannetje vatte +alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats, +of elk ding een groote schat was. + +Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene +reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat toch +voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot +er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar achter zal nog +wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje +dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd geluid: een ratelen, +een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken. + +Nu zei het mannetje: "Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan +zitten, daar is 't veel frisscher."--"Ja," zei Lize, "maar, zeg, +wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote +hangslot?"--"O," zei het mannetje, "daar zit eene klok achter," +en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond, +dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, maar ze was zoo heel +nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom +zei ze: "Toe, laat mij haar maar eens zien, ik heb jou ook alles +laten zien, wat ik in mijn huisje had."--"Neen, dat kan niet," riep +het mannetje onwillig. "Bovendien, je zou er ook niets aan hebben, +want 't is geene gewone klok, 't is de geluksklok van ons dorp, en +vertel nu maar aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou +ik mijn' dienst verliezen."--"Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu +iets vertellen!" riep Lize, "ik kom immers nooit bij andere menschen, +en niemand komt bij mij." En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger +werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo +lang, dat het mannetje zei: "Nu, kom dan maar, maar vergeet nooit, +dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam, +dat ik je de klok had laten zien!" + +Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengen +piepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het +met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat waren, +in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden +eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, maar veel meer bont +gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte. + +"Hé, hé, vreemd, vreemd!" riep Lize, "ik begrijp er niets van."--"Dat +wil ik wel gelooven," zei het mannetje, "'t is ook iets heel bijzonders +met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te +zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat verzeker ik je. Altijd moet +ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een +uur van huis. 's Nachts slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd +voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig +uren blijft de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur, +en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan +blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet +oppassen, dat niemand de klok kan zien. 't Is moeilijk, altijd precies +om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te +blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook al niet zoo heel jong meer."-- + +Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. "Maar, wat +moeten al die cijfers toch beduiden?" vroeg ze. "Dat zijn de huizen +van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen, +die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond en wijzen aan, +wat er zoo al in ieders leven gebeurt." + +Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze, +dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer kwam. "Wat +beduidt die lange zwarte?" vroeg Lize. "Die brengt ongeluk aan," +zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur weer dicht; want hij +had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize's nummer liep, en hij +hoopte nog, dat Lize er niets van gemerkt had. Maar Lize had wel iets +gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig. + +Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op +eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het mannetje voor +de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis. + +'t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet +op, ze stapte in den droom voort: al hare gedachten waren bij de +geluksklok. Voordat ze 't wist, was ze weer in 't dorp. Overal brandden +de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen' lust meer, om +licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo'n verdriet. Lusteloos +viel ze op een' stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen, +ze dacht alleen aan het ongeluk, dat haar naderde. "Waarmee heb ik +dat verdiend?" dacht ze. "Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor +alles, wat ik bezit, ben ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens +bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen, +die wel eens verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en +niet een ander!" Met afgunst dacht ze aan al de anderen op 't dorp, +die niet ongelukkig zouden worden. + +Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en +verdrietiger en ongeruster. Plotseling--daar sloeg de klok twaalf! Lize +sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was +te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op straat en liep ze +den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze +voor de deur van het berghuisje. En--de deur van het huisje was open, +en de deur voor de klok was open en--o, wonder! het mannetje lag voor +de open klokdeur en--sliep! Hij had de klok niet gehoord, hij had de +klokdeur niet open hooren gaan! 't Was, of het zoo wezen moest. + +Lize sloop vooruit--voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over +het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. 't Was, +of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten +wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte oogen +op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag, +'t was of die doorzichtig was. En--wat zag ze er doorheen? Ze zag +den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek +over den grond kruipen. De bak met eten stond onaangeroerd--de droge +tong hing het arme dier uit den bek. "Waarom juist mijne geit, o, +o, ik kan dat niet zien," dacht Lize. "Waarom niet de geit van den +kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen +schuld zijn been gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht, +ik schuif den wijzer één nummer verder." Pas had Lize den wijzer +verschoven, of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze +verschrikt wegvloog. Bijna was ze over de beenen van het mannetje +gevallen--zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker +gemaakt, en doodsangstig, wat er nu gebeuren zou, verstopte ze zich +in een donker hoekje in de kamer. + +Maar--het mannetje _was_ wakker geworden, en hij wist haar wel te +vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste +haar recht voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met +de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen +timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit +toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon hij niet meer aan +'t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar +dat was niet zooveel, dat ze een huisje met een kleinen stal konden +bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De +timmerman zat met het hoofd in beide handen te zuchten. De vrouw +veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een' traan weg, en twee +kleine kinderen trokken haar aan den rok en riepen: "Toe, Moeder, +geef ons nu pap!"--"Stil toch!" riep de vader verdrietig. Maar +de kinderen keken de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder: +"Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit +ziek is en nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus; +die brengen geld mee, om brood te koopen." + +Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden +den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren doodmoe en hadden +honger ook. De eerste vraag was: "Is de pap klaar, Moeder?" Toen begon +de moeder te schreien. En de Vader vroeg: "Waar is het geld?" Toen de +kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: "Is dat alles? Dat heb +ik noodig, om wilgeteenen voor de korven te koopen. Voor brood blijft +er niets over."--"Maar, Vader," riep de moeder, "de kinderen kunnen +toch niet verhongeren, ze moeten toch eten hebben!"--"Dan moeten ze +maar wachten, tot de geit weer beter is," zei de vader. "Wie weet, +of die wel ooit weer beter wordt," zuchtte de moeder.-- + +Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon +zooveel ellende niet meer zien. "O," riep ze, "draai den wijzer weer +op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven."--Daar +sloeg op eens de deur voor de klok dicht. "Kom morgennacht om twaalf +uur terug," zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten +zijn huisje. + +Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de +deur open draaide. Maar 't was, of ze geen plezier in de beterschap +van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van +den timmerman met al de ongelukkige stumpers van menschen. 's Nachts +droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze 's morgens bij 't +opstaan. Zouden de kinderen nu al eten gehad hebben? Het hart klopte +haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze +kon de boterham niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist, +wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze +voor de deur van den timmerman. + +Toen ze binnenkwam, zett'en allen groote oogen op. Was dat de +buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize schaamde +zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen +en hapten al gauw in eene lekkere boterham, en de moeder keek haar +zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg +zoo'n heerlijk gevoel, als ze nog nooit in haar leven gehad had. "Als +je soms uit werken wilt gaan," zei ze, "stuur de kleine kinderen dan +maar bij mij. Ik zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij +eten." De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand. + +Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de +dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei kleinigheden +te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar +hoe later het werd, hoe meer Lize's prettig gevoel verdween. Toen ze +eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde +ze, dat ze nu zichzelf in 't ongeluk moest brengen. Haar geit was zoo'n +prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat +ze de geit van de arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven; +maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: 't was +toch beter, dat die stierf dan eene geit. 't Was waar, hij leidde +wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere +hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman; +want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. En dan, +het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje +langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht ze nooit iets, +als de oude man met koopwaar aan de deur kwam. + +Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlug den +zwarten wijzer naar 't huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok +te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist Lize ook vooruit, wat +er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam +de kleine klokkenmaker haar bij de hand en plaatste haar voor de klok. + +Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van +den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist zijn +middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij +den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had geen' lust +in eten. Treurig keek hij zijn' baas aan. Dat zag de blinde baas +niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders altijd zoo blij met +zijn eten, niet at. "Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je +dan een lekker hapje van den baas?" Maar Karo wou ook geen lekker +hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op +zijne knie. De blinde man tastte nu naar den neus van het dier, en +toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust +voorbij: hij schoof zijn bord op zij. + +Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed--de +hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen van +het bed en legde het op den vloer. "Kom, hier, Karo! beste hond, +ga maar koesten." De hond kroop op het kussen en likte hem de +handen. De tong was droog en heet. "O, Karo," zuchtte de blinde, +"word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb mij zoo aan je +gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!" De hond +kwispelde lusteloos met den staart; maar toen de oude man weer in +zijn' stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan +zijne voeten liggen. + +Toen Lize dat zag zei ze: "Zoo'n hond heeft toch ook waarde! wat een +trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder gemist +kunnen worden."--"Bedenk je goed," zei het mannetje, "meer dan drie +keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. Morgen is het dus +de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den +meester kijken, of de poes daar wel zoo best gemist kan worden, als +je meent, anders krijg je misschien weer berouw."--"Ja, dat is goed, +dat zal ik doen," zei Lize, en zuchtende ging ze naar huis. + +Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond +voor zich. 's Morgens was haar eerste gedachte, hoe het er wel mee +wezen zou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen' tijd had, aan zich zelf +en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op 't laatst kon ze 't in +huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn' hond nog niet +zien loopen, ze had den hond nog geen eenen keer hooren blaffen. Ze +zou er maar eens heengaan. Wacht--ze had vleesch op schotel, dat zou +ze voor den armen man meenemen. Misschien, dat de arme zieke hond er +ook een stukje van lustte. + +Ze stapte naar den overkant. "Zoo, buurman," zei ze, "ik kom eens naar +je kijken, 'k Zag je niet met den hond de deur uitkomen van morgen, +hoe komt dat zoo?"--"Och," zei de blinde, "is de juffrouw van hierover +daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd wel tegen de menschen +gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt." Lize +kleurde verschrikkelijk en was maar blij, dat haar buurman het niet +zag. "Och," zei de blinde verder, "ik kan niet uitgaan, mijn trouwe +leidsman is ziek. Kijk hij eens lusteloos neerliggen." + +Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar +verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom heb je mij +zoo ziek gemaakt! "Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman," +zei ze. "Probeer eens, of de hond daar ook een stukje van lust." De +blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had +het arme beest trek. + +Zijn baas zuchtte. "Och, Juffrouw," zei hij, "als ik dat beest +moest missen, zou ik mij geen' raad weten. Geen mensch is zoo lief +en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles, +wil U wel gelooven ...." "Ik geloof, dat er iemand bij mijne deur +is," zei Lize. "Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!" Ze kon +niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. "Mijne schuld! mijne +schuld!" dacht ze aanhoudend. "O, je moest ook eens weten, wie je +zoo ongelukkig gemaakt heeft!" + +Nu was het bijna een geluk, dat 's middags de kinderen van den +timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden +zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en +daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit +geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes +zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze +ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize, +dat het toch ook wel aardig was, anderen plezier te doen. De menschen, +die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: "Kijk die eens!" en +voor 't eerst riepen ze Lize een vriendelijk: "Dag, Juffrouw!" toe. + +Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: "Nu wordt het +tijd om naar Meester te gaan." Vóórdat ze weer naar de klok ging, +moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou +zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel +van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar +één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen, +wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was. + +Toen ze bij 't huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze +riep: "Poes, Poes! Mies! Mies!" Dat trof nu al heel raar. Lize bleef +staan en vroeg: "Is uwe poes weggeloopen?"--"Ja," zei de meestersvrouw, +"en 't kleine meisje heeft zoo'n verlangen naar het dier."--"Hoe is het +met uw klein meisje?" vroeg Lize. "Niet zoo heel best," zei de vrouw, +"ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar +eens zien." + +Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in +haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze +keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe +oogen vragend aan. "Wacht een poosje, Marietje," zei de moeder, "er +is visite. Poes zal zóó wel komen." Een oogenblikje hield het kind +zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de +reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: "Komt niet!" De moeder +bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. "Kom," +zei de moeder, "ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen." Het +kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize +haar zachtjes schreien. + +Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar +het bedje van 't kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en +liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize +iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. "Mijn +lieve, lieve Poeke," riep het kind, "mag niet weer weggaan!"--"O," +zei de moeder, "dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt, +bij Poes kan ze altijd troost vinden." + +Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk +wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide +den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok +niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De +oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord. + +Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in +rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize +had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. 't Was, of ze 't nu voor +'t eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze +in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja, +daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het +dier een bos versch stroo, om op te liggen en een' bak vol schoon +water. "Arm geitje," zei ze, "dat is alles, wat ik voor je kan doen op +'t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die +nog iets kan geven, dat je goed doet." Maar toen Lize den volgenden +morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar +uit de oogen, maar toch zei ze: "'t Is zoo het beste." + +Toen Lize nog aan 't ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk +geblaf. Ze liep in het tuintje voor 't huis. Daar zag ze haar +overbuurman met zijn trouwen Karo. "Zoo, buurman," riep ze, "al zoo +vroeg op 't pad?"--"Ja," antwoordde de blinde, "ik kon 't van plezier +niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is +heelemaal weer beter!"--"Och, daar ben ik blij om," zei Lize, "je kon +hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven."--"Och, +Juffrouw," zei de blinde, "wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo +nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!" + +Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord, +dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo +verschrikkelijk! "Zoo'n beste, melkgevende geit!"--"Ja," zei Lize, +"'t is naar, maar 't is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit +niet is. Ik kan me er beter zonder redden."--"Hoe lief van U, dat +te zeggen," zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen +ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch--o, +het gaf haar zoo'n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had. + +'s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan +de hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een' +pot met vette melk. "Ik dacht," zei de meestersvrouw, "nu U geene +melk van de geit kon krijgen...,"--"Dat is aardig," zei Lize. "Is +Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit +voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes +had." Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar +zoo dankbaar in de oogen. 't Was, of die twee elkaar voor altijd +trouwe vriendschap beloofden. + +Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot +uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen +weg. Dan kwam het ongeluk in 't eene, dan in 't andere huis. Als Lize +hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare +gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging +ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit +dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het +geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze. + +Eens vroeg de vrouw van den meester haar: "Zeg me toch eens, hoe het +zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van +je, nu hebben groot en klein je lief." + +Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het +mannetje en de geluksklok vertellen. + +"Och," zei ze, "ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens +beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb +ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat +mijne juffrouw op school altijd zei: 'De liefde is als de echo, die +ongeroepen stom blijft.' Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug: +ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn +leven ben ik zoo gelukkig geweest." + +Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht +genas en haar gelukkig maakte. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by +Henr. Dietz and Kath. Leopold + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS *** + +***** This file should be named 18429-8.txt or 18429-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/4/2/18429/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/18429-8.zip b/18429-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9f60c14 --- /dev/null +++ b/18429-8.zip diff --git a/18429-h.zip b/18429-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dfd8806 --- /dev/null +++ b/18429-h.zip diff --git a/18429-h/18429-h.htm b/18429-h/18429-h.htm new file mode 100644 index 0000000..8371ac1 --- /dev/null +++ b/18429-h/18429-h.htm @@ -0,0 +1,6763 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>Zonnestralen: in school en huis, derde bundel</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Henr. Dietz en Kath. Leopold"> +<meta name="DC.Creator" content="Henr. Dietz en Kath. Leopold"> +<meta name="DC.Title" content="Zonnestralen: in school en huis, derde bundel"> +<meta name="DC.Date" content="### 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16% 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +/****** Title Page ******/ + +h1.docTitle +{ +font-size: 1.6em; +line-height: 2em; +} + +h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle +{ +text-align: center; +} + +h2.byline +{ +font-size: 1.1em; +line-height: 1.44em; +font-weight: normal; +} + +span.docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: normal; +} + +/******* Headers ******/ + +.div0 +{ +padding-bottom: 1.6em; +} + +.div1 +{ +padding-bottom: 1.44em; +} + +.div2 +{ +padding-bottom: 1.2em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-bottom: 1.0em; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-style: normal; +text-transform: none; +clear: both; +} + +h1 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h1.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h2 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h2.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h3 +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h4 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left: 10%; +margin-right: 10%; +} + +h5 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +h6 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +/****** Paragraphs ******/ + +p +{ +text-indent: 0; +} + +.alignleft +{ +text-align: left; +} + +.aligncenter +{ +text-align: center; +} + +.alignright +{ +text-align: right; +} + +.alignblock +{ +text-align: justify; +} + +p.poetry +{ +margin: 0em 10% 1.58em 10%; +} + +p.line +{ +margin: 0 10% 0 10%; +} + +p.beforeline, p.afterline +{ +margin-top: 1em; +} + +p.initial +{ +text-indent: 0em; +} + +p.argument, p.note +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +text-indent: 0em; +} + +p.argument +{ +margin: 1.58em 10% 1.58em 10%; +} + +p.quote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + +div.blockquote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + + +/****** Figures ******/ + +div.divFigure +{ +text-align: center; +} + +.floatLeft +{ +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +text-align: center; +} + +p.figure, p.legend +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} + +p.smallprint, li.smallprint +{ +font-size: 80%; +color: #666666; +} + +/* Special cases for Filipino Riddles */ + +p.question +{ +text-align: left; +margin-bottom: 0em; +} + +p.answer +{ +text-align: right; +margin-top: 0em; +} + +p.explanation +{ +margin-left: 0.9em; +margin-right: 0.9em; +font-size: smaller; +} + + +/****** Sidenotes ******/ + +.leftnote +{ +position:absolute; +left:1%; +height:0em; +width:14%; +font-size: 0.8em; +text-indent: 0em; +line-height: 1.2em; +} + +/****** Page Numbers ******/ + +.pagenum +{ +display: inline; +font-size: 70%; +text-align: right; +position: absolute; right: 1%; +padding: 0 0 0 0; +margin: 0 0 0 0; +} + +.pagenum a +{ +text-decoration: none; +} + + +/****** Footnotes ******/ + +a.noteref:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +vertical-align: 0.25em; +text-decoration: none; +} + +div.footnotes +{ +padding: 0 0 0 0; +margin-top: 1em; +} + +hr.fnsep +{ +width: 25%; +text-align: left; +margin-left: 0; +margin-right: 0; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0.5em; +margin-bottom: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align: left; +width: 2em; +} + +/****** Poetry ******/ + +div.poem +{ +text-align: left; +margin-left: 5%; +width: 90%; +position: relative; +} + +.poem h4 +{ +margin-left: 5em; +font-weight: normal; +text-decoration: underline; +} + +.poem .stanza +{ +margin-top: 1em; +} + +.poem .linenum +{ +position: absolute; +top: auto; +left: -2.5em; +margin: 0; +text-indent: 0; +font-size: 90%; +text-align: center; +width: 1.75em; +color: #777; +} + +.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; } +.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; } +.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; } +.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; } +.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; } +.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; } +.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; } +.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; } +.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; } +.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; } + + + +/****** Annotations ******/ + +span.corr +{ +border-bottom: 1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom: 1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom: 1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing: 0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant: small-caps; +} + + +/****** Anchors ******/ + +a.hidden:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.hidden +{ +text-decoration: none; +} + +hr +{ +width: 45%; +margin-top: 1em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +clear: both; +text-align: center; +height: 1px; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by +Henr. Dietz and Kath. Leopold + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Zonnestralen in School en Huis + +Author: Henr. Dietz and Kath. Leopold + +Release Date: May 21, 2006 [EBook #18429] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="frontmatter"><h1 class="docTitle">Zonnestralen</h1> +<h1 class="docTitle">In school en huis.</h1> +<h2 class="byline">Vertellingen +<br> +Door +<br> +<span class="docAuthor">Henr. Dietz</span> en <span class="docAuthor">Kath. Leopold</span>, +<br> +Onderwijzeressen aan de leerschool, verbonden aan de Kweekschool voor Onderwijzeressen, te Groningen. +<br> +Derde bundel.—met 7 platen. +</h2> +<h2 class="docImprint">Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900.</h2><p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<p class="aligncenter">Stoomdrukkerij van J.B. Wolters + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e90"></a></p> +<h2>Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e93">De Sprookjesfee.</a></li> +<li><a href="#d0e180">Van de Pepernoten en den Doedelzak.</a></li> +<li><a href="#d0e325">Op de Horens genomen.</a></li> +<li><a href="#d0e506">Een Droom.</a></li> +<li><a href="#d0e628">Een Dief—en Geen Dief.</a></li> +<li><a href="#d0e792">Het Zilveren Lucifersdoosje.</a></li> +<li><a href="#d0e928">April!</a></li> +<li><a href="#d0e1079">Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.</a></li> +<li><a href="#d0e1230">Juist Goed!</a></li> +<li><a href="#d0e1417">Weer van eene Fee.</a></li> +<li><a href="#d0e1604">Kalif-Ooievaar.</a></li> +<li><a href="#d0e1799">Onder den Tooverboom.</a></li> +<li><a href="#d0e2028">Het betooverde Horloge.</a></li> +<li><a href="#d0e2315">De Visscher en zijne Vrouw.</a></li> +<li><a href="#d0e2457">De Geluksklok.</a></li> +</ul> +</div><a id="d0e91"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e91">1</a>]</span><div class="bodytext"> +<p class="div1"><a id="d0e93"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>De Sprookjesfee.</h2> +<p>Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die +te hooren? Ja, dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar heeft horen vertellen; maar dat was dan ook +eene prinses, en die prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen +te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje +eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde te leeren? Nu—juist heel veel. Daarom zei haar vader, de +koning: “Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren, om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal +ook eens luisteren naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen +lijken aardig tusschen het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met bloemen vriendelijk om te zien. +Vertellingen zijn ook de bloemen tusschen al de moeilijke lessen. En—de korenbloemen doen nog wel schade, want ze nemen van +het voedsel, dat eigenlijk voor het koren was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind van goede menschen +vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó wil ik niet +zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is, +kan ook flink leeren.”—Zoo praatte de koning, die de vader was van het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw. + +<a id="d0e102"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e102">2</a>]</span></p> +<p>Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd +dan verteld. Dat kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de +deur een ruim fluweelen gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder ’t vertellen, heel stil. Op de fluweelen +wanden hingen de prachtigste platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen en dieren uit vertellingen. +Gouden lijsten waren om die platen. Soms ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst, beschilderd +met madeliefjes. + +</p> +<p>’t Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes +met gekleurde ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het +prinsesje. En in dat tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in een grooten leunstoel, het prinsesje +op een laag vouwstoeltje aan haren schoot. Dan begon het: “Er was eens....” Vertellingen, die met “Er was eens” begonnen, +vond het prinsesje het mooist. Nooit was de verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel tien boekenkasten, +en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal in prachtband +en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat, van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas hingen. +Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden. + + +</p> +<p>Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw +was er niet meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat was het torenkamertje. Daar was alles ook +precies zoo gebleven. Zoo wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden, bijna mocht er geen stoel +worden verzet. De kamer met de boekenkasten vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken dag, maar +heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al +de lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein +meisje was. Dan las ze, las ze al de sprookjes die haar <a id="d0e109"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e109">3</a>]</span>vroeger verteld waren. Weer had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond ze veel mooier dan lezen. +“Hè,” zei de prinses dikwijls, “wat was dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik zou wel willen, +dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo dol op sprookjes.”—“Weet je wat,” zei de koning, “ik zal je nog eens naar +de sprookjesfee brengen.”—“Hè, ja, Vader,” zei de prinses, “doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. +Daar woont immers de sprookjesfee?”—“Ja,” zei de vader, “de sprookjesfee woont in het oosten, in het land van zonneschijn +en bloemen. Maar—ik weet niet precies waar.”—“O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,” riep de prinses. “Toe, Vader, wanneer +gaan we op reis?”—“Ho, eens,” zei de vader, “bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar zoodra ik tijd heb, zal +ik je waarschuwen. Dat beloof ik je.” + +</p> +<p>Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een’ morgen zei de koning: “Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen +we.” En den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel reisden, voor ze in ’t land van de sprookjesfee +kwamen, en hoe lang ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet ik niet. Eindelijk werd hun een bosch +aangewezen: daarin moest het huis van de tooverfee zijn. + +</p> +<p>Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. ’t Was een klein, wit huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed +de deur open. Ze werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee kwam binnen. Och, wat eene lieve oude +fee was het: een gezicht, zoo vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste grijze krulletjes kijken. +Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht, zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde de koning, dat +de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten kon, +dat ze zoo’n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in +de hoop, dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan. + + +</p> +<p>Toen zei de fee: “Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent, om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. +Ga maar zitten en zie <a id="d0e117"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e117">4</a>]</span>me goed in de oogen. Kijk ik begin al: ‘Er was eens.....’” En de lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses +hoorde de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen +en prinsen en dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, +en ze kuste haar en fluisterde: “Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik zou wel een heelen dag willen +luisteren en een’ nacht er bij.” De fee glimlachte: “Kom morgen weer,” zei ze. “Mag ik, lieve fee, mag ik, Vader?” vroeg de +prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren, en ze +vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste. + +</p> +<p>Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; +de koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses +gaf de fee de hand. Ze had de tranen in de oogen. “Ik zal U nooit vergeten, lieve fee,” zei ze. “Ik ben heel dankbaar en heel +tevrêe; maar o, ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U blijven. Dan mocht ik bij U logeeren.....” +“Weet je wat,<span class="corr" title="Bron: ">”</span> zei de fee, “blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen is toch ook wel wat erg.”—“O, Vadertje,” smeekte +de prinses, “als dat eens mocht!”—“Het mag,” zei de vader. “Over zes weken zal ik je terug komen halen. Is dat goed?”—“Heerlijk!” +riep de prinses, “o, wat heb ik toch een lieven vader!”— + +</p> +<p>Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen +te doen. Als het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje. + +</p> +<p>Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen—de zesde +week was juist begonnen,—kwam de fee op een’ avond met een grooten brief, waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den +brief op de tafel, ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover haar zat en begon: + +</p> +<p>“Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij nog <a id="d0e130"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e130">5</a>]</span>heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem +zijn, ieder wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang, dat de kleine prins vertroeteld zou worden, +en dat wilde hij voor nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn’ dood over een groot land regeeren, de prins moest flink +en knap en manlijk worden. Daarom verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen, om den prins knap te +maken en op te voeden en den heelen dag om en bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange lijst van +alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat ging maar: van 7–8 dit, van 8–9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen, +Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch, Engelsch, Spaansch, Italiaansch ....<span class="corr" title="Bron: ">”</span> + +</p> +<p>—“En vertellen,” fluisterde de prinses. + +</p> +<p>“Neen,” zei de fee, “vertellen stond niet op de lijst.”—“Arme prins!” zei de prinses. “Luister,” zei de fee. “Een sprookje +mocht den prins nooit verteld worden. ‘Sprookjes! onzin!’ zei de koning. ‘Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. +Ze nemen het voedsel, dat voor het koren is—weg er mee—’t is onkruid.’” + +</p> +<p>Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar toen de prins groot en wijs en knap was—werd de prins +ziek. Dat was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een’ dokter komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, +maar de prins bleef ziek. Een ander dokter—pillen, poeders, drankjes—de prins bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een +en weer een: de prins werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch eigenlijk, wat voor ziekte had +hij? Geen een van al de dokters wist het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een anderen dokter roepen—alles +vergeefsch. + +</p> +<p>Eindelijk hoorde hij spreken van een’ professor, die zieken genas, waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. +Dadelijk werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken +prins te komen. + +</p> +<p>De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van +den zieke. Hij <a id="d0e145"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e145">6</a>]</span>luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek +langs de wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger +aan den neus en riep eindelijk: ‘Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit een sprookje hooren vertellen—dat hart +heeft nooit van verwachting gebonsd—die oogen hebben nooit geschitterd—die wangen hebben nooit eene kleur gekregen—die mond +heeft niet gejubeld—die handen hebben niet geklapt—die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene vertelling. Arme +prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam dat toch zoo, Uwe Majesteit?’—‘Ja, professor, ik dacht, de prins moest +heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht: sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....’—‘O, +Uwe Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is een leven zonder zon!’—‘Maar—wat moet ik doen, beste +professor, wat moet er gebeuren?’—‘Ja, er moet dadelijk iemand komen, om den prins te vertellen, ’t is mogelijk, dat hij dan +nog te redden is.’—‘Maar’—riep de koning, ‘ik zou niet weten, wie—in mijn paleis is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet +eens. Ik heb nooit van vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!’ + +</p> +<p>De professor schudde het hoofd. ‘Uwe Majesteit,’ zei hij, ‘iemand, die gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins +is al te mat, te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een’ bode met een uitvoerig schrijven naar de sprookjesfee te zenden, +met vriendelijk verzoek....’ + +</p> +<p>Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. “Hier is nu dat verzoek,” zei ze, “en verder kun je alles +wel raden.”—“Dus ’t is waar gebeurd!” zei de prinses. “Die arme, arme prins! En nu gaat U toch, lieve fee, nu gaat U toch, +om den armen zieke weer beter te maken?”—“Ik zou het zoo graag doen,” zei de fee, “maar het land van den prins is ver, en +ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet een ander, eene jongere in mijne plaats gaan.”—“Maar wie zou zoo mooi kunnen +vertellen, als U!” riep de prinses. “Er moet immers juist zoo heel mooi verteld worden!”—“Ik weet er maar één,” zei de fee; +“’t is een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis <a id="d0e151"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e151">7</a>]</span>getroost, om één sprookje te hooren, dat....”—“O, lieve fee,” riep de prinses, “U kunt mij toch niet meenen!”—“Zeker! ik meen +niemand anders,” zei de fee; “zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in haar leven gehoord heeft en die de +sprookjes zóó liefheeft? Je hebt het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen, en nu ik niet kan gaan, +moet jij den prins redden.”—“Ik wil het graag probeeren, als ’t niet anders kan,” zuchtte de prinses, “maar ik ben bang...” +“Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet, hoe heerlijk de terugkomst is.” + +</p> +<p>Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het +rijtuig, waarmee ze de reis beginnen zou. ’t Was bijna avond, toen de prinses de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig +tuurde ze door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, +daar stond het zwart van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het hoofd hangen en zett’en bedrukte +gezichten: de prins zou dien nacht wel sterven. + +</p> +<p>De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg +den koning te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan +moesten ze maar den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, +of de deuren vlogen voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in de ziekenkamer. + +</p> +<p>Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens—doodsbleek. Hij sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen +kwam, maar sloot de oogen ook dadelijk weer; ’t was hem onverschillig, wie er kwam of ging. “Kijk eens, mijn jongen,” zei +de koning, “daar is een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te maken.”—“Mij weer beter maken?” +zei de prins met eene matte stem, “mij weer beter maken, dat kan niemand.”—“Mag ik het eens probeeren, beste prins?” vroeg +de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. “Kijk, eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik +bij Uw bed zitten en vertel U een sprookje....” “Een sprookje!” zei de prins, en <a id="d0e159"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e159">8</a>]</span>zijne stem klonk een beetje helderder, “kun je sprookjes vertellen?”—“Of ik!” zei de prinses, “ik kom regelrecht van de sprookjesfee, +en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben, en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was, +zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?” De prins knikte +glimlachend met het hoofd. “Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van dingen?” vroeg de prinses, “’t Is mij +alles hetzelfde,” zuchtte de prins, die al weer matter begon te worden. “O, wat ben ik ziek. Je hadt vroeger moeten komen. +Ik sterf van honger naar sprookjes.” + +</p> +<p>Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering +van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen, +toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins +deed onder ’t vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling +uit was, zei hij: “Mooi. Jammer, dat het uit is!” Toen draaide hij het hoofd op zij en sliep rustig in.—De dokters schudd’en +het hoofd en zeiden: “Wonderlijk, wonderlijk!” De prins had immers in zoo langen tijd niet rustig geslapen. De koning zag +er zoo gelukkig uit en dankte de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in ’t paleis brengen, waar haar allerlei +heerlijkheden gepresenteerd werden. + +</p> +<p>En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door en at den volgenden morgen met smaak een eitje en ’s middags +een bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de deur, en eindelijk vroeg hij: “Komt mijne sprookjesfee +niet?” Juist kwam de prinses de deur in en zei: “Daar ben ik al! Wat zal het nu wezen?”—“Vertel me nu eens wat van dieren, +die praten kunnen,” zei de prins. “Kun je dat?”—“Zeker,” zei de prinses, en ze vertelde van den wedloop tusschen den haas +en den egel, en de prins ging recht overeind in ’t bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen het uit was, zei hij: +“Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig, dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk dank, lieve +fee!”—“Ik ben geene fee,” zei de prinses, <a id="d0e165"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e165">9</a>]</span>“ik ben maar een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt.”—“En ze o, zoo mooi vertelt!” zei de prins. De prinses +kleurde van pret en dacht: dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. “Tot morgen,” riep de prins, toen +de prinses heen ging. + +</p> +<p>Toen de prinses den volgenden avond weer kwam—waar was toen de prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer, +toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een gemakkelijken stoel bij ’t venster en een even gemakkelijke +stoel stond tegenover hem. “Neem plaats!” zei de prins. “Wat zal ik nu prettig luisteren.”—“Waar moet ik nu van vertellen?” +vroeg de prinses. “Ik zou zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,” zei de prins. “Kan dat?”—“Dat +kan!” zei de prinses. Luister maar: + +</p> +<p>“Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een’ laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten +linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene vertelling hooren.” En nu vertelde de prinses van den +kraag, die zich nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op eene zijden kous, waarmee hij toevallig +in de wasch kwam. Verder, dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den kraag te willen weten. Dat toen +de kraag van liefde gloeide voor het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar, waarmee zijne rafels +afgeknipt werden. Zoo’n sierlijke danseres had hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in den kraag +maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met +den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk +pochte en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank +en fijn.... en zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles, dat den prins op ’t laatst de tranen over +de wangen rolden van ’t lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: “Neen, maar, zoo iets grappigs! Dat heeft +me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!” Daar sprong de deur open en de koning kwam +binnen. “Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid,” riep hij. “Ik hoorde in de verte lachen.”—“De <a id="d0e171"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e171">10</a>]</span>prins is weer beter!” zei de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. “Lief meisje,” riep hij, “je hebt mijn’ prins gezond +gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol geld geven en....”—“Niets er van!” riep de prins, “daarvoor wil ik haar tot mijne +vrouw maken!” Toen de koning die woorden hoorde, betrok zijn gezicht. “Ja,” zei hij, ik kan me best <span class="corr" title="Bron: denken">indenken</span>, dat je het meisje lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die moet eene prinses hebben....”—“Dat +ben ik juist!” zei nu de prinses met een zacht stemmetje. “Sakkerloot! als dat zoo is!” riep de koning. + +</p> +<p>Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk +wou de prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne +prinses eene nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had, toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig +voor zich zag! Hoe hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had weten te vertellen! Van de sprookjesfee +ging het nu naar ’t ouderlijk paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook een’ zoon kreeg. Maar hoe +gelukkig de prins was, toen hij ’s avonds in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat, tegenover de prinses, +die al weer eene andere vertelling vertelde, dat is niet te zeggen. + +</p> +<p>Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal +in de week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan? + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e180"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Van de Pepernoten en den Doedelzak.</h2> +<p>Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen maar: er was eens een koning. Want de koning had geene +koningin. + +</p> +<p>Eens op een’ morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen +het hout; want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. +Zooals de koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo regeerde die <a id="d0e187"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e187">11</a>]</span>voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden, over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding +kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok +en zijne witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit met eene diepe buiging—de kousen aan. Waarom +zette de deftige heer een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om en om? Omdat—hij op eens tot zijn’ +schrik een groot gat in den hiel gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar ’t hielp hem niet, dat hij het +ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het wel waar, +dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf, die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien +kreeg, maar—dit vond hij voor een’ koning toch wel wat heel erg. + +</p> +<p>Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen +er tot aan de hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen heer aan, die nog altijd beschaamd, met +gebogen hoofd vóór hem stond, en zuchtend zei hij: “Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over mijne huishouding, je +bent een knap man; maar verstand van kousen stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik met gaten +als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er van +denken, als ik me eens eene vrouw nam?”.... De deftige heer, die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid +van den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: “Wat ik +er van denken zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen doen.”—“Kom, dat doet me plezier,” zei +de koning; maar toen met een bedenkelijk gezicht: “Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo gemakkelijk eene vrouw zal vinden, +die mij past?”—“Welzeker!” lachte de opperhofmeester, “wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit is niet het eenige op +de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen, en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe Majesteit +behoeft geen zorg te hebben.” +<a id="d0e191"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e191">12</a>]</span></p> +<p>Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. “Ik weet het niet, +ik weet het niet,” zei hij. “Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi—en heel +lief—en heel verstandig ....”—“Is het anders niet,” lachte de opperhofmeester, “o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden.”—“Ho, +ho, niet te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er +is nog één heel voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou.”—“De prinses mag zeker niet ijdel zijn—of slordig—of nieuwsgierig.—Ze +moet zeker mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of vlug schaatsenrijden ....”—“Houd maar op,” riep +de koning, “niets van dat al. Ze moet—lekkere pepernoten kunnen bakken!—Ik houd nergens zooveel van als van pepernoten. Maar—juist, +omdat er geen grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig op. Pepernoten moeten zacht bruin van +kleur zijn, niet te week, niet te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in mijn heele rijk is, of +hij heeft zijne kunst in ’t pepernoten bakken al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een het me nog +naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard, de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen, +een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik zou willen trouwen, <i>moet</i> pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden.” + +</p> +<p>Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een’ schrik. Maar hij hield zich goed en zei: “Een koning als Uwe Majesteit +kan alles krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten bakken kan.” + +</p> +<p>“Zou je dat wezenlijk denken?” riep de koning, nu erg in zijne nopjes, “kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken.”— + + +</p> +<p>Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, +die hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden +liepen elkaar haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in gereedheid te brengen. Twee groote koffers +vol prachtige presenten werden er gepakt: <a id="d0e203"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e203">13</a>]</span>niets was den koning te veel of te kostbaar voor de prinses, die .... je weet het wel. + +</p> +<p>Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt +in, en voort gaat het.... + +</p> +<p>Dat was me eene lange, lange reis, van ’t eene land naar ’t andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen woonden. +Maar—hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die +tegelijk “heel mooi” en “heel lief” en “heel verstandig” waren. En nu zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige +prinsessen nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar .... geene van de drie kon pepernoten bakken!! + + +</p> +<p>”’t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken,” zei de eerste prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning +geworden zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: “Mogen het geene amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, +ronde en vierkante en hartjes, met veel boter.”—”’t Spijt mij ook, lieve prinses,” zei de koning; “maar het <i>moeten</i> pepernoten zijn.” + +</p> +<p>De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, +gooide ze het hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig: “Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij +toch niet met zulke dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses, die—pepernoten kan bakken!” + +</p> +<p>Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld +je: die liet hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf +met eene vraag. Ze zou wel graag willen weten, zei ze, of de koning ook—op den doedelzak kon spelen. Op zoo’n vraag had de +koning nu al heelemaal niet gerekend, ja, hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses <i>hem</i> iets zou kunnen en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: ”’t Spijt me, ’t spijt me, geachte prin-prinses, +maar op den doe-doedelzak, daar kan ik niet op spelen.”—“O,” zei de prinses, “als dat zoo is, behoeven we niet verder te praten, +dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het spijt me wezenlijk om U, <a id="d0e221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e221">14</a>]</span>en zelf had ik het ook graag anders gewild; want ik vind U heel aardig. Maar—op den doedelzak te hooren spelen, o, dat is +mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen, nooit een’ man te nemen, die dat niet kan.” Arme koning, daarmee +kon hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de koffers met presenten waren niet open geweest, eene +prinses, die zóó en zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden. + +</p> +<p>En toch—de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet—er <i>moest</i> eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning den minister weer bij zich liet roepen. De koning +zat met de hand onder ’t hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. “Uwe Majesteit heeft toch geen verdriet?” +vroeg de opperhofmeester medelijdend. “Ik heb nog altijd geene koningin,” zei de koning, “en dat hindert me. Weet je, waar +ik bang voor ben: ik vind nooit eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van de pepernoten moet afstappen, +al spijt het me ook geducht. Me dunkt, ik moet maar tevreden zijn met—amandelkoekjes. Ja, de prinses, die zoo lekker amandelkoekjes +kan bakken, ronde en vierkante en hartjes, met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar dadelijk naar +de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust heeft mijne vrouw te worden.” + +</p> +<p>De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug; want hij bracht de boodschap aan den koning, dat—de prinses +tot haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning +geworden was. De prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd met den koning van het land, waar de +amandels groeien. + +</p> +<p>“Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen +al zoo boos, omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan zich bedacht hebben.” Weer reisde de opperhofmeester +heen, maar lang niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug met eene boodschap, die nog veel minder +prettig was, om over te brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven lang prinses blijven en nooit +koningin worden, dan dat ze zou regeeren over een land, waar een dwaas op den <a id="d0e232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e232">15</a>]</span>troon zat. “Als dat zoo is,” zei de koning boos, “laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is, ik heb haar niet noodig.” + +</p> +<p>Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar—hoe nu? ’t Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses +was er nog, en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de drie. Maar—de doedelzak, de doedelzak! Als +de prinses niet van den doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt, dan—zou de eenige kans weer verkeken +zijn. De koning dacht lang na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te vragen. Hij was het nog niet +vergeten, hoe beschaamd hij voor de prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de pepernoten, gevraagd +had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen, voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te trotsch +voor. + +</p> +<p>De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen—liet hij toch weer den opperhofmeester bij zich roepen. “Mijn waarde +heer,” zei de koning, “je trekt al een lang gezicht, en ’k weet wel waarom. Maar dat zal je niet helpen, je moet nog eens +voor me op reis. Dezen keer—naar de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil ik het toch.” De opperhofmeester +boog met een zuurzoet lachje en zei: “Zooals Uwe Majesteit beveelt.”— + +</p> +<p>De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen +op, weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft gedaan. En—als het niet om zijn’ heer en meester, den +koning geweest was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij ’t paleis van de prinses kwam. Maar—tot +zijne groote vreugde liep alles heel anders af, dan hij gedacht had. + +</p> +<p>Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. +De prinses zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning, eene poos geleden alle landen was afgereisd, +om zich tot vrouw te zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn’ smaak kon bakken. Ook, hoe hij overal vergeefs gezocht +had. Hij liet haar nu zeggen, hoe erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij gezien had, ééne was, +die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe mooi, hoe verstandig hij die <a id="d0e242"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e242">16</a>]</span>ééne vond. Hoe <i>heel</i> graag hij daarom juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als ze maar niet dat ééne gemist had, waarop +hij nu eenmaal zijne zinnen had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had, dat het toch wel wat veel +was, bij zooveel schoonheid, goedheid en verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten had, zijn’ opperhofmeester +te zenden, om de prinses vriendelijk te vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden. + +</p> +<p>Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog +wel herinneren, hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt +had met de vraag, of hij ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder al de koningen en prinsen, +die ze ooit gezien had, geen enkele was, die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en geen ander tot +man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na lang +denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. +En hoe ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk “ja” te antwoorden en toch maar zijne vrouw te +worden. + +</p> +<p>Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar +de prinsessen trouw meegenomen had, naar ’t paleis brengen en zelf pakte hij alles voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt +wat voor zoo’n voornaam heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben willen doen, als hij maar geweten +had, wàt! + +</p> +<p>Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. +De koets stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. +Hoe sneller, hoe liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde boodschap te brengen. + +</p> +<p>Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor ’t paleis. De opperhofmeester was in een’ wip het rijtuig uit +en twee treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die al verlangend had staan <a id="d0e255"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e255">17</a>]</span>uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van paarden in de verte hoorde, kwam zijn’ opperhofmeester al tegemoet in het voorportaal. +Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep, dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal, waar +ze ongestoord praten konden. “Ze doet het, ze doet het!” riep de opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht +gedaan. + +</p> +<p>Toen vloog de koning zijn’ opperhofmeester om den hals, en hij schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester +“au” riep. “En, en” .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren gekomen was, “vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?”—Toen +vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles, wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde +zijn’ opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink +en goed voor zijn’ koning gesproken had.—Nog dienzelfden dag werden de ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in ’t +heele land. En toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit zulke rijke en prachtige en groote ordes zien +dragen. De eene was een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes +en met drie parels aan de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster met twaalf punten, alle bezaaid +met roode, blauwe, gele en groene edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de heele borst bedekte. +De zilveren driehoek moest dus wel op den rug gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende ster +wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de +hand. ’t Was eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning wel was en hoe blij met het lieve, mooie, +verstandige vrouwtje, dat hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd bruidegom en de prinses bruid, +en samen vierden ze bruiloft en met hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen wapperden er lustig +op los. Eerepoorten in de straten, slingers van groen en bloemen aan de huizen—den heelen dag door muziek en ’s avonds lichtjes, +lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel, lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken—eene <a id="d0e259"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e259">18</a>]</span>heele week lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk, alles ter eere van de lieve jonge koningin. + + +</p> +<p>’t Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun +beidjes.—Ja—toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd +feest in de harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, +en het koninginnetje weer zoo gelukkig met haar koning. + +</p> +<p>Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen. + +</p> +<p>Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning, wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en +goed! De koning moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers gestoken had door een gat in zijne kous! +Ja, vroeger—toen was er dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu: wat kon dat koninginnetje +flink op alles toekijken, en wat zorgde ze goed voor den koning. ’t Was een lust!—En ’s avonds, als de koning moe van ’t regeeren +was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen en zieken +gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor +zijn land en voor zijn volk gedaan had.—Altijd deed de koningin, wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te +doen, dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op ’t laatst zoo knap, dat ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij +wenschte en wat niet.— + +</p> +<p>En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. +Wat wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige +dingen. Wat was hij lief voor haar—nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag plezier: in hare oogen kon hij lezen, +wat ze graag en niet graag had. + +</p> +<p>’t Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele +jaar had de koning nog geene enkele maal gedacht: ”’t Is toch jammer, dat mijne koningin geene pepernoten bakken kan.” En +de koningin had nog niet één keer <a id="d0e271"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e271">19</a>]</span>gezucht: ”’t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak spelen kan.” Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten +en de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden, ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin +alle twee ’s morgens uit het bed stapten—met het verkeerde been. Als het nog maar de koning alleen geweest was! Als het nog +maar de koningin alleen geweest was! Maar alle twee tegelijk—dat was erg genoeg! + +</p> +<p>Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit het bed en dus—ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is +nog nooit anders geweest, ’s Avonds zou er een groot feest wezen in de mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten +waren er gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen het groen hangen. Maar—het regende, het stortregende, +het plasregende, het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van den morgen tot den avond. De tuinen leken +wel vijvers, de paden en lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren: in alle haast moest de boodschap +aan alle gasten gestuurd worden, dat ze wel thuis konden blijven.—En de koningin vooral had zich nog wel zoo verheugd op het +heerlijke feest buiten!— + +</p> +<p>Dan—toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met haar poesje was gaan spelen—had Poes haar leelijk over de hand +gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de jonge koningin zoo trotsch op was.—En—er was eene leelijke +vlek gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen opschilderde.—En—onder het kappen had de kamenier de +koningin bij ongeluk met eene haarspeld in ’t hoofd geprikt. Daar had de koningin hoofdpijn van gekregen.—En—maar kom, ik +wil al de ongelukken, die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen, ’t Liep alles, alles verkeerd—en +ons koninginnetje, anders altijd even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en heelemaal niet in haar +schik. + +</p> +<p>En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, ’t Speet +hem ook erg van ’t feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.—En dan—de kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie +bal, die de koningen op een plaatje altijd op de hand dragen—viel bij ongeluk op den grond en het <a id="d0e279"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e279">20</a>]</span>prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!—En dan—kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten +maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw, vuurrood gekleurd, en de zee oranje!—En de nieuwe laarzen +knelden zóó, dat de koning er kreupel van liep. En—en—nog eene lange rij van andere tegenspoeden had de koning op dien naren +dag. Anders was onze koning altijd vriendelijk en welgemoed—nu was hij brommig en boos en heelemaal niet in zijn humeur. + +</p> +<p>De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos: o wee, o wee!—Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was, +zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de koningin <i>kibbelden</i>! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag zelf eigenlijk niet meer. ’t Was om eene kleinigheid, ’k geloof om een boek, +dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar de koning toen naar moest zoeken. Nu, ’t komt er ook niet op aan, +<i>waarom</i> ze kibbelden—ze <i>kibbelden</i>, en dat wou ik eigenlijk maar vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de koningin. De koningin +gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en bitser de stem +van de koningin klonk. Over het boek was ’t, geloof ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de koning +niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan, en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de +koningin toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er nooit iets op hem te zeggen viel.—’t Ging al harder +en harder tegen elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo verstandig, om op te houden met kibbelen. + + +</p> +<p>En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen, trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en +een’ lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: “Me dunkt, heer koning, je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet +langer overal wat op aan te merken hebben: <i>je kunt niet eens op den doedelzak spelen!</i>” + +</p> +<p>Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of de koning riep driftig: “Ja wel, ik zal me stil houden +voor eene, <i>die niet eens pepernoten kan bakken!</i>” +<a id="d0e302"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e302">21</a>]</span></p> +<p>Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten praten. De koningin schrikte, toen ze ’t gezegd had en de +koning schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde +zich om en ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer +in een hoekje van de canapé en begon bitter te schreien. + +</p> +<p>“Och, och,” zuchtte ze, “wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak +te praten! Als ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, +dat ik er hem verdriet mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn beste man is er even lief en goed +om, en ik heb er hem even lief om, of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo iets te zeggen! Nu +wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker.” + +</p> +<p>Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en +neer in zijne kamer en dacht: “Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, +wat geef ik er eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed en verstandig om, of ze die dingen bakken +kan of niet, en ik houd er niets minder om van haar.—Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig en boos gemaakt—ze zal ’t zoo +gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd heb. Wat ben ik begonnen!” + +</p> +<p>De koning ging met het hoofd in de hand op een’ stoel zitten en keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn +gezicht weer op, hij sprong van zijn’ stoel, en op eens lachte hij en riep: “Eigenlijk is ’t maar een geluk, dat mijn vrouwtje +geene pepernoten bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet +op den doedelzak kon spelen!—Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen was. Ik kan het niet verdragen, dat +mijn lief vrouwtje boos op me is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar haar toe, om alles weer +goed te maken.” + +</p> +<p>Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op +uitkwamen.—<a id="d0e313"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e313">22</a>]</span>Maar daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten +op tijd de lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich niet te stooten en schoof zóó voorzichtig +langs den muur verder. Daar tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms—’t was een gezicht, hoor, een +gezicht van een, die ook voorzichtig langs den muur schoof, om zich niet te stooten. + +</p> +<p>“Wie is daar?” vroeg de koning. “Ik ben het,” zei een zacht, bedroefd stemmetje. “Wien zoek je, vrouwtje?” vroeg de koning, +want de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van het koninginnetje. “Ik zoek jou, beste man, ik heb +zoo’n spijt, ik wou je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van ....”—Maar de koning liet haar niet +uitpraten. In het donker op de gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei: “Je behoeft me geene +vergeving te vragen,” en zijne stem beefde wat, “ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. ’t Is nu alles vergeven +en vergeten. En weet je,” fluisterde de koning verder, van nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit +weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft worden. Die woorden zijn: <i>doedelzak</i> en—” + +</p> +<p>“En <i>pepernoten</i>,” riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte, vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de koning +weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden. + + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e325"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Op de Horens genomen.</h2> +<p>Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest +is, die kwaad gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden, vind je dat niet raar? ’t Is toch zoo, +hoor! Ik heb het zelf in een boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag weten, hoe die ondeugende +tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in—eene koe. Gelukkig niet voor +altijd, maar <a id="d0e330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e330">23</a>]</span>’t was toch heel moeilijk, om weer eene fee te worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden jongen +een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen, die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat +hij haar van pure liefde een’ kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór +dat de jongen den kus gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was, om dat gedaan te krijgen, jullie +zult het hooren. + +</p> +<p>Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe +van een rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad, waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, +hoor! De tooverfeeën hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide had. Die arbeider woonde op een +klein dorpje, en daar lag vóór de huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met gras begroeid. Daar +mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de koe wel vier keer op een’ dag en andere koeien worden toch maar twee keer +gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar +best wou doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk +nog niet te vinden. Op het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een’ emmer met water omgooiden, of +een enkelen keer deurtje belden, maar dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus had ze nog altijd +vergeefs gezocht. Maar—ze behoefde niet lang meer te zoeken. Pas maar eens op. + +</p> +<p>Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één +kind, een’ jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn, en dat is maar gelukkig ook. + +</p> +<p>Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen +geld te verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden! + +</p> +<p>Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich zelf. Tegen de bedienden van zijn’ vader sprak hij, alsof +ze weinig meer <a id="d0e340"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e340">24</a>]</span>dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij +lief—ja, ’t is haast zonde om het te zeggen, maar ’t was, of hij zijn eigen ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne +ouders hem ook aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. ’t Was, of het maar van zelf sprak, dat zijn vader +en moeder zoo goed voor hem waren. Nooit was het eten naar zijn’ zin, en dan stond hij altijd dadelijk met een pruilend gezicht +klaar. Ieder snauwde hij af en op alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was het heertje, dat Gustaaf +heette, een naam, die veel te mooi was voor zoo’n naren jongen. + +</p> +<p>Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, +en denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw +met hun onaardig zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze koe wel ooren voor. Nu—ze behoefde niet +lang geduld te hebben. Den eersten den besten dag stapte Gustaaf met een’ knecht een eind achter zich het dorp door. Hij wou +dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen, hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek hij vol +trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig +wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden +horloge uit of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen wel tien aardige dingen, allemaal van goud, +en van één zoo’n gouden dingetje had een arme man wel een’ zak aardappelen kunnen koopen. Zóó rijk was Gustaaf—ik meen Gustaafs +vader. De jonge heer had ook nog een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij gedurig mee tegen zijne +mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook wel zien doen. + +</p> +<p>Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett’en. ’t Was juist Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden +op den weg. De koe liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: +“Nu moet ik eens goed oppassen, of dat heertje niet voor mij geschikt is.” +<a id="d0e346"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e346">25</a>]</span></p> +<p>Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting +en bedelde: “Hè, laat mij eens zien! wat mooi!” Maar pas had het kind een’ vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn +mooien wandelstok op de handjes en riep: “Brutale jongen, dat zal je leeren ....” Verder kwam hij niet. Op eens vloog de koe +midden op den weg, bukte haren kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de horens genomen. Hij had +nog net den tijd om zich aan de breede horens vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met den gouden +knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en +de kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe +aan, maar hij moest het gauw opgeven: zoo’n hollend dier kon hij toch niet inhalen. + +</p> +<p>Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden +jongen beter te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem eerst eens te leeren, hoe heerlijk het +is een’ vader en eene moeder te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg genoeg voor hem zijn. Daarom +zal ik hem nog maar in een mooi huis laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook in eens alles afnemen! +Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen, ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed zal hebben, +zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan. + +</p> +<p>En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. ’t Was al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, +bijna nog mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer op een groot grasveld in den tuin en toen maakte +ze één, twee, drie, dat ze weer weg kwam. + +</p> +<p>Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was +als Gustaaf. Daar op eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe kwam dat kind daar? De mevrouw +van het kasteel viel dadelijk op de knieën bij Gustaaf neer. “Arm ventje,” zei ze, “hij slaapt!”—“’t Lijkt wel <a id="d0e355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e355">26</a>]</span>een jongetje van rijke menschen,” zei de heer, “maar ’t is, of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed +dan de kinderen hier.” + +</p> +<p>“O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!” riep de kleine jongen. + +</p> +<p>En wezenlijk, nu voor ’t eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. +Hij wist niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe +op de horens was genomen. “Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?” riep hij. “’t Is waar ook,” zei de mevrouw, “de arme jongen +heeft niets op zijn hoofd. Kom, Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem.” + +</p> +<p>Nu moest Gustaaf aan ’t vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde +op de andere. Toen Gustaaf den naam van zijn’ vader noemde, schudd’en de mijnheer en mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden +ze nog nooit gehoord. Geen wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In welk dorp stond dan het kasteel +van zijne ouders? Neen, den naam van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het ergens? Ja, dat wist Gustaaf +niet. Natuurlijk had Meester op school het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus wist hij er niets +van.—Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had hem op de horens genomen en daar neergelegd. “Wat zijn dat nu voor praatjes?” +zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. “Nu,” zei de mevrouw, +“’t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. +Hij zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo dikwijls alleen.” + +</p> +<p>“Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet,” zei Dolfs vader, “maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan +hier.”—“Och, ja, Pa!” riep Dolf. “Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar, Gustaaf!”—“Neen, mijn jongen,” zei de moeder, +“’t is nu te laat, en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens in bed te brengen. Neem Gustaaf mee +en breng hem naar Sophie. Zeg, dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen.” + +</p> +<p>Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk, toen <a id="d0e367"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e367">27</a>]</span>haar daar zoo’n vreemde jongen gebracht werd. “Mijnheer en Mevrouw weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen,” bromde ze. +“’t Is of ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo’n jongen te verzorgen, die hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een +bedelaarsjongen het is!”—“Een bedelaarsjongen!” en dat te zeggen van ons fijn heertje Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! “Och! +hou’ je stil! je weet niet, van wien je spreekt!” riep hij. “Wel zeker!” riep de kindermeid, “ik zou mij stil houden voor +zoo’n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in te slapen. En nu in +’t vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht bekomen.” Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een oogenblik +later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in ’t slot omdraaien. + +</p> +<p>Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten +op een zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem +pijn van dien langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over alles te denken. O, wat voelde hij zich toch +vernederd, het verwende jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo behandeld te worden door eene dienstmeid. +Hij, die altijd den baas gespeeld had over de dienstboden van zijn’ vader. En die mijnheer en mevrouw! Waarom lieten ze hem +niet bij Dolf in de kamer slapen? Was hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat hij zonder de goedheid +van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten op een grasveld had moeten slapen. + +</p> +<p>Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest +dadelijk Gustaaf roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar—vroeg opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de +kindermeid de boodschap bracht, bromde hij: “Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen, ik heb nog geen’ zin om op te staan.”—“Zóó,” +zei de kindermeid, “zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je +niets moeilijkers hebt te doen, dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest het ook eens wagen, Dolf +te laten wachten.” Met zette ze Gustaaf met zijne bloote voeten op den <a id="d0e373"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e373">28</a>]</span>vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan, ook als men er geen’ lust in heeft. + +</p> +<p>Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen, kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar +Dolf. Maar Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf +zijne boosheid vergat en dacht: hè, wat is het ’s morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik nooit geweten. Neen, dat had +hij ook nooit geweten; want thuis stond hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde. + +</p> +<p>Na ’t ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een +mooien tol, dien hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn’ verjaardag gekregen had. ’t Leek dus wel, of ze wezenlijk +vrienden zouden worden. Maar .... op eens zei Dolf: “O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene gele gesp! Hè mag ik +dien hebben en dan jij mijn leeren riem?”—“Dat kun je begrijpen!” riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij hen. Die +riep: “Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem +toch!”—“Neen!” schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos: “Ondankbare jongen!” riep ze. “Hier, je zult den riem geven.” +En met geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf. + +</p> +<p>Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf +den riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven ook. “Ziezoo!” riep hij, “ik zal je leeren den baas te +spelen over mijn goed!” en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar och, hé, dat lachen duurde niet lang. +Op eens zag hij daar de koe op zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer met hem voort, zoo +vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd. + +</p> +<p>Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. ’k Had hem zoo graag bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, +als hij maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij +dankbaar voor, en niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren, wat <a id="d0e383"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e383">29</a>]</span>voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens “heertje” af zijn. + +</p> +<p>Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een’ koopman, waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo’n +paar balen legde ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. “Wil je wel eens gauw van mijne balen af, kleine deugniet!” +riep hij. Maar Gustaaf, die door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was, verroerde zich niet. Natuurlijk +dacht de koopman toen, dat hij met een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen kneep bij ’t oor. +Verschrikt vloog de arme jongen op. “Och, Mijnheer, doe mij geen kwaad!” riep hij met gevouwen handen. “Ik ben niet op Uwe +balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid.”—“Die koe?” riep de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn +verhaal van de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met eene erg verlegen stem, omdat hij al bang +was, dat de koopman hem ook niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken Gustaaf ook had, hij sprak +altijd de waarheid, en hij vond het dus verschrikkelijk, dat iemand hem voor een’ leugenaar hield. Maar—het hielp niet; ook +dat verdriet moest hij hebben. “Wat praatjes wil je me nu op de mouw spelden?” riep de koopman. “Eene koe heeft je hier gebracht? +En je hebt hier geen huis—je ouders wonen ver weg, en je kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal, +en ik wil je wel houden. ’k Heb net een’ loopjongen noodig. Ga maar mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw +er van zegt.” + +</p> +<p>Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust zoo’n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen +de koopman zei, dat ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen loopjongen, stemde ze toe. “Zie je,” +zei de koopman, “hij lijkt nog al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook, dat staat veel voornamer +dan dat er zoo’n arme jongen met hem gaat.” + +</p> +<p>Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. “Kijk eens,” zei de vrouw, “wat heeft hij mooie dingen aan zijn’ horlogeketting +hangen. En een echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo’n kleine aap er aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast +bergen. Een loopjongen <a id="d0e391"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e391">30</a>]</span>behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags mooi mee maken.” + +</p> +<p>Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman +pakte hem bij den arm en: “Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!” klonk hem in ’t oor. “Je hebt hier niets te koop, en je mag +blij toe wezen, dat wij je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan ’t werk.” Toen werd Gustaaf een bezem in de +hand gestopt en moest hij het geheele huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname zoontje van zoo’n +rijken heer met een’ veger aan ’t werk! Wat voor een leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos, +als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij ’t oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. “Kom +aan, kleine man,” zei hij, “zet maar niet zoo’n zuur gezicht. Ik ben ook als loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. +Werk maar goed, misschien zul je ’t dan ook nog wel eens zoo ver brengen.” + +</p> +<p>Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet +meer aan, lang in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer in zijn bed. Maar—dat hij als knecht +behandeld werd, dat was erger; hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de vrouw van ’t huis maar +zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden als zijne eigen moeder. Maar neen, ’t was maar: “haal mij dit!” en “breng mij +dat!” en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht, dat hij zelf vroeger ook op zoo’n toon tegen de dienstboden gesproken +had. Nu kon hij ’t ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk +woord, nooit deed ze iets aardigs voor hem. + +</p> +<p>Eens op een’ dag gaf ze Gustaaf een’ appel, die begon te rotten. Dat was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. +En hij was er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees—dat was het ergste. O, als hij ’s avonds alleen op zijn +zolderkamertje kwam, dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne ouders. Dan dacht hij aan de kussen +van zijne lieve moeder, die hem vroeger onverschillig <a id="d0e399"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e399">31</a>]</span>waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem van zijn’ vader, waar hij vroeger niet naar luisterde. + +</p> +<p>Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, +die ook al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar +vriendelijk tegen hem geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht niet eens naast hem loopen, maar +moest altijd drie passen achter hem blijven. “Och,” zuchtte Gustaaf, “zoo liet ik vroeger mijn grooten bediende ook wel loopen. +Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe ’n nare jongen ik +was.” + +</p> +<p>Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan +kijken. O, wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk +kwam Gustaaf op de gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar wezenlijk hoe langer hoe meer plezier +in en leerde zoo meer, dan hij vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig kon wezen, omdat hij +’t nooit recht geprobeerd had. + +</p> +<p>Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar—hij moest +nog veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: “Och, +ik heb het toch wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter hebben!” Neen, hij had altijd erg medelijden +met zich zelf en vond zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om een ander te dienen. Zijn pa was +immers een rijke mijnheer, en hij verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader een arme man was geweest, +zooals de vaders van die andere loopjongens. + +</p> +<p>Eens op een’ dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. +O, dacht hij, altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht, waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen +baas was. Al brommende liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de stad liep. Hè, wat <a id="d0e409"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e409">32</a>]</span>was het daar heerlijk frisch! ’t Was ook zoo’n kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de frissche +buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had, wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, +die hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten; maar och, wat kon ’t hem ook schelen, of de koe hem +weer meenam en wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom regelrecht op de koe af en zei: “Hier ben +ik! als je lust hebt, mij weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu heb, niet.” De koe schudde den +kop. “Nooit tevreden!” zei zij. “Als ik je ergens anders breng, zal je ’t eerder minder dan beter hebben, mijn jongen.”—“Dat +kan me niet schelen!” riep Gustaaf. “Alles liever dan de knecht te wezen van dien naren Willem.” ’t Was of Gustaaf op eens +niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op haren rug. “Nu toe maar,” zei hij. En de koe liep met kleine +stappen verder. “Je loopt niet vlug,” zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe zich om een paar grassprietjes af te trekken. + + +</p> +<p>“Neen,” zei de koe. “Ik heb geen’ haast. De plaats, waar ik je brengen wil, is niet ver van hier.” + +</p> +<p>“Ik heb van morgen nog niets gegeten,” zei Gustaaf. “’k Heb honger.” “Daar is mijne melk goed voor,” zei de koe. “Hè, ja!” +en in een’ wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn’ +mond loopen. Lekkere versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd. + +</p> +<p>Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond het niet naar meer met de koe te reizen. “Och, als ze +mij nu eens weer naar mijne ouders bracht,” dacht hij, en een traan rolde hem over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe +lief hij zijne ouders had. + +</p> +<p>’t Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. “Ziezoo, we zijn er,” zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om ’t hart. Bij ’t +licht van de sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur was een mesthoop en aan de andere een +klein plekje bouwgrond met eene oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis: eenzaam en stil lag +het hutje daar. “We zijn er,” zei de koe nog eens, toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. “Hier?” riep Gustaaf, “dat kun +je niet meenen, ’t is <i>te</i> leelijk!” +<a id="d0e422"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e422">33</a>]</span></p> +<p>“Stap af, zeg ik je,” antwoordde de koe, “en ga binnen. Ik blijf bij je.”—“Ik blijf bij je,” dat was wel een troost; maar +de gedachte in zoo’n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig +aan de horens vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een’ zijsprong, en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. +Zijn hoofd bonsde tegen de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond vloog de deur uit. Gustaaf maakte +wel, dat hij overeind kwam. Eene leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: “Wat is dat hier toch, wat moet jij hier zoo +laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken.” + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p033.jpg" alt="Op de horens genomen."></p> +<p class="figureHead">Op de horens genomen.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Och,” zei Gustaaf, “och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?” + +</p> +<p>“Maak, dat je wegkomt; bedelaar,” riep de vrouw. “Wat meen je, dat mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, +wat mooi heertje daar vraagt, om bij ons te slapen.” + +</p> +<p>Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en +deed alsof hij hem wou bijten. + +</p> +<p>“Je <i>moet</i> hier blijven,” fluisterde de koe. + +</p> +<p>Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, ’t Was een groote dikke man, met booze oogen en een streng gezicht. + +</p> +<p>“Ik neem geen bedelaars in huis,” zei hij. “Maak, dat je wegkomt, jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen.” + + +</p> +<p>“Je <i>moet</i> hier blijven,” zei de koe zonder zich aan de dreigementen van den boer te storen. + +</p> +<p>“Heb medelijden, beste Mijnheer,” .... smeekte Gustaaf. Voordat hij meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn’ leeftijd, +maar veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. “Ik wil hem hier houden,” riep hij, “hij is een vriendje +voor mij, hij zal bij ons wonen.” Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en—“nu, omdat onze kleine Jakob het wil, toe +dan maar, blijf maar hier,” zei de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter hen dicht. De koe zocht +uit zich zelve een plaatsje in den kleinen stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje hooi stond +te trekken. + +</p> +<p>Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet <a id="d0e454"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e454">34</a>]</span>minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter in schikken. + +</p> +<p>Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af, het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven, +maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo’n eenvoudig hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje +af, vouwde het netjes op, en borg het in de kast. “Als je weer weggaat, kun je het terugkrijgen,” zei ze. Ze gaf Gustaaf nu +een grof hemd van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een paar klompen—alles gezocht uit het beste +goed van Jakob. Maar dat ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten voelen, dat hij niets meer +dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje, en daarom moest +Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor zich +zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat ook zijn, dachten ze. + +</p> +<p>Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak +van den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote klompen blijven; maar de boerin deed een handvol +frisch stroo er in, en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen. + +</p> +<p>Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf +haast niet laten den neus een beetje op te trekken. ’t Was maar gelukkig, dat hij den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, +en dus nu erg hongerig was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen: hij raakte er aan gewoon. En hij +zag ook, dat de boer en de boerin en Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij het even goed als +de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman; daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes toe was. + + +</p> +<p>Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! +Maar—’t was er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje in de stad. En de boer en boerin konden hem nu +eenmaal niets beters geven. Dat hij <a id="d0e464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e464">35</a>]</span>zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam de koe en stak +hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en vriendelijk +aan. Hij viel ’s avonds dadelijk in slaap en was ’s morgens heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker +dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen +geleund naar de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar zijne mooie slaapkamer op het kasteel. +Maar aan de mooie slaapkamer dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in het kasteel woonden. Ook had +hij, toen hij aan zijne ouders dacht, niet meer zoo’n verdriet—hij merkte, dat hij een betere jongen werd en had een gevoel, +alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden. + +</p> +<p>Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde +stem en zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had niet beter geleerd, en meende het daarom niet +kwaad. Gustaaf begreep dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als Vader Jan hem de hand eens op het +hoofd lei en zei: “beste jongen!” ’t Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte. + +</p> +<p>Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk +voor Gustaaf. ’t Was altijd “mijn jongen” vóór, “mijn jongen” na, zoodat Gustaaf haar wel lief moest krijgen. En dat was juist +zoo heerlijk. Nu voelde hij voor ’t eerst, dat liefhebben gelukkig maakt. + +</p> +<p>De eenige, die hem ’t leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob, aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. +Hij lachte Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een stadsheertje praatte, en dan weer was het: “of hij +niet liever in verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen.”—De boer en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar +hij vandaan kwam. Ze begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar wilden hem niet verlegen maken +met er naar te vragen. Maar Jakob begon al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het “mijnheertje van de koe” te noemen. En +nu ging het maar <a id="d0e472"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e472">36</a>]</span>elken dag: “Zeg, moet je nog niet eens weer een ritje maken?” In ’t eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen geduldig; maar toen +Jakob elken dag weer van voren af aan begon en zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het met het +geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit, waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen; +want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens werden nu echte vrienden. + +</p> +<p>In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten, haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem +had, en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; +en, terwijl hij Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd Gustaaf weer de leerling van Jakob +bij het boerenwerk. Jakob leerde hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen Gustaaf met een rood +hoofd druk bezig was, het hooi op het land te keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. “Kom aan,” zei +hij, “je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!” + +</p> +<p>Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte, moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht +afwisschen, dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij +vloog op haar af en riep: “Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet meer boos op je wezen, nu +je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je lief! daar dan!” Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een’ kus op den +neus!.... + +</p> +<p>Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de oogen wel dichtknijpen en—toen hij ze weer open deed—stond er +eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen—toen zag hij, +dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo’n wijsneuzig, +zoo’n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg. + +</p> +<p>“Gelukkig!” riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe, “je hebt ons beiden gered!<span class="corr" title="Bron: ”"></span> Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij, nu ga je weer +naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in ongerustheid over je.” +<a id="d0e484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e484">37</a>]</span></p> +<p>’t Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was, en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten. + +</p> +<p>“Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was,” zei de moeder, en de tranen rolden haar over de wangen, “’t Is nu +juist een jaar geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood was.” Daar sprong de deur open en de fee +kwam binnen. “Hier, Moeder,” riep ze, “hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij verdient het.” + +</p> +<p>Te vertellen, hoe ’n gezicht de vader en de moeder zett’en en hoe gelukkig ze waren, ’k zou het niet kunnen. De moeder was +dol van blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots +naar de gebruinde handen van zijn’ jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette eenvoudige manieren. De bedienden en +de buren, allen stormden bij het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de knecht, die er bij geweest +was, toen Gustaaf door de koe op de horens genomen werd, zat op een’ stoel bij de deur van blijdschap te schreien. + +</p> +<p>Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: “Maar wat heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?” + + +</p> +<p>“Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf,” zei de fee lachend. + +</p> +<p>Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik +van worden, meende Zus. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen, en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles +voorbij was—was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een flinken, aardigen jongen van hem te maken.—Eén +ding alleen bleef hem altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten, hoe er van de koe eene fee had kunnen +worden. Dat wilde de fee hem maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op den verjaardag van zijne terugkomst +over te komen om feest te vieren. + +</p> +<p>Wie ook mee feestvierden? + +</p> +<p>Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een’ brief schreef, om—neen, meer zeg ik niet. + + + +<a id="d0e505"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e505">38</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e506"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Een Droom.</h2> +<p>Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan +’t spelen en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn +laag stoeltje zoo dicht mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En dan had je hem moeten zien +luisteren: met open ooren en open mond, met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit was, dan vleide +hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen moest: “Ziezoo, nu is ’t voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog +van droomen.”—Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè, eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord +had, wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! +Elken avond, als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo’n mooien droom zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. +Eindelijk...— + +</p> +<p>Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; +want Oom Rob deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits al gauw de beste vrienden met hem. Nu, +zoo’n gezellige oom, als dat ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te vertellen! En wat een leuke +spelletjes kende hij en grappige kunstjes! + +</p> +<p>“Oompje,” zei Frits op een’ keer, “je bent zoo knap, en overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren droomen?”—“Leeren +droomen!” lachte Oom, “wat meen je daar toch mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet te leeren. +Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?”—“Ja wel,” zei Frits, “maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil.”—“O, is ’t anders +niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren,” riep Oom. “Weet je, wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met +je hoofd op ’t kussen.”—“Hè Oom, je plaagt me ook altijd!”—“Ho, mannetje, ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet +over je linker en de beide handen onder ’t hoofd en dan—ga je maar denken aan alles, waar je van droomen wilt. Je zult <a id="d0e515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e515">39</a>]</span>zien, dat helpt. Maar pas op, dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt, dan is het mis en je droomt—niets!” + + +</p> +<p>Wat was die Frits in zijn’ schik met het kunstje! Hij kon dien dag haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar +bed te gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen en nu—Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij +al, of hij maar naar bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had. + +</p> +<p>“Je bent toch niet ziek, jongen,” vroeg Moeder. “Och ja,” plaagde Oom, “hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij +eens bijten in zijne dikke boterham, en wat ziet hij wit!”—Oom begreep wel, waarom Frits zoo’n haast had, om naar bed te komen. +Maar hij zei niets; want Frits wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom—en als Moeder nu van het +kunstje wist, dan was alle aardigheid er af. + +</p> +<p>Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in ’t oor: “Kom je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?” Oom knikte +lachende van “ja.” Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht +als eene kaars, de handen onder ’t hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen, doodstil, zonder zich te verroeren. “Zoo +is ’t goed,” zei Oom, “nu maar denken aan—weet je al, wat je droomen wilt?” + +</p> +<p>Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie +vertelsels van gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had en wou gaan slapen, om te droomen, toen—wou +de slaap niet komen. ’t Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op dezelfde plek en op dezelfde manier. +Telkens had Frits lust eene hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn’ linkervoet eens boven zijn’ rechter te leggen. Maar +hij hield vol en eindelijk, daar kwam de slaap en—daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom, dien ik je nu eens +wil gaan vertellen. + +</p> +<p>Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten +en luisterde. De voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar ging de deur langzaam open en binnen +kwamen.... Ja, dat kon Frits in ’t eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren verblind <a id="d0e527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e527">40</a>]</span>door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond +er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling—neen, +’t was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan twee aanstappen—twaalf dwergjes, ieder met eene brandende +fakkel in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje +en daarboven een groot hoofd met een puntig kapje er op. ’t Leken wel kleine jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, +met rimpelige wangen en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze daar zoo deftig kwamen aanstappen, +recht op zijn bed af. Vlak vóór hem bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: “Jongeheer, ’k weet niet, of +je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!”—“Zoo,” riep Frits vroolijk, “ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie, Appelsteeltje!” +en hij schudde het dwergje de hand. “En hoe gaat het je petekind?”—“Dank je, jongeheer, best,” zei Appelsteeltje, “maar we +zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in ’t bosch te vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere toovervolkje, +daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens een kijkje bij ons te nemen.”—“Op een bal?” riep Frits, “maar ik kan +niet dansen!”—“O, dat komt er niet op aan,” meende Appelsteeltje, “op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag +leeren kan.”—“Maar, met wie zal ik dansen?” vroeg Frits weer. “Dat is eene verrassing,” lachte het dwergje, en al de mannetjes +lachten met hunne breede, vriendelijke monden mee. “Maar ik heb geen mooi pakje, om in te dansen,” zei Frits. “Daar is voor +gezorgd,” zei Appelsteeltje. + +</p> +<p>Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één +eene muts met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat +Frits nog iets zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn bed, zett’en hem op den vloer, plooiden +en schikten en knoopten en strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins uit een sprookje. “Maar,” begon +hij nu weer, “hoe komen we op ’t bal, dat is zeker heel ver.” <a id="d0e531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e531">41</a>]</span>”’t Komt alles in orde, jongeheer Maar!” riep Appelsteeltje. “Voorwaarts, marsch!” + +</p> +<p>Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit, precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, +de gang door, de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden +de zeven veulens uit de vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar ’t bal te brengen. Hoe hij er op kwam, wist hij niet; +maar in een oogenblik zat Frits al op den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere zes, natuurlijk op +ieder veulen twee. ’t Was een heele optocht: voorop drie veulens met zes dwergjes, in ’t midden Frits, achter hem weer drie +veulens met zes dwergjes. + +</p> +<p>“Nu naar ’t bosch,” kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne +fakkels en Frits riep uit alle macht “hoezee! leve Appelsteeltje!” Voort ging het nu in galop door straten en langs wegen, +langs akkers en velden, over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf vasthouden aan de manen van zijn +veulen; maar hij hield zich recht als een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. “Zijn we er al?” vroeg +Frits. “Ha, ha!” lachten de dwergjes, “hij vraagt, of we er al zijn!” + +</p> +<p>Daar schemerde licht door de boomen. ’t Kwam uit de ramen van een statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne +fakkel naar dien kant en riep Frits over zijn’ schouder toe: “Het betooverde kasteel!” Wat zou Frits graag even afgestapt +zijn, om het kasteel te bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel te veel haast. Toen Frits nog +even omkeek, waren ze al weer een heel eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen. + +</p> +<p>Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van ’t +bosch stond een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar, dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer +bewoog Appelsteeltje zijne fakkel: “Het huisje van de drie beertjes!” riep hij Frits toe. Ja, wezenlijk, daar kwamen ook al +drie nieuwsgierige berekoppen uit een venstertje kijken. “Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!” groette Frits, “hoe smaakt +de honigsoep?” Maar voordat er antwoord kwam, lag het huisje al weer in de verte. +<a id="d0e541"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e541">42</a>]</span></p> +<p>Daar was eindelijk de rand van ’t bosch. Ja, en daar stond ook weer een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte +muren en een tuintje er voor. “Daar woont de grootmoeder van Roodkapje,” vertelde Appelsteeltje. “Och, och,” begon Frits, +“woont daar nu....” Maar daar vlogen de veulens, nu ze ’t bosch uit waren, in eens weer met een’ ruk vooruit: ’t scheelde +niet veel, of onze Frits was in ’t zand gewipt. + +</p> +<p>Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken, zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne +fakkel wenkte, keek hij even naar dien kant. + +</p> +<p>Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat +was dat nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij ’t beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, +hoogen berg. ”’t Kasteel met den dikken boom en den diepen put!” riep het dwergje. Frits hield zijn hoofd heelemaal achterover, +om goed te kunnen zien. Maar juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; ’t scheelde niet veel, of hij was van den +schok over den kop van ’t veulen gevlogen. + +</p> +<p>“Let op!” waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. “Van den markies van Carabas!” riep Appelsteeltje.—Voort, +altijd verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit +was! “Daarachter ligt Luilekkerland,” vertelde Appelsteeltje. “Hè, Luilekkerland,” zei Frits, “Luilekkerland achter den rijstebrijberg!” +Want hij had grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. “Maar kom,” dacht hij, “dit ritje is toch ook al heerlijk, en +wie weet, wat ik straks op ’t bal allemaal nog te zien krijg!” + +</p> +<p>Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig, wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! +Gelukkig, nu kon ’t niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene breede, donkere streep, dat was zeker ’t +bosch! En ja, toen ze nader kwamen, zwaaide voor ’t laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep hij vroolijk: “We zijn er!” +Toen hinnikten de veulens, de dwergjes gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de handen en riep maar +niets dan “hoezee,” tot hij er schor van was. + +</p> +<p>Vooraan in ’t bosch was het donker; maar door de boomen heen schemerde <a id="d0e554"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e554">43</a>]</span>licht, en hoe verder je in ’t bosch kwam, hoe lichter het werd. “Nu de oogen dicht!” riep Appelsteeltje op eens, “en niet +weer open, voor ik je waarschuw, hoor!” Frits dadelijk de oogen stijf dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn +veulen stilstond en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet, maar hij werd vlug van ’t veulen getild +en voorzichtig op den grond neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje zijne linkerhand en beide +handjes trokken hem zachtjes mee, mee, mee—totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep: “Open! en welkom in +de balzaal!” + +</p> +<p>Toen Frits de oogen opendeed—ja, ’t ging hem weer net als straks: hij wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: +’t was iets heel heerlijks en heel moois. Hij was nog in ’t bosch, op eene groote, open plek in ’t bosch; maar waren dat wel +boomen, die er omheen stonden? Ja, hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan was, schitterde en glinsterde +als goud en zilver en kristal en edele steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad van de boomen +leek zelf wel een lampje en ’t was, of er honderden lichtjes straalden uit stammen en takken.—De grond of neen—ik moest liever +zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine, gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen, +die schitterden als kleine diamantjes.—Tusschen de boomen lag een dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen +overal verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten, als je moe was van ’t dansen. En dan die mooie dansmuziek! +Waar kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden +paddestoel. Allemaal kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig op los, die speelden dan toch wel +zulke prettige, vroolijke wijsjes, dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of niet. Frits kon ook haast +niet stil blijven staan, zoo’n lust kreeg hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan ’t dansen +waren. + +</p> +<p>Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje; want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, +waar hij uit <a id="d0e560"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e560">44</a>]</span>kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits <i>kende</i> al die lieve danseresjes, en toch—had hij ze nog nooit gezien! Hij kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch—had niemand +hem de namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. +Die met de mooie lange krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de zeven bergen ging, om haar kipje +te zoeken. En daar had je wezenlijk ook Lena—Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze om den hals droeg.—Naast +Lena stond—nu, dat was al heel gemakkelijk te raden. Een rood kapje had ze op ’t hoofd, een mandje aan den arm! + +</p> +<p>Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand, een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. “Ja, +ja,” zei het grootere meisje, “Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje en met één bloot beentje!” Maar wat was +dat? .... Bij elk woord, dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren mond! “Die ken ik ook, die ken ik +ook!” riep Frits vroolijk. “Mooi, mooi,” zei Appelsteeltje, “maar nu moet je ook kiezen.” + +</p> +<p>Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje +af tot Goudkindje toe. “Nu?” vroeg Appelsteeltje. “Of, wacht eens!” Weg was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij +er ook al weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. “Wil je misschien deze liever?” lachte het dwergje. Frits behoefde niet +lang te raden, wie daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan, de kousen afgezakt.... “Neen, neen, +neen!” riep Frits, “die niet, dat is Pietje Smeerpoes!” Het slordige vuile kind kroop van schaamte dadelijk weer achter een’ +boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.—Toen aan het dansen—neen, +dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de maat +van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn danseresje in ’t rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes +lange vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben willen dansen, ’t ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje +werd moe. Kom, dan zouden ze maar wat uitrusten <a id="d0e569"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e569">45</a>]</span>tusschen de boomen. Hè ja, dat vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens, babbelen met aardig Roodkapje, +luisteren naar de vroolijke muziek en vooral ook—kijken naar al de prettige drukte om hem heen. + +</p> +<p>Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op ’t bal waren. Wel, wel, wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! +Dwergjes waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht +was om te zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht en maakten allen aan ’t lachen met hunne dwaze +grappen.—Daar dansten er twaalf in een’ kring om Appelsteeltje heen. “Hoe leuk!” riep Frits, “daar heb je wezenlijk de Twaalf +Maanden!”—Een eind verder draafde een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. “Pas op je krullen, Liesje!” +riep hij plagend. ’t Meisje schaterde van lachen, omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes +toch niet inhalen kon. + +</p> +<p>Wat was ’t eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou +er dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen, om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij +het mannetje als een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer op.—Peter huppelde er alleen in ’t rond +met zijne gouden gans in den arm.—Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje; maar hoeveel keer hij haar +wel bij ongeluk op de teenen trapte, weet ik niet. + +</p> +<p>En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak +bij. “Smulhans!” riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand +anders dan de toovervrouw! Onder het dansen stopte ze ’t gulzige ventje aanhoudend lekkernijen in den mond, en dan grinnikte +ze van pret. + +</p> +<p>Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!”</span></p> +</div> +</div> +<p>En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud, vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en—de mooie, +domme prinses <a id="d0e586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e586">46</a>]</span>in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich +af; maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden pot te blijven. + +</p> +<p>Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot +netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte Katje.—Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in +’t rond. En bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes in den neus, die vlak achter hen dansten. +Ze konden wel aan ’t proesten blijven, de kaboutertjes. + +</p> +<p>Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een +groot boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. “De booze Toovenaar,” fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij +druk in zijn tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. +O hé, nu al weer tegen een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als de wind springt het weer op en trekt +den toovenaar bij zijn langen, spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja wel—die stond hem al +lang weer aan ’t andere eind van de zaal uit te lachen.—Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje te zoeken, +om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën +en de handen onder ’t hoofd. Een poosje zat hij—daar kwam Goudkindje aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. +“Toovenaar,” zei ze met een vleiend stemmetje, “waarom zit je hier zoo alleen? Heb je geen plezier? Toe, dans eens met me!” +De toovenaar keek eerst met een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag, moest hij toch lachen. En wezenlijk: +hij stond op, legde zijn boek zoolang onder het kussen en—begon met Goudkindje in ’t rond te dansen. + +</p> +<p>Frits had den heelen tijd, bij ’t kijken naar al die kluchtige paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, +boozen toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot +beentje, nu lachte hij, dat de tranen hem over de wangen rolden.— +<a id="d0e594"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e594">47</a>]</span></p> +<p>En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen +lachten mee, dat ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd was ook nog op het bal gekomen met zijne +kameraden Hazenoor, Blaaskaak, Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in eene lange rij. Maar dat +bleef niet zoo; want ieder wou graag voor de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot in eens vooruit +en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen te rennen—neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. ’t Ging +zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie tellen heelemaal om de groote balzaal heen.—Hazenoor ging met +zijn oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij: “Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden +duiven in Luilekkerland door de lucht vliegen.”—Mikgoed schoot de toovervrouw een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat +ze Smulhans juist in den mond wou stoppen.—Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en blies op eens alle dansers omver.—Maar +wat van Sterkenrug deed, dat was nog ’t aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes, die op ’t bal waren, bij zich. Toen +ging hij een beetje voorover gebogen staan. En toen—moesten al de kaboutertjes op zijn breeden rug klimmen. Langs en over +elkaar heen klauterden ze naar boven. ’t Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te zien.—Maar er was +niet alleen wat aardigs te zien op ’t bal, ook wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars, er waren ook—feeën. +Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en de fee +van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar +sierlijk, luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes, dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat +ze dansten! De fijne, teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen ze er overheen. Frits keek er met +open mond naar.—Maar midden onder ’t kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. “Kom aan, jongeheer, nu weer een dansje,” riep +hij, “je wordt niet alle dag op een bal in ’t bosch gevraagd!” + +</p> +<p>Ja, ’t was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan ’t dansen. Wacht, <a id="d0e599"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e599">48</a>]</span>daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.—Toen gedanst +met Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond, of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, +ook in de buurt was.—Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk, die danste zoo vlug, dat Frits haast niet +mee kon komen. Op eens kwamen ze bijna te vallen over—ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te vallen over twee heel +kleine dansende paartjes. Het eene paartje was Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje in een +kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede paartje was—Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, +in een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna +omvergedanst had! Maar Lena gunde hem geen’ tijd lang stil te staan: ze trok hem al gauw weer mee, om verder te dansen. + +</p> +<p>Daar op eens klom er een dwergje in een’ boom, en dat begon me te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. +En zie—dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten, die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen +die lachten en praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve fee in een lang, slepend kleed van zilveren +draden geweven en met een zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten van de zaal. Telkens bukte +ze zich en raakte even met haar tooverstokje den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit den grond +een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker +was. In een oogenblik stonden er in ’t rond, ’k weet niet hoeveel, van die tafeltjes-dek-je klaar.—Nu ging de fee weer rond +en bij elk tafeltje tikte ze even tegen een’ poot. En ja wel, daar waren ook in eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen +en groen versierd. + +</p> +<p>Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een +mooi plaatsje aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven +had hij zulk lekkers geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even vroolijk, en vooral <a id="d0e605"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e605">49</a>]</span>de dwergjes maakten weer ieder aan ’t lachen met hunne dwaze grappen.—Er was er maar één, die geen tijd had, om pret te maken, +die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij krijgen +kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.— + +</p> +<p>Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op, klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes +in de lucht te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: “Sst, sst! Appelsteeltje wil wat zeggen!” Toen werd het heel stil, en +ieder luisterde naar wat het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn van de tafel, hield het omhoog +en zei: “Ik drink op de gezondheid van <i>mijn</i>, ik meen van <i>ons</i> vriendje Frits! Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!”—Allen dronken en klonken mee. En toen—hoe het kwam, wist hij +niet—maar op eens stond Frits midden in de balzaal, en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars, +alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en meisjes—<i>alle</i> gasten van ’t bal. En allemaal zongen ze: “Hij leev’, hij leev’, ons Fritsje leve lang!” O, wat was ’t mooi! + +</p> +<p>Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En—als door een’ tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, +het schitterende licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en achter hem draafden de zes andere veulens. +Elk veulen droeg weer twee dwergjes op zijn’ rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort ging het weer, hop, hop—in +vliegende vaart door bosschen, over velden en wegen, langs kasteelen en bergen.—Appelsteeltje zwaaide weer met zijne fakkel; +maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover +op zijn veulen. Op ’t laatst kon hij de oogen haast niet meer open houden. Nog een poosje en—ze vielen toe. Frits sliep. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en—onze Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef +hij niet meer liggen, hoor! In een’ wip was hij er uit, <a id="d0e624"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e624">50</a>]</span>in een’ wip aangekleed, in een’ wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen, hoe heerlijk het middeltje geholpen, +hoe’n kostelijken droom hij gedroomd had.— + +</p> +<p>Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier +in dien heerlijken nacht. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e628"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Een Dief—en Geen Dief.</h2> +<p>Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: +hij was juist heel rijk. Ja, hij <i>was</i> rijk, maar hij <i>werd</i> arm. Op een’ nacht kwamen er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.—De man klaagde en jammerde, en hij deed +alles, wat hij kon, om de dieven te vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen, en het geld was gevlogen, +en de man begon eindelijk te begrijpen, dat hij zich maar schikken moest in zijn lot. + +</p> +<p>Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna +nooit waren ze ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. ’t Waren heele bolleboozen van knapheid. Met +den jongsten zoon, met Tom, zooals hij heette, was het anders. “Wat er van dien jongen nog worden moet,” zuchtte de vader +menigmaal, “ik weet het niet! Leeren, daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te vinden, wel in +den stal of buiten in ’t bosch of op ’t veld. Jagen en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen, die +weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan ’t lachen maken, en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar +met al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet we nog aan dat heertje beleven!” + +</p> +<p>Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op een’ dag vlak voor zijn’ vader staan en zei: “Vader, +ik ga er op uit, om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden zal ik ze, al zaten ze ook ’k weet +niet waar verborgen. En ’t geld breng <a id="d0e643"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e643">51</a>]</span>ik mee terug, zoo waar ik Tom heet.”—De vader barstte in lachen uit. “Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe +broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan iets van terecht komen. Maar jij!”—“—Vader,” zei Tom, +“ik vind ze, laat mij maar begaan.”—“Nu,” zei de vader, “ga je gang. Thuis voer je toch niet veel goeds uit.” + +</p> +<p>En Tom ging zijn’ gang. + +</p> +<p>Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed opgeven, daar dacht hij toch niet aan.—Eens dat hij weer +een heelen dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis, dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen +weg, dichtbij een bosch. ’t Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei een gure wind, en ’t regende zonder +ophouden. “Ik moet maar zien, dat ik hier vannacht onder dak kom,” dacht Tom. Eene bel was er nergens te zien: hij bonsde +dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging. + +</p> +<p>Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. “Wat moet je?” vroeg ze heel onvriendelijk.—“Wat anders dan +mijn avondeten en een bed om in te slapen!” zei Tom. “Dat kun je hier niet krijgen,” bromde het vrouwtje, ”’k Zou wel eens +willen weten, waarom niet,” hield Tom vol. “Nu, als je ’t dan volstrekt weten wilt,” was ’t antwoord, ”’t is, omdat hier zes +mannen wonen, die meest pas tegen drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan kom je hier niet levend +vandaan.”—“Dat is een leelijk ding,” zei Tom, “maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer, is ook +geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet bang.”—Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter +zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van “zelf maar weten”, maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was ’t +voornaamste. + +</p> +<p>Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; +maar dat kon Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij met leege handen thuis kwam en braaf door +zijn’ vader en zijne broers uitgelachen werd. + +</p> +<p>Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in <a id="d0e655"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e655">52</a>]</span>de kamer naast hem. “Aha!” dacht hij, “daar zijn de zes mannen, die mij niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, +dat altijd midden in den nacht pas thuiskomt—als dat geen dieven zijn, dan weet ik het niet! Eerlijke menschen hebben ’s nachts +op straat niets te maken.” + +</p> +<p>Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen +klonken zoo verward door elkaar, ’t leek wel, of ze allemaal tegelijk spraken.—Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat +stiller en begon Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over hadden. Ze praatten druk over wat ze dien +nacht hadden uitgevoerd. ’t Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van inbreken en van gauw wegloopen +en van zilveren lepels en vorken en van geld. + +</p> +<p>“Dat was eene mooie vangst vannacht,” zei er een. “Ja,” zei een ander, “maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die +van laatst. Jongens, als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al zijn geld hebben afgestolen, zonder dat +hij er iets van gemerkt heeft!”—“Honderdduizend gulden!” lachte een derde. “Wat zullen ze op hun’ neus gekeken hebben, hij +en zijne drie zoons. De jongste, dat moet zoo’n doeniet zijn. Maar ’t luie leventje van dat heertje zal nu ook wel uit zijn, +nu zijn vader niet rijk meer is!” + +</p> +<p>Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat +er gezegd werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en ’t had niet veel gescheeld, of hij was de kamer binnen geloopen, waar de +dieven zich vroolijk maakten over hem en zijn’ vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren de mannen, die zijn’ vader arm +gemaakt hadden. Honderdduizend gulden, drie zoons, de jongste een doeniet—het kon niet anders wezen. Wacht, hij zou .... Ja, +wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop weer +in ’t bed. “Tom, jongen, wees niet dom,” zei hij tegen zichzelf, “je weet nog niet eens, waar ze ’t geld gelaten hebben, en +al wist je ’t: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!—Beter eerst nog eens verder luisteren, misschien kom je nog wel +meer te weten.” + +</p> +<p>Tom legde weer ’t oor tegen den muur en luisterde. “Zeg eens, is dat <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">53</a>]</span>geld wel goed geborgen?” vroeg er een. “Dat ’s ook eene vraag,” riep een ander, ”’t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar +we ’t in gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder hebt zien staan, recht voor je uit, als je de +trap af komt?”—“Nu, ’t is goed, ik vroeg ’t maar zoo,” zei de eerste weer. “Ziezoo,” dacht Tom, “nu weet ik vooreerst genoeg. +Nu moet ik slim wezen. Mijn’ zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?”—Nog eene heele poos lag hij te denken, te denken, +tot hij eindelijk in slaap viel. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p053.jpg" alt="Een dief—en Geen Dief."></p> +<p class="figureHead">Een dief—en Geen Dief.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. +’t Leken ruwe, woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen +zijn. Maar bang zijn, daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten, leunende op zijn’ elleboog, en keek +de mannen driest in de oogen. + +</p> +<p>“Wie ben je,” vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over de andere vijf leek, “en wat kom je hier doen?”—“Wie +ik ben?” zei Tom. “Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom leerjongens zoeken, die me meteen een +handje kunnen helpen bij mijn werk. Als jullie me bevalt,” en hij keek de mannen één voor één aan, “dan wil ik je misschien +wel in mijn’ dienst nemen en je een paar lesjes in ’t stelen geven.” + +</p> +<p>De mannen wisten niet, hoe ze ’t hadden: ze keken elkaar eerst zoo beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde +eene poos, eer de oudste dief antwoordde: “Praats heb je genoeg, dat hooren we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na ’t ontbijt +wel eens zien, wie meester en wie knecht wezen zal.” + +</p> +<p>Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten ze aan tafel, of daar zien ze door ’t bosch dicht bij +het huis een’ boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.—“Wie van jullie,” vraagt Tom, “durft er op +aan, dien boer zijne geit af te stelen, nog voordat hij ’t bosch uit is, en dat wel zonder ook maar ’t minste geweld te gebruiken?”—“Ik +niet,” zegt de oudste dief. “En ik niet!” roepen de anderen. “Kom aan,” zegt Tom, “ik ben de meester, ik zal jullie je eerste +lesje geven!” +<a id="d0e680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e680">54</a>]</span></p> +<p>Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene plek, waar de weg door ’t bosch eene bocht maakte. Daar trekt +hij zijn’ rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt +hij zijn’ linkerschoen uit, zet dien weer midden in ’t pad, loopt vlug weg en verbergt zich achter de struiken. + +</p> +<p>De boer komt, en hij ziet een’ schoen staan. “Jammer, dat die geen kameraad heeft,” denkt hij, “aan één alleen heb je niets.”—En +de boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen schoen. “Domoor, die ik ben,” zegt de boer, “dat +ik dien van straks niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een paar kan ik best gebruiken.” + +</p> +<p>De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een’ boom, om gauwer vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. +Maar de schoen—die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de +struiken vandaan gekomen en had den schoen weer weggepakt.—De boer komt en ziet den schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij +denzelfden weg terug. Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit vastgebonden heeft: geen schoen +meer te zien en—wat nog erger, is—ook geene geit meer!—De tweede schoen zat al lang weer aan Toms voet. En de geit? Die had +hij, toen de boer terugliep naar den eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in ’t huis van de dieven gebracht. + + +</p> +<p>“Dat is me ook wat!” jammerde de boer, “ik beloof voor mijne vrouw eene mooie japon te koopen van ’t geld, dat ik op de markt +voor mijne geit zal krijgen, en nu—is de geit weg! Ik moet maar zien, dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat +mijne vrouw er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen, dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat +over moeten hooren.” + +</p> +<p>De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken, en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje +toch wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen. + +</p> +<p>Een half uurtje later—daar komt de boer weer aan met een mooi, vet schaap bij zich. “Wie van jullie ziet er kans,” vraagt +Tom, “dat schaap <a id="d0e693"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e693">55</a>]</span>te stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd- zonder geweld te gebruiken?”—“Ik niet!” zegt een van de dieven. “En ik +niet!” roepen de anderen. “Dan zal ik ’t probeeren, ik ben de meester,” zegt Tom. “Geef me een stevig touw.” + +</p> +<p>Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet +hij op eens een’ man aan een’ tak van een’ boom hangen met het hoofd slap op de borst. “Wat is dat nu!” roept hij, “een uur +geleden hing die man daar toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op klaarlichten dag, ’t is om +van te beven!” Angstig kijkt hij om zich heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn. + +</p> +<p>Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn’ schrik al weer een’ man aan een’ boomtak hangen, met zijn hoofd slap +voorover op de borst. “Heb ik van mijn leven!” roept de man, “daar hangt er al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!”—En +hij stapt haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien. + +</p> +<p>Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en grijpt zich met de hand aan ’t voorhoofd. “Maar zie +ik dan verkeerd, of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een’ boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! +Nu wordt het toch al te gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug—ik wil weten, of de twee anderen er nog hangen.” +De man bindt zijn schaap zoolang aan een’ boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de weg daar juist maakte, of +de arme vermoorde man laat zich van den tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar ’t huis van de +dieven.—Dat die man niemand anders dan de slimme Tom was, heb je zeker al begrepen. + +</p> +<p>Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder +doorliep, was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen +den boer vóór geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl de boer weerom liep. + +</p> +<p>Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! “Als je nog één zoo’n stukje uitvoert als dit,” zei de oudste +dief, “dan zeg ik: je bent ons allen de baas!”— +<a id="d0e705"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e705">56</a>]</span></p> +<p>En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door +naar de bocht van den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een’ man. Al pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk +terug naar de plaats, waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man, geen schaap, alles weg! + +</p> +<p>Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: “Ach, ach, wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn +tijd verbeuzeld, mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor mijne vrouw. Er zit niets anders op dan +dat ik den vetten os uit het land haal en dien verkoop.” + +</p> +<p>Goed, de boer gaat naar ’t land, en eene poos later zien de dieven hem weer aankomen met zijn vetten os. “Wie is zoo knap, +dat hij dien os steelt, zonder geweld te gebruiken?” vraagt Tom. “Ik niet,” zegt er een. “En ik niet,” roepen de anderen. +“Dan probeer ik het,” zegt Tom, “ik ben de meester,” en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in. + +</p> +<p>De boer drijft zijn’ os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij +aan zijn’ rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. “Ik +ben een boon, als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!” roept de boer.—Weer geblaat. “Zoo zeker, als ik hier sta,” zegt +de boer, “ze zijn het!” En hij bindt zijn’ os aan een’ boom en loopt het bosch in naar den kant, waar ’t geluid vandaan komt. +Hij loopt al verder en verder, maar ’t is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid blijft altijd even +ver af. + +</p> +<p>Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, +en gevonden had hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want—toen hij boos op zichzelf en boos op alles weer +terugkwam op de plaats, waar hij ’t geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn’ os niet meer en nergens vond hij hem +meer! Geen wonder: de os—die stond al lang op stal bij de dieven. + +</p> +<p>Tom had gedacht: “Ik neem de geit en het schaap mee in ’t bosch, daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat +hem een poosje <a id="d0e718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e718">57</a>]</span>achter de dieren aanloopan en dan—maak ik, dat ik langs den kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb +ik den os al lang losgemaakt en weggebracht.”—En zoo was ’t gebeurd ook. + +</p> +<p>Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en +zijne vrouw alles te vertellen, was er groot gejuich in ’t dievenhuis. De dieven riepen maar in éénen door van “hoera!” en +“leve de koning van de dieven, leve Tom!”—Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van, bij zoo’n baas waren zij maar +kleine kinderen, dat moesten ze toegeven. + +</p> +<p>Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die +ze gedaan hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in de huizen te komen en de werktuigen, om sloten +van deuren en kasten en koffers open te breken, En eindelijk—namen ze hem zelfs mee naar den kelder, waar ze al hunne gestolen +schatten geborgen hadden. Daar kreeg Tom wat te zien—wel verbazend, wat een geld en goed lag daar opgestapeld! “Wat een menschen +hebben die ondeugende dieven al ongelukkig gemaakt!” dacht Tom. “Maar die kist daar, die ik zoo goed ken, die zul jullie niet +houden. Dat is de kist van mijn’ vader.” + +</p> +<p>Ja, wezenlijk, daar stond de kist. “Kon ik haar maar dadelijk meenemen,” dacht Tom, “dan bleef ik geen uur langer in dit nare +huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn’ zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven +geworden ben. Ik moet nu maar geduld hebben en mijn’ tijd afwachten.” + +</p> +<p>Zoo bleef Tom dus vooreerst in ’t dievenhuis.—Hij zorgde wel de dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van +hem gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel +van hun’ meester kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij thuis bleef. “Jullie krijgt me niet +mee,” dacht Tom telkens, als hij de dieven zag heengaan, “bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes vertoond, omdat ik +hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad; maar nu is ’t ook genoeg.” + +</p> +<p>Eindelijk op een’ dag zeiden de dieven tegen Tom: “Meester, als je ’t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene +kermis hier <a id="d0e730"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e730">58</a>]</span>dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook eens plezier maken.”—“Wel zeker,” zei Tom, “ga jullie gerust. Ik +zal mij niet vervelen.”—Maar bij zichzelf dacht hij: “Heerlijk, heerlijk! Eindelijk zal ik eens een’ dag alleen zijn. Misschien +zal ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen.” + +</p> +<p>Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. +Ja, heel gelukkig, hoort maar eens, waarom. + +</p> +<p>Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze waren trotsch op hem, omdat hij zoo’n slimme dief was, +zooals ze meenden. Ze noemden hem “Meester,” en dikwijls vroegen ze hem om raad. Maar—den sleutel van den schatkelder, dien +hielden ze toch liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij +er over, hoe den sleutel machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen; maar tot nu toe was hij nog geen +zier verder. + +</p> +<p>Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al niet. “Vandaag <i>moet</i> het gebeuren,<span class="corr" title="Bron: ">”</span> zei Tom tegen zichzelf, “ik <i>moet</i> er iets op vinden.”—En weer ging hij als zoo menigen keer met het hoofd in de hand zitten denken. + +</p> +<p>Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren, ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor +de dieven deed, bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze +er niets van ziet of hoort, hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het en—in een oogenblik is hij tot +vlak bij het vrouwtje geslopen, dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt, heeft hij den sleutel ook +al te pakken, en in een’ wip is hij er de deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk: hij is het!—Wat +die Tom zich in de handen wreef! + +</p> +<p>Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken? + +</p> +<p>Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist van zijn’ vader was gesloten; maar werktuigen, om een +slot mee open te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij daarmee <a id="d0e753"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e753">59</a>]</span>moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld! +<i>Al</i> het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt: tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde +maar gauw alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee, die hij in de haast uit een’ hoek van den kelder +gehaald had. Toen de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één naar de plaats, waar altijd eene kar +stond. Vlug de zakken op de kar, het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er op gewipt en dat de plaats +over, de poort uit en den weg op. + +</p> +<p>Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik +meende hij het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was +goed afgeloopen. Toen het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig over den weg. Ja, Tom kon van geluk +spreken! Nu, hij was dan ook blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf, als hij aan de gezichten dacht, +die de dieven zouden zetten. + +</p> +<p>En waar reed Tom nu wel ’t eerst heen, denk je? Niet naar zijn’ vader, naar....—Maar wacht, ’k heb nog iets vergeten te vertellen! +Op de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van +bè! en mè! riep. ’t Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo’n slimme manier had afgenomen. Met het paard +had hij ze uit den stal gehaald en op de kar geladen.—En achteraan de kar was—de os vastgebonden, de os van den boer.—En nu +weet je ook, waar de reis ’t eerst naar toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor de grap gestolen, +om de dieven wat wijs te maken. + +</p> +<p>Toen Tom bij ’t huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: “Weet +je ook van wie deze dieren zijn?”—“Nu,” riepen de boer en zijne vrouw vroolijk, “dat zouden we ook niet weten: ze zijn van +ons zoo zeker als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al overal en overal gezocht en ze nergens gevonden.”—“O,” +lachte Tom, “ze liepen <a id="d0e764"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e764">60</a>]</span>in ’t bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk, dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren.” + +</p> +<p>Dat was me eene vreugde in ’t huis van den boer: die pakte zijne vrouw om ’t middel en danste met haar in ’t rond. “Vrouw, +nu krijg je de nieuwe japon toch nog,” riep hij maar al. Toen werden de geit en het schaap van de kar gehaald, en de os werd +losgemaakt. En terwijl ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: “Zeg eens, boer, is dat zakje ook van jullie, dat daar aan den hals +van den os hangt?” Een zakje? daar hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar ’t hing er, dat was zeker. En wat +zat er in? Niets minder dan—honderd gulden! “Dat is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt,” zei Tom, en vóórdat +de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing te bekomen, had Tom de zweep over ’t paard gelegd, en weg was +hij! + +</p> +<p>“Nu naar Vader,” dacht Tom, “die zal nog grooter oogen opzetten dan de boer en zijne vrouw.” + +</p> +<p>’t Was al laat in den avond, toen de kar voor ’t huis van Toms vader stilhield.—Tom sprong van de kar, bond het paard aan +een’ paal vast en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de deur open: ’t was Toms vader zelf. “Wie +maakt er zoo’n geweld aan mijne deur,” vroeg de vader verdrietig, “en dat zoo laat in den avond! Ik beef er nog van.”—Tom +merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar hij hield +zich goed en zei met eene veranderde stem: “Och, Mijnheer, neem me kwalijk, dat ik U aan ’t schrikken heb gebracht. Ik ben +een arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht niet kunnen slapen?”—“Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen +maar in mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!” + +</p> +<p>Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was, toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, +toen kreeg de vader medelijden en zei: “Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet +ze ten minste eerst bij licht gezien hebben.” + +</p> +<p>Tom dus mee in de kamer, waar ’t licht was. En toen .... die verbazing van zijn’ vader en zijne moeder en zijne broers en +dat hartelijke lachen <a id="d0e776"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e776">61</a>]</span>van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! ’k Wou, dat je ’t gezien en gehoord hadt! + +</p> +<p>De vader was ’t eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw: “En waar is ’t geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen +en zakken leeg zeker!”—“Ja, Vader,” zei Tom lachend, “handen en zakken leeg; maar” en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, +trok zijn’ vader met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar buiten bij de kar, “maar—eene kar vol!” + + +</p> +<p>De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet te gelooven, dat in die zakken <i>zijn</i> geld was, zijn heele verloren rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze waren vol harde rijksdaalders +en guldens!—Toen greep hij Tom bij de hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest: “Nu, Vadertje, +bedaard wat!” + +</p> +<p>Dat was me nog eene andere vreugde dan in ’t huis van den boer! De vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en +riepen en vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan ’t vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd +had. Bij de geschiedenis van den boer schudd’en ze allen van ’t lachen om de slimheid van Tom, en de vader stak hem op ’t +laatst de hand toe en zei: “Jongen, ’k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik meende altijd, dat +er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.— Dat Tom dubbel +in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees, kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen. + +</p> +<p>Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te +mooi, om ze niet overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou. + +</p> +<p>Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen +zal. Dan zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. +Is dat goed? + + + +<a id="d0e791"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e791">62</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e792"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Het Zilveren Lucifersdoosje.</h2> +<p>Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was ’t een soldaat, die zoo prompt in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn’ ransel op den +rug, het geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, +twee! één, twee! de voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een’ boom geleund zat en van het warme +weer ingedommeld was, schrikte er van wakker. + +</p> +<p>“Dag, soldaat!” zei ze. “Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook dapper gevochten?”—“Nu, of ik!” lachte de soldaat.—“En +ben je nu ook te trotsch, om zoo’n oud vrouwtje, als ik ben, een’ dienst te bewijzen?”— “Zeker niet,” zei de soldaat.—“Nu,” +zei het vrouwtje, “je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel geld voor geven, als je dragen kunt.”—“Sapperloot,” +zei de soldaat, “dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw, wat ik doen moet.” “Deze boom,” zei +het vrouwtje, en ze klopte op den stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, “is van binnen heelemaal hol. Je klimt maar +naar boven en laat je door den hollen stam naar benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer naar +boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op.”—“Maar, wat moet ik daar onder in den boom?” vroeg de soldaat. “Geld +halen,” zei het vrouwtje. “Luister maar eens. Als je onder in den boom komt, ben je in eene groote gang. Heel licht is het +daar; want er branden wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open doen, de sleutel zit er in. Ga je +de eerste deur binnen, dan kom je in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote kist, en op die kist +zit een hond met een paar heel groote oogen, met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet bang te wezen: +ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je +geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen +nemen, als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist +met guldens; maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je ’s middags van eet. Je behoeft <a id="d0e799"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e799">63</a>]</span>daarom niet bang te wezen: laat mijn schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil je nog liever gouden +tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen: ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen zoo groot, +als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan +kun je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt.” + +</p> +<p>“Dat lijkt mij niet verkeerd,” zei de soldaat, “maar wat moet ik nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te +halen, stuur je me toch zeker niet alleen.” + +</p> +<p>“Neen,” zei het vrouwtje, “voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den +laatsten keer daar geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij lief, als eene herinnering aan hem.” + + +</p> +<p>“Zoo,” zei de soldaat, “is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje zoo graag hebben? Maar waarom heb je ’t dan nog nooit +door een ander laten halen?” + +</p> +<p>“Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd,” zei het vrouwtje, “maar nooit heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van +de honden daar beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe, ga maar, je doet er mij zoo’n genoegen +mee. Hier is mijn schort—ze doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je ’t?” + +</p> +<p>“Kom aan dan maar,” zei de soldaat, “bind me het touw maar om het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen +niet gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!” + +</p> +<p>Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in; daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende +hand voor ’t oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden. + + +</p> +<p>Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om—ja hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes, +en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen—als je geen soldaat was. + +</p> +<p>“Een aardige jongen ben je,” zei de soldaat, “maar brom nu maar niet zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten +van haar hebben. Geef mij nu maar eens je een’ poot, nu den anderen, zie zoo, <a id="d0e817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e817">64</a>]</span>daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist.” Gezegd, +gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er +weer op gezet en nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als een bord. + +</p> +<p>“Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt,” zei de soldaat. “Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. +Zie hier liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom, kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes +op den vloer, brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik +eens in je kist kijken. Neen, maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee kunnen vullen! Maar ik +zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O, hé, die zitten vol centen! Weet je wat, ’k heb liever guldens dan centen. Wil +jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En +wacht eens: in mijn’ ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo, oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. +Pas jij nu maar weer op je kist, hoor, ik groet je.” + +</p> +<p>Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, ’t Klonk wel als +het brullen van een’ leeuw. Hij wou toch eerst eens om ’t hoekje zien. Neen maar, wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk +zoo groot als een rad van een’ wagen. En de oogappels draaiden—daar zou zelfs een soldaat raar van worden. Maar de soldaat +was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom op en +slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. “Goeden avond!” zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij +een’ generaal groette; want voor zoo’n hond had hij eerbied, “goeien avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen +boezelaar plaats te nemen?” Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den boezelaar zitten. “Zie zoo,” zei de soldaat, +“nu laat mij eens zien, waar jij zoo knap op gepast hebt,” en hij deed de kist open. + +</p> +<p>Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden +en tinnen soldaten <a id="d0e825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e825">65</a>]</span>van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, +en ik kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik had hij de guldens uit de zakken en den ransel en +de gouden tientjes er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker: bij de kleeren in, en in de laarzen +en in de schako—in alle hoekjes en gaatjes. Op ’t laatst was hij stijf van ’t geld. Toen riep hij den hond weer op de kist +en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam. + +</p> +<p>“O, hoi, ho! trek op, Moedertje!” riep hij door den hollen boom. “Heb je het lucifersdoosje?” riep het oude vrouwtje terug. +Sapperloot, neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik +ook aan niets dan aan geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens weer naar die groote honden. En zooals +het altijd gaat, als je iets zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat je hebben moet. Zoo zou de +arme soldaat ook pas in de derde kamer het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken en stond hij weer +in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks, hoor. Toen arm—nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap, toen ze +het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik. + +</p> +<p>“Beste jongen,” zei het vrouwtje, “weet je, wat je nu doet? Je gaat met mij naar mijn huisje, hier in ’t bosch. ’t Is al zoo +laat geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je bij mij logeeren, en ’k zal je een kistje of een’ zak +geven voor je geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen.” Dat leek den soldaat goed, en hij stapte gezellig met +het vrouwtje mee. Toen ze thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en gingen ze prettig zitten praten +en eten en drinken. De soldaat moest van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze, als ze in langen +tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed. + +</p> +<p>’t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. +Hij droomde van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig +geluid; de soldaat werd er <a id="d0e833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e833">66</a>]</span>wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij, welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde +zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn +had de arme stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk, dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij +kon, liep hij naar een’ dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken; ze stierf, nog denzelfden nacht. +Even vóór haren dood drukte ze den soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als een aandenken. De soldaat +bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch weer door. +Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van +mijn geld hebben. Gezegd, gedaan. + +</p> +<p>Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het +allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; +want hij was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde. + +</p> +<p>De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen +poetste, zei wel: “wat oude laarzen heeft die mijnheer,” maar den volgenden dag konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht +de soldaat een prachtig pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud soldatenpak in de kleerkast en +leek nu een groot mijnheer. + +</p> +<p>En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad +te zien. Eens toen de soldaat weer een’ rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren een groot gebouw staan. “Wat is dat voor +een gebouw, koetsier?” vroeg hij. “Dat is het paleis van de prinses,” antwoordde de koetsier. “Maar waarom staan daar zulke +leelijke hooge muren omheen?” vroeg weer de soldaat. “O, weet U dat niet, mijnheer?” zei de koetsier, “hebt U nooit van de +mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat +de prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt, eene prinses met <a id="d0e841"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e841">67</a>]</span>een’ soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een’ soldaat ziet! +Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er kon immers eens een soldaat voorbij loopen!”—“Hoe jammer,” +zei de soldaat, “ik zou die mooie prinses wel eens willen zien,” en hij was er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat +was; maar dat zei hij niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan de prinses en verlangde hij altijd +weer haar te zien. + +</p> +<p>Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag +na den anderen; maar kwam er geen einde aan de pret—er kwam wel een eind aan iets anders. De vroolijke soldaat was een beetje +dom geweest. Hij had niet begrepen, dat als je van een’ zak vol geld altijd wat afneemt en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk +leeg wordt. En dat was toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet meer naar ’t paardenspel gaan, +en niet meer naar ’t bal, en niet meer in zoo’n mooie kamer wonen. Op ’t laatst kwam hij in een klein zolderkamertje, en nu +had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen, en poetsen +niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd, en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer +en armer werd onze soldaat. + +</p> +<p>Eens op een’ avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje—want licht branden kostte ook geld—te denken en te denken. +Wat was het toch treurig met hem afgeloopen—al zijn geld op! Ja, en ’t was zijne eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet +meer aan denken! Hij werd zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te doen had. Wacht, hij zou +de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het doosje +was leeg, en ’t was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens—dat was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje +van het goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die +in de kast hing. Daar had hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde er al eentje—maar o, o, wat +was dat? Open vloog de deur, en wie kwam er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen gezien <a id="d0e847"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e847">68</a>]</span>had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem: +“Wat belieft, Mijnheer?”—“Wat mij belieft,” riep de soldaat, ook niet dom, “wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen +belieft mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen.” Weg was de hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet +de deur weer open en ja wel, hoor, een’ zak met centen in den bek! Dien netjes voor den soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert—weg +was de hond. + +</p> +<p>De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest +hij nog eens hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee te gelijk. Dat was nog jammer. Neen—het +was geen jammer, want—wie bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar met eene nog zwaarder stem: +“Wat belieft, Mijnheer?” Niemand anders dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de soldaat alles! +Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van +de guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel, heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, +de hond, die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje +in de hand gedrukt had! Hoe dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen soldaat. En hoe dankbaar +was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en krijgen +wat zijn hart begeerde, en—doen! wat zijn hart begeerde. Ja, <i>doen</i> ook; dadelijk gaf hij van zijn’ overvloed aan arme menschen; want goedhartig was hij. + +</p> +<p>En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd de soldaat op ’t laatst weer doodarm? Mis! dat was juist +het mooist van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt was, kwam er ook van zelf weer eene in. +Hoe? dat wist de soldaat niet, en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: ’t was eene tooverdoos en daarmee uit. Alles was +immers tooverachtig—de honden met de groote oogen, die praten konden en—alles. Onze soldaat was nu voor goed rijk. De honden +brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou—’t leek wel, of de kisten <a id="d0e856"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e856">69</a>]</span>ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker weer aan, net als de lucifers. + +</p> +<p>Dus—kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk van den soldaat, en toen kwam er “een varkentje met een’ snuit, +en ’t vertelseltje is uit”—denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde +aan ’t geld, maar wel aan ’t geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem te vervelen. Voor een poosje niets dan pret +maken is wel aardig, maar altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt, is niet gelukkig. Hij had niets +te doen. Geld verdienen behoefde hij niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er was geen oorlog. +Pret maken—daar had hij ook niet altijd zin in. Nu zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé, dacht +onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn +geld kunnen doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad door en buiten de stad langs het paleis van +den koning. Hé ja, daar achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch, dat niemand haar ooit mocht zien. + + +</p> +<p>Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de +klok twaalf—’t was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik moet en ik wil haar zien! Hij greep naar +zijn zilveren lucifersdoosje en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open, en de allergrootste hond +sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde, toen hij met zijne bromstem vroeg: “Wat belieft, Mijnheer?”—“Ik zou zoo <i>heel</i> graag de prinses eens zien,” zei de soldaat. “Zou je daar ook raad op weten?”—<span class="corr" title="Bron: ">“</span>’t Zal wel gaan, Mijnheer,” bromde de hond, en weg was hij.—Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou er nu gebeuren?..... + + +</p> +<p>Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast niet gelooven .... ’t was de hond en—niet alleen! Op zijn’ +rug lag de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn grooten kop. En—ze sliep!!—Had de hond haar slapende +uit het bed getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat wist er niets van. Hij vroeg ook niet—hij +keek maar naar de mooie prinses. Hoe lief <a id="d0e870"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e870">70</a>]</span>lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken! + +</p> +<p>Nu was hij tevreê—hij had de mooie prinses gezien. “Dank je wel, brave hond,” fluisterde hij, “breng het lieve kind nu weer +terug.”— + +</p> +<p>Weg was de hond—weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde van beiden. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles? + +</p> +<p>Toen ze den volgenden morgen aan ’t ontbijt zat met den koning en de koningin, zei ze: “Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! +Ik droomde, dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een’ soldaat, en die streelde mij over ’t haar!” + +</p> +<p>“Foei! wat een nare droom!” zei de koningin. + +</p> +<p>“Een soldaat! ba!” riep de koning. “Droom toch niet van een’ soldaat!” En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame +op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of dat—neen, waar kon het toch niet wezen! + +</p> +<p>En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses—wat +zou het gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij ’t zelf recht goed wist, had hij weer drie lucifers afgestreken +en den hond gevraagd nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet—hij deed haar immers geen kwaad! + +</p> +<p>Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den +hond zag met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even, dat ze het dier volgen moest—loop je niet, zoo heb +je niet, om te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog net op tijd—in dàt huis ging hij. Ze zou het +den koning vertellen morgen. Maar—’t was zoo donker,—zou ze morgen ’t zelfde huis nog weer kunnen vinden? Wacht,—ze had juist +een stukje krijt in den zak—ze zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar huis gaan en wachten, tot +de hond de prinses weer thuis bracht. Dat gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen al dadelijk +gezien? Het kruis <a id="d0e890"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e890">71</a>]</span>op de deur! En die, ook niet dom, maakte op al de deuren in de stad net zoo’n kruis. Nu kon de hofdame de deur van den soldaat +niet vinden—op alle deuren was immers een kruis. + +</p> +<p>Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter—het was geen +droom. Ze vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt een kruis op de deur van het huis gemaakt +had, waar de hond met de prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame, dat ze zoo slim geweest was, +en de koning liet dadelijk vier paarden voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. “Daar is het!” riep de koning, toen +hij de eerste deur met een kruis zag. “Neen, daar is het!” riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. “Maar +daar is nog een kruis! en nog een!” riepen beiden, en nu begrepen ze, dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden—alle +deuren hadden immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die kon ook nog wel wat anders doen, dan in +een’ wagen met vier paarden rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een zijden lap een mooien zijden +zak. Toen het nu weer avond werd en de prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den hals, vulde hem +met grutjes en knipte er toen een gaatje in. + +</p> +<p>En ’s nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.—Ja, +als hij gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf altijd bij mij—ga met mij trouwen. Maar dat +kon immers niet, omdat de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen zeiden immers, dat die twee niet +bij elkaar pasten. En—de koning dan! + +</p> +<p>Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen—dat +er een klein paadje van grutjes liep van ’t paleis van den koning naar ’t huis van den soldaat! Hij zag het niet, maar de +koning, zooveel te beter en die liet den soldaat uit zijn huis halen en—in de gevangenis brengen! + +</p> +<p>Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. +Maar wel was het: “O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En weet <a id="d0e900"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e900">72</a>]</span>je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen +al de menschen uit de heele stad om je uit te lachen,—dat heeft de koning zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al +de schoolkinderen zullen roepen: ‘Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en ’t is maar een gewoon soldaat!’” + +</p> +<p>Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren. + +</p> +<p>Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden, de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis. + +</p> +<p>Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de straat van wonder en geweld, ’t Was, of de heele stad +leegstroomde; alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen, om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen +ook al. Hij liep zich het vuur uit de schoenen—neen, uit de oude sloffen, die hem veel te groot waren. Bats! daar vloog de +eene slof tegen den muur aan, vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat. + +</p> +<p>“Zeg, jongen,” riep de soldaat, “je behoeft zoo’n haast niet te maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. +Maar wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje verdienen.” Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk +voor den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk “ja.” + +</p> +<p>Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door de tralies, en de soldaat een kwartje en toen—geduld een +beetje, dat komt later. + +</p> +<p>Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, +een stellage, gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep soldaten stond vooraan om op te passen, +dat de ondeugende soldaat niet weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning en de koningin—die moesten +toch goed kunnen zien, welk gezicht de soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten. + +</p> +<p>Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte +den hals uit, om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de soldaten <a id="d0e916"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e916">73</a>]</span>zouden een’ roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. +“Mijn zakdoek! mijn zakdoek!” riep de soldaat. “Zijn zakdoek! geef hem zijn’ zakdoek!” riep het volk. En toen—waren op eens +zijne handen los, om den zakdoek te kunnen krijgen en toen—rrrt! rrrt! rrrt! daar brandden één, twee, drie lucifers tegelijk +en daar stormden de drie groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven: “Wat belieft Mijnheer?”—“Helpt +mij!” riep de soldaat, “grijpt den koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven, en ik heb haar zoo lief!” + + +</p> +<p>Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste +uurtje geslagen was, en ze riepen: <span class="corr" title="Bron: ">“</span>Wij willen wel! hij mag de prinses zien, hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!”—“Ja! ja!” riep het heele volk, “hij mag +haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor +hem willen doen, moet hij wel goed zijn!” + +</p> +<p>Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. +En de drie honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de jongens floten op de vingers, en de meisjes +zongen, en allen riepen: “Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!” En de prinses kwam achter de hooge muren vandaan en mocht +ook mee door de stad rijden, en dat stond haar wel aan. + +</p> +<p>Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor +drie. Maar de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus +van den soldaat, die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn. + + + + +<a id="d0e927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e927">74</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e928"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>April!</h2> +<p>Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet +beter. Dat groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en +niemand vindt het zoo heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat een jongen van twaalf jaar maar +dadelijk alles gelooft, wat men hem vertelt, dat zoo’n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de mouw laat spelden, +dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo’n jongen heb ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een knappe +groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen. + +</p> +<p>O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen +schrijven. Als ik wou—ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, +en daarmee moet je dan maar tevreden zijn, hoor! + +</p> +<p>Nu dan, ons vriendje—Hans heette hij—stond op een goeien morgen in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een +nuffig juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren +en eindelijk nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen +waren splinternieuw, en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed: van fijn stroo; niet met zoo’n kinderachtig +laag bolletje, maar flink hoog; niet met zoo’n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden band—daar was onze Hans nog +het meest trotsch op van al. + +</p> +<p>Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! “Hm, hm, ik mag me laten zien,” zei hij hardop, en toen—nam hij voor +zijn eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af. + +</p> +<p>“Hm, hm,” klonk daar op eens Moeders stem achter hem, “dat ventje heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. +’t Duurt nog wel anderhalf uur, eer ’t rijtuig voorkomt. En als je nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks +al ’t mooi van je nieuwe kleeren <a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">75</a>]</span>afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, ’k zou nu maar eene poos naar buiten gaan.” + +</p> +<p>Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin in. “Hoor eens, Hans;” riep zijne moeder hem nog uit +het venster na, “ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet ik wel, hoe ’t gaat: dan verpraat +je je tijd weer bij Baas Martens. En als ’t rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan—flip, flap, gaat de zweep over de paarden, +en we rijden zonder je weg, Vader en ik!” + +</p> +<p>Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken +lang had hij zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn’ tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij +dicht bij huis. Baas Martens—hij dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. ’t Was anders zoo aardig een praatje met den +baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, naar ’t +schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van ’t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. +Jammer, dat er een “maar” bij was, een leelijk “maar.” Je moet weten: Baas Martens kon nooit laten een grapje met de menschen +te hebben. O, hij mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat wijsmaken. Je moest hem dan haast wel +gelooven, vooral—als je Hans heette.—Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, weet ik niet. ’k Weet ook niet, +hoe vaak de moeder van Hans hem al gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, nooit, nooit weer +naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken +en—dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden. + +</p> +<p>Maar nu, neen <i>nu</i> ging hij eens <i>niet</i>. Moeder had gelijk; hij moest liever bij huis blijven. ’t Was in den tuin ook mooi. Hans keek naar de blauwe lucht, naar +den vriendelijken zonneschijn, naar de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die in de boomen zongen, +naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, naar de kikkers, die door ’t gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles; maar +de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken niet naar hem. Niemand was er, <a id="d0e955"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e955">76</a>]</span>die naar hem keek. En—zoo mooi als hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene bij nu om mooie schoenen, +of een kikker om een nieuw pak, of een vogel om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van ’t dorp, die gaven daar meer om, +die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! +En baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet +naar Baas Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf uur, ’t was anders wel een heele tijd. Waarom +had hij zich ook zoo vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren aan! .... Kom, een boek halen en +dan wat op eene bank zitten lezen, tot de tijd om was. Maar—’t wou vandaag toch niet recht vlotten met lezen: Hans had te +veel andere dingen in ’t hoofd. Zijne gedachten en zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor op +’t kiezelpad! ’t Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt bij de tor. “Wat loop je vlug,” dacht Hans. “Wacht eens even, +dat ik je beter bekijken kan!”—Maar het diertje was hem te gauw af, ’t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer +op. Daar viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek +uitkeken. Voeten, handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen. + +</p> +<p>Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo’n boerenjongen +om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. “Maar waar zou—wacht, ’k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!” dacht +Hans trotsch. + +</p> +<p>Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste één, die hem bewonderde.—Kom, hij zou maar eens naar +den jongen toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij misschien ook eens <i>hooren</i>, dat hij mooi gevonden werd. De jongen behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was. + +</p> +<p>Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl +toch al dichter en dichter in de buurt van ’t hek. Maar—toen hij er eindelijk vlak bij stond, <a id="d0e966"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e966">77</a>]</span>waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: de heele jongen was op eens verdwenen! + +</p> +<p>Hans keek eerst op zijn’ neus. Toen—deed hij het tuinhek open en ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar +de jongen gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. “Zeker bang voor me geworden,” dacht Hans, “wie weet, of +hij me niet voor een’ heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo’n boerenjongen ook! Kom, ik moet toch eens verder zien, +waar hij heengaat. Een jongen van ’t dorp is het, geloof ik niet.” + +</p> +<p>Hans liep den weg verder op. “Tot aan de eerste bocht,” zei hij, “en dan keer ik om.”—Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen +was heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans wel iets anders. En dat was—de werkplaats van Baas Martens! + + +</p> +<p>Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken +boomstam los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven de spaanders in ’t rond, lekker geurde het +versche hout. Hans kon het niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden behoefde hij zich immers niet, +alleen maar even goeden morgen zeggen—even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was en ook—zich even vertoonen +met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd met zijne leelijke +petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien! + +</p> +<p>Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam voor Baas Martens in ’t voorbijgaan deftig den hoed +af. De baas liet de bijl in ’t hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd een beetje op zij en bekeek Hans +van top tot teen. Toen met een guitig knipoogje: “Ben je ’t of ben je ’t niet, jongeheer? Lang niet kwaad, dat hoedje. Waar +moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?” + +</p> +<p>Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch zei hij zoo onverschillig mogelijk: “Och ja, ’t is +omdat we straks uit rijden gaan, weet je.”—“Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die +nieuwe schoenen?” vroeg de baas. “Hoe zoo?” zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met een bedenkelijk <a id="d0e978"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e978">78</a>]</span>gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer naar de lucht. “Hoe zoo?” vroeg Hans weer. “Nu, ieder moet weten, wat hij +doet,” zei de baas eindelijk, “maar ik weet wel: <i>ik</i> ging niet uit rijden met zulk weer.” “Met zulk weer!” lachte Hans, “neen maar, er is geen wolkje aan de lucht. ’t Is het +prachtigste weer van de wereld.”—“O zoo,” zei de baas, “weet jij ’t beter dan ik, die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid +misschien uit je nieuwen hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden.” + +</p> +<p>Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem, die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: “Maar Baas, hoe weet +je toch, dat het weer veranderen zal?” De baas wees naar ’t haantje van den dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. +“Kijk maar, de wind is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, over een paar uur regent het er frischjes +op los!” + +</p> +<p>Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon te hakken, alsof er niets gebeurd was. + +</p> +<p>De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: +“Praatjes van dien regen!” Keek hij naar ’t ernstige gezicht van den baas, dan dacht hij: ”’t Zou toch verschrikkelijk zijn, +als de regen alle pret ging bederven!” + +</p> +<p>De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas +nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op ’t laatst nader dan ’t lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en +Hans nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei zoo bij zijn neus langs: “Er is wel een middeltje om +te maken, dat er geen regen komt.”—Het heele gezicht van Hans klaarde op. “Wat dan?” riep hij vroolijk. “Wel,” zei de baas +heel leuk, “we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek gaat waaien, dan is alles in orde.”—“Ja, ja,” +riep Hans, “als dat kon!”—“O, dat kan wel,” zei de baas, “er is een touw, waarmee je den wind kunt laten draaien. Maar”—en +hij lei bedenkelijk zijn’ wijsvinger tegen den neus—“waar zit dat ding op ’t oogenblik! Als we dat nu maar wisten. Wacht eens, +misschien weet mijn buurman Jansen, de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw eene poos in huis +gehad. Kom maar mee, ik zal ’t hem vragen.” +<a id="d0e991"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e991">79</a>]</span></p> +<p>Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar ’t huis van den buurman. “Hei, Jansen,” riep de baas, “waar zit je?” +Dadelijk kwam Jansen voor ’t open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem +en gaf Jansen daarbij gauw een knipoogje. Toen zei hij: “Treft het niet ongelukkig, Jansen, hier is een jongeheer, die straks +uit rijden moet, en nu waait de wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, om den wind te laten +draaien, wezen kan?”—“Het touw, om den wind te doen draaien?” vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich ernstig op bedacht +en met een stil knipoogje tegen Baas Martens, “ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer.” + +</p> +<p>Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den drempel van de deur met een dik boek onder den arm. +Nu nam hij zijn’ bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het boek. Eindelijk sloeg hij met de hand +op een blad en riep: “Ha, nu ben ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. ’k Herinner ’t me nu heel +goed: Teunissen had doperwtjes in zijn’ tuin gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft hij het touw +gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid.” + +</p> +<p>“Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit,” zei Baas Marlens, “de jongeheer heeft haast, hij zal geen’ tijd hebben, +om er nog even heen te loopen.” Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog +vooruit en liep wat hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee—driemaal vloog hem onderweg de nieuwe hoed van +’t hoofd. Zijn mooie pak, zijne glimmende schoenen, alles kwam dik onder ’t stof. Maar dat kon hem nu weinig schelen. Hij +dacht maar aan één ding: het <i>mocht</i> en het <i>zou</i> niet regenen. De wind <i>moest</i> draaien. + +</p> +<p>Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den winkel van Teunissen binnen. + +</p> +<p>“Teunissen ....” hijgde Hans, “is hier ook ....”—“Drop te koop?” maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. “O ja, jongeheer, +zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout zijn?”—Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar hij +eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. “Wàt moet je hebben?!” riep hij. “Wel, het touw, <a id="d0e1011"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1011">80</a>]</span>om den wind te doen draaien,” zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. “Ze zeiden toch, dat het hier moest zijn.”—Toen +op eens scheelde het niet veel, of Teunissen was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en deed, alsof +hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van—als je +zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden. + +</p> +<p>“Nu?” vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen antwoord gegeven had, “kan ik het touw krijgen?”—“Wacht +eens, jongeheer,” zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, “ik zal mijne vrouw even gaan vragen.” + +</p> +<p>Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij +de deur te luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat praatten ze druk! Ze waren het zeker niet +met elkaar eens, of ze het touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden wilden, wat dan! Hans zette bij +die gedachte zoo’n treurig benauwd gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met hem kregen. + +</p> +<p>Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei “neen”. Daarop zei de man “ja”. Toen zei de vrouw weer: “Zijn vader zal boos +worden;” waarop de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. “O, die nare vrouw Teunissen,” dacht Hans. Anders hield hij +wel van haar; ze stopte hem nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu—<i>zij</i> zou nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd! + +</p> +<p>Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne +vrouw den winkel binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte, maakte ze allerlei teekens tegen Hans; +maar Hans begreep niets van hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch te beteekenen, en waarom +werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens merkte, wat zijne vrouw achter zijn’ rug deed! Waarom zeiden ze niet gewoon weg +“neen” of “ja”! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo’n mooien hoed op +had en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken +zoethout in de hand? Wat <a id="d0e1024"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1024">81</a>]</span>moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw geven.—Maar Teunissen zei: ”’t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne vrouw +zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig vergist: het touw is op ’t oogenblik bij Pietersen, <i>die</i> wou graag regen hebben op zijne erwtjes.” + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p081.jpg" alt="April!"></p> +<p class="figureHead">April!</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar +naar Pietersen; want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind van Teunissen af. + +</p> +<p>Pietersen zat buiten op eene bank in ’t zonnetje en bekeek op zijn gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem +in ’t gras te slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij de heele bank met Pietersen en al omver +wou loopen. Pietersen liet van schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat hooren en zien je verging. +Pas toen de hond een beetje bedaard was, kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als een dolleman den +tuin in kwam vliegen. “Och, Pietersen,” zei Hans, nog buiten adem, “ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind mee +draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen, zegt Baas Martens, en—ik ga straks uit rijden. Ze hebben me +hierheen gestuurd om het touw.” + +</p> +<p>Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing aan: hij begreep er niets van. “Hans, mijn jongen, +zeg het nog eens weer. Je wilt van me hebben ....” En toen nu Hans heel onschuldig nog eens ’t zelfde gezegd had, begon Pietersen +zoo te schateren van ’t lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem +de tranen over de wangen liepen, en hij riep maar aanhoudend: “Neen maar, Hansje, wat heb je daar eene prachtige grap bedacht, +zoo’n mooie heb ik van mijn leven nog niet gehoord. Het touw, om ....” En dan barstte hij opnieuw in lachen uit. Hans werd +er verlegen onder. ”’t Is geene grap,” bromde hij half boos en toch met tranen in de oogen, “heelemaal niet. Toe, Pietersen, +geef me als ’t je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen.” + +</p> +<p>Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in ’t gezicht. Wezenlijk—de jongen meende ’t! “Wou je ’t dan heusch zoo heel graag hebben?”—“Nu +òf ik,” zei Hans, ”’k heb er al een uur om geloopen.”—“Och, <a id="d0e1042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1042">82</a>]</span>zeg dat nog eens,” vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. “Ik heb er al een uur om geloopen,” herhaalde Hans +heel geduldig. + +</p> +<p>“Een uur lang, jongen, dat is een slim ding,” zei Pietersen leuk, “want nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak +bij zal morgen een feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters gestuurd, om het touw te halen. Je +begrijpt, op zoo’n feest moet het mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar rijden de veldwachters +juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen kunt, dan haal je ze misschien nog in.” + +</p> +<p>In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de paarden achterna. Hans werd vuurrood in ’t gezicht van +’t harde loopen en van ’t roepen: “Hei daar, ho, veldwachters!” Maar je begrijpt, al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! +Hans kwam niets dichter bij de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het nog niet op. Och, och, dat +touw, hij moest het hebben! + +</p> +<p>Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij den arm vatte en tegenhield, ’t Was vrouw Teunissen, de +vrouw van den kruidenier, je weet wel. “Laat me los, het touw, het touw,” riep Hans, en hij deed al zijn best, om vrij te +komen. Maar vrouw Teunissen hield hem stevig vast. “Luister eens even naar me, mijn jongen,” zei ze goedig. “Je hebt er stellig +niet aan gedacht, dat het de eerste April is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen, dat weet je. +Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad, Martens en de anderen. Zoo’n touw is er heelemaal niet. Straks in +den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je begreep me niet.” + +</p> +<p>Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets +zich doodmoe geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen en—op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. +’t Was verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte +in tranen uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo +boos op zichzelf was): “Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. ’t Kan den beste overkomen, dat hij eens gefopt wordt. Je moet +maar denken: dat is eens, maar nooit weer!” +<a id="d0e1052"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1052">83</a>]</span></p> +<p>Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.—Wat zouden ze thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich! + +</p> +<p>Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag +dadelijk, dat ze niet veel goeds in den zin hadden—hij wou nog moeite doen, om te ontsnappen. Maar dat was mis—de jongens +hadden door Baas Martens van ’t geval gehoord, en nu vonden ze ’t natuurlijk veel te mooi, om Hans niet eens duchtig te plagen. +In een oogenblik stonden ze dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: “Heb je het touwtje al in je zak?” of “Ben je ook +moe van het trekken?” of “Waren de erwtjes al opgekomen?” en al zulke plagerijen meer. En telkens, als er weer een wat grappigs +gezegd had, schaterde de heele troep het uit van lachen, ’t Was niet om uit te houden voor den armen Hans. Hij probeerde een +paar van de jongens op zij te duwen, om zoo door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op: van roepen +en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen +één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie +hoed, waar Hans zoo trotsch op was, werd hem op ’t hoofd platgedeukt! En wie weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er +niet een paar mannen aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen .... + +</p> +<p>Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed bedorven en—met een’ neus, wel tweemaal zoo dik als anders +en vuurrood. “Maar jongen,” riep zijne moeder verschrikt, “wat is er in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!”—“Verdiende +loon,” zei de vader streng, “waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water +op den neus leggen, terwijl wij weg zijn. Met een’ jongen, die er zoo uitziet, kunnen we ons toch niet voor de menschen vertoonen.” + + +</p> +<p>“Terwijl wij weg zijn,” had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was +nog het ergst van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en +wou nog een goed woordje voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele poos voor <a id="d0e1061"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1061">84</a>]</span>de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip, flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had, +voort vlogen de paarden en—Hans was alleen met zijn verdriet. + +</p> +<p>Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd +kwam, om naar bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor ’t venster: als de jongens hem zagen, zouden +ze opnieuw beginnen te plagen.—In lezen had hij geen’ lust, in spelen nog minder: hij was veel te verdrietig, veel te boos, +en zijn neus deed hem te veel pijn. + +</p> +<p>Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer +draafde hij over den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens voelde hij ook weer juist als dien +morgen eene hand op zijn’ arm, om hem tegen te houden. Maar ’t was niet de hand van vrouw Teunissen—het was—het was de hand +van zijne eigen lieve moeder! En—hij liep ook niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en zijne +moeder zat op een’ stoel bij hem en hield zijne hand in de hare. + +</p> +<p>“O, Moeder, ik heb zoo’n verdriet,” zuchtte Hans en hij liet zijn hoofd op Moeders schouder vallen. “Dat geloof ik graag, +mijn jongen,” zei Moeder, “maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is.” + +</p> +<p>Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; +maar vooral op Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was ’t eerst begonnen, hem wijs te maken, +dat er zoo’n touw bestond. En toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel eens wat verzinnen, om ze +terug te plagen, hij zou .... + +</p> +<p>Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand op zijn’ mond en zei: “Stil, stil, mijn jongen, zeker ben +je nog heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, +dat zekere Hans tegen het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen, dat dezelfde Hans onnoozel genoeg +was, alles dadelijk te gelooven, wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet, dat jij zelf de grootste +schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je vandaag gehad; <a id="d0e1073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1073">85</a>]</span>maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een beetje wijzer door geworden bent.—Als iemand nu in ’t vervolg iets +vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken +bij zichzelf: ‘Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?’ Mij dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk +meer laten foppen, is ’t wel?” + +</p> +<p>“O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven,” riep Hans. “Ho, ho, jongenlief, zoo is ’t ook weer niet gemeend,” +zei Moeder lachend. “Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, +denk wat beter na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je gelooven kunt en wat niet.—Maar kom, jongen, +’t is nu geen tijd, om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en dan—slapen. Morgen zullen we eens +zien, of we den nieuwen hoed ook weer in ’t fatsoen kunnen brengen. En later—gaan we samen, met ons drietjes, ook nog eens—rijden!”—“O, +Moeder, wat ben je toch lief,” riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, “wat ben je toch lief!” + +</p> +<p>Dat was de geschiedenis. En ’k wil er nog bijvertellen, dat Hans van dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel +wat minder geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had, hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later +Baas Martens eens zeggen: ”’k Heb aan’ jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger: toen kon ik hem alles wijs +maken en nu—is ’t heelemaal uit met de grapjes.” Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik—Hans was daar niet minder +om. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1079"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.</h2> +<p>Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men +in de geheele wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch +op. Eens op een’ zomermorgen ontdekte hij tot zijn’ schrik, dat eene prachtige weide heelemaal platgetreden <a id="d0e1084"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1084">86</a>]</span>was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven kon hebben. +’t Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist, hoe +lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel. + +</p> +<p>Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het gras was nog veel platter. “Weet je wat, Hans,” zei +de boer tot zijn oudsten zoon, “jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de weide. Ik heb geen rust of duur: ik +moet weten, wie me mijn gras zoo bederft.” Nu—den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten, leek Hans geen pretje; +maar—Vader had gelijk: ze moesten er meer van weten en dus zei Hans: “Dat is goed, Vader.” + +</p> +<p>Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets, want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen +de wring en vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, werd onze Hans weer wakker en zag hij tot +zijn schrik, dat er weer een ander deel van de weide plat getreden was. + +</p> +<p>Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te brengen. “Jongen, jongen,” zei Vader, “wat spijt mij dat! Kon je +voor mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?” + +</p> +<p>“Och, Vader,” riep de tweede zoon, “laat mij vannacht maar eens gaan, Hans is zoo’n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal +wel beter uit mijne oogen kijken.”—“Dat hoop ik,” zei de Vader. Maar Bob had goed praten en pochen. Vóór elf sliep hij al +als een roos en—weer was er den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven. + +</p> +<p>”’t Is toch verschrikkelijk!” zuchtte de Vader; “ik zal zelf dezen nacht maar eens op wacht gaan.”—“Neen,” riep Paul, de jongste +zoon, “daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag ’s nachts in de weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan.”—“Och, +jongen,” zei de vader; “wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig, je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een’ +nacht wakker kunnen blijven!”—“Ik kan ’t immers gemakkelijk probeeren, Vader,” zei Paul. “Nu, ga je gang, jongen,” zei de +Vader. + +</p> +<p>En Paul ging zijn’ gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op <a id="d0e1098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1098">87</a>]</span>wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen wijd open. Maar—niets of niemand bespeurde hij op de +weide. Onze Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof +er een heele zwerm vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! +Zoo groot, zoo wit! Paul stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij niet, toen de duiven op eens haar +blank veeren pakje afstreken en er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide stonden. Stonden! neen, +dat was maar een oogenblik. Voordat Paul zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor zijne oogen—zulk +dansen had hij nog nooit gezien. ’t Was of ze met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar toch—de grashalmen +bogen om—en nu wist Paul, hoe het gras in de weide plat werd. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p087.jpg" alt="Ten oosten van de Zon en ten noorden van de Aarde."></p> +<p class="figureHead">Ten oosten van de Zon en ten noorden van de Aarde.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij: “Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien,” +en zonder dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was Paul naar de veeren pakjes geslopen. “Wacht,” +dacht hij, <span class="corr" title="Bron: ">“</span>daar moet ik eens eene grap van zien,<span class="corr" title="Bron: ">”</span> en stil nam hij de veeren pakjes mee en ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen. + +</p> +<p>Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar +ze hare veeren pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een’ schrik en een zoeken en een onrustig heen en weer loopen over de weide. +Paul kreeg er medelijden mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. “O, jonge man,” riepen de meisjes, “heb jij misschien +onze duivepakjes weggenomen, geef ze dan, als je blieft terug!”—“Ja,” zei Paul, “die heb ik genomen, maar ik geef ze niet +terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten eerste: op geen van de weiden van mijn’ vader mag ooit weer gedanst worden. +Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan komt.” Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei +de eene: “Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon +en ten noorden van de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden.” +<a id="d0e1115"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1115">88</a>]</span></p> +<p>“Zoo,” sprak Paul. “Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat +je me nu trouw belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met +niemand anders en U moet dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook.” Bij die woorden werd de koningsdochter bleek van schrik, +maar wat zou ze doen? Daar kwam de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen, anders .... Ze beloofde +alles. Paul gaf de veeren pakjes terug, en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in. + +</p> +<p>Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met +vragen; maar Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: “Ik heb natuurlijk geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, +dat de weide in ’t vervolg nooit weer plat getreden zal worden.” Toen lachten de broers hem uit en deden net, of zij niet +geslapen hadden. En de een voor den ander riep: “En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu—we zullen eens zien, of de droom +ook uitkomt.”—De vader lachte niet; de vader zuchtte: “We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn bedrog.” Maar—de +droom kwam uit, en de broers lachten en de vader zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de weide +vergeten. + +</p> +<p>Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, +waarop de bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn’ vader en verzocht hem een bruiloftsmaal klaar te laten maken en de +gasten te verzoeken: “want ik ga trouwen,” zei Paul. “Trouwen, jongen, maar met wie dan?” riep de vader. “Ik heb je nog nooit +met een meisje gezien!”—“Ik ga toch trouwen, Vader,” zei Paul, “reken daar vast op. Maak maar alles klaar voor de bruiloft +en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid.” De vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had. + + +</p> +<p>Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke +gezichten aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was—de bruid. “Geen nood,” zei Paul, “ze komt wel,” en hij keek zoo vroolijk +uit zijne oogen, alsof de bruid goed en wel naast hem zat. +<a id="d0e1124"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1124">89</a>]</span></p> +<p>’t Werd avond, ’t werd laat in den avond—geene bruid. De gasten keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul +werd vroolijker en vroolijker. Daar op eens, ’t was twaalf uur in den nacht, ’t was middernacht, kwam er in vliegende vaart +een wagen aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een’ voerman vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen—Paul +de voordeur uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken, en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter +in bruiloftskleed, en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd door de twee hofdames. De vader en de +broers en de gasten stonden met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was in den nacht, toen hij de wacht +hield op de weide, en toen kwam er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep: “Neen, maar wie zou dat nu ooit +van dien Paul gedacht hebben!” En den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd, hoe stiller de mooie +bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze: “Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je vrouw, +maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen, als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen +zeggen, maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer duif worden. Mijn vader was vroeger koning +over een land, hier heel ver vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus kwam en doodde hem in zijn +eigen paleis, en nu word ik in het paleis van mijn’ vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur vóór middernacht +tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet nu vertrekken.” Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: “O, neen, je +bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!” Maar de prinses zei: “Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven.” + +</p> +<p>Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid +in het prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger, en de hofdames gaven Paul ieder een gouden +appel, en voort rolde de wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil weggegaan. Die hadden ook al +geen lust meer in feestvieren. + +</p> +<p>Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had hij <a id="d0e1131"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1131">90</a>]</span>plezier—altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij +’t niet langer uithouden van verlangen. “Vader,<span class="corr" title="Bron: ">”</span> zei hij, “ik moet haar zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten oosten van de zon en ten noorden +van de aarde gevonden heb.” + +</p> +<p>“Beste jongen,” zei de vader, “ga je gang; maar ik vrees, dat je teleurgesteld terug zult komen.”—“We willen het beste hopen,” +zei Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok. + +</p> +<p>Dat was reizen. ’t Ging maar als in het liedje: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">”’k Moet dwalen, ’k moet dwalen +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Langs bergen en langs dalen ...”</span></p> +</div> +</div> +<p>En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist +hem er iets van te zeggen. + +</p> +<p>Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er +wel tien menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden +en elkaar te pakken hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het. + +</p> +<p>Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier bang. “Wat nu, jongens” riep hij, “wat is er te doen, waar +krib jullie om?<span class="corr" title="Bron: ">”</span>—“Och,” riep de eene reus, “onze vader is gestorven, en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn hier +zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar dat wil Kwak niet.”—“Neen,” riep de andere reus, “wat heb +je aan één laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik niet!”—“Neen,” zei weer de eerste reus, +“want het zijn tooverlaarzen; je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden.”—“Nu,” zei de andere, “als <i>hij</i> er dan mee loopt, dan word <i>ik</i> wèl moe en dan kan ik hem niet bijhouden.”—“’k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen hadden,” riepen beide reuzen, +“want vroeger hebben we nooit ruzie gehad, en nu kribben we om die laarzen.”—“Ik weet goeien raad,” zei Paul, “geef mij de +laarzen, dan <a id="d0e1160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1160">91</a>]</span>krijg je ze geen van beiden en behoef je er ook niet meer om te twisten.” “Dat is waar ook,” zeiden de reuzen, en zoo kreeg +Paul de laarzen. + +</p> +<p>Of Paul in zijn’ schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam +hij nu vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar +hoorde hij weer zoo’n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een’ mantel. En toen Paul er bij kwam, was +het: “Och, jonge man, raad ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen we al zijn goed deelen. Dus +moeten we toch ieder een halven mantel hebben.—“Gekheid,” riep de andere reus, “wat heb je aan een halven mantel. Ik zeg: +geef mij den heelen mantel.”—“Dat doe ik niet,” riep de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als jij +je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil je zien, Flikje, want ik hou’ zooveel van je, en ik kan niet +alleen wezen.”—“En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld +niet uithouden,” riep de andere reus. “Weet je wat, jongens,” riep Paul, “geef mij den mantel, dan kun je elkaar altijd zien, +en je behoeft dan ook geene ruzie meer te maken.”—Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen, en met een verlicht hart +gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om, die hem onzichtbaar +maakte en wandelde weer verder. + +</p> +<p>En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee reuzen aan ’t vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan +ze ieder de helft moesten hebben. “We weten niet, hoe het moet,” riepen de reuzen, “want het is een tooverzwaard; als je met +de punt iemand aanraakt, sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken.”—“O,” riep de eene reus, “krijgt Snip +de helft met de punt, dan maakt hij menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis.”—“En,” klaagde de andere, “krijgt Snap +het handvat, dan heeft hij geene doode menschen, om weer levend te maken.”—“Weet je wat, jongens,” zei Paul, “geef mij het +zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het hebben zal.”—“Hé ja,” zeiden de reuzen, “dat is een goeie raad.” +En Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den mantel <a id="d0e1166"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1166">92</a>]</span>over de schouders. “Ziezoo,” dacht hij, “als ik nu niet voor eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet.”—“Goeiendag!” +En toen was het: “zoo zie je me, en zoo zie je me niet,” want Paul was op eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een +oogenblik konden die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers met echte reuzenschreden voorwaarts +in zijne reuzenlaarzen. + +</p> +<p>Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst +op een paleis. ’t Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld, en in dat hutje woonde een oud, och zoo’n oud +vrouwtje. Ze leek wel zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam zijne pet af en zei zoo vriendelijk +mogelijk: “Dag, Grootmoedertje, hoe is het met U?” + +</p> +<p>“Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?” vroeg het oude vrouwtje. “Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik +heb ze ook weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei.”—“Ik ben een vermoeide +wandelaar,” zei Paul. “Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één’ nacht in Uw hutje mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, +om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U den weg daarheen ook, lief Moedertje?”—“Neen,” +zei het oude vrouwtje, “ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen, misschien kan een van mijne +onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld tot morgen en leg je eerst te rusten.” Paul dankte het goede vrouwtje en ging slapen +op een bed van eikeblaren. + +</p> +<p>Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten +de onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren, vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: +“Wat bevoelt Uwe Majesteit?”—<span class="corr" title="Bron: ">“</span>Is er onder jullie” vroeg de koningin, “die langs zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het paleis +ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?” Toen kwam er een hevig gebrom, ’t was of al de dieren elkaar om raad vroegen; +maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden +van de aarde gezien had. Toen zei het vrouwtje: <a id="d0e1177"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1177">93</a>]</span>“Jonge man, dan kan ik je ook niet helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is over al de dieren +in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen.” Paul dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder. + +</p> +<p>Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een’ avond door een reusachtig bosch, en aan ’t eind van dat bosch was eene zee, +en aan het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo +oud, zoo oud! “Die is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, “als eene gewone grootmoeder weken oud is.”—“Dag, oud Moedertje,” +zei Paul, “hoe is het met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over al de dieren, die op de +aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij voor één’ nacht te herbergen.” + +</p> +<p>“Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven; +maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei.”—“Ik ben een vermoeide wandelaar,” +zei Paul, “en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij +den weg daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd te vergeefs.”—“Neen, ik zelf niet,” zei het oude +vrouwtje, “maar misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren, die de zee bewonen. Misschien is er onder +hen een, die je terecht kan wijzen.” Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op een bed van eikeblaren te +rusten. + +</p> +<p>Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water +bruiste en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen: alle vroegen, wat de koningin beliefde. “Is +er iemand onder jullie,” vroeg de koningin, “die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van +de aarde ligt?”—Toen volgde er een overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit van dat paleis had +gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: “Je ziet, dat ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is over +al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. +Is je dat niet te ver?”—“O, neen,” <a id="d0e1185"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1185">94</a>]</span>riep Paul, “niets is me te ver, als ik maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden raad en stap nu +maar dadelijk verder.”—<span class="corr" title="Bron: ">“</span>Goede reis!” riep het oude, oude vrouwtje, “en hou’ maar moed!” + +</p> +<p>Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: +“wie volhoudt, moet winnen!” En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam weer op een’ avond in een reusachtig bosch, in +een bosch zonder einde. + +</p> +<p>“Nu zal ik er zijn,” dacht hij, “maar waar moet ik nu wezen?” Daar zag hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op +af en ja—daar stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen—de +andere oude vrouwtjes zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder +dagen oud is. + +</p> +<p>“Dag, oud, oud, oud, Moedertje,” zei Paul. “Hoe is het toch wel met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters, +de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen.” + +</p> +<p>“Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?” vroeg het oude vrouwtje. “Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien +opgroeien, en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk +toesprak.” + +</p> +<p>“Ik ben een vermoeide wandelaar,” zei Paul. “Ik zoek het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt, +het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen, lief Moedertje?”—“Ik? neen!” schudde het oude vrouwtje, “maar +ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen +je helpen.”—“Dat hoop ik van harte,” zei Paul. “Maar mag ik hier één’ nacht uitrusten?”—“Zeker,” zei het oude vrouwtje. Weer +legde Paul zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker door het luiden van eene groote klok. + +</p> +<p>In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. +Daar waren de onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars—te veel om te noemen en alle vroegen: “Wat beveelt +Uwe Majesteit?”—“Ik heb jullie hier geroepen,” zei de koningin, “om te vragen, of een van jullie <a id="d0e1202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1202">95</a>]</span>ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt?” De vogels bedachten zich eene heele +poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het +oude vrouwtje boos. “Wat!” riep ze; “jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt, weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? +Maar—ben jullie er wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!” Neen, de vogel Phoenix was den vorigen avond niet thuis gekomen +en nog niet terug. “Maar, dat is ongehoorzaam,” riep de koningin boos. “Daar komt hij! daar is hij!” riepen op eens alle vogels. +En ja—daar kwam de vogel Phoenix aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer bewegen kon en plotseling +als op de aarde neerviel. Alle vogels waren blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos: “Waarom +heb je iets tegen mijn verbod gedaan?” De arme vogel had eerst eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: “O, Koningin, wees +niet boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver, heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, +dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt.”—“Zoo,” zei de koningin, “nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid +nog éénmaal de reis daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef ik je den tijd om uit te rusten +en dan voorwaarts.” + +</p> +<p>Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul zette zich op zijn’ rug. Hij dankte en groette het oude +vrouwtje, en daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de blauwe zee en de groene bosschen, verder +en altijd verder. Eindelijk vroeg de vogel: “Zie je nog niets?”—“Ja,” antwoordde Paul, “ik zie, dunkt mij, eene blauwe wolk +heel onder aan den hemel.”—“Dat is het land, waar we naar toe moeten,” zei de vogel. En weer ging het verder, altijd verder. + + +</p> +<p>’t Werd avond. Weer vroeg de vogel: “Zie je nog niets?”—“Ja,” zei Paul, <span class="corr" title="Bron: ">“</span>ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als de zon zelve.” De vogel zei: “Dat is het paleis, waar we naar toe +moeten.” Weer verder, altijd verder. + +</p> +<p>Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: “Zie je niets?”—“Ja,” antwoordde Paul, “ik zie een groot paleis, dat +glanst van goud en zilver.”—“Nu zijn we er!” riep de vogel, en hij zweefde <a id="d0e1213"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1213">96</a>]</span>naar beneden en liet Paul van zijn’ rug stappen. Paul wist niet, hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet +lang op dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls oogen verdwenen. + +</p> +<p>’t Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis +woonde, waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul +aan de groote voordeur klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. “Ga toch eens kijken,” zei ze tegen eene van de hofdames, +“wie daar zoo laat nog klopt.” Toen nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul vlug een’ van de +gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot vallen +en vloog naar de prinses. “O,” riep ze, “die allerbeste vriend is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen +gerold, dien ik hem vroeger heb gegeven.” De prinses kon niet gelooven, dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar +de deur om te kijken. Weer rolde Paul een’ gouden appel door de kier van de deur; ’t was de appel voor de tweede hofdame. +De hofdame herkende haar eigen appel en vloog er mee naar de prinses. “O,” riep ze “daar is die allerbeste vriend, zie, daar +is de appel, dien ik hem vroeger heb gegeven.” Nog kon de prinses het niet gelooven. “Hoe zou die ooit hier kunnen komen!” +riep ze. “Wacht, ik ga zelve kijken.” Voorzichtig deed ze de deur op eene kier en vroeg: “Wie is daar?” Toen reikte Paul haar +den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug +deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal, dat hij zoo’n verre reis gedaan had, om bij haar te komen. + + +</p> +<p>“Maar hoe nu verder,” zuchtte de prinses. “Als de reus, die zoo’n booze toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den +morgen wordt hij wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars, die hem helpen; daar kun je niet +tegen vechten.”—“Laat mij maar begaan,” riep Paul, “ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!” De prinses schreide; ze +was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen. + +</p> +<p>Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan <a id="d0e1221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1221">97</a>]</span>met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte, om. Hij riep met krachtige stem: “Waar is de reus, die +de lieve prinses gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!” De reus hoorde de stem en stormde woedend +naar buiten. Hij zag niets; maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie het hoofd af. En Paul riep +maar weer: “Waar is het leger, dat de reus wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen, zou ik bang +wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!” + +</p> +<p>Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. +Paul sloeg niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. +Toen naar de prinses. “Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk vrij?” riep de prinses! “O, Paul, wat heb +ik je nu lief! O, wat ben ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of—of het moest wezen, dat ik mijne lieve ouders en mijne +geheele lieve familie terug kon krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn.”—“Waar zijn ze begraven?” riep +Paul. “Kom, ik wil zien, wat ik met mijn tooverzwaard kan doen.” + +</p> +<p>Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan +en—de eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde, die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat +Paul nu koning moest worden. “Ja,” riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, +dat spreekt, en ze kreeg ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den troon en allen riepen: “hoera!” +En de drie oude vrouwtjes werden op den rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van +de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren. + +</p> +<p>En nu mag jullie zeggen: “Die Paul!” En dan zeg ik: ja, van “die Paul” kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke +woorden wel zoo ver komt in de wereld—wel zoo ver als het paleis ligt ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar +zonder goeien wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun je vast op rekenen. + + + + +<a id="d0e1229"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1229">98</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e1230"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Juist Goed!</h2> +<p>Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij +rijk als de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden +en akkers, met hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met +het huis, de schuren en stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was de bliksem geslagen in het +huis van den arme: het huis was toen tot den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een’ stal er bij. Het had den arme +veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke +was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk, de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het +vet. Maar bij den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste paarden, de mooiste koeien en schapen, +de vetste varkens. En de arme had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen werden leeger en leeger. + + +</p> +<p>Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte, dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van +oogsten kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat +door hagel of zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, +omdat ze elk jaar weer minder te bergen hadden. + +</p> +<p>Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde er van.—Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam +er juist even te voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen, het ging broeien en zuur smaken. Het +vee lustte zulk hooi niet, het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen. + +</p> +<p>Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker: alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer: +alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier, hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe +weiden en meer vee en meer akkers, <a id="d0e1241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1241">99</a>]</span>hij nam meer knechten en meiden in zijn’ dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren en stallen oud +en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij moest +zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van +den morgen tot den avond—het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, +wat hij nog had, verkoopen. ’t Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg voor alles maar weinig geld, heel weinig. +En voor dat weinigje kocht hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne koe met één schaap. Hij +hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme zou nog armer +worden .... De koe en het schaap werden ziek en—ze stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond, waar +bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest +was, uit werken gaan, om zijn brood te verdienen. + +</p> +<p>De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken, om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan +geld en goed; maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid +en hoorde zijne klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, +waar zijne geldkist vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de arme had weinig te geven, en toch +gaf hij nog van zijne armoede aan anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld en goed; maar rijk aan +liefde en medelijden. + +</p> +<p>Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn’ rijkdom niet. De rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, +dat het zijn’ broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte de rijke.—Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, +was nooit afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd, verheugde de arme zich in ’t geluk van den +rijke. + +</p> +<p>Nu hoor, wat er gebeurde.—Het stukje grond, dat de arme bij zijn <a id="d0e1249"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1249">100</a>]</span>huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De +arme zaaide altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte, om den grond los te maken; maar ’t hielp alles +niets. ’t Was, om er heelemaal den moed bij te verliezen. + +</p> +<p>“Eéns wil ik het nog probeeren,” zuchtte de arme, “en als het nu niet lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven +liggen.” Wat zou het zijn voor ’t laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij, ’t moest maar koolrapen zijn. Als die eens +opkwamen, daar was nog eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging, of hij er ook nog niet van verkoopen +kon! + +</p> +<p>Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen, of het opkomen zou. + +</p> +<p>En het <i>kwam</i> op. Maar hoe! Och, ’t was dezelfde treurige geschiedenis van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes +uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: “kon je ons in geen beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?” +Treurig schudde de arme het hoofd. “Er komt niets van terecht,” zuchtte hij. + +</p> +<p>Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover +was, dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale +plantjes zag, werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder, dat er gebeurde op zijn’ akker. + +</p> +<p>Eens op een’ morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen +op den akker. De spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne +verwonderde oogen? Ze zagen midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig spreidde ze hare dikke, +sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets kon +groeien op <i>zijn’</i> grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de bladeren +en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het wel eene koolraap, <a id="d0e1267"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1267">101</a>]</span>die hij zelf gezaaid had? Ja, ’t moest toch zoo zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen groeiden; +alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. “En,” dacht de arme met vreugde, “als de bladeren en stengels zoo forsch zijn, +wat zal er dan eerst voor een’ wortel aan zitten!” Ja, hoe groot zou toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen +was? ’t Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben, uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar +neen, dat deed hij niet: de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel moest nòg dikker worden. Rustig +zou hij haar laten groeien, tot ze niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde te nemen. Maar kijken +naar zijn’ schat, dat mocht, en dat deed de arme dan ook trouw, ’s Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog op de bladeren +van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de zon +hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw, onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, +tot de oogen hem dichtvielen. ’s Avonds, als hij moe van ’t werk kwam, zette hij een’ stoel op den akker en rookte er zijn +pijpje. + +</p> +<p>En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag <i>zag</i> groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. +De plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte, hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde +zijn gezicht van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den grond ook doorgroeide en dien hij nooit +zag, dan klopte hem het hart van hoop en verlangen. + +</p> +<p>Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als +ze was. Wel zag hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep hij, dat ze niet leven konden, omdat +die ééne krachtige, hongerige alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar dat kon lang niet genoeg zijn. +Neen, hoe grooter de plant werd, hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze <i>moest</i> hem geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het: het gezicht van den arme fleurde met den dag op. +Zoo mismoedig als hij vroeger het hoofd had laten <a id="d0e1279"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1279">102</a>]</span>hangen, zoo moedig droeg hij het nu omhoog. “Wat zou er toch gebeurd zijn?” dachten de menschen. Niemand wist het, en niemand +mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij er ook met +niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en +dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p102.jpg" alt="Juist goed!"></p> +<p class="figureHead">Juist goed!</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade +bekeken. En hij had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast aangedraaid. Toen was hij gaan slapen +en had gedroomd, dat er maar een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene vuist. Verschrikt was hij +wakker geworden. Gelukkig—’t was maar een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef en groef, tot hem +het zweet van ’t gezicht druppelde. Niet dat het werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller en sneller +ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven, dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang, +dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar altijd niet aan ’t einde. Op ’t laatst was de kuil zoo +wijd, dat hij er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er rechtop in stond, nog maar even met zijne +handen den rand raken kon. + +</p> +<p>Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den +arme glinsterden van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en, keek naar de raap, alsof hij nog nooit +in zijn leven zoo iets moois gezien had of zien zou. + +</p> +<p>Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol +doen zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was +en dat ze groeide, zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het groeien kon hij nu niet meer hebben. De +aarde was eenmaal losgewoeld, daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de hoogte van den knol mee. +<a id="d0e1292"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1292">103</a>]</span>Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te weten. Maar wat te doen met zijn’ schat! + +</p> +<p>Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben: hij was maar alleen, ’t zou een heele voorraad voor +hem zijn. Maar neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem te lief. + +</p> +<p>Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen +zeggen: “Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met zoo’n heele groote, waar we haast geen’ weg mee +weten!” Neen, zóó zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken. + +</p> +<p>Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat willen? Als de menschen op’ het dorp hoorden, wat er te doen +was, wel, dan liepen ze vanzelf naar zijn’ akker, om ongevraagd te kijken, en hij kon ze toch niet wegjagen.—Neen, neen, dat +was alles het geluk niet. + +</p> +<p>De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij +van moeheid na de groote inspanning in slaap. En weer had hij een’ droom. Hij droomde, dat zijne raap een gezicht en armen +en beenen gekregen had en, dat ze nu zat op een’ troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden staf in de hand. Om +den troon stonden in een grooten kring eene heele menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke raap. +De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf, en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: “Leve onze koningin, +hoera voor de koningin van de koolrapen!” + +</p> +<p>Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. “Ik weet het, ik ik weet het,” riep hij, “eene koningin past bij een’ +koning. Ik breng de koolraap naar den koning!” Dat was nu heel mooi bedacht; maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand +pakken en dragen, daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen, daar zouden wel twee, drie, mannen +voor noodig zijn. En met optillen was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg—hoe zou de koolraap daar komen! +.... Hulp vragen, dat was het eenige. ’t Zou toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam. + +</p> +<p>Maar waar zou de arme aankloppen? ’t Beste was misschien nog alles <a id="d0e1306"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1306">104</a>]</span>te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest, +en de boer had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst +geweest was en later, toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop—toen beloofde de boer dadelijk te raden en te +helpen. + +</p> +<p>Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en de boer, die bij ’t verhaal van den arme zijne ooren +bijna niet had kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij <span class="corr" title="Bron: wezelijk">wezenlijk</span> niet wist wat hij zag. “Wel verbazend,” riep hij, “dat mag in de krant! Zoo’n dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich +alleen gebruiken met twee paarder er voor.” + +</p> +<p>En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid +was. Drie mannen tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen, waar een zacht bed van stroo voor haar +gespreid was. En toen ze weg reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de <span class="corr" title="Bron: konningin">koningin</span> van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de +verte met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning +wel zeggen zou. En de arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk toe en klapte lustig met de zweep. +Zoo ging het voorwaarts van het eene dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de verte begroet +met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan +’t eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou. + +</p> +<p>Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen +wapperden van alle huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten in lange dichte rijen, en vóór het paleis +op een groot plein stonden wel vijfhonderd soldaten. + +</p> +<p>Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig +gezicht het geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was alles een grapje <a id="d0e1322"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1322">105</a>]</span>van den koning, die veel schik had in ’t geval. De arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest, hij +was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen, +en lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden, om ernstig te blijven kijken. + +</p> +<p>De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen, dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook +de heele treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden, van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen +en van de hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart van den koning was vol medelijden met den +arme. + +</p> +<p>“Uwe Majesteit,” begon de arme, toen hij voor den koning stond, “Uwe Majesteit, ik kom....” Verder kwam de arme niet. Onderweg +had hij heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit pure verlegenheid van al de mooie woorden er +geen twee meer bij elkaar krijgen. Maar de koning hielp hem: ‘Ik kom Uwe Majesteit de koningin van de koolrapen aanbieden, +en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.’—“Was het zóó niet?” lachte +de koning. “Ja, zóó was het, Uwe Majesteit, juist zóó!” riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de verlegenheid +geholpen had. “En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?”—“Wel zeker wil ik!” zei de koning. “Veel wonderlijks en vreemds heb ik +in mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present +gekregen, maar nog nooit zoo iets aardigs!”—De arme kreeg eene kleur van plezier.—“En zeg me eens,” vroeg de koning, “uit +wat voor een zaadkorrel is toch die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel geweest zijn. Of komt al je +zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel een echt gelukskind, hoor!”—Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij zuchtte—<i>hij</i> zou een gelukskind zijn! “Och neen, Uwe Majesteit,” zei hij treurig, “noem mij liever een’ ongeluksvogel.” En toen vertelde +de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist, maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf +nog graag eens hooren wou. + +</p> +<p>De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef <a id="d0e1333"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1333">106</a>]</span>nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk begon hij: “Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap +je waard was. ’t Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil <i>ik</i> ook graag wat voor <i>jou</i> doen—je zult niet voor niets zoo’n schat aan mij hebben afgestaan.” + +</p> +<p>De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk komen, komen door de raap? + +</p> +<p>“Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn’ overvloed geven, wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden.” + +</p> +<p>Daar <i>was</i> het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor den koning op de knieën. Maar de koning richtte hem vriendelijk +op en zei lachend: “Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je gelukkig gemaakt.” + +</p> +<p>En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en +prachtig vee en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen. + +</p> +<p>Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en—het <i>bleef</i>. De arme was niet arm meer; maar hij <i>werd</i> het ook nooit weer. ’t Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had voor goed den voorspoed gebracht. Zelf +was de raap bij den koning gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het paleis op een’ reuzenschotel van +kristal, dien de koning alleen voor haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap bewonderen, en iederen +dag stroomde het van menschen, die uit alle streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den koning had +gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap, ieder hoorde van de raap. + +</p> +<p>Ieder—dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke, die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme, +die nooit hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon, dat een ander even rijk of rijker was dan +hij. De rijke dus hoorde ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen, werd hij boos en afgunstig in +zijn hart. + +</p> +<p>“Zoo’n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een’ koning, dat moet ik zeggen,” spotte hij. ”’t Lijkt wel, of de koning +niet recht bij zijn verstand is, dat hij mijn’ broer daarvoor zooveel gegeven heeft! Wat <a id="d0e1364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1364">107</a>]</span>moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars, voor iets van groote waarde!” + +</p> +<p>Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten +de koning <i>hem</i> dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige +rijke wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer op den neus kijken—juist goed! Wat meende die onnoozele +bloed wel, dat hij met een’ knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke, die zooveel meer geven kon! + +</p> +<p>Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele, kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en +vurig. + +</p> +<p>Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht er niet aan, de menschen op zijn’ weg vriendelijk te groeten. +Wel keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel +en vroolijkheid was er niet. Ieder wist, <i>wie</i> hij was en <i>hoe</i> hij was. + +</p> +<p>De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan ’t eind van zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning +woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor ’t +paleis, geene muziek speelde er. ’t Was doodstil in alle straten, waar de rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand +keek er naar hem uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden +gehad had met den arme, die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon de koning hem niet vergeven. + +</p> +<p>De rijke kwam vóór den koning. <i>Hij</i> was niet verlegen, <i>hij</i> wist zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en +koningen had omgegaan. “Ik hoorde,” zoo begon hij, “dat mijn broer zoo vrij, of ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest +is, onzen geëerbiedigden koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was wel zoo vriendelijk, dat dwaze +geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit gaf mijn’ broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk niet verdiende. Ik kom +nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen <a id="d0e1391"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1391">108</a>]</span>over de brutaalheid van mijn’ broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige +paarden. Onze geëerbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van edele, mooie paarden. Ik deed mijn best, +om de kostbaarste te vinden, die er zijn. Zoo’n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen dan....”—De koning, die +alles met een strak, onvriendelijk gezicht had aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. “Je kunt +heengaan,” zei hij, “ik neem de paarden aan.” Toen schelde de koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij +zich komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei: “Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit,” boog +en ging weer heen. + +</p> +<p>Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem +niet eens laten uitpraten—de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar—toen de bediende met hem meeging en hem bracht bij +een grooten overdekten wagen met twee paarden, die op het plein vóór het paleis stond, toen de bediende zei: “Dit geeft Zijne +Majesteit U in dank voor de paarden,” toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer schelen, hoe de koning +tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer oogen opzetten, +als hij te weten kwam, wat de koning <i>hem</i> vereerd had! + +</p> +<p>De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen? +In zijne gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten, +die hij er voor zou laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden droeg, als hij een juweelen knop +aan zijne zweep en aan zijn’ stok liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare oorbellen en broches, +ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn’ zak, als hij +kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En—hoe armoedig vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen +had! + +</p> +<p>Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel +schatten borg. <a id="d0e1402"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1402">109</a>]</span>Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien—toch raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis, +in zijn eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters, van zijne meiden en knechten, van al zijne buren, +de zakken en de kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en—hem benijden, dat was zijn lust en zijn leven. + + +</p> +<p>Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die +uit nieuwsgierigheid met hem meeliepen. + +</p> +<p>Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden, +die allen naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen, die om den wagen stonden. “Vrienden,” begon hij, +“een groote eer is mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze geëerbiedigde koning, nam niet alleen mijn geschenk in genade aan, maar +gaf mij tot dank veel kostbaars. Hieronder,” en de rijke legde de hand op het dekkleed van den wagen, “ligt geborgen, wat +mijne eigen oogen nog niet gezien hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!” + +</p> +<p>De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof hij zelf een koning was, keek hij voor ’t laatst nog +eens trotsch in ’t rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen, om vooral goed te kunnen zien. + +</p> +<p>En nu—daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd +van schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen voor ’t gezicht, vliegt in huis en gooit de deur +achter zich toe.... + +</p> +<p>Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn’ broer! + + + +</p> +<p>En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig +gefopt was. + + +<a id="d0e1416"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1416">110</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e1417"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Weer van eene Fee.</h2> +<p>Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school gaan—allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle +dag terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn: ’t is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja, +zoo denk jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er heel anders over dacht. + +</p> +<p>Dat ongelukkige kind kon ’s morgens, als ze op zou staan, nooit hare kousen vinden. Gezocht op den stoel vóór ’t bed, in ’t +bed, rechts, links, aan ’t hoofdeneind, aan ’t voeteneind, onder de dekens—alles onderst boven gehaald. Eindelijk—één gevonden +onder ’t kussen, een poosje later nummer twee onder ’t ledikant. + +</p> +<p>Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien, +je kunt nooit weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij—in een’ hoek van de vensterbank! + +</p> +<p>Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu +achter! + +</p> +<p>Dan aan ’t plassen. Een druipnat gezicht—geen handdoek, om het af te drogen. Een pretje, hoor! Waar—kon—dan—toch—die—handdoek—zijn? +Al pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over een’ post van ’t ledikant. + +</p> +<p>Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor ’t grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel. +Niets! Op tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk! + +</p> +<p>De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning, +hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer, ’t Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig +weer wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan. + +</p> +<p>Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?—’k Hoop voor jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen +en knoopsgaten, haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind, schenen <a id="d0e1436"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1436">111</a>]</span>wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten, +konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver +van af zaten. De stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel +knoopen en haken, die er heelemaal “voor spek en boonen” bij zaten. + +</p> +<p>Vraag ook niet naar Ida’s vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten +verdeelen in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht +een dun, schraal strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop. + +</p> +<p>Maar—hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te ontbijten, dat wil zeggen—om staande haastig een paar +happen brood te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden +als je bij ’t aankleeden zóó geplaagd en opgehouden wordt! + +</p> +<p>Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg, als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden. +Nu, ze had ook geen tijd meer om te zoeken—dan maar zonder de straat op. Flap, de voordeur dicht.—Een oogenblik er na: tingelingeling! +Ida terug hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet +verstopt achter de kelderdeur, die open stond?—Waren de boeken en schriften, was alles, wat ze noodig had er wel in? In de +vlucht even in de tasch gerommeld, een schrift er bij één vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om een boek half afgescheurd. +Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik tijd meer: ’t was toch al zoo laat. + +</p> +<p>Ja, Ida was <i>te</i> laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest schoolblijven, om ’t verzuimde weer in te halen. + +</p> +<p>Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?—“Ida,” vraagt de juffrouw, “waarom begin je niet te schrijven?”—Juffrouw, mijn +pennenhouder is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn vak.”—“Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft, +moet hij er nu nog zijn. Zoek <a id="d0e1451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1451">112</a>]</span>nog eens goed.”—Ida aan ’t scharrelen in de beide vakken, in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder +de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen +heelemaal niet werken. Ida’s werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig. + +</p> +<p>“Leesboeken op de tafel!”—“Juffrouw, ’t mijne is er niet.” Weer moet het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd. +Nooit heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, ’t is +wel om te zuchten. + +</p> +<p>Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van +binnen: schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat, klosjes garen en zij—alles had er zijne eigen +plaats, en toch bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er in voor ’t grijpen. ’t Was, of de schaar +riep: “Zoeken behoef je niet, hier lig ik en blijf ik.”—De naaldenkoker, hoe rond hij was, dacht aan geen wegrollen, en de +naalden bleven rustig in haar donker kamertje.—De klosjes stonden als soldaten in ’t gelid, klaar om hun’ draad te presenteeren.—De +spelden op het kussentje keken met hunne schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: “Zitten we hier niet mooi, hier +kun je ons altijd vinden.” + +</p> +<p>Ja, zóó was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En—zóó zou het stellig ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over +geweest was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed: +alle dingen maakten het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was veranderd. “Waar is mijn vingerhoed?”—Maar +de vingerhoed had zijn’ post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug, platgetrapt, onder ’t karpet!—“Waar +is mijne schaar?” Maar de schaar liet naar zich zoeken. ’s Avonds bij ’t naar bed gaan zag Ida het ongehoorzame ding pas terug—op +de tafel in de slaapkamer.—“Wat nu, maar ééne naald meer in mijn’ naaldenkoker en dan nog wel zoo’n dikke, die ik niet gebruiken +kan!” Overal onder en tusschen gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan de wandeling. Later wou +Ida iets van den grond oprapen: daar——“au, au! prikte ze zich aan eene naald, die in <a id="d0e1459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1459">113</a>]</span>’t vloerkleed stak.—De spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze gebruiken moest.—En de klosjes, die +hun’ draad zoo prettig klaar hielden? “Nooit kan ik een’ draad loskrijgen, alles zit altijd in de war,” zuchtte Ida. Ja, de +klosjes lagen al lang holderdebolder door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo verward door elkaar heen +geslingerd, dat er geen weg in te vinden was.—Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast tusschen de draden.—Of +er nog plaats was voor een handwerkje? Och, vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen deksel en doos +geklemd en hing half over den rand. De stumper had zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die heelemaal +niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek, die in Ida’s zak, en een haarlintje, dat om Ida’s vlecht behoorde +te zitten; een’ inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger, die uit het leesboek verdwaald was. + +</p> +<p>Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei snuisterijen in bergen mocht.—Heerlijk, zoo’n eigen kastje! +Alle planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes +neergevlijd; de kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de plooi, alles glad en zonder kreuk.—En +dan de bovenste planken! Daar berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de Cologne- en odeurfleschjes, +aardige doosjes en mandjes—ik kan het niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan weet je nog wel meer.—En +dan plooi en schik je, je zet en verzet al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast niet mooier kan. +Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en binnengluren, +zoo’n schik heb je er aan.—Met je oogen dicht weet je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in ’t midden, +en dat staat in dien of dien hoek. + +</p> +<p>Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met +beî haar open oogen en beî haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet eens vinden, wat ze noodig had.—’t Leek wel, +of ’t linnengoed op zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen ging op plaatsen, waar het <a id="d0e1465"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1465">114</a>]</span>in ’t geheel niet behoorde. Rokken hadden zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen verdwaald, zakdoeken +speelden verstoppertje zoowat overal tusschen ’t goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms, gedeukt +in een’ hoek. ’t Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over gespeeld hadden met de stapels goed—dat ze daarbij soms losgegaan +waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls +ze iets uit haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden! + +</p> +<p>Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo’n rommel wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun’ kop stonden +of omgebuiteld waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor +de grap alles, wat er in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats—o, ’t was om er kriebelig van te worden. + + +</p> +<p>Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden +mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen, +scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren +ging, hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd, +dat is heel niet te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door al die onrust en al die tegenspoeden. +Och, wat had ze weinig plezier in haar leven.—En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame, eigenzinnige, onwillige +goed! Ja, ’t was wel om te zuchten. + +</p> +<p>Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: “t Kan zoo niet langer, ’t is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn +goed, ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden.” + +</p> +<p>Toen ging ze met de hand onder ’t hoofd zitten peinzen eene heele poos. Wat had ze al dikwijls bij ’t haastige zoeken boeken, +schriften, kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw aan getrokken. “Naar ding!—Vervelend ding!—Plaag +je me weer?”—Wat had <a id="d0e1475"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1475">115</a>]</span>ze ’t dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen, +’t werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met +haar goed praten, dat zou beter zijn. + +</p> +<p>Toen—niet lachen, hoor—toen zocht Ida al haar goed bij elkaar: kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles +werd uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld. +En dat heele rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen ging ze met een strak gezicht deftig midden +in dien kring staan en zei: “Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je praten. Het moet uit zijn met +die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in ’t vervolg stil op zijne plaats, +tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me geen schrift +meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien, +wie de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn’ dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn’ +plicht, begrepen? In ’t vervolg, als ik vraag: waar is mijn’ pennenhouder? dan vertoont die zich dadelijk, alsof hij zeggen +wou: hier ben ik! Heb ik een klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof het roepen wou: tot uw’ dienst, +Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet anders. Wie onwillig +of voorbarig is, krijgt het met mij te doen.” + +</p> +<p>Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd, dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of ’t was, +alsof ’t goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden +een stijf gestreken kraagje, dat bovenop hem lag. ’t Kraagje wipte van den borstel af en rolde in vroolijke sprongen over +den vloer. Een fleschje, dat juist in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van ’t lachen, had maar een +klein duwtje noodig: daar lag het al languit op den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den vloer.—Boeken +<a id="d0e1481"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1481">116</a>]</span>en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven liggen, +zoo’n plezier hadden ze. Rrrrt—daar gleden ze uit elkaar, tegen een’ maasbal aan. De maasbal vroolijk aan ’t rollen—boems, +tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten de pennen op hun twee voetjes de doos uit.—Eene pret van +belang, hoor! ’t Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: “Praat maar toe, we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin. +Denk je den baas over ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!” + +</p> +<p>Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig, teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen +van spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg, +dat ze het toch maar niet weer zien zou! + +</p> +<p>Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed. +Ze kon er nu heelemaal geen baas meer over worden. + +</p> +<p>Eens op een’ morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar ’t bosch gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze +zoo eens mee wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar—Ida +zag er altijd zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf—neen, de moeders van de meisjes vonden het maar beter, +dat ze buiten de school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe het zoo kwam, dat de meeste meisjes +altijd bedankten, als zij ze op visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze ééns bij een meisje geweest +was? Waarom moest ze toch altijd alleen zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot verdriet voor Ida.—En +terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door ’t bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan dat andere +verdriet—aan al ’t verdriet, dat ze zoo al had in haar jong leventje. ’t Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen +frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette niet op al dat moois,—en vroolijk kon ze ook niet zijn. +Ze keek heel bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten en—begon bitter te schreien. Daar voelde +ze opeens eene <a id="d0e1489"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1489">117</a>]</span>hand, die zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk zei: “O, o, wat een dikke tranen! Is ’t verdriet +zoo groot?” + +</p> +<p>Vóór Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere, verstandige oogen en o zoo’n lief, goedig gezicht. Maar niet +alleen ’t gezicht, neen, ’t heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles aan haar was even proper en net: van ’t hagelwitte +mutsje met de fijne plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of plooi, geen band of knoop, die +niet op zijne plaats zat. Geen kreuk, geene vlek of scheur te zien. ’t Heele vrouwtje met alles, wat ze aan had om- door een +ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen. + +</p> +<p>“Nu, meisje,” vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord gaf, “wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien +kan ik je helpen.”—Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed in de vriendelijke, medelijdende oogen, en vóór +ze het wist, was ze al aan ’t vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe ’t kwam, maar het vrouwtje leek haar heelemaal geene +vreemde: ’t was net, of ze praatte met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze dacht niet: wat is +dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk, dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van alles, +wat haar op ’t hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe +ze nu niet wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist, +vroeg ze: “En is er thuis nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?” En toen heel zacht: “Heb je geene moeder?”—“Neen, +neen,” barstte Ida schreiende uit, “eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven vragen. Ik zie hem ook haast +nooit, hij zit altijd te studeeren. En dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg, en de juffrouw van +de school is altijd ontevreden op me. Niemand, niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, ’k hou’ nu al zooveel van je, help +jij me!”—Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze trok haar naar zich toe. “Arm kind,” zei ze, “zeker wil en kan +ik je helpen, vertrouw gerust op mij.—Kom, we wandelen samen naar je huis, en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje +bij je. Mij dunkt, we zullen dan samen dat groote verdriet wel op <a id="d0e1495"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1495">118</a>]</span>de vlucht jagen. Droog nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn’ arm. Maar wacht eens, je manteltje is +scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen, ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een’ band, die zoo brutaal +onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen we zijne plaats eens.—Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan den binnenkant +van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je—ze zouden lachen +om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. ’t +Lintje op den loop? Wacht, ’k heb er juist een in mijn’ zak.—Hè, dat lijkt toch wat beter dan zoo straks.” Ida keek al lang +niet bedrukt meer: het vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een beetje door haar te worden “opgeknapt.” +Er was anders nooit iemand, die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag. + +</p> +<p>Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar +haar vader was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer +stonden, klopte Ida aan; maar geene stem had nog “binnen” geroepen, of ze was ook al weer de trap af. + +</p> +<p>Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje vóór Ida’s vader, en weer een oogenblik later zat ze in een’ leunstoel tegenover +hem en waren ze samen druk aan ’t praten. Over wie, dat kun je wel dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies +kunnen vertellen. Wel weet ik, dat Ida’s vader bij het weggaan het eenvoudige vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet +ik, dat Ida, die beneden met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: “Nu, wat zegt Vader?” en dat het vrouwtje +toen antwoordde: “Alles is in orde, kindlief, ik blijf bij je.”—Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen van blijdschap. + +</p> +<p>Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida +praatte al dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien met de heldere, verstandige oogen, dat deed +ze des te meer. Eens nam ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend aan. <a id="d0e1503"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1503">119</a>]</span>“O, uit mijn geschiedenisboek!” zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam het blad en lei het op een’ stoel. Maar het vrouwtje nam +het weer van den stoel en liep er mee naar de boekenplank. “We moeten het, dunkt me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats +leggen,” zei ze. “Ja maar,” riep Ida, “hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och, ’t kan later ook wel.”—“Samen zoeken,” +hield het vrouwtje vol. En of Ida al wat ongeduldig keek—ze kon toch niet goed anders doen dan meezoeken. Toen ze ’t boek +eindelijk had, wou ze ’t blad er gauw even instoppen. “Ho,” zei ’t vrouwtje, “laat eens zien: bladz. 34, die heeft 35 tot +buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier +vast, we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen.”—Ida keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen +durfde ze niets. + +</p> +<p>Op de trap naar Ida’s kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel, maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield +het ding in de hoogte. “Hé, de ceintuur van mijne blauwe jurk,” zei Ida, “hoe komt die hier!”—“De ceintuur wou zeker eens +zien, of ze wel alleen den weg naar Ida’s kapstok kon vinden,” zei ’t vrouwtje. Ida lachte, maar ze kreeg ook eene kleur. +Gauw nam ze de ceintuur uit de handen van ’t vrouwtje en mompelde zoo iets van: “meteen meenemen en ophangen.” ’t Leek wel, +of ze zich wat schaamde. + +</p> +<p>Ida’s kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. Vóór de deur stond Ida even stil. ’t Was, of ze er eigenlijk een beetje +tegen opzag, haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame +goed eens laten zien. + +</p> +<p>“Kijk,” begon ze, luid en druk pratende, “kijk me dien boel hier eens aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is +te zoek, als je ’t hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden, zie maar! En....” Verder kwam ze niet, +want ze merkte: het vrouwtje luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat van een’ stoel of van de +tafel, daar wat van ’t bed of van den grond en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang, tot de kamer +er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist <a id="d0e1511"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1511">120</a>]</span>niet recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te zien; zóó zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje +begreep best, wat Ida dacht, en daarom zei ze: “Toe maar, kindlief, ik zal het je wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw +je de kunst van mij afkijkt.” + +</p> +<p>Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een’ stoelpoot +haast door ’t behang, ze lei haar nachtzak in een’ hoek op ’t bed, en bij alles, wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje +bijna onderste boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en +vriendelijk wees ze Ida telkens, hoe ze dit zus en dat zóó moest doen, en waarom dat beter was en netter leek. Zie, als je +zooveel kleeren op elkaar hing, dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en leelijke plooien in.—En +een’ stoelpoot, daar moest een stoel toch zeker op staan. “Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en ’t behang mogen +ze niet aanraken.” + +</p> +<p>De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in ’t midden op het bed te pronken, +dat paste beter voor hem. + +</p> +<p>Hè, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders, +toen eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om er in te wezen. + +</p> +<p>“Met het kastje wachten we liever tot morgen,” vond het vrouwtje, “je zult wel moe zijn van ’t ongewone werk.” Maar neen, +daar had Ida geen ooren naar: ze was in ’t geheel niet moe, en morgen zou er misschien weer wat anders te doen zijn.—Daar +waren de kastdeuren al open, en roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. “Ho, ho,” riep het vrouwtje, “dat +gaat maar zóó niet, juffertje. Eén, twee, drie, het kleed van de tafel—netjes opvouwen, hoor—en dan op de leege tafel alles +uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk, +zóó: plat en—geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen uitsteken.—Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg +het er maar op—knap—je <a id="d0e1521"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1521">121</a>]</span>zult het wel leeren.—Dit voor de volgende plank.—Weer een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.—Nu de twee bovenste nog.” + + +</p> +<p>Ida keek met een’ zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge +vrouwtje was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar paste.—“Pennenhouder—op zij, je behoort hier niet.—Kleerborstel: +pak maar eens aan—in de tafellâ.—Nagelschaar: op je plaats in ’t laatje van de waschtafel.—Nu dit, en dat en dat nog weg. +Hè, dat ruimt op.—Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast schikken.”—Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk +niet, dat ze zooveel mooi goed had. + +</p> +<p>“Kant en klaar!” roept eindelijk het vrouwtje. “O, wat ben je toch knap!” zei Ida, en ze gaf haar een’ kus. “Niets knapper +dan mijn meisje over eene korte poos ook wezen zal.” + +</p> +<p>’s Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje +had? “Ja wel, maar—maar....”—“O, ’k begrijp het al”, lachte het vrouwtje, “je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat +gerust eens zien, hoor!”—Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en—dralende haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje +was wel nooit boos en zei nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig, alweer met iets aan te komen, +dat er zóó uitzag. En wezenlijk—waar Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon zonder een woord te +zeggen den warboel van klosjes en lint en band en wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij de +klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar, hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen. +Van het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje stak met eene speld de einden vast.—Alles kreeg +eene beurt: alles in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er ook weer ruimte voor den ongelukkigen +zakdoek, ’t Was wezenlijk eene aardigheid om te zien. + +</p> +<p>“En waar zal de doos nu staan?” vroeg het vrouwtje. “Och”, zei Ida, “dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden.”—“Kom, +kom”, lachte ’t vrouwtje, “dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats, hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten +we de boeken ook <a id="d0e1531"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1531">122</a>]</span>eens in ’t gelid en de schriften en.... nu, niet zoo’n benauwd gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen, +en je weet, hoe prettig dat gaat.” + +</p> +<p>De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar +mee naar boven, dat vond ze gezellig.—Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef, als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te +liggen, en daar wat—’t duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde het hoofd. Bedaard zocht ze al de +stukken weer bij elkaar, hing de jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig stapeltje van op den +stoel vóór Ida’s bed. Kam en borstel werden weer in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: “Waar is dat +nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk weer aan.” Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida’s oogen gelezen, +want toen ze haar een’ nachtkus gaf, zei ze: “Waarvoor? Dat vertel je me zelf morgen aan ’t ontbijt wel eens.” + +</p> +<p>“Nu?” vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida guitig aan. “O”, zei Ida, ”’t was heerlijk. Ik behoefde naar +niets te zoeken. Al mijn goed lag voor ’t grijpen—ik was in een’ wip klaar.”—“Ook wat <i>te</i> gauw?” vroeg ’t vrouwtje, en ze bekeek Ida van boven naar beneden. “Misschien wel”, zei Ida zacht, en ze kleurde. Een poosje +later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. “Ziezoo”, riep ’t vrouwtje, “nu is ’t morgen gauw <i>en</i> goed, is ’t niet, kind?” + +</p> +<p>Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en +tegen het middageten was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens keek ze weer heel bedrukt, en met +een’ zucht kwam het er uit: “Ja, ’t is nu alles wel heel mooi, maar....”—“Maar het blijft niet zoo, wil je zeggen.—Wees gerust, +kindlief, daar heb ik ook een middeltje op, dat ik je leeren zal. Netjes <i>maken,</i> daar begin je nu al eene heele bolleboos in te worden, netjes <i>houden,</i> daar zal ik je nu knap in maken.” + +</p> +<p>En Ida <i>werd</i> knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst, die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg +voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze <a id="d0e1556"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1556">123</a>]</span>’t nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig: het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en +een prijsje op te vroolijken. + +</p> +<p>En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?—Luister maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide, +en er viel eene speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde, +dat liet ze rollen. “Ida,” zei ’t vrouwtje, “er is iets gevallen.”—”’k Heb het toch dadelijk niet noodig,” had Ida dan dikwijls +op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.—Was ’t naaien gedaan, dan werd +werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De +doos dicht—weg er mee. “Kom,” zei ’t vrouwtje den eersten keer, dat Ida de naaidoos weer gebruikte, “nu zal ’t me toch benieuwen, +of je er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag.” Ida had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier +“den boel,” zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen lachje de hand terug en begon stuk voor stuk +zorgvuldig te bergen. + +</p> +<p>Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan, en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering +bleef hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee +naar school moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken, die ze op school niet noodig had, kwamen +in de tasch terecht.—Met de schriften ging ’t al niet veel beter.—De eerste maal nu, dat Ida werk maakte en lessen leerde, +terwijl ’t vrouwtje er bij zat, zou het al weer denzelfden weg langs gaan. Maar ’t vrouwtje deed den inktkoker dicht, veegde +de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in de hand. “Daar,” zei ze, “zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden +bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je te helpen bij je werk.—En nu, waar behoort dit boek thuis? +Moet je dat schrift meehebben? Hier is de tasch—ziezoo, alles netjes er in voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank. +Klaar is ’t.” + +</p> +<p>Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze ’t +maar uit de handen <a id="d0e1564"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1564">124</a>]</span>kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja, ’t was er niet van zelf zoo’n rommel geworden. Maar +nu kon dat zoo gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo +haastig bezig bij haar kastje, zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze ’t wist, het vrouwtje naast haar +en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats van dit of dat niet meer wist. ’t Zou jammer zijn, als ’t kastje niet netjes +bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En—al vond Ida het nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken. + +</p> +<p>Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken en knoopen? Dat het vrouwtje Ida’s kleeren al lang allemaal +keurig in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida’s goed nu niet meer scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje +voor. Maar ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak er een band, kwam er een scheurtje of gaatje, +dan zei ’t vrouwtje: ”’t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet, eer ze naald en draad te pakken hebben. +Dat gaat jou zeker ook zoo, is ’t niet?”—Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en—aan ’t werk gaan! + +</p> +<p>Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel, hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te <i>houden.</i> + +</p> +<p>Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet, hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht +zette, als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog +veel minder, hoe menigmaal ze wel had willen roepen: “Neen, neen, ik wil niet, ’t is zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!” +Maar die verdrietige buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht. + +</p> +<p>In ’t begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een +plezier wou doen, en ook wel—omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida +het <i>zelf</i> prettig te vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek het veel aardiger en vriendelijker. En dan: +nooit behoefde ze nu meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd mee heen, en wat <a id="d0e1580"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1580">125</a>]</span>maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat ze noodig had, lag nu voor de hand. ”’t Is net,” zei Ida soms, “of ik wel +tweemaal zooveel tijd heb als vroeger.”—“De dagen zijn zeker langer geworden,” zei ’t vrouwtje dan lachende. En dan—op school +was ’t ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer te zeggen: “O, dat vak van Ida,” of “o, die tasch, o, +die boeken en schriften, o, dat werk!” Of: “Alweer te laat” en meer zulke leelijke dingen.—Strafkrijgen, schoolblijven—dat +was allemaal vroeger. + +</p> +<p>Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida’s +slordige kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag en heel veel andere goede dingen meer. En toen +kreeg Ida ook weer vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen en—die ook bij haar mochten komen. + + +</p> +<p>Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig goed had, dat haar het leven lastig maakte.—“Wonderlijk”, +zei het vrouwtje eens, “hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit +hoor ik je er meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-, je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt +me, gebeterd, alles is gedwee en gehoorzaam geworden.”—“Neen, neen,” riep Ida, en met eene kleur als vuur viel ze het vrouwtje +om den hals. “Neen, <i>ik</i> heb me gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk, +slordig kind, dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom +er bij. Ik gaf mijn goed in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch niet helpen, dat ze overal omslingerden +en altijd te zoek waren. ’t Was alles mijne schuld, mijne schuld!”—“O, kind, wat ben ik toch blij, dat je ’t eindelijk zelf +begrepen hebt, zonder dat ik het zei,” riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. “Maar ik wist het wel, dat je nog eens +zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust hart van je weggaan, ik weet....” Verder kon het vrouwtje niet komen, want +bij het woord “weggaan” was Ida zóó geschrikt, dat ze eerst heel bleek werd en toen in schreien uitbarstte. “Niet weggaan,” +snikte ze, “ik <a id="d0e1589"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1589">126</a>]</span>hou’ zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat, +zal alles weer anders worden.” + +</p> +<p>Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar naast zich op een’ stoel, sloeg den arm om haar heen +en zei: “Kom, lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me blijven houden, al ben ik ook niet meer bij +je—en ook aan me blijven denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit weer. En gelukkig, tevreden, +dat ben je nu ook wel zonder mij. Je zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat zul je ook niet weer, +daar ben ik zeker van.”—“Maar o,” riep Ida, “waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te zijn.”—“Alleen +zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al met je besten vader gepraat en—is het niet heerlijk: je lieve tante, +die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!—En waarom <i>ik</i> niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die +mij noodig hebben, nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.—Ik heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk +wel ben. Een heel gewoon oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.—En nu—de oogen even dicht... Open!...” + +</p> +<p>Vóór de verbaasde Ida stond—geen gewoon oud vrouwtje meer met een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie, +lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere, verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende. +En dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde ze zeggen: “Ik ben—de fee Netheid! En nu, lieve kind, +de fee gaat <i>weg</i>; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft, dat weet ik.” Nog een kus van de fee en—Ida was alleen. + +</p> +<p>En ’t gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was +eene nette, ordelijke, gelukkige, tevredene Ida. + + + +<a id="d0e1603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1603">127</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e1604"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Kalif-Ooievaar.</h2> +<p>Heel ver hier vandaan, eerst ver naar ’t zuiden en dan naar het oosten ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad +heet. In die stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat land. De Koning dus? zul je vragen. Ja +en neen. Hij had hetzelfde te doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette—Kalif. Dat is zoo raar niet, want de menschen +praatten daar in dat land heelemaal anders dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen. + +</p> +<p>Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een warmen middag op zijne canapé. Hij had net een lekker slaapje +gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den +Kalif, doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte +zeker heerlijk, want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich weltevreden met de hand langs den baard. +’t Was duidelijk te zien, dat de Kalif goed in zijn humeur was. + +</p> +<p>De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls +spreken moest. + +</p> +<p>De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan +juist altijd naar het paleis om’ met den Kalif te praten. Want—ik houd meer van een goed, dan van een slecht humeur, dacht +de grootvizier. Dezen middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond anders dan anders. De Kalif nam +dan ook zijne pijp uit den mond en zei: “Wat nu, waarom zet je zoo’n betrokken gezicht?” + +</p> +<p>De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte eene diepe buiging voor zijn’ heer, zooals daar in dat +land de mode is en antwoordde: “Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik niet, maar het kan wel zijn; want voor +de deur staat een marskramer, die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig, omdat ik geen geld over heb +om iets van hem te koopen.” + +</p> +<p>Nu, de Kalif had zijn’ grootvizier al lang eens een pleziertje willen doen, <a id="d0e1619"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1619">128</a>]</span>en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden +om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. ’t Was een klein, dik mannetje, zwart-bruin in ’t gezicht en armoedig +in de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden +laatjes, en in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden vingerringen bij met zilver beslagen pistolen +en gouden drinkbekers bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles van a tot z, en eindelijk kocht +de Kalif voor zich en Manzor, dat was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor de vrouw van den grootvizier +een mooien haarkam. Voor zijne eigen vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw. + +</p> +<p>Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei: “O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin +hebben we nog niet gezien, is daar ook nog iets moois in?” De marskramer trok het laatje open en zei: “Och, neen, daar is +niets bijzonders in, alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters, die ik niet lezen kan.” De Kalif +vouwde het papier open en zei: “Hé, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. ’k Mocht wel eens weten, wat die letters +beduidden. Hoe kom je er aan?”—“O”, zei de marskramer, “ik heb doos en papier van een anderen marskramer gekregen, en die +had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier in hebt, geef ik U de beide dingen present.”—“Graag”, zei de Kalif, +“ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet, +of dat niet ook op het papier te lezen is.” + +</p> +<p>De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van +pure nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. “Ik moet weten, wat er op te lezen staat”, zei de Kalif, “eerder +heb ik geene rust.”—“Ik weet raad”, zei de grootvizier, “naast de kerk woont een man, dien de menschen Selim, den Geleerde +noemen, omdat hij zooveel geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan.”—“Laat hem dadelijk hier komen”, riep +de Kalif. De grootvizier vloog de deur uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug. +<a id="d0e1625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1625">129</a>]</span></p> +<p>“Selim”, zei de Kalif, “als je dit papier kunt lezen, geef ik je een mooi pak, maar kun je ’t niet lezen, dan krijg je vijfentwintig +klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet geleerd bent.” + +</p> +<p>Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. “Uw wil is mij een wet, o heer,” zei hij. Toen bekeek hij +het papier en zei: “Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is.”—“Zeg, wat er in staat,” zei de Kalif. + +</p> +<p>En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond: + +</p> +<p>Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: “Mutabor,” +verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft +ge maar driemaal naar het oosten te buigen en “Mutabor” te zeggen. Maar—pas op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan +zult ge het tooverwoord vergeten en moet ge dier blijven. + +</p> +<p>Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap in de handen. “Ziezoo, Selim,” zei hij, “dat was knap +gedaan; nu krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar één ding moet ik je nog zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor +ieder ander. Beloof dat.” Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem denzelfden avond de mooie kleeren te +zenden, en Selim ging heen. + +</p> +<p>“Nu, Manzortje,” zei de Kalif, “dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten +komen. Kom nu morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten, waar niemand ons kan zien, en snuiven +van het poeder. Ik heb mijn heele leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat alle dieren op de aarde +en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog nooit ben +ik zoo in mijn’ schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus, tot morgen!” +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling +af te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg, +en toen de deur uit. Al de voorname <a id="d0e1642"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1642">130</a>]</span>heeren, die anders altijd den Kalif moeten volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd menschen +bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen, kregen een’ wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen +met zijn’ grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze +ook een of ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen +eene slak voor hunne voeten, maar—eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes van eene slak gaven ze ook niet veel. + + +</p> +<p>“Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas,” zei de grootvizier. “Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars +gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de weide; laat ons daar eens gaan kijken.”—“Mij best,” zei +de Kalif en ze stapten verder. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p130.jpg" alt="Kalif-Ooievaar."></p> +<p class="figureHead">Kalif-Ooievaar.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een’ ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield +al klepperend een praatje in zich zelf. Op ’t zelfde oogenblik kwam er nog een ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland +af, waar de andere ooievaar stond. + +</p> +<p>“Ik wed om mijn’ baard, edele heer,” zei de grootvizier, “dat die twee daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat +dunkt U er van, als we eens ooievaars werden?” + +</p> +<p>“Uitstekend!” zei de Kalif. “Maar laat ons nu eerst nog eens goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... +ja juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam +oppassen, dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen.” + +</p> +<p>Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De +Kalif greep een, twee, drie, de doos uit zijn’ gordel, presenteerde haar ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en +voorvinger in de doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen hadden. “Mutabor!” riep de Kalif en “Mutabor!” +riep de grootvizier ook. + +</p> +<p>Toen—toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze, al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den +Kalif en zijn’ grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels, de <a id="d0e1661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1661">131</a>]</span>hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen. + + +</p> +<p>De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk riep de Kalif: “Neen, maar zoo iets heb ik van mijn +leven nog niet gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!” + +</p> +<p>“Als ik het zeggen mag,” riep de grootvizier, “ziet Uwe Hoogheid er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar +kom, als ’t Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we +nu de ooievaarstaal verstaan kunnen.” + +</p> +<p>Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn’ snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen +wat wild waren gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, +en tot hunne groote verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek: + +</p> +<p>“Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe gaat het?” + +</p> +<p>“Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje +pad, of een kikkerhammetje?” + +</p> +<p>“Dank je zeer, ’k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, +en dan zal ik voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje te oefenen.” + +</p> +<p>Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze +op één been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als eene jonge dame. + +</p> +<p>De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: “Eene kostelijke +grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, +of we anders ook nog geen liedje gehoord hadden!” + +</p> +<p>Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: “O, Vorst, wat hebben we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig +het woord niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo’n dwaze langpoot te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je ’t +al! Ik weet het woord niet meer, Uwe Hoogheid!” +<a id="d0e1681"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1681">132</a>]</span></p> +<p>“Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen: Mu—Mu—Mu.”—De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het +oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten, maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu—Mu—Mu! + +</p> +<p>Geen van beiden kon zich het woord herinneren en—de Kalif en de grootvizier waren en bleven—ooievaars. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal +in eene ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun +overkomen was? Wie zou hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif was! En—ook als de menschen hun +praten verstaan konden en gelooven wilden, wie zou dan nog een’ Kalif willen hebben, die ooievaar was? + +</p> +<p>Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne +lange snavels zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun +eenig plezier was, dat ze vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de lucht, en ’t allerliefst vlogen +ze naar Bagdad en zett’en ze zich op een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging. + +</p> +<p>In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen, +waar hun Kalif met zijn’ grootvizier gebleven waren. Maar toen ze zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op +het dak van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien: een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop +trommels en fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard een man in een purperen mantel! Rondom het +paard schitterend gekleede heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende: “Leve onze nieuwe Kalif! +leve Mizra, de heerscher van Bagdad!” + +</p> +<p>Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de Kalif-ooievaar zei: “Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik +betooverd ben! <a id="d0e1696"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1696">133</a>]</span>Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn’ vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur +heeft mij eens gezegd: ‘Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig maken!’ Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer +naar mij toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O, ’t is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: +ik kan niet zien, dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats.” + +</p> +<p>Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer uit. “Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger +zoo rijk en zoo gelukkig was,” zei de Kalif. + +</p> +<p>Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het vliegen was nog zoo’n ongewoon werkje. “O wee, o wee,” zuchtte +de grootvizier, na een uur vliegen, “ik kan niet meer. Neem me niet kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of +we ergens een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het begint al mooi donker te worden.” Ja, dat vond de +Kalif toch ook wel zoo verstandig. “Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij, de overblijfselen van een oud kasteel,” zei +de Kalif. “Laten we eens zien, of we daar niet in kunnen komen.” + +</p> +<p>Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en +dus niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen +en weer om een geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat nog op eene kamer leek. Daar leek het hun +tenminste nog een beetje gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een oogenblik rustig op één poot +gestaan, toen de grootvizier fluisterde: “Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een’ grootvizier en +nog meer voor een’ ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand diep +zuchtte.” + +</p> +<p>De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. +Een dier kon het niet zijn: ’t was sprekend het geluid van eene menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar +den kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de grootvizier hem met den snavel bij <a id="d0e1706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1706">134</a>]</span>den vleugel en bad en smeekte: “Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer wachten. Ik bid U, blijf toch +hier!” Maar bidden en smeeken hielp niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn’ ooievaarsvleugel; hij rukte zich met verlies +van eenige veeren los en stapte op hooge beenen eene duistere gang in. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p134.jpg" alt="Kalif-Ooievaar."></p> +<p class="figureHead">Kalif-Ooievaar.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond, en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk +een gezucht en gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste +oude kamer, die door een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op den vloer van die half verlichte +kamer—een grooten nachtuil. Nu was het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan kwam: dikke tranen +rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen, en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas had +de nachtuil den Kalif met zijn’ grootvizier, die toch stilletjes zijn’ meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen +hield op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen, en tot verwondering van de beide ooievaars riep +hij met eene vroolijke stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden: + +</p> +<p>“Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, +dat ik door een’ ooievaar gelukkig zou worden!” + +</p> +<p>Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte +met zijne lange beenen eene sierlijke buiging en zei: “Lieve nachtuil, het komt mij voor, naar de woorden, die ’k van u gehoord +heb, dat gij, evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge +hoort, wat ons overkomen is, zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen.” + +</p> +<p>“O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel belang in.” + +</p> +<p>En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: “Ik dank u. <a id="d0e1727"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1727">135</a>]</span>Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder ongelukkig is, dan het uwe. + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte, +betooverde ook mij. Eens op een’ dag kwam hij bij mijn’ vader, om te vragen, of ik de vrouw van zijn’ zoon Mizra mocht worden. +Mijn vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een’ toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig +als hij was, liet hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos, trok een paar dagen later de kleeren +van zijn’ bediende aan en wist zoo in dienst van mijn’ vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg ik om een verfrisschend +glas limonade. De nieuwe bediende bracht het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je, hij had er stilletjes +een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een’ uil veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene harde, +booze stem riep hij: ‘Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk, als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu +maar, tot iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf +ik je trotschen vader, die mij niet goed genoeg voor je vond.<span class="corr" title="Bron: ’"></span> + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd +van de wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon +en de boomen en bloemen heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen ’s avonds en ’s nachts kan ik goed zien.” + + +</p> +<p>Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de vleugels de tranen uit hare ronde oogen. + +</p> +<p>Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij zijn hoofd en zei: “Wonderlijk, wonderlijk; ’t is ons +haast net gegaan, als u. En hoe vreemd, dat <i>wij</i> u nu juist hier moesten vinden.” + +</p> +<p>“Ja,” zei de uil, “maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens +gelukkig zou maken. + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, +komt elke <a id="d0e1752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1752">136</a>]</span>maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls +heb ik in een verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze +dingen, die ze met hunne toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten we gaan luisteren, wie weet, +of uwe geschiedenis niet ook verteld wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent.” + +</p> +<p>“O, beste prinses!” riep de Kalif, “zeg me, wanneer komt hij en waar is die zaal?” + +</p> +<p>Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte, dralende stem: “Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, +ik zou het graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij—gij kunt mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, +dat te doen....”—“Ja, ja,” riep de Kalif ongeduldig, “dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom, vertel dan maar, wat ik voor +u doen kan. Natuurlijk doe ik het graag.”—“Beste Kalif,” zei de uil, “ik hoop het; maar ik ben er nog niet zoo zeker van. +Ik—ja, ik durf het u haast niet te zeggen—ik kan alleen weer mensch worden, als—als gij, of de groot-vizier mij—wilt trouwen.” + + +</p> +<p>Daar was het er uit! Arme prinses-uil. ’t Had haar zooveel moeite gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, +de Kalif liep verschrikt achteruit en trok zijn’ grootvizier stilletjes aan den vleugel om ook mee te gaan. + +</p> +<p>Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: “Dat is een leelijk ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet +jij haar maar tot vrouw nemen, Manzor!” + +</p> +<p>“Ik!” riep de grootvizier, “maar dat kunt gij niet meenen, edele heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als +ik met nog eene tweede vrouw thuis kwam! En dan—ik ben een oud man en gij, edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers +opperbest eene mooie jonge prinses tot vrouw nemen!” + +</p> +<p>“Ho, ho! dat is het juist,” zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de vleugels hangen. “‘Jong en mooi!’ wie zegt je, dat ze +jong en mooi is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil, die er als uil nog al aardig uitziet; maar +een uil is een uil!” +<a id="d0e1766"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1766">137</a>]</span></p> +<p>Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom, de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk +de grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene +vrouw thuis te komen, zei de Kalif: “Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen.” + +</p> +<p>De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit +van den Kalif. “En weet je wat,” zei ze, “jullie bent op een gelukkig oogenblik hier gekomen; want ik geloof zeker te weten, +dat de toovenaars van nacht vergadering houden zullen.” + +</p> +<p>’s Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken, waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst +gingen ze door eene lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan ’t eind van de gang door de reten van een ouden muur +licht. “Nu doodstil,” fluisterde de uil. “Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is vergadering!”—Met hun +drieën zagen ze nu door de opening en keken ze in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of pilaren, +die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel honderd gekleurde lichten. In ’t midden stond eene gedekte tafel, +met kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna +had de Kalif een’ gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer, die hem de snuif gegeven had. + +</p> +<p>En nu aan ’t luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na, vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen +geweest waren. Eindelijk riep er een: “En nu ik! ik heb zoo’n prachtige geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar +even den Kalif van Bagdad en zijn’ grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst werd ik zelf marskramer en toen—neen, +maar ik weet mij niet te houden van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op hunne lange ooievaars-beenen +rondloopen en het woord vergeten zijn, waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!”—“Wat was het voor een woord?” +vroeg zijn buurman. “O, een moeilijk Latijnsch woord, dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!” +<a id="d0e1775"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1775">138</a>]</span></p> +<p>Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug +de duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. +Toen hij buiten gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. “Lieve redster van mijn leven en dat van mijn’ vriend,” +zei hij “ik geef u de verzekering, dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!” + +</p> +<p>Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon af—eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. +Eindelijk ja, daar kwam de zon boven den horizon. “Daar is de zon, daar is het oosten!” riepen ze allen tegelijk. Nu bogen +de ooievaars de lange halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: ”<i>Mutabor!</i>” O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken, of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en +de grootvizier, die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, +alsof ze elkaar nog nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen allebei lachend en schreiend bekeek. +Eene mooie jonge dame stond achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? “Hoe is het nu, kent ge mij niet meer, prinses-nachtuil?” +vroeg ze met eene lieve stem. Toen was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een’ uil zoo’n snoezige +prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif de trouwbelofte gedaan had! “O!” riep hij, “nu zou ik voor geen geld van +de wereld willen, dat ik <i>geen</i> ooievaar geweest was!” + +</p> +<p>Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de Kalif in zijn’ broekzak niet alleen nog de doos met de +tooversnuif, maar wat beter was—zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, +en toen ging het in vliegende vaart naar Bagdad. + +</p> +<p>Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett’en, toen hun lieve Kalif daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij +dood was. En boos, dat ze waren op dien valschen Kalif—dien Mizra! Ze joegen hem en zijn’ vader, den ouden bedrieger, het +paleis uit. Toen zei de Kalif: “Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet in ooievaars, <a id="d0e1790"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1790">139</a>]</span>neen, als blinde mollen zul je in den grond leven, dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden en moet +dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: ‘ik wil mol worden!’—“Snuiven en zeggen: ‘ik wil mol worden!’” riepen alle menschen, +en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. “Nu naar het oosten buigen en zeggen: ‘Mutabor,’” klonk het van alle +kanten.—En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen zooveel menschen beginnen! “Ziezoo,” zei de Kalif, “nu +<span class="corr" title="Bron: ben">zijn</span> jullie een levend voorbeeld van het spreekwoord: ‘Die voor een ander een’ kuil graaft, valt er zelf in!’ +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw, de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als +de grootvizier hun ’s middags aan de thee een bezoek bracht. Dan babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, +de beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij +dan met stijve beenen de kamer op en neer, maakte met zijn’ mond een klepperend geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels +waren, en deed den grootvizier na, zooals hij naar ’t oosten boog en vergeefs: Mu—Mu—Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes +was die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn’ grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu—Mu-geroep, +dat de grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: “Pas op maar, pas op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met +elkaar besproken hebben voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil woonde.” Dan kleurde Kalif, en +dan was hij zoo stil als een muisje, want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord willen hebben, wat hij +daar van prinses-uil gezegd had. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1799"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Onder den Tooverboom.</h2> +<p>’t Is een meisje, en ze heet Nellie. Ze heeft een’ vader en eene moeder en broertjes en zusjes. Die zitten allemaal gezellig +aan de ontbijttafel. Vader leest de krant, Moeder smeert de boterhammen en Clara schenkt de melk in de glazen en glaasjes. +“Klaar! beginnen!” roept Frits en neemt al vast <a id="d0e1804"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1804">140</a>]</span>een grooten hap van zijne boterham. “Ho!” zegt Mina, “eerst moet ik zusjes broodje nog in kleine boterhammetjes snijden.” +En “niet soppen Zus,” zegt ze “geen bootjes van brood weer in de melk laten drijven.” Vader heeft de krant neergelegd en smult +in een geurig kopje thee, en kleine Wim waggelt over den vloer en bedelt bij ieder om een hapje “boôm, boôm,” wat boterham +beduiden moet. + +</p> +<p>Ja, ’t was heel gezellig aan de ontbijttafel in Nellie’s huis. Maar waar was Nellie zelf? Ja—Nellie was er niet. Eén bordje +stond te wachten, en dat was het bordje van Nellie. “Waar blijft Nellie?” vraagt Moeder. “Ik weet het niet,” zegt Clara, “ze +is dadelijk na mij opgestaan, en ze was al bezig het haar te vlechten, toen ik naar beneden ging.” + +</p> +<p>“Waar zit ze dan weer,” bromde Vader verdrietig, “ga eens kijken.” “Nellie zoeken, Nellie zoeken!” kraaiden de jongens, en +ze sprongen van den stoel op. “Neen, gekheid,” zei Moeder, “jullie blijft zitten. Clara kan alleen wel gaan. Zeg, dat Nellie +dadelijk hier komt, klaar of niet klaar.” Een oogenblik later kwam Clara weer binnen met Nellie, die zich half mee liet trekken. +En geen wonder! Hoe moest Nellie zich laten zien! Eén arm in, één arm uit het nachtjaponnetje, ééne vlecht in het haar, den +kam in de eene en—een vertelselboek in de andere hand. + +</p> +<p>“Zoo,” knorde Vader, “moest jij weer boterham eten met Roodkapje of Kleinduimpje?” + +</p> +<p>“Kind, kind, weer gelezen?” zei Moeder, “wat is dat toch een verdriet. Kom, geef mij dat boek nu eens en ga je vlug aankleeden.” + + +</p> +<p>Een oogenblik later kwam Nellie terug met roode oogen. Verdrietig dronk ze hare melk, die koud geworden was, keek de broers, +die haar uitlachten, zwart aan, stiet kleinen Wim, die ook van haar zijn “boôm” wou hebben, weg en bromde tegen Clara: “Naar +kind, waarom heb je me niet geroepen!” En niets zag Nellie er van, dat de ontbijttafel gezellig leek. Ze was wat blij, toen +ze de boterham op had. + +</p> +<p>Nu naar school. Maar—waar was haar tasch? Kijk, nu zit de sponsdoos er weer niet in. En de pen? O, ja, die was gisteren avond +onder de tafel gevallen, en ze had haar niet meer opgezocht, omdat ze nog zoo graag hare vertelling uit wou lezen. Later had +ze ’t vergeten. Gauw! de anderen waren de deur al uit. Wacht, nog even “Bij Saartje,” in haar <a id="d0e1818"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1818">141</a>]</span>tasch gestopt. Vervelend, Moeder had nu ’t andere boek in de linnenkast gesloten. Ze kwam nog net op tijd op school; maar +de andere meisjes zaten toch al allemaal op haar plaatsen. De juffrouw keek haar dan ook onvriendelijk aan; maar Nellie zag +er niet veel van. Ze was zoo in gedachten: de vertelling, die ze van morgen begonnen was, was zoo mooi. ”’k Wou, dat ik nu +eens wist, wat Paul daar boven op dien berg vond, dat zoo klopte,” dacht ze. En—ik moet toch zien, dat ik het boek van Moeder +terug krijg. + +</p> +<p>De meisjes moesten versjes opzeggen. Daar kon Nellie flink aan mee doen. Versjes leeren, daar hield ze van: ze kende ze ook +dadelijk van buiten. Maar nu zou er gerekend worden. Daar had Nellie heelemaal geen’ zin in. En wat deed ze nu? ’t Was meer +dan erg! Stilletjes sloeg ze het meegebrachte vertelselboek open en lei het op haar schoot. De juffrouw merkte gauw, dat ze +niet met hare gedachten bij de sommen was. Toen alle meisjes nu de som uitgerekend hadden, vroeg ze op eens: “Wat heb jij +er uit, Nellie?”—“Twee honderd!” hoorde Nellie in de buurt fluisteren. “Twee honderd!” riep Nellie. “Wat twee honderd, waarvan +twee honderd?” vroeg de juffrouw. En Nellie, die zich herinnerde, dat er een poosje te voren over vingers gepraat was, riep: +“Twee honderd vingers!” De geheele klasse barstte in lachen uit. Vijf en twintig spinnen, die samen twee honderd vingers hadden, +’t was ook al te gek. Maar de juffrouw schudde het hoofd. “Kind, kind, waar heb je je gedachten weer,” zuchtte ze. “Kom eens +hier bij mij staan, dan moet ik maar op je passen, als je er zelf te klein voor bent.” Nellie stond op. Plof! daar viel wat. +“Breng eens hier, wat daar valt!” zei de juffrouw. Daar kwam Nellie aan, ’t hoofd gebogen, stapje voor stapje: het vertelselboek +in de hand. “Zoo,” zei de juffrouw, “wou jij daar rekenen uit leeren? Nellie, Nellie, kind, hoe is ’t mogelijk! En als je +je best doet, kun je nog wel zoo aardig rekenen! Nu, dat boek zal ik vooreerst maar eens in de kast sluiten.” + +</p> +<p>Wat schaamde Nellie zich! Ze kon onder de besten van de klasse behooren, en nu als een klein kindje bij de juffrouw te moeten +staan! Met een vervelend gevoel ging ze om twaalf uur naar huis. En nu was ze hare beide vertelselboeken kwijt. Dat was toch +al te erg. “Ik moet zien, dat ik het boek van Moeder terug krijg,” dacht ze. Maar hoe? Er om vragen? Ze <a id="d0e1824"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1824">142</a>]</span>wist zeker, dat Moeder het niet geven zou. Wat dan? Ze zou zien, dat ze ’t stilletjes uit de linnenkast nam. Ze kon nu eenmaal +niet zonder boek wezen. Na den eten ging Clara met al de kinderen in den tuin spelen. Vader ging dan in de slaapkamer een +middagslaapje houden, en Moeder dribbelde wat heen en weer. Dan zou ze ’t boek zien te krijgen. + +</p> +<p>Gezegd, gedaan. Zoodra ze een oogenblik alleen was, trok ze de zware la uit de linnenkast. Te haastig. Plof! daar viel de +heele la er uit, en dat op hare teenen. Ze kromp van de pijn. En tot overmaat van verdriet kwam Moeder op het lawaai af. “Foei!” +zei Moeder boos, “nu wordt het toch al te erg. Moet ik nu voor mijn eigen kind de linnenkast op slot doen?” En Moeder kreeg +de tranen in de oogen. + +</p> +<p>Zoo maakte Nellie zich zelf en allen, die haar liefhadden, het leven onplezierig. En ze had zoo gelukkig kunnen wezen, die +Nellie. Ze kon zoo lief zijn en zoo vroolijk. Ze wist altijd allerlei aardige spelletjes te bedenken, zoodat de meeste meisjes +haar graag tot vriendinnetje hadden, als—als ze maar geen “mooi boek” had, zooals ze ’t noemde. Als ze dat had, dan kon de +heele wereld haar niets meer schelen. Dan kroop ze met haar boek in een rustig hoekje en vergat ze alles. Dan liet ze Clara +alleen op de kleintjes passen en vergat ze, Moeder eens een handje te helpen. Dan las ze tusschen twaalf en twee zoolang, +tot alle kinderen al naar school waren en zij hals over hoofd maken moest, dat ze weg kwam. Dikwijls kwam ze dan ongewasschen +en met slordig haar op school. Dan kreeg ze hier brommen en daar brommen, en werd ze door de broers geplaagd en uitgelachen, +zoodat ze zich vaak heel ongelukkig gevoelde. Dan had ze erg medelijden met zichzelf en verbeeldde ze zich, dat niemand van +haar hield, en dat het toch heel leelijk was van al de anderen, om haar niet te gunnen, dat ze las. Dan dacht ze soms: “hè, +als ik nu eens geen kind van Pa en Moe was, maar een kind van een’ koning: een prinsesje! En als dan de koning mij kwam halen +in een prachtigen wagen met vier paarden. Wat zouden ze dan allen oogen opzetten. En dan zouden ze eens zien, hoe goed ik +was, en of ik ook wat voor een ander wou doen! Ik zou ieder een mooi cadeautje geven en Moe wel eene zijden japon. En aan +de armen zou ik eene beurs met goudgeld in de handen stoppen. En dan zou ik den heelen dag op eene canapé in eene blauw zijden +jurk zitten lezen, lezen!<span class="corr" title="Bron: ">”</span> En als Nellie <a id="d0e1833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1833">143</a>]</span>dan weer beknord werd, omdat ze niet op tijd aan tafel kwam of zoo, dan dacht ze: “zie, nu wou ik nog wel zoo goed voor iedereen +wezen, en zóó zijn ze nu voor mij.” En als Moe eens zei: “Kind, kun je nu dat ééne niet voor me doen, dat je wat minder leest?” +dan deed Nellie haar best niet, om het boek eens een’ keer te laten liggen, maar dan dacht ze: “kijk, daar heb je ’t weer! +Moe meent altijd, dat ik niets voor haar wil doen. Er moest maar eens brand komen, of roovers.—Als er roovers kwamen—ik zou +ze allen in huis beschermen en redden, al ging ik er zelve dood bij. Dan zou Moe en dan zouden allen wel zeggen: ‘die Nellie +was toch een best kind; jammer, dat niemand dat ooit begrepen heeft.’” En Nellie kreeg de tranen in de oogen van medelijden +met zich zelf, omdat allen zoo leelijk van haar dachten. + +</p> +<p>Maar—er kwam geen brand, en er kwamen geene roovers en Nellie kon dus voor niemand iets doen, dan—dat ééne; maar daaraan dacht +ze niet. Ze dacht aan niets, dan aan de feeën en menschen in de boeken, die ze las, en aan <i>wat</i> ze zou lezen en <i>waar</i> ze zou lezen. <i>Waar</i>, ja—daar had ze ook wat moeite mee. In den tuin van hare ouders was een gezellig priëel, maar daar kon ze nooit rustig zitten. +Dan kwamen de broertjes er, om roovertje te spelen, en dan was het: “O, daar heb je die weer! Je hoeveelste boek is dat vandaag?” +Of Clara kwam er met Zusje zitten, en dan greep Zus in de bladeren van haar boek, juist als ze aan zoo’n prachtig gedeelte +was—o, neen, ze moest heel alleen wezen, dan las ze het prettigst. + +</p> +<p>Eindelijk had ze een verrukkelijk plekje ontdekt, heel achter in den tuin, of eigenlijk in den tuin van den buurman. Door +een gat in de schutting kon ze er komen; maar dat wist niemand. Aan de andere zij van de schutting stond een oude, een heel +oude boom, en onder dien boom stond eene vermolmde bank. Daar zat ze zoo heerlijk. En ’t mooist van alles was: ze kon er veilig +zitten; want de buurman was ’s zomers altijd op reis, en dan stond het huis leeg en kwam er dus ook niemand in den tuin. O, +’t was een heerlijk plekje daar: net een boom uit een groot diep bosch, uit zoo’n bosch, als er altijd in de vertellingen +was, zoo’n tooverbosch. ”’t Zou je niet eens zooveel verwonderen, als er op eens eene toovergodin uit den grond kwam zetten,” +dacht Nellie wel eens. +<a id="d0e1848"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1848">144</a>]</span></p> +<hr><p> + +</p> +<p>Eens op een’ dag, of liever op een’ zomeravond zat Nellie ook weer onder den tooverboom, zooals ze hem noemde, natuurlijk +met een boek. Ze was uit huis gevlucht voor het brommen van Moeder, die haar weer beknord had over hare leeswoede. “Je zult +het er nog naar maken, dat ik alle plezierboeken voor goed wegsluit,” had Moeder gezegd. “Dan kun je in je leerboeken lezen, +zooveel als je wilt.”—“Och, ja,” dacht Nellie met een’ zucht, “wie weet, of ik nu niet voor ’t laatst in een sprookjesboek +lees, en ik hou’ toch zoo dol veel van sprookjes. En—kwaad is er immers niet bij, anders zou de juffrouw op school ook geene +sprookjes vertellen. Wat is het toch naar, dat Moeder mij dat onschuldige plezier niet gunt. Wat ben ik toch eigenlijk een +ongelukkig kind. + +</p> +<p><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Kom, laat ik maar troost zoeken in mijn boek. Waar ben ik ook gebleven? O, ja, ’k was juist met ‘De drie wenschen’ begonnen. +Die malle vrouw van den houthakker, zich eene worst te wenschen! Nu, als er bij mij eens eene fee kwam, ik zou beter weten, +wat ik wenschen wou. Hè ja, als er eens eene fee kwam! als....” en Nellie sloeg de oogen uit het boek en keek droomend in +’t rond. Daar op eens werd het zwart voor hare oogen en suisde het in hare ooren. Angstig kneep ze de oogen dicht, en toen +ze ze eindelijk weer open deed, toen ja, toen—stond er—neen was ze wakker of sliep ze? Die gedaante daar in dat doorzichtige +gazen kleedje, zoo sierlijk, zoo fijn, met dat zilveren tooverstafje in de hand—dat was eene tooverfee! + +</p> +<p>Met open mond staarde Nellie de verschijning aan, die met eene glasheldere stem haar aansprak: + +</p> +<p>“Zie je wel, dat de feeën nog niet heelemaal uit de wereld zijn? Een enkelen keer laten we ons nog wel eens zien bij iemand, +die heel erg naar ons verlangt, en zoo kom ik nu ook bij jou, mijn kind. Kom, spreek nu een’ wensch uit. Door een’ slag met +mijn’ tooverstaf kan ik je geven, wat je hart begeert.” + +</p> +<p>Nellie, Nellie, pas op—nu komt het er op aan. Maar één wensch! Wat zou ze zich wenschen? Rijk worden? Machtig als eene koningin? +Een’ mantel, waarmee ze door de lucht kon vliegen? Op eens kreeg ze toch zoo’n zin in taartjes, en net wou ze zich een’ schotel +met taartjes wenschen, toen ze gelukkig nog aan den dommen man dacht, die zich eene worst gewenscht <a id="d0e1863"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1863">145</a>]</span>had. Gelukkig—daar kreeg ze eene verstandige gedachte. “Machtige fee!” zei ze, “geef me, als ’t U blieft, Uw’ tooverstaf en +maak, dat hij iederen wensch vervullen kan, dien ik uitspreek.” + +</p> +<p>Toen Nellie dat gezegd had, boog ze haar hoofd; want ze schaamde zich voor hare begeerigheid. Maar de fee zei met vriendelijke +stem: “Je vraagt wel wat veel, maar toe dan maar—ik wil voor een jaar je zin doen—we zullen zien, of de staf je ’t geluk brengt, +waarnaar je al zoo lang verlangd hebt. Altijd, als je iets wenscht, heb je maar met het staf je op den grond te slaan en—. +je wensch is vervuld. Maar één ding moet je weten: je kunt je alleen <i>zichtbare</i> dingen wenschen. En—mondje dicht—niemand mag weten, dat ik bij je geweest ben en je een tooverstafje gegeven heb.” Toen de +<span class="corr" title="Bron: vriendlijke">vriendelijke</span> fee die woorden gezegd had, kwam er weer eene wolk voor Nellie’s oogen: ze kon niets zien, en een oogenblik later was de +fee weg, maar—het zilveren tooverstafje was nog in de hand van Nellie. O, heerlijkheid! Wat zou nu haar eerste wensch zijn! +Daar dacht ze weer aan den schotel met taartjes. Nu kon ze gerust haar wensch vervullen: ze kon nu immers zooveel wenschen +vervuld krijgen. Taartjes dus—neen—ze had nog liever een lekkeren pudding. Ze had ’s middags zoo weinig gegeten van de grauwe +erwten, waar ze niet van hield. “Een chocolâpudding dan!” riep ze, en ze klopte met haar tooverstafje op den grond. Kijk, +daar stond wezenlijk al een heerlijke chocoladepudding voor haar! Wat was die Nellie gelukkig! Ze smulde en smulde, tot het +heele puddinkje op was. En nu werd het ook mooi tijd, om naar huis te gaan; ’t werd al wat donker. Nellie verstopte het tooverstafje +onder hare kleeren en trippelde overgelukkig naar huis. + +</p> +<p>In de verte hoorde ze al gelach en gepraat. ’t Heele huisgezin zat, onder de veranda, en Moeder trakteerde op zure melk. “Kom, +Nellie,” zei Clara, “hier is je bordje,” maar Nellie had geen’ lust meer in zure melk na ’t eten van den pudding: ze bedankte. +“Hoe is ’t mogelijk,” riep Clara, “lust je geen zure melk, en ik meende nog wel, dat je er zoo blij mee wezen zou!”—“Ik heb +er van avond geen’ lust in,” zei Nellie. “Och, Nellie heeft zeker al wat gebruikt bij de eene of andere fee,” zei Theodoor. +“Ja, jongetje,” dacht Nellie, “je moest ook maar eens weten, wat ik weet!” + +</p> +<p>Nu bracht Clara de kleintjes naar bed. “Kom, Nellie,” zei Moeder, <a id="d0e1877"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1877">146</a>]</span>“help ook eens mee. Kleed ook eens een van de kleintjes uit!” Maar daar riepen al de kinderstemmetjes: “Niet met Nellie!”—“Ik +met Clara!”—<span class="corr" title="Bron: ">“</span>Zie, ze willen toch niet door mij geholpen worden,” bromde Nellie. “Dat komt, doordat je ze bij ’t helpen nooit eens aardig +aan den praat houdt: je zit altijd met de gedachten in je boeken,” zei Moeder. + +</p> +<p>Toen de kleintjes in bed waren, gingen Vader en Moeder en de grootere kinderen nog een gezellig praatje houden, maar Nellie +wou maar liever in bed gaan. Ze voelde, dat je van feeënpudding ook te veel kon eten. Het duurde niet lang, of Nellie lag +onder de dekens en droomde van haar tooverstafje en van al de heerlijkheden, die ze daardoor nu krijgen kon. + +</p> +<p>Den volgenden morgen was het droog-brood-dag, zooals de kinderen het noemden. Dan kreeg niemand boter op het brood, en voor +het geld, dat Moeder daardoor bespaarde, werd er brood gekocht voor een arm huisgezin. De kinderen hadden er allemaal plezier +in, uit hun eigen mond iets voor arme kinderen te sparen, en beurt voor beurt mochten ze dan op dien dag een groot wittebrood +zelf brengen. Nellie had ook altijd met plezier meegedaan en met trots haar droog brood gegeten; maar nu—ze schoof hare sneetjes +ongemerkt op zij en deed de meeste melk stilletjes in het schoteltje van de poes. Ze kon immers wat beters krijgen. Toen de +andere kinderen de schooltasschen in orde maakten, ging ze vlug even op de leege slaapkamer en klopte met haar tooverstafje +op den grond. “Chocolade met beschuitjes!” riep ze. En ja wel, hoor, daar stond dadelijk een groote kop chocola en een bordje +met beschuitjes klaar. Nellie was nog aan ’t smullen, toen het negen uur sloeg—de kop verdween gelukkig—de overige beschuitjes +stopte ze in de schooltasch, en toen—ja toen ze de schooltasch zag, schoot haar met schrik te binnen, dat ze vergeten had +hare les te leeren. Wacht, ze zou onderweg even wenschen, dat de les in haar hoofd kwam. Maar—daar bedacht ze, dat de fee +gezegd had: alleen <i>zichtbare</i> dingen—dat ging dus niet; en nu moest Nellie, de lieveling van de feeën, die voor haar eigen gebruik een’ tooverstaf had, +die dus veel machtiger was, dan alle groote menschen—nu moest diezelfde Nellie verdragen, dat ze voor de heele klasse beknord +werd, omdat ze hare les niet kende! Toen eindelijk de schooldeur achter haar dicht viel, was hare eerste gedachte: de tooverstaf! +Gelukkig, nu kon ze zich weer wat wenschen en <a id="d0e1889"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1889">147</a>]</span>haar verdriet vergeten. En wat wenschte Nellie zich nu wel? Weer lekkers? Neen, ze dacht ook aan andere dingen, dan aan eten +en drinken. Een nieuw vertelselboek was nu het eerst aan de beurt. En het kwam—met een prachtigen band en beeldige platen. +Neen, maar, wat een genot! Nu mocht Moeder gerust al hare leesboeken wegsluiten en al de leerboeken laten staan. Ze zou nu +altijd wel een hoekje vinden, waar ze een nieuw boek te voorschijn kon tooveren. + +</p> +<p>Mooie kleeren wou Nellie zich ook zoo graag eens wenschen, maar dat ging niet. Moeder en de broertjes en zusjes zouden natuurlijk +dadelijk vragen: “Hoe kom je aan die jurk?” of “hé, wat heb jij daar voor een’ hoed op?” Eens had ze zoo’n lust eens te zien, +hoe mooi ze zich wel zou kunnen maken. Ze ging onder den feeënboom en wenschte zich daar een keurig pakje. Neen, maar zoo +iets moois, als ze kreeg! Ze leek wel eene kleine prinses, toen ze zich in een zakspiegeltje bekeek. Maar ze had er toch het +rechte plezier niet van—ze was in voortdurenden angst, dat iemand haar ontdekken zou, en dan was ’t misschien uit met de heerlijkheid. +Ook—’t was zoo vervelend—Moeder merkte, dat ze zoo vaak alleen wou wezen en beknorde haar daarover. Zoo kon ze dus nog minder +dan anders op haar heerlijk feeënplaatsje gaan. + +</p> +<p>Soms—ja soms bracht het tooverstafje teleurstelling. Dan kreeg Nellie een gevoel van: je kunt er toch lang alles niet mee +krijgen. Dan begreep ze, dat er toch ook zooveel “onzichtbaars” was, dat ze zich wenschte. Zoo bijvoorbeeld zou ze zoo graag +eens geprezen zijn door Vader, evenals Theodoor, als hij met een mooi schoolboekje thuis kwam. Of ze benijdde Clara, die een +mooi handwerkje af had en dat aan Moeder liet zien. Zij had nooit meer een mooi schoolboekje, daarvoor leerde ze hare lessen +te slecht en was ze te weinig met de gedachten er bij, als ze op school was. En handwerkjes, daar kwam ze nooit aan toe—ze +had altijd een of ander boek te lezen, dat “zoo noodig” uit moest. Dan dacht ze wel eens: “ik wil toch ook beter leeren;” +maar een oogenblik later was het weer: “och, waarvoor ook eigenlijk? Ik kan nu immers alles krijgen, wat ik begeer. Geld verdienen +behoef ik later ook niet.” En dan deed ze nog minder haar best dan ooit. Wel hinderde het Nellie erg, dat ze een geheim voor +Vader en Moeder had. ’t Was net, of ze niet zoo prettig en vrij meer <a id="d0e1895"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1895">148</a>]</span>met hen praten kon, en soms was ze maar blij, dat Moeder niet in de kamer was en schrikte ze, als Moeder op eens binnen kwam. +En vroeger had ze de kamer zonder Moeder juist zoo ongezellig gevonden.—Dan was er nog wat, dat haar verdriet deed. Als er +een verjaardag of een ander feestje in huis gevierd werd en Moeder op chocolâ of iets anders trakteerde, dan kon ze nooit +eens meer blij zijn daarmee, zooals vroeger. Ze kreeg immers dagelijks zooveel lekkers, als ze begeerde. Als de broertjes +en zusjes dan jubelden van plezier, stond zij alleen met een onverschillig gezicht er bij. + +</p> +<p>Eens op een’ avond kwam Frits thuis en bedelde Vader om een zakmes. Zijn vriendje had er zoo’n mooi, hij wilde er zoo graag +ook een. “Neen, mijn jongen,” zei Vader, “zakmessen koopen, dat gaat maar zoo niet. Misschien later eens, op je verjaardag.” +En toen Frits een’ pruilmond zette, zei Vader: “Je moet ook ontberen leeren, ventje. Er is zoo veel in de wereld, dat je niet +krijgen kunt, en dat is maar goed ook. Anders zou je gauw ’t plezier van de mooie dingen af hebben. Er moet iets te wenschen +overblijven.” De kleur sloeg Nellie uit. Zou Vader gelijk hebben? Zou het niet goed wezen, dat ze alles kon krijgen, wat haar +hart begeerde? Ze kreeg een gevoel, alsof ze het tooverstafje maar liever weg moest gooien. Maar—dat zou toch al te gek wezen. +Zulke heerlijke dingen, als ze zich er mee tooveren kon! Boeken en poppen en lekkers en—ja, wat niet al. En van dat alles +niets te nemen, als je ’t maar zoo krijgen kon! Neen, hoor! + +</p> +<p>Eén ding vond Nellie erg jammer. Ze zou zoo graag ook aan anderen iets van hare heerlijkheden gegeven hebben. Wat had ze bijvoorbeeld +mooi een mes kunnen wenschen en dat aan Frits geven! Maar—dan zou Frits zeggen: “Hoe kom je aan dat mes?” en als Frits het +niet deed, zouden Vader en Moeder het zeker doen. Die wisten immers wel, dat Nellie zooveel geld niet hebben kon. En ze mocht +haar mooie geheim immers niet verklappen. + +</p> +<p>Eens op een’ Zaterdagavond—’t was juist Nellie’s beurt, om het brood naar ’t arme huisgezin te brengen—kwam ze niet ver van +het arme huisje een van de arme kinderen tegen. Ze gaf het brood en toen—ja toen bedacht ze iets moois. Ze opende vlug haar +beursje, dat tegenwoordig ook al door het tooverstafje altijd gevuld was, en stopte den kleinen Jacob een’ gulden in de hand. +“Ziezoo,” zei ze, met een trots-klinkend stemmetje, “arme jongen, dat is voor jou.” +<a id="d0e1903"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1903">149</a>]</span></p> +<p>“Voor mij?” vroeg het kind, en het keek haar met groote, verwonderde oogen aan. + +</p> +<p>“Ja,” zei Nellie, “daar kun je eens een prettigen dag voor hebben.” + +</p> +<p>“Hoera!” riep Jacob, en hij gooide zijne muts omhoog, zoodat het brood op de straat viel. + +</p> +<p>Nellie maakte gauw, dat ze weg kwam. Ze was zoo in haar schik. Nu had een ander toch ook eens plezier van haar rijkdom. “Dat +doe ik eens weer,” dacht ze. “Kan ik dan voor mijne ouders en voor mijne eigen broertjes en zusjes niets doen, dan kan ik +toch vreemde menschen gelukkig maken.” + +</p> +<p>Maar och, wat eene teleurstelling voor die arme Nellie! + +</p> +<p>Den volgenden dag, Nellie kwam juist van eene wandeling thuis met Moeder, stond er een man op de stoep Moeder op te wachten, +’t Was de vader van Jacob. “Ach, lieve Mevrouw,” zei hij, “U bent altijd zoo goed voor ons, en ik ben U daarvoor zoo dankbaar; +maar ik heb toch een <span class="corr" title="Bron: vriendlijk">vriendelijk</span> verzoek aan U. Als U ons weer zoo’n groot present in geld wilt geven, och geef het dan liever aan mijne vrouw of mij zelf. +Jacob ....” meer kon de arme man er niet uitkrijgen. Hij begon bitter te schreien. + +</p> +<p>“Ik begrijp U niet,” zei Nellie’s moeder, “een groot present in geld—en dat zou ik gegeven hebben? Maar ik heb niemand geld +gegeven!” + +</p> +<p>“Ja,” zei de man, “gisteren, toen Jacob het brood kreeg, heeft eene van de jongejuffrouwen hem toch een’ gulden gegeven.” + + +</p> +<p>“Dat kan niet waar wezen,” zei Nellie’s moeder, “zooveel geld zou ik niet kunnen geven en mijne kinderen nog veel minder. +Bovendien geef ik kinderen nooit zooveel geld op eens.” + +</p> +<p>“Dat is toch vreemd,” zei de man, “en Jacob vertelt het mij. En toen is hij een ondeugenden straatjongen tegengekomen, en +die zei: ‘Weet je wat, Jacobje, daar kunnen wij een prettigen dag voor hebben.’—‘Ja,’ zegt mijn jongen, ‘daarvoor heeft de +jongejuffrouw mij den gulden eigenlijk ook gegeven.’ En toen gaan ze allerlei lekkernijen koopen, Mevrouw, ’t is zonde van +’t geld, en eindelijk ook sigaren, verbeeld U, sigaren en zoo’n dreumes van een jongen! En nu komt nog het ergste. De sigarenkoopman +haalt er een’ agent bij en zegt: ‘Hoe zouden die jongens <a id="d0e1927"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1927">150</a>]</span>aan zooveel geld gekomen zijn!’ En toen, o, Mevrouw,” snikte de arme man, “toen werd me de jongen door een’ agent thuis gebracht, +ik schaamde me dood. Ik weet wel, dat Jacob het geld eerlijk gekregen heeft; maar ik vind het toch zoo verschrikkelijk, dat +dit alles gebeurd is.” Nellie kreeg het zoo benauwd bij dat verhaal, en was schrikkelijk bang, dat het uit zou komen, dat +zij de oorzaak van al die ellende was. Ze maakte maar gauw, dat ze in huis kwam. Ze hoorde Moeder nog zeggen, dat zij ook +niet geloofde, dat Jacob oneerlijk aan het geld was gekomen; maar dat één van haar kinderen ook onmogelijk het geld gegeven +kon hebben. Dan moest het een ander meisje geweest zijn. + +</p> +<p>Wat was Nellie bedroefd! Nu was haar het plezier voor een ander iets te doen, ook weer ontnomen. O, o, als ze dat toch begrepen +had. Die arme Jacob voor een’ dief aangezien! En die ongelukkige Vader. Wat had ze daar een medelijden mee! Ze was toch niet +zoo gelukkig met het tooverstafje, als ze gedacht had, dat ze wezen zou. Altijd zoo in ’t geheim te genieten, altijd, alsof +ze iets kwaads deed. En altijd alléén plezier hebben, dat was toch ook het rechte niet. En dan—de fee had haar toch wel heel +lief gevonden, anders zou die niet haar alleen een’ tooverstaf gegeven hebben, en in huis was ’t, of niemand haar lief had. +Dan liep ze hier, dan daar brommen op. Dan had ze niet genoeg geleerd, dan was haar breien, dan haar haken weer niet goed +genoeg. “Maar—wat ben ik toch dom!” dacht Nellie op eens. “Ik kan mij immers een plaatsje wenschen, waar ik ver van al die +menschen, die ontevreden op mij zijn, rustig leven en genieten kan. Dat ik daar nu niet eerder aan gedacht heb! Maar—Moeder +en Vader verlaten en al de broertjes en zusjes? Och, kom, die houden toch niet van mij! Clara is altijd de beste. Misschien, +als ik weg ben—dat ze dan nog wel een beetje bedroefd zullen wezen; misschien, dat ze dan nog wel merken zullen, dat ze iets +om mij geven.—Ik doe het—ik ga morgen een ander plekje wenschen, om daar gelukkig te zijn.”—Met die gedachte ging Nellie in +bed. Ze sliep onrustig en werd wakker, toen Moeder ’s avond laat, vóór ze naar bed ging, bij al de kinderbedden rondging, +om de kinderen nog eens toe te stoppen en ze stil een’ nachtkus te geven. En toen Moeder zich over haar heen bukte, begon +haar hartje zoo te kloppen en kreeg ze een gevoel, of ze Moeder groot verdriet aan <a id="d0e1931"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1931">151</a>]</span>ging doen. “Maar—kom,” dacht ze, “Moeder houdt nog kinderen genoeg over. Morgen—morgen zal er een heerlijk leventje beginnen.” + +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>’t Was morgen—Nellie’s broertjes en zusjes gingen naar school—Nellie niet. Die was stilletjes de deur uitgegaan en haastte +zich nu, om onder den feeënboom te komen. “Ik moet gauw wezen,” dacht ze, “anders komt er zoo meteen eene boodschap van de +school, waar Nellie blijft, en gaat Moeder mij zoeken.” Daar was ze gelukkig, waar ze wezen wou. Dadelijk sloeg ze met haar +tooverstaf op den grond en fluisterde met een kloppend, half bang hartje: “Ik wensch me een mooi plekje ver van hier, waar +ik rustig alles, wat ik wil, genieten kan.” + +</p> +<p>Daar op eens werd de hemel bewolkt en kwam er een dikke mist. Dichter en dichter werd de mist, ’t was, of er een sluier voor +Nellie’s oogen hing die maakte, dat ze niet kon zien. Nog dichter werd de nevel—nu kon ze ook bijna niet meer hooren—ze wist +niet meer, waar ze was en wat er met haar gebeurde. Eindelijk werd ze weer gewoon. Eerst hoorde ze geluiden uit de verte—toen +kon ze weer zien, en wat wat zag ze? Eerst helderen zonneschijn—eene blauwe lucht, groene weiden, groene boomen en toen—o, +dat was nog mooier, dan ze zich iets wenschen kon—vlak vóór haar aan ’t eind van de groene weide tusschen de groene boomen +een aardig klein kasteel met een gezellig balkon, begroeid met klimop en paarse bloemklokken. In ’t midden eene breede marmeren +trap! In een oogenblik was Nellie de trap op. Daar stond ze voor de open deur van eene groote kamer, eene kamer zoo vriendelijk, +met rondom ramen, die in den tuin uitzagen. + +</p> +<p>En de tuin zelf! wat was die mooi! Een bed met rozen, een bed met vergeetmijnietjes, een perk met viooltjes. En de paden daartusschen +van helder fijn grint, schitterend in de zon! Midden op een perk, begroeid met mos en varens, was eene fontein, die hoog in +de lucht sprong en met fijne straaltjes op de planten weer neerkwam.—En dan overal van die aardige prieeltjes met eene gemakkelijke +bank en stoeltjes om op te zitten. Tusschen de bloeiende struiken en de boomen huppelden de aardigste vogeltjes, en die zongen +en kwinkeleerden zóó mooi, dat je wel moest <a id="d0e1941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1941">152</a>]</span>blijven staan luisteren, of je wou of niet. Nellie liep den heelen tuin door en bewonderde hier en bewonderde daar, tot ze +op eens bedacht, dat ze nog maar ééne kamer van het kasteel gezien had. Toen weer naar binnen en daar aan ’t bewonderen. Naast +de mooie tuinkamer eene eetkamer, waar een heerlijk ontbijt klaar stond met chocolâ en gelei en ja—van alles wat maar lekker +was. En mooi dat de kopjes en bordjes waren!—Maar Nellie gunde zich den tijd niet iets te gebruiken. Ze was de trap al op +naar boven. Neen maar, die slaapkamer! ’t Leek wel, of er eene prinses moest slapen. Een bed met zijden dekens, een geborduurd +hoofdkussen en gordijnen—rozerood met witte lelietjes! Verder weer eene speelkamer met de snoezigste poppen.—Een verder allerlei +mooi speelgoed. En—’t laatste ’t beste! Eene leeskamer met boekenkasten, vol van boeken in prachtbanden. In die kamer gemakkelijke +kanapeetjes, om op te zitten. Nellie schaterde van pret! O, wat kon ze hier heerlijk zitten lezen, zoo rustig, zoo stil! Nooit +behoefde ze bang te zijn, dat haar iemand zou hinderen of plagen. Lezen kon ze—lezen zooveel en zoolang, als ze wou, in al +die mooie boeken, en nooit behoefde ze bang te wezen, dat er iemand zou komen, die zei: “Zit je daar al weer met een boek? +Doe toch ook eens iets anders dan lezen!” + +</p> +<p>Och, och, wat voelde die Nellie zich rijk en gelukkig. Nog eens weer alles bekeken en toen eene heerlijke boterham gegeten +en toen in een kanapeetje aan ’t lezen. O, o, wat een mooi boek! En wat was het stil om haar heen. Niets hoorde ze dan het +kwinkeleeren van de vogels. Toen ’t middag werd, ging er eene bel; maar wie belde was niet te zien. Nellie ging zoeken: daar +zag ze in de eetkamer eene keurig gedekte tafel met allerlei heerlijkheden. Na den eten een beetje in den tuin wandelen, een +poosje met mooie poppen spelen en toen weer lezen, één van de mooie boeken uitlezen. Toen naar bed—o, wat een heerlijk bed! +’t Was wel wat ongezellig, geene stemmetjes van broertjes en zusjes te hooren. En Nellie vond het ook zoo naar, dat Moeder +niet naar haar kwam kijken. Maar—ze viel toch ook gauw in slaap. Ze was moe van ’t genieten van al die heerlijkheden. + +</p> +<p>Den volgenden morgen ging ’t weer evenzoo. Maar nu begon Nellie het toch wel wat stil te vinden. Hè, wat had ze in lang geene +menschenstem <a id="d0e1947"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1947">153</a>]</span>gehoord. En ze wou toch ook wel eens een woordje praten, ze praatte wel met de poppen, maar die gaven haar geen antwoord! +Maar—wat was ze ook dom! Ze kon zich immers vriendinnetjes wenschen. Vlug nam ze haar tooverstafje en klopte ze er mee op +de aarde. En zie—daar stonden zes allerliefste meisjes vóór haar, even oud als Nellie zelf. Nellie was eerst een beetje verlegen: +ze wist niet, wat ze tegen die vreemde meisjes zou zeggen; maar de vreemde meisjes waren niets bang. “Wij heeten Rosa en Bettie +en Suze en Martha en Emma en Lena,” zeiden ze. En toen: “O, wat woon je hier mooi, laat ons toch gauw alles eens zien!” Toen +liepen de meisjes met elkaar trap op, trap af, en bewonderden al het mooie en vonden nog een heelen boel kasten met prachtige +kleeren: jurkjes en schortjes en hoeden! En ze maakten zich mooi en gingen in den tuin wandelen en toen gezellig zitten eten +en lezen en spelen—o, ’t was een kostelijk leventje. + +</p> +<p>En zoo ging het nu dag aan dag! “Heerlijk!” riep Nellie. “Zoo zal het altijd blijven: mooier leven kan er nooit komen.” Neen, +mooier leven kon er nooit komen: geen vervelend schoolwerk, dat nooit op tijd klaar kwam, geen brommen van de juffrouw! Geene +breikousen, waar Moeder altijd aan gebreid wou hebben—geen onvriendelijk gezicht van Moeder. Geen brommen van Vader, geen +geplaag van de jongens. Alleen ’s avonds had Nellie altijd verlangen naar Moeder en was het net, of ze lag te wachten, dat +Moe evenals thuis zacht binnen zou komen om haar een’ nachtkus te geven. Maar over dag was het zoo’n leventje van plezier, +dan had Nellie geen’ tijd om aan iets anders te denken. + +</p> +<p>Zoo ging het eene week, zoo ging het twee weken. Toen begon Nellie een beetje moe te worden van al dat pret maken. Ook gaf +ze niet meer zooveel om al dat moois en lekkers. Ze kon wel gedurig wat nieuws wenschen, maar ’t eene was toch ook al weer +even mooi, als ’t andere, en lekkers, daar gaf ze niet veel meer om. Ze had in huis in den laatsten tijd ook altijd al zoo +gesmuld: ”’t Is toch waar, wat Moeder wel eens zei,” dacht Nellie, “als je altijd lekker eet, proef je op ’t laatst niet meer, +dat het eten lekker is, en als je altijd mooi bent, zie je ’t op ’t laatst niet meer.” En Nellie dacht aan heel lang geleden, +toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen, toen ze nog niet aan de leeskoorts leed, zooals <a id="d0e1953"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1953">154</a>]</span>Vader het noemde. Wat vond ze het toen prettig tusschen schooltijd en na schooltijd te mogen spelen, wat ze wou. Nu mocht +ze dat ook, maar nu mocht ze ’t altijd, en nu verveelde ’t spelen haar wel eens.—En als er dan een jarig was thuis. Als Vader +of Moeder jarig waren! Vader in den winter—dan mochten ze de tooverlantaren zien en een comediestukje spelen, allemaal met +elkaar, de broertjes en zusjes! En dan ’s avonds om de kachel en appels braden, terwijl Vader vertelde of raadsels opgaf!—En +Moeders verjaardag in den zomer! Allemaal met een grooten Janplezier uit rijden. Och, och, wat eene pret in ’t bosch voor +zoo’n enkelen keer.—Nu had Nellie alle dagen de bosschen bij zich; maar ’t was net, of ze niet meer zag, hoe groen de boomen +waren. Neen—en dan haar eigen verjaardag in de Meimaand, als Clara haar ’s morgens in bed een’ krans van madeliefjes opzette +en allen, allen met bloemen en een klein cadeautje kwamen aandragen, tot zelfs de kleine Wim. Ze behoefde nu geene cadeautjes +te hebben: ze kon zich immers alles zelf wenschen; maar—een cadeautje met liefde gegeven—dat vond Nellie toch heel wat anders.—En +spelen; ja spelen kon Nellie genoeg: ze had immers zes aardige speelkameraadjes, die altijd even vriendelijk voor haar waren +en haar in alles den zin deden. Maar dat was het juist—Nellie wou, dat ze haar eens niet den zin gaven, ’t Was net, of de +vriendinnetjes levende ja-ja-poppen waren. Ze bleven altijd zoo gelijk—Nellie wou, dat ze ook eens boos werden, zooals de +broertjes en zusjes thuis. Dan was er eens een oogenblik ruzie, en daarna was ’t weer vrede; maar nu was ’t altijd zoo saai +lief en zoet. Soms—ja soms verlangde Nellie, dat ze een oogenblikje thuis mocht wezen in haar klein eenvoudig huis—soms wenschte +ze, eene gewone boterham thuis te mogen eten in plaats van al die lekkernijen hier. + +</p> +<p>Soms, ja. Dan dacht Nellie ook weer aan alles, wat haar het leven in huis zoo onplezierig gemaakt had: aan het brommen van +Moeder, aan de gefronste wenkbrauwen van Vader, aan het geplaag van de broertjes en zusjes. Maar—heel vroeger waren die allen +toch niet zoo onaardig tegen haar geweest, heel vroeger, toen ze nog niet zoo altijd en altijd zat te lezen. Toen—ze wist +het nog heel goed—toen vond ze ’t in huis ook wel gezellig en prettig. Maar toen deed ze ook graag iets voor anderen, net +als Clara. Zou ze misschien zelf ook een beetje schuld hebben? Maar <a id="d0e1957"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1957">155</a>]</span>kom—ze had nu zoo’n mooi leventje—ze kon zooveel lezen, als ze wou, en ze had altijd overvloed van mooie boeken. Maar ’t was +raar, soms was ’t, of ze ’t lezen niet meer zoo prettig vond. Ze las nu ook zooveel. Maar—ze kon immers ook wel eens een handwerkje +doen. Breien of naaien! Maar dat viel haar niet mee. Ze wist er zoo weinig meer van: ze wist niet eens meer, hoe ze den hiel +moest breien, en het rolnaadje wou maar niet rond worden. Ze had in den laatsten tijd in huis ook zoo weinig aan ’t breien +en naaien gedaan. Als Moeder haar er niet toe dwong, raakte ze nooit eene breikous of naaiwerk aan. Maar nu wist ze wat moois. +Ze wou borduren en allerlei aardige dingetjes maken van mooi gekleurde wol en zijde. Daar had ze thuis ook vaak zoo’n lust +in gehad, maar ze mocht niet. Moeder zei altijd: eerst maar flink leeren breien en naaien. Alleen met Sint-Niklaas mocht ze +eens voor den een of ander een aardig handwerkje maken. Ze wenschte zich nu allerlei benoodigdheden voor mooie, groote handwerken. +Ze kreeg, wat ze wenschte. Wat waren er prachtige patronen bij. Maar moeilijk ook, hoor! Neen, zulke moeilijke handwerken +maken kon ze niet. Wacht—ze zou wenschen: ik wil de knapheid hebben, om allerlei mooie dingen te maken! Maar—neen—’t was waar +ook—dat kon niet—ze kon alleen zichtbare dingen wenschen en knapheid dat was iets, waar je voor leeren moest! Nu—ze kon leeren. +Die zes vriendinnetjes wilden haar graag helpen; die konden alles en waren zoo handig. Maar toen ze bezig was, schaamde Nellie +zich zoo, dat zij alleen niets van handwerkjes wist, en dat ze zoo onhandig was. En toen ze eindelijk met groote moeite een +paar prachtige pantoffels klaar gekregen had, toen, ja, toen speet het haar zoo, dat ze er niemand blij mee kon maken. Wat +zou Vader in zijn’ schik geweest zijn met een paar pantoffels, die ze zelf voor hem gewerkt had. En Nellie dacht op eens aan +heel vroeger, toen ze eens een paar eigen gebreide sokken aan Vader gegeven had. Vader had de tranen in de oogen gekregen +toen en haar zijne knappe dochter genoemd. Neen—handwerkjes maken, daar had Nellie geen’ zin meer in.— + +</p> +<p>Als ze eens van al haar overvloed iets aan arme menschen ging brengen? Maar daar dacht ze op eens weer aan de geschiedenis +met den gulden. + +</p> +<p>Ze hoorde Moeder zeggen: geven moet ook met verstand gebeuren. Maar <a id="d0e1963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1963">156</a>]</span>wat dan? Och, Nellie wist het niet—ze wist alleen, dat ze in huis wou leven en nergens liever. Maar—hoe kan ze ooit weer in +huis komen? En als ze in huis kon komen, waar zou ze zeggen, dat ze geweest was? En—zouden Va en Moe haar wel ooit weer willen +hebben, nu ze maar zoo van hen weggeloopen was? + +</p> +<p>Op eens, terwijl Nellie weer zoo zat te zuchten en te tobben, kwam er een dichte nevel voor hare oogen, en toen de nevel optrok, +bleef er alleen een dunne sluier over, en achter dien sluier zag ze—de fee. + +</p> +<p>“Nu kindlief, heeft mijn tooverstaf je gelukkig gemaakt?” vroeg de fee. + +</p> +<p>“Neen, o, neen, beste fee,” riep Nellie. “Neem den tooverstaf terug, ik begeer al die heerlijkheden niet meer. O, ik bid U, +geef mij mijn eigen huis weer met de liefde van Vader en Moeder en de broertjes en zusjes.” + +</p> +<p>“Liefde kan ik je niet tooveren kind, liefde is iets, dat we ons zelf moeten verdienen. Ik kan je wel naar huis brengen, maar +bedenk wel: als je eenmaal den tooverstaf terug geeft, kun je hem nooit weer krijgen. En je hebt nog lang al het mooie in +de wereld niet gezien. Je kunt je zooveel wenschen, je kunt reizen over land en zee....” + +</p> +<p>“Niets wil ik meer, niets!” riep Nellie: “Als ik plezier zal hebben, wil ik het zelf verdienen, en ik wil niets liever dan +leven bij allen, die ik lief heb.” + +</p> +<p>Toen zwaaide de fee den tooverstaf: ’t was of er een hevig onweer opkwam, alles draaide om Nellie. ’t Was, of ze met kasteel +en al in een’ afgrond stortte—ze hoorde en zag niets meer..... +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Toen Nellie de oogen open deed, lag ze op een lekker bed en zag ze—in de lieve trouwe oogen van hare moeder. + +</p> +<p>“O, Moeder, lieve Moeder,” zei Nellie met een zwak stemmetje, “waar ben ik toch?” + +</p> +<p>“In je eigen bed, liefje,” zei de moeder, en ze streelde Nellie de heete wangen. “Gelukkig, dat je eindelijk wakker bent. +Je hebt ons zoo angstig gemaakt.” + +</p> +<p>“Angstig gemaakt? Wat heb ik dan gedaan, Moesje, en hoe kom ik hier in mijn eigen bed, in mijn eigen lief huis?” + +</p> +<p>“Stil, kindje, niet zooveel praten, je bent nog zoo zwak. We hebben je <a id="d0e1989"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1989">157</a>]</span>onder een’ boom gevonden in den tuin van den buurman met eene hevige koorts. Acht dagen lang heeft de koorts geduurd, en al +dien tijd heb je niets dan wonderlijke dingen gepraat, van een kasteel en een tooverstafje, en ik weet niet wat al.” + +</p> +<p>’t Was of Nellie een steen van ’t hart viel bij die woorden van Moeder. Ziek was ze, koorts had ze gehad acht dagen lang, +en in de koorts had ze alles—gedroomd. Ze was nooit wezenlijk weg geweest—o, hoe heerlijk, dat ze die lieve, beste Moeder +dat verdriet niet had aangedaan. + +</p> +<p>Daar stak Theodoor zijn’ krullebol om den hoek van de deur en fluisterde: “Slaapt ze nog, Moeder?” + +</p> +<p>“Ze is wakker en al een beetje beter,” zei Moeder, “maar st! rustig blijven, hoor!” + +</p> +<p>Ja, rustig blijven, dat kon Moeder wel zeggen, maar een oogenblik later klonk wel uit vijf kelen tegelijk een gejubel door +de gang: “Nellie is wakker, Nellie is wat beter!” + +</p> +<p>Als muziek klonken Nellie die blijde stemmen van hare broertjes en zusjes in de ooren. Gelukkig, o zoo gelukkig keek ze Moeder +aan. En ze pakte Moeders hand in hare beide handen en vroeg maar al weer: “Ben ik wezenlijk bij U, Moeder, en vind U me heusch +ook wel een beetje lief?” + +</p> +<p>“Och, gekkinnetje, geen beetje, maar heel lief,” zei Moeder. “Maar ga nu eerst weer een poosje rustig liggen en praat niet +meer.” + +</p> +<p>Dat deed Nellie heel gehoorzaam. En een poosje later kwam Vader met den dokter binnen. “Kom,” zei de dokter, “eindelijk de +oogen open. En wat kijk je vroolijk.” En toen den pols voelende: “nog zwakjes, maar dat kan niet anders na zoo’n langdurige +koorts. Ze heeft de ziekte zeker lang van te voren onder de leden gehad: dat denken altijd aan allerlei boekeverhalen, en +dan dat kou vatten na ’t inslapen onder dien boom maakte, dat de koorts uitbrak. Maar nu is ze op weg van beterschap, nu maar +veel gebruiken en rustig wezen en—vooral niet lezen! Geene boeken geven!” + +</p> +<p>“Nooit boeken weer!” riep Nellie. “Als ik weer beter ben, ga ik al mijne mooie boeken verbranden.” + +</p> +<p>“Ho, ho, wat,” zei Vader, “beloof niet te veel, kindje. Wat je belooft, moet je doen. Bovendien, is dat verbranden van boeken +heelemaal niet noodig. Kijk eens, mijn Nellielief, ’t gaat er net mee, als met de mooie <a id="d0e2009"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2009">158</a>]</span>roode en blauwe bloemen, die tusschen het koren groeien. Ze sieren het korenveld, en we zouden ze daar voor niet nog zooveel +willen missen. Maar ’t zou dom zijn op een’ akker alleen bloemen te laten groeien. Die dat deed, zou ’s zomers een prachtig +veld hebben; maar ’s winters honger lijden. En dat zou mijne Nellie bijna gedaan hebben. Zij wilde alleen van de korenbloemen +of de prettige boeken weten, en het koren, of de leerboeken, waar ze knap en flink door moest worden, daar hield ze niet van. +Maar nu in ’t vervolg zal ze van beide houden, dat weet ik zeker.” + +</p> +<p>Nellie knikte met een gelukkig lachje en tranen in de oogen Vader toe. + +</p> +<p>Nu waren de broertjes en zusjes niet meer te houden, en Nellie bedelde er om, ze toch even te mogen zien. Daar kwamen ze al +binnen: voorop Clara met een heerlijk kopje bouillon tot versterking, dan Theodoor, die zijn’ krakeling van den vorigen dag, +Zondag, voor Nellie had bewaard, Frits met eene zelf gekleurde prent, waarop soldaten stonden met roode neuzen en gele pluimen, +dan kleine Mina, die volstrekt haar mooiste pop aan Nellie wou geven: eene prachtige pop, die alleen maar pas geleden haar +neus plat gevallen had. Zelfs Wim hadden ze een stukje suiker in de hand gestopt, en die riep maar al: “Mim geven!” + +</p> +<p>Och, wat was Nellie blij met al die liefde van haar eigen lieve ouders en broertjes en zusjes. Ze had daar in hare ziekte +immers zoo naar verlangd. + +</p> +<p>Toen Nellie wat sterker was, zaten de broertjes en zusjes vaak allen om haar bed, en dan moest Nellie vertellen van hare koortsdroomen, +van de tooverfee en het prachtige kasteel en de mooie vriendinnen, en dan zaten allen met open mond te luisteren. Maar als +Nellie dan ook vertelde, hoe ze zich met al die heerlijkheden toch eigenlijk zoo ongelukkig gevoeld had, kregen ze de tranen +in de oogen en waren ze met Nellie blij, dat het mooie kasteel eindelijk maar in den grond gezonken was. + +</p> +<p>Toen Nellie heelemaal beter en sterk en flink was geworden, werd ze een heel ander meisje. Met Clara mee deed ze honderd kleinigheden +voor Moeder en de kleintjes! Ze zat altijd op tijd gezellig aan tafel en hield vroolijke praatjes met den een en den ander. +Op school werd ze weer een van de beste leerlingen. En lezen—ja lezen deed ze veel, maar niet <i>te</i> veel. Vader zorgde voor flinke boeken, waar ze ook wat uit leeren <a id="d0e2024"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2024">159</a>]</span>kon, maar ook voor aardige vertellingboeken. Daarin mocht ze echter alleen voor versnapering lezen, en van die enkele uurtjes, +die ze daarvoor nam, had ze vrij wat meer plezier dan van al de uren, die ze vroeger in stilte tegen den wil van Vader en +Moeder gebruikte. Nu begreep ze ook, hoe mooi de korenbloemen stonden tusschen het graan. + +</p> +<p>Nellie werd niet op eens een engeltje van liefheid en zoetheid: ze had hare gebreken, zooals ieder ander kind; maar dat ééne, +dat groote gebrek had ze niet meer, en dat maakte niemand gelukkiger dan Nellie zelf. Een vriendelijk lachje van Moeder, een +tevreden knikje van Vader en een gezellig meedoen met broertjes en zusjes maakten haar het leven in huis zoo gelukkig, dat +ze haar eigen huis voor het mooiste kasteel uit de feeënwereld niet had willen missen. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2028"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Het betooverde Horloge.</h2> +<p>Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.—O, dan had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. +Of—ze was te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je wel, dat er in haar huis geene klokken waren. +Of—nog mooier—dat ze geen’ mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette +het meisje, kon best op de klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers, in de keuken, in de gang, +overal! En een mond, om te vragen? Neen, maar, nu moet ik lachen! + +</p> +<p>Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, +ze keek eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat—het haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed +alles—niet wanneer het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd te laat op. Ze treuzelde bij ’t aankleeden. +Ze kwam te laat aan ’t ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs +te laat op de visite.—En nooit dacht ze: “O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken: daar doe ik Vader of de juffrouw +of mijne <a id="d0e2035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2035">160</a>]</span>vriendinnetjes plezier mee.” Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken. + +</p> +<p>Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader +kon niet altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis, en als hij thuis was, moest hij meest op zijne +studeerkamer zitten werken. Zoo had hij geen’ tijd, om veel op zijn kind te letten, geen’ tijd, om haar telkens te zeggen, +hoe onaardig en—dom ze deed. + +</p> +<p>Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.—Waar had ze bleeke wangen van? Wel, van ’t late opstaan en ’t +late naar bed gaan.—Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat +was!—Op de visite lachten de vriendinnetjes haar uit en noemden haar “Juffertje Te Laat.”—En als ze groote menschen op zich +wachten liet, zeiden ze allemaal: “Foei, wat een onbeleefd kind! ’t Is te hopen, dat ze die leelijke gewoonte nog afleert, +eer ze groot is.” + +</p> +<p>Ja, ’t was te hopen; maar—het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter, maar ze bleef “Juffertje Te Laat!” Toen ze al geen jongejuffrouw +meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min aan de klok. + +</p> +<p>Hilda’s vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor +den koetsier en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij +slecht weer! + +</p> +<p>Als iemand haar nu gezegd had: “Hilda, denk toch aan dien armen koetsier en die stumpers van paarden,” ja, dan zou ze zich +uit medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar—er was niemand, die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht +ze aan zulke dingen nooit. + +</p> +<p>Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. +Eindelijk kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, +dat het haar speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam, als ze lust had, en daarmee uit. +<a id="d0e2049"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2049">161</a>]</span></p> +<p>Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest +om uit te gaan, dan treuzelde ze ’k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten +en laden en doosjes, waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon voor, de andere na, eer ze er eene +koos, om aan te doen. Dan stond ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare kleeren. En als ze dan +eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had. + +</p> +<p>Soms zei ze wel eens: “Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo erg niet. ’k Heb ook zoo’n slecht geheugen, ’k vergeet +altijd op de klok te kijken.” + +</p> +<p>Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen +zier, dat kun je wel begrijpen. + +</p> +<p>Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er met Juffertje Te Laat gebeurde. + +</p> +<p>Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel +van haar petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet +van haar verteld. Maar de fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een lief meisje zou zijn, als ze +dat ééne groote gebrek maar niet had. “Ik wou toch,” dacht de fee dikwijls, “dat ik Hilda kon leeren begrijpen, hoeveel verdriet +en last ze een ander doet en—hoeveel verdriet ze er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat.” + +</p> +<p>De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders, +dat onaardig was. Maar dat op ’t laatst iedereen haar petekind “Juffertje Te Laat” noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. +Dat kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene minuut te vroeg of te laat. “Twaalf uur,” zei ze +dikwijls, “dat is niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf uur is twaalf uur.” Nooit liet ze dan +ook iemand wachten; maar ze kon evenmin verdragen, dat iemand haar <a id="d0e2062"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2062">162</a>]</span>wachten liet.—Daarom noemden de menschen haar voor de aardigheid “Mevrouw Op Tijd.” + +</p> +<p>En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.—Op +een goeien dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan: “Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind. + + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline"><span class="corr" title="Bron: ">“</span>Je je liefhebbende peettante.”</span></p> +</div> +</div> +<p>De volgende dag kwam, en ’t werd twaalf uur, dat was in dien tijd voor de meeste menschen het uur van ’t middageten, ’t Werd +twaalf uur—en bij den eersten slag stond ook al ’t rijtuig van de fee “Op Tijd” voor Hilda’s deur. Bij den twaalfden slag +stapte ze de eetkamer binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte tafel—daar had de knecht voor +gezorgd—maar geene Hilda, om hare peettante op te wachten en te verwelkomen! + +</p> +<p>“Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat,” bromde de fee. ”’t Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen.” +En verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten. + +</p> +<p>Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis, en ze wist toch, dat de fee komen zou!— + +</p> +<p>Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten, dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. +Ze had haar al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten. + +</p> +<p>Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.—Nelly wist niet wat ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor +zich zag staan. + +</p> +<p>“Heerlijk, dat je komt,” riep ze vroolijk, <span class="corr" title="Bron: ">“</span>nu kun je me meteen helpen uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en mantels, om uit te kiezen. Kun +je een poosje blijven? Dan maken we samen de doozen open.” + +</p> +<p>Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!—Het +duurde geene tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en deksels, vol hoeden en mantels. + +</p> +<p>Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen <a id="d0e2090"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2090">163</a>]</span>en Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te denken. ’k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, +dat Hilda uur en tijd bij ’t mooie spelletje vergat. ’t Werd elf uur, ’t werd twaalf uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker +niet meer aan hare peettante, die zou komen eten.—’t Werd half één, kwart voor één, en nog waren de meisjes bezig, alsof er +niets beters op de wereld te doen viel. + +</p> +<p>Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen: ’t was etenstijd.—“O wee, al één uur!” riep Hilda, “en wij +eten om twaalf en...—’t is waar ook: mijne peettante zou komen eten.”—Toen gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. +Maar die mooie winkels onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor stilstaan. Te laat was het toch—wat +kwam het er eigenlijk ook opaan, of nog ’t een kwartiertje later werd!— + +</p> +<p>Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde, dat Hilda’s peettante er al lang was. + +</p> +<p>De goede fee was van ’t lange, vervelende wachten op ’t laatst in slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; +want Hilda’s vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.—Daar op eens ging de deur open en Hilda trippelde haastig naar +binnen. + +</p> +<p>“Dag, mijne lieve, beste peettante,” riep ze, “o, ik durf U haast niet aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten +wachten. Wat zult U toch wel van me gedacht hebben!”—Nu, de fee was te goedhartig om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht +had. Ze zei alleen: “Nu, als ’t je maar spijt, kindlief, dan is ’t ook goed.—Maar zeg eens: hoe laat is ’t eigenlijk, ik heb +een poosje geslapen.” + +</p> +<p>De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. “O, lieve peettante, +vraag me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken,” zei ze.—“Meisje, meisje,” dacht de fee, ”’t is nog erger met je, +dan ik meende. Je wilt je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben.” + +</p> +<p>Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof +ze er niet veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo liep alles veel prettiger af, dan Juffertje +Te Laat wel gedacht had. +<a id="d0e2104"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2104">164</a>]</span></p> +<p>Na ’t eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. +De tijd vloog om: ’t was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht. + +</p> +<p>Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt open en—Hilda’s vader komt haastig binnen. Nog met den +deurknop in de hand roept hij: “Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar, om mee te gaan?” + +</p> +<p>Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan +hij zijne oogen haast niet gelooven. “Maar heb ik nu van mijn leven,” riep hij, “heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?”—“Uw +briefje, beste Papa?” zei Hilda met een onschuldig gezicht. “Zeker heb ik dat gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne +peettante er is!”—Neen, dat had Hilda’s vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd boog hij nu voor de fee en +zei: “Ik hoop maar niet, dat U ’t me erg kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat kind! Ik zal +er nog grijze haren van krijgen, zoo’n verdriet heb ik van haar.” + +</p> +<p>“Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?” vroeg de fee.—“Ik zal ’t U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, +hoe U zoo iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een uurtje van hier woont, heeft ons van avond +op een feest genoodigd. Eene groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den prins noodzakelijk spreken. +In eene heel gewichtige zaak zou ik graag zijn’ raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de prins heeft het verbazend +druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.—U kunt denken, hoe blij ik +daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk, eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu +wel een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda, dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te +zijn. Dan zou het rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom en denk natuurlijk, dat Hilda al kant +en klaar op me zit te wachten en—zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: ’t rijtuig kan ieder oogenblik vóór zijn, en +we kunnen den prins toch niet laten wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen’ raad.” +<a id="d0e2113"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2113">165</a>]</span></p> +<p>“Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?” vroeg nu Hilda heel bedaard, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. + +</p> +<p>“Wat?” riep de vader, rood van boosheid, “alleen gaan? Nu wordt het nog mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil +hooren zingen. Om je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet meegaan! Als ik zonder je kom, is de +prins natuurlijk boos en durf ik.....” Op eens hield Hilda’s vader op. Bleek van schrik riep hij: + +</p> +<p>“O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!” + +</p> +<p>Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel +ze hare peettante om den hals en knikte: “Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan niet meer klaar komen en ’t spijt me +toch zoo vreeselijk, dat ik Papa dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!”— + +</p> +<p>De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles wist. Maar nu ze zag, hoe’n spijt Hilda had, kreeg ze +medelijden. “Nu, kindje,” zei ze troostend, “wees maar bedaard, we zullen zien. Kom eerst eens hier, wat is je japonnetje +gekreukeld.”—Hilda kwam. Toen streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden over Hilda’s japon. En zie—daar +is het eenvoudige kleedje in eens omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda’s voetjes steken in fijne goudleeren +schoentjes!—De vader sprong van zijn’ stoel op en wist zich geen’ raad van vreugde. En Hilda’s tranen, of die ook gauw opgedroogd +waren! En Hilda’s verdriet en berouw? O, daar dacht ze al niet meer aan. ’t Was nu immers alles nog in orde gekomen: ze kon +nog met haar vader naar ’t feest gaan en—toen ze even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die lieve, +beste fee! ’t Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam +Hilda gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. “Och,” riep nu de fee, “laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet +komen waarschuwen, dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten.” + +</p> +<p>Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje kwam te voorschijn—een snoeperig klein, keurig bewerkt +gouden horloge aan een fijnen gouden ketting! “Mij dunkt, lieve kind,” zei de fee lachende, <a id="d0e2126"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2126">166</a>]</span>terwijl ze den ketting om Hilda’s hals hing, “een beter present kan ik je wel niet geven. ’k Hoop, dat dit dingetje, zoo klein +als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, +dat je in ’t rijtuig komt. Veel plezier, kind!”—En voordat Hilda tijd had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit. + +</p> +<p>Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, +dat ze gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen: ’k geloof, dat ze veel liever een’ armband of zoo +iets zou gehad hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och +neen, dat was haar veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers ook veel gemakkelijker. Maar— <i>dit</i> horloge was veel, veel mooier en kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En ze behoefde er immers +niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.— + +</p> +<p>Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke +dingen kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.— + +</p> +<p>De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins +ontving Hilda en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren, én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier +zou doen, dien avond eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! “Dat is een goed begin,” dacht Hilda’s +vader, en hij wreef zich de handen van plezier over de vriendelijkheid van den prins. + +</p> +<p>In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het duurde dan ook niet lang meer of allen werden door +een deftigen bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen +de maaltijd afgeloopen was, verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst om negen uur beginnen—tot +zoolang mocht ieder gaan waar en doen, wat hij wilde. + +</p> +<p>“Kom, Vadertje,” zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den arm. <a id="d0e2141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2141">167</a>]</span>“Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? ’t Zal daar zoo heerlijk zijn!”— + +</p> +<p>“Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de groene boomen ’t klokje van negen niet vergeten?” fluisterde +er op eens iemand aan haar oor. ’t Was de prins, die bij haar gekomen was, zonder dat ze ’t merkte. “Denk er aan, dat U me +voor ’t begin van mijn feest een mooi lied beloofd hebt!” + +</p> +<p>Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: +dat was toch heel vervelend.—“Zeker, zeker, prins,” zei ze daarom maar gauw, “U kunt vast op mij rekenen.” + +</p> +<p>Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste +bloemen. Tusschen ’t fluweelige gras en langs de keurige paden stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in +groote vijvers met statige boomen er om heen. + +</p> +<p>Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat +was het daar kostelijk! De bloemen geurden en ’t water ruischte, de maan scheen helder over ’t water, en de lucht was zoo +zacht!—Langzaam aan kwamen er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk alle banken vol waren en sommigen +zelfs een plaatsje zochten op het zachte gras.—Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken en luisteren naar al +het mooie om hen heen. Maar toen stond een van de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den vijver, +de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens opzeggen zou. ’t Was een heel mooi vers; maar lang, lang—er kwam +geen eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren—aan uur of tijd dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak +met den prins.—— + +</p> +<p>Daar op eens, toen ’t vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel duidelijk door de stilte van den avond: “Tik, tik, +tik, tik!”—“Wat is dat?” riep de man met het vers. “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat is dat?” riepen allen. Hilda was verschrikt +opgesprongen. <i>Zij</i> behoefde niets te vragen, <i>zij</i> had dadelijk wel begrepen, wie daar met zijn helder stemmetje <a id="d0e2159"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2159">168</a>]</span>tik, tik gezegd had. “Dank je wel voor de boodschap, kleintje,” zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare hand over +het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen riep zoo vroolijk: “Komt mee, dames en heeren, ’t is tijd voor +het avondfeest!” Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar. + +</p> +<p>Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar +Hilda, boog lachende voor haar en—zei: “Dat noem ik eerst op zijn’ tijd passen!” + +</p> +<p>Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het +beter, en toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het een lust was. Toen ’t lied uit was, kwam er +aan ’t handengeklap geen einde. Maar wie nog ’t hardst van allen klapte, dat was de prins, die zoo dol veel van zingen hield.—En +weer moest Hilda zingen en nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de hand en zei, dat hij in langen +tijd niet zoo in zijn’ schik geweest was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan moest ze het maar +zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige zaak. +Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... “O, als ’t anders niet is,” riep de prins lachende, “graag, hoor! +En wel dadelijk ook!”—Zoo ging Hilda’s vader dan met den prins naar eene andere kamer, waar ze rustig konden praten. + +</p> +<p>’t Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde: dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins, +weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda dankbaar toe. “Verbeeld je,” dacht Hilda, “als ik nu eens +niet op tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!”— + + +</p> +<p>’t Was al laat in den nacht, toen Hilda van ’t feest naar huis reed. + +</p> +<p>“Kind,” zei haar vader, “wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien +gouden armband van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!” Hilda klapte in de handen van plezier. “Heerlijk, +heerlijk!” riep ze. <span class="corr" title="Bron: ">“</span>En gaan <a id="d0e2174"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2174">169</a>]</span>we hem dan samen koopen morgen?”—“Zeker, zeker, kind! zorg dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb +het druk!”—Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister +te spreken, die tegen elf uur bij haar zou komen. + +</p> +<p>Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van ’t feest en had niet +den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond +gezien en gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... +al die aardige menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe begon dat nog maar weer?... + +</p> +<p>“Tik, tik, tik, tik!” Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind in haar bed en keek verschrikt rond. “Tik, tik, tik, tik!”.... + + +</p> +<p>Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep: “O, ’k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren +avond. Tik, tik, tik.... Ja wel, ’k begrijp het: ’t is tien uur, en eigenlijk moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den +armband te koopen. Tik, tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge, maar ’t is nu toch al te laat, +’k blijf er nog vijf minuten in!” + +</p> +<p>En Hilda vlijde haar hoofd weer op ’t kussen. Maar—daar klonk het veel harder: “tik, tik, tik, tik!”—“Kleine levenmaakster!” +riep nu Hilda, “kun je me niet met rust laten!” + +</p> +<p>“Tik, tik, tik, tik, tik!”—“Nu als het dan niet anders kan, zal ik je den zin wel geven. Daar ben ik al!” En meteen sprong +ze, half boos, half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.— + +</p> +<p>Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en ’t was nog maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm +de deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, +en daarom zei hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij, daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde +heel wat langer, eer Hilda klaar was met het kiezen van een’ armband. Wat een armbanden moest de goudsmid voor haar uitstallen! +Wat een gezoek en gepas en gevraag. +<a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">170</a>]</span></p> +<p>Daar—midden in het drukke gesprek met den goudsmid—wees de klok in den winkel elf uur aan. En op ’t zelfde oogenblik, daar +had je ’t weer: “Tik, tik, tik, tik!”—“Wat blieft u, Juffrouw?” vroeg de goudsmid. “O, niets,” zei Hilda, ”’t is mijn horloge +maar.—En hoeveel kost die armband, zei U?”—“Tik, tik, tik, tik!”.... klonk het weer. “Ja, ja, weet ’k er alles van,” bromde +Hilda ongeduldig in zichzelf, ”’t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje wachten, ik kan niet dadelijk +weg.” Toen weer tegen den goudsmid: “Dat is toch wel wat duur. Zou....” + +</p> +<p>Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. “Neen maar, dat gezeur is niet om uit te staan,” riep Hilda nu. “Zóó laat +ik niet den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende horloge maar in Uw’ zak. Misschien houdt het zich +dan stil.” Maar ja wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak, en toen Hilda’s vader even op de stoep +van den winkel ging staan, om een’ vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge uit de verte toch nog met eene +zware stem: “tak, tak, tak, tak!” + +</p> +<p>Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder +gluurde in den winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel niet anders doen, dan heengaan en ’t horloge +zijn’ zin geven. Daarom deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk werd het horloge zoo stil als +eene muis.— + +</p> +<p>Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie +stoffen en nieuwe patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu was het praten, zoeken, kiezen, +overleggen geen gebrek. Ik weet niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig naar haar horloge gekeken +had, dat op een tafeltje lag. Maar dat gebeurde—’t wees juist even vóór twaalven. “O, heden,” dacht Hilda, “al zoo laat! ’k +Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je +wat: ik breng ’t horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te vertellen, dat ik op mijn’ tijd moet passen, en ’k heb +nu eens geen’ zin, gestoord te worden!”—Ze <a id="d0e2197"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2197">171</a>]</span>nam dus het horloge van de tafel, ging er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la van eene kast. + + +</p> +<p>Maar—pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. +“Tok, tok, tok, tok!” klonk het door de kamer, ’t Was net een geluid, alsof er vlak bij gehamerd werd. “Hé, wat is dat toch, +Juffrouw?” riep de naaister. “O, niets,” zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. “Hebben we deze stalen al gezien?” + +</p> +<p>“Tok, tok, tok, tok....”—“Maar Juffrouw,” riep de naaister angstig, “zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?”—“Och kom,” +zei Hilda bedaard, maar hare vingers beefden, ”’t is heusch niets. Wil U me die plaat nog eens aangeven?” + +</p> +<p>”<i>Tok, tok, tok, tok....</i>” Het horloge—je hebt natuurlijk evengoed als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan kwam—het horloge +hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte, hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. ’t Werd +zóó erg op ’t laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan de naaister laten gaan. + +</p> +<p>Verdrietig, dat ze was! “Lastig, naar horloge,” pruttelde ze, “hoe kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust +noch duur van en kan heelemaal niet meer doen met mijn’ tijd, wat ik wil.” Maar al pruttelende ging ze toch naar beneden, +en dadelijk ook hield het leven in de kast op. ’t Horloge was tevreden. + +</p> +<p>De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf +al aan tafel kwam. “Wel, meisje,” riep hij: “zoo mooi op tijd! Dat is lief van je: ’k heb erge haast vandaag.” Hilda kreeg +weer eene kleur: ze wist wel, dat ze ’t prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze dacht ook: “Als ik Papa er zoo’n groot +plezier mee doe, wil ik toch later uit mezelf beter op den tijd letten.” Van de geschiedenis met het horloge vertelde ze niets, +je zult wel begrijpen, waarom.— + +</p> +<p>Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw +wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude man. Bedelen deed hij <a id="d0e2214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2214">172</a>]</span>niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen was, nog +wel eens bij haar aankloppen.—Maar nu kon ze toch moeilijk van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. “Laat hij straks +om twee uur maar terugkomen,” zei ze daarom tegen den knecht. + +</p> +<p>Toen ’t maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, +dat ze prachtig vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk laag stoeltje met de voetjes op een zacht +voetkussen, en het duurde geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze las en las maar voort: de eene +bladzijde na de andere, het eene hoofdstuk na het andere, totdat ze aan ’t mooiste gedeelte van ’t verhaal gekomen was. Toen +liet ze het boek even in haar schoot vallen en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. “Hè, wat is lezen toch +heerlijk,” dacht ze, ”’k zou wel al door kunnen gaan. En, nu krijg ik ’t mooiste nog. ’k Hoop maar niet, dat iemand me storen +komt. Zou ’t al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee, dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan +’t praten is, is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben—’k wil mijn boek uitlezen.” Gauw schelde +ze het kamermeisje en zei: “Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor hem te spreken ben. Morgen, +hoor!” + +</p> +<p>Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets te binnen schoot, ”’t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap +geef,” riep ze, “dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies, wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng +het weg, voordat het weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?—O, ’k weet het al!” En vlug wipte ze de deur uit, de trap +af, eene gang over, nog eene trap af en zóó in eenen door, tot ze—in den kelder was. Daar stopte ze het horloge in een donkeren +hoek en wip—weg was ze weer. Een paar minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de hand. “Ziezoo,” dacht +ze, “roep me nu maar, ik hoor je toch niet.” + +</p> +<p>Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht +hoorde, dat de juffrouw niet voor hem te spreken was. “Och, och,” zuchtte hij, “wat <a id="d0e2222"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2222">173</a>]</span>spijt me dat!” Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan, toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. “Paf, paf, +paf, paf!” ... ’t was, of er geweren afgeschoten werden. + +</p> +<p>Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. “Paf, paf, +paf, paf...” in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de spiegels dansten aan den muur. + +</p> +<p>Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. “Hoort U ’t wel, Juffrouw?” riep ze. Nu, òf Hilda ’t gehoord had: ze was +ook van schrik opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen. + +</p> +<p>”<i>Paf, paf, paf, paf ....!</i>” ’t Geluid werd nog harder. Een mooi beeldje op de schrijftafel viel en brak. “O, Juffrouw, wat zou het toch zijn,” schreide +Roosje met de handen voor ’t gezicht.—Hilda gaf geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar ’t geluid vandaan kwam. ’t Was haar +horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den kelder toeriep: “Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!” + +</p> +<p>“Goed, goed, ik ga al,” zei Hilda, zonder dat ze ’t wist, hardop. En pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden +te gaan, of—de slagen hielden op. + +</p> +<p>En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met +zijne magere, bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot medelijden en erge spijt, dat ze den stumper +aan de deur weg had laten sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn lang verhaal, liet hem eten +geven en oude kleeren van haar vader, en zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde te lijden. + + +</p> +<p>’k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man was en—hoe’n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn +weg was. Boos op het horloge was ze in ’t geheel niet meer: ja, ze schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt +had. Ze haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje in den kelder en nam het mee naar hare kamer. “Ziezoo,” +dacht ze, “nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen.” + +</p> +<p>Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich +aan te kleeden. <a id="d0e2241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2241">174</a>]</span>Toen ’t rijtuig voor de deur was, stond “Juffertje Te Laat” wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen. + +</p> +<p>Maar—juist op ’t oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan—wie komt me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt +op Hilda toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om den hals en kust haar op beide wangen. + +</p> +<p>Wie was dat dan toch wel!—Ik zal ’t je vertellen. Die boerenvrouw had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje +en later een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog +maar een paar maanden oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda gezorgd en haar vertroeteld, alsof +ze haar eigen kind was.—Later was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon ze Hilda niet: daarvoor had +ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam ze “haar kind,” zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan altijd een heerlijke +dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was lang +ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En dan—’t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, +waar Hilda woonde. Maar ze was op ’t laatst zoo naar haar “kind” gaan verlangen, dat ze ’t niet langer kon uithouden. En daar +was ze nu!— + +</p> +<p>Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in ’t <span class="corr" title="Bron: rijuig">rijtuig</span> stappen, om naar ’t bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven en—den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al +weer vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: “Och, och, wat spijt me dat! En ’t zal wel voor de laatste +maal zijn, dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist +uit moet, waar ik me zóó op verheugd had!” + +</p> +<p>Je begrijpt: ’t was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat +ze haar na zoo’n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig, dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld +had—en dat wil wat zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch moeilijk van ’t bal thuis blijven.... +En ze had toch ook weer zoo te doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had. +<a id="d0e2254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2254">175</a>]</span></p> +<p>“Hoor eens,” zei ze vriendelijk, “ik weet wat! Ik zal maar een paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een +gezellig uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?” Ja, ja, dat was heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. +Toen gaf Hilda haar een’ kus op de rimpelige wangen en wipte in ’t rijtuig. Flip, flap, ging de zweep, en voort draafden de +paarden.— + +</p> +<p>Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze dat ook werkelijk. Maar nu ze in ’t rijtuig zat, begon +ze zich hoe langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En—ze begon het jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig +van zou genieten. Een paar dansen maar en—ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den prachtigen nieuwen armband +had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw al weer naar huis te gaan!—Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur, dat was +vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja, tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot +haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als ’t horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. +Als het haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens leven ging maken op het bal, midden tusschen al +die voorname heeren en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze zou het horloge weggooien op eene eenzame +plek, dan kon ze rustig op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het rijtuig juist vlak langs den muur +van de stad reed. “Juist goed,” dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog, dat haar vader, die in een +hoekje van het rijtuig zat te dommelen, het niet hoorde, stak de hand naar buiten en—daar lag het horloge aan den anderen +kant van den muur in eene droge sloot.—“Hè, dat is gebeurd,” dacht Hilda tevreden, “nu ben ik er voor goed af.” + +</p> +<p>Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien +eersten dans danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder noemde haar de koningin van ’t bal. Wat +klopte Hilda’s hartje van plezier! In ’t begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest; want telkens meende ze zulke +vreemde, doffe geluiden in de lucht te <a id="d0e2261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2261">176</a>]</span>hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot misschien zóó liggen te zuchten, dat ze ’t hier hooren +kon? + +</p> +<p>’t Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen +heelemaal uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en ook—hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, +die thuis met verlangen op haar zat te wachten. En op ’t laatst dacht ze nergens anders meer aan dan aan haar eigen plezier. +Ze zwierde maar in ’t rond, lachte, praatte..... + +</p> +<p>Maar hemel, wat was dat! “Boem, boem, boem, boem!” klonk het door de zaal. Alles dreunde en kraakte, ’t Was, of er vlak bij +kanonnen werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen, en alle gasten liepen angstig door elkaar. + +</p> +<p>En het bleef niet bij een paar slagen: ’t ging maar zonder ophouden: boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in +de stad hoorden het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar vensters en deuren, om te zien, wat +er toch te doen was.— + +</p> +<p>En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. <i>Toch</i> het horloge! ’t Was, of het zeggen wou: “Stop me maar weg, zoover je wilt: ik laat je niet met rust, je <i>zult</i> me hooren!” + +</p> +<p>Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war, dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor +’t gezicht en begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen, die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, +de gangen door, de deur uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de voeten, de straat op. + +</p> +<p>Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard naar huis was gereden, dan zou het horloge op ’t zelfde oogenblik +stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame +straten, altijd maar den kant uit, waar ’t geluid vandaan kwam. De voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude +nachtwind blies haar om ’t hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd +na en vroegen elkaar af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette nergens op: ze liep maar voort, altijd +voort. <a id="d0e2281"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2281">177</a>]</span>En onderwijl dreunde het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van. + +</p> +<p>Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad, dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. +De poort was al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels en maakte de poort open. Nu dadelijk in +de droge sloot. Wel scheurde Hilda haar dunne kleedje aan een’ struik, wel gleed ze telkens uit; maar wat kon haar dat alles +schelen, als ze ’t horloge maar had!—En ja, daar zag ze het glinsteren in ’t maanlicht, daar had ze het in de hand! Nog altijd +sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien verging er Hilda bij. + +</p> +<p>“O, wat ben je toch een afschuwelijk ding,” riep ze bevende van boosheid, “ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan, +ik zal.....” + +</p> +<p>En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien—toen ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag +drukte. + +</p> +<p>Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór haar?.... Niemand anders dan—de fee! + +</p> +<p>Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op. + +</p> +<p>En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: “Maar kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? +Moet het horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te worden, omdat het je leeren wil op den tijd +te letten?—En meen je nu heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je ’t horloge tegen den muur hadt gegooid? Dan heb +je het heelemaal mis! Ik ben niet voor niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan het stuk gaan, +wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet, dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar ’t andere eindje +van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen en zeeën heen. ’t Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen +op tijd te doen, wat je doen moet!” + +</p> +<p>Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda’s hals. Hilda’s oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. +Maar de fee hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei: “Kindlief, denk toch nooit: ’t horloge is +mijn vijand, het wil me plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: ’t horloge is een vriend, <a id="d0e2297"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2297">178</a>]</span>die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je dan +om je heen zult zien en hoe ’n prettig, tevreden gevoel je zelf altijd zult hebben!—Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je +vriendelijk aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig op je? Vond je het heusch prettig, dat je +overal ‘Juffertje Te Laat’ heette? ’k Geloof er niets van!—Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig eens naar den wijsvinger +van je kleinen vriend en luister naar zijn stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te worden. Dan +maak je jezelf en anderen gelukkig.—Dag, lieveling!” + +</p> +<p>Toen kuste de fee Hilda op ’t voorhoofd en..... + +</p> +<p>Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu zag. Als door een’ tooverslag stond ze niet meer in haar +gescheurd balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar—ze zat in haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen +gezellige kamer aan de tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar, tevreden gezicht en stak haar +de hand toe.— + +</p> +<p>Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan, behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien +van vreugde. + +</p> +<p>De fee—was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.—En hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd +werd Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, +kun je wel raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel dikwijls raadpleegde ze haren vriend en +luisterde hoe langer hoe meer naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: “Tik, tik, tik, tik! Denk aan den tijd, den +tijd, den tijd!”—Ja, eene enkele maal moest het nog wel roepen: “<i>Tik, tik, tik!</i><span class="corr" title="Bron: ">”</span> Maar nooit meer: “Tak, tak, tak!” En nog veel minder: “Tok, tok, tok!” of “Boem, boem, boem!” + +</p> +<p>Dat was alleen in den tijd van “Juffertje Te Laat”. En die bestond nu niet meer. + + + +<a id="d0e2314"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2314">179</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e2315"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>De Visscher en zijne Vrouw.</h2> +<p>Er was eens een visscher, en die woonde met zijne vrouw in een heel armoedig hutje. Het hutje stond vlak bij een’ mesthoop, +niet ver van de zee. De visscher ging alle dagen naar de zee, en hij vischte en hij vischte. + +</p> +<p>Zoo zat hij ook eens bij zijn’ hengel, en hij tuurde in het heldere water: en hij tuurde en tuurde. + +</p> +<p>Daar ging de hengel naar beneden, diep naar beneden, en toen hij hem ophaalde, hing er een groote bot aan. Toen zei de bot: +“Och, visscher, ik bid je, laat mij leven, ik ben geen rechte bot, ik ben een betooverde prins. Wat helpt het je, dat je mij +dood maakt, ik zou je toch niet recht smaken: doe mij weer in ’t water en laat mij zwemmen.”—“Nu,” zei de visscher, “je behoeft +niet zooveel woorden te gebruiken: een’ bot, die praten kan, had ik toch wel weer laten zwemmen.” Met liet hij hem weer in +’t heldere water; daar ging de bot naar den grond en liet eene lange streep bloed achter zich. Toen stond de visscher op en +ging naar zijne vrouw in het armoedige hutje bij den mesthoop. + +</p> +<p>“Man,” zei de vrouw, “heb je niets gevangen?”—“Neen,” zei de man, “ik ving een’ bot, die zei, dat hij een betooverde prins +was: toen heb ik hem weer laten zwemmen.”—“Heb je je dan niets gewenscht?” zei de vrouw. “Neen,” zei de man, “wat zou ik mij +wenschen?”—“Ach,” zei de vrouw, ”’t is toch naar, hier altijd in een hutje bij een’ mesthoop te wonen, dat ruikt zoo vies, +je hadt ons toch een klein huisje kunnen wenschen. Ga nog heen en roep hem weerom, zeg, we wenschten ons een klein huisje, +hij doet het wel.”—“Ach,” zei de man, “waarom zal ik er nog heengaan?”—“Heden nog toe,” zei de vrouw, “je hebt hem toch gevangen +en hem weer laten zwemmen, hij doet het natuurlijk. Ga dadelijk heen.” + +</p> +<p>De man zag er wel wat tegen op, om te gaan; maar hij wou zijne vrouw ook graag den zin doen, en hij ging dralend naar de zee. + + +</p> +<p>Toen hij er kwam, was de heele zee groen en geel en een oogenblik later paars en donkerblauw en heelemaal niet meer helder. +Maar ’t water bewoog zich niet: ’t was stil. Hij ging aan den oever staan en riep: +<a id="d0e2330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2330">180</a>]</span></p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Mannetje, mannetje Timpetee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zoo als ik wel wil.”</span></p> +</div> +</div> +<p>Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: “Zoo, wat wil ze dan?”— “Ach,” zei de man, “nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen, +ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje bij een’ mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben.” + + +</p> +<p>“Ga maar heen,” zei de bot, “ze heeft het al.” + +</p> +<p>Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond +een aardig steenen huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem bij de hand en zei: “Nu ga maar eens +mee binnen: kijk, zoo is het toch veel beter.” En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig portaaltje en eene mooie +kamer en eene slaapkamer met twee bedden’ en eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper aan den +wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En achter ’t huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder +naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en andere vruchten. “Zie,” zei de vrouw, “is dat nu niet aardig?”—“Ja,” +zei de man, “nu is ’t goed, en nu zal ’t ook goed blijven, nu willen we tevreden leven.”—“Daar zullen we nog eens over denken,” +zei de vrouw. En ze aten wat en gingen in bed. + +</p> +<p>Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: “Hoor eens, man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek +en de tuin zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen +wonen: ga naar den bot en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet.”— + +</p> +<p>“Ach, vrouw,” zei de man, “het huisje is immers goed genoeg, wat hebben we een aan kasteel?”— + +</p> +<p>“Och, kom,” zei de vrouw, “de bot kan het gemakkelijk doen.”—“Neen, vrouw,” zei de man, “de bot heeft ons eerst het huisje +gegeven, ik heb geen’ lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig om <a id="d0e2352"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2352">181</a>]</span> worden.”—“Kom, ga toch heen,” zei de vrouw, “hij kan het gemakkelijk doen en wil het graag doen.” Het werd den man zoo zwaar +om ’t hart, hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: ”’t is verkeerd;” maar hij ging toch. + +</p> +<p>Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo +benauwd. + +</p> +<p>Toen ging hij staan en riep: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Mannetje, mannetje Timpetee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zoo als ik wel wil!”</span></p> +</div> +</div> +<p>“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. + +</p> +<p>“Och,” zei de man, half treurig: “nu wil ze in een kasteel wonen.” “Ga maar heen,” zei de bot, “ze staat al voor de deur.” + + +</p> +<p>Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, +en op de trap van ’t kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: “Kom maar +binnen.” Hij ging met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren vloersteenen. En ’t was er vol bedienden, +die gooiden groote dubbele deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de zalen stonden stoelen en tafels +van klinkklaar goud, en kristallen kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige vloerkleeden. En de tafels +bogen onder de zwaarte van al het eten. En achter het huis was ook een groot plein met een’ koestal en een’ paardenstal en +een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne vruchtboomen, +en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl, en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar wenschen +kon. + +</p> +<p>“Nu,” zei de vrouw, “is dat nu niet mooi?”—“Och, ja,” zei de man, ”’t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we +in het prachtige kasteel wonen en tevreden wezen.”—“Daar zullen we nog eens over <a id="d0e2375"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2375">182</a>]</span>denken,” zei de vrouw, “daar zullen we ons nog eens op beslapen.” En zoo gingen ze naar bed. + +</p> +<p>Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk +uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten; maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens +uit: daar stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: “Kijk toch eens uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! +Zeg, we moesten koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg, dat we koning en koningin willen wezen.” + + +</p> +<p>“Och, vrouw,” zei de man, “wat zal het beduiden, dat wij koning en koningin zijn. Ik heb er geen’ zin in, ik mag niet graag +koning zijn.”— “Nu,” zei de vrouw, “mag jij niet graag koning zijn, ik mag wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, +dat ik koningin wil worden.”—“Ach, vrouw,” zei de man, “wat zal ’t beduiden, dat jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, +dat wil ik liever niet vragen.”—“Kom, waarom niet,” zei de vrouw, “je gaat straks maar heen en zegt, dat ik koningin wil worden.” + + +</p> +<p>En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet +goed, dacht hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee. + +</p> +<p>En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, +en er ging een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er van. Toen ging de man staan en riep: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Mannetje, mannetje Timpetee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zooals ik wel wil!”</span></p> +</div> +</div> +<p>“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach,” zei de man, “ze wil koningin worden.”—“Ga, maar heen, zij is ’t al,” zei de bot. + + +</p> +<p>En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij, dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig +lofwerk en beelden: een heel paleis. +<a id="d0e2398"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2398">183</a>]</span></p> +<p>En voor ’t paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en +op pauken slaan. En toen hij in ’t paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de vloer, maar de gangen en alles van marmer was, +met gouden randen afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden koorden en kwasten. Toen gingen de deuren +van de groote zaal open, en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw zat op een hoogen gouden troon +met fonkelende diamanten, en ze had eene prachtige kroon op en een’ scepter in de hand van zuiver goud en edelgesteenten, +en aan weerszijden van haar stonden de hofdames in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was dan de +eerste en weer eene kleinere, en zoo al door. + +</p> +<p>Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: “Och, vrouw, ben je nu koningin?”—“Ja,” zei de vrouw, <span class="corr" title="Bron: ">“</span>nu ben ik koningin!” Toen stond de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele poos aangekeken had, zei +hij: “Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets meer wenschen.”—“Och, +wat,” zei de vrouw, en ze schoof onrustig op haren troon heen en weer, “praat mij er niet van. ’t Heeft mij al weer veel te +lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan +worden.”—“Och, vrouw!” riep de man, “wat zal het beteekenen, dat je keizerin wordt?” “Man,” zei ze, ga heen, “ik wil, ik moet +keizerin worden.”—“Och, vrouw,” zei de man, “keizerin kan hij je niet maken, ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin +is nog veel meer dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet.” + +</p> +<p>“Hoe durf je zoo te praten!” riep de vrouw, “ik ben de koningin, en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, +dadelijk, hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin maken. Ik <i>wil</i> keizerin wezen. Ga dadelijk heen.” + +</p> +<p>Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte +hij: “Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan den bot op ’t laatst ook wel te veel worden.” +<a id="d0e2413"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2413">184</a>]</span></p> +<p>Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig, en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, +en de wolken joegen, en ’t werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren vlogen van de boomen en dwarrelden over den +grond, en ’t water bruiste en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen, die dansten op de golven, +en de noodschoten knalden, en de hemel was vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren op de wolken +als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was de hemel. Alleen in ’t midden was nog een plekje blauw te zien. Toen +werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mannetje, mannetje Timpetee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zooals ik wel wil!”</span></p> +</div> +</div> +<p>“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach, bot,” zei de man, “mijne vrouw wil keizerin worden.”—“Ga maar heen,” zei de bot, +“ze is ’t al.” + +</p> +<p>En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het +huis marcheerden de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En in het paleis liepen baronnen en hertogen +en graven rond en deden, of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren, die van puur goud waren. En +toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne vrouw op een’ troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel een huis hoog was, +en eene groote gouden kroon had ze op, die was wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene hand had +ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje +kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet +grooter was dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen en prinsen. Daar ging de man tusschen staan +en hij vroeg: “Ben je nu keizerin?”—“Ja,” zei ze, “ik ben <a id="d0e2429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2429">185</a>]</span>keizerin.” Toen stond de man en bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in ’t gezicht gezien had, +zei hij: “Och, vrouw, wat lijkt het mooi, dat jij keizerin bent.” Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom, ze verroerde zich +niet. Toen zei de man: “Nu wees tevreden vrouw, nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden.”—“Daar zal ik mij eens +op bedenken,” zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen, +al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden? + +</p> +<p>De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere +zijde, en dacht maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets bedenken. Dat duurde zoo den heelen +nacht. Eindelijk zou de zon opgaan, en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in ’t bed zitten en zag +in het morgenrood op, en toen ze door het venster de zon op zag komen, dacht ze: “Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op +laten gaan?! En—man,” zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan, “man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik +worden wil als onze lieve Heer!” + +</p> +<p>De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou +hebben, en hij wreef zich de oogen uit en zei: “Och, vrouw, wat zeg je!”—“Man,” zei de vrouw, “als de zon en de maan op zullen +gaan, dan moet <i>ik</i> ze laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe, dat hou’ ik niet uit, dan heb ik geene rust meer +in mijn leven.” En ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de leden ging. “Dadelijk heengaan!” riep +ze, “ik wil worden als de lieve Heer!”—“Och, vrouw,” zei de man, en hij viel voor haar op de knieën, “wat ik je bidden mag, +laat mij dat niet vragen; dat kan de bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en blijf keizerin!” + + +</p> +<p>Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: “Ik hou’ het +niet uit, en ik hou’ het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!” Toen schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig +de deur uit. + +</p> +<p>Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet op <a id="d0e2442"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2442">186</a>]</span> de beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden +in de zee. De lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen torenhoog en hadden bruisende witte koppen. +Toen schreeuwde de man, en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan: + +</p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">“Mannetje, mannetje Timpetee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Botje, botje in de zee, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Mijne vrouw, mijn Ilsebil, +</span></p> +<p class="line" style=""><span class="poetryline">Wil niet, zoo als ik wel wil!”</span></p> +</div> +</div> +<p>“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach!” zei de man, “ze wil worden als onze lieve Heer!”—“Ga maar heen, ze zit al weer +in het hutje bij den mesthoop,” zei de bot.... + +</p> +<p>Daar zit ze nog tot op dezen dag. + + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2457"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e90">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>De Geluksklok.</h2> +<p>Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel +veel eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed was wat duur, dan zei Moeder: “Och, ze moet hem +maar hebben, we hebben ook maar één kind.”—Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje maar mee. “Och, we hebben er ook +maar één,” zei Vader. Liesje kreeg, wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf—niets. Nooit behoefde ze eens hare mooie plaats +bij ’t raam af te staan aan een zusje, nooit was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van ’t wittebrood +was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze kousen voor moest breien—als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel +zei Moeder eens: “Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader breien?” Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig +groote voeten, en Vader zei: “Och, laat haar maar, als ze geen’ lust heeft.” + +</p> +<p>Dachten Vader en Moeder bij alles: “we hebben maar één kind om <a id="d0e2464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2464">187</a>]</span>plezier te doen,” Liesje dacht nooit: “Vader en Moeder hebben maar één kind, om hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik +zal nu eens doen, wat Vader en Moeder graag willen.” Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou. + +</p> +<p>Als de meid eens vroeg: “Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij even rijst voor me halen?” dan zei Liesje: “Dank je, ik hou’ +niet van boodschappen doen!”—Neen, <i>zij</i> hield niet van boodschappen doen. + +</p> +<p>Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje +opzitten. Zij had er op dat oogenblik lust in, en of de hond het <i>niet</i> prettig vond, dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te spinnen, dan zou ze juist met de hand aan +’t behang krabbelen, om Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat. + +</p> +<p>Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: “Lies, ik zou ’t wel aardig vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper +mag met dit mooie weer de deur niet uit, dan was ’t: ‘Ik heb geen boek!’”—“Je hebt immers zooveel boeken!”—“Ja, maar die heb +ik allemaal al gelezen!” + +<i>Zij</i> had ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet. + +</p> +<p>Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. +En de schoolmeisjes zeiden niet: “Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze is ook eenigst kindje.” Neen, de schoolmeisjes +zeiden: “Je kunt niet altijd je zin hebben’, speel ook eens, wat wij prettig vinden!”—Dan vond Liesje de meisjes “nare kinderen,” +maar zelf was ze niet naar, och, neen. + +</p> +<p>Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij +elkaar, en uit was ’t met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest hooren: “Ik wil niet langer met je!” dan klaagde +ze: “Niemand houdt van mij!” Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: “Met de liefde is het als met de echo. Alleen, +wanneer men geluid maakt, kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst, kan men liefde terug verwachten.” + + +</p> +<p>Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een +vroolijk jonge meisjesleven <a id="d0e2487"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2487">188</a>]</span>had ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan zij zelve. +Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: “Lize, toe, zoek toch nog eens +eene vriendin;” maar dan antwoordde Lize: “Ik heb er geen behoefte aan; ik heb aan u beiden genoeg.” Lize vergat iets: er +zou een tijd komen, dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden overhield, en eindelijk—dat ze niets +overhield.— + +</p> +<p>Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze ’t in huis en ook in de stad niet langer uithouden. “Ik moet hier weg,” snikte +ze, “ik heb hier toch niemand, die lief voor me is.” Ze trok naar een dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier +eens met Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje +gaan wonen. De buren in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een onverschillig gezicht. Wat konden +die vreemde menschen haar schelen met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen en geiten—dat waren hare +kinderen en koeien en schapen en geiten immers niet! + +</p> +<p>Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het +dorp geboren, het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat +niemand haar lief had—zóó zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen. + +</p> +<p>O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht? + +</p> +<p>Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven? + +</p> +<p>Geduld—ik vertel verder. + +</p> +<p>Eens op een’ zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje +voorbij. “Goeienavond,” zegt het mannetje vriendelijk. En toen: “Kom, het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige +huisje met het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij, en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes +als alles hier er uitziet.” Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen haar prezen en iets vriendelijks zeiden; +maar de woorden van het oude mannetje deden <a id="d0e2501"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2501">189</a>]</span>haar toch plezier, en ze antwoordde: “Ik ken je niet. Zeker woon je ver van hier?” + +</p> +<p>“Ik woon daar ginds, in de bergen,” zei het mannetje. “Ik kom hier wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker +ben je niet heel nieuwsgierig uitgevallen.” + +</p> +<p>“Neen,” zei Lize, “wat andere menschen doen, kan mij niet schelen.” “Dat dacht ik wel,” zei het mannetje, “je krijgt zeker +ook nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe +zal het binnen dan wel wezen!” + +</p> +<p>“Kom maar eens kijken,” zei Lize. + +</p> +<p>“Mag ik? graag!” zei het mannetje. + +</p> +<p>Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de +handen in elkaar over de netheid van het huisje. “Hier komen zeker nooit kinderen?” vroeg hij. + +</p> +<p>“Kinderen, neen,” zei Lize, “die komen overal met de vingers aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met +schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?” + + +</p> +<p>“Ik ben horlogemaker,” zei het mannetje. “Heb je soms eene klok, die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken.” + + +</p> +<p>“Daar zeg je zoo iets,” zei Lize, “mijne klok staat al eene poos stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp +geen’ klokkenmaker. Wil<span class="corr" title="Bron: ,"></span> je eens zien, wat er aan hapert? Zoo’n stilstaande klok vind ik zoo iets onordelijks.” + +</p> +<p>“Zeker,” zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit en stapte op een’ stoel en bekeek de klok en smeerde de +raderen, en een oogenblik later tikte de klok weer. “Dank je vriendelijk,” zei Lize. “Wat ben ik je schuldig?” + +</p> +<p>“Niets,” zei het mannetje. “Komaan, nu moet ik weer verder. Als je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens +bij mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun je niet.” “Goed,” zei Lize, “ik kom bepaald eens. +Ik dank je nog wel!” + +</p> +<p>“Niet te danken, tot ziens dan,” zei het mannetje, en stapte verder. +<a id="d0e2527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2527">190</a>]</span></p> +<p>Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien +en paarden en geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden worden. De angst maakte haar half ziek, +en ze had geene vrienden, bij wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene groote wandeling maken; +misschien zou ze daar wat fleuriger van worden. + +</p> +<p>Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? +Och, neen, ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al +tobbende liep ze verder, ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens bemerkte ze, dat ze op eene plaats +was, die ze niet kende. Daar zag ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes opstijgen. Gelukkig, +daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze wandelde om den steen +heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje: den kleinen klokkenmaker! + + +</p> +<p>“Hé!” riep het mannetje, “dat is aardig, kom je mij nu eens opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen; +ze zijn net klaar.”—“Graag,” zei Lize; want ze had honger gekregen van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. +“Waar is toch je huis?” vroeg ze. “Ik zie nergens een huis.”—“Zie je die deur daar in den berg?” vroeg het mannetje, “dat +is mijne huisdeur.” Neen maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook een vensterraam, naast de deur in den +berg gebouwd. “Hé,” zei ze, “dat moet ik eens naderbij zien.”—“Met plezier,” zei het mannetje, “kom maar mee, dan kun je eens +zien, of het bij mij ook zoo netjes is als bij jou!”—“Wat een grappig deurtje,” zei Lize, en ze bukte zich om er door te gaan. +“Voor mij is het groot genoeg,” zei het mannetje. + +</p> +<p>Nu kwamen ze in eene groote ruimte; ’t leek wel eene boerenkamer. Aan den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat +was ook wel noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond eene prachtige kast aan den wand, en in +de deuren waren kleine dwergjes gesneden. ’t Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen. <a id="d0e2536"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2536">191</a>]</span>Het dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene +kopjes en schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: +steen, waar goud in zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout van eene soort, die Lize nog nooit +gezien had. En het mannetje vatte alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats, of elk ding een groote +schat was. + +</p> +<p>Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat +toch voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar +achter zal nog wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd +geluid: een ratelen, een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken. + +</p> +<p>Nu zei het mannetje: “Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan zitten, daar is ’t veel frisscher.”—“Ja,” zei Lize, “maar, +zeg, wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote hangslot?”—“O,” zei het mannetje, “daar zit eene klok +achter,” en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond, dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, +maar ze was zoo heel nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom zei ze: “Toe, laat mij haar maar +eens zien, ik heb jou ook alles laten zien, wat ik in mijn huisje had.”—“Neen, dat kan niet,” riep het mannetje onwillig. +“Bovendien, je zou er ook niets aan hebben, want ’t is geene gewone klok, ’t is de geluksklok van ons dorp, en vertel nu maar +aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou ik mijn’ dienst verliezen.”—“Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu iets +vertellen!” riep Lize, “ik kom immers nooit bij andere menschen, en niemand komt bij mij.” En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger +werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo lang, dat het mannetje zei: “Nu, kom dan maar, maar vergeet +nooit, dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam, dat ik je de klok had laten zien!” + +</p> +<p>Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengen <a id="d0e2544"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2544">192</a>]</span>piepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat +waren, in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, +maar veel meer bont gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte. + +</p> +<p>“Hé, hé, vreemd, vreemd!” riep Lize, “ik begrijp er niets van.”—“Dat wil ik wel gelooven,” zei het mannetje, ”’t is ook iets +heel bijzonders met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat +verzeker ik je. Altijd moet ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een uur van huis. ’s Nachts +slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig uren blijft +de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur, en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan +blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet oppassen, dat niemand de klok kan zien. ’t Is moeilijk, +altijd precies om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook +al niet zoo heel jong meer.”— + +</p> +<p>Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. “Maar, wat moeten al die cijfers toch beduiden?” vroeg ze. “Dat zijn +de huizen van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen, die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond +en wijzen aan, <span class="corr" title="Bron: “"></span>wat er zoo al in ieders leven gebeurt.” + +</p> +<p>Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze, dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer +kwam. “Wat beduidt die lange zwarte?” vroeg Lize. “Die brengt ongeluk aan,” zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur +weer dicht; want hij had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize’s nummer liep, en hij hoopte nog, dat Lize er niets van +gemerkt had. Maar Lize had wel iets gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig. + +</p> +<p>Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het +mannetje voor de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis. + +</p> +<p>’t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet op, ze stapte <a id="d0e2558"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2558">193</a>]</span>in den droom voort: al hare gedachten waren bij de geluksklok. Voordat ze ’t wist, was ze weer in ’t dorp. Overal brandden +de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen’ lust meer, om licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo’n +verdriet. Lusteloos viel ze op een’ stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen, ze dacht alleen aan het ongeluk, dat +haar naderde. “Waarmee heb ik dat verdiend?” dacht ze. “Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor alles, wat ik bezit, ben +ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen, die wel eens +verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en niet een ander!” Met afgunst dacht ze aan al de anderen op ’t dorp, die +niet ongelukkig zouden worden. + +</p> +<p>Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en verdrietiger en ongeruster. Plotseling—daar sloeg de klok twaalf! +Lize sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op +straat en liep ze den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze voor de deur van het berghuisje. En—de +deur van het huisje was open, en de deur voor de klok was open en—o, wonder! het mannetje lag voor de open klokdeur en—sliep! +Hij had de klok niet gehoord, hij had de klokdeur niet open hooren gaan! ’t Was, of het zoo wezen moest. + +</p> +<p>Lize sloop vooruit—voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. ’t +Was, of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte +oogen op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag, ’t was of die doorzichtig was. En—wat zag ze er +doorheen? Ze zag den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek over den grond kruipen. De bak met eten +stond onaangeroerd—de droge tong hing het arme dier uit den bek. “Waarom juist mijne geit, o, o, ik kan dat niet zien,” dacht +Lize. “Waarom niet de geit van den kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen schuld zijn been +gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht, ik schuif den wijzer één nummer verder.” Pas had Lize den wijzer verschoven, +of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze verschrikt wegvloog. Bijna was ze over de <a id="d0e2564"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2564">194</a>]</span>beenen van het mannetje gevallen—zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker gemaakt, en doodsangstig, wat er +nu gebeuren zou, verstopte ze zich in een donker hoekje in de kamer. + +</p> +<p>Maar—het mannetje <i>was</i> wakker geworden, en hij wist haar wel te vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste haar recht +voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen +timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon +hij niet meer aan ’t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar dat was niet zooveel, dat ze een huisje +met een kleinen stal konden bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De timmerman zat met het hoofd in +beide handen te zuchten. De vrouw veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een’ traan weg, en twee kleine kinderen trokken +haar aan den rok en riepen: “Toe, Moeder, geef ons nu pap!”—“Stil toch!” riep de vader verdrietig. Maar de kinderen keken +de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder: “Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit ziek is en +nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus; die brengen geld mee, om brood te koopen.” + +</p> +<p>Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren +doodmoe en hadden honger ook. De eerste vraag was: “Is de pap klaar, Moeder?” Toen begon de moeder te schreien. En de Vader +vroeg: “Waar is het geld?” Toen de kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: “Is dat alles? Dat heb ik noodig, om wilgeteenen +voor de korven te koopen. Voor brood blijft er niets over.”—“Maar, Vader,” riep de moeder, “de kinderen kunnen toch niet verhongeren, +ze moeten toch eten hebben!”—“Dan moeten ze maar wachten, tot de geit weer beter is,” zei de vader. “Wie weet, of die wel +ooit weer beter wordt,” zuchtte de moeder.— + +</p> +<p>Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon zooveel ellende niet meer zien. “O,” riep ze, “draai +den wijzer weer op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven.”—Daar sloeg op eens de deur voor de klok dicht. +“Kom morgennacht om twaalf uur terug,” zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten zijn huisje. +<a id="d0e2575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2575">195</a>]</span></p> +<p>Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de deur open draaide. Maar ’t was, of ze geen plezier in +de beterschap van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van den timmerman met al de ongelukkige stumpers +van menschen. ’s Nachts droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze ’s morgens bij ’t opstaan. Zouden de kinderen +nu al eten gehad hebben? Het hart klopte haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze kon de boterham +niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist, wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze voor +de deur van den timmerman. + +</p> +<p>Toen ze binnenkwam, zett’en allen groote oogen op. Was dat de buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize +schaamde zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen en hapten al gauw in eene lekkere boterham, +en de moeder keek haar zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg zoo’n heerlijk gevoel, als ze nog +nooit in haar leven gehad had. “Als je soms uit werken wilt gaan,” zei ze, “stuur de kleine kinderen dan maar bij mij. Ik +zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij eten.” De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand. + +</p> +<p>Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei +kleinigheden te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar hoe later het werd, hoe meer Lize’s prettig gevoel +verdween. Toen ze eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde ze, dat ze nu zichzelf in ’t ongeluk +moest brengen. Haar geit was zoo’n prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat ze de geit van de +arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven; maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: ’t was toch +beter, dat die stierf dan eene geit. ’t Was waar, hij leidde wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere +hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman; want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. +En dan, het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht +ze nooit iets, als de oude man met koopwaar aan de deur kwam. + +</p> +<p>Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlug <a id="d0e2584"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2584">196</a>]</span>den zwarten wijzer naar ’t huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist +Lize ook vooruit, wat er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam de kleine klokkenmaker haar bij +de hand en plaatste haar voor de klok. + +</p> +<p>Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist +zijn middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had +geen’ lust in eten. Treurig keek hij zijn’ baas aan. Dat zag de blinde baas niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders +altijd zoo blij met zijn eten, niet at. “Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je dan een lekker hapje van den baas?” Maar +Karo wou ook geen lekker hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op zijne knie. De blinde man tastte +nu naar den neus van het dier, en toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust voorbij: hij schoof zijn +bord op zij. + +</p> +<p>Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed—de hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen +van het bed en legde het op den vloer. “Kom, hier, Karo! beste hond, ga maar koesten.” De hond kroop op het kussen en likte +hem de handen. De tong was droog en heet. “O, Karo,” zuchtte de blinde, “word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb +mij zoo aan je gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!” De hond kwispelde lusteloos met den staart; maar +toen de oude man weer in zijn’ stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan zijne voeten liggen. + +</p> +<p>Toen Lize dat zag zei ze: “Zoo’n hond heeft toch ook waarde! wat een trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder +gemist kunnen worden.”—“Bedenk je goed,” zei het mannetje, “meer dan drie keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. +Morgen is het dus de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den meester kijken, of de poes daar wel zoo +best gemist kan worden, als je meent, anders krijg je misschien weer berouw.”—“Ja, dat is goed, dat zal ik doen,” zei Lize, +en zuchtende ging ze naar huis. + +</p> +<p>Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond voor zich. ’s Morgens was haar eerste gedachte, hoe het +er wel mee wezen <a id="d0e2594"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2594">197</a>]</span>zou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen’ tijd had, aan zich zelf en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op ’t laatst +kon ze ’t in huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn’ hond nog niet zien loopen, ze had den hond nog geen eenen +keer hooren blaffen. Ze zou er maar eens heengaan. Wacht—ze had vleesch op schotel, dat zou ze voor den armen man meenemen. +Misschien, dat de arme zieke hond er ook een stukje van lustte. + +</p> +<p>Ze stapte naar den overkant. “Zoo, buurman,” zei ze, “ik kom eens naar je kijken, ’k Zag je niet met den hond de deur uitkomen +van morgen, hoe komt dat zoo?”—“Och,” zei de blinde, “is de juffrouw van hierover daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd +wel tegen de menschen gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt.” Lize kleurde verschrikkelijk en was maar +blij, dat haar buurman het niet zag. “Och,” zei de blinde verder, “ik kan niet uitgaan, mijn trouwe leidsman is ziek. Kijk +hij eens lusteloos neerliggen.” + +</p> +<p>Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom +heb je mij zoo ziek gemaakt! “Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,” zei ze. “Probeer eens, of de hond daar ook +een stukje van lust.” De blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had het arme beest trek. + +</p> +<p>Zijn baas zuchtte. “Och, Juffrouw,” zei hij, “als ik dat beest moest missen, zou ik mij geen’ raad weten. Geen mensch is zoo +lief en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles, wil U wel gelooven ....” “Ik geloof, dat er iemand bij +mijne deur is,” zei Lize. “Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!” Ze kon niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. +“Mijne schuld! mijne schuld!” dacht ze aanhoudend. “O, je moest ook eens weten, wie je zoo ongelukkig gemaakt heeft!” + +</p> +<p>Nu was het bijna een geluk, dat ’s middags de kinderen van den timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden +zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had +nog nooit geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen +en zoo gelukkig, dat ze ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize, dat het toch ook wel aardig +<a id="d0e2604"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2604">198</a>]</span>was, anderen plezier te doen. De menschen, die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: “Kijk die eens!” en voor ’t eerst +riepen ze Lize een vriendelijk: “Dag, Juffrouw!” toe. + +</p> +<p>Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: “Nu wordt het tijd om naar Meester te gaan.” Vóórdat ze weer naar de klok +ging, moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize +wist niet veel van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar één kind hadden, dat niet sterk was. Ze +was een beetje verlegen, wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was. + +</p> +<p>Toen ze bij ’t huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze riep: “Poes, Poes! Mies! Mies!” Dat trof nu al heel +raar. Lize bleef staan en vroeg: “Is uwe poes weggeloopen?”—“Ja,” zei de meestersvrouw, “en ’t kleine meisje heeft zoo’n verlangen +naar het dier.”—“Hoe is het met uw klein meisje?” vroeg Lize. “Niet zoo heel best,” zei de vrouw, “ze ligt weer te bed. Wil +U niet eens binnen komen, dan kunt U haar eens zien.” + +</p> +<p>Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode +plekken. Ze keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe oogen vragend aan. “Wacht een poosje, Marietje,” +zei de moeder, “er is visite. Poes zal zóó wel komen.” Een oogenblikje hield het kind zich stil, maar ze bleef naar de deur +kijken, alsof het dier door de reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: “Komt niet!” De moeder bracht haar eene pop, maar +Marietje wou niets van de pop weten. “Kom,” zei de moeder, <span class="corr" title="Bron: ">“</span>ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen.” Het kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize haar +zachtjes schreien. + +</p> +<p>Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar het bedje van ’t kind. Daar zat het met schitterende +oogjes overeind en liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize iets gemerkt hadden, was poes door +een open raam binnen gekomen. “Mijn lieve, lieve Poeke,” riep het kind, “mag niet weer weggaan!”—“O,” zei de moeder, “dat +kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt, bij Poes kan ze altijd troost vinden.” +<a id="d0e2617"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2617">199</a>]</span></p> +<p>Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en +draaide den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een +tevreden gebrom hoorde. De oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord. + +</p> +<p>Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig +en stil. Lize had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. ’t Was, of ze ’t nu voor ’t eerst lief had met al de menschen, die +er in woonden. Toen ze in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja, daar lag haar lieve geit lusteloos +en ellendig: doodziek. Ze gaf het dier een bos versch stroo, om op te liggen en een’ bak vol schoon water. “Arm geitje,” zei +ze, “dat is alles, wat ik voor je kan doen op ’t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die nog iets +kan geven, dat je goed doet.” Maar toen Lize den volgenden morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar +uit de oogen, maar toch zei ze: ”’t Is zoo het beste.” + +</p> +<p>Toen Lize nog aan ’t ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk geblaf. Ze liep in het tuintje voor ’t huis. Daar zag ze +haar overbuurman met zijn trouwen Karo. “Zoo, buurman,” riep ze, “al zoo vroeg op ’t pad?”—“Ja,” antwoordde de blinde, “ik +kon ’t van plezier niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is heelemaal weer beter!”—“Och, daar ben +ik blij om,” zei Lize, “je kon hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven.”—“Och, Juffrouw,” zei de blinde, +“wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!” + +</p> +<p>Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord, dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo +verschrikkelijk! “Zoo’n beste, melkgevende geit!”—“Ja,” zei Lize, ”’t is naar, maar ’t is toch nog maar een geluk, dat het +jullie geit niet is. Ik kan me er beter zonder redden.”—“Hoe lief van U, dat te zeggen,” zei de vrouw van den timmerman. Lize +kleurde weer, toen ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch—o, het gaf haar zoo’n gelukkig gevoel, dat +ze iets goeds gedaan had. + +</p> +<p>’s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan de <a id="d0e2628"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2628">200</a>]</span>hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een’ pot met vette melk. “Ik dacht,” zei de meestersvrouw, “nu U +geene melk van de geit kon krijgen...,”—“Dat is aardig,” zei Lize. “Is Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer +dan eene geit voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes had.” Toen greep de meestersvrouw Lize bij +de handen en keek ze haar zoo dankbaar in de oogen. ’t Was, of die twee elkaar voor altijd trouwe vriendschap beloofden. + +</p> +<p>Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok +ging haar eigen weg. Dan kwam het ongeluk in ’t eene, dan in ’t andere huis. Als Lize hoorde, dat er hier of daar ellende +in een huis was, zag ze in hare gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging ze er heen, om te +troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het geluksuurwerk +ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze. + +</p> +<p>Eens vroeg de vrouw van den meester haar: “Zeg me toch eens, hoe het zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield +niemand van je, nu hebben groot en klein je lief.” + +</p> +<p>Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het mannetje en de geluksklok vertellen. + +</p> +<p>“Och,” zei ze, “ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. +Toen heb ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat mijne juffrouw op school altijd zei: ‘De liefde +is als de echo, die ongeroepen stom blijft.’ Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug: ik heb liefde gegeven en liefde +ook ontvangen, en nog nooit in mijn leven ben ik zoo gelukkig geweest.” + +</p> +<p>Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht genas en haar gelukkig maakte. + + +</p> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Zonnestralen in School en Huis, by +Henr. Dietz and Kath. Leopold + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS *** + +***** This file should be named 18429-h.htm or 18429-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/4/2/18429/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/18429-h/images/p033.jpg b/18429-h/images/p033.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..61b300d --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p033.jpg diff --git a/18429-h/images/p053.jpg b/18429-h/images/p053.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..063d242 --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p053.jpg diff --git a/18429-h/images/p081.jpg b/18429-h/images/p081.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b5bcde8 --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p081.jpg diff --git a/18429-h/images/p087.jpg b/18429-h/images/p087.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..305caa0 --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p087.jpg diff --git a/18429-h/images/p102.jpg b/18429-h/images/p102.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e82ffde --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p102.jpg diff --git a/18429-h/images/p130.jpg b/18429-h/images/p130.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..68cf360 --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p130.jpg diff --git a/18429-h/images/p134.jpg b/18429-h/images/p134.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..833314d --- /dev/null +++ b/18429-h/images/p134.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..678aac3 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18429 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18429) |
